Top

Laatst gewijzigd op 21 oktober.

-1-

Wit wat je weet met het…

Witboek Taoïsme

Meester Tja en de Tao van niet‑weten

Door Hans van Dam

Deel 3 van de Agnosereeks

Omslag van deel 3 van de Agnosereeks.

Alles wat je altijd al wilde niet-weten over taoïsme maar nooit durfde vragen.

‘Zeg maar Tja tegen het leven.’ Toespraken en dwaalspreuken van Meester Tja in de geest van niet-weten en niet-doen geïnspireerd door de Tao Te Tjing.

-2-

Meester Tja als paperback

Goed nieuws voor liefhebbers van papier: het Witboek taoïsme – Meester Tja en de Tao van niet-weten verschijnt eind 2020 of begin 2021 als boek.

Met liefde en aandacht gemaakt door boekenbakkers Hans en Lucienne.

Omslagontwerp:

Voorlopige omslag van het boek ‘Witboek taoïsme – Meester Tja en de Tao van niet-weten’ van Hans van Dam.

Titel: Witboek taoïsme

Ondertitel: Meester Tja en de Tao van niet-weten

Volledige titel: Witboek taoïsme – Meester Tja en de Tao van niet-weten

Inhoud: reacties, korte inhoudsopgave, kennismaking met Meester Tja, meer dan 200 dwaalspreuken en toespraken van Meester Tja, nawoord (15 artikelen). Bijlage: de Tau Teh Tsjing van ir. Blok.

Illustraties: circa 45 (zwart-wit)

Illustrator: Lucienne van Dam

Auteur: Hans van Dam

ISBN: 9789464058109

Kaft: paperback glans

Papier: crème (romandruk)

Aantal pagina’s: circa 330

Formaat: 155 x 235 mm

Boekdikte: circa 30 mm

Gewicht: circa 560 gram

Prijs: circa € 22,00

Uitgever: Brave New Books

Deel 3 van de Agnosereeks.

Publicatiedatum: eind 2020, begin 2021

Publicatiegeschiedenis

In 2014 verschenen als webpagina op NietWeten.nl

In 2018 vervangen door een uitgebreide en herziene versie

Als non-stop serie verschenen in het Boeddhistisch Dagblad van 20 september 2018 t/m 5 juli 2019

September 2020: een selectie van toespraken van Meester Tja gecombineerd met natuurfoto's op de website van natuurfotograaf Jacob Kaptein.

September 2020: Meester Tja op Expo Keerpunt in Amersfoort: Meester Tja meets Jacob Kaptein.

Meester Tja meets Jacob Kaptein op Expo Keerpunt. (© Jacob Kaptein)

Dit boek wordt opgenomen in de collectie van de Koninklijke Bibliotheek.

-3-

Voorwoord

De Grote Tao als het Grote Tja

De Tao Te Tjing is een van de meest vertaalde werken uit de Chinese literatuur.

Velen hebben er hun tanden en hun hersenen op stukgebeten en lopen nu met een kunstgebit en een kunstkop rond, vaak zonder het te weten.

Mocht dat de bedoeling zijn geweest van de schrijver van de Tao Te Tjing dan is dat boekje de oudste en meest succesvolle koan uit de geschiedenis van de mensheid.

Hoewel er veel niet-weten zit in het taoïsme, en evenveel taoïsme in niet-weten, zijn er ook verschillen.

Zo heeft het kosmologische idee van de Tao als een onkenbaar, absoluut, eeuwigdurend, onveranderlijk, vormloos, sturend principe in een radicaal niet-weten geen tegenhanger.

Ook het idee van de Tao als de hoogste deugd of de hoogste wijsheid of de hoogste leidraad vindt in een radicaal niet-weten geen weerklank.

Een opvallende overeenkomst tussen het taoïsme en niet-weten is het idee, of liever de praktijk, van niet-doen, dat wil zeggen, doen zonder opzet, spontaan, ongeforceerd, als vanzelf: wuwei.

Het niet-doen van een agnost is alleen niet geworteld in de Grote Tao maar in het Grote Tja, wuzhi.

Niet-doen is een natuurlijk uitvloeisel van niet-weten: wie niet weet hoeft er niets voor te doen of te laten.

Misschien leiden er meerdere of vele wegen naar niet-doen, niet-spreken, niet-geloven, niet-denken, niet-willen enzovoort, dat durf ik niet te zeggen, maar bij niet-weten krijg je het allemaal gratis en voor niks.

Of je wil of niet.

Niet-weten krijg je ook gratis en voor niks, maar waar?

Niet bij mij, ik kan het je niet geven.

Niets of niemand kan het je geven, geen enkele traditie, geen enkele leraar, geen enkele praktijk, geen enkel boek, niet dat ik weet – behalve het leven zelf.

En geven kan je het ook niet noemen; het leven ontneemt je, soms met engelengeduld en soms met bruut geweld, al je illusies, de een na de ander, jaar in jaar uit zolang de voorraad strekt.

Het leven leert je alles af, als je tijd van leven hebt.

Je plannetjes, je dromen, je idealen, je theorietjes, je aannames, je uitgangspunten, je motto’s, je verwachtingen, je begrippen, je oordelen, je zekerheden, de hele mikmak.

Net zolang tot je je eigen gedachten niet meer gelooft, deze ook niet.

Laat staan die van anderen.

En ineens is het er dan, ineens heb je het of ineens heb je het niet meer of ineens heb je het nooit gehad of hoe zeg je dat, zó niet.

Dus als je me vraagt wat je ervoor moet doen of bij wie je moet wezen of wat je moet lezen om tot niet-weten te komen zeg ik:

Schiet mij maar lek.

Wie krijgt er oog voor zijn blinde vlek behalve een enkele gek?

We vragen het Meester Tja.

Kennismaking met Meester Tja

-4-

De boer die zijn paard verloor

Er was eens een boer die zo knap was dat hij ondanks zijn nederige komaf het mooiste meisje van het dorp kon huwen.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Er kwamen geen kinderen en het mooiste meisje van het dorp verliet hem voor een ander. Niemand wilde meer met hem trouwen behalve het lelijkste meisje van het dorp.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Het lelijkste meisje van het dorp was misschien niet om aan te zien maar ze was vruchtbaar als een zeug en het echtpaar werd gezegend met negen kinderen.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Acht van de negen kinderen waren meisjes voor wie het werk op de boerderij te zwaar bleek en die bij het uithuwelijken elk een bruidsschat behoefden.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Gelukkig hadden de dochters gouden keeltjes en van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat zongen ze het hoogste lied.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Toen de prins van hen hoorde ontbood hij het achttal aan het hof. Hij genoot zo van hun gezang dat hij ze meteen opnam in zijn harem. Van de dochters werd nooit meer iets vernomen en hun moeder stierf van verdriet.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Telkens wanneer de dochters voor hem zongen voelde de prins zich schuldig. Om zijn geweten te sussen schonk hij de boer in het geheim zijn mooiste merrie om mee te ploegen en te pronken.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Dankzij het paard kon de boer meer land bewerken dan vroeger maar op een dag was het dier verdwenen en stond hij er alleen voor met meer werk dan hij aankon.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Een week later keerde het prinselijke paard hinnikend uit de heuvels terug met aan haar zijde een schitterende wilde hengst.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Om het te temmen besteeg zijn zoon het vurige dier maar voor hij goed en wel zat werd hij al afgeworpen en brak daarbij zijn been.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Kort daarop kwamen officieren van de krijgsmacht langs om alle oudste zonen in te lijven maar vanwege zijn been mocht de jongen thuisblijven.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Nog geen week later keerden de ronselaars terug en rekruteerden de boer zelf omdat de koning had bepaald dat ieder gezin ten minste één man moest afstaan.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

De boer was handiger met de ploeg dan met de speer maar hij bleek over strategisch inzicht te beschikken en werd algauw gepromoveerd tot krijgsheer.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de boer zei enkel: ‘Tja.’

Terwijl hij zijn troepen leidde werd de boer door een vijandelijke pijl in zijn keel getroffen en liet rochelend het leven.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de zoon zei enkel: ‘Tja.’

De dorpelingen hadden medelijden met de jongen, die daardoor, hoewel hij lang niet zo knap was als zijn vader, ieder meisje kon krijgen dat hij wilde.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de zoon zei enkel: ‘Tja.’

Hij legde het aan met de mooiste boerendochters maar hoe gewillig ze ook waren, hij voelde niets. Zo kwam hij erachter dat hij niet op vrouwen viel.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de zoon zei enkel: ‘Tja.’

Omdat mensen in oorlogstijd behoefte hebben aan geestelijke leiding vatte de koning het plan op om in de regio een klooster te stichten dat vredesgezinde mannen uit alle windstreken zou aantrekken.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de zoon zei enkel: ‘Tja.’

Vanwege de centrale ligging en de eigen bron was zijn boerderij bijzonder geschikt voor het nieuwe klooster en het land werd met alles erop en eraan onteigend.

De buren zeiden: ‘Wat een pech’, de zoon zei enkel: ‘Tja.’

Om aan de kost te komen werkte de jongen mee aan de bouw van de abdij. Hij kon het zo goed vinden met de abt dat deze hem verzocht in te treden, waaraan hij graag gehoor gaf.

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de broeder enkel: ‘Tja.’

Het was in dit klooster dat de monnik faam verwierf vanwege zijn rust en eenvoud, en het was hier dat hij de naam kreeg waaronder wij hem nu nog kennen:

Meester Tja.

Taijitu van twee gespiegelde paarden.
Later keerde het paard terug met een schitterende wilde hengst aan haar zijde.

-5-

Maar het kwam toch nog goed

Bovenstaand verhaal is gebaseerd op het Chinese verhaal Hoe Sai Weng zijn paard verloor.

Het oorspronkelijke verhaal is een stuk korter. Het begint ermee dat de boer, Sai Weng, zijn paard verliest (pech), waarna het dier terugkeert in het gezelschap van twee wilde paarden (geluk), waarop de zoon tijdens het temmen van het paard valt en zijn been breekt (pech), waardoor hij aan de dienstplicht ontsnapt (geluk).

Aan deze viervoudige wending van het lot, die de boer zonder zijn evenwicht te verliezen gelaten ondergaat, heb ik zestien getijden toegevoegd, de helft ervoor, de helft erna, waarmee het totaal op twintig komt.

Om het mezelf makkelijk te maken heb ik het verhaal verplaatst van het oude China naar een denkbeeldige plek zonder anatopismen in een denkbeeldige tijd zonder anachronismen.

De lotgevallen van Sai Weng zijn in China spreekwoordelijk geworden.

Heb je pech dan zeg je 塞翁失馬 (sài wēng shī mǎ): ‘De oude man verloor zijn paard.’

Wil je iemand een hart onder de riem steken, dan voeg je eraan toe: 焉知非福 (yān zhī fēi fú): ‘Maar het kwam toch nog goed.’

De herkomst van Hoe Sai Weng zijn paard verloor is onzeker, maar het is een populair verhaaltje dat al talloze malen verteld en in vele talen vertaald is.

De manier waarop de boer uiting geeft aan zijn gelatenheid varieert van versie tot versie. Zelf had ik de boer en zijn zoon liever ‘och’ laten zeggen, dat past beter bij ‘bof’, vind ik:

De buren zeiden: ‘Wat een bof’, de zoon zei enkel: ‘Och.’

Ik heb Meester Tja voorgesteld zijn naam te veranderen in Meester Och maar daar voelde hij niets voor.

‘Ik dacht dat u overal Tja tegen zei,’ vroeg ik, ‘waarom dan niet tegen een nieuwe naam?’

‘Tja staat tussen ja en nee’ antwoordde Meester Tja, ‘maar och hangt tussen ach en wee’.

Geen speld tussen te krijgen.

-6-

Een rare Chinees

Voorplat van het Witboek Taoïsme – Meester Tja en de Tao van Niet-Weten.

Het personage op het voorplat van het Witboek Taoïsme – Meester Tja en de Tao van niet-weten, heet, hoe kan het ook anders, Meester Tja.

Ondanks zijn Hollandse naam ziet hij eruit als een Chinees en ook dat is geen toeval.

De woorden van Meester Tja, waarvan dit boek overstroomt, zijn geïnspireerd door een klassieker uit de wereldliteratuur, de Tao Te Tjing, ook wel de Daodejing of de Laozi geheten.

De Tao Te Tjing is het oerboek van het taoïsme en werd eeuwen voor onze jaartelling geschreven in China door een Chinees in het Chinees.

Ware woorden zijn niet mooi, heet het in dat boek, en inderdaad, fraai is anders.

Ook de woorden van Meester Tja zijn niet mooi, vindt hij zelf.

Wat niet bewijst dat ze waar zijn, voegt hij er eerlijk aan toe, want Meester Tja zegt altijd waar het op staat.

Je bent gewaarschuwd.

-7-

De kleding van Meester Tja

Laten we er geen doekjes om winden: Meester Tja weet het allemaal niet meer.

Eerlijk gezegd heeft hij het nooit geweten en wilde hij dat nooit weten.

Nu wel, eindelijk, en daarin heeft hij tot zijn verbijstering meer verlichting gevonden dan in alle wijsheid bij elkaar.

Zijn geest is leger, zijn leven eenvoudiger, zijn gemoed luchtiger.

Wie niet weet staat in zijn hemd, maar de kleding die de gemoedstoestand van Meester Tja naar zijn eigen oordeel het beste uitdrukt is het adamskostuum.

Om het met Hans Christian Andersen te zeggen: de keizer heeft geen kleren.

De keizer heeft ook geen rijk, zelfs niet in zijn geest, maar dat kan je in de afbeelding niet zien, daarvoor zou je röntgenogen moeten hebben.

Of je zou zijn schedel moeten lichten, maar dat kan niet want Meester Tja heeft een hoedje op.

Een keizer zonder rijk is een keizer van niks.

Een keizer zonder kleren is een keizer van niks.

Een keizer zonder kennis is een keizer van niks.

Een keizer zonder rijk, kleren of kennis is drie keer niks, maar om hem nou steeds de Keizer van Drie Keer Niks of de Keizer van Niks of Keizer Niks te noemen is ook zo onaardig.

Gun die man z’n titel, al is het met een knipoog – Meester Tja.

-8-

Het lichaam van Meester Tja

Het lijf van Meester Tja.

Lichamelijk is Meester Tja een beetje een schlemiel.

Geen toonbeeld van bovenmenselijke kracht en viriliteit à la Michelangelo maar een toonbeeld van kwetsbaarheid en innerlijke kleinheid zoals wijzelf, al komen we daar zelden eerlijk voor uit.

Niets aan Meester Tja is echt uitgesproken. Hij is van alles wat, nu eens dit, dan weer dat, je weet maar nooit.

Zo is zijn geslacht onbepaald, een beetje mannelijk, een beetje vrouwelijk, hermafrodiet, aseksueel misschien, vlees noch vis, poep noch pis – nietszeggend.

Niets zeggen is des Meesters metier en dit is één manier om dat uit te beelden, al bevindt het spraakorgaan waarvoor zijn geslachtsorgaan als pars pro toto fungeert zich normaliter wat hoger in het lichaam, in de keel en in het brein om precies te zijn, waar het zich onophoudelijk roert en niet slechts bij vlagen.

-9-

De lichaamstaal van Meester Tja

De lichaamstaal van Meester Tja.

Meester Tja kan kletsen als een kous maar het meest sprekende aan hem is toch zijn lichaamstaal.

Non-stop haalt hij zijn schouders op om aan te geven dat hij het ook niet weet.

Hij draait zijn onderarmen uit om te laten zien dat hij met lege handen staat.

Ja, ik bedoel nee, Meester Tja heeft geen idee.

Of hij heeft te veel ideeën waaruit hij niet kan kiezen, dat komt op hetzelfde neer.

Sinds hij dat in het snotje heeft zegt hij maar wat en doet hij maar wat.

Net als daarvoor maar nu heeft hij het door en heeft hij er vrede mee.

Onder ogen zien dat je maar wat zegt en daar vrede mee hebben heet niet-weten.

Onder ogen zien dat je maar wat doet en daar vrede mee hebben heet niet-doen.

Niet-weten en niet-doen zijn de pijlers van het taoïsme.

Het hart en de nieren van Meester Tja.

-10-

De blinddoek van Meester Tja

De blinddoek van Meester Tja.

Om zijn weteloosheid uit te drukken heeft Meester Tja een blinddoek voor.

Die blinddoek geeft aan dat niet-weten geen vermogen is maar onvermogen, geen kracht maar zwakte, geen wijsheid maar dwaasheid, geen winst maar verlies.

Meester Tja is niet verlicht, hij is verduisterd.

Niet het licht heeft hij gezien maar de duisternis die zijn thuis is.

Om aan te geven dat Meester Tja heel goed ziet wat hij niet ziet, schijnen zijn ogen door de blinddoek heen.

Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?

Ik, zei de gek, Meester Tja.

-11-

De taijitu achter Meester Tja

De taijitu achter Meester Tja.

Achter Meester Tja zie je een taijitu, een yinyangteken.

In het taoïsme staat de taijitu voor de twee oerkrachten die voortkomen uit de ene Tao.

Die krachten zijn het vrouwelijke, yin, en het mannelijke, yang – aarde en hemel, donker en licht, zwart en wit, koud en warm, water en vuur, maan en zon, passief en actief, haat en liefde, kwaad en goed, stilte en beweging.

Yin en yang zijn volgens het taoïsme geen statische entiteiten, maar dynamische krachten die elkaar aanvullen, in evenwicht brengen en tegenwicht bieden.

De stippen in de taijitu geven aan dat het mannelijke is vervat in het vrouwelijke en het vrouwelijke in het mannelijke, haat in liefde en liefde in haat, kwaad in goed en goed in kwaad, stilte in beweging en beweging in stilte – ieder uiterste in zijn tegendeel.

Bij Meester Tja staat de taijitu niet voor tegenstrijdige krachten in de stof maar voor tegenstrijdige gedachten in de geest.

Voor het denken in termen van dualiteiten als zwart tegen blank, goed tegen kwaad, rechts tegen links, hoog tegen laag, hard tegen zacht, wijs tegen dwaas, absoluut tegen relatief, stof tegen geest en noem maar op.

Innerlijke tegenspraken die innerlijke spanningen veroorzaken waarin de denker net zolang gevangen blijft tot hij er niet meer in gelooft.

Vanaf dat moment dartelt hij overal tussendoor.

Vanaf dat moment rijmt hij met het ongerijmde.

Vanaf dat moment leeft hij in de paradox.

-12-

De weegschaal van Meester Tja

De weegschaal van Meester Tja.

Om de suggestie van een weegschaal te wekken bevinden de open handen van Meester Tja zich pal onder de stippen van de taijitu.

Zwart staat voor nee, wit voor ja.

Een zwarte stip op een witte achtergrond staat voor het nee in het ja, een witte stip op een zwarte achtergrond voor het ja in het nee.

Meester Tja zegt tja tegen het leven.

Hij zegt geen ja, hij zegt geen nee, hij hakt er niet op in, hij gaat er niet in mee.

Zo’n tweetal, ja óf nee, heet met een mooi woord een dilemma – een tweestelling.

Meester Tja heeft nooit moeite met dilemma’s; hij staat als een evenaar tussen de twee polen.

Het tja gaat vooraf aan het nee en het ja. Het gaat eraan voorbij. Het duikt eronderdoor. Het stijgt erbovenuit.

Meester Tja zegt geen nee, hij zegt geen ja, hij zegt geen nee én ja, hij zegt geen nee noch ja.

Zo’n viertal heet met een mooi woord een tetralemma – een vierstelling.

Meester Tja heeft nooit moeite met tetralemma’s; hij staat als een paal tussen de vier polen.

Acht polen, zestien polen, tweeëndertig polen – moeiteloos houdt hij het midden.

Nooit laat hij zich meer vangen, nergens pint hij zich nog op vast.

-13-

De benen van Meester Tja

Het tja maakt volmaakt evenwichtig, wie tja heeft is steeds in balans.

Geloof je dat? Zak in je kat. Balans tegenover onbalans is gewoon de volgende dualiteit.

Een innerlijke tegenspraak die innerlijke spanning veroorzaakt waarin de denker net zolang gevangen blijft tot hij er niet meer in gelooft.

In werkelijkheid raakt Meester Tja steeds uit balans, net als jij, net als ik, als een knie die telkens knikt, als een enkel die verzwikt, het gaat maar door totdat je stikt, zo is het leven.

Alleen de doden zijn onverstoorbaar, maar daarom rusten ze nog niet in vrede.

Wel keert Meester Tja als een vleesgeworden tuimelaar vanzelf terug naar zijn uitgangspositie.

En snel ook, vergeleken met vroeger toen hij alleen maar ja of nee kon zeggen en zich daar keurig aan hield:

een man een man
een woord een woord
voorspelbaar als
een eiken poort

die piept en kraakt
maar nimmer zwicht
en ofwel open is
of dicht

Meester Tja – naar willekeur zegt hij ja, nee of tja.

In dezelfde adem zegt hij tja tegen zijn ja, nee of tja.

Het is dus niet zo dat hij nooit meer iets bevestigt of ontkent, nooit meer iets aangaat of afwijst.

Neutraliteit staat bij hem niet hoger in het vaandel dan aanvaarding of afwijzing.

Het tja is zijn standbeen, het ja dan nee zijn speelbeen.

Zonder speelbeen ben je stom, zonder standbeen val je om.

(Behalve in een tekening.)

-14-

Het zwaard van Meester Tja

Het zwaard van Meester Tja.

Om zijn heupen heeft Meester Tja een zwaard. Daarmee snijdt hij alle gedachten af bij de wortel, zoals het in chan heet.

Chan, dat is het oude Chinese zenboeddhisme, de voorloper van het Japanse zen, toen het nog nieuw en fris was.

Een minimalistisch mengelmoesje van taoïsme en boeddhisme dat volledige vrijheid van geest nastreeft.

Zijn zwaard is zo belangrijk voor hem dat Meester Tja het een naam gegeven heeft.

Niet Cyclopidant (reuzendoder), niet Trenselijn (doorsnijder), niet Helmscaert (helmsplijter), niet Excalibur (hardkliever) maar gewoon Tja.

Om zijn zwaard te hanteren hoeft Meester Tja het niet eens te trekken.

Hij hoeft alleen maar de naam van het zwaard uit te spreken, die gelijk is aan de naam van de meester.

Het zwaard is meester, zijn meester zwaard.

Samen snijden ze alle gedachten af, ook die over de meester en zijn zwaard.

-15-

Meester Tja en Vrouwe Justitia

De drie attributen van Meester Tja.

Blinddoek, balans en zwaard, aan wie doen deze drie attributen denken?

Inderdaad, aan Vrouwe Justitia.

Volgens Vrouwe Wikipedia is Vrouwe Justitia een Romeinse God, de verpersoonlijking van het recht.

De weegschaal staat voor een zorgvuldige afweging van de feiten, de blinddoek voor een eerlijk oordeel zonder aanzien des persoons, het zwaard voor het vonnis.

Dezelfde attributen, een andere betekenis.

Meester Tja is een kameleon die iedere gedaante kan aannemen: mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, menselijk, dierlijk, buitenaards, zwart, blank, geel, rood, noem maar op.

Ik had hem daarom ook, bijvoorbeeld, een Grieks uiterlijk kunnen geven ter herinnering aan de bakermat van het westerse scepticisme.

Dan had ik me moeten laten inspireren door Pyrrho van Elis of Socrates van Athene in plaats van de Tao Te Tjing.

Dan had Meester Tja nu Meester Weetnix of Meester Doenix of Meester Agnosis geheten.

Ik had me ook kunnen laten inspireren door Ongelovige Thomas of Prediker of Job.

Dan had Meester Tja nu Meester Merde of Meester Minder of Meester Nebbisj geheten.

Dan hadden zijn toespraken en dwaalspreuken een heel andere vorm gekregen, maar geen andere inhoud want inhoud hebben ze niet en nooit gehad.

In haar Romeinse gedaante, geïnspireerd door de scepticus Sextus Empiricus, zou Meester Tja Vrouwe Voorbehoud hebben geheten, die nooit definitieve uitspraken doet en haar oordeel eeuwig opschort.

Epoche (έποχή, epokhē) heet dat in het Grieks.

Meester Tja zegt liever tja.

-16-

Niet-symbolen voor de niet-leer van niet-weten

De niet-vorm van de niet-meester.

Je begrijpt, het is niet mijn bedoeling Meester Tja definitief vorm te geven – juist niet.

Het is niet mijn bedoeling meester Tja een definitieve naam te geven – juist niet.

Want het is niet mijn bedoeling een nieuwe leer te presenteren – juist niet.

Meester Tja staat niet-symbool voor de niet-leer van niet-doen en niet-weten.

Niet vergeten!

