NietWeten.nl

Wit wat je weet met het...

WITBOEK VOOR ZOEKERS

Thuiskomen in den vreemde

Gaan zonder weg

Zoeken naar het einde van het zoeken, levendiger leven op de tast – demente dialogen en beschonken beschouwingen over vragen zonder antwoord, gaan zonder weg en thuiskomen in den vreemde. Voor iedereen die het nog niet weet of niet meer weet.

Woord: Hans van Dam

Beeld: Lucienne van Dam

Status: werk in uitvoering

Deel 10 van de Agnosereeks

Laatst bijgewerkt op dinsdag 16 april 2024 om 12:40


Cover van het Witboek voor Zoekers.

Snelmenu

Inhoud

1. Kiezen of tanden? Verslag van een openbare bijeenkomst met Meester Hans van Dam

Op het hoogtepunt van zijn roem hield Meester Hans van Dam een openbare bijeenkomst in het Vondelpark, waar een oud vrouwtje op afkwam.

Van Dam liet zijn blik over het lege plein gaan, trok zijn jas aan, stopte zijn megafoon in zijn weekendtas en riep naar de bomen: 'Heeft er iemand nog iets te vragen?'

Het vrouwtje sliste: 'Wat isj weten?'

Van Dam donderde: 'Een balk in je oog! Een steen in je maag! Een brok in je keel! Een last op je schouders! Een doorn in je voet! Gal in je hart! Peper in je reet! Zout in je wonden! Een hand vol vliegen!'

Het vrouwtje sliste: 'Wat isj niet-weten?'

Van Dam donderde: 'Met je mond vol tanden staan!'

Het vrouwtje sliste: 'Nou, dan sjou ik het wel weten.'

2. Zoeken naar het einde van het zoeken

Meester Maya zegt:

Wat is spiritualiteit?

Dromen van het einde van het dromen.

Denken over het einde van het denken.

Hopen op het einde van het hopen.

Weten van het einde van het weten.

Streven naar het einde van het streven.

Grijpen naar het einde van het grijpen.

Smachten naar het einde van het smachten.

Smeken om het einde van het smeken.

Bidden om het einde van het bidden.

Zoeken naar het einde van het zoeken.

Sterven aan het einde van het sterven.

3. Het einde is ver te zoeken

Meester Maya zegt:

Wat is de weg?

Dromen...

Dromen van het einde...

Dromen van het einde van het dromen...

Dromen van het einde van het dromen van het einde...

Dromen van het einde van het dromen van het einde van het dromen...

Denken...

Denken over het einde...

Denken over het einde van het denken...

Denken over het einde van het denken over het einde...

Denken over het einde van het denken over het einde van het denken...

Hopen...

Hopen op het einde...

Hopen op het einde van het hopen...

Hopen op het einde van het hopen op het einde...

Hopen op het einde van het hopen op het einde van het hopen...

Weten...

Weten van het einde...

Weten van het einde van het weten...

Weten van het einde van het weten van het einde...

Weten van het einde van het weten van het einde van het weten...

Streven ...

Streven naar het einde...

Streven naar het einde van het streven...

Streven naar het einde van het streven naar het einde...

Streven naar het einde van het streven naar het einde van het streven...

Grijpen...

Grijpen naar het einde...

Grijpen naar het einde van het grijpen...

Grijpen naar het einde van het grijpen naar het einde...

Grijpen naar het einde van het grijpen naar het einde van het grijpen...

Smachten...

Smachten naar het einde...

Smachten naar het einde van het smachten...

Smachten naar het einde van het smachten naar het einde...

Smachten naar het einde van het smachten naar het einde van het smachten...

Smeken...

Smeken om het einde...

Smeken om het einde van het smeken...

Smeken om het einde van het smeken om het einde...

Smeken om het einde van het smeken om het einde van het smeken...

Bidden...

Bidden om het einde...

Bidden om het einde van het bidden...

Bidden om het einde van het bidden om het einde...

Bidden om het einde van het bidden om het einde van het bidden...

Zoeken...

Zoeken naar het einde...

Zoeken naar het einde van het zoeken...

Zoeken naar het einde van het zoeken naar het einde...

Zoeken naar het einde van het zoeken naar het einde van het zoeken...

Het einde

Het einde is ver

Het einde is ver te zoeken

4. Levensvragen om door te zagen

Meester Maya zegt:

Stel dat je alle levensvragen onbeantwoord achter je moest laten. Hoe voelt dat?

Stel dat je alle levensvragen onbeantwoord achter je kon laten. Zou je dat doen?

5. Meester Maya zoekt niet meer

Meester Maya heeft het uitgezocht.

De een zoekt het in dadendrang. De ander zoekt het in overgave.

De een zoekt het in dit leven. De ander zoekt het in het hiernamaals.

De een zoekt het in het geloof. De ander zoekt het in ongeloof.

De een zoekt het in kennis. De ander zoekt het in niet-weten.

De een zoekt het in gehechtheid. De ander zoekt het in onthechting.

De een zoekt het in het verleden. De ander zoekt het in het hier en nu. De derde zoekt het in de toekomst.

Meester Maya zoekt niet meer.

Meester Maya is uitgezocht.

6. IJdelheid van oost tot west

Biddend skelet en mediterend skelet met de ruggen naar elkaar.

Vanitas vanitatum, omnia vanitas*

(Prediker 1.2)

* ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid

7. Zoeken maakt van mensen dwazen

Meester Maya zegt:

Zoeken maakt van mensen dwazen
Alle netten overboord
Goede knopers maar van mazen
Hebben ze nog nooit gehoord

Zitten maakt van mensen dwazen
Wachtend voor een open poort
't Boeddhaschap waarop ze azen
Blijkt ten slotte maar een woord

Godsdienst maakt van mensen dwazen
Dorstend in het dorste oord
God verzoekend, zijn oasen
Hebben hen nog nooit bekoord

Wijsheid maakt van mensen dwazen
Voerders van het Hoogste Woord
Echoput vol holle frasen
Stilte wordt daar nooit gehoord

Cirkel van blinden die elkaar achterna lopen.
^ Zoeken maakt van mensen dwazen.

8. De Intergalactische Waarheidsconferentie

Vannacht droomde ik dat ik een intergalactische waarheidsconferentie voorzat.

De zaal was zo groot als de kosmos zelf en zat bomvol.

Ik opende de conferentie en riep: 'Wie van ons heeft de waarheid in pacht?'

Ik vroeg het de katholiek, de papist, de ultramontaan, de integralist, de gnosticus, de basilidiër, de bogomiel, de borboriet, de cainiet, de carpocratiër, de mandaeër, de chiliast, de marcionist, de ophiet, de arianist, de pelagiaan, de manicheeër, de doceet, de maroniet, de amish, de albigens, de waldenzer, de lollarde, de flagellant, de hussiet, de calixtijn, de gereformeerde, de protestant, de lutheraan, de calvinist, de zwingliaan, de anglicaan, de presbyteriaan, de episcopalist, de dissenter, de Boheemse Broeder, de Moravische Broeder, de puritein, de quaker, de doopsgezinde, de wederdoper, de methodist, de remonstrant, de contraremonstrant, de sociniaan, de jansenist, de apostolist, de adventist, de millerist, de Jehova-getuige, de restaurationist, de mormoon, de piëtist, de quiëtist, de evangelist, de unitariër, de zevendedagsadventist en vele anderen.

Allen riepen: 'Wij!'

Ik vroeg het de benedictijn, de bernardijn, de augustijn, de cisterciënzer, de kartuizer, de trappist, de karmeliet, de premonstratenzer, de kruisheer, de celestijn, de johannieter, de tempelier, de serviet, de camaldulenzer, de miniem, de trinitaris, de franciscaan, de minoriet, de barrevoeter, de recollect, de kapucijn, de conventueel, de tertiaris, de dominicaan, de jezuïet, de redemptorist, de alexiaan, de camilliaan, de hiëronymiet, de marist, de salesiaan, de montfortaan, de passionist, de scheutist, de picpus, de begijn, de ursuline, de visitandine en vele anderen.

Allen riepen: 'Wij!'

Ik vroeg het de orthodoxe jood, de modern-orthodoxe jood, de charedische jood, de chassidische jood, de mitnagdiem-jood, de reconstructionist, de reformist, de karaïtische jood, de talmoedist, de Sadduceeër, de Farizeeër, de Esseen, de Hasmoniet, de nazireeër, de ebioniet, de elkasiet, de maraan, de converso, de franksiet, de donmeh, de zeloot, de sikariër, de sabbatist, de kabbalist, de rabbinist, de talmidaïst en vele anderen.

Allen riepen: 'Wij!'

Ik vroeg het de moslim, de ahmadiyyaist, de lahorist, de abadist, de mozabiet, de koranist, de panislamist, de soefiet, de salafiet, de sjiiet, de isma'iliet, de druze, de nizari, de jafari, de zaidiet, de soenniet, de hanafiet, de berailviet, de deobandiet, de hanbaliet, de salafist, de wahabist, de malikiet, de mu'taziliet, de shafiïet, de maraboet, de fakir, de derwisj, de kalender, de volksislamiet, de bektashiyyaist, de chishtiyyaist, de mevleviyyaist, de naqshbandiyyaist en vele anderen.

Allen riepen: 'Wij!'

Ik vroeg het de agnost, de atheïst, de atheoloog, de deïst, de dystheïst, de eutheïst, de kakotheïst, de monotheïst, de suitheïst, de henotheïst, de polytheïst; de kathenotheïst, de maltheïst, de pantheïst, de panentheïst, de cosmotheïst, de transcendentalist, de asceet, de dualist, de zuivere non-dualist, de dualistische non-dualist, de gekwalificeerde non-dualist, de non-dualistisch dualistisch non-dualist, de alchemist, de antroposoof, de martinist, de vrijmetselaar, de rozenkruiser en vele anderen.

Allen riepen: 'Wij!'

Ik vroeg het de absurdist, de activist, de aestheticus, de amoralist, de analytische wijsgeer, de anarchist, de atomist, de averroïst, de conceptualist, de consensualist, de constructivist, de cynicus, de decadentist, de decisionist, de defaitist, de deontoloog, de determinist, de indeterminist, de dialectisch materialist, de dualist, de eclecticus, de emationist, de empirist, de encyclopedist, de epicurist, de essentialist, de evolutionist, de existentialist, de falsificationist, de fatalist, de fenomenoloog, de freudiaan, de fysicalist, de hedonist, de historicist, de historist, de holist, de idealist, de illuminist, de immaterialist, de inductionist, de instrumentalist, de intuïtionist, de irrationalist, de jungiaan, de logicist, de logisch positivist, de materialist, de mentalist, de monist, de moralist, de naturalist, de natuurfilosoof, de neokantiaan, de neoplatonist, de pluralist, de neorealist, de neothomist, de nihilist, de nominalist, de objectivist, de obscurantist, de occasionalist, de parallellist, de peripateticus, de personalist, de perspectivist, de platonist, de pluralist, de positivist, de postmodernist, de pragmatist, de presocraat, de probabilist, de procesfilosoof, de pythagoreeër, de neopythagoreeër, de pyrrhonist, de rationalist, de realist, de reductionist, de relativist, de scepticus, de sciëntist, de sensualist, de situationist, de sofist, de solipsist, de stoïcijn, de structuralist, de poststructuralist, de subjectivist, de thomist, de traditionalist, de transcendentaal idealist, de utilitarist, de vitalist, de voluntarist en vele anderen.

Allen riepen: 'Wij!'

Ik vroeg het de volksboeddhist, de hinayanaboeddhist, de mahayanaboeddhist, de theravadaboeddhist, de mahanikayaboeddhist, de dhammakayaboeddhist, de dhammauttikaboeddhist, de watrawilaboeddhist, de kandubodaboeddhist, de tapovanaboeddhist, de galduwaboeddhist, de delduwaboeddhist, de vajrayanboeddhist, de yogacaraboeddhist, de madhyamakaboeddhist, de prasamgikaboeddhist, de svatantrikaboeddhist, de vaibhasikaboeddhist, de shingonboeddhist, de zuiver-landboeddhist, de mantrayanaboeddhist, de tien-taiboeddhist, de san-lunboeddhist, de fa-hsiangboeddhist, de lu-tsungboeddhist, de hua-yenboeddhist, de wonboeddhist, de zenboeddhist, de soto-boeddhist, de rinzai-boeddhist, de tibetaanse boeddhist, de roodhoed, de geelhoed, de narmapaboeddhist, de kagyupaboeddhist, de amidist, de kadampaboeddhist, de neokadampboeddhist, de sakyapaboeddhist, de jonangpaboeddhist, de riméboeddhist en vele anderen.

Allen riepen: 'Wij!'

Ik vroeg het de hindoe, de mayavadist, de shunyavadist, de brahmaan, de vedist, de lamaïst, de jaïnist, de parsist; de shaivist, de shaiva siddhantist, de kasjmir shaivist, de pashupati shaivist, de gorakshanatha shaivist, de shaiva advaitavadin, de vira shaivist, de shaktist, de smartist, de vaishnavist, de sampradayist, de ramanandavolgeling, de tengalaist, de vadagalaist, de agama hindoe, de bhakti yogi, de astanga yogi, de hatha yogi, de siddha yogi, de tantrist, de advaitavadin, de dvaitist, de keshadhari sikh, de sanatan sikh, de hozoori sikh, de ramgharia sikh, de namdhari sikh, de nirankari sikh, de nanaksar sikh, de sant nirankari sikh, de mona sikhs en vele anderen.

Allen riepen: 'Wij!'

Ik vroeg het de taoïst, de shintoïst, de animist, de naturalist, de totemist, de sjamaan, de druïde, de idolatrist, de siderist, de xylolatrist, de dierenaanbidder, de slangenvereerder, de fetisjdienaar, de vuuraanbidder, de zonaanbidder, de manist, de Baälsdienaar, de voodoopriester, de wintipriester, de mithraïst, de pythagoreïst, de peyotist, de tengrist, de confucianist, de humanist, de neohumanist, de seculier humanist, de religieus humanist, de esotericus, de oscillantist, de spiritist, de hellenist, de neopaganist, de burkhanist, de umbandaïst, de aetherist, de raëlist, de scientoloog, de urantist, de brianist, de vitalist, de purtillologist, de yoist, de mohist, de bahá'íist, de prometheïst, de demonist, de satanist, de setianist en vele anderen.

Allen riepen: 'Wij!'

Tenslotte vroeg ik het aan de vertegenwoordigers van de verenigende godsdiensten – de Arès Pilgrimage beweging, de Bahai, de Cao Dai, de Cultus van het Sprekende Kruis, de Falun Gong, de Huna, de Konkokyo, the Law of One, de Mahikari, het Rastafarianisme, de Seicho-no-le, de Tenrikyo, de theosofie, het Unitaristisch Universalisme, de Universal Life Church en vele anderen.

Allen riepen: 'Wij!'

Ik zei: 'Als jullie allemaal van mening zijn dat sommige of alle religies op hetzelfde neerkomen, waarom verenigen jullie je dan niet?'

De universalist antwoordde: 'We zijn het er nog niet helemaal over eens waar we het precies over eens zijn.'

Ik zei: 'Aha.'

De universalist zei: 'Maar dat is slechts een kwestie van tijd.'

De theosoof zei: 'Wij proberen eerst binnen de eigen gelederen tot eenheid te komen'

Ik zei: 'Hoelang proberen jullie dat al?'

De theosoof zei: 'Sinds anderhalve eeuw.'

Ik zei: 'Hoelang bestaan jullie al?'

De theosoof mompelde: 'Sinds anderhalve eeuw.'

Ik vroeg: 'Wie was jullie grondlegger ook alweer?'

De theosoof stotterde: 'Hè-Hè-Helena Bla-Bla-Blavatsky.'

Ik zei niks.

Iemand riep: 'Wat is de Waarheid volgens u, meneer de voorzitter?'

Ik haalde mijn schouders op en even viel er een verbijsterde stilte.

Toen barstte de hele kosmos in lachen uit.

Tot in de verste uithoeken van het universum wezen ingewijden brullend naar mijn persoon terwijl de tranen over hun wangen rolden.

Ik stond daar maar en stond daar maar.

Toen de vergaderden eindelijk uitgelachen waren, riep iemand, nog nahikkend van de pret: 'Waarom zit uitgerekend u de Intergalactische Waarheidsconferentie voor?'

Opnieuw barstte de kosmos in lachen uit.

Toen het lawaai weer was geluwd, zei ik: 'Daarom juist.'

Ditmaal viel er een doodse stilte waar geen eind aan kwam.

Mij was het om het even.

Ik had toch niks te doen.

zie ook https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_religies_en_spirituele_tradities

9. Woordenboek niet-weten: eternalisme, perennialisme, universalisme

eternalisme

het geloof in een achterliggende, absolute, onveranderlijke, eeuwige realiteit die de bron en bestemming is van de fenomenale werkelijkheid

Latijn, aeternalis (eeuwig, blijvend) + -isme

Wie heilig in het eternalisme gelooft, heet een eternalist.

Wie overal het eeuwige achter ziet en daar niet over kan ophouden, heeft eternalitis.

Het eternalisme is bij mijn weten niet te bewijzen of te ontkrachten; het is een geloof.

Niet-weten is het einde van je eternalisme of tenminste het einde van het heilige geloof in je eternalistische gedachten en in welke gedachten ook.

perennialisme

de overtuiging dat er zoiets is als absolute, onveranderlijke, eeuwige wijsheid, de zogeheten philosophia perennis, en dat de mens bestemd is om deze eeuwige wijsheid te leren kennen en ernaar te leven

Wat die eeuwige wijsheid precies inhoud is vers 2. Ondanks vele pogingen en initiatieven zijn mensen het er nog altijd niet over eens, laten we dit de dissensus perennis noemen, de eeuwige onenigheid.

Het perennialisme is bij mijn weten niet te bewijzen of te ontkrachten; het is een geloof.

Een perennialist is iemand die de eeuwige wijsheid in pacht heeft.

Wie niet kan ophouden over de eeuwige wijsheid, heeft perennialitis perennis, een chronische of zelfs eeuwigdurende aandoening, de naam zegt het al.

Niet-weten is het einde van je perennialisme of tenminste het einde van het heilige geloof in je perennialistische gedachten en in wat voor gedachten dan ook.*

* Het is weleens in me opgekomen dat dát de absolute, onveranderlijke, eeuwige wijsheid is, maar daar heb ik mezelf nog niet van kunnen overtuigen, laat staan anderen.

universalisme

de opvatting dat alle religieuze en spirituele stromingen ondanks oppervlakkige verschillen naar dezelfde universele waarheid verwijzen

Aangezien die universele waarheid universeel als een waarheid voorbij de woorden wordt gezien, zal het nog niet meevallen om vast te stellen of iedereen er dezelfde universele waarheid op nahoudt.

Sommige mensen verlangen vurig naar zo'n universele waarheid. Ik niet, je komt er nooit meer vanaf.

Het universalisme is bij mijn weten niet te bewijzen of te ontkrachten; het is een geloof.

Een universalist is iemand die de universele waarheid in pacht heeft.

Wie niet kan ophouden over de universele waarheid, heeft universalitis.

Niet-weten is het einde van je universalisme of tenminste het einde van het heilige geloof in je universalistische gedachten en in welke gedachten ook.

10. De Waarheid in negen woorden

Meester Maya zegt:

Wat de Waarheid is?

Weet je dat nou nog niet?

Het is maar net aan wie je het vraagt.

Dat is de Waarheid.

11. De harde waarheid

Meester Maya zegt:

Velen claimen de Waarheid, maar geen enkele claim wordt alom erkend, en de meeste mensen ontkennen de meeste claims.

Dat is de harde waarheid.

12. Woorden voorbij de Waarheid

Meester Maya verzucht:

Of er een Waarheid voorbij de woorden is weet ik niet.

Dat er woorden voorbij de Waarheid zijn lijdt geen twijfel.

13. Zoeker naar het einde van het zoeken, 1

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

14. een zachte waarheid

onwankelbaar de duikelaar

1

ik weet niet wat de waarheid is

ik weet niet wat een waarheid is

ik weet het niet

ik heb het nooit geweten

al dacht ik soms van wel

2

ik hoef het niet te weten

werkelijk waar

ik heb geen idee

en daar heb ik vrede mee

grote vrede met het grote tja

3

nee-noch-ja is zoete mede

juist in een grenzeloos niet-weten

een grenzenloos niet-weten

heb ik rust gevonden

in mijn onrust

in het niet kennen

in het niet kunnen kennen

in het niet kunnen

4

waarom wachten op het licht

licht verschijnt in duisternis

licht verdwijnt in duisternis

wie lacht hier het laatst

prachtig de nacht

krachtig de onmacht

die het licht weerkaatst

5

niet-weten is mijn waarheid

een zachte waarheid

een grote klaarheid

de lichte zwaarheid

van de duikelaar

6

draagbaar

verdraagbaar

niet overdraagbaar

niet van hart tot hart

niet buiten de geschriften om

geen transmissie

niet van een lege leer

geen transcendentie

niet met een lege leer

geen zelf en geen heer

geen doel en geen weg

geen middelen meer

wat wil je nog minder

7

het grote tja is een waarheid

die geen waarheid is

een waarheid van niks

een lege waarheid

de lege waarheid

van de lege rede

lege woorden

in een lege bede

het zij zo

amen

8

niet-weten is het einde

het einde van de hoofdletters

het einde van de kleine letters

geen dieptepunt

geen hoogtepunt

een hoogtelijn

de hoogtelijn

van niet meer op de hoogte zijn

van niet meer uit de hoogte doen

van niet meer in den hoge zijn

de lineage van de dwijze

de apotheose

van agnose

het allerhoogste

dieptepunt

het allerdiepste

hoogtepunt

9

geen welles en geen nietes

zei de weteloze

hief het glas

doorzag het bodemloze

ook dit doorzien

doorzien

heet dia-gnose

di-agnose

dubbeltja

10

zelfs niet hechten

aan onthechting

zelfs niet denken

zonder denken

zelfs niet weten

van niet-weten

het vergeten

nog vergeten

en nog meer

van die decreten

11

schone schijt

of tien pond scheten

diarree is

niet te vreten

hierom seghic sachte

proost

was getekend

weetnietjoost

15. De Mont Fou – geen inzicht, maar wat een uitzicht

(Deel 1 van een dwaalgesprek in 6 delen over eeuwige dwaasheid, universele onzin en niet-weten.)

Drie dansende naakten op de top van een berg.
^ De Mont-Fou.

Manon: Wat is eeuwige wijsheid volgens jou?

Hans: Tja.

Manon: Als in Meester Tja?

Hans: Maar dan zonder meester.

Manon: Korter kun je het niet zeggen.

Hans: Wat is eeuwige wijsheid volgens jou?

Manon: De reis naar het allerhoogste kun je vergelijken met het beklimmen van een berg. Op een berg leiden vele wegen naar de top. Die wegen corresponderen met de verschillende religies.

Hoe hoger je komt, hoe meer wegen er samenkomen. Het uitzicht wordt eenvormiger. De top is voor iedereen hetzelfde. Hoe je ook boven gekomen bent, het uitzicht is er panoramisch.

Wat je daarboven ziet is de Werkelijkheid zelf, niet jouw verwrongen beeld ervan. Kennis van de Werkelijkheid zelf heet eeuwige wijsheid. Deze kennis is absoluut en universeel. Ze geldt voor alle plaatsen en tijden. Ze vormt de gemeenschappelijke kern van alle religieuze en spirituele tradities.

Hans: Zo zo.

Manon: Ik sta er zelf van te kijken.

Hans: Hoe heet die berg?

Manon: Hij heeft geen unieke naam. Er bestaan honderden heilige bergen, echte en denkbeeldige. Die van Dionysius de Areopagiet heet Horeb. Die van Gregorius van Nyssa heet Sinaï. Die van Johannes van het Kruis heet Karmel. Die van Dante Alighieri heet de Louteringsberg. Die van...

Hans: Dat is ook niet handig.

Manon: Tja, wat doe je eraan.

Hans: Een universele naam bedenken natuurlijk.

Manon: Wat stel je voor?

Hans: Wat dacht je van de Berg van de Eeuwige Wijsheid?

Manon: Hoe kom je erop.

Hans: Over bergtoppen gesproken...

Manon: Ja?

Hans: Heb jij de eeuwige wijsheid toevallig paraat?

Manon: Nou, nee...

Hans: Waarom niet?

Manon: Omdat men het er nog niet over eens is wat de eeuwige wijsheid precies inhoudt.

Hans: Ai.

Manon: Ja, dat is wel spijtig.

Hans: En je hebt er persoonlijk ook nog geen kennis van mogen nemen?

Manon: Nou, nee...

Hans: En niemand heeft...

Manon: Er zijn heel wat pogingen gedaan om de eeuwige wijsheid op schrift te stellen, door heel wat individuen en organisaties...

Hans: Maar?

Manon: Geen daarvan is boven komen drijven.

Hans: De Universele Verklaring van de Wijsheid van de Mens is nog steeds niet door alle partijen ondertekend.

Manon: Ik vrees van niet.

Hans: Hoe zou dat komen, denk je?

Manon: Volgens mij doordat de Hoogste Wijsheid onuitsprekelijk is.

Hans: Staat dat ook in de Universele Verklaring van de Wijsheid van de Mens?

Manon: Die is er dus nog niet.

Hans: Dat is waar ook.

Manon: Pijnlijk, dit.

Hans: De Harde Waarheid.

16. De vuilnisbelt van het Eeuwige Denken

(Deel 2 van een dwaalgesprek in 6 delen over eeuwige dwaasheid, universele onzin en niet-weten.)

Manon: Wat betekent het volgens jou dat er nog altijd geen Universele Verklaring van de Wijsheid van de Mens is?

Hans: Momentje, even in mijn Universele Verklaring van de Wijsheid van de Mens kijken...

Manon: Hoe bedoel je?

Hans: Ik bedoel dat je mij zonder aanleiding de wijsheid toedicht waarmee ik het uitblijven van de Universele Verklaring van de Wijsheid van de Mens kan verklaren.

Manon: Je kunt toch een gokje wagen?

Hans: Daar ben ik te nuchter voor.

Manon: En als je net doet of je dronken bent?

Hans: Dan zou ik zeggen dat het beklimmen van de berg geen beeldspraak is voor het bereiken van het hoogste inzicht, maar voor het uitruimen van je verstand.

Manon: Leg uit.

Hans: Hoe hoger je komt, hoe minder zuurstof er in de lucht zit, hoe minder intellectuele ballast je mee kunt zeulen. Om de top te halen moet je al je concepten, principes, theorieën, dogma's, aannames, speculaties, projecties, overtuigingen, voorstellingen, illusies en pretenties achterlaten.

Manon: En die berg zelf?

Hans: Dat is gewoon de rotzooi die je hebt gedumpt. De Belt van het Eeuwige Denken. De Berg van de Eeuwige Dwaasheid. De Mont Fou. Of de Mon Fou, zonder t, als je wil benadrukken dat het je eigen dwaasheid is, of tenminste je eigen goedgelovigheid in andermans dwaasheid.

Manon: Voor mij gaat het niet om de berg, het gaat om de top.

Hans: Voor mij gaat het niet om de top en niet om de berg.

Manon: Voor mij is de top het punt waarop je de absolute, tijdloze waarheid deelachtig wordt.

Hans: Voor mij is de top het punt waarop je niets meer over hebt. Ook de absolute, tijdloze waarheid niet. Ook dit verhaal over de Mont Fou niet.

Manon: Echt niets meer?

Hans: Ooit een berg beklommen?

Manon: Nee.

Hans: De top van een berg is het uiteinde. Het punt waar de berg ophoudt. Het eindpunt. Daarom heet het de top. Je kunt er niet hoger, je kunt er niet verder. De top van de Mont Fou, dat is einde verhaal.

Manon: Er is daarboven niets.

Hans: Niets bijzonders en niets gewoons. En dat is alles.

Manon: Niets is alles?

Hans: Ik heb het niet over metafysica, hè. Het niets waaruit alles zou voortkomen of de vorm die gelijk zou zijn aan de leegte of zoiets. Daar weet ik niets van en daar heb ik niets over te melden, bevestigend noch ontkennend. Ik heb het over een lege geest.

Manon: Kun jij dat, je geest leegmaken?

Hans: Ik heb het ook niet over meditatie of trancetoestanden, hè. Met leeg bedoel ik alleen maar ontdaan van zekerheden. Zelfs van de zekerheid dat er geen zekerheden zijn.

Manon: Leeg van ieder weten.

Hans: En leeg van ieder niet-weten.

Manon: En dan?

Hans: Dan ben je bevrijd van al je vaste DenkBeelden. Van je ZelfBeelden, van je MensBeelden, van je GodsBeelden, van je WereldBeelden, van je IdeaalBeelden, van je SchrikBeelden enzovoort.

Manon: Die heb jij niet meer.

Hans: Die hebben mij niet meer. Dit DenkBeeld ook niet.

Manon: Jij gelooft ze niet meer.

Hans: Ik aanbid ze niet meer.

Manon: Dus op de top van de berg is volgens jou geen eeuwige wijsheid te vinden.

Hans: Niet op de top van de Mont Fou. Daar sta je dan boven.

Manon: En als je toch iets hebt gevonden?

Hans: Als je er toch iets hebt gevonden – God, Bewustzijn, Essentie, het Goede, de Liefde, Groot Mededogen, het Ene, een laatste grond, een laatste metafoor, een laatste ideaal, een laatste principe, een laatste waarheid, wat dan ook – dan staat er iets boven jou.

Manon: Wat geeft dat?

Hans: Dat geeft niets. Maar zolang er iets boven je staat heb je de top van de Mont Fou nog niet bereikt. Dan zit je op de flank en moet je verder klimmen. Of je zit op een subtop, dan moet je een andere route zoeken. Of je zit op een andere berg, dan moet je opnieuw beginnen.

17. Het toppunt van religie is agnose

(Deel 3 van een dwaalgesprek in 6 delen over eeuwige dwaasheid, universele onzin en niet-weten.)

Manon: Als er op de top van de heilige berg werkelijk niets te vinden zou zijn, waarom heeft er dan niemand het niet-weten uitgeroepen tot de Universele Verklaring van de Wijsheid van de Mens?

Hans: Wie zou dat hebben moeten doen?

Manon: De grote wereldreligies.

Hans: Vergeet het maar. Geen enkele religie voert tot de top.

Manon: Pardon?

Hans: De top kun je alleen maar bereiken door alles achter je te laten. Ook je religie. Ook je niet-weten.

Manon: Dat riekt naar iconoclasme.

Hans: Iconoclasme is een religie.

Manon: Wat gelooft de iconoclast?

Hans: Dat alle heilige huisjes omver moeten.

Manon: Hoe denk jij daarover?

Hans: Als alle heilige huisjes omver moeten, dan ook het heilige huisje van het iconoclasme.

Manon: Dan riekt het naar atheïsme.

Hans: Atheïsme is een religie.

Manon: Wat gelooft de atheïst?

Hans: Dat God niet bestaat.

Manon: Hoe denk jij daarover?

Hans: Ik peins er niet over.

Manon: Dat riekt naar agnosticisme.

Hans: Agnosticisme is een religie.

Manon: Wat gelooft de agnosticus?

Hans: Dat je het wel of niet bestaan van God onmogelijk kunt bewijzen.

Manon: Hoe denk jij daarover?

Hans: Ik zou niet weten hoe ik moest bewijzen dat je het wel of niet bestaan van God onmogelijk kunt bewijzen.

Manon: Dat riekt naar nihilisme.

Hans: Nihilisme is een religie.

Manon: Meen je dat nou?

Hans: Geloof het of niet.

Manon: Wat is het dat de nihilist gelooft?

Hans: Dat hij niets gelooft. Dat er niets is om in te geloven. Dat er geen grondwaarheden of grondwaarden zijn.

Manon: Dat is toch zeker geen geloof?

Hans: Dacht je soms dat hij het kon bewijzen?

Manon: Geloof jij in niet-geloven?

Hans: Dat is nog steeds een geloof.

Manon: Jij gelooft toch in de lege leer?

Hans: In de lege leer kun je niet in geloven.

Manon: Waarom niet?

Hans: Omdat hij geen inhoud heeft.

Manon: Bestaat een leer zonder inhoud eigenlijk wel?

Hans: Eigenlijk niet.

Manon: Wat heb je er dan aan?

Hans: De lege leer is een alias van niet-weten. Een gimmick om iets duidelijk te maken. En dan: weg ermee.

Manon: Wat heb jij tegen religie?

Hans: Was mijn leer leeg als ik iets tegen religie had? Ik zeg alleen maar dat religie je niet naar de top kan brengen. Misschien naar het hoogste bivak, als je al niet in het basiskamp blijft hangen. Maar het houdt een keer op.

Manon: Er blijven altijd DenkBeelden over.

Hans: Anders verliest een religie zijn identiteit, en daarmee zijn aanhangers.

Manon: Wie die DenkBeelden afvalt is een afvallige.

Hans: Wil je tot een universeel niet-weten komen, dan moet je een universeel afvallige worden. Alle DenkBeelden ontheiligen – deze ook.

Manon: Boven alle religies uitstijgen.

Hans: Het toppunt van religie is agnose.

18. De Berg van de Eeuwige Dwaasheid

(Deel 4 van een dwaalgesprek in 6 delen over eeuwige dwaasheid, universele onzin en niet-weten.)

Manon: Als je eindelijk op de top van de Mont Fou zit, op die puinhoop van achterhaalde wijsheid, heb je dan vrij zicht op de onbemiddelde werkelijkheid?

Hans: Misschien hoort het denkbeeld van een onbemiddelde werkelijkheid wel tot de achterhaalde wijsheid.

Manon: Daar zeg je zo wat.

Hans: Of misschien is de onbemiddelde werkelijkheid wel een metafoor voor niet-weten.

Manon: Waar heb jij vrij zicht op?

Hans: Heb ik ergens vrij zicht op?

Manon: Nou?

Hans: Als ik niet nadenk kan ik me redelijk redden maar als ik erbij stilsta weet ik echt niet wie of wat waarnaar zit te kijken. Zou jij dat vrij zicht noemen?

Manon: Nu ook niet?

Hans: Nee, ik weet niet wie hier aan het woord is en wat hij zegt of waarom. Ik heb geen idee wat er hier gebeurt of waar het goed voor is. Het kan me ook niets meer schelen. Ik leef zonder werkelijk besef. Als een dwaas.

Manon: Niet als een wijze.

Hans: Op de puinhopen van de wijsheid zitten geen wijzen. Daar zitten dwazen. Dwazen denken niet dat ze ergens aangekomen zijn, niet dat ze onderweg zijn, niet dat ze de weg kwijt zijn.

Wijzen vind je overal, behalve op de top. Ze menen op de top te zitten, ze menen onderweg te zijn, ze menen de weg kwijt te zijn. Ze menen dit, ze menen dat, het maakt niet uit wat, ze menen het en daaraan herken je de wijzen.

Manon: Jij draait alles om. Op de helling zitten volgens mij de dwazen, op de top de wijzen, de verlichten, de zelfgerealiseerden. Zij hebben de hoogste waarheid gezien, de wijsheid voorbij alle wijsheid, de leer die geen leraar kent, het boek der boeken. Het ene, de bron, het absolute, het allerhoogste.

Hans: Begin je nou weer?

Manon: Ik heb nog nooit iemand horen zeggen dat de Berg van de Eeuwige Wijsheid eigenlijk de Berg van de Eeuwige Dwaasheid is. Dat de wijsheid voorbij alle wijsheid de dwaasheid voorbij alle dwaasheid is. Dat de leer die geen leraar kent en het boek der boeken leeg zijn.

Hans: Wie kent het verschil tussen wijsheid en dwaasheid. Wie kent het verschil tussen verlichting en onwetendheid. Tussen het ego en het zelf. Tussen de gewone werkelijkheid en de ultieme. Tussen het ene en het vele. Tussen de bron en de stroom. Tussen het absolute en het relatieve.

Manon: Heb je het nu over non-dualiteit?

Hans: Wie kent het verschil tussen dualiteit en non-dualiteit.

Manon: Alles leeg en niets heilig, zegt Bodhidharma.

Hans: Alles heilig en niets leeg, zegt de shintoïst.

Manon: Die kende ik nog niet.

Hans: Met wijsheid kun je alle kanten op.

19. Farce mineur

(Deel 5 van een dwaalgesprek in 6 delen over eeuwige dwaasheid, universele onzin en niet-weten.)

Manon: Wat heeft het niet-weten jou gebracht? Wat is er nieuw?

Hans: Feitelijk is er weinig veranderd. Ik eet een hapje, ik drink een sapje, ik maak een grapje.

Manon: Het oude liedje.

Hans: Maar zonder al die praatjes. Dat wil zeggen, zonder er nog in te geloven.

Manon: De praatjes gaan door maar jij gelooft er niet meer in.

Hans: Praatjesmaker.

Manon: Ik dacht dat je op de top van de berg overal van verlost zou zijn.

Hans: Alleen van je eeuwige wijsheid.

Manon: Niet van je ego?

Hans: Inclusief je ideeën over het ego en het zelf.

Manon: Niet van het lijden?

Hans: Inclusief je ideeën over het lijden en het einde van het lijden.

Manon: Niet van je sterfelijkheid?

Hans: Inclusief je ideeën over sterfelijkheid en onsterfelijkheid.

Manon: Niet van je afgescheidenheid?

Hans: Inclusief je ideeën over afgescheidenheid en eenheid.

Manon: Op de top van de berg ben je van al je ideeën verlost.

Hans: Ook van het idee dat je daar van al je ideeën bent verlost.

Manon: De Universele Verklaring van de Wijsheid van de Mens is helemaal leeg.

Hans: Als ik dat zou beamen was ze al niet meer leeg.

Manon: Ja, je mocht eens wat beamen.

Hans: Ik zou zo van die berg af lazeren.

Manon: Van de Berg van de Eeuwige Wijsheid of van de Berg van de Eeuwige Dwaasheid?

Hans: Ik zie het verschil niet.

Manon: Gesteld dat je erop zit.

Hans: Gesteld dat er een top is. Gesteld dat er een berg is. Gesteld dat er een ik is. Gesteld dat er een jij is om mij daarover aan de tand te voelen.

Manon: Wat een farce.

Hans: Een farce mineur.

Manon: Een slechte grap.

Hans: De kosmische grap.

Manon: Dat is heel wat anders.

Hans: Een slechtere grap ken ik niet.

Manon: Met de kosmische grap bedoelt men het inzicht dat er nooit een zoeker of een zoektocht is geweest.

Hans: Wat dan wel?

Manon: Alleen maar het eeuwige Bewustzijn dat verstoppertje speelt met zichzelf.

Hans: Waarom zou het?

Manon: Om zijn eenheid weer te kunnen ervaren.

Hans: Ach, dat is zo'n cliché. Slobberkost voor herkauwers. Tamme pseudologie gebaseerd op wilde aannames.

Manon: Zoals?

Hans: Dat je niemand bent. Dat je geen vrije wil hebt. Dat er alleen maar het ene is. Dat dat ene zuiver bewustzijn is. Dat het spelletjes met zichzelf speelt. Dat het die nodig heeft om zichzelf als eenheid te kunnen ervaren. Dat het daarop uit is. Dat het ergens op uit is. Kom op zeg, dat weet toch geen hond.

Manon: Wat niet?

Hans: Niks niet. Of je iemand of niemand bent. Of je wel of geen vrije wil hebt. Of alles geen, een, twee of veel is. Of de werkelijkheid materieel of ideëel, reëel of illusoir is. Wat het ene wel of niet wil, heeft, doet of is.

Manon: Daar ben ik het niet mee eens.

Hans: Niemand is het waar dan ook mee eens. Bisschoppen, rabbijnen, imams, swami's, goeroes, roshi's, osho's, rinpoches, sjamanen, mystici, zieners, romantici, esoterici, filosofen en alle andere wijsneuzen op de wereld spreken elkaar tot op de dag van vandaag tegen.

Manon: Daar ben ik het niet mee eens.

Hans: Dat zeg ik.

Manon: De pot verwijt de ketel.

Hans: Hoezo?

Manon: Jij spreekt iederéén tegen.

Hans: Mezelf voorop.

Manon: Hè?

Hans: Heb je het nu nog niet door?

20. Farce majeur

(Deel 6 van een dwaalgesprek in 6 delen over eeuwige dwaasheid, universele onzin en niet-weten.)

Manon: Waarom spreek jij jezelf tegen?

Hans: Om niets gezegd te laten?

Manon: Waarom zwijg je dan niet gewoon?

Hans: Mij te veelzeggend.

Manon: Waarom wil je niets gezegd laten?

Hans: Om steeds met een schone lei te kunnen beginnen?

Manon: Is het goed om steeds met een schone lei te beginnen?

Hans: Even op mijn lei kijken...

Manon: En?

Hans: Schoon.

Manon: Wat is volgens jou de kosmische grap?

Hans: Mijn schone lei?

Manon: Wat is daar zo leuk aan?

Hans: Al dat zoeken en dan uitkomen bij niet vinden. Al die studie en dan uitkomen bij de lege leer. Al die literatuur en dan uitkomen bij het lege boek. Jezelf kwijtraken op de Berg van de Eeuwige Wijsheid en terugvinden op de Berg van de Eeuwige Dwaasheid. Al je verwachtingen gelogenstraft zien en niet eens weten of het een straf is. Niets meer te zeggen hebben en daar niet over kunnen ophouden. Ik bedoel, kan het grappiger?

Manon: Ha ha.

Hans: Met jou kun je tenminste lachen.

Manon: Ik kom niet meer bij.

Hans: Een clou is alleen maar lachwekkend wanneer hij de verwachtingen doorkruist die eerder in de grap gewekt werden of waarmee je toch al rondliep. Ik dacht altijd dat mijn inspanningen op een dag beloond zouden worden met een klinkend JA! Of desnoods met een galmend NEE! Wat kreeg ik? Een schuchter tja. Dat is hilarisch. Achteraf gezien. En alleen maar door mijn eerdere verwachtingen. Van zichzelf is het tja komisch noch tragisch.

Manon: Wat is het dan wel van zichzelf? Grauw als een winterdag? Kaal als een woestijn? Vlak als een polder?

Hans: Tja betekent gewoon dat je het allemaal niet meer weet, laat staan wat je ervan moet vinden. Kan het eenvoudiger?

Manon: Echt iets voor de armen van geest.

Hans: Voilà.

21. Wat is eeuwige wijsheid?

(Eerste van twee woordenlijstjes bij het interview De Mont Fou.)

Eeuwige wijsheid is de onveranderlijke, universele wijsheid die je ten deel valt op de top van de Berg van de Eeuwige Wijsheid.

De Berg van de Eeuwige Wijsheid is een metafoor voor de weg waarop je al klimmende steeds hogere inzichten verwerft.

Eeuwige wijsheid is de gemeenschappelijk kern van alle religies, datgene waar ze het over eens zijn.

Een ander woord voor eeuwige wijsheid is de lege leer, Ø.

De Universele Verklaring van de Wijsheid van de Mens (UVWM) is een systematische beschrijving van de eeuwige wijsheid in de vorm van een canon van universele leerstellingen die door alle religies op aarde wordt onderschreven.

De UVWM heeft in korte tijd een hoge vlucht genomen; er komen steeds meer versies bij.

Het eeuwige denken is de onophoudelijke activiteit van het menselijk verstand in zijn queeste naar eeuwige wijsheid.

Je eeuwige wijsheid is de eindeloze stroom ongefundeerde gedachten, meningen, theorieën en bon mots die je de hele dag invallen, onder ogen of ter ore komen. Ze zijn het product van het eeuwige denken.

Een eeuwige wijze is iemand die eeuwig met zijn eeuwige wijsheid te koop loopt.

22. Wat is eeuwige dwaasheid?

(Tweede van twee woordenlijstjes bij het interview De Mont Fou.)

Eeuwige dwaasheid is je natuurlijke staat, je ware aard, je oorspronkelijke gezicht. Je kunt je eeuwige dwaasheid pas helemaal onder ogen zien op de top van de berg van de eeuwige dwaasheid, als je al je inzichten onder je hebt gelaten en er niets meer boven je staat.

De berg van de eeuwige dwaasheid is een metafoor voor de weg waarop je, al klimmende, steeds meer inzichten verliest. De volksnaam voor de berg van de eeuwige dwaasheid is de Mont Fou.

Eeuwige dwaasheid is de gemeenschappelijk kern van alle religies, filosofieën en levensbeschouwingen, behalve de jouwe natuurlijk.

Een ander woord voor eeuwige dwaasheid is de lege leer, Ø. De lege leer is ook een ander woord voor eeuwige wijsheid. Hieruit volgt dat eeuwige wijsheid gelijk is aan eeuwige dwaasheid. De Berg van de Eeuwige Wijsheid moet dus wel de Berg van de Eeuwige Dwaasheid zijn, Q.E.D.

De Universele Verklaring van de Dwaasheid van de Mens (UVDM) is een systematische beschrijving van de eeuwige dwaasheid in de vorm van een canon van universele leerstellingen die door alle religies op aarde wordt onderschreven. Een ander woord voor de UVDM is de lege verklaring, Ø.

Een eeuwige dwaas is iemand die voorbij alle wijsheid gaat, voorbij alle wijsheid voorbij alle wijsheid enzovoort, dat wil zeggen, iemand die boven alle wijsheid staat, boven alle wijsheid boven alle wijsheid enzovoort, of eronder, maakt niet uit, het is maar beeldspraak.

De steen der dwazen, de lapis asophorum, is een steen van zuiver alomniet die alleen wordt aangetroffen op de top van de Mont Fou. Vandaar dat zo weinig mensen van het bestaan ervan op de hoogte zijn.

Verwar de steen der dwazen niet met de steen der wijzen (lapis philosophorum), een ijdelsteen van tizumniet die in grote hoeveelheden te vinden is aan de voet van de Mont Fou en op de lager gelegen hellingen.

"Je Mont Fou", uitgesproken op z'n Frans als "je m'en fous", is een incantatie/mantra ter vereenzelviging met de berg van de eeuwige dwaasheid, waarmee de eeuwige dwaas afstand neemt van een bewering, mening, overtuiging, visie, theorie of interpretatie die hem zojuist inviel, onder ogen of ter ore kwam.

Foetsie (Frans, fou + Nederlands, -tsie) is iemand die bovenop de Mont Fou verblijft. Foetsie is ook de wijsheid waarover hij eerder meende te beschikken. Een Foetsie (met een hoofdletter) is iemand die foetsie is.

De kosmische grap is het inzicht dat er nooit een inzicht is geweest, het inzicht dat dit nog steeds een inzicht is, en dit ook, enzovoort. Of zoals de Foetsies zeggen: alle wijsheid op een stokje.

De kosmische grap kan alleen begrepen worden door mensen die om zichzelf kunnen lachen, huilen mag ook.

De kosmische grap begrijpen is alle verhalen doorzien, ook die van de Berg van de Eeuwige Wijsheid, de Berg van de Eeuwige Dwaasheid en de kosmische grap.

Dat valt niet in volzinnen uit te drukken, want de waarheid is voorbij de woorden, maar des te beter in de een- en tweelettergrepige tussenwerpsels die daarvoor al sinds mensenheugenis in zwang zijn: tja, eh, uh, um, hm, och, mama, god, fuck, ik pas, mu, wu, dada, zen, zero, tao, nada, niente, niksnie enzovoort, alleen heeft die laatste natuurlijk drie lettergrepen.

23. Timmermanswijsheid

Meester Maya zegt:

Wijsheid is een kruis om je aan vast te nagelen.

Dwaasheid is een nagel aan je doodskist.

Niet weten is een nijptang.

24. Zoeker naar het einde van het zoeken, 2

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

25. Water en Schaduw – een schijn van diepte

Een allegorie.

Water zei tegen Schaduw: 'Zo ben je er, zo ben je er niet. De ene keer ben je lang, de andere keer kort. Eerder was je hoekig, nu weer rond. Soms ben je vaag, soms ben je scherp. Waar sta jij eigenlijk voor? Waarom ben je zo veranderlijk?'

Schaduw antwoordde: 'Wie zal het zeggen. Misschien ben ik wel afhankelijk van iets anders. Misschien verandert dat andere door eigen toedoen of is het op zijn beurt afhankelijk van iets anders, dat wél door eigen toedoen verandert of ook weer afhangt van iets anders.

En jij? Wat is het dat jouw oppervlak doet rimpelen? Wie maalt er in jouw stroom? Wie kabbelt er tegen de kade, wie babbelt er in de beek?'

Water vroeg: "Wat is het dat alleen door eigen toedoen verandert?"

Schaduw zei: 'Is er wel iets dat alleen door eigen toedoen verandert?

Maakt een vogel zelf zijn veren?
Maakt een zieke zelf zijn pijn?
Maakt een boom zijn eigen peren?
Maakt een mens zijn eigen brein?

Zijn wij het die deze woorden spreken? Ben jij het die deze gedachten denkt?'

Water rees en daalde, Schaduw ging heen en verscheen, of anders wel zijn evenbeeld. Hij piekerde: 'Is een schaduw ooit diep genoeg om tot de bodem te zien? En ziet hij daar de bodem of alleen maar zijn eigen schaduw?'

Waarop hij weer verdween.

(vrij naar Zhuang Zi)

26. De wijsheid van de yogi

Baas boven baas.

Zegt de ene yogi: 'Ik ben alles!'

Zegt de andere: 'Alles maakt deel uit van mij!'

27. De wijsheid van de boeddha

Baas onder baas.

Zegt de ene boeddha: 'Ik ben niets!'

Zegt de andere: 'Niets maakt deel uit van mij!'

28. De wijsheid van de papegaai

Zegt de ene papegaai: 'Larie!'

Zegt de andere: 'Larie!'

29. Vijf lange jaren

Na vele omzwervingen heb je eindelijk je meester gevonden.

Je klopt aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik ben het. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: U bent het. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het ene. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je smeekt: Een hint alstublieft. De meester zegt: Weet ik veel. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je jammert: Weet ik veel. De meester vraagt: Wat kom je doen? Je smeekt: Een hint, alstublieft. De meester zegt: Geen idee. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. Je weet niets meer te zeggen en het kan je niets meer schelen. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Weet ik veel. De meester vraagt: Wat kom je doen? Je antwoordt: Geen idee. De meester zegt: Kom dan maar binnen. Je zegt: Nou hoeft het al niet meer. De meester zegt: Precies.

30. Tien lange jaren

Na vele omzwervingen heb je eindelijk je meester gevonden.

Je klopt aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik zoek de waarheid. De meester zegt: Heb ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet meer waar ik het zoeken moet. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer wat ik zoek. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer of ik moet blijven zoeken. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer of ik daar iets over te zeggen heb. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer of er wel een ik is. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer of er wel een u is. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer of ik dat niet meer weet. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet werkelijk niets meer. De meester vraagt: Zeker weten? Je bent met stomheid geslagen. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer of ik werkelijk niets meer weet. De meester zegt: Zeker weten? Je barst in tranen uit. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. Je weet niets meer te zeggen en het kan je niets meer schelen. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Weet ik veel. De meester vraagt: Wat kom je doen? Je antwoordt: Geen idee. De meester zegt: Kom dan maar binnen. Je zegt: Nou hoeft het al niet meer. De meester zegt: Precies.

31. Dertig lange jaren

Na vele omzwervingen heb je eindelijk je meester gevonden.

Je klopt aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik ben het. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Boeddha. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Dharma. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Sangha. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Geest. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Geen-geest. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Zelf. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Geen-zelf. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Weg. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Waarheid. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Leven. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Hoogste. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Overstijgende. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Absolute. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Numineuze. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Onnoemelijke. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Bron. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Zijn zelf. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Essentie. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Heden. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Eeuwigheid. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Bewustzijn. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Stilte. De meester zwijgt. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Leegte. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Openheid. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Liefde. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Mededogen. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Niemand. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. Je ziet het niet meer zitten. De meester vraagt: Wie is daar? Je jammert: Weet ik veel. De meester vraagt: Wat kom je doen? Je huilt: Afscheid nemen. De meester vraagt verbaasd: Van wie? Je bent met stomheid geslagen. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je jammert: Weet ik veel. De meester vraagt: Wat kom je doen? Je huilt: Geen idee. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. Je weet niets meer te zeggen en het kan je niets meer schelen. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Weet ik veel. De meester vraagt: Wat kom je doen? Je antwoordt: Geen idee. De meester zegt: Kom dan maar binnen. Je zegt: Nou hoeft het al niet meer. De meester zegt: Precies.

32. Binnen dertig seconden

Na vele omzwervingen heb je eindelijk je meester gevonden.

Je klopt aan.

De meester zegt: Wie is daar?

Je roept: Is het nou uit met die flauwekul?

Doodse stilte.

Je trapt de deur in, rukt de tegenstribbelende meester zijn kleed af, sleept hem spiernaakt het vertrek uit, keert terug, sprenkelt benzine over het afgeleefde meubilair, steekt de boel in de fik en rent weer naar buiten.

Brullend laait het vuur op en het gat van de deur braakt zwarte rookwolken uit.

Huilend valt de meester in je armen.

Hij stapt achteruit, maakt de ene buiging na de andere, lacht en grient, grijnst zo breed dat zijn lippen openbarsten en begint van schrik opnieuw te huilen.

Je klopt hem op zijn schouder en zegt: Nou hoeft het allemaal niet meer.

De meester snikt: Precies.

33. Wat denk jij allemaal over je lichaam?

Meester Maya zegt:

Niet te geloven!

Sommige mensen denken dat hun lichaam echt is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam een illusie is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam begrijpelijk is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam onbegrijpelijk is!

Sommige mensen denken dat ze hun lichaam kennen!
Sommige mensen denken dat ze hun lichaam niet kennen!

Sommige mensen denken dat hun lichaam privé is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam openbaar is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam van hun is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam niet van hun is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam maakbaar is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam gegeven is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam vervangbaar is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam onvervangbaar is!

Sommige mensen denken dat ze de baas zijn over hun lichaam!
Sommige mensen denken dat hun lichaam de baas is over hen!

Sommige mensen denken dat hun lichaam bewoond is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam onbewoond is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam bezield is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam onbezield is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam een middel is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam een doel op zich is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam materieel is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam ideëel is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam vrijheid geeft!
Sommige mensen denken dat hun lichaam een gevangenis is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam een zegen is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam een vloek is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam gezond is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam ziek is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam dierlijk is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam goddelijk is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam begrensd is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam onbegrensd is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam geboren is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam ongeboren is!

Sommige mensen denken dat hun lichaam sterfelijk is!
Sommige mensen denken dat hun lichaam onsterfelijk is!

Wat denk jij allemaal over je lichaam?

Wat denk je allemaal níet?

Wat dénk je allemaal niet!

34. Je zal het maar hebben – gezicht met drie monden

Als iedereen drie monden in zijn gezicht had, zou je dat heel gewoon vinden. Waarom nu dan niet?

Gezicht met drie monden.
^ Gezicht met drie monden.

Je zou iemand met twee ogen en een mond doodeng vinden. Waarom nu dan niet?

35. Met welke van je lichamen identificeer jij je?

Meester: Wie ben jij?

Leerling: Ik ben mijn lichaam.

Meester: Welk lichaam?

Leerling: Dit lichaam.

Meester: Hoelang heb je dit lichaam al?

Leerling: Altijd al gehad.

Meester: Ben je zo geboren?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Wie was je voor je lichaam volwassen werd?

Leerling: Gewoon, mezelf.

Meester: Ook als kind al?

Leerling: Natuurlijk.

Meester: Ook als baby al?

Leerling: Natuurlijk.

Meester: Ook als foetus al?

Leerling: Ik veronderstel van wel.

Meester: Als embryo?

Leerling: Ik denk...

Meester: Als klompje ongedifferentieerde cellen?

Leerling: Dat is te zeggen...

Meester: Als eencellige net na de versmelting?

Leerling: Hm.

Meester: Als twee eencelligen net vóór de versmelting?

Leerling: Nou...

