Top

Meester Tja en de Tao van niet‑weten

Taoïsme zonder dogma’s

Door Hans van Dam

Deel 3 van de Agnosereeks

Omslag van deel 3 van de Agnosereeks.

‘Zeg maar Tja tegen het leven!’ Toespraken en dwaalspreuken van Meester Tja in de geest van niet-weten en niet-doen geïnspireerd door de Tao Te Tjing.

De toespraken en dwaalspreuken zijn als serie gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

1. Wie is Meester Tja? Hoe kwam hij aan zijn naam? Waarom is hij zo laconiek?

2. Alle tweehonderd toespraken van Meester Tja geïnspireerd door de Daodejing.

3. Wat is de Daodejing? Niet-weten, niet-doen en niet-kunnen. Socrates, Pyrrho van Elis en Sengtsan.

4. Integrale tekst van de Daodejing in de klassieke vertaling uit 1910 van Ir. Blok.

Voorwoord

De Grote Tao als het Grote Tja

De Daodejing is een van de meest vertaalde werken uit de Chinese literatuur. Velen hebben er hun tanden en hun hersenen op stukgebeten en lopen nu met een kunstgebit en een kunstkop rond. Mocht dat de bedoeling zijn van dat boekje, dan is de Daodejing wellicht de oudste en meest succesvolle koan uit de geschiedenis van de mensheid.

Hoewel er veel niet-weten zit in het taoïsme, en veel taoïsme in niet-weten, zijn er ook verschillen. Met name het kosmologisch idee van de Tao als een onkenbaar, absoluut, eeuwigdurend, onveranderlijk, vormloos, sturend principe, vindt in een radicaal niet-weten geen weerklank – maar ook geen weerwoord.

Een opvallende overeenkomst tussen het taoïsme en niet-weten is het idee, of liever de praktijk, van niet-doen, van doen zonder doen, zonder opzet, spontaan, ongeforceerd, als vanzelf: wuwei.

Het niet-doen van een agnost is echter niet geworteld in de Grote Tao maar in niet-weten, wuzhi – in het Grote Tja. Niet-doen is een natuurlijk uitvloeisel van niet-weten. Niet-weten is de rationale, of liever de irrationale, van niet-doen.

Vele wegen leiden naar niet-doen, niet-spreken, niet-geloven, niet-denken, niet-willen et cetera, maar bij niet-weten krijg je het allemaal gratis en voor niks. Of je wilt of niet. Niet-weten krijg je ook gratis en voor niks, maar waar?

Niet bij mij. Ik kan het je niet geven. Ik heb het zelf nooit gekregen. Ineens was het er, of had ik het, of had ik het niet meer, of was ik het, of was ik het niet meer, of was ik niet meer, of ben ik er nooit geweest, of heb ik het nooit gehad, of hoe zeg je dat, zó niet.

Maar ik kan het wel onder woorden brengen, enigszins. Ik kan het ook zonder woorden brengen, geenszins zogezegd. Non-verbale communicatie, verbale non-communicatie, paraverbale pericommunicatie – schiet mij maar lek. Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek, behalve een enkele gek?

Om het met Meester Tja te zeggen: ‘Wiens duisternis de vier richtingen doordringt, is daarom nog niet blind.’

Kennismaking met Meester Tja

De boer en zijn paard

Er was eens een boer die zo knap was dat hij ondanks zijn nederige komaf het mooiste meisje van het dorp kon huwen.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Er kwamen geen kinderen en het mooiste meisje van het dorp verliet hem voor een ander. Niemand wilde meer met hem trouwen, behalve het lelijkste meisje van het dorp.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Het lelijkste meisje van het dorp was misschien niet om aan te zien, maar ze was vruchtbaar als een zeug en het echtpaar werd gezegend met negen kinderen.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Acht van de negen kinderen waren meisjes voor wie het werk op de boerderij te zwaar bleek en die bij het uithuwelijken elk een bruidsschat behoefden.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Gelukkig hadden de dochters gouden keeltjes en van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat zongen ze het hoogste lied.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Toen de prins van hen hoorde, ontbood hij het achttal aan het hof. Hij genoot zo van hun gezang dat hij ze meteen opnam in zijn harem. Van de dochters werd nooit meer iets vernomen en hun moeder stierf van verdriet.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Telkens wanneer de dochters voor hem zongen, voelde de prins zich schuldig. Om zijn geweten te sussen schonk hij de boer in het geheim zijn mooiste merrie om mee te ploegen en te pronken.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Dankzij het paard kon de boer meer land bewerken dan vroeger, maar op een dag was het dier verdwenen en stond hij er alleen voor met meer werk dan hij aankon.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Een week later keerde het prinselijke paard hinnikend uit de heuvels terug met aan haar zijde een schitterende wilde hengst.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Om het te temmen besteeg zijn zoon het vurige dier, maar voor hij goed en wel zat werd hij al afgeworpen en brak daarbij zijn been.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Kort daarop kwamen officieren van de krijgsmacht langs om alle oudste zonen in te lijven, maar vanwege zijn been mocht de jongen thuisblijven.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Nog geen week later keerden de ronselaars terug en rekruteerden de boer zelf, omdat de koning had bepaald dat ieder gezin ten minste één man moest afstaan.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

De boer was handiger met de ploeg dan met de speer, maar hij bleek over strategisch inzicht te beschikken en werd algauw gepromoveerd tot krijgsheer.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Terwijl hij zijn troepen leidde, werd de boer door een vijandelijke pijl in zijn keel getroffen en liet rochelend het leven.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de zoon zei enkel: ‘Tja.’

De dorpelingen hadden medelijden met de jongen, die daardoor, hoewel hij niet zo knap was als zijn vader, ieder meisje kon krijgen dat hij wilde.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de zoon zei enkel: ‘Tja.’

Hij legde het aan met de mooiste boerendochters, maar hoe gewillig ze ook waren, hij voelde niets. Zo kwam hij erachter dat hij niet op vrouwen viel.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de zoon zei enkel: ‘Tja.’

Omdat mensen in oorlogstijd behoefte hebben aan geestelijke leiding, vatte de koning het plan op om in de regio een klooster te stichten dat vredesgezinde mannen uit alle windstreken zou aantrekken.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de zoon zei enkel: ‘Tja.’

Vanwege de centrale ligging en de eigen bron was zijn boerderij bijzonder geschikt voor het nieuwe klooster en het land werd met alles erop en eraan onteigend.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de zoon zei enkel: ‘Tja.’

Om aan de kost te komen, werkte de jongen mee aan de bouw van de abdij. Hij kon het zo goed vinden met de abt dat deze hem verzocht in te treden, waaraan hij graag gehoor gaf.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de broeder enkel: ‘Tja.’

Het was in dit klooster dat de monnik faam verwierf vanwege zijn rust en eenvoud, en het was hier dat hij de naam kreeg waaronder wij hem thans nog kennen: Meester Tja.

Taijitu van twee gespiegelde paarden.
Later keerde het paard terug met een schitterende wilde hengst aan haar zijde.

Maar het kwam toch nog goed

Bron

Bovenstaand verhaal is gebaseerd op het Chinese verhaal Hoe Sai Weng zijn paard verloor.

Het oorspronkelijke verhaal is een stuk korter. Het begint ermee dat de boer, Sai Weg, zijn paard verliest (pech), waarna het dier terugkeert in het gezelschap van twee wilde paarden (geluk), waarop de zoon tijdens het temmen van het paard valt en zijn been breekt (pech), waardoor hij aan de dienstplicht ontsnapt (geluk).

Aan deze viervoudige wending van het lot die de boer zonder zijn evenwicht te verliezen gelaten ondergaat, heb ik zestien getijden toegevoegd, de helft ervoor, de helft erna, waarmee het totaal op twintig komt.

Ook heb ik het verhaal verplaatst van het oude China naar een denkbeeldige plek in een denkbeeldige tijd.

Herkomst

De herkomst van Hoe Sai Weng zijn paard verloor is onzeker.

Volgens Michael Ditsch is het verhaal afkomstig uit de Huinanzi van de Chinese prins en taoïst Liu An (178-122 voor Christus).

Ditsch beroept zich op The Huainanzi; Liu, An; A Guide to the Theory and Practice of Government in Early Han China - Translations from the Asian Classics (Columbia University Press, 2010, Chapter 18.7, pages 728-729).

Ik heb dit boek niet gelezen.

Spreekwoordelijk

De lotgevallen van Sai Weng zijn in China spreekwoordelijk geworden.

Heb je pech dan zeg je 塞翁失馬 (sài wēng shī mǎ): ‘De oude man verloor zijn paard.’

Eventueel gevolgd door 焉知非福 (yān zhī fēi fú): ‘Maar het kwam toch nog goed.’

Meester Och

Het verhaaltje van Sai Weng is al vele malen in vele talen vertaald. De manier waarop de boer uiting geeft aan zijn gelatenheid varieert van versie tot versie.

Zelf had ik de boer en zijn zoon liever ‘och’ laten zeggen, dat past beter bij ‘bof’, hoor maar:

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de zoon zei enkel: ‘Och.’

Ik heb Meester Tja voorgesteld zijn naam te veranderen in Meester Och, wat hij verontwaardigd van de hand wees.

‘Ik dacht dat u overal Tja tegen zei,’ zei ik, ‘waarom dan niet tegen een nieuwe naam?’

‘Tja’, antwoordde Meester Tja.

Een paar dagen later vroeg Meester Tja of ik er erg mee zat.

‘Och’, antwoordde ik, en dat is hoe ik aan mijn bijnaam kom.

Een rare Chinees

Voorplat van ‘Meester Tja en de Tao van niet-weten.’

Het personage op het voorplat van ‘Meester Tja en de Tao van niet-weten’ heet Meester Tja.

Ondanks zijn Hollandse naam ziet hij eruit als een Chinees, en dat is geen toeval. Zijn woorden, waarvan dit boek overstroomt, zijn geïnspireerd door een klassieker uit de wereldliteratuur, de Tao Te Tjing.

Dit boek, ook wel Daodejing of Laozi geheten, is het oerboek van het taoïsme. Het werd lang geleden, eeuwen voor onze jaartelling, geschreven in China door een Chinees in het Chinees.

Ware woorden zijn niet mooi, heet het in dat boek, en inderdaad, fraai is anders.

Ook de woorden van Meester Tja zijn niet mooi, vindt hij zelf. Wat niet garandeert dat ze waar zijn, maar daar maalt hij niet om. De waarheid zorgt wel voor zichzelf.

De kleding van Meester Tja

Laten we er geen doekjes om winden: Meester Tja weet het allemaal niet meer en heeft daarin verlichting gevonden.

Wie niet weet, staat voorgoed in zijn hemd, dat is waar, maar de kleding die zijn gemoedstoestand naar zijn eigen oordeel en naar het oordeel van de sprookjesschrijver Hans Christian Andersen het beste uitdrukt, is toch het adamskostuum.

De keizer heeft geen kleren.

De keizer heeft ook geen rijk, zelfs niet in zijn geest, maar dat kun je in de afbeelding niet zien, daarvoor zou je röntgenogen moeten hebben.

Of je zou zijn schedel moeten lichten, maar dat kan niet want hij heeft een hoedje op.

Een keizer zonder kleren is een keizer van niks.

Een keizer zonder rijk is een keizer van niks.

Een keizer zonder kennis is een keizer van niks.

Een keizer zonder kleren, rijk of kennis is drie keer niks, maar om hem nou steeds de Keizer van Niks te noemen is ook zo onaardig.

Gun die man z’n titel, al is het met een knipoog – Meester Tja.

Het lichaam van Meester Tja

Het lijf van Meester Tja.

Lichamelijk is Meester Tja een beetje een schlemiel. Geen toonbeeld van bovenmenselijke kracht en viriliteit zoals we bij Michelangelo te zien krijgen, maar een toonbeeld van innerlijke kleinheid, de meesten van ons niet onbekend.

Niets aan Meester Tja is echt uitgesproken. Hij is van alles wat, nu eens dit, dan weer dat, net als iedereen, net als het leven zelf.

Zo is zijn geslacht onbepaald, een beetje mannelijk, een beetje vrouwelijk, hermafrodiet, aseksueel misschien, vlees noch vis, poep noch pis – nietszeggend.

Niets zeggen is des Meesters metier en dit is één manier om dat uit te beelden – al bevindt het spraakorgaan waarvoor dit geslachtsorgaan als, hoe zal ik het noemen, pars pro toto fungeert, zich normaliter hoger in het lichaam, waar het zich onophoudelijk roert en niet slechts bij vlagen.

De lichaamstaal van Meester Tja

De lichaamstaal van Meester Tja.

Meester Tja kan lullen als een gieter, maar het meest sprekende aan hem is toch zijn lichaamstaal.

Zoals je ziet, haalt hij permanent zijn schouders op. Daarmee geeft hij aan dat hij het ook niet weet.

Hij toont ons zijn handpalmen om duidelijk te maken dat hij met lege handen staat.

Ja, ik bedoel nee, Meester Tja heeft geen idee.

Of veel te veel ideeën waaruit hij niet kan kiezen – dat komt op hetzelfde neer.

Sinds hij dat in het snotje heeft, zegt hij maar wat en doet hij maar wat, net zo het uitkomt.

Hij heeft er nog vrede mee ook, grote vrede – ken je dat?

Onder ogen zien dat je het allemaal niet meer weet en daar vrede mee hebben, heet niet-weten.

Onder ogen zien dat je niet weet wat je moet doen en daar vrede mee hebben, heet niet-doen.

Niet-weten en niet-doen zijn centrale begrippen van het taoïsme.

Het zijn de pijlers van de niet-leer van Meester Tja.

De blinddoek van Meester Tja

De blinddoek van Meester Tja.

Om zijn weteloosheid uit te drukken, dat een ónvermogen is, heeft Meester Tja een blinddoek gekregen.

Niet het licht heeft hij gezien, maar de duisternis waarin het licht verschijnt.

Omdat hij helemaal niet blind is maar juist heel goed ziet hoe het zit, en omdat hij helemaal niet geblokkeerd is in zijn handelen maar het doen rustig zijn eigen gang laat gaan, zie je zijn ogen door de blinddoek heen.

Meester Tja heeft oog voor zijn blinde vlek.

Jij?

De taijitu achter Meester Tja

De taijitu achter Meester Tja.

Achter Meester Tja zie je een taijitu, een yinyangteken.

Dit symbool wekt bij velen de associatie met China, bij sommigen de associatie met het taoïsme. Beide associaties zijn welkom.

In het taoïsme staat de taijitu voor de twee oerkrachten die voortkomen uit de ene Tao.

Die krachten zijn het vrouwelijke, yin en het mannelijke, yang – aarde en hemel, donker en licht, zwart en wit, koud en warm, water en vuur, maan en zon, passief en actief, haat en liefde, kwaad en goed, stilte en beweging.

Yin en yang zijn volgens het taoïsme geen statische entiteiten, maar dynamische krachten die elkaar aanvullen, in evenwicht brengen en tegenwicht bieden.

De stippen in de taijitu geven aan dat het mannelijke is vervat in het vrouwelijke en het vrouwelijke in het mannelijke.

Haat in liefde en liefde in haat, kwaad in goed en goed in kwaad, stilte in beweging en beweging in stilte – weten in niet-weten en niet-weten in weten. Ieder uiterste in zijn tegendeel.

Dit heet de wederkerigheid der tegendelen. Het is naast niet-weten en niet-doen de derde pijler van het taoïstische gedachtegoed.

Ook voor Meester Tja staat de taijitu voor de wederkerigheid der tegendelen, meer in het bijzonder voor de tegenstrijdigheden in ons denken, in onze aard en in de natuur.

Tegenstrijdigheden waaraan niet te ontsnappen valt, behalve door er middenin te gaan staan.

Middenin de tegenstrijdigheid gaan staan, niet meer proberen alles op een rijtje te krijgen, je eraan overgeven, heet: leven in de paradox.

Meester Tja leeft dus in de paradox.

Hij staat nérgens meer op.

Hij staat overal tussenín.

Niet langer probeert hij eenduidigheid af te dwingen door zich te bekeren tot zwart óf wit, goed óf kwaad, hoofd óf hart, dualiteit óf non-dualiteit, ego óf zelf, relatief óf absoluut, samsara óf nirwana, vorm óf leegte.

Voor hem zijn het de keerzijden van dezelfde munt, hij identificeert zich met geen van beide.

Hij schuwt de keerzijden niet, noch staart hij zich erop blind.

Voor hem is het lood om oud ijzer.

Meester Tja is niet van het weten, niet van het niet-weten, maar van het wetend niet-weten, het weten zonder weten.

Hij is niet van het doen, niet van het niet-doen, maar van het doende niet-doen, van het doen zonder doen.

De weegschaal van Meester Tja

De weegschaal van Meester Tja.

De stippen van de taijitu zijn expres net boven de handen van Meester Tja geplaatst. Zo ontstaat de suggestie van een weegschaal met twee armen.

Wit staat hier voor ja, zwart voor nee.

De witte stip in de zwarte omgeving staat voor het ja in het nee, de zwarte stip in de witte omgeving voor het nee in het ja.

Meester Tja zegt ‘tja’ tegen het leven.

Hij zegt geen ja, hij zegt geen nee – hij hakt er niet op in, hij gaat er niet in mee.

Zo’n tweetal, ja versus nee, heet met een mooi woord een dilemma.

Meester Tja heeft nooit moeite met dilemma’s; hij staat als een evenaar tussen de twee polen.

Je kunt het ook zo zeggen: het tja gaat vooraf aan ja en nee.

Het gaat eraan voorbij, het duikt eronderdoor, het stijgt erbovenuit.

Meester Tja zegt geen ja, hij zegt geen nee, hij zegt geen ja én nee, hij zegt geen ja noch nee.

Zo’n viertal heet met een mooi woord een tetralemma.

Meester Tja heeft nooit moeite met tetralemma’s; hij staat als een paal tussen de vier polen.

Acht polen, zestien polen, tweeëndertig polen – Meester Tja zwemt overal tussendoor. Hij zwamt zich overal uit.

Nooit laat hij zich meer vangen, nergens pint hij zich nog op vast.

Het tja maakt volmaakt evenwichtig! Meester Tja is een weegschaal die altijd in balans is!

Geloof je dat?

Zak in je kat.

(Dis)balans is gewoon de volgende dualiteit.

Eerlijk gezegd raakt Meester Tja voortdurend uit zijn evenwicht, net als jij, net als ik, net als iedereen die nog niet is gestikt, zo is het leven.

Alleen de doden zijn onverstoorbaar.

Wel veert Meester Tja steeds terug naar zijn uitgangspunt, als een tuimelaar.

En snel, sneller dan zijn schaduw, soms!

Heel wat sneller dan vroeger in elk geval, toen hij alleen nog maar ja of nee kon zeggen en zich daar netjes aan hield –

Een man een man
Een woord een woord
Voorspelbaar als
Een eiken poort.

Meester Tja: naar willekeur zegt hij ja, nee of tja.

In dezelfde adem zegt hij tja tegen zijn ja, nee of tja.

Het is dus niet zo dat hij niets meer iets bevestigt of ontkent, nooit meer iets aangaat of afwijst.

Neutraliteit staat bij hem niet hoger in het vaandel dan aanvaarding of afwijzing.

Het tja is zijn standbeen, het nee of ja zijn speelbeen.

Het ene been is niet belangrijker dan het andere – maar zonder benen val je om.

Behalve in een tekening natuurlijk.

Het zwaard van Meester Tja

Het zwaard van Meester Tja.

Om zijn heupen heeft Meester Tja een zwaard.

Daarmee snijdt hij alle gedachten af bij de wortel, zoals het in chan heet.

Chan, dat is het oude Chinese zenboeddhisme, de voorloper van het Japanse zen, toen het nog nieuw en fris en iconoclastisch was.

Chan is een minimalistisch mengelmoesje van taoïsme en boeddhisme, dat volledige vrijheid van geest nastreeft.

Het zwaard van Meester Tja is zo belangrijk voor hem dat hij het een naam gegeven heeft.

Niet ‘Cyclopidant’ (reuzendoder), niet ‘Trenselijn’ (doorsnijder), niet ‘Helmscaert’ (helmsplijter), niet ‘Excalibur’ maar gewoon ‘Tja’.

Om zijn zwaard te hanteren hoeft Meester Tja het niet te trekken, het uitspreken van zijn naam, die gelijk is aan zijn eigen naam, volstaat.

Het zwaard is een verlengstuk van Meester Tja.

Meester Tja is het verlengstuk van zijn zwaard.

Meester Tja en Vrouwe Justitia

De drie attributen van Meester Tja.

Blinddoek, balans en zwaard, aan wie doen deze attributen ons denken?

Inderdaad: Vrouwe Justititia, volgens Vrouwe Wikipedia een Romeinse God, de verpersoonlijking van het recht.

De weegschaal staat voor een zorgvuldige afweging van de feiten, de blinddoek voor een eerlijk oordeel zonder aanzien des persoons, het zwaard voor het vonnis.

Dezelfde attributen, een andere betekenis.

Het omgekeerde kan ook: dezelfde betekenis, andere attributen.

Meester Tja blijkt een kameleon te zijn die iedere gedaante kan aannemen: mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, menselijk, dierlijk, buitenaards, zwart, blank, geel, rood, noem maar op.

Net wat hij wil, net wat jij wil, geen verschil.

Ik had Meester Tja daarom ook, bijvoorbeeld, een Grieks uiterlijk kunnen geven ter herinnering aan de bakermat van het westerse scepticisme.

Dan had ik me moeten laten inspireren door Pyrrho van Elis en Sextus Empiricus in plaats van de Daodejing.

Dan had Meester Tja Meester Agnosis of Meester Weetnix of Meester Doenix geheten.

Dan zouden de toespraken en dwaalspreuken van Meester Tja een andere vorm hebben gekregen – maar geen andere inhoud.

In haar vrouwelijke Griekse gedaante zou Meester Tja Vrouwe Voorbehoud hebben geheten, de trotse draagster van het uitstelschort.

Ieder oordeel van Vrouwe Voorbehoud is voorlopig; het definitieve oordeel schort ze eeuwig op.

Bij mij heet dat Groot Voorbehoud.

Bij de Griekse sceptici heet het epoche.

Andere woorden, dezelfde betekenis.

Niet-symbolen voor een niet-leer

De niet-vorm van de niet-meester.

Het is niet de bedoeling om Meester Tja definitief vorm te geven – juist niet.

Het is ook niet de bedoeling meester Tja een definitieve naam te geven, juist niet.

Je kunt hem net zo goed Meester Eh of Meester Haha noemen, Wijde Weetniet of Dwaze Doeniet.

Hij had net zo goed Socrates kunnen heten als Linji, Prediker of Job.

Het is ook niet de bedoeling om een nieuwe leer met nieuwe symbolen te presenteren, juist niet.

Vandaar de blinddoek, de weegschaal en het zwaard.

Die staan allemaal symbool, ik bedoel niet-symbool, voor de niet-leer ofwel het Grote Tja.*

Het Grote Wát?

Niet-symbolen voor een niet-leer?

Het moet niet gekker worden, zul je zeggen.

Wacht maar…

* In plaats van niet-weten en niet-doen en de niet-leer kun je ook schrijven: nietweten, nietdoen en de nietleer, zonder streepje. In dit boek gebruik ik beide door elkaar.

Waarom Meester Tja zo laconiek is

Ziezo. Nu weten we tenminste waarom Meester Tja er zo raar uitziet en hoe hij aan die rare naam kwam.

Maar we weten nog niet waarom hij zo raar praat. Dat ga ik je nu uitleggen. Daarna is het woord aan Meester Tja.

De Daodejing

Er was eens een antiek Chinees boek, de Daodejing geheten, dat meer dan 2500 lentes telde. Vijfentwintighonderd!

Het stond bekend als het oudste werk van de taoïstische canon, al hoorden barbaren er niet meer in dan in het geratel van trillende populierenbladeren of het geraaskal van dronken orakels.

Wie het toch las, ontdekte dat het uit filosofische bespiegelingen en puntige spreuken bestond die je, afhankelijk van je diepgang en het tijdstip van de dag, aan het denken zetten, aan het hoofd doen krabben of vertwijfeld de handen ten hemel doen heffen.

Om die tekst van slechts 5000 Chinese karakters een beetje toegankelijker te maken, werd hij door latere generaties willekeurig in 81 hoofdstukjes gesplitst en over twee boekjes verdeeld.

Het tweede boekje, de Tao Tjing, ging zogenaamd over de Weg en het eerste, de Te Tjing, ging zogenaamd over de Deugd, terwijl ze in werkelijkheid allebei evenzeer over de Weg als over de Deugd gingen.

Omdat de Weg door het nageslacht belangrijker werd geacht dan de Deugd, of om wat voor reden dan ook, draaide het de volgorde van de boekjes om.

Sindsdien gaat de Tao Tjing vooraf aan de Te Tjing en heet het boek als geheel de Tao Te Tjing.

De I Tjing

Afijn, een vreemd verhaal over een vreemd boekje, het lijkt wel een sprookje.

Maar dat is het niet, want dat boekje bestaat nog steeds en het schijnt zelfs een van de meest vertaalde boekjes ooit te zijn – zou het?

Je snapt het wel, of het waar is of niet, want de Tao Te Tjing is zo obscuur dat iedere vertaler zijn goddelijke gang kan gaan en zijn eigen opvattingen binnen kan smokkelen, doelbewust of zonder het zelf door te hebben – laat staan de lezer.

Daarin lijkt de Tao Te Tjing op een andere taoïstische klassieker, de I Tjing, al wordt er in de eerste meer gewikt en in de tweede meer gewiggeld – zou het?

Stijfjes

De monologen van Meester Tja zijn ontstaan in dialoog met deze Daodejing.

Daarom kan Meester Tja niet zomaar zeggen wat hij wil. Hij moet het origineel volgen, niet alleen inhoudelijk, maar ook qua volgorde en qua stijl.

Vandaar dat hij nogal stijfjes klinkt.

Vandaar dat zijn logica nogal te wensen overlaat.

Soms gebruikt Meester Tja nodeloos veel woorden, dan weer nodeloos weinig. Net als zijn tolk (dat ben ik dus) die evenmin maat weet te houden.

Ik moet de lezer dan ook verzoeken Meester Tja aandachtig te lezen en geduld te oefenen als het hem of haar bij de eerste lezing niet meteen duidelijk is.

Schrijf je ongenoegen niet op het conto van Meester Tja of diens kroniekschrijver, maar op het conto van de al te laconieke Laozi, bijgenaamd Oude Langoor, die de Daodejing zou hebben geschreven.

Hém kan het niets meer schelen, hij heeft het eeuwige leven dan wel de eeuwige dood, afhankelijk van je geloof.

En zonder standpunt?

Tja…

Onbekommerd relativeren

Als het je interesseert, kun je er tijdens het lezen een vertaling van de Daodejing bij pakken en de hoofdstukjes vergelijken met de toespraken van Meester Tja.

Nodig is het niet, want Meester Tja staat volledig op eigen benen.

Hij maakt enthousiast gebruik van zijn voorganger, zeker, maar hij steunt er niet op.

Liever haakt hij hem pootje.

Want Meester Tja is geen taoïst met alles erop en eraan.

Wel zegt hij volmondig ja tegen het tja in het taoïsme.

Tegen de taoïstische metafysica en esoterie zegt hij geen ja en geen nee, maar tja – eveneens volmondig.

Met het tja in het taoïsme bedoel ik natuurlijk de twee grondprincipes van de taoïstische filosofie waar ik het eerder over had: niet-weten en niet-doen.

Onbekommerd relativeren zonder ooit in fatalisme of activisme te vervallen.

Meester Tja is daarvan de verpersoonlijking.

Fictief als hij is.

Toespraken en dwaalspreuken van Meester Tja

1 - De schat van niet-weten

Meester Tja zegt:

Een berekenend koopman verbergt zijn schatten en doet zich voor als een armoedzaaier, maar de wijze toont vrijmoedig zijn onwetendheid.

Meer heeft zijn wijsheid niet om het lijf.

2 - In den blinde kom je thuis

Geïnspireerd door hoofdstuk 1 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja kan eenvoudig in woorden worden uitgedrukt. Hoe je het ook zegt, hoeveel namen je er ook aan geeft, het stelt niets voor.

Het Grote Tja is niet iets. Het is niet het niets. Het is niet de naam van de oorsprong van de tienduizend dingen. Het is niet de naam van de bestemming van de tienduizend dingen.

Het Grote Tja is er voor iedereen. Het is er voor degene die gebonden is door verlangens en voor degene die vrij is van verlangens. Het is er voor degene met een blinde vlek in zijn oog en voor degene met oog voor zijn blinde vlek.

Het Grote Tja is duister. Zelfs de toegangspoort tot het Grote Tja is gehuld in diepe duisternis. Je ziet er geen hand voor ogen. Er valt niets te onderscheiden.

Waar niets te onderscheiden is, valt niets te verenigen. Daar is geen veelheid en geen eenheid. Daar is geen Tao en geen Tja. Daar is geen zoeken, geen vinden en geen kwijtraken.

In den blinde kom je thuis.

Taijitu 1

3 - De wijze houdt het bij niet-weten en niet-doen

Geïnspireerd door hoofdstuk 2 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wat mooi schijnt in de nacht,
lijkt lelijk in de zon.

Is het nu mooi of lelijk?

Wat makkelijk schijnt voor een kind,
lijkt moeilijk voor een volwassene.

Is het nu makkelijk of moeilijk?

Wat hoog schijnt voor een dwerg,
lijkt laag voor een reus.

Is het nu hoog of laag?

Wat veraf schijnt voor een schildpad,
lijkt dichtbij voor een haas.

Is het nu veraf of dichtbij?

Wat goed schijnt in het ene opzicht,
lijkt slecht in een ander.

Is het nu goed of slecht?

Wat vrij schijnt voor het gevoel,
lijkt onvrij voor het verstand.

Ben je nu vrij of onvrij?

De wijze houdt het in zijn oordelen bij niet-weten,
in zijn handelingen bij niet-doen.

Zo leeft hij zijn leer zonder lering.
Zo drukt hij wel uit maar niet dood.

4 - Alleen zuchten geeft verlichting

Geïnspireerd door hoofdstuk 3 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Betrokkenheid geeft bemoeizucht
Onverschilligheid geeft zelfzucht

Idealisme geeft veranderzucht
Eigenbelang geeft behoudzucht

Hoop geeft bouwzucht
Wanhoop geeft vernielzucht

Macht geeft heerszucht
Onmacht geeft wraakzucht

Rijkdom geeft praalzucht
Armoede geeft hebzucht

Alleen zuchten geeft
enige verlichting

5 - Bij wijze van zwijgen

Geïnspireerd door hoofdstuk 4 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Tja is leeg, bodemloos leeg.
Wat je er ook in stopt,
je vindt het nooit meer terug.

Tja maakt bot wat scherp is.
Het woelt los wat vastzit.

Het versterkt wat zwak is.
Het dimt wat verblindt.

Het vermindert de verschillen
zonder eenheid te scheppen.

Het verheldert het troebele
zonder duidelijkheid te geven.

Tja is geen wijze
maar een wijze van spreken
bij wijze van zwijgen.

Het komt nergens uit voort
en mondt nergens in uit
behalve de mond.

6 - De wijze is zonder natuur

Geïnspireerd door hoofdstuk 5 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De natuur is niet barmhartig.
De natuur is niet onbarmhartig.

De natuur is de natuur.

De wijze is niet barmhartig.
De wijze is niet onbarmhartig.

De wijze is niet wijs.

Wat zich in de natuur afspeelt
lijkt nergens op.

Het is goed noch slecht,
zinvol noch zinloos,
juist noch onjuist,
slim noch dom.

Daarin komt het de wijze nabij.

Grote geleerdheid leert
met harde stelligheid.

Het Grote Tja ontstelt
door hardleersheid.

De wijze is zonder natuur.

Hij lijkt nergens op.

Taijitu 2

7 - Als een priester zonder mond

Geïnspireerd door hoofdstuk 6 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Als een kip zonder kop

Als een berg zonder top

Als een dal zonder bodem

Als een vrouw zonder poort

Als een wezen zonder wezen

Als een opschrift zonder woord

Als een priester zonder mond

Als een reus zonder grootte

Als een hemel zonder rijk

Als een erf zonder grond

Als een dode zonder lijk

Is het Grote Tja

8 - Waarom de wijze er geen strategie op nahoudt

Geïnspireerd door hoofdstuk 7 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De hemel bestaat al heel lang.

De aarde is al flink op leeftijd.

De mensheid komt net kijken.

Het individu is slechts een flits in de duisternis.

Wat mensen ook claimen, er is geen garantie op een goede gezondheid en een hoge leeftijd.

Iemand die op de achtergrond blijft, wordt daarom nog niet ouder dan iemand die op de voorgrond treedt.

Iemand die zijn lichaam cultiveert, wordt daarom nog niet ouder dan iemand die zijn lichaam misbruikt.

Iemand die alleen voor anderen leeft, wordt daarom nog niet ouder dan iemand die alleen voor zichzelf leeft.

Iemand die zijn eigenbelang nastreeft door zijn eigenbelang te negeren, wordt daarom nog niet ouder.

Ook de wijze heeft geen strategie voor een goede gezondheid en een hoge leeftijd.

Er geen strategie op nahouden helpt net zomin.

9 - In het antwoorden gaat er niets boven vragen

Geïnspireerd door hoofdstuk 8 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Water stroomt, ijs kraakt, stoom doodt. Vast, vloeibaar, gasvormig – nooit bepaalt water zijn eigen toestand.

Onbedoeld oefent het invloed uit, ten goede of ten kwade, maar meestal allebei. Daarin komt het de wijze nabij.

Gierzwaluwen wonen in de lucht, struisvogels op het zand, vissen onder water. Ze kunnen niet anders en ze willen niet anders.

Mensen gedijen op de grond, maar hunkeren naar de hemel. Dat is hun lot. Ze kunnen wel anders maar ze willen niet anders.

Vol zijn van de grond waarop je gedijt is voor weinigen weggelegd.

Voor het denken is veelzijdigheid het best, voor diepzinnigheid oppervlakkigheid.

In het antwoorden gaat er niets boven vragen. In het vragen gaat er niets boven lachen.

Lachen tot het je vergaat en er niets meer boven staat.

10 - Blaam is geen blamage

Geïnspireerd door hoofdstuk 8 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Blaam is geen blamage.

Je kunt het niet bestrijden door faam te vermijden.

Zodra je het onderscheid tussen faam en blaam doorziet, ben je verlost van beide – eventjes.

Kun je dat niet, dan is dat geen blamage.

11 - Wanneer maak je er een eind aan?

Geïnspireerd door hoofdstuk 9 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Om te snijden kan een koksmes niet scherp genoeg zijn, om je vingers te sparen niet bot genoeg.

Hoe lang moet je slijpen?

Om een hersentumor te verwijderen snijd je zoveel mogelijk weefsel weg, om de hersenen te ontzien zo min mogelijk.

Hoeveel snijd je weg?

Om later te genieten moet je voor het zingen de kerk uit, om nu te genieten erna.

Hoe lang blijf je binnen?

Voor een bloeiende beschaving zijn veel mensen nodig, voor een bloeiende natuur weinig.

Hoeveel is genoeg?