-17-

Waarom Meester Tja zo laconiek is

Je bent nog maar net begonnen aan dit Witboek Taoïsme en je weet al hoe Meester Tja aan die rare naam komt en waarom hij er zo raar uitziet.

Wat je nog niet weet is waarom hij zo raar praat.

Dat ga ik je nu uitleggen, daarna geef ik gauw het woord aan Meester Tja, misschien heeft hij er nog wat aan.

Er was eens een antiek Chinees boek met de titel Tao Te Tjing.

Het stond bekend als het oudste werk van de taoïstische canon, al hoorden de meesten er terecht of ten onrechte niet meer in dan in het geratel van espenbladeren of het geraaskal van dronken orakels.

Wie de moeite nam om het zelf te lezen, ontdekte dat het uit filosofische bespiegelingen en puntige spreuken bestond die je aan het denken zetten, aan het hoofd doen krabben of vertwijfeld de handen ten hemel doen heffen alsof de wijsheid daar wel te vinden is.

Om die tekst van slechts 5000 Chinese karakters een beetje toegankelijker te maken werd hij door latere generaties volgens een onnavolgbare logica in 81 hoofdstukjes gesplitst en over twee boekjes verdeeld.

Het tweede boekje, de Tao Tjing, ging volgens hen over de Weg en het eerste, de Te Tjing, over de Deugd, al gaan ze allebei over allebei.

Omdat de Weg door het nageslacht belangrijker werd geacht dan de Deugd of om wat voor reden dan ook of zonder reden of bij vergissing draaide het de volgorde van de boekjes om.

Sindsdien gaat de Tao Tjing vooraf aan de Te Tjing en heet het boek als geheel de Tao Te Tjing.

Een raar verhaal over een raar boekje – het lijkt wel een sprookje, laten we zeggen Zwartwitje, maar het is geen sprookje, het bestaat echt.

Volgens fans is het zelfs een van de meest vertaalde boekjes ooit. Daar kan ik me iets bij voorstellen want de Tao Te Tjing is zo obscuur dat iedere vertaler/liefhebber er vooral zichzelf in ziet en wie wil dat nou niet.

Spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie is de diepste van het land.

De Tao Te Tjing is de steen der wijzen die je eigen gedachten legitimeert.

Het is meteen ook de legitimering van de verstening van je eigen gedachten en de verstandbeelding van je eigen geest – twee koppen in één klap.

Nu is Meester Tja geen vertaler of liefhebber van de Tao Te Tjing, maar z’n monologen zijn ontstaan in dialoog met de Tao Te Tjing.

Al is hij niemands leerling en mag hij zeggen wat hij wil, hij moet wel het origineel volgen, niet alleen inhoudelijk, ook qua stijl en volgorde, anders raakt het verband zoek.

Vandaar dat Meester Tja soms een beetje raar praat.

Gelukkig went het snel en voor je het weet klink je net als Meester Tja – ik tenminste wel.

-18-

De beste man heeft geen idee

Of is dat ook maar een idee?

Direct onder de titel van elke toespraak van Meester Tja vind je een verwijzing naar het hoofdstuk waardoor hij is geïnspireerd of waartegen hij ageert.

Als het je interesseert, kan je er een vertaling van de Tao Te Tjing bij pakken, bijvoorbeeld die van Ir. Blok in de bijlage van dit Witboek Taoïsme, en de hoofdstukken vergelijken met de monologen.

Nodig is het niet, Meester Tja staat op eigen benen.

Hij maakt enthousiast gebruik van zijn voorganger, zeker, maar hij steunt er niet op. Integendeel, als het even kan haakt hij hem pootje.

Eigenlijk zegt Meester Tja alleen volmondig ja tegen het tja in het taoïsme.

Met het tja in het taoïsme bedoel ik natuurlijk de twee non-principes waar ik het al twee keer eerder over had: niet-weten en niet-doen.

Tegen de taoïstische metafysica en esoterie zegt Meester Tja geen ja of nee.

De beste man heeft geen idee.

Toespraken en dwaalspreuken van Meester Tja

-19-

In den blinde kom je thuis

(Vrij naar hoofdstuk 1 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja kan eenvoudig in woorden worden uitgedrukt.

Het is niet iets, het is niet het niets.

Het is niet de naam van de oorsprong van de tienduizend dingen en niet de naam van de bestemming van de tienduizend dingen.

Hoe je het ook zegt, hoeveel namen je er ook aan geeft, het Grote Tja stelt niets voor.

Het stelt niets voor, aan niemand, maar het is er altijd, voor iedereen.

Het is er voor degene die gebonden is door verlangens en het is er voor degene die vrij is van verlangens.

Het is er voor degene met een blinde vlek in zijn oog en het is er voor degene met oog voor zijn blinde vlek.

Het Grote Tja is duister, zelfs de toegangspoort is in duisternis gehuld.

Waar duisternis heerst valt niets te onderscheiden.

Waar niets te onderscheiden is valt niets te verenigen.

Daar is geen veelheid of eenheid.

Daar is geen Tao of Tja.

Daar is geen zoeken, vinden of kwijtraken.

In den blinde kom je thuis.

-20-

Taijitu 1

-21-

De wijze houdt het bij niet-weten en niet-doen

(Vrij naar hoofdstuk 2 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wat mooi is in de nacht is lelijk in de zon. Is het nou mooi of lelijk?

Wat makkelijk is voor een kind is moeilijk voor een volwassene. Is het nou makkelijk of moeilijk?

Wat hoog is voor een dwerg is laag voor een reus. Is het nou hoog of laag?

Wat veraf is voor een schildpad is dichtbij voor een haas. Is het nou veraf of dichtbij?

Wat goed is in het ene opzicht is slecht in het andere. Is het nou goed of slecht?

Wat vrij is voor je gevoel is onvrij voor je verstand. Ben je nu vrij of onvrij?

De wijze houdt het in zijn oordelen bij niet-weten, in zijn handelingen bij niet-doen.

Zo leeft hij zijn leer zonder lering.

Zo drukt hij wel uit maar niet dood.

-22-

Alleen zuchten geeft verlichting

(Vrij naar hoofdstuk 3 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Betrokkenheid leidt tot bemoeizucht, onverschilligheid tot zelfzucht.

Idealisme leidt tot veranderzucht, eigenbelang tot behoudzucht.

Hoop leidt tot bouwzucht, wanhoop tot vernielzucht.

Macht leidt tot heerszucht, onmacht tot wraakzucht.

Rijkdom leidt tot praalzucht, armoede tot hebzucht.

Alleen zuchten geeft verlichting.

-23-

Een wijze van spreken zonder wijzen

(Vrij naar hoofdstuk 4 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Tja maakt bot wat scherp is en woelt los wat vastzit.

Het versterkt wat zwak is en dimt wat verblindt.

Het vermindert de verschillen zonder eenheid te scheppen.

Het verheldert het troebele zonder duidelijkheid te geven.

Het komt uit de mond maar mondt nergens in uit.

Tja is geen wijze maar een wijze van spreken zonder wijzen.

-24-

De wijze is niet goed, de wijze is niet slecht

(Vrij naar hoofdstuk 5 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De natuur is niet partijdig en niet onpartijdig. De natuur is niet doelgericht en niet doelloos. De natuur is niet barmhartig en niet wreed. De natuur is niet goed en niet slecht.

De natuur heeft geen natuur, de natuur is de natuur.

Ook de wijze is niet partijdig of onpartijdig, doelgericht of doelloos, barmhartig of wreed, goed of slecht.

De wijze is niet wijs, zijn natuur is de natuur.

-25-

Als een priester zonder mond

(Vrij naar hoofdstuk 6 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Als een kip zonder kop

Als een berg zonder top

Als een dal zonder bodem

Als een vrouw zonder poort

Als een wezen zonder wezen

Als een opschrift zonder woord

Als een priester zonder mond

Als een reus zonder grootte

Als een hemel zonder rijk

Als een erf zonder grond

Als een dode zonder lijk

Is het Grote Tja

-26-

Taijitu 2

-27-

Geen garantie

(Vrij naar hoofdstuk 7 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De hemel bestaat al heel lang. De aarde is al flink op leeftijd. De mensheid komt net kijken. Het individu is een flits in de duisternis.

Wat mensen ook claimen, er is geen garantie op een goede gezondheid en een lang leven.

Iemand die op de achtergrond blijft wordt niet altijd ouder dan iemand die op de voorgrond treedt.

Iemand die zijn lichaam cultiveert wordt niet altijd ouder dan iemand die zijn lichaam misbruikt.

Iemand die zich om anderen bekommert wordt niet altijd ouder dan iemand die voor zichzelf leeft.

Iemand die gezond is wordt niet altijd ouder dan een zieke.

Zelfs een lang leven is niet meer dan een flits in de duisternis.

Vandaar dat de wijze er geen bepaalde strategie op nahoudt voor een goede gezondheid en een lang leven.

Ook dit is geen formule voor een goede gezondheid en een lang leven.

-28-

Het beste antwoord is een vraag

(Vrij naar hoofdstuk 8 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Water stroomt, ijs kraakt, stoom doodt. Vast, vloeibaar, gasvormig – nooit bepaalt water zijn eigen toestand. Onbedoeld oefent het invloed uit, ten goede of ten kwade of beide. Dat is zijn lot.

Gierzwaluwen wonen in de lucht, struisvogels op het zand, vissen onder water. Ze kunnen niet anders en ze willen niet anders. Dat is hun lot.

Mensen gedijen op de grond maar hunkeren naar de hemel. Ze kunnen wel anders maar ze willen niet anders. Dat is hun lot.

Vol zijn van de grond waarop je gedijt is voor weinigen weggelegd. Wie dat wil geef ik het volgende ter overweging:

Voor het denken is veelzijdigheid het best, voor diepzinnigheid oppervlakkigheid.

In het antwoorden gaat er niets boven vragen, in het vragen gaat er niets boven lachen.

Lachen tot het je vergaat en er niets meer boven staat.

-29-

Hoe ver vraag je door?

(Vrij naar hoofdstuk 9 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Om te snijden moet een mes scherp zijn, om je vingers te sparen bot. Hoelang slijp je door?

Om een tumor te verwijderen moet je ruim uitsnijden, om de functie te behouden krap. Hoeveel snij je weg?

Om bacteriën te bestrijden moet je meer antibiotica slikken, om je darmflora te ontzien minder. Hoeveel neem je in?

Om later te genieten moet je voor het zingen de kerk uit, om nu te genieten erna. Hoelang blijf je binnen?

Voor een bloeiende beschaving zijn veel mensen nodig, voor een bloeiende natuur weinig. Hoeveel is genoeg?

Om je van je gedachten te bevrijden moet je nadenken, door na te denken raak je verstrikt in gedachten. Hoe diep moet je gaan?

Om niet-weten te vinden moet je vragen stellen, van vragen komt weten. Hoe ver vraag je door?

-30-

Van je onwetendheid geen verlichting maken

(Vrij naar hoofdstuk 10 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Je op je adem concentreren en hem zacht maken, kun je dat? Je op je adem concentreren zonder hem te veranderen, kun je dat? Ademen zonder op te letten, kun je dat?

Je onzichtbare spiegel rein houden, kun je dat? Je onzichtbare spiegel onrein laten worden, kun je dat? Je onzichtbare spiegel breken, kun je dat?

Zitten en je hoofd leegmaken, kun je dat? Zitten zonder je hoofd leeg te maken, kun je dat? Zitten zonder zitten, kun je dat?

Iets goed doen, kun je dat? Iets niet-doen, kun je dat? Maar wat doen, kun je dat?

Van je wijsheid geen verlichting maken, kun je dat? Van je niet-weten geen wijsheid maken, kun je dat? Van je onwetendheid geen niet-weten maken, kun je dat?

-31-

Taijitu 3

-32-

De wijze blijft rustig onder zijn onrust

(Vrij naar hoofdstuk 10 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De wijze blijft rustig onder zijn onrust.

Bij wijze van wijsheid aanvaardt hij zijn dwaasheid.

Hij surft op elk getij en weet van kip noch ei.

Terwijl de poorten van de hemel zich openen doet hij wat hij doet zonder schaamte: rondrennen als een kip zonder kop, piekeren als een kop zonder kip of stilzitten als een hen op haar nest – net wat er komt.

Schaamt hij zich toch voor zijn gedrag, dan schaamt hij zich daar niet voor.

-33-

Waarom je de weg nooit zult vinden of kwijtraken

(Vrij naar hoofdstuk 10 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is geen weg.

Het Grote Tja is geen wegennet.

Het Grote Tja is een eindeloze vlakte.

Vooruit, achteruit, linksom, rechtsom – de weg is overal.

Vandaar dat je hem nooit zult vinden, niet hier en niet daar.

Vandaar dat je hem nooit zult kwijtraken, in geen honderd jaar.

Zeg maar tja tegen de weg.

Zeg maar tja.

-34-

Een vrije geest is een lege geest

(Vrij naar hoofdstuk 11 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie dik wil worden moet zijn buik volproppen.

Wie gek wil worden moet zijn hoofd volproppen.

Een vrije geest is een lege geest.

Een lege geest heeft een lege leer.

Hij heeft er geen omkijken naar en niemand kijkt naar hem om.

Daarom kan hij overal vrij rondkijken.

-35-

Grote gedachten, grote dwaasheid

(Vrij naar hoofdstuk 12 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Grote Wetenschap verblindt de geest.

Grote Verlichting verblindt de geest.

Grote Ambities verblinden de geest.

Grote Woorden verblinden de geest.

Grote Waarheid verblindt de geest.

Grote Prikkels verblinden de geest.

Grote Wijsheid verblindt de geest.

Grote Passies verblinden de geest.

Grote Idealen verblinden de geest.

Grote Goden verblinden de geest.

Groot Geloof verblindt de geest.

Groot Gezag verblindt de geest.

Grote gedachten, grote dwaasheid.

Kleine gedachten, kleine wijsheid.

-36-

Het wel en wee van ja en nee

(Vrij naar hoofdstuk 13 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

In de gunst staan is plezierig omdat het voordelen biedt, aanzien geeft en het ego streelt. In de gunst staan is vervelend omdat het verplichtingen met zich meebrengt, vleierij uitlokt en elk moment afgelopen kan zijn.

Wat is beter voor je, wel of niet in de gunst staan? Wie kunnen we het best belasten met het bestuur, iemand die in de gunst wil staan of iemand die onafhankelijk is?

Een hoge positie is plezierig omdat je dan invloed hebt, vrienden krijgt en beloond wordt. Een hoge positie is vervelend omdat je dan verantwoordelijkheid draagt, vijanden krijgt en je gezondheid schaadt.

Wat is beter voor je, wel of geen hoge positie? Wie kunnen we het best belasten met het bestuur, iemand die een hoge positie ambieert of iemand zonder ambities?

Wie zijn gezondheid verspeelt kan het rijk niet besturen, wie het rijk verspeelt kan best nog voor zijn lichaam zorgen. Wat verspeel je liever?

-37-

Zonder lichaam is leven ondenkbaar

(Vrij naar hoofdstuk 13 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Zonder lichaam is geboorte ondenkbaar.

Zonder lichaam is groei ondenkbaar.

Zonder lichaam is liggen ondenkbaar.

Zonder lichaam is zitten ondenkbaar.

Zonder lichaam is staan ondenkbaar.

Zonder lichaam is lopen ondenkbaar.

Zonder lichaam is kijken ondenkbaar.

Zonder lichaam is proeven ondenkbaar.

Zonder lichaam is ruiken ondenkbaar.

Zonder lichaam is eten ondenkbaar.

Zonder lichaam is drinken ondenkbaar.

Zonder lichaam is slapen ondenkbaar.

Zonder lichaam is dromen ondenkbaar.

Zonder lichaam is liefde ondenkbaar.

Zonder lichaam is vreugde ondenkbaar.

Zonder lichaam is verdriet ondenkbaar.

Zonder lichaam is angst ondenkbaar.

Zonder lichaam is ergernis ondenkbaar.

Zonder lichaam is lezen ondenkbaar.

Zonder lichaam is schrijven ondenkbaar.

Zonder lichaam is denken ondenkbaar.

Zonder lichaam is kennis ondenkbaar.

Zonder lichaam is wijsheid ondenkbaar.

Zonder lichaam is kunst ondenkbaar.

Zonder lichaam is muziek ondenkbaar.

Zonder lichaam is pijn ondenkbaar.

Zonder lichaam is aftakeling ondenkbaar.

Zonder lichaam is sterven ondenkbaar.

Zonder lichaam is alles ondenkbaar maar kennen kunnen wij ons lichaam niet.

Wie het leven kent als zijn lichaam kan men het Tja wel toevertrouwen.

-38-

Taijitu 4

-39-

We denken tot we denken dat we het snappen

(Vrij naar hoofdstuk 14 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

We zien wel, maar we snappen het niet.

We snappen niet dat we zien.
We snappen niet wat we zien.
We snappen niet waarom we zien.
We snappen niet waarmee we zien.
We snappen niet hoe we zien.
We snappen niet wie er ziet.

We horen wel, maar we snappen het niet.

We snappen niet dat we horen.
We snappen niet wat we horen.
We snappen niet waarom we horen.
We snappen niet waarmee we horen.
We snappen niet hoe we horen.
We snappen niet wie er hoort.

We voelen wel, maar we snappen het niet.

We snappen niet dat we voelen.
We snappen niet wat we voelen.
We snappen niet waarom we voelen.
We snappen niet waarmee we voelen.
We snappen niet hoe we voelen.
We snappen niet wie er voelt.

We willen wel, maar we snappen het niet.

We snappen niet dat we willen.
We snappen niet wat we willen.
We snappen niet waarom we willen.
We snappen niet waarmee we willen.
We snappen niet hoe we willen.
We snappen niet wie er wil.

We denken wel, maar we snappen het niet.

We snappen niet dat we denken.
We snappen niet wat we denken.
We snappen niet waarom we denken.
We snappen niet waarmee we denken.
We snappen niet hoe we denken.
We snappen niet wie er denkt.

Maar we denken dat we het snappen.

We denken tot we denken dat we het snappen.

We denken en we denken en we denken…

-40-

Hou je liever van de domme

(Vrij naar hoofdstuk 14 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Waarom trachten te doorgronden?

Hou je liever van de domme.

Hou je liever van de domme tot je niet meer hoeft.

Hou je liever van de domme tot je niet meer hoeft te doen.

Hou je liever van de domme tot je niet meer hoeft te doen alsof.

Hou je liever van de domme tot je niet meer hoeft te doen alsof je niet meer doet alsof.

-41-

Meester Tja doet alsof

(Vrij naar hoofdstuk 15 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Nooit is iemand doorgedrongen in de duisternis van de subtielste mysteriën. Nooit zal iemand erin doordringen. Waarom niet?

Omdat alles al doordrongen is van duisternis en mysterie. Wijzelf zijn duisternis en mysterie. We zijn ervan doordrongen, maar dóórdringen wil het niet.

We kunnen het niet zien want we willen het niet zien. We willen het niet zien want het onbekende jaagt ons angst aan. Het onbekende jaagt ons angst aan, al zijn we het zelf.

Om aan de duisternis te ontsnappen vertellen we elkaar almaar over een of ander Licht. Met zijn allen spelen we dat alles helder en klaar is.

Maar we spelen het niet klaar, we doen alleen alsof. Ook dat spelen we niet klaar, we doen alleen alsof we niet doen alsof. Waarom? Ook dat maakt deel uit van het mysterie.

Dit was het verhaal van de duisternis van de subtielste mysteriën.

Meester Tja deed even alsof.

-42-

Gelukkig mijn ongeluk

(Vrij naar hoofdstuk 15 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Gelukkig mijn ongeluk,
gelaten mijn doen,
rustig mijn onrust en
vredig mijn onvrede.

Waarachtig mijn onwaarachtigheid,
gedachteloos mijn gedachten,
sprakeloos mijn woorden en
weteloos mijn weten.

-43-

De dwijze is volkomen onvolkomen

(Vrij naar hoofdstuk 15 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De dwijze is geen dwaas en geen wijze.

Hij doet zonder doen, hij weet zonder weten.

Hij is zo licht en tastbaar als zijn nee en zijn ja, zo duister en ongrijpbaar als zijn eeuwige tja.

Zijn diepte is oppervlakkigheid, zijn ondiepte bodemloos.

Omdat hij zich niet laat kennen, zelfs niet als onkenbaar, zal ik een beeld schetsen.

De dwijze is behoedzaam als wie zijn vrienden vreest en zijn vijanden vertrouwt.

Hij is ingetogen als een gast en opgetogen als een kind.

Hij is massief als een berg en leeg als een vallei.

Hij is wijkend en kruiend als smeltend ijs.

Wie is het die zijn helderheid behoudt zonder ooit de troebelen te klaren?

Wie is het die rust neemt in beweging en actief blijft in rust?

De dwijze: vol van niets, rijk van armoe en volkomen onvolkomen.

-44-

Taijitu 5

-45-

Waarom de wijze zich niet laat kennen

(Vrij naar hoofdstuk 16 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De wijze houdt niets achter maar kennen kun je hem niet. Hoe dat komt?

Hij neemt niets aan, je weet maar nooit. Hij wijst niets af, je weet maar nooit.

Hij keurt niets goed, je weet maar nooit. Hij keurt niets af, je weet maar nooit.

Hij raadt niets aan, je weet maar nooit. Hij raadt niets af, je weet maar nooit.

Hij werkt niet mee, je weet maar nooit. Hij werkt niet tegen, je weet maar nooit.

Hij gaat niet weg, je weet maar nooit. Hij blijft niet thuis, je weet maar nooit.

Hij juicht niet mee, je weet maar nooit. Hij klaagt niet aan, je weet maar nooit.

Soms weet hij wél, je weet maar nooit. Maar meestal niet, hij weet het nooit.

-46-

Een raadsel dat vanzelf oplost

(Vrij naar hoofdstuk 17 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft, bevestigt niet wat hij nú niet kan bevestigen. Hij ontkent niet wat hij nú niet kan ontkennen.

Daarom bevestigt hij niets en ontkent hij niets, dit ook niet.

Bevestigt of ontkent hij toch iets, dan alleen voor het moment dat geen duur kent.

Wie tja heeft vertegenwoordigt alles of niets. Hij vertegenwoordigt hemel én aarde, de ander noch zichzelf, nee én ja, goed noch kwaad.

Een vertegenwoordiger van woorden of gedachten is hij niet. Wel is hij tegenwoordiger van geest dan hij ooit is geweest.

Alwetend noch onwetend, vrij noch onvrij – een raadsel dat vanzelf oplost.

-47-

Grote heersers heersen niet

(Vrij naar hoofdstuk 17 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Van grote heersers weten de onderdanen nauwelijks dat ze bestaan.

Grote heersers weten zelf nauwelijks dat ze bestaan.

Grote heersers weten nauwelijks of hun onderdanen wel bestaan of wie heerst over wie.

Nooit menen ze enige verdienste verworven te hebben.

Nooit denken ze enig werk volvoerd te hebben.

Nooit zijn ze bedachtzaam of onnadenkend.

Nooit zijn hun woorden of daden kostbaar.

Wat ze ook doen, ze doen maar wat en ook hun niet-doen doen ze niet.

Wat ze ook zeggen, ze zeggen maar wat en dat zeggen ze ook.

Van grote heersers weten de onderdanen nauwelijks dat ze bestaan.

-48-

Als het Tja van huis is, dansen de denkers op tafel

(Vrij naar hoofdstuk 18 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Als het Tja van huis is, dansen de denkers op tafel.

Dan krijgen we welles en nietes, juist en onjuist, goed en kwaad, hemel en hel.

Dan komen er goden en mensen, monniken en leken, heiligen en zondaars, inquisiteurs en ketters.

Dan krijgen we waarheid en leugen, werkelijkheid en illusie, kennis en onwetendheid, gehechtheid en onthechting.

Dan komen er rechtzinnigen en vrijzinnigen, zieners en blinden, meesters en leerlingen, wijzen en dwazen.

Als het Tja van huis is, dansen de denkers op tafel.

-49-

Geen enkele richtlijn maakt vrij

(Vrij naar hoofdstuk 19 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Leer je eigen sluwheid en hebzucht kennen. Zolang wij er zijn zullen er rovers en dieven zijn.

Leer je eigen praatzucht en praalzucht kennen. Zolang wij er zijn zullen er kletskousen en uitslovers zijn.

Leer je eigen pretenties en dromen kennen. Zolang wij er zijn zullen er idealisten en radicalen zijn.

Leer je eigen medelijden en hulpvaardigheid kennen. Zolang wij er zijn zullen er samaritanen en verlossers zijn.

Stop met het achten van kennis en het minachten van onwetendheid.

Hou op met het heilige onderscheiden en verenigen.

Vergeet het weten en vergeet het vergeten.