Meester: Zul je nog steeds jezelf zijn als bejaarde met geamputeerde benen?

Leerling: Um...

Meester: Als lijk?

Leerling: Ik geloof niet...

Meester: Als hoopje as?

Leerling: Ik...

Meester: Verwaaid naar alle windstreken?

Leerling: Goh.

Meester: Opgenomen in nieuwe sedimenten, dingen, planten, dieren, mensenlichamen?

Leerling: Jeetje.

Meester: Wat hebben al deze gestalten volgens jou gemeen?

Leerling: Tja.

Meester: Zijn er bepaalde organellen, cellen, weefsels, organen, vormen of structuren in al jouw lichaamsvormen die daarvan de onveranderlijke essentie vormen en waarmee jij je eenduidig en onherroepelijk kan identificeren?

Leerling: Ik kan zo gauw niets bedenken.

Meester: Dan ben je niet je lichaam.

36. Wat als je je hele lichaam amputeert?

Een dodelijke demonstratie.

'Ben je er klaar voor?' vraagt de meester. 'Helemaal', zegt de leerling. 'Dus je blijft erbij?' 'Ik ben mijn lichaam.' 'Daar gaan we dan', zegt de meester en knipt de leerling zijn haren af. 'Ben je er nog?' vraagt hij. 'Dat zegt niets, mijn haren waren toch al dood.'

De meester rukt hem de nagels uit. 'Alles voor de waarheid', kreunt de leerling. De meester amputeert geroutineerd zijn tenen, zijn voeten, onderbenen, dijen, geslachtsdelen en heupen. 'Ben je er nog?' vraagt de meester weer. 'Joehoe', zegt de leerling zwakjes.

De meester amputeert de handen, onderarmen, bovenarmen, sleutelbeenderen en schoudergordel. 'Ik voel me...' zegt de leerling. 'Zei je ik?' 'Ongelooflijk.' De meester snijdt de romp weg en zet het hoofd op tafel en vraagt: 'Ben je er nog?' 'Wel heb ik ooit...', doet de leerling met zijn lippen.

De meester scalpeert het hoofd, beitelt de neus weg, snijdt de lippen af, rukt de tong uit en verwijdert de nek en de onderkaak. 'En?' De leerling knipoogt.

De meester snijdt de oogleden weg, steekt de ogen uit en verwijdert een voor een de schedelplaten. 'Wel?' Geen reactie. 'Iemand thuis?' De leerling geeft geen krimp. De meester haalt zijn schouders op.

Hij opent de klep van het zoutzuurbad, laat de hersenen in het zuur zakken en doet een voor een de geamputeerde lichaamsdelen erbij. Enige tijd klinkt er niets dan het sissen van vervloeiend weefsel. Ten slotte zegt hij in de richting van het zuurbad: 'Zeg nou zelf...'

De meester doet de klep dicht en staart langdurig uit het raam. Eindelijk schraapt een leerling zijn keel. 'Maar ben je nou je lichaam of niet?' vraagt de leerling geagiteerd. De meester schrikt op, slaakt een diepe zucht en zegt: 'Ben je er klaar voor?'

37. Als je geest uit je lichaam treedt, ben jij dan nog jij?

Meester: Wie ben jij?

Leerling: Ik ben mijn lichaam.

Meester: Als ik je geest overzet in een ander lichaam, ben jij dan nog jij?

Leerling: Een lichaam is een lichaam.

Meester: Als ik je geest overzet in een robotlichaam, ben jij dan nog jij?

Leerling: Een kunstlichaam is nog steeds een lichaam.

Meester: Als ik je geest overzet in een fles, ben jij dan nog jij?

Leerling: Ik denk het...

Meester: Als je geest uit de fles ontsnapt, ben jij dan nog jij?

Leerling: Ik denk....

Meester: Als je geest uit je lichaam treedt, ben jij dan nog jij?

Leerling: Ik...

Meester: Wat is op dat moment jij, je ontzielde lichaam of je lichaamsloze geest?

Leerling: Beide?

Meester: Als je lichaam afsterft maar niet je geest, ben jij dan nog jij?

Leerling: Eerst dacht ik van niet...

Meester: Als je geest afsterft maar niet je lichaam, ben jij dan nog jij?

Leerling: Eerst dacht ik van wel...

Meester: Wat is er dan nog van je over?

Leerling: Een of andere zombie?

Meester: Is dat een vraag of een antwoord?

Leerling: Ik zou het anders ook niet weten.

Meester: Dan ben je niet je lichaam.

38. Word je minder als je afvalt?

Meester: Wie ben jij?

Leerling: Ik ben mijn lichaam.

Meester: Als ik een stuk van jouw lichaam afhak, ben jij dan nog jij?

Leerling: Volgens mij wel.

Meester: Of word je dan minder?

Leerling: Niet wezenlijk.

Meester: Word je meer als je aankomt?

Leerling: Als ik zwaarder wordt?

Meester: Nou?

Leerling: Ik ben een tijdje moddervet geweest.

Meester: Was je toen meer?

Leerling: Eerder minder.

Meester: Word je minder als je afvalt?

Leerling: Eerder meer.

Meester: Dan ben je niet je lichaam.

39. Ben jij je hersens?

Meester: Wie ben jij?

Leerling: Ik ben mijn hersens.

Meester: En de rest dan?

Leerling: De rest is bijzaak.

Meester: Als ik je lichaam wegsnijd en je hersens kunstmatig in leven houd, ben jij er dan nog?

Leerling: Dat zeg ik.

Meester: Als ik je hersens vervolgens in het lichaam van je tweelingzus zet, ben jij er dan nog?

Leerling: Ik wel, zij niet.

Meester: Als ik je hersens vervolgens in een nieuw lichaam zet van een ander geslacht en een andere leeftijd en met heel andere mogelijkheden, beperkingen en aandoeningen dan het jouwe, ben jij het dan nog?

Leerling: Oei.

Meester: Als ik je ten slotte een hersenspoeling geef waardoor je al je oude ideeën en waarden kwijtraakt en je voortaan identificeert met een ander land, een ander politiek stelsel, een andere groep intimi, een ander beroep en zo, ben jij het dan nog?

Leerling: Ik denk het eigenlijk niet.

Meester: Dan ben je niet je hersens.

40. Heb jij wel hersens?

Meester: Wie ben jij?

Leerling: Ik ben mijn hersens.

Meester: Gesteld dat je ze hebt.

Leerling: Daar twijfel ik niet aan.

Meester: Heb je dat persoonlijk vastgesteld of van horen zeggen?

Leerling: Ik ben hersenchirurg, dat weet u toch.

Meester: Ooit jezelf geopereerd?

Leerling: Dat niet, maar...

Meester: Ooit een scan van je eigen hersens gezien?

Leerling: Toevallig niet, nee.

Meester: Een EEG misschien?

Leerling: Dat ook niet, maar...

Meester: Is er bij jou een hersenbiopt genomen?

Leerling: Stel je voor!

Meester: Hoe weet je dan dat je hersens hebt?

Leerling: Iedereen heeft hersens.

Meester: Heb jij iedereen geopereerd?

Leerling: Hoe kan dat nou!.

Meester: Heb je iedereen gescand misschien?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Heb je iedereen aan de elektro-encefalograaf gehad?

Leerling: Ja, acht miljard mensen zeker.

Meester: Om over de doden nog maar te zwijgen.

Leerling: Wou u beweren dat ik geen hersens heb?

Meester: Wat weet ik daarvan?

Leerling: Wat wilt u dan zeggen?

Meester: Wil ik dan wat zeggen?

Leerling: Waar bent u dan mee bezig?

Meester: Ik wil iets demonstreren.

Leerling: Wat dan?

Meester: Hoe goedgelovig je wel bent.

Leerling: Bent u wel goed bij je hoofd?

Meester: Wat maakt het uit.

Leerling: Hoe bedoelt u?

Meester: Ik ben mijn hersens niet.

41. Ben jij je persoonlijkheid?

Meester: Wie ben jij?

Leerling: Ik ben mijn persoonlijkheid.

Meester: En de rest dan?

Leerling: Is bijzaak.

Meester: Wat versta jij onder je persoonlijkheid?

Leerling: Datgene waardoor ik mij onderscheid van anderen.

Meester: Namelijk?

Leerling: De verzameling van eigenschappen die mij als mens uniek maakt.

Meester: Maar je bent voor 99,9% hetzelfde als iedereen.

Leerling: In welk opzicht?

Meester: In ieder opzicht.

Leerling: Zoals?

Meester: Erfelijk materiaal, anatomie, fysiologie, biologie, instincten, reflexen, zintuigen, bewustzijn, taal, opvoeding, cultuur, kleding, bezittingen, meningen, gevoelens, gedachten, angsten, behoeften, verlangens, ambities, gewoonten – noem maar op.

Leerling: Maar niet mijn persoonlijkheid.

Meester: Ook je persoonlijkheid.

Leerling: En wat dan nog?

Meester: Waarom zou je je juist met die luttele verschillen identificeren?

Leerling: Waarmee anders?

Meester: Zijn eeneiige tweelingen hetzelfde?

Leerling: Die hebben nooit dezelfde persoonlijkheid.

Meester: Heb je dat persoonlijk vastgesteld?

Leerling: Dat denk ik.

Meester: Stel dat we jou duizend maal klonen en dat jij en je klonen exact dezelfde persoonlijkheid hebben, zijn jullie dan identiek?

Leerling: Wat een vraag.

Meester: Ben jij je klonen?

Leerling: Dat weet ik niet, hoor

Meester: Zijn jouw klonen jou?

Leerling: Dat lijkt me niet, nee.

Meester: Voor jou duizend anderen?

Leerling: Nee.

Meester: Zou jij jezelf zonder aarzelen opofferen voor de een of andere zaak, groot of klein, nu je toch met zovelen bent?

Leerling: Ik persoonlijk?

Meester: Nou?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Waarom niet?

Leerling: We blijven afzonderlijke individuen.

Meester: Waarom?

Leerling: Omdat we niet exact hetzelfde denken en niet meer hetzelfde meemaken.

Meester: Dan ben je niet je persoonlijkheid.

42. Ben jij je gedachten?

Meester: Wie ben jij?

Leerling: Ik ben wat ik denk.

Meester: Jij bent je gedachten?

Leerling: In essentie.

Meester: Welke gedachten?

Leerling: Wat ik maar denk.

Meester: Maar je gedachten veranderen toch steeds?

Leerling: Ja, en?

Meester: Hoe kan je je nu identificeren met iets dat nog veranderlijker is dan de wind?

Leerling: Dan ben ik maar veranderlijker dan de wind.

Meester: Waarom spreek je dan nog van ik?

Leerling: Omdat ik ben wat...

Meester: Waarom spreek je dan nog van zijn?

Leerling: In grote lijnen denk ik steeds hetzelfde, denk ik.

Meester: Hoelang al?

Leerling: Zolang ik me kan heugen.

Meester: Dacht jij als kind hetzelfde als nu?

Leerling: Niet precies, maar...

Meester: En als baby, toen je nog niets wist en geen woord sprak?

Leerling: Toen zeker niet.

Meester: Weet je nog wat je in de baarmoeder dacht?

Leerling: Ik weet niet eens of ik toen al wat dacht.

Meester: Was je toen een ander?

Leerling: Doe niet zo gek.

Meester: Wie ben je tussen je gedachten in?

Leerling: Hè?

Meester: Wie je bent als je niet denkt.

Leerling: Ik...

Meester: Wie ben je als je slaapt?

Leerling: Wie ik droom dat ik ben.

Meester: Ben je dat of droom je dat?

Leerling: Ik droom dat ik dat ben, maar...

Meester: Wie ben je als je wel slaapt maar niet droomt?

Leerling: Ik geef het op.

Meester: Dan ben je niet je gedachten.

43. Ben jij je herinneringen?

Meester: Wie ben jij?

Leerling: Ik ben mijn herinneringen.

Meester: En de rest dan?

Leerling: De rest draagt niet bij aan mijn wezen.

Meester: Dan was je tien jaar geleden niet wie je nu was.

Leerling: Waarom niet?

Meester: Omdat er sindsdien een heleboel herinneringen bij gekomen zijn.

Leerling: Maar daarom ben ik nog niet anders.

Meester: Wat is er dan hetzelfde gebleven?

Leerling: De herinneringen uit de periode daarvoor natuurlijk.

Meester: Weet je alles van tien jaar geleden nog even goed als alles van gisteren?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Hoe komt dat?

Leerling: Doordat veel herinneringen inmiddels verdwenen zijn.

Meester: Ben jij zelf verdwenen?

Leerling: Niet wezenlijk.

Meester: Hoe kun jij samenvallen met je herinneringen als die in de loop der tijd wezenlijk veranderen en jijzelf niet?

Leerling: Sommige herinneringen verdwijnen nooit. Die vormen je kern.

Meester: Wat is je oudste herinnering?

Leerling: Ik weet nog toen ik drie was...

Meester: Is dat je oudste herinnering?

Leerling: Volgens mij wel.

Meester: Wie was je voor die tijd?

Leerling: Hoe bedoel je?

Meester: Als jij je herinneringen bent en je herinnert je niets van voor die tijd, wie was je dan voor die tijd?

Leerling: Gewoon.

Meester: Gewoon?

Leerling: Mezelf, denk ik.

Meester: Hoe kan dat dan, zonder herinneringen?

Leerling: Misschien had ik toen wel herinneringen aan mijn eerste levensjaren, maar ben ik die inmiddels kwijtgeraakt.

Meester: Maken die dan geen deel uit van je identiteit?

Leerling: Tja.

Meester: Als je een boek leest of een film kijkt of staat te koken of iets anders doet waarbij je persoonlijke herinneringen nauwelijks een rol spelen of helemaal niet in je opkomen, wie ben je dan?

Leerling: Gewoon mezelf, denk ik.

Meester: Dan ben je niet je herinneringen.

44. Ben jij je prestaties?

Meester: Wie ben jij?

Leerling: Ik ben mijn prestaties.

Meester: Wat heb je zoal gepresteerd?

Leerling: Ik heb een gezin gesticht, ik heb een goedlopend bedrijf, ik heb mijn eigen huis ontworpen...

Meester: Wie was je voordat je deze prestaties had geleverd?

Leerling: Degene die ze ging leveren, veronderstel ik.

Meester: Is dat iemand anders dan degene die ze geleverd heeft?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Dan ben je niet je prestaties.

45. Ben jij je werk?

Meester: Wie ben jij?

Leerling: Ik ben mijn werk.

Meester: Je werk?

Leerling: Mijn oeuvre.

Meester: O, je bent ouvreuse.

Leerling: Nee, ik ben kunstenaar.

Meester: Hoelang ben je al kunstenaar?

Leerling: Al twintig jaar.

Meester: Hoe oud ben je nu?

Leerling: Vijftig.

Meester: Wie was je voor je kunstenaar werd?

Leerling: Wat zegt u?

Meester: Of was je toen niet?

Leerling: Ik veronderstel van wel.

Meester: Wat gebeurt er met jou als je werk verdwijnt?

Leerling: Hoe bedoelt u?

Meester: Ga jij in rook op als je werk verbrandt?

Leerling: Niet letterlijk natuurlijk.

Meester: Wel figuurlijk?

Leerling: Ik moet er tenminste niet aan denken.

Meester: Zou je er nu niet zijn als je geen kunst had gemaakt?

Leerling: Natuurlijk wel.

Meester: Zou je er nooit geweest zijn als je geen kunst had gemaakt?

Leerling: Onzin.

Meester: Dan ben je niet je werk.

46. Ben jij het Absolute?

Meester: Wie ben jij?

Leerling: Daar trap ik niet meer in.

Meester: Waar trap je niet meer in?

Leerling: Ik ben niet mijn lichaam, niet mijn geest, niet mijn hersenen, niet mijn persoonlijkheid, niet mijn gedachten, niet mijn herinneringen, niet mijn persoonlijkheid, niet mijn prestaties, niet mijn werk en ook niets anders.

Meester: Waarom wel zeggen wat je niet bent maar niet wat je wel bent?

Leerling: Dit was een apofatische omschrijving van het Zelf.

Meester: Van het wat?

Leerling: Van mijn ware aard. Mijn oorspronkelijke gezicht.

Meester: Toe maar.

Leerling: Het Absolute, heb ik het over. Het Oorspronkelijke. Essentie. Bewustzijn.

Meester: Wat is dat allemaal?

Leerling: Het onveranderlijke Ene.

Meester: Je maakt anders geen onveranderlijke indruk op mij.

Leerling: Ik ben dat waarin het veranderlijke verschijnt en verdwijnt. De oorsprong en bestemming van de verschijnselen.

Meester: Wie zegt dat er zoiets is?

Leerling: Dat is de enige verklaring.

Meester: Je hebt het beredeneerd?

Leerling: Inderdaad.

Meester: Behoort die redenering soms niet tot de verschijnselen?

Leerling: Jawel, maar...

Meester: En je conclusie?

Leerling: Ook, maar...

Meester: Dan ben ik benieuwd hoelang hij nog standhoudt.

47. Wat er overblijft als je alles opgeeft

Leerling: Ik heb alles opgegeven.

Meester: Wat dan allemaal?

Leerling: Mijn gevoelens, mijn gedachten, mijn gezondheid, mijn lichaam, mijn leven, mijn dood, mijn naasten, mijn bezittingen, mijn veiligheid, mijn werk, mijn doelen, mijn prestaties, mijn concepten, mijn theorieën, mijn zekerheden, de hele mikmak.

Meester: Wie?

Leerling: Ik, zei ik toch?

Meester: Dan heb je nog niet alles opgegeven.

Jaren later

Leerling: Niet-ik heeft alles opgegeven.

Meester: Wie?

Leerling: Geen-zelf. Bewustzijn. Het Ene. Zijn. Het Leven dat door mij leeft.

Meester: Dan heb je nog niet alles opgegeven.

Jaren later

Leerling: Alles is opgegeven.

Meester: Behalve het opgeven zeker.

Leerling: Wat als alles is opgegeven, zelfs het opgeven?

Meester: Ja, wat niet.

48. Wat is je ware kloon?

Meester Maya zegt:

Een losse zaad- en eicel ben je geweest, een bevruchte eicel, een embryo, een foetus, een baby, een peuter, een kleuter, een kind, een puber, een volwassene, en voor je het weet ben je een bejaarde, of nu al. Wat was of is je ware lichaam? Wie ben je nou echt?

Stel dat je de ene dag wakker wordt in het lichaam van een bejaarde, de andere als zaad- en eicel, nu eens als embryo of foetus, dan weer als puber of volwassene, de ene keer als embryo, de volgende als kleuter of kind – er is geen peil op te trekken. Wat was of is dan je ware lichaam? Ben jij dan nog steeds jij?

Stel dat je iedere dag in of als een ander lichaam wakker wordt. Ben je dan nog steeds jij? Zou het anders zijn als dezelfde 100 lichamen steeds terug zouden komen? Dezelfde 10? Dezelfde 2?

Stel dat je iedere dag in hetzelfde lichaam wakker wordt, maar het voelt nooit als het jouwe, altijd als een uitleenexemplaar of een kopie van dat van gisteren. Ben jij dan nog steeds jij?

Stel dat je iedere dag in of als een ander persoon wakker wordt. Ben je dan nog steeds jij? Zou het anders zijn als dezelfde 100 personen steeds terug zouden komen? Dezelfde 10? Dezelfde 2?

Stel dat er 100 klonen van jou gemaakt worden, identiek zijn tot in de kleinste details, inclusief al je herinneringen, je gedachtenpatronen en voorkeuren. Ben jij er dan 100 keer? Ben jij dan het origineel en zijn alle anderen klonen van jou of is iedereen origineel of een kloon? Hoe zullen jullie daar een jaar later over denken, of tien jaar later?

49. Met mensen weet je het maar nooit

Leerling: Mensen hebben geen karakter.

Meester: Integendeel.

Leerling: Hoe bedoel je?

Meester: Ze hebben steeds een ander.

50. Hoe je echt bent

Meester Maya zegt:

Heb je het nou nog niet door?

Soms ben je zus, dan weer zo.

Soms vind je dit, dan weer dat.

Soms hou je hiervan, dan weer daarvan.

En je blijft je maar afvragen:

Wie ben ik nou echt?

Het antwoord is:

Zo ben je nou echt.

Bovenaanzicht van twee identieke, half versmolten hoofden.
^ Wie ben je nou echt?

51. Hoe je weer mens wordt, uiteindelijk

'Wat betekent het om mens te zijn, Hans?'

'Uiteindelijk?'

'Uiteindelijk.'

'Niet weten wat het betekent om mens te zijn.'

'En wat betekent het om niet te weten wat het betekent om mens te zijn?'

'Uiteindelijk?'

'Uiteindelijk.'

'Weten wat het betekent om mens te zijn.'

52. Tussenstations

1

Leerling: Ik heb gewoon geen idee meer wie ik ben.

Meester: Ook die zekerheid ben ik kwijt.

2

Leerling: Iedereen is een vraagteken voor me geworden.

Meester: Ook die zekerheid ben ik kwijt.

53. Zoeker naar het einde van het zoeken, 3

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

54. Het open geheim van Tony Parsons, het verschrikkelijke geheim van Adyashanti en het lege geheim van niet-weten

Deel 1 van een dwaalgesprek in 7 delen over het zelf.

Ben je jezelf of het Zelf? De kenner of het gekende? Iemand of niemand? Maan en Hans verkennen het onbekende.

Maan: Tony Parsons spreekt van een open geheim, Adyashanti van een verschrikkelijke geheim en jij van een leeg geheim. Wat is precies het verschil?

Hans: Een van de gevleugelde uitdrukkingen van de non-dualist Tony Parsons luidt 'niemand hier'. Daarmee bedoelt hij dat het individu als afgescheiden persoon en subject tegenover een onafhankelijk bestaande, objectieve wereld een illusie is, en de vrije wil dus ook.

Maan: Wat is er dan wel?

Hans: Volgens Parsons is er alleen maar Zijn zonder onderscheid.

Maan: Waarom noemt hij dat een open geheim?

Hans: Hij noemt het een geheim omdat iedereen erover verzwijgt en hij noemt het open omdat je het zelf kan zien.

Maan: En Adyashanti?

Hans: Adyashanti noemt ditzelfde geheim – dat er niemand in je binnenste woont – verschrikkelijk omdat volgens hem de meesten van ons de gedachte van de onbemande mens onverdraaglijk vinden.

Maan: En jij? Ben jij het daarmee eens?

Hans: Niet eens, niet oneens.

Maan: Leg uit.

Hans: Het is heel simpel. Ik weet niet wie ik ben, ik weet niet wat ik ben, ik weet niet of ik ben – niet echt.

Dat er 'iemand hier' is, een ik of ego of personage, valt niet hard te maken, tenminste niet door mij. Dat er 'niemand hier' is ook niet.

Ik sta er niet voor in dat ik een afgescheiden subject ben tegenover een onafhankelijk bestaande, objectieve wereld, maar ook niet dat ik het geheel, het ene, zijn, het leven zelf, god of universeel bewustzijn ben, zoals dat in die kringen heet. En ook niet iets ertussenin, zoals een egoloos ego of een zelfloos zelf.

Ik sta er niet voor in dat ik een vrije wil heb, maar ook niet dat ik die niet heb of zelfs maar dat ik dat niet kan weten. En ook niet iets ertussenin zoals vrijheid zonder vrijheid of een wil zonder wil.

Ik sta nergens voor in, ik heb niets te zeggen, zelfs niet dat ik niks te zeggen heb.

Dat noem ik voor de grap het lege geheim.

Absentisme, presentisme

Het dogma dat je iemand bent, het geloof in jezelf als een wezenlijk maar begrensd wezen, als een belichaamd persoon of een bemand lichaam met een eigen, vrije wil, noem ik presentisme. Je bent, je bent er, je bent aanwezig, present, je bent een presentie. Wie dat gelooft is een presentist.

Het dogma dat je niemand bent, het geloof dat je persoon en de vrije wil illusies zijn, dat je lichaam onbemand is, noem ik absentisme. Je bent niet, je bent er niet, je bent afwezig, absent, je bent een absentie. Wie dat gelooft is een absentist.

Iemand hier of niemand hier, zelf of niet-zelf, atman of anatman – presentisme versus absentisme.

Verwar presentisme niet met presenteïsme, de neiging om overdreven vaak aanwezig te zijn bijvoorbeeld op je werk, zelfs als je ziek bent.

Verwar absentisme niet met absenteïsme, de neiging om te verzuimen.

Een agnost is geen presentist, geen absentist, en ook niet iets ertussenin.

55. Onweerlegbare argumenten bestaan niet

Deel 2 van een dwaalgesprek in 7 delen over het zelf.

Maan: Er zijn toch goede argumenten voor de gedachte van de onbemande mens.

Hans: Overal zijn goede argumenten voor.

Maan: Er zijn ook goede argumenten tegen het idee van de vrije wil.

Hans: Overal zijn goede argumenten tegen.

Maan: Onweerlegbare argumenten.

Hans: Onweerlegbare argumenten ken ik niet.

Maan: Bijvoorbeeld maya, de gedachte dat alles een illusie is, dus ook het ik.

Hans: Als alles een illusie is, dan ook de illusie, en ook de gedachte dat alles een illusie is.

Nog meer onweerlegbare argumenten?

Maan: De boeddhistische gedachte van sunyata – het idee dat alle dingen leeg zijn, dat wil zeggen, afhankelijk ontstaan en bestaan en geen eigen wezen, identiteit of werking hebben.

Hans: Als alle dingen leeg zijn, dan ook sunyata, en ook de gedachte dat alle dingen leeg zijn.

Nog meer onweerlegbare argumenten?

Maan: Maar als we sunyata toepassen op het idee van de persoon dan komen we toch vanzelf tot anatman, niet-ik, niemand hier, oftewel het Zelf, het Ene, en van daaruit...

Hans: Als alle dingen leeg zijn dan ook anatman en niet-ik en het zelf en het ene.

Nog meer onweerlegbare argumenten?

Maan: Maar als dezelfde gedachte van niet-ik, van het universele Zelf, van de Eeuwige Wijsheid nou in talloze tradities en in allerlei gedaanten blijft terugkeren, dan moeten we toch concluderen...

Hans: De gedachte van een ik, een individueel persoon blijft ook in talloze tradities en in allerlei gedaanten terugkeren, en toch twijfel jij eraan.

Nog meer onweerlegbare argumenten?

Maan: Volgens de advaita vedanta zijn wij de film, niet het doek...

Hans: Goeie film, nog meer onweerlegbare argumenten?

Maan: De kenner, niet het gekende...

Hans: Allemaal kennis, nog meer onweerlegbare argumenten?

56. Piekervaringen bewijzen ook niets

Deel 3 van een dwaalgesprek in 7 delen over het zelf.

Maan: Ik heb zelf tijdens meditatie meermalen de eenheid van binnen en buiten, van mijzelf en de kosmos mogen ervaren en het is mijn diepste overtuiging dat...

Hans: Ik twijfel niet aan je ervaringen, maar wel aan je gedachten erover, zeker die van het type 'diepste overtuiging'.

Maan: Pardon?

Hans: Mensen ervaren, voelen, dromen en hallucineren de gekste dingen, vraag maar in een gekkenhuis, maar wat het nou betekent?

Maan: Wou jij beweren dat het niets betekent?

Hans: Ben ik god als ik me god voel?

Ben ik de duivel als ik me de duivel voel?

Is materie echt als ik me eraan stoot?

Is materie ideëel als ik er een voorstelling van heb?

Ben ik iemand als ik me iemand voel?

Ben ik niemand als ik me niemand voel?

Heeft de wereld kleur omdat ik kleuren zie?

Is de wereld grijs omdat ik kleurenblind ben?

Ben ik verlicht als ik me verlicht voel?

Ben ik onwetend als ik me onwetend voel?

Is een hallucinatie werkelijkheid als ik haar niet als waan herken?

Is de werkelijkheid een hallucinatie als ik haar niet als realiteit herken?

Ben ik veilig als ik me safe voel?

Ben ik in gevaar als ik bang ben?

Maan: Op die manier.

Hans: Je moest eens weten wat ik alleen vandaag al gedacht, gevoeld en ervaren heb.

Je moest eens weten wat ik alleen de afgelopen nacht al gedroomd heb, gesteld dat het dromen waren.

Maan: Maar als alles één is dan kan er toch niet iemand of iets anders zijn dan het ene?

Hans: Als alles één is wel, maar hoe stel je zoiets vast?

57. Mijn geheim is dat ik geen geheim heb

Deel 4 van een dwaalgesprek in 7 delen over het zelf.

Maan: Wat valt er eigenlijk wél te verdedigen volgens jou?

Hans: Zeg dat wel.

Maan: Dat er niets te verdedigen valt, wou je zeggen.

Hans: Probeer maar.

Maan: Zelfs dat er niets te verdedigen valt, valt niet te verdedigen?

Hans: Niet door mij. En dat het niet te verdedigen valt dat er niets te verdedigen valt ook niet.

Maan: Enzovoort.

Hans: Nou, voort...

Maan: Wat jou betreft is er geen open geheim en ook geen vreselijk geheim?

Hans: Wat weet ik daarvan?

Maan: We kunnen niet weten of er een geheim is of niet, laat staan of het open of vreselijk of iets anders is.

Hans: Weet ik veel wat we wel of niet kunnen weten.

Maan: Wat is dan wel jouw geheim?

Hans: Heb ik niet.

Maan: Omdat er geen geheim is?

Hans: Hoe stel je zoiets vast?

Maan: Dat bedoel je toch?

Hans: Wanneer?

Maan: Als je het over het lege geheim hebt?

Hans: Er is helemaal geen leeg geheim.

Maan: Ik heb die term anders niet uit mijn duim gezogen.

Hans: Nee, uit de mijne.

Maan: Nou dan.

Hans: Ik gebruik de uitdrukking 'het lege geheim' alleen maar als mensen weer eens geheimzinnig beginnen te doen.

Ik gebruik hem om tegenwicht te bieden aan de gnostische gedachte dat er een of ander geheim zou zijn, open, vreselijk, hoog, diep, ontologisch, epistemologisch, esoterisch, mystiek, voorbij de woorden of anderszins.

Ik gebruik hem ook om tegenwicht te bieden aan de sceptische gedachte dat er geen geheim zou zijn.

Ik gebruik hem ook om tegenwicht te bieden aan de agnostische gedachte dat we niet kunnen weten of er een geheim is.

Ik gebruik hem om tegenwicht te bieden, nergens anders voor.

Daarna kan hij meteen de prullenbak in.

Die er geen haar voller van wordt.

Maan: Met het lege geheim bedoel je alleen maar dat je over de kwestie ik versus niet-ik en andere levensbeschouwelijke kwesties niets te melden heb.

Hans: Dus ook niet dat er over de kwestie ik versus niet-ik en soortgelijke levensbeschouwelijke kwesties niets te melden valt.

58. Fluit de merel of fluit de geest?

Deel 5 van een dwaalgesprek in 7 delen over het zelf.

Maan: Je weet toch zeker hoe je je broek aan moet trekken?

Hans: Wat versta jij onder levensbeschouwelijk?

Maan: Weten is weten.

Hans: Op het eerste gezicht schijn ik van alles te weten.

Hoe ik mijn broek aan moet trekken en andere levensbeschouwelijke zaken.

Maar als ik het serieus onderzoek moet ik steeds opnieuw vaststellen dat al mijn kennis in de lucht hangt.

Als ik droom dat ik kan vliegen, wat ik vaak droom, kan ik dan vliegen of niet?

Als ik mijn broek aantrek, wat ik vaak doe, kan ik dat dan echt of is het een droom of coma waaruit ik straks wakker wordt als tetraplegiepatiënt?

Als ik probeer vast te stellen wat het wezenlijke verschil is tussen, ik noem maar wat eenvoudigs, een kruk en een stoel, kom ik er niet uit, kijk maar in het Witboek Advaita.

Er zijn stoelen met één poot en krukken met vier; stoelen zonder rugleuning en krukken mét.

Er is niets wezenlijks te vinden dat uniek is voor een stoel of een kruk.

Het verschil tussen een stoel en een tafel, idem.

Tussen een tafel en een vloer, dito.

Tussen een vloer en een plafond, hetzelfde.

Tussen het relatieve en het absolute.

Tussen gever en nemer.

Tussen vorm en leegte.

Tussen worden en zijn.

Tussen herinnering en werkelijkheid.

Tussen geest en lichaam.

Tussen nu en daarnet en zometeen.

Tussen jou en mij.

Tussen mij en die boom daar.

Zit het groen in het blad of in mijn brein?

Fluit de merel of fluit de geest?

Waar houdt het dal op en begint de berg?

Waar houdt mijn arm op en begint mijn romp?

Op welke hardware draait mijn DNA?

Hoe langer je erover nadenkt, hoe meer de dingen in elkaar overlopen. Je komt er niet uit. Ik tenminste niet, mij is het niet gelukt.

Maan: Mij lukt het voortdurend.

Hans: Omdat je niet verder kijkt dan je neus lang is.

Maan: Hoe kijk je verder dan je neus lang is?

Hans: Beweer iets, om het even wat, en onderzoek je aannames en begrippen, en de aannames en begrippen die daar weer aan ten grondslag liggen en zie: er komt geen eind aan. Het is allemaal spaghetti. Erwtensoep. Waterpest.

De boeddhist noemt dat met een chic woord afhankelijk bestaan of interzijn of interdependentie (Sanskriet: pratitya samutpada).

De non-dualist noemt het met een chic woord non-dualiteit.

De filosoof spreekt van het regressieprobleem of het kennisprobleem.

Zelf noem ik het gewoon niet-weten, dat lijkt me wel zo eerlijk.

Maan: Omdat je nergens houvast vindt.

Hans: Ook hierin niet.

Maan: Dat moet ik van je aannemen.

Hans: Juist niet.

Maan: En wat is daar geheim aan?

Hans: Helemaal niets. Toch lijken weinigen het te beseffen.

Of mensen willen het niet toegeven, dat weet ik niet.

Of ze zien het gewoon niet.

Of het interesseert ze gewoon niet.

Of ze nemen het voetstoots aan, als overgeleverde wijsheid uit de traditie die toevallig hun voorkeur geniet.

Waardoor het weer weten uit tweede hand wordt in plaats van niet-weten uit eerste.

Maan: Ik zie het gewoon niet.

Hans: Duisternis kan je niet zien en stilte kan je niet horen en ook het lege geheim manifesteert zich op geen enkele wijze, zelfs niet als wijsheid.

59. Kennis is een gammel vlot

Deel 6 van een dwaalgesprek in 7 delen over het zelf.

Maan: De mensheid weet anders ontzaglijk veel. De mensheid weet steeds meer.

Hans: Dat valt vies tegen.

Maan: Dan nog, waarom zou je stil blijven staan bij de grenzen van je kennis als je ze steeds kan verleggen?

Hans: Waarom zou je je grenzen steeds verleggen als je stil kan blijven staan?

Maan: Obscurantist.

Hans: De wereld vergaat niet als jij er even bij gaat zitten, hoor.

Maan: Stilstand is achteruitgang. Kennis is macht. De hele maatschappij is ingericht op het vergaren en overdragen van kennis, en terecht. Wetenschap is een wereldomspannend front waarbij de Chinese Muur in het niet valt. Overal zijn bibliotheken, databases, informatiecentra, opleidingsinstituten.

Dat is allemaal niet voor niets. Onwetendheid is lijden, leven is leren. Je moet je blijven ontwikkelen. Kübler-Ross noemt de dood de laatste leerervaring en zo is het maar net.

Hans: Misschien moet ze een zombieschool beginnen.

Maan: Weten biedt hoop op een betere toekomst voor onszelf en voor de generaties na ons. Het is opwindend. Het geeft je iets te doen. Het is concreet, afgebakend, overzichtelijk.

Niet-weten biedt geen enkel perspectief. Het is niet sexy. Het geeft je niks te doen. Het leidt nergens toe. Het is deprimerend. Het is vormeloos. Het maakt je leven onbegrijpelijk. Beangstigend. Onoverzichtelijk.

Hans: Onbeheersbaar.

Maan: Overweldigend.

Hans: Daarom kijken mensen liever naar het vlot of naar hun knieën of handen of naar de andere schipbreukelingen. Of ze speuren de horizon af naar een schip of een eiland – wat dan ook, als het maar afleiding biedt. Want de zee is zo wijd en zo diep en zo duister en zo leeg.

Maan: Zo leeg als het firmament.

Hans: Als je 's nachts naar de hemel kijkt, zoeken je ogen vanzelf de maan op, of de sterren. Met de grenzeloze tussenruimte weten ze geen raad.

Maan: Brr.

Hans: Angst voor het nachtelijk duister wordt door psychiaters scotofobie genoemd. Angst voor de grondeloosheid van het bestaan is ook een soort scotofobie. Ik heb er erg onder geleden.

De grap is dat die angst net zo ongegrond is als wat dan ook. Net zo ongegrond als de zogenaamde grondeloosheid zelf.

Maan: Zogenaamd?

Hans: Grondeloosheid is ook maar een woord.

Maan: Jij bent niet er niet meer bang voor?

Hans: Niet voor grondeloosheid.

Maan: Waarom niet?

Hans: In de eerste plaats zou ik niet weten wat er eng aan is. In de tweede plaats heb ik geen idee of het bestaan wel zo grondeloos is.

Als het erop aankomt weet ik niet eens wat 'bestaan' of 'grondeloos' betekent. Zoek maar op in het woordenboek, dan krijg je er twee keer tien andere woorden voor in de plaats, die je ook weer moet opzoeken.

Waar is dat 'bestaan' eigenlijk, waar is die 'grondeloosheid', behalve in het woordenboek?

Wijs eens aan?

60. Gewoon lekker zitten

Deel 7 van een dwaalgesprek in 7 delen over het zelf.

Maan: Wie is er bang voor een woord, wou je zeggen.

Hans: Bang ben je voor wat je weet of meent te weten. Grondeloosheid is niet angstwekkend door wat het is maar door wat je denkt dat het is of doordat je denkt dat het is.

Maan: Wie niet weet is niet bang?

Hans: Wees gerust, er blijft meer dan genoeg over om bang voor te zijn.

Maan: Jammer.

Hans: Zonder angst zou je gauw dood zijn.

Maan: Maar jij hebt het weten toch achter je gelaten?

Hans: Dacht je nou echt dat je het weten achter je kon laten?

Maan: Wat is dan het verschil met vroeger?

Hans: Dat het weten niet meer de boventoon voert.

Dat kennis niet meer mijn richtpunt en horizon is.

Dat mijn weten ingebed ligt in niet-weten.

Waardoor ik bij alles wat ik meen te weten een slag om de arm hou.

Maan: Tien slagen.

Hans: Beter tien slagen om de arm dan één in de lucht.

Maan: Je bent er maar druk mee.

Hans: Welnee, ik sta erbij en ik kijk ernaar.

Maan: Je bent alleen maar de getuige?

Hans: Ook van de gedachte dat ik alleen maar de getuige zou zijn.

Maan: Krishnamurti noemde dat keuzeloos gewaarzijn.

Hans: Goeroe Ouwehoeroe.

Maan: Nou zeg.

Hans: De theorie dat ik alleen maar de getuige zou zijn kan mij net zomin bekoren als de theorie dat ik de doener zou zijn, of de commentator, of iets of iemand anders of helemaal niemand of alles of niets of wat dan ook.

Voor mij zijn het allemaal maar gedachten. Deze ook.

Maan: Jij staat nergens meer voor in.

Hans: Ik zit liever.

Maan: Zitten als in zazen?

Hans: Nee joh, gewoon lekker zitten.

Maan: Zonder forceren.

Hans: Weet je nog?

61. Wie kent het verschil tussen zijn wezen en zijn verschijningsvorm?

Over het genoegen van een leven zonder levensbeschouwelijke duidelijkheid.

Rien: Wat is ons diepste wezen volgens jou?

Hans: In tegenstelling tot?

Rien: Onze verschijningsvorm.

Hans: Ik zie het verschil niet.

Rien: Waartussen niet?

Hans: Tussen mijn diepste wezen en mijn verschijningsvorm niet.

Rien: Bedoel je dat ze identiek zijn, of de keerzijden van dezelfde munt?

Hans: Ik ken mijn wezen niet en ik ken mijn verschijningsvorm niet. Voor jou zijn het misschien werkelijkheden, voor mij zijn het woorden waar ik me geen raad mee weet. Hoe kan ik de identiteit vaststellen van zaken waarvan ik het bestaan niet eens kan bevestigen of zelfs maar ontkennen? Hoe zou ik ooit hun relatie kunnen beschrijven?

Rien: Geen wezen, geen verschijningsvorm.

Hans: Dat zeg ik niet. Ik zeg alleen dat ik het niet weet.

Rien: Dat is in tegenspraak met de gedachte van niet-zelf, anatman.

Hans: Ik bevestig niets en ik ontken niets, wat spreek ik dan tegen? Niet-spreken is wat ik doe. Voor mij is dat de zuiverste uitdrukking van niet-weten. Zuiverder nog dan zwijgen.

Rien: Geheimzinnig hoor.

Hans: Niet-weten is niet geheim en het heeft geen geheim, behalve in de zin dat alles wat je niet weet voor jou onbekend blijft. Dat geldt ook voor de kwestie van mijn echte ik, mijn ware aard, mijn diepste zelf, en de relatie daarvan tot mijn verschijningsvorm. Ben ik iemand of niemand, vorm of leegte, alles of niets, overal of nergens, werkelijkheid of illusie? Zeg jij het maar. Ik weet het niet meer en ik hoef het niet meer te weten.

Rien: Zeker weten?

Hans: Ach, als ik er niet bij stilsta, waan ik mij Hans van Dam, maar als ik hem zoek kan ik hem niet vinden. Wie is hij? Is hij? Is hij deze persoon met dit lichaam, deze genen, deze geschiedenis, deze gedachten, gevoelens, en herinneringen? Of is dat schijn en ben ik energie, het leven zelf, de of het ene, de tao, god, het absolute, de bron, bewustzijn of wat?

Rien: Dat was mijn vraag.

Hans: Niemand heeft me weten te overtuigen van welk antwoord ook. Lao Tse niet. Siddharta Gautama niet. Zhuang Zi niet. Pyrrho van Elis niet. Jezus van Nazareth niet. Dogen Zenji niet. Wumen Huikai niet. Huangbo Xiyun niet. Linji Yixuan niet. Meister Eckhart niet. Johannes van het kruis niet. Rumi niet. Ramana Maharshi niet. Montaigne niet. René Descartes niet. David Hume niet. Arthur Schopenhauer niet. Immanuel Kant niet. Merleau-Ponty niet. Samuel Beckett niet. Shunryu Suzuki niet. Jiddu Krishnamurti niet. U.G. Krishnamurti niet. Osho niet. Adyashanti niet. Alexander Smit niet. Wolter Keers niet. Jan van Delden niet. Tony Parsons niet. Mooji niet. Ken Wilber niet. Nico Tydeman niet. Niemand niet.

Weet je wat het mooie is? Het maakt mij geen bal meer uit. Het is gewoonweg heerlijk om, los van wat concrete, praktische kennis (en zelfs dat nog onder eeuwig voorbehoud) in totale onwetendheid te leven. Ik koester het.

Niet langer Hans van Dam te hoeven spelen zonder meteen weer de verlosser uit te moeten hangen, dat is pas verlossing. Geen vaste rollen meer, alledaagse noch spirituele noch religieuze. Geen antwoorden meer, geen vragen meer. Niets meer te verklaren, verdedigen of uit te dragen, dit ook niet.

Echt, ik heb geen spoortje behoefte meer aan levensbeschouwelijke duidelijkheid of metafysische zekerheid, en ik slaap er alleen maar beter van.

Rien: Dat was vroeger wel anders, zeker.

Hans: Zeker. Ooit had ik een dagtaak aan het uitvogelen, vaststellen en onderbouwen van levensbeschouwelijke kwesties. Ik spreek nu over de eerste vijftig jaar van mijn leven. Toen ik nog dacht dat het mogelijk en belangrijk was om op dat vlak iets uit te vogelen, te onderbouwen en uit te dragen.

Rien: Nu weet je dat het onmogelijk is.

Hans: Ook daarover doe ik geen uitspraken meer.

Rien: Nee.

Hans: Ik heb mijn lesje afgeleerd.

62. Zoeker naar het einde van het zoeken, 4

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

63. Hersenactiviteit is nog geen waarneming

Meester: Wat is zien?

Leerling: Geen kunst aan.

Meester: Dan kan jij het me vast wel uitleggen.

Leerling: Er valt licht in je ogen en dat veroorzaakt zenuwactiviteit.

Meester: Op die manier.

Leerling: Simpel.

Meester: Dan kan je me zeker ook wel uitleggen hoe iets stoffelijks als hersenactiviteit tot iets geestelijks als een visuele waarneming kan leiden.

Leerling: Volgens Leibniz zijn alle monaden gesynchroniseerd door God.

Volgens het psychofysisch parallellisme lopen lichaam en geest samen op maar zonder elkaar te beïnvloeden.

Volgens Descartes is het de pijnappelklier die bemiddeld tussen lichaam en geest.

Volgens de emergentieleer is bewustwording een gevolg van de complexe interacties van miljarden zenuwcellen.

Meester: Wat denk je zelf?

Leerling: Daar ben ik nog niet uit.

Meester: Op die manier.

64. Kan jij je zenuwprocessen waarnemen?

Wat zie je allemaal niet?

Meester: Wat is zien volgens jou?

Leerling: Er valt licht in je ogen en dat licht veroorzaakt zenuwactiviteit.

Meester: Hoe weet je dat?

Leerling: Gelezen.

Meester: Je hebt het nooit aan den lijve ondervonden?

Leerling: Ik geloof het niet.

Meester: Let eens op je hersens terwijl je om je heen kijkt.

Leerling: ...

Meester: En?

Leerling: Niets.

Meester: Geen zenuwactiviteit te bespeuren?

Leerling: Ik merk er tenminste niks van.

Meester: Geen elektriciteit in je oogzenuw, geen schimmen in je achterhoofd, geen kleurvelden of trillingen of tintelingen of warmte of een zacht ruisen of tinkelen misschien, een metalige geur in de tussenliggende gebieden?

Leerling: Dood als een pier.

Meester: En je ogen zelf?

Leerling: Wat is daarmee?

Meester: Wat zie je tijdens het kijken in je ogen gebeuren?

Leerling: Ik kijk mét mijn ogen, niet in mijn ogen.

Meester: Geen beelden in je lenzen of op je netvliezen?

Leerling: Ik zie de wereld daarbuiten, niet een film op mijn netvliezen of een voorstelling in mijn brein.

Meester: Vind je het niet vreemd dat de fysiologische processen waaraan je het verschijnen van de wereld toeschrijft, niet aan jou verschijnen maar de wereld waarin ze verondersteld worden zich te voltrekken wel?

65. Is het lichaam een soort projector?

Meester: Wat is zien?

Leerling: Er valt licht in je ogen dat wordt omgezet in hersenactiviteit die wordt omgezet in bewuste beelden. Maar vraag me niet hoe, want dat weet niemand.

Meester: Ik wou het net vragen.

Leerling: Vraag liever iets wat ik wel weet.

Meester: Waar gebeurt dat?

Leerling: In de bovenkamer, lijkt mij.

Meester: Dan moet je me toch eens iets uitleggen.

Leerling: Wat?

Meester: Hoe kan een fysiologisch proces in je hoofd leiden tot beelden buiten je hoofd?

Leerling: Tjemig.

Meester: Kan je iets specifieker zijn?

Leerling: Wat dacht u van projectie?

Meester: Wat is dat?

Leerling: Een fysiologisch proces in je hoofd dat leidt tot beelden buiten je hoofd, zou ik zeggen.

Meester: Dan moet je me toch eens iets uitleggen.

Leerling: Ik was er al bang voor.

Meester: Hoe kan een fysiologisch proces in je hoofd leiden tot beelden buiten je hoofd?

Leerling: Eh...

Meester: Is dat een ander woord voor 'Ik weet het niet?'

Leerling: Ik weet het niet.

Meester: Wie niet?

Leerling: Ik dacht al dat u dat zou vragen.

Meester: En waar komt die ik ineens vandaan?

Leerling: Ik zal maar niet over fysiologische processen en projecties beginnen, hè?

Meester: Ik zal maar niet vragen wie wat projecteert op welke wijze, hè?

Leerling: Ik heb werkelijk geen flauw benul.

Meester: Nou, ik ook niet.

66. Zie je iets of zie je een beeld van iets?

Zeg maar dag met je handje.

Meester: Als ik mijn hand opsteek, wat zie je dan?

Leerling: Uw hand.

Meester: Zie je mijn hand of zie je een beeld van mijn hand?

Leerling: O, eh... een beeld van uw hand, zou ik zeggen.

Meester: Waar is dat beeld?

Leerling: Daar.

Meester: Hier bedoel je, waar mijn hand is?

Leerling: Waar anders.

Meester: Maar jij bent daar.

Leerling: Beslist.

Meester: Hoe kun je er dan bij?

Leerling: Waarbij?

Meester: Bij dat beeld van mijn hand.

Leerling: Doordat het in mijn hoofd zit natuurlijk.

Meester: Ja, zit het beeld nou hier bij mijn hand of daar in je hoofd?

Leerling: Dat is te zeggen...

Meester: Is er een verschil tussen mijn hand hier en het beeld van mijn hand daar in jouw hoofd?

Leerling: Er is, eh... maar één, eh... hand. Beeld. Origineel.

Meester: Beeld of origineel?

Leerling: Nou...

Meester: En waar bevindt dat beeld of origineel zich precies?

Leerling: Hier... nee, daar...

Meester: Hier en daar?

Leerling: Welja.

Meester: Is er een verschil tussen mijn hand hier, het beeld van mijn hand hier bij mijn hand en het beeld van mijn hand daar in jouw hoofd?

Leerling: Hm.

Meester: Zo niet, zijn ze dan misschien hetzelfde?

Leerling: Wat een lastige vragen allemaal.

Meester: Als het beeld of origineel tegelijkertijd in je hoofd en in de ruimte zit, dan moet je hoofd haast wel gelijk zijn aan de ruimte.

Leerling: Dat zou het probleem in één klap oplossen.

Meester: Maar ja...

Leerling: Wat?

Meester: Waar is dan je hoofd...

Leerling: Tja.

Meester: En waar is dan de wereld?

67. Denken tot je ziet

Meester Maya zegt:

Je denkt dat je een boom ziet maar je ziet het licht van een boom.

Je denkt dat je het licht van een boom ziet maar je ziet het beeld daarvan op je netvlies.

Je denkt dat je een beeld op je netvlies ziet maar je ziet de reconstructie daarvan in je brein.

Je denkt dat je een reconstructie in je brein ziet maar je ziet een afbeelding in je bewustzijn.

Je denkt dat je een afbeelding in je bewustzijn ziet maar je ziet een boom.

Dus wat zie je nou?

68. Wat denk jij als je een boom ziet?

Meester Maya zegt:

Niet te geloven!

Sommige mensen denken dat ze werkelijk een boom zien.

Sommige mensen denken dat ze het licht van een boom zien, maar nooit de boom zelf.

Sommige mensen denken dat ze een beeld van een boom op hun netvlies zien, maar nooit de boom zelf.

Sommige mensen denken dat ze een constructie van een boom in en van het brein zien, maar nooit de boom zelf.

Sommige mensen denken dat ze een beeld van een boom in hun bewustzijn zien, maar nooit de boom zelf.

Sommige mensen denken dat de boom zelf wel bestaat maar niet zichtbaar is.

Sommige mensen denken dat de boom zelf niet bestaat maar wel zichtbaar is.

Sommige mensen denken dat ze de boom zijn die ze zien.

Sommige mensen denken dat ze het zien van de boom zijn.

Sommige mensen denken dat ze manifest bewustzijn zien.

Sommige mensen denken dat ze bewustzijn zijn.

Sommige mensen denken dat ze zien zijn.

Sommige mensen denken dat ze zijn zien.

Sommige mensen denken dat ze zijn zijn.

Wat denk jij als je een boom ziet?

Wat denk je allemaal níet?

Wat dénk je allemaal niet.

69. Afwijkingen van het gezichtsvermogen waar je niet aan moet denken

Stel je toch eens voor, zegt Meester Maya:

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar het boomvormige licht dat weerkaatst wordt door een voor jou onkenbaar Ding-an-sich.

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar alleen een beeld van een boom op je netvlies.

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar alleen het construeren van een boom door het brein.

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar alleen een boomvormige constructie in het brein.

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar alleen een storm van zenuwontladingen in je visuele cortex.

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar alleen een beeld van een boom in je bewustzijn.

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar alleen jezelf als boom.

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar alleen het zien van de boom.

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar alleen het zien van het zien.

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar alleen het zien van het zijn.

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar alleen het manifest zijn van manifest bewustzijn.

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar alleen bewustzijn.

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar alleen het zijn van het zien.

Een afwijking waarbij je geen boom ziet maar alleen het zijn van het zijn.

Een afwijking waarbij je wel de bomen ziet maar niet het bos.

Een afwijking waarbij je wel het bos ziet maar niet de bomen.

Een afwijking waarbij je alleen details ziet maar niet de boom.

Een afwijking waarbij je gewoon een boom ziet.

Je moet er niet aan denken.

Of juist wel.

70. Alle gedachten van de regenboog

Meester Maya zegt:

Niet te geloven.

Sommige mensen denken dat dingen gekleurd zijn.

Sommige mensen denken dat het licht dat dingen weerkaatsen gekleurd is maar de dingen zelf niet.

Sommige mensen denken dat de visuele cortex de dingen inkleurt afhankelijk van de golflengte van het van zichzelf kleurloze licht.

Sommige mensen denken dat alleen de beelden in het bewustzijn gekleurd zijn.

Wat denk jij als je kleuren ziet?

Wat denk je allemaal níet?

Wat dénk je allemaal niet.

71. Wat is de afwijking, kleurenblindheid of kleurenziendheid?

Kleurenzienden zien hierboven een vraagteken van groene bolletjes in een cirkel van niet-groene bolletjes.

Vraag: is dat vraagteken werkelijk groen of is dat een artefact van het oog?

Als het een artefact van het oog is, bevat bovenstaand figuur dan werkelijk een vraagteken van rondjes in een cirkel van rondjes of denken we die er zelf in?

Hieronder dezelfde figuur zonder kleuring.

Cirkel van grijsgetinte bolletjes waarin een vraagteken van grijsgetinte bolletjes onzichtbaar is.

Vraag: bevat bovenstaand figuur werkelijk geen vraagteken van grijze rondjes in een cirkel van grijze rondjes of zien we die alleen maar niet? In het laatste geval: welke figuren zien we nog meer niet, al zitten ze er wel in?

72. Wat hoor je nou echt, het geluid of de bron?

1

Niet het gillen van sirenes
Maar het gillen van de lucht
Dat alleen maar trillen is.

Niet het trillen van de lucht
Dat alleen maar gillen is
Maar het gillen van sirenes.

2

Niet het krijsen van een baby
Maar het krijsen van de lucht
Dat alleen maar trillen is.

Niet het trillen van de lucht
Dat alleen maar krijsen is
Maar het krijsen van een baby.

3

Niet het zingen van een vogel
Maar het zingen van de lucht
Dat alleen maar trillen is.

Niet het trillen van de lucht
Dat alleen maar zingen is
Maar het zingen van een vogel.

73. Trillende beentjes

Niet het gillen van sirenes maar het trillen van de lucht.

Niet het trillen van de lucht maar het trillen van het trommelvlies.

Niet het trillen van het trommelvlies maar het trillen van de gehoorbeentjes.

Niet het trillen van de gehoorbeentjes maar de actiepotentialen van de gehoorzenuw.

Niet de actiepotentialen van de gehoorzenuw maar de actievelden van de auditieve cortex.

Niet de actievelden van de auditieve cortex maar het gillen van sirenes.

Niet het gillen van sirenes maar het trillen van de lucht.