Om ziektekiemen te bestrijden moet je lang antibiotica slikken, om je darmflora te behouden kort.

Hoe lang ga je door?

Om euthanasie te plegen moet je wilsbekwaam zijn, wie nog wilsbekwaam is stelt het vaak uit.

Wanneer maak je er een eind aan?

Om niet-weten te vinden moet je vragen stellen, maar van vragen komen antwoorden.

Hoe ver vraag je door?

Om je van je gedachten te bevrijden moet je nadenken, maar wie nadenkt wordt bevangen door gedachten.

Hoe diep moet je gaan?

12 - Van je onwetendheid geen verlichting maken, kun je dat?

Geïnspireerd door hoofdstuk 10 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Je op je adem concentreren en hem zacht maken, kun je dat?
Je op je adem concentreren zonder hem te veranderen, kun je dat?
Gewoon doorademen zonder op te letten, kun je dat?

Van je wijsheid geen verlichting maken, kun je dat?
Van je nietweten geen wijsheid maken, kun je dat?
Van je onwetendheid geen nietweten maken, kun je dat?

Je onzichtbare spiegel rein houden, kun je dat?
Je onzichtbare spiegel onrein laten worden, kun je dat?
Je onzichtbare spiegel breken, kun je dat?

Zitten en je hoofd leegmaken, kun je dat?
Zitten zonder je hoofd leeg te maken, kun je dat?
Zitten tot je opstaat, kun je dat?

Iets goed doen, kun je dat?
Iets doen, kun je dat?
Iets doen zonder doen, kun je dat?

Vragen als deze beantwoorden, kun je dat?
Vragen als deze lezen zonder ze te beantwoorden, kun je dat?
Vragen als deze negeren, kun je dat?

Taijitu 3

13 - De wijze blijft rustig onder zijn onrust

Geïnspireerd door hoofdstuk 10 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De wijze blijft altijd rustig, wat er ook gebeurt.

Wordt hij toch onrustig, wat heel normaal is, dan blijft hij dáár wel rustig onder.

Wordt hij toch onrustig over zijn onrust, wat heel normaal is, dan blijft hij dáár wel rustig onder, et cetera.

Wordt hij opgewonden, wat heel normaal is, dan blijft hij rustig onder zijn opwinding.

Wordt hij opgewonden over zijn opwinding, wat heel normaal is, dan blijft hij dáár wel rustig onder, et cetera.

Raakt hij in paniek, wat heel normaal is, dan blijft hij rustig onder zijn paniek.

Raakt hij in paniek over zijn paniek, wat heel normaal is, dan blijft hij dáár wel rustig onder, et cetera.

Je ziet, of hij nou rustig is, onrustig, opgewonden of in paniek, de wijze blijft altijd rustig.

Wat er ook gebeurt.

Hoe dat kan?

Gewoon.

Hij surft op elk getij en weet van kip noch ei.

Terwijl de poorten van de hemel zich openen, doet de wijze wat iedereen doet: rondrennen als een kip zonder kop, piekeren als een kop zonder kip, doodzitten als een broedende hen – net wat er komt.

Hij kan niet anders.

Zonder enige schaamte, wat heel normaal is.

Schaamt hij zich toch, wat heel normaal is, dan schaamt hij zich daar niet voor.

Schaamt hij zich toch voor zijn schaamte, wat heel normaal is, dan schaamt hij zich dáár niet voor, et cetera.

Je ziet: of hij zich nou schaamt of schaamt voor zijn schaamte of niet, de wijze schaamt zich nergens voor.

Wat er ook gebeurt.

Hoe dat kan?

Gewoon.

Bij wijze van wijsheid aanvaardt hij zijn dwaasheid.

Kan hij zijn dwaasheid niet aanvaarden, wat heel normaal is, dan aanvaardt hij dat.

Kan hij niet aanvaarden dat hij zijn dwaasheid niet kan aanvaarden, wat heel normaal is, dan aanvaardt hij dát wel, et cetera enzovoort.

14 - Waarom je de weg niet kunt kwijtraken

Geïnspireerd door hoofdstuk 10 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is geen weg.

Het Grote Tja is geen wegennet.

Het Grote Tja is een eindeloze vlakte.

Vooruit, achteruit, linksom, rechtsom – de weg is overal.

Vandaar dat je hem nooit zult vinden, niet hier en niet daar.

Vandaar dat je hem nooit zult kwijtraken, in geen honderd jaar.

Vooruit, achteruit, linksom, rechtsom – de weg is overal.

Het Grote Tja is een eindeloze vlakte.

Het Grote Tja is een wegennet.

Het Grote Tja is de weg.

15 - Een vrije geest is een lege geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 11 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie zijn beweeglijkheid wil verliezen
moet zijn huis volproppen.

Wie verstopt wil raken,
moet zijn buik volproppen.

Wie gek wil worden,
moet zijn hoofd volproppen.

Een vrije geest is een lege geest.
Een lege geest heeft een lege leer –
hij heeft er geen omkijken naar.

Daarom kan hij overal vrij rondkijken.

16 - Grote Gedachten, Grote Dwaasheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 12 van de Daodejing.

Zie je het dan niet?

Grote Prikkels verblinden de geest.
Grote Passies verblinden de geest.
Grote Ambities verblinden de geest.

Grote Woorden verblinden de geest.
Grote Idealen verblinden de geest.
Grote Goden verblinden de geest.

Groot Geloof verblindt de geest.
Grote Wijsheid verblindt de geest.
Grote Waarheid verblindt de geest.

Groot Gezag verblindt de geest.
Grote Wetenschap verblindt de geest.
Grote Verlichting verblindt de geest.

Daarom zegt Meester Tja:

Grote Gedachten, Grote Dwaasheid.
Kleine gedachten, kleine wijsheid.*

Of is dat weer zo’n Grote Gedachte?

* In zen zegt men: kleine twijfel, kleine verlichting, grote twijfel, grote verlichting.

17 - Het wel en wee van ja en nee

Geïnspireerd door hoofdstuk 13 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

In de gunst staan is plezierig, omdat het voordelen biedt, aanzien geeft en het ego streelt.

In de gunst staan is vervelend, omdat het verplichtingen met zich meebrengt, vleierij uitlokt en ieder moment afgelopen kan zijn.

Wie kunnen we het best belasten met het bestuur, iemand die in de gunst wil staan of iemand die onafhankelijk is?

Wat is beter voor je, wel of niet in de gunst staan?

Een hoge positie is plezierig omdat je dan invloed hebt, vrienden krijgt en beloond wordt.

Een hoge positie is vervelend omdat je dan verantwoordelijkheid draagt, vijanden krijgt en je gezondheid schaadt.

Wie kunnen we het best belasten met het bestuur, iemand die een hoge positie ambieert of iemand zonder ambities?

Wat is beter voor je, wel of geen hoge positie?

Wie zijn gezondheid verspeelt kan het rijk niet besturen, wie het rijk verspeelt kan nog wel voor zijn lichaam zorgen.

Wat is belangrijker, en voor wie?

18 - Kennen kunnen wij ons lichaam niet

Geïnspireerd door hoofdstuk 13 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Geboorte is ondenkbaar
zonder lichaam

Groei is ondenkbaar
zonder lichaam

Zitten is ondenkbaar
zonder lichaam

Liggen is ondenkbaar
zonder lichaam

Kijken is ondenkbaar
zonder lichaam

Proeven is ondenkbaar
zonder lichaam

Ruiken is ondenkbaar
zonder lichaam

Bewegen is ondenkbaar
zonder lichaam

Eten is ondenkbaar
zonder lichaam

Drinken is ondenkbaar
zonder lichaam

Slapen is ondenkbaar
zonder lichaam

Dromen is ondenkbaar
zonder lichaam

Seks is ondenkbaar
zonder lichaam

Vreugde is ondenkbaar
zonder lichaam

Verdriet is ondenkbaar
zonder lichaam

Angst is ondenkbaar
zonder lichaam

Ergernis is ondenkbaar
zonder lichaam

Pijn is ondenkbaar
zonder lichaam

Aftakeling is ondenkbaar
zonder lichaam

Sterven is ondenkbaar
zonder lichaam

Lezen is ondenkbaar
zonder lichaam

Schrijven is ondenkbaar
zonder lichaam

Gedachten zijn ondenkbaar
zonder lichaam.

Kennis is ondenkbaar
zonder lichaam

Wijsheid is ondenkbaar
zonder lichaam

Spiritualiteit is ondenkbaar
zonder lichaam.

Scheppen is ondenkbaar
zonder lichaam

Vernietigen is ondenkbaar
zonder lichaam

Alles is ondenkbaar
zonder lichaam
maar kennen kunnen wij
ons lichaam niet

Daarom:

Wie het leven kent
als zijn lichaam
kan men het Tja
toevertrouwen

Taijitu 4

19 - Hoeveel ogen heeft een rollende dobbelsteen?

Geïnspireerd door hoofdstuk 14 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

We zien wel, maar we snappen het niet.
We horen wel, maar we snappen het niet.
We proeven wel, maar we snappen het niet.
We ruiken wel, maar we snappen het niet.
We voelen wel, maar we snappen het niet.
We denken wel, maar we snappen het niet.

Dit zijn de zes facetten van het Tja.

Hoeveel ogen heeft een rollende dobbelsteen?

Maal zes aspecten

We zien wel, maar
we snappen het niet

We snappen niet
dat we zien

We snappen niet
wat we zien

We snappen niet
waarom we zien

We snappen niet
waarmee we zien

We snappen niet
hoe we zien

We snappen niet
wie er ziet

Maar we denken
dat we het snappen

We horen wel, maar
we snappen het niet

We snappen niet
dat we horen

We snappen niet
wat we horen

We snappen niet
waarom we horen

We snappen niet
waarmee we horen

We snappen niet
hoe we horen

We snappen niet
wie er hoort

Maar we denken
dat we het snappen

We proeven wel, maar
we snappen het niet

We snappen niet
dat we proeven

We snappen niet
wat we proeven

We snappen niet
waarom we proeven

We snappen niet
waarmee we proeven

We snappen niet
hoe we proeven

We snappen niet
wie er proeft

Maar we denken
dat we het snappen

We ruiken wel, maar
we snappen het niet

We snappen niet
dat we ruiken

We snappen niet
wat we ruiken

We snappen niet
waarom we ruiken

We snappen niet
waarmee we ruiken

We snappen niet
hoe we ruiken

We snappen niet
wie er ruikt

Maar we denken
dat we het snappen

We voelen wel, maar
we snappen het niet

We snappen niet
dat we voelen

We snappen niet
wat we voelen

We snappen niet
waarom we voelen

We snappen niet
waarmee we voelen

We snappen niet
hoe we voelen

We snappen niet
wie er voelt

Maar we denken
dat we het snappen

We denken wel, maar
we snappen het niet

We snappen niet
dat we denken

We snappen niet
wat we denken

We snappen niet
waarom we denken

We snappen niet
waarmee we denken

We snappen niet
hoe we denken

We snappen niet
wie er denkt

Maar we denken
dat we het snappen

We denken
tot we denken
dat we het snappen

We denken
en we denken
en we denken…

Kijken, horen, proeven,
ruiken, voelen, denken –

Dit zijn de zes facetten
van het Grote Tja

Dat, wat, waarom,
waarmee, hoe, wie –

Dit zijn de zes aspecten
van elk facet

Hoeveel ogen
heeft een rollende
dobbelsteen?

Het zevende oog

We willen wel, maar
we snappen het niet

We snappen niet
dat we willen

We snappen niet
wat we willen

We snappen niet
waarom we willen

We snappen niet
waarmee we willen

We snappen niet
hoe we willen

We snappen niet
wie er wil

Maar we denken
dat we het snappen

20 - De leidraad van Tja

Geïnspireerd door hoofdstuk 14 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Tja komt nooit op
en gaat nooit onder

Ze geeft licht noch duisternis
Ze geeft raad noch onraad
Ze schept eenheid noch veelheid
Ze schept orde noch chaos
Ze schept zin noch onzin

Nooit geeft ze nee ofte ja
Dat is de leidraad van Tja

21 - Hou je liever van de domme

Geïnspireerd door hoofdstuk 14 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Waarom trachten te doorgronden?
Hou je liever van de domme.

Hou je liever van de domme
tot je niet meer hoeft.

Hou je liever van de domme
tot je niet meer hoeft te doen.

Hou je liever van de domme
tot je niet meer hoeft te doen alsof.

22 - Het Grote Mysterie en het Grote Alsof

Geïnspireerd door hoofdstuk 15 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Nooit is iemand doorgedrongen in de duisternis van de subtielste mysteriën. Noch in het grijze verleden, noch in het kleurrijke heden. Nooit zal iemand erin doordringen. Waarom niet?

Omdat alles en iedereen reeds doordrongen is van de duisternis van de subtielste mysteriën. Wijzelf zijn een en al duisternis en mysterie. Te duister, te mysterieus zelfs om duisternis of mysterie te noemen, subtiel of grof, god of kosmos, ik of gij, zelf of wij, dit of dat.

De duisternis is in je en om je heen – je bent het zelf, maar je ziet het niet. Je bent er al van doordrongen, maar doordringen wil het niet. Je kunt het niet zien, want je wilt het niet zien. Je wilt het niet zien, want het onbekende jaagt je angst aan. Het onbekende jaagt je angst aan, ook al ben je het zelf.

Onophoudelijk vertellen we elkaar verhalen om aan de duisternis te ontsnappen. Onophoudelijk luisteren we naar elkaars duistere verhalen over een of ander Licht. Met zijn allen spelen we dat alles helder en klaar is.

Maar we spelen het niet klaar, we doen alleen alsof. Ook dat spelen we niet klaar, we doen alleen alsof we niet doen alsof. Waarom, vraag ik je? Ook dat maakt deel uit van het mysterie.

Dit was het Verhaal van de Duisternis van de Subtielste Mysteriën.

Meester Tja deed even alsof.

23 - Gelukkig is mijn ongeluk

Geïnspireerd door hoofdstuk 15 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Onvolkomen is mijn volkomenheid,
harmonieus mijn disharmonie en
en eindeloos mijn ondergang.

Rustig is mijn onrust,
vredig mijn onvrede,
gelaten mijn doen en
weteloos mijn weten.

24 - De dwijze is dwaas noch wijs

Geïnspireerd door hoofdstuk 15 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De dwijze is dwaas noch wijs. Hij weet en hij weet niet.

Hij is zo licht en tastbaar als zijn nee en zijn ja,
zo duister en ongrijpbaar als zijn eeuwige Tja.

Zijn diepte is ondiepte, zijn oppervlakkigheid bodemloos.

Daar niemand gekend kan worden, zelfs niet als onkenbaar,
zal ik een beeld schetsen.

De dwijze is behoedzaam als wie zijn vrienden vreest
en zijn vijanden vertrouwt.

Hij is wijkend en kruiend als smeltend ijs.

Hij is ingetogen als een gast
en opgetogen als een kind.

Hij is troebel als modder
en helder als smeltwater.

Hij is massief als een berg
en leeg als een vallei.

Wie is het die zijn helderheid behoudt
zonder de troebelen te klaren?

Wie is het die rust neemt in beweging
en actief blijft in rust?

De dwijze: vol en leeg, rijk en berooid, in en uit de tijd, is hij volkomen onvolkomen.

Taijitu 5

25 - Waarom de wijze zich nooit laat kennen

Geïnspireerd door hoofdstuk 16 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De wijze houdt niets achter.
Toch laat hij zich nooit kennen.
Ook niet door zichzelf.

Hij neemt niets aan,
je weet maar nooit.

Hij wijst niets af,
je weet maar nooit.

Hij keurt niets goed,
je weet maar nooit.

Hij keurt niets af,
je weet maar nooit.

Hij raadt niets aan,
je weet maar nooit.

Hij raadt niets af,
je weet maar nooit.

Hij werkt niet tegen,
je weet maar nooit.

Hij werkt niet mee,
je weet maar nooit.

Hij blijft niet thuis,
je weet maar nooit.

Hij gaat niet weg,
je weet maar nooit.

Hij juicht niet mee,
je weet maar nooit.

Hij klaagt niet mee,
je weet maar nooit.

Soms weet hij wél,
je weet maar nooit.

Maar meestal niet,
hij weet het nooit.

De laat wijze zich niet kennen.
Ook niet door zichzelf.
Toch houdt hij niets achter.

26 - Geen ruimte zo groot, geen stilte zo diep

Geïnspireerd door hoofdstuk 17 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Geen stilte zo diep
als de sprekende stilte
van het lege woord.

Geen ruimte zo groot
als de denkruimte
van de lege geest.

Gedachten over
de sprekende stilte
van het lege woord:

Ik zie ze verschijnen.
Ik zie ze verdwijnen.

Gedachten over
de denkruimte
van de lege geest:

Ik zie ze verschijnen.
Ik zie ze verdwijnen.

Tienduizend gedachten:

Ik zie ze verschijnen.
Ik zie ze verdwijnen.

Tienduizend vragen
over mijn gedachten:

Hebben ze een oorsprong?
Hebben ze een bestemming?
Is de oorsprong onveranderlijk?
Is de bestemming onveranderlijk?
Zijn oorsprong en bestemming gelijk?

Ik zie ze verschijnen.
Ik zie ze verdwijnen.

Gedachten over
hun verschijnen
en verdwijnen:

Ik zie ze verschijnen.
Ik zie ze verdwijnen.

Geen ruimte zo groot
als de denkruimte
van de lege geest.

Geen stilte zo diep
als de sprekende stilte
van het lege woord.

27 - Tja maakt ongewild mild

Geïnspireerd door hoofdstuk 17 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Tja maakt ongewild mild.

Wie ongewild mild is,
sluit niets uit,
wat hij ook uitsluit.

Hij bevestigt niet wat hij nú niet kan bevestigen.
Hij ontkent niet wat hij nú niet kan ontkennen.

Daarom bevestigt hij niet en ontkent hij niet.

Dat is alles –
het is niets.

Wie Tja heeft, vertegenwoordigt alles of niets.
Hij vertegenwoordigt hemel én aarde.
Hij vertegenwoordigt jou noch mij.
Hij vertegenwoordigt nee én ja.

Wie Tja heeft, is geen vertegenwoordiger van welke gedachten dan ook, maar geenszins tegen woorden.

Groot schijnt hem zijn tegenwoordigheid van geest,
maar alleen vergeleken met vroeger.

Soeverein noch onaanraakbaar lijkt hij,
alwetend noch onwetend,
hemels noch aards,
levend noch dood.

Een raadsel dat geen oplossing behoeft.

28 - Grote heersers heersen niet

Geïnspireerd door hoofdstuk 17 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Van grote heersers weten de onderdanen nauwelijks dat ze bestaan. Grote heersers weten zelf nauwelijks dat ze bestaan. Ze weten niet of hun onderdanen wel bestaan, noch weten ze wie heerst over wie.

Nooit menen ze enige verdienste verworven te hebben.

Nooit denken ze enig werk volvoerd te hebben.

Nooit zijn ze bedachtzaam of onnadenkend.

Nooit zijn hun woorden of daden kostbaar.

Wat ze ook doen,
ze doen maar wat
en ook hun nietdoen
doen ze niet.

Wat ze ook zeggen,
ze zeggen maar wat
en dat zeggen ze ook
maar het blijft
teveel gezegd.

29 - Als het Tja van huis is dansen de denkers op tafel

Geïnspireerd door hoofdstuk 18 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Als het Tja van huis is
dansen de denkers op tafel

Dan krijgen we…

Juist en onjuist
Goed en kwaad
Gehecht en onthecht
Vaardig en onvaardig

Welles en nietes
Samsara en nirwana
Werkelijkheid en illusie
Kennis en onwetendheid

Dan komen er…

Goden en mensen
Monniken en leken
Heiligen en zondaars
Boeddha’s en bodhisattva’s

Dualisten en non-dualisten
Inquisiteurs en ketters
Meesters en leerlingen
Wijzen en dwazen

Als het Tja van huis is
dansen de denkers op tafel

30 - Geen enkele richtlijn maakt vrij

dus luister vooral niet naar mij.

Geïnspireerd door hoofdstuk 19 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Stop met het vereren van kennis en onwetendheid.
Vergeet het weten en vergeet het vergeten.
Hou op met onderscheiden en verenigen.
Laat al je denkbeelden gaan, ook deze
en luister vooral niet naar mij.

Leer je eigen sluwheid kennen, je hebzucht.

Zolang wij er zijn zullen er rovers en dieven zijn.

Leer je eigen praatzucht en praalzucht kennen.

Zolang wij er zijn zullen er uitslovers zijn.

Leer je eigen pretenties kennen, je dromen.

Zolang wij er zijn zullen er radicalen zijn.

Leer je eigen liefde kennen, je mededogen.

Zolang wij er zijn zullen er verlossers zijn.

Streven naar eenvoud is ingewikkeld.
Niet willen begeren is begeerte.
Spontaan willen zijn is gemaakt.
Niets is van nature onnatuurlijk.

Geen enkele richtlijn maakt vrij,
Dus luister vooral niet naar mij.

Taijitu 6

31 - Verzaak de wijsheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 19 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Verzaak de wijsheid.

Verzaak de wijsheid en je zult geen idee hebben.

Verzaak de wijsheid en je zult geen idee hebben van liefde.

Verzaak de wijsheid en je zult geen idee hebben van liefde, en toch niet zonder zijn.

Verzaak de wijsheid en je zult geen afkeer van begeerte hebben, noch onverschilligheid verlangen.

Verzaak de wijsheid en het onzuivere dat je zo veracht zal op zijn eigen wijze maagdelijk blijken.

Verzaak de wijsheid en je ik-zucht zal de jouwe niet zijn, zij zal je niet dienen en aan anderen geen schade berokkenen.

Verzaak de wijsheid en je zult het recht niet meer kennen, niet meer vaardig wezen, rechtvaardig noch onrechtvaardig zijn over anderen of jezelf.

Verzaak de wijsheid en je zult het volk niet meer kennen, geen voordeel kennen, door niemand meer bevoordeeld worden en niemand bevoordelen.

Verzaak de wijsheid en de laatsten zullen de eersten zijn, de eersten weer de laatsten.

Verzaak de wijsheid en je zult geen idee hebben van hemel of hel, hoger of lager, absoluut of relatief.

Verzaak de wijsheid en je zult geen idee hebben.

Verzaak de wijsheid.

32 - Wijsheid is van alle markten, maar nooit thuis

Geïnspireerd door hoofdstuk 20 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Over ja en nee beweert men van alles en nog wat:

Ja is ja en nee is nee!

Ja is nee en nee is ja!

Het is altijd ja én nee!

Het is altijd ja noch nee!

Over leren beweert men van alles en nog wat:

Hou op met leren, dan leef je onbezorgd!

Hoe meer je leert, hoe minder zorgen!

Geleerd of ongeleerd, zorgen zijn zorgen!

Onbezorgd leven kun je leren!

Over vrees beweert men van alles en nog wat:

Wie vrees inboezemt moet voor zijn leven vrezen!

Wie vrees inboezemt heeft zelf niets meer te vrezen!

Wie geen vrees inboezemt moet voor zijn leven vrezen!

Wie geen vrees inboezemt heeft niets te vrezen!

Over schoonheid beweert men van alles en nog wat:

Iets is altijd mooi óf lelijk!

Iets is altijd mooi én lelijk!

Iets is nooit mooi of lelijk!

Mooi is lelijk, lelijk is mooi!

Iets is nu eens mooi dan weer lelijk!

Iets kan mooi zijn in het ene opzicht, lelijk in het andere!

Wat mooi is voor de een, is lelijk voor de ander!

Niets is mooi of lelijk van zichzelf, dat maakt het denken ervan!

Over van alles en nog wat beweert men van alles en nog wat.

Want wijsheid is van alle markten – maar nooit thuis.

33 - Waarom, dat vraag ik niet

Geïnspireerd door hoofdstuk 20 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Nu eens lig ik stil zonder teken
Als een baby die niet weet
Wat lachen is

Dan weer straal ik van lust
Als wie zich vergast
Aan het stierenoffer

Waarom, dat vraag ik niet
Vraag ik het toch
Dan vraag ik niet
Waarom

Dikwijls keer ik naar binnen
Als wie in de zomer terrassen bestijgt
Of zich ’s winters verwarmt aan een vuur

Dan weer klamp ik vreemden aan
Als wie reeds jaren verstoken is
Van gezelschap

Waarom, dat vraag ik niet
Vraag ik het toch
Dan vraag ik niet
Waarom

Soms ben ik zus
Soms ben ik zo

Soms ben ik deze
Soms ben ik gene

Waarom, dat vraag ik niet
Vraag ik het toch
Dan vraag ik niet
Waarom

34 - De grenzeloze ruimte tussen weten en niet-weten

Geïnspireerd door hoofdstuk 20 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie ongetwijfeld zegt, wéét.

Wie waarschijnlijk zegt, wéét.

Wie misschien zegt, wéét.

Wie onwaarschijnlijk zegt, wéét.

Wie onmogelijk zegt, wéét.

Zo gering als het verschil tussen
ongetwijfeld en onmogelijk,
zo onmetelijk is het verschil
tussen weten en niet-weten.

35 - Mijn meester heeft geen leerlingen

Geïnspireerd door hoofdstuk 21 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Mijn zien is zonder zien.
Mijn horen is zonder horen.
Mijn ruiken is zonder ruiken.
Mijn voelen is zonder voelen.

Zien, horen, ruiken, voelen –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn denken is zonder denken.
Mijn weten is zonder weten.
Mijn menen is zonder menen.
Mijn oordelen is zonder oordelen.

Denken, weten, menen, oordelen –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn doen is zonder doen.
Mijn laten is zonder laten.
Mijn komen is zonder komen.
Mijn gaan is zonder gaan.

Doen, laten, komen, gaan –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn geven is zonder geven.
Mijn nemen is zonder nemen.
Mijn hebben is zonder hebben.
Mijn zijn is zonder zijn.

Geven, nemen, hebben, zijn –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn spreken is zonder spreken.
Mijn zwijgen is zonder zwijgen.
Mijn leven is zonder leven.
Mijn sterven is zonder sterven.

Spreken, zwijgen, leven, sterven –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn geest is zonder geest.
Mijn lichaam is zonder lichaam.
Mijn liefde is zonder liefde.
Mijn haat is zonder haat.

Geest, lichaam, liefde, haat –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn lust is zonder lust.
Mijn onlust is zonder onlust.
Mijn wil is zonder wil.
Mijn onwil is zonder onwil.

Lust, onlust, wil, onwil –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn gehechtheid is zonder gehechtheid.
Mijn onthechting is zonder onthechting.
Mijn onderscheid is zonder onderscheid.
Mijn eenheid is zonder eenheid.

Gehechtheid, onthechting, onderscheid, eenheid –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn deugd is zonder deugd.
Mijn zonde is zonder zonde.
Mijn vreugde is zonder vreugde.
Mijn verdriet is zonder verdriet.

Deugd, zonde, vreugde, verdriet –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn waarheid is zonder waarheid.
Mijn wijsheid is zonder wijsheid.
Mijn kennis is zonder kennis.
Mijn filosofie is zonder filosofie.

Waarheid, wijsheid, kennis, filosofie –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn moraal is zonder moraal.
Mijn realiteit is zonder realiteit.
Mijn religie is zonder religie.
Mijn verlichting is zonder verlichting.

Moraal, realiteit, religie, verlichting –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn eenvoud is zonder eenvoud.
Mijn woord is zonder woord.
Mijn bede is zonder bede.
Mijn vaart is zonder vaart.

Eenvoud, woord, bede, vaart –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn Boeddha is zonder Boeddha.
Mijn God is zonder God.
Mijn Zelf is zonder Zelf.
Mijn ik is zonder ik.

Boeddha en God, Zelf en ik –
Alle volgen het Grote Tja.

Het Grote Tja is geen volgeling.
Mijn meester heeft geen meester.
Hij is een leerling van niets.
Ik ben mijn eigen leerling.

Het Grote Tja is niet te volgen.
Mijn meester heeft geen leerlingen.
Hij is een meester van niets.
Ik ben mijn eigen meester.

36 - De wijze heeft niets te verhullen of onthullen

Geïnspireerd door hoofdstuk 22 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie veel heeft, zal verkrijgen of verliezen
Wie weinig heeft vergaat het niet anders

Wat stuk is wordt hersteld of gedumpt
Wat krom is trekt rechter of krommer
Wat buigt veert terug of barst
Wat hol is loopt leeg of vol

Al houdt het Tja zich nooit aan hem,
De wijze houdt zich aan het Tja.
Zodoende is hij herder noch schaap
Verdienstelijk noch onverdienstelijk
Aanzienlijk noch onaanzienlijk
Edelmoedig noch onedel

De wijze heeft niets te verhullen
Daarom spreekt hij vrijuit.
Hij heeft niets te onthullen
Daarom zwijgt hij voluit

Hij houdt zich aan het vele
Noch aan het ene
En veinst nimmer
Ongeveinsd te zijn

Taijitu 7

37 - Wie zichzelf in de schaduw stelt werpt geen licht

Geïnspireerd door hoofdstuk 22 van de Daodejing.

Meester Tja kan het niet vaak genoeg zeggen:

Wie zichzelf in het licht stelt
zal een schaduw werpen,
maar wie zichzelf in de schaduw stelt,
werpt daarom nog geen licht.

De wijze stelt zichzelf niet in het licht,
maar daarom schittert hij nog niet.
Hij slaat zichzelf niet hoog aan,
maar daarom blinkt hij nog niet uit.

Wijs is wie zijn dwaasheid erkent.
Ook dat is geen verdienste.

38 - Heel even dacht ik niets

Geïnspireerd door hoofdstuk 22 van de Daodejing.

Eerst dacht Meester Tja:

Alle mensen hebben over
Ik alleen ben leeg.

Toen dacht hij:

Alle mensen zijn leeg
Ik alleen heb over

Daarna:

Ik alleen heb over
Toch ben ik leeg.

Toen:

Niets heb ik over
Toch ben ik niet leeg.

En:

Wist ik nu maar
Hoe het zat

En:

Of toch maar
liever niet

Heel even
Dacht hij
Niets

Ook dat was

Zo voorbij

39 - Waarom de wijze niet van ophouden weet

Geïnspireerd door hoofdstuk 23 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De hele dag spreken is natuurlijk
Regelmatig spreken is natuurlijk
Weinig spreken is natuurlijk
Geen stom woord zeggen –
Niets is onnatuurlijk

De mens weet al
Geen maat te houden
Laat staan de natuur

Een storm blaast wekenlang of waait snel over
Stortregen, droogte, hitte of koude
Put zich uit of houdt maar aan

Hemel en aarde weten al
Geen maat te houden
Laat staan de dwaas

Ook wie Tja heeft is mateloos

Hij weet niet van ophouden
omdat hij nergens aan begint

Hij weet niet van beginnen
omdat hij overal klaar mee is

Daarom kan niemand iets
met hem beginnen

Hij weet niet van winnen
omdat hij alles al heeft

Hij weet niet van verliezen
omdat hij alles al kwijt is

Daarom kan niets of niemand
met hem winnen of verliezen

40 - Wie nergens op staat valt vrij

Geïnspireerd door hoofdstuk 24 van de Daodejing.

Iedereen schept weleens op,
tegen zichzelf of tegen anderen.
Goden, wijzen, dwazen, dieren –
opscheppen doen we allemaal.

Ook Meester Tja mag graag opscheppen,
al is het maar door niet op te scheppen.

Iedereen loopt weleens te paraderen,
voor zichzelf of voor anderen.
Goden, wijzen, dwazen, dieren –
paraderen doen we allemaal.

Ook Meester Tja mag graag paraderen,
al is het maar door niet te paraderen.

Iedereen wil weleens schitteren,
voor zichzelf of voor anderen.
Goden, wijzen, dwazen, dieren –
schitteren doen we allemaal.

Ook Meester Tja mag graag schitteren,
al is het maar door niet te schitteren.

Iedereen doet weleens alsof,
voor zichzelf of voor anderen.
Goden, wijzen, dwazen, dieren –
pretenderen doen we allemaal.

Ook Meester Tja mag graag doen alsof,
al is het maar door niet te doen alsof.

Daarom:

Wie zijn eigen pretenties ontkent, staat zwak.

Wie zijn eigen pretenties erkent, staat sterk.

Wie andermans pretenties herkent, staat nergens op.

Wie nergens op staat, valt vrij –

Of is dat weer opschepperij?

41 - Wie denkt er zo ver met mij mee

Geïnspireerd door hoofdstuk 25 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Was de aarde er vóór de dingen?
Was de hemel er vóór de aarde?
Zo ja of nee, wat was er dan vóór
die tienduizend twee?
Wie denkt er zo ver
met mij mee?

Heeft de kosmos een moeder?
Heeft de moeder een vader?
Heeft de vader een oorzaak?
Heeft de oorzaak een bron?
Heeft de bron een naam?
Heeft de naam een naamgever?

Als wij de naamgever zijn,
waar komen wij dan vandaan?
Waar zijn wij op dit moment?
Waar gaan we zo naartoe?
Wie waren wij, wie zijn wij en
zijn wij er straks
geweest?

Zijn dit de juiste vragen?
Zijn er juiste vragen?
Zijn vragen echt
wel vragen
of zijn ze al
het antwoord?

Groots schijnt de kosmos.
Grootser de onzekerheid
die hem verhult.

Of is het de onzekere – schepper
zonder vlees of braam?
Nog weet ik niet zijn naam,
alleen zijn bijnaam
mag er wezen
als zijn wezen
noch zijn vorm –
het Grote Tja
(on)aangenaam.

Het grote ja!
Het grote nee!
De boze heks!
De goede fee!
Het grote tja!
Gedachtenwee:
Hoe groot precies
is een idee?

Is de aarde een idee?
Is de hemel een idee?
Is nirwana een idee?
Is het zelf maar een idee?
Is de weg maar een idee?
Is de Boeddha een idee?
Is de kosmos een idee?
Is de moeder een idee?
Is de vader een idee?
Is de oorzaak een idee?
Is de bron maar een idee?
Of is dat ook maar een idee?

Wie denkt er zo ver!
Met mij mee?

42 - Verlicht noch verduisterd

Geïnspireerd door hoofdstuk 25 van de Daodejing.

Vraag je mij wat ik ben dan zeg ik:

Wederkerend noch eenmalig
Bestaand noch onbestaand
Verlicht noch verduisterd
Vliedend noch inwonend
Verdeeld noch verenigd
Meester noch gezel
Levend noch dood
Wijs noch dwaas
Groot noch klein
Veraf noch nabij

Vraag je mij hoe ik heet, dan zeg ik:

Tja.

Taijitu 8

43 - De wegleidweg naar de hemel

Geïnspireerd door hoofdstuk 25 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De weg naar het Tja
is de weg naar de hemel

De weg naar de hemel
is de weg naar de aarde

De weg naar de aarde
is de weg naar de mensen

De weg naar de mensen
is de weg naar jezelf

De weg naar jezelf
is de weg naar je lijf

De weg naar je lijf
is de weg naar je geest

De weg naar je geest
is de weg naar het weten

De weg naar het weten
is de weg naar niet-weten

De weg naar niet-weten
is de weg naar het Tja

De weg naar het Tja
leidt overal van weg

Overal van weg
is de weg naar
de hemel

Bis

44 - Mezelf ken ik wel (het slechtst)

Geïnspireerd door hoofdstuk 25 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Het Tja ken ik als wijsheid.