Laat al je denkbeelden gaan, ook deze.

Want streven naar eenvoud is ingewikkeld en niet willen begeren is begeerte.

Geen enkele richtlijn maakt vrij – dus luister vooral niet naar mij.

-50-

Taijitu 6

-51-

Verzaak de wijsheid

(Vrij naar hoofdstuk 19 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Verzaak de wijsheid.

Verzaak de wijsheid en je zult geen idee hebben.

Verzaak de wijsheid en je zult geen idee hebben van liefde.

Verzaak de wijsheid en je zult geen idee hebben van liefde, en toch niet zonder zijn.

Verzaak de wijsheid en je zult geen afkeer van begeerte hebben of onverschilligheid begeren.

Verzaak de wijsheid en het onzuivere dat je veracht zal op zijn eigen wijze maagdelijk blijken.

Verzaak de wijsheid en je zelfzucht zal de jouwe niet zijn, ze zal je niet dienen en aan anderen geen schade berokkenen.

Verzaak de wijsheid en je zult het recht niet meer kennen, niet meer vaardig wezen, rechtvaardig noch onrechtvaardig zijn over anderen of jezelf.

Verzaak de wijsheid en je zult het volk niet meer mennen, geen voordeel meer kennen, door niemand meer bevoordeeld worden en niemand bevoordelen.

Verzaak de wijsheid en de laatsten zullen de eersten zijn, de eersten weer de laatsten.

Verzaak de wijsheid en je zult geen idee hebben van hemel of hel, hoger of lager, absoluut of relatief.

Verzaak de wijsheid en je zult geen idee hebben.

Verzaak de wijsheid.

-52-

Wijsheid is van alle markten, maar nooit thuis

(Vrij naar hoofdstuk 20 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Hou op met leren, dan leef je onbezorgd, beweert de eerste. Hoe meer je leert, hoe minder zorgen, beweert een tweede. Geleerd of ongeleerd, zorgen zijn zorgen, beweert een derde. Onbezorgd leven kun je leren, beweert een vierde.

Wie vrees inboezemt moet voor zijn leven vrezen, beweert de eerste. Wie vrees inboezemt heeft zelf niets meer te vrezen, beweert een tweede. Wie geen vrees inboezemt moet voor zijn leven vrezen, beweert een derde. Wie geen vrees inboezemt heeft niets te vrezen, beweert een vierde.

Iets kan mooi zijn in het ene opzicht, lelijk in het andere, beweert de eerste. Iets is altijd mooi en lelijk, beweert een tweede. Wat mooi is voor de een, is lelijk voor de ander, beweert een derde. Niets is mooi of lelijk van zichzelf, dat maakt het denken ervan, beweert een vierde.

Ja is ja en nee is nee, beweert de eerste. Ja is nee en nee is ja, beweert een tweede. Het is altijd ja én nee, beweert een derde. Het is altijd ja noch nee, beweert een vierde.

Want wijsheid is van alle markten, maar nooit thuis.

-53-

Waarom, dat vraag ik niet

(Vrij naar hoofdstuk 20 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Nu eens lig ik stil zonder teken als een baby die niet weet wat lachen is, dan weer straal ik van lust als iemand die zich vergast aan het stierenoffer.

Waarom, dat vraag ik niet. Vraag ik het toch dan vraag ik niet waarom.

Nu eens keer ik naar binnen als iemand die in de zomer terrassen bestijgt of zich ’s winters verwarmt aan een vuur, dan weer klamp ik vreemden aan als iemand die al jaren verstoken is van gezelschap.

Waarom, dat vraag ik niet. Vraag ik het toch dan vraag ik niet waarom.

Nu eens speel ik deze rol, dan weer die; soms ben ik zus, soms zo.

Waarom, dat vraag ik niet. Vraag ik het toch dan vraag ik niet waarom.

-54-

Onmetelijk het verschil tussen weten en niet-weten

(Vrij naar hoofdstuk 20 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie ongetwijfeld zegt, weet.

Wie waarschijnlijk zegt, weet.

Wie misschien zegt, weet.

Wie onwaarschijnlijk zegt, weet.

Wie onmogelijk zegt, weet.

Zo gering als het verschil tussen ongetwijfeld en onmogelijk, zo onmetelijk is het verschil tussen weten en niet-weten.

-55-

Allemaal volgen we het Grote Tja

(Vrij naar hoofdstuk 21 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Mijn zien is zonder zien.
Mijn horen is zonder horen.
Mijn ruiken is zonder ruiken.
Mijn voelen is zonder voelen.

Zien, horen, ruiken, voelen –
Allemaal volgen ze het Grote Tja.

Mijn denken is zonder denken.
Mijn weten is zonder weten.
Mijn menen is zonder menen.
Mijn oordelen is zonder oordelen.

Denken, weten, menen, oordelen –
Allemaal volgen ze het Grote Tja.

Mijn geven is zonder geven.
Mijn nemen is zonder nemen.
Mijn hebben is zonder hebben.
Mijn hechten is zonder hechten.

Geven, nemen, hebben, hechten –
Allemaal volgen ze het Grote Tja.

Mijn deugd is zonder deugd.
Mijn zonde is zonder zonde.
Mijn doen is zonder doen.
Mijn laten is zonder laten.

Deugd, zonde, doen, laten –
Allemaal volgen ze het Grote Tja.

Mijn religie is zonder religie.
Mijn waarheid is zonder waarheid.
Mijn wijsheid is zonder wijsheid.
Mijn woord is zonder woord.

Religie, waarheid, wijsheid, woord –
Allemaal volgen ze het Grote Tja.

Mijn God is zonder God.
Mijn Tao is zonder Tao.
Mijn Zelf is zonder Zelf.
Mijn ik is zonder ik.

God, Tao, Zelf en ik –
Allemaal volgen we het Grote Tja.

-56-

Een meester van niets

(Vrij naar hoofdstuk 21 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is geen volgeling.
Mijn meester heeft geen meester.
Hij is zijn eigen leerling:
Een leerling van niets.

Het Grote Tja is niet te volgen.
Mijn meester heeft geen leerlingen.
Ik ben mijn eigen meester:
Een meester van niets.

-57-

Waarom de wijze vrijuit kan spreken

(Vrij naar hoofdstuk 22 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

In dit leven weet je het maar nooit.

Wat hol is loopt leeg of vol.

Wie ziek is herstelt of sterft.

Wat buigt veert terug of barst.

Wie rijk is wordt rijker of armer.

Wie mooi is wordt mooier of lelijker.

Wat krom is trekt krommer of rechter.

Al houdt het Tja zich niet aan hem, de wijze houdt zich aan het Tja.

Niet-wetende is hij herder noch schaap, verdienstelijk noch onverdienstelijk, aanzienlijk noch onzienlijk, eenvoudig noch samengesteld, edel noch onedel.

Hij heeft niets te verhullen, dus kan hij vrijuit spreken.

Hij heeft niets te onthullen, dus kan hij voluit zwijgen.

-58-

Taijitu 7

-59-

Wie zichzelf in de schaduw stelt werpt geen licht

(Vrij naar hoofdstuk 22 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie zichzelf in het licht stelt zal een schaduw werpen maar wie zichzelf in de schaduw stelt werpt daarom nog geen licht.

De wijze stelt zichzelf niet in het licht maar daarom schittert hij nog niet.

Hij slaat zichzelf niet hoog aan maar daarom blinkt hij nog niet uit.

Wijs is wie zijn dwaasheid erkent.

Dwaas is wie dat ziet als zijn verdienste.

-60-

Op wijsheid staat geen maat

(Vrij naar hoofdstuk 23 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De hele dag praten is niet onnatuurlijk.

Afwisselend spreken en zwijgen is niet onnatuurlijk.

Geen stom woord zeggen – niets is onnatuurlijk.

Als de mens al geen maat weet te houden, hoeveel minder dan de natuur.

Het blijft maar regenen of het blijft maar droog of het blijft maar wisselvallig. Zo is de hemel.

Het blijft maar vriezen of het blijft maar dooien of het blijft maar kwakkelen. Zo is de aarde.

Als hemel en aarde al geen maat weten te houden, hoeveel minder dan de wijze.

Hij weet niet van ophouden omdat hij nergens aan begint. Daarom kan niemand hem voor zijn karretje spannen.

Hij weet niet van beginnen omdat hij helemaal klaar is. Daarom kan niemand iets met hem aanvangen.

Hij heeft niets te winnen omdat hij alles al heeft. Daarom valt er niets aan hem te slijten.

Hij heeft niets te verliezen omdat hij alles al kwijt is. Daarom valt er niets bij hem te halen.

Op wijsheid staat geen maat.

-61-

Wie nergens op staat valt vrij

(Vrij naar hoofdstuk 24 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Iedereen schept weleens op, tegen zichzelf of tegen anderen. Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden – snoeven doen we allemaal.

Iedereen doet weleens alsof, voor zichzelf of voor anderen. Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden – veinzen doen we allemaal.

Daarom:

Wie zijn pretenties ontkent, staat zwak.

Wie zijn pretenties erkent, staat sterk.

Wie andermans pretenties herkent, staat nergens op.

Wie nergens op staat, valt vrij.

Of is dat weer opschepperij?

-62-

Hoe groot is een idee?

(Vrij naar hoofdstuk 25 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Was de aarde er vóór de dingen? Was de hemel er vóór de aarde? Zo ja of nee, wat was er dan vóór die tienduizend twee? Wie denkt er zo ver met mij mee?

Heeft de kosmos een moeder? Heeft die moeder een vader? Heeft die vader een oorzaak? Heeft die oorzaak een bron? Wie denkt er zo ver met mij mee?

Waar komen wij vandaan? Waar zijn wij op dit moment? Waar gaan we naartoe? Wie waren wij, wie zijn wij en zijn wij er straks geweest? Wie denkt er zo ver met mij mee?

Groots is de kosmos, grootser nog de onzekerheid die hem verhult.

Of is het niet de onzekerheid maar de Onzekere – mysterie zonder vlees of blaam?

Nog weet ik niet zijn naam, alleen zijn bijnaam mag er wezen als zijn wezen noch zijn vorm – het Grote Tja (on)aangenaam.

Geen ja, geen nee, gedachtenwee: hoe groot precies is een idee?

Wie denkt er, o, wie denkt zo ver, wie denkt er met mij mee?

-63-

De weg van het Tja leidt overal van weg

(Vrij naar hoofdstuk 25 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De weg van het Tja is de weg naar de hemel.

De weg naar de hemel is de weg naar de aarde.

De weg naar de aarde is de weg naar de mensen.

De weg naar de mensen is de weg naar jezelf.

De weg naar jezelf is de weg naar je lijf.

De weg naar je lijf is de weg naar je geest.

De weg naar je geest is de weg naar het weten.

De weg naar het weten is de weg naar niet-weten.

De weg naar niet-weten is de weg van het Tja.

Bis

-64-

Taijitu 8

-65-

Wie stilte zoekt hoort alles

(Vrij naar hoofdstuk 26 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie de wereld bestuurt verliest zijn lichaam uit het oog.
Wie zijn lichaam verzorgt verliest de wereld uit het oog.

Wie bezorgd is over zijn bagage zal slecht slapen.
Wie goed slaapt zal beroofd worden.

Wie veel weegt komt moeilijk in beweging.
Wie weinig weegt waait makkelijk om.

Wie zwak is wordt onder de voet gelopen.
Wie sterk is wordt uitgedaagd.

Wie niets onderneemt verveelt zich dood.
Wie iets onderneemt ergert zich dood.

Wie arm is heeft weinig te besteden.
Wie rijk is heeft veel te verliezen.

Wie alles hoort zoekt stilte.
Wie stilte zoekt hoort alles.

Wie Tja heeft…

-66-

Keerzijden munten

(Vrij naar hoofdstuk 26 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wat zwaar is voor het kind is licht voor de ouder. Zwaar kan de wortel van licht niet zijn, licht niet de wortel van zwaar.

Wat rust is van veraf is beweging van dichtbij. Rust kan de wortel van beweging niet zijn, beweging niet de wortel van rust.

Wat koud is voor een warme hand is warm voor een koude. Koude kan de wortel van warmte niet zijn, warmte niet de wortel van koude.

Wat wijsheid is voor een dwaas is dwaasheid voor een wijze. Wijsheid kan de wortel van dwaasheid niet zijn, dwaasheid niet de wortel van wijsheid.

Wat is de wortel van beide?

Wat wil kiezen voor een van beide.

-67-

Waarom voor de wijze alles eenvoudig is

(Vrij naar hoofdstuk 26 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De wijze ziet steeds het hele plaatje.

Hij ziet de zwakte van kracht
en de kracht van zwakte.

Hij ziet het lage van het hoge
en het hoge van het lage.

Hij ziet het nemen in het geven
en het geven in het nemen.

Hij ziet het kleine van het grote
en het grote van het kleine.

Hij ziet het slechte van het goede
en het goede van het slechte.

Hij ziet het lelijke van het schone
en het schone van het lelijke.

Hij ziet de dwaasheid van wijsheid
en de wijsheid van dwaasheid.

Hij ziet het voordeel van het nadeel
en het nadeel van het voordeel.

De wijze ziet steeds het hele plaatje.

Daarom is alles voor hem eenvoudig.

-68-

Een goede denker bedenkt zich

(Vrij naar hoofdstuk 27 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Een goede dichter opent.

Een goede bouwer sloopt.

Een goede vinder verliest.

Een goede leerling spijbelt.

Een goede meester leert af.

Een goede spreker herroept.

Een goede advocaat valt aan.

Een goede reiziger blijf thuis.

Een goede verstaander is doof.

Een goede denker bedenkt zich.

Een goede wijsgeer maakt niemand wijzer.

Door niet naar het licht te streven geeft hij ruimte aan het duistere en verkleint zo het verschil.

De meester niet hoogschatten, de leerling niet geringschatten, daar begint het mee.

Wie kan zeggen waarmee het eindigt?

-69-

De beste luisteraar ligt op één oor

(Vrij naar hoofdstuk 27 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Een goede luisteraar laat zich niet gek maken.
Een betere luisteraar laat zich niets wijsmaken.
De beste luisteraar ligt op één oor
en hoort de stilte tussen de woorden.

Een goede spreker laat niets ongezegd.
Een betere spreker laat niets gezegd.
De beste spreker zegt maar wat
en zegt het ook – bij dezen.

-70-

Een goede spreker laat het spreken zwijgen

(Vrij naar hoofdstuk 27 van de Tao Te Tjing)

Een goede spreker.

Een goede spreker laat.

Een goede spreker laat het spreken.

Een goede spreker laat het spreken zwijgen.

Een goede zwijger laat het zwijgen spreken.

Een goede zwijger laat het zwijgen.

Een goede zwijger laat.

Een goede zwijger.

-71-

Taijitu 9

-72-

De paradox van volledige aanvaarding

(Vrij naar hoofdstuk 27 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Je vraagt hoe je tot volledige aanvaarding van de tienduizend dingen kunt komen. Is weigering niet één van de tienduizend dingen?

Je vraagt hoe je tot volledige aanvaarding van je weigering kunt komen. Is weigering van je weigering niet één van de tienduizend dingen?

-73-

Niet-doen vraagt geen blazoen

(Vrij naar hoofdstuk 27 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Niet-uitmunten vraagt geen oefening
en niemand voelt zich minder.

Niet-verwerpen vraagt geen vuisten
en niemand neemt aanstoot.

Niet-weten vraagt geen uitspraak
en niemand kan verdedigen.

Niet-rekenen vraagt geen telraam
en niemand maakt fouten.

Niet-binden vraagt geen banden
en niemand kan ontbinden.

Niet-helpen vraagt geen handen
en niemand kan weigeren.

Niet-sluiten vraagt geen grendel
en niemand kan openen.

-74-

Zo word je ’s werelds schilder

(Vrij naar hoofdstuk 28 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Doorzie het mannelijke en het vrouwelijke, dan word je ’s werelds fallus. De honderd seksen zul je welkom heten als je eigen sekse. Ze zullen je welkom heten als hun eigen geslacht.

Doorzie je eergevoel en je schaamte, dan word je ’s werelds vlakte. De duizend dalen zul je welkom heten als je eigen pieken. Ze zullen je welkom heten als hun hoogste top.

Doorzie het witte en het zwarte, dan word je ’s werelds schilder. De tienduizend tinten zul je welkom heten als je eigen palet. Ze zullen je welkom heten als hun diepste kleur.

-75-

Ik verloor mijn hemel en ik verloor mijn hel

(Vrij naar hoofdstuk 28 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Ik verloor mijn soevereiniteit en ik verloor mijn kwetsbaarheid maar ik ben nooit zonder Tja.

Ik verloor mijn vrienden en ik verloor mijn vijanden maar ik ben nooit zonder Tja.

Ik verloor mijn deugd en ik verloor mijn ondeugd maar ik ben nooit zonder Tja.

Ik verloor mijn hemel en ik verloor mijn hel maar ik ben nooit zonder Tja.

Ik verloor mijn doen en ik verloor mijn laten maar ik ben nooit zonder Tja.

Ik verloor mijn weg en ik verloor mijn doel maar ik ben nooit zonder Tja.

Ik verloor mijn wijsheid en ik verloor mijn dwaasheid maar ik ben nooit zonder Tja.

Ik verloor mijn weten en ik verloor mijn niet-weten maar ik ben nooit zonder Tja.

Mijn Tja zal ik nooit verliezen, ik heb het nooit gehad.

-76-

Niet-weten is armoede van geest

(Vrij naar hoofdstuk 29 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Boeren maken hokjes op hun erf om dieren in op te sluiten. Dat noemen we slimheid. Hoe meer hokjes hoe rijker de boer.

Mensen maken hokjes in hun geest om gedachten in op te sluiten. Dat noemen we geleerdheid. Hoe meer hokjes hoe rijker de geest.

Nooit zul je jezelf in een hokje kunnen opsluiten. Jij bent groter dan alle zelfbeelden bij elkaar.

Nooit zul je de mens in een hokje kunnen opsluiten. Wij zijn groter dan alle mensbeelden bij elkaar.

Nooit zul je de wereld in een hokje kunnen opsluiten. Die is groter dan alle wereldbeelden bij elkaar.

De wereld die groter is dan alle wereldbeelden bij elkaar, de mens die groter is dan alle mensbeelden bij elkaar, jijzelf die groter bent dan alle zelfbeelden bij elkaar – het zijn op hun beurt hokjes in je geest. Net als ‘niet-weten’, ‘armoede’ en ‘geest’.

Niet-weten is armoede van geest.

-77-

Taijitu 10

-78-

Dwazen zoeken wijsheid, wijzen gaan er voorbij

(Vrij naar hoofdstuk 29 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Sommigen vechten zich onvermoeibaar omhoog.
Anderen zitten gauw bij de pakken neer.

Wie kan zeggen waarom?

Sommigen kunnen tegen een stootje.
Anderen zijn snel van slag.

Wie kan zeggen waarom?

Sommigen kunnen geen hitte velen.
Anderen verdragen geen koude.

Wie kan zeggen waarom?

Sommigen moeten voorgaan.
Anderen moeten volgen.

Wie kan zeggen waarom?

Sommigen richten beelden op.
Anderen halen ze neer.

Wie kan zeggen waarom?

Sommigen bloeien op bij actie.
Anderen gedijen bij rust.

Wie kan zeggen waarom?

Dwazen zoeken wijsheid.
Wijzen gaan er voorbij.

Snap je nu waarom?

-79-

Wie tegen het Tja ingaat is er gauw geweest

(Vrij naar hoofdstuk 30 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

‘Wapens veroorzaken geweld!’

‘Wapens voorkomen geweld!’

‘Wapens kunnen geweld veroorzaken en voorkomen!’

‘Geweld vindt ook zonder wapens zijn weg!’

‘Wapens moeten een staatsmonopolie zijn!’

‘Iedereen heeft recht op wapens!’

‘Wapens moeten totaal verboden worden!’

‘Alleen geweld kan een eind maken aan geweld!’

‘Alleen geweldloosheid kan een eind maken aan geweld!’

‘Alleen innerlijke vrede kan een eind maken aan geweld!’

‘Alleen politieke hervorming kan een eind maken aan geweld!’

‘Alleen economische hervorming kan een eind maken aan geweld!’

‘Alleen religie kan een eind maken aan geweld!’

‘Alleen technologie kan een eind maken aan geweld!’

‘Alleen eugenetica kan een eind maken aan geweld!’

‘Alleen geboortebeperking kan een eind maken aan geweld!’

‘Alleen een gecombineerde aanpak kan een eind maken aan geweld!’

‘Niets kan een eind maken aan geweld!’

‘Iedereen verlangt diep in zijn hart naar vrede!’

‘Iedereen verlangt diep in zijn hart naar oorlog!’

‘In vredestijd verlangt iedereen naar oorlog, in oorlogstijd verlangt iedereen naar vrede!’

‘Iedereen verlangt zowel naar vrede als naar oorlog!’

Je ziet, als het over geweld gaat heeft iedereen een mening.

Zijn meningen geweld of is dat weer een mening?

Wie tegen het Tja ingaat is er gauw geweest.

Niet-weten is een weldaad voor de geest.

Tot zover dit meningenfeest.

-80-

Het enige succes is menen te slagen

(Vrij naar hoofdstuk 30 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De enige mislukking is menen te falen.

Het enige succes is menen te slagen.

Het enige weten is menen te weten.

Het enige doen is menen te doen.

Als zelfs niet-weten is vergeten,
mag dat dan wijsheid heten?

Dat moet je zelf maar weten.

Zelf zeg ik liever tja.

-81-

Zonder wapens geen wereld

(Vrij naar hoofdstuk 31 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Hoofden zijn wapens.
Tanden zijn wapens.
Handen zijn wapens.
Vingers zijn wapens.
Ellebogen zijn wapens.
Schouders zijn wapens.
Piemels zijn wapens.
Borsten zijn wapens.
Knieën zijn wapens.
Schenen zijn wapens.
Voeten zijn wapens

Hoeven zijn wapens.
Horens zijn wapens.
Tentakels zijn wapens.
Stekels zijn wapens.
Klauwen zijn wapens.
Poten zijn wapens.
Vleugels zijn wapens.
Angels zijn wapens

Stenen zijn wapens.
Kiezels zijn wapens.
Grit is een wapen.
Zand is een wapen.
Kuilen zijn wapens.
Diepten zijn wapens.
Hoogten zijn wapens

Water is een wapen.
IJs is een wapen.
Gas is een wapen.
Lucht is een wapen.
Slijm is een wapen.
Lijm is een wapen.
Olie is een wapen.
Vuur is een wapen

Stokken zijn wapens.
Ploegen zijn wapens.
Spaden zijn wapens.
Hamers zijn wapens.
Sikkels zijn wapens.
Vijzels zijn wapens.
Messen zijn wapens.
Vorken zijn wapens

Ziekten zijn wapens.
Medicijnen zijn wapens.
Kinderen zijn wapens.
Dierbaren zijn wapens.
Rijkdom is een wapen.
Armoede is een wapen.
Kracht is een wapen.
Zwakte is een wapen

Hersens zijn wapens.
Kennis is een wapen.
Onkunde is een wapen.
Gedachten zijn wapens.
Emoties zijn wapens.
Woorden zijn wapens.
Zwijgen is een wapen.

Zonder wapens geen wereld.

Ook wie Tja heeft voert ze.

In vrede, oorlog en daarbuiten.

Links, rechts en in het midden.

-82-

Gedoemd zijn de levenden

(Vrij naar hoofdstuk 31 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wij mensen doden en laten voor ons doden.

Maar we noemen het geen doden.

We noemen het terechtstellen.

We noemen het gerechtigheid.

We noemen het pasteuriseren.

We noemen het afschrikken.

We noemen het ontsmetten.

We noemen het steriliseren.

We noemen het euthanasie.

We noemen het voorkomen.

We noemen het verdedigen.

We noemen het beveiligen.

We noemen het beheersen.

We noemen het bestrijden.

We noemen het Gods Wil.

We noemen het eerwraak.

We noemen het bestralen.

We noemen het zuiveren.

We noemen het afmaken.

We noemen het bereiden.

We noemen het genezen.

We noemen het slachten.

We noemen het beheren.

We noemen het oogsten.

We noemen het ruimen.

We noemen het wieden.

We noemen het rooien.

We noemen het vissen.

We noemen het jagen.

We noemen het eten.

We noemen het van alles, behalve doden.

Maar wij mensen doden en laten voor ons doden.

Allemaal.

-83-

Gezegend zijn de doden

(Vrij naar hoofdstuk 31 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Het is tot mijn verdriet dat ik in het doden vreugde vindt.

Het is tot mijn vreugde dat ik van het doden verdriet heb.

Gezegend zijn de doden, hen maakt het niets meer uit.