74. Afwijkingen van het gehoor waar je niet aan moet denken

Stel je toch eens voor, zegt Meester Maya:

Een afwijking waarbij je niet de sirene hoort gillen maar de lucht.

Een afwijking waarbij je niet de sirene hoort gillen maar je trommelvlies.

Een afwijking waarbij je niet de sirene hoort gillen maar je gehoorzenuw.

Een afwijking waarbij je niet de sirene hoort gillen maar je cortex.

Een afwijking waarbij je niet de sirene hoort gillen maar je bewustzijn.

Een afwijking waarbij je niets hoort gillen behalve de sirene.

Een afwijking waarbij je gegil hoort maar niets dat gilt.

Een afwijking waarbij je de giller hoort maar geen gegil.

Een afwijking waarbij je niets hoort.

Je moet er niet aan denken, zeg je?

Juist wel.

75. Waar is een gedachte als niemand haar denkt?

Meester Maya zegt:

Geeft de zon licht als er niemand is om hem te zien?

Maakt de wind geluid als er niemand is om hem te horen?

Is een zuurtje zuur als er niemand is om het te proeven?

Stinkt een scheet als er niemand is om hem te ruiken?

Is vuur heet als er niemand is om zich te branden?

Is een sneeuwvlok zacht als er niemand is om op te vallen?

Heeft een woord betekenis als niemand het gebruikt?

Bestaat god als er niemand is die hem ervaart?

Bestaat verlichting als er niemand is die zich dat verbeeldt?

Bestaat de waarheid als er niemand is die haar herkent?

Is een gedachte waar als er niemand is die haar denkt?

Verstrijkt de tijd als er niemand is die dat weet?

Is een kwantumdeeltje ergens als er niemand is die het meet?

76. De dingen zien zoals ze zijn

Meester Maya zegt:

Niet te geloven.

Sommige mensen denken dat ze de dingen zien zoals ze zijn.

Sommige mensen denken dat ze de dingen niet zien zoals ze zijn.

Sommige mensen denken dat de dingen niet zijn als je ze niet ziet.

Sommige mensen denken dat de dingen zijn zolang je ze ziet.

Sommige mensen denken dat de dingen zijn doordat je ze ziet.

Sommige mensen denken dat dingen bewustzijn zijn.

Sommige mensen denken dat dingen bewust zijn.

Sommige mensen denken dat dingen niet zijn.

Sommige mensen denken dat ze dingen zijn.

Sommige mensen denken dat dingen zijn zijn.

Sommige mensen denken dat dingen zijn.

Sommige mensen denken dat zijn is.

Sommige mensen denken dat.

Wat denk jij als je dingen ziet?

Wat denk je allemaal níet?

Wat dénk je allemaal niet.

77. Wat is het lichaam op zich?

De groeten van Kant-an-sich.

Je denkt dat je je lichaam ziet, maar je ziet alleen licht, dat je toeschrijft aan je hypothetische lichaam. Het lichaam zelf heb je nog nooit gezien. Het visuele lichaam is een constructie.

Je denkt dat je je lichaam hoort, maar je hoort alleen trillingen, die je toeschrijft aan je hypothetische lichaam. Het lichaam zelf heb je nog nooit gehoord. Het auditieve lichaam is een constructie.

Je denkt dat je je lichaam voelt, maar je voelt alleen drukverschillen i, die je toeschrijft aan je hypothetische lichaam. Het lichaam zelf heb je nog nooit gevoeld. Het haptische lichaam is een constructie.

Je denkt dat je je lichaam proeft, maar je proeft alleen smaken, die je toeschrijft aan je hypothetische lichaam. Je lichaam heb je nog nooit geproefd. Het gustatorische lichaam is een constructie.

Je denkt dat je je lichaam ruikt, maar je ruikt alleen geuren, die je toeschrijft aan je hypothetische lichaam. Je lichaam heb je nog nooit geroken. Het olfactorische lichaam is een constructie.

Het lichaam is een constructie, maar waarvan?

Veralgemenisering tot alle objecten

Je denkt dat je iets of iemand ziet, maar je ziet alleen licht, dat je toeschrijft aan een hypothetisch object. Het object zelf heb je nog nooit gezien. Het visuele object is een constructie.

Je denkt dat je iets of iemand hoort, maar je hoort alleen trillingen, die je toeschrijft aan een hypothetisch object. Het object zelf heb je nog nooit gehoord. Het auditieve object is een constructie.

Je denkt dat je iets of iemand voelt, maar je voelt alleen drukverschillen i, die je toeschrijft aan een hypothetisch object. Het object zelf heb je nog nooit gevoeld. Het haptische object is een constructie.

Je denkt dat je iets of iemand proeft, maar je proeft alleen smaken, die je toeschrijft aan een hypothetisch object. Je object heb je nog nooit geproefd. Het gustatorische object is een constructie.

Je denkt dat je iets of iemand ruikt, maar je ruikt alleen geuren, die je toeschrijft aan een hypothetisch object. Je object heb je nog nooit geroken. Het olfactorische object is een constructie.

Het visuele object is een constructie, het auditieve object is een constructie, het haptische object is een constructie, het gustatorische object is een constructie, het olfactorische object is een constructie. Maar waarvan?

Van je zintuigen?

Van je perifere zenuwstelsel?

Van je brein?

Van je bewustzijn?

Van je geest?

Of zijn dat ook allemaal constructies, en zo ja, waarvan?

Of is het maar een constructie dat het allemaal constructies zijn, en zo ja, wat dan?

78. Je ziet jezelf denken

Hangen en wurgen tussen presentisme en absentisme.

Meester Maya zegt:

Je denkt dat je jezelf ziet maar je ziet jezelf denken.

Je denkt dat je het zien ziet maar je ziet jezelf denken.

Je denkt dat je het Zelf ziet maar je ziet jezelf denken.

Je denkt dat je niet-zelf ziet maar je ziet jezelf denken.

Je denkt dat je niet zelf ziet maar je ziet jezelf denken.

Je denkt dat je niet ziet maar je ziet jezelf denken.

Wat denk je allemaal niet?

79. Van de bemiddelde werkelijkheid en de onbemiddelde werkelijkheid

Meester Maya zegt:

Niet te geloven.

Sommige mensen denken werkelijk dat ze de werkelijkheid zelf zien.

Sommige mensen denken werkelijk dat het zien tussen hen en de werkelijkheid in staat.

Sommige mensen denken werkelijk dat ze met twee ogen de bemiddelde werkelijkheid zien en met hun derde oog de onbemiddelde werkelijkheid.

Sommige mensen denken werkelijk dat er twee werkelijkheden zijn.

Sommige mensen denken werkelijk dat er één werkelijkheid is.

Sommige mensen denken werkelijk dat er geen werkelijkheid is.

Sommige mensen denken werkelijk dat er veel werkelijkheden zijn.

Sommige mensen denken werkelijk dat alleen het heden werkelijk is.

Wat denk jij over de werkelijkheid?

Wat denk je allemaal níet?

Wat dénk je allemaal niet?

80. Waargeesten

Meester Maya zegt:

Niet te geloven.

Sommige mensen denken dat ze de waarheid zijn.

Sommige mensen denken dat ze de waarnemer zijn.

Sommige mensen denken dat ze de waargever zijn.

Sommige mensen denken dat ze de waarmaker zijn.

Sommige mensen denken dat ze waardevol zijn.

Sommige mensen denken dat ze waardeloos zijn.

Sommige mensen denken dat ze waardevast zijn.

Sommige mensen denken dat ze waardenvast zijn.

Sommige mensen denken dat ze waardevrij zijn.

Sommige mensen denken dat ze waardenvrij zijn.

Wat denk jij dat je bent?

Wat denk je allemaal níet?

Wat dénk je allemaal niet.

81. Zoeker naar het einde van het zoeken, 5

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

82. Hoe wij moeten omgaan met kennis

Zout op de wonde, balsem voor het brein.

'Hoe moeten wij omgaan met kennis?'

'Alsof het zalf is.'

'Dik insmeren, goed uitwrijven.'

'Niet innemen, alleen voor uitwendig gebruik.'

83. Waarom aanhangers van niet-weten het nooit eens zijn

'Waarom zijn aanhangers van niet-weten het altijd eens?'

'Omdat niet-weten geen aanhangers heeft.'

'Waarom heeft niet-weten geen aanhangers?'

'Omdat ze niets aanhangen.'

'En daarom zijn aanhangers van niet-weten het altijd eens?'

'En daarom zijn aanhangers van niet-weten het nooit eens.'

84. Alwetendheid en alonwetendheid bestaan niet

'Geloof jij in alwetendheid?'

'Wiens alwetendheid zou dat dan moeten zijn?'

'Die van god, lijkt mij.'

'Als god alwetend was, zou hij niet weten wat het is om onwetend te zijn.'

'Dan wist hij iets niet.'

'Dan was hij niet onwetend.'

'Geloof je in alonwetendheid?'

'Wiens alonwetendheid zou dat dan moeten zijn?'

'Die van jezelf, lijkt mij.'

'Als ik alonwetend was, zou ik dat niet weten.

'En als je het wist?

'Dan zou ik het niet zijn.'

'Alwetendheid en alonwetendheid zijn logisch onmogelijk?'

'Voor zover ik weet.'

85. Wie een kuil graaft voor zijn weten

Meester Haha zegt:

Wie een kuil graaft voor zijn weten valt er zelf in.

Hij zegt ook:

Wie een kuil graaft voor zichzelf loopt er steeds omheen.

86. De weg van niet-weten loopt dood in zichzelf

'Is er een weg naar niet-weten?'

'Je hoeft er niet heen, je bent er al.'

'Waarom weet ik dat dan niet?'

'Omdat je nog van alles weet.'

'Is er een weg uit niet-weten?'

'Je kan er niet weg, het is overal.'

'Iedere weg loopt van niet-weten naar niet-weten?'

'Iedere weg loopt dood in niet-weten.'

'Behalve de weg van niet-weten zeker?'

'De weg van niet-weten loopt dood in zichzelf.'

'Hoe heet het punt waarop de weg van niet-weten in zichzelf doodloopt?'

'Niet weten van niet-weten.'

'Wat als je zelfs niet meer weet van niet-weten?'

'Dan ben je daar ook weer van verlost.'

87. De weg is het doel want clichés zijn cool

'De weg is het doel.'

'Clichés zijn cool.'

'Ik bedoel dat de weg geen doel heeft, Hans, het doel van de weg is het gaan van de weg.'

'Waarom noem je het gaan van de weg een doel als de weg geen doel heeft?'

'Omdat de weg nergens heen gaat natuurlijk.'

'Hoe weet je dat de weg nergens heen gaat?'

'Daar is iedereen het tegenwoordig wel zo'n beetje over eens.'

'Dat mensen het eens zijn betekent toch niet dat ze gelijk hebben?'

'Jij bent het er toch ook mee eens?'

'Heb jij persoonlijk vastgesteld dat de weg nergens heen gaat?'

'Nee, dat niet.'

'Over welke weg heb je het eigenlijk?'

'Elke weg, volgens mij.'

'Heb jij dan elke weg helemaal tot het einde toe afgelopen?'

'Natuurlijk niet.'

'Waarom niet?'

'Dat kan nooit.'

'Heb jij je eigen weg al helemaal tot het einde toe afgelopen?'

'Natuurlijk niet.'

'Waarom niet?'

'Omdat hij pas eindigt bij mijn dood.'

'Hoe weet je dat hij daar eindigt?'

'Daar is iedereen het tegenwoordig wel zo'n beetje over eens, wou ik zeggen, maar ja...'

'In elk geval heb je het einde van je eigen weg nog niet bereikt.'

'Gelukkig niet.'

'Hoe weet je dan dat hij nergens heen gaat?'

'Maar stel nou dat er inderdaad geen eindbestemming is...'

'Maar dat weet je toch juist niet?'

'... Wat kan het doel dan anders zijn dan de weg zelf?'

'Maar wat zeg je dan nog?'

'Dat een weg zonder eindbestemming zichzelf rechtvaardigt?'

'Wat is volgens jou het verschil tussen een weg die zichzelf rechtvaardigt en een weg zonder doel?'

'...'

'Zeg dat dan meteen.'

88. Zeg ik niets of kan jij me niet horen?

'Waarheen leidt de weg die wij moeten gaan?'

'Wie zegt dat wij hem moeten gaan?'

'Wat anders?'

'Ondergaan?'

'Hè?'

'Misschien moeten wij de weg niet gaan maar ondergaan.'

'O, zo.'

'Veronderstellinkje?'

'Betrapt.'

'Geeft niks.'

'Waarheen leidt de weg die wij moeten ondergaan?'

'Wie zegt dat wij hem moeten ondergaan?'

'Jij toch?'

'Ik stelde alleen maar een aanname aan de orde.'

'Waarheen leidt de weg?'

'Wie zegt dat hij ergens heen leidt?'

'Bedoel je dat hij nergens heen leidt?'

'Ik stel alleen maar een aanname aan de orde.'

'Wat kan je mij dan wél vertellen over de weg?'

'Welke weg?'

'Bedoel je dat er geen weg is?'

'Ik stel alleen maar een aanname aan de orde.'

'Valt er dan helemaal niets te zeggen?'

'Dat hoor je mij niet zeggen.'

'Ik hoor je helemaal niets zeggen.'

'Het is anders niet dat ik niets zeg.'

'Wat is het dan wel?'

'Dat jij mij niet kan horen.'

89. Woordenboek niet-weten: de weg

1. (in de wijsheidstradities) het spirituele pad naar verlichting, bevrijding, ontwaken, realisatie

De weg wordt ook weleens de Weg genoemd, met een hoofdletter, of de Grote Weg. Zoals de schrijver van de Hsin Hsin Ming het zei:

De Grote Weg is niet moeilijk voor wie geen onderscheid maakt.

Waarmee hij onderscheid maakte tussen de Grote Weg en andere wegen, tussen makkelijk en moeilijk, en tussen wel onderscheid maken en geen onderscheid maken – zo makkelijk is het nou ook weer niet.

2. (in de Agnosereeks) het onnavolgbare pad naar, in en door niet-weten

Raar eigenlijk om in verband met niet-weten over de weg te spreken. Alsof niet-weten een bestemming is waar je heen kunt. Terugkijkend is het eerder alsof ik er nooit ben weggeweest, er nooit heb weg gekund. Alsof ik van mijn aangeboren onwetendheid, na een lange periode van waanwijsheid, teruggekeerd ben naar mijn oorspronkelijke onwetendheid, die nu misschien beter verworven onwetendheid kan heten, of hervonden onwetendheid. Vandaar het motto van mijn Witboek Zen:

De Grote Weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

Hoe zullen we de weg uit het weten die geen weg is eens noemen...

De denkweg, de wegdenkweg, de denk-wég, omdat hij uit het denken leidt?

De dwaalweg, omdat hij onnavolgbaar is, nergens vandaan komt en nergens heen gaat?

De dwarsweg, omdat hij haaks staat op alle gebaande wegen?

De gulden uitweg (niet te verwarren met de gulden middenweg), omdat hij overal uit wegleidt?

De kleine weg, omdat hij ver weg blijft van de Grote Weg en daarvan wegleidt als je er onbedoeld op terechtgekomen bent?

De niet-weg – de vrije ruimte tussen de wegen?

De omweg, de via via, omdat hij eindeloos om het niet-weten heen draait, tot je er toch ineens middenin zit?

De onbegaanbare weg, de via invia, omdat hij zich door niemand laat gaan maar niemand laat gaan?

De rondweg, omdat hij uitkomt bij je vertrekpunt: onwetendheid?

De terugweg, omdat hij terugvoert naar de tijd dat je nog niets wist?

De tussenweg, omdat hij overal tussendoor slingert en de hele tussenruimte ontsluit?

De vraagweg, omdat hij je vragen laat stellen tot eerst de antwoorden uitblijven en daarna de vragen?

De weg zonder weg, omdat hij wegleidt van alle wegen en bestemmingen, ook van de weg zonder weg?

De woordenweg – de weg van de woorden die wegleiden van de woorden?

De weg-is-weg, de weg=weg, omdat hij weg is zolang je hem probeert te gaan en onder je voeten ligt zodra je het opgeeft?

Hoe je hem ook noemt, voor je het weet ben je weg, en anders daarna.

90. Zoeker naar het einde van het zoeken, 6

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

91. Het gat in het verstand van Immanuel Kant

Volgens de Duitse filosoof Immanuel Kant is een Ding-an-sich een object zoals het is voordat het menselijk kenvermogen zich er meester van maakt. Dat wil zeggen, een lege huls of een kaal raamwerk waaraan het verstand (Vernunft) zelf bepaalde kwaliteiten toekent, zoals ruimtelijkheid, tijdelijkheid, vorm, substantie, kleur, textuur, geur en smaak.

Hoewel iedere beeldspraak tekortschiet, of te ver gaat, kun je je het ding-op-zich voorstellen als een soort negatief, een ongemanifesteerd gat waarvan wij mensen zelf een positief maken door het op te vullen met kwaliteiten. Deze kwaliteiten zijn in Kants visie niet eigen aan het ding zoals het voor zichzelf is maar aan het ding zoals het zich voordoet aan het kennende subject. Een ding is geen ding in en op zichzelf maar een ding voor mij.

Als we Kant mogen geloven is de wereld op zich onkenbaar. Object en subject zijn onlosmakelijk met elkaar verknoopt. Wat het gezonde verstand ook zegt, onze voorstelling van de wereld is geen getrouwe afspiegeling van de objectieve werkelijkheid maar een constructie, een projectie van datzelfde verstand, dat zich niet alleen ex nihilo een fantoombeen en een regenboog weet te scheppen maar met evenveel gemak een heel lichaam en een wereld om in rond te lopen: für mich.

Zelf neem ik niet aan dat dingen op zichzelf genomen onkenbaar zijn, of dat ze dat niet zijn.

Ik neem niet aan dat dingen bestaan, of dat ze niet bestaan, of dat ze bestaan en niet bestaan of dat ze bestaan noch niet bestaan.

Ik neem niet aan dat dingen alleen maar zijn wat ze zijn voor het subject, of dat ze ook iets zijn van zichzelf of voor zichzelf als subject.

Ik neem niet aan dat er zoiets is als een subject, of dat er niet zoiets is of dat subject en object één ondeelbaar veld van wederkerigheden vormen of dat ze in essentie leeg zijn of bewustzijn of bewust zijn of wat dan ook.

Voor mij zijn dingen geen gaten die worden opgevuld door het menselijk verstand. Voor mij is het menselijk verstand ook geen gat dat wordt opgevuld door de dingen. Voor mij is niet-weten het gat.

In het gat van niet-weten verdwijnen niet alleen de Dinge an sich maar ook de Dinge für mich, de filosoof Immanuel Kant, de Kritik der reinen Vernunft, de kenleer, het kenvermogen, de kwaliteiten, het subject, de wereld, het weten en niet te vergeten het niet-weten.

Want een gat is een gat, ook al heet het niet-weten.

Maak er geen ding van.

92. Wie kletst er uit mijn dij?

Sta ik nou op het wad
Of rust het wad in mij?

Woont heel mijn mij in jou
Of heel ons zelf in wij?

Kom ik nou uit jouw mouw
Of klets jij uit mijn dij?

Wie tilt er volgens wie
Wiens voeten uit de klei?

93. Vijfentwintig eeuwen metafysica

Leerling: Het zijnde is.

Meester: Parmenides van Elea, zesde eeuw voor onze jaartelling, dacht ik?

Leerling: Martin Buber, twintigste eeuw na onze jaartelling.

Meester: Houdt het dan nooit op?

94. De idealist in de hoek geverfd

Leerling: De geest is de schilder van de werkelijkheid.

Meester: Is dit al een schilderij of nog de werkelijkheid?

95. Een schilderij van een schilderij

Leerling: De geest is de schilder van de werkelijkheid.

Meester: En wie is de schilder van de geest?

96. Waarvan is de geest de sintel?

'Materie is geronnen geest.'

'Is dat niet een uitspraak van de fysicus Hans-Peter Dürr?'

'Mooi hè?'

'Maar wat het nou betekent?'

'Als ik Dürr goed begrijp is stof de sintel van bewustzijn.'

'En waarvan is bewustzijn de sintel?'

'Hè?'

'Dat dacht ik al.'

'Wat?'

'Over geronnen geest gesproken.'

97. Zo gewonnen, zo geronnen

Leerling: Materie is geronnen geest.

Meester: En geest?

Leerling: Geest is geronnen... um...

Meester: Gedachten?

Leerling: Hm.

Meester: En gedachten?

Leerling: Hè?

Meester: Zo gewonnen, zo geronnen.

98. Vergaar geen mos

Meester: Wat zoek je?

Leerling: Het absolute. Het onveranderlijke. Het onomstotelijke.

Meester: Pas dan maar op.

Leerling: Waarvoor?

Meester: Dat je je niet stoot.

Leerling: Waaraan?

Meester: Aan aan het onomstotelijke natuurlijk.

Leerling: Wat is het onomstotelijke?

Meester: Een steen.

Leerling: Wat voor steen?

Meester: Dat hangt ervan af.

Leerling: Waarvan af?

Meester: Of je je ermee vereenzelvigt.

Leerling: Voor iemand die zich ermee vereenzelvigt?

Meester: De steen der wijzen.

Leerling: En voor iemand die zich ergens anders mee vereenzelvigt?

Meester: Een steen des aanstoots.

Leerling: En voor een zoeker zoals ik?

Meester: Een molensteen om je nek.

Leerling: En voor jou?

Meester: Steenslag.

Leerling: Wat voor steen ben jij zelf?

Meester: Een rollende.

Leerling: Vind jij dat stenen moeten rollen?

Meester: Dat zal je mij niet horen zeggen.

Leerling: Waarom niet?

Meester: Ik leg me nergens op vast.

99. Hoe zwaar is jouw pilaar heilige?

'Hoe noem je iemand die in het onomstotelijke verblijft?'

'Een pilaarheilige.'

100. Hoe star is jouw gelaat, eeuwige?

'Waarmee kan je realisatie van het Onveranderlijke Zelf vergelijken?'

'Rigor Mortis.'

101. Singulariteit voor systeemdenkers

Beste Hans,

Niet-weten is een ander woord voor singulariteit. Singulariteit is een ander woord voor uniekheid. Elke situatie is volstrekt uniek. Iedere gebeurtenis is volstrekt uniek. Elk levend wezen is volstrekt uniek. Ieder ding is volstrekt uniek. Singulariteit is het laatste woord. Niet-weten is een ander woord voor singulariteit.

Beste René,

Toch weer iets gemeenschappelijks gevonden?

René: Alle categorieën zijn een illusie van het verstand.

Hans: Als alle categorieën een illusie van het verstand zijn, dan ook de categorieën 'categorie', 'illusie', 'verstand' en niet te vergeten 'singulariteit'.

René: De hoogste werkelijkheid is non-duaal, zonder onderverdeling.

Hans: Zonder onderverdeling kan er ook geen hoogste werkelijkheid zijn en zonder dualiteit geen non-dualiteit.

René: Wat zou jij dan zeggen?

Hans: Dat zou ik dan zeggen.

102. Over de Werkelijkheid achter de concepten

'Wij moeten de Werkelijkheid achter de concepten...'

'Behoort de Werkelijkheid soms niet tot de concepten?'

'Wablief?'

'Wat zou er dan nog voor moeten zitten?'

'Hè?'

'Behoren concepten soms niet tot de werkelijkheid?'

'Eh...'

'Wat zou er dan nog achter moeten zitten?'

103. De hoogste waarheid over de laagste werkelijkheid

Verdieping met Meester Maya.

'Is er een hogere werkelijkheid?'

'Is er een lagere?'

104. Denk jij dat je weet wat is?

'De wereld is wat je denkt dat hij is, Hans.'

'Leuk bedacht.'

105. De filosoof en de non-filosoof

'Wat is het verschil tussen de realist en de idealist, Hans?'

'De eerste noemt de werkelijkheid stoffelijk, de tweede geestelijk.'

'En de overeenkomst?'

'Beiden veronderstellen een werkelijkheid.'

'Jij niet dan?'

'Wat ben ik, een nihilist?'

'Wat ben je dan wel?'

'Ben ik dan iets?'

'Bedoel je dat je niets bent?'

'Waar zie je mij voor aan?'

'Dus jij veronderstelt niet dat de werkelijkheid reëel is en niet dat de werkelijkheid ideëel is?'

'Mij niet gezien.'

'En je veronderstelt niet dat er een werkelijkheid is en ook niet dat er geen werkelijkheid is?'

'Ik veronderstel van niet.'

'Nou weet ik nog niets.'

'Dan zal dat het verschil wel zijn.'

106. Filosoofje zoek je nog, ieja deja

Oud-Hollands liedje.

filosoofje
zoek je nog
ieja deja

nee meneer
'k ben uitgezocht
ieja deja

'k heb m'n wijsheid
uitgescheten
en m'n dwaasheid
laten gaan

ieja deja
POEF

107. Hoeveel werkelijkheden zijn er?

'Hoeveel werkelijkheden zijn er volgens jou, Hans?'

'Hoeveel mensen zijn er nu op aarde?'

'Ik schat zo'n acht miljard.'

'Ik schat zo'n acht miljard.'

'Zo'n acht miljard werkelijkheden?'

'Bij wijze van spreken.'

'Ik dacht dat je twee zou zeggen.'

'Ik denk dat jij twee gezegd zou hebben.'

'De bemiddelde werkelijkheid en de onbemiddelde werkelijkheid, zou ik gezegd hebben.'

'Daar heb je het al.'

'Of de relatieve werkelijkheid en de absolute werkelijkheid.'

'En tot welke werkelijkheid behoort deze gedachte?'

'Dus volgens jou zijn er zo'n acht miljard werkelijkheden?'

'Nou, werkelijkheden...'

'Evenveel als er mensen zijn.'

'Zo kan je dat zien.'

'Hoe kan je het nog meer zien?'

'Dat er evenveel werkelijkheden zijn als gedachten, bijvoorbeeld.'

'Bedoel je dat iedere gedachte een werkelijkheid op zich is?'

'Alleen voor wie dat denkt.'

'Gedachten zijn niet, die komen en gaan.'

'Deze ook.'

'Hoe kan je iets wat komt en gaat nou werkelijk noemen?'

'Wat wou je anders werkelijk noemen?'

'Het absolute, zou ik zeggen.'

'Leuk bedacht.'

108. Iedereen leeft in jouw werkelijkheid

'Iedereen leeft in zijn eigen werkelijkheid, Hans.'

'In jouw werkelijkheid.'

'Hè?'

'Wat?'

'Jij denkt toch ook dat iedereen in zijn eigen werkelijkheid leeft?'

'Nee, dat denk jij over mij.'

'Wat denk jij zelf?'

'Nu eens dit, dan weer dat.'

'Dan is dat jouw werkelijkheid.'

'Wat?'

'Nu eens dit, dan weer dat.'

'In jouw werkelijkheid.'

109. Uitgeteld

'Ze zeggen dat alles één is, Hans.'

'Ze zeggen zoveel.'

'Wat zou jij zeggen?'

'Tel zelf maar.'

'Um...'

'En?'

'Ik weet niet waar ik moet beginnen.'

'Nou, ik ook niet.'

'Ik bedoel, ik weet niet wat ik moet meetellen.'

'Nou, ik ook niet.'

110. Niet-weten is een knock-out


^ Wie één wordt met niet-weten is voorgoed uitgeteld.

111. Was het wel een droom toen je droomde dat je droomde?

Meester Maya als droomuitlegger.

Leerling: Ik droomde dat ik de Waarheid had gezien.

Meester: Dat moet inderdaad een droom geweest zijn.

Leerling: Toen droomde ik dat ik de Waarheid nooit zou zien.

Meester: Dat moet inderdaad een droom geweest zijn.

Leerling: Ten slotte droomde ik dat ik droomde.

Meester: Zeker weten dat het een droom was?

112. Alle Wegen lijden naar Dromen

– Advertentie –

Eenmalige aanbieding, het absolute meesterwerk Alle Wegen Lijden Naar Dromen, honderddelig, goud op snee.

Auteur: Johannes Nicolaas van Dam, bekend van de bestsellers Het Icaruscomplex en Vallen tot je niet meer opstaat.)

Inhoud:

1. Het sprookje van het materialisme

2. Het sprookje van het idealisme

3. Het sprookje van de persoon

4. Het sprookje van het ware zelf

5. Het sprookje van geen-zelf

6. Het sprookje van de ware geest

7. Het sprookje van geen-geest

8. Het sprookje van het doen

9. Het sprookje van niet-doen

10. Het sprookje van het loslaten

11. Het sprookje van de vrije wil

12. Het sprookje van de onvrije wil

13. Het sprookje van overgave

14. Het sprookje van genade

15. Het sprookje van de hel

16. Het sprookje van de hemel

17. Het sprookje van gehechtheid

18. Het sprookje van onthechting

19. Het sprookje van veelheid

20. Het sprookje van afgescheidenheid

21. Het sprookje van eenheid

22. Het sprookje van dualiteit

23. Het sprookje van non-dualiteit

24. Het sprookje van onuitsprekelijkheid

25. Het sprookje van de film en het doek

26. Het sprookje van het worden

27. Het sprookje van het zijn

28. Het sprookje van verlichting

29. Het sprookje van de bron

30. Het sprookje van essentie

31. Het sprookje van het absolute

32. Het sprookje van de hoogste waarheid

33. Het sprookje van de diepste grond

34. Het sprookje van de achterste stoel

35. Het sprookje van de eerste oorzaak

36. Het sprookje van alleen maar dit

37. Het sprookje van maya

38. Het sprookje van immanentie

39. Het sprookje van transcendentie

40. Het sprookje van het eeuwige nu

41. Het sprookje van transformatie

42. Het sprookje van realisatie

43. Het sprookje van een hogere werkelijkheid

44. Het sprookje van een onbemiddelde werkelijkheid

45. Het sprookje van je goddelijke natuur

46. Het sprookje van het totaal andere

47. Het sprookje van het bewustzijn

48. Het sprookje van het keuzeloos gewaarzijn

49. Het sprookje van niet-oordelen

50. Het sprookje van mindfulness

51. Het sprookje van spontaniteit

52. Het sprookje van authenticiteit

53. Het sprookje van de stilte

54. Het sprookje van de onschuld

55. Het sprookje van onverstoorbaarheid

56. Het sprookje van blijvend geluk

57. Het sprookje van onvoorwaardelijke liefde

58. Het sprookje van neutraliteit

59. Het sprookje van openheid

60. Het sprookje van de thuiskomst

61. Het sprookje van de kosmische grap

62. Het sprookje van het scepticisme

63. Het sprookje van het stoïcisme

64. Het sprookje van het postmodernisme

65. Het sprookje van het relativisme

66. Het sprookje van het existentialisme

67. Het sprookje van het absurdisme

68. Het sprookje van het nihilisme

69. Het sprookje van de grote weg

70. Het sprookje van geen-weg

71. Het sprookje van zelfvergetelheid

72. Het sprookje van verdienste

73. Het sprookje van devotie

74. Het sprookje van ascese

75. Het sprookje van het verzaken

76. Het sprookje van het derde oog

77. Het sprookje van het ego

78. Het sprookje van de mind

79. Het sprookje van het Werk

80. Het sprookje van autolyse

81. Het sprookje van meditatie

82. Het sprookje van de dharma

83. Het sprookje van niet-dharma

84. Het sprookje van samsara

85. Het sprookje van nirwana

86. Het sprookje van je boeddhanatuur

87. Het sprookje van het universele mededogen

88. Het sprookje van de geloften

89. Het sprookje van het kleine voertuig

90. Het sprookje van het grote voertuig

91. Het sprookje van de transmissie van hart tot hart

92. Het sprookje van de vinger en de maan

93. Het sprookje van je oorspronkelijke gezicht

94. Het sprookje van vorm en leegte

95. Het sprookje van de kennis zonder leraar

96. Het sprookje van de wijsheid voorbij alle wijsheid

97. Het sprookje van de sophia perennis

98. Het sprookje van het mysterie

99. Het sprookje van niet-weten

100. Het sprookje van de lege leer

Zolang de voorraad strekt en uitsluitend verkrijgbaar bij uitgeverij Eeuwig Zweven onder vermelding van 'Slaap zacht'.

113. Als je zometeen wakker wordt, was dit dan een droom?

Meester Maya als vroedvrouw.

Leerling: Er is alleen maar dit.

Meester: Zeker weten?

Leerling: Zo zeker als een en een twee is.

Meester: Stel nou dat je zometeen geboren wordt, hoe zul je dan op dit gesprek terugkijken?

Leerling: Geboren wordt?

Meester: Het is je al eens eerder overkomen.

Leerling: Wat een onzin, zeg.

Meester: Oké, stel dat je zometeen wakker wordt, hoe zul je dan op dit gesprek terugkijken?

Leerling: Dat zou alles op losse schroeven zetten.

Meester: Hoe weet je dat je niet op het punt staat weer geboren of wakker te worden?

Leerling: Alsof ik dat kan weten.

Meester: Dan staat je wereld al op losse schroeven.

114. Zoeker naar het einde van het zoeken, 7

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

115. Een land zonder waarheid

Slechtnieuwsgesprek met Meester Maya.

Leerling: Waarheid is een land zonder wegen.

(Titel van een boek van Jiddu Krishnamurti.)

Meester: De weg is een land zonder waarheid.

Leerling: Ik weet niet of ik daar wel wil wonen.

Meester: Ik weet niet of je daar wel weg kan.

116. Een land van vele waarheden

Goednieuwsgesprek met Meester Maya.

Leerling: Waarheid is een land zonder wegen.

Meester: De weg is een land van vele waarheden.

Leerling: Maar niet alleen van de mijne?

Meester: Waaronder natuurlijk de jouwe.

Leerling: Ik weet niet of ik die weg wel wil gaan.

Meester: Waarheid is een weg zonder landen.

117. Een Waarheid als een krant

'Wat is de Waarheid, Hans?'

'Een krant.'

'Wat voor krant?'

'Een communistische krant.'

'Bestaat die eigenlijk nog?'

'Al dertig jaar niet meer.'

'Aan alles komt een eind.'

'Zelfs aan de Waarheid.'

118. Waarheid in de schaduw van niet-weten

Dichter: Twijfel is de schaduw van Waarheid.

(Uitspraak van Philip James Bailey.)

Agnost: En waarvan is Waarheid de schaduw?

Dichter: Ik zou het echt niet weten.

Agnost: Waarheid is de schaduw van niet-weten.

119. Zeven schrikbeelden voor waarheidszoekers

Meester Maya zegt:

Stel dat je je hele leven naar de Waarheid zoekt terwijl er helemaal geen Waarheid is.

Stel dat je je hele leven naar de Waarheid zoekt terwijl er honderden Waarheden zijn.

Stel dat je je hele leven naar de Waarheid zoekt terwijl jijzelf de Waarheid bent.

Stel dat je je hele leven naar de Waarheid zoekt terwijl juist jij hem onmogelijk kan herkennen of begrijpen.

Stel dat je je hele leven naar de Waarheid zoekt terwijl juist het zoeken je ervan vervreemdt.

Stel dat je niet langer in de Waarheid gelooft en hem juist daardoor nooit zult vinden.

Stel dat je je hele leven probeert vast te stellen welke van deze aannames waar is terwijl je dat helemaal niet kan weten.

Stel je dat eens voor.

120. Drie hulpmiddelen waarmee je de Waarheid kan zien

Meester Maya handelt in accessoires.

Leerling: Waarmee kan ik de Waarheid zien?

Meester: Met oogkleppen.

Leerling: Ik bedoel, hoe kan ik de Waarheid in het vizier krijgen?

Meester: Door een helm op te zetten.

Leerling: Laat ik het zo zeggen, waarvan getuigt de Waarheid?

Meester: Van kokervisie.

121. Goeroe Boeroe

Spijtlied van een weetniet.

Zijn naam was Goeroe Boeroe

Een hele wijze uil

Een authentieke goeroe

Hij was mijn diepste kuil

122. Een mens ontdaan

Meester Maya geeft het toe.

Leerling: Ik zoek al jaren naar een goeroe.

Meester: Ik ben gewoon een ouwehoeroe.

Leerling: Kunt u mij bijstaan in mijn armoe?

Meester: Hoop jij soms dat ik alles voordoe?

Leerling: Bent u dan net als ieder mens?

Meester: Maar dan ontdaan van kwintessens.

Leerling: Is dat het wezen van de goeroe?

Meester: Ik ben gewoon een ouwehoeroe.

123. Goeroe Kijktoe ziet af

Als het einde zoek is.

Leerling: Kunt u mij helpen?

Meester: Waarmee?

Leerling: Ik wil van het zoeken afkomen.

Meester: Welk zoeken?

Leerling: Elk zoeken.

Meester: Waarom?

Leerling: Ik wil gewoon gelukkig wezen.

Meester: Gelukszoeker.

Leerling: Hoe kom ik daarvan af?

Meester: Wat is er mis met zoeken?

Leerling: Zoeken is niet de weg.

Meester: Je zoekt het einde van het zoeken.

Leerling: Hoe kom ik van het zoeken af?

Meester: Zo blijf je aan de gang.

Leerling: Moet ik dan maar gewoon blijven zoeken?

Meester: Je veronderstelt dat je daar iets over te zeggen hebt.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Ik kan wel zoveel beweren.

Leerling: Nou weet ik het helemaal niet meer.

Meester: Dan hoef ik je ook niet meer te helpen.

Leerling: Waarmee?

124. Goeroe Houdoe

'Heb jij weleens overwogen je als leraar, meester of goeroe te vestigen, Hans?'

'Vestigen is niets voor mij.'

'Ik zoek al jaren naar een nieuwe goeroe.'

'Dan ben je bij mij aan het verkeerde adres.'

'Wanneer ben je bij jou aan het goede adres?'

'Als je van je goeroe af wil komen.'

'Dan ben jij mijn nieuwe goeroe.'

'Dan is daar de deur.'

125. Aan wiens voeten lig jij?

Drie definities uit het SchijnwoordenBoek van Meester Maya.

Een leerling is iemand die aan de voeten van de meester ligt.

Een meester is iemand die aan de voeten van het leven ligt.

Het leven is iets dat zonder voeten over je heen loopt.

126. Waardoor ben jij geobsedeerd?

Wat zie je daardoor allemaal niet.

De junk is geobsedeerd door drugs. Iets anders ziet hij niet.

De volgeling is geobsedeerd door zijn goeroe. Iets anders ziet hij niet.

De leerling is geobsedeerd door de leer. Iets anders ziet hij niet.

De boeddhist is geobsedeerd door het lijden. Iets anders ziet hij niet.

De mysticus is geobsedeerd door god. Iets anders ziet hij niet.

De utopist is geobsedeerd door de toekomst. Iets anders ziet hij niet.

De historicus is geobsedeerd door het verleden. Iets anders ziet hij niet.

De nuïst is geobsedeerd door het heden. Iets anders ziet hij niet.

De eternalist is geobsedeerd door de eeuwigheid. Iets anders ziet hij niet.

De monist is geobsedeerd door eenheid. Iets anders ziet hij niet.

De non-dualist is geobsedeerd door ondeelbaarheid. Iets anders ziet hij niet.

De idealist is geobsedeerd door het bewustzijn. Iets anders ziet hij niet.

De tantrist is geobsedeerd door het zinnelijke Iets anders ziet hij niet.

De transcendentalist is geobsedeerd door het bovenzinnelijke. Iets anders ziet hij niet.

De gnosticus is geobsedeerd door geheime kennis. Iets anders ziet hij niet.

De agnost is geobsedeerd door niet-weten. Iets anders ziet hij niet.

De alcoholist is geobsedeerd door de drank. Iets anders ziet hij niet.

Wat zie jij allemaal niet?

127. Wie verklaar jij tot autoriteit?

Een oud kunstje.

Leerling: U bent een heel bijzonder mens.

Meester: Ja hoor.

Leerling: Nee, echt.

Meester: Door mijn ongeëvenaarde wijsheid zeker.

Leerling: U haalt me de woorden uit de mond.

Meester: Een koud kunstje.

Leerling: Hoe dat zo?

Meester: Je bent de zoveelste die het zegt.

Leerling: Dat bewijst het eens te meer.

Meester: Ik weet precies waar jij mee bezig bent.

Leerling: Dan weet u meer dan ik.

Meester: Ik loop al heel wat jaartjes mee.

Leerling: Waar ben ik dan mee bezig?

Meester: Mij tot autoriteit te verklaren.

Leerling: Waarom zou ik dat doen?

Meester: Om bij mij je gelijk te kunnen halen.

Leerling: Welk gelijk dan wel?

Meester: Welk gelijk dan ook.

Leerling: U hebt helemaal gelijk.

Meester: Zie je wel?

Leerling: U bent een heel bijzonder mens.

128. Bewonderaars zijn bedonderaars

Door wie laat jij je een oor aannaaien?

Leerling: Ik heb enorme bewondering voor u.

Meester: Alleen maar om je in groot gezelschap te kunnen wanen.

Leerling: Mijn bewondering is anders oprecht.

Meester: Daar twijfel ik niet aan.

Leerling: Maar?

Meester: Je bewondert een innerlijk afgodsbeeld.

Leerling: Volgens mij heb ik een heel realistisch beeld van u.

Meester: Hoe kan een beeld nou realistisch zijn.

Leerling: Hoe moet ik u dan zien?

Meester: Zoals ik ben.

Leerling: Wat moet ik me daarbij voorstellen?

Meester: Geen idee.

Leerling: Doelt u op het niets?

Meester: Dat is nog steeds een voorstelling.

Leerling: Waarop doelt u dan?

Meester: Wat dacht je van niet voorstellen?

Leerling: Hoe kan ik nou niet voorstellen?

Meester: Ik kan me er ook niets bij voorstellen.

Leerling: Je kunt je toch alleen maar íets voorstellen?

Meester: Stel je dan maar alles voor.

Leerling: Bedoelt u dat u alles bent?

Meester: Dat is gewoon de volgende voorstelling.

Leerling: U laat zich niets wijsmaken, hè?

Meester: Dit ook niet.

Leerling: Alleen al daarom heb ik enorme bewondering voor u.

Meester: Alleen maar om je in groot gezelschap te kunnen wanen.

129. Ik ben niet beter, en niet beter af dan jij

Een duwtje in de rug.

Beste Hans,

Het laatste wat ik zoek is een leraar of meester, en juist daarom meen ik er goed aan te doen jou te benaderen. Zou je mij een beetje kunnen begeleiden misschien? Een duwtje in de goede richting geven zodat ik wat meer mezelf word, waar nodig mijn verzet breken, op weg naar de wijsheid zonder wijsheid?

Beste X,

Een duwtje geven lukt nog wel, maar in de goede richting? Kan iemand die de weg kent zonder wijsheid wezen? Kan iemand die de weg niet kent een wijze zijn?

Of er wat te breken valt en hoe dat dan zou moeten, weet ik ook al niet. Mezelf heb ik in elk geval niet kunnen breken; ik kwam niet eens op het idee. Mijns ondanks brak er iets. O jee...

Mijn vlot?
Mijn taal?
Mijn hoop?
Mijn hoofd?
Mijn weten?
Mijn wezen?
Mijn vliezen?
Mijn valhelm?
Mijn dualiteit?
Mijn echtheid?
Mijn identiteit?
Mijn ruggengraat?
Mijn concentratie?
Mijn non-dualiteit?
Mijn porseleinkast?
Mijn boeddhanatuur?
Mijn goedgelovigheid?
Mijn innerlijke goeroe?
Het licht in mijn wijsheidsoog?
Of waren het mijn denkbeelden maar.

Wat het ook was, het is gebroken en nu ben ik heel. Terwijl ik het graag deel, laat het zich niet vermenigvuldigen, tenminste niet door mij. Het breekt mijn hart, dat kan er ook nog wel bij.

Maar troost je: ik ben niet beter, en niet beter af dan jij. En ook niet méér mezelf; alleen wat minder mij.

130. Spiritualiteit is volhouden tot het je de neus uitkomt

Beste Hans, ik heb in mijn leven letterlijk al honderden satsangs en ashrams bezocht. Hier te lande, in Engeland, Amerika, India en noem maar op. Het komt me zo langzamerhand de neus uit. Wat zou jij me adviseren?

Hans: Gewoon volhouden.

Sanne: Hoe lang nog?

Hans: Tot het je écht de neus uitkomt.

Sanne: En dan?

Hans: Hou je vanzelf op naar anderen te luisteren.

Sanne: Volgens mij ben ik al zover.

Hans: Ik dacht het niet.

Sanne: Hoe weet je dat?

Hans: Anders zou je mij niet om advies vragen.

Sanne: Wat als ik eindelijk ophoud naar anderen te luisteren?

Hans: Dan zal je ook niet meer naar mij luisteren.

Sanne: Zal ik dan eindelijk alleen nog maar naar mezelf luisteren?

Hans: Tot het je de neus uitkomt.

Sanne: En dan?

Hans: Neemt niemand je nog bij de neus.

131. De groeten van Shankara Sharanka Karansha Rakansha Kakaran Shakaran Rashan

Doe maar gek, dan doe je al gewoon genoeg.

Beste Hans,

Ik ben blij dat jij onder je eigen naam schrijft. Al die uitslovers met hun aangenomen oosterse namen. Ik zeg: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg, wat jij.

Beste Job,

Vorige week zou ik je nog gelijk hebben gegeven maar nu heet ik Shankara Sharanka Karansha Rakansha Kakaran Shakaran Rashan, en zo wens ik voortaan door iedereen aangesproken te worden.

Job: Dat kan ik nooit onthouden.

Shankara Sharanka Karansha Rakansha Kakaran Shakaran Rashan: Dit is mijn roepnaam maar. Wees blij dat ik niet van je vraag om mijn volledige naam te gebruiken.

Job: Liever niet.

Shankara Sharanka Karansha Rakansha Kakaran Shakaran Rashan: Drie A4-tjes zonder kantlijn, zeszijdig beschreven in minuscuulschrift.

Job: Papier heeft toch maar twee zijden?

Shankara Sharanka Karansha Rakansha Kakaran Shakaran Rashan: Vergeet de randjes niet.

Job: Dit had ik van jou niet verwacht.

Shankara Sharanka Karansha Rakansha Kakaran Shakaran Rashan: Ik zeg, doe maar gek, dan doe je al gewoon genoeg.

Job: Ik dacht dat de man van niet-weten er geen motto's op nahield.

Shankara Sharanka Karansha Rakansha Kakaran Shakaran Rashan: Weg met de mottopolitie.

Job: Dwarsligger.

Shankara Sharanka Karansha Rakansha Kakaran Shakaran Rashan: Weg met het spoor.

132. Vedantananda, of de heerlijkheid van het einde van de wijsheid

'Heb jij een spirituele naam, Hans?'

'Hoe zal ik vandaag weer eens heten.'

'Sanskriet vind ik het mooist.'

'Doe dan maar Vedantananda.'

'Wat betekent dat?'

'Veda betekent wijsheid. Anta betekent het einde. Ananda betekent heerlijkheid of zaligheid.'

'Wijsheid is het einde, wat een heerlijkheid?'

'De heerlijkheid van het einde van de wijsheid.'

'Hè?'

'Niets zo fijn als niet wijs te zijn.'

'Dwaas.'

'Zalig de armen van geest.'

'Hoe arm is jouw geest wel niet.'

'Ik heb geen arm om mee te grijpen en geen poot om op te staan.'

'Een softenongeest.'

'Geen vinger om mee te wijzen en geen maan om heen te gaan.'

'Klaar ben je.'

'Klaar als pis.'

133. Waarom niet-weten geen heilzame of heilloze weg is

Geen kruis, geen zwaard, geen vuur, geen paard.

Geachte heer van Dam,

Hierbij wil ik u hartelijk danken voor uw website, die overduidelijk aantoont dat niet-weten religieus gezien een heilloze weg is.

Geachte heer de Ridder,

Niet-weten is geen weg. Het rekent af met iedere heilsverwachting.

De Ridder: Precies wat ik bedoel. Niet-weten leidt regelrecht naar de verdoemenis.

Van Dam: Niet-weten is geen weg. Het rekent af met iedere onheilsverwachting.

De Ridder: Geen heil, geen onheil, waar kom je dan uit?

Van Dam: Niet-weten is geen weg.

De Ridder: Wat als je niets meer weet?

Van Dam: Dan hoef je nergens heen.

De Ridder: Moet je dan blijven waar je bent?

Van Dam: Dan hoef je nergens te blijven.

134. Niet-weten is een heiland die niet blaat

niet weten is

een heiland

die niet baat

een gesel

die niet schaadt

een kinderhand

vol hersenzand

een ongedwongen

dwingeland

je vindt er

paal noch perk

je vindt er

heg noch steg

de weg erheen

loopt dood

de weg eruit

weerom

er is geen krom

geen recht

het is er goed

noch slecht

135. Beginvragen om mee te eindigen

Meester Maya zegt:

Stel dat je alle spirituele en levensbeschouwelijke vragen onbeantwoord achter je moest laten. Hoe voelt dat?

Stel dat je alle spirituele en levensbeschouwelijke vragen onbeantwoord achter je kon laten. Hoe voelt dat?

136. Wie zoekt zal vragen vinden

Leerling: Wie zoekt zal vinden.

Meester: Ja, vragen.

Leerling: Wat?

Meester: Zie je wel?

Leerling: Wie zoekt zal vragen vinden?

Meester: Zie je wel?

Leerling: Geen antwoorden?

Meester: Zie je wel?

Leerling: Hoe kan dat nou?

Meester: Zie je wel?

Leerling: Waarom geeft u geen antwoord?

Meester: Omdat ik geen antwoorden heb?

Leerling: Hebt u echt alleen maar vragen?

Meester: Die ben ik ook al kwijt.

Leerling: Meent u dat nou?

Meester: Zie je wel?

Leerling: Geen antwoorden, geen vragen, wat blijft er dan nog over?

Meester: Zie je wel?

137. Zoeken is niet weten maar niet-weten

Dus als je niet-weten zoekt heb je het al gevonden.

Leerling: Wat is zoeken?

Meester: Geen antwoorden meer weten.

Leerling: Wat is vinden?

Meester: Geen vragen meer weten

138. Een groter vraagteken dan de wereld

Leerling: De wereld is voor mij één groot vraagteken geworden.

Meester: Ook die zekerheid ben ik kwijt.

Leerling: Hè?

Meester: Wat?

Leerling: Ik zei dat de wereld voor mij één groot vraagteken is geworden.

Meester: Maar wat is de vraag?

Leerling: Hè?

Meester: Wat?

139. De blubberweg naar hemelse modder

Vraag stuk.

Leerling: Wat is eigenlijk het verschil tussen ons?

Meester: Jij zoekt overal antwoorden voor.

Leerling: En u?

Meester: Ik zoek overal vragen achter.

Vijf jaar later

Meester: Wat heb je hier geleerd?

Leerling: Vragen stellen.

Meester: Wat heb je afgeleerd?

Leerling: Antwoord geven.

Meester: Dat waren twee antwoorden.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Dat was een vloek.

Leerling: Hoe kan ik zo stom zijn.

Meester: Dat is weer een vraag.

Vijf jaar later

Meester: Wat heb je hier geleerd?

Leerling: Vragen stellen?

Meester: Wat heb je afgeleerd?

Leerling: Antwoord geven?

Meester: Waar is dat goed voor?

Leerling: Wie zegt dat het ergens goed voor is?

Meester: Bedoel je dat het nergens goed voor is?

Leerling: Wat heet goed.

Meester: Is dat een vraag of een antwoord?

Leerling: Zegt u het maar.

Meester: Tja.

Leerling: Wat valt er verder nog te zeggen?

Meester: Vind je dat we moeten zwijgen?

Leerling: Waarom in hemelsnaam?

Meester: Wat heeft de hemel ermee te maken?

Leerling: De wát?

Meester: Heb je dan helemaal niets geleerd?

Leerling: Dat is nog maar de vraag.

Meester: Noem dat maar een antwoord.

Leerling: Wat is eigenlijk het verschil?

Meester: Waartussen?

140. Wegen naar de bekende vraag

1

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag 'Hoe moet ik leven?'

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag 'Hoe moet ik leven?'

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

2

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag 'Wat is liefde?'

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag 'Wat is liefde?'

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

3

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag 'Wat is geluk?'

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag 'Wat is geluk?'

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

4

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag 'Wat is waarheid?'

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag 'Wat is waarheid?'

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

5

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag 'Wat is de werkelijkheid?'

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag 'Wat is de werkelijkheid?'

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

6

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag 'Wat is wijsheid?'

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag 'Wat is wijsheid?'

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

7

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag 'Waar vind ik God?'

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag 'Waar vind ik God?'

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

8

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag 'Wie ben ik?'

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag 'Wie ben ik?'

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

9

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag 'Waar vind ik rust?'

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag 'Waar vind ik rust?'

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

10

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag 'Hoe moet ik sterven?'

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag 'Hoe moet ik sterven?'

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

141. Wegen naar de onverwachte vraag

1

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag 'Waarmee eindigt de weg?'

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag 'Waarmee begint de weg?'

2

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag 'Waarmee eindigt de weg?'

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag 'Welke weg?'

3

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag 'Wie BEN ik?'

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met het antwoord 'Wie ben IK.'

4

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met antwoorden.

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met vragen.

5

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met vragen.

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Zonder vragen.

Leerling: Omdat je de antwoorden hebt gevonden?

Meester: Omdat je de woorden hebt doorzien.

142. De binnenweg naar buiten

Afdalingen in de ingewanden.

Meester: Wat is de weg volgens jou?

Leerling: Een opstijging, hoop ik.

Meester: Waarnaartoe?

Leerling: De hemel.

Meester: Dat wordt klimmen.

Leerling: Wat is de weg volgens u?

Meester: Een afdaling.

Leerling: Waarin?

Meester: De ingewanden.

Leerling: Dat wordt glibberen.

Meester: Hoe dieper je komt, hoe smeriger het wordt.

Leerling: Vooral dat laatste stuk.

Meester: Je stikt zowat.

Leerling: Er is geen doorkomen aan.

Meester: Je kan alleen maar je beurt afwachten.

Leerling: Brrr.

Meester: Maar dan...

Leerling: Wat?

Meester: Een wedergeboorte!

Leerling: In de hemel?

Meester: Nou, nee.

Leerling: Waarin dan wel?

Meester: Waarin mondt het darmkanaal uit volgens jou?

Leerling: In de... in de... eh... nee hè.

Meester: Waar anders.

Leerling: Maar daar ben ik al.

Meester: Maar dan geloof je het eindelijk.

143. De enige vraag die er op de weg toe doet is de laatste vraag

Leerling: Waar komt het op de grote weg op aan?

Meester: De juiste vraag te stellen.

Leerling: Wat is de juiste vraag?

Meester: De laatste.

Leerling: Hoe luidt de laatste vraag?

Meester: Dat doet er niet toe.

Leerling: Hè?

Meester: Het gaat erom dat het de laatste is.

Leerling: Hoe weet je of het de laatste is?

Meester: Dat weet je pas achteraf.

Leerling: Wanneer achteraf?

Meester: Als je je dat ook niet meer afvraagt.

Leerling: Maar elke vraag kan de laatste zijn?

Meester: Nee, alleen de laatste.

Leerling: Wat is de beste laatste vraag?

Meester: Deze, als het aan mij ligt.

Leerling: Waarom?

Meester: Of deze.

Leerling: En dan?

Meester: Kennelijk is het nog niet zover.

Leerling: En als het wel zover is?

Meester: Dan zijn we uitgepraat.

Leerling: En dan begint het grote zwijgen?

Meester: Zwetsen.

Leerling: En dan begint het grote zwetsen?

Meester: Welnee.

Leerling: Niet?

Meester: Dat gaat door als vanouds.

Leerling: Wat is er dan veranderd?

Meester: Mooie laatste vraag.

Leerling: En wat is daarop het antwoord?

Meester: Helaas...

144. Het laatste antwoord is de vraag

Maar wat is de vraag?