Wijsheid ken ik als nietweten.

Nietweten ken ik als de beste.

De beste ken ik als de hemel.

De hemel ken ik als de aarde.

De aarde ken ik als mijn lichaam.

Mijn lichaam ken ik als mijn geest.

Mijn geest ken ik als mijn ziel.

Mijn ziel ken ik als mijn hart.

Mijn hart ken ik als mijn wezen.

Mijn wezen ken ik als mezelf.

Mezelf ken ik wel het slechtst.

Het slechtst ken ik wel het Tja.

45 - Wie stilte zoekt hoort alles

Geïnspireerd door hoofdstuk 26 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie de wereld bestuurt
verliest zijn lichaam uit het oog.

Wie zijn lichaam verzorgt
verliest de wereld uit het oog.

Wie bezorgd is over zijn bagage
zal slecht slapen.

Wie goed slaapt
zal beroofd worden.

Wie zwak is
wordt onder de voet gelopen.

Wie sterk is
wordt uitgedaagd.

Wie veel weegt
komt moeilijk in beweging.

Wie weinig weegt
waait makkelijk om.

Wie niets onderneemt
verveelt zich dood.

Wie iets onderneemt
ergert zich dood.

Wie alles hoort
zoekt stilte.

Wie stilte zoekt
hoort alles.

Wie arm is
heeft weinig
te besteden.

Wie rijk is
heeft veel
te verliezen.

Wie Tja heeft…

46 - De wortel van wijsheid en dwaasheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 26 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wat zwaar lijkt voor het kind
lijkt licht voor de ouder.

Zwaar kan de wortel van licht niet zijn,
licht niet de wortel van zwaar.

Wat rust lijkt vanuit de zon
lijkt beweging vanuit de aarde.

Rust kan de wortel van beweging niet zijn,
beweging niet de wortel van rust.

Wat koud lijkt voor een warme hand
lijkt warm voor een koude.

Koude kan de wortel van warmte niet zijn,
warmte niet de wortel van koude.

Wat wijsheid lijkt voor een dwaas,
lijkt dwaasheid voor een wijze.

Wijsheid kan de wortel van dwaasheid niet zijn,
dwaasheid niet de wortel van wijsheid.

47 - Waarom voor de wijze alles eenvoudig is

Geïnspireerd door hoofdstuk 26 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De wijze ziet kracht
De wijze ziet zwakte

Hij ziet de kracht van zwakte
Hij ziet de zwakte van kracht

De wijze ziet het hoge
De wijze ziet het lage

Hij ziet het hoge van het lage
Hij ziet het lage van het hoge

De wijze ziet het geven
De wijze ziet het nemen

Hij ziet het geven in het nemen
Hij ziet het nemen in het geven

De wijze ziet het grote
De wijze ziet het kleine

Hij ziet het grote van het kleine
Hij ziet het kleine van het grote

De wijze ziet het goede
De wijze ziet het slechte

Hij ziet het goede van het slechte
Hij ziet het slechste van het goede

De wijze ziet het schone
De wijze ziet het lelijke

Hij ziet het schone van het lelijke
Hij ziet het lelijke van het schone

De wijze ziet zijn wijsheid
De wijze ziet zijn dwaasheid

Hij ziet de wijsheid van zijn dwaasheid
Hij ziet de dwaasheid van zijn wijsheid

De wijze ziet steeds het hele plaatje

Daarom is alles voor hem eenvoudig

48 - Een goede denker laat geen gedachten na

Geïnspireerd door hoofdstuk 27 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Een goede dichter opent.

Een goede leraar leert af.

Een goede leerling spijbelt.

Een goede zoeker vindt niets.

Een goede reiziger blijf thuis.

Een goede bouwer ondermijnt.

Een goede advocaat verdedigt niet.

Een goede verzamelaar neemt niet mee.

Een goede denker laat geen gedachten na.

Een goede zwijger heeft veel woorden nodig.

Een goede spreker neemt zijn woorden terug.

Een goede verstaander heeft genoeg aan stilte.

Ook de wijze weet.
Ook de wijze weet niet.
Ook de wijze weet niet beter.

Daarom hoeft hij niemand.
Daarom hoeft hij niemand te redden.
Of anderen het redden te beletten.

Door niet naar het licht te streven
geeft hij ruimte aan het duistere.
Zo verkleint hij het verschil.

De meester niet hoogschatten,
de leerling niet geringschatten,
daar begint het mee.

Wie kan zeggen
waarmee het
eindigt?

Taijitu 9

49 - De beste luisteraar ligt op één oor

Geïnspireerd door hoofdstuk 27 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Een goede luisteraar laat
Zich niet gek maken

Een betere luisteraar laat
Zich niets wijsmaken

De beste luisteraar
Ligt op één oor

Daarmee luistert hij
Naar de stilte

Een goede spreker laat
Niets ongezegd

Een betere spreker laat
Niets gezegd

De beste spreker laat
Het spreken
Spreken

Hij laat
Het spreken
Zwijgen

Hij laat
Het zwijgen
Spreken

Hij laat
Het zwijgen
Zwijgen

En Meester Tja?
Die zegt maar wat
En zegt dat ook –

Bij dezen

50 - De wijze aanvaardt zijn weigering

Geïnspireerd door hoofdstuk 27 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Je vraagt hoe wij tot volledige aanvaarding
van de tienduizend dingen komen.

Is weigering niet één van die dingen?

Nu vraag je weer hoe wij tot volledige aanvaarding
van onze weigering komen.

Is weigering van onze weigering
niet één van die dingen?

Nu vraag je zelfs hoe wij tot volledige aanvaarding
van onze weigering van onze weigering komen.

Is het weigeren van het weigeren van onze weigering
niet één van die dingen?

Wat valt er dan nog te aanvaarden?

51 - Niet-gaan behoeft geen voertuig

Geïnspireerd door hoofdstuk 27 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Niet-uitmunten behoeft geen oefening
en niemand voelt zich minder

Niet-verwerpen behoeft geen vuisten
en niemand neemt aanstoot

Niet-weten behoeft geen uitspraak
en niemand kan verdedigen

Niet-rekenen behoeft geen telraam
en niemand maakt fouten

Niet-binden behoeft geen banden
en niemand kan ontbinden

Niet-helpen behoeft geen handen
en niemand kan weigeren

Niet-sluiten behoeft geen grendel
en niemand kan openen

52 - Zo word je ’s werelds schilder

Geïnspireerd door hoofdstuk 28 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Doorzie het mannelijke en het vrouwelijke,
dan word je ’s werelds fallus.

De honderd seksen zul je welkom heten
als je eigen geslacht.

Ze zullen je welkom heten
als hun eigen geslacht

Doorzie je eergevoel en je schaamte,
dan word je ’s werelds vlakte.

De duizend dalen zul je welkom heten
als je eigen piek.

Ze zullen je welkom heten
als hun eigen piek

Doorzie het witte en het zwarte,
dan word je ’s werelds schilder.

De tienduizend tinten zul je welkom heten
als je eigen palet.

Ze zullen je welkom heten
als hun eigen palet

53 - Ik verloor mijn hemel en mijn hel

Geïnspireerd door hoofdstuk 28 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Ik verloor mijn weg
Ik verloor mijn doel
Maar ik ben nimmer
Zonder Tja

Ik verloor mijn doen
Ik verloor mijn laten
Maar ik ben nimmer
Zonder Tja

Ik verloor mijn deugd
Ik verloor mijn ondeugd
Maar ik ben nimmer
Zonder Tja

Ik verloor mijn hemel
Ik verloor mijn hel
Maar ik ben nimmer
Zonder Tja

Ik verloor mijn wijsheid
Ik verloor mijn dwaasheid
Maar ik ben nimmer
Zonder Tja

Ik verloor mijn weten
Ik verloor mijn nietweten
Maar ik ben nimmer
Zonder Tja

Ik verloor mijn soevereiniteit
Ik verloor mijn kwetsbaarheid
Maar ik ben nimmer
Zonder Tja

Ik verloor mijn vrienden
Ik verloor mijn vijanden
Maar ik ben nimmer
Zonder Tja

Ik verloor mijn ego
Ik verloor mijn zelf
Maar ik ben nimmer
Zonder Tja

Mijn Tja ben ik
Niet verloren –
Ik heb het
Nooit gehad

54 - Een denkbeeld voorbij alle denkbeelden

Geïnspireerd door hoofdstuk 29 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Boeren maken hokken op hun erf
om dieren in op te sluiten.

Dit heet: slimheid.

Mensen maken hokjes in hun hoofd
om gedachten in op te sluiten.

Dit heet: geleerdheid.

Hoe kleiner de hokjes
hoe groter de geleerdheid.

Hoe groter de geleerdheid
hoe ijdeler de hoop
op verlossing

Nooit krijg je jezelf
in een hokje gepropt!

Jij bent groter dan
alle zelfbeelden
bij elkaar.

Nooit krijg je de mens
in een hokje gepropt!

Wij zijn groter dan
alle mensbeelden
bij elkaar.

Nooit krijg je de wereld
in een hokje gepropt!

Die is groter dan
alle wereldbeelden
bij elkaar.

De wereld die groter is dan alle wereldbeelden bij elkaar,
de mens die groter is dan alle mensbeelden bij elkaar,
jijzelf die groter is dan alle zelfbeelden bij elkaar –
het zijn op hun beurt hokjes in je hoofd.
Denkbeelden, beperkt en beperkend.
Net als ‘hokje’, ‘hoofd’, ‘denkbeelden’,
‘beperkt’ en ‘beperkend’.

Woorden zijn de bouwstenen van de hokjesgeest.
Wat valt er zonder nog te zeggen?

55 - Dwazen zoeken wijsheid, wijzen gaan er voorbij

Geïnspireerd door hoofdstuk 29 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Sommigen vechten zich onvermoeibaar omhoog.
Anderen zitten gauw bij de pakken neer.

Wie kan zeggen waarom?

Sommigen kunnen tegen een stootje.
Anderen zijn snel van slag.

Wie kan zeggen waarom?

Sommigen kunnen geen hitte velen.
Anderen verdragen geen koude.

Wie kan zeggen waarom?

Sommigen moeten voorgaan.
Anderen moeten volgen.

Wie kan zeggen waarom?

Sommigen richten beelden op.
Anderen halen beelden neer.

Wie kan zeggen waarom?

Sommigen bloeien op bij actie.
Anderen gedijen bij rust.

Wie kan zeggen waarom?

Dwazen zoeken wijsheid.
Wijzen gaan er voorbij.

Snap je waarom?

56 - Niet-weten is een weldaad voor de geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 30 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Als het over geweld gaat,
heeft iedereen een mening:

‘Wapens veroorzaken geweld!’
‘Wapens voorkomen geweld!’
‘Wapens kunnen geweld veroorzaken
en wapens kunnen geweld voorkomen!’
‘Geweld vindt ook zonder wapens zijn weg!’
‘Wapens moeten een staatsmonopolie zijn!’
‘Iedereen heeft recht op wapens!’
‘Wapens moeten verboden worden!’

‘Alleen geweld kan een eind maken aan geweld!’
‘Alleen geweldloosheid kan een eind maken aan geweld!’
‘Alleen innerlijke vrede kan een eind maken aan geweld!’
‘Alleen politieke hervorming kan een eind maken aan geweld!’
‘Alleen economische hervorming kan een eind maken aan geweld!’
‘Alleen religie kan een eind maken aan geweld!’
‘Alleen technologie kan een eind maken aan geweld!’
‘Alleen eugenetica kan een eind maken aan geweld!’
‘Alleen geboortebeperking kan een eind maken aan geweld!’
‘Alleen een gecombineerde aanpak kan een eind maken aan geweld!’
‘Niets kan een eind maken aan geweld!’

‘Iedereen verlangt diep in zijn hart naar vrede!’
‘Iedereen verlangt diep in zijn hart naar oorlog!’
‘In vredestijd verlangt iedereen naar oorlog,
in oorlogstijd verlangt iedereen naar vrede!’
‘Iedereen verlangt zowel naar vrede als naar oorlog!’

Als het over geweld gaat,
heeft iedereen een mening.
Zijn meningen geweld?

Wie tegen het Tja ingaat
is er gauw geweest.

Niet-weten is een weldaad
voor de geest.

57 - Als zelfs niet-weten is vergeten

Geïnspireerd door hoofdstuk 30 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De enige mislukking
is menen te falen.

Het enige succes
is menen te slagen.

Het enige weten
is menen te weten.

Als zelfs nietweten is vergeten,
mag dat dan wijsheid heten?

Zelf zeg ik liever ‘tja’.

58 - Zonder wapens geen wereld

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Hoofden zijn wapens
Tanden zijn wapens
Handen zijn wapens
Vingers zijn wapens
Ellebogen zijn wapens
Schouders zijn wapens
Geslachten zijn wapens
Knieën zijn wapens
Schenen zijn wapens
Voeten zijn wapens

Hoeven zijn wapens
Horens zijn wapens
Tentakels zijn wapens
Stekels zijn wapens
Klauwen zijn wapens
Poten zijn wapens
Vleugels zijn wapens
Angels zijn wapens

Stenen zijn wapens
Kiezels zijn wapens
Grit is een wapen
Zand is een wapen
Kuilen zijn wapens
Diepten zijn wapens
Hoogten zijn wapens

Water is een wapen
IJs is een wapen
Gas is een wapen
Lucht is een wapen
Slijm is een wapen
Lijm is een wapen
Olie is een wapen
Vuur is een wapen

Stokken zijn wapens
Ploegen zijn wapens
Spaden zijn wapens
Hamers zijn wapens
Sikkels zijn wapens
Vijzels zijn wapens
Messen zijn wapens
Vorken zijn wapens

Ziekten zijn wapens
Medicijnen zijn wapens
Kinderen zijn wapens
Dierbaren zijn wapens
Rijkdom is een wapen
Armoede is een wapen
Kracht is een wapen
Zwakte is een wapen

Hersens zijn wapens
Kennis is een wapen
Onkunde is een wapen
Gedachten zijn wapens
Emoties zijn wapens
Woorden zijn wapens
Zwijgen is een wapen

Zonder wapens geen wereld
Ook wie Tja heeft voert ze
In vrede, oorlog en afzijdigheid
Links, rechts en in het midden

59 - Mensen doden en laten doden

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Mensen doden en laten doden
Maar ze noemen het
geen doden

Ze noemen het een voorbeeld stellen
Ze noemen het terechtstellen
Ze noemen het gerechtigheid
Ze noemen het euthanasie
Ze noemen het verdedigen
Ze noemen het beveiligen
Ze noemen het Gods Wil
Ze noemen het eerwraak
Ze noemen het zuiveren
Ze noemen het genezen
Ze noemen het voorkómen
Ze noemen het beheersen
Ze noemen het bestrijden
Ze noemen het ontsmetten
Ze noemen het pasteuriseren
Ze noemen het steriliseren
Ze noemen het bestralen
Ze noemen het afmaken
Ze noemen het slachten
Ze noemen het ruimen
Ze noemen het beheren
Ze noemen het vissen
Ze noemen het jagen
Ze noemen het wieden
Ze noemen het rooien
Ze noemen het oogsten
Ze noemen het bereiden
Ze noemen het eten

Ze noemen het van alles
Behalve doden

Mensen doden en laten doden
Maar ze noemen het
geen doden

60 - Gezegend zijn de doden

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Het is tot mijn verdriet
dat ik in het doden
vreugde vindt

Het is tot mijn vreugde
dat ik van het doden
verdriet heb

Gezegend zijn de doden

Hen maakt het niets meer uit

Taijitu 10

61 - De dienaren des levens zijn de dienaren des doods

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Dezelfde boom draagt de vrucht
en verstikt de zaailing

Hetzelfde mes snijdt het vlees aan
en de hals door

Dezelfde mond zoent de vriend
en bijt de vijand

Hetzelfde vuur gaart de kool
en verkoolt het brood

Hetzelfde water laaft de koe
en verdrinkt het kalf

De dienaren des levens
zijn de dienaren des doods

62 - Mensen zijn onmensen, ik zeker

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Mensen juichen, ik niet.

Mensen janken, ik niet.

Mensen hopen, ik niet.

Mensen wanhopen, ik niet.

Mensen scheiden, ik niet.

Mensen verenigen, ik niet.

Mensen doen, ik niet.

Mensen laten, ik niet.

Mensen hechten, ik niet.

Mensen onthechten, ik niet.

Mensen zoeken, ik niet.

Mensen vinden, ik niet.

Mensen spreken, ik niet.

Mensen zwijgen, ik niet.

Mensen zijn verlicht, ik niet.

Mensen zijn verduisterd, ik niet.

Mensen hebben een ego, ik niet.

Mensen hebben een zelf, ik niet.

Mensen willen hetzelfde zijn, ik niet.

Mensen willen anders zijn, ik niet.

Mensen hebben vragen, ik niet.

Mensen hebben antwoorden, ik niet.

Mensen zijn thuis, ik niet.

Mensen zijn onderweg, ik niet.

Mensen zijn aangekomen, ik niet.

Mensen ontkennen het Grote Tja, ik niet.

Mensen erkennen het Grote Tja, ik niet.

Mensen zijn mensen, ik ook.

Mensen zijn onmensen, ik zeker.

63 - Hoe groot is een idee?

Geïnspireerd door hoofdstuk 32 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Hoe groot is een idee?

Kleiner dan het allerkleinste
omvat het Tja de hele wereld.

Groter dan het allergrootste
past het overal in.

Het Tja wil niets aan zich onderwerpen,
hoe sterk het door zijn eenvoud ook is.

Niets kan het Tja aan zich onderwerpen,
hoe gering het in zijn eenvoud ook is.

Is een geest in staat het Grote Tja te bewaren,
dan keren alle gedachten zich spontaan tot hem.
Ja en nee, hemel en aarde, deugd en ondeugd –
alle tegenstellingen vermengen zich vrijelijk.
Ze vloeien samen, lossen op
en maken plaats voor nieuwe.

De geest schept werkelijkheden en vernietigt ze.
Hij schept luchtkastelen en vernietigt ze.
Hij schept waarden en vernietigt ze.
Hij schept idealen en vernietigt ze.
Hij schept ideeën en vernietigt ze.
Hij schept namen en vernietigt ze.

De geest schept zonder terughoudendheid
en vernietigd zonder uitzondering.

Ook het idee van de geest
als schepper en vernietiger.

Ook het idee van het Grote Tja.

Dit heet: het Grote Tja.

64 - Een eeuwige ontlediging van de geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 32 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Als het uitvloeien van beek in rivier
Als het uitstromen van rivier in zee
Als het opstijgen van zee naar wolk
Als het breken van wolk op aarde
Als het sijpelen van plas in beek
Als het uitvloeien van beek in rivier

Zo is het Grote Tja:

Een eeuwige ontlediging
van de geest

65 - Wie er een doel van maakt, zal het nooit bereiken

Geïnspireerd door hoofdstuk 33 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie de ander meent te kennen, kent zijn eigen geest niet.
Wie zijn eigen geest meent te kennen is onwetend.
Wie zichzelf kent weet niet.

Wie anderen overwint verliest.
Wie van anderen verliest wint niet.
Wie niet van winnen weet verliest niet.

Een doel hebben betekent krachtig streven.
Krachtig streven vraagt standvastigheid.
Wie standvastig is gaat nergens heen.

Een standvastig leven is een onvoltooid leven.
Een voltooid leven bestaat erin te verdwijnen voor je sterft.
Wie daar een doel van maakt, zal het nooit bereiken.

66 - Zacht is wie zijn woede kent

Geïnspireerd door hoofdstuk 33 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Standvastig is wie zijn plaats niet kent

Sterk is wie zijn kracht niet kent

Groot is wie zijn kleinheid kent

Hoog is wie zijn laagheid kent

Wijs is wie de mens niet kent

Thuis is wie de weg niet kent

Zacht is wie zijn woede kent

Vrij is wie zichzelf niet kent

Taijitu 11

67 - De wijze is groot in zijn kleinheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 33 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De wijze spreekt recht door kromspraak
en mee in tegenspraken.

Hij vermenigvuldigt ter deling
en verdeelt ter meerdering.

Hij is zacht in zijn hardheid
en eenduidig in zijn dubbelheid.

Hij vertroebelt ter opheldering
en vangt ter bevrijding.

Hij verzwaart, hij verduistert,
maar steevast ter verlichting.

68 - Wie Tja heeft is overal en nergens

Geïnspireerd door hoofdstuk 33 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie door niet-kennen het Tja heeft leren kennen,
weet geen onderscheid meer te maken.

Hij kent het Tja niet van zijn geest.
Hij kent zijn geest niet van zijn lichaam.
Hij kent zijn lichaam niet van zijn ego.
Hij kent zijn ego niet van zichzelf.
Hij kent zichzelf niet van de ander.
Hij kent de ander niet van de wereld.
Hij kent de wereld niet van het Tja.

Wie geen onderscheid weet te maken,
is nergens wel of niet.

Waar hij ook heen gaat,
hij was er al.

Waar hij ook is,
hij is er niet.

Wie Tja heeft
is overal
en nergens.

69 - Nooit is een woord het laatste

Geïnspireerd door hoofdstuk 34 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Weids is de blik van het Grote Tja
Alles neemt het in ogenschouw:
Links, rechts, voor, achter
Boven, onder, binnen, buiten

Het laat zich nergens op voorstaan
Zonder zich daarop voor te laten staan

Nooit is een woord
Het hoogste

Zelfs het hoogste woord
komt eruit

Nooit is een woord
Het laatste

Zelfs het laagste woord
Is een begin

Het Tja doet zijn werk
Maar vraagt er niets voor

Het ziet alles onder ogen
Ook dat het dat niet kan

Het Tja heet
Iedereen welkom
Ook degenen
Die het niet
Verwelkomen

De toegang is gratis
De uitgang is er
Voor niets

Ruim is de geest
die alle gedachten
toelaat

Ruimer nog de geest
die alle gedachten
uitlaat

Hoe ruim is de geest
die ook deze gedachten
loslaat?

70 - Waarom de wijze niet weigert

Geïnspireerd door hoofdstuk 34 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De tienduizend wezens
verschijnen vanzelf
en de wijze weigert niet.

Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Verdienste en berekening
verschijnen vanzelf
en de wijze weigert niet.

Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Liefde en haat
verschijnen vanzelf
en de wijze weigert niet.

Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Begeerte en apathie
verschijnen vanzelf
en de wijze weigert niet.

Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Wijsheid en dwaasheid
verschijnen vanzelf
en de wijze weigert niet.

Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Weten en onweten
verschijnen vanzelf
en de wijze weigert niet.

Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Weigering en aanvaarding
verschijnen vanzelf
en de wijze weigert niet.

Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Hij zou niet weten hoe.

71 - De Grote Vrede zal je leren

Geïnspireerd door hoofdstuk 35 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Neem het Grote Tja
Ga je geest door
Ga!

Niets kan je
Deren

De Grote Vrede zal je
Leren

72 - Kleurloos als water – eeuwig fris

Geïnspireerd door hoofdstuk 35 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Muziek en lekker eten, daar stoppen reizigers voor.
Maar de woorden uit de mond van het Tja?
Die zijn zouteloos en smakeloos.

Kijk naar het Tja.

Niets dat het bekijken waard is!

Luister naar het Tja.

Niets dat het horen waard is!

Spreek over het Tja.

Niets dat het beweren waard is!

Prijs het Tja.

Niets dat het loven waard is!

Peins over het Tja.

Niets dat het overdenken waard is!

Leeg is de leer
van de lege mens.

Kleurloos als water –
eeuwig fris.

Taijitu 12

73 - Geen poort zonder muur

Geïnspireerd door hoofdstuk 35 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Spreekt Tja over zichzelf, dan spreekt ze in alle toonaarden.

Noemt ze zich diep
dan noemt ze zich oppervlakkig.

Noemt ze zich waarheid
dan noemt ze zich leugen.

Noemt ze zich eeuwig
dan noemt ze zich tijdelijk.

Noemt ze zich geest
dan noemt ze zich lichaam.

Noemt ze zich vrede
dan noemt ze zich oorlog.

Noemt ze zich hemel
dan noemt ze zich aarde.

Noemt ze zich licht
dan noemt ze zich duister.

Noemt ze zich vrij
dan noemt ze zich onvrij.

Noemt ze zich goed
dan noemt ze zich kwaad.

Noemt ze zich poort
dan noemt ze zich muur.

Noemt ze zich wijs
dan noemt ze zich dwaas.

Noemt ze zich leven
dan noemt ze zich dood.

Noemt ze zich één
dan noemt ze zich veel.

Noemt ze zich piek
dan noemt ze zich dal.

Zwijgt Tja over zichzelf, dan zwijgt ze in alle toonaarden.

74 - De wereld door de vingers zien

Geïnspireerd door hoofdstuk 35 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De wijze kent geen voorspoed
al gaat het hem goed

Hij kent geen rampspoed
al zit alles tegen

Hij kent geen liefde
al loopt hij ervan over

Hij kent geen woede
al komt de rook uit zijn oren

De wijze strekt niets tot eer
hoezeer men hem ook eert

De hele wereld ziet hij
door de vingers

De hele wereld ziet hem
over het hoofd

75 - Soms moet je dalen om te stijgen

Geïnspireerd door hoofdstuk 36 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Soms moet je versterken om te versterken.
Soms moet je versterken om te verzwakken.
Soms moet je verzwakken om te verzwakken.
Soms moet je verzwakken om te versterken.

Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je vergroten om te vergroten.
Soms moet je vergroten om te verkleinen.
Soms moet je verkleinen om te verkleinen.
Soms moet je verkleinen om te vergroten.

Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je verenigen om te verenigen.
Soms moet je verenigen om te scheiden.
Soms moet je scheiden om te scheiden.
Soms moet je scheiden om te verenigen.

Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je stijgen om te stijgen.
Soms moet je stijgen om te dalen.
Soms moet je dalen om te dalen.
Soms moet je dalen om te stijgen.

Wie kan zeggen wanneer?

76 - Soms is je ondergang je redding

Geïnspireerd door hoofdstuk 36 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Soms zijn woorden een hulpmiddel,
dan weer een hinderpaal.

Soms moet je ze uitspreken,
dan weer verzwijgen.

Soms zijn wapens je redding,
dan weer je ondergang.

Soms moet je ze tonen,
dan weer verbergen.

Wat gisteren mislukte,
gaat vandaag goed.

Wat vandaag lukt,
gaat morgen mis.

Wie kan zeggen

Waarom?

77 - In een onzeker heden komt de geest tot rust

Geïnspireerd door hoofdstuk 37 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Het Tja bestaat erin
niets te weten
en dat te vergeten.

Niets te doen
en dat te laten.

Alles te doorzien,
ook het doorzien.

Is een geest in staat het Grote Tja te bewaren,
dan verliezen gedachten
hun magie.

Ren je achter ideeën aan als een hond achter zijn staart?
Brengen ze je onweerstaanbaar in beweging?
Kun je hun betovering niet weerstaan?

Wie Tja heeft bestookt ze met vragen,
ontwapent ze met alternatieven,
ontnuchtert ze met stilte,
brengt ze tot vrede
met de eenvoud
van niet-weten.

In een onzeker heden
komt de geest tot rust.

Zonder schijnzekerheden
uit toekomst en verleden.

Zonder illusies,
vrij van de illusie
vrij van illusies te zijn,
is er niets te doen
of na te laten.

Ook deze gedachten
verliezen dan
hun magie.

78 - Soms ben ik spontaan gemaakt

Geïnspireerd door hoofdstuk 37 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Soms ben ik écht echt.
Soms ben ik écht nep.

Ik ben altijd echt.

Soms ben ik oprécht oprecht.
Soms ben ik oprécht onoprecht.

Ik ben altijd oprecht.

Soms ben ik spontáán gemaakt.
Soms ben ik spontáán natuurlijk.

Ik ben altijd spontaan.

Soms ben ik waaráchtig waarachtig.
Soms ben ik waaráchtig onwaarachtig.

Ik ben altijd waarachtig.

Je ziet:

Ik ben altijd echt.
Ik ben altijd oprecht.
Ik ben altijd spontaan.
Ik ben altijd waarachtig.

Of ik wil of niet.

Wie niet?

Taijitu 13

79 - De wijze ledigt onophoudelijk zijn geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 37 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De wijze vult bijtijds zijn buik,
doet naar behoefte zijn behoefte
en ledigt onophoudelijk zijn geest.

Dit verzwakt zijn verlangens
en verdiept zijn rust.

Het ondermijnt zijn kennis
sneller dan hij bij kan leren.

Het ondermijnt zijn doelen
sneller dan hij ze bij kan stellen.

Het ondermijnt zijn plannen
voor hij ze uit kan voeren.

Wat zou hij moeten doen?

Het ondermijnt zijn bezwaren
voor ze hem bezwaren.

Het ondermijnt zijn gemakzucht
voor hij van gemak zucht.

Wat zou hij moeten laten?

80 - Grote geestkracht berust nergens op

Geïnspireerd door hoofdstuk 38 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De hoogste vorm van geestkracht berust niet op kracht. Geestkracht op basis van kracht forceert. Dat is dwang.

Wie over grote geestkracht beschikt, baseert zich op niets. Wie zich op niets baseert heeft geen reden tot forceren. Ook het niet-forceren dwingt hij niet af. Dwingt hij toch dan is het omdat hij gedwongen wordt.

Menswaardigheid die zich menswaardig weet is niet zo menswaardig. Rechtvaardigheid die zich rechtvaardig weet is niet zo rechtvaardig. Deugd die zich deugdzaam weet is niet zo deugdzaam. Beleefdheid opleggen is onbeleefd. Beschaving afdwingen is onbeschaafd. Wijsheid vastleggen is dwaasheid.

Daarom is de wijze menswaardig zonder waarden. Rechtvaardig zonder rechten. Deugdzaam zonder deugden. Beleefd zonder beleefdheden. Beschaafd zonder beschaafdheid. Wijs zonder wijsheid.

Wie Tja heeft, veinst niet te weten wat hij niet weet. Hij ontkent niet wat hij weet, maar erkent wat hij niet weet. Hij voelt zich thuis in den vreemde voor zover het hem bekend voorkomt. Hij voelt zich thuis in het bekende voor zover het hem vreemd voorkomt. Zijn eigen vreemdheid maakt hem zacht.

De hoogste vorm van geestkracht kent geen hoogte, geen geest en geen macht.

81 - Wie zoekt zal vragen vinden

Geïnspireerd door hoofdstuk 38 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie zoekt, zal vragen vinden.

Zijn vragen zullen gepaard gaan met verbazing.
Zijn verbazing zal veranderen in verwondering.
Zijn verwondering zal overgaan in verbijstering.

Zijn zoeken zal opgaan in verbijstering.
Zijn antwoorden zullen opgaan in verbijstering.
Zijn vragen zullen opgaan in verbijstering.
Zijn ideeën zullen opgaan in verbijstering.

Zijn wereld zal opgaan in verbijstering.
Hijzelf zal opgaan in verbijstering.
Het opgaan zal opgaan in verbijstering.

Maar zijn verbijstering zal niet overgaan.

Wie vragen weet te vinden,
hoeft niet meer te zoeken.

Dit heet het Grote Tja.

82 - De vraag is de schepper, de schepper de vraag

Geïnspireerd door hoofdstuk 38 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wat is de schepper van deugd en ondeugd?

Deze vraag.

Wat is de schepper van doen en niet-doen?

Deze vraag.

Wat is de schepper van wezen en verschijningsvorm?

Deze vraag.

Wat is de schepper van licht en duisternis?

Deze vraag.

Wat is de schepper van hemel en aarde?

Deze vraag.

Wat is de schepper van hoog en laag?

Deze vraag.

Wat is de schepper van heerser en onderdaan?

Deze vraag.

Wat is de schepper van relatief en absoluut?

Deze vraag.

Wat is de schepper van werkelijkheid en illusie?

Deze vraag.

Wat is de schepper van leven en dood?

Deze vraag.

Wat is de schepper van vrijheid en gebondenheid?

Deze vraag.

Wat is de schepper van oost en west?

Deze vraag.

Wat is de schepper van rust en onrust?

Deze vraag.

Wat is de schepper van eenheid en veelheid?

Deze vraag.

Wat is de schepper van meester en discipel?

Deze vraag.

Wat is de schepper van waarheid en leugen?

Deze vraag.

Wat is de schepper van wijsheid en dwaasheid?

Deze vraag.

Wat is de schepper van weten en niet-weten?

Deze vraag.

Wat is de schepper van Ja en Nee?

Deze vraag.

Wat is de schepper van schepsel en schepper?

Deze vraag.

Wat zou er zijn zonder vraag?

Niet deze vraag.

83 - Waarom de wijze zich nergens aan houdt

Geïnspireerd door hoofdstuk 39 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De wijze kent de geest niet van de stof,
de jade niet van de kiezel.

Hij kent de hemel niet van de aarde,
de goden niet van de mensen.

Hij kent de vorsten niet van de onderdanen,
de rijken niet van de armen.

Hij kent het edele niet van het vulgaire,
reinheid niet van verdorvenheid.

Hij kent de geest niet van het vlees,
het bot niet van de stof.

Hij kent wijsheid niet van dwaasheid,
volheid niet van leegte.

Hij kent het hier niet van het daar,
het binnenste niet van buiten.

Hij kent vroeger niet van later,
ooit niet van nu.

Daarom houdt de wijze zich aan de kern noch de schors.
Hij houdt zich aan de bloem noch de vrucht.
Hij doet eens dit, hij doet eens dat,
Ach ja, hij doet maar wat.

84 - Teruggaan is de dynamiek van het Tja

Geïnspireerd door hoofdstuk 40 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Teruggaan is de dynamiek van het Tja.

Uit het antwoord in de vraag,
uit de vraag in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de oplossing in het probleem,
uit het probleem in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de conclusie in de premissen,
uit de premissen in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de zekerheid in de twijfel,
uit de twijfel in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het worden in het zijn,
uit het zijn in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de tijd in het heden,
uit het heden in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het nemen in het geven,
uit het geven in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit gehechtheid in onthechting,
uit onthechting in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de wereld in de geest,
uit de geest in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit mijn preken in mijn zinnen,
Uit mijn zinnen in mijn woorden,
Uit mijn woorden in de letters,
Uit de letters in de streepjes,
Uit de streepjes in het wit
dat allicht vol kleuren zit.

Taijitu 14

85 - Het Ja van Tja lijkt Nee

Geïnspireerd door hoofdstuk 41 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Als een domoor van het Grote Tja hoort, verbaast het hem niet. Als een normaal mens van het Grote Tja hoort, schiet hij in de lach. Als een professor van het Grote Tja hoort, komt hij niet meer bij. Kwam hij toch bij, dan was het niet het Grote Tja. Hoe dat kan?

De weg van het Tja lijkt een doolhof.
Het vinden van het Tja lijkt verliezen.
De vrede van het Tja lijkt strijd.
De triomf van het Tja lijkt een fiasco.

De zekerheid van het Tja lijkt twijfel.
De grond van het Tja lijkt drijfzand.
De werkelijkheid van het Tja lijkt een illusie.
Het licht van het Tja lijkt duister.