-84-

Taijitu 11

-85-

De dienaren des levens zijn de dienaren des doods

(Vrij naar hoofdstuk 31 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Dezelfde boom draagt de vrucht
en verstikt de zaailing.

Hetzelfde mes snijdt het vlees aan
en de hals door.

Dezelfde mond zoent de vriend
en bijt de vijand.

Hetzelfde vuur gaart de kool
en verkoolt het brood.

Hetzelfde water laaft de koe
en verdrinkt het kalf.

De dienaren des levens
zijn de dienaren des doods.

-86-

Voorbij zekerheid en twijfel

(Vrij naar hoofdstuk 31 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Sommige mensen menen oorlog te moeten voeren. Ik niet. Andere menen vrede te moeten stichten. Ik niet. Weer andere twijfelen of ze oorlog moeten voeren of vrede moeten stichten. Ik niet.

Sommige mensen menen menselijk te zijn. Ik niet. Andere menen onmenselijk te zijn. Ik niet. Weer andere twijfelen of ze menselijk of onmenselijk zijn. Ik niet.

Sommige mensen menen iemand te zijn. Ik niet. Andere menen niemand te zijn. Ik niet. Weer andere twijfelen of ze iemand of niemand zijn. Ik niet.

Sommige mensen menen zichzelf te moeten blijven. Ik niet. Andere menen te moeten veranderen. Ik niet. Weer andere twijfelen of ze zichzelf moeten blijven of moeten veranderen. Ik niet.

Sommige mensen menen dat alles hetzelfde moet blijven. Ik niet. Andere menen dat alles anders moet. Ik niet. Weer andere twijfelen of alles hetzelfde moet blijven of anders moet. Ik niet.

Sommige mensen menen onderweg te zijn. Ik niet. Andere menen aangekomen te zijn. Ik niet. Weer andere twijfelen of ze nog onderweg of al aangekomen zijn. Ik niet.

Sommige mensen menen iets te weten. Ik niet. Andere menen niets te weten. Ik niet. Weer andere twijfelen of er iets te weten valt. Ik niet.

Jij?

-87-

Een geest zonder meester

(Vrij naar hoofdstuk 32 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Hoe groot is een idee? Kleiner dan het allerkleinste omvat het Tja de hele wereld. Groter dan het allergrootste past het overal in.

Het Tja wil niets aan zich onderwerpen, hoe sterk het door zijn eenvoud ook is. Niets kan het Tja aan zich onderwerpen, hoe gering het in zijn eenvoud ook is.

Is een geest in staat het Grote Tja te bewaren dan keren alle gedachten zich spontaan tot hem. Ja en nee, hemel en aarde, deugd en ondeugd – alle tegenstellingen vermengen zich vrijelijk. Ze vloeien samen, lossen op en maken plaats voor nieuwe.

De geest schept werkelijkheden en vernietigt ze. Hij schept luchtkastelen en vernietigt ze. Hij schept waarden en vernietigt ze. Hij schept idealen en vernietigt ze. Hij schept ideeën en vernietigt ze. Hij schept namen en vernietigt ze.

De geest schept zonder terughoudendheid en vernietigt zonder uitzondering. Ook het idee van de geest als schepper en vernietiger. Ook het idee van het Grote Tja. Opgeruimd staat netjes.

Een geest zonder geest is leer noch meester.

Een geest zonder meester is een lege heer.

-88-

Verdwijnen voor je sterft

(Vrij naar hoofdstuk 33 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie de ander overwint verliest de ander.
Wie zichzelf overwint verliest zichzelf.
Wie niet van winnen weet heeft niets te verliezen.

Wie de ander meent te kennen kent zijn eigen geest niet.
Wie zijn eigen geest meent te kennen is onwetend.
Wie niet weet kent zichzelf.

Wie zijn doel wil bereiken moet standvastig zijn.
Wie standvastig is gaat nergens heen.
Wie nergens heen gaat bereikt nooit zijn doel.

Wie zichzelf wil overleven sterft altijd te vroeg.
Wie zijn leven wil voltooien moet verdwijnen voor hij sterft.
Wie daar een doel van maakt zal het nooit bereiken.

-89-

Een eeuwige ontlediging

(Vrij naar hoofdstuk 32 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is als het uitvloeien van beken in rivieren,

het uitstromen van rivieren in oceanen,

het opstijgen van zeewater als damp,

het condenseren van waterdamp tot nevel,

het samenvloeien van nevel tot regen,

de vorming van plassen uit neerslag,

het weglopen van plassen in beken,

het uitvloeien van beken in rivieren –

een eeuwige ontlediging van de geest.

-90-

Thuis is wie de weg niet kent

(Vrij naar hoofdstuk 33 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Groot is wie zijn kleinheid kent.

Hoog is wie zijn laagheid kent.

Sterk is wie zijn zwakte kent.

Zacht is wie zijn woede kent.

Thuis is wie de weg niet kent.

-91-

Taijitu 12

-92-

De wijze is eenduidig in zijn dubbelheid

(Vrij naar hoofdstuk 33 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De wijze spreekt recht door krom te spreken en mee in tegenspraken.

Hij vermenigvuldigt ter deling en verdeelt ter meerdering.

Hij is zacht in zijn hardheid en eenduidig in zijn dubbelheid.

Hij vertroebelt ter opheldering en vangt ter bevrijding.

Hij verzwaart en verduistert, maar steevast ter verlichting.

-93-

Wie Tja heeft is overal en nergens

(Vrij naar hoofdstuk 33 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie door niet-kennen het Tja heeft leren kennen, weet geen onderscheid meer te maken.

Niet tussen het Tja en zijn geest.

Niet tussen zijn geest en zijn lichaam.

Niet tussen zijn lichaam en de wereld.

Niet tussen de wereld en zichzelf.

Niet tussen zichzelf en het Tja.

Wie geen onderscheid weet te maken, is nergens wel of niet.

Waar hij ook heen gaat, hij was er al en waar hij ook weg gaat, hij was er niet.

Wie Tja heeft is overal en nergens.

-94-

Ook het laatste woord is een begin

(Vrij naar hoofdstuk 34 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Weids is de blik van het Grote Tja.

Alles ziet het onder ogen, ook dat het dat niet kan.

Nooit is een woord het hoogste of het laagste en ook het laatste woord is een begin.

Het Tja doet zijn werk maar vraagt er geen aandacht voor.

Het laat zich nergens op voorstaan, ook hierop niet.

Het heet iedereen welkom, ook degenen die er niets van willen weten.

De toegang is gratis, de uitgang is er voor niets.

Ruim is de geest die alle gedachten toelaat, ruimer nog de geest die alle gedachten uitlaat.

Hoe ruim is de geest die ook deze gedachten loslaat?

-95-

Waarom de wijze niet weigert

(Vrij naar hoofdstuk 34 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De tienduizend wezens verschijnen vanzelf en de wijze weigert niet. Ze verdwijnen vanzelf en hij weigert niet.

Verdienste en berekening verschijnen vanzelf en de wijze weigert niet. Ze verdwijnen vanzelf en hij weigert niet.

Liefde en haat verschijnen vanzelf en de wijze weigert niet. Ze verdwijnen vanzelf en hij weigert niet.

Begeerte en apathie verschijnen vanzelf en de wijze weigert niet. Ze verdwijnen vanzelf en hij weigert niet.

Weten en niet-weten verschijnen vanzelf en de wijze weigert niet. Ze verdwijnen vanzelf en hij weigert niet.

Weigert de wijze toch dan weigert hij zijn weigering niet.

Hij zou niet weten hoe.

-96-

De Grote Vrede zal je leren

(Vrij naar hoofdstuk 35 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Neem het Grote Tja!
Ga je geest door!
Ga!

Niets kan je!
Deren!

De Grote Vrede zal je!
Leren!

-97-

Kleurloos als water en net zo fris

(Vrij naar hoofdstuk 35 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Kijk naar het Tja. Niets dat het bekijken waard is.

Luister naar het Tja. Niets dat het horen waard is.

Spreek over het Tja. Niets dat het beweren waard is.

Prijs het Tja. Niets dat het loven waard is.

Peins over het Tja. Niets dat het overdenken waard is.

Vergeet het Tja. Niets dat het onthouden waard is.

Leeg is de leer van de lege mens.

Kleurloos als water en net zo fris.

-98-

Taijitu 13

-99-

Geen poort zonder muur

(Vrij naar hoofdstuk 35 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Spreekt het Tja over zichzelf dan spreekt het in alle toonaarden.

Noemt het zich diep dan noemt het zich oppervlakkig.

Noemt het zich waarheid dan noemt het zich leugen.

Noemt het zich eeuwig dan noemt het zich tijdelijk.

Noemt het zich geest dan noemt het zich lichaam.

Noemt het zich vrede dan noemt het zich oorlog.

Noemt het zich licht dan noemt het zich duister.

Noemt het zich goed dan noemt het zich kwaad.

Noemt het zich poort dan noemt het zich muur.

Noemt het zich wijs dan noemt het zich dwaas.

Noemt het zich leven dan noemt het zich dood.

Noemt het zich hemel dan noemt het zich hel.

Noemt het zich één dan noemt het zich veel.

Zwijgt het Tja over zichzelf dan zwijgt het in alle toonaarden.

-100-

De wereld door de vingers zien

(Vrij naar hoofdstuk 35 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

de wijze kent geen voorspoed
al gaat alles goed

hij kent geen rampspoed
al zit alles tegen

hij kent geen boosheid
al is hij woedend

hij kent geen liefde
al smelt zijn hart

de wereld ziet hij
door de vingers

de wereld ziet hem
over het hoofd

-101-

Maar vraag me niet wanneer

(Vrij naar hoofdstuk 36 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Soms moet je versterken om te versterken.
Soms moet je versterken om te verzwakken.
Soms moet je verzwakken om te versterken.
Soms moet je verzwakken om te verzwakken.

Soms moet je verenigen om te verenigen.
Soms moet je verenigen om te scheiden.
Soms moet je scheiden om te verenigen.
Soms moet je scheiden om te scheiden.

Soms moet je stijgen om te stijgen.
Soms moet je stijgen om te dalen.
Soms moet je dalen om te stijgen.
Soms moet je dalen om te dalen.

Maar vraag me niet wanneer.

Dit heet de lege leer.

-102-

In een onzeker heden komt de geest tot rust

(Vrij naar hoofdstuk 37 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Het Tja bestaat erin niets te weten en dat te vergeten. Niets te doen en dat te laten. Alles te doorzien, ook het doorzien.

Is een geest in staat het Grote Tja te bewaren dan verliezen gedachten hun magie.

Ren je achter ideeën aan als een hond achter zijn staart? Kun je hun verleiding niet weerstaan? Wie Tja heeft bestookt ze met vragen. Bedelft ze onder alternatieven. Bedwelmt ze met niet-weten. Stilt ze met stilte.

In een onzeker heden komt de geest tot rust. Zonder schijnzekerheden uit toekomst of verleden. Vrij van illusies en vrij van de illusie vrij van illusies te zijn.

Dan is het gedaan met doen en niet-doen.

Dan ben je voorgoed ontdaan.

-103-

Soms ben ik spontaan gemaakt

(Vrij naar hoofdstuk 37 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Soms ben ik echt echt.
Soms ben ik echt nep.

Ik ben altijd echt.

Soms ben ik oprecht oprecht.
Soms ben ik oprecht onoprecht.

Ik ben altijd oprecht.

Soms ben ik spontaan gemaakt.
Soms ben ik spontaan spontaan.

Ik ben altijd spontaan.

Soms ben ik waarachtig waarachtig.
Soms ben ik waarachtig onwaarachtig.

Ik ben altijd waarachtig.

-104-

Taijitu 14

-105-

Wijsheid ondermijnt

(Vrij naar hoofdstuk 37 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De wijze ondermijnt zijn kennis sneller dan hij bij kan leren.

Hij ondermijnt zijn verlangens voor ze de macht overnemen.

Hij ondermijnt zijn doelen voor hij ze kan realiseren.

Hij ondermijnt zijn bezwaren voor ze hem bezwaren.

Hij ondermijnt zijn gemakzucht voor hij van gemak zucht.

Wie niet verstopt wil raken leegt onophoudelijk zijn geest.

-106-

Grote geestkracht is geen macht

(Vrij naar hoofdstuk 38 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Geestkracht op basis van macht forceert. Wie over grote geestkracht beschikt, baseert zich op niets.

Wie zich op niets baseert heeft geen reden tot forceren. Ook het niet-forceren dwingt hij niet af.

Hij ontkent niet wat hij weet – bijna niets – maar erkent wat hij niet weet – bijna alles.

Hij voelt zich thuis in den vreemde voor zover het hem bekend voorkomt.

Hij voelt zich thuis in het bekende voor zover het hem vreemd voorkomt.

Zijn eigen vreemdheid maakt hem zacht, haar erkennen geeft hem kracht.

Grote geestkracht is geen macht.

-107-

Vastgelegde wijsheid is dwaasheid

(Vrij naar hoofdstuk 38 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Vastgelegde menswaardigheid is mensonwaardig. De wijze is menswaardig zonder waarden.

Vastgelegde rechtvaardigheid is onrechtvaardig. De wijze is rechtvaardig zonder rechten.

Vastgelegde deugd is ondeugdzaam. De wijze is deugdzaam zonder deugden.

Vastgelegde beleefdheid is onbeleefd. De wijze is beleefd zonder vorm.

Vastgelegde wijsheid is dwaasheid. De wijze is wijs zonder wijsheid.

-108-

Wie zoekt zal vragen vinden

(Vrij naar hoofdstuk 38 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie zoekt zal vragen vinden.

Zijn vragen zullen gepaard gaan met verbazing.

Zijn verbazing zal veranderen in verwondering.

Zijn verwondering zal overgaan in verbijstering.

Zijn zoeken zal opgaan in verbijstering.

Zijn antwoorden zullen opgaan in verbijstering.

Zijn vragen zullen opgaan in verbijstering.

Zijn ideeën zullen opgaan in verbijstering.

Zijn wereld zal opgaan in verbijstering.

Hijzelf zal opgaan in verbijstering.

Zijn verbijstering zal opgaan in verbijstering.

En dan is alles weer gewoon.

-109-

Het verschil tussen werkelijkheid en illusie

(Vrij naar hoofdstuk 38 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wat is deugd? Een idee. Wat is ondeugd? Een idee. Wat is het verschil tussen deugd en ondeugd? Een idee.

Wat is de hemel? Een idee. Wat is de aarde? Een idee. Wat is het verschil tussen hemel en aarde? Een idee.

Wat is het relatieve? Een idee. Wat is het absolute? Een idee. Wat is het verschil tussen het relatieve en het absolute? Een idee.

Wat is waarheid? Een idee. Wat is leugen? Een idee. Wat is het verschil tussen waarheid en leugen? Een idee.

Wat is wijsheid? Een idee. Wat is dwaasheid? Een idee. Wat is het verschil tussen wijsheid en dwaasheid? Een idee.

Wat is weten? Een idee. Wat is niet-weten? Een idee. Wat is het verschil tussen weten en niet-weten? Een idee.

Wat is werkelijkheid? Een idee. Wat is illusie? Een idee. Wat is het verschil tussen werkelijkheid en illusie? Geen idee.

-110-

Waarom de wijze niets loslaat

(Vrij naar hoofdstuk 39 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De wijze kan de geest niet onderscheiden van de stof, de jade niet van de kiezel.

Hij kan de hemel niet onderscheiden van de aarde, de goden niet van de mensen.

Hij kan de vorsten niet onderscheiden van de onderdanen, de rijken niet van de armen.

Hij kan het edele niet onderscheiden van het vulgaire, reinheid niet van verdorvenheid.

Hij kan de geest niet onderscheiden van het vlees, het bot niet van de stof.

Hij kan wijsheid niet onderscheiden van dwaasheid, volheid niet van leegte.

Hij kan hier niet onderscheiden van daar, binnen niet van buiten.

Vandaar dat de wijze niet vasthoudt aan de kern en niet aan de schors, niet aan de bloem en niet aan de vrucht.

Wie niets weet te onderscheiden heeft niets om aan vast te houden.

Wie niets heeft om aan vast te houden hoeft niets meer los te laten.

-111-

Teruggaan is de dynamiek van het Tja

(Vrij naar hoofdstuk 40 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Teruggaan is de dynamiek van het Tja.

Van het antwoord naar de vraag,
van de vraag naar het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Van de oplossing naar het probleem,
van het probleem naar het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Van de conclusie naar de premissen,
van de premissen naar het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Van de zekerheid naar de twijfel,
van de twijfel naar het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Van het onderscheid naar de eenheid,
van de eenheid naar het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Van de materie naar de geest,
van de geest naar het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Van de tijd naar het heden,
van het heden naar het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Van het willen naar het laten,
van het laten naar het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Van het hebben naar het wegdoen,
van het wegdoen naar het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Van de woorden naar de letters,
van de letters naar de streepjes,
van de streepjes naar het wit,
dat allicht vol kleuren zit.

-112-

Taijitu 15

-113-

Het Ja van Tja lijkt Nee

(Vrij naar hoofdstuk 41 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Als domoren van het Grote Tja horen herkennen ze het meteen, maar verstandige mensen willen er niets van weten. Hoe dat komt?

Het doen van Tja lijkt laten.

De vrede van Tja lijkt strijd.

Het licht van Tja lijkt duister.

Het spel van Tja lijkt menens.

De volheid van Tja lijkt leegte.

De kracht van Tja lijkt zwakte.

De deugd van Tja lijkt ondeugd.

Het hart van Tja lijkt een hoofd.

De verrukking van Tja lijkt vlak.

De grond van Tja lijkt drijfzand.

De weg van Tja lijkt een doolhof.

Het wonder van Tja lijkt gewoon.

De zekerheid van Tja lijkt twijfel.

Het denken van Tja lijkt dromen.

Het spreken van Tja lijkt zwijgen.

Het zwijgen van Tja lijkt zwetsen.

Het vinden van Tja lijkt verliezen.

De rijkdom van Tja lijkt armoede.

De triomf van Tja lijkt een afgang.

De echtheid van Tja lijkt gemaakt.

De helderheid van Tja lijkt troebel.

De diepte van Tja lijkt oppervlakkig.

De wijsheid van Tja lijkt dwaasheid.

De deemoed van Tja lijkt hoogmoed.

De eenvoud van Tja lijkt ingewikkeld.

Een meester van Tja lijkt een leerling.

De werkelijkheid van Tja lijkt een illusie.

Het mededogen van Tja lijkt meedogenloos.

Vandaar dat domoren het Grote Tja meteen herkennen terwijl verstandige mensen er niets van willen weten.

-114-

Brullen om Tao en Tê

(Vrij naar hoofdstuk 41 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie onverwacht in het Grote Tja verzeild raakt, staat voorgoed perplex. Er is niets veranderd maar alles voelt anders en voor je het weet sta je te brullen van het lachen.

Je brult om verlichting en onwetendheid!

Je brult om illusie en werkelijkheid!

Je brult om weten en niet-weten!

Je brult om veelheid en eenheid!

Je brult om waarheid en leugen!

Je brult om deugd en ondeugd!

Je brult om doen en niet-doen!

Je brult om hemel en aarde!

Je brult om juist en onjuist!

Je brult om hoog en laag!

Je brult om ego en zelf!

Je brult om Tao en Tê!

Je brult om tja en tjee!

Je brult om ja en nee!

Je brult om elk idee!

Wie brult er eens met ons mee?

-115-

Als een grote gedachte zonder strekking

(Vrij naar hoofdstuk 41 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Als een grote regenboog

Zonder kleuren

Als een groot vierkant

Zonder hoeken

Als een groot beeld

Zonder vorm

Als een groot boek

Zonder woorden

Als een groot land

Zonder grenzen

Als een groot huis

Zonder muren

Als een grote weg

Zonder richting

Als een grote leer

Zonder thesen

Als een grote truc

Zonder foefje

Is het grote weten

Zonder weten

-116-

Meester Tja telt niet meer mee

(Vrij naar hoofdstuk 42 van de Tao Te Tjing)

De geest bedenkt de leegte en noemt het boeddhisme.

De geest bedenkt het ene en noemt het taoïsme.

De geest bedenkt de twee en noemt het dualisme.

De geest bedenkt het niet-twee en noemt het non-dualisme.

De geest bedenkt de drie en noemt het christendom.

De geest bedenkt de vier en noemt het hindoeïsme.

De geest bedenkt de tienduizend en noemt het pluralisme.

Meester Tja telt niet meer mee.

-117-

Het juk van ja dan nee

(Vrij naar hoofdstuk 42 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wij kleine mensen torsen

Van alles met ons mee

In onze ene hand het ja

In onze andere het nee

Wie lichtvoetiger wil worden

Moet beide laten vallen

Dat noemen we het tja

Het volgende idee

Gewoon een nieuwe last

Het juk van ja noch nee

Wie waarlijk vrij wil zijn

Doet nergens meer aan mee

Helaas is dat alweer

Het volgende idee

Wij kleine mensen torsen

Van alles met ons mee

-118-

Een wezenloos wezen

(Vrij naar hoofdstuk 42 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Nooit heb ik de tienduizend wezens allemaal helemaal gezien.

Nooit heb ik ook maar één wezen helemaal gezien.

Nooit heb ik meer dan een klein stukje van de buitenkant van een wezen gezien.

Kan dat het wezen van zijn wezen wezen?

Nooit heb ik mijn eigen achterkant gezien.

Nooit heb ik mijn eigen binnenkant gezien.

Nooit heb ik meer dan een stukje van de buitenkant van mijn wezen gezien.

Kan dat het wezen van mijn wezen zijn?

-119-

Taijitu 16

-120-

Geen voorkeur voor een leven zonder voorkeur

(Vrij naar hoofdstuk 43 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Soms moet je iets doen, soms moet je iets laten. Wie kan zeggen wanneer?

Soms overheerst de vorm, soms de leegte. Wie kan zeggen waarom?

Soms wint het harde, soms het zachte. Wie kan zeggen waartoe?

Soms heb je een voorkeur, soms geen. Wie kan zeggen waardoor?

Het Grote Tja heeft geen voorkeur voor een leven zonder voorkeur.

-121-

De kracht van het Tja – weinigen zijn eraan toe

(Vrij naar hoofdstuk 43 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wat ontmaskert moeiteloos de oorzaken zonder aanleiding?

Wat ontmaskert moeiteloos de woorden zonder betekenis?

Wat ontmaskert moeiteloos de autoriteiten zonder gezag?

Wat ontmaskert moeiteloos de dingen zonder substantie?

Wat ontmaskert moeiteloos de gedachten zonder grond?

Wat ontmaskert moeiteloos de stellingen zonder bewijs?

Wat ontmaskert moeiteloos de betekenissen zonder zin?

Wat ontmaskert moeiteloos de waarden zonder belang?

Wat ontmaskert moeiteloos de doelen zonder oogmerk?

Wat ontmaskert moeiteloos de zinnen zonder verband?

Wat ontmaskert moeiteloos de redenen zonder motief?

Wat ontmaskert moeiteloos de logica zonder rede?

De kracht van het Tja – weinigen zijn eraan toe.

-122-

Zonder Tja is het geen doen

(Vrij naar hoofdstuk 44 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Zonder succes kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder weten kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder macht kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder liefde kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder geluk kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder faam kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder bezit kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder hoop kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder doel kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder weg kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder God kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder Tao kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder Tê kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder lichaam heb je geen leven.

Zonder Tja is het geen doen.

-123-

Allemans vriend is iedermans nar

(Vrij naar hoofdstuk 45 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Hij heeft niets om het lijf maar zijn trouw is hartverwarmend.

Hij spreekt zichzelf tegen maar zijn logica is onweerlegbaar.

Hij bekeert niet maar zijn wendbaarheid is ongeëvenaard.

Hij zegt geen woord maar zijn stilte spreekt boekdelen.

Hij gaat nergens heen maar zijn bereik is onbeperkt.

Hij stelt niets voor maar kan zich alles voorstellen.

Hij strijdt niet maar slaat zich overal doorheen.

Hij gaat nooit voor maar houdt niets achter.

Men spreekt zijn naam, meer is hij niet.

Meer zal hij nimmer zijn.

-124-

Wie Tja heeft ziet veel en doet weinig

(Vrij naar hoofdstuk 46 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft ziet overal de keerzijden van.

Van volharding en van gemakzucht.

Van begeerte en van lusteloosheid.

Van akkerbouw en van veeteelt.

Van jagen en van verzamelen.

Van winnen en van verliezen.

Van vechten en van vluchten.

Van hebzucht en van armoede.

Van kennis en van onwetendheid.

Wie Tja heeft ziet veel en doet weinig.

-125-

Heb je niets dan heb je het rijk

(Vrij naar hoofdstuk 46 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Heb je Tja dan zie je rampspoed als een tijding van voorspoed, voorspoed als een tijding van rampspoed.