Leerling: Ik wil nou eindelijk weleens antwoord.

Meester: Wat is nou eigenlijk de vraag?

Leerling: Als ik dat wist kon ik tenminste gericht zoeken.

Meester: Misschien was dat de vraag al.

Leerling: Misschien was wat de vraag al?

Meester: Wat is nou eigenlijk de vraag.

Leerling: Maar wat is dan het antwoord?

Meester: Dat zeg ik.

Leerling: Hè?

Meester: Wat is nou eigenlijk de vraag.

145. Is iedere vraag een strikvraag, of is dit weer zo'n strikvraag?

Vragen barsten van de veronderstellingen.

Leerling: Wat is een vraag?

Meester: Een strikvraag.

Leerling: Wou u beweren dat iedere vraag een strikvraag is?

Meester: En nog een.

Leerling: Voor wie?

Meester: En nog een.

Leerling: Waarom?

Meester: Om wat hij veronderstelt.

Leerling: Een vraag is toch zeker geen bewering?

Meester: Een vraag is wel tien beweringen.

Leerling: Waar dan?

Meester: Van binnen.

Leerling: Ik zie ze niet.

Meester: Vragen barsten van de veronderstellingen.

Leerling: Wat veronderstel ik nu bijvoorbeeld?

Meester: Dat je wat veronderstelt, bijvoorbeeld.

Leerling: Dat zegt u net zelf.

Meester: Dat ik weet waar ik het over heb, bijvoorbeeld.

Leerling: Wat doe ik anders hier?

Meester: Dat er een ik is die veronderstelt, bijvoorbeeld.

Leerling: Iemand moet het toch doen.

Meester: Dat er een antwoord is, bijvoorbeeld.

Leerling: Anders zou ik...

Meester: Dat het antwoord in woorden uitgedrukt kan worden, bijvoorbeeld.

Leerling: Mijns inziens...

Meester: Dat ik dat antwoord paraat heb, bijvoorbeeld.

Leerling: Maar...

Meester: Dat ik het jou wel even zal geven, bijvoorbeeld.

Leerling: Het spreekt toch vanzelf...

Meester: Dat ik daar zeggenschap over heb, bijvoorbeeld.

Leerling: Stop, ik...

Meester: Dat jij het wel zal begrijpen, bijvoorbeeld.

Leerling: Ik geef me over.

Meester: Dat je er wat aan zal hebben, bijvoorbeeld.

Leerling: Hoe stel je vragen zonder veronderstellingen?

Meester: Strikvraag.

146. Waarom ik geen levensvragen meer stel

Ik heb geen levensvragen meer. Geen enkele. Ik ben geheel en al vragenloos. Niet uit principe, niet omdat ik alle antwoorden al ken, niet omdat ik de moed heb opgegeven ooit nog een antwoord te vinden en niet omdat ik de moed heb gevonden nooit meer een vraag te stellen. Waarom dan wel?

Omdat ik niet meer in de antwoorden geloof. Omdat ik de antwoorden niet meer begrijp. Omdat de woorden in de antwoorden mij niet meer bekoren. Omdat ik het wereldbeeld achter de antwoorden niet meer deel.

Omdat ik niet meer in de vragen geloof. Omdat ik de vragen niet meer begrijp. Omdat de woorden in de vragen mij niet meer bekoren. Omdat ik de aannames achter de vragen niet meer accepteer.

Omdat ieder antwoord nieuwe vragen uitlokt. Omdat levensvragen ook zonder antwoord vanzelf verdwijnen. Omdat ik heel goed zonder antwoorden blijk te kunnen – beter. Omdat ik heel goed zonder vragen blijk te kunnen – beter.

Maar eigenlijk omdat ik nou eenmaal geen levensvragen meer stel. Vraag me niet waarom

147. Vragen naar de onbekende weg

Meester Maya zegt:

Wie ben je als je je dat niet afvraagt?

Wat ben je als je je dat niet afvraagt?

Ben je als als je je dat niet afvraagt?

Waar ben je als je je dat niet afvraagt?

Waar kom je vandaan als je je dat niet afvraagt?

Waar ga je heen als je je dat niet afvraagt?

Wat moet je doen als je je dat niet afvraagt?

Wat moet je laten als je je dat niet afvraagt?

Kan je kiezen als je je dat niet afvraagt?

Kan je ervoor kiezen om je dat niet af te vragen?

148. Zoeker naar het einde van het zoeken, 8

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

149. Ghost busters!

Beste Hans,

De enige vraag die een mens, ieder mens, zich mijns inziens onophoudelijk zou moeten stellen is deze: wie ben ik?

Niet: Waarom kwam Bodhidharma naar China? Niet: Beweegt de wind of beweegt de vlag? Niet: Is de verlichte nog onderhevig aan de wet van oorzaak en gevolg? Dat is allemaal zenflauwekul. Alleen maar: 'Wie ben ik?' Drie simpele woordjes.

Dan nog is het moeilijk om in het spoor te blijven, want 'the discursive mind is devious' (Osho).

Verwijzingen naar de boeddhanatuur door mijn zenleraren, close reading van Ramana Maharshi en Jed McKenna, internationale retraites bij de Oneness University (waar ik deeksha leerde geven) konden niet verhinderen dat ik jaar na jaar ziende blind en horende doof bleef.

Wie ben ik? Wie ben ik? Wie ben ik? De vraag der vragen, en ik bleef er maar omheen draaien. Het Ene dat rondjes om zichzelf draait! Maar wat ik vragen wilde: wie ben jij?

Beste Erica,

Ja, veel mensen maken zich druk over de vraag wie ze zijn, en veel van hen vinden een of ander antwoord, waaronder jij. Vreemd genoeg niet allemaal hetzelfde antwoord, integendeel, maar onder gelijkgestemden dondert dat niet, daarom zoeken ze elkaar voortdurend op en doen of de rest van ons niet bestaat.

Ramana Maharshi beval de vraag 'wie ben ik' van harte aan, waaruit we kunnen opmaken dat hij zoals iedereen denkt dat iedereen denkt zoals hij, maar hij heeft hem natuurlijk niet zelf bedacht. En hij mag hem dan hebben aanbevolen, het is zeker niet de enige levensvraag die je kan stellen, of de spannendste.

De spannendste levensvragen zijn misschien de vragen die zich onontkoombaar aan je opdringen. Je eigen vragen. De mijne was: 'Zeker weten?' Daar zat ik al op de lagere school mee in mijn maag. Arm joch. Arme leraren.

Andere mensen zitten in hun maag met andere vragen. Wat ben ik? Ben ik? Is dit alles? Wat is de mens? Wat is de wereld? Wat is tijd? Wat is echt? Wat is waar? Wat is de zin van het leven? Wat is liefde? Hoe word ik gelukkig? Wat is wijsheid? Bestaat god? Waarom heb ik een piemel? Waarom heb ik geen piemel? Hoe moet ik sterven? Waarom moet ik dood?

Mijn vader heeft hoogstpersoonlijk de vraag 'waarom ben ik nou ik?' bedacht, zei hij zelf, maar hij vond het leuker om ermee te pronken dan erover na te denken. De appel valt niet ver van de boom, ook ik maak liever goede sier met lastige vragen dan met doorwrochte antwoorden. Meer dan ooit, eerlijk gezegd. Al was het maar om andermans woordenvloed te stelpen.

Helpen doet het niet, want een vraag stellen is een antwoordapparaat aanzetten dat na een korte hemelse stilte vanzelf begint te ratelen tot je een nieuwe vraag inspreekt. Zelf ben ik geen haar beter, en wat doe je eraan.

Gek eigenlijk: een groot deel van mijn leven wist ik niet goed wat ik moest zeggen en durfde ik dat niet goed te zeggen; tegenwoordig weet ik helemaal niet meer wat ik moet zeggen en kan ik daar niet meer over ophouden.

Dat de ene hamvraag beter of effectiever of fundamenteler is dan de andere zie ik niet, ham is ham, al waren in 1984 sommige varkens gelijker dan andere. Het is maar net wat je aanspreekt, als het stellen van levensvragen je al aanspreekt. Mijn lief heeft er bijvoorbeeld niets mee. Ze kijkt je hooguit glazig aan vanuit een onverworven helderheid waarin antwoorden noch vragen ronddrijven.

Als een levensvraag je werkelijk obsedeert, kan hij als breekijzer van het gezond verstand werken, zeggen ze. Trek er één kaart uit, maakt niet uit welke, en je hele kaartenhuis stort in.

Een vraag als 'wie ben ik' kan op den duur je hele zelfbeeld vernietigen en al je andere denkbeelden in zijn val meeslepen, maar hoe vaak gebeurt dat? Eerder inspireert een levensvraag tot een hoop getob en tot de vorming van een nieuw verstand dat de plaats van het gezond verstand inneemt en dat ik hier maar even een spiritueel verstand zal noemen. De denkbeweging die het ene kaartenhuis omverwerpt, schept meteen het volgende.

Het maatschappelijk correcte antwoord van het gezond verstand op de vraag 'wie ben ik', bijvoorbeeld mijn persoon, mijn lichaam, mijn verleden, mijn gedachten, mijn teksten, Amsterdammer, minnaar, patiënt, snoepkous, wordt gaandeweg vervangen door een spiritueel correct antwoord als Bewustzijn, het Kennen, de Geest, Geen-geest, het Zelf, Geen-zelf, Atman, Anatman, het Absolute, het Alomvattende, het Onzegbare, de Tao, de Bron, Boeddha, Boeddhanatuur, Essentie, Liefde of, in jouw geval, het Ene.

Triomfantelijk zetten we het masker van de persoon af en noemen het masker van de non-persoon dat eronder tevoorschijn komt ons oorspronkelijk gezicht. Als uien die hun buitenste schil afwerpen om hun ware schil te tonen.

Kleine ik maakt plaats voor grote ik, de ongewenste persoon voor de gewenste onpersoon. Het ego heeft afgedaan – de hoogmoedige die steeds maar roept: ik ben de grootste, ik heb de dikste, ik heb de duurste, ik ben de snelste – en het zelf heeft het stokje overgenomen – de deemoedige die steeds maar roept: ik ben het ene, ik ben alles, ik ben allen, ik ben liefde, ik ben goed, ik ben god, ik ben boeddha, ik ben de verlosser, ik ben de schepper, ik ben dit, ik ben dat, ik bén.

Waarop we plechtig spreken van spirituele groei, verlichting, realisatie, transformatie of transcendentie en onszelf of elkaar transmissie, exotische namen, aanspreektitels, stambomen, kledingstukken, lesbevoegdheden en privileges verlenen.

Prachtig allemaal, wat een schouwspel, maar voor hetzelfde geld of heel wat meer is het spiritueel verstand, die zogenaamde bevrijder, gewoon de volgende bezetter van je bovenkamer. Voorgoed of tot de volgende bevrijder zich aandient.

Zo verruilde Nico Tydeman het seminarie voor zen; Katinka Hesselink de theosofie voor het Tibetaans boeddhisme; Paul van der Sterren vipassana voor advaita, Alexander Smit het non-dualisme voor new age en jij naar eigen zeggen Calvijn voor Osho, Osho voor tantra, tantra voor zen, zen voor advaita en advaita voor oneness, zeg ik dat goed?

Zo blijf je aan de gang, en misschien is het je daar juist wel om te doen, dan heb je wat te doen, of zie ik dat verkeerd?

Erica: Wat is spiritualiteit dan voor jou?

Hans: Eerst maar wat het voor mij niet is.

Spiritualiteit is voor mij niet het vervangen van het oude, afgeleefde, niet meer zo gezonde verstand door een tijdloos en superieur spiritueel of religieus verstand.

Spiritualiteit is voor mij niet het vervangen van een bij nader inzien tijdelijk en inferieur spiritueel of religieus verstand door een ditmaal toch echt tijdloos en superieur exemplaar.

Spiritualiteit is voor mij niet de ene geest bezweren en de volgende uit de fles laten.

Erica: Wat dan wel?

Hans: Geesten doden. Allemaal. Zonder uitzondering. Deze ook.

Erica: Geestdodend, zeg.

Hans: Alleen voor wie gedachten spaart. Ik spaar ze niet en noem het geest-dodend. Maar in feite zijn mijn gedachten zelfdodend en sparen ze mij. Daarom noem ik ze liever geestverruimend, want zo voelt het – dope is er niks bij, juicht het in mij.

Maar dat leidt meteen weer tot de hypostase van een geest, ditmaal van het verruimbare type, laten we zeggen de uitvouwgeest, en daarmee tot een spiritueel project, namelijk het uitvouwen ervan, dat natuurlijk weer eeuwigheden van niet-aflatende oplettendheid, studie, exegese, oefening, caritas en dana vergt, om over vanitas en eros maar te zwijgen, dus maak je meditatiekussen maar nat.

Erica: Welke geesten moeten er allemaal dood?

Hans: Onder geesten versta ik gedachten, zoals deze; onder gedachten versta ik geesten, zoals deze.

Erica: De oorspronkelijke geest, de universele geest, de lege geest, de grote geest, de algeest?

Hans:

If you're seeing things
Running through your head
Who can ya call?
Ghost Busters!

Erica: En de weetnietgeest?

Hans: Pang!

Erica: Wat blijft er dan nog over?

Hans: Álles natuurlijk. Alles natúúrlijk.

150. Het heen-en-weer van Meester Pingpong

Chinese wijsheid.

Leerling: Ik kan u even niet volgen.

Meester: Ik allang niet meer.

Leerling: De ene keer bent u Ping...

Meester: De andere Pong.

Leerling: Dus bent u nou Ping of bent u Pong?

Meester: Tegen Ping ben ik Pong, tegen Pong ben ik Ping.

Leerling: En tegen Pingpong?

Meester: Die speelt wel met zichzelf.

151. Ware spiritualiteit kent geen valse spiritualiteit

Moet spiritualiteit groter maken of kleiner? We vragen het de agnost.

Inspirator

'Ik weet het niet met dat niet-weten, Hans.'

'Zeg dat wel.'

'Ware spiritualiteit inspireert.'

'Ware spiritualiteit kent geen valse spiritualiteit.'

'Het geeft je lucht; het maakt je groter.'

'Zijn we al niet groot genoeg?'

'Het versterkt je betrokkenheid.'

'Zijn we al niet betrokken genoeg?'

'Het geeft je energie om dingen te doen.'

'Doen we al niet genoeg?'

'Om dingen te veranderen.'

'Verandert er al niet genoeg?'

'Om jezelf te verbeteren.'

'Zijn we al niet goed genoeg?'

'Je groeit ervan, je leven lang.'

'Zijn we al niet groot genoeg?'

'Ik weet het niet met dat niet-weten, hoor.'

'Zegt dat al niet genoeg?'

Expirator

'Ik weet het niet met dat niet-weten, Hans.'

'Zeg dat wel.'

'Ware spiritualiteit expireert.'

'Ware spiritualiteit kent geen valse spiritualiteit.'

'Het beneemt je de adem; het maakt je kleiner.'

'Zijn we al niet klein genoeg?'

'Het vermindert je gehechtheid.'

'Zijn we al niet onthecht genoeg?'

'Het geeft je de kracht om dingen op hun beloop te laten.'

'Laten we al niet genoeg dingen op hun beloop?'

'Om jezelf te nemen zoals je bent.'

'Ik ben een echte streber.'

'Het brengt je bij de stilte in jezelf.'

'Verzwijgen we al niet genoeg?'

'Je krimpt ervan, je leven lang.'

'Zijn we al niet klein genoeg?'

'Ik weet het niet met dat niet-weten, hoor.'

'Zegt dat al niet genoeg?'

152. Hamvraag voor zoekers: waar ben je nou eigenlijk bang voor?

Op globes en kaarten werd terra incognita vroeger aangegeven met witte vlekken, en soms met de tekst "Hier zijn draken" of "Hier zijn leeuwen", Het onbekende werd en wordt als vreeswekkend ervaren.

'Wat is het wezen van jouw spiritualiteit, Hans?'

'Eh...'

'Daar was ik al bang voor.'

'Waar was je al bang voor?'

'Jouw spiritualiteit heeft geen body.'

'En niets om het lijf.'

'Heb jij dan helemaal geen antwoorden meer?'

'Ach.'

'Is dat jouw antwoord of het ontbreken ervan?'

'Och.'

'Heb jij dan helemaal geen vragen meer?'

'Voor mezelf niet.'

'En voor anderen?'

'Nog maar één.'

'En die luidt?'

'Waar ben je nou eigenlijk bang voor?'

Vraag aan de lezer

Waar ben je nou eigenlijk bang voor?

153. Spiritualiteit voor naaktlopers

'Wat is het wezen van jouw spiritualiteit, Hans?'

'De keizer draagt geen kleren.'

'Ben jij die keizer?'

'Het is maar beeldspraak.'

'Waarvoor?'

'Iemand die niets aanheeft.'

'Jij hebt niets om het lijf, zogezegd.'

'En niets met zich meedraagt.'

'En anderen? Jezus? Lao-Tze? Boeddha? Huangbo? Rumi? Hafiz? Meister Eckhart? Johannes van het Kruis? Baäl Sjem Tov? Ramana Maharshi? Nisargadatta Maharaj? Krishnamurti? Osho? Dogen? Linji?'

'Dit gaat niet over anderen.'

'Had hun spiritualiteit ook niets om het lijf?'

'Dat is hun pakkie-an.'

'En ik?'

'Hetzelfde laken een pak.'

'Maar wat is nou het wezen van jouw spiritualiteit?'

'Dat is nou het wezen van mijn spiritualiteit.'

'Hier heb ik dus weer niks aan.'

'Zie dan maar dat je keizer wordt.'

154. Spiritualiteit maakt plaats voor plaats

Als de bom barst.

'Spiritualiteit is persoonlijke groei, Hans.'

'Wat groeit er volgens jou?'

'Kennis. Inzicht. Wijsheid.'

'Hm.'

'Wat groeit er volgens jou?'

'Twijfel?'

'Spiritualiteit is groeiende twijfel?'

'Tot de bom barst.'

'Waarom moet de bom barsten?'

'Wat denk jij?'

'Om plaats te maken voor een hoger weten.'

'Weet je dat of denk je dat?'

'Wat denk jij?'

'Om plaats te maken?'

'Weet je dat of denk je dat?'

'Moet iedere ruimte dan meteen weer ingenomen worden?'

'Plaats waarvoor?'

'Moet iedere ruimte dan meteen weer ingenomen worden?'

155. Niet-weten is tussenruimte zien

'Waarmee kan je weten vergelijken?'

'Dingen zien.'

'Waarmee kan je niet-weten vergelijken?'

'Tussenruimte zien.'

'Welke tussenruimte?'

'De ruimte tussen de dingen.'

'Maar die kan je toch niet zien?'

'Daardoor kan je dingen zien.'

156. Maskers van echtheid

Met carnaval is het altijd bal.

'Wat is spiritualiteit voor jou?'

'Authenticiteit, Hans.'

'Echt?'

'Steeds minder doen alsof. Steeds meer mezelf zijn. Alle maskers afzetten.'

'Doe je nu alsof of ben je al jezelf?'

'Wat is authenticiteit volgens jou?'

'Niet weten wat echt is?'

'Ik wil antwoorden, geen wedervragen.'

'Doe dan maar een masker van echtheid.'

'Authenticiteit is een masker van echtheid?'

'Dat kan je beter aan jou vragen.'

'Wat is dan inauthenticiteit?'

'Een masker van onechtheid?'

'Wat als je geen masker meer draagt?'

'Dan weet je niet meer wat echt is.'

'Wat als je niet meer weet wat echt is?'

'Dan is alles op zijn eigen manier echt.'

157. De verheven spiritualiteit van Koning Moron

'Als het om spitsvondigheid gaat doe jij voor niemand onder, Hans. Is dat spiritualiteit voor jou, proberen iedereen te slim af te zijn?'

'Probeer jij mij te slim af te zijn?'

'Dat bedoel ik dus: jij moet altijd koning kraaien. Geef nou maar gewoon antwoord. Wat is spiritualiteit voor jou?'

'Iedereen te dom af zijn.'

'Hè?'

'Probeer je mij te dom af te zijn?'

'Spiritualiteit betekent voor jou iedereen te dom af zijn?'

'Dat is het slimste wat ik je tot nog toe heb horen zeggen.'

'Behalve jezelf natuurlijk.'

'Vooral mezelf natuurlijk.'

'Spiritualiteit betekent voor jou iedereen te dom af zijn, vooral jezelf?'

'Ik had het niet beter kunnen zeggen.'

'Waarom zeg je niet proberen iedereen te dom af te zijn?'

'Waarom proberen wat vanzelf gaat?'

'Maar het kan toch mislukken?'

'Domheid is me nog nooit mislukt.'

'Maak jij het jezelf niet veel te makkelijk?'

'Dat is het domste wat ik je ooit heb horen zeggen.'

158. Het laatste woord

Hoi Hans, zie ik het verkeerd of wil jij altijd het laatste woord hebben?

Vriendelijke groeten, Niek

Hoi Hans, een maand geleden vroeg ik of jij altijd het laatste woord wilt hebben. Je hebt nog steeds niet geantwoord.

Groet, Niek

Hoi Hans, twee maanden geleden vroeg ik of jij altijd het laatste woord wilt hebben. Een maand geleden heb ik je een herinnering gestuurd. Je hebt nog altijd niet geantwoord. Zo ga je toch niet met mensen om?

Niek

Hoi Niek, zo beter?

Hans

159. Waarom je jezelf niet begrijpt

Meester Maya zoekt de verschillen.

Leerling: Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?

Meester: Ik begrijp mezelf ook niet.

Leerling: Wat?

Meester: Ik begrijp nog geen kind.

Leerling: Ik eigenlijk ook niet.

Meester: Ik begrijp nog geen aap.

Leerling: Ik eigenlijk ook niet.

Meester: Ik begrijp nog geen hond.

Leerling: Ik eigenlijk ook niet.

Meester: Ik begrijp nog geen muis.

Leerling: Ik eigenlijk ook niet.

Meester: Ik begrijp nog geen aardworm.

Leerling: Ik eigenlijk ook niet.

Meester: Ik begrijp nog geen plant.

Leerling: Ik eigenlijk ook niet.

Meester: Ik begrijp nog geen bacil.

Leerling: Ik eigenlijk ook niet.

Meester: Ik begrijp nog geen virus.

Leerling: Ik eigenlijk ook niet.

Meester: Ik begrijp nog geen eiwit.

Leerling: Ik eigenlijk ook niet.

Meester: Ik begrijp nog geen atoom.

Leerling: Ik eigenlijk ook niet.

Meester: Laat staan dat ik jou begrijp.

Leerling: Wat is dan het verschil tussen ons?

Meester: Dat begrijp ik ook al niet.

Leerling: Bedoelt u dat we één en dezelfde zijn?

Meester: Dat begrijp ik ook al niet.

Leerling: Ik eigenlijk ook niet.

Meester: Snap je nou waarom je jezelf niet begrijpt?

Leerling: Echt, ik snap er niks van.

Meester: Ik eigenlijk ook niet.

160. Wijsheid van een postnihilist

Het laatste gedicht van een duister licht

Mijn ware gezicht

Zag ik in 't gesticht

(Friedrich Nietzsche in zijn postume autobiografie Na de Woordvloed)

161. Ben jij geboren dan?

'Vandaag ben ik jarig, Hans.'

'Hoe bedoel je?'

'Dit is de dag waarop ik zoveel jaar geleden geboren ben.'

'Ben jij geboren dan?'

'Uiteraard, anders was ik er niet.'

'Kun jij je die geboorte herinneren?'

'Nee, dat niet.'

'Hoe weet je dan dat je geboren bent?'

'Hè?'

'Ik meen het.'

'Van horen zeggen, zou ik zeggen.'

'Door wie?'

'Moeder, vader, tantes, grootouders...'

'Mensen zeggen zoveel.'

'Ik heb ook nog een paar foto's van mijn eigen geboorte.'

'Hoe weet je dat jij het bent die daar geboren wordt?'

'Dat staat op de achterkant.'

'Er kan wel zoveel op de achterkant staan.'

'Maar de naam op de achterkant is de mijne.'

'Zoveel mensen dragen jouw naam.'

'Maar het kindje op de foto heeft ook rood haar.'

'Zoveel mensen hebben rood haar.'

'En toch ben ik het.'

'Jij bent toch zeker geen plaatje?'

'En toch ben ik geboren.'

'Weet je dat honderd procent zeker?'

'Wat zeg je eigenlijk tegen mensen die zich hun geboorte wel herinneren, Hans?'

'Ik vraag hoe ze weten dat hun herinnering klopt.'

'En wat zeggen ze dan?'

'Meteen of na enig aandringen?'

'Na enig aandringen.'

'Dat ze het niet weten.'

'Dus jij denkt dat ik niet geboren ben?'

'Ik stel alleen maar vragen.'

162. Zeker weten dat je niet verwisseld bent met een ander kind?

'Dit is een foto van mijn vader en moeder, Hans.'

'Wie is die baby?'

'Dat ben ik.'

'Waar is deze foto genomen?'

'In het Academisch Ziekenhuis.'

'Ben jij in een ziekenhuis geboren?'

'Hoezo?'

'Zeker weten dat je niet verwisseld bent met een ander kind?'

163. Ben je geboren of verschenen?

'Wanneer ben jij geboren, Hans?'

'Dat herinner ik me niet.'

'Wat is je eerste herinnering?'

'Dat ik op straat liep en in mijn broek moest poepen.'

'En daarvoor?'

'Daarvoor niets.'

'Vreemd hè, hoe onze vroegste herinneringen zoekraken.'

'Als ze er al ooit waren.'

'Dat kan niet anders.'

'Ik zou niet weten waarom niet.'

'Je gaat me toch niet vertellen dat je zomaar uit het niets op straat verscheen en in je broek moest poepen?'

'Waarom niet?'

'Dat zou pas een sprookje zijn.'

'Wat denk jij dan?'

'Dat je geboren bent, net als ieder ander en alles vergeten bent tot het moment dat je op straat liep en in je broek moest poepen.'

'Dat zou pas een sprookje zijn.'

'Geloof je nou echt dat je er zomaar ineens was?'

'Dat ook niet.'

'Dus jij meent ook gewoon geboren te zijn.'

'Dat ook niet.'

'Wat dan wel?'

'Ik geloof niet in sprookjes.'

164. Jouw bestaan is een onvermijdelijke onmogelijkheid

'Het is een wonder dat ik besta, Hans.'

'Dat is ook maar een gedachte.'

'Ik bedoel, dat uit al die spermacellen juist het mijne werd uitverkoren.'

'Een kans van hooguit één op honderd miljoen.'

'Per zaadlozing.'

'En hoeveel zaadlozingen waren er niet voor nodig.'

'En dan ook nog eens precies dat eitje.'

'Een kans van nog eens één op een miljoen.'

'Vermenigvuldig dat maar eens met elkaar.'

'Dan kom ik op een kans van een op een triljoen.'

'In feite een onmogelijkheid.'

'Kom kom.'

'Niet dan?'

'Eén eitje moest er toch als eerste rijpen, en één zaadje moest er toch als eerste aankomen.'

'Daar zeg je me wat.'

'Het kon gewoon niet anders.'

'Eigenlijk is het geen wonder dat ik besta, Hans.'

'Dat is ook maar een gedachte.'

165. Zeker weten dat je niet geadopteerd bent?

'Zeg, ben jij soms geadopteerd?'

'Hoe kom je daar nou bij, Hans?'

'Niet dan?'

'Nee hoor, ik ben opgevoed door mijn biologische ouders.'

'Hoe weet je dat?'

'Dat is gewoon zo.'

'Hoezo?'

'Anders hadden ze het me wel verteld, denk ik.'

'Denk je?'

'Er is een geboortekaartje.'

'Geen drukker die controleert of het kindje van de opdrachtgever is.'

'Er is een geboortebewijs.'

'Die worden verstrekt zonder getuigen.'

'Er is vast wel een doktersattest.'

'Dat weet je niet zeker?'

'Nooit opgevraagd.'

'Een attest getuigt sowieso alleen van zijn eigen bestaan.'

'Er zijn fotoalbums.'

'Die hebben geadopteerde kinderen ook.'

'Er zijn lichamelijke overeenkomsten.'

'Iedereen heeft lichamelijke overeenkomsten.'

'Mijn ouders zouden me nooit beduvelen.'

'Denk je dat adoptie-ouders altijd eerlijk zijn tegen hun kind?'

'Nee, maar ik vertrouw op mijn intuïtie.'

'Die heeft je jarenlang in Sinterklaas laten geloven.'

'Verdraaid.

'Mijn idee.'

'Wat zou je wel als bewijs aanvaarden?'

'Een DNA-test?'

'Ik geloof er niks van.'

'Waarom niet?'

'Je zou meteen vragen hoe ik weet dat het laboratorium bonafide is.'

'Vast.'

'Dus jij denkt dat ik geadopteerd ben?'

'Welnee.'

'Denk je van niet?'

'Ook niet.'

'Je twijfelt.'

'Ook niet.'

'Dan weet ik het ook niet meer.'

'Nou, ik ook niet.'

166. Jij hebt meer grootouders dan er mensen hebben geleefd

'Hoeveel ouders heb jij?'

'Twee, Hans, zoals iedereen.'

'Hoeveel grootouders?'

'Twee maal twee is vier natuurlijk, zoals iedereen.'

'Hoeveel overgrootouders?'

'Twee maal vier is acht.'

'Hoeveel betovergrootouders?'

'Twee maal acht is zestien.'

'En zo verder?'

'Vanzelfsprekend.'

'Dat weet je zeker?'

'Zo zeker als twee maal twee vier is.'

'Hou oud ben jij?'

'Vijfentwintig.'

'Als we voor het gemak aannemen dat alle ouders zich precies op hun
vijfentwintigste voortplanten, wanneer deden je betovergrootouders het dan?'

'Mijn ouders vijfentwintig jaar geleden. Mijn grootouders vijftig jaar geleden. Mijn overgrootouders vijfenzeventig jaar geleden, Mijn betovergrootouders honderd jaar geleden. Vier generaties per eeuw.'

'Vier generaties per eeuw.'

'Om en nabij.'

'Als je een eeuw geleden zestien voorouders had, hoeveel had je er dan twee eeuwen geleden?'

'Zestien maal zestien is 256.'

'Een straat vol. Drie eeuwen geleden?'

'Maal zestien... even mijn zakrekenmachine... 4096.'

'Een dorp vol. Vier eeuwen geleden?'

'Maal zestien is... 65536, ruim 65 duizend.'

'Een stad vol. Vijf eeuwen geleden?'

'Maal zestien is... 1.048576 voorouders, ruim een miljoen.'

'Een metropool vol. En zes eeuwen geleden?'

'16.777.2216, bijna zeventien miljoen.'

'De Nederlandse bevolking. Zeven eeuwen geleden?'

'298.435.456, bijna driehonderd miljoen.'

'De Amerikaanse bevolking. Acht eeuwen geleden?'

'4.294.967.296, ruim vier miljard.'

'De wereldbevolking in 1985. Negen eeuwen geleden?'

'68.719.476.740, ruim 68 miljard.'

'Tienmaal de huidige wereldbevolking. Een millennium geleden?'

'Dat zijn er pakweg... 300 miljard.'

'Er moeten alleen nog staanplaatsen geweest zijn.'

'Niet te geloven!'

'En duizend jaar daarvoor, rond Jezus' geboorte?'

'Momentje... Wat? Een foutmelding!'

'Die zakrekenmachines van tegenwoordig.'

'Maar dat kan toch helemaal niet!'

'En je wist het nog wel zo zeker.'

167. Wat je moet doen om thuis te komen

'Om thuis te komen moet het idee van de persoonlijkheid totaal afgebroken worden, Hans.'

'Om thuis te komen moet ieder idee totaal afgebroken worden.'

'Ieder idee?'

'Ook het idee dat het idee van de persoonlijkheid totaal afgebroken moet worden.'

'En dat zou de enige weg zijn?'

'Ook het idee dat er geen andere weg zou zijn.'

'Er zijn dus verschillende wegen?'

'Ook het idee dat er verschillende wegen zijn.'

'Nou ja, zolang er maar een weg is...'

'Ook het idee dat er een weg is.'

'Wou jij zeggen van niet?'

'Ook het idee dat er geen weg is.'

'En dat allemaal om thuis te komen.'

'Ook het idee dat je thuis zal komen.'

'Zo blijft er niets over.'

'Ook het idee dat er niets overblijft.'

'Mag ik aannemen dat er voor al die ideeën iets anders in de plaats komt?'

'Ook het idee dat er voor al die ideeën iets anders in de plaats komt.'

'Ik doel op Liefde, Onschuld, Eeuwige Wijsheid, het Ware Zelf, Brahman, Stilte, Openheid en zo.'

'Zoals het Liefde, Onschuld, Eeuwige Wijsheid, het Ware Zelf, Brahman, Stilte, Openheid en zo.'

'Letterlijk ieder idee moet worden afgebroken?'

'Ook het idee dat letterlijk ieder idee moet worden afgebroken.'

'Waar ben ik aan begonnen.'

'Ook het idee dat je ergens aan begonnen bent.'

168. Alias Jones or Smith

Ben ik vlees of ben ik vis

Dacht een appel niet zo gis

Ze tobde door totdat ze wist

'k Ben een jona of een smith

En na een jaar, niet meer zo fris

Ben ik al granny of nog miss?

169. Zoeker naar het einde van het zoeken, 9

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

170. Is niet-weten eeuwige wijsheid?

Beste Hans,

Boeiend hoe je voortdurend het gangbare spirituele en religieuze jargon terugvoert op niet-weten. Dat heb ik nooit eerder zo gezien. Ik zou je bijna gaan geloven.

Maar komt het niet allemaal op hetzelfde neer? Verwijzen alle tradities niet naar Perennial Wisdom (Aldous Huxley), de Eeuwige Wijsheid? Hebben priesters en goeroes en roshi's en sensei's en rinpoches het eigenlijk niet allemaal over het Ene? Over ons Oorspronkelijke Gezicht? Dat wat wij ten diepste zijn?

Volgens mij zijn het verschillende vingers die naar dezelfde maan wijzen. Mij spreekt de vinger van zen toevallig het meeste aan, jou die van niet-weten. Maar daar gaat het toch niet om?

Beste Cor,

Hoe weet je dat alle tradities naar hetzelfde verwijzen?

Op wiens gezag neem je dat aan, of heb je het zelf vastgesteld?

Ikzelf zou het niet eens weten vast te stellen voor één traditie.

Neem bijvoorbeeld het boeddhisme: vijfentwintig eeuwen, honderden landen, duizenden scholen, miljoenen individuen.

Verwezen en verwijzen die werkelijk allemaal naar hetzelfde?

Dan weten ze dat zeker nog niet, want ze bakkeleien er lustig op los, eeuw in eeuw uit.

Verwijzen Byron Katie, Nagarjuna, Osho, Liezi, Pseudo-Dionysius en Martin Buber allemaal naar hetzelfde?

Jiddu Krishnamurti, U.G. Krishnamurti, Angelus Silesius, Hadewijch, Zhuang Zi, Tony Parsons? George Bataille, René Descartes, Friedrich Nietzsche, Arthur Schopenhauer, Cornelis Verhoeven, Ludwig Wittgenstein?

De agnost, de atheïst, de atheoloog, de deïst, de dystheïst, de eutheïst, de kakotheïst, de monotheïst, de suitheïst, de henotheïst, de polytheïst?

De taoïst, de shintoïst, de animist, de naturalist, de totemist, de druïde, de idolatrist, de siderist, de xylolatrist?

Heeft iedereen het eigenlijk over de eeuwige wijsheid?

Ik kan niet voor iedereen spreken, zoals jij, maar ikzelf heb het in ieder geval niet over de eeuwige wijsheid, sorry.

Ik weet niet eens wat dat is.

Niet-weten is waar ik naar verwijs.

Je zult je generaliserende uitspraak dus moeten herzien tot: iedereen verwijst naar de eeuwige wijsheid, behalve Hans van Dam.

Ben je daartoe bereid?

Cor: Je suggereert nu wel dat ik niet kan weten of alle tradities in wezen naar hetzelfde verwijzen, maar dat zeg jij zelf toch ook?

Hans: Hè?

Cor: In je dwaalgesprek Niet-weten als passe-partout (in het Witboek Niet-Weten) schrijf je bijvoorbeeld dat uitdrukkingen als 'de wijsheid zonder wijsheid' en 'de wijsheid voorbij alle wijsheid' en 'de waarheid is voorbij de woorden' en 'de hoogste kennis heeft geen object' en 'God' en 'Gods wegen zijn wonderbaarlijk' eigenlijk eufemismen voor niet-weten zijn. Dan is niet-weten toch zeker de grootste gemene deler van alle tradities? En verwijzen alle tradities nog steeds naar hetzelfde!

Hans: Nee joh, gekkie, ik wil daar alleen maar zeggen dat mooie woorden weleens een grandioze verbloeming van niet-weten zouden kunnen zijn.

Of dat zo is, weet ik natuurlijk ook niet, maar het zou kunnen.

Dat is nog wel wat anders dan beweren dat alle tradities eigenlijk verwijzen naar universele tijdloze wijsheid, of niet soms.

Cor: Jij ziet niet-weten niet als eeuwige wijsheid?

Hans: Ik zie niet-weten als Eeuwige Dwaasheid.

Cor: Daarin verschillen we dan van mening.

Hans: Nee, niet van mening. Dit gaat over kennis. Je zult enorm veel onderzoek moeten verrichten onder vertegenwoordigers van alle bestaande tradities om objectief vast te stellen dat ze het inderdaad allemaal over hetzelfde hebben. Tot je dat gedaan hebt, is het een wilde speculatie.

Cor: Ik ben ervan overtuigd dat het waar is.

Laten we dit afspreken:

Mocht jij of wie ook wetenschappelijk aantonen dat alle tradities naar hetzelfde verwijzen, dan zal ik mijn dwaling zonder dralen publiekelijk toegeven onder verwijzing naar dat onderzoek.

Mocht je ook nog kunnen aantonen dat het hierbij om radicaal niet-weten gaat, dan zal ik vanaf dat moment je stelling dat we allemáál naar hetzelfde verwijzen, ikzelf incluis, in het openbaar onderschrijven en verdedigen, ook al is dat het einde van mijn niet-weten.

Verder verplicht ik mezelf in dat geval om levenslang lid te worden van een door jou te bepalen organisatie, maakt niet uit welke (ze verwijzen toch allemaal naar hetzelfde) en mij er volledig mee te identificeren, inclusief kapsel, gezichtshaar, jargon, gebaren, kleding, beelden, liedjes, belletjes, vlaggetjes, prentjes, mantra's, rituelen, geloften, liturgie, praktijken en wat dies meer zij, en mezelf zonder enige reserve theravadin, lahorist, xylolatrist of wie of wat dan ook te noemen.

Tot het zover is mag ik mezelf zonder enige reserve wie of wat dan ook blijven noemen.

Intussen verplicht jij je tot niets.

Afgesproken?

Groetjes,

Wie of wat dan ook

PS Waarom is het eigenlijk zo belangrijk voor je dat alle tradities naar hetzelfde verwijzen? Is het leven anders onleefbaar, word je gek van meerduidigheid of tegenstrijdigheid, of wat?

171. Wie overeenkomsten zoekt zal overeenkomsten vinden

Meester Maya over eeuwige wijsheid.

Leerling: Verwijzen alle tradities niet naar hetzelfde?

Meester: Wie overeenkomsten zoekt zal overeenkomsten vinden.

Leerling: Bedoelt u dat iedere traditie uniek is?

Meester: Wie verschillen zoekt zal verschillen vinden.

Leerling: Ja, zijn ze nou in wezen hetzelfde of in wezen verschillend?

Meester: In wezen wel.

Leerling: In wezen hetzelfde of in wezen verschillend?

Meester: In wezen niet.

172. Vijf vormen van Eeuwige Dwaasheid

Meester Maya toont vormbehoud.

Leerling: Wat is eeuwige wijsheid?

Meester: Een eufemisme voor Eeuwige Dwaasheid.

Leerling: Wat is Eeuwige Dwaasheid?

Meester: Daar bestaan vijf vormen van.

Leerling: Wat is de eerste vorm?

Meester: Denken dat je de eeuwige wijsheid in pacht hebt.

Leerling: Wat is de tweede vorm?

Meester: Denken dat de eeuwige wijsheid bestaat, ook al heb je hem niet in pacht.

Leerling: Wat is de derde vorm?

Meester: Denken dat de eeuwige wijsheid niet bestaat.

Leerling: Er begint me iets te dagen.

Meester: Je wilt een gokje wagen?

Leerling: In alle drie is er sprake van denken...

Meester: Nou gaan we het krijgen.

Leerling: Dénken is Eeuwige Dwaasheid.

Meester: En dat is vier.

Leerling: Maar wat is dan de vijfde vorm?

Meester: Denken dat denken Eeuwige Dwaasheid is.

173. Voortschrijdend uitzicht

Meester Maya in de rol van Sisyphus.

Leerling: Hoe noem je iemand die de Berg van de Eeuwige Wijsheid beklimt?

Meester: Een Eeuwige Dwaas.

Leerling: Hè?

Meester: Wat?

Leerling: O, ik snap het al. Hoe noem je iemand die op de top van de Berg van de Eeuwige Wijsheid staat?

Meester: Een Eeuwige Dwaas.

Leerling: Hè?

Meester: Wat?

Leerling: O, ik snap het al. Hoe noem je iemand die van de Berg van de Eeuwige Wijsheid afdaalt?

Meester: Een Eeuwige Dwaas.

Leerling: Hè?

Meester: Wat?

Leerling: O, ik snap het al. Hoe noem je iemand die de Berg van de Eeuwige Wijsheid voorgoed de rug heeft toegekeerd?

Meester: Een Eeuwige Dwaas.

Leerling: Hè?

Meester: Wat?

Leerling: Ik snap het niet.

Meester: Hè hè.

174. De wijsheid van de berg gezien vanuit de berg

Meester Maya als monoliet.

Leerling: Wat is de Berg van de Eeuwige Wijsheid?

Meester: Dat hangt helemaal van je standpunt af.

Leerling: Gezien vanuit de vallei?

Meester: Een onneembaar bolwerk van opperste geleerdheid.

Leerling: Gezien vanaf de top?

Meester: Een hoop flauwekul.

Leerling: En gezien vanuit de berg zelf?

Meester: Dat moet je aan de berg zelf vragen.

Leerling: Ik dacht dat u dat was.

Meester: Dat hangt helemaal van je standpunt af.

175. Een vertrouwen dat nooit beschaamd wordt

De eeuwige wijsheid in één woord.

'Jij hebt een rotsvast vertrouwen en daar benijd ik je om, Hans'

'Maar?'

'Waar vertrouw je nou eigenlijk op?'

'Tja.'

'Nou?'

'Dat was het al.'

'Tja.'

'Dat zeg ik.'

'Ik bedoel, wat is dat nou voor vertrouwen.'

'Een vertrouwen dat nooit beschaamd wordt.'

176. Hoe weet je of de ene waarheid voorbij de woorden gelijk is aan de andere?

'Volgens mij hebben wij het allemaal over hetzelfde, Hans.'

'Wij?'

'Boeddhisten, taoïsten, non-dualisten, mystici, jij en ik.'

'Waar heb jij het dan over?'

'Daar heb ik dus geen woorden voor.'

'Waarom niet?'

'De waarheid is voorbij de woorden'

'En die boeddhisten, taoïsten, non-dualisten, mystici, jij en ik?'

'Ook niet.'

'Hoe weet je dan dat we het allemaal over hetzelfde hebben?'

'Omdat we er allemaal geen woorden voor hebben, natuurlijk.'

'Er is zoveel waar we allemaal geen woorden voor hebben.'

'Zoals?'

'Probeer maar eens een droom na te vertellen, of wat je voelde toen je jezelf voor het eerst in de spiegel zag of toen je iemand verkrachtte of verkracht werd of je pasgeboren baby optilde of je hond onder een auto zag komen.'

'Ik heb het over spiritualiteit.'

'Waarom zou dat anders zijn?'

'Hoe zou de ene waarheid voorbij de woorden kunnen verschillen van de andere waarheid voorbij de woorden?'

'Hoe zou de ene waarheid voorbij de woorden gelijk kunnen zijn aan de andere waarheid voorbij de woorden?'

'Hè?'

'Hoe stel je zoiets vast, als je er geen woorden voor hebt?'

'Dat is wel een probleem, ja.'

'Denk je nou echt dat Christus hetzelfde verkondigde als Zeus? Dat de oermaterie (archè) net zoiets is als de Boeddhanatuur of het Bewustzijn? Dat advaita net zoiets is als soefisme?' Dat gnosis net zoiets is als agnose?

'De waarheid van het niet-weten is toch ook voorbij de woorden?'

'Alsof niet-weten een waarheid is.'

'Wat is het dan wel?'

'Dat je het niet meer weet.'

'Dan is niet-weten inderdaad wat anders.'

'Dan hebben we het niet allemaal over hetzelfde.'

177. De wijsheid voorbij alle wijsheid voorbij

Alle eind is moeilijk.

Leerling: De wijsheid voorbij alle wijsheid begint met het afleren van alle wijsheid.

Meester: Maar hoe het nou verder gaat?

Leerling: Ik dacht dat u dat wel zo weten.

Meester: Ik weet wel waarmee het eindigt.

Leerling: Waarmee dan?

Meester: Met het afleren van alle wijsheid voorbij alle wijsheid.

Leerling: Wat als je de wijsheid voorbij alle wijsheid hebt afgeleerd?

Meester: Dan ben je de wijsheid voorbij alle wijsheid voorbij.

178. Op de top van de berg sta je overal boven

'Wat is er volgens jou bovenop de Berg van de Eeuwige Wijsheid, Hans?'

'De top.'

'Ik bedoel, wat zie je als je bovenop de top staat?'

'Niets bijzonders.'

'Niet de Eeuwige Wijsheid?'

'Op de top?'

'Nou?'

'Natuurlijk niet.'

'Waarom niet?'

'Daar sta je dan boven.'

179. De grootste gemene deler van alle wijsheidstradities

'Wat is Eeuwige Wijsheid, Hans?'

'De grootste gemene deler van alle wijsheidstradities.'

'Waaraan is de grootste gemene deler van alle wijsheidstradities gelijk?'

'Het kleinste gemene veelvoud van alle wijsheidstradities.'

'Waaraan is het kleinste gemene veelvoud van alle wijsheidstradities gelijk?'

'De lege leer.'

'De lege leer is het enige wat alle wijsheidstradities gemeen hebben?'

'Ik zou het anders ook niet weten.'

180. Geen-punt is het punt van alle wijsheidstradities

'Niet-weten is de kern van alle wijsheidstradities, Hans.'

'Nou, kern...'

'Wat zou jij zeggen?'

'Het gat?'

'Niet-weten is het gat in tientallen wijsheidstradities?'

'Nou, gat...'

'Wat zou je dan zeggen?'

'Het punt?'

'Het hoogtepunt dan toch?'

'Een punt heeft geen hoogte, geen diepte en geen breedte.'

'En dat zou het punt van tientallen wijsheidstradities zijn?'

'Nou, punt...'

181. Zoeken naar een reden om te zoeken

Eerste kennismaking met een rechercheur van niets.

Er was eens een agent die niets te doen had.

Met krijt dat hij in de kelder van het politiebureau gevonden had, tekende hij op straat de contouren van een lichaam.

Hij weerstond de aanvechting om zijn handtekening eronder te zetten; zijn tijd kwam nog wel.

De politieman nam een foto die hij aan de hoofdagent liet zien.

De hoofdagent stelde een opsporingsteam samen.

Na lang zoeken slaagden de agent en zijn team erin een lijk te vinden dat binnen de krijtstrepen paste.

Een daverend succes dat gevierd werd met schnaps en chips en schnaps.

Ze wisten dat het een kwestie van tijd was voor ze de dader in zijn kraag zouden vatten.

182. Ik wil weten wie u bent

Een goed gesprek tussen agent Speurneus en meester Spoorloos.

Agent: Kunt u zich legitimeren?

Meester: Hoe bedoelt u?

Agent: Kunt u bewijzen dat u de persoon bent waarvoor u zich uitgeeft?

Meester: Heb ik dat gedaan?

Agent: Wat?

Meester: Mezelf voor iemand uitgegeven?

Agent: Ik wil weten wie u bent.

Meester: Ik net zo goed.

Agent: Dit is een aantasting van het wettelijk gezag!

Meester: Daar is dan niet veel voor nodig.

Agent: Ik vraag het niet nog een keer, hoor!

Meester: Afgesproken.

Agent: Goedendag.

Meester: Goedendag.

183. Lotgenoten

Agent: Wat moet dat hier!

Meester: Zit u daar ook zo mee?

184. Ik neem nooit iets aan

Agent: Kunt u zich legitimeren?

Meester: U eerst.

Agent: Hier hebt u mijn penning.

Meester: Wat moet ik daarmee?

Agent: Die bewijst dat ik een politieman ben.

Meester: Hij bewijst alleen maar dat u een penning hebt.

Agent: Maar...

Meester: Hoe weet ik dat u deze penning niet gestolen hebt?

Agent: Beticht u mij van diefstal?

Meester: Hoe weet ik dat u deze penning niet nagemaakt hebt?

Agent: Beticht u mij van vervalsing?

Meester: Hoe weet ik dat dit soort penningen door de politie gebruikt wordt?

Agent: Beticht u mij van misleiding?

Meester: Beticht u mij van betichten?

Agent: Neem me niet kwalijk.

Meester: Zand erover.

Agent: Hier hebt u mijn mobieltje, belt u mijn superieuren maar.

Meester: Hoe weet ik dat ik het bureau krijg?

Agent: In plaats van?

Meester: Een handlanger bijvoorbeeld.

Agent: Belt u dan het Ministerie van Veiligheid.

Meester: Zelfde idee.

Agent: Loop anders even mee naar het bureau.

Meester: Wie zegt dat het bureau bonafide is?

Agent: Dat moet u van me aannemen.

Meester: Ik neem nooit iets zomaar aan.

Agent: Maak dan maar een uitzondering.

Meester: Waarom?

Agent: Omdat ik politieman ben.

Meester: Dat proberen we nou net vast te stellen.

Agent: Als iedereen zo zou redeneren.

Meester: Heeft u liever dat ik mij uitlever aan het eerste het beste uniform?

Agent: Nee, dat niet.

Meester: Ik doe alleen maar mijn burgerplicht.

Agent: Neemt u mij niet kwalijk.

Meester: Voor deze keer zal ik het door de vingers zien.

Agent: Dank u vriendelijk.

Meester: Goedendag.

Agent: Goedendag.

185. Een hele meevaller

Agent: Wie denkt u wel dat u bent!

Meester: Denkt u dan dat ik ben?

186. Een hele tegenvaller

Agent: Waar zijn wij mee bezig!

Meester: Als u het al niet weet...

187. Niet de bedoeling

Agent: Waar denkt u dat u heen gaat!

Meester: Daar denk ik helemaal niet aan.

Agent: Ik vraag niet waar u aan denkt, ik wil weten waar u heen gaat!

Meester: Ik wil ook weten waar u heen gaat, maar daarom vraag ik het nog niet.

Agent: Waarom vraagt u het dan niet?

Meester: Waar denkt u dat u heen gaat?

Agent: Dat weet ik nog niet.

Meester: Nou, ik ook niet.

Agent: Ach, dat kan de beste overkomen.

Meester: U haalt me de woorden uit de mond.

Agent: Sorry, dat was niet de bedoeling.

Meester: Ach, dat kan de beste overkomen.

Agent: Goedendag.

Meester: Goedendag.

188. Overbodige antwoorden

Agent: Wat moet dat hier!

Meester: Waar?

Agent: Hier, zeg ik toch?

Meester: Dat zult u zelf wel het beste weten.

Agent: Hoezo?

Meester: De enige die 'hier' is, bent u zelf.

Agent: Ik had het anders over u.

Meester: Waarom zei u dan 'hier'?

Agent: Daar vraagt u me wat.

Meester: Waar?

Agent: Hier.

Meester: O, daar.

Agent: Even overnieuw?

Meester: Vooruit dan maar.

Agent: Wat moet dat daar?

Meester: Waar?

Agent: Waar u staat.

Meester: Vragen beantwoorden.

Agent: Wat voor vragen?

Meester: Uw vragen.

Agent: O, dan is het goed.

Meester: O, dan is het goed.

Agent: Goedendag.

Meester: Goedendag.

189. Overbodige vragen

Agent: Wat moet dat hier!

Meester: Vragen beantwoorden.

Agent: Wat voor vragen?

Meester: Overbodige.

Agent: Van wie?

Meester: Van u.

Agent: Bent u speciaal daarvoor hierheen gekomen?

Meester: Ik zou het anders ook niet weten.

Agent: In orde.

Meester: Als u het zegt.

Agent: Goedendag.

Meester: Goedendag.

190. Ik geef alleen maar te denken

Agent: Kunt u zich legitimeren?

Meester: Ik zou niet weten hoe.

Agent: Voor de dag ermee.

Meester: Waarmee?

Agent: Uw legitimatiebewijs.

Meester: O, dat. Momentje... alstublieft.

Agent: Dank u wel... in orde.

Meester: In orde?

Agent: Pak aan.

Meester: Hoe weet u dat het geen namaak is?

Agent: Het ziet er anders echt genoeg uit.

Meester: Is dat niet het kenmerk van iedere goede vervalsing?

Agent: Wou u beweren dat het nep is?

Meester: Al zou het echt zijn, wat dan nog?

Agent: Dan bent u wie u zegt dat u bent.

Meester: Ik heb nooit gezegd wie ik was.

Agent: Wie uw paspoort zegt dat u bent.

Meester: Misschien heb ik wel gelogen op het aanvraagformulier.

Agent: U lijkt mij een betrouwbaar mens.

Meester: U denkt dat mijn paspoort in orde is omdat u mij vertrouwt?

Agent: Inderdaad.

Meester: Dan heb ik mijn paspoort gelegitimeerd in plaats van andersom.

Agent: Pak nou aan.

Meester: Ik moest maar weer eens gaan.

Agent: Ik doe alleen maar mijn plicht.

Meester: Ik geef alleen maar te denken.

191. Zoeker naar het einde van het zoeken, 10

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

192. Hoe weet je dat je nu niet droomt?

Leerling: Voor mij is het allemaal heel simpel.

Meester: Wacht maar.

Leerling: De werkelijkheid is gewoon de werkelijkheid, en daarmee basta.

Meester: Hoe weet je dat je nu niet droomt?

Leerling: Als ik in mijn arm knijp, doet het zeer... Au!

Meester: Dat bewijst niets.

Leerling: Waarom niet?

Meester: Weet je in je droom dat je droomt?

Leerling: Nee, in de droom lijkt alles echt.

Meester: Ook pijn?

Leerling: Ook pijn.

Meester: Wanneer weet je dat je droomt?

Leerling: Pas achteraf, als je wakker wordt en je droom herinnert.

Meester: Kan je dus ooit zeggen dat je nu droomt?

Leerling: Nee, je droomt niet, je hebt gedroomd.

Meester: Kan je dus ooit zeggen dat je nu niet droomt?

Leerling: Nee, want in de droom lijkt alles echt.

Meester: Vandaar mijn vraag, hoe weet je dat je nu niet droomt?

Leerling: Als ik in mijn arm knijp, doet het zeer... Au!

193. Hoe weet je dat je werkelijk hebt gedroomd wat je je herinnert?

Meester: Wanneer weet je dat je droomt?

Leerling: Niet terwijl je droomt.

Meester: Wanneer wel?

Leerling: Als je wakker wordt en je droom herinnert.

Meester: Hoe weet je dat je werkelijk hebt gedroomd wat je je herinnert?

Leerling: Doordat je je dat herinnert natuurlijk.

Meester: Is die herinnering te verifiëren?

Leerling: Dan moet je terug je droom in, lijkt mij.

Meester: Kan jij dat?

Leerling: Ik niet.

Meester: Ooit gehoord dat iemand terug zijn droom in kon?