De helderheid van het Tja lijkt troebel.
Het hart van het Tja lijkt een hoofd.
Het mededogen van het Tja lijkt meedogenloos.
De deemoed van het Tja lijkt hoogmoed.

De deugd van het Tja lijkt ondeugd.
De rijkdom van het Tja lijkt armoede.
De volheid van het Tja lijkt leegte.
De verrukking van het Tja lijkt vlak.

Het spel van het Tja lijkt menens.
Het wonder van het Tja lijkt gewoon.
De eenvoud van het Tja lijkt ingewikkeld.
De echtheid van het Tja lijkt gemaakt.

De wijsheid van het Tja lijkt dwaasheid.
De kracht van het Tja lijkt zwakte.
De diepte van het Tja lijkt oppervlakkig.
Het denken van het Tja lijkt dromen.

Het doen van het Tja lijkt laten.
Het spreken van het Tja lijkt zwijgen.
Het zwijgen van het Tja lijkt zwetsen.
Een meester van het Tja lijkt een leerling.

Vandaar dat alleen domoren niet lachen om het Grote Tja.

Als een domoor van het Grote Tja hoort, verbaast het hem niet.

Als een normaal mens van het Grote Tja hoort, schiet hij in de lach.

Als een professor van het Grote Tja hoort, komt hij niet meer bij.

Kwam hij toch bij, dan was het niet het Grote Tja.

Hoe dat kan?

De weg van het Tja
lijkt een doolhof.

Het vinden van het Tja
lijkt verliezen.

De vrede van het Tja
lijkt strijd.

De triomf van het Tja
lijkt een fiasco.

De zekerheid van het Tja
lijkt twijfel.

De grond van het Tja
lijkt drijfzand.

De werkelijkheid van het Tja
lijkt een illusie.

Het licht van het Tja
lijkt duister.

De helderheid van het Tja
lijkt troebel.

Het hart van het Tja
lijkt een hoofd.

Het mededogen van het Tja
lijkt meedogenloos.

De deemoed van het Tja
lijkt hoogmoed.

De deugd van het Tja
lijkt ondeugd.

De rijkdom van het Tja
lijkt armoede.

De volheid van het Tja
lijkt leegte.

De verrukking van het Tja
lijkt vlak.

Het spel van het Tja
lijkt menens.

Het wonder van het Tja
lijkt gewoon.

De eenvoud van het Tja
lijkt ingewikkeld.

De echtheid van het Tja
lijkt gemaakt.

De wijsheid van het Tja
lijkt dwaasheid.

De kracht van het Tja
lijkt zwakte.

De diepte van het Tja
lijkt oppervlakkig.

Het denken van het Tja
lijkt dromen.

Het doen van het Tja
lijkt laten.

Het spreken van het Tja
lijkt zwijgen.

Het zwijgen van het Tja
lijkt zwetsen.

Een meester van het Tja
lijkt een leerling.

Vandaar dat alleen domoren
niet lachen om het Grote Tja.

86 - Brullen om verlichting en onwetendheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 41 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie onverwacht in het Grote Tja verzeild raakt, is er ontdaan van. Alles staat op zijn kop. Pas na maanden of jaren begint hij er de grap van in te zien. Eer het volledig is ingedaald, brult hij inwendig van het lachen. Hij komt niet meer bij! Hij lacht zich dood!

Hij brult om verlichting en onwetendheid!
Hij brult om illusie en werkelijkheid!
Hij brult om samsara en nirwana!
Hij brult om weten en niet-weten!
Hij brult om veelheid en eenheid!
Hij brult om waarheid en leugen!
Hij brult om deugd en ondeugd!
Hij brult om doen en niet-doen!
Hij brult om Boeddha en Mara!
Hij brult om hemel en aarde!
Hij brult om vorm en leegte!
Hij brult om juist en onjuist!
Hij brult om hoog en laag!
Hij brult om ego en zelf!
Hij brult om tja en tjee!
Hij brult om ja en nee!
Hij brult om Tao en tê!

Wie brult er eens
met ons mee?

87 - Als een grote gedachte zonder strekking

Geïnspireerd door hoofdstuk 41 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Als een grote regenboog
zonder kleuren

Als een grote diamant
zonder facetten

Als een groot vierkant
zonder hoeken

Als een groot geluid
zonder volume

Als een grote cirkel
zonder straal

Als een groot beeld
zonder vorm

Als een groot boek
zonder woorden

Als een groot land
zonder grenzen

Als een grote leer
zonder theses

Als een groot huis
zonder muren

Als een grote weg
zonder lengte

Als een grote truc
zonder foefje

Als een grote reis
zonder doel

Is het grote weten
zonder weten

88 - De geest is een idee

Geïnspireerd door hoofdstuk 42 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De geest bedenkt de leegte
en noemt zich boeddhist.

De geest bedenkt het ene
en noemt zich monist.

De geest bedenkt de twee
en noemt zich dualist.

De geest bedenkt het niet-twee
en noemt zich non-dualist.

De geest bedenkt de drie
en noemt zich christen.

De geest bedenkt de vier
en noemt zich hindoe.

De geest bedenkt de tienduizend
en noemt zich pluralist.

Meester Tja telt niet meer mee.

De geest brengt alle ideeën voort,
ook het idee van de geest
die alle ideeën voortbrengt.

Wie weet waarvandaan?

De schepselen torsen
in hun ene hand het Ja,
in hun andere het Nee.

Wie lichtvoetig wil zijn
moet beide laten vallen.

De geest noemt dit het Tja,
het zoveelste idee.

Het is nog steeds een juk,
het juk van ja-noch-nee.

Meester Tja doet niet meer mee.

89 - Het binnenste buiten

Geïnspireerd door hoofdstuk 42 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De tienduizend dingen dragen het lichtbeginsel buiten, het duisterbeginsel binnen. Ze tonen zich, maar laten zich niet kennen.

Het Tja keert ze binnenstebuiten. Binnenstebuiten tonen ze hun duisterbeginsel.

Dit heet: het doden van de tienduizend dingen.

De tienduizend dingen keren op hun beurt het Tja binnenstebuiten en openbaren zijn lichtbeginsel.

Dit heet: het doden van het Tja.

90 - Wezensvreemd mijn wezen

Geïnspireerd door hoofdstuk 42 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Nooit heb ik de tienduizend wezens gezien.
Nooit heb ik ook maar één wezen gezien.
Nooit heb ik meer dan een stukje
van de buitenkant van een wezen gezien.

Kan dat het wezen van een wezen wezen?

Nooit heb ik mijn achterkant gezien.
Nooit heb ik mijn binnenkant gezien.
Nooit heb ik meer dan een stukje
van mijn eigen buitenkant gezien.

Zou dat het wezen van mijn wezen zijn?

91 - De geest zonder geest is leer noch meester

Geïnspireerd door hoofdstuk 43 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Soms moet je iets doen, soms moet je iets laten.
Soms overheerst de vorm, soms de leegte.
Soms wint het harde, soms het zachte.

Soms heb je een voorkeur, soms niet.
Het Grote Tja heeft geen voorkeur
voor een leven zonder voorkeur.

De geest zonder geest
is leer noch meester.

Een lege heer.

Heerlijk leeg.

92 - Weinigen zijn eraan toe

Geïnspireerd door hoofdstuk 43 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wat ontmaskert moeiteloos…

De oorzaken zonder aanleiding?
De woorden zonder betekenis?
De autoriteiten zonder gezag?
De stellingen zonder bewijs?
De zinnen zonder verband?
De logica zonder rede?
De redenen zonder motief?
De doelen zonder oogmerk?
De waarden zonder belang?
De dingen zonder substantie?
De gedachten zonder grond?

De kracht van het Tja –
weinigen onder de hemel
zijn eraan toe.

93 - Zonder Tja is het geen doen

Geïnspireerd door hoofdstuk 44 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Zonder Boeddha kun je leven

Zonder lichaam niet

Zonder succes kun je leven

Zonder lichaam niet

Zonder weten kun je leven

Zonder lichaam niet

Zonder macht kun je leven

Zonder lichaam niet

Zonder liefde kun je leven

Zonder lichaam niet

Zonder geluk kun je leven

Zonder lichaam niet

Zonder faam kun je leven

Zonder lichaam niet

Zonder bezit kun je leven

Zonder lichaam niet

Zonder hoop kun je leven

Zonder lichaam niet

Zonder doel kun je leven

Zonder lichaam niet

Zonder god kun je leven

Zonder lichaam niet

Zonder tao kun je leven

Zonder lichaam niet

Zonder lijf is er geen leven.

Zonder Tja is het geen doen.

94 - De lege heer met de lege leer

Geïnspireerd door hoofdstuk 45 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Hij heeft niets om het lijf, maar zijn trouw is hartverwarmend.

Hij spreekt zichzelf tegen, maar zijn logica is onweerlegbaar.

Hij bekeert niet, maar zijn wendbaarheid is ongeëvenaard.

Hij zegt geen woord, maar zijn stilte spreekt boekdelen.

Hij gaat nergens heen, maar zijn bereik is onbeperkt.

Hij stelt niets voor, maar kan zich alles voorstellen.

Hij strijdt niet, maar slaat zich overal doorheen.

Hij gaat nooit voor, maar houdt niets achter.

Men spreekt zijn naam, maar kent hem niet.

95 - Wie Tja heeft ziet veel en doet weinig

Geïnspireerd door hoofdstuk 46 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Als de wereld geen Tja heeft, fokt men
oorlogspaarden tot in de buitenwijken,
vleespaarden tot in het centrum en
mestpaarden tot in de tempel.

Wie Tja heeft ziet overal de keerzijden van:

Hij ziet de keerzijden van vasthoudendheid
en de keerzijden van gemakzucht.

Hij ziet de keerzijden van begeerte
en de keerzijden van lusteloosheid.

Hij ziet de keerzijden van kennis
en de keerzijden van onwetendheid.

Hij ziet de keerzijden van hebzucht
en de keerzijden van armoede.

Hij ziet de keerzijden van winnen
en de keerzijden van verliezen.

Hij ziet de keerzijden van vechten
en de keerzijden van vluchten.

Hij ziet de keerzijden van akkerbouw
en de keerzijden van veeteelt.

Hij ziet de keerzijden van jagen
en de keerzijden van verzamelen.

Hij ziet de keerzijden van groenten
en de keerzijden van granen.

Hij ziet de keerzijden van vlees
en de keerzijden van vis.

Wie Tja heeft ziet overal de keerzijden van,
en daarvan weer de keerzijden.

Vandaar het gezegde:

Wie Tja heeft ziet veel
en doet weinig.

96 - Heb je niets dan heb je het rijk

Geïnspireerd door hoofdstuk 46 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Heeft het rijk Tja, dan ziet het zonden als een kans op vergeving, vergeving als een aanleiding tot zonde.

Heeft het rijk Tja, dan ziet het rampspoed als tijding van voorspoed, voorspoed als tijding van rampspoed.

Heeft het rijk Tja, dan bemesten renpaarden de akker en bevuilen ze het erf.

Heeft het rijk Tja, dan kan niemand de grenzen vinden waar de hengsten strijden.

Daarom:

Heb je Tja dan heb je niets.

Heb je niets dan heb je het rijk.

Taijitu 15

97 - Oordelen is onzin, niet oordelen is waanzin

Geïnspireerd door hoofdstuk 46 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Geen zonde zo groot
als overal zonden zien.

Geen fout zo dom
als overal fouten zien.

Geen ramp zo erg
als overal rampen zien.

Maar:

Overal zonden zien
als de grootste zonde zien
is de volgende zonde.

Overal fouten zien
als de domste fout zien
is de volgende fout.

Overal rampen zien
als de grootste ramp zien
is de volgende ramp.

Daarom:

Oordelen is onzin.
Niet oordelen is waanzin.

Wie oordeelt zonder oordeel
treft geen blaam.

98 - Kennen door niet-kennen

Geïnspireerd door hoofdstuk 47 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Om de wereld te kennen
moet je de ander kennen.

Om de ander te kennen
moet jezelf kennen.

Om jezelf te kennen
moet je je lichaam kennen.

Om je lichaam te kennen
moet je je geest kennen.

Om je geest te kennen
moet je het Tja kennen.

Het Tja laat zich kennen
door niet-kennen.

Het laat zich kennen
als niet-kennen.

Daarom:

Wie zijn geest kent als het Tja,
kent zijn geest niet.

Wie zijn lichaam kent als zijn geest,
kent zijn lichaam niet.

Wie zichzelf kent als zijn lichaam,
kent zichzelf niet.

Wie de ander kent als zichzelf,
kent de ander niet.

Wie de wereld kent als de ander,
kent de wereld niet.

Wie het Tja niet kent
en zijn geest niet kent
en zijn lichaam niet kent
en de ander niet kent
en de wereld niet kent,
die kent het leven
als zijn broekzak.

99 - De wijze denkt, maar niet na

Geïnspireerd door hoofdstuk 47 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De wijze loopt maar

Arriveert niet

Hij spreekt maar

Zegt niet

Hij doet maar

Volbrengt niet

Hij denkt maar

Niet na

100 - Laat je bij wijze van vatten omvatten

Geïnspireerd door hoofdstuk 48 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie leert weet steeds meer. Wie afleert weet steeds minder. Minder en minder, net zolang tot het niet weten bereikt is. Door niets te weten blijft niets ongeweten.

Dit heet het Grote Tja.

Wil je de wereld vatten? Probeer haar dan niet te vatten. Liet ze zich zomaar vatten, dan was ze de moeite niet waard. Laat je bij wijze van vatten maar door haar omvatten.

Voel je wel?

101 - Vertrouwen zonder basis is onwankelbaar

Geïnspireerd door hoofdstuk 49 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Nooit eigent de wijze zich andermans hart toe. Nooit eigent hij zich zijn eigen hart toe. Maakt hij zich toch een hart eigen, dan staat hij het gauw weer af.

De wijze denkt niet in termen van goed en fout, en zo komt alles goed. Denkt hij toch eens in die termen, dan vindt hij dat niet goed of fout, en zo blijft alles goed.

Hij denkt niet in termen van wijs of dwaas. Denkt hij toch eens in die termen dan vindt hij dat niet wijs of dwaas.

Wie oneerlijk is gelooft hij niet. Wie eerlijk is evenmin. Ook dat gelooft hij niet, zelfs dit gelooft hij niet, en zo ontstaat vertrouwen. Vertrouwen zonder basis.

Vertrouwen zonder basis is onwankelbaar. Dit heet: Groot Vertrouwen. Sommigen noemen het Groot Wantrouwen of Grote Twijfel. Alleen de naam verschilt.

De wijze neemt niets, wat hij ook neemt. Hij heeft niets, wat hij ook heeft. Hij geeft niets, wat hij ook geeft. Daarom valt er geen verhaal bij hem te halen.

Wie toch zijn ogen tot hem richt, schenkt hij zijn kinderlijke blik. Hij hoeft hem niet terug, dat niet, maar ziet hem graag terug.

102 - Een verstand dat niet wérkt

Geïnspireerd door hoofdstuk 49 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De geringste onder de magistraten doet niet voor hem onder en de grootste onder hen overtreft hem niet.

De honderd geslachten richten naar zijn hart hun oor, maar horen het niet kloppen.

Ze richten tot zijn verstand hun vragen, maar zien het niet werken.

Hij delft het onderspit waar hij zegeviert en slaagt in zijn falen.

Verdienste kent hij niet, noch rekent hij zich arm.

Wie is hij?

Taijitu 16

103 - Een waan tussen bestaan en vergaan

Geïnspireerd door hoofdstuk 50 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Tienduizend dingen maken het verschil
tussen bestaan en vergaan.

Mensen hopen verschil te maken
door er tien te beheersen.

Ze laten hun hart controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun borsten controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun baarmoeder controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun darmen controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun bloed controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Dit heet: kokervisie.

Ze laten het vliegtuig staan
maar niet de auto
en wanen zich veilig.

Ze laten de auto staan
maar niet de motor
en wanen zich veilig.

Ze laten de motor staan
maar niet de scooter
en wanen zich veilig.

Ze laten de scooter staan
maar niet de fiets
en wanen zich veilig.

Ze laten de fiets staan
maar niet de benenwagen
en wanen zich veilig.

Dit heet: zelfbedrog.

Tienduizend dingen maken het verschil
tussen bestaan en vergaan.

Er is geen beginnen aan.

Begin ik er toch weer aan, dan laat ik dat begaan,
maar waan mij nimmer veilig.

Dit heet: het Grote Tja.

104 - Niemand beheerst het leven

Geïnspireerd door hoofdstuk 50 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Goden en mensen, koningen en onderdanen – nooit heb ik iemand ontmoet die het leven beheerst.

Het land doortrekkend mijd je neushoorn en tijger, maar neushoorn en tijger mijden jou niet. Ingaand in legers mijd je pantser en wapen, maar pantser en wapen mijden jou niet.

De neushoorn vindt altijd een plaats om zijn hoorn in te stoten. De tijger vindt altijd een plaats om zijn klauw in te slaan. Het wapen vindt altijd een plaats om het harnas binnen te dringen.

Is het niet een wapen dan is het wel je familie. Is het niet je familie dan is het wel een buurman. Is het niet een buurman dan ben je het wel zelf. Ben je het niet zelf dan is het wel een ziekte. Is het niet een ziekte dan is het wel de gedachte dat je het leven beheerst.

Goden en mensen, koningen en onderdanen – nooit heb ik iemand ontmoet die het leven beheerst.

105 - Een lege geest is geestig

Geïnspireerd door hoofdstuk 51 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Weetzucht leidt tot vetzucht. Vetzucht van de geest.

Een vette geest is een zware geest.
Een vette geest is een trage geest.
Een vette geest is een moede geest.
Een vette geest is vettig.

Tja hongert de geest uit tot hij door en door leeg is.

Een lege geest is een lichte geest.
Een lege geest is een snelle geest.
Een lege geest is een fitte geest.
Een lege geest is geestig.

Alle schepsels vereren voedsel. Wie verheerlijkt de honger?

106 - Zeg vooral niet hoe het moet

Geïnspireerd door hoofdstuk 51 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Reken niet als eigen
Reken niet als oneigen

Wees niet als meester
Wees niet als leerling

Zoek niet de uitersten
Zoek niet het midden

Houd niet vast
Laat niet los

Spreek niet
Zwijg niet

En zeg vooral niet
Hoe het moet

En zeg ook niet
Hoe het niet moet
Meester Tja

107 - Midden tussen nee en ja

Geïnspireerd door hoofdstuk 52 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Heeft de wereld een begin? Heeft de wereld een einde? Wie zal het zeggen. Laten we dit hier zolang het midden noemen. Zo houden we het in het midden.

Heeft de geest een begin? Heeft de geest een einde? Wie zal het zeggen. Laten we dit hier het midden noemen. Zo houden we het in het midden.

Heeft het Tja een begin? Heeft het Tja een einde? Ik zal het je zeggen.

Ooit wist ik van niets. Ook dat wist ik nog niet. Dat was het begin, het kleine tja. Geen idee!

Voor ik het wist, wist ik van alles. Dat was het einde van het kleine tja. Het ja of nee, zeker weten! Het was het begin van het einde.

Nu weet ik weer van niets. Had dat een begin? Heeft het een einde? Wie zal het zeggen. Laten we dit hier zolang het midden noemen, het ja noch nee, het Grote Tja.

Zo houden we het in het midden.

108 - Leer eerst maar eens één ding kennen

Geïnspireerd door hoofdstuk 52 van de Daodejing.

Vraag je hem: ‘Leer ons de moeder aller dingen kennen’, dan zegt Meester Tja: ‘Leer eerst maar eens één ding kennen.’

Vraag je hem: ‘Leer ons dan tenminste één ding kennen’, dan zegt hij: ‘Ik ben je moeder niet.’

Vraag je hem: ‘Leer ons het wezen van de tienduizend dingen kennen’, dan zegt hij: ‘Hoe zou ik het wezen kunnen doorgronden? Ik begrijp de verschijningsvorm al niet.’

Vraag je hem: ‘Leer ons dan tenminste de verschijningsvorm kennen’, dan zegt hij: ‘De ene verschijningsvorm is de andere niet.’

Vraag je hem: ‘Leer ons dan tenminste één verschijningsvorm kennen’, dan zegt hij: ‘Waar zou dat een verschijningsvorm van moeten wezen?’

Vraag je hem: ‘Is het wezen gelijk aan de verschijningsvorm?’ dan zegt hij: ‘Vraag dat maar aan een ander wezen.’

Vraag je hem: ‘Wat is waarlijk de essentie van de tienduizend verschijnselen?’ dan zegt hij: ‘Tja is waarlijk de essentie van de tienduizend verschijnselen.’

Vraag je hem naar de essentie van het Tja, dan zegt hij enkel: ‘Tja.’

Die Meester Tja.

Taijitu 17

109 - Moordenaars en minnaars

Geïnspireerd door hoofdstuk 53 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is onnavolgbaar als de wereld, onvoorspelbaar als de mens, ondoordringbaar als het lichaam, onbegrijpelijk als de geest. Groot verstand, klein verstand – niemand kan het vatten.

Mensen houden van rechte wegen met mijlpalen en verkeersborden, wegrestaurants en toiletten, rijstroken en vluchtstroken, middenberm en vangrails – veilig en overzichtelijk.

Het Grote Tja is als een dicht woud met tienduizend wildpaadjes kronkelend van hot naar her. De weggetjes zijn overwoekerd, de natuur is wild, onzegbaar – vol leven en vol dood.

Je komt er reuzen tegen en dwergen, simpele zielen en ingewikkelde, moordenaars en minnaars, goedzakken en rotzakken, engelen en spoken – net als in jezelf.

Het Grote Tja is onnavolgbaar als de wereld, onvoorspelbaar als de mens, ondoordringbaar als het lichaam, onbegrijpelijk als de geest. Groot verstand, klein verstand – niemand kan ze vatten.

110 - Denk je erover, dan denk je het dood

Geïnspireerd door hoofdstuk 53 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Begeer je het
Dan verstopt het zich

Negeer je het
Dan mis je het

Doe je er iets mee
Dan doe je te veel

Doe je er niets mee
Dan doe je te weinig

Hou je eraan vast
Dan rukt het zich los

Laat je het los
Dan lost het op

Spreek je erover
Dan spreek je het weg

Zwijg je erover
Dan zwijg je het dood

Weet je het niet
Dan weet je het wel

Doe je het niet
Dan doe je het juist

Dus wat is het probleem?

111 - De openbaring van het Grote Tja

Geïnspireerd door hoofdstuk 53 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Indien ik vol overtuigingen en zekerheden
Door het Grote Tja wandelde
Zou ik de openbaring ervan vrezen
Maar nu ik niets meer weet
Herken ik dát als zijn wezen.

Ik herken het Grote Tja
In velden met gras
En met onkruid

Ik herken het Grote Tja
In volle graanschuren
En in lege

Ik herken het Grote Tja
In renpaarden
En in karkassen

Ik herken het Grote Tja
In klederen rijk van kleur
En verschoten

Ik herken het Grote Tja
In wandelstokken
En in knuppels

Ik herken het Grote Tja
In teleurstelling
En in hoop

Ik herken het Grote Tja
In gierigheid
En in gulheid

Ik herken het Grote Tja
In soberheid
En in zwelgen

Ik herken het Grote Tja
In bescheidenheid
En in praalzucht

Ik herken het Grote Tja
In zorgzaamheid
En in roof

Ik herken het Grote Tja
In geboorte
En in dood

Ik herken het Grote Tja
In God
En in de duivel

Ik herken het Grote Tja
In Boeddha
En in Mara

Ik herken het Grote Tja
In vrede
En in oorlog

Ik herken het Grote Tja
In goederen
En in afval

Ik herken het Grote Tja
In opbouw
En verval

Ik herken het overal
En ik vrees het
Niet

112 - In je zwakte gaan staan

Geïnspireerd door hoofdstuk 54 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie al verdwaald is
Kan niet meer
Verdwalen

Wie al opgegeven heeft
Kan niet meer
Opgeven

Wie al losgelaten heeft
Kan niet meer
Loslaten

Wie al ontglipt is
Kan niet meer
Ontglippen

Wie al verloren is
Kan niet meer
Verliezen

Wie al gevallen is
Kan niet meer
Vallen

Wie al verdwenen is
Kan niet meer
Verdwijnen

Daarom:

Alleen wie in zijn zwakte gaat staan
Kan de kracht van het Tja ervaren

Alleen wie zijn kleinheid realiseert
Belichaamt het Grote Tja

Alleen wie Tja heeft
Staat zonder fundering
Toch als een huis

113 - Hoe weet ik dat de wereld is zoals ik hem zie?

Geïnspireerd door hoofdstuk 54 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Ik beschouw het Tja als mijn ziel, mijn ziel als mijn lief, mijn lief als mijn thuis, mijn thuis als mijn wijk en mijn wijk als de wijde wereld.

Hoe weet ik dat de wereld, mijn wijk, mijn thuis, mijn lief en mijn ziel zijn zoals ik ze zie?

Ik zie ze niet! Ik weet het niet!

114 - Wie is het die wortelt zonder grond?

Gedenk te zweven.

Geïnspireerd door hoofdstuk 54 van de Daodejing

Wie is het die sterft zonder gedenken?
Wie is het die gedenkt zonder doden?
Wie is het die doodt zonder schieten?
Wie is het die schiet zonder wortel?
Wie is het die wortelt zonder grond?

Meester Tja

Taijitu 18

115 - Onafgebroken offer ik mijn denkbeelden op

Geïnspireerd door hoofdstuk 54 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

af

onaf

gebroken

ongebroken

onafgebroken

onafgebroken offer

onafgebroken offer ik

onafgebroken offer ik mijn werkelijkheid op

onafgebroken offer ik mijn denkbeelden op

onafgebroken offer ik mijn bezittingen op

onafgebroken offer ik mijn lichaam op

onafgebroken offer ik mijn wereld op

onafgebroken offer ik mezelf op

onafgebroken offer ik mijn liefde op

onafgebroken offer ik mijn kennis op

onafgebroken offer ik mijn illusies op

onafgebroken offer ik mijn vrienden op

onafgebroken offer ik mijn zekerheden op

onafgebroken offer ik

onafgebroken offer

onafgebroken

ongebroken

gebroken

onaf

af

116 - Maar dan komt de borst en de melk vloeit vanzelf

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie overvloed aan Tja heeft
lijkt op een pasgeboren kindje.

Het kleintje wordt gestoken
en het weet niet waardoor.

Wilde beesten bespringen het
en het weet niet waarvandaan.

Roofvogels pikken het
en het weet niet waarmee.

Zijn botjes geven al steun
maar het weet niet waaraan.

Zijn knuistjes grijpen gretig
maar het weet niet waarnaar.

Zijn oogjes zien beelden
maar het weet niet waarvan.

Zijn plasser wordt stijf
maar het weet niet waartoe.

Het brabbelt maar door
maar het weet niet waarover.

Het gaapt en het slaapt
maar het weet niet waarom.

Het huilt en het schreeuwt
en het weet niet om wie en
het weet niet waarmee en
het weet niet waarvoor.

Maar dan komt de borst
en de melk vloeit
vanzelf.

117 - Wie Tja heeft lijkt op een kindje

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft, lijkt op een kindje –

Dat kent nog geen onderscheid of eenheid.
Het kent nog geen wijsheid of dwaasheid.
Het kent nog geen waarheid of illusie.
Het kent nog geen schuld of onschuld.
Het kent nog geen hoop of wanhoop.
Het kent nog geen binnen of buiten.
Het kent nog geen gelijk of ongelijk.
Het kent nog geen goed of kwaad.
Het kent nog geen hoger of lager.
Het kent nog geen hier of daar.
Het kent nog geen mijn of dijn.
Het kent nog geen ego of zelf.
Het kent nog geen jij of ik.

Het kent ze nog niet, nóg niet.
Zijn doen is nog zonder doen.
Zijn wil is nog zonder wil.
Het dringt nog niet op of aan
en alles gaat nog spontaan.

Maar wie Tja heeft, is geen kind meer –

Hij kent geen onderscheid of eenheid meer.
Hij kent geen wijsheid of dwaasheid meer.
Hij kent geen waarheid of illusie meer.
Hij kent geen schuld of onschuld meer.
Hij kent geen hoop of wanhoop meer.
Hij kent geen binnen of buiten meer.
Hij kent geen gelijk of ongelijk meer.
Hij kent geen goed of kwaad meer.
Hij kent geen hoger of lager meer.
Hij kent geen hier of daar meer.
Hij kent geen mijn of dijn meer.
Hij kent geen ego of zelf meer.
Hij kent geen jij of ik meer.

Hij kent ze niet meer, niet écht.
Zijn denken is weer zonder denken.
Zijn weten is weer zonder weten.
Hij dringt niet meer op of aan
en alles gaat weer spontaan.

118 - Ook de koning loopt op onderdanen

Stille getrouwen.

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Ik weet niet hoe ik moet groeien
Dat moet ik overlaten
Aan mijn lichaam

Ik weet niet hoe ik moet grijpen
Dat moet ik overlaten
Aan mijn handen

Ik weet niet hoe ik moet leren
Dat moet ik overlaten
Aan mijn hersens

Ik weet niet hoe ik moet vergeten
Dat moet ik overlaten
Aan mijn hersens

Ik weet niet hoe ik moet vergeven
Dat moet ik overlaten
Aan mijn hart

Ik weet niet hoe ik moet lopen
Dat moet ik overlaten
Aan mijn benen

Ik weet niet hoe ik moet kijken
Dat moet ik overlaten
Aan mijn ogen

Ik weet niet hoe ik moet luisteren
Dat moet ik overlaten
Aan mijn oren

Ik weet niet hoe ik moet voelen
Dat moet ik overlaten
Aan mijn huid

Ik weet niet hoe ik moet ademen
Dat moet ik overlaten
Aan mijn longen

Ik weet niet hoe ik moet eten
Dat moet ik overlaten
Aan mijn mond

Ik weet niet hoe ik moet verteren
Dat moet ik overlaten
Aan mijn ingewanden

Ik weet niet hoe ik moet poepen
Dat moet ik overlaten
Aan mijn endeldarm

Ik weet niet hoe ik moet genezen
Dat moet ik overlaten
Aan mijn cellen

Ik weet niet hoe ik moet lachen
Dat moet ik overlaten
Aan mijn buik

Ik weet niet hoe ik moet minnen
Dat moet ik overlaten
Aan mijn lendenen

Ik weet niet hoe ik moet vechten
Dat moet ik overlaten
Aan mijn vuisten

Ik weet niet hoe ik moet denken
Dat moet ik overlaten
Aan mijn geest

Ik weet niet hoe ik moet praten
Dat moet ik overlaten
Aan mijn tong

Ik weet niet hoe ik moet zingen
Dat moet ik overlaten
Aan mijn keel

Ik weet niet hoe ik moet sterven
Dat moet ik overlaten
Aan mijn lichaam

Vandaar dat ik niets heb te doen

119 - Het was geen doen, het is gedaan

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Ik doe niets
Het doet mij
Ik weet niet hoe
Het doet mij teniet

Ik maak niets
Het maakt mij
Ik weet niet hoe
Het maakt mij niets

Welk het doet mij
Of doe ik het
Dat weet ik niet
Ik doe het teniet

Welk het maakt mij
Of maak ik het
Dat weet ik niet
Ik maak het niets

Geen ik
Geen het
Geen niets
Geen woord –

Het was geen doen
Het is gedaan

120 - Als iedereen, alleen

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft is net als iedereen

Wespen kunnen haar steken
Slangen kunnen haar bijten
Dieren kunnen haar grijpen
Vogels kunnen haar aanvallen

Zij is nu eens rustig, dan weer onrustig
Vandaag zorgeloos, morgen bedrukt
's Morgen sereen, ’s avonds prikkelbaar
De ene keer spontaan, de andere gemaakt

Haar beenderen zijn taai of breekbaar
Haar spieren zijn sterk of zwak
Haar hand balt en ontspant zich
Haar geslacht loopt vol en leeg

Wie Tja heeft is als iedereen, alleen
Zij heeft zich erbij neergelegd
Of legt zich neer bij haar verzet
En dat is het verschil

Taijitu 19

121 - Een heldere geest is een lachspiegel

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing.

Wie is het die de nacht verlicht?
Wie is het die de sluizen opent?
Wie is het die de loopgraven dempt?

Wie is het die de grenzen verlegt?
Wie is het die de blik verbreedt?
Wie is het die het onderscheid doorziet?
Wie is het die de eenheid verbreekt?

Wie is het die de geest ontsluit?
Wie is het die de lachspiegels slijpt?
Wie is het die het zonlicht weert?
Wie is het die het hoogste bezweert?
Wie is het die het laagste eert?

Meester Tja

122 - Als je nergens op staat

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja zegt waar het op staat
Maar staat niet op wat het zegt

123 - Wie niet-weet die niet-spreekt

Geïnspireerd door hoofdstuk 56 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie spreekt die weet
Wie niet-weet die niet-spreekt

Niet van echtheid of gemaaktheid
Niet van spreken of niet-spreken
Niet van eenvoud of dualiteit
Niet van weten of niet-weten
Niet van voordeel of nadeel
Niet van deugd of ondeugd
Niet van natuur of cultuur
Niet van hemel of aarde
Niet van juist of onjuist
Niet van hoog of laag
Niet van Tao of Tja
Niet van nee of ja

Wie niet-weet die niet-spreekt –
Behalve bij wijze van spreken

124 - Zwervende ben ik nimmer onderweg

Geïnspireerd door hoofdstuk 56 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Gaande
Gaande ben ik
Gaande ben ik immer
Gaande ben ik immer op mijn plaats
Gaande ben ik nimmer op mijn plaats
Gaande ben ik nimmer
Gaande ben ik
Gaande

Thuis
Thuis ben ik
Thuis ben ik immer
Thuis ben ik immer in den vreemde
Thuis ben ik nimmer in den vreemde
Thuis ben ik nimmer
Thuis ben ik
Thuis

Zwervende
Zwervende ben ik
Zwervende ben ik immer
Zwervende ben ik immer onderweg
Zwervende ben ik nimmer onderweg
Zwervende ben ik nimmer
Zwervende ben ik
Zwervende

Een vreemde
Een vreemde ben ik
Een vreemde ben ik immer
Een vreemde ben ik immer in eigen huis
Een vreemde ben ik nimmer in eigen huis
Een vreemde ben ik nimmer
Een vreemde ben ik
Een vreemde

125 - Het blote gaan

Geïnspireerd door hoofdstuk 56 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Zonder ik om te verslaan

Rest mij nog een laatste waan

Zonder zelf om te verstaan

Blijft alleen het blote gaan

Het blote gaan

Bij volle maan

Een onbestaan

Bij nieuwe maan

Een naakt

Vergaan

126 - Zachtjes zweven

Geïnspireerd door hoofdstuk 56 van de Daodejing.

De dwaas ontwart zijn verwikkeling
tot alles hem helder is

Hij heeft een hokjesgeest

De wijze ontwikkelt zijn verwarring
tot alles hem duister is

Hij heeft een weetnietgeest

Ontwarren, ontwikkelen –
Meester Tja is het om het even

Hij heeft het leven

Taijitu 20

127 - Een wijs heden zonder wijsheden

Geïnspireerd door hoofdstuk 56 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De wijze houdt geen wijsheden achter
Hij spreekt geen wijsheden uit
Hij slaat geen wijsheden op
Hij stoot geen wijsheden af

En nog is hij niet wijs

En toch is hij niet dwaas

128 - Een ongedwongen dwingeland

Geïnspireerd door hoofdstuk 57 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie weet, dwingt zijn geest.
Wie streeft, dwingt zijn hart.
Wie eist, dwingt de ander.
Wie doet, dwingt de wereld.
Wie haast, dwingt zijn lichaam.