Heb je Tja dan zie je zonden als een kans op vergeving, vergeving als een aanleiding tot zonde.

Heb je Tja dan zie je grenzen als een aanleiding voor strijd, strijd als een aanleiding voor grenzen.

Heb je Tja dan zie je alles van alle kanten.

Zie je alles van alle kanten dan zie je niets.

Zie je niets dan heb je niets.

Heb je niets dan heb je het rijk.

-126-

Taijitu 17

-127-

Oordelen is onzin, niet oordelen is waanzin

(Vrij naar hoofdstuk 46 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Overal fouten zien is fout. Overal fouten zien als fout zien is ook fout. Nergens fouten zien is ook fout. Nergens fouten zien als fout zien is ook fout.

Overal zonden zien is zonde. Overal zonden zien als zonde zien is ook zonde. Nergens zonden zien is ook zonde. Nergens zonden zien als zonde zien is ook zonde.

Overal rampen zien is een ramp. Overal rampen zien als ramp zien is ook een ramp. Nergens rampen zien is ook een ramp. Nergens rampen zien als ramp zien is ook een ramp.

Daarom:

Oordelen is onzin, niet oordelen is waanzin, maar wie oordeelt zonder oordeel treft geen blaam.

-128-

Het onbekende ben je zelf

(Vrij naar hoofdstuk 47 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Je hoeft de wereld niet te verlaten om het Tja te leren kennen.

Je hoeft je stulp niet te verlaten om het Tja te leren kennen.

Je hoeft je geest niet te verlaten om het Tja te leren kennen.

Je hoeft je lijf niet te verlaten om het Tja te leren kennen.

Je hoeft nergens vandaan om het Tja te leren kennen.

Je hoeft nergens heen om het Tja te leren kennen.

Het Tja is overal en nergens.

Je kent het allang.

Je bent er allang.

Je bent het zelf –

Het onbekende.

-129-

De wijze denkt, maar niet na

(Vrij naar hoofdstuk 47 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

de wijze

hij loopt

hij loopt maar

hij loopt maar arriveert niet

hij spreekt

hij spreekt maar

hij spreekt maar zegt niet

hij doet

hij doet maar

hij doet maar volbrengt niet

hij denkt

hij denkt maar

hij denkt maar niet na

de dwaas

-130-

Laat je bij wijze van vatten omvatten

(Vrij naar hoofdstuk 48 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie leert weet steeds meer.

Wie afleert weet steeds minder.

Minder en minder tot het niet weten is bereikt.

Wil je de wereld vatten?

Probeer haar dan niet te vatten.

Liet ze zich vatten dan was ze de moeite niet waard.

Laat je maar liever door haar omvatten.

Voel je wel?

-131-

Groot Wantrouwen

(Vrij naar hoofdstuk 49 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De wijze denkt niet in termen van goed of fout. Denkt hij toch eens in die termen, dan vindt hij dat niet goed of fout en zo komt alles goed.

Wie oneerlijk is gelooft hij niet, wie eerlijk is evenmin. Ook zijn ongeloof gelooft hij niet en zo ontstaat vertrouwen. Vertrouwen zonder basis.

Vertrouwen zonder basis is onwankelbaar. Het heet Groot Vertrouwen. Het heet Groot Wantrouwen. Het heet Grote Twijfel – wat jij wilt, alleen de naam verschilt.

Nooit eigent de wijze zich iemands hart toe, ook niet zijn eigen. Gebeurt het toch dan staat hij het meteen weer af.

Wat hij ook neemt, hij neemt het niet. Wat hij ook heeft, hij heeft het niet. Wat hij ook geeft, hij geeft het niet.

Wie zijn ogen tot hem richt schenkt hij zijn kinderlijke blik. Hij hoeft hem niet terug maar ziet hem graag terug.

-132-

Een verstand dat niet wérkt

(Vrij naar hoofdstuk 49 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De honderd geslachten richten naar zijn hart hun oor maar horen het niet kloppen. Ze richten tot zijn verstand hun vragen maar zien het niet werken.

De geringste onder de magistraten doet niet voor hem onder en de grootste onder hen overtreft hem niet.

Hij delft het onderspit waar hij zegeviert en slaagt waar hij faalt.

Verdienste kent hij niet, noch rekent hij zich arm.

Wie is hij?

-133-

Taijitu 18

-134-

Een waan tussen bestaan en vergaan

(Vrij naar hoofdstuk 50 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Tienduizend dingen maken het verschil tussen bestaan en vergaan. Mensen hopen verschil te maken door er tien te beheersen.

Ze laten hun hart controleren maar niet de rest van hun lichaam en wanen zich gezond.

Of ze laten hun borsten controleren maar niet de rest van hun lichaam en wanen zich gezond.

Of ze laten hun baarmoederhals controleren maar niet de rest van hun lichaam en wanen zich gezond.

Of ze laten hun darmen controleren maar niet de rest van hun lichaam en wanen zich gezond.

Of ze laten hun bloed controleren maar niet de rest van hun lichaam en wanen zich gezond.

Of ze laten het vliegtuig staan maar niet de auto en wanen zich veilig.

Of ze laten de auto staan maar niet de motor en wanen zich veilig.

Of ze laten de motor staan maar niet de scooter en wanen zich veilig.

Of ze laten de scooter staan maar niet de fiets en wanen zich veilig.

Of ze laten de fiets staan maar niet de benenwagen en wanen zich veilig.

Tienduizend dingen maken het verschil tussen bestaan en vergaan, er is geen beginnen aan.

Begin ik er toch weer aan dan laat ik het begaan maar waan mij nimmer veilig.

-135-

Niemand die het leven beheerst

(Vrij naar hoofdstuk 50 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Goden en mensen, koningen en onderdanen – nooit heb ik iemand ontmoet die het leven beheerst.

Het land doortrekkend mijd je neushoorn en tijger maar neushoorn en tijger mijden jou niet.

Ingaand in legers mijd je pantser en wapen maar pantser en wapen mijden jou niet.

De neushoorn vindt altijd een plaats om zijn hoorn in te stoten.

De tijger vindt altijd een plaats om zijn klauw in te slaan.

Het wapen vindt altijd een plaats om het harnas te passeren.

Is de indringer geen wapen dan is het wel je familie.

Is het geen familie dan is het wel je buurman.

Is het geen buurman dan ben je het wel zelf.

Ben je het niet zelf dan is het wel een ziekte.

Is het geen ziekte dan is het wel een gedachte.

Goden en mensen, koningen en onderdanen – nooit heb ik iemand ontmoet die het leven beheerst.

-136-

Een lege geest is geestig

(Vrij naar hoofdstuk 51 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Weetzucht leidt tot vetzucht van de geest.

Een vette geest is een zware geest.

Een trage geest.

Een moede geest.

Een vette geest is vettig.

Tja hongert de geest uit tot hij door en door leeg is.

Een lege geest is een lichte geest.

Een snelle geest.

Een fitte geest.

Een lege geest is geestig.

Velen verheerlijken voedsel.

Wie verheerlijkt de honger?

-137-

Neem geen voorbeeld aan mij

(Vrij naar hoofdstuk 51 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Houd niet vast, laat niet los.

Reken niet als eigen, reken niet als oneigen.

Wees niet als meester, wees niet als leerling.

Zoek niet de uitersten, zoek niet het midden.

Zeg niet hoe het moet, zeg niet hoe het niet moet en zeg ook niet dat je niet moet zeggen hoe het wel of niet moet.

Neem geen voorbeeld aan mij.

-138-

Hoe kleine tja Grote Tja werd

(Vrij naar hoofdstuk 52 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Heeft de wereld een begin? Heeft de wereld een einde? Wie zal het zeggen.

Laten we dit hier het midden noemen. Zo houden we het in het midden.

Heeft het Tja een begin? Heeft het Tja een einde? Ik zal het je zeggen.

Ooit wist ik van niets. Ook dat wist ik nog niet. Dat was het begin, het kleine tja.

Toen begon het grote leren en algauw wist ik van alles, net als ieder kind en bijna elke volwassene. Dat was het einde van het kleine tja.

Hoe meer ik wist hoe meer ik begon te twijfelen en uiteindelijk wist ik het allemaal niet meer. Dat was het vervolg, het Grote Tja.

Had dat ook een begin? Heeft het ook een einde? Wie zal het zeggen.

Laten we dit hier het midden noemen.

Zo houden we het in het midden.

-139-

De essentie van het Tja

(Vrij naar hoofdstuk 52 van de Tao Te Tjing)

Vraag je Meester Tja om je de moeder aller dingen te leren kennen dan zegt hij:

‘Tja, leer eerst de dingen maar eens kennen.’

Vraag je hem om je de dingen te leren kennen dan zegt hij:

‘Tja, leer eerst maar eens één ding kennen.’

Vraag je hem om je één ding te leren kennen dan zegt hij:

‘Tja, wie weet waar het ene ding eindigt en het volgende begint.’

Vraag je hem om je tenminste het wezen van de tienduizend dingen te leren kennen dan zegt hij:

‘Tja, eerst maar eens vaststellen of ze wel een wezen hebben.’

Vraag je hem om te helpen vaststellen of de tienduizend dingen wel een wezen hebben dan zegt hij:

‘Tja, eerst hun verschijningsvorm maar eens leren kennen.’

Vraag je hem om je de verschijningsvorm van de tienduizend dingen te leren kennen dan zegt hij:

‘Tja, ieder ding heeft wel tienduizend verschijningsvormen.’

Vraag je hem om je één van die tienduizend verschijningsvormen van één van de tienduizend dingen te leren kennen dan zegt hij:

‘Tja, waar zou het dan een verschijningsvorm van moeten wezen?’

Vraag je hem of het wezen van de tienduizend dingen gelijk zou kunnen zijn aan hun verschijningsvorm dan zegt hij:

‘Tja, vraag dat maar aan een ander wezen of aan een van zijn verschijningsvormen.’

Vraag je hem met het mes op de keel wat de essentie van de tienduizend verschijnselen is dan zegt hij:

‘Tja is de essentie van de tienduizend verschijnselen.’

Vraag je hem ten slotte naar de essentie van het Tja dan zegt hij enkel:

‘Tja.’

Die Meester Tja.

-140-

Taijitu 19

-141-

Het levenspad is geen snelweg

(Vrij naar hoofdstuk 53 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Mensen houden van rechte wegen met mijlpalen en verkeersborden, wegrestaurants en toiletten, rijstroken en vluchtstroken, middenbermen en vangrails.

Ze willen weten waar ze vandaan komen, ze willen weten waar ze langs komen en ze willen weten waar ze heen gaan.

Alles moet overzichtelijk zijn, veilig en vertrouwd, maar dat is het niet.

Het leven is een oerwoud met tienduizend wildpaadjes kronkelend van hot naar her.

Groot verstand, klein verstand – niets kan het bevatten.

-142-

Weet je het niet dan weet je het wel

(Vrij naar hoofdstuk 53 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Doe je er iets mee dan doe je te veel. Doe je er niets mee dan doe je te weinig.

Hou je eraan vast dan rukt het zich los. Laat je het los dan lost het op.

Spreek je erover dan spreek je het weg. Zwijg je erover dan zwijg je het dood.

Begeer je het dan verstopt het zich. Negeer je het dan mis je het.

Maar weet je het niet dan weet je het wel en doe je het niet dan doe je het al, dus maak je vooral niet druk.

-143-

De openbaring van het Grote Tja

(Vrij naar hoofdstuk 53 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Als ik vol overtuigingen en zekerheden door het Grote Tja wandelde zou ik de openbaring ervan vrezen. Sinds ik niet meer weet zie ik het overal.

Ik zie het in velden met gras en in velden met onkruid.

Ik zie het in klederen rijk van kleur en in vodden.

Ik zie het in bescheidenheid en in praalzucht.

Ik zie het in volle graanschuren en in lege.

Ik zie het in wandelstokken en in wapens.

Ik zie het in renpaarden en in karkassen.

Ik zie het in voorspoed en in tegenspoed.

Ik zie het in zorgzaamheid en in roof.

Ik zie het in soberheid en in zwelgen.

Ik zie het in gulheid en in gierigheid.

Ik zie het in geboorte en in de dood.

Ik zie het in zekerheid en in twijfel.

Ik zie het in goederen en in afval.

Ik zie het in opbouw en in verval.

Ik zie het in hoop en in wanhoop.

Ik zie het in God en in de duivel.

Ik zie het in vrede en in oorlog.

Ik zie het en ik vrees het niet.

-144-

Wie nat is kan niet meer nat gaan

(Vrij naar hoofdstuk 54 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie nat is kan niet meer nat gaan.

Wie weg is kan niet meer weggaan.

Wie gevallen is kan niet meer vallen.

Wie zoek is kan niet meer zoekraken.

Wie verloren is kan niet meer verliezen.

Wie failliet is kan niet meer failliet gaan.

Wie verdwaald is kan niet meer verdwalen.

Wie losgelaten heeft kan niet meer loslaten.

Wie opgebrand is kan niet meer opbranden.

Wie verdwenen is kan niet meer verdwijnen.

Wie opgegeven heeft kan niet meer opgeven.

Met Tja sta je zonder fundering toch als een huis.

Wil je het Tja belichamen dan moet je je kleinheid realiseren.

Wl je de kracht ervan voelen dan moet je in je zwakte gaan staan.

-145-

Ik zie het niet, zo zie ik het

(Vrij naar hoofdstuk 54 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Ik zie het Tja als mijn ziel.

Ik zie mijn ziel als mijn lief.

Ik zie mijn lief als mijn thuis.

Ik zie mijn thuis als mijn wijk.

Ik zie mijn wijk als de wijde wereld.

Hoe weet ik dat alles is zoals ik het zie?

Dat weet ik niet, ik zie het niet, zo zie ik het.

-146-

Wortelen zonder grond

(Vrij naar hoofdstuk 54 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie tja heeft sterft zonder gedenken.

Hij gedenkt zonder doden.

Hij doodt zonder schieten.

Hij schiet zonder wortel.

Hij wortelt zonder grond.

-147-

Taijitu 20

-148-

Onafgebroken offer

(Vrij naar hoofdstuk 54 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

af

onaf

gebroken

ongebroken

onafgebroken

onafgebroken offer

onafgebroken offer ik

onafgebroken offer ik mijn werkelijkheid op

onafgebroken offer ik mijn denkbeelden op

onafgebroken offer ik mijn bezittingen op

onafgebroken offer ik mijn lichaam op

onafgebroken offer ik mijn wereld op

onafgebroken offer ik mezelf op

onafgebroken offer ik mijn liefde op

onafgebroken offer ik mijn kennis op

onafgebroken offer ik mijn illusies op

onafgebroken offer ik mijn vrienden op

onafgebroken offer ik mijn zekerheden op

onafgebroken offer ik

onafgebroken offer

onafgebroken

ongebroken

gebroken

onaf

af

-149-

De melk vloeit vanzelf

(Vrij naar hoofdstuk 55 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie overvloed aan Tja heeft lijkt op een pasgeboren kindje.

Het kleintje wordt gestoken en het weet niet waardoor.

Wilde beesten bespringen het en het weet niet waarvandaan.

Roofvogels pikken het en het weet niet waarmee.

Zijn botjes geven al steun maar het weet niet waaraan.

Zijn knuistjes grijpen gretig maar het weet niet waarnaar.

Zijn oogjes zien beelden maar het weet niet waarvan.

Zijn plasser wordt stijf maar het weet niet waartoe.

Zijn mondje brabbelt maar het weet niet waarover.

Het huilt en het schreeuwt en het weet niet om wie en het weet niet waarmee en het weet niet waarvoor.

Maar dan komt de borst en de melk vloeit vanzelf.

-150-

Wie Tja heeft lijkt op een kind maar is het niet

(Vrij naar hoofdstuk 55 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie overvloed heeft aan Tja lijkt op een pasgeboren kindje.

Het kent nog geen onderscheid of eenheid.
Het kent nog geen werkelijkheid of illusie.
Het kent nog geen wijsheid of dwaasheid.
Het kent nog geen waarheid of leugen.
Het kent nog geen schuld of onschuld.
Het kent nog geen hoop of wanhoop.
Het kent nog geen binnen of buiten.
Het kent nog geen gelijk of ongelijk.
Het kent nog geen goed of kwaad.
Het kent nog geen hoger of lager.
Het kent nog geen hier of daar.
Het kent nog geen mijn of dijn.
Het kent nog geen ego of zelf.
Het kent nog geen jij of ik.

Het kent ze nog niet, nóg niet. Het denkt nog zonder denken en doet nog zonder doen. Het dringt nog niet op of aan en alles gaat nog spontaan.

Maar wie overvloed heeft aan Tja is geen pasgeboren kindje meer.

Hij kent geen onderscheid of eenheid meer.
Hij kent geen werkelijkheid of illusie meer.
Hij kent geen wijsheid of dwaasheid meer.
Hij kent geen waarheid of leugen meer.
Hij kent geen schuld of onschuld meer.
Hij kent geen hoop of wanhoop meer.
Hij kent geen binnen of buiten meer.
Hij kent geen gelijk of ongelijk meer.
Hij kent geen goed of kwaad meer.
Hij kent geen hoger of lager meer.
Hij kent geen hier of daar meer.
Hij kent geen mijn of dijn meer.
Hij kent geen ego of zelf meer.
Hij kent geen jij of ik meer.

Hij kent ze niet meer, niet écht. Hij denkt weer zonder denken en doet weer zonder doen. Hij dringt niet meer op of aan en alles gaat weer spontaan.

-151-

Ook de koning loopt op onderdanen

Stille getrouwen.

(Vrij naar hoofdstuk 55 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Ik weet niet hoe ik moet groeien. Dat moet ik overlaten aan mijn lichaam.

Ik weet niet hoe ik moet grijpen. Dat moet ik overlaten aan mijn handen.

Ik weet niet hoe ik moet leren. Dat moet ik overlaten aan mijn hersens.

Ik weet niet hoe ik moet vergeten. Dat moet ik overlaten aan mijn geheugen.

Ik weet niet hoe ik moet vergeven. Dat moet ik overlaten aan mijn hart.

Ik weet niet hoe ik moet lopen. Dat moet ik overlaten aan mijn benen.

Ik weet niet hoe ik moet kijken. Dat moet ik overlaten aan mijn ogen.

Ik weet niet hoe ik moet luisteren. Dat moet ik overlaten aan mijn oren.

Ik weet niet hoe ik moet voelen. Dat moet ik overlaten aan mijn huid.

Ik weet niet hoe ik moet ademen. Dat moet ik overlaten aan mijn longen.

Ik weet niet hoe ik moet eten. Dat moet ik overlaten aan mijn mond.

Ik weet niet hoe ik moet verteren. Dat moet ik overlaten aan mijn ingewanden.

Ik weet niet hoe ik moet poepen. Dat moet ik overlaten aan mijn endeldarm.

Ik weet niet hoe ik moet genezen. Dat moet ik overlaten aan mijn cellen.

Ik weet niet hoe ik moet lachen. Dat moet ik overlaten aan mijn buik.

Ik weet niet hoe ik moet minnen. Dat moet ik overlaten aan mijn lendenen.

Ik weet niet hoe ik moet vechten. Dat moet ik overlaten aan mijn vuisten.

Ik weet niet hoe ik moet denken. Dat moet ik overlaten aan mijn geest.

Ik weet niet hoe ik moet spreken. Dat moet ik overlaten aan mijn tong.

Ik weet niet hoe ik moet zingen. Dat moet ik overlaten aan mijn keel.

Ik weet niet hoe ik moet sterven. Dat moet ik overlaten aan mijn lichaam.

Ik weet niet hoe ik moet overlaten. Dat moet ik overlaten aan het Tja.

-152-

Het was geen doen, het is gedaan

(Vrij naar hoofdstuk 55 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Ik doe het niet.

Het Tja doet mij.

Het doet mij iets.

Het doet mij niets.

Het was geen doen.

’t Was niet te doen.

Het is gedaan.

-153-

Leg je neer bij je verzet

(Vrij naar hoofdstuk 55 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft is net als iedereen.

Wespen kunnen hem steken. Slangen kunnen hem bijten. Dieren kunnen hem grijpen. Vogels kunnen hem aanvallen.

Nu eens is hij rustig, dan weer onrustig. Vandaag zorgeloos, morgen bedrukt. 's Morgen sereen, ’s avonds prikkelbaar. De ene keer spontaan, de andere keer gemaakt.

Zijn beenderen zijn taai of breekbaar. Zijn spieren zijn sterk of zwak. Zijn hand balt en ontspant zich. Zijn geslacht loopt vol en leeg.

Wie Tja heeft is als iedereen, alleen, hij heeft zich erbij neergelegd of legt zich neer bij zijn verzet – en dat is het verschil.

-154-

Taijitu 21

-155-

Plaats vergaan

(Vrij naar hoofdstuk 55 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja zegt waar het op staat.

Het Grote Tja staat niet op wat het zegt.

-156-

Wie niet-weet die niet-spreekt

(Vrij naar hoofdstuk 56 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie niet-weet die niet-spreekt.

Niet van echtheid, niet van onechtheid.

Niet van eenheid, niet van veelheid.

Niet van spreken, niet van zwijgen.

Niet van voordeel, niet van nadeel.

Niet van deugd, niet van ondeugd.

Niet van natuur, niet van cultuur.

Niet van hemel, niet van aarde.

Niet van juist, niet van onjuist.

Niet van hoog, niet van laag.

Niet van Tao, niet van Tja.

Niet van nee, niet van ja.

Wie niet-spreekt die niet-weet.

-157-

Thuis in den vreemde

(Vrij naar hoofdstuk 56 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Gaande
Gaande ben ik
Gaande ben ik immer
Gaande ben ik immer op mijn plaats
Gaande ben ik nimmer op mijn plaats
Gaande ben ik nimmer
Gaande ben ik
Gaande

Thuis
Thuis ben ik
Thuis ben ik immer
Thuis ben ik immer in den vreemde
Thuis ben ik nimmer in den vreemde
Thuis ben ik nimmer
Thuis ben ik
Thuis

Zwervende
Zwervende ben ik
Zwervende ben ik immer
Zwervende ben ik immer onderweg
Zwervende ben ik nimmer onderweg
Zwervende ben ik nimmer
Zwervende ben ik
Zwervende

Een vreemde
Een vreemde ben ik
Een vreemde ben ik immer
Een vreemde ben ik immer in eigen huis
Een vreemde ben ik nimmer in eigen huis
Een vreemde ben ik nimmer
Een vreemde ben ik
Een vreemde

-158-

Een naakt vergaan

(Vrij naar hoofdstuk 56 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Zonder ik om te verslaan

Rest mij nog een laatste waan

Zonder zelf om te verstaan

Blijft alleen het blote gaan

Bij nieuwe maan

Een onbestaan

Een naakt

Vergaan

-159-

De hokjesgeest en de pleingeest

(Vrij naar hoofdstuk 56 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De dwaas heeft een hokjesgeest. Hij haalt alles uit elkaar en ziet alleen de delen.

De wijze heeft een pleingeest. Hij gooit alles op een hoop en ziet alleen het ene.

De dwijze heeft het leven. De delen of het ene? Hem is het om het even.

-160-

Taijitu 22

-161-

Een wijs heden zonder wijsheden

(Vrij naar hoofdstuk 56 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De wijze spreekt geen wijsheden uit.

Hij houdt geen wijsheden achter.

Hij slaat geen wijsheden op.

Hij stoot geen wijsheden af.

Hij weet dat hij niet wijs is.

Alleen daarom lijkt hij wijs.

-162-

Een ongedwongen dwingeland

(Vrij naar hoofdstuk 57 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie zich haast dwingt zijn lichaam. Haast je niet en je lichaam vindt zijn eigen weg.

Wie streeft dwingt zijn hart. Streef niet en je hart vindt zijn eigen weg.

Wie weet dwingt zijn geest. Weet niet en je geest vindt zijn eigen weg.

Wie eist dwingt de ander. Eis niet en de ander vindt zijn eigen weg.

Wie ongedwongenheid afdwingt is nog steeds niet vrij.

De wijze laat het er maar bij.

-163-

Waarmee overstijg je het absolute?

Twintig categorische vragen

(Vrij naar hoofdstuk 57 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Met de rede regeer je de staat maar waarmee regeer je de rede?

Met de wet beheers je de misdaad maar waarmee beheers je de wet?

Met bureaucratie reguleer je de willekeur maar waarmee reguleer je de bureaucratie?

Met wapentuig onderwerp je de vijand maar waarmee onderwerp je het wapentuig?

Met godsdienst beteugel je goddeloosheid maar waarmee beteugel je godsdienst?

Met idealen overmeester je de wereld maar waarmee overmeester je de idealen?