Leerling: Misschien met lucide dromen. Ik kan het niet.

Meester: Stel dat je terugkeert in je droom, hoe weet je dan dat je niet alleen maar droomt dat je bent teruggekeerd?

Leerling: Ik betwijfel of je dat kan weten.

Meester: Je kan je droomherinnering dus op geen enkele wijze verifiëren?

Leerling: Ik zou niet weten hoe.

Meester: Als ik nou beweer dat je nooit droomt, alleen maar droomherinneringen hebt?

Leerling: Valse herinneringen bedoelt u, aan dromen die ik nooit gehad heb?

Meester: Waarom niet?

Leerling: Dat zou bizar zijn.

Meester: Maar het zou wel kunnen?

Leerling: In theorie wel, ja.

Meester: Wat is merkwaardiger, een droom uit het niets die je je nauwelijks kan herinneren en pas na afloop als droom herkent of een herinnering uit het niets aan een droom die nooit heeft plaatsgevonden?

Leerling: Die herinnering, zou ik zeggen.

Meester: Waarom?

Leerling: Omdat die vals zou zijn.

Meester: Is de droom dan niet vals?

Leerling: Wel als inhoud, maar niet als verschijnsel.

Meester: Net als een droomherinnering waaraan geen droom vooraf is gegaan, dus.

Leerling: Verdraaid.

194. Ontwaken uit een coma in een coma

Leerling: Als ik voorgoed in coma lag zou ik niet verder willen leven.

Meester: Wil je op dit moment verder leven?

Leerling: Zeker wel.

Meester: Hoe weet je dat je nu niet in coma ligt?

Leerling: Zo voelt het niet.

Meester: Denk je dat je dat kan voelen?

Leerling: Nou, als dit een coma is, vind ik het best leuk.

Meester: Leuk genoeg om verder te leven?

Leerling: Beslist.

Meester: En als je op een dag uit dat coma ontwaakt?

Leerling: Dan ook, neem ik aan.

Meester: Zelfs als je dan doodziek, ernstig verminkt, of zwaar depressief blijkt te zijn of verschrikkelijke pijn hebt?

Leerling: Dan misschien niet.

Meester: Dus als je voorgoed in coma lag zou je misschien toch verder willen leven en als je uit coma komt misschien toch niet?

Leerling: Daar komt het wel op neer.

Meester: Als je ontwaakt uit je coma en ontdekt dat je er zo slecht aan toe bent dat je meteen dood wilt, zou dat dan geen nachtmerrie kunnen zijn die deel uitmaakt van je coma?

Leerling: O... ja, dat zou kunnen.

Meester: Waaruit je later alsnog ontwaakt, misschien wel helemaal gezond van lijf en geest.

Leerling: Een sprookje.

Meester: Zodat je blij bent dat je eerder niet tot euthanasie bent overgaan?

Leerling: Dat lijkt me wel.

Meester: Al was het maar een gedroomde euthanasie tijdens je coma.

Leerling: U hebt een rijke fantasie.

Meester: Tenzij je nu in coma ligt.

Leerling: Want?

Meester: Dan is het jouw fantasie.

Leerling: Nou weet ik het helemaal niet meer.

Meester: Tenzij je nog steeds in coma ligt.

Leerling: Dan hoop ik maar dat ik gauw ontwaak.

Meester: Of juist niet.

195. Is alles een illusie of denk je dat maar?

Leerling: Is alles dan alleen maar een illusie?

Meester: Dat denk jij.

Leerling: Bedoelt u dat alles toch geen illusie is?

Meester: Dat denk jij.

Leerling: Zit u mij in de maling te nemen?

Meester: Dat denk jij.

Leerling: Is alles dan alleen maar een illusie?

196. Als alles een illusie is dan is de illusie werkelijkheid

Maya maya of de illusie van de illusie.

Leerling: Alles is een illusie.

Meester: Is de illusie zelf echt?

Leerling: Ik denk het... wel.

Meester: Dan is niet alles een illusie.

Leerling: Ik bedoel, ik denk het niet.

Meester: Dan is niet alles een illusie.

197. Als alles een illusie is

Leerling: Alles is een illusie...

Meester: Dan ook de illusie.

Leerling: Ik was nog niet uitgesproken.

Meester: O, sorry.

Leerling: Alles is een illusie in Bewustzijn.

Meester: Dan ook Bewustzijn.

Leerling: Hoezo?

Meester: Anders was niet alles een illusie in Bewustzijn.

Leerling: Dat is ook weer zo.

Meester: Dan moet je me toch eens iets uitleggen.

Leerling: Ik zal het proberen.

Meester: Hoe kan iets een illusie zijn in iets wat een illusie is?

Leerling: Bewustzijn is het medium waarin de illusie verschijnt.

Meester: Ja, is Bewustzijn nou onderdeel van de illusie of is het een bestaand medium dat geen deel uitmaakt van de illusie die daarin verschijnt?

Leerling: Eh... dat laatste, denk ik.

Meester: Dan is niet alles een illusie.

Leerling: Nee, dat zal dan wel niet.

Meester: En deze gedachten?

Leerling: Wat is daarmee?

Meester: Zijn die echt of illusoir?

Leerling: Ze maken deel uit van de illusie, zou ik zeggen.

Meester: Dus die kunnen we wel schrappen?

Leerling: Ja. Nee zeg. Niet die over Bewustzijn hoor.

Meester: Alles is een illusie in Bewustzijn, inclusief onze gedachten maar exclusief Bewustzijn en onze gedachten over Bewustzijn?

Leerling: Van die gedachten ben ik niet zeker, maar Bewustzijn is echt echt.

Meester: Wat maakt het zo echt?

Leerling: Het ontstaat niet en het vergaat niet. Al het veranderlijke en vergankelijke is illusoir. Bewustzijn is onveranderlijk en eeuwig.

Meester: En de illusie?

Leerling: Die komt en gaat.

Meester: Waarom zou iets wat komt en gaat niet echt kunnen zijn?

Leerling: Omdat alleen het onveranderlijke en onvergankelijke echt is, zeg ik toch.

Meester: Dat is een cirkelredenering.

Leerling: Wat is volgens u het onveranderlijke en onvergankelijke?

Meester: Ik ken maar één ding waarop die eigenschappen van toepassing zijn.

Leerling: Namelijk?

Meester: Cirkelredeneringen.

198. Zoeker naar het einde van het zoeken, 11

Eenzijdige draaideur waarvan de ingang de uitgang is. Er gaan mensen in, ze lopen een rondje en verlaten de draaideur op dezelfde plek, waarna ze om de draaideur heenlopen voor de volgende rondgang.

199. Zoeker naar het einde van het zoeken, 12

Draaideur zonder in- of uitgang, voortgeduwd door vier vermoeide oude mensen die erin opgesloten zitten.

200. Wat tovert jou je hersenen voor?

Leerling: Je hersenen toveren je een wereld voor.

Meester: En wat tovert jou je hersenen voor?

Leerling: Ik bedoel, je hersenen zijn echt, maar de wereld niet.

Meester: Ik bedoel, je hersenen maken deel uit van de wereld.

Leerling: Luister nou, de wereld is een illusie van je hersenen.

Meester: Je hersenen niet?

Leerling: Als mijn hersenen niet echt zijn, waar komt die illusie dan vandaan?

Meester: Geen idee.

Leerling: Hij moet toch ergens vandaan komen.

Meester: Dat is een drogredenering.

Leerling: Hoezo?

Meester: Waar je ook mee op de proppen komt, je zult steeds tegen hetzelfde probleem aanlopen.

Leerling: Ik geloof er niets van.

Meester: Probeer maar.

Leerling: De wereld is een illusie van je zintuigen.

Meester: En je zintuigen dan?

Leerling: De wereld is een illusie van het denken.

Meester: En het denken dan?

Leerling: De wereld is een illusie van het bewustzijn.

Meester: En het bewustzijn dan?

Leerling: De wereld is een illusie van het ik.

Meester: En het ik dan?

Leerling: De wereld is een illusie van god.

Meester: En god dan?

Leerling: Ik sta werkelijk perplex.

Meester: Het zal toch geen illusie zijn?

201. Zijn gedachten een weerspiegeling van de werkelijkheid of andersom?

Leerling: Gedachten zijn een weerspiegeling van de werkelijkheid.

Meester: Of omgekeerd natuurlijk.

Leerling: Pardon?

Meester: De werkelijkheid is een weerspiegeling van je gedachten

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of iets ertussenin natuurlijk.

Leerling: Hoe bedoelt u?

Meester: De werkelijkheid en mijn gedachten weerspiegelen elkaar.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Wat dacht je van iets meer dynamiek?

Leerling: Welja.

Meester: De werkelijkheid en mijn gedachten vormen elkaar.

Leerling: Klinkt aannemelijk.

Meester: Of anders iets eenzijdigers?

Leerling: Zoals?

Meester: Alles is werkelijk, ook mijn gedachten.

Leerling: Je moet er maar opkomen.

Meester: Of de tegenhanger daarvan?

Leerling: Te weten?

Meester: Alles is gedachte, ook de werkelijkheid?

Leerling: Wat een mogelijkheden allemaal.

Meester: Aangenomen dat werkelijkheid en gedachte meer zijn dan woorden.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Ik wijs je alleen maar op een aanname.

Leerling: En als het inderdaad alleen maar woorden zijn?

Meester: Dan is ook hun onderlinge verband fictief.

Leerling: Gedachten zijn een weerspiegeling van de werkelijkheid.

202. 'De wereld is alleen maar een gedachte' is ook alleen maar een gedachte

Leerling: De wereld is alleen maar een gedachte.

Meester: En incest is alleen maar verkrachten.

Leerling: Het kwade is alleen maar een woord.

Meester: En wurging is alleen maar een moord.

203. De ene waan wast de andere

Meester Maya zegt:

Volgens sommigen is tijd een illusie in het heden.

Volgens anderen is het heden een illusie in de tijd.

Wat is de ware illusie?

204. Na de eeuwigheid komkommertijd

Leerling: U bent niet meer van deze tijd.

Meester: Maar ook niet van een andere.

Leerling: Bedoelt u dat u de eeuwigheid hebt gerealiseerd?

Meester: Ook die tijd is voorbij.

Leerling: Bedoelt u dat u voorgoed in het heden verblijft?

Meester: Ook die tijd is voorbij.

Leerling: Bedoelt u dat u de tijd helemaal hebt doorzien?

Meester: Ook die tijd is voorbij.

Leerling: Bedoelt u dat tijd weer gewoon tijd is, net als vroeger?

Meester: Ook die tijd is voorbij.

Leerling: Wat bedoelt u dan?

Meester: Allemaal voorbij.

205. Hoe je aan de tijd ontsnapt

Leerling: Kan ik me van het verleden bevrijden door in het hier en nu te verblijven?

Meester: Herinneringen heb je hier en nu.

Leerling: Maar ze gaan over gister en vroeger.

Meester: Maar ze spelen nu nog en vragen dus nu om overdenking of actie.

Leerling: Kan ik me van mijn zorgen bevrijden door in het hier en nu te verblijven?

Meester: Zorgen heb je hier en nu.

Leerling: Maar ze gaan over morgen en later.

Meester: Maar ze spelen nu al en vragen dus nu om overdenking of actie.

Leerling: Wat heb ik er dan aan om in het hier en nu te verblijven?

Meester: Ik zou het ook niet weten.

Leerling: Hoe kom je eigenlijk in het hier en nu?

Meester: Zie er eerst maar eens uit te komen.

Leerling: Hoe kom je uit het hier en nu?

Meester: Zie er eerst maar eens in te komen.

Leerling: Bent u voorgoed in het hier en nu?

Meester: Voorgoed moet nog komen.

Leerling: Of bent u ontsnapt aan het hier en nu?

Meester: Ook die tijd is voorbij.

206. Niets komt te vroeg, te laat of op tijd, dat denk je maar

Leerling: Waarom komt alles altijd te vroeg of te laat?

Meester: Niets komt van zichzelf te vroeg of te laat.

Leerling: Bedoelt u dat alles precies op tijd komt?

Meester: Niets komt van zichzelf precies op tijd.

Leerling: Als niets te vroeg, te laat of op tijd komt, wanneer komt het dan wel?

Meester: Op zijn eigen tijd.

Leerling: Waarom lijkt het dan toch alsof alles altijd te vroeg, te laat of op tijd komt?

Meester: Omdat jij dat denkt.

Leerling: Het zijn allemaal maar gedachten?

Meester: Als jij dat denkt.

207. Als je nergens meer iets van vindt

Leerling: Als je nergens meer iets van vindt, komt alles op zijn eigen tijd.

Meester: En?

Leerling: Dat is wel zo rustig.

Meester: Niet als je nergens meer iets van vindt.

208. Als je er niets van vindt dat je ergens iets van vindt

Leerling: Als je nergens meer iets van vindt...

Meester: Kan jij dat?

Leerling: Wat?

Meester: Nergens meer iets van vinden?

Leerling: Dat is te zeggen...

Meester: Nou?

Leerling: Meestal niet.

Meester: Ken jij iemand die nergens meer iets van vindt?

Leerling: Volgens mij bent u zo iemand.

Meester: Dan moet ik je toch teleurstellen.

Leerling: O?

Meester: Ik vind bijna overal iets van.

Leerling: En wat vind u daarvan?

Meester: Daar vind ik niets van.

Leerling: U vind er niets van dat u bijna overal iets van vindt?

Meester: Wat vind je daarvan?

Leerling: En als u er toch iets van vindt dat u bijna overal iets van vindt?

Meester: Dan vind ik dáár niets van.

Leerling: U vind het wel best allemaal.

Meester: Of ik het allemaal wel best vind of niet.

209. Mindfulness is zien hoe je aandacht zijn eigen gang gaat

Meester: Wat is mindfulness?

Leerling: Aandachtigheid.

Meester: Dat zegt niets.

Leerling: Hoezo?

Meester: Je hebt altijd wel ergens aandacht voor.

Leerling: Je aandacht bij één ding houden, bedoel ik.

Meester: Dat zegt nog steeds niets.

Leerling: Hoezo?

Meester: Je hebt je aandacht altijd bij één ding.

Leerling: Vaak maar heel kort.

Meester: En dan gaat je aandacht weer ergens anders naar uit.

Leerling: Sommigen worden onrustig van die verspringende aandacht.

Meester: Vooral als ze zich ertegen verzetten.

Leerling: Dat is ook weer zo.

Meester: Anderen worden onrustig als ze hun aandacht bij één ding moeten houden.

Leerling: Ja, ik bijvoorbeeld.

Meester: Zij worden juist rustig door hun aandacht zijn gang te laten gaan.

Leerling: Wat is mindfulness volgens u?

Meester: Aandachtig naar je aandacht kijken en zien hoe die zijn gang gaat?

Leerling: En als je je ertegen verzet?

Meester: Aandachtig naar je verzet kijken en zien hoe dat zijn gang gaat?

Leerling: Hoelang moet je daarmee doorgaan?

Meester: Tot je je aandacht verliest, niet korter en niet langer.

Leerling: En dan?

Meester: Gaat je aandacht weer ergens anders naar uit.

Leerling: Lijkt me hartstikke moeilijk.

Meester: Kan niet misgaan.

210. Wat is mindfulness?

Uit het woordenboek van Meester Maya.

Mindfulness is: krampachtig je aandacht op één ding richten om de rest niet te hoeven zien.

Afbeelding: Monnik die naar een bloem kijkt terwijl er een prachtig naakt naast hem staat. Bijschrift: Mindfulness is: je aandacht op één ding richten om de rest niet te hoeven zien.

211. Duizend-en-één-nu

Stel, je ligt op het strand ligt en je denkt, hè, wat ben ik toch heerlijk in het hier en nu.

Ben je dan nog wel heerlijk in het hier en nu?

Ergens niet, omdat je aandacht dan uitgaat naar een gedachte over het genoegen helemaal in hier en nu te zijn in plaats van het hier en nu van het strand.

Aan de andere kant is je aandacht wel eventjes helemaal gericht op je gedachte hier en nu over het genoeglijke hier en nu. Niets aan de hand dus, in een ruimere definitie van de uitdrukking 'hier en nu' die ook gedachten toestaat.

Als je liggend op het strand aan het werk denkt dat er op je ligt te wachten, of zittend aan je bureau aan het strand waar je volgende week heen gaat, ben je dan nog in het hier en nu?

Ergens niet, omdat je aandacht dan uitgaat naar een gedachte over een tijd en plaats waar je zal zijn in plaats van de tijd en plaats waar je je op dat moment bevindt.

Aan de andere kant is je aandacht wel eventjes helemaal bij je gedachte hier en nu over een andere tijd en plaats, die door de huidige tijd en plaats is opgeroepen. Weer niets aan de hand dus, in een ruimere definitie van de uitdrukking 'hier en nu' die ook gedachten toelaat.

Wat betekent het eigenlijk om helemaal in het hier en nu te zijn? Welk hier en nu hebben we het precies over?

Het hier en nu van het badlaken onder je gat?

Het hier en nu van het strand onder je badlaken?

Het hier en nu van de aanrollende golven?

Het hier en nu van de opkomende vloed?

Het hier en nu van de duinen?

Het hier en nu van de slaapverwekkende roman die je probeert te lezen?

Het hier en nu van hoe je daar zit, en in welke houding?

Het hier en nu van de spanning in je opgetrokken nekspieren?

Het hier en nu van de opkomende hoofdpijn?

Het hier en nu van de schaduw van je zonnehoed op je gezicht?

Het hier en nu van de vorm van je tong in je mond?

Het hier en nu van je droge strot?

Het hier en nu van je zere knieën?

Het hier en nu van de druk op je voetzolen?

Het hier en nu van het schurende zand in je liezen?

Het hier en nu van het zweet dat in je ogen lekt?

Het hier en nu van je ademhaling?

Het hier en nu van de meeuwen in de lucht?

Het hier en nu van de blauwe lucht?

Het hier en nu van de stapelwolken?

Het hier en nu van de brandende zon?

Het hier en nu van de volle zwembroek van de buurman?

Het hier en nu van de cameltoe van zijn dochter?

Het hier en nu van je beginnende erectie?

Het hier en nu van je overvolle tampon?

Het hier en nu van je overvolle blaas?

Het hier en nu van je opgeblazen buik?

Het hier en nu van je tinnitus?

Het hier en nu van de krassende kraai op de vuilnisbak?

Het hier en nu van de steekvliegen en de zandvlooien?

Het hier en nu van de voorbijrijdende jeep?

Het hier en nu van de geur van aftershave, zonnebrandolie en gebakken vis?

Het hier en nu van je eindeloze innerlijke monoloog?

Het hier en nu van de gedachte dat je in het hier en nu moet zijn?

Het hier en nu van je sluimerende verveling?

Het hier en nu van je rinkelende telefoon?

Het hier en nu van...

Op ieder moment gebeurt er zo ontzettend veel dat het volstrekt onmogelijk is om daar je aandacht bij te houden.

Ben je ooit helemaal in het hier en nu, of zelfs maar een beetje?

Hoe verstrooid moet je aandacht zijn om die illusie in jezelf op te wekken?

Op welke aspecten van het alomvattende hier en nu mag je van jezelf, van je leraar of van je leer wel je aandacht richten en op welke juist niet?

Ben je ooit niet helemaal of zelfs helemaal niet in het hier en nu?

Is er een manier om voorgoed aan het hier en nu te ontsnappen anders dan, misschien, de dood?

Wat denk jij, en terwijl je daaraan denkt, waaraan denk je dan niet en waar ben je op dat moment allemaal niet bij met je aandacht?

212. Wat is nuïsme?

Wat is het verschil tussen een nudist en een nuïst?

Als je iemand met belangstelling voor spiritualiteit vraagt hoe laat het is, moet je niet gek opkijken als hij zegt: 'Nu.'

Dan weet je meteen dat je te maken hebt met een aanhanger van de leer van het eeuwige heden.

Volgens deze leer is het altijd nu.

Het verleden is een herinnering nu.

De toekomst is een verwachting nu.

Tijd is een illusie nu.

Alleen het huidige moment is reëel.

De meme van het eeuwige heden is in het huidige heden zo populair dat ik er een naam voor heb bedacht: nuïsme. Je mag ook nu-isme schrijven als je dat duidelijker vindt.

Nuïsme is het truïsme dat het altijd nu is.

Iemand die het nuïsme aanhangt is een nuïst. Je mag ook nu-ist schrijven als je dat duidelijker vindt.

Het woord nuïst lijkt op het woord nudist maar met het volgende ezelsbruggetje hoeft dat niet tot verwarring te leiden.

Wat is het verschil tussen een nudist en een nuïst?

De eerste zie je liever komen, de laatste zie je liever gaan.

Nooit naar de sterren kijken

Met je mind full van het hier en nu en je mond vol van de dag van vandaag ben je voorgoed verlost van het sinistere gisteren en de zorgen van morgen.

Zouden mensen daarom zo gespitst zijn op actualiteiten? Gelijk hebben ze, de zogenaamde waan van de dag is in feite de enige en dus de hoogste waarheid. Actualitijd is spiritualitijd, zegt het voort.

Wil je echt in het heden verblijven dan moet je dag en nacht het nieuws volgen, liefst in de vorm van live verslagen. Pas op voor vertragingen en tijdsverschillen, die kunnen je ongemerkt uit het hier en nu trekken, waardoor je microseconden of nog langer achter gaat lopen, met alle ellende van dien.

Waarschuwing: nooit naar foto's of films kijken, ze lopen hopeloos achter.

Nooit naar de sterren kijken. Hun licht is minuten tot millennia oud, de kleur is verschoven naar rood of naar blauw, sommige bestaan niet eens meer terwijl andere allang bestaan maar nog steeds niet zichtbaar zijn.

Nooit naar de maan kijken. De maan die je ziet is niet de maan zoals die er nu uitziet en waar hij nu staat maar zoals hij een seconde geleden uitzag en waar hij toen stond.

Nooit naar straaljagers of onweer luisteren. De eerste hoor je waar ze nu niet zijn, het laatste dondert waar het nu niet is.

Van dichtbij lopen onze zintuigen nog steeds milli- tot deciseconden achter, zelfs de tast en de smaak. Dat lijkt triviaal maar is funest voor degene die waarlijk in het moment wil zijn.

213. Wat is tijd nou echt?

Wat is tijd? Het is maar net aan wie je het vraagt. En dit is het soort antwoorden dat je dan krijgt:

Tijd is één van de vier dimensies van tijdruimte.

Tijd is de grondslag van verandering.

Tijd is een maat voor verandering.

Tijd is de ervaring van verandering.

Tijd is de verandering zelf.

Tijd is een ander woord voor vergankelijkheid.

Tijd is een conventie.

Tijd is wat gemeten wordt door een klok.

Tijd is wat geproduceerd wordt door een klok.

Tijd is de beweging van de planeten.

Tijd is de beweging van het cesium-atoom.

Tijd is een schepping van God.

Tijd is een emergent verschijnsel in een kosmos van voldoende complexiteit.

Tijd is een absolute grootheid, voor iedereen overal hetzelfde.

Tijd is relatief en verschilt per waarnemer.

Tijd is lineair.

Tijd is cyclisch.

Tijd is analoog.

Tijd is discreet.

Tijd is de beleving van duur.

Tijd is een memento mori.

Tijd is een memento vivendi.

Tijd is het kloppen van het hart.

Tijd is het bewegen van het lichaam.

Tijd is een beweging van de geest.

Tijd is een categorie van het verstand.

Tijd is wat nooit stilstaat.

Tijd is wat niet beweegt, wij zijn het die door de tijd bewegen.

Tijd is de stroom van het bewustzijn.

Tijd is een manifestatie van het tijdloze.

Tijd is een verschuivend punt tussen een groeiend verleden en een krimpende toekomst.

Tijd is de realiteit tussen een denkbeeldig verleden en een dito toekomst.

Tijd is een abstractie.

Tijd is een illusie.

Tijd is een woord.

Tijd is geld.

Wat is tijd nou echt?

214. Tijd is 'tijd'

Hilde: Wat is tijd voor jou?

Hans: 'Tijd'.

Hilde: Tussen aanhalingstekens.

Hans: Of tussen haakjes, als je dat liever hebt.

Hilde: Wat wil je daarmee zeggen?

Hans: Dat ik niet weet wat tijd is, behalve in de meest oppervlakkige zin van het woord. Gisteren heb ik eieren op toast gegeten en morgen ga ik zwemmen – daar heb ik geen moeite mee.

Hilde: Waar heb je wel moeite mee?

Hans: Met het begrip tijd, of met de entiteit die met het begrip aangeduid zou worden. Met de ontologie van toen en straks, de metafysica van nu en altijd.

Vraag me dus niet wat 'gisteren' en 'morgen' betekenen buiten de context van de taal van alledag.

Vraag me niet wat tijd ís, daar zijn wel duizend antwoorden op.

Vraag me niet waar de toekomst is voordat hij nu wordt of waar het verleden is gebleven dat net nog heden was.

Vraag me niet hoe lang het nu tussen vroeger en later precies duurt, of waar de drie tijdfasen in elkaar overgaan.

Vraag me niet uit hoeveel ogenblikken een periode bestaat of wat het wezen van tijdsverloop is of hoeveel soorten tijd er bestaan.

Hilde: Je hebt het onderzocht en geen antwoorden gevonden.

Hans: Ik heb het onderzocht en schrikbarend veel antwoorden gevonden. Wetenschappelijke, filosofische, psychologische, esoterische, religieuze – je verzuipt erin.

Naar adem happend in die woordenzee verloor ik algauw het naïeve vertrouwen dat iemand wist hoe het zat. Ik verloor mijn overtuiging dat ik het moest weten. Ik verloor mijn overtuiging dat er iets te weten viel of zelfs maar dat er niets te weten viel. Ik verloor mijn overtuiging dat het er iets toe deed.

Hilde: Je bent niet tot conclusies gekomen.

Hans: Ik ben mijn belangstelling kwijtgeraakt.

Hilde: En nu?

Hans: Is nu alleen nog 'nu' voor mij. Als in 'ik heb nu geen zin, probeer het later nog eens'.

Hilde: En gisteren?

Hans: Is voor mij alleen maar 'gisteren'. Herinneringen zijn 'herinneringen'. Ervaringen zijn 'ervaringen'. Verklaringen zijn 'verklaringen'. Conclusies zijn 'conclusies'. Triomfen zijn 'triomfen'. Blunders zijn 'blunders'. Schaamte is 'schaamte'. Schuld is 'schuld'.

Hilde: En morgen?

Hans: Is voor mij alleen maar 'morgen'. Zorgen zijn daarom 'zorgen'. Angsten zijn 'angsten'. Geruststellingen zijn 'geruststellingen'. Verheugenissen zijn 'verheugenissen'. Verwachtingen zijn 'verwachtingen'. Zekerheden zijn 'zekerheden'. Plannen zijn 'plannen'. Vooruitzichten zijn 'vooruitzichten'. Voorspellingen zijn 'voorspellingen'.

Hilde: Allemaal tussen aanhalingstekens.

Hans: Of tussen haakjes, als je dat liever hebt.

Hilde: Om jezelf eraan te herinneren dat het geen zaken zijn.

Hans: Om mezelf eraan te herinneren dat het wijzen van spreken zijn. Of het zaken zijn mogen anderen uitmaken.

Hilde: Jij houdt je liever op de vlakte.

Hans: Nou, ik.

Hilde: 'Jij' dan.

Hans: 'Goed' dan.

215. Illusiemeester of meesterillusie?

Meester Maya is een mayameester.

De mayameester weet alles van wanen.

Hij heeft zijn vorm doorzien
en zijn leegte.

Hij heeft zijn hoofd doorzien
en zijn hart.

Hij heeft zijn ego doorzien
en het zelf.

Hij heeft zijn gehechtheid doorzien
en zijn onthechting.

Hij heeft de weg doorzien
en het doel.

Hij heeft samsara doorzien
en nirwana.

Hij heeft de film doorzien
en het doek.

Hij heeft het onderscheid doorzien
en de eenheid.

Hij heeft het kwade doorzien
en het goede.

Hij heeft het lagere doorzien
en het hogere.

Hij heeft het relatieve doorzien
en het absolute.

Hij heeft het tijdelijke doorzien
en het eeuwige.

Hij heeft de illusie doorzien
en de werkelijkheid.

Hij heeft de leerling doorzien
en de de meester.

Hij heeft het weten doorzien
en het niet-weten.

Hij heeft de woorden doorzien
en de stilte.

Hij heeft het doorzien doorzien
en het doorzien daarvan.

Hij heeft het allemaal doorzien.

Toch weet de mayameester niet alles van wanen.

Dit was de waan van Meester Maya.

216. Hoe Meester Ziemaar aan zijn naam kwam

Meester Maya is de spirituele naam die Broeder Weetal ontving toen hij op een witte dag de illusie doorzag en de Werkelijkheid realiseerde.

Meester Mayamaya is de spirituele naam die Meester Maya aannam toen hij op een zwarte dag de Werkelijkheid doorzag en het Niets realiseerde.

'Mayday Mayday' is wat Meester Mayamaya dacht toen hij op een blauwe dag het Niets doorzag en zich niets realiseerde.

Niets nieuws en niets ouds en niets anders.

Vanaf dat moment weigerde hij iedere spirituele naam.

Als men hem vroeg hoe hij aangesproken wilde worden, zei hij altijd: 'Zie maar, ik weet het niet meer', en dat is hoe Meester Ziemaar aan zijn naam kwam.

217. Zoeker naar het einde van het zoeken, 13

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

218. Twee heilige koeien

'Wat is de Waarheid?'

'Een koe.'

'Hoe bedoel je?'

'Iedereen wil haar melken.'

'Wat is een waarheidszoeker?'

'Een rund.'

'Hoe bedoel je?'

'Hij probeert iedereen te melken.'

219. Een koei van een waarheid

Schapen naar de zee dragen.

'Wat is de hoogste waarheid?'

'Een koe.'

'In welke zin?'

'Wat je haar ook vraagt, ten antwoord zal ze loeien.'

'Bedoel je dat de waarheid onuitsprekelijk is?'

'Boe.'

'Bedoel je dat de waarheid niet bestaat?'

'Boe.'

'Bedoel je dat de waarheid wel bestaat maar niet kenbaar is?'

'Boe.'

'Bedoel je dat de waarheid het kennen zelf is en niet het gekende?'

'Boe.'

'Bedoel je dat de koeien of hun loeien zelf de waarheid is?'

'Boe.'

'Bedoel je dat je het gewoon niet weet?'

'Boe.'

'Bedoel je dit alles tegelijk?'

'Boe.'

'Bedoel je niets van dit alles?'

'Boe.'

'Maar wat bedoel je dan?'

'Boe.'

'Bè.'

'Dat komt op hetzelfde neer.'

220. De zwaarheid van de waarheid

'Wat is waarheid?'

'Zwaarheid.'

'Wat is niet-weten?'

'Gewichtloosheid.'

221. Ben jij geroepen of uitverkoren?

'Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren, Hans.'

'Waardoor? Waarvoor?'

'De Waarheid.'

'Ben jij geroepen of ben je uitverkoren?'

'Geroepen, vrees ik. En jij?'

'Gevlucht.'

222. Komt een leerling bij de meester

Vijf jaar eerder

Leerling: Ik bied u een goudstuk voor de waarheid.

Meester: Ik bied je er tien.

Vijf jaar later

Leerling: Ik bied u tien goudstukken voor de waarheid.

Meester: Ik geef er geen cent voor.

Vijf jaar later

Leerling: Ik geef geen cent voor de waarheid.

Meester: Hij kan me gestolen worden.

Vijf jaar later

Leerling: De waarheid kan me gestolen worden.

Meester: Zie hem eerst maar eens te vinden.

Vijf jaar later

Leerling: Zie de waarheid maar eens te vinden.

Meester: Zie hem eerst maar eens kwijt te raken.

Vijf jaar later

Leerling: Kent u die van de leerling die de waarheid zoekt?

Meester: Kostelijk.

223. Mijn koninkrijk voor de waarheid

Een rijkaard komt met een kruiwagen vol goudstukken bij de Meester.

Rijkaard: Mijn koninkrijk voor de waarheid.

Meester: U mag hem zo hebben.

Rijkaard: Ik heb er mijn hele vermogen voor over.

Meester: Wat u wilt.

Rijkaard: En geen smoesjes, hè.

Meester: De naakte waarheid, niets meer en niets minder.

Rijkaard: Nou, hoe luidt de waarheid?

Meester: Tja.

De rijkaard haalt zijn neus op, spuugt op de grond, pakt zijn kruiwagen en loopt zonder iets te zeggen weg.

Meester: Hé daar.

Rijkaard: Wat.

Meester: Ik heb me aan onze afspraak gehouden, waarom u dan niet?

224. Niets is minder waar en niets is minder onwaar

'Wat is het verschil tussen niet-weten en andere tradities?'

'Niets is minder waar.'

'Dat lijkt me geen aanbeveling.'

'Niet-weten heeft geen aanbeveling nodig.'

'Waarom niet?'

'Niets is minder onwaar.'

225. Niet-weten is geen waarheid, en toch is het geen leugen

Meester Maya zegt:

Niet-weten is geen waarheid.

Geen waarheid die je kunt denken.

Geen waarheid die je kunt bewijzen.

Geen waarheid die je kunt aanvoelen.

Geen waarheid die je kunt leven.

Geen waarheid die je kunt worden.

Geen waarheid die je kunt zijn.

Geen waarheid die je kunt overdragen.

Geen waarheid die je kunt delen.

Geen waarheid die je kunt bemachtigen.

Geen waarheid met een hoofdletter.

Geen waarheid met een kleine letter.

Niet-weten is geen waarheid.

En toch is het geen leugen.

226. De waarheid is als seks, of omgekeerd

Preoccupaties.

Meester Veritas hield weer eens een toespraak over de waarheid. Hij zei:

Als je denkt dat de waarheid zich onder woorden laat brengen heb je het mis.

Als je denkt dat de waarheid zich niet onder woorden laat brengen heb je het mis.

Als je denkt dat de waarheid zich alleen op negatieve wijze laat omschrijven heb je het mis.

Als je denkt dat de waarheid zich alleen non-verbaal laat uitdrukken heb je het mis.

Als je denkt dat er een waarheid is heb je het mis.

Als je denkt dat er geen waarheid is heb je het mis.

Als je denkt dat je bent heb je het mis.

Als je denkt dat je niet bent heb je het mis.

Als je denkt dat je het mis kunt hebben heb je het mis.

Als je denkt dat je het niet mis kunt hebben heb je het mis.

Als je denkt dat je dieper moet denken heb je het mis.

Als je denkt dat je anders moet denken heb je het mis.

Als je denkt dat je minder moet denken heb je het mis.

Als je denkt dat je niet meer moet denken heb je het mis.

Heeft er iemand nog vragen?

Een monnik stak zijn vinger op en zei blozend: 'Wat als je alleen maar aan seks denkt?'

Vraag aan de lezer

Waar ben je de hele dag mee bezig?

Wat is voor jou belangrijker, seks of de waarheid?

Wat als seks de hoogste waarheid zou zijn?

227. Twee zielen, geen gedachten

Zegt de ene meester: Eh...

Zegt de andere: U haalt me de woorden uit de mond.

228. Over weetzucht en waarheidszucht

Wat is jouw Waarheid?

Vroeger werd overdreven weetgierigheid weetziekte, weetzucht of weetlust genoemd. Libido sciendi, met een mooi woord. Net zo kun je een heftig verlangen naar de waarheid waarheidsziekte, waarheidszucht of waarheidslust noemen, libido veritatis. Weerzin tegen kennis of waarheid heet dan aversatio sciendi en aversatio veritatis.

Waarheidszucht berust op de veronderstelling dat (de) waarheid bestaat, dat zij tijdloos, universeel en absoluut is, belangrijk om te kennen en fijn om te weten, verkrijgbaar, houdbaar en overdraagbaar, in het voordeel van ieder individu afzonderlijk en van de mensheid in het algemeen.

De waarheidszucht van een agnost is natuurlijk niet bevredigd, anders was hij geen agnost, iemand die niet weet, maar een gnosticus, iemand die weet. De waarheidszucht van een agnost is uitgedoofd, wat toevallig de letterlijke betekenis van nirwana is.

Een agnost veronderstelt niet dat (de) waarheid bestaat, dat zij tijdloos, universeel en absoluut is, belangrijk om te kennen en fijn om te weten, verkrijgbaar, houdbaar en overdraagbaar, in het voordeel van ieder individu afzonderlijk en van de mensheid in het algemeen. Hierdoor komt het bezeten zoeken naar de waarheid vanzelf tot rust. Voor hem geen modernisme.

Een agnost veronderstelt evenmin dat dat (de) waarheid niet bestaat, dat zij tijdelijk, partieel en relatief is, onbelangrijk om te kennen en onaangenaam om te weten, nergens verkrijgbaar, onhoudbaar en onoverdraagbaar, in het nadeel van ieder individu afzonderlijk en van de mensheid in het algemeen. Hierdoor komt het bezeten ontkennen en bestrijden van de waarheid vanzelf tot rust. Voor hem geen postmodernisme.

Een agnost meent niet dat hij de waarheid heeft noch dat hij haar niet heeft.

Hij meent niet dat hij haar leeft noch dat hij haar niet leeft.

Hij meent niet dat hij haar praktiseert noch dat hij haar niet praktiseert.

Hij meent niet dat hij haar belichaamt noch dat hij haar niet belichaamt.

Hij meent niet dat hij haar dient noch dat hij haar niet dient.

Hij meent niet dat hij haar is noch dat hij haar niet is, en zo verder langs de werkwoorden in en buiten het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal.

Ook dit beschouwt hij niet als een of de waarheid.

229. Twee eikels

Meester Maya is niet van hout.

Leerling: Waarmee kun je de Grote Weg vergelijken?

Meester: Met het doorsnijden van een eikel, op zoek naar de boom.

Leerling: Wie of wat is in deze beeldspraak de zoeker?

Meester: De eikel.

230. Over de oorzaak van dit alles

Meester Maya zaait twijfel.

Leerling: Wat is de oorzaak van dit alles?

Meester: Wat een vraag.

Leerling: Wat is er mis mee?

Meester: Waaruit ontstaat een eik?

Leerling: Uit een eikel natuurlijk.

Meester: En een eikenbos?

Leerling: Nergens uit.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Een bos is geen boom.

Meester: Nou dan.

Leerling: Bedoelt u dat dit alles geen oorzaak heeft?

Meester: Ik zaai alleen maar twijfel.

231. Over de schepper van God

Meester Maya schept verwarring.

Leerling: God is de Schepper van het universum.

Meester: Maar wie was de schepper van god?

Leerling: God heeft geen schepper nodig.

Meester: Waarom het universum dan wel?

Leerling: Bedoelt u dat God niet bestaat?

Meester: Vraag dat maar aan god.

Leerling: Bedoelt u dat het universum zelfscheppend is?

Meester: Moet er dan per se een schepper zijn?

Leerling: Wou u beweren dat het universum ongeschapen is?

Meester: Wou jij beweren dat ik iets wou beweren?

Leerling: Waarom anders al die vragen?

Meester: Omdat jij al antwoord gaf?

232. De Eerste Oorzaak als Laatste Houvast

Meester Maya zegt:

De Eerste Oorzaak?

De Eerste Oorzaak is het Laatste Houvast!

De Eerste Oorzaak is het Laatste Houvast voor iedereen!

De Eerste Oorzaak is het Laatste Houvast voor iedereen die niet gek genoeg is!

De Eerste Oorzaak is het Laatste Houvast voor iedereen die niet gek genoeg is om los te lopen!

De Eerste Oorzaak is het Laatste Houvast voor iedereen die gek genoeg is om vast te lopen!

De Eerste Oorzaak is het Laatste Houvast voor iedereen die gek genoeg is!

De Eerste Oorzaak is het Laatste Houvast voor iedereen!

De Eerste Oorzaak is het Laatste Houvast!

De Eerste Oorzaak?

233. Hoofdvraag van de westerse metafysica

Meester Maya ontpopt zich als wijsgeer.

'Waarom is er iets in plaats van niets?'

'Waarom niet?'

234. Hoofdvraag van de oosterse metafysica

'Waarom is er niets in plaats van iets?'

'Waarom niet?'

235. Tweede hoofdvraag van de westerse metafysica

Eerder:

'Waarom is er dit in plaats van dat?'

'Had je maar later moeten komen.'

Later:

'Waarom is er dat in plaats van dit?'

'Had je maar eerder moeten komen.'

236. Eerste hoofdvraag van de epistemologie

'Waarom weet ik iets in plaats van niets?'

'Zeker weten?'

237. Tweede hoofdvraag van de epistemologie

'Waarom weet ik iets in plaats van niets?'

'Waarom niet?'

'U neemt me al mijn vragen af.'

'Ik geef je er juist vragen bij.'

'Waarom?'

'Waarom niet?'

'Waar wilt u heen?'

'Wie zegt dat ik ergens heen wil?'

'Bedoelt u dat we er al zijn?'

'Wie zegt dat ik iets bedoel?'

'Doelt u op niet-bedoelen?'

'Wie zegt dat ik niets bedoel?'

'Ik snap er niks meer van.'

'Toch weer iets begrepen?'

'Waarom weet ik niets in plaats van iets?'

238. Waarom er waaromvragen zijn

'Waarom is er iets en niet niets?'

'Door dit.'

'Waarom is er dit en niet niets?'

'Door dat.'

'Waarom is er dat en niet niets?'

'Door zus.'

'Waarom is er zus en niet niets?'

'Door zo.'

'Waarom is er zo en niet niets?'

'Door dinges.'

'Waarom is er dinges en niet niets?'

'Door je-weet-wel.'

'Hier komt geen eind aan hè?'

'We zijn nog maar net begonnen.'

'Ik wil weten hoe het zit.'

'Ook als je inziet dat er geen eind aan komt?'

'Ik zie het wel maar ik voel het niet.'

'Dan gaan we vrolijk verder.'

'Waarom is er je-weet-wel en niet niets?'

'Door hoe-heet-het.'

'Waarom is er hoe-heet-het en niet niets?'

'Door huppeldepup.'

'Ik word gek van mij.'

'Het gaat vanzelf een keer vervelen.'

'Waarom is er huppeldepup en niet niets?'

'Door iets.'

'Krijg de pip.'

'Kop zoekt kip.'

'Waarom weet ik niets en niet iets?'

'Door dit.'

239. Vliegen op de vleugels van de geest

Meester Maya als reddende engel.

'Verschijnt het bewustzijn nou in het lichaam of het lichaam in het bewustzijn?'

'Zitten er veren aan mijn vleugels of vleugels onder mijn veren?'

'U hebt helemaal geen vleugels!'

'Nou dan.'

240. Is iedere agnost een xenoïst?

Beste Hans,

In zijn boek Kleingoderij maakt Terry Pratchett onderscheid tussen xenoïsten, die geloven dat de wereld principieel ingewikkeld en willekeurig is, en ibidiërs, die geloven dat de wereld in principe eenvoudig is en bepaalde grondregels volgt. Is niet-weten een soort xenoïsme? Ben jij een xenoïst?

Beste Julia,

Nee hoor, ik geloof niet dat de wereld principieel ingewikkeld en willekeurig is.

Julia: Waarom niet?

Hans: Was de wereld werkelijk principieel ingewikkeld en willekeurig, dan was hij eenvoudig en eenduidig te omschrijven als principieel ingewikkeld en willekeurig, dus niet werkelijk principieel ingewikkeld en willekeurig.

Julia: Ben je dan een ibidiër?

Hans: Nee hoor, ik geloof niet dat de wereld in principe eenvoudig is en bepaalde grondregels volgt.

Julia: Het is het een of het ander.

Hans: Nee hoor, ik geloof niet dat de wereld of principieel ingewikkeld en willekeurig is, of eenvoudig is en bepaalde grondregels volgt.

Julia: Iets ertussenin dan?

Hans: Nee hoor, ik geloof niet dat de wereld deels ingewikkeld en willekeurig is, deels eenvoudig is en bepaalde grondregels volgt.

Julia: Wat is het alternatief?

Hans: Voor alternatieven moet je in de metafysica wezen, in de epistemologie, in de theologie. Duik onder in de wereld die Wikipedia heet en verlies je in de mogelijkheden.

Julia: Geloof jij dan helemaal niets over de wereld?

Hans: Als ik dat geloofde zou ik toch weer wat over de wereld geloven.

Julia: Is dat een bevestiging of een ontkenning?

Hans: Sowieso hecht ik weinig waarde aan wat ik geloof.

Julia: Vind jij dat we allemaal wel wat minder waarde zouden mogen hechten aan wat we geloven?

Hans: Nee hoor, en geloofde ik het wel, dan zou ik daar waarschijnlijk weinig waarde aan hechten.

Julia: Dus jij vindt dat iedereen zelf moet bepalen wat hij gelooft en hoeveel waarde hij daaraan hecht?

Hans: Dus jij denkt dat iedereen zelf kan bepalen wat hij gelooft en hoeveel waarde hij daaraan hecht?

Julia: Denk jij van niet? Een duidelijk antwoord graag.

Hans: Ik heb geen duidelijk antwoord of dit moest het zijn, en had ik het wel, dan zou ik daar waarschijnlijk weinig waarde aan hechten.

Julia: Nou weet ik nog niets.

Hans: Ben jij soms een ibidiër?

241. Wat is primair, de waarneming of het zintuig?

Een kwestie van perspectief.

Leerling: Verschijnen waarnemingen aan de zintuigen of zintuigen aan de waarneming?

Meester: Draait de maan om de aarde of de aarde om de maan?

Leerling: Het hangt ervan af of je op de maan staat of op de aarde, zou ik zeggen.

Meester: En als je in de ruimte zweeft?

242. Smaakt de meloen zoet of de tong?

Deze vraag, of de meloen zoet is of de tong, vond ik in een teisho (toespraak) van Yamada Koun bij koan 29 van de Poortloze Poort.

Ene meester Sonno kreeg van een leerling een meloen, die ze samen oppeuzelden.

De meester zei: 'Wat denk jij, is de meloen zoet of de tong? Als de meloen zoet is, heeft het zoet zijn niets met de tong te maken. Als de tong zoet is, heeft het zoet zijn niets met de meloen te maken. Waar komt eigenlijk het zoet zijn vandaan?'

De leerling zat met zijn mond vol tanden, waarop Sonno zelf maar antwoord gaf:

'Waar het vandaan komt? Dat kunnen je niet eens de boeddha's en patriarchen zeggen. Als je naar een 'waarvandaan' zoekt, dan ontdek je dat de meloen het hele universum is en dat er geen tong buiten de meloen bestaat. Of je ontdekt dat de tong het hele universum is en dat er geen meloen buiten de tong bestaat.'

Dacht meester Sonno.

Wat denk jij?

Dit denk ik:

243. Maakt je lichaam deel uit van jou of van de wereld?

Leerling: Zonder mij bestaat u helemaal niet.

Meester: Hoezo?

Leerling: U bent het niet die beelden uitzendt; ik ben het die u verbeeldt. U bent het niet die klanken uitstoot; ik ben het die u verklankt. U bent het niet die geuren verspreidt, ik ben het die u aromatiseert.

Meester: En de rest van de wereld?

Leerling: Daarvoor geldt hetzelfde. Voor deze ruimte, voor de boom daarbuiten, voor de scooter die precies op dit moment voorbij schijnt te rijden, de hele bliksemse boel.

Meester: Zonder uitzondering?

Leerling: Allemaal mijn werk.

Meester: Knap staaltje.

Leerling: Dank u.

Meester: Maar van wie?

Leerling: Van mij zeg ik toch?

Meester: En wie of wat mag dat dan wel wezen?

Leerling: Deze hele machinerie hier, vooral mijn zintuigen en mijn hersenen.

Meester: Maar als jij het bent die mijn beeld maakt, ben jij het dan ook niet die jouw beeld maakt?

Leerling: Nou en of.

Meester: Ik bedoel, het beeld van jouw lichaam.

Leerling: Nou...

Meester: En het geluid van jouw lichaam?

Leerling: Ho eens even...

Meester: Jouw geur, jouw smaak, jouw pijn, jouw gevoelens, jouw gedachten?

Leerling: Ik had het over de buitenwereld.

Meester: Behoort jouw lichaam met alles erop en eraan daar ook niet toe?

Leerling: Zo had ik het nog niet bekeken.

Meester: En als je lichaam inderdaad tot de buitenwereld behoort, wie of wat is dan nog de schepper van 'de hele bliksemse boel' en 'deze hele magistrale machinerie'?

244. Ben jij de waarnemer of de waargever?

Leerling: Dingen hebben van zichzelf geen kleuren of helderheden. Ze danken hun voorkomen aan het licht dat ze weerkaatsen, maar licht is van zichzelf niet zichtbaar. Als kleur en helderheid geen kenmerken zijn van het ding zelf en ook niet van het licht dat het ding reflecteert, waarvan dan wel? Waar komen ze vandaan?

Meester: Al sla je me dood.

Leerling: Volgens mij komen de dingen uit de toeschouwer zelf. Uit de waarnemer. Iedere waarnemer kleurt zijn eigen wereld in. Iedere waarnemer geeft zijn eigen universum gestalte.

Meester: Noem dat maar waarnemen.

Leerling: Waargeven dan?

Meester: Dat is in ieder geval weer eens wat anders.

Leerling: Dan ben ik de waargever.

Meester: Neem jezelf in de maling.

Leerling: Pardon?

Meester: De wereld laat zich niet nemen.

Leerling: Geven, zeg ik toch?

Meester: De wereld geeft zich aan niemand.

Leerling: Wel als de waarnemer de waargever is.

Meester: Maar niet als de waargever deel uitmaakt van de wereld.

Leerling: Maakt de waargever deel uit van de wereld?

Meester: Welke waargever?

Leerling: Of maakt de wereld deel uit van de waargever?

Meester: Welke wereld?

Leerling: Wat zou u zeggen?

Meester: Al sla je me dood.

245. Als je subject en object niet weet te scheiden, zijn ze dan één?

Leerling: Als ik niet de waarnemer van de wereld ben maar de waargever of de vormgever, wat is het dan precies dat ik vorm geef? Wat zijn de dingen voordat ze door mij vormgegeven worden? Wat is de wereld an sich?

Meester: Los van de vormgever?

Leerling: Nou?

Meester: Wie zegt dat er een wereld is los van de vormgever?

Leerling: Bedoelt u dat ik niet alleen de vormgever ben maar zelfs de schepper van een wereld die ik ten onrechte alleen maar meen waar te nemen of vorm te geven?

Meester: Opschepper.

Leerling: Afscheper.

Meester: Wie zegt dat er een schepper is los van de wereld?

Leerling: Bedoelt u dat de wereld en zijn schepper samen een geheel vormen?

Meester: En dat het ene noemen zeker.

Leerling: Als je subject en object niet meer weet te scheiden dan moeten ze wel één zijn lijkt mij.

Meester: Kan jij Jansen en Janssens van Kuifje uit elkaar houden?

Leerling: Niet echt.

Meester: Komt dat doordat ze één zijn?

Leerling: Nee.

Meester: Zou het helpen er een detective op af te sturen?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Omdat ze fictief zijn.

Meester: Nou dan.

Leerling: Wou u beweren dat subject en object fictief zijn?

Meester: Tenzij dat ook maar een verhaaltje is.

Leerling: Er moet toch een schepper zijn van al die verhaaltjes.

Meester: Tenzij dat ook maar een verhaaltje is.

Leerling: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Dan weet ik het ook niet meer.

246. Nergens een wereld behalve in jou, nergens een jou behalve in de wereld

Terugschrijdend inzicht

Nergens licht, behalve in jou
Nergens geluid, behalve in jou
Nergens geur, behalve in jou
Nergens smaak, behalve in jou
Nergens vorm, behalve in jou
Nergens warmte, behalve in jou
Nergens kou, behalve in jou
Nergens gevoel, behalve in jou
Nergens zwaarte, behalve in jou
Nergens beweging, behalve in jou
Nergens tijd, behalve in jou
Nergens ruimte, behalve in jou
Nergens dingen, behalve in jou
Nergens oorzaken, behalve in jou
Nergens redenen, behalve in jou
Nergens motieven, behalve in jou
Nergens geloften, behalve in jou
Nergens geboden, behalve in jou
Nergens idealen, behalve in jou
Nergens gedachten, behalve in jou
Nergens woorden, behalve in jou
Nergens ideeën, behalve in jou
Nergens een leer, behalve in jou
Nergens betekenis, behalve in jou
Nergens een ander, behalve in jou
Nergens een zelf, behalve in jou
Nergens een ergens, behalve in jou

Nergens een jou, behalve in de wereld

Voortschrijdend uitzicht

Nergens licht, behalve in de wereld
Nergens geluid, behalve in de wereld
Nergens geur, behalve in de wereld
Nergens smaak, behalve in de wereld
Nergens vorm, behalve in de wereld
Nergens warmte, behalve in de wereld
Nergens kou, behalve in de wereld
Nergens gevoel, behalve in de wereld
Nergens zwaarte, behalve in de wereld
Nergens beweging, behalve in de wereld
Nergens tijd, behalve in de wereld
Nergens ruimte, behalve in de wereld
Nergens dingen, behalve in de wereld
Nergens oorzaken, behalve in de wereld
Nergens redenen, behalve in de wereld
Nergens motieven, behalve in de wereld
Nergens geloften, behalve in de wereld
Nergens geboden, behalve in de wereld
Nergens idealen, behalve in de wereld
Nergens gedachten, behalve in de wereld
Nergens woorden, behalve in de wereld
Nergens ideeën, behalve in de wereld
Nergens een leer, behalve in de wereld
Nergens betekenis, behalve in de wereld
Nergens een ander, behalve in de wereld
Nergens een zelf, behalve in de wereld
Nergens een ergens, behalve in de wereld

Nergens een wereld, behalve in jou

247. Rondo ostinato – de tredmolen van de mind

(Titel geïnspireerd op de Canto Ostinato van Simeon ten Holt. Rondo: muziekvorm waarin het hoofdthema steeds terugkeert. Ostinato (Latijn): koppig, hardnekkig.)

1. De realist

Leerling: De wereld is mijn grondslag.

Meester: Hoezo?

Leerling: Zonder wereld ben ik ondenkbaar.

Meester: Wat weet je zoal van de wereld?

Leerling: Ik ken haar vormen en haar kleuren, haar klanken en haar geuren, haar smaken en haar temperaturen, haar gewicht en haar weerstand, haar charmes en haar kuren, haar ruimte en haar tijd. Ik heb haar bewandeld en bewerkt, gegeten en gedronken, gereinigd en bevuild, bevochten en omhelsd, gezien, gehoord, geroken, geproefd en gevoeld.

Meester: Kun de wereld kennen zonder lichaam? Kun je haar bewandelen zonder benen? Kun je haar omhelzen zonder armen? Kun je haar bewerken zonder handen? Kun je haar eten en drinken zonder mond, reinigen zonder ruggengraat, bevuilen zonder kont? Kun je haar waarnemen zonder zintuigen?

Leerling: Ik zou niet weten hoe.

Meester: Dan is je lichaam fundamenteler dan de wereld.

2. De materialist

Leerling: Mijn lichaam is mijn grondslag.

Meester: Hoezo?

Leerling: Zonder lichaam is de wereld ondenkbaar en zonder wereld ben ik ondenkbaar.

Meester: Wat weet je van je lichaam?

Leerling: Ik ken zijn vormen en zijn strekken. Ik ken zijn lengte en gewicht. Ik ken zijn rimpels en zijn vlekken. Ik ken zijn zenuwen en gevoeligheden. Ik ken zijn warmte en zijn koude. Ik ken zijn pijn en zijn littekens. Ik ken zijn houdingen en zijn bewegingen. Ik ken zijn souplesse en zijn stijfheid. Ik ken zijn bouw en zijn functie. Ik ken zijn energie en zijn vermoeidheid. Ik ken zijn honger en zijn verzadiging. Ik ken zijn lust en zijn onlust.