Weet niet en je geest vindt zijn eigen weg.
Streef niet en je hart vindt zijn eigen weg.
Eis niet en de ander vindt zijn eigen weg.
Doe niet en de wereld vindt zijn eigen weg.
Haast je niet en je lichaam vindt zijn eigen weg.

Wie zelfs geen ongedwongenheid afdwingt
Heeft niets meer te doen.

129 - Waarmee overstijg je het absolute?

Twintig categorische vragen

Geïnspireerd door hoofdstuk 57 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Met de rede regeer je de staat
maar waarmee regeer je de rede?

Met de wet beheers je de misdaad
maar waarmee beheers je de wet?

Met bureaucratie reguleer je de willekeur
maar waarmee reguleer je de bureaucratie?

Met wapentuig onderwerp je de vijand
maar waarmee onderwerp je het wapentuig?

Met godsdienst beteugel je goddeloosheid
maar waarmee beteugel je de godsdienst?

Met idealen overmeester je de wereld
maar waarmee overmeester je de idealen?

Met cynisme beperk je de wanhoop
maar waarmee beperk je het cynisme?

Met listen betwist je de gluiperds
maar waarmee betwist je de listen?

Met medicijnen bestrijd je de ziekte
maar waarmee bestrijd je de medicijnen?

Met wijsheid breidel je dwaasheid
maar waarmee breidel je de wijsheid?

Met kennis verminder je onwetendheid
maar waarmee verminder je kennis?

Met je geest bedwing je je lichaam
maar waarmee bedwing je je geest?

Met je hart tem je je hoofd
maar waarmee tem je je hart?

Met leegte begrens je de vorm
maar waarmee begrens je de leegte?

Met boeddhisme relativeer je het lijden
maar waarmee relativeer je het boeddhisme?

Met non-dualisme overwin je het dualisme
maar waarmee overwin je het non-dualisme?

Met de weetnietgeest bezweer je de hokjesgeest
maar waarmee bezweer je de weetnietgeest?

Met het zelf dood je het ego
maar waarmee dood je het zelf?

Met het absolute overstijg je het relatieve,
maar waarmee overstijg je het absolute?

Met woorden verbreek je de stilte
maar waarmee verbreek je de woorden?

130 - Zeg maar tja

Twintig categorievrije antwoorden

Geïnspireerd door hoofdstuk 57 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De rede bezweer je met het Grote Tja!

De wet bezweer je met het Grote Tja!

De bureaucratie bezweer je met het Grote Tja!

Het wapentuig bezweer je met het Grote Tja!

Godsdienst bezweer je met het Grote Tja!

Idealen bezweer je met het Grote Tja!

Cynisme bezweer je met het Grote Tja!

Listen bezweer je met het Grote Tja!

Medicijnen bezweer je met het Grote Tja!

Wijsheid bezweer je met het Grote Tja!

Kennis bezweer je met het Grote Tja!

De geest bezweer je met het Grote Tja!

Het hart bezweer je met het Grote Tja!

Leegte bezweer je met het Grote Tja!

Boeddhisme bezweer je met het Grote Tja!

Non-dualisme bezweer je met het Grote Tja!

De weetnietgeest bezweer je met het Grote Tja!

Het absolute bezweer je het Grote Tja!

Het zelf bezweer je met het Grote Tja!

Woorden bezweer je met het Grote Tja!

Het Grote Tja heeft nergens moeite mee.
Daarom heet het het Grote Tja.
Zeg maar tja.

131 - Zeg maar tja tegen je tja

Geïnspireerd door hoofdstuk 57 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Alles bezweer je met het Grote Tja, maar waarmee bezweer je het Grote Tja? Met het Grote Tja.

Dit heet: tja zeggen tegen je tja.

Het heet: de macht van tja.

Het heet: tja tot de macht tja.

Het heet: tja kwadraat.

Het heet: tjatja.

Het heet: zelfs niet weten van niet-weten.

Het heet: de macht van niet-weten.

Het heet: niet-weten tot de macht niet-weten.

Het heet: niet-weten in het kwadraat.

Het heet: niet-wetenniet-weten.

Het heet: zelfs niet geloven in niet-geloven.

Het heet: de macht van niet-geloven.

Het heet: niet-geloven tot de macht niet-geloven.

Het heet: niet-geloven in het kwadraat.

Het heet: niet-gelovenniet-geloven.

Het heet: zelfs niet doen aan niet-doen.

Het heet: de macht van niet-doen.

Het heet: niet-doen tot de macht niet-doen.

Het heet: niet-doen in het kwadraat.

Het heet: niet-doenniet-doen.

Je hoeft er dus niets voor te weten of te vergeten.
Je hoeft er niets voor te geloven of niet te geloven.
Je hoeft er niets voor te doen of te laten.

Het Grote Tja is vanzelf sprekend.
Vanzelf spreekt het zichzelf tegen.
Vanzelf doet het er het zwijgen toe.

Het Grote Tja is zelfbezwerend.
Het is er en het is er niet.
Het doet zichzelf.
Het doet zichzelf
teniet.

Zeg maar dag met je handje.

Zeg maar tja tegen je tja.

Zeg maar tja tegen je tja tegen je tja.

Zeg maar tja…

132 - Verlos ons van de verlossing

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is als de Grote Leegte die zelfs zichzelf uitholt.

Dit heet: de leegte van de leegte

Het heet: de macht van de leegte

Het heet: leegte tot de macht leegte

Het heet: leegte kwadraat

Het heet: leegteleegte

Het Grote Tja is als de Grote Twijfel die zelfs zichzelf betwijfelt.

Dit heet: twijfel aan de twijfel

Het heet: de macht van twijfel

Het heet: twijfel tot de macht twijfel

Het heet: twijfel kwadraat

Het heet: twijfeltwijfel

Het Grote Tja is als de Grote Onthechting die zelfs van zichzelf onthecht.

Dit heet: onthechten van onthechting

Het heet: de macht van onthechting

Het heet: onthechting tot de macht onthechting

Het heet: onthechting in het kwadraat

Het heet: onthechtingonthechting

Het Grote Tja is als het Grote Loslaten dat zelfs zichzelf loslaat.

Dit heet: het loslaten loslaten

Het heet: de macht van loslaten

Het heet: loslaten tot de macht loslaten

Het heet: loslaten in het kwadraat

Het heet: loslatenloslaten

Het Grote Tja is als het doden van de Boeddha en het doden van de boeddhadoder.

Dan ben je overal van verlost.

Ook van je verlossing.

Ook van je verlosser.

Ook van de verloste.

Dit heet: …

Taijitu 21

133 - De hitte van de hartstocht

Geïnspireerd door hoofdstuk 58 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Hoe meer geloften en geboden, hoe ingewikkelder je leven. Een verbod op verbieden maakt het er ook niet eenvoudiger op.

Wat nu?

Hoe meer afweermechanismen je ontwikkelt, hoe meer je er in stelling moet brengen. Een afweermechanisme tegen je afweermechanismen is ook geen doen.

Wat nu?

Hoe meer spullen je verzamelt, hoe meer je er moet beheren. Al je spullen wegdoen is minstens zo vermoeiend.

Wat nu?

Wie het geluk zoekt en het ongeluk mijdt, rent gillend van hot naar her. Alles op zijn beloop laten is de goden verzoeken.

Wat nu?

Wie het goede verdedigt en het kwade bestrijdt, bevindt zich tussen twee vuren die hij zelf heeft aangestoken. Het onderscheid tussen goed en kwaad bagatelliseren is olie op het vuur gooien.

Wat nu?

Wie recht wil zijn in een of andere leer, zal kromtrekken door de hitte van zijn hartstocht. Wie recht wil zijn in de non-leer evenzeer.

Wat nu?

134 - De weetnietgeest is zelfontspannend

Geïnspireerd door hoofdstuk 58 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Is de geest gespannen, dan is hij hard en ernstig. Is de geest ontspannen, dan is hij zacht en speels. De weetnietgeest is zelfontspannend. Hoe dat kan?

De weetnietgeest kent het goede niet van het kwade. Hij kent het geluk niet van het ongeluk. Hij kent het rechte niet van het kromme. Zodoende heeft hij weinig te bestrijden of vermijden.

De weetnietgeest is niet zo bezig met geloften en geboden, met aanvallen en verdedigen, met verzamelen en beheren of zich daar weer tegen verweren.

De weetnietgeest streeft er niet naar dit of dat te lijken, te worden of te blijven, noch weerstreeft hij enig streven.

Hij is geen wijze van horen zeggen
met het gezag van eeuwen
schreeuwen en bejag.

Hij heeft geen wijsheid te vergeven,
zal niemand laten beven
van ontzag.

135 - De geest een gat

Geïnspireerd door hoofdstuk 58 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De weetnietgeest
weet zonder weten
en doet zonder doen.

Hoe doet hij dat?
Hoe hij dat doet!
Hij doet het niet!

Hij heeft geen schat!
Hij heeft geen pad!
Hij heeft het niet!

Hij doet maar wat!
Hij weet niet wat!
Hij ziet het niet!

Hij is een gat!
Hij is het gat!
Waarin hij ziedt!

136 - Zonder richting geen verschiet

Geïnspireerd door hoofdstuk 58 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De wijze

De wijze is

De wijze is een dwaas

De wijze is een dwaas zonder wijsheid of wijze

De dwaas

De dwaas is

De dwaas is geen onderwijzer

Een wonderwijzer

Zonder boven

Zonder onder

Zonder richting

Geen verschiet

Zijn wijsheid is

Zijn wijzen is

Zijn wijzer is

Gratuit

137 - De wijze laat het leven

Een kluitje in het niet.

Geïnspireerd door hoofdstuk 58 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wijsheid is een levenswijze

Levend als het leven

Zelf

Mysterieus!

Ongrijpbaar!

Onbegrijpelijk!

Een levend wijsje

Wiegelied

De wijze laat het leven

Het leven laat de wijze

Het laat de wijze beven

Levend als de nacht

Een kluitje in het niet

Trillend als een riet

Zijn duister is zijn luister

Een kluister is het niet

Zolang hij het doorziet

Zoals het hem doorziet

De wijze laat het leven

Hij laat het

Leven

Leven

Zoals het hem gebiedt

Met innerlijk gefluister

Totdat het hem ontvliedt

Dan is er niets

Volbracht

138 - Wijsheid is waarin dwaasheid gedijt

Zeven dodelijke omhelzingen

Geïnspireerd door hoofdstuk 58 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Bestuur is waardoor wanorde zich handhaaft.
Wanorde is waarmee bestuur zich billijkt.

Wat nu?

Welvaart is waarin het gebrek zich toont.
Gebrek is waarin welvaart ontluikt.

Wat nu?

Deugd is waartegen ondeugd zich verzet
Ondeugd is waartegen deugd zich verhardt

Wat nu?

Nood is waarmee hulpvaardigheid begint.
Hulp is waarmee hulpeloosheid begint.

Wat nu?

Het leven is waarmee de dood zich voedt.
De dood is waarin het leven ontkiemt.

Wat nu?

Dwaasheid is waarvan wijsheid bevrijdt.
Wijsheid is waarin dwaasheid gedijt.

Wat nu?

Onvrede is waarin idealisme ontstaat.
Idealisme is waarin vrede vergaat.

Wat nu?

Taijitu 22

139 - Waarheen, waarvoor

Geïnspireerd door hoofdstuk 58 van de Daodejing.

Zalig zijn de armen van geest.

Meester Tja zegt:

Zalig de mens
die niet weet

Zalig de mens
die niet weet
waarheen

Zalig de mens
die niet weet
waarvoor

Zalig de mens
die niet weet
waarom

Zalig de mens
die niet weet
waardoor

Zalig de mens
die niet weet


Waarheen, waarvoor is een lied uit 1971 van de Nederlandse zangeres Mieke Telkamp naar een tekst van Karel Hille (journalist van Story) op de muziek van Amazing Grace. Er werden meer dan een miljoen exemplaren van verkocht en het wordt nog altijd gedraaid op begrafenissen en crematies. De titel is afgeleid van het refrein: Waarheen leidt de weg die we moeten gaan / Waarvoor zijn wij op aard / Wie weet wat er is achter ster en maan / Hoe lang duurt nog de nacht. Ook de rest van dit lied bestaat geheel uit vragen. Die al heel wat vaker dan een miljoen keer zijn gesteld. ‘Zalig zijn de armen van geest’ tenslotte is een van de zaligsprekingen uit de Bergrede van Jezus.

140 - Elf* zuchten van geluk

Geïnspireerd door hoofdstuk 58 van de Daodejing.

Zalig de mens
die niet weet

Zalig de mens
die niet weet
wat is

Zalig de mens
die niet weet
wat echt is

Zalig de mens
die niet weet
wat waar is

Zalig de mens
die niet weet
wat wijs is

Zalig de mens
die niet weet
wat goed is

Zalig de mens
die niet weet
wat hoog is

Zalig de mens
die niet weet
wat zalig is

Zalig de mens
die niet weet
wat de mens is

Zalig de mens
die niet weet
wat niet-weten is

Zalig de mens
die niet weet
wat niet is

Zalig de mens
die niet weet

* Elf is het dwazengetal. Een dwaas is iemand die niet weet. Synoniem: wijze.

141 - Dertien zuchten van verlichting

Wie niet kan zuchten van geluk, kan allicht zuchten van opluchting.

Meester Tja zegt:

Gelukkig.

Gelukkig niet.

Gelukkig weten mensen niet.

Gelukkig weten mensen niet wat is.

Gelukkig weten mensen niet wat echt is.

Gelukkig weten mensen niet wat waar is.

Gelukkig weten mensen niet wat wijs is.

Gelukkig weten mensen niet wat goed is.

Gelukkig weten mensen niet wat hoog is.

Gelukkig weten mensen niet wat geluk is.

Gelukkig weten mensen niet wat de mens is.

Gelukkig weten mensen niet wat niet-weten is.

Gelukkig weten mensen niet wat niet is.

Gelukkig weten mensen niet.

Gelukkig niet.

Gelukkig.

142 - Zeven zuchten ter verzachting

Een goede zucht behoeft geen smoes.

Meester Tja zegt:

Wie niet kan zuchten van geluk
en niet kan zuchten van opluchting
kan vluchten in het zuchten zelf.
Een goede zucht behoeft geen smoes.

Laat ons samen zuchten
ter verzachting van het leed
van wie het niet meer weet
maar dat nog niet wil weten
en daarom steeds urgent
zijn hart moet luchten,
zeven keer per dag.

Zucht.

Diepe zucht.

Diepe diepe zucht.

Diepe diepe diepe zucht.

Diepe diepe zucht.

Diepe zucht.

Zucht.

143 - Zuchten van begin tot eind

Alles gaat voorbij, maar niet-weten blijft je bij.

Meester Tja zegt:

Een geboorte, zwaar of licht
begint met een zucht
en eindigt met een zucht

Een prestatie, groot of klein
begint met een zucht
en eindigt met een zucht

Een climax, nat of droog,
begint met een zucht
en eindigt met een zucht

Geluk, vol of hol,
begint met een zucht
en eindigt met een zucht.

Verlichting, groot of klein,
begint met een zucht
en eindigt met een zucht.

Pijn, scherp of stomp
begint met een zucht
en eindigt met een zucht

Een leven, lang of kort
begint met een zucht
en eindigt met een zucht

Zelfs het zuchten gaat voorbij
Alleen niet-weten blijft je bij
Van begin tot eind

144 - Grote tradities maken niet vrij

Geïnspireerd door hoofdstuk 59 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Grote legers zijn niet beweeglijk.
Grote organisaties zijn niet flexibel.
Grote tradities maken niet vrij.

Veel voorraad is niet beheersbaar.
Veel eten ligt zwaar op de maag.
Veel weten belast de geest.

Daarom legt de wijze geen voorraden aan.
Vallen ze hem toe, dan rekent hij er niet op.

Hij verzamelt geen kennis of wijsheid.
Heeft hij ze toch, dan bouwt hij er niet op.

Zo schept hij ruimte voor zijn gedachten,
zijn gevoelens en zijn medewezens.

Met lucht vult hij zijn hoofd en zijn mond.
Met leegte vult hij zijn bestaan.

Leegte vraagt geen beheersing.
Leegte is licht verteerbaar.
Leegte ontlast de geest.

Lucht is licht als lachgas.
Lucht draagt vleugels voor niets.
Lucht geeft lucht aan het hart.

Grote legers zijn niet beweeglijk.
Grote organisaties zijn niet flexibel.
Grote tradities maken niet vrij.

145 - Uitzicht voor zoekers naar inzicht

Geïnspireerd door hoofdstuk 59 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Er is geen weg
naar een lang leven
en blijvend inzicht

Er is alleen een doolhof
voor een onbestemd leven
met wisselend uitzicht

Er is ook geen doolhof
voor een onbestemd leven
met wisselend uitzicht

Behalve voor zoekers
naar een lang leven
en blijvend inzicht

146 - Rijk zonder grenzen

Geïnspireerd door hoofdstuk 59 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Kent niemand zijn grenzen
dan is er geen rijk om te regeren

Is er geen rijk om te regeren
dan zijn er geen grenzen om te bewaken

Zijn er geen grenzen om te bewaken
dan ontstaan er geen grensgeschillen

Ontstaan er geen grensgeschillen
dan vallen er geen slachtoffers

Wie Tja heeft, kan lang aanblijven

147 - Geest zonder grenzen

Geïnspireerd door hoofdstuk 59 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Alleen.

Alleen
In een geest.

Alleen
In een geest
Zonder grenzen.

Alleen
In een geest
Zonder grenzen
Zijn alle mensen.

Alleen
In een geest
Zonder grenzen
Zijn alle mensen
Mensen.

Alleen
In een geest
Zonder grenzen
Zijn alle mensen
Beesten.

Alleen
In een geest
Zonder grenzen
Zijn alle mensen
Koning.

Alleen
In een geest
Zonder grenzen
Zijn alle mensen
Onderdaan.

Alleen
In een geest
Zonder grenzen
Zijn alle mensen
Toegestaan.

Alleen
In een geest
Zonder grenzen
Zijn alle wensen
Toegestaan.

Alleen
In een geest
Zonder grenzen
Zijn alle woorden
Toegestaan.

Alleen
In een geest
Zonder grenzen
Zijn alle wanen
Toegestaan.

Alleen
In een geest
Zonder grenzen
Zijn alle grenzen
Toegestaan.

Alleen
In een geest
Zonder grenzen
Is alles zo
Vergaan.

Alle wezens
Alle wensen
Alle woorden
Alle wanen
Alle grenzen.

Alleen
In een geest
Zonder grenzen
Is alles zo.

Spontaan.

Taijitu 23

148 - De geest geflest

Geïnspireerd door hoofdstuk 59 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Ik.

Jij.

De geest.

De geest kent.

De geest kent je.

De geest kent je grenzen.

De geest kent je grenzen niet.

De geest kent je grenzen maar heeft ze niet.

De geest kent je grenzen maar heeft je niet.

De geest kent je grenzen maar jou niet.

De geest kent je grenzen maar jij niet.

De geest kent zijn grenzen maar jij niet.

De geest kent zijn grenzen niet.

De geest kent zichzelf niet.

De geest kent jou niet.

De geest kent mij niet.

Jij kent de geest niet.

Ik ken de geest niet.

De grote niet.

De kleine niet.

De jouwe niet.

De mijne niet.

Hun grenzen niet.

Jouw grenzen niet.

Mijn grenzen niet.

Jou niet.

Mij niet.

De geest niet.

Jij niet.

Ik niet.

149 - Al smaken ze zoet, ze dorsten naar bloed

Geïnspireerd door hoofdstuk 60 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Woorden zijn wanen
Trillingen in de lucht
Krabbels op papier

Wie Tja heeft
houdt ze kort
en onthoudt ze
niet

Niet die van de moralisten
Niet die van de idealisten
Niet die van de optimisten
Niet die van de realisten
Niet die van de pessimisten

Niet die van hemzelf

Niet die van de voorouders
Niet die van de wijsgeren
Niet die van de journalisten
Niet die van de columnisten
Niet die van de nihilisten

Niet die van hemzelf

Niet die van de ijveraars
Niet die van de handelaars
Niet die van de kluizenaars
Niet die van de femelaars
Niet die van de tollenaars

Niet die van hemzelf

Niet die van de goden
Niet die van de theologen
Niet die van de mystagogen
Niet die van de exegeten
Niet die van de farizeeërs

Niet die van hemzelf

Niet die van de meesters
Niet die van de goeroes
Niet die van de priesters
Niet die van de roshi’s
Niet die van de lama’s

Niet die van hemzelf

Want woorden zijn manen rond de mind
Gangmakers van het golvende gemoed

De weetniet gebruikt hun macht
om hun macht over hem te breken

Hij laat zich niet meer verwoorden
Ook niet door deze woorden

Wie Tja heeft
onthoudt ze
niet

150 - Dit is hoe je je leven bestuurt

Niemand kan het. Niemand kan het niet.

Geïnspireerd door hoofdstuk 60 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Je leven bestuur je zoals je een staat bestuurt.

Een staat bestuur je zoals je een streek bestuurt.

Een streek bestuur je zoals je een dorp bestuurt.

Een dorp bestuur je zoals je een gezin bestuurt.

Een gezin bestuur je zoals je je geest bestuurt.

Je geest bestuur je zoals je je lichaam bestuurt.

Je lichaam bestuur je zoals je ter wereld komt.

Ter wereld kom je.

Levend of dood.

Of je wilt of niet.

Dit is hoe je lichaam je bestuurt.

Dit is hoe je geest je bestuurt.

Dit is hoe het gezin je bestuurt.

Dit is hoe het dorp je bestuurt.

Dit is hoe de streek je bestuurt.

Dit is hoe de staat je bestuurt.

Dit is hoe je leven je bestuurt.

Dat is hoe je je leven bestuurt.

Taijitu 24

151 - Vergeet het maar (net niet)

Geïnspireerd door hoofdstuk 61 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Luister…

Weten…

Weten is het…

Weten is het
niet…

Niet weten
is het…

Net niet
weten…

Niet weten
is het
net niet…

Niet weten
van niet-weten…

Het weten
net niet
vergeten…

Niet weten
en dat
net niet
vergeten…

Het vergeten
weten…

Het vergeten
vergeten…

Het vergeten vergeten
net niet
weten te…

Het onvergetelijke
ontweten…

Het onvergelijkelijke…

Vergeet het maar…

Net niet…

Dat is het…

Hele eieren…

Op eieren…

Windeieren…

Eten…

Lopen…

Kraken…

Luister…

152 - Hoe het vrouwelijke het mannelijke overwint

Geïnspireerd door hoofdstuk 61 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Noemen we ja en nee mannelijk,
dan mag tja vrouwelijk heten.

Ja neemt, nee weert.
Tja ontvangt en geeft weg.

Ja en nee zoeken de uitersten.
Tja houdt het midden.

Ja en nee bedienen zich van woorden.
Tja bedient zich van stilte.

Bedient ze zich toch van woorden,
dan neemt ze die meteen terug.

Zwakte is de kracht van tja,
kleinheid haar grootte.

Ze wijkt ter toenadering,
aarzelt ter bevestiging.

Ze antwoordt met vragen,
leidt door te volgen,
doet door te laten
en weet te vergeten.

Terwijl ja de wereld schaakt
en nee het fort bewaakt,
bewaart tja haar kalmte.

Rustig blijft ze ook
onder haar onrust.

Vrede heeft ze ook
met haar onvrede.

Niet-spreken, niet-zwijgen,
niet-leiden, niet-volgen,
niet-doen, niet-laten –

Zo overwint het vrouwelijke
het mannelijke.

Taijitu 25

153 - Een grote schat zonder waarde

Geïnspireerd door hoofdstuk 62 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Tja is niets waard, toch is zij een grote schat.
Zij laat zich niet nemen, maar ze is er voor iedereen.
Ze werkt nooit, maar haar werking is onvoorstelbaar.

Zij stelt zich niet voor, want ze stelt niets voor
noch zinspeelt ze op het onvoorstelbare
of op de onbestaanbaarheid daarvan.

Waarom houdt ze nooit het midden?
Omdat ze geen grenzen kent.

Waarom vergeeft ze niemand?
Omdat ze geen zonden kent.

Waarom prijst ze niemand?
Omdat ze geen deugden kent.

Waarom laat ze zich graag kennen?
Omdat ze niets te bewijzen heeft.

Waarom laat ze zich nooit kennen?
Omdat ze geen vorm heeft.

Waarom bekent ze geen kleur?
Omdat ze transparant is.

Waarom ziet zij nooit iets in?
Omdat ze overal doorheen kijkt.

Waarom laat ze zich nooit vinden?
Omdat ze nooit weggaat.

Waarom laat ze zich niet op een voetstuk zetten?
Omdat ze hoogten vreest.

Waarom laat ze zich niet in de grond trappen?
Omdat ze grondeloos is.

Waarom laat ze zich niet kleineren?
Omdat ze geen grootte heeft.

Waarom wil niemand haar schaken?
Omdat ze onverslaanbaar is.

Waarom wil niemand haar nemen?
Omdat ze geen fort is.

Waarom wil niemand haar vatten?
Omdat ze onbevattelijk is.

Waarom heeft ze geen gladde woorden nodig?
Omdat ze niets te zeggen heeft.

Waarom verliest ze soms haar kalmte?
Omdat die niet van haar is.

Waarom verliest ze nooit haar zelfrespect?
Omdat ze geen zelf heeft.

Waarom verliest ze nooit haar waardigheid?
Omdat ze geen waarde heeft.

Daarom is haar werking onvoorstelbaar.
Daarom is zij er voor iedereen.
Daarom is Tja een grote schat.

154 - Loochenaars

Geïnspireerd door hoofdstuk 62 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie zuiver geluk zoekt
loochent zijn lijden

Wie louter liefde zoekt
loochent zijn haat

Wie diepe wijsheid zoekt
loochent zijn dwaasheid

Wie opperste leegte zoekt
loochent zijn volheid

Wie bestendige rust zoekt
loochent zijn onrust

Wie duurzame vrede zoekt
loochent zijn strijdlust

Wie totale onthechting zoekt
loochent zijn verlangens

Wie zuivere weteloosheid zoekt
loochent zijn kennis

Wie oneindige eeuwigheid zoekt
loochent zijn vergankelijkheid

Wie absolute acceptatie zoekt
loochent zijn loochenen

Wie het daarom in niet-zoeken zoekt
loochent zijn zoeken.

155 - Niets is goed of slecht van zichzelf

Geïnspireerd door hoofdstuk 62 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Niets

Niets is

Niets is goed

Niets is goed in ieder opzicht

Niets is goed zonder opzicht

Niets is goed van zichzelf

Niets is van zichzelf

Niets is zichzelf

Niets is

Niets is slecht

Niets is slecht in ieder opzicht

Niets is slecht zonder opzicht

Niets is slecht van zichzelf

Niets is vanzelf

Niets is zelf

Niets is

Niets

Ook dit is

Ook dit is niet

Ook dit is van zichzelf niet

Ook dit is van zichzelf niet goed

Ook dit is van zichzelf niet slecht

Ook dit is van zichzelf niets

Ook dit is vanzelf niet

Ook dit is niet

Niets

156 - Absoluut relatief onbepaald

Geïnspireerd door hoofdstuk 62 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Absoluut is het verschil
tussen goed en kwaad
voor de dwaas

Hij heeft iets
te bewijzen

Hij hééft iets

Relatief is het verschil
tussen goed en kwaad
voor de wijze

Hij heeft iets
af te prijzen

Hij hééft iets

Onbepaald is het verschil
tussen goed en kwaad
voor de dwijze

Hij heeft niets
te bewijzen

Hij heeft niets
af te prijzen

Hij heeft niets

Taijitu 26

157 - Je moet het niet, je doet het niet

Geïnspireerd door hoofdstuk 63 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Denk door niet te denken
Weet door niet te weten
Wees door niet te wezen

Geef door niet te geven
Neem door niet te nemen
Heb door niet te hebben

Vat door niet te vatten
Wil door niet te willen
Doe door niet te doen

Hoe dat dan moet?
Je moet het niet!

Hoe ik dat weet?
Ik weet het niet!

Hoe ik dat doe?
Ik doe het niet!

Wie Tja heeft
weet niet hoe
Het moet

Niet-weten is
wat hij doet

158 - Wie kan zeggen wanneer?

Geïnspireerd door hoofdstuk 64 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Soms moet je voorbereidingen treffen,
soms moet je impulsief zijn.

Soms moet je voorraden aanleggen,
soms moet je ze opmaken.

Soms moet je blijven strijden,
soms moet je je verlies nemen.

Soms moet je onderzoek doen,
soms moet je handelen.

Soms moet je vroeg ingrijpen,
soms moet je lang afwachten.

Soms moet je vasthouden,
soms moet je loslaten.

Soms moet je dreigen,
soms moet je toeslaan.

Soms moet je negeren,
soms moet je straffen.

Wie kan zeggen wanneer?

Ook de wijze doet maar wat,
alleen verhult hij het niet meer.
Hij kan er wel om lachen, nu,
al doet het soms nog zeer.

Hij laat het doen zijn gang maar gaan,
hij legt zich erbij neer.
Zelfs als hij zich weer eens verzet –
Noem dat desnoods zijn leer.

159 - Een tocht van duizend mijl

Acht ijdele waarheden

Geïnspireerd door hoofdstuk 64 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Een zomer lang of kort
begint met kilte
en eindigt met kilte

Een boom dik of dun
begint met aarde
en eindigt met aarde

Een tempel groot of klein
begint met stenen
en eindigt met stenen

Een rijk sterk of zwak
begint met chaos
en eindigt met chaos

Een leven hoog of laag
begint met pijn
en eindigt met pijn

Een geest slim of dom
begint met vragen
en eindigt met vragen

Een leer wijs of dwaas
begint met hoon
en eindigt met hoon

Een woord hard of zacht
begint met stilte
en eindigt met stilte

Meester Tja zegt ook:

Een tekst lang of kort
begint met een zucht
en eindigt met een zucht

160 - Halve glazen voor halve dwazen

Geïnspireerd door hoofdstuk 64 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Zonneschijn
begint met regen
en eindigt met regen

Regen
begint met zonneschijn
en eindigt met zonneschijn

Honger
begint met verzadiging
en eindigt met verzadiging

Verzadiging
begint met honger
en eindigt met honger

Hoop
begint met wanhoop
en eindigt met wanhoop

Wanhoop
begint met hoop
en eindigt met hoop

Voorspoed
begint met tegenslag
en eindigt met tegenslag

Tegenslag
begint met voorspoed
en eindigt met voorspoed

Vriendschap
begint met eenzaamheid
en eindigt met eenzaamheid

Eenzaamheid
begint met vriendschap
en eindigt met vriendschap

Liefde
begint met haat
en eindigt met haat

Haat
begint met liefde
en eindigt met liefde

Vrede
begint met oorlog
en eindigt met oorlog

Oorlog
begint met vrede
en eindigt met vrede

Macht
begint met onmacht
en eindigt met onmacht

Onmacht
begint met macht
en eindigt met macht

Orde
begint met chaos
en eindigt met chaos

Chaos
begint met orde
en eindigt met orde

Eenheid
begint met verdeeldheid
en eindigt met verdeeldheid

Verdeeldheid
begint met eenheid
en eindigt met eenheid

Eenvoud
begint met complexiteit
en eindigt met complexiteit

Complexiteit
begint met eenvoud
en eindigt met eenvoud

Wijsheid
begint met dwaasheid
en eindigt met dwaasheid

Dwaasheid
begint met wijsheid
en eindigt met wijsheid

Vervoering
begint met verveling
en eindigt met verveling

Verveling
begint met vervoering
en eindigt met vervoering

Aandacht
begint met afleiding
en eindigt met afleiding

Afleiding
begint met aandacht
en eindigt met aandacht

Onthechting
begint met gehechtheid
en eindigt met gehechtheid

Gehechtheid
begint met onthechting
en eindigt met onthechting

Geluk
begint met ongeluk
en eindigt met ongeluk

Ongeluk
begint met geluk
en eindigt met geluk

Rust
begint met onrust
en eindigt met onrust

Onrust
begint met rust
en eindigt met rust

Spontaniteit
begint met gemaaktheid
en eindigt met gemaaktheid

Gemaaktheid
begint met spontaniteit
en eindigt met spontaniteit

Inzicht
begint met onwetendheid
en eindigt met onwetendheid

Onwetendheid
begint met inzicht
en eindigt met inzicht

Stilte
begint met woorden
en eindigt met woorden

Woorden
beginnen met stilte
en eindigen met stilte

Of niet soms?

Of soms niet?

161 - Wie thuis is in het Tja neemt het niet mee uit

Geïnspireerd door hoofdstuk 65 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie thuis is in het tja
neemt het niet mee uit.

Niet om dik te doen.
Niet om dun te doen.

Niet om wijs te lijken.
Niet om dwaas te lijken.

Niet om bang te maken.
Niet om gerust te stellen.

Niet om god te verleiden.
Niet om god te verstoten.

Niet om buiten te sluiten.
Niet om in te sluiten.

Niet om keuzes te maken.
Niet om keuzes te mijden.

Niet om hetzelfde te blijven.
Niet om anders te worden.

Niet om iemand te worden.
Niet om niemand te worden.

Niet 0m verlicht te worden.
Niet om onwetend te blijven.

Niet om mensen te bevrijden.
Niet om mensen te vangen.

Niet om het ego te dienen.
Niet om het ego te vernietigen.

Niet om een boeddha te worden.
Niet om de boeddha te doden.

Niet om de wereld te ontvluchten.
Niet om de wereld te omarmen.

Niet om de waarheid te vinden.
Niet om de waarheid te ontkennen.

Wie thuis is in het tja
laat het overal uit.

162 - De wolk van niet-weten

Nacht en Nevel

Geïnspireerd door hoofdstuk 65 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Was het Tja een dier, dan was het ontembaar.
Was het Tja een wezen, dan was het ongrijpbaar.
Was het Tja een gestalte, dan was ze onzichtbaar.
Was het Tja een gedachte, dan was ze ondenkbaar.

O nacht! O duisternis!
In uw diepten is geen diepte.
O duisternis! O nacht!
In uw midden louter niets.

Was het Tja een stelling, dan was ze onhoudbaar.
Was het Tja een leer, dan was hij onverdedigbaar.
Was het Tja een boodschap, dan was ze onbestelbaar.
Was het Tja een symbool, dan was het onduidbaar.

O nevel! O mistbank!
In uw flanken heerst verwarring.
O mistbank! O nevel!
In uw midden louter rust.

Taijitu 27

163 - De weg van de minste

Geïnspireerd door hoofdstuk 66 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Alle stromen vinden vanzelf de zee
die van alle wateren
het laagst gelegen is.

De laagste zal de grootste zijn.

Ieder ja en nee mondt uit in tja
waaraan niets gelegen is.

De leegste zal de laagste zijn.