Met cynisme beperk je de wanhoop maar waarmee beperk je het cynisme?

Met listen betwist je de gluiperds maar waarmee betwist je de listen?

Met geneeskunde bestrijd je de ziekte maar waarmee bestrijd je de geneeskunde?

Met wijsheid ontkracht je dwaasheid maar waarmee ontkracht je wijsheid?

Met kennis verminder je onwetendheid maar waarmee verminder je kennis?

Met de geest bedwing je het lichaam maar waarmee bedwing je de geest?

Met het hart tem je het hoofd maar waarmee tem je het hart?

Met leegte begrens je de vorm maar waarmee begrens je de leegte?

Met boeddhisme relativeer je het lijden maar waarmee relativeer je het boeddhisme?

Met non-dualisme overwin je het dualisme maar waarmee overwin je het non-dualisme?

Met de weetnietgeest bezweer je de hokjesgeest maar waarmee bezweer je de weetnietgeest?

Met het zelf dood je het ego maar waarmee dood je het zelf?

Met het absolute overstijg je het relatieve maar waarmee overstijg je het absolute?

Met woorden verbreek je de stilte maar waarmee verbreek je de woorden?

-164-

Zeg maar tja

Twintig categorievrije antwoorden

(Vrij naar hoofdstuk 57 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De rede relativeer je met het Grote Tja.

De wet relativeer je met het Grote Tja.

Bureaucratie relativeer je met het Grote Tja.

Wapentuig relativeer je met het Grote Tja.

Godsdienst relativeer je met het Grote Tja.

Idealen relativeer je met het Grote Tja.

Cynisme relativeer je met het Grote Tja.

Listen relativeer je met het Grote Tja.

Geneeskunde relativeer je met het Grote Tja.

Wijsheid relativeer je met het Grote Tja.

Kennis relativeer je met het Grote Tja.

De geest relativeer je met het Grote Tja.

Het hart relativeer je met het Grote Tja.

Leegte relativeer je met het Grote Tja.

Boeddhisme relativeer je met het Grote Tja.

Non-dualisme relativeer je met het Grote Tja.

De weetnietgeest relativeer je met het Grote Tja.

Het zelf relativeer je met het Grote Tja.

Het absolute relativeer je het Grote Tja.

Woorden relativeer je met het Grote Tja.

Alles relativeer je met het Grote Tja.

Zeg maar tja tegen het leven.

Zeg maar tja.

-165-

Zeg maar tja tegen je tja

(Vrij naar hoofdstuk 57 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Alles relativeer je met het Grote Tja maar waarmee relativeer je het Grote Tja?

Zoals je een doorn verwijdert met een doorn:

Zeg maar tja tegen je tja.

Zeg ook maar tja tegen je tja tegen je tja.

Doe de tjatjatja.

-166-

Zelfs het loslaten loslaten

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja, dat is…

Zelfs niet weten van niet-weten.

Zelfs niet doen aan niet-doen.

Zelfs de twijfel betwijfelen.

Zelfs het loslaten loslaten.

Dan ben je helemaal los.

Ook van de verlossing.

Ook van de verlosser.

Ook van de verloste.

Ook van het tja.

Hoera!

-167-

Taijitu 23

-168-

Eenzijdigheid is waarin tegenstrijdigheid gedijt

(Vrij naar hoofdstuk 58 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Eenzijdigheid is waarin tegenstrijdigheid gedijt.

Wie het geluk zoekt en het ongeluk mijdt, rent gillend van hot naar her. Alles maar over je heen laten komen is ook geen leven.

Wie het goede verdedigt en het kwade bestrijdt, bevindt zich tussen twee vuren die hij zelf heeft aangestoken. Het onderscheid tussen goed en kwaad bagatelliseren is olie op het vuur gooien.

Wie recht wil zijn in een of andere leer, zal kromtrekken door de hitte van zijn hartstocht. Wie recht wil zijn in de non-leer evenzeer.

Hoe meer afweermechanismen je ontwikkelt, hoe meer je er in stelling moet brengen. Een afweermechanisme tegen je afweermechanismen schiet ook niet op.

Hoe meer geloften en geboden, hoe moeilijker je leven. Een verbod op verbieden is een gebed zonder end.

Hoe meer spullen je verzamelt, hoe meer je er moet beheren. Zonder spullen is het ook geen doen.

Tegenstrijdigheid is waarin eenzijdigheid gedijt.

-169-

De weetnietgeest is zelfontspannend

(Vrij naar hoofdstuk 58 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Is de geest gespannen, dan is hij hard en ernstig.

Is de geest ontspannen, dan is hij zacht en speels.

De weetnietgeest is zelfontspannend. Hoe dat kan?

Hij ziet het goede van het kwade en het kwade in het goede.

Hij ziet het geluk in het ongeluk en het ongeluk van het geluk.

Hij ziet het rechte van het kromme en het kromme in het rechte.

Hij streeft er niet naar dit of dat te lijken, te worden of te blijven, noch weerstreeft hij enig streven.

De weetnietgeest is geen wijze van horen zeggen met het gezag van eeuwen schreeuwen en bejag.

Hij heeft geen wijsheid te vergeven en wil niemand laten beven van ontzag.

-170-

Het gat waarin je ziedt

(Vrij naar hoofdstuk 58 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De weetnietgeest
gaat zonder gaan en
doet zonder doen.

Hoe hij dat doet?
Hoe hij dat doet!
Hij doet het niet!

Hij heeft geen schat!
Hij heeft geen pad!
Hij heeft het niet!

Hij doet maar wat!
Hij weet niet wat!
Hij ziet het niet!

Hij is een gat!
Hij is het gat!
Waarin hij ziedt!

-171-

Zonder richting geen verschiet

(Vrij naar hoofdstuk 58 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De wijze, tja

De wijze is

De wijze is een dwaas

Zonder wijsheid

Zonder wijze

En bepaald geen onderwijzer

Meer een wonderwijzer

Zonder wijzer

Zonder richting

Geen verschiet –

Al zijn wijsheid

Al zijn dwaasheid

Al zijn dwijsheid

Is gratuit

-172-

Leven als het leven zelf

(Vrij naar hoofdstuk 58 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wijsheid is een levenswijze

Leven als het leven zelf

Ongrijpbaar, onbegrijpelijk

Het leven laat de wijze

Kluitje in het niet

De wijze laat het leven

Bevend als een riet

Zijn duister is zijn luister

Zolang hij het doorziet

Ook daarna is er niets

Maar dan ook niets

Volbracht

-173-

Wijsheid is waarin dwaasheid gedijt

Zeven dodelijke omhelzingen

(Vrij naar hoofdstuk 58 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Bestuur is waardoor wanorde zich handhaaft.
Wanorde is waarmee bestuur zich billijkt.

Deugd is waartegen ondeugd zich verzet.
Ondeugd is waartegen deugd zich verhardt.

Nood is waarmee hulpvaardigheid begint.
Hulp is waarmee hulpeloosheid begint.

Welvaart is waarin het gebrek zich toont.
Gebrek is waarin welvaart ontluikt.

Het leven is waarmee de dood zich voedt.
De dood is waarin het leven ontkiemt.

Dwaasheid is waarvan wijsheid bevrijdt.
Wijsheid is waarin dwaasheid gedijt.

Onvrede is waarin idealisme ontstaat.
Idealisme is waarin vrede vergaat.

Tja, wat dacht je dan?

-174-

Taijitu 24

-175-

Zalig de mens die niet weet waarheen

(Vrij naar hoofdstuk 58 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Zalig

Zalig de mens

Zalig de mens die niet weet

Zalig de mens die niet weet waarom

Zalig de mens die niet weet waarheen

Zalig de mens die niet weet waarvoor

Zalig de mens die niet weet waardoor

Zalig de mens die niet weet

Zalig de mens

Zalig

-176-

Zalig de mens die niet weet wat is

(Vrij naar hoofdstuk 58 van de Tao Te Tjing)

Zalig

Zalig de mens

Zalig de mens die niet weet

Zalig de mens die niet weet wat is

Zalig de mens die niet weet wat niet is

Zalig de mens die niet weet wat niet-weten is

Zalig de mens die niet weet wat weten is

Zalig de mens die niet weet wat is

Zalig de mens die niet weet

Zalig de mens

Zalig

-177-

Zuchten van begin tot eind

Meester Tja zegt:

Een geboorte, zwaar of licht
begint met een zucht
en eindigt met een zucht.

Poe poe.

Een climax, nat of droog,
begint met een zucht
en eindigt met een zucht.

O o.

Geluk, vol of hol,
begint met een zucht
en eindigt met een zucht.

Ah ah.

Een prestatie, groot of klein
begint met een zucht
en eindigt met een zucht.

Nou nou.

Verlichting, groot of klein,
begint met een zucht
en eindigt met een zucht.

Hè hè.

Pijn, scherp of stomp
begint met een zucht
en eindigt met een zucht.

Ai ai.

Een leven, lang of kort
begint met een zucht
en eindigt met een zucht.

Och och.

Niet-weten, bewust of onbewust
begint met een zucht
en eindigt met een zucht.

Eh… eh…

-178-

Grote tradities maken niet vrij

(Vrij naar hoofdstuk 59 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Veel voorraad is onbeheersbaar.

Grote legers zijn niet beweeglijk.

Veel eten ligt zwaar op de maag.

Grote organisaties zijn niet flexibel.

Veel bezit belast de geest.

Grote tradities maken niet vrij.

-179-

Uitzicht voor zoekers naar inzicht

(Vrij naar hoofdstuk 59 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Er is geen weg naar een lang leven en blijvend inzicht.

Er is alleen een doolhof voor een kort leven zonder uitzicht.

Er is ook geen doolhof voor een kort leven zonder uitzicht.

Behalve voor zoekers naar een lang leven en blijvend inzicht.

-180-

Rollende koppen vergaren geen mos

(Vrij naar hoofdstuk 59 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De geest is te rijk om te regeren.

Is er geen rijk om te regeren dan zijn er geen grenzen om te bewaken.

Zijn er geen grenzen om te bewaken dan ontstaan er geen grensgeschillen.

Ontstaan er geen grensgeschillen dan vallen er geen slachtoffers.

Zijn er geen slachtoffers te betreuren dan zijn er geen schuldigen aan te wijzen.

Zijn er geen schuldigen om te straffen dan rollen er geen koppen.

Wie Tja heeft, kan lang aanblijven.

-181-

Alleen in een geest zonder grenzen

(Vrij naar hoofdstuk 59 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Alleen

Alleen in een geest

Alleen in een geest zonder grenzen

Alleen in een geest zonder grenzen zijn alle mensen

Alleen in een geest zonder grenzen zijn alle mensen mensen

Alleen in een geest zonder grenzen zijn alle mensen beesten

Alleen in een geest zonder grenzen zijn alle mensen koning

Alleen in een geest zonder grenzen zijn alle mensen onderdaan

Alleen in een geest zonder grenzen zijn alle mensen toegestaan

Alleen in een geest zonder grenzen zijn alle mensen

Alleen in een geest zonder grenzen

Alleen in een geest

Alleen

Alleen in een geest

Alleen in een geest zonder grenzen

Alleen in een geest zonder grenzen zijn alle wensen toegestaan

Alleen in een geest zonder grenzen zijn alle woorden toegestaan

Alleen in een geest zonder grenzen zijn alle wanen toegestaan

Alleen in een geest zonder grenzen zijn alle grenzen toegestaan

Alleen in een geest zonder grenzen

Alleen in een geest

Alleen

-182-

Taijitu 25

-183-

Je kent je grenzen niet

(Vrij naar hoofdstuk 59 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De geest

De geest kent

De geest kent je

De geest kent je grenzen

De geest kent je grenzen niet

De geest kent je grenzen maar heeft ze niet

De geest kent je grenzen maar heeft je niet

De geest kent je grenzen maar jou niet

De geest kent je grenzen maar jij niet

De geest kent zijn grenzen maar jij niet

De geest kent zijn grenzen niet

De geest kent zichzelf niet

De geest kent jou niet

De geest kent mij niet

Jij kent de geest niet

Ik ken de geest niet

De grote niet

De kleine niet

De jouwe niet

De mijne niet

Ik beken:

Geen geest te bekennen

Geen geest

-184-

Woorden zijn wanen in de wind

(Vrij naar hoofdstuk 60 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Woorden zijn wanen in de wind.

Wie Tja heeft staart zich er niet op blind.

Niet op de woorden van de moralisten.
Niet op de woorden van de idealisten.
Niet op de woorden van de optimisten.
Niet op de woorden van de realisten.
Niet op de woorden van de pessimisten.

Niet op de woorden van de voorouders.
Niet op de woorden van de wijsgeren.
Niet op de woorden van de journalisten.
Niet op de woorden van de columnisten.
Niet op de woorden van de nihilisten.

Niet op de woorden van de ijveraars.
Niet op de woorden van de handelaars.
Niet op de woorden van de kluizenaars.
Niet op de woorden van de femelaars.
Niet op de woorden van de tollenaars.

Niet op de woorden van de goden.
Niet op de woorden van de theologen.
Niet op de woorden van de mystagogen.
Niet op de woorden van de exegeten.
Niet op de woorden van de farizeeërs.

Niet op de woorden van de meesters.
Niet op de woorden van de priesters.
Niet op de woorden van de wijzen.
Niet op de woorden van de dwazen.
Niet op de woorden van Meester Tja.

Woorden zijn winden van de waan.

Wie Tja heeft laat ze waaien.

Deze woorden ook.

-185-

Al smaken ze zoet, ze dorsten naar bloed

Meester Tja zegt:

Wie tja heeft, gebruikt de macht van de woorden om hun macht te breken.

-186-

Hoe je je leven bestuurt

(Vrij naar hoofdstuk 60 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Je leven bestuur je zoals je een staat bestuurt.

Een staat bestuur je zoals je een streek bestuurt.

Een streek bestuur je zoals je een dorp bestuurt.

Een dorp bestuur je zoals je je gezin bestuurt.

Je gezin bestuur je zoals je je geest bestuurt.

Je geest bestuur je zoals je je lichaam bestuurt.

Je lichaam bestuur je zoals je ter wereld komt.

Ter wereld kom je, of je wilt of niet.

Dood of levend.

-187-

Vergeet het maar (net niet)

(Vrij naar hoofdstuk 61 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Luister…

Weten…

Weten is het…

Weten is het niet…

Niet weten is het…

Net niet weten…

Niet weten is het net niet…

Niet weten van niet-weten…

Het weten net niet vergeten…

Niet weten en dat net niet vergeten…

Het vergeten weten…

Het vergeten vergeten…

Het vergeten vergeten net niet weten te…

Het onvergetelijke ontweten…

Het onvergelijkelijke…

Vergeet het maar…

Net niet…

Dat is het…

Hele eieren…

Op eieren…

Windeieren…

Eten…

Lopen…

Kraken…

Luister…

Lees ook: Hoe heet het – de bodemloze bucket van Samuel Beckett.

-188-

Hoe het vrouwelijke het mannelijke overwint

(Vrij naar hoofdstuk 61 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Noemen we ja en nee mannelijk dan mag tja vrouwelijk heten.

Ja neemt, nee weert, tja ontvangt en geeft weg.

Ja en nee zoeken de uitersten, tja houdt het midden.

Ja en nee bedienen zich van woorden, tja bedient zich van stilte. Bedient ze zich toch van woorden dan neemt ze die meteen terug.

Zwakte is de kracht van tja, kleinheid haar grootte.

Ze wijkt ter toenadering, aarzelt ter bevestiging.

Ze antwoordt met vragen, leidt door te volgen, doet door te laten en weet te vergeten.

Terwijl ja de wereld schaakt en nee het fort bewaakt bewaart tja haar kalmte. Rustig blijft ze ook onder haar onrust. Vrede heeft ze ook met haar onvrede.

Niet-spreken, niet-zwijgen, niet-leiden, niet-volgen, niet-doen, niet-laten en zelfs niet weten van niet-weten – zo overwint het vrouwelijke het mannelijke.

-189-

Taijitu 26

-190-

Waarom het tja zich nooit laat vinden

(Vrij naar hoofdstuk 62 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Waarom laat het tja zich niet op een voetstuk zetten?

Omdat het hoogten vreest.

Waarom laat het tja zich niet in de grond trappen?

Omdat het grondeloos is.

Waarom heeft het tja geen gladde woorden nodig?

Omdat het niets te zeggen heeft.

Waarom verliest het tja nooit zijn waardigheid?

Omdat het geen waarde heeft.

Waarom verliest het tja nooit zijn zelfrespect?

Omdat het geen zelf heeft.

Waarom houdt het tja nooit het midden?

Omdat het geen grenzen kent.

Waarom laat het tja zich niet kleineren?

Omdat het geen grootte heeft.

Waarom laat het tja zich graag kennen?

Omdat het niets te bewijzen heeft.

Waarom laat het tja zich nooit kennen?

Omdat het geen vorm heeft.

Waarom laat het tja zich nooit vinden?

Omdat het nooit zoekraakt.

Waarom wil niemand het tja vatten?

Omdat het onbevattelijk is.

Waarom vergeeft het tja niemand?

Omdat het geen zonden kent.

Waarom bekent het tja geen kleur?

Omdat het transparant is.

Waarom ziet het tja nooit iets in?

Omdat het overal doorheen kijkt.

Waarom prijst het tja niemand?

Omdat het geen deugden kent.

-191-

Een schat zonder waarde

(Vrij naar hoofdstuk 62 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Het tja is niets waard maar het is een grote schat.

Het werkt nooit maar zijn werking is onvoorstelbaar.

Het laat zich niet nemen maar het is er voor iedereen.

Het stelt niets voor, ook niet het onvoorstelbare.

Vandaar dat het zich nooit aan niemand voorstelt.

Vandaar dat niemand het kent.

-192-

Wie zoekt ontkent

(Vrij naar hoofdstuk 62 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie louter liefde zoekt
ontkent zijn haat.

Wie zuiver geluk zoekt
ontkent zijn lijden.

Wie diepe wijsheid zoekt
ontkent zijn dwaasheid.

Wie opperste leegte zoekt
ontkent zijn volheid.

Wie bestendige rust zoekt
ontkent zijn onrust.

Wie duurzame vrede zoekt
ontkent zijn strijdlust.

Wie totale onthechting zoekt
ontkent zijn begeerte.

Wie tijdloze eeuwigheid zoekt
ontkent zijn sterfelijkheid.

Wie zuivere weteloosheid zoekt
ontkent zijn kennis.

Wie daarom alles wil bevestigen
ontkent het ontkennen.

-193-

Niets is goed of slecht van zichzelf

(Vrij naar hoofdstuk 62 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Niets

Niets is

Niets is goed

Niets is goed in ieder opzicht

Niets is goed zonder opzicht

Niets is goed van zichzelf

Niets is van zichzelf

Niets is zichzelf

Niets is

Niets is slecht

Niets is slecht in ieder opzicht

Niets is slecht zonder opzicht

Niets is slecht van zichzelf

Niets is vanzelf

Niets is zelf

Niets is

Niet

Ook dit is

Ook dit is niet

Ook dit is niet van zichzelf

Ook dit is van zichzelf niet

Ook dit is van zichzelf niet goed

Ook dit is van zichzelf niet slecht

Ook dit is van zichzelf niets

Ook dit is vanzelf niet

Ook dit is vanzelf

Niets

-194-

De dwijze heeft niets te bewijzen

(Vrij naar hoofdstuk 62 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Absoluut is het verschil tussen goed en kwaad voor de dwaas. Hij heeft iets te bewijzen. Hij heeft iets.

Relatief is het verschil tussen goed en kwaad voor de wijze. Hij heeft iets af te prijzen. Hij heeft iets.

Onbepaald is het verschil tussen goed en kwaad voor de dwijze. Hij heeft niets te bewijzen. Hij heeft niets af te prijzen. Hij heeft niets.

-195-

Taijitu 27

-196-

Je moet het niet, je doet het niet

(Vrij naar hoofdstuk 63 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Denk door niet te denken
Wees door niet te wezen
Weet door niet te weten

Neem door niet te nemen
Heb door niet te hebben
Geef door niet te geven

Vat door niet te vatten
Wil door niet te willen
Doe door niet te doen

Hoe dat dan moet?
Je moet het niet

Hoe ik dat weet?
Dat weet ik niet

Hoe ik dat doe?
Ik doe het niet

Wie Tja heeft
Weet niet hoe
Het moet

Hij weet niet
Wat niet hij
Niet doet

-197-

Al doet het soms nog zeer

(Vrij naar hoofdstuk 64 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Soms moet je voorbereidingen treffen
Soms moet je impulsief zijn

Soms moet je voorraden aanleggen
Soms moet je alles opmaken

Soms moet je je verlies nemen
Soms moet je blijven strijden

Soms moet je onderzoek doen
Soms moet je handelen

Soms moet je vasthouden
Soms moet je loslaten

Soms moet je afwachten
Soms moet je ingrijpen

Soms moet je wegkijken
Soms moet je straffen

Soms moet je dreigen
Soms moet je toeslaan

Wie kan zeggen wanneer?

Ook de wijze doet maar wat
Alleen verhult hij het niet meer

Hij kan er wel om lachen, nu
Al doet het soms nog zeer

Hij laat het doen zijn gang maar gaan
En legt zich erbij neer

Zelfs als hij zich weer eens verzet
Noem dat desnoods zijn leer

-198-

Zoektocht gezocht

(Vrij naar hoofdstuk 64 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Een reis van duizend mijl begint met een stap, gaat verder met een stap en eindigt met een stap. Nooit zet je meer dan één stap per keer. Waar is dan die reis?

Een verhaal van duizend bladzijden begint met een woord, gaat verder met een woord en eindigt met een woord. Nooit lees je meer dan één woord per keer. Waar is dan dat verhaal?

Een lied van duizend maten begint met een noot, gaat verder met een noot en eindigt met een noot. Nooit hoor je meer dan één noot per keer. Waar is dan dat lied?

Een zoektocht van duizend jaar begint met een gedachte, gaat verder met een gedachte en eindigt met een gedachte. Nooit denk je meer dan één gedachte per keer. Waar is dan die zoektocht?

-199-

Een leer begint met hoon en eindigt met hoon

(Vrij naar hoofdstuk 64 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Een zomer lang of kort
begint met kou
en eindigt met kou

Een boom dik of dun
begint met aarde
en eindigt met aarde

Een rijk sterk of zwak
begint met chaos
en eindigt met chaos

Een tempel groot of klein
begint met stenen
en eindigt met stenen

Een leven hoog of laag
begint met pijn
en eindigt met pijn

Een geest slim of dom
begint met vragen
en eindigt met vragen

Een leer wijs of dwaas
begint met hoon
en eindigt met hoon

Een woord hard of zacht
begint met stilte
en eindigt met stilte

-200-

Halve glazen voor halve dwazen

(Vrij naar hoofdstuk 64 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Orde begint met chaos en eindigt met chaos, zegt de een. Chaos begint met orde en eindigt met orde, zegt de ander. Wat zeg jij?

Liefde begint met haat en eindigt met haat, zegt de een. Haat begint met liefde en eindigt met liefde, zegt de ander. Wat zeg jij?

Rust begint met onrust en eindigt met onrust, zegt de een. Onrust begint met rust en eindigt met rust, zegt de ander. Wat zeg jij?

Vrede begint met oorlog en eindigt met oorlog, zegt de een. Oorlog begint met vrede en eindigt met vrede, zegt de ander. Wat zeg jij?

Geluk begint met ongeluk en eindigt met ongeluk, zegt de een. Ongeluk begint met geluk en eindigt met geluk, zegt de ander. Wat zeg jij?

Hoop begint met wanhoop en eindigt met wanhoop, zegt de een. Wanhoop begint met hoop en eindigt met hoop, zegt de ander. Wat zeg jij?

Macht begint met onmacht en eindigt met onmacht, zegt de een. Onmacht begint met macht en eindigt met macht, zegt de ander. Wat zeg jij?

Zonneschijn begint met regen en eindigt met regen, zegt de een. Regen begint met zonneschijn en eindigt met zonneschijn, zegt de ander. Wat zeg jij?

Aandacht begint met afleiding en eindigt met afleiding, zegt de een. Afleiding begint met aandacht en eindigt met aandacht, zegt de ander. Wat zeg jij?

Verzadiging begint met honger en eindigt met honger, zegt de een. Honger begint met verzadiging en eindigt met verzadiging, zegt de ander. Wat zeg jij?

Wijsheid begint met dwaasheid en eindigt met dwaasheid, zegt de een. Dwaasheid begint met wijsheid en eindigt met wijsheid, zegt de ander. Wat zeg jij?

Voorspoed begint met tegenslag en eindigt met tegenslag, zegt de een. Tegenslag begint met voorspoed en eindigt met voorspoed, zegt de ander. Wat zeg jij?