Meester: Hoe komt het dat je je lichaam zo goed kent?

Leerling: Ik neem het waar met al mijn zintuigen. Ik zie het met mijn ogen. Ik hoor het met mijn oren. Ik proef het met mijn tong. Ik ruik het met mijn neus. Ik betast het met mijn huid. Ik voel het van binnenuit.

Meester: Zou je zonder waarnemingen ook maar iets van je lichaam weten?

Leerling: Ik zou niet weten hoe.

Meester: Dan zijn je waarnemingen fundamenteler dan je lichaam.

3. De empirist

Leerling: Waarnemingen zijn mijn grondslag.

Meester: Hoezo?

Leerling: Zonder waarnemingen is mijn lichaam ondenkbaar, zonder lichaam is de wereld ondenkbaar en zonder wereld ben ik ondenkbaar.

Meester: Hoe weet je dat je waarnemingen doet?

Leerling: Ik neem beelden waar, ik neem geluiden waar, ik neem geuren waar, ik neem smaken waar, ik neem warmte waar, ik neem koude waar, ik neem textuur waar, ik neem druk waar, ik neem pijn waar, ik neem emoties waar en ik neem gedachten waar.

Meester: Wat is het dat al die waarnemingen mogelijk maakt?

Leerling: Mijn bewustzijn, zou ik zeggen.

Meester: Zou je zonder bewustzijn ook maar enige waarneming kunnen doen?

Leerling: Ik zou niet weten hoe.

Meester: Dan is je bewustzijn fundamenteler dan je waarnemingen.

4. De idealist

Leerling: Bewustzijn is mijn grondslag.

Meester: Hoezo?

Leerling: Zonder bewustzijn zijn waarnemingen ondenkbaar, zonder waarnemingen is mijn lichaam ondenkbaar, zonder lichaam is de wereld ondenkbaar en zonder wereld ben ik ondenkbaar.

Meester: Wat is bewustzijn zonder wereld?

Leerling: Daar vraagt u me wat.

Meester: Denk er maar even rustig over na.

Leerling: Ik kan me er niets bij voorstellen.

Meester: Zou je zonder wereld ooit op het spoor van je bewustzijn komen?

Leerling: Ik zou niet weten hoe.

Meester: Dan is de wereld fundamenteler dan je bewustzijn.

248. Waar de vogels wonen

Leerling: Ik verschijn in de wereld, dus de wereld is mijn grondslag. De wereld verschijnt aan mijn lichaam, dus mijn lichaam is mijn grondslag. Mijn lichaam verschijnt in mijn waarnemingen, dus mijn waarnemingen zijn mijn grondslag. Mijn waarnemingen verschijnen in mijn bewustzijn, dus mijn bewustzijn is mijn grondslag. Mijn bewustzijn verschijnt als de wereld, dus de wereld is mijn grondslag.

Meester: Draaien maar

Leerling: Maar wat is nou mijn grondslag?

Meester: Wat moet je met een grondslag?

Leerling: Anders stort het hele gebouw van mijn denken in.

Meester: Dan heb je er ook geen omkijken meer naar.

Leerling: Waar moet ik dan wonen?

Meester: Waar de vogels wonen

Leerling: Misschien kan ik geen grondslag vinden omdat alles één is?

Meester: Monist.

Leerling: Bedoelt u dat alles niet één is maar niet-twee? Dan is non-dualiteit mijn grondslag.

Meester: Non-dualist.

Leerling: Bedoelt u dat alles niet één is, niet niet-twee maar veel? Dan is pluraliteit mijn grondslag.

Meester: Postmodernist.

Leerling: Misschien ontstaat alles wel afhankelijk. Dan is interdependentie mijn grondslag.

Meester: Boeddhist.

Leerling: Misschien laat het goddelijke zich gewoon niet in een hokje stoppen.

Meester: Mysticus.

Leerling: Bedoelt u dat de waarheid voorbij de woorden is?

Meester: En maar concluderen.

Leerling: Bedoelt u dat er niets te concluderen valt?

Meester: Dat zou gewoon de volgende conclusie zijn.

Leerling: Bedoelt u dat alles een illusie is?

Meester: Dan ook de illusie.

Leerling: Dat alles leeg is, bedoel ik?

Meester: Dan ook de leegte.

Leerling: Of wilt u alleen maar aantonen dat er geen grondslagen zijn?

Meester: Ik zou niet weten hoe.

Leerling: Nergens is houvast te vinden.

Meester: Nihilist.

Leerling: Ik geef het op.

Meester: Fatalist.

249. Tussen alles en niets vind je de deur naar niet-weten

Meester Tussen zegt:

Alles.

Alles is.

Alles is vanzelf.

Alles is van zichzelf.

Alles is van zichzelf jou.

Alles is van zichzelf en van jou.

Alles is van zichzelf en van jou en van mij.

Alles is van zichzelf en van jou en van mij en niet van zichzelf.

Alles is van zichzelf en van jou en van mij en niet van zichzelf en niet van jou.

Alles is van zichzelf en van jou en van mij en niet van zichzelf en niet van jou en niet van mij.

Niets is van zichzelf of van jou of van mij of niet van zichzelf of niet van jou of niet van mij.

Niets is van zichzelf of van jou of van mij of niet van zichzelf of niet van jou.

Niets is van zichzelf of van jou of van mij of niet van zichzelf.

Niets is van zichzelf of van jou of van mij.

Niets is van zichzelf of van jou.

Niets is van zichzelf van jou.

Niets is van zichzelf jou.

Niets is van zichzelf.

Niet is zichzelf.

Niet is zelf.

Niets is.

Niets.

250. Vader, waarom kan ik u niet horen?

'Vader, waarom kan ik u zien?'

Vader legt zijn hand op mijn ogen.

'Komt het door mij?'

Vader gaat achter het kamerscherm staan.

'Komt het door de leegte tussen ons?'

Vader doet het licht uit.

'Komt het door de lamp?'

Vader verlaat de kamer.

'Komt het door u?'

'Vader?'

'Vader, waarom kan ik u niet zien?'

Ik leg mijn hand op mijn ogen.

Ik ga achter het kamerscherm staan.

Ik doe het licht aan.

Ik verlaat de kamer.

Daar staat vader.

'Vader, waarom kan ik u zien?

Komt het door Edison?

Komt het door het lichtnet?

Komt het door de krachtcentrales?

Komt het door de materie?

Komt het door mijn hersenen?

Komt het door opa en oma?

Komt het door de voortplanting?

Komt het door de evolutie?

Komt het door de aarde?

Komt het door de zon?

Komt het door God?

Komt het door alles?

Komt het door niets?'

Ik pak zijn hand.

Waarom kan ik hem voelen?

'Vader, waarom kan ik u niet horen?'

251. Wat termieten ruiken?

'Bij lagere diersoorten is geur heel belangrijk, Hans. Wetenschappelijk is vastgesteld dat termieten hun hele sociale orde in stand houden op basis van geurmoleculen.'

'Hoe weet je dat ze die ruiken?'

'Doordat het geurmoleculen zijn.'

'Hoe weet je dat het geurmoleculen zijn?'

'Doordat ze in voldoende hoge concentraties ook door de mens geroken kunnen worden.'

'Zijn termieten mensen?'

'De geurreceptoren bij termieten komen anatomisch en fysiologisch voldoende overeen met het reukorgaan van mensen om te kunnen concluderen...'

'Zijn geuren reukorganen?'

'Reukorganen zijn de structuren waarmee...'

'Zijn geuren fysiologische processen?'

'Nee, maar ze zijn wel gebaseerd op scheikundige...'

'Hoe weet je dan wat termieten waarnemen?'

'Het is aannemelijk dat ze net als de mens...'

'Kan je op voorhand uitsluiten dat ze jouw geurmoleculen niet ruiken maar bijvoorbeeld zien of horen of ervaren als warmte of angst of druk of op een wijze die wij nog nooit hebben ervaren en ons voorstellingsvermogen te boven gaat?'

'Strikt genomen niet, nee.'

'Waarom noem je ze dan geurmoleculen?'

'Misschien had ik ze beter waarnemingsmoleculen kunnen noemen.'

'Hoe weet je dat ze waargenomen worden?'

'Ze zullen toch op een andere manier geregistreerd moeten worden, anders zouden termieten...'

'Ben jij je je bloeddruk gewaar?'

'Dat niet, maar...'

'Toch wordt je bloeddruk voortdurend geregistreerd en aangepast.'

'Dat zal haast wel.'

'Helemaal buiten je bewustzijn om.'

'Inderdaad.'

'Dus vraag ik je nogmaals, hoe weet je dat termieten ruiken?'

'Dat... weet ik niet. Eigenlijk niet.'

'Waarom zeg je dan dat geur heel belangrijk is bij lagere diersoorten?'

252. Hoor je een koekoek of hoor je 'koekoek'?

Ongehoord.

Leerling: Ik hoorde een koekoek.

Meester: Wat hoorde je dan?

Leerling: 'Koekoek'.

Meester: Dus je hoorde 'koekoek'?

Leerling: Dat zeg ik.

Meester: Nee, je zei dat je een koekoek hoorde.

Leerling: En?

Meester: Maar je hoorde alleen 'koekoek'.

Leerling: Waar moet dat geluid anders vandaan komen?

Meester: Een papegaai?

Leerling: Papegaaien krijsen.

Meester: Een papegaai die een koekoek nadoet?

Leerling: Er zitten hier geen papegaaien.

Meester: Hoe weet je dat?

Leerling: Ik heb er nog nooit een gezien.

Meester: Je hebt die koekoek toch ook niet gezien?

Leerling: Dat niet, nee.

Meester: Een kauw dan?

Leerling: Die klinkt heel anders.

Meester: Kauwtjes kunnen heel verdienstelijk imiteren.

Leerling: Dat zegt u.

Meester: Een luidspreker?

Leerling: Als we zo gaan beginnen.

Meester: Je geest?

Leerling: Ik ben niet gek.

Meester: Zei de gek.

Leerling: Hebt u het dan niet gehoord?

Meester: Misschien was ik het wel.

Leerling: Zo klonk het anders niet.

Meester: Nee, dat is waar.

Leerling: Aha!

Meester: Wat?

Leerling: U hebt het ook gehoord.

Meester: Ik kan wel zoveel zeggen.

Leerling: Kom nou.

Meester: Misschien hallucineer je mij ook wel.

Leerling: Ik ben niet gek.

Meester: Waar is dat koekoeksgeluid nu?

Leerling: Weggestorven natuurlijk.

Meester: Als het er niet meer is, hoe weet je dan dat het er was?

Leerling: Omdat ik het me herinner.

Meester: Hoe bedoel je?

Leerling: Ik hoor het nog van binnen.

Meester: Mag ik even meeluisteren?

Leerling: Doe niet zo gek.

Meester: Hoe weet ik anders dat je het van binnen hoort?

Leerling: U zult me op mijn woord moeten geloven.

Meester: Je kan wel zoveel zeggen.

Leerling: Dan zeg ik wel niks meer.

Meester: Hoe weet je dat je herinnering klopt?

Leerling: Ik hoor het nog precies.

Meester: 'Koekoek'.

Leerling: Krijg nou wat.

Meester: Is dit wat je hoorde?

Leerling: Dus toch.

Meester: Wie zegt dat ik het hiervoor ook was?

253. Woorden zijn oneindige werelden

Meester Maya geeft weerwoord.

1

'Veel wijsheid ligt in korte woorden besloten.'

(Uitspraak van Sophocles.)

'Veel dwaasheid ook.'

2

'Veel wijsheid ligt in korte woorden besloten.'

'O, vandaar.'

'Vandaar wat?'

'Dat iedereen er wat anders uit haalt.'

3

'Veel wijsheid ligt in korte woorden besloten.'

'Dat is het probleem niet.'

'Wat is het probleem wel?'

'Hoe je het eruit krijgt.'

254. Woordenboek niet-weten: aforisme, oneliner, flatliner

aforisme

kei in de hand van een dwaas

wijze

iemand die niet meer met aforismen gooit

oneliner

1. aforisme van één zin

2. iemands lievelingsspreuk die hij tot vervelens toe herhaalt, zoals 'alles is liefde', 'er is alleen maar dit', 'only sitting'

Nergens vind je meer oneliners dan in de wijsheidstradities.

3. iemand wiens denken of spreken doorspekt is met steeds dezelfde oneliner(s)

Nergens vind je meer oneliners dan in de wijsheidstradities.

flatliner

Iemand die op wat oneliners na hersendood is

Nergens vind je meer flatliners dan in de wijsheidstradities.

alles is

eerste twee woorden van de meest populaire oneliners in de wijsheidstradities

Alles is één.

Alles is liefde.

Alles is boeddha.

Alles is stof.

Alles is geest.

Alles is energie.

Alles is bewustzijn.

Alles is leeg.

Alles is vergankelijk.

Alles is maya.

Alles is god.

Alles is subjectief.

Alles is niets.

Generaliseren is alles, lijken oneliners te denken, maar ik vind het niets.

255. Woordenboek niet-weten: wijsheid, wijze

wijsheid

weten dat je niet wijs bent

wijze-van-horen-zeggen

iemand die zonder ooit zelf na te denken andermans wijsheden nabauwt

Als zo'n wijze-van-horen-zeggen het woord neemt zoom ik vanzelf uit.

wijze-van-spreken

iemand die alleen nog spreekt bij wijze van spreken: tastend, tentatief, hypothetisch, tussen aanhalingstekens

Zelfs als hij spreekt gebruikt de wijze geen woorden en gebruiken de woorden hem niet.

256. Zoeker naar het einde van het zoeken, 14

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

257. Kwik, Kwek en Kwak

Twee eenden hebben mot.

Zegt het mannetje: Kwik?

Zegt het vrouwtje: Het hele jaar ben je hartstikke aardig, maar het ijs is nog niet gesmolten of je begint me weer kopje onder te duwen.

Zegt het mannetje: Kwek?

Zegt het vrouwtje: Ik wil gewoon weten waar ik aan toe ben.

Zegt het mannetje: Kwak?

Zegt het vrouwtje: Voor de draad ermee, wie ben je nou écht?

Zegt het mannetje: Kwik, kwek, kwak, kwik kwik kwak, kwek kwek kwik, kwak kwek kwik, kwekkerdekwek kwakkerdekwak kwikkerdekwekkerdekwaak!

258. Verliezen om te vinden

Meester Maya zegt:

Wie zijn hoofd wil verliezen, moet zichzelf zoeken.

Wie zichzelf wil vinden, moet zijn hoofd verliezen.

259. Paranoia is zo gek nog niet

Meester Maya zegt:

Achterdocht is de hoogste zelfkennis.

260. Je bent niet je zelfbeeld

Meester Maya zegt:

Wie zichzelf wil leren kennen moet van zichzelf vervreemden.

261. Zijn gedachten de spiegel van de ziel of van de wereld?

Meester Maya zegt:

Wie in zijn gedachten een spiegel van zijn ziel ziet, zal zichzelf haten.

Wie zichzelf haat zal in de wereld een spiegel van zijn gedachten zien.

262. Heeft een mens de hondennatuur?

Meester Maya zegt:

Iemand die zichzelf zoekt, is als een hond die zijn staart najaagt.

Hij zegt ook:

Iemand die zijn staart najaagt, is als een hond die zichzelf zoekt.

263. Ken uzelf, maar niet teveel

Zegt het ene schaap tegen het andere...

'Ken ik jou ergens van?'

'Zou mij verbazen.'

'Hoezo?'

'Ik ken mezelf niet eens.'

'Het ware zelf laat zich niet kennen.'

'Schrale troost.'

'Moddergat!'

'Moet jij zeggen.'

'Ik bedoel, heb jij ooit in Moddergat gegraasd?'

'Niet dat ik weet.'

'Op de dijk, joh.'

'Kan ik me niks van herinneren.'

'Nou, ik ook niet.'

'En?'

'Daar kennen we elkaar van.'

'We hebben geen van beiden in Moddergat gegraasd en daar kennen we elkaar van?'

'Ik zou het anders ook niet weten.'

'Ik ben sowieso nergens geweest.'

'Zie je wel? Ik ook niet.'

'Jij kent mij nog beter dan ik.'

264. Meester Maya lest de dorst

'Waarmee kan ik mijn essentie vergelijken?'

'Met waterpoeder.'

'Waarmee maak je waterpoeder aan?'

'Met water natuurlijk.'

'In welke verhouding?'

'Eén sachet per liter.'

'Hoeveel water krijg je dan?'

'Eén liter, om en nabij.'

'Noem dat maar waterpoeder.'

'Noem het dan maar essentie.'

265. Meester Maya geeft niet op

1

'Wat ben ik in wezen?'

'Wezenloos.'

Jaren later...

'Wezenloosheid is wat ik ben.'

'Toch weer een wezen gevonden?'

2

'Wat ben ik in essentie?'

'Inessentie.'

Jaren later...

'Inessentie is wat ik ben.'

'Toch weer een essentie gevonden?'

3

'Wat is mijn ware gezicht?'

'Geen gezicht.'

Jaren later...

'Geen-gezicht is mijn ware gezicht.'

'Toch weer een masker gevonden?'

266. Wie ben je nou echt?

Meester Maya zegt:

Niet te geloven!

Sommige mensen denken dat ze hun gezin zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun beroep zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun vaderland zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun stamboom zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun godsdienst zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun sportclub zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun prestaties zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun hobby's zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun karakter zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun rollen zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun idealen zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun opleiding zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun ambities zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun wil zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun verwachtingen zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun plannen zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun verleden zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun blunders zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun gebreken zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun ego zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun persoonlijkheid zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun bezittingen zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun armoede zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun verlangens zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun geest zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun ziel zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun hart zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun intuïtie zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun lichaam zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun handen zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun sekse zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun geslachtsdeel zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun genen zijn!

Sommige mensen denken dat ze uniek zijn!

Sommige mensen denken dat ze als iedereen zijn!

Sommige mensen denken dat ze aarde zijn!

Sommige mensen denken dat ze water zijn!

Sommige mensen denken dat ze lucht zijn!

Sommige mensen denken dat ze vuur zijn!

Sommige mensen denken dat ze aarde, water, lucht en vuur zijn!

Sommige mensen denken dat ze Ram zijn!

Sommige mensen denken dat ze Stier zijn!

Sommige mensen denken dat ze Tweelingen zijn!

Sommige mensen denken dat ze Kreeft zijn!

Sommige mensen denken dat ze Leeuw zijn!

Sommige mensen denken dat ze Maagd zijn!

Sommige mensen denken dat ze Weegschaal zijn!

Sommige mensen denken dat ze Schorpioen zijn!

Sommige mensen denken dat ze Boogschutter zijn!

Sommige mensen denken dat ze Steenbok zijn!

Sommige mensen denken dat ze Waterman zijn!

Sommige mensen denken dat ze Vissen zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun gedachten zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun herinneringen zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun gevoelens zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun angsten zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun waarnemingen zijn!

Sommige mensen denken dat ze zijn wat ze doen!

Sommige mensen denken dat ze zijn wat ze hebben nagelaten!

Sommige mensen denken dat ze zijn wat ze van plan zijn!

Sommige mensen denken dat ze wat in zichzelf zien!

Sommige mensen denken dat ze wat anderen in hen zien!

Sommige mensen denken dat ze wat zijn wat anderen niet zien!

Sommige mensen denken dat ze een mens zijn!

Sommige mensen denken dat ze een dier zijn!

Sommige mensen denken dat ze een beest zijn!

Sommige mensen denken dat ze het goede zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun goede daden zijn!

Sommige mensen denken dat ze hun goede bedoelingen zijn!

Sommige mensen denken dat ze het kwade zijn!

Sommige mensen denken dat ze zijn wie ze zijn!

Sommige mensen denken dat ze zijn wie ze willen zijn!

Sommige mensen denken dat ze zijn wie ze zullen zijn!

Sommige mensen denken dat ze zijn wie ze waren!

Sommige mensen denken dat ze zijn wie ze denken dat ze zijn!

Sommige mensen denken dat ze niet zijn wie ze denken dat ze zijn!

Sommige mensen denken dat ze zijn wie anderen denken dat ze zijn!

Sommige mensen denken dat ze de ander zijn!

Sommige mensen denken dat ze het andere zijn!

Sommige mensen denken dat ze anders zijn!

Sommige mensen denken dat ze zijn!

Sommige mensen denken dat ze de doener zijn!

Sommige mensen denken dat ze de getuige zijn!

Sommige mensen denken dat ze liefde zijn!

Sommige mensen denken dat ze de ruimte zijn waarin alles verschijnt en verdwijnt!

Sommige mensen denken dat ze openheid zijn!

Sommige mensen denken dat ze vrijheid zijn!

Sommige mensen denken dat ze vrij zijn!

Sommige mensen denken dat ze gebonden zijn!

Sommige mensen denken dat ze de weg zijn!

Sommige mensen denken dat ze de waarheid zijn!

Sommige mensen denken dat ze het leven zijn!

Sommige mensen denken dat ze alles zijn!

Sommige mensen denken dat ze het ene zijn!

Sommige mensen denken dat ze de werkelijkheid zijn!

Sommige mensen denken dat ze de spiegel van de werkelijkheid zijn!

Sommige mensen denken dat ze leegte zijn!

Sommige mensen denken dat ze het niets zijn!

Sommige mensen denken dat ze niets zijn!

Sommige mensen denken dat ze niet zijn!

Sommige mensen denken dat ze een boeddha zijn!

Sommige mensen denken dat ze het zelf zijn!

Sommige mensen denken dat ze zichzelf zijn!

Sommige mensen denken dat ze zichzelf niet zijn!

Sommige mensen denken dat ze Atman zijn!

Sommige mensen denken dat ze Anatman zijn!

Sommige mensen denken dat ze Brahman zijn!

Sommige mensen denken dat ze Parabrahman zijn!

Sommige mensen denken dat ze God zijn!

Sommige mensen denken dat ze een deel van God zijn!

Sommige mensen denken dat ze goddelijk zijn!

Sommige mensen denken dat ze een schepsel van God zijn!

Sommige mensen denken dat ze de schepper van God zijn!

Sommige mensen denken dat ze een gedachte in God zijn!

Sommige mensen denken dat ze een instrument van God zijn!

Sommige mensen denken dat ze de duivel zijn!

Sommige mensen denken dat ze energie zijn!

Sommige mensen denken dat ze bewustzijn zijn!

Sommige mensen denken dat ze een manifestatie van het bewustzijn zijn!

Sommige mensen denken dat ze een verschijnsel in het bewustzijn zijn!

Sommige mensen denken dat ze onbegrensd zijn!

Sommige mensen denken dat ze begrensd zijn!

Sommige mensen denken dat ze in het hier en nu zijn!

Sommige mensen denken dat ze het hier en nu zijn!

Sommige mensen denken dat ze tijdelijk zijn!

Sommige mensen denken dat ze eeuwig zijn!

Sommige mensen denken dat ze zijn zijn!

Sommige mensen denken dat ze een wonder zijn!

Sommige mensen denken dat ze gewoon zijn!

Sommige mensen denken dat ze een verhaal zijn!

Sommige mensen denken dat ze de verhalenverteller zijn!

Sommige mensen denken dat ze niet-weten zijn!

Niet te geloven hoeveel zelfbeelden de beeldmens in de loop der eeuwen al over zichzelf afgeroepen!

Maar wel begrijpelijk.

Want met jezelf weet je het maar nooit; met je zelfbeeld weet je het nooit niet.

Wat de speen is voor de mond, is het zelfbeeld voor de mind.

267. Kijk eens wat vaker onder je rokken

Meester Maya vraagt:

Wat is het ware gezicht van een ui?

Ui met gezicht.
^ Wat is het ware gezicht van een ui?

268. Met wie spreek ik?

We moeten het nodig eens over jouw stem hebben.

De stem die in jou spreekt en die zich regelmatig via jouw neus en lippen een weg naar buiten baant.

De stem die de ene keer zulke vreselijke dingen beweert en de andere keer zulke sympathieke, de ene keer zulke diepzinnige en de andere keer zulke banale.

Die stem: is dat echt jouw stem?

Ben jij daar inderdaad de eigenaar van, zoals hij zelf zegt?

Ben jij werkelijk de spreker in jou of wordt er in en door jou heen gesproken of beide of geen van beide?

Als de stem in jou helemaal van jou is, waarom kun je hem dan niet het zwijgen opleggen?

Hoe komt het dat hij steeds dingen zegt waar je zelf nooit opgekomen zou zijn?

Als het niet jouw stem is, hoe kan het dat hij steeds klinkt als de jouwe?

Hoe kan het dat jij meestal de enige bent die hem hoort?

Hoe kan het dat je er toch een zekere mate van zeggenschap over schijnt te hebben?

Zeg mij, als het niet jouw stem is die in jou spreekt, van wie is hij dan wel?

Van niemand?

Van een ander?

Van de mensheid?

Van het universum?

Van het bewustzijn?

Van het ware zelf?

Van God?

Horen wij onbedoeld het vertoog in zichzelf mompelen of is het maar het brein dat wauwelt in den blinde – de cortex om precies te zijn, het gebied van Broca om nog preciezer te zijn?

Of is het niet Broca maar Brahman die zijn stem in jou verheft, of Atman, of Anatman of zijn alter ego Gatman?

Zeg het me, en zeg me wie het me zegt, en zeg me hoe ik weet of ik hem kan vertrouwen als hij over zichzelf spreekt, als hij zegt dat jij het bent of dat jij het niet bent of dat ik het ben of dat we helemaal niet kunnen weten wie het is die dit alles zegt of wat hij ook zegt.

Jouw stem, de stem die jijzelf of zichzelf steeds de jouwe noemt – is die steeds dezelfde?

Met welke stem sprak je voor je leerde spreken?

Met welke stem sprak je voor je de baard in je keel kreeg?

Met welke stem spreek je als je dronken bent?

Met welke stem spreek je in je dromen?

Met welke stem spreek je als je droomt dat je iemand anders bent?

Wiens stem is het die in jouw droom spreekt als iemand anders?

Wiens stem is het die ijlt als je hoge koorts hebt?

Wiens stem is het die in jouw herinneringen en toekomstdromen figureert als niet-jij?

Wiens stem is het die raaskalt na een hersenbeschadiging door een auto-ongeluk?

Wiens stem is het die al na een paar maanden Alzheimer niets meer van euthanasie wil weten?

Wiens stem is het die je kromgebogen van de pijn hoort kreunen voordat je hem als die van jezelf herkent?

Als het steeds dezelfde stem is die tegen je spreekt, waarom spreekt hij jou of zichzelf dan steeds tegen?

Als het steeds andere stemmen zijn, waarom klinken ze dan allemaal hetzelfde?

Klinken ze wel allemaal hetzelfde?

Als je steeds maar één stem tegelijk hoort, hoe weet je dan of alle stemmen in jou hetzelfde of anders klinken?

Wiens stem hoor je terwijl je deze woorden leest: die van mij, die van de schrijver die jij je op dit moment inbeeldt of die van jezelf, je wel of niet ingebeelde ik – of spreken wij samen met dezelfde stem, of zijn wij allen toehoorders?

Als je deze vragen niet alleen leest, zoals ik zelf denk ik zou doen, maar daadwerkelijk probeert te beantwoorden, zoals de bedoeling is (wie zegt dat en waarom?), van wie is dan de stem die antwoord probeert te geven op deze vragen?

Had hij ook géén antwoord kunnen geven?

Zo niet, waarom noem je hem dan toch de jouwe?

Of, als hij geen antwoord geeft, had hij dat ook wel kunnen doen?

Zo niet, waarom noem je hem dan toch de jouwe?

Als je denkt dat er verschillende stemmen in jou spreken, welke dan?

Zijn het evenzovele verstekelingen in je bovenkamer die allemaal wat anders willen: de krent, de vragensteller, de aanhouder, de bruinwerker, de hulpvaardige, de gevoelige, de aarzelaar, de bemiddelaar en de twijfelaar?

Spreekt daar nu eens het kind in jou dat zijn zin wil doordrijven, dan weer de ouder in jou die hem dat verwijt, dan weer de volwassene in jou die de verantwoordelijkheid neemt, zoals de transactionele analyse het wil?

Liever een ander drietal?

Id, ego en superego?

Small mind, big mind en supermind?

Kwik, Kwek en Kwak?

Liever een tweetal?

Boeddha en Mara?

Hoofd en hart?

Geest en ziel?

Atman en anatman?

Papa en mama?

Durfniet en Durfal?

Weetniet en Weetal?

Dr. Jekyll en mr. Hyde?

Good cop and bad cop?

Is het de duivel zelf die jou verleidt en je eigen geweten dat zich verweert?

Heeft iedereen soms een meervoudig persoonlijkheidssyndroom, met een eigen stem voor elk van zijn of hun talloze persoonlijkheden?

Of heeft iedere gedachte soms zijn eigen stem?

Dat zou toch kunnen: iedere overweging een unieke, eenmalige wegwerpstem, telkens schijnbaar eigen en vertrouwd, en jijzelf niets of niemand meer of minder dan die ene zelfbedwelmende eigengedachte op dat ene onvergankelijke moment.

Welke antwoord je ook geeft, mijn wedervraag luidt steeds:

'Met wie spreek ik?'

269. Zoeker naar het einde van het zoeken, 15

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

270. Wat zegt een naam? Woordenkraam

De een noemt je hartelijk, de ander klef.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je neutraal, de ander onverschillig.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je emotioneel, de ander hysterisch.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je zachtaardig, de ander week.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je wilskrachtig, de ander dominant.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je dapper, de ander onbesuisd.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je voorzichtig, de ander laf.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je stoer, de ander hanig.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je zelfstandig, de ander eigenwijs.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je ambitieus, de ander streberig.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je gedreven, de ander manisch.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je alert, de ander hyper.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je actief, de ander druk.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je relaxed, de ander sloom.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je meegaand, de ander slap.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je ernstig, de ander humorloos.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je luchtig, de ander oppervlakkig.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je degelijk, de ander saai.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je beschaafd, de ander geremd.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je eerlijk, de ander bot.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je vrijmoedig, de ander brutaal.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je verlegen, de ander onzeker.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je laconiek, de ander stug.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je trots, de ander arrogant.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je kritisch, de ander negatief.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je oplettend, de ander achterdochtig.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je speels, de ander kinderachtig.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je spontaan, de ander impulsief.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je diepzinnig, de ander cerebraal.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je eenvoudig, de ander simpel.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je onschuldig, de ander naïef.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je tactisch, de ander berekenend.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je slim, de ander gewiekst.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je uitdagend, de ander hoerig.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je ondeugend, de ander stout.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je kuis, de ander preuts.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je omzichtig, de ander bedachtzaam.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je uitbundig, de ander luidruchtig.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je zuinig, de ander krenterig.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je realistisch, de ander pessimistisch.

Wat ben je nou echt?

De een noemt je gezellig, de ander kneuterig.

Wat ben je nou echt?

271. Denken is geen doen

1

Noem je iets gemeen dan is het nog niet gemeen.

Noemen is geen zijn.

Denk je iets gemeens dan ben je nog niet gemeen.

Denken is geen zijn.

Denk je iets gemeens dan doe je nog niets gemeens.

Denken is geen doen.

Doe je iets gemeens dan ben je nog niet gemeen.

Doen is geen zijn.

2

Noem je iets aardig dan is het nog niet aardig.

Noemen is geen zijn.

Denk je iets aardigs dan ben je nog niet aardig.

Denken is geen zijn.

Denk je iets aardigs dan doe je nog niets aardigs.

Denken is geen doen.

Doe je iets aardigs dan ben je nog niet aardig.

Doen is geen zijn.

3

Noem je iets slecht dan is het nog niet slecht.

Noemen is geen zijn.

Denk je iets slechts dan ben je nog niet slecht.

Denken is geen zijn.

Denk je iets slechts dan doe je nog niets slechts.

Denken is geen doen.

Doe je iets slechts dan ben je nog niet slecht.

Doen is geen zijn.

4

Noem je iets goed dan is het nog niet goed.

Noemen is geen zijn.

Denk je iets goeds dan ben je nog niet goed.

Denken is geen zijn.

Denk je iets goeds dan doe je nog niets goeds.

Denken is geen doen.

Doe je iets goeds dan ben je nog niet goed.

Doen is geen zijn.

5

Noem je iets smerig dan is het nog niet smerig.

Noemen is geen zijn.

Denk je iets smerigs dan ben je nog niet smerig.

Denken is geen zijn.

Denk je iets smerigs dan doe je nog niets smerigs.

Denken is geen doen.

Doe je iets smerigs dan ben je nog niet smerig.

Doen is geen zijn.

6

Noem je iets netjes dan is het nog niet netjes.

Noemen is geen zijn.

Denk je iets netjes dan ben je nog niet netjes.

Denken is geen zijn.

Denk je iets netjes dan doe je nog niets netjes.

Denken is geen doen.

Doe je iets netjes dan ben je nog niet netjes.

Doen is geen zijn.

7

Noem je iets laf dan is het nog niet laf.

Noemen is geen zijn.

Denk je iets lafs dan ben je nog niet laf.

Denken is geen zijn.

Denk je iets lafs dan doe je nog niets lafs.

Denken is geen doen.

Doe je iets lafs dan ben je nog niet laf.

Doen is geen zijn.

8

Noem je iets dapper dan is het nog niet dapper.

Noemen is geen zijn.

Denk je iets dappers dan ben je nog niet dapper.

Denken is geen zijn.

Denk je iets dappers dan doe je nog niets dappers.

Denken is geen doen.

Doe je iets dappers dan ben je nog niet dapper.

Doen is geen zijn.

272. Wat is je ware schaduw?

Wie ben je nou echt?

Dunne naakte man die verbijsterd naar zijn twee slagschaduwen kijkt.
^ Wat is mijn ware schaduw?

273. Meester IdemDito ziet ze vliegen

Een bril is een bril.

Als je hem vraagt wat spiritualiteit is, zegt Meester IdemDito:

Spiritualiteit is een zwarte bril vervangen door een roze.

Als je hem vraagt wat New Age is, zegt hij:

New Age is een zwarte bril vervangen door een roze.

Als je hem vraagt wat The Work is, zegt hij:

The Work is: een zwarte bril vervangen door een roze.

Als je hem vraagt wat eeuwige wijsheid is, zegt hij:

Eeuwige wijsheid is een zwarte bril vervangen door een roze.

Als je hem vraagt wat zen is, zegt hij:

Zen is een zwarte bril vervangen door een roze.

Als je hem vraagt wat verlichting is, zegt hij:

Verlichting is: een zwarte bril vervangen door een roze.

Als je hem vraagt wat taoïsme is, zegt hij:

Taoïsme is een zwarte bril vervangen door een roze.

Als je hem vraagt wat soefisme is, zegt hij:

Soefisme is een zwarte bril vervangen door een roze.

Als je hem vraagt wat non-dualisme is, zegt hij:

Non-dualisme is een zwarte bril vervangen door een roze.

Als je hem vraagt wat positivisme is, zegt hij:

Positivisme is een zwarte bril vervangen door een roze.

Als je hem vraagt wat optimisme is, zegt hij:

Optimisme is een zwarte bril vervangen door een roze.

Als je hem vraagt wat idealisme is, zegt hij:

Idealisme is een zwarte bril vervangen door een roze.

Wat je hem ook vraagt, Meester IdemDito geeft altijd hetzelfde antwoord.

Behalve als je hem vraagt wat niet-weten is.

Dan zegt hij alleen maar:

Niet-weten is je bril afzetten.

Daarna krijg je geen stom woord meer uit hem.

Donderbui met roze bril met hartvormige glazen.
^ Spiritualiteit is een zwarte bril vervangen door een roze.

274. Zoeker naar het einde van het zoeken, 16

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

275. Een nieuw lichaam

Schaam je niet als je nog nooit van Meester IdemDito hebt gehoord, hij heeft pas net zijn opwachting gemaakt in dit Witboek voor Zoekers, die bevolkt wordt door dolende blinden van allerlei slag.

Natuurlijk wist een van die rondtastende blinden Meester IdemDito meteen te vinden, ondanks diens vermomming van donderbui met roze bril, en heeft hem ter plekke zijn fok afgepakt in de hoop daarmee eindelijk de Enige Echte Universele Waarheid (EEUW) of de Enige Echte Universele Wijsheid (EEUW) te kunnen vinden, twee EEUWEN voor de prijs van één, het lijkt de bron van de eeuwige jeugd wel.

Blinde met een roze bril op met hartvormige glazen
^ Ik zie ik zie wat jij niet ziet...

De zot heeft niet eens door dat ik dit allemaal uit mijn duim zit te zuigen. In werkelijkheid was het mijn zeergewaardeerde illustratrice Lucienne die hem een nieuw brilletje heeft aangemeten.

Waar hij die bril ook vandaan heeft, hij is er reuzeblij mee, al heeft hij er eigenlijk niets aan, de ijdeltuit, en is hij nog steeds stekeblind.

Wat ik ook zo raar vind: hij geloofde zonder meer dat zijn brilletje roze was terwijl hij dat helemaal niet kan zien. Om hem te plagen zei Lucienne daarom dat ze hem in werkelijkheid een blauw brilletje had gegeven, en toen hij eindelijk over zijn teleurstelling heen was, dat het toch een roze brilletje was.

Daarna ging hij alle blinden die hij tegenkwam in het Witboek voor Zoekers vragen wat de kleur van zijn brilletje was. Natuurlijk zei iedereen maar wat en natuurlijk zei niemand dat erbij en natuurlijk raakte de ziel steeds meer in de war tot de waarheid hem trof als een donderslag bij heldere hemel:

Hij had een inktvissenbril! Die feilloos meekleurt met de omgeving! De kleur is nu en dit is de kleur!

Een inktvissenbril? Daar had ik ook wel poten naar, dus ik heb Lucienne meteen gevraagd of ze er voor mij een kon maken.

'Een wat?' vroeg ze, en toen verraste ik mezelf. 'Een nieuw lichaam', antwoordde ik. 'Jong en strak en sterk en zo roze als De Bril van Meester IdemDito.'

Kon ze niet.

'Oké,' zei ik, 'doe dan maar gewoon een roze bril.'

276. Het postmodernisme als simulacrum – de Fatale Strategieën van Jean Baudrillard

Over gedachtegoed waarin geen gedachte goed of fout is.

Beste Hans,

Goeie greep uit Baudrillards Fatale Strategieën op je website. Ik herken de teksten meteen, want het zijn ook de teksten die het meest indruk op mij gemaakt hebben. NietWeten.nl lijkt leuk maar ook jij valt volgens mij steeds terug in het oncomfortabele en verwoede zin- en waarheidsvinden.

Beste Sjon,

Getuigen de fatale strategieën van Baudrillard soms niet van een oncomfortabel en verwoed zin- en waarheidsvinden zijnerzijds? Getuigt jouw lectuur van en instemming met Baudrillards getuigenis soms niet van een oncomfortabel en verwoed zin- en waarheidsvinden jouwerzijds? En jouw lectuur van NietWeten.nl?

Sjon: Nee nee, ik ben niet zo bezig met zin- en waarheidszoeken. Ik hou me meer bezig met... um... 'ont-kennen' en zal daarom wel vaker op jouw website stuiten.

Hans: Geeft ont-kennen zin aan je leven?

Sjon: Om het met Nietzsche te zeggen (weer van jouw site): De 'ware wereld', hoe men die tot dusver ook heeft geconcipieerd – het was steeds de schijnbare wereld nog een keer.

Hans: En is Nietzsches aforisme dan wél een beschrijving van de ware wereld of is het de schijnbare wereld nog een keer?

Maanden later.

Sjon: Om nog even terug te komen op 'De Ware Wereld'... Plato was wrong! We moeten verder in de grot der simulacra! Baudrillard: 'Alleen het simulacrum is waar.' Toch?

Hans: Is dat waar of is dat het simulacrum nog een keer?

Maanden later.

Sjon: De iconoplasten vermoedden een ware wereld achter de beelden en de iconoclasten vermoedden dat de beelden niets verborgen... maar het simulacrum is noch waar noch onwaar... verificatie overbodig...

Hans: Een pak van mijn hart. Welk simulacrum eigenlijk?

Maanden later.

Sjon: Nietzsche beschrijft 'hoe de ware wereld een fabel werd'.

Hans: De ware wereld is een fabel – is dat waar of is het de volgende fabel?

Sjon: Nietzsche heeft het over het 'einde van de ware wereld'.

Hans: Per definitie loopt met het einde van de ware wereld ook het einde van de ware wereld ten einde. Wat nu?

Nu we het toch over het einde hebben, komt er ooit een einde aan jouw mailtjes? Hoelang denk je nog door te gaan met het ontkennen van het premoderne gedachtegoed door het citeren van nihilistisch en postmodern gedachtegoed?

Sjon: Ik dacht dat jij dat interessant zou vinden.

Hans: Niet-weten is geen gedachtegoed. In niet-weten is geen gedachte goed of fout. Mocht je ooit net als ik moe worden van al die interessante gedachten, dan weet je wat je laten moet.

277. Verder terug

Meester Maya zegt:

Ik zocht om het zoeken en vond het niet vinden.

Ik zocht om te vinden maar vond het niet zoeken.

278. De paradox van zoeken en vinden

Meester Maya zegt:

Zoeken is niet willen vinden.

Vinden is te vroeg stoppen met zoeken.

279. Wat is vinden?

Meester Maya zegt:

Zoek het niet buiten jezelf.

Zoek het niet in jezelf.

Zoek het niet in niet-zoeken.

Dat is vinden.

280. Wat is vrede?

Meester Maya zegt:

Wie niet zoekt zoekt niet tevergeefs.

Wie niet weet weet niet beter.

Wie niet doet doet er niet toe.

Dat is vrede.

281. Wie op zijn pootjes terecht wil komen moet zijn transcendentie overstijgen

Jesse: Wat is transcendentie volgens jou?

Hans: Een val.

Jesse: Een val?

Hans: Wist je dat niet?

Jesse: Wat voor val?

Hans: Een toeval, een overval, een muizenval, een troonval, een knieval, een vrije val, carnaval – een val.

Jesse: Voor mij betekent transcenderen overstijgen.

Hans: Of je nou omlaag valt of omhoog, het is en blijft een val.

Jesse: Wat wordt er volgens jou overstegen bij het transcenderen?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Jesse: Het weten, als je het jou vraagt.

Hans: Noem dat maar een vraag.

Jesse: Moet het weten werkelijk overstegen worden?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Jesse: Jij bent toch van niet-weten?

Hans: Alleen maar om te overstijgen hoor.

Jesse: Als je het aan de orthodoxe kerk vraagt, is God transcendent en kunnen gewone schepselen niet naar hem opstijgen.

Hans: Daar is leviteren voorbehouden aan de hoogste heren.

Jesse: Volgens Hadewijch wordt de transcendente God overstegen in de mystieke vereniging met de immanente God.

Hans: Die genadiglijk in ons afdaalt.

Jesse: Volgens Meister Eckhart wordt het goddelijke wezen overstegen in de realisatie van de wezenloze godheid, de afgrond van het niets.

Hans: Dieper kun je niet vallen.

Jesse: Volgens Maurice Knegtel wordt het ik overstegen in de realisatie van het zelf: een heldere, alomvattende, in zichzelf rustende aanwezigheid.

Hans: Klinkt als een absence.

Jesse: Volgens Bernadette Roberts wordt het zelf overstegen in de realisatie van niet-zelf.

Hans: Daar heb je het al.

Jesse: Volgens Hans Knibbe wordt de zintuiglijke ervaring overstegen in een verlichtingservaring van zuivere leegte.

Hans: Gelukkig is hij vol van zichzelf.

Jesse: Volgens Nico Tydeman en Douwe Tiemersma wordt de duale ervaring overstegen in de non-duale ervaring.

Hans: Zei ik het niet?

Jesse: Wat?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Jesse: Als je het mij vraagt is dualiteit een illusie in non-dualiteit.

Hans: Of is dat ook maar een illusie?

Jesse: Wat zou jij zeggen?

Hans: Misschien is transcendentie wel het overstijgen van je ideeën.

Jesse: Welke ideeën?

Hans: Hoe hoger hoe beter.

Jesse: Alle ballast overboord.

Hans: Ook je ideeën over transcendentie.

Jesse: Transcendentie is het overstijgen van al je ideeën, ook die over transcendentie?

Hans: Of is dat ook maar een idee?

Jesse: Allemachtig.

Hans: Misschien is transcendentie wel een val uit de zondeval.

Jesse: Weer die val.

Hans: Verlos ons van onze ideeën over zonden, amen.

Jesse: Weer die ideeën.

Hans: Of misschien hoef je ze niet te ontstijgen maar moet je ze gewoon laten vallen.

Jesse: Beweging is relatief, wou je zeggen.

Hans: Of ontvallen ze je vanzelf.

Jesse: Door goddelijke genade.

Hans: Of slaan ze gillend voor je op de vlucht.

Jesse: Als het maar een hoge vlucht is.

Hans: Op zoek naar een andere sukkel.

Jesse: Transcendentie is per definitie het overstijgen van het lagere.

Hans: Tenzij transcendentie deel uitmaakt van het lagere.

Jesse: Wat dan?

Hans: Dan moet je de transcendentie zelf zien te overstijgen.

Jesse: En dan?

Hans: De transcendentie van de transcendentie.

Jesse: En zo voort?

Hans: Woord voor woord.

Jesse: Waar kom je dan terecht?

Hans: Uiteindelijk?

Jesse: Bij het Uiteindelijke?

Hans: Op je pootjes.

Jesse: Is dat alles?

Hans: Of op je gat.

Jesse: Wat is daar nog spiritueel aan?

Hans: Je gat natuurlijk.

Jesse: En dat wou jij transcendentie noemen?

Hans: En dat wou jij transcendentie noemen.

Jesse: Hoe zou jij het noemen?

Hans: Een val.

282. Verlos ons van de paden

Klein gebed voor kleine mensen die klein willen blijven.

God, geef dat ik mens blijf

Maagd, geef dat ik geil blijf

Geest, geef dat ik vlees blijf

Moeder, geef dat ik kind blijf

Heilige, geef dat ik aards blijf

Almachtige, geef dat ik zwak blijf

Omvattende, geef dat ik leeg blijf

Meester, geef dat ik onwetend blijf

Bewustzijn, geef dat ik argeloos blijf

Absolute, geef dat ik afhankelijk blijf

Volmaakte, geef dat ik gebrekkig blijf

Ongenaakbare, geef dat ik gevoelig blijf

Drievuldigheid, geef dat ik eenvoudig blijf

Rechtschapene, geef dat ik ondeugend blijf

Onveranderlijke, geef dat ik beweeglijk blijf

Alomtegenwoordige, geef dat ik hier blijf

Uitnemende, geef dat ik gewoon blijf

Uitgedoofde, geef dat ik bezield blijf

Universele, geef dat ik beperkt blijf

Verlichte, geef dat ik schaduw blijf

Gelukzalige, geef dat ik labiel blijf

Eeuwige, geef dat ik tijdelijk blijf

Gids, geef dat ik zwerver blijf

Wijze, geef dat ik dwaas blijf

Bron, geef dat ik stroom blijf

Woord, geef dat ik stom blijf

God, geef dat ik mens blijf en

Verlos ons van de paden

Amen

283. Menschliches, Allzumenschliches

'Wat betekent het om mens te zijn, Hans?'

'Dat je niet weet wat het betekent om mens te zijn.'

'Wat betekent het om niet te weten wat het betekent om mens te zijn?'

'Dat je niet weet wat je van jezelf en van anderen kan verwachten.'

'Wat betekent het om niet te weten wat je van jezelf en van anderen kan verwachten?'

'Dat wil je niet weten.'

284. Met mensen weet je het maar nooit

'Hoe zou jij je medemens kenschetsen, Hans?'

'Wil je de lange versie of de korte?'

'Doe de lange maar.'

'Je weet maar nooit.'

'Als dit de lange is, wat is dan de korte?'

'Tja.'

'Hoe zou jij jezelf kenschetsen?'

'De lange versie zeker?'

'Graag.'

'Tja.'

'O.'

'Nee, dat is de korte.'

'O?'

'Ja.'

'Korter kan haast niet.'

'...'

'Op die manier.'

'Kon het toch korter.'

285. Is de mens dan helemaal onvoorspelbaar?

'Is de mens dan helemaal onvoorspelbaar, Hans?'

'Natuurlijk niet.'

'Waarom niet?'

'Dan zou hij toch weer voorspelbaar zijn.'

'Hè? Waarin dan?'

'In zijn onvoorspelbaarheid natuurlijk.'

'Bedoel je dat de mens toch berekenbaar is?'

'Rekenen is rekenen...'

'Maar?'

'Ik reken nergens meer op.'

'Nee.'

'Ook hierop niet.'

'Hè? Waarop niet?'

'Dat ik nergens op reken.'

'Waarom dan niet?'

'Anders zou ik toch weer ergens op rekenen.'

'Is de mens dan helemaal onvoorspelbaar, Hans?'

286. De lange weg naar de berm

Eerst leren hoe het moet.

Dan leren hoe het hoort.

Dan leren dat je het niet fout kunt doen.

Dan leren dan dat je het niet goed kunt doen.

Dat ook nog afleren.

Dat geen naam geven.

Dat geen weg noemen.

287. Rijmduel of schimmenspel?

Guido Gazelle: Wijsheid vindt men in de boeken, wijs zijn zal men vérder zoeken.

Meester Maya: Dwazen doen het uit de doeken, wijzen houden op met zoeken.

288. De wereld verzaken is de goden verzoeken

In broeken zitten zakken maar een jurk maakt nog geen zomer. Verleidingen op het spirituele pad.

Want zo gaat het toch: ineens ben je er, zomaar uit het niets, geen idee waarvandaan, die vraag stel je je niet eens, dat moet allemaal nog komen. Je bent er en je doet maar wat en je probeert eens wat en om de klipklap zakt je mond open van verbazing.

Van meet af aan proberen mensen je uit te leggen hoe het allemaal zit, maar je volgt het niet, het gaat je boven de pet, of misschien maken ze je maar wat wijs om daar hun voordeel mee te doen. God weet wat voor spelletjes de mensen spelen, en jij met hen, en God met ons allen – nou, daar kom je nog wel achter.

Je gaat verplicht naar school, luistert verplicht naar je leraren, de ene na de andere, zegt oprecht 'Hè?' en 'Uh' en 'Tja', maar het word je niet in dank afgenomen. Ze lachen je uit en ze maken je uit voor stomkop en dwarskont. Je geeft ze nog gelijk ook en houdt dociel je mond.

Je zoekt een uitweg, gaat maar iets studeren, laten we zeggen wijsbegeerte, en op een dag krijg je een idee. Je probeert: 'Ik weet wat ik niet weet.' Je citeert Socrates, 'ik weet wat ik niet weet', en noemt jezelf een scepticus.

Maar Socrates blijkt een personage in de dialogen van Plato en Plato blijkt een personage in de werken van zijn dode vertalers en van andere dode filosofen die op hun beurt personages blijken in het postmoderne discours dat zelf niet meer blijkt dan een babbelende beek in een duister woud. Je kan ernaar luisteren tot je een ons weegt zonder een steek wijzer te worden.

Je zoekt een uitweg, gaat iets anders studeren, laten we zeggen theologie, en op een dag probeer je: 'Gods wegen zijn wonderbaarlijk.' Ouwe koe, geen sjoege. 'Het leven is een Mysterie.' Iemand kijkt op. Je zegt: 'Er is ten diepste geen onderscheid.' Iemand vraagt wat je bedoelt. Zeg dat wel, denk je bij jezelf, en duikt de boeken weer in. Je blijft lezen, algauw staan de woorden je aan de lippen.

Je zoekt een uitweg, ditmaal in het spirituele wereldje. Satsang hier, sangha daar, zitten als een zoutpilaar, lopen als een ooievaar, nog weer een retraite maar. Na een paar jaar spreek je zonder haperen van anatta en interdependentie, van non-dualiteit en universeel bewustzijn, van vipassana en shikantaza, van advaita en vedanta, van dharmakaya en nirmanakaya. Je haalt in drie talen de Vimalakirti Soetra en de Upanishaden aan en klinkt voorwaar als een klok – al loopt hij al eeuwen achter.

Gevestigd in de stilte die je bent, redeneer je er nu straffeloos op los. Als er geen onderscheid is, dan is alles één. Als alles één is, dan ben ik alles. Alles is god, ik ben alles, dus ik ben God. En om je bereik te vergroten: Alles is Boeddha, ik ben Boeddha, ik ben alles. Ik ben alles, alles is de Tao, ik ben de Tao.

Je hebt inmiddels twaalf meesters en dertien namen en mag jezelf met recht van overpad gerealiseerd noemen, ontwaakt, verlicht, geboorteloos, doodloos, tijdloos en, terwijl de jaren vorderen, steeds vormlozer. Je pens heet nu hara en je onware ik belichaamt nu het Ware Zelf, de Grote Geest, de Bron, het Ene, het wat-dan-ook, als het maar met hoofdletters is. Je prevelt: 'Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Eeuwig duurt ons Heden, al lijkt het soms maar even.'

En ziet! De mensen drommen om je heen. Ze buigen voor je met gevouwen handen, slaan hun ogen neer, raken je gewaden aan, bewaren je haren, volgen zonder onderscheid je wijze raad en je dwaze grillen, trekken zonder morren een slabbetje aan of hun broek uit of hun zondagse portemonnee voor de tolweg naar de eeuwige vrede, slikken je holle woorden als volle mede en worden dag na dag stom dronken van hun diepste projecties.

En je denkt Zelf-ingenomen
Ja, ik ben van ver gekomen!
Sufferdje werd hoge ome!
Hoogste onder bodhibomen!
En je bast met boventonen
Wereldordenende ohmen –

Hersens in de Hansaplast terwijl het volk je wisjes wast.

sokkel met monniken die er bijna van afvallen
^ Sukkels op een sokkel

289. Een goede meester maakt het begrijpelijke onbegrijpelijk

Leerling: Een goede meester maakt het onbegrijpelijke begrijpelijk.

Meester: Op school misschien.

Leerling: Wat zou u zeggen?

Meester: Een goede meester maakt het begrijpelijke onbegrijpelijk.

Leerling: En dan?

Meester: En dan nog een keer.

Leerling: En dan?

Meester: Opnieuw.

Leerling: En dan?

Meester: Weer.

Leerling: Komt daar ooit een eind aan?

Meester: Tot nog toe niet.

Leerling: Waarom zucht u zo?

Meester: Daarom zucht ik zo.

Leerling: Wat als ik eindelijk zover ben?

Meester: Ja, wat dan.

Leerling: Verblijf ik dan in niet-weten?

Meester: Dan beweeg je vrijelijk tussen begrip en onbegrip.

Leerling: Het is niet zo dat ik dan eindelijk mijn plaats weet?

Meester: Juist niet.

Leerling: Maar u maakt het begrijpelijke toch onbegrijpelijk?

Meester: Je hebt er weer niets van begrepen.

Leerling: Een goede meester maakt het onbegrijpelijke begrijpelijk.

290. Er woont een leerling en een meester in ieder van ons

Leerling: Ik zal blij zijn als ik geen leerling meer ben.

Meester: Er woont een leerling in ieder van ons.

Leerling: Ook in u?

Meester: Ook in mij.

Leerling: Maar u bent hier toch de meester?

Meester: Er woont een meester in ieder van ons.

Leerling: Ook in mij?

Meester: Ook in jou.

Leerling: Wat is dan het verschil tussen ons?

Meester: Bij jou voert de leerling het hoogste woord.

Leerling: En bij u?

Meester: Bij mij praten ze om de beurt.

291. Hoe je meester noch leerling wordt

Leerling: Wanneer ben je leerling?

Meester: Als je eventjes iets weet.

Leerling: Wanneer ben je meester?

Meester: Als je eventjes niets weet.

Leerling: En als je eventjes iets noch niets weet?

Meester: Dan ben je eventjes meester noch leerling.

Leerling: Eindelijk snap ik het.

Meester: Dan ben je weer eventjes leerling.

292. Een goede meester wil niets van jou, maar wel van harte

1

Leerling: Wat wilt u eigenlijk van mij?