De weg van het tja is de weg van de zee.
Daarom plaatst de wijze zich onderaan.

Hij leidt niet en hij lijdt er niet onder.

Hij volgt niet en wordt niet vervolgd.

Hij wijst niet en wordt niet gevolgd.

Hij houdt niet en wordt niet gehouden.

Hij twist niet en wordt niet betwist.

Hij weet niet, dus hij weet niet beter.

De weg van de wijze is de weg van het licht
Licht vindt vanzelf het gat
dat het duisterst is.

Dit heet: de weg van de minste.

164 - Een onbekende grootheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 67 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Klein ben ik noch groot
maar onvergelijkbaar
als een onbekende

Er zijn geen regels die ik volg
Geen methoden die ik toepas
Geen geheimen die ik koester

Ik doe niet aan terughoudendheid
Ik doe niet aan vasthoudendheid
Ik doe niet aan rechtvaardigheid
Ik doe niet aan barmhartigheid
Ik doe niet aan deugdzaamheid
Ik doe niet aan geweldloosheid
Ik doe niet aan vriendelijkheid
Ik doe niet aan goedgeefsheid
Ik doe niet aan oplettendheid
Ik doe niet aan spontaniteit
Ik doe niet aan mededogen
Ik doe niet aan dapperheid
Ik doe niet aan eerlijkheid
Ik doe niet aan zuiverheid
Ik doe niet aan soberheid
Ik doe niet aan meditatie
Ik doe niet aan openheid
Ik doe niet aan goedheid
Ik doe niet aan overgave
Ik doe niet aan juistheid
Ik doe niet aan kuisheid
Ik doe niet aan echtheid
Ik doe niet aan eenvoud
Ik doe niet aan wijsheid
Ik doe niet aan geloften
Ik doe niet aan respect
Ik doe niet aan geduld
Ik doe niet aan liefde

Ook dit zijn geen regels die ik volg
Geen methoden die ik toepas
Zelfs aan niet-doen doe ik niet

Klein ben ik noch groot
Onvergelijkbaar zelfs
met het onbekende

165 - Een wijze krijger is geen hebber

Geïnspireerd door hoofdstuk 68 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Een gewone krijger heerst over zijn wapens.

Een goede krijger heerst over zijn gevoelens.

Een wijze krijger heerst niet.

Hij heerst niet over anderen.
Hij heerst niet over zichzelf.
Hij heerst niet over zijn paard.
Hij heerst niet over zijn wapens.
Hij heerst niet over zijn lichaam.
Hij heerst niet over zijn geest.
Hij heerst niet over zijn gevoelens.
Hij heerst niet over zijn zintuigen.
Hij heerst niet over zijn tong.
Hij heerst niet over zijn bezit.
Hij heerst niet over zijn wil.
Hij heerst niet over het leven.
Hij heerst niet over de dood.

Een wijze krijger heerst niet.

Ook niet over zijn heerszucht.

Wie nergens over heerst, heeft niets.

Wie niets heeft, ziet geen reden om te strijden,
of de strijd voorgoed te mijden.

Een wijze krijger is geen hebber.

166 - Er is geen goed, behalve in je geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 69 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Er zijn geen verliezers
Behalve in je geest

Er zijn geen winnaars
Behalve in je geest

Er zijn geen lafaards
Behalve in je geest

Er zijn geen helden
Behalve in je geest

Er zijn geen vijanden
Behalve in je geest

Er zijn geen vrienden
Behalve in je geest

Er is geen haat
Behalve in je geest

Er is geen liefde
Behalve in je geest

Er is geen ongeluk
Behalve in je geest

Er is geen geluk
Behalve in je geest

Er is geen oorlog
Behalve in je geest

Er is geen vrede
Behalve in je geest

Er is geen ongelijk
Behalve in je geest

Er is geen gelijk
Behalve in je geest

Er is geen daar
Behalve in je geest

Er is geen hier
Behalve in je geest

Er is geen vroeger
Behalve in je geest

Er is geen nu
Behalve in je geest

Er is geen ander
Behalve in je geest

Er is geen zelf
Behalve in je geest

Er is geen illusie
Behalve in je geest

Er is geen werkelijkheid
Behalve in je geest

Er is geen doel
Behalve in je geest

Er is geen weg
Behalve in je geest

Er is geen kwaad
Behalve in je geest

Er is geen goed
Behalve in je geest

Er is geen dwaasheid
Behalve in je geest

Er is geen wijsheid
Behalve in je geest

Er is geen onderscheid
Behalve in je geest

Er is geen eenheid
Behalve in je geest

Er is geen geest
Behalve in je geest

En ook de leegte
is er nooit geweest

167 - Achtentwintig ervaren krijgsmannen

Geïnspireerd door hoofdstuk 69 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Eens heb ik een ervaren krijgsman horen zeggen: ‘Ik durf niet te beginnen, ik wacht liever af.’ Een andere zei: ‘Ik durf niet af te wachten, ik begin liever.’ Een andere zei: ‘Men moet beginnen én afwachten.’ Een andere zei: ‘Men moet afwachten noch beginnen.’

Zo heb ik ook een ervaren krijgsman horen zeggen: ‘Ik durf geen duim vooruit te gaan, ik ga liever een voet terug.’ Een andere zei: ‘Ik durf geen duim terug te gaan, ik ga liever een voet vooruit.’ Een andere zei: ‘Men moet achterwaarts vooruit gaan.’ Een andere zei: ‘Men moet naar voren noch naar achteren gaan.’

Zo heb ik ook een ervaren krijgsman horen zeggen: ‘Men moet voorgaan zonder gaan.’ Een andere zei: ‘Men moet gaan zonder voorgaan.’ Een andere zei: ‘Men moet gaande voorgaan.’ Een andere zei: ‘Men moet gaan noch voorgaan.’

Zo heb ik ook een ervaren krijgsman horen zeggen: ‘Men moet dreigen zonder de armen te strekken.’ Een andere zei: ‘Men moet de armen strekken zonder dreigen.’ Een andere zei: ‘Men moet dreigen en de armen strekken.’ Een andere zei: ‘Men moet dreigen noch de armen strekken.’

Zo heb ik ook een ervaren krijgsman horen zeggen: ‘Men moet opdringen zonder weerstand te wekken.’ Een andere zei: ‘Men moet weerstand wekken zonder op te dringen.’ Een andere zei: ‘Men moet weerstand wekken en opdringen.’ Een andere zei: ‘Men moet weerstand wekken noch opdringen.’

Zo heb ik ook een ervaren krijgsman horen zeggen: ‘Men moet aangrijpen zonder te wapenen.’ Een andere zei: ‘Men moet wapenen zonder aan te grijpen.’ Een andere zei: ‘Men moet wapenen en aangrijpen.’ Een andere zei: ‘Men moet aangrijpen noch wapenen.’

Zo heb ik ook een ervaren krijgsman horen zeggen: ‘Goed dat ik ten strijde ben getrokken.’ Een andere zei: ‘Was ik maar thuis gebleven.’ Een andere zei: ‘Ik had thuis ten strijde moeten trekken.’ Een andere zei: ‘Was ik maar ten strijde getrokken noch thuisgebleven.’

Zelf deed ik er het zwijgen toe.

Ik had geen ervaring.

168 - Woorden zijn geen heiligen

Heilig is een woord.

Geïnspireerd door hoofdstuk 70 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Woorden, woorden, woorden.
Touwen, ketens, koorden.
Virtuele oorden.

Boeken zijn maar woorden.
Kranten zijn maar woorden.
Websites zijn maar woorden.

Woorden, woorden, woorden.

Mythen zijn maar woorden.
Fabels zijn maar woorden.
Sprookjes zijn maar woorden.

Woorden, woorden, woorden.

Normen zijn maar woorden.
Waarden zijn maar woorden.
Wetten zijn maar woorden.

Woorden, woorden, woorden.

Nota’s zijn maar woorden.
Memo’s zijn maar woorden.
Aktes zijn maar woorden.

Woorden, woorden, woorden.

Noties zijn maar woorden.
Visies zijn maar woorden.
Theses zijn maar woorden.

Woorden, woorden, woorden.

Bijbels zijn maar woorden.
Preken zijn maar woorden.
Dogma’s zijn maar woorden.

Woorden, woorden, woorden.

Soetra’s zijn maar woorden.
Shastra’s zijn maar woorden.
Teisho’s zijn maar woorden.

Woorden, woorden, woorden.

Zijn woorden louter woorden?
Of zijn dit ook maar woorden?
Of zijn dat ook maar woorden?

Woorden, woorden, woorden.
Touwen, ketens, koorden.
Virtuele oorden.

Wie er heilig in gelooft
zal het Tja niet kennen.

Wie heilig in het Tja gelooft
zal het niet kennen.

169 - De wijze is een blaasbalg

Geïnspireerd door hoofdstuk 70 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De wijze is een blaasbalg:

Hij ruist terwijl hij inademt
En hijgt terwijl hij uitademt
Maar zonder iets te zeggen
En zonder niets te zeggen

Zijn woorden zijn zuiver:

Als het snateren van eidereenden
Het borrelen van ingewanden
Het klateren van wateren
Het balken van ezels en
Het gapen van de vis

Taijitu 28

170 - Louter breedte, niet te meten

Geïnspireerd door hoofdstuk 71 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Weten is hoog

Nietweten is hoger

Wetend nietweten is hoger nog

Niet weten van nietweten –
Wie kan zeggen hoe hoog dat is?

Onverenigd, ongespleten
Ononthecht en onbezeten
Ongedaan en onvergeten
Louter breedte, niet te meten

Wie niet meer op de hoogte is
ziet geen wezenlijk verschil
tussen welweten en nietweten

Hij ziet het ene niet als kwaal
Het andere niet als remedie

Zijn welweten is grondeloos
Zijn nietweten evenzeer
Het onderscheid is voos
Noem dat desnoods zijn leer

Wie niet meer op de hoogte is
kijkt nergens meer van op
en nergens meer op neer

Wie kan zeggen hoe diep dat is?

171 - Alle wijsheid gaat voorbij

Misschien mag je wel mee.

Geïnspireerd door hoofdstuk 71 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Kennis is geen wijsheid

Kennis van niet weten
is geen niet weten

Geloof is geen wijsheid

Geloof in niet weten
is geen niet weten

Ontzag is geen wijsheid

Ontzag voor niet weten
is geen niet weten

Alle wijsheid gaat voorbij

Wat voorbij gaat
is geen niet weten

Niet weten gaat voorbij

Niet weten gaat voorbij
alle wijsheid

Niet weten gaat voorbij
alle wijsheid voorbij
alle wijsheid

Niet weten gaat voorbij
niet weten

Is het dan voorbij?

Wat heet

Dan staat het

Overal bij

Stil

172 - De wijze weet niet beter

Geïnspireerd door hoofdstuk 72 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De wijze heeft geen idee

Hij kent de Schepper niet
van Zijn schepping

Hij kent het Ene niet
van het vele

Hij kent het Zelf niet
van het ego

Hij kent de Werkelijkheid niet
van de illusie

Hij kent de Tao niet
van het Tja

Hij kent de Weg niet
van het veld

Hij kent de hemel niet
van de aarde

Hij kent het geluk niet
van het ongeluk

Hij kent de heersers niet
van hun onderdanen

Hij kent de meesters niet
van hun leerlingen

Hij kent de wijzen niet
van de dwazen

Hij kent zijn macht niet
van zijn onmacht

Hij kent zijn geest niet
van zijn lichaam

Hij kent zijn binnenste niet
van zijn buitenste

De wijze heeft geen idee
en geen idee heeft hem

Hij kent zichzelf niet
en laat het gerust zien

Hij kent de mens niet
en geeft het gewoon toe

Hij kent de wereld niet
en heeft er vrede mee

De wijze weet niet
dus hij weet
niet beter

Daarom lijkt hij net
een wijze

Zelf weet hij
wel beter

173 - De scepter is de koning

Geïnspireerd door hoofdstuk 72 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Zonder heerser geen onderdanen.
Zonder onderdanen geen heerser.

Wie heeft hier de macht?

De wil van de heerser is wet.
Hijzelf staat buiten de wet.

Staat hij ook buiten zijn wil?

Je legt je wil op aan de wereld.

Maak jij deel uit van de wil
of van de wereld?

Maakt de wil deel uit van jou
of van de wereld?

Maakt de wereld deel uit van jou
of van de wil?

Is de wereld een woord
of een feit?

Is de wil een idee
of een realiteit?

Zijn wij wel
meer dan een wijze
van spreken?

174 - Malen over malen

Geïnspireerd door hoofdstuk 72 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Een molen kan malen
maar kan een molen
ook stoppen met malen
of maalt hij daar niet om?

Een mens kan malen
maar kan een mens
ook stoppen met malen
en als hij daarom maalt

En maalt en maalt en maalt
is hij dan malende
of heeft hij soms een tic
van de mallemolen?

En als hij ten enen male
noch ten anderen
zelf een eind kan maken
aan zijn windgemaal

Waarom maalt hij er
dan aldoor over door
of is dat koren
op zijn molen?

Bis

Een molen kan malen
maar kan een molen
ook stoppen met malen
of maalt hij daar niet om?

Een mens kan malen
maar kan een mens
ook stoppen met malen
en als hij daarom maalt

En maalt en maalt en maalt
is hij dan malende
of heeft hij soms een tic
van de mallemolen?

En als hij ten enen male
noch ten anderen
zelf een eind kan maken
aan zijn windgemaal

Waarom maalt hij er
dan aldoor over door
of is dat koren
op zijn molen?

Bis

Taijitu 29

175 - Wil jij denken wat je denkt?

Geïnspireerd door hoofdstuk 72 van de Daodejing.

Over macht en overmacht

Meester Tja zegt:

Kun jij denken wat je wilt denken?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun je willen denken wat je denkt?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun jij geloven wat je wilt geloven?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun je willen geloven wat je gelooft?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun jij voelen wat je wilt voelen?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun je willen voelen wat je voelt?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun jij worden wat je wilt worden?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun je willen worden wat je wordt?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun jij zijn wie je wilt zijn?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun je willen zijn wie je bent?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun jij doen wat je wilt doen?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun je willen doen wat je doet?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun jij laten wat je wilt laten?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun je willen laten wat je laat?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun jij krijgen wat je wilt krijgen?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun je willen krijgen wat je krijgt?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun jij geven wat je wilt geven?
Waarom lukt het je dan niet?

Kun je willen geven wat je geeft?
Waarom lukt het je dan niet?

Of lukt het je soms wel?

Of is het niet jouw wil?

176 - Kun jij geloven wat je wil?

Geïnspireerd door hoofdstuk 72 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Is de wil vrij
of is hij onvrij,
wat geloof jij?

Kun jij geloven
wat je wilt?

Als je dat gelooft,
verander dan eens
van geloof…

Nu!

En?

Kun jij willen
wat je gelooft?

Als je dat gelooft,
verander dan eens
van wil…

Nu!

En?

Is de wil vrij
of is hij onvrij,
wat geloof jij?

177 - Weg van de weg

Geïnspireerd door hoofdstuk 73 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

wie strijdt
zonder strijden
weerstaat
noch berust

wie heeft
zonder hebben
die geeft
noch neemt

wie zegt
zonder zeggen
die spreekt
noch zwijgt

wie vraagt
zonder vragen
die eist
noch smeekt

wie doet
zonder doen
die slaagt
noch faalt

wie laat
zonder laten
laat toch
niet na

wie staat
zonder staan
kan zo
weer weg

wie gaat
zonder gaan
is weg
van de weg

wie strijdt
zonder strijden
weerstaat
noch berust

wie heeft
zonder hebben
die geeft
noch neemt

wie zegt
zonder zeggen
die spreekt
noch zwijgt

wie vraagt
zonder vragen
die eist
noch smeekt

wie doet
zonder doen
die slaagt
noch faalt

wie laat
zonder laten
laat toch
niet na

wie staat
zonder staan
kan zo
weer weg

wie gaat
zonder gaan
is weg
van de weg

178 - Voor een dwaas is het geen kunst

Elf facetten van niet-weten.

Geïnspireerd door hoofdstuk 73 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Het Tja heeft veel facetten:

Niet weten te onderscheiden

Niet weten te onderbouwen

Niet weten uit te sluiten

Niet weten te verenigen

Niet weten te oordelen

Niet weten te zwijgen

Niet weten te zeggen

Niet weten te kiezen

Niet weten te vatten

Niet weten te doen

Niet weten te laten

Het Tja heeft
Veel facetten
Maar dat maakt het
Nog geen oog

En ondanks
Alle lagen
Is het zelf niet
Laag of hoog

Het wordt je
Vrij gegeven
Daarom is het
Nog geen gunst

Al lijkt het
Haast ondoenlijk
Voor een dwaas
Is het geen kunst

Het Tja heeft veel facetten, maar dat maakt het nog geen oog.

179 - Woord en doodslag

Geïnspireerd door hoofdstuk 74 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie doodt uit naam van de staat
heet een beul.

Wie doodt uit naam van zichzelf
heet een moordenaar.

Wat is de overeenkomst?

Wie gedood wordt op persoonlijke titel
heet een slachtoffer.

Wie gedood wordt in naam der wet
heet een dader.

Wat is het verschil?

Wie beroepsmatig doodt
heet een vakman.

Wie zelden doodt
heet een amateur.

Wie heb je liever?

Wie woorden vermoordt
heet een weetniet.

Wie moorden verwoordt
heet een schrijver.

Wie lees je liever?

Tja, ik was er al bang voor.

180 - Denkbeelden maken de geest blind

Geïnspireerd door hoofdstuk 75 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Kennis maakt de geest traag.

Wijsheid maakt de geest pedant.

Idealen maken de geest fanatiek.

Overtuigingen maken de geest onhebbelijk.

Speculaties maken de geest zweverig.

Doelen maken de geest jachtig.

Tradities maken de geest star.

Ambities maken de geest hard.

Argumenten maken de geest twistziek.

Denkbeelden maken de geest blind.

Dit waren tien denkbeelden over de geest.

Had je zal al?

Hadden ze je al?

Hadden ze je al
verblind?

Wie Tja heeft,
heeft niets.

Wie niets heeft,
heeft niets teveel.

Denkbeelden maken de geest blind. Denkbeelden over de geest ook.

181 - Eeuwig is alleen de hoop

Geïnspireerd door hoofdstuk 76 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Nog vóór mens en dier geboren worden
zijn ze al ten dode opgeschreven.

Ze sterven soepel en sterk of stijf en zwak,
afhankelijk van hun leeftijd.

Nog voor bomen en planten geboren worden
zijn ze al ten dode opgeschreven.

Ze sterven zacht en teer of dor en droog,
afhankelijk van hun ouderdom.

Stijfheid en sterkte, soepelheid en zwakte –

Alle zijn volgelingen van het leven.

Alle zijn voorboden van de dood.

Want een boom die zwak staat zal omwaaien.

Een boom die sterk staat zal verbranden.

Een boom die staat als een paal boven water
zal van binnenuit wegrotten.

Een leger dat zwak staat zal verpletterd worden.

Een leger dat sterk staat zal misleid worden.

Een leger dat onverslaanbaar is
zal zichzelf overbodig maken.

Eeuwig is alleen de hoop.

De hoop op eeuwig leven.

Taijitu 30

182 - Wijs is het leven dat telkens begint

Geïnspireerd door hoofdstuk 76 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

De wijze is als een boom
geplant aan stromend water

Vanzelf loopt hij uit

Vanzelf krijgt hij bloesem

Vanzelf draagt hij vrucht

Vanzelf breken zijn takken

Vanzelf scheurt zijn schors

Vanzelf splijt zijn stam

Vanzelf rotten zijn wortels

Vanzelf valt hij om

Niets wordt hem onthouden
Niets blijft hem bespaard

Wijs is het leven
dat telkens begint

Dwaas is het leven
dat stervend bezint

Wijsheid is blad
dat verwaait
in de wind

De wijze is als een stam
gestrand in stromend water

183 - Schietles voor beginners

Geïnspireerd door hoofdstuk 77 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Zodra je een pijl loslaat
ontspant de boog.

Zodra je een idee loslaat
ontspant de geest.

De dwaas legt al zijn pijlen op zijn boog
en beziet de wereld door zijn koker.

De wijze heeft al zijn pijlen verschoten
en al zijn kokers doorzien.

Hij heeft de weg verlaten
en houdt het voor gezien.

184 - Schietles voor gevorderden

Geïnspireerd door hoofdstuk 77 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Een boog kan pas ontspannen
als je de pijl loslaat.

Je geest pas kan ontspannen
als je je gedachten loslaat.

Vandaar

dat je geest pas kan ontspannen
als je de gedachte loslaat
dat je geest pas kan ontspannen
als je je gedachten loslaat.

Vandaar ook

dat je geest pas kan ontspannen
als je de gedachte loslaat
dat je geest pas kan ontspannen
als je de gedachte loslaat
dat je geest pas kan ontspannen
als je je gedachten loslaat.

Maar eigenlijk

kan je geest pas ontspannen
als je de gedachte loslaat
dat je een geest hebt
die pas kan ontspannen
als je de gedachte loslaat
dat je een geest hebt
die pas kan ontspannen
als je de gedachte loslaat
dat je een geest hebt
die gedachten heeft
die hij naar keuze
vast kan houden
of los kan laten.

Ik wil maar zeggen,

zodra je de gedachte loslaat
(wat een gedachte is)
dat er een jij is
(wat een gedachte is)
die geen gedachte is
(wat een gedachte is)
of dat er geen jij is
(wat een gedachte is)
of dat je een geest hebt
(wat een gedachte is)
of dat je geen geest hebt
(wat een gedachte is)
die ontspannen kan
(wat een gedachte is)
door los te laten
(wat een gedachte is)
of hoe dan ook
(wat een gedachte is)
blijft hij hangen
(wat een gedachte is)
of vliegt hij weg
(wat een gedachte is)
en blijft hij weg
(wat een gedachte is)
of keert hij terug
(wat een gedachte is)
of wat dan ook
(wat een gedachte is)
totdat hij is gezien
(wat een gedachte is)
of is herzien
(wat een gedachte is)
of is doorzien
(wat een gedachte is)
of wat dan ook
(wat een gedachte is)
want zo gaat dat
(wat een gedachte is),

denk ik weleens.

Maar ja…

185 - Alles doorzien en niets inzien

Geïnspireerd door hoofdstuk 77 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

tja

tja
is

tja
is
alles

tja
is
alles
zien

tja
is
alles
aanzien

tja
is
alles
herzien

tja
is
alles
doorzien

tja
is
niets
inzien

tja
is
niets
ontzien

tja
is
niets
zien

tja
is
niets

tja
is
niet

tja
is

tja

186 - Geen enkele weg loopt verder

Geïnspireerd door hoofdstuk 77 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Weg.

Geen weg.

Geen enkele weg.

Geen enkele weg leidt.

Geen enkele weg leidt naar niet-weten.

Geen enkele weg leidt niet naar niet-weten.

Geen enkele weg leidt niet.

Alle wegen leiden.

Alle wegen leiden om.

Alle wegen leiden om niet-weten.

Alle wegen leiden om niet-weten heen.

Alle wegen draaien om niet-weten heen.

Alle wegen draaien eromheen.

Alle weten draait eromheen.

Niet-weten draait er niet omheen.

Niet-weten draait nergens omheen.

Niet-weten draait nergens om.

Niet-weten draait alles om.

Niet-weten gaat nergens heen.

Niet-weten gaat nergens over.

Niet-weten gaat nergens op in.

Niet-weten gaat nergens in op.

Niet-weten gaat nergens van uit.

Niet-weten kijkt nergens van op.

Niet-weten kijkt nergens van weg.

Niet-weten loopt nergens mee weg.

Niet-weten loopt nergens van weg.

In niet-weten loopt nergens een weg.

In niet-weten loopt nergens een weg dood.

Geen enkele weg loopt verder.

Geen enkele weg verder.

Geen enkele weg.

Geen heenweg.

Geen terugweg.

Geen omweg.

Geen uitweg.

Geen weg.

Weg.

Uit.

Geen enkele weg loopt verder

187 - Waar de mond van overstroomt

Geïnspireerd door hoofdstuk 78 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Als stoom gaart en verbrandt het

Als speeksel smeert en verteert het

Als sneeuw vergroot en verbergt het

Als wolk brengt het neerslag en bliksem

Als vloeistof verwarmt het en verkoelt het

Als stroom sleept het mee en houdt het tegen

Als ijs draagt het schaatsers en kraakt het schepen

Als tij vormt het stranden en vernietigt het duinen

Het geeft vissen lucht en beneemt mensen de adem

Het holt grotten uit en vult ze met druipsteen

Het streelt bij lage snelheid, geselt bij hoge

Het doet planten groeien en wortels rotten

Het versnelt reacties en het vertraagt ze

Waarlijk, met water weet je het nooit

Toch is het zelf niet goed of slecht

Hierin komt water het tja nabij

Taijitu 31

188 - Ware vrijheid kent geen vrijheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 79 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie overal vrede zoekt
zal overal oorlog zien
en erover oordelen.

Ware vrede kent geen vrede.
Geen ware en geen valse.

Wie overal liefde zoekt
zal overal haat zien
en erover oordelen.

Ware liefde kent geen liefde.
Geen ware en geen valse.

Wie overal deugd zoekt
zal overal ondeugd zien
en erover oordelen.

Ware deugd kent geen deugd.
Geen ware en geen valse.

Wie overal echtheid zoekt
zal overal valsheid zien
en erover oordelen.

Ware echtheid kent geen echtheid.
Geen ware en geen valse.

Wie overal eenvoud zoekt
zal overal veelheid zien
en erover oordelen.

Ware eenvoud kent geen eenvoud.
Geen ware en geen valse.

Wie overal eenheid zoekt
zal overal verdeeldheid zien
en erover oordelen.

Ware eenheid kent geen eenheid.
Geen ware en geen valse.

Wie overal wijsheid zoekt
zal overal dwaasheid zien
en erover oordelen.

Ware wijsheid kent geen wijsheid.
Geen ware en geen valse.

Wie overal vreugde zoekt
zal overal lijden zien
en erover oordelen.

Ware vreugde kent geen vreugde.
Geen ware en geen valse.

Wie overal vrijheid zoekt
zal overal gebondenheid zien
en erover oordelen.

Ware vrijheid kent geen vrijheid.
Geen ware en geen valse.

189 - Waarom de wijze nergens op rekent

Geïnspireerd door hoofdstuk 80 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Laat er een klein land zijn met weinig inwoners of een groot land met veel inwoners.

Volk dat de dood vreest, zal daarom of ergens anders om of zonder duidelijke reden tijdelijk of voorgoed thuis blijven, in de buurt blijven of wegtrekken.

Zijn er boten en wagens, dan zal men reden vinden erin plaats te nemen en reden eruit te blijven. Zijn er geen boten of wagens, dan zal men reden vinden ze te vervaardigen en reden ze te verbieden.

Zijn er kurassen, dan zal men reden vinden ze om te gorden en reden ze af te leggen. Zijn er wapens, dan zal men reden vinden ze te tonen en reden ze te verbergen. Zijn er geen kurassen of wapens, dan zal men reden vinden ze te maken en reden ze te verbieden.

Keert men terug tot het gebruik van geknoopte touwtjes, dan zal men reden vinden zich toch weer van het schrift te bedienen en reden om het voorgoed te af te schaffen. Houdt men het bij het schrift, dan zal men reden vinden terug te keren tot geknoopte touwtjes en reden die voorgoed te verbieden.

Vind men zijn eten lekker, zijn kleding mooi, zijn woning vredig en zijn gebruiken prettig, dan zal men toch reden vinden iets anders te proberen. Zodra het nieuwe aanslaat, zal men reden vinden terug te keren tot het oude.

Ligt een buurland zo ver weg dat de hanen en honden van weerskanten elkaar niet kunnen horen, dan zal men reden vinden de banden aan te halen. Zoekt het volk van buurlanden elkaar op, dan zal het reden vinden de banden te verbreken.

Want het volk vindt overal reden voor. Maar nooit vindt het reden voor zijn reden, of daar weer reden voor.

Daarom houdt de wijze overal rekening mee, maar rekent hij nergens op.

190 - Hoe je dwaasheid en wijsheid vermijdt

Geïnspireerd door hoofdstuk 81 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft, sluit zich nergens voor af.
Hij sluit zich nergens in op.

Kennis?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Meningen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Verklaringen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Theorieën?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Begrippen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Woorden?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Ideeën?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Idealen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Gedachten?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Gevoelens?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Fantasieën?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Ervaringen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Oordelen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Religies?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Tradities?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Rituelen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Praktijken?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Wie Tja heeft sluit zich nergens voor af.
Zo vermijdt hij dwaasheid.

Hij sluit zich nergens in op.
Zo vermijdt hij wijsheid.

Sluit hij zich toch ergens in op,
dan sluit hij zich daar niet voor af.

Sluit hij zich toch ergens voor af,
dan sluit hij zich daar niet in op.

191 - Een ongebroken breuk

Geïnspireerd door hoofdstuk 81 van de Daodejing.

Meester Tja heeft geen teller.
Hij telt niet meer mee.

Hij telt niet tot nul.1
Hij telt niet tot een.2
Hij telt niet tot twee.3
Hij telt niet tot niet-twee.4
Hij telt niet tot drie.5
Hij telt niet tot vier.6
Hij telt niet tot veel.7

Meester Tja heeft geen noemer
Hij noemt niet meer mee.

Hij spreekt niet van het Al.
Hij spreekt niet van het Zelf.
Hij spreekt niet van het Ene.
Hij spreekt niet van de Bron.
Hij spreekt niet van het Niets.
Hij spreekt niet van het Zijn.
Hij spreekt niet van het Licht.

Meester Tja heeft geen teller
en geen noemer.

Hij is een ongebroken breuk.


1 - Zoals de nihilist.
2 - Zoals de monist.
3 - Zoals de dualist.
4 - Zoals de non-dualist.
5 - Zoals de christen.
6 - Zoals de hindoe.
7 - Zoals de pluralist.

192 - Ware woorden ontwoorden

Geïnspireerd door hoofdstuk 81 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Oppervlakkige woorden zijn logisch
Diepe woorden zijn tegenstrijdig

Onware woorden antwoorden
Ware woorden ontwoorden

Dwaze woorden ontwarren
Wijze woorden verwarren

Harde woorden verdoven
Zachte woorden verstillen

Grote woorden liegen
Kleine woorden lachen

En deze woorden?

Wie Tja heeft
pot niet op

Zijn leer is

Eeuwig

Leeg

Taijitu 32

193 - Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?

Voor waarheidsjagers

Meester Tja zegt:

Kijk met beide ogen
en je zult dubbel zien
en van Waarheid spreken.

Maak van twee ogen tienduizend
en je zult facetten zien
en van Waarheid spreken.

Maak van twee ogen één
en je zult ondiepte zien
en van Waarheid spreken.

Maak van één oog geen
en je zult duisternis zien
en van Waarheid spreken.

Maak van je pijnappelklier een derde oog
en je zult de leegte van je geest zien
en van Waarheid spreken.

Iedereen heeft oog
voor de Waarheid.

Wie heeft er oog
voor zijn blinde vlek?

Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?

194 - Weg van de woorden

Meester Tja zegt:

Wie tja zegt
volgt de weg.

Wie tja zegt
volgt de weg
van de woorden.

Wie tja zegt
volgt de weg
van de woorden
die wegleiden.

Wie tja zegt
volgt de weg
van de woorden
die wegleiden
van de woorden.

Wie tja zegt
volgt de weg
van de woorden
die wegleiden
van de woorden
al zijn ze nooit weg.

195 - De tjatjatja

Lijflied en loflied van Meester Tja

♪♪♪

Wie ik ben – tja!
Wat ik ben – tja!
Of ik ben – tja!

Tja!
Altijd tja!
Niets dan tja!

Tja!
Tja!
Tja!

♪♪♪

Waar ik ben – tja!
Waar ik vandaan kom – tja!
Waar ik heen ga – tja!

Tja!
Altijd tja!
Niets dan tja!

Tja!
Tja!
Tja!

♪♪♪

Wat ik moet doen – tja!
Wat ik moet laten – tja!
Of ik kan kiezen – tja!

Tja!
Altijd tja!
Niets dan tja!

Tja!
Tja!
Tja!

♪♪♪

Als ik zing – tja!
Als ik schreeuw – tja!
Als ik zwijg – tja!

Tja!
Altijd tja!
Niets dan tja!

Tja!
Tja!
Tja!

♪♪♪

Als ik lach – tja!
Als ik huil – tja!
Als ik sterf – tja!

Tja!
Altijd tja!
Niets dan tja!

Tja!
Tja!
Tja!

♪♪♪


geïnspireerd door het chassidische gebed ‘Dudelle’ van Levi Isaak van Berditschew.

196 - Jij bent de weg

En zo kom je terug.

Wie tja zegt
is weg.

Wie tja zegt
is helemaal weg.

Wie tja zegt
is helemaal weg
van de weg.

Wie tja zegt
is helemaal weg
van de weg
en dat was zijn weg.

Wie tja zegt
is helemaal weg
van de weg
en dat was zijn weg
en toen was hij weg.

Wie tja zegt
is helemaal weg
van de weg
en dat was zijn weg
en toen was hij weg
en zo kwam hij terug.

Wie tja zegt
is helemaal weg
van de weg
en dat was zijn weg
en toen was hij weg
en zo kwam hij terug
en nu is hij hier.

Wie tja zegt, is hier.

Weg ben je

197 - Het woord voorbij alle woorden

Meester Tja gaat uit zijn dak. Tweede van drie lofliederen op niet-weten.

1 - Nu en nooit

Voorzanger: Wat is de grond zonder grond?

Koor: TJA!

Wat is de leer zonder leer?

TJA!

Wat is de zin zonder zin?

TJA!

Wat is de rust zonder rust?

TJA!

Wat is de vrede zonder vrede?

TJA!

Wat is de weg zonder weg?

TJA!

Wat is het doel zonder doel?

TJA!

Wat is het plan zonder plan?

TJA!

Wat is de wil zonder wil?

TJA!

Wat is de kracht zonder kracht?

TJA!

Wat is de nacht zonder nacht?

TJA!

Wat is de raad zonder raad?

TJA!

Wat is de daad zonder daad?

TJA!

Wat is de kijk zonder kijk?

TJA!

Wat is het rijk zonder rijk?

TJA!

Wat is de vorm zonder vorm?

TJA!

Wat is de leegte zonder leegte?

TJA!

Wat is het onderscheid zonder onderscheid?

TJA!

Wat is de eenheid zonder eenheid?

TJA!

Wat is de norm zonder norm?

TJA!

Wat is het oordeel zonder oordeel?

TJA!

Wat is het oord zonder oord?

TJA!

Wat is de poort zonder poort?

TJA!

Wat is het woord zonder woord?

TJA!

2 - Voor en na

Wat is het dat de betoverde onttovert?

TJA!

Wat is het dat de onttoverde betovert?

TJA!

198 - Weg in eigen huis

Meester Tja zegt:

Wie tja zegt, is.

Wie tja zegt, is heel.

Wie tja zegt, is helemaal.

Wie tja zegt, is helemaal hier.

Wie tja zegt, is hier helemaal.

Wie tja zegt, is hier helemaal thuis.

Wie tja zegt, is hier helemaal thuis,
al kent hij heg noch steg.