Vervoering begint met verveling en eindigt met verveling, zegt de een. Verveling begint met vervoering en eindigt met vervoering, zegt de ander. Wat zeg jij?

Eenvoud begint met complexiteit en eindigt met complexiteit, zegt de een. Complexiteit begint met eenvoud en eindigt met eenvoud, zegt de ander. Wat zeg jij?

Eenheid begint met verdeeldheid en eindigt met verdeeldheid, zegt de een. Verdeeldheid begint met eenheid en eindigt met eenheid, zegt de ander. Wat zeg jij?

Onthechting begint met gehechtheid en eindigt met gehechtheid, zegt de een. Gehechtheid begint met onthechting en eindigt met onthechting, zegt de ander. Wat zeg jij?

Spontaniteit begint met gemaaktheid en eindigt met gemaaktheid, zegt de een. Gemaaktheid begint met spontaniteit en eindigt met spontaniteit, zegt de ander. Wat zeg jij?

Vriendschap begint met eenzaamheid en eindigt met eenzaamheid, zegt de een. Eenzaamheid begint met vriendschap en eindigt met vriendschap, zegt de ander. Wat zeg jij?

Inzicht begint met onwetendheid en eindigt met onwetendheid, zegt de een. Onwetendheid begint met inzicht en eindigt met inzicht, zegt de ander. Wat zeg jij?

Woorden beginnen met stilte en eindigen met stilte, zegt de een. Stilte begint met woorden en eindigt met…

Zei je wat?

-201-

Meester Tja bekent

Een tekst lang of kort
begint met een zucht
en eindigt met een zucht

-202-

Wie thuis is in het Tja neemt het niet mee uit

(Vrij naar hoofdstuk 65 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie thuis is in het tja neemt het niet mee uit.

Niet om de waarheid te ontkennen.
Niet om de waarheid te vinden.

Niet om het ego te vernietigen.
Niet om het ego te dienen.

Niet om onwetend te blijven.
Niet om verlicht te worden.

Niet om hetzelfde te blijven.
Niet om anders te worden.

Niet om gerust te stellen.
Niet om bang te maken.

Niet om uit te sluiten.
Niet om in te sluiten.

Niet om dik te doen.
Niet om dun te doen.

Niet om wijs te lijken.
Niet om dwaas te lijken.

Niet om keuzes te maken.
Niet om keuzes te mijden.

Niet om iemand te worden.
Niet om niemand te worden.

Niet om mensen te vangen.
Niet om mensen te bevrijden.

Niet om de wereld te omarmen.
Niet om de wereld te ontvluchten.

Wie thuis is in het tja laat het overal uit.

-203-

De wolk van niet-weten

Nacht en Nevel

(Vrij naar hoofdstuk 65 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Was het Tja een gedachte dan was ze ondenkbaar.

Was het een gestalte dan was ze onzichtbaar.

Was het een wezen dan was het ongrijpbaar.

Was het een dier dan was het ontembaar.

O nacht, o duisternis!
In uw diepten is geen diepte!
In uw midden louter niets!

Was het Tja een boodschap dan was ze onbestelbaar.

Was het een symbool dan was het onduidbaar.

Was het een leer dan was hij onverdedigbaar.

Was het een stelling dan was ze onhoudbaar.

O nevel, o mistbank!
In uw flanken heerst verwarring!
In uw midden enkel rust!

-204-

Taijitu 28

-205-

De weg van de minste

(Vrij naar hoofdstuk 66 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Rivieren vinden vanzelf de zee, die van alle wateren het laagst gelegen is.

De laagste zal de grootste zijn.

Ieder ja en nee mondt uit in het tja, waaraan niets gelegen is.

De leegste zal de laagste zijn.

De weg van het tja is de weg van de zee.

De wijze wijst niet en wordt niet gevolgd.

Hij volgt niet en wordt niet verleid.

Hij leidt niet en wordt niet betwist.

Hij twist niet en wordt niet belaagd.

De weg van de wijze is de weg van het licht.

Licht vindt vanzelf het gat dat het duisterst is.

Het is de weg van de minste.

-206-

Het geheim van geen-geheim

(Vrij naar hoofdstuk 67 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Er zijn geen geheimen die ik koester.

Er zijn geen methoden die ik toepas.

Ik doe niet aan terughoudendheid.

Ik doe niet aan barmhartigheid.

Ik doe niet aan geweldloosheid.

Ik doe niet aan goedgeefsheid.

Ik doe niet aan spontaniteit.

Ik doe niet aan dapperheid.

Ik doe niet aan zuiverheid.

Ik doe niet aan meditatie.

Ik doe niet aan openheid.

Ik doe niet aan overgave.

Ik doe niet aan kuisheid.

Ik doe niet aan eenvoud.

Ik doe niet aan geloften.

Ik doe niet aan geduld.

Ik doe niet aan liefde.

Ik doe niet aan respect.

Ik doe niet aan wijsheid.

Ik doe niet aan echtheid.

Ik doe niet aan juistheid.

Ik doe niet aan goedheid.

Ik doe niet aan niet-doen.

Ik doe niet aan soberheid.

Ik doe niet aan eerlijkheid.

Ik doe niet aan mededogen.

Ik doe niet aan oplettendheid.

Ik doe niet aan vriendelijkheid.

Ik doe niet aan deugdzaamheid.

Ik doe niet aan rechtvaardigheid.

Ik doe niet aan vasthoudendheid.

Ook dit zijn geen regels die ik volg.

-207-

Een wijze krijger is geen hebber

(Vrij naar hoofdstuk 68 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Een gewone krijger heerst over zijn wapens.

Een goede krijger heerst over zijn gevoel.

Een wijze krijger heerst nergens over.

Hij heerst niet over zijn lichaam.

Hij heerst niet over het voetvolk.

Hij heerst niet over zijn wapens.

Hij heerst niet over zijn paard.

Hij heerst niet over zijn geest.

Hij heerst niet over zijn bezit.

Hij heerst niet over zijn tong.

Hij heerst niet over zijn hart.

Hij heerst niet over zijn wil.

Hij heerst niet over leven.

Hij heerst niet over dood.

Een wijze krijger heerst niet.

Ook niet over zijn heerszucht.

Wie niet heerst die niet heeft.

Een wijze krijger is geen hebber.

-208-

Er is geen geest, behalve in je geest

(Vrij naar hoofdstuk 69 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Er zijn geen verliezers, behalve in je geest.
Er zijn geen winnaars, behalve in je geest.

Er is geen onderscheid, behalve in je geest.
Er is geen eenheid, behalve in je geest.

Er zijn geen vijanden, behalve in je geest.
Er zijn geen vrienden, behalve in je geest.

Er zijn geen lafaards, behalve in je geest.
Er zijn geen helden, behalve in je geest.

Er is geen dwaasheid, behalve in je geest.
Er is geen wijsheid, behalve in je geest.

Er is geen ongeluk, behalve in je geest.
Er is geen geluk, behalve in je geest.

Er is geen ongelijk, behalve in je geest.
Er is geen gelijk, behalve in je geest.

Er is geen vroeger, behalve in je geest.
Er is geen nu, behalve in je geest.

Er is geen oorlog, behalve in je geest.
Er is geen vrede, behalve in je geest.

Er is geen kwaad, behalve in je geest.
Er is geen goed, behalve in je geest.

Er is geen ander, behalve in je geest.
Er is geen zelf, behalve in je geest.

Er is geen haat, behalve in je geest.
Er is geen liefde, behalve in je geest.

Er is geen daar, behalve in je geest.
Er is geen hier, behalve in je geest.

Er is geen doel, behalve in je geest.
Er is geen weg, behalve in je geest.

Er is geen geest, behalve in je geest.
En ook de leegte is er nooit geweest.

-209-

Achtentwintig ervaren krijgers

(Vrij naar hoofdstuk 69 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Eens heb ik een ervaren krijger horen zeggen: ‘Ik durf niet te beginnen, ik wacht liever af.’ Een andere krijger zei: ‘Ik durf niet af te wachten, ik begin liever.’ Een andere zei: ‘Men moet beginnen en afwachten.’ Weer een andere: ‘Men moet afwachten noch beginnen.’

Zo heb ik ook eens een ervaren krijger horen zeggen: ‘Ik durf geen duim vooruit te gaan, ik ga liever een voet terug.’ Een andere krijger zei: ‘Ik durf geen duim terug te gaan, ik ga liever een voet vooruit.’ Een andere zei: ‘Men moet achteruit vooruit gaan.’ Weer een andere: ‘Men moet naar voren noch naar achteren gaan.’

Zo heb ik ook eens een ervaren krijger horen zeggen: ‘Men moet voorgaan zonder gaan.’ Een andere krijger zei: ‘Men moet gaan zonder voorgaan.’ Een andere zei: ‘Men moet gaande voorgaan.’ Weer een andere: ‘Men moet gaan noch voorgaan.’

Zo heb ik ook eens een ervaren krijger horen zeggen: ‘Men moet dreigen zonder de armen te strekken.’ Een andere krijger zei: ‘Men moet de armen strekken zonder dreigen.’ Een andere zei: ‘Men moet dreigen en de armen strekken.’ Weer een andere: ‘Men moet dreigen noch de armen strekken.’

Zo heb ik ook eens een ervaren krijger horen zeggen: ‘Men moet opdringen zonder weerstand te wekken.’ Een andere krijger zei: ‘Men moet weerstand wekken zonder op te dringen.’ Een andere zei: ‘Men moet weerstand wekken en opdringen.’ Weer een andere: ‘Men moet weerstand wekken noch opdringen.’

Zo heb ik ook eens een ervaren krijger horen zeggen: ‘Men moet aangrijpen zonder te wapenen.’ Een andere krijger zei: ‘Men moet wapenen zonder aan te grijpen.’ Een andere zei: ‘Men moet wapenen en aangrijpen.’ Weer een andere: ‘Men moet aangrijpen noch wapenen.’

Zo heb ik ook eens een ervaren krijger horen zeggen: ‘Goed dat ik ten strijde ben getrokken.’ Een andere krijger zei: ‘Was ik maar thuis gebleven.’ Een andere zei: ‘Ik had thuis ten strijde moeten trekken.’ Weer een andere: ‘Was ik maar zonder strijd vertrokken.’

Zelf deed ik er altijd het zwijgen toe.

Ik had geen ervaring.

-210-

Heilig is een woord

(Vrij naar hoofdstuk 70 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Woorden zijn geen goden. Wie er heilig in gelooft, zal het Tja niet kennen.

Tja is ook maar een woord. Wie er heilig in gelooft, zal het niet kennen.

-211-

Woorden zijn virtuele oorden

(Vrij naar hoofdstuk 70 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Woorden, woorden, woorden!
Touwen, ketens, koorden!
Virtuele oorden!

Boeken zijn maar woorden!
Kranten zijn maar woorden!
Websites zijn maar woorden!

Woorden, woorden, woorden!

Mythen zijn maar woorden!
Fabels zijn maar woorden!
Sprookjes zijn maar woorden!

Woorden, woorden, woorden!

Normen zijn maar woorden!
Waarden zijn maar woorden!
Wetten zijn maar woorden!

Woorden, woorden, woorden!

Nota’s zijn maar woorden!
Memo’s zijn maar woorden!
Aktes zijn maar woorden!

Woorden, woorden, woorden!

Noties zijn maar woorden!
Visies zijn maar woorden!
Theses zijn maar woorden!

Woorden, woorden, woorden!

Bijbels zijn maar woorden!
Preken zijn maar woorden!
Dogma’s zijn maar woorden!

Woorden, woorden, woorden!

Soetra’s zijn maar woorden!
Shastra’s zijn maar woorden!
Teisho’s zijn maar woorden!

Woorden, woorden, woorden!

Zijn woorden louter woorden?
Of zijn dit ook maar woorden?
Of zijn ook dat maar woorden?

Woorden, woorden, woorden!
Touwen, ketens, koorden!
Virtuele oorden!

-212-

Taijitu 29

-213-

Wie niet op de hoogte is kijkt nergens op neer

(Vrij naar hoofdstuk 71 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Weten is hoog. Niet-weten is hoger. Wetend niet weten is hoger nog. Niet weten van niet weten – wie kan zeggen hoe hoog dat is?

Onverenigd, ongespleten!
Ononthecht en onbezeten!
Ongedaan en onvergeten!
Louter breedte, niet te meten!

Wie niet meer op de hoogte is, ziet geen wezenlijk verschil tussen wel en niet weten. Hij ziet het ene niet als kwaal, het andere niet als remedie.

Zijn weten is grondeloos, zijn niet-weten evenzeer. Het onderscheid is voos, net zoals zijn leer.

Wie niet meer op de hoogte is, kijkt overal van op en nergens meer op neer. Wie kan zeggen hoe diep dat is?

-214-

Niet weten gaat voorbij alle wijsheid

Misschien mag je wel mee.

(Vrij naar hoofdstuk 71 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Kennis is geen wijsheid.

Kennis van niet weten is geen niet weten.

Geloof is geen wijsheid.

Geloof in niet weten is geen niet weten.

Ontzag is geen wijsheid.

Ontzag voor niet weten is geen niet weten.

Alle wijsheid gaat voorbij.

Wat voorbij gaat is geen niet weten.

Niet weten gaat voorbij alle wijsheid.

Het gaat voorbij alle wijsheid voorbij alle wijsheid.

Het gaat voorbij niet weten.

Niet weten gaat overal voorbij.

Is het dan voorbij?

Wat heet.

Dan staat het overal bij.

Stil.

-215-

De wijze heeft geen idee en geen idee heeft hem

(Vrij naar hoofdstuk 72 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De wijze heeft geen idee en geen idee heeft hem.

Hij weet zijn binnenste niet te onderscheiden van zijn buitenste.

Hij weet de heersers niet te onderscheiden van hun onderdanen.

Hij weet de schepper niet te onderscheiden van zijn schepping.

Hij weet de meesters niet te onderscheiden van hun leerlingen.

Hij weet de werkelijkheid niet te onderscheiden van de illusie.

Hij weet zijn macht niet te onderscheiden van zijn onmacht.

Hij weet zijn geest niet te onderscheiden van zijn lichaam.

Hij weet de hemel niet te onderscheiden van de aarde.

Hij weet het ene niet te onderscheiden van het vele.

Hij weet de weg niet te onderscheiden van het veld.

Hij weet het zelf niet te onderscheiden van het ego.

Hij weet wijzen niet te onderscheiden van dwazen.

Hij weet de tao niet te onderscheiden van het tja.

De wijze kent zichzelf niet en laat het gerust zien.

Hij kent de mens niet en geeft het gewoon toe.

Hij kent de wereld niet en heeft er vrede mee.

Daarom noemen anderen hem een wijze.

Zelf weet hij wel beter.

-216-

De scepter is de koning

(Vrij naar hoofdstuk 72 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Zonder heerser geen onderdanen. Zonder onderdanen geen heerser. Wie zwaait hier de scepter?

De wil van de heerser is wet. De heerser staat buiten de wet. Staat hij ook buiten zijn wil?

Je legt je wil op aan de wereld. Maak jij deel uit van de wereld of van je wil?

Is de wil een idee of een realiteit?

Is de wereld een woord of een feit?

-217-

Molens moeten malen

(Vrij naar hoofdstuk 72 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Een molen kan malen
maar kan een molen
ook stoppen met malen
of maalt hij daar niet om?

Een mens kan malen
maar kan een mens
ook stoppen met malen
en als hij daarom maalt

En maalt en maalt
is hij dan malende
of is dat koren
op zijn molen?

-218-

Taijitu 30

-219-

Kun jij denken wat je wilt?

(Vrij naar hoofdstuk 72 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Is de wil vrij of onvrij, wat denk jij?

Kun je denken wat je wilt denken?

Als je dat denkt, verander dan maar eens van gedachte.

Nu!

En?

Dat dacht ik al.

Kun je dan tenminste willen denken wat je toch al denkt?

Als je dat denkt, bedenk dan maar eens iets wat je niet wilt.

En?

Wil je het al?

-220-

Wil jij denken wat je denkt?

(Vrij naar hoofdstuk 72 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Denk jij dat je kunt denken wat je wilt denken?

Waarom lukt het je dan niet?

Of denk je dat je alleen maar kunt willen denken wat je toch al denkt?

Waarom lukt het je dan niet?

Denk jij dat je kunt geloven wat je wilt geloven?

Waarom lukt het je dan niet?

Of denk je dat je alleen maar kunt willen geloven wat je toch al gelooft?

Waarom lukt het je dan niet?

Denk jij dat je kunt voelen wat je wilt voelen?

Waarom lukt het je dan niet?

Of denk je dat je alleen maar kunt willen voelen wat je toch al voelt?

Waarom lukt het je dan niet?

Denk jij dat je kunt worden wat je wilt worden?

Waarom lukt het je dan niet?

Of denk je dat je alleen maar kunt willen worden wat je toch al wordt?

Waarom lukt het je dan niet?

Denk jij dat je kunt doen wat je wilt doen?

Waarom lukt het je dan niet?

Of denk je dat je alleen maar kunt willen doen wat je toch al doet?

Waarom lukt het je dan niet?

Denk jij dat je kunt krijgen wat je wilt krijgen?

Waarom lukt het je dan niet?

Of denk je dat je alleen maar kunt willen krijgen wat je toch al krijgt?

Waarom lukt het je dan niet?

Of lukt het je soms wel?

Of is het niet jouw wil?

-221-

Weg van de weg

(Vrij naar hoofdstuk 73 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

wie strijdt
zonder strijd
weerstaat
noch berust

wie heeft
zonder hebben
die geeft
noch neemt

wie zegt
zonder zeggen
die spreekt
noch zwijgt

wie vraagt
zonder vragen
die eist
noch smeekt

wie doet
zonder doen
die slaagt
noch faalt

wie laat
zonder laten
laat toch
niet na

wie gaat
zonder gaan
is weg
van de weg

-222-

Woord en doodslag

(Vrij naar hoofdstuk 74 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Iemand die doodt uit naam van de staat heet een beul, iemand die doodt uit naam van zichzelf heet een moordenaar.

Wat is de overeenkomst?

Iemand die gedood wordt op persoonlijke titel heet een slachtoffer, iemand die gedood wordt in naam der wet heet een dader.

Wat is het verschil?

Iemand die beroepsmatig doodt, heet een vakman, iemand die zomaar doodt heet een amateur.

Wie heb je liever?

Iemand die woorden vermoordt heet een weetniet, iemand die moorden verwoordt heet een schrijver.

Wie lees je liever?

Als ik het niet dacht.

-223-

Tien denkbeelden over de geest

(Vrij naar hoofdstuk 75 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Kennis maakt de geest traag.

Tradities maken de geest star.

Ambities maken de geest hard.

Doelen maken de geest jachtig.

Wijsheid maakt de geest pedant.

Idealen maken de geest fanatiek.

Denkbeelden maken de geest blind.

Speculaties maken de geest zweverig.

Argumenten maken de geest twistziek.

Overtuigingen maken de geest onhebbelijk.

Dit waren tien denkbeelden over de geest.

Had je zal al?

Hadden ze je al?

Wie Tja heeft heeft niets.

Wie niets heeft heeft niets teveel.

-224-

Eeuwig leeft alleen de hoop op eeuwig leven

(Vrij naar hoofdstuk 76 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Nog vóór mens en dier geboren worden zijn ze al ten dode opgeschreven. Ze sterven soepel en sterk of stijf en zwak, afhankelijk van hun leeftijd.

Nog voor bomen en planten geboren worden zijn ze al ten dode opgeschreven. Ze sterven zacht en teer of dor en droog, afhankelijk van hun ouderdom.

Sterkte en stijfheid, soepelheid en zwakte verkondigen het leven en voorspellen de dood.

Want een boom die zwak staat zal omwaaien, een boom die sterk staat zal verbranden en een boom die als een paal boven water staat zal van binnenuit wegrotten.

Een leger dat zwak staat zal verpletterd worden, een leger dat sterk staat zal misleid worden en een leger dat onverslaanbaar is zal zichzelf overbodig maken.

Eeuwig leeft alleen de hoop op eeuwig leven.

-225-

Taijitu 31

-226-

Dwaas is het leven dat stervend bezint

(Vrij naar hoofdstuk 76 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

De wijze is een boom geplant aan stromend water.

Vanzelf loopt hij uit.

Vanzelf krijgt hij bloesem.

Vanzelf draagt hij vrucht.

Vanzelf breken zijn takken.

Vanzelf scheurt zijn schors.

Vanzelf splijt zijn stam.

Vanzelf rotten zijn wortels.

Vanzelf valt hij om.

Niets wordt hem onthouden.

Niets blijft hem bespaard.

Wijs is het leven dat telkens begint.

Dwaas is het leven dat stervend bezint.

Wijsheid is een woord dat verwaait in de wind.

De wijze is een droom verzand in stromend water.

-227-

Zodra de geest ontspant begin je te zweven

(Vrij naar hoofdstuk 77 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Zodra je een pijl loslaat ontspant de boog.

Zodra je een idee loslaat ontspant de geest.

Zodra de geest ontspant begin je te zweven.

De dwaas legt al zijn pijlen op zijn boog en beziet de wereld door zijn koker.

De wijze heeft al zijn pijlen verschoten en al zijn kokers doorzien.

Hij heeft de weg verlaten en houdt het voor gezien.

-228-

De boog kan niet altijd ontspannen zijn

(Vrij naar hoofdstuk 77 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Een boog kan pas ontspannen als je de pijl loslaat.

Je geest pas kan ontspannen als je je gedachten loslaat.

Vandaar dat je geest pas echt kan ontspannen als je ook de gedachte loslaat dat je geest pas kan ontspannen als je je gedachten loslaat.

Vandaar ook dat je geest pas echt kan ontspannen als je ook de gedachte loslaat dat je geest pas echt kan ontspannen als je ook de gedachte loslaat dat je geest pas kan ontspannen als je je gedachten loslaat.

Maar eigenlijk kan je geest pas echt ontspannen als je ook de gedachte loslaat dat je een geest hebt die pas echt kan ontspannen als je ook de gedachte loslaat dat je een geest hebt die pas echt kan ontspannen als je ook de gedachte loslaat dat je een geest hebt die gedachten heeft die hij naar keuze vast kan houden of los kan laten.

Ik wil maar zeggen:

Zodra je de gedachte loslaat (wat een gedachte is)
dat er een jij is (wat een gedachte is)
die geen gedachte is (wat een gedachte is)
of dat er geen jij is (wat een gedachte is)
of dat je een geest hebt (wat een gedachte is)
of dat je geen geest hebt (wat een gedachte is)
die ontspannen kan (wat een gedachte is)
door los te laten (wat een gedachte is)
of hoe dan ook (wat een gedachte is)
blijft hij hangen (wat een gedachte is)
of vliegt hij weg (wat een gedachte is)
en blijft hij weg (wat een gedachte is)
of keert hij terug (wat een gedachte is)
of wat dan ook (wat een gedachte is)
totdat hij is gezien (wat een gedachte is)
of is herzien (wat een gedachte is)
of is doorzien (wat een gedachte is)
of wat dan ook (wat een gedachte is)
want zo gaat dat (wat een gedachte is)
of is dat ook maar een gedachte?

-229-

Tja is alles herzien doorzien

(Vrij naar hoofdstuk 77 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

tja

tja is

tja is alles

tja is alles zien

tja is alles aanzien

tja is alles herzien

tja is alles doorzien

tja is niets inzien

tja is niets ontzien

tja is niets zien

tja is niets

tja is niet

tja is

tja

-230-

Geen enkele weg loopt verder

(Vrij naar hoofdstuk 77 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Weg.

Geen weg.

Geen enkele weg.

Geen enkele weg leidt.

Geen enkele weg leidt naar niet-weten.

Geen enkele weg leidt niet naar niet-weten.

Geen enkele weg leidt niet.

Alle wegen leiden.

Alle wegen leiden om.

Alle wegen leiden om niet-weten.

Alle wegen leiden om niet-weten heen.

Alle wegen draaien om niet-weten heen.

Alle wegen draaien eromheen.

Alle weten draait eromheen.

Niet-weten draait er niet omheen.

Niet-weten draait nergens omheen.

Niet-weten draait nergens om.

Niet-weten draait alles om.

Niet-weten gaat nergens heen.

Niet-weten gaat nergens over.

Niet-weten gaat nergens op in.

Niet-weten gaat nergens in op.

Niet-weten gaat nergens van uit.

Niet-weten kijkt nergens van op.

Niet-weten kijkt nergens van weg.

Niet-weten loopt nergens mee weg.

Niet-weten loopt nergens van weg.

In niet-weten loopt nergens een weg.

In niet-weten loopt nergens een weg dood.

Geen enkele weg loopt verder.

Geen enkele weg verder.

Geen enkele weg.

Geen heenweg.

Geen terugweg.