Meester: Niets...

Leerling: Maar?

Meester: Wel van harte.

Leerling: U hebt mij onvoorwaardelijk lief.

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: U staat helemaal voor mij open.

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: U bent mij keuzeloos gewaar.

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: Ik laat u helemaal koud.

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: U wil dat ik mezelf kan zijn.

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: U wil dat ik mezelf bén.

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: U wil dat ik bén.

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: Wat wilt u dan van mij?

Meester: Niets...

Leerling: Maar?

Meester: Wel van harte.

2

Leerling: Wat wilt u eigenlijk van mij?

Meester: Niets...

Leerling: Maar?

Meester: Wel van harte.

Leerling: Moet ik ook niets van anderen willen?

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: Moet ik niets van u willen?

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: Moet ik niets van mezelf willen?

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: Moet ik niets willen?

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: Moet ik dan helemaal niets?

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: Zolang het maar van harte gaat.

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: Wat wilt u dan van mij?

Meester: Niets...

Leerling: Maar?

Meester: Wel van harte.

293. Gelijke monniken, ongelijke kappen

Leerling: Zal ik u vousvoyeren of wenst u als gelijke behandeld te worden?

Meester: Ik heb geen behandeling meer nodig.

294. Meesterschap is een spelletje menens

Leerling: Eindelijk heb ik uw spelletje door.

Meester: O?

Leerling: U wacht net zolang tot ik iets beweer en dan slaat u toe.

Meester: Dat is maar ten dele waar.

Leerling: Wat klopt er niet?

Meester: Het is geen spelletje.

295. De hoogste wijsheid in drie woorden

Monnik: Ik zoek de...

Meester: Nou dat weer.

Monnik: Nou wat weer?

Meester: Houdt het dan nooit op?

Monnik: Wie steeds 'nou dat weer' zegt, moet nodig met pensioen.

Meester: Nou dat weer.

Monnik: En dan dat toontje.

Meester: Dat hoort er nou eenmaal bij.

Monnik: Niemand zo voorspelbaar als u.

Meester: Niets zo effectief als 'nou dat weer'.

Monnik: Om wat te bereiken?

Meester: Nou dat weer.

296. Wat is de beste leerling en wat is de beste meester?

1

'Wat is een goede leerling?'

'Iemand die niets aanneemt.'

'Wat is een betere leerling?'

'Iemand die niets afwijst.'

'Wat is de beste leerling?'

'Geen leerling.'

2

'Wat is een goede meester?'

'Een levende meester.'

'Wat is een betere meester?'

'Een dode meester.'

'Wat is de beste meester?'

'Een leerling.'

297. Een meester is iemand die je van de Waarheid verlost

Leerling: Wat is een meester?

Meester: Een putjesschepper.

Leerling: Socrates noemde zichzelf tenminste nog een vroedvrouw.

Meester: Een vroedvrouw met een baard.

Leerling: Hij hielp de mensen bij het baren van de Waarheid.

Meester: Zelf ben ik meer een verloskundige.

Leerling: Waarvan verlost u de mensen?

Meester: Van de Waarheid.

Leerling: U verlost mensen van de Waarheid?

Meester: En van het idee van de Waarheid.

Leerling: Echt waar?

Meester: Natuurlijk niet.

Leerling: Waarom niet?

Meester: Anders was dat weer de Waarheid.

298. Wanneer zijn de meester en de leerling succesvol?

'Wanneer is een meester succesvol?'

'Als hij geen leerlingen meer heeft.'

'Hè?'

'Wat?'

'Wanneer is een leerling succesvol?'

'Als hij geen meester meer heeft.'

'Hè?'

'Wat?'

'Meester en leerling zijn succesvol wanneer ze uit elkaar gaan?'

'Dat is nergens voor nodig.'

'Wanneer dan wel?'

'Wanneer ze geen notie van succes meer hebben.'

'Hè?'

'Wat?'

299. Sterrenschieten met Noud van den Eerenbeemt

Laat je niet boeien.

Beste Hans,

Eens was ik aanwezig bij een lezing van wijlen Noud van den Eerenbeemt. Nooit heb ik iemand boeiender horen spreken. De zaal hing aan zijn lippen. Waar jij vooral oog hebt voor het lege, had Noud het over vol én ledig, samenkomend in vol-ledigheid. Hij zei ook dat de vrouw niet weet maar wel is en dat de man niet is en daarom zijn gedachten in realiteit moet omzetten. Wanneer een man en een vrouw elkaar ontmoeten, of wanneer iemand het mannelijke en het vrouwelijk in zich weet te verenigen, komen we tot het goddelijke. Ik (mannelijk) ben (vrouwelijk) God.

De uitspraak van Noud die me het beste is bijgebleven en waar ik eigenlijk voor schrijf is 'ik weet niets en zelfs daar ben ik niet zeker van'. En dat is eerlijker dan iemand als jij, die stelt dat hij niets weet en daar zeker van is. Hans, twijfel is voor vele dingen goed, maar niet om stil te staan. Twijfelend in vertrouwen te leven, dat is onze opdracht.

Beste Elsbeth,

De gedachte 'ik weet niets maar daar ben ik wel zeker van' wordt in de westerse filosofiegeschiedenis toegeschreven aan Socrates onder de noemer scepticisme.*

* Inmiddels een omstreden lezing en sowieso een vrije parafrase. Waarschijnlijk zei Socrates niet, 'ik weet dat ik niets weet' maar 'ik weet wat ik niet weet' of zoiets. Zie https://en.wikipedia.org/wiki/I_know_that_I_know_nothing.

De gedachte 'ik weet niets en zelfs daar ben ik niet zeker van' wordt toegeschreven aan Pyrrho van Elis onder de noemer pyrronisme.

Waar je het vandaan haalt dat ik een Socratisch niet-weten aanhang – ik heb geen idee. In mijn woordenboek is niet-weten geen scepticisme en geen pyrronisme maar het einde van het heilige geloof in welke gedachte ook, inclusief deze gedachte, het hele scepticisme en het hele pyrronisme.

Elsbeth: Ken jij Noud van den Eerenbeemt?

Hans: Vreemd genoeg ken ik hem niet, terwijl hij volgens de Wikipedia in 1955 toch de literatuurprijs van de gemeente Hilvarenbeek heeft gewonnen. Verder schijnt hij druk geweest te zijn met hekserij, magie, tarot, orakels, runen, Aquarius en psychedelica om het bewustzijn te verruimen.

Tot mijn schande ben ik nooit in Hilvarenbeek geweest en gebruik ik geen psychedelica om het bewustzijn te verruimen. Mijn bewustzijn is zonder psychedelica al zo ruim dat iedereen erin verdwaalt. Het lijkt mijn huid wel: alles slobbert.

Esoterie is het toppunt van duiding, de tegenhanger van niet-weten. Hoe Astro-Noud zijn esoterie rijmt met zijn niet-weten is mij dan ook een raadsel en dat wou ik graag zo houden.

Elsbeth: Hoe denk jij over vol-ledigheid en over de vereniging van het mannelijke en het vrouwelijke in het goddelijke?

Hans: Het gegoochel met de begrippen volheid, ledigheid en volledigheid alsof het bestaande zaken zijn, heeft me nooit kunnen bekoren. Het riekt naar reïficatie, naar ouderwetse metafysica en kosmologie uit het yinyangtijdperk. Laat eerst maar eens zien, die vermeende substanties, krachten, principes, wederkerigheden of wat het ook zijn, voordat we ons in oeverloze speculaties over hun samenhang verliezen.

Dat de vrouw is maar niet weet en de man doet maar niet is, lijkt mij typische heteroseksuele prietpraat, simplistisch en stigmatiserend. Zelf ben ik van het schijnweten regelrecht in het niet-weten gekatapulteerd en ik zou niet weten wat daar mannelijk, vrouwelijk, goddelijk of goddeloos aan is, of wat het ertoe doet.

Elsbeth: Wat is onze opdracht volgens jou?

Hans: Het is mij persoonlijk niet bekend dat wij een opdracht hebben. Ook niet dat we geen opdracht hebben. Over twijfels inzake levensvragen kan ik niet meepraten, die heb ik niet meer. Mijn zekerheden ben ik ook al kwijt, dus dat schiet niet op.

Ik heb best weleens vertrouwen in deze of gene en in dit of dat, maar nooit in 'het leven'. Wat is dat eigenlijk? Waar vertrouw je op als je op 'het leven' vertrouwt? Is dat hetzelfde 'leven' dat je ziek- en doodmaakt? Is 'het leven' wel meer dan een woord?

Sowieso begrijp ik niet waarom je zo nodig moet vertrouwen op iets waaraan je twijfelt. Of waarom je zou twijfelen aan iets waarop je vertrouwt. Dat is net zoiets als inademen tijdens een nies of soep eten onder water.

Vertrouwen in datgene waaraan je twijfelt – dat verlangde frater Tarsisius lang geleden ook van mij, op de katholieke lagere school. Hij noemde het 'geloof'. Lang is de rij van mensen die ik niet heb weten te bevredigen omdat ik niet kon geloven wat zij wilden geloven of meenden te weten.

Elsbeth: Niet 'twijfelend in vertrouwen leven' dus. Wat betekent niet-weten dan voor jou?

Hans: Wat voor dag is het ook alweer? O, vandaag. Met wie schrijf ik spreek ik? O, Elsbeth. Waarover? O, wijlen heer van den Eerenbeemt. In dat geval betekent niet-weten: aan niemands lippen hangen. Ook niet aan de mijne. Ook niet aan je eigen. Laat je niet boeien.

Al zou ik eerlijk gezegd niet weten waarom niet. Je zal me dus op mijn woord moeten geloven.

300. Over het nut van instructies op het spirituele pad

Een leerling komt aangerend met een bord op een paal. 'Waar heb je dat vandaan?' vraagt de meester. 'Uit een bed met narcissen in het park.' 'Wat staat erop?' Triomfantelijk steekt de leerling het bord omhoog. De meester leest: 'Pluk mij'.

301. Paradoxale instructies op het spirituele pad

Leerling: Waarom zegt u mij nooit wat ik moet doen of laten?

Meester: Jij zegt mij toch ook nooit wat ik moet doen of laten?

Leerling: Als u mij expliciete instructies moest geven, wat zou u dan zeggen?

Meester: Volg geen instructies.

Leerling: Maar daarin zit de ongehoorzaamheid al ingebouwd.

Meester: Hoezo?

Leerling: Als ik hem opvolg moet ik me ertegen verzetten, als ik me ertegen verzet volg ik hem op.

Meester: En?

Leerling: Dan kan u nog beter geen instructies geven.

Meester: Je hebt er zelf om gevraagd.

Leerling: Niet om deze.

Meester: Je hebt vooraf geen voorwaarden gesteld.

Leerling: Deze wekt alleen maar verwarring.

Meester: En dat is het laatste wat je wil.

Leerling: Zeg dat wel.

Meester: Wat wil je dan?

Leerling: Eenvoud.

Meester: Ook als eenvoud het toppunt van complexiteit blijkt te zijn?

Leerling: Helderheid.

Meester: Ook als helderheid het toppunt van verwarring blijkt te zijn?

Leerling: Verdomme zeg.

Meester: Rustig maar.

Leerling: Waarom?

Meester: Zover ben je nog lang niet.

302. Hoe je je zelfs van de vrijheid bevrijdt

Leerling: Je moet je van alle begrippen bevrijden.

Meester: Waarom?

Leerling: Die zitten de wijsheid voorbij alle wijsheid alleen maar in de weg.

Meester: De wijsheid voorbij alle wijsheid is een begrip.

Leerling: Je moet je van alle begrippen bevrijden, zelfs van de wijsheid voorbij alle wijsheid?

Meester: Bevrijden is een begrip.

Leerling: Je moet je van alle begrippen...

Meester: Begrip is een begrip.

Leerling: Je moet...

Meester: Moeten is een begrip.

Leerling: Je...

Meester: Je is een begrip.

Leerling: ...

Meester: Zwijgen helpt niet.

Leerling: Wat moet ik dan?

Meester: Je moet je van alle instructies bevrijden.

Leerling: Aha.

Meester: Ook van deze.

Leerling: Je moet je van alle instructies bevrijden, zelfs van de instructie dat je je van alle instructies moet bevrijden?

Meester: Je kan me nog meer vertellen.

Leerling: Ik beng bang van niet.

Meester: Hoe komt dat, denk je?

Leerling: Omdat er niets te vertellen valt?

Meester: Behalve dit zeker.

Leerling: Omdat er niets te vertellen valt, zelfs niet dat er niets te vertellen valt?

Meester: Waarom doe je het dan toch?

303. Wanneer mag je iemand een meester noemen?

Leerling: Hoe noem je iemand die pertinente vragen stelt?

Meester: Leerling.

Leerling: Hoe noem je iemand die impertinente vragen stelt?

Meester: Leerling.

Leerling: Hoe noem je iemand die geen vragen meer stelt?

Meester: Leerling.

Leerling: Hoe noem je iemand die weet?

Meester: Leerling.

Leerling: Hoe noem je iemand die zich het ene weet?

Meester: Leerling.

Leerling: Hoe noem je iemand die zich het bewustzijn weet?

Meester: Leerling.

Leerling: Hoe noem je iemand die de waarheid kent?

Meester: Leerling.

Leerling: Hoe noem je iemand die de vrijheid gevonden heeft?

Meester: Leerling.

Leerling: Hoe noem je iemand die zich van de vrijheid bevrijd heeft?

Meester: Leerling.

Leerling: Hoe noem je iemand die zijn gedachten de baas is?

Meester: Leerling.

Leerling: Hoe noem je iemand die zijn gedachten niet meer als de zijne beschouwd?

Meester: Leerling.

Leerling: Hoe noem je iemand die zichzelf in god gevonden heeft?

Meester: Leerling.

Leerling: Hoe noem je iemand die god in zichzelf gevonden heeft?

Meester: Leerling.

Leerling: Hoe noem je iemand die mededogen heeft met alle voelende wezens?

Meester: Leerling.

Leerling: Wie noem je dan in hemelsnaam een meester?

Meester: Iemand die dat niets kan schelen.

304. Leerling op dood spoor

Monnik: Wanneer mag ik in uw voetsporen treden?

Meester: Zodra je ze hebt uitgewist.

305. Goede raad voor aspirant meesters

Aspirant meester: Wat moet ik doen als iemand conclusies begint te trekken?

Meester: Terugtrekken.

306. Onthechting van elk weten en niet-weten, ook dit

Leerling: Als je het eenmaal ziet, is er niets geheimzinnigs meer aan. Geen conclusies trekken, is dat niet waar het op aankomt?

Meester: Toch weer een conclusie weten te trekken?

Leerling: Verdraaid.

Meester: Geef niks.

Leerling: Ik ben kennelijk nog steeds aan het weten gehecht.

Meester: Om over het niet-weten maar te zwijgen.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Geef niks.

Leerling: Totale onthechting van elk weten en niet-weten, is dat dan waar het op aankomt?

Meester: Toch weer een conclusie weten te trekken?

Leerling: Ik stelde toch een vraag?

Meester: Ik toch ook?

Leerling: Verdraaid.

Meester: Geef niks.

307. Aanschouwelijk onderricht, of hoe het toeval de meester hielp

Op een dag neemt de meester plaats op het spreekgestoelte en zakt er zomaar doorheen. Hij staat op, verliest zijn evenwicht, valt opnieuw, krabbelt op en slaat het stof van zijn pij. Iedereen kijkt met open mond toe, niemand verrroert zich. De meester schraapt een paar keer zijn keel en zegt schor: 'Beter had ik het niet kunnen zeggen.' Hinkend verlaat hij de zaal.

308. De les van vandaag is het afleren van de les van gisteren

Steeds opnieuw beginnen.

Leerling: Wat is de les van vandaag?

Meester: Het afleren van de les van gisteren.

Leerling: Wat is de les van morgen?

Meester: Het afleren van die van vandaag.

Leerling: Wat is de laatste les?

Meester: Het afleren van het afleren.

Leerling: En dan?

Meester: Ben je terug bij af.

309. De leerling en de meester doen allebei alsof

'Wat is de overeenkomst tussen de leerling en de meester?'

'Beiden doen alsof.'

'En het verschil?'

'De leerling doet alsof hij weet, de meester doet alsof hij niet weet.'

310. De meester kan erop schijten maar de leerling moet zijn eigen ramen lappen

De spiegelruit van Huineng.

Leerling: Wat is een slechte leraar?

Meester: Iemand die je glazen voor je wast.

Leerling: Wat is een goede leraar?

Meester: Iemand die erop schijt maar je je eigen glazen laat wassen.

Leerling: Wat is de beste leraar?

Meester: Iemand die je glazen ingooit.

311. Zoekers zijn uitzuigers

Leerling: Volgens mij speelt u een spelletje met mij.

Meester: Welk spelletje speel ik volgens jou?

Leerling: Pak me dan.

Meester: Waarom zou ik dat doen?

Leerling: Om mij te slim af te zijn.

Meester: Volgens mij speel jij een spelletje met mij.

Leerling: Welk spelletje dan?

Meester: Ik zal je pakken.

Leerling: Waarom zou ik dat doen?

Meester: Om mij in woorden te vangen.

Leerling: En dan?

Meester: De waarheid uit mij te zuigen.

Leerling: En die waarheid luidt?

Meester: Zie je wel?

Leerling: Volgens mij speelt u een spelletje met mij.

312. De wijsheid van de wulk

Meesterschap of hersenverkalking? Gedachtekronkels op het schelpenpad.

Duinlandschap met schedeldak geflankeerd door wulken.
^ Meesterschap of hersenverkalking?

De wijsheid van de hindoe

Een vedaleraar wandelt langs het strand met een groepje leerlingen. Een van de discipelen raapt een kinkhoorn op en steekt hem opgetogen bij zich. De meester vraagt: 'Wat wil je met die schelp?' De leerling antwoordt: 'Als ik hem aan mijn oor zet kan ik de zee horen ruisen.' De meester zegt: 'Waarom zou je naar een schelp luisteren als je de hele zee kunt verwerven?' Beschaamd laat de jongen de kinkhoorn vallen.

De wijsheid van de boeddha

Een zenleraar wandelt langs het strand met een groepje leerlingen. De meester raapt een kinkhoorn op en steekt hem opgetogen bij zich. Een van de leerlingen vraagt: 'Wat heb je nou aan een schelp als je de hele zee kunt verwerven?' De meester antwoordt: 'Waarom zou je over eenheid speculeren als je de zee kunt horen ruisen in een kinkhoorn?' Hebberig houdt de jongen zijn hand op.

De wijsheid van de wulk

Twee wulken liggen naast elkaar op het strand. Ruist de ene: 'Sst'. Ruist de andere: 'Sst.'

Blij hoofd met wulken in plaats van oren.
^ De wulk van niet-weten

313. De beste leermeester is een ezel

1

'Wat is de beste leermeester?'

'Een ezel.'

'Waarom?'

'Omdat hij blijft staan zolang je nog wil vertrekken en blijft lopen zolang je nog wil afstijgen.'

2

'Wat is de beste leermeester?'

'Een ezel.'

'Waarom?'

'Omdat hij altijd de andere kant op gaat.'

'Altijd?'

'Tot je voorgoed de weg kwijt bent.'

'Dan wordt hij eindelijk gezeglijk?'

'Dan is er geen andere kant meer.'

314. Een leerling is een ezel die bezwijkt zonder zijn last

Leerling: Ik wil hebben wat u hebt.

Meester: Je veronderstelt dat ik iets heb.

Leerling: Dan wil ik kwijtraken wat u kwijt bent.

Meester: Je veronderstelt dat ik iets kwijt ben.

Leerling: Ik wil ervoor doen wat u ervoor gedaan hebt.

Meester: Je veronderstelt dat ik er iets voor gedaan heb.

Leerling: Dan wil ik laten wat u ervoor gelaten hebt.

Meester: Je veronderstelt dat ik er iets voor gelaten heb.

Leerling: Maar ik wil weten wat...

Meester: Je veronderstelt dat het een kwestie van weten is.

Leerling: Dan wil ik afleren wat...

Meester: Je veronderstelt dat het een kwestie van niet-weten is.

Leerling: Waarvan is het dan wel een kwestie?

Meester: Je veronderstelt dat het een kwestie is.

Leerling: Maar wilt u me dan tenminste zeggen...

Meester: Je veronderstelt dat ik iets wil zeggen.

Leerling: Maar u kunt toch wel...

Meester: Je veronderstelt dat ik iets kan.

Leerling: Maar u hebt toch...

Meester: Je veronderstelt dat je iemand voor je hebt.

Leerling: Maar...

Meester: Of dacht je soms dat je niemand voor je had?

Leerling: Ik...

Meester: Je veronderstelt dat je iemand bent.

Leerling: ...

Meester: En denk nou maar niet dat je niemand bent.

315. Gevleugelde woorden

Meester Maya zegt:

Wat moeten vogels met een weg?

316. Idolen van de zoeker

Andrew Cohen

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Amerikaanse spirituele leraar Andrew Cohen wordt beticht van geestelijke en lichamelijke mishandeling en geldklopperij.)

Alexander Smit

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Nederlandse advaitaleraar Alexander Smit zou een driftige, geldbeluste womanizer zijn geweest.)

Osho

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Indiase goeroe Osho (Bhagwan Shree Rajneesh) zou een geldwolf, ruziezoeker, charlatan en narcist zijn geweest.)

Sai Baba

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Indiase goeroe Sai Baba zou een oplichter en een fraudeur zijn geweest die zich vergreep aan talloze leerlingen, jong en oud.)

Sri Rishi Prabhakar

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Indiase goeroe Sri Rishi Prabhakar zou chantage hebben gepleegd en seksuele omgang met leerlingen hebben gehad.)

Paramhamsa Nityananda

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Indiase goeroe Paramhamsa Nityananda zou zich schuldig hebben gemaakt aan misbruik, vrijheidsberoving en verkrachting.)

Kirtanananda Swami

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(Kirtanananda Swami zou zich schuldig hebben gemaakt aan fraude, afpersing en seks met minderjarigen.)

Sogyal Rinpoche

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Tibetaanse leraar en spiritueel leider van Rigpa, Sogyal Rinpoche, zou zich schuldig hebben gemaakt aan seksueel misbruik, zelfverheerlijking, machtsmisbruik en financiële malversaties.)

Sakyong Mipham rinpoche

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Tibetaanse leraar en spiritueel leider van Rigpa, Sakyong Rinpoche, zou zich schuldig hebben gemaakt aan seksueel geweld en intimidatie.)

Chögyam Trungpa

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Tibetaanse lama Chögyam Trungpa, grondlegger van de internationale Shambala-organisatie, zou leerlingen misbruikt hebben en verslaafd zijn geweest aan onder meer luxe, seks, drank, tabak en cocaïne totdat hij op zijn achtenveertigste overleed aan levercirrose.

Kardinaal Simonis

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Nederlandse kardinaal Simonis zou niet daadkrachtig hebben opgetreden tegen pedofiele priesters en seksueel misbruik in de katholieke kerk hebben proberen te verhullen.)

Moeder Teresa

Je denkt, ik word net als zij!

Wat blijkt?

Zij is net als wij!

(De katholieke zuster Moeder Theresa zou een potentate zijn geweest die graag in het gezelschap van rijken verkeerde terwijl ze de armoede verheerlijkte en spirituele hulp bood waar medische hulp geboden was.)

Rients Ranzen Ritskes

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Nederlandse zenleraar Rients Ranzen Ritskes, stichter van een keten van zenscholen, wordt beticht van titelfraude en geldklopperij.)

Noah Levine

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De boeddhistische leraar Noah Levine van de punksangha Against the Stream is door een aantal mensen beschuldigd van seksueel wangedrag en als gevolg daarvan uit de 'Spirit Rock teaching lineage' gezet.)

Frank Uyttebroeck

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De vertrouwenspersoon en boeddhistische leraar Frank Uyttebroeck van Against the Stream is door een aantal mensen beschuldigd van seksueel wangedrag.)

Paul Van hooydonck

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De boeddhistische leraar Paul Van hooydonck zou seksuele relaties gehad hebben met verschillende leerlingen en wordt beschuldigd van gebrek aan transparantie, psychologisch, institutioneel en spiritueel misbruik.)

Nico Tenkei Tydeman Roshi

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Nederlandse zenleraar Nico Tydeman zou drie jaar lang een buitenechtelijke relatie hebben gehad met een leerling en dat verzwegen hebben tegenover zijn echtgenote en zijn sangha. Saillant detail: In diezelfde periode bracht hij ook nog een boek uit over het leraarschap, Transmissie en transcendentie, en nam hij nieuwe leerlingen de geloften af, waaronder die van juist spreken.)

Genpo Roshi (Dennis Merzel)

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Amerikaanse zenleraar Genpo Roshi, leraar van onder meer Nico Tydeman, zou herhaaldelijk seks met leerlingen hebben gehad en exorbitante tarieven voor retraites gerekend hebben.)

Maezumi Roshi

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Japanse zenleraar Maezumi Roshi, zenleraar van onder meer Dennis Merzel, zou een recidiverende alcoholist zijn geweest die buiten medeweten van zijn echtgenote seksuele relaties had met leerlingen, waaronder een die hij transmissie had gegeven, die zijn gezin verwaarloosde en beschonken in bad verdronk.)

Eido Roshi

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Japanse zenleraar Eido Roshi zou zich vijftien jaar lang bezondigd hebben aan seks met leerlingen en moest zich terugtrekken als hoofd van de Zen Studies Society.)

Sasaki Roshi

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Japanse zenleraar Sasaki Roshi wordt ervan beschuldigd meer dan een halve eeuw seks met leerlingen gezocht te hebben onder het motto 'ware liefde is jezelf weggeven'.)

Baker Roshi

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Amerikaanse zenleraar Baker Roshi wordt beticht van machtsmisbruik en extravagantie.)

Walter Nowick

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Amerikaanse zenleraar Walter Nowick zou zich als leider van de eerste Amerikaanse zen-gemeenschap grillig en onverantwoordelijk hebben gedragen.)

Seung Sahn Soen Sa Nim

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Koreaanse zenleraar Seung Sahn, grondlegger van de kwan-um school of zen, zou seksuele relaties met leerlingen hebben gehad en al te lichtvaardig transmissie hebben verleend.)

Genpo Döring

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Duitse zenpriester Genpo (Hans Rudolf) Döring, voormalig hoofd van een zentempel in Dinkelscherben, voormalig vicepresident van de wereldwijde Buddhist Association en voormalig vicevoorzitter en erelid van de Duitse Boeddhistische Unie (DBU), is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens seksueel misbruik van minderjarige jongens.)

Lama Kelsang Chöpel

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Duitse Lama Kelsang Chöpel wordt beticht van titelfraude, intimidatie, en seks met leerlingen.)

Mettavihari

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Thaise vipassanaleraar Mettavihari wordt beticht van jarenlange seks met leerlingen, gebruik van giften voor persoonlijke doeleinden en contacten met de georganiseerde misdaad.)

Jim Jones

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Amerikaanse sekteleider Jim Jones zou zich schuldig hebben gemaakt aan machtsmisbruik, hersenspoeling en de gedwongen zelfmoord van bijna duizend sekteleden.)

Joseph Mengele

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Duitse nazi Joseph Mengele zou wrede, pseudowetenschappelijke medische experimenten hebben uitgevoerd op Joodse gevangenen tijdens de tweede wereldoorlog.)

Osama Bin Laden

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(De Saudi-Arabische Osama Bin Laden zou de oprichter van de Arabische terreurorganisatie Al Qaida en het brein achter 9-11 zijn geweest.)

Adolf Hitler, Jozef Stalin, Pol Pot en Mao Zedong

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(Adolf Hitler, Jozef Stalin, Pol Pot en Mao Zedong zouden in de twintigste eeuw een schrikbewind hebben uitgevoerd in Duitsland, Rusland, Cambodja en China, met tientallen miljoenen slachtoffers als resultaat.)

Hans van Dam

Je denkt, ik word net als hij!

Wat blijkt?

Hij is net als wij.

(Hans van Dam besteedt bijna al zijn tijd en geld aan zichzelf en zijn lief, en kijkt voortdurend weg van bijna alle misstanden in de wereld. Hij heeft gefraudeerd, gesmokkeld, ingebroken, gestolen, geheeld, gelogen, geroddeld, geslagen, seks met minderjarigen gehad, sodomie en overspel gepleegd, gehoereerd, gemanipuleerd, geïntimideerd, gediscrimineerd, gepest, gevandaliseerd, gedood en opdracht, aanleiding en gelegenheid gegeven tot het doden van vele wilde en tamme dieren, vissen, planten en insecten. Als dat opportuun was geweest zou hij naar zijn eigen oordeel tot veel ergere dingen in staat zijn geweest, en nog steeds zijn. Verder heeft hij inmiddels duizenden misleidende teksten over niet-weten op zijn geweten.)

monnik met scheve mijter
^ Idolen van de zoeker.

317. Je kunt niet wijzen naar geen kant

Vaders, moeders, bloggers, auteurs, opinieleiders, coaches, counselors, co-counselors, columnisten, commentatoren, consultants, opvoeders, ethici, beleidsmakers, wetgevers, raadgevers, medicijnmannen, mystagogen, pedagogen, sjamanen, rinpoche's, roshi's, engelen, geesten, voorouders, therapeuten, politici, dominees, ombudsmannen, mentoren, meesters, cabaretiers, goeroes, loodsen, reisgidsen, padvinders, verkenners en andere wegwijzers – ze zijn er en het zij zo.

Ik snap ze geen van allen, daar heb ik me bij neergelegd. Zij leggen zich daar nooit bij neer, ze blijven het maar beter weten, ook daar heb ik me bij neergelegd.

Vooral door de mand gevallen leraren koester ik; van hen leer ik het meest af.

Samen vallen schept een band

't Is wijds aan gene zijde van de mand

Voorgoed ontvingerd en ontmand

Geen wijzen hier in boterland

Je kan niet wijzen naar geen kant

A blessing in disguise heet dat

Al is het leven kluchtig

Zo zonder wijzen

Blijft je denken

Zacht en licht

En luchtig

boterland: (zeewezen) wolken die zich voordoen als verwijderd land, dat bij nadering 'als boter wegsmelt'

318. Een goed teken

Beste Hans,

Ik vind jouw website mateloos verontrustend.

Beste X,

Dat stelt mij dan weer gerust.

319. Het wezenlijke verschil tussen Hans van Dam en andere leraren

Uitgesteld

'Wat is het wezenlijke verschil tussen jou en andere leraren, Hans?'

'Dat ik geen leraar ben.'

'Waarom niet?'

'Een leraar stelt steeds achter of bij of gelijk of gerust of in of onder of samen of tegenover of teleur of terecht of tevreden of te weer of te werk of uit of vast of voor of voorop of zo.'

'En jij?'

'Ik ben voorgoed uitgesteld.'

Uitgeteld

'Wat is het wezenlijke verschil tussen jou en andere leraren?'

'Dat ik geen leraar ben.'

'Waarom niet?'

'Een leraar gelooft in de leegte van het boeddhisme of in de eenheid van het monisme of in de niet-tweeheid van het non-dualisme of in de tweeheid van het dualisme of in de drie-eenheid van het christendom of in de vier-eenheid van het hindoeïsme of in de veelheid van het pluralisme of zo.'

'En jij?'

'Ik ben voorgoed uitgeteld.'

320. Niet-weten is onwoord voor een onleer over een onweg naar een onland

Was niet-weten een heilsboodschap, dan was ik een heilsprofeet, een toonbeeld van heelheid. Dan was mijn leer een heilsleer, mijn weg een heilsweg, mijn land een heilsland.

Was niet-weten een onheilsboodschap, dan was ik een onheilsprofeet, een schrikbeeld van verdeeldheid. Dan was mijn leer een onheilsleer, mijn weg een onheilsweg, mijn land een onheilsland.

Was niet-weten geen boodschap, dan was ik een onprofeet, toonbeeld noch schrikbeeld. Dan was mijn leer een onleer, mijn weg een onweg, mijn land een onland en niet-weten een onwoord.

Maar ja...

321. Meester Schaap blaat zonder brevet

'Wat weet jij eigenlijk van niet-weten, Hans?'

'Minder dan wie ook.'

'Dat lijkt me geen aanbeveling.'

'Waarvoor?'

'Voor je meesterschap natuurlijk.'

'Meester Schaap blaat zonder brevet.'

'Wie is Meester Schaap?'

'Iemand die zijn meesterschap doorziet.'

'Dat lijkt me ook al geen aanbeveling.'

'Waarvoor?'

'Voor je geloofwaardigheid.'

'Alsof ik mensen iets wil laten geloven.'

'Jij wilt toch dat ze niets meer geloven?'

'Geloof je dat nou echt?'

322. Vraaggesprek met Meester Marge over boeken

'Wat is een boek?'

'Een boek is een bevestiging van wat je meent te weten door een auteur die het ook niet weet.'

'Wat is volgens u een goed boek?'

'Een goed boek haalt je meningen onderuit zonder er nieuwe voor in de plaats te stellen.'

'Waar is een goed boek goed voor?'

'Een goed boek bevrijd je van het vorige.

Een beter boek bevrijd je van zichzelf.

Het beste boek bevrijd je van het boek.

Het allerbeste boek bevrijd je van de vrijheid.'

'Wat is er nodig om een boek over de waarheid te kunnen schrijven?'

'Om een boek over de waarheid te kunnen schrijven, moet je een dummy zijn.'

'Hoe ziet een boek over de waarheid eruit?'

'Ieder boek over de waarheid is een dummy.'

'Een dummy is toch een leeg boek?'

'Een dummy is een boek dat niets onthult en niets verhult.'

'Klinkt occult.'

'Occulte boeken zijn niet duister omdat ze een geheim onthullen maar omdat ze het ontbreken van een geheim verhullen.'

'Waarom zou ik nog boeken lezen?'

'Boeken lees je om je ervan te vergewissen dat er niets lezenswaardigs in staat.'

'Waarom worden er zoveel boeken gepubliceerd?'

'Dat er zoveel boeken gepubliceerd worden betekent dat het juiste er nog steeds niet bij zit.'

'Waarom verslinden mensen boeken?'

'Waarom verslinden boeken mensen?'

'Hoe kunnen we het boekentij keren?'

'Schrijvers van boeken zouden de mensheid een dienst bewijzen door zich te beperken tot titels.'

'Heeft u het nu over Twitter?'

'Schrijvers van titels zouden de mensheid een dienst bewijzen door zich te beperken tot zuchten.'

'Waarom schrijft u zelf zoveel?'

'Zucht.'

323. Worden of zijn?

Meester Maya zegt:

1

Sommige mensen denken dat ze worden!

Sommige mensen denken dat ze zijn!

Sommige mensen denken dat ze worden zijn!

Sommige mensen denken dat ze zijn worden!

Wat denk jij dat je wordt?

Wat denk jij dat je bent?

2

Sommige mensen denken dat ze doen!

Sommige mensen denken dat ze ondergaan!

Sommige mensen denken dat ze het doen ondergaan!

Sommige mensen denken dat ze het ondergaan doen!

Wat denk jij dat je ondergaat?

Wat denk jij dat je doet?

3

Sommige mensen denken dat ze kiezen!

Sommige mensen denken dat ze keuzeloos gewaar zijn!

Sommige mensen denken dat ze het kiezen keuzeloos gewaar zijn!

Sommige mensen denken dat ze ervoor kiezen keuzeloos gewaar te zijn!

Wat denk jij dat je keuzeloos gewaar bent?

Wat denk jij dat je kiest?

4

Sommige mensen denken dat ze weten!

Sommige mensen denken dat ze niet-weten!

Sommige mensen denken dat ze weten van niet-weten!

Sommige mensen denken dat ze zelfs niet weten van niet-weten!

Wat denk jij dat je niet-weet?

Wat denk jij dat je weet?

324. Een bevrijdend inzicht

Leerling: Je hoeft alleen maar...

Meester: Je veronderstelt een vrije wil.

Leerling: In te zien dat je geen vrije wil hebt, wou ik zeggen.

Meester: Je veronderstelt een vrije wil.

Leerling: Maar ik zeg toch...

Meester: Alsof je zelf kunt bepalen wat je inziet.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Als het aan mij ligt niet.

Leerling: Bedoelt u dat je niet zelf kunt bepalen wat je inziet, of dat u niet wou beweren van niet?

Meester: Als het aan mij ligt niet.

325. De wijsheid van het woordenboek

Leerling: Ik hoef alleen maar...

Meester: Een hoef is een voet van hoorn.

Leerling: Ik moet alleen maar...

Meester: Een moet is een merk of een indruk.

Leerling: Ik wil alleen maar...

Meester: Een wil is een stootkussen of wrijfhout.

326. Het Zijn dat in ons zwetst

'Maurice Merleau-Ponty zei het al, Hans: wij zijn het niet die van het Zijn spreken, het is het Zijn dat in ons spreekt.'

(In Le Visible et l'Invisible.)

'Wie zei dat?'

'Maurice... o... uh... het Zijn?'

'Is het ook het Zijn dat in ons liegt of Zijn wij het die liegen?'

'Uh... ook het Zijn, denk ik?'

'Denkt wie?'

'Uh... het Zijn?'

'Als het Zijn zegt dat het in ons spreekt, hoe weten we dan dat het op dat moment niet in ons liegt?'

'Uh... dat weten we niet?'

'Wie niet?'

'Uh... het Zijn niet?'

'Dus?'

'...'

'Is dit nou het Zijn dat in ons zwijgt of zijn wij het die zwijgen?'

327. Nominalisme en de strijd om de realiteit

De term 'universaliënstrijd' is een nodeloos moeilijk woord waarmee filosofen verwijzen naar het langdurige middeleeuwse debat over de vraag of algemene begrippen (universalia) naar iets werkelijks verwijzen of alleen in de geest bestaan.

Ja, natuurlijk verwijzen ze naar iets bestaands, zeiden de realisten, anders zouden ze niet bestaan.

Nee, natuurlijk verwijzen ze niet naar iets bestaands, zeiden de nominalisten, anders zou de denker de Schepper zijn.

Nominalisme is een nodeloos moeilijk woord voor de sceptische opvatting dat universalia zoals 'woord', 'ruimte', 'hoofd', 'wolk', 'voet' en 'grond' geen werkelijkheidsgehalte hebben.

Alleen het singuliere, het unieke, het eenmalige, is volgens de nominalist echt. Alleen van particularia kunnen we wat weten, maar die kennis is specifiek en niet te veralgemeniseren. Over universalia kan je alleen maar speculeren.

Het nominalisme verzet zich met name tegen de ideeënleer van Plato, die concrete objecten zag als armzalige aftreksels van zuivere Ideeën. Van welk Idee Plato naar zijn eigen idee of Idee zelf een armzalig aftreksel was is mij niet bekend.

Heel wat denkers hebben er hun hele leven aan gewijd maar de universaliënstrijd heeft nooit een winnaar opgeleverd en is uiteindelijk doodgebloed.

Tenminste, zo leek het, maar het nominalisme is in de twintigste eeuw weer opgeleefd, ditmaal onder namen als analytische wijsbegeerte, de filosofie van de verwondering van Cornelis Verhoeven, en het constructivisme dat verschijnselen in de werkelijkheid voor sociale constructies houdt.

Oude wijn in nieuwe zakken, meestal van gevorderde leeftijd en mannelijke kunne, proost.

Problematisch aan het nominalisme in alle gedaanten, van middeleeuws tot postmodern, is in de eerste plaats de status van het nominalisme zelf.

Is het een loze naam of een reële entiteit?

'Werkelijkheidsgehalte', heeft dat wel enig werkelijkheidsgehalte of is het ook maar een woord?

'Particularium', is dat zelf geen universalium?

'Universalia', bestaan die eigenlijk wel, of zwetst het universalium 'nominalist' hier in het universalium 'ruimte'?

Want Plato mag zijn hoofd dan wel in de wolken hebben gehad, daarom heeft de nominalist nog geen voet aan de grond.

328. Over de noodzaak van toeval

'Alles is toeval, Hans.'

'Heb je dat persoonlijk vastgesteld?'

'Welnee.'

'Wat dan?'

'Beredeneerd natuurlijk.'

'Uit eerste principes?'

'Waaruit anders?'

'Dan is toeval noodzaak.'

329. Over het toeval van noodzaak

'Niets is toeval, Hans.'

'Heb je dat gecontroleerd?'

'Ik zou niet weten hoe.'

'Steekproefsgewijs.'

'Zelfs de grootste steekproef zou nog niet representatief zijn.'

'Hoe weet je het dan?'

'Beredeneerd.'

'Uit eerste principes?'

'Waaruit anders?'

'En die eerste principes?'

'Wat is daarmee?'

'Zijn die toevallig of noodzakelijk?'

'Hm.'

'Nou?'

'Wat als die eerste principes toevallig zijn?'

'Dan is alles wat eruit volgt noodzakelijk, maar niet de eerste principes zelf.'

'En als de eerste principes wel noodzakelijk zijn?'

'Dan volgen ze noodzakelijk uit nog eerdere principes.'

'Enzovoort.'

'Ik ben bang van wel.'

'Wou jij beweren dat de allereerste principes nooit noodzakelijk zijn?'

'Per definitie.'

'Dus niet alles is noodzakelijk?'

'Toevallig niet.'

330. Zoeker naar het einde van het zoeken, 17

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

331. Meester Maya wijst weg

'Wat is het grootste struikelblok voor de boeddhist?'

'Boeddhisme.'

'Wat is het grootste struikelblok voor de non-dualist?'

'Advaita.'

'Wat is het grootste struikelblok voor de tantrist?'

'Tantra.'

'Wat is het grootste struikelblok voor de taoïst?'

'De Tao.'

'Wat is het grootste struikelblok voor de yogi?'

'Yoga.'

'Wat is het grootste struikelblok voor de mysticus?'

'God.'

'Wat is het grootste struikelblok voor de monist?'

'Het ene.'

'Wat is het grootste struikelblok voor de jnani?'

'Het hoofd.'

'Wat is het grootste struikelblok voor de bhakti?'

'Het hart.'

'Wat is het grootste struikelblok voor de discipel?'

'De goeroe.'

'Wat is het grootste struikelblok voor de individualist?'

'Autonomie.'

'Wat is het grootste struikelblok voor de asceet?'

'Soberheid.'

'Wat is het grootste struikelblok voor de wijze?'

'Kennis.'

'Wat is het grootste struikelblok voor de dwaas?'

'Onwetendheid'

'Wat is het grootste struikelblok voor de zoeker?'

'Zoeken.'

332. Meester Maya geeft een hint

'Help me toch.'

'Waarmee?'

'Ik weet niet meer waar ik het zoeken moet.'

'Wie zegt dat je het zoeken moet?'

333. Meester Maya klapt uit de school

'Waar moeten wij het zoeken?'

'In niet zoeken.'

'Wat zullen we daar vinden?'

'Niet vinden.'

334. Meester Maya bederft de pret

'Ik heb het! Ik heb het!'

'Wat dan? Wat dan?'

'Er is niets te vinden! Er is niets te vinden!'

'Toch weer iets gevonden? Toch weer iets gevonden?'

335. Meester Maya stelt een diagnose

'Wat voor hof is het paradijs?'

'Wat ben ik, een hovenier?'

'Een binnenhof? Een buitenhof? Een lusthof? Een vrijhof?'

'Een doolhof dan maar.'

'Wat?'

'Wat?'

'Hoe weet u dat?'

'Anders had je de uitgang allang gevonden.'

'Wat?'

'Wat?'

'De uitgang?'

'Is dat niet het idee van een doolhof?'

'Maar ik zoek de ingang.'

'Dan zal dat het probleem wel zijn.'

336. Waarom Meester Maya is verhuisd

1

'Waar woont de zoeker?'

'In dromenland.'

'Waar woont de vinder?'

'In heiland.'

'Waar woont u?'

'In niemandsland.'

2

'Waar woont de zoeker?'

'In dromenland.'

'Waar woont de vinder?'

'In heiland.'

'Waar woont de verliezer?'

'In niemandsland.'

'Waar woont u?'

'Op het drielandenpunt.'

337. Uitwaaien met Meester Maya

'Waar woont de zoeker?'

'In het land van ooit.'

'Waar woont de vinder?'

'In het land van nooit.'

'En waar woont u?'

'Overal en nergens.'

'Hoe kan dat nou.'

'Ik ben totaal verstrooid.'

338. Meester Maya en het ultieme

'Is niet-weten het ultieme thuiskomen?'

'Eerder het ultieme vreemdgaan.'

'Pardon?'

'Ik kan het ook niet helpen.'

'Bedoelt u dat alles u vreemd voorkomt?'

'Dat zou tenminste nog duidelijk zijn.'

339. Uitgezocht

Meester Maya zegt:

Zij die zoeken zijn dolende maar daarom zijn zij die dolen nog niet zoekende.

340. Zat

Meester Maya zegt:

Wie zoekt komt tekort.

Wie vindt heeft teveel.

Wie niet weet heeft overal genoeg van.

341. Een Eeuwige Definitie van Eeuwige Wijsheid

Leerling: Wat ten diepste is Eeuwige Wijsheid?

Meester: Grote Dwaasheid.

Leerling: Wat ten diepste is Grote Dwaasheid?

Meester: Valse Hoop.

Leerling: Wat ten diepste is Valse Hoop?

Meester: Zeker Weten.

Leerling: Wat ten diepste is Zeker Weten?

Meester: Niet-weten.

Leerling: Wat ten diepste is niet-weten?

Meester: Eeuwige Wijsheid.

342. Vinden voor verliezers

Leerling: Als je maar diep genoeg graaft vind je uiteindelijk de ader die onder alles door stroomt.

Meester: Als je maar diep genoeg graaft vind je uiteindelijk het niet-graven.

Leerling: Bedoelt u dat u niets hebt gevonden?

Meester: Wie niets heeft gevonden is niet diep genoeg gegaan.

Leerling: Bedoelt u dat u het niets hebt gevonden?

Meester: Wie het niets heeft gevonden, is niet diep genoeg gegaan.

Leerling: Volgens mij hebt u het nihilisme gevonden.

Meester: Wie het nihilisme heeft gevonden, is niet diep genoeg gegaan.

Leerling: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Bovendien heb ik geen voorkeur voor een bepaalde traditie.

343. De traditie van geen-traditie

Meester: Heb jij een voorkeur voor een bepaalde traditie?

Leerling: Als je maar diep genoeg graaft vind je uiteindelijk de ader die onder alles door stroomt.

Meester: Ja dus.

Leerling: Wat, ja dus?

Meester: Een voorkeur voor een bepaalde traditie.

Leerling: Nee dus.

Meester: Ja dus.

Leerling: Ik hecht eraan aan geen enkele traditie te hechten.

Meester: Heel traditioneel.

Leerling: Hoe heet die traditie dan wel?

Meester: De traditie van de eeuwige wijsheid natuurlijk.

Leerling: Wat houdt de eeuwige wijsheid in?

Meester: Dat heb ik even gemist

Leerling: Hoezo?

Meester: Ik was veel te hard aan het graven.

344. Het diepste kun je op iedere diepte vinden

Leerling: Als je maar diep genoeg graaft vind je uiteindelijk de ader die onder alles door stroomt.

Meester: Zeker weten?

Leerling: Eerlijk gezegd niet.

Meester: Hoe komt dat?

Leerling: Doordat ik hem nog niet gevonden heb.

Meester: Stel dat je hem vindt, wat dan?

Leerling: Ik heb geen flauw idee.

Meester: Al die inspanning en je weet niet eens waar het goed voor is?

Leerling: Ik dacht dat u het wel zou weten.

Meester: Wat denk je dat er door die ader stroomt?

Leerling: De Hoogste Waarheid?

Meester: Welnee.

Leerling: Eeuwige wijsheid?

Meester: Welnee.

Leerling: Zuiver bewustzijn?

Meester: Welnee.

Leerling: Keuzeloos gewaarzijn?

Meester: Welnee.

Leerling: Zijn?

Meester: Welnee.

Leerling: Boeddhanatuur?

Meester: Welnee.

Leerling: Leegte?

Meester: Welnee.

Leerling: Brahman?

Meester: Welnee.

Leerling: God?

Meester: Welnee.

Leerling: Het Ene?

Meester: Welnee.

Leerling: Het numineuze?

Meester: Welnee.

Leerling: Geest?

Meester: Welnee.

Leerling: Geen-geest?

Meester: Welnee.

Leerling: Energie?

Meester: Welnee.

Leerling: Het eeuwige heden?

Meester: Welnee.

Leerling: Blijvend geluk?

Meester: Welnee.

Leerling: Niet-weten?

Meester: Welnee.

Leerling: Ik geef het op.

Meester: Ik dacht dat je het nooit zou zeggen.

345. Aderen moet je laten

Leerling: Als je maar diep genoeg graaft vind je uiteindelijk de ader die onder alles door stroomt.

Meester: Brand je niet.

Leerling: Wat stroomt er volgens u door die ader?

Meester: Magma natuurlijk.

Leerling: Hè?

Meester: Vraag maar aan een geoloog.

Leerling: Magma is de hoogste waarheid?

Meester: Magma is magma.

Leerling: Ik snap het niet.

Meester: Wat voor effect heeft magma op zijn omgeving?

Leerling: Het doet alles smelten.

Meester: Tot wat?

Leerling: Magma, zou ik zeggen.

Meester: En datgene wat het niet doet smelten?

Leerling: Dat gaat in rook op.

Meester: Nou dan.

Leerling: En die magma staat voor niet-weten?

Meester: Magma is magma.

Leerling: En dat niet-weten dan?

Meester: Dat gaat in rook op.

Leerling: Hè?

Meester: Daar komt het wel op neer.

346. Boven aarde staan

1

Leerling: Als je maar diep genoeg graaft vind je uiteindelijk de ader die onder alles door stroomt.

Meester: Als je dan nog even doorgraaft kom je eindelijk weer aan de oppervlakte.

2

Leerling: Als je maar diep genoeg doorgraaft kom je eindelijk weer aan de oppervlakte.

Meester: Als je dan nog even verder klimt vind je eindelijk een hoger weten.

3

Leerling: Als je maar hoog genoeg klimt vind je uiteindelijk een hoger weten.

Meester: Als je dan nog even door klimt vind je eindelijk het niet-weten.

4

Leerling: Als je maar hoog genoeg klimt vind je uiteindelijk het niet-weten.

Meester: Als je dan nog even door klimt vind je eindelijk het niet-vinden.

5

Leerling: Als je maar hoog genoeg klimt vind je uiteindelijk het niet-vinden.

Meester: Daarvoor hoef je echt niet te gaan klimmen.

347. Graven tot je graf

Leerling: Als je maar diep genoeg graaft vind je uiteindelijk het niet-graven.

Meester: Nou ben ik er klaar mee.

Leerling: Gaat het erom overal klaar mee te zijn?

Meester: Wat zeg ik nou?

Leerling: Alstublieft!

Meester: Zo blijf je aan de gang.

Leerling: Gaat het erom niet aan de gang blijven?

Meester: Je blijft maar grijpen.

Leerling: Gaat het om niet-grijpen?

Meester: Bekijk het maar.

Leerling: Wat zal ik dan zien?

Meester: Ik zeg niks meer.

Leerling: Wat zal ik dan horen?

Meester: ...

Leerling: ...

Meester: Hè hè.

Leerling: Gaat het erom te zwijgen?

348. Het spirituele pad van gat tot gat

Meester Maya zegt:

Eerst wist ik niets.

Toen dacht ik dat ik het doorhad.

Nu weet ik niets.

349. Zoeker naar het einde van het zoeken, 18

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

350. Pleinvrees voor de pleingeest

Redeloos gesprek over de nodeloze angst voor een grondeloos bestaan.

(Deel 1 van een dwaalgesprek in 6 delen over het gat van niet-weten.)

De Grote Bedrieger

Phoebe: Jij zegt dikwijls dat je niets weet, maar dan weet je toch dat je niets weet?

Hans: Als mensen horen dat ik niets weet, worden ze gelijk onrustig of lacherig of agressief. Ze gaan meteen bewijzen dat dat niet kan. Ze ervaren mijn zogenaamde lege leer als een aanslag op hun eigen zekerheden. Maar ik ontken niets. Ik bevestig ook niets. Bovendien spreek ik alleen maar voor mezelf. Dus wat is het probleem?

Phoebe: Ik heb dat ook. Ik lees jou niet graag. Ik word er onrustig van.

Hans: Raar, die agitatie. Maar ook wel weer begrijpelijk. Het is niet plezierig om een gapend gat tegenover je te hebben. Voor mij ook niet. Daar krijg je hoogtevrees van. Dieptevrees. Ruimtevrees. Pleinvrees voor de pleingeest.

Gaten moeten opgevuld worden. Als ik zeg dat ik over wezens- en levenskwesties niets weet, maken mensen er daarom gauw een socratisch niet-weten van: 'Ik weet alleen maar dat ik niets weet', of in de taal van de non-dualist Jan van Delden: 'Ik weet niets maar dat weet ik wel verdomd zeker.' Maar dat bedoel ik niet. Integendeel.

Phoebe: Wat bedoel je dan wel?

Hans: Gewoon, dat ik het allemaal niet meer weet. Dus ook niet dat ik het allemaal niet meer weet.

Phoebe: Wat zeg je dan nog helemaal?

Hans: Precies.

Phoebe: Wat gebeurt er als je dat duidelijk probeert te maken?

Hans: Wanneer het onderwerp niet-weten op tafel komt zetten mensen dus meteen hun kennisdetector aan en als ze doorkrijgen dat er in de normale stand niks te vinden is zetten ze hem in de hoogste stand. Ze willen me vangen. Op heterdaad betrappen. Als ik bijvoorbeeld zeg dat ik niet weet of ik iemand of niemand ben, dan zeggen ze dat ik dát toch weet. Maar dat weet ik ook niet. Of dat ik dan toch weet dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent. Maar dat weet ik ook niet. Of dat ik dan toch weet dat ik niet weet dat ik dat niet weet. Maar dat weet ik ook niet...

Phoebe: Hoezo niet?

Hans: Omdat het allemaal maar gedachten zijn. Hoe weet ik nou of ze waar zijn? Alleen maar omdat ik ze denk? Misschien worden ze mij wel ingefluisterd door de Grote Bedrieger. Misschien droom ik dit alles wel. Misschien...

Phoebe: Denk je er ooit achter te komen of je iemand of niemand bent?

Hans: Die vraag houdt mij totaal niet bezig.

Phoebe: Het is het een of het ander.

Hans: In een tweewaardige logica wel. In een vierwaardige logica heb je meer mogelijkheden. Daarin moet je zien vast te stellen of je iemand bent, niemand, iemand en niemand of iemand noch niemand. Dat is het tetralogische denkschema van de Indiërs. Volgens de nominalisten zijn 'iemand' en 'niemand' woorden zonder tegenhanger in de realiteit, en valt er helemaal niets te kiezen. Volgens de gestaltpsychologie kun je jezelf niet los zien van je omgeving en 'ben' je steeds iemand anders. Volgens de immanentieleer ben je niet iemand onder andere iemanden, en ook niet niemand in niemandsland, maar de ene god die alles is en in alles is. Je kunt er alle kanten op. Welke theorie spreekt je aan? Welke logica wil je hanteren?

Phoebe: Dus jij denkt niet dat je er ooit achter zult komen of je iemand of niemand bent?

Hans: Ik kan niet eens in de vraag geloven, laat staan in een antwoord.

351. Een onvermijdelijke regressie

(Deel 2 van een dwaalgesprek in 6 delen over het gat van niet-weten.)

Phoebe: Hoe kom ik daar, in dat niet-weten?

Hans: Welk niet-weten?

Phoebe: Agnose, dwijsheid, of hoe je het ook noemt.

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Phoebe: Ik vraag je niet om me erheen te brengen, ik vraag je alleen maar om me de weg te wijzen.

Hans: De weg naar niet-weten!

Phoebe: Je weet toch zeker wel hoe je er zelf gekomen bent?