Wie tja zegt, is hier helemaal thuis,
al kent hij heg noch steg
en blijft hij onderweg.

Wie tja zegt, is hier helemaal thuis,
al kent hij heg noch steg
en blijft hij onderweg
zonder weg.

Wie tja zegt, is hier helemaal thuis,
al kent hij heg noch steg
en blijft hij onderweg
zonder weg
of huis.

Wie tja zegt blijft onderweg thuis

199 - Zeg maar tja tegen het leven

De dans ontsprongen, ofwel het einde van het heen en weer. Laatste van drie lofliederen op niet-weten.

Lied voor voorzanger en koor

Zeg maar tja tegen onwetendheid.
Zeg maar tja tegen verlichting.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen het relatieve.
Zeg maar tja tegen het absolute.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen gehechtheid.
Zeg maar tja tegen onthechting.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen de woorden.
Zeg maar tja tegen de stilte.

Zeg maar tja!

Zeg maar tja tegen je karma.
Zeg maar tja tegen de dharma.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen je kennis.
Zeg maar tja tegen niet-weten.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen je verdriet.
Zeg maar tja tegen je vreugde.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen de oorlog.
Zeg maar tja tegen de vrede.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen de hel.
Zeg maar tja tegen de hemel.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen je onrust.
Zeg maar tja tegen je rust.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen het doen.
Zeg maar tja tegen het laten.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen het leven.
Zeg maar tja tegen de dood.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen de vorm.
Zeg maar tja tegen de leegte.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen samsara.
Zeg maar tja tegen nirwana.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen het vele.
Zeg maar tja tegen het ene.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen het doel.
Zeg maar tja tegen de weg.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen het ego.
Zeg maar tja tegen het zelf.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen je yin.
Zeg maar tja tegen je yang.

Zeg maar tja!

♪♪♪

Zeg maar tja tegen je ja.
Zeg maar tja tegen je nee.
Zeg maar tja tegen je tja.

Zeg maar tja!

200 - Je hoeft nergens heen

Geïnspireerd door hoofdstuk 47 van de Daodejing.

Meester Tja zegt:

Je hoeft de wereld niet te verlaten
om het tja te leren kennen.

Je hoeft de stad niet te verlaten
om het tja te leren kennen.

Je hoeft je huis niet te verlaten
om het tja te leren kennen.

Je hoeft je bed niet te verlaten
om het tja te leren kennen.

Je hoeft je lichaam niet te verlaten
om het tja te leren kennen.

Je hoeft je geest niet te verlaten
om het tja te leren kennen.

Je hoeft alleen je hersenpan te lichten
om je gedachten te zien wemelen
boven niets.

Taijitu 33

Epiloog

Zeg maar tja tegen je Tja.

Meester Tja heeft vele namen en gezichten, vele kaften en titels, vele maten en gewichten, maar slechts één boodschap: geen boodschap.

Niet-weten is vereenzelviging met het tja, dat wil zeggen, het einde van iedere vereenzelviging, ook met niet-vereenzelvigen.

Het einde van vereenzelviging is het einde van het ik, het einde van niet-ik, het einde van de illusie, het einde van de werkelijkheid, het einde van het ja, het einde van het nee, het einde van het tja en het einde van het einde.

Wat dan wel een nieuw begin zal zijn.

Maar waarvan?

Nawoord

Wat is de Daodejing?

Het boek van niet-weten en niet-doen.

De Daodejing is het oudste en meest bekende werk uit de taoïstische canon en een van de meest vertaalde geschriften ter wereld.

Het taoïsme is een van de drie hoofdreligies van China, naast het confucianisme en het boeddhisme (chan).

De twee andere hoofdwerken van het taoïsme zijn Zhuangzi en Liezi.

De Daodejing is een mix van spreuken, vergelijkingen, redeneringen en volkswijsheden toegeschreven aan ene Laozi, uit de zesde eeuw vóór ene Christus, een verlosser uit de zesde eeuw na Laozi.

De Daodejing bestaat uit twee boeken, eentje van 37 hoofdstukjes, de Daojing het boek van de Tao, en eentje van 44 hoofdstukjes, de Dejing, het boek van de deugd.

De Daodejing leert dat het universum gereguleerd wordt door en samenvalt met de Tao, een spontaan, natuurlijk, universeel en tijdloos principe, dat niet gekend maar wel geleefd kan worden.

Iedere poging om de Tao in woorden of het leven in regels te vangen, is volgens de Daodejing op voorhand tot mislukking gedoemd.

De enige juiste houding ten aanzien van de Tao is er een van niet-weten.

Ware deugd, Te, is volledig afgestemd op de onkenbare Tao en forceert niets.

Het enige juiste handelen is niet-doen.

Tjing betekent boek.

Tao Te Tjing = Het boek van niet-weten en niet-doen.

Een boek met 100 namen

‘De Eeuwige Tao kan niet in woorden worden uitgedrukt’, heet het in hoofdstuk 1 van de Daodejing. Voor westerlingen begint de ellende meteen al bij de titel.

Zo wordt het boekje niet alleen Daodejing genoemd, maar ook Dao De Jing, Lao Zi, Laozi, Tao Te Tjing, Tao-tê-tjing, Tao Te Ching, Tao Te King, Tau-te-tsjing, Tau Teh Tsjing

Al die aliassen hebben we vooral te danken aan het transliteratieprobleem. Geschreven Chinees is namelijk niet gebaseerd op letters maar op ideogrammen – gestileerde tekeningetjes. Hoe moet je die omzetten in letters? In hoeverre laat je je daarbij leiden door de Chinese uitspraak, en door wiens uitspraak van welke van de vele Chinese talen en dialecten, oud en nieuw?

En in hoeverre laat je je bij het transcriberen leiden door de eigenaardigheden van de doeltaal? Een Nederlander zal bijvoorbeeld ‘Beijing’ van nature anders uitspreken dan een Portugees of een Schot.

Ooit werden Chinese tekens omgezet in Romeinse op grond van de uitspraak naar het inzicht van de individuele vertaler. Daarna volgde het transcriptiesysteem van Wade-Giles, en sinds de jaren vijftig het hanyu-pinyin.

Een aantal van de oude transcripties heeft wortel geschoten in hoofden, catalogi en (woorden)boeken. ‘Tao’ en ‘taoïsme’ bijvoorbeeld, staan op de Woordenlijst der Nederlandse taal, in het Groene Boekje en in de Dikke Van Dale. Dat verander je niet van de ene dag op de andere. Vandaar dat wij in tegenstelling tot een aantal andere Europese landen nog altijd niet zijn overgestapt op ‘Dao’ en ‘daoïsme’.

Daarnaast wordt de Daodejing al vele eeuwen vernoemd naar de vermeende auteur, Lao Zi (‘Lao Meester’) – maar het kan ook zijn dat de auteur juist vernoemd is naar het werk.

Volgens Jan de Meyer moet je trouwens Laozi schrijven, aan elkaar, net als bij Janszoon en Koningsdochter.

Kortom, verwarring alom, en dan hebben we het alleen nog maar over de titel en de auteur.

Weten dat je niet weet is het hoogst

Wùzhī (klassiek Chinees, wù, niet + zhī, kennis, weten): niet-weten

Hoofdstuk 71, onthoud dat nummer!

De Daodejing bestaat uit 81 hoofdstukjes. Een van de kortste hoofdstukken, nummer 71, is mijn favoriet. Daar staat in klassiek Chinees:

知不知上、不知知病。夫唯病病、是以不病。聖人不病、以其病病。是以不病

Kristofer Schipper vertaalt het zo:

Weten dat je niet weet, dat is het hoogste.
Dit niet weten, dat is een kwaal.
De wijze, door deze kwaal als een kwaal te beschouwen, is hiervan gevrijwaard.
Want alleen op deze manier kun je aan de kwaal ontkomen.

Henri Borel vertaalt het zo:

Te weten dat wij niet weten is superieur.
Niet te weten en denken te weten is de ziekte van de mensen.
Als men om deze ziekte lijdt, zal men haar ontkomen.
De Wijze heeft deze ziekte niet, juist omdat hij er het lijden van weet.
Daarom is hij er niet ziek van.

Hoofdstuk 71 over niet-weten is voor mij de essentie van de Daodejing, het wezen van Tao, de kern van het taoïsme en de (on)grond van niet-doen, een ander taoïstisch sleutelbegrip.

Of het ook voor jou de essentie van de Daodejing is, kan alleen jij bepalen. Om zenmeester Linji te parafraseren: ‘Laat je door niemand iets wijsmaken!’ Ook niet door mij.

Een broodje wijsheid of een broodje niet-weten?

Ooit bestond de Daodejing niet uit hoofdstukken, maar was het een doorlopende tekst. Er zijn verschillende varianten van de Daodejing overgeleverd in verschillende volgordes.

Wat de oorspronkelijke volgorde was, weet niemand. Maar als ik de auteur of samensteller was geweest, zou ik zeker met hoofdstuk 71 zijn geëindigd.

Ik zou er ook mee begonnen zijn. Dan hadden we nu een broodje niet-weten gehad, belegd met wijsheid. Een grote haak met een klein stukje aas. Voedzaam en toch smakelijk. Goede stoelgang verzekerd.

In plaats daarvan hebben we een broodje wijsheid belegd met niet-weten. Zoveel lokaas, zo’n klein haakje! Obstipatie verzekerd, wijsheid gaat door de maag en de darmen zitten met de gebakken peren – of met de gebraden visjes, afhankelijk van je dieet.

‘Weten niet weten op’

De mooiste regels van hoofdstuk 71 zijn voor mij de eerste twee:

Weten dat je niet weet, dat is het hoogste.
Dit niet weten, dat is een kwaal.

In het Chinees:

知不知上、不知知病。

In pinyin:

Zhī wùzhī shàng, wùzhī zhī bìng

Letterlijk vertaald:

weten (知) niet (不) weten (知) op (上)
niet (不) weten (知) weten (知) ziek (病)

dus:

weten niet weten op
niet weten weten ziek

Voor mij is dit zelfs in het Nederlands Chinees. Het is een wonder dat vertalers er kaas van kunnen maken, of moet ik zeggen loempia, zoals Schipper hierboven en Burggraaff hieronder:

Van weten naar niet weten dat is het beste.
Van niet weten naar weten, dat is dom.

En Ir. Blok:

Weten het niet-weten, dat is hoog.
Niet weten het weten, dat is een ziekte.

Omdat een simpele nevenschikking (‘niet weten’, ‘weten niet weten’) voor niet Chinezen zo verwarrend is, wordt 知不知 vaak vertaald als wetend niet-weten of weten zonder weten.

不知 is niet-weten gaan heten.

De uitdrukkingen ‘wetend niet-weten’ en ‘weten zonder weten’ zijn gebaseerd op een innerlijke tegenspraak, en heten daarom oxymorons.

Het oxymoron is voor apofatische sprekers een onmisbare stijlfiguur.

De term ‘niet-weten’ kun je zien als een verkorte vorm ofwel een ellips van het oxymoron ‘wetend niet-weten’.

Weet je dat ook weer.

Niet-weten, niet-kunnen en niet-doen

Sommige lezers kennen misschien de taoïstische uitdrukkingen wu wei, niet-doen en wei wuwei, doen zonder doen of doende niet-doen.

Niet-weten en weten zonder weten of wetend niet-weten laten zich op analoge wijze romaniseren tot wuzhi en zhi wuzhi.

Het klinkt exotisch, maar wat heb je eraan als niemand het snapt.

Als je ‘weten’ niet gebruikt als zelfstandig naamwoord (‘kennis’) maar als een werkwoord (kennen) dan luiden de transcripties in pinyin respectievelijk zhī bùzhī en bùzhī.

Dat lijkt helemaal nergens op.

Er bestaat trouwens een boeiend taoïstisch boekje uit de negende eeuw getiteld Wunengzi.

Wu betekent hier weer ‘niet’, neng ‘kunnen’ en zi ‘meester’, als in Laozi, Zhuangzi, Liezi, Linzi: Meester Lao, Meester Zhuang, Meester Lie, Meester Lin.

Dat boekje, Wunengzi, heet dus eigenlijk Meester Nietskunner.

Volgens de vertaler, Jan De Meyer, was Wunengzi bij de keuze van zijn naam wellicht geïnspireerd door een andere taoïst, Wang Ji (590-644) die zichzelf Wuxinzi noemde: ‘Meester Zonder Geest’.

Misschien moet ik mezelf voortaan maar Wuzhizi noemen, Meester Zonder Weten.

Beter nog: Weetniet Zonder Meester.

Ik bedoel natuurlijk Nietmeester Weetniet.

Of weet je wat?

Zeg maar Hans.

Zhi wuzhi (klassiek Chinees, zhi, weten + wu, niet + zhi): wetend niet-weten of weten zonder weten

De onbekende geschiedenis van niet-weten

Volgens de overlevering is de Daodejing geschreven of gedicteerd door ene Laozi (lao: oud, zi: meester, Oude Meester dus), ook wel Oude Langoor genoemd. Lange oorlellen zijn een teken van hoge ouderdom, een taoïstisch ideaal, vraag me niet waarom.

Over Laozi is niets met zekerheid bekend, en niets met onzekerheid. Ook niet over de lengte van zijn oorlellen. En de dingen die hij gezegd zou hebben, had hij naar eigen zeggen liever niet gezegd. Weten dat je niet weet is immers hoog, hebben we net geleerd – of zou hij dat liever ook niet gezegd hebben?

De geschiedenis van het vroege taoïsme is in nevelen gehuld. In de wolk van niet-weten, zoals een mystiek traktaatje uit de middeleeuwen het noemt.

Voor ons lijkt het alsof de Daodejing uit de lucht is komen vallen, maar die kans is klein, temeer daar de vermeende schrijver pas ruim na het verschijnen van het boekje is vergoddelijkt, en wie had het anders naar beneden moeten gooien?

Over de geschiedenis van niet-weten bestaan sowieso veel misverstanden. Bijvoorbeeld dat het uitsluitend het domein zou zijn van westerse mystici. Dat het uitsluitend het domein zou zijn van Japanse zenboeddhisten. Dat het uitsluitend het domein zou zijn van Chinese taoïsten, van wie de chanboeddhist, en later de zenboeddhist, het dan weer afgekeken zouden hebben.

Socrates: ‘Ik weet dat ik niets weet’

Hoe stel je eigenlijk vast of iets het domein is van een bepaalde tijd of plaats? Simpel: dat lukt je nooit.

Hoeveel oudere teksten of tekstfragmenten in hoeveel verschillende talen zou je daarvoor wel niet moeten controleren? Wie kan dat?

Hoeveel nieuwe oude teksten zullen archeologen in de toekomst nog opduikelen in potten, grotten en graven? Wie weet dat?

Hoeveel gedachten over niet-weten of hoe het ook heeft geheten hebben mensen gedacht die nooit op schrift gesteld zijn en voorgoed uit het collectieve geheugen zijn verdwenen als ze er al in waren verschenen? Wie zal het zeggen?

Voor degenen die het niet-weten onder Chinese vlag willen laten varen, heb ik oud nieuws. Ongeveer in hetzelfde tijdvak dat de Daodejing tot stand kwam, schreef de Griekse filosoof Plato de dialoog Apologie, waarin hij de filosoof Socrates laat zeggen:

Wat ik niet weet meen ik niet te weten.

Vaak wordt deze orakelspreuk geparafraseerd als:

Ik weet alleen maar dat ik niets weet.

Een dubieuze vereenvoudiging als je het mij vraagt, en sowieso niet iets waarvoor je je achter een wijsgeer hoeft te verschuilen.

Wat Socrates werkelijk gezegd heeft en in welke bewoordingen, aangenomen dat hij iets dergelijks gezegd heeft, en wat hij daarmee precies bedoelde, aangenomen dat het hemzelf duidelijk was, is volslagen onbekend want hij heeft zelf voor zover ik weet op het moment dat ik dit schrijf niets geschreven.

Plato kon hem dus alle woorden in de mond leggen die hij maar wilde – een eeuwenoud procédé ter vergroting van de eigen geloofwaardigheid waarvan ook de taoïstische traditie zich graag bedient.

Pyrrho van Elis: ‘Ik weet niet of ik niets weet’

Het Griekse scepticisme vond zijn hoogtepunt én zijn Waterloo misschien al in het denken van de wijsgeer Pyrrho van Elis (circa 360-270 voor Christus). Die net als Socrates niets anders heeft nagelaten dan sporen in andermans werk, vooral dat van Sextus Empiricus.

Pyrrho staat erom bekend dat hij zelfs weigerde te bevestigen dat hij niets wist. Dat komt aardig in de buurt van mijn eigen favoriete formulering van agnose – zelfs niet weten van niet-weten – en gaat een stapje verder dan ‘Weten niet weten op.’

Zeg maar gerust: een gigantische stap, want het niet-weten wordt daar teruggebogen op zichzelf. Het is zelfvernietigend geworden. Het bevrijdt zich van zijn eigen ketenen.

Dichter in de buurt kom je niet met woorden. Want alles wat je over niet-weten beweert, behoort tot het weten. Dat ‘niet weten het weten’ een ziekte is bijvoorbeeld, en ‘weten het niet weten’ hoog.

Voor je het weet begin je mensen in te delen in ziek en gezond, wetend en niet-wetend, laag en hoog. Op grond van dit soort onderscheidingen ga je jezelf vanzelf als een wijze zien, een messias, een verlosser van de mensheid, de langverwachte stichter van het koninkrijk der hemelen op aarde.

Nou, dan weet je het wel.

Sengtsan: ‘Hou op met praten en denken’

Wat te denken van Sengtsan, de derde chan-patriarch uit de tiende eeuw na Plato, een landgenoot van Oude Langoor:

Maak je ook maar het kleinste onderscheid, dan wijken hemel en aarde oneindig ver uiteen.

Dat schreef hij, zeggen ze, in De Grote Weg, verzen over de geest van vertrouwen. Hij had het nog niet gezegd of hemel en aarde weken oneindig ver uiteen. Had hij maar geen onderscheid moeten maken tussen wel en geen onderscheid maken. Onderscheid maken is een vorm van weten, en daar wou hij natuurlijk niets van weten.

Maar hij zei ook:

Hou op met praten en denken en er is niets dat je niet zult begrijpen.

Hij zal er dus wel niets van begrepen hebben.

Bronnen

Er circuleren heel wat vertalingen van de Daodejing op het internet, in bibliotheken en boekenwinkels. Honderden, zo niet duizenden, waaronder tientallen Nederlandse.

Wie iets met de Daodejing wil doen, zoals ik, zal eerst een keuze moeten maken uit de beschikbare vertalingen, of zijn eigen vertaling moeten maken.

Chinees is Chinees voor mij, een eigen vertaling zat er niet in. Om zo dicht mogelijk bij het Chinese origineel te blijven, heb ik me gedeeltelijk gebaseerd op Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht van Kristofer Schipper uit 2010. Dat is op het moment van schrijven de meest recente vertaling rechtstreeks uit het klassiek Chinees in het Nederlands.

Inspiratie heb ik echter vooral gekregen van de vertaling van Ir. Blok, die je hieronder aantreft.

Tau Teh Tsjing (1934): de Daodejing volgens Ir. Blok

‘Die weten, zijn niet geleerd. Die geleerd zijn, weten niet.’ Volledige tekst van de Daodejing in de klassieke vertaling uit 1910 van Ir. Blok.

Inleiding

Ir. Blok klinkt als een klok

De Daodejing heeft mij geïnspireerd tot een reeks van 200 teksten getiteld Meester Tja en de Tao van niet-weten, die in 2018-2019 als serie in het Boeddhistisch Dagblad is verschenen. Daarin fungeert ‘Het Grote Tja’ als theorievrij substituut voor de transcendente Tao.

Voor dat werk heb ik intensief gebruik gemaakt van Tau Teh Tsjing, een van de oudste vertalingen van de Daodejing in het Nederlands, en in mijn beleving de meest literaire vertaling tot nog toe. Het archaïsche Nederlands van Ir. Blok klinkt nog altijd als een klok.

Wie vertaalde de Daodejing het eerst?

De vertaling van Ir. Blok schijnt een hertaling te zijn, gebaseerd op Franse, Duitse en Engelse vertalingen.

Volgens de Wikipedia staat de eerste vertaling rechtstreeks uit het Chinees, en sowieso de eerste vertaling in het Nederlands, Mysteriën van Tao, op naam van Henri Borel (1869-1933). We schrijven 1897.

Volgens Kristofer Schipper staat de eerste vertaling rechtstreeks uit het Chinees, Tau-te-tsjing, op naam van J.J.L. Duyvendak (1889-1954). We schrijven 1942.

Deze laatste vertaling ‘is helaas, vooral door de recente vondst van Mawangdui- en Guodian-teksten, erg verouderd’, beweert Schipper in de inleiding van Zhuang Zi, De volledige geschriften (2007, pagina 11).

Als je de vertalingen naast elkaar legt, valt het reuze mee met die verschillen. Tenzij je een academicus bent: in dat geval kun je misschien het beste klassiek Chinees gaan leren zodat je je op niemand anders hoeft te verlaten.

‘Wetenschappelijk verantwoord’ is in geen geval een garantie voor kwaliteit, omdat de oudste Chinese manuscripten zelf niet authentiek zijn, en wél verminkt. De harde waarheid is dat er geen betrouwbaar origineel bestaat.

En onvermijdelijk is iedere vertaling een interpretatie van het origineel, waarin de vertaler, hoe consciëntieus ook, de categorieën van zijn eigen verstand projecteert. Zeker bij een cryptische tekst als de Daodejing in een cryptische taal als klassiek Chinees.

Bron

Ik heb de brontekst van de vertaling van Ir. Blok letterlijk overgenomen, inclusief de (inconsequente) oude spelling en interpunctie, uit De boodschap van Lau-Tze, ingeleid en vertaald door Ir. J.A. Blok, N.V. Servire, Den Haag 1934.

De inleiding van 45 bladzijden, de 177 ‘aanteekeningen’ (voetnoten) en de overgeleverde autobiografie van Lau-Tze (Het boek van de reinheid) heb ik weggelaten.

Ik kan niet garanderen dat de versie uit 1934 identiek is aan de oorspronkelijke uit 1910, want die heb ik niet ingezien.

Dank aan uitgeverij Ankh-Hermes, die vlot toestemming verleende om deze vertaling als bijlage op te nemen in dit boek.

I

Tau, dat gezegd kan worden, is niet het eeuwig Tau.
De naam, die genoemd kan worden, is niet de eeuwige Naam.
Onnoembaar, is het oorsprong van hemel en aarde;
Noembaar, aller dingen moeder.
Durend begeerteloos, zien wij zijn inwezen.
Durend begeerende, zien wij zijn grens.
Beiden in oorsprong gelijk, in naam verschillend.
Die gelijkheid heet diep, de diepte der diepten; van al het onzienlijke is het de poort.

II

Kennen allen onder den hemel de schoonheid van het schoone, dan ook het leelijke.
Kennen allen de goedheid van het goede, dan ook het niet-goede.
Want zijn en niet-zijn baren elkander.
Moeilijk en licht vervolmaken elkander.
Lang en kort bepalen elkander.
Hoog en laag verkeeren elkander.
De toon en de stem sluiten aan bij elkander.
Voor en na volgen elkander.
Daarom maakt de Wijze werk van het niet-doen
En predikt de leer zonder woorden.
De tienduizend wezens komen op en hij weigert niet.
Hij brengt voort en rekent niet als eigen.
Hij doet en steunt er niet op,
Verwerft verdienste en hecht er niet aan.
Juist omdat hij er niet aan hecht,
Wordt zij hem niet ontzegd.

III

Prijs den verdienstelijke niet, opdat het volk niet twiste.
Eer de moeilijk te verkrijgen goederen niet, opdat het volk geen diefstal plege.
Zie het begeerlijke niet aan, opdat ’s volks hart niet worde verontrust.
Daarom: de Wijze regeert door het hart ledig te maken, den buik te voeden, den wil te verzwakken, het beendergestel sterker te maken.
Hij zorgt zoo steeds, dat het volk niet weet en geen begeerten heeft.
Hij zorgt zoo, dat de weters niet durven handelen.
Hij betracht het niet-doen en dan is er niets on-geregeld.

IV

Tau is het leege en kan in gebruik niet worden gevuld.
O hoe diep! het lijkt de oervader aller dingen.
Het mindert zijn scherpte,
Ontwart zijn verwikkeling,
Tempert zijn schittering
En maakt zich gelijk aan het stof.
O hoe maanlichtstil; het lijkt onveranderlijk.
Ik weet niet van wien het het kind is.
Het was voor den oppersten Heer.

V

Hemel en aarde zijn niet menschlievend.
Voor hen zijn alle dingen als de stroohonden.
De Wijze is niet menschlievend.
Voor hem zijn alle menschen als stroohonden.
Tusschen hemel en aarde is als een blaasbalg.
Het is de leegte en stort niet in.
Beweegt het zich, dan uit het zich te meer.
Veel spreken put zich uit,
Houdt niet het inwezen.

VI

De geest van de diepte sterft niet; men noemt die de duistere moeder.
De poort van de duistere moeder heet wortel van hemel en aarde.
Eeuwig, eeuwig schijnt zij te bestaan.
Wie daarop steunt, kent geen inspanning.

VII

Hemel en aarde zijn duurzaam.
Hemel en aarde kunnen duurzaam zijn, omdat zij niet voor zichzelf leven.
Daarom kunnen zij duurzaam zijn.
Vandaar stelt de Wijze zich achter bij anderen en komt zelf naar voren.
Hij maakt zich los van zichzelf en blijft zelf behouden.
Is het niet, omdat hij niets eigens heeft?
Daarom juist kan het eigene worden vervuld.

VIII

Het opperste goede is als water.
Water doet goed aan alle wezens en strijdt niet.
Het woont op plaatsen, door alle menschen veracht.
Daarin komt de goede Tau nabij.
Hij leeft gaarne op lage plaats.
Zijn hart mint de diepte.
In weldoen mint hij de liefde,
In spreken de waarheid,
In bestuur de orde,
In werken bekwaamheid,
In handelen den geschikten tijd.
Hij strijdt niet, daardoor treft hem geen blaam.

IX

Dragen en gevuld houden, beter er vanaf te zien.
Wetten en met de hand toetsen kan zoo niet doorduren.
Een zaal vol juweelen en goud kan niemand bewaken.
Hoovaardig te zijn bij rijkdom of eer trekt ongeluk aan.
Na verdienstelijke daden en volgenden roem trekke men zich terug.
Dit is de weg des hemels.

X

Wie het zinnelijke op doet gaan in het geestelijke en tot eenheid komt, kan ondeelbaar zijn.
Wie de levenskracht tot gedweeheid brengt, kan zijn als een pasgeborene.
Zijn diep inzicht zuiverend, kan hij vrij zijn van alle gebrek.
Het volk liefhebbend bij ’s lands bestuur, kan hij komen tot niet-doen.
Terwijl de poorten des hemels zich openen en sluiten, kan hij zijn als de broedende vogel.
Terwijl zijn licht de vier richtingen doordringt, kan hij on-wetende zijn.
Hij geeft leven en onderhoudt.
Hij brengt voort en rekent niet als eigen.
Hij doet en steunt er niet op.
Hij kweekt op en is niet als meester.
Dit heet ondoorgrondelijke deugd.

XI

De dertig spaken vereenigen zich in de naaf.
Van de leegte hangt het gebruik van het wiel af.
Men kneedt leem tot vaten.
Van de leegte hangt het gebruik van het vat af.
Men hakt deuren en vensters uit om een huis te maken.
Van de leegte hangt het gebruik van het huis af.
Daarom: het zijn heeft zijn voordeel.
Maar van het niet-zijn komt het nut.

XII

De vijf kleuren verblinden de oogen der menschen.
De vijf tonen verdooven de ooren der menschen.
De vijf smaken bederven den mond der menschen.
Dolle ritten en jachten maken het menschenhart gek.
Moeilijk te verkrijgen goederen verderven ’s menschen levenswandel.
Daarom maakt de Wijze werk van zijn binnenste en niet van zijn oogen.
Daarom laat hij dit en neemt hij dat.

XIII

Gunst en ongunst zijn dingen van vreeze.
Eer is een groote ramp juist als de persoonlijkheid.
Wat beteekent: "gunst en ongunst zijn dingen van vreeze"?
Gunst verlaagt.
Haar verwerven baart vrees.
Haar verliezen baart vrees.
Daarom: gunst en ongunst zijn dingen van vreeze.
Wat betekent: "eer is een groote ramp juist als de persoonlijkheid"?
Ons treffen groote rampen om onze persoonlijkheid.
Welke rampen konden ons treffen, zoo wij geen persoonlijkheid hadden?
Daarom: wie het regeeren des Rijks acht als de persoonlijkheid, dien kan men het Rijk toevertrouwen.
Wie het regeeren des Rijks mint als de persoonlijkheid, dien vertrouwe men het Rijk toe.

XIV

Gij kijkt er naar en ziet het niet; men noemt het kleurloos.
Gij luistert er naar en hoort het niet; men noemt het klankloos.
Gij tast er naar en raakt het niet; men noemt het onstoffelijk.
Deze drie zijn niet te doorgronden.
Daarom vallen zij samen tot een.
Boven niet licht, onder niet duister, Eeuwig en onuitsprekelijk,
Keert het terug weer tot niet-zijn.
Men noemt het: vorm van het vormlooze,
Beeld van het beeldelooze.
Men noemt het vaag, onbestemd.
Voor ziet gij het gelaat niet.
Achter ziet gij den rug niet.
Zich houdend aan het Tau van vroeger, beheerscht men het leven van heden, en kent den oorsprong van het oude.
Dit heet den draad volgen van Tau.

XV

De wijzen van ouds waren duister, geestelijk, diep en doordringend.
Hun diepte kan niet worden gekend.
Daar zij niet kan gekend worden, tracht ik een denkbeeld te geven.
Zij waren voorzichtig, als wie een stroom doorwaadt in den winter,
Behoedzaam als wie zijn vier buren vreest,
Ingetogen als een gast,
Wijkend als ijs, dat smelten gaat,
Ongerept als ruw hout,
Leeg als een vallei,
Duister als troebel water.
Wie kan den troebel langzaam doen klaren door rust?
Wie kan de rust door beweging langzaam wekken tot leven?
Die Tau bewaart en niet wenscht vol te zijn.
Niet vol, maar berooid en uit den tijd, is hij volkomen.

XVI

Wie het opperste ledig bereikt, handhaaft bestendige rust.
De tienduizend wezens worden tezamen geboren en ik zie ze weder terugkeeren.
Alle dingen bloeien overvloedig en keeren tot hun oorsprong terug.
Tot den oorsprong teruggekeerd zijn, heet rust.
Rust heet wederkeer tot Leven.
Wederkeer tot Leven heet eeuwigheid.
Eeuwigheid kennen heet verlicht zijn.
Niet kennen het eeuwige is verwarring en ellende.
Eeuwigheid kennen is zielegrootheid.
Zielegrootheid is gerechtigheid.
Gerechtigheid is koningschap.
Koningschap is hemel zijn.
Hemel zijn is Tau zijn.
Tau zijn is eeuwigdurend zijn.
Dan is men veilig bij des lichaams einde.

XVII

Van de groote Heerschers wist het volk enkel, dat zij bestonden.
De volgenden had het lief en loofde hen.
De volgenden vreesde het.
De volgenden verachtte het.
Wie niet genoeg vertrouwt, vindt ook geen trouw.
O, hoe bedachtzaam waren de eersten met hun kostbare woorden.
Hadden zij de verdienste verworven, het werk volvoerd, dan zei het volk: "wij doen vanzelf".

XVIII

Het groote Tau verdween, en er kwam menschlievendheid en rechtvaardigheid.
Scherpzinnigheid en vernuft ontstonden, en er kwam groote huichelarij.
De zes bloedverwanten raakten in onvrede, en er kwam kinder- en ouderliefde.
Staat en gezin vervielen tot wanorde, en er kwam toewijding en trouw.

XIX

Verzaak de wijsheid en doe de scherpzinnigheid weg en 't zal het volk tot honderdvoudig voordeel wezen.
Verzaak menschlievendheid en doe de rechtvaardigheid weg, en het volk zal tot ouder- en kinderliefde weerkeeren.
Verzaak de knapheid en doe de winzucht weg, en dieven noch roovers zullen er komen.
In deze drie dingen uitblinken voldoet niet.
Daarom leer ik waaraan zich te houden:
Weer den eenvoud erkennen, de ongereptheid bewaren, weinig ikzucht te hebben en weinig begeerten.

XX

Verzaak studie, en gij zijt vrij van zorgen.
Hoe klein is het verschil tusschen "ja" en "zeker".
Hoe groot is het tusschen goed en kwaad.
Wat de menschen vreezen, kan men niet nalaten te vreezen.
O die verwildering; er is geen einde aan.
Alle menschen stralen van lust, als wie zich vergast aan het stieroffer, als wie in de lente terrassen bestijgt.
Ik alleen lig stil en heb nog geen teeken gegeven, als een klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft.
Ik ben altijd zwervende, als niet wetende waarheen te gaan.
Alle menschen hebben over; ik alleen lijk arm.
Ik ben bekrompen van geest, o troebel, chaotisch.
De menschen zijn helder; ik alleen lijk duister.
De menschen zijn scherpzinnig; ik alleen ben dof.
Ik ben grillig als de zee; ik word heen en weer gedreven als rusteloos.
Alle menschen zijn bekwaam; ik alleen ben bot als een boer.
Ik alleen ben anders dan de menschen, omdat ik de moeder vereer, die alles voedt.

XXI

De groote Deugd in haar verschijning vloeit enkel voort uit Tau.
Tau in zijn schepping is vaag, is verward.
O hoe vaag, hoe verward!
Zijn kern houdt de beelden.
O hoe vaag, hoe verward!
Zijn kern houdt het wezen.
O hoe diep, hoe duister!
Zijn kern houdt den geest.
Die geest is inwerkelijk.
Zijn kern is trouw.
Van ouds tot nu toe verdween zijn naam niet.
Het waakt over alle geboorte.
Hoe weet ik dat van de geboorte?
Door dit.

XXII

Onvolledig wordt volkomen.
Gebogen wordt recht.
Hol wordt vol.
Versleten wordt nieuw.
Weinig wordt: verkrijgen.
Veel wordt: verdolen.
Daarom houdt de Wijze het Ene en is zoo een voorbeeld voor de wereld.
Hij stelt zich niet in het licht; daardoor schittert hij.
Hij schat zichzelf niet hoog; daardoor blinkt hij uit.
Hij roemt zichzelf niet; daarom heeft hij verdienste.
Hij verheft zich niet; daarom staat hij hoog.
Hij strijdt niet, daarom kan niets ter wereld met hem strijden.
De spreuk der Ouden: "Onvolledig wordt volkomen", was die zonder zin?
Tot den werkelijk volkomene wendt zich alles.

XXIII

Wie weinig spreekt, is "vanzelf".
Een wervelwind duurt geen ganschen morgen.
Een plasregen duurt geen ganschen dag.
Wie brengt die voort?
Hemel en aarde.
Als hemel en aarde niet langer kunnen, hoeveel minder dan de mensch.
Daarom: wie naar Tau handelt, zal een worden met Tau.
Wie naar de deugd handelt, zal een worden met deugd.
Wie naar de dwaling handelt, zal een worden met dwaling.
Wie zich een maakt met Tau, dien neemt Tau met vreugde op.
Wie zich een maakt met deugd, dien neemt deugd met vreugde op.
Wie zich een maakt met dwaling, dien neemt dwaling met vreugde op.
Wie niet genoeg vertrouwt, vindt ook geen trouw.

XXIV

Wie op de teenen staat, staat niet.
Wie de beenen strekt, loopt niet.
Wie zichzelf in het licht stelt, schittert niet.
Wie zichzelf hoog schat, blinkt niet.
Wie zichzelf roemt, heeft geen verdienste.
Wie zichzelf verheft, staat niet hoog.
Bij Tau vergeleken is dit als restjes van eten, als uitspattende levenswandel, dien een ieder verafschuwt.
Daarom: wie Tau heeft, doet niet zoo.

XXV

Er was iets chaotisch en volmaakts voor hemel en aarde ontstonden.
O hoe stil, hoe ijl!
Dit is het eenig bestaande en verandert niet.
Het doorvloeit alles zonder gevaar.
Het kan worden beschouwd als ’s werelds moeder.
Ik weet zijn naam niet, ik noem het Tau.
Gedwongen het een naam te geven, zeg ik groot.
Van groot zeg ik vliedend,
Van vliedend ver,
Van ver, wederkeerend.
Daarom is Tau groot, de hemel groot, de aarde groot, de koning groot.
Er zijn in de wereld vier groote dingen.
De koning is daarvan een.
De mensch volge de aarde, de aarde den hemel, de hemel Tau en Tau het vanzelf zijn.

XXVI

Zwaar is de wortel van licht.
Rust is de meester van beweging.
Daarom schrijdt de Wijze den ganschen dag voort en wijkt van zijn zwaren voorraadswagen niet af.
Hij heeft schitterende uitzichten, hij zit onbewogen en stelt zich er boven.
Maar hoe, als de heer van tienduizend wagenen het Rijk licht acht om zichzelf?
Door lichtzinnigheid verliest hij zijn dienaren,
Door onstuimigheid de heerschappij.

XXVII

Goed reizen laat wagen- noch voetsporen na.
Goed spreken maakt afwijkingen noch fouten.
Goed rekenen heeft geen telraam noodig.
Goed sluiten heeft geen grendel noodig of slot, en niemand kan openen.
Goed binden heeft geen koorden of banden noodig, en niemand kan losknoopen.
Vandaar munt de Wijze steeds uit in het helpen der menschen.
Daarom verwerpt hij de menschen niet.
Steeds munt hij uit in het helpen der schepselen.
Daarom verwerpt hij de schepselen niet.
Dit heet dubbel verlicht.
Daarom: de goede is de leeraar van den niet-goede.
De niet-goede is de schat van den goede.
Wie zijn leeraar niet eert, wie zijn schat niet lief heeft, is bij alle wijsheid toch blind.
Dit heet gewichtig en diep.

XXVIII

Wie zijn kracht kent en zijn zachtheid bewaart, is een werelddal.
Wie een werelddal is, hem ontbreekt de eeuwige deugd niet, en hij keert weer terug tot den staat van een klein kind.
Wie zijn licht kent en zijn duister bewaart, is een voorbeeld der wereld.
Wie een voorbeeld der wereld is, in hem faalt de eeuwige deugd niet, en hij keert weer terug tot het grenzelooze.
Wie zijn hoogheid kent en verblijft in de schande, is een werelddal.
Wie een werelddal is, vloeit over van de eeuwige deugd en hij keert weer terug tot de oorspronkelijke reinheid.
Breekt de oorspronkelijke reinheid open, dan neemt zij vorm aan.
Zoo de Wijze haar aanwendt, overtreft hij alle magistraten.
Hij regeert groot en kwetst niemand.

XXIX

Die aan het Rijk wil raken om het te hervormen, ik zie dat hij niet slaagt.
Het Rijk is een heilig vat; men moet er niet aan werken.
Er aan werken is bederven, er naar grijpen is verliezen.
Want onder de schepselen gaan sommige voor, andere volgen.
Sommige verwarmen, andere verkoelen.
Sommige worden sterk, andere vallen af.
Sommige slagen, andere bezwijken.
Daarom vermijdt de Wijze buitensporigheid, overdaad en pracht.

XXX

Wie den heerscher helpt met Tau, bedwingt het Rijk niet met wapengeweld.
Zijn doen lokt een goed antwoord uit.
Waar legers kampeeren, groeien distels en doornen.
Op groote oorlogen volgen jaren van onheil.
De goede slaagt, en daarmee uit,
Waagt het niet verder te gaan met geweld,
Slaagt en roemt niet,
Slaagt en praalt niet,
Slaagt en is niet aanmatigend,
Slaagt en kan niet anders,
Slaagt en vermijdt geweld.
Van af hun hoogste bloei worden de dingen oud.
Dit heet Tau-loos.
Tau-loos vergaat snel.

XXXI

De beste wapenen zijn ongelukswerktuigen.
Alles haat ze.
Daarom: wie Tau heeft, voert ze niet.
De edele mensch, in vrede, eert den linkerkant,
In oorlogstijd den rechterkant.
Wapens zijn ongelukswerktuigen.
Het zijn geen werktuigen voor den edele mensch.
Hij gebruikt ze, als hij niet anders kan.
Hij stelt vrede en rust bovenaan.
Hij overwint, maar vindt er geen vreugde in.
Wie daarin vreugde vindt, houdt van menschenmoord.
Wie van menschenmoord houdt, kan zijn wil in de wereld niet krijgen.
In geluk eert men den linkerkant,
In ongeluk den rechterkant.
De onderbevelhebber staat links.
De opperbevelhebber staat rechts.
Dat is: zij staan volgens de rouwplechtigheden.
Wie veel menschen gedood heeft, weene daarover met medelijden en geklag.
Die overwint in den strijd plaatse men volgens de rouwplechtigheden.

XXXII

Tau is eeuwig, onnoembaar.
Hoe gering het ook in zijn eenvoud is, waagt toch de gansche wereld niet het te onderwerpen.
Als koningen en vorsten het konden handhaven, zouden de tienduizend wezens zich schikken vanzelf.
Hemel en aarde zouden zich vereenigen en een zoeten dauw doen neerdalen en zonder bevel, vanzelf raakte het volk tot harmonie.
Tot schepping komende, wordt het noembaar.
Eenmaal noembaar, moet men het weten te houden.
Wie houdt, is zonder gevaar.
Tau’s aanwezigheid in de wereld is als de saamvloeiing van beek en rivier met stroom en zee.

XXXIII

De menschenkenner is verstandig.
De zelfkenner is verlicht.
De menschenbedwinger is krachtig.
De zelfbedwinger is machtig.
Wie voldaan weet te zijn, is rijk.
Wie krachtig handelt, heeft wil.
Wie zijn plaats niet verliest, houdt stand.
Wie sterft, maar niet vergaat, leeft eeuwig.

XXXIV

Het groote Tau is àldoorvloeiend.
O, het kan links en rechts.
De tienduizend wezens steunen erop om geboren te worden, en het weigert niet.
Het verwerft verdienste en rekent die niet als eigen.
Het bemint en koestert de tienduizend wezens en is niet als meester.
Het is eeuwig begeerteloos.
Men kan het noemen: gering.
De tienduizend wezens keeren terug en het is niet als meester.
Men kan het noemen: groot.
Daarom: de Wijze doet nimmer groot.
Daardoor vermag hij het groote te doen.

XXXV

Houdt het groote beeld en heel de wereld stroomt toe,
Stroomt toe zonder letsel; daar is rust en vrede en voorspoed.
Muziek en lekkernijen doen den voorbijgaanden vreemdeling poozen.
Komt Tau den mond uit, o hoe laf, hoe smakeloos is het!
Wij kijken ernaar en zien het niet.
Wij luisteren ernaar en hooren het niet.
Wij gebruiken het en 't is onuitputtelijk.

XXXVI

Wat saamtrekken gaat, was eerst uitgestrekt.
Wat verzwakken gaat, was eerst sterk.
Wat vervallen gaat, was eerst hoog.
Wat verdwijnen gaat, was eerst verkregen.
Dit heet duister en toch licht.
Zacht overwint hard.
Zwak overwint sterk.
De visch moet de diepte niet verlaten.
Men moet de scherpe wapenen des Rijks niet toonen aan het volk.

XXXVII

Tau is eeuwig niet-doende en toch is er niets, dat het niet doet.
Als koningen en vorsten het konden handhaven, zouden de tienduizend wezens vanzelf anders worden.
Waren zij anders en wilden toch weer doen, ik zou ze bedwingen door het Nameloos Eene.
Het Nameloos Eene brengt niet-begeeren.
Door niet-begeeren komt rust.
Dan komt de wereld vanzelf tot vrede.

XXXVIII

Hooge deugd, geen deugd.
Daarom juist deugd.
Lage deugd verliest geen deugd.
Daarom geen deugd.
Hooge deugd doet niet en het is er haar niet om te doen.
Lage deugd doet, maar het is er haar om te doen.
Hooge menschlievendheid doet, maar het is er haar niet om te doen.
Hooge rechtschapenheid doet, maar het is er haar om te doen.
Hooge vormelijkheid doet, maar er is geen antwoord op.
Dan ontbloot zij de armen en dwingt.
Daarom: is Tau verloren, dan komt er deugd,
Deugd verloren, dan is er menschlievendheid,
Menschlievendheid verloren, dan komt er rechtschapenheid,
Rechtschapenheid verloren, dan komt er vormelijkheid.
Vormelijkheid nu is de schors van oprechtheid en trouw, en 't begin van verwarring.
Het vroeger weten is de bloem van Tau en het begin van onwetendheid.
Daarom houdt een hoog mensch zich aan de kern, niet aan de schors.
Hij houdt zich aan de vrucht en niet aan de bloem.
Daarom laat hij dit en neemt hij dat.

XXXIX

Wat oudtijds eenheid kreeg:
De hemel kreeg eenheid, daardoor reinheid.
De aarde kreeg eenheid, daardoor rust.
De geesten kregen eenheid, daardoor rede.
Het stroomdal kreeg eenheid, daardoor volte.
De tienduizend wezens kregen eenheid, daardoor leven.
Vorsten en koningen kregen eenheid om zoo een voorbeeld te zijn voor de wereld.
Dit deed eenheid.
De hemel zonder reinheid zou zoo scheuren.
De aarde zonder rust zou zoo splijten.
De geesten zonder rede zouden zoo vergaan.
Het stroomdal zonder volte zou zoo opdrogen.
De tienduizend wezens zonder leven zouden zoo worden vernietigd.
Vorsten en koningen, die geen voorbeeld waren, hoe hoog en geëerd ook, zouden zoo vallen.
Daarom houdt de edele het geringe voor zijn grondslag.
De hooge beschouwt het lage als zijn grondslag.
Daarom noemen vorsten en koningen zich weezen, geringen, waardeloozen.
Beschouwen zij aldus het geringe niet als hun grondslag, en terecht?
De wagendeelen alleen zijn nog geen wagen.
Wensch niet te worden geëerd als jade noch veracht als gewone steen.

XL

Terugkeer is de beweging van Tau.
Zachtheid is de werking van Tau.
De dingen der wereld ontstaan uit zijn.
Zijn ontstaat uit niet-zijn.

XLI

Hooren hoog ontwikkelden van Tau, zoo volgen zij het vol ijver.
Hooren middelmatigen van Tau, zoo houden zij het nu en verliezen het dan weer.
Hooren onontwikkelden van Tau, zoo lachen zij er zeer om.
Lachten zij er niet om, dan zou het Tau niet zijn.
Daarom, welgegrond is het woord:
Tau-licht lijkt duister.
Tau-voortgang lijkt achteruitgang.
Tau-effenheid lijkt ruw.
Hooge deugd lijkt een vallei.
Groote reinheid lijkt schande.
Rijke deugd lijkt ontoereikend.
Sterke deugd lijkt wankel.
Bloote zuiverheid lijkt verdorven.
Als een groot vierkant zonder hoeken,
Een groote vaas in aanleg,
Een groot geluid zonder klank,
Een groot beeld zonder vorm,
Zoo is Tau verborgen en heeft geen naam.
En toch is Tau alleen, wat helpt en volmaakt.

XLII

Tau baart een.
Een baart twee.
Twee baart drie.
Drie baart de tienduizenden dingen.
De tienduizend dingen dragen het duister beginsel buiten en het lichtbeginsel binnen.
Door ijlen adem komt samenklank.
Wat de menschen haten is weezen, geringen, onwaardigen te zijn.
En toch noemen zoo koningen en vorsten zich.
Daarom, de een vermindert en vermeerdert toch.
De ander vermeerdert en vermindert toch.
Wat de menschen leeren is ook mijn leering:
De sterken en geweldigen sterven geen natuurlijken dood.
Ik zal ze tot grondslag nemen voor mijn leer.

XLIII

Het zachtste ter wereld overwint het hardste.
Niet-zijn doordringt wat zonder tusschenruimte is.
Ik weet daardoor de kracht van het niet-doen.
De leer zonder woorden,
De kracht van het niet-doen,
Weinigen onder den hemel zijn er aan toe.

XLIV

Naam of zelf, wat is nader?
Zelf of goederen, wat is meer?
Verkrijgen of verliezen, wat is erger?
Veel begeeren doet veel verspillen.
Veel vergaren doet veel verliezen.
Wie voldaan weet te zijn, is vrij van blaam.
Wie zich in kan houden, loopt geen gevaar.
Die kan langdurig blijven bestaan.

XLV

Groote volmaking is als onvolmaakt,
In gebruik onvergankelijk.
Groote volte is als leeg,
In gebruik onuitputtelijk.
Groote rechtheid is als krom,
Groote bekwaamheid is als dom,
Groote welsprekendheid is als stom.
Beweging overwint kou.
Rust overwint warmte.
Reinheid en rust zijn het rechte onder den hemel.

XLVI

Het Rijk heeft Tau, en renpaarden bemesten den akker.
Het Rijk is zonder Tau, en strijdpaarden staan bij de grenzen.
Geen zonde grooter dan begeerte te dulden.
Geen onheil grooter dan geen tevredenheid kennen.
Geen ramp grooter dan bezit begeeren.
Daarom: wie den vrede kent der genoegzaamheid, is altijd tevreê.

XLVII

Mijn huis niet uitgaande, ken ik de wereld.
Mijn venster niet uitturend, zie ik den weg des hemels.
Hoe verder men uitgaat, hoe minder kent men.
Daarom: de Wijze gaat niet, maar weet toch,
Ziet niet, maar noemt toch,
Doet niet, maar volbrengt toch.

XLVIII

Aan studie doen eischt dagelijks meer.
Aan Tau doen eischt dagelijks minder.
Minder en minder tot niet-doen bereikt is.
Met niet-doen kan men alles doen.
Met niet-doen kan men meester der wereld worden.
Met doende te zijn kan men geen meester der wereld worden.

IL

De Wijze heeft geen onveranderlijk hart,
Richt zijn hart naar het hart der honderd geslachten.
Den goede, hem ben ik goed.
Den niet-goede, hem ben ik ook goed.
Deugd is goed.
Den oprechte, hem ben ik oprecht.
Den niet-oprechte, hem ben ik ook oprecht.
Deugd is oprecht.
De Wijze leeft in de wereld vol angst en beven, dat zijn hart door de wereld zal worden verontrust.
De honderd geslachten richten op hem hun oor en oog.
Den Wijze, allen zijn hem kinderen.

L

Uitgaan is leven, ingaan is dood.
Dertien zijn de dienaren des levens.
Dertien zijn de dienaren des doods.
Ook dertien, die ’s menschen leven drijven naar den dood.
Maar waarom dit?
Wegens het overmatig geleefde leven.
Nu heb ik gehoord van wie goed het leven beheerscht.
Het land doortrekkend, ontmoet hij neushoorn noch tijger.
Ingaand in legers, mijdt hij pantser noch wapen.
De neushoorn vindt er geen plaats om zijn hoorn in te stooten.
De tijger vindt er geen plaats om zijn klauw in te slaan.
Het wapen vindt er geen plaats om het scherp in te steken.
Maar waarom dit?
Omdat hij geen plek heeft, die dodelijk is.

LI

Tau verwekt ze.
Deugd voedt ze.
Materie vormt ze.
Kracht vervolmaakt ze.
Daarom is er geen der tienduizend wezens, dat Tau niet eert en de Deugd niet acht.
Het vereeren van Tau, het achten van Deugd is op niemands bevel, maar eeuwig vanzelf.
Want Tau verwekt ze; Deugd voedt ze, kweekt ze op, brengt leven, vervolmaakt ze, doet rijpen, ontwikkelt ze, beschut ze.
Het brengt voort en rekent niet als eigen.
Het doet en steunt er niet op.
Het kweekt op en is niet als meester.
Dit heet ondoorgrondelijke deugd.

LII

De wereld heeft een oorsprong; dat is ’s werelds moeder.
Als men de moeder kent, kent men het kind.
Wie het kind kent en zich houdt aan de moeder, is buiten gevaar bij ’s lichaams einde.
Zijn doorgangen sluitend, zijn poorten versperrende, zal hij bij ’s lichaams einde zonder zorgen zijn.
Zijn doorgangen openend, zijn zaken reddende, zal hij bij ’s lichaams einde reddeloos zijn.
Het ijle zien heet verlicht.
Zachtheid bewaren heet sterk.
De straling volgende om tot het licht terug te keeren, zoo verliest men niets bij ’s lichaams ondergang.
Dit heet: bekleed zijn met eeuwigheid.

LIII

Indien ik een weinig kennis had
En in het groote Tau wandelde,
Zoo zou ik de openbaring ervan vreezen.
Het groote Tau is zeer vlak,
Maar het volk mint de zijpaden.
Hoven zeer weelderig,
Dan de velden vol onkruid,
De graanschuren ledig.
Kleederen rijk gekleurd,
Scherpe zwaarden dragen,
Drank en spijs zwelgen,
Goederen en schatten te over hebben,
Dit heet pralen met roof,
Geen Tau voorwaar.

LIV

Goed geplant wordt niet ontworteld.
Goed gegrepen gaat niet verloren.
Onafgebroken brengen dien kinderen en kindskinderen offers.
Betracht hij Tau voor zichzelf, dan is zijn deugd waarachtig.
Betracht hij Tau in het gezin, dan is zijn deugd overvloedig.
Betracht hij Tau in de gemeente, dan is zijn deugd vèrreikend.
Betracht hij Tau in den staat, dan is zijn deugd overstroomend.
Betracht hij Tau in het Rijk, dan is zijn deugd aldoordringend.
Daarom naar de persoon beoordeelt men personen.
Naar het gezin beoordeelt men gezinnen.
Naar de gemeenten beoordeelt men gemeenten.
Naar den staat beoordeelt men staten.
Naar het Rijk beoordeelt men het Rijk.
Hoe weet ik dat van het Rijk?
Door dit.

LV

Die overvloed van deugd heeft, lijkt een klein kindje.
Dat steekt geen venijnig gedierte; wilde beesten bespringen het niet, roofvogels tasten het niet aan.
Zijn beenderen zijn week, zijn spieren zijn zwak, toch grijpt het al stevig.
Nog kent het de gemeenschap der seksen niet, en in zijn geslachtsorgaan is al werking.
Dit komt door de volkomenheid van het zaad.
Den ganschen dag schreeuwt het en zijn stem wordt niet heesch.
Dit komt door de volkomenheid der harmonie.
Harmonie kennen heet eeuwigheid.
Eeuwigheid kennen heet verlicht zijn.
Vermeerdering van leven heet geluk.
Begeerte, het leven aandrijvende, heet kracht.
Vanaf hun hoogsten bloei worden de dingen oud.
Dit heet Tau-loos.
Tau-loos vergaat snel.

LVI

Die weten, spreken niet.
Die spreken, weten niet.
De Wijze sluit zijn doorgangen,
Verspert zijn poorten,
Mindert zijn scherpte,
Ontwart zijn verwikkeling,
Tempert zijn schittering
En maakt zich gelijk aan het stof.
Dit heet mystieke eenwording.
Hem treft geen liefde.
Hem treft geen vervreemding.
Hem treft geen voorspoed.
Hem treft geen nadeel.
Hem treft geen eer.
Hem treft geen schande.
Daarom wordt hij door heel de wereld geëerd.

LVII

Met rechtheid regeert men den staat.
Met listen voert men oorlog.
Met niet-doen wint men het Rijk.
Hoe weet ik dat van het Rijk?
Door dit:
Hoe meer verboden en bepaald is in het Rijk, hoe armer wordt het volk.
Hoe meer scherpe werktuigen het volk heeft, hoe verwarder wordt de staat.
Hoe bekwamer en handiger het volk wordt, hoe meer gekunstelde dingen komen op.
Hoe meer wetten en besluiten worden afgekondigd, hoe meer dieven en roovers er komen.
Daarom zegt de Wijze:
Ik doe niet, en het volk zal vanzelf zich hervormen.
Ik hou van de rust, en het volk zal vanzelf recht worden.
Ik doe geen werk, en het volk zal vanzelf rijk worden.
Ik heb geen begeerten, en het volk zal vanzelf eenvoudig worden.

LVIII

Als het bestuur armzalig is, wordt het volk welvarend.
Als het bestuur scherp toeziet, lijdt het volk gebrek.
Ongeluk, ach, is waardoor het geluk wordt gedragen.
Geluk, ach, is waarin het ongeluk verscholen ligt.
Wie kent den overgang? Er is geen ophouden aan.
De redelijken worden onbehoorlijk,
De deugdzamen onberekenbaar.
Der menschen verblinding duurt sinds menigen dag.
Daarom: de Wijze is oprecht en kwetst niet,
Zuiver, en beleedigt niet,
Rechtschapen, en overdrijft niet,
Stralend, en verblindt niet.

LIX

Om menschen te besturen en den hemel te dienen gaat niets boven spaarzaamheid.
Spaarzaamheid nu is tijdige voorzorg.
Tijdige voorzorg heet sterke opeenhooping van deugd.
Met sterke opeenhooping van deugd is niets onoverkomelijk.
Is niets onoverkomelijk, dan kent niemand zijn grenzen.
Kent niemand zijn grenzen, dan kan hij het Rijk regeeren.
Die de moeder van het Rijk heeft, kan lang aanblijven.
Dit heet een diepe wortel en stevigen stam hebben.
Dit is de weg voor een lang leven en durend inzicht.

LX

Het regeeren van een grooten staat is als het koken van een klein vischje.
Als men het rijk regeert met Tau, krijgen de demonen geen macht.
Niet dat de demonen geen macht krijgen, maar zij schaden de menschen niet.
Niet, dat zij de menschen niet schaden, maar de Wijze schaadt de menschen niet.
Noch de Wijze noch de demonen schaden hen, daarom vloeien hun deugden saam.

LXI

Een groote staat, die laag stroomt, doet de wereld saamvloeien, is als ’s Rijks vrouw.
De vrouw overwint den man gestadig door rust.
In rust houdt zij zich laag.
Daarom: als een groot rijk nederig doet tegen een klein, zal het dat kleine winnen.
Als een klein rijk nederig doet tegen een groot, zal het dat groote winnen.
Daarom: de een buigt zich om te winnen, de ander om gewonnen te worden.
Een groot rijk begeere slechts de menschen te vereenigen en te voeden.
Een klein rijk begeere slechts mee te gaan en de menschen te dienen.
Zoo ontvangen beiden hun wensch.
Maar het groote vernedere zich.

LXII

Tau is de toevlucht aller wezens,
Schat van den goede,
Steun van den niet-goede.
Schoone woorden kunnen van voordeel zijn.
Edel gedrag kan de menschen verheffen.
Waarom zou men den niet-goede verstooten?
Daarvoor stelde men een keizer in en drie ministers.
Maar beter dan statig de jadeschijf geheven te houden of te rijden met een vierspan is stil te zitten en voort te gaan in Tau.
Waarom vereerden de Ouden Tau zoo?
Luidt het niet: Door zoeken kan het worden gevonden, en die zonde heeft, wordt erdoor bevrijd?
Daarom is het het kostbaarste onder den hemel.

LXIII

Betracht niet-doen.
Werk aan niet-werken.
Geniet het niet-genieten.
Uw groot zij als klein,
Uw veel als weinig.
Vergeld kwaad met deugd.
Ontwerp het moeilijke als het nog licht is.
Doe het groote als het nog klein is.
't Moeilijke onder den hemel komt zeker voort uit het lichte.
Het groote onder den hemel komt zeker voort uit het kleine.
Daarom: de Wijze doet nimmer groot.
Daardoor vermag hij het groote te doen.
Die lichtvaardig belooft, houdt zeker weinig woord.
Wie veel makkelijk vindt, ondervindt zeker veel moeilijks.
Daarom vindt de Wijze veel moeilijk.
Vandaar dat hij nooit moeite ondervindt.

LXIV

Wat in rust is, is licht te houden.
Wat nog komen moet, is licht te voorkomen.
Wat bros is, is licht te breken.
Wat klein is, is licht te verstrooien.
Behandel de dingen voor ze bestaan.
Beheersch ze voor ze tot wanorde komen.
Een niet te omvademen boom groeit uit een fijn sprietje.
Een toren van negen verdiepingen begint met een kleine hoop gronds.
Een reis van duizend mijlen begint met wat onder den voet ligt.
Wie doet, faalt.
Wie grijpt, verliest.
Daarom: de Wijze doet niet en faalt daardoor niet,
Grijpt niet en verliest daardoor niet.
Als het volk doet, faalt het altijd op het punt van slagen.
Zorgt men zoowel voor einde als voor begin, dan zal men niet falen.
Daarom begeert de Wijze het niet-begeeren en eert de moeilijk te verkrijgen goederen niet,
Maakt studie van niet-studie
En wendt zich tot wat de menschen voorbijgaan.
Zoo helpt hij de tienduizend wezens in hun natuurlijken loop, en durft niet te "doen".

LXV

De Ouden, die Tau goed betrachtten, zochten daarmee het volk niet verlicht, maar eenvoudig te maken.
Het volk is moeilijk te regeeren, omdat het zoo knap is.
Met knapheid het Rijk regeeren, is ’s Rijks vloek.
Niet met al die knapheid het Rijk regeeren, is ’s Rijks zegen.
Wie dit beide weet, is een voorbeeld.
Altijd dit voorbeeld weten te zijn, heet diepgaande deugd.
Die diepgaande deugd is ondoorgrondelijk, ver en tegengesteld aan de dingen.
Zoo komt men tot groote overgave.

LXVI

Waarom kunnen stroomen en zeeën koningen aller wateren zijn?
Omdat zij zich weten te vernederen.
Daarom kunnen zij koningen aller wateren zijn.
Daarom: wil de Wijze boven het volk uit staan, dan moet hij in spreken daaronder blijven.
Wil hij voor het volk uit staan, dan moet hij daarachter zich houden.
Zoo staat de Wijze boven en drukt het volk niet,
Staat hij vooraan en hindert het volk niet.
Daarom verheft de gansche wereld hem vol vreugde en wordt hem niet moe.
Hij strijdt niet; daarom is er niemand onder den hemel, die met hem strijden kan.

LXVII

Allen onder den hemel noemen mij groot, maar ik lijk een mislukte.
Juist omdat ik groot ben, lijk ik een mislukte.
De welgelukten – hoe lang duurt al hun onbeduidendheid.
Ik heb drie kleinoodiën, die ik vasthoud en waardeer.
Het eerste heet medegevoel.
Het tweede heet spaarzaamheid.
Het derde heet nederigheid.
Door mijn medegevoel kan ik dapper zijn.
Door mijn spaarzaamheid kan ik vrijgevig zijn.
Door mijn nederigheid kan ik de eerste zijn.
Maar nu verwerpt men het medegevoel en is toch dapper,
Verwerpt men de spaarzaamheid, en is toch vrijgevig,
Verwerpt men de laatste plaats en wil vooraanstaan.
Dit leidt tot den dood.
Wie strijdt met medegevoel, overwint.
Wie verdedigt met medegevoel, houdt stand.
Wien de hemel beschermen wil, dien geeft hij als geleide het medegevoel.

LXVIII

Een goed aanvoerder is niet krijgszuchtig.
Een goede strijder is niet toornig.
Een goed overwinnaar zoekt geen twist.
Een goed leider houdt zich laag.
Dit heet niet-strijdende deugd.
Dit heet goed menschen weten te leiden.
Dit heet met den hemel een zijn.
Dit was het hoogste der Ouden.

LXIX

Een ervaren krijgsman zeide: Ik durf niet beginnen, ik wacht liever af.
Ik durf geen duim vooruitgaan; ik ga liever een voet terug.
Dit heet voortgaan zonder te gaan,
Dreigen zonder de armen te strekken,
Opdringen zonder dat men weerstand vindt,
Aangrijpen zonder wapenen.
Geen grooter ramp dan den vijand gering te achten.
Den vijand gering te achten is bijna onzen schat verliezen.
Daarom: waar twee vijandelijke legers elkander ontmoeten, overwint dat met het medelijden.

LXX

Mijn woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen, heel gemakkelijk te betrachten.
Maar niemand onder den hemel kan ze begrijpen noch ze betrachten.
Mijn woorden hebben een oorsprong, mijn daden hebben een meester.
Dit wordt niet geweten; daarom kent men mij niet.
Die mij kennen, zijn zeldzaam.
Dat is juist mijn roem.
Daarom: de Wijze kleedt zich grof en verbergt het juweel binnenin.

LXXI

Weten het niet-weten, dat is hoog.
Niet weten het weten, dat is een ziekte.
Wie ziek is van die ziekte is niet ziek.
De Wijze is niet ziek, omdat hij ziek is van die ziekte.
Daarom is hij niet ziek.

LXXII

Als het volk niet vreest wat te vreezen is, zal het vreeselijkste tot hen komen.
Vind uw huis niet eng, de plaats, waar gij leeft, niet mistroostig.
Juist als men ze niet mistroostig vindt, is ze niet mistroostig.
Daarom: de Wijze kent zichzelf, maar stelt zich niet in het licht,
Heeft zichzelf lief, maar acht zich niet hoog.
Daarom laat hij dit en neemt hij dat.

LXXIII

Dapper zijn in het durven leidt tot den dood.
Dapper zijn in het niet-durven leidt tot het leven.
Van deze beide is het een schadelijk, het andere nuttig.
Als de hemel iets haat, wie kent er de reden van?
Daarom vindt de Wijze ingrijpen moeilijk.
De weg van den hemel is zoo:
Die strijdt niet en weet te overwinnen,
Spreekt niet en weet toch antwoord te bekomen,
Roept niet en allen loopen toe vanzelf,
Is lankmoedig maar maakt goed plannen.
Het net des hemels is ontzaglijk.
De mazen zijn wijd,
Maar niemand ontsnapt.

LXXIV

Als het volk den dood niet vreest, hoe het dan schrik aan te jagen met den dood?
Als men kon maken, dat het volk altijd den dood vreesde en ik greep en doodde den misdadiger, wie zou dan durven?
Daar is altijd een Scherprechter, die beschikt over den dood.
In plaats van dien eenen Scherprechter te dooden is in plaats van den meester timmerman hout gaan kappen.
Wie in plaats van den timmerman hout gaat kappen, zelden dat hij zich niet in de vingers snijdt.

LXXV

Het volk heeft honger, omdat zijn vorst te veel belastingen heft.
Daarom heeft het honger.
Het volk is moeilijk te regeeren, omdat zijn vorst te veel "doet".
Daarom is het moeilijk te regeeren.
Het volk acht den dood gering, omdat het te hevig wil leven.
Daarom acht het den dood gering.
Maar hij, die geen acht geeft op het leven, is wijzer dan die het acht.

LXXVI

Als de mensch wordt geboren, is hij zacht en zwak.
Als hij sterft, is hij stijf en sterk.
Als de dingen, het gras en de boomen worden geboren, zijn ze zacht en teer.
Als zij sterven, zijn ze droog en schraal.
Daarom: stijfheid en sterkte zijn volgelingen van den dood.
Zachtheid en zwakte zijn volgelingen van het leven.
Daarom: een leger, dat sterk is, overwint niet.
Een boom, die krachtig is, staat opgeschreven ten doode.
Wat sterk is en groot, is minder.
Wat zacht is en zwak, is meer.

LXXVII

De weg des hemels is als het spannen van een boog.
Wat hoog is, verlaagt het.
Wat laag is, verhoogt het.
Waar teveel is, daar neemt het af.
Waar te weinig is, daar voegt het toe.
De weg des hemels is: af te nemen waar teveel is en bij te voegen waar te weinig is.
De weg der menschen is zoo niet.
Die is af te nemen waar te weinig is en bij te voegen waar te veel is.
Wie kan met zijn overvloed de wereld dienen?
Alleen die Tau heeft.
Daarom: de Wijze doet en steunt er niet op;
Verwerft verdienste en hecht er niet aan.
Hij wil zijn deugd niet doen uitblinken.

LXXVIII

Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water.
Maar niets overtreft het in het aantasten van wat hard en sterk is.
Niets dat water daarin evenaart.
Zwak overwint sterk.
Zacht overwint hard.
Niemand onder den hemel, die dit niet weet.
Maar niemand kan het in toepassing brengen.
Daarom zegt de Wijze:
De schande van het Rijk dragen, dat heet het koningsoffer leiden.
De rampen van het Rijk dragen, dat heet koning zijn van het Rijk.
Ware woorden, die tegenstrijdig lijken.

LXXIX

Wordt hevige vijandschap bijgelegd, dan blijft er altijd nog wrok over.
Hoe dit goed te maken?
Daarom houdt de Wijze de linkerhelft van het contract en eischt niet van anderen.
Wie deugd heeft, zorgt te voldoen.
Wie geen deugd heeft, zorgt te eischen.
Het Tau des hemels heeft niet lief.
Maar het helpt altijd den goede.

LXXX

Laat er een kleine staat met weinig volks en hoofden zijn over tien-
en honderdtallen zonder dat ze worden gebruikt.
Zorg, dat het volk den dood vreeze en toch niet ver weg trekke.
Al zijn er schepen en wagens, laat niemand reden vinden er in te gaan.
Al zijn er kurassen en wapenen, laat niemand reden vinden ze aan te doen.
Laat het volk terugkeeren tot het gebruik der geknoopte koorden.
Dan zal het smaak vinden in zijn voedsel, trotsch zijn op zijn kleederen,
vrede vinden in zijn woning en zich verblijden in zijn zeden.
Al ligt een naburige staat vlak bij, zoodat de hanen en honden van
weerskanten elkanders geluid kunnen hooren, het volk zal oud worden en sterven zonder er gemeenschap mee te hebben gehad.

LXXXI

Ware woorden zijn niet mooi.
Mooie woorden zijn niet waar.
Die goed zijn, zijn niet welbespraakt.
Die welbespraakt zijn, zijn niet goed.
Die weten, zijn niet geleerd.
Die geleerd zijn, weten niet.
De Wijze stapelt niet op.
Hoe meer hij anderen doet, hoe meer houdt hij over.
Hoe meer hij anderen geeft, hoe rijker wordt hij.
De weg van den hemel is: nuttig te zijn en niet te schaden.
De weg van den Wijze is: te doen en niet te strijden.