Hans: Weet jij hoe je hier gekomen bent?

Phoebe: Met de bus.

Hans: En die bus?

Phoebe: Wat is daarmee?

Hans: Hoe is die bus hier gekomen?

Phoebe: Over de weg natuurlijk.

Hans: Ik bedoel, waar komt die bus vandaan?

Phoebe: Uit de fabriek natuurlijk.

Hans: En die fabriek?

Phoebe: Gebouwd door mensen.

Hans: En die mensen?

Phoebe: Geëvolueerd uit levenloze materie.

Hans: En die evolutie?

Phoebe: ...

Hans: En die materie?

Phoebe: God...

Hans: En die God?

Phoebe: ...

Hans: Nou dan.

Phoebe: Ieder antwoord leidt tot nieuwe vragen.

Hans: Voor wie de moed heeft om ze te stellen. Of te bang is om ze niet te stellen, zoals ik.

Phoebe: Waardoor ik ten diepste niet weet hoe ik hier gekomen ben.

Hans: Ten diepste niet.

Phoebe: En jij weet ten diepste niet hoe je tot niet-weten gekomen bent.

Hans: Ik kan niet eens in de vraag geloven, laat staan in een antwoord.

Phoebe: Dat zei je net ook al.

Hans: Zie je het patroon?

Phoebe: En als je toch antwoord moest geven? Ten oppervlakkigste, zeg maar?

Hans: Een beroemde uitspraak van John Lennon luidt, 'Life is what happens to you while you're busy making other plans.' Rare uitspraak trouwens. Wie zegt dat die plannenmakerij je niet net zo goed overkomt? Maar goed, niet-weten is wat mij overkwam terwijl ik zekerheid zocht. Kun je daarmee uit de voeten?

352. Een universeel geloof

(Deel 3 van een dwaalgesprek in 6 delen over het gat van niet-weten.)

Phoebe: Ik zoek ook zekerheid, maar het niet-weten heb ik nog niet gevonden.

Hans: Niet-weten kun je niet vinden.

Phoebe: Waarom niet?

Hans: Omdat het een kwestie van verliezen is.

Phoebe: Waarvan?

Hans: Van antwoorden. Van vragen. Van woorden. Van zekerheden. Van onzekerheden. Van zin. Van onzin.

Phoebe: Denk jij dan nooit eens dat je iets weet?

Hans: Aan de lopende band. Nu bijvoorbeeld weer dat ik aan de lopende band iets denk te weten.

Phoebe: Nou dan.

Hans: Maar geloof ik zo'n gedachte? Belangrijker nog, voor hoelang?

Phoebe: Op die manier.

Hans: Praktisch iedereen gelooft zijn gedachten onvoorwaardelijk. De meeste mensen denken dat ze iemand zijn: een persoon, die gedachten produceert. Ze denken dat hun gedachten aan hun brein ontspringen, of aan hun geest, of aan een andere permanente structuur, waarvan de gedachte een symptoom is, een product, een openbaring. Zoals stoom uit een ketel of stank uit een riool of beelden uit een projector. Ze denken dat hun gedachten een natuurgetrouwe afspiegeling zijn van een andere permanente structuur die ze de werkelijkheid noemen.

Phoebe: En volgens jou is dat niet zo?

Hans: Dat weet ik ook al niet. Het valt niet te bewijzen dat het zo is en het valt niet te bewijzen dat het niet zo is. Het valt zelfs niet te bewijzen dat het niet valt te bewijzen. Probeer maar eens.

Phoebe: Ik geloof je zo ook wel.

Hans: En dat is het verschil.

Phoebe: Wat is het verschil?

Hans: Voor mij is het geen vraag waar mijn gedachten vandaan komen en wat ze voorstellen. Voor jou ook niet, vermoed ik. Maar voor mij is het geen vraag omdat ik geen antwoord meer verwacht en voor jou is het geen vraag omdat het antwoord vanzelf spreekt.

Phoebe: Inderdaad.

Hans: Als er een gedachte in mij opkomt dan neem ik niet aan dat die afkomstig is uit een of andere vaste structuur zoals mijn 'geest', mijn 'ziel', mijn 'persona', mijn 'geheugen' of mijn 'brein'. Ik neem niet aan dat de gedachte in kwestie 'mij' laat weten hoe 'ik' ergens over denk of hoe 'de werkelijkheid' eruit ziet. Voor mij is het gewoon een gedachte, wat dat ook moge wezen. Ook dit is maar zo'n gedachte.

Gedachten zijn notoir vluchtig en als je niet veronderstelt dat ze iets betekenen of ergens over gaan of ergens voor staan dan ben je er over het algemeen zo mee klaar. Of zij met jou, wie zal het zeggen. Dat geldt ook voor deze gedachten. Jij denkt misschien dat ik juiste of onjuiste, belangwekkende of onbeduidende dingen beweer over verlichting of over een hogere realiteit of over niet-weten of over mezelf, maar ik niet. Ik denk ook niet van niet. Ik weet alleen maar niet.

Phoebe: Zeker weten?

Hans: Probeer je me te vangen?

Phoebe: Ik wil alleen maar controleren of je zeker weet dat je gedachten nergens over gaan.

Hans: Heb ik gezegd dat mijn gedachten nergens over gaan? Ik heb gezegd dat ik niet aanneem dat mijn gedachten ergens over gaan. Ik neem ook niet aan dat ze nergens over gaan. Niets neem ik aan over mijn gedachten. Zelfs niet dat ik er niets over aanneem. Ook dit zijn maar gedachten. Weg ermee. En weg ook met het 'weg ermee'.

353. Zap zap zap

(Deel 4 van een dwaalgesprek in 6 delen over het gat van niet-weten.)

Phoebe: Maar als dezelfde gedachten nou steeds terugkeren? Is dat dan niet voldoende bewijs voor een onderliggende structuur die de gedachten voortbrengt en een achterliggende werkelijkheid die de gedachten informeert?

Hans: Zou best kunnen, maar hoe wou je dat verifiëren? Hoe weet je bijvoorbeeld of een gedachte werkelijk voor de zoveelste keer langskomt of dat dat alleen maar zo lijkt?

Phoebe: Als we zo gaan beginnen...

Hans: Ooit een déjà vu gehad?

Phoebe: Toen ik voor de eerste keer Rome bezocht en plaatsnam op een terras had ik sterk de indruk dat ik daar al eens eerder had gezeten. Maar dat kon niet want ik was nog nooit in Rome geweest.

Hans: Zou op dezelfde manier een gebeurtenis die je al voor de duizendste keer mee denkt te maken – opstaan, plassen, koppijn, een dwanggedachte – ook niet een déjà vu kunnen zijn? Een valse herinnering? Suggestie?

Phoebe: In principe wel, ja. Maar dat weet je toch helemaal niet?

Hans: Nee, dat weet je niet. En dat het niet zo is, weet je ook niet. Of al die woorden wel meer zijn dan hokjes om jezelf en de dingen in op te sluiten, weet je ook niet. Of 'hokje' en 'jezelf' en 'de dingen' en 'opsluiten' op hun beurt geen hokjes zijn, weet je ook niet. Conclusie?

Phoebe: Volgens mij ben jij knettergek.

Hans: Ik zou hetzelfde van jou kunnen zeggen.

Phoebe: Ik vind het zo... theoretisch allemaal.

Hans: Alsof zeggen dat het theoretisch is niet theoretisch is.

Phoebe: Ik ervaar toch continuïteit?

Hans: En?

Phoebe: Dat is mij genoeg.

Hans: Wat zeur je dan?

Phoebe: ...

Hans: Ik bedoel, wat doe je dan hier?

Phoebe: ...

Hans: Nou?

Phoebe: Misschien is het mij toch niet genoeg.

Hans: Zelf ervaar ik ook continuïteit. Het is een van de grote raadselen van het bestaan dat we ondanks talloze onderbrekingen en verschuivingen van perspectief dag en nacht continuïteit ervaren. Een droom bijvoorbeeld begint altijd middenin maar wanneer sta je daar – in de droom – ooit bij stil? Stel jij je in iedere droom de vraag: 'Hoe ben ik hier nou weer terecht gekomen?' Welnee. Het komt niet eens in je op. Natuurlijk ben je daar en natuurlijk zijn precies dit de omstandigheden waarin je verkeert.

Vraag jij je weleens af, in de droom, hoe het kan dat je in de vorige droom tien jaar jonger was of van een ander geslacht, ras, soort of karakter? Ben je gek; jij bent jij en er is nooit een andere jij geweest dan deze ene, wier bestaan onbetwijfelbaar is en geen verklaring behoeft. De droom begint en alles spreekt vanzelf. Wie je in die droom ook bent. Tien, twintig, honderd dromen per nacht. Iedere nacht weer. En nooit het gevoel dat er iets niet klopt. Zo krachtig zijn de wanen die het brein voortbrengt. Gesteld dat het wanen zijn. Gesteld dat het brein ze voortbrengt. Gesteld dat je een brein hebt. Gesteld dat er een jij is. Gesteld dat dit hele verhaal niet een van die wanen is.

Toen je als kind in de wereld verscheen, of toen de wereld in jou verscheen – wie zal het zeggen – dacht je toen: 'Verrek, waar komt dit ineens allemaal vandaan?' Nee hè? Je was er en je bent er nog steeds en je bent er nooit niet geweest, niet dat je weet, want toen was je er nog niet, en je zult er ook nooit niet meer zijn, niet dat je weet, want dan ben je er niet meer om te ervaren dat je er niet meer bent, dus het zal wel kloppen allemaal.

Ook overdag val je onophoudelijk in en uit standpunten, ideeën, verhalen, gesprekken, gebeurtenissen, teksten, televisieprogramma's, noem maar op, zonder begin of einde. Van de ene 'werkelijkheid' in de andere. De 'realiteiten' wisselen elkaar in noodtempo af en je merkt het niet eens. Je gelooft het allemaal. Onvoorwaardelijk. Elke waarneming. Ieder verhaal. Elk televisiebeeld. Iedere gedachte. Nu deze weer. Dag en nacht: zap, zap, zap. Onderbreking na onderbreking en je blijft maar continuïteit ervaren. Jij blijft maar jij en de wereld blijft maar de wereld.

Wie is hier nou gek?

354. Een gapend gat

(Deel 5 van een dwaalgesprek in 6 delen over het gat van niet-weten.)

Phoebe: Het begint me een beetje te duizelen.

Hans: Omdat je in de afgrond kijkt.

Phoebe: Bedoel je Hans van Dam?

Hans: Ook.

Phoebe: Wie dan nog meer?

Hans: Jijzelf, de anderen, de tienduizend verschijnselen.

Phoebe: De hele mikmak.

Hans: Een gapend gat.

Phoebe: In de zin van leegte, sunyata?

Hans: In de zin van: je weet niet wat het is, je weet niet dat het is, je weet niet waar het ene ophoudt en het andere begint, je weet niet hoe het samenhangt, je weet niet waar het vandaan komt, je weet niet waar het heen gaat, je weet niet waar het voor dient, je weet niet dat het nergens voor dient, je weet niet wat je moet doen, je weet niet wat je moet laten, je weet niet of je kunt kiezen, je weet niet of je het ooit zult weten en je weet niet of je het niet kunt weten. Een gapend gat.

Phoebe: Ik vind het best eng allemaal.

Hans: Ach. Dit is ook maar een verhaal.

Phoebe: Zeker weten?

Hans: Zeker weten, dat is pas eng.

Phoebe: Zeker weten?

Hans: Je probeert me nog steeds te vangen.

Phoebe: Verwijs je naar de zalige onwetendheid uit de bijbel? Als kinderen zult gij zijn?

Hans: Dat riekt naar obscurantisme.

Phoebe: Obscurantisme?

Hans: Het idee dat je de mensen maar beter dom kunt houden.

Phoebe: Maar je zei net zelf...

Hans: Voor je het weet roep je op tot boekverbranding.

Phoebe: Heb jij iets tegen boekverbranding?

Hans: Je probeert me nog steeds te vangen.

Phoebe: Ik kan het gewoon niet laten.

Hans: Helpt het een beetje?

Phoebe: Nee.

Hans: Troost je, iedereen krijgt pleinvrees van mij.

Phoebe: Agorafobie.

Hans: Gauw wat straatlantaarns erop!

Phoebe: Een paar reclameborden!

Hans: Prullenbakken!

Phoebe: Platanen!

Hans: Een kiosk!

Phoebe: Heb jij daar dan geen last van?

Hans: Niet in het minst.

Phoebe: Omdat jij dat plein bent natuurlijk.

355. Kauwgom voor de geest

(Deel 6 van een dwaalgesprek in 6 delen over het gat van niet-weten.)

Hans: Flauwekul.

Phoebe: Wat?

Hans: Al die metaforen. Voor je het weet ga je ze weer letterlijk nemen. 'Ik ben het plein waarop het wereldgebeuren zich voltrekt.' 'Ik ben de afgrond waarin de grond verschijnt.' 'Ik ben het gat waarin het weten verdwijnt.'

Phoebe: Ik zat er net aan te denken.

Hans: En dan moet je weer gaan uitleggen hoe het plein en het wereldgebeuren van elkaar verschillen en hoe ze met elkaar samenhangen en hoe ze ondanks of dankzij hun overeenkomsten en verschillen toch die ene vol-ledigheid vormen, die jij bent, maar ik ook, en hoe dat nou weer kan, en hoe het kan dat jij dat nog steeds niet ziet of voelt of ervaart en ik wel, of omgekeerd, en wat je allemaal moet doen en laten onder leiding van wie wel en wie niet of liever zonder leiding om het eindelijk opnieuw of voor het eerst werkelijk of werkelijk voor het eerst in of onder of zonder ogen of oren te kunnen zien of horen of voelen of ervaren.

Phoebe: Als dat zou kunnen...

Hans: En hupsakee, weer een leer erbij om je tanden op stuk te bijten.

Phoebe: Jij hebt toch ook een leer bedacht?

Hans: De lege leer.

Phoebe: Wat is de lege leer?

Hans: Kauwgom voor de geest.

Phoebe: Wat als je op de lege leer kauwt?

Hans: Dan blijf je leeg.

Phoebe: En dan?

Hans: En dan?

Phoebe: En dan niets, wou je zeggen.

Hans: Alsof ik iets wou zeggen.

Phoebe: Want er valt niets te zeggen.

Hans: Dat hoor je mij niet zeggen.

Phoebe: Brr.

Hans: Wat ril je nou?

Phoebe: Dat komt door jou.

Hans: Het is maar een verhaal.

Phoebe: O, gelukkig.

Hans: Aan de andere kant...

Phoebe: Wat?

Hans: Dat het maar een verhaal zou zijn, is ook maar een verhaal.

Phoebe: Griezel.

356. Zoeker naar het einde van het zoeken, 19

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

357. Niet-weten in zestien patstellingen

Wat is de geest van niet-weten?
Niet weten van de geest.

Wat is het hart van niet-weten?
Niet weten van het hart.

Wat is het oog van niet-weten?
Niet weten van het oog.

Wat is de helderheid van niet-weten?
Niet weten van helderheid.

Wat is de verlichting van niet-weten?
Niet weten van verlichting.

Wat is de bron van niet-weten?
Niet weten van de bron.

Wat is het absolute van niet-weten?
Niet weten van het absolute.

Wat is de essentie van niet-weten?
Niet weten van essentie.

Wat is het volmaakte van niet-weten?
Niet weten van volmaaktheid.

Wat is de Tao van niet-weten?
Niet weten van de Tao.

Wat is het paradijs van niet-weten?
Niet weten van het paradijs.

Wat is de filosofie van niet-weten?
Niet weten van filosofie.

Wat is de waarde van niet-weten?
Niet weten van waarde.

Wat is de spiritualiteit van niet-weten?
Niet weten van spiritualiteit.

Wat is de waarheid van niet-weten?
Niet weten van de waarheid.

Wat is het weten van niet-weten?
Niet weten.

358. Niet-weten in acht keerstellingen

Wat is de weg van niet-weten?
Niet weten van het doel.
Wat is het doel van niet-weten?
Niet weten van de weg.

Wat is de dwaasheid van niet-weten?
Niet weten van wijsheid.
Wat is de wijsheid van niet-weten?
Niet weten van dwaasheid.

Wat is de dualiteit van niet-weten?
Niet weten van non-dualiteit.
Wat is de non-dualiteit van niet-weten?
Niet weten van dualiteit.

Wat is het ongeluk van niet-weten?
Niet weten van geluk.
Wat is het geluk van niet-weten?
Niet weten van ongeluk.

Wat is het kwade van niet-weten?
Niet weten van het goede.
Wat is het goede van niet-weten?
Niet weten van het kwade.

Wat is de hel van niet-weten?
Niet weten van de hemel.
Wat is de hemel van niet-weten?
Niet weten van de hel.

Wat is de illusie van niet-weten?
Niet weten van de werkelijkheid.
Wat is de werkelijkheid van niet-weten?
Niet weten van de illusie.

Wat is het relatieve van niet-weten?
Niet weten van het absolute.
Wat is het absolute van niet-weten?
Niet weten van het relatieve.

359. Zoeker naar het einde van het zoeken, 20

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.

360. Wat staat er boven de poort van niet-weten?

Drie verschillen tussen de ingang en de uitgang.

1

'Wat staat er boven de poort van niet-weten?'

'Binnen of buiten?'

'Buiten.'

'Zeker weten?'

'En binnen?'

'Zeker weten.'

2

'Wat staat er boven de poort van niet-weten?'

'Binnen of buiten?'

'Buiten.'

'U kan nog terug.'

'En binnen?'

'U kan niet meer terug.'

3

'Wat staat er boven de poort van niet-weten?'

'Binnen of buiten?'

'Buiten.'

'Welkom in het gekkenhuis.'

'En binnen?'

'Welkom in het gekkenhuis.'

361. Een zingende in de woestijn

Als er niets meer is, jijzelf ook niet, dan ben je nog niet ver genoeg gegaan.

Beste Hans,

NietWeten.nl is de site van een zendeling, zoveel is zeker.

Beste Rupert,

Als iemand de hele dag staat te zingen, verkondigt hij dan een boodschap of houdt hij van muziek?

Rupert: Hoe zou jij NietWeten.nl noemen?

Hans: De site van een zwerveling dan maar.

Rupert: Ik ben ook een zoeker naar inzicht.

Hans: Wie dan nog meer?

Rupert: Jij toch?

Hans: Weer mis. Ik ben geen zoeker. Ook niet iemand die gevonden heeft. Eerder iemand die verloren heeft. Alle inzichten ben ik kwijtgeraakt. Deze ook. Troostprijs: Uitzicht.

Rupert: Ik ben een knoop, een kluwen, maar als ik mij ontwar, dan ben ik er niet meer.

Hans: Je spreekt in raadselen. Is je databundel te klein? Heb je een tweethoofd gekregen van al het twitteren? Lijd je aan woordarmoede? Kan je je toetsen niet vinden? Moet je typen met je tong of je navel?

Rupert: Het ontwarren van de kluwen staat voor de mensen die zichzelf ten einde denken, die hun zekerheden ontrafelen tot en met de laatste zekerheid. Dan is er niets meer, dan ben je er niet meer.

Hans: Wat weet jij daarvan? Heb je jezelf ten einde gedacht of heb je erover gelezen?

Rupert: Nee, ik mezelf niet ten einde gedacht en ik moet er niet aan denken. Inderdaad heb ik dat ergens gelezen, in een boek over boeddhisme.

Hans: Je roept maar wat.

Rupert: Ik dacht, eens kijken wat er gebeurt.

Hans: Nou Roeperd, dat er na het ontrafelen van je zekerheden tot de laatste zekerheid niets meer is, jijzelf ook niet, is niet mijn ervaring. Zelf zou ik zeggen, als er niets meer is, jijzelf ook niet, dan ben je nog niet ver genoeg gegaan. Dan heb je het einde nog niet ten einde gedacht en zit je vast in de zekerheid dat er niets of niemand meer is.

Rupert: Merkwaardig dat je ontkent een zendeling te zijn.

Hans: Merkwaardig dat je niet ingaat op wat ik zeg.

Rupert: Ik besef dat ik er niets aan toe te voegen heb.

Hans: Als je in mij een zendeling ziet, moet je toch eens uitleggen wat mijn zending is. Zelf zou ik mijn huidige leven eerder demissionair noemen. Ik ben geen missionaris, maar een demissionaris.

Rupert: Je bent een zendeling met de dodelijke ernst van een roepende in de woestijn. Die blijft roepen dat we niets kunnen weten.

Hans: Weer mis. Ik roep nooit dat we niets kunnen weten. Ik som op wat ik nu niet weet, en dat is nogal wat. Mijn zending is zo leeg als mijn leer en mijn hoofd.

Rupert: Wat betekent niet-weten dan, als het niet betekent dat we niets zeker weten?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt Voor mij betekent het alleen maar dat ik op het moment van spreken geen antwoorden op wezens- en levensvragen meer heb. Waardoor ook de rest van mijn bestaan in de lucht hangt.

Rupert: Je hangt.

Hans: Meer heeft een wolk niet te doen.

Rupert: Geen antwoorden meer.

Hans: En geen vragen meer.

Rupert: Dan kan je beter dood wezen.

Hans: Nee hoor, de dood is mij even welkom als het leven.

362. Christus te paard – doordraven op weg naar huis

Vingerwijzing voor beroepszoekers.

Beste Hans,

Na het lezen van 'spirituele verlichting' van Jed McKenna wilde ik meer over de schrijver weten. Dat lukte niet. Wel vond ik jouw site. Ik vind het prachtig, maar waar het nou over gaat? Misschien zijn al die dwaalteksten maar doornen om de doornen uit onze ogen te peuteren?

Beste Tanja,

Ja, onze Jed is het best verborgen geheim van deze planeet. Of misschien het op een na beste. Of er ogen om mijn doornen zitten staat nog te bezien.

Tanja: Wat is het best verborgen geheim van deze planeet?

Hans: Of er een geheim is.

Tanja: Wou jij beweren van niet?

Hans: Dan zou het meteen geen geheim meer zijn. Wat is jouw geheim?

Tanja: Van jongst af aan lees ik spirituele teksten, van Madame Blavatsky tot Joseph Campbell, van Ananda tot Vivekananda en alles wat daartussen en omheen staat in mijn boekenkast. Ik doe aan yoga en aan meditatie (vipassana).

In een opwelling kocht ik een aantal jaar geleden een boek van Eckhart Tolle, wat iets raakte. Via Tolles boeken kwam ik bij McKenna. Verslond in korte tijd zijn boeken. Ging tegelijk mijn huis grondig opruimen, schrijven en loslaten en was verbaasd over de parallellen die ik kon trekken met alles wat ik tegenkwam.

Het idee-fixe dat ik kunstenaar was (of moest worden) heb ik opgegeven. Mijn huis is nu een stuk leger maar zelf ben ik er nog steeds. Wat volgens Bartjens niet de bedoeling is. Toch lucht de gedachte dat er geen piloot is en geen vliegtuig om te besturen deze (brokken)piloot wel op.

Nu mijn vraag. Jij citeert Alexander Smit op je site: 'Accepteer dat er geen verder is'. Jed McKenna houdt ons in zijn boeken steeds voor verder te gaan. Ken Kesey doopte zijn magische bus 'Further'. De Boeddha zegt: 'Gate, gate, paragate, parasamgate'. Hoe ziet 'verder' er vanuit jouw standpunt uit?

Hans: Wat maakt het uit? Ik kan wel zoveel zeggen. De Boeddha kan wel zoveel zeggen. Ken Kesey kan wel zoveel zeggen. Jed McKenna kan wel zoveel zeggen. Alexander Smit kan wel zoveel zeggen. Jijzelf niet minder. Waarom zou je luisteren, en naar wie?

Tanja: Maar wat is nou jouw verder?

Hans: Dat is nou mijn verder.

Tanja: Verder betekent voor jou: lekker laten lullen, praatjes vullen geen gaatjes.

Hans: Mijn praatjes ook niet.

Tanja: Is er volgens jou een laatste waarheid, een hoogste werkelijkheid, een overkant?

Hans: Je hebt je een slag in de rondte gepraktiseerd en gemediteerd en tussendoor tienduizend boeken en artikelen gelezen, van advaita tot zen, en je bent er nog steeds niet uit?

Tanja: Daar komt het wel op neer.

Hans: Dat maakt mij de tienduizend en eerste.

Tanja: En misschien wel de beste.

Hans: Een kans van een op de tienduizend en één.

Tanja: Hoop doet leven.

Hans: Hoop doet streven.

Tanja: Dat moet ik toegeven.

Hans: Hoop doet zweven.

Tanja: Dat moet ik ook toegeven.

Hans: Hoop doet beven.

Tanja: Ook dat moet ik toegeven.

Hans: Hoop doet kleven.

Tanja: Dit duurt zeker nog wel even.

Hans: Meestal een dag of zeven.

Tanja: Maar wie heeft er volgens jou gelijk, Hans?

Hans: Na al dat zoeken in al die boeken moet je toch onderhand wel een flauw vermoeden hebben.

Tanja: Nou?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Tanja: Ja, en nu vraag ik het aan jou.

Hans: Dat was mijn antwoord al.

Tanja: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Hans: Het is maar net welk boek je opneemt. Het is maar net naar welke kerk, sangha, sekte, priester, meester, rinpoche, goeroe, osho of wijze je gaat. Het is maar net aan wie je het vraagt.

Tanja: Ik weet niet of ik dit wel wil weten.

Hans: Lees anders de Intergalactische Waarheidsconferentie in mijn Witboek voor Zoekers maar even.

Tanja: Christus te paard! Wat een verschrikking om het allemaal op een rijtje te zien. Je kan net zo goed meteen in een wak springen.

Hans: Sorry hoor. Je had ook gewoon naar alle boeken in je boekenkast kunnen kijken in plaats van ze één voor één te lezen. Dan zie je in één oogopslag waar je mee bezig bent en hoe het met je gesteld is zonder het nog aan anderen te hoeven vragen.

Tanja: Toch blijf ik benieuwd naar jouw antwoord. Hoe ziet 'verder' eruit vanuit het standpunt van niet-weten?

Hans: Ik heb geen standpunt en dat is mijn verder.

Tanja: Ga verder.

Hans: Overal zie ik tienduizend alternatieven voor, tienduizend bezwaren tegen, tienduizend aannames onder, tienduizend vragen achter. Daarom kan ik in geen enkele gedachte gaan wonen. Ook in deze niet. Het lukt me gewoon niet, al wil ik nog zo graag. Dus trek ik maar weer verder. Naar de volgende gedachte. En naar de volgende. En de volgende...

Tanja: Gate, gate, paragate...

Hans: En daar nog weer voorbij.

Tanja: Ben jij het die verder trekt of zijn het de gedachten die aan jou voorbij trekken?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Tanja: Er ligt nergens een antwoord op me te wachten.

Hans: Er liggen overal antwoorden op je te wachten.

Tanja: Ja, dat is nou net het probleem.

Hans: Alleen voor wie wil kiezen.

Tanja: Niet kiezen, is dat dan de oplossing?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Tanja: Doe ik daar nou al die moeite voor.

Hans: Waarvoor?

Tanja: Jou een antwoord te ontfutselen.

Hans: Je kan net zo goed meteen in een wak springen.

Tanja: Volgens mij ben jij hier degene die in een wak zit.

Hans: Wak zonder grenzen.

Tanja: Een wak in het wat?

Hans: Een wak in een gat.

Tanja: Een wak in het weten?

Hans: Dat ben ik vergeten.

Tanja: Zo komen we niet verder.

Hans: Moet je ergens heen dan?

Tanja: Bedoel je dat we er al zijn?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt.

363. Is de waarheid subjectief?

Het is maar net aan wie je het vraagt.

Beste Hans,

Mooi hoor, dat steeds terugkerende antwoord 'Het is maar net aan wie je het vraagt.' Waar jij naar verwijst, noemen wij filosofen in navolging van Protagoras al sinds de vijfde eeuw voor onze jaartelling 'subjectivisme'. Inderdaad beste mensen, de waarheid is volstrekt subjectief.

Beste Ilja,

Jij zegt het.

Ilja: Wat zeg jij?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Ilja: Als je het mij vraagt, dan.

Hans: Maar wie vraagt jou wat?

Ilja: En als je het jou vraagt?

Hans: Ik had het niet over de waarheid. Ik verkondig hier geen subjectivisme en ook niets anders. Misschien zitten er onder de tienduizend antwoorden best relatieve of zelfs absolute waarheden. Wat weet ik daarvan?

Een chiropractor vindt altijd een scheve wervel. Een acupuncturist vindt altijd een energieblokkade. Een allergoloog vindt altijd een overgevoeligheid. Een freudiaan vindt altijd een neurose. Dat is alles wat ik wilde zeggen.

Ilja: Heb jij soms medicijnen gestudeerd, Hans?

Hans: Een boeddhist ziet overal lijden. Een non-dualist ziet overal afgescheidenheid. Een asceet ziet overal onmatigheid. Een christen ziet overal zonden. En een subjectivist ziet overal subjectiviteit.

Ilja: Zelfs het relativisme is relatief.

Hans: Absoluut.

Ilja: Ja, is het nou relatief of is het nou absoluut?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Ilja: Eerlijk zeggen, ben jij er uiteindelijk in geslaagd om aan de tienduizend antwoorden te ontsnappen?

Hans: Wat denk jij?

Ilja: Ik denk van wel.

Hans: Zo zie je maar weer.

Ilja: Wat?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt.

364. Niet-weten is de uitgang uit alle uitgangspunten

'Wat is weten?'

'Een vertrekpunt.'

'Waarnaartoe?'

'Niet-weten.'

'Wat is niet-weten?'

'Ook een vertrekpunt.'

'Waarnaartoe?'

'Dat is de vraag niet.'

'Wat is de vraag wel?'

'Waarvandaan.'

'Waarvandaan is niet-weten een vertrekpunt?'

'Overal vandaan.'

365. Doorreisgids voor lunatics

Meester Maya wijst de weg.

Aan allen die het Zelf hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die niet-zelf hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die hun Oorspronkelijke Gezicht hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die hun Ware Aard hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die hun Essentie hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Boeddhanatuur hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Zoheid (Bhutatata) hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Leegte (Sunyata) hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Vol-Ledigheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Niets hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Gewone Geest hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Oorspronkelijke Geest hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Grote Geest hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Weetnietgeest hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Lege Geest hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Geen-geest hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Ene hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Unio Mystica hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Bron hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Goddelijke hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Godheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Eerste Oorzaak hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Onnoemelijke hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Onuitsprekelijke hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Absolute hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Oneindige hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Zijn hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Niet-zijn hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Zijn-in-niet-zijn hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Niet-zijn-in-zijn hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Hoogste Werkelijkheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Diepste Werkelijkheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Onbemiddelde Werkelijkheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Ultieme Werkelijkheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Atman hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Anatman hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Brahman hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Parabrahman hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Nirwana hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Parinirwana hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Hemel hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Hiernamaals hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Paradijs hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Walhalla hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Hier hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Gene Zijde hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die een Hogere Dimensie hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Heden hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Eeuwigheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Eeuwige Heden hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Bewustzijn hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Keuzeloos Gewaarzijn hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Aanwezigheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Niet-Oordelen hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Kennendheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Non-dualiteit hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Vrijheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Helderheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Zuiverheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Ik-ben hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Ik-ben-dat (Tat Tvam Asi) hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Stilte hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Openheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Onschuld hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Volmaaktheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Onvoorwaardelijke Liefde hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Innerlijke Vrede hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Onbewogenheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Neutraliteit hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Ataraxie hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Indifferentie hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die hun Natuurlijke Staat hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Satori hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Ananda hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Jhana hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Moksha hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Samadhi hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Wuwei hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Wijsheid-zonder-wijsheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Wijsheid-voorbij-alle-wijsheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Onwankelbare Wijsheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Woordeloze Wijsheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Lege Wijsheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Dwaze Wijsheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Wijsheid-van-Hart-tot-Hart hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Prajnaparamita hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Perfectie van de Perfecties hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Sophia Perennis hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Kennis-zonder-leraar hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Dharma hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die Niet-dharma hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Waarheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die de Waarheid-zonder-waarheid hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het Weten hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die niet-weten hebben gerealiseerd:

Verder, verder!

Aan allen die het 'Verder, Verder!' hebben gerealiseerd:

Schei toch uit.

366. Schapen tellen

Een kleine pastorale.

Dit is een schaap
Dat is een herder
Zei het kind en
Speelde verder

Ik ben geen schaap
Ik ben een herder
Dacht de knaap en
Droomde verder

Ik ben een schaap
Ik ben geen herder
Dacht de man en
Peinsde verder

Ik ben geen schaap
Ik ben geen herder
Denk ik nu en
Wat heet verder

367. Woordenboek niet-weten: antwoord, oplossing

Waarom er nooit een eind aan je zoektocht komt.

antwoord

aanleiding voor nieuwe vragen

oplossing

aanleiding voor nieuwe problemen

368. Alle wegen leiden naar wegen

Meester Maya zegt:

Er zijn geen wegen naar Rome.

Rome is een weg zonder end.

Alle wegen leiden naar wegen.

369. Alle wegen leiden naar lijden

Over de waarde van gevestigde religies.

Meester Maya zegt:

Alle wegen leiden naar lijden.

Want:

Alle wegen leiden.

En:

Alle wegen wegen.

370. De weg verlaten om hem te vinden

Meester Maya zegt:

Het komt er niet op aan de weg te volgen maar hem te verlaten.

Hij zegt ook:

Wie de weg verlaat om hem te vinden, is nog altijd onderweg.

371. Je weg vinden zonder hem te vinden

Meester Maya zegt:

Wie de weg kwijt is, wil ergens heen.

Hij zegt ook:

Wie ergens heen wil, is de weg kwijt.

En:

Wie nergens heen wil heeft de weg niet gevonden maar is hem niet meer kwijt.

372. Over de relatie tussen de wil en de weg

Meester Maya zegt:

Waar wil je heen?

Waar wil je weg?

Waar een wil is, is geen weg.

Waar een weg is, is een wil.

Waar geen weg is, is geen wil.

373. In zee wonen is nat gaan

Meester Maya zegt:

De zee kent geen wegen.

Wie in zee wil wonen, moet schipbreuk lijden.

Wie geen schipbreuk wil lijden, moet in zee gaan wonen.

374. Ben jij je hele leven al op zoek of denk je dat alleen maar?

Komt een leerling bij een meester...

Leerling: Ik zoek mezelf.

Meester: Dat denk jij.

Leerling: Al mijn hele leven.

Meester: Ook als je de krant zit te lezen?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je televisie kijkt?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je op het internet zit?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je zit te kletsen?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je zit te flirten?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je boodschappen doet?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je staat te koken?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je schoonmaakt?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je aan het klussen bent?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je voor de kinderen zorgt?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je aan het werk bent?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je feestviert?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je aan het sporten bent?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je met je hobby's bezig bent?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je op vakantie bent?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je bij de dokter zit?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Als je ligt te slapen?

Leerling: Dan even niet.

Meester: Wanneer dan eigenlijk wel?

375. De identiteitscrisis van een spiegel

Ben ik glas of ben ik beeld
Vroeg de spiegel, diep verdeeld

Ik ben glas en ik ben beeld
Zei de spiegel, nu geheeld

Ben ik glas of ben ik beeld
Vroeg de spiegel, weer verdeeld

Noch het glas en noch het beeld
Zei de spiegel, weer geheeld

Ben ik glas of ben ik beeld
Vroeg de spiegel, wat verveeld

Hef het glas en breek het beeld
Zei de spiegel, uitgespeeld

Ben ik glas of ben ik beeld
Vroeg de spiegel, diep verdeeld

376. Waarover ik niet kan zwijgen moet ik spreken, maar hoe?

De metafysicus, de mysticus en de agnost.

Beste Hans,

Volgens mij is het uiteindelijk object van de metafysica hetzelfde als dat van de mystiek: de ingrond, het ware zelf, het ongeborene, het absolute, het zijn, het ene, de leegte – de ultieme werkelijkheid. Alleen de weg is anders.

De metafysicus gaat de weg van de rede of de weg van het hoofd (jnana), de mysticus gaat de weg van niet-weten of de weg van het hart (bhakti). Hoe zie jij dat als agnost?

Beste Meindert,

Misschien ben ik niet de uitgelezen persoon om deze vraag aan te stellen. Of misschien ben ik wel uitgelezen, maar zijn de antwoorden uitgebleven. Of misschien zijn de antwoorden niet uitgebleven, maar heb ik ze niet als zodanig herkend.

Sowieso kan het object van niet-weten nooit de ultieme werkelijkheid zijn, want niet-weten heeft geen object. Niet-weten is gewoon niet weten. Je weet wel: dat je het niet weet.

Over de ultieme werkelijkheid weet ik dan ook niets te zeggen, noch dat er zoiets is, noch dat er niet zoiets is, noch dat je dat niet kan weten.

Over de gewone werkelijkheid weet ik trouwens ook niets te zeggen, noch dat er zoiets is, noch dat er niet zoiets is, noch dat je dat niet kan weten.

Over mezelf weet ik trouwens ook niets te zeggen, noch dat er zo iemand of zoiets is, noch dat er niet zo iemand of zoiets is, noch dat je dat niet kan weten.

Over de relaties tussen mezelf en de gewone werkelijkheid, tussen mezelf en de ultieme werkelijkheid en tussen de gewone werkelijkheid en de ultieme werkelijkheid weet ik trouwens ook niets te zeggen, noch dat er relaties zijn, noch hoe ze zijn, noch dat ze er niet zijn, noch dat je dat niet kan weten.

Misschien denk je nu: 'Wat een nitwit', en gelijk heb je. Toch zou het best eens kunnen dat een radicaal niet-weten dichterbij komt dan de meest doorwrochte metafysica en de meest intense mystieke ervaring.

Dichter bij wat? Die vraag schept afstand. Voor je het weet heb je het over de ultieme werkelijkheid en ben je nog verder van huis.

Maar wat had ik dan moeten zeggen. Dat niet-weten het al is? Wat al is? Die vraag schept afstand. Voor je het weet heb je het over de ultieme werkelijkheid en ben je nog verder van huis.

Maar wat had ik dan moeten zeggen. Dat ik geen woorden heb? Voor je het weet denk je dat de ultieme werkelijkheid voorbij de woorden is en ben je nog verder van huis.

Maar wat had ik dan moeten zeggen. Aha, ik heb het. Niets. Maar dan vraag jij waarover we moeten zwijgen, en waartoe. En dan komen we nooit meer thuis.

377. Apeiron of agnose? Het verschil tussen het onbepaalde en het niet bepalen

Agnose is de ijsbreker die met donderend geweld het mentale ijs breekt. Omdat het zo mooi kraakt.

Wat betekent 'apeiron'?

Apeiron is Grieks voor het onzegbare, het mysterie, dat wat alleen negatief (apofatisch) aangeduid kan worden als noch dit noch dat.

Het apeiron, dat is het onbepaalde en onbepaalbare, het nog niet of niet langer bepaalde.

Vaak verwijst het woord naar een of andere grondslag van de alledaagse werkelijkheid, de schepper en vernietiger, de onvergankelijke bron en bestemming van het vergankelijke, het onbepaalde dat al het bepaalde in zich verenigt.

Wat is reductionisme?

Reductionisme is de neiging om de verontrustende veelheid van verschijnselen in deze wereld terug te voeren op één absoluut, alomvattend iets dat zelf niet tot de verschijnselen hoort, zoals God, Brahman, Allah, de Tao, de Liefde, de Boeddhanatuur, het Ware, het Zelf of Bewustzijn.

Bij de presocratische filosoof Anaximander is het apeiron de archè, het onbegrensde, de onuitputtelijke, onvergankelijke en onbegrensde bron van alle dingen, datgene waaruit alles voortkomt en waarin alles terugkeert – de westerse tegenhanger van het hindoeïstische Atman of Brahman.

Bij Parmenides is het apeiron het Zijn zelf, het plenum.

Bij Aristoteles is het apeiron de stof voordat deze vorm of eigenschappen heeft aangenomen.

Bij Pseudo-Dionysius is het apeiron de transcendente ene, de goede oorzaak van alles.

In de mystiek is het apeiron de immanente godheid, het mysterie, het numineuze.

In advaita is het apeiron het bewustzijn, de aandacht, het kennen (tegenover het gekende), dat zelf uiteraard onkenbaar is.

In zen is het apeiron het ware zelf of de boeddhanatuur.

Eeuwige wijsheid

Reductionisten heb je in alle soorten en maten.

Of ze allemaal ongelijk hebben weet ik niet, maar logisch gesproken kunnen ze niet allemaal gelijk hebben, zeker niet degenen die claimen dat alleen zij gelijk hebben en alle anderen ongelijk.

Wel kunnen er meerderen of velen 'gelijk' hebben, voor zover ze er gesloten denksystemen op nahouden, dat wil zeggen, denksystemen die altijd verifieerbaar zijn en nooit falsifieerbaar.

Een voorbeeld van een gesloten denksysteem is het katholicisme. Als je hier op Gozo een gelovige vraagt wat voor opperwezen dat is dat een natuurramp met tienduizend slachtoffers laat gebeuren, luidt het antwoord dat er zonder Hem nog veel meer slachtoffers waren gevallen. Wat er ook voor ergs gebeurt, zonder Zijn leiding zou het erger zijn geweest. En wat er ook voor goeds gebeurt, zonder Zijn leiding zou het niet gebeurd zijn.

Onweerlegbare denksystemen leveren geen kennis op, wel een gemeenschappelijke zienswijze waaraan niet te tornen valt. Zulke systemen fungeren als fopspeen voor de verontruste geest, als bindmiddel voor de groepsleden en als stabilisator voor de hiërarchie. Wie gelooft zit gebeiteld – tot hij begint te twijfelen.

Het apeiron in het postmodernisme

Bij Immanuel Kant is het apeiron het Ding-an-sich.

Bij Heidegger is het apeiron het onverborgen zijn (het aletheia).

Bij Cornelis Verhoeven en T. Norretranders is het apeiron de onuitputtelijke werkelijkheid zelf, die zich nooit door het beperkte bewustzijn in gedachten of woorden laat vangen en altijd tegenover ons blijft staan als het onherleidbare, de niet-identiteit.

Daarmee zijn we middenin de twintigste eeuw beland, middenin het jargon van het postmodernisme, dat bij voorkeur spreekt van het andere, ook wel het onbeslisbare, het ongrijpbare, het ondefinieerbare, het onzegbare, het onuitsprekelijke, het onherleidbare – tegenover zijn tegendeel, het eendere, het beslisbare, het grijpbare, het definieerbare, het zegbare, het uitsprekelijke, het herleidbare.

Geen enkele tekst, geen enkel begrip, geen enkele gebeurtenis, geen enkel object is volgens de postmodernist 'restloos te bepalen'. Steeds zijn er nieuwe interpretaties mogelijk. Niemand heeft het laatste woord, claimt het postmodernisme bij wijze van laatste woord. Niet in de wetenschap, niet in de metafysica, niet in de ethiek, niet in de politiek, niet in de hermeneutiek, niet in de religie.

Omdat het zo mooi kraakt

Lezers van de Agnosereeks verwarren niet-weten regelmatig met postmodernisme. In werkelijkheid is het postmodernisme een schijngestalte van niet-weten.

Zo neemt de agnost geen enkel standpunt in over bepaalbaarheid en onbepaalbaarheid of over welke postmoderne kwestie ook.

Hij erkent noch ontkent de werkelijkheid, laat staan dat hij deze probeert te scheiden in een kenbaar deel en een onkenbaar deel, in een werkelijk deel en een illusoir deel, in een te reduceren deel en een onreduceerbaar deel. Laat staan dat hij zich druk zou maken over de vermeende relatie tussen de vermeende delen.

In zijn boek Over de goden zei de Griekse agnosticus Protagoras al in de vijfde eeuw voor onze jaartelling: 'Van de goden weet ik niets: niet dat ze bestaan en evenmin dat ze niet bestaan.'*

* zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Protagoras_(filosoof)

Dat zeg ik hem op mijn manier graag na:

Van het apeiron weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van de archè weet ik niets: niet dat hij bestaat en evenmin dat hij niet bestaat.

Van de tao weet ik niets: niet dat hij bestaat en evenmin dat hij niet bestaat.

Van het plenum weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van het transcendente weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van het immanente weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van het bewustzijn weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van het zelf weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van de boeddhanatuur weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van het Ding-an-sich weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van het aletheia weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van het onuitsprekelijke weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van het onherleidbare weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van het onbepaalde weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Het woord agnose verwijst niet naar het onbepaalde maar naar het niet-bepalen – naar de deconstructie van de mentale constructies die de zee van niet-weten afkoelen tot onder het vriespunt in de hoop dat het land zal worden.

Agnose is niet het apeiron.

Agnose is niet de ijsbreker die zich met donderend geweld een weg naar het apeiron baant.

Agnose is de ijsbreker die met donderend geweld het mentale ijs breekt.

Omdat het zo mooi kraakt.

378. Hoe goed ken jij je lichaam?

Meester Maya zegt:

Hoe goed ken jij je lichaam?

Zou jij uit 100 kapsels je eigen kapsel herkennen?

Zou je uit 100 haren een eigen haar herkennen?

Zou je uit 100 hoofden je eigen hoofd herkennen?

Zou je uit 100 wenkbrauwen je eigen wenkbrauwen herkennen?

Zou je uit 100 ogen je eigen ogen herkennen?

Zou je uit 100 oren je eigen oren herkennen?

Zou je uit 100 neuzen je eigen neus herkennen?

Zou je uit 100 lippen je eigen lippen herkennen?

Zou je uit 100 tongen je eigen tong herkennen?

Zou je uit 100 gebitten je eigen gebit herkennen?

Zou je uit 100 kiezen je eigen kiezen herkennen?

Zou je uit 100 tanden je eigen tanden herkennen?

Zou je uit 100 kinnen je eigen kin herkennen?

Zou je uit 100 halzen je eigen hals herkennen?

Zou je uit 100 nekken je eigen nek herkennen?

Zou je uit 100 huiden een eigen huid herkennen?

Zou je uit 100 schouders je eigen schouders herkennen?

Zou je uit 100 armen je eigen armen herkennen?

Zou je uit 100 ruggen je eigen rug herkennen?

Zou je uit 100 oksels je eigen oksels herkennen?

Zou je uit 100 bovenarmen je eigen bovenarmen herkennen?

Zou je uit 100 ellebogen je eigen ellebogen herkennen?

Zou je uit 100 onderarmen je eigen onderarmen herkennen?

Zou je uit 100 polsen je eigen polsen herkennen?

Zou je uit 100 vingers je eigen vingers herkennen?

Zou je uit 100 duimen je eigen duimen herkennen?

Zou je uit 100 nagels je eigen nagels herkennen?

Zou je uit 100 borsten je eigen borst(en) herkennen?

Zou je uit 100 tepels je eigen tepels herkennen?

Zou je uit 100 buiken je eigen buik herkennen?

Zou je uit 100 navels je eigen navel herkennen?

Zou je uit 100 billen je eigen billen herkennen?

Zou je uit 100 anussen je eigen anus herkennen?

Zou je uit 100 geslachtsdelen je eigen geslachtsdeel herkennen?

Zou je uit 100 benen je eigen benen herkennen?

Zou je uit 100 dijen je eigen dijen herkennen?

Zou je uit 100 spataders je eigen spataders herkennen?

Zou je uit 100 knieën je eigen knieën herkennen?

Zou je uit 100 onderbenen je eigen onderbenen herkennen?

Zou je uit 100 enkels je eigen enkels herkennen?

Zou je uit 100 voeten je eigen voeten herkennen?

Zou je uit 100 tenen je eigen tenen herkennen?

Zou je uit 100 hersenen je eigen hersenen herkennen?

Zou je uit 100 longen je eigen longen herkennen?

Zou je uit 100 nieren je eigen nieren herkennen?

Zou je uit 100 harten je eigen hart herkennen?

Zou je uit 100 kelen je eigen keel herkennen?

Zou je uit 100 magen je eigen maag herkennen?

Zou je uit 100 darmen je eigen darmen herkennen?

Zou je uit 100 baarmoeders je eigen baarmoeder herkennen?

Zou je uit 100 stemmen je eigen stem herkennen?

Voor welke lichaamsdelen is een line-up van 100 alternatieven onnodig veel, denk je? Voor welke lichaamsdelen is het te weinig?

Dezelfde vragen voor jongere versies van je lichaam.

Dezelfde vragen voor toekomstige versies van je lichaam.

Dezelfde vragen voor de lichamen van je vader, moeder, opa's en oma's, geliefden en exen, kinderen en kleinkinderen, vrienden, kennissen en collega's, voor zover je die hebt.

379. Het wonder van het zijn en andere geheimen

Het geheim is dat er iets is en niet niets, beweerden Gottfried Leibniz en Martin Heidegger.*

* Leibniz: Pourquoi il y a plutôt quelque chose que rien? Heidegger: Warum ist überhaupt Seiendes und nicht vielmehr Nichts?

Typisch menselijk om het geheim te willen vangen in één zin.

Typisch menselijk ook om gelijk te spreken van 'het geheim' in plaats van 'een geheim'.

Typisch menselijk ook om zo je eigen verwondering te generaliseren tot een kosmisch geheim. Waarom niet gewoon:

'Wat mij verbaast is dat er iets is en niet niets.'

Eventueel gevolgd door:

'Wat mij verbaast is dat me dat verbaast.'

Of door:

'Wat mij verbaast is dat niet iedereen zich daarover verbaast.'

Of:

'Wat mij verbaast is dat ik me kan verbazen.'

Nou ja, wat maakt het uit. Als we het zo nodig over geheimen moeten hebben alsof ze objectief bestaan, weet ik er nog wel een paar.

Het geheim is dat er zoveel dingen en wezens niet zijn.

Het geheim is dat er zoveel dingen en wezens niet meer zijn.

Het geheim is dat er zoveel dingen en wezens nooit geweest zijn.

Het geheim is dat er zoveel dingen en wezens nooit zullen zijn.

Het geheim is welke dingen en wezens er zijn, hoeveel universa.

Het geheim is welke dingen en wezens er geweest zijn.

Het geheim is welke dingen en wezens er nog zullen zijn.

Het geheim is dat er zoveel ruimte tussen de dingen is.

Het geheim is dat er zo weinig is en zoveel lege ruimte.

Het geheim is er zoveel is, neem alleen al de aardbol.

Het geheim is waar de dingen vandaan komen.

Het geheim is waar ze heen gaan.

Het geheim is waarom wij leven en de meeste dingen niet.

Het geheim is waarom wij bestaan, onze herkomst.

Het geheim is waartoe wij bestaan, onze bestemming.

Het geheim is waarom de dingen zijn zoals ze zijn en niet anders.

Het geheim is hoe de dingen zijn.

Het geheim is de dingen zijn wat ze lijken.

Het geheim is of de dingen werkelijk zijn of illusoir.

Het geheim is hoe de toekomst zal zijn.

Het geheim is hoe het verleden was.

Enzovoort.

Wat mij trouwens ook verbaast is dat ik een lichaam heb.

Wat me verbaast is dat ik juist mijn lichaam heb en niet het jouwe.

Wat me verbaast is dat ik juist een mensenlichaam heb en geen dieren- of plantenlichaam.

Wat me verbaast is dat ik een bestaand lichaamstype heb en geen uniek.

Wat me verbaast is dat ik niet zelf kan kiezen wat voor lichaam ik heb, wanneer ik een lichaam heb en of ik een lichaam heb.

Wat me trouwens ook verbaast is dat er iemand van mijn lichaam houdt.

Wat me verbaast is dat er iemand van me houdt.

Wat me verbaast is dat ik van iemand houdt.

Wat me verbaast is dat ik steeds van haar blijf houden.

Wat me verbaast is dat niet iedereen zo van haar houdt.

Wat me verbaast is dat ik niet van iedereen houdt.

Wat me verbaast is dat niet iedereen zich over dit soort zaken verbaast.

Wat me verbaast is dat mensen zelfs denken dat ze alles wat er toe doet al weten.

Wat me verbaast is dat mensen denken dat ze alle antwoorden zullen vinden als ze maar lang genoeg zoeken.

Wat me verbaast is dat mensen denken dat ze alle antwoorden hebben gevonden dat ze dan gelukkig zijn.

Je ziet, wat zich ook aandient, het verbaast me.

Wat er ook uitblijft, het verbaast me.

Die eindeloze verwondering, die geen antwoorden zoekt of vragen stelt maar troost, verlichting en vreugde vindt in zelfexpressie, die noem ik niet-weten.

Begrijp je wat ik bedoel?

380. Een agnost heeft geen idee

Waarom ik duizend keer liever omga met mensen die geen idee hebben van de Waarheid.

1

Een fundamentalist heeft het idee dat hij de Waarheid kent.

Een nihilist heeft het idee dat de Waarheid niet bestaat.

Een zoeker heeft het idee dat de Waarheid te vinden is.

Alle drie hebben ze een idee over de Waarheid.

Een agnost heeft geen idee.

2

Het ene idee is het andere niet.

Het idee van de fundamentalist heeft vorm en moet eindeloos verklaard worden.

Het idee van de nihilist is leeg en moet eindeloos herhaald worden.

Het idee van de zoeker is zoek en moet eindeloos gezocht worden.

Een agnost heeft geen idee.

3

Tien keer liever ga ik om met een nihilist dan met een fundamentalist.

Tien keer liever ga ik om met een zoeker dan met een nihilist.

Tien keer liever ga ik om met een agnost dan met een zoeker.

Tien keer tien keer tien is duizend.

Duizend keer liever ga ik om met iemand die geen idee heeft.

Ik heb alleen geen idee waar ik je kan vinden.

381. Wat is onze universele spirituele roeping?

Groeten uit de woestijn.

Beste Hans,

Wat is onze universele spirituele roeping volgens jou?

Beste Noud,

Het roepen negeren.

Noud: En dan?

Hans: Het negeren negeren.

Noud: En dan?

Hans: Genegeerd worden.

382. Vooruitkijken voor winnaars

Een onthutsende vraag.

'Ik wil iets bereiken, Hans.'

'En dan?'

383. Terugkijken voor verliezers

Een onthutsend antwoord.

'Jij hebt tenminste iets bereikt, Hans.'

'Juist niet.'

384. Hans maakt reclame voor zichzelf

En dat valt om de drommel niet mee.

'Wat hebt jij spiritueel gezien bereikt?'

'Niets, en dat viel om de drommel niet mee.'

'Wat heb je ons te zeggen?'

'Niets, en dat valt om de drommel niet mee.'

'Maak eens een beetje reclame voor jezelf.'

'Ik kan niets, maar dat kan ik wel heel goed.'

'Even serieus.'

'Ik doe niets, maar dat doe ik wel de hele dag.'

'Maar wat heb je dan bereikt?'

'Niets, en dat viel om de drommel niet mee.'

'Maar wat wil je ons dan zeggen?'

'Niets, en dat valt om de drommel niet mee.'

385. Zelfportret en schietgebed van een agnost

Slaak zacht.

O schamele schim

Holler dan het holst van de

Wacht

Aangezegd door de slepende

Smacht

Onheid in het onheden

Zonderdeel van het onene

O schimmele waan

Slaak zacht

386. Lang de nacht

Zelfportret en slotgebed.

Uitgedacht
Uit alle macht
En nog bij leven
Uitgeschreven

Goede wacht

387. Zoeker naar het einde van het zoeken, 21

Close-up van één van de figuren van de cover van het boek 'Zoeken naar het einde van het zoeken'.


Cover van de Linji Lu. Cover van de Poortloze Poort. Cover van het Witboek Taoïsme. Cover van het Witboek Soefisme. Cover van het Witboek Verlichting. Cover van het Witboek Advaita. Cover van het Witboek Levenskunst. Cover van het Witboek Mystiek. Cover van het Witboek Zen. Cover van het Witboek voor Zoekers. Cover van het Witboek Niet-Weten. Cover van Byron Katie voor Workaholics. Cover van het Citatenboek Niet-weten.