Geen omweg.

Geen uitweg.

Geen weg.

Weg.

Uit.

-231-

Gods water

(Vrij naar hoofdstuk 78 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Als stoom gaart en verbrandt het.

Als speeksel smeert en verteert het.

Als sneeuw vergroot en verbergt het.

Als vloeistof verwarmt en verkoelt het.

Als wolk brengt het neerslag en bliksem.

Als stroom sleept het mee en houdt het tegen.

Als ijs draagt het schaatsers en kraakt het schepen.

Als tij vormt het stranden en vernietigt het duinen.

Het geeft vissen lucht en beneemt ons de adem.

Het holt grotten uit en vult ze met druipsteen.

Het streelt bij lage snelheid, geselt bij hoge.

Het doet planten groeien en wortels rotten.

Het versnelt reacties en het vertraagt ze.

Waarlijk, met water weet je het nooit.

Toch is het zelf niet goed of slecht.

Hierin komt water het tja nabij.

-232-

Taijitu 32

-233-

Ware vrede kent geen vrede

(Vrij naar hoofdstuk 79 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie overal vrede zoekt
zal overal oorlog zien
en erover oordelen.

Ware vrede kent geen vrede.
Geen ware en geen valse.

Wie overal liefde zoekt
zal overal haat zien
en erover oordelen.

Ware liefde kent geen liefde.
Geen ware en geen valse.

Wie overal deugd zoekt
zal overal ondeugd zien
en erover oordelen.

Ware deugd kent geen deugd.
Geen ware en geen valse.

Wie overal eenvoud zoekt
zal overal veelheid zien
en erover oordelen.

Ware eenvoud kent geen eenvoud.
Geen ware en geen valse.

Wie overal echtheid zoekt
zal overal valsheid zien
en erover oordelen.

Ware echtheid kent geen echtheid.
Geen ware en geen valse.

Wie overal eenheid zoekt
zal overal verdeeldheid zien
en erover oordelen.

Ware eenheid kent geen eenheid.
Geen ware en geen valse.

Wie overal wijsheid zoekt
zal overal dwaasheid zien
en erover oordelen.

Ware wijsheid kent geen wijsheid.
Geen ware en geen valse.

Wie overal vrijheid zoekt
zal overal onvrijheid zien
en erover oordelen.

Ware vrijheid kent geen vrijheid.
Geen ware en geen valse.

-234-

Waarom de wijze overal rekening mee houdt en nergens op rekent

(Vrij naar hoofdstuk 80 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Laat er een klein land zijn met weinig inwoners of een groot land met veel inwoners.

Volk dat de dood vreest zal daarom of ergens anders om of zonder duidelijke redenen tijdelijk of voorgoed thuis blijven, in de buurt blijven of wegtrekken.

Zijn er boten en wagens dan zal het volk redenen vinden om erin plaats te nemen en redenen om eruit te blijven. Zijn er geen boten of wagens dan zal het redenen vinden om ze te vervaardigen en redenen om ze te verbieden.

Zijn er kurassen dan zal het volk redenen vinden om ze om te gorden en redenen om ze af te leggen. Zijn er wapens dan zal het redenen vinden om ze te tonen en redenen om ze te verbergen. Zijn er geen kurassen of wapens dan zal het redenen vinden om ze te maken en redenen om ze te verbieden.

Keert het volk terug tot het gebruik van geknoopte touwtjes dan zal het redenen vinden om zich toch weer van het schrift te bedienen en redenen om het voorgoed te af te schaffen. Houdt het volk het bij het schrift dan zal het redenen vinden om terug te keren tot geknoopte touwtjes en redenen om die voorgoed te verbieden.

Vind het volk zijn eten lekker, zijn kleding mooi, zijn woning vredig en zijn gebruiken prettig dan zal het toch redenen vinden om iets anders te proberen. Zodra het nieuwe aanslaat zal het redenen vinden om terug te keren tot het oude.

Ligt een buurland zo ver weg dat de hanen en honden van weerskanten elkaar niet kunnen horen dan zal het volk redenen vinden om de banden aan te halen. Zoekt het volk van buurlanden elkaar op dan zal het redenen vinden om de banden te verbreken.

Want het volk vindt overal redenen voor. Maar nooit zoekt het redenen voor zijn redenen.

Daarom houdt de wijze overal rekening mee en rekent hij nergens op.

-235-

Hoe je dwaasheid en wijsheid vermijdt

(Vrij naar hoofdstuk 81 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft, sluit zich nergens voor af. Hij sluit zich nergens in op.

Kennis?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Meningen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Verklaringen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Theorieën?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Begrippen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Woorden?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Ideeën?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Idealen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Gedachten?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Gevoelens?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Fantasieën?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Ervaringen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Oordelen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Religies?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Tradities?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Rituelen?

Hij sluit zich er niet voor af.
Hij sluit zich er niet in op.

Wie Tja heeft sluit zich nergens voor af, zo vermijdt hij dwaasheid.

Hij sluit zich nergens in op, zo vermijdt hij wijsheid.

Sluit hij zich toch ergens in op dan sluit hij zich daar niet voor af.

Sluit hij zich toch ergens voor af dan sluit hij zich daar niet in op.

-236-

Een ongebroken breuk

(Vrij naar hoofdstuk 81 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja is geen teller:

Hij telt niet tot nul.
Hij telt niet tot een.
Hij telt niet tot twee.
Hij telt niet tot niet-twee.
Hij telt niet tot drie.
Hij telt niet tot vier.
Hij telt niet tot veel.

Meester Tja is ook geen noemer:

Hij spreekt niet van het Al.
Hij spreekt niet van het Zelf.
Hij spreekt niet van het Ene.
Hij spreekt niet van de Bron.
Hij spreekt niet van het Niets.
Hij spreekt niet van het Zijn.
Hij spreekt niet van het Licht.

Meester Tja is geen teller en geen noemer –

Hij is een ongebroken breuk.

-237-

Ware woorden ontwoorden

(Vrij naar hoofdstuk 81 van de Tao Te Tjing)

Meester Tja zegt:

Oppervlakkige woorden zijn logisch.
Diepe woorden zijn tegenstrijdig.

Onware woorden antwoorden.
Ware woorden ontwoorden.

Dwaze woorden ontwarren.
Wijze woorden verwarren.

Harde woorden verdoven.
Zachte woorden verstillen.

Grote woorden liegen.
Kleine woorden lachen.

En deze woorden?

Wie Tja heeft pot niet op.

Zijn leer is eeuwig leeg.

-238-

Taijitu 33

-239-

Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?

Meester Tja zegt:

Kijk met vliegenogen en je zult facetten zien en van Waarheid spreken.

Kijk met mensenogen en je zult diepte zien en van Waarheid spreken.

Kijk met vogelogen en je zult panorama’s zien en van Waarheid spreken.

Kijk met mollenogen en je zult duisternis zien en van Waarheid spreken.

Iedereen heeft oog voor de Waarheid.

Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?

-240-

Weg van de woorden

Meester Tja zegt:

Wie tja zegt volgt de weg.

Wie tja zegt volgt de weg van de woorden.

Wie tja zegt volgt de weg van de woorden die wegleiden.

Wie tja zegt volgt de weg van de woorden die wegleiden van de woorden.

Wie tja zegt volgt de weg van de woorden die wegleiden van de woorden die wegleiden.

Wie tja zegt volgt de weg van de woorden die wegleiden van de woorden die wegleiden van de woorden.

-241-

Wie tja zegt is weg

Meester Tja zegt:

Wie tja zegt is.

Wie tja zegt is helemaal.

Wie tja zegt is helemaal weg.

Wie tja zegt is helemaal weg van de weg.

Wie tja zegt is helemaal weg van de weg en dat was zijn weg.

Wie tja zegt is helemaal weg van de weg en dat was zijn weg en zo kwam hij terug.

-242-

Weg in eigen huis

Meester Tja zegt:

Wie tja zegt is.

Wie tja zegt is heel.

Wie tja zegt is helemaal.

Wie tja zegt is helemaal hier.

Wie tja zegt is hier helemaal.

Wie tja zegt is hier helemaal thuis.

Wie tja zegt is hier helemaal thuis al kent hij heg noch steg.

Wie tja zegt is hier helemaal thuis al kent hij heg noch steg en blijft hij onderweg.

Wie tja zegt is hier helemaal thuis al kent hij heg noch steg en blijft hij onderweg zonder weg.

-243-

De tjatjatja

Meester Tja zegt:

Wie ik ben – tja!
Wat ik ben – tja!
Of ik ben – tja!

Tja! Altijd tja! Niets dan tja!

Tja! Tja! Tja!

Waar ik ben – tja!
Waar ik vandaan kom – tja!
Waar ik heen ga – tja!

Tja! Altijd tja! Niets dan tja!

Tja! Tja! Tja!

Wat ik moet doen – tja!
Wat ik moet laten – tja!
Of ik kan kiezen – tja!

Tja! Altijd tja! Niets dan tja!

Tja! Tja! Tja!

Als ik zing – tja!
Als ik schreeuw – tja!
Als ik zwijg – tja!

Tja! Altijd tja! Niets dan tja!

Tja! Tja! Tja!

Als ik lach – tja!
Als ik huil – tja!
Als ik sterf – tja!

Tja! Altijd tja! Niets dan tja!

Tja! Tja! Tja!

Geïnspireerd door het chassidische gebed ‘Dudelle’ van Levi Isaak van Berditschew.

-244-

Het woord voorbij alle woorden

Meester Tja zegt:

Wat is de grond zonder grond?

Tja!

Wat is de leer zonder leer?

Tja!

Wat is de zin zonder zin?

Tja!

Wat is de rust zonder rust?

Tja!

Wat is de vrede zonder vrede?

Tja!

Wat is de weg zonder weg?

Tja!

Wat is het doel zonder doel?

Tja!

Wat is het plan zonder plan?

Tja!

Wat is de wil zonder wil?

Tja!

Wat is de kracht zonder kracht?

Tja!

Wat is de nacht zonder nacht?

Tja!

Wat is de raad zonder raad?

Tja!

Wat is de daad zonder daad?

Tja!

Wat is de kijk zonder kijk?

Tja!

Wat is het rijk zonder rijk?

Tja!

Wat is de vorm zonder vorm?

Tja!

Wat is de leegte zonder leegte?

Tja!

Wat is het verschil zonder verschil?

Tja!

Wat is de eenheid zonder eenheid?

Tja!

Wat is het oordeel zonder oordeel?

Tja!

Wat is de norm zonder norm?

Tja!

Wat is het oord zonder oord?

Tja!

Wat is de poort zonder poort?

Tja!

Wat is het woord zonder woord?

Tja!

-245-

Voor en na

Meester Tja zegt:

Wat is het dat de betoverde onttovert?

Tja!

Wat is het dat de onttoverde betovert?

Tja!

-246-

Taijitu 34

-247-

Zeg maar tja tegen het leven

Zeg maar tja tegen onwetendheid!
Zeg maar tja tegen verlichting!

Zeg maar tja tegen het relatieve!
Zeg maar tja tegen het absolute!

Zeg maar tja tegen gehechtheid!
Zeg maar tja tegen onthechting!

Zeg maar tja tegen de woorden!
Zeg maar tja tegen de stilte!

Zeg maar tja tegen je karma!
Zeg maar tja tegen de dharma!

Zeg maar tja tegen je kennis!
Zeg maar tja tegen niet-weten!

Zeg maar tja tegen je verdriet!
Zeg maar tja tegen je vreugde!

Zeg maar tja tegen de oorlog!
Zeg maar tja tegen de vrede!

Zeg maar tja tegen de hel!
Zeg maar tja tegen de hemel!

Zeg maar tja tegen je onrust!
Zeg maar tja tegen je rust!

Zeg maar tja tegen het doen!
Zeg maar tja tegen het laten!

Zeg maar tja tegen het leven!
Zeg maar tja tegen de dood!

Zeg maar tja tegen de vorm!
Zeg maar tja tegen de leegte!

Zeg maar tja tegen samsara!
Zeg maar tja tegen nirwana!

Zeg maar tja tegen het vele!
Zeg maar tja tegen het ene!

Zeg maar tja tegen het doel!
Zeg maar tja tegen de weg!

Zeg maar tja tegen het ego!
Zeg maar tja tegen het zelf!

Zeg maar tja tegen je yin!
Zeg maar tja tegen je yang!

Zeg maar tja tegen je nee!
Zeg maar tja tegen je ja!

Zeg maar tja!

-248-

Dwaalgesprek met Meester Tja

Resumé van het gedachtegoed van Meester Tja in zijn eigen woord.

Meester Tja over God

‘Als ik u vraag naar de Heilige Vader, de Heilige Zoon, de Heilige Geest, de Heilige Drie-eenheid, JWHW, Allah, Brahman, Parabrahman, Atman, Anatman, de Logos, het numineuze, het pleroma, de onnoemelijke, Zeus en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor God of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over het hoogste

‘Als ik u vraag naar de bron, de grond, volmaaktheid, het goede, het licht, het iets, het zijn, het ik-ben, het overbestaande, het worden, het eendere, het zelfidentieke, de aseïteit, het ene, het al, hét, dit, dat, het ultieme, het absolute, het oneindige, het overoneindige en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw naam voor het hoogste of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over leegte

‘Als ik u vraag naar het niets, niet-iets, kosmisch bewustzijn, vol-ledigheid, geen-geest, geen-zelf, inessentie, sunyata en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor leegte of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over de weg

‘Als ik u vraag naar meditatie, inkeer, gebed, devotie, contemplatie, ascese, caritas, het werk, autolyse, het kleine voertuig, het grote voertuig, de weg van het hoofd, de weg van het hart en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor de weg of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over wijsheid

‘Als ik u vraag naar de innerlijke waarheid, het ultieme weten, het diepste inzicht, zelfkennis, de wijsheid zonder wijsheid, de wijsheid voorbij alle wijsheid, de eeuwige wijsheid, de kennis zonder leraar, de woorden voorbij de woorden, datgene wat geen oog kan zien en geen oor kan horen, de dharma, prajnaparamita en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor wijsheid of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over loslaten

‘Als ik u vraag naar wu wei, niet doen, doende niet doen, meegaan met de stroom, overgave, overlaten, meedrijven, aanvaarding, onthechting, willoosheid en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor loslaten of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over het einde

‘Als ik u vraag naar de apocalyps, het einde der tijden, nietiging, ontlediging, het eschaton, de kleine dood, de grote dood, ontwording, niet-zijn en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor het einde of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over levenskunst

‘Als ik u vraag naar eenvoud, eerlijkheid, nederigheid, zelfloosheid, altruïsme, mededogen, dankbaarheid, spontaniteit, directheid, authenticiteit, mindfulness, aandachtigheid, in het moment zijn en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor levenskunst of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over het paradijs

‘Als ik u vraag naar de hemel, utopia, eldorado, elysium, het koninkrijk der hemelen, nirwana, het hier-en-nu, dit, gene zijde en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor het paradijs of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over gemoedsrust

‘Als ik u vraag naar innerlijke vrede, sereniteit, onverstoorbaarheid, gelijkmoedigheid, ataraxia, apatheia, contenance, laconisme, gelatenheid, lijdzaamheid, berusting, flegma, indifferentie en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor gemoedsrust of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over de eenheidservaring

‘Als ik u vraag naar satori, kensho, samadhi, jhana, extase, epectase, exaltatie, de unio mystica, henosis, unitus, collectus en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor de eenheidservaring of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over neutraliteit

‘Als ik u vraag naar non-dualiteit, indifferentie, epoche, agnose, niet oordelen, keuzeloos gewaarzijn en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor neutraliteit of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over liefde en mededogen

‘Als ik u vraag naar openheid, ruimte, ontvankelijkheid, acceptatie, mededogen, medemenselijkheid, compassie, kanzeon, kwannon, avalokiteshvara en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor liefde en mededogen of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over het eeuwige

‘Als ik u vraag naar het hier-en-nu, het eeuwige heden, dit ogenblik, het onvergankelijke, het ongeborene, het tijdloze, de onbewogen beweger, de eerste oorzaak, het onveranderlijke en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor het eeuwige of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over ons diepste wezen

‘Als ik u vraag naar je oorspronkelijke gezicht, je ware aard, je hogere ik, de geest, het zelf, je boeddhanatuur, big mind, essentie en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor ons diepste wezen of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over verlichting

‘Als ik u vraag naar realisatie, verwezenlijking, zelfverwerkelijking, transcendentie, bewustwording, ontwaken, illuminatie, helderheid, thuiskomen en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor verlichting of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over het mysterie

‘Als ik u vraag naar de ongrond, het wonder, het raadsel, het onkenbare, het onbekende, het onbegrijpelijke, het oneindige, het bovenzinnelijke, het bovenrationele, het onzegbare, het ondenkbare, het onvoorstelbare, het verbijsterende, het totaal vreemde, het gans andere, differantie, archè, het onzegbare, het onuitsprekelijke, het onnoemelijke, het ineffabele en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor het mysterie of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over de waarheid

‘Als ik u vraag naar het scepticisme, pyrronisme, relativisme, subjectivisme, structuralisme, post-structuralisme, postmodernisme, amoralisme, fatalisme, cynisme, stoïcisme, nihilisme, agnosticisme, atheïsme, obscurantisme en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor de waarheid of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

Meester Tja over niet-weten

‘Als ik u vraag naar agnose, dwijsbegeerte, groot uitzicht, het grote tja, de lege leer, het lege woord, de lege geest, de weetnietgeest, weten zonder weten en zo, wat zegt u dan?’

‘Tja.’

‘Is dat uw woord voor niet-weten of weet u het gewoon niet?’

‘Tja.’

-249-

Een nieuw begin

Meester Tja zegt:

Het tja heeft vele namen en gezichten, vele kaften en titels, vele maten en gewichten, maar slechts één boodschap: geen boodschap.

Niet-weten is vereenzelviging met het tja, dat wil zeggen, het einde van iedere vereenzelviging, ook met niet-vereenzelvigen.

Het einde van vereenzelviging is het einde van het ik, het einde van niet-ik, het einde van de illusie, het einde van de werkelijkheid, het einde van het ja, het einde van het nee, het einde van het tja en het einde van het einde.

Wat dan wel een nieuw begin zal zijn.

Maar waarvan?

-246-

Taijitu 35

Taoïsme in oost en west

-250-

Het boek van niet-weten en niet-doen

De Tao Te Tjing is het oudste en meest bekende werk van het taoïsme.

Het taoïsme is een van de drie hoofdreligies van China, naast het confucianisme en het boeddhisme (chan).

Twee andere hoofdwerken van het taoïsme zijn de Zhuangzi en de Liezi. Het grootste verschil tussen deze boeken en het eerste is dat er wat te lachen valt.

De Tao Te Tjing is een dodelijk ernstig boekje vol spreuken, vergelijkingen, redeneringen en volkswijsheden. Hij wordt toegeschreven aan ene Laozi uit de zesde eeuw voor ene Christus.

Zo klein als het is, bestaat het zelf weer uit twee boekjes, de Tao Tjing, het boek van de Weg, en de Te Tjing, het boek van de deugd.

De Tao Tjing leert dat het universum wordt gereguleerd door de Tao, een spontaan, natuurlijk, universeel en tijdloos principe dat je niet kan kennen maar wel kan leven.

De Tao laat zich nooit in woorden vangen en kan alleen begrepen worden in de geest van niet-weten.

De Te Tjing leert dat ware deugd, Te, niets forceert en volledig is afgestemd op de onkenbare Tao.

Het leven laat zich nooit in regels vangen en kan alleen geleefd worden in de geest van niet-doen.

Tjing betekent boek.

Tao Te Tjing = het boek van niet-weten en niet-doen.

-251-

Een boek met 100 namen

‘De Eeuwige Tao kan niet in woorden worden uitgedrukt’, heet het in hoofdstuk 1 van de Tao Te Tjing. Wie dat boek van begin tot eind doorworstelt kan het daar alleen maar mee eens zijn. De auteur van de Tao Te Tjing is het in elk geval niet gelukt.

Voor westerlingen begint de ellende meteen al bij de titel. Zo wordt het boekje niet alleen de Tao Te Tjing genoemd, maar ook de Tao-tê-tjing, Tao Te Ching, Tao Te King, Tau-te-tsjing, Tau Teh Tsjing, Dao De Jing, Daodejing, Lao Zi, Laozi…

Die aliassen hebben we in de eerste plaats te danken aan het zogeheten transliteratieprobleem. Geschreven Chinees is namelijk niet gebaseerd op letters maar op ideogrammen, gestileerde tekeningetjes, die eerst in letters moeten worden omgezet voor wij ze kunnen lezen.

Hoe doe je dat? Hoe beeld je duizenden ideogrammen af op 26 letters? In hoeverre laat je je daarbij leiden door de Chinese uitspraak, en door wiens uitspraak van welke van de vele Chinese talen en dialecten, oud en nieuw?

Ooit werden Chinese tekens omgezet in Romeinse op grond van de uitspraak in de eigen taal naar het inzicht van de individuele vertaler. Daarna volgde het transcriptiesysteem van Wade-Giles en sinds de jaren vijftig promoot de Chinese regering het Hanyu Pinyin, een soort Esperanto voor potjeschinees, bedoeld als wereldwijde standaard voor geschreven transcripties.

Door die uniformering van de schrijfwijze komt de regionale uitspraak helaas verder van het origineel af te staan. Zo zal een Nederlander ‘Beijing’ van nature anders uitspreken dan een Portugees of een Schot.

Alle pogingen tot standaardisatie ten spijt hebben juist de oude, individuele transcripties wortel geschoten in hoofden, catalogi en (woorden)boeken.

‘Tao’ en ‘taoïsme’ zijn bijvoorbeeld opgenomen in de Woordenlijst der Nederlandse taal, het Groene Boekje en de Dikke Van Dale. Dat verander je niet van de ene dag op de andere.

Vandaar dat Nederland in tegenstelling tot een aantal andere Europese landen (nog) niet is overgestapt op de pinyinvarianten ‘Dao’ en ‘daoïsme’.

Vandaar dat het boek dat je nu leest het Witboek Taoïsme heet en niet het Witboek Daoïsme.

Vandaar dat ik de Daodejing hier consequent de Tao Te Tjing noem.

Om de verwarring compleet te maken wordt de Tao Te Tjing vaak vernoemd naar de vermeende auteur, meester Lao. Het kan ook zijn dat de auteur vernoemd is naar het werk, daar zijn de geleerden het niet over eens.

En wat is eigenlijk de correcte schrijfwijze van de vermeende auteur? Kristofer Schipper noemt hem Lao Zi, letterlijk Lao Meester, Meester Lao dus, en zo heet ook zijn vertaling van de Tao Te Tjing: Lao Zi. Jan de Meyer vindt dat je Laozi moet schrijven, aan elkaar dus, net als bij Janszoon en Koningsdochter.

Kortom, verwarring alom, en dan hebben we het alleen nog maar over de titel en de auteur.

-252-

Weten dat je niet weet is het hoogst

Wùzhī (klassiek Chinees, , niet + zhī, kennis, weten): niet-weten

Hoofdstuk 71, onthoud dat nummer!

De Tao Te Tjing bestaat uit 81 hoofdstukjes. Een van de kortste daarvan, nummer 71, is mijn favoriet. Daarin staat in klassiek Chinees:

知不知上、不知知病。夫唯病病、是以不病。聖人不病、以其病病。是以不病

Kristofer Schipper vertaalt het zo:

Weten dat je niet weet, dat is het hoogste.
Dit niet weten, dat is een kwaal.
De wijze, door deze kwaal als een kwaal te beschouwen, is hiervan gevrijwaard.
Want alleen op deze manier kun je aan de kwaal ontkomen.

Henri Borel vertaalt het zo:

Te weten dat wij niet weten is superieur.
Niet te weten en denken te weten is de ziekte van de mensen.
Als men om deze ziekte lijdt, zal men haar ontkomen.
De Wijze heeft deze ziekte niet, juist omdat hij er het lijden van weet.
Daarom is hij er niet ziek van.

Hoofdstuk 71 over niet-weten is voor mij de essentie van de Tao Te Tjing, het wezen van Tao, de kern van het taoïsme en de grond van niet-doen.

Weten niet weten op

De eerste twee regels van hoofdstuk 71 vind ik het mooist:

Weten dat je niet weet, dat is het hoogste.
Dit niet weten, dat is een kwaal.

In het Chinees:

知不知上、不知知病。

In pinyin:

Zhī wùzhī shàng, wùzhī zhī bìng

Letterlijk vertaald:

weten (知) niet (不) weten (知) op (上)
niet (不) weten (知) weten (知) ziek (病)

dus:

weten niet weten op
niet weten weten ziek

Voor mij is dit zelfs in het Nederlands Chinees. Het is een wonder dat vertalers er kaas van konden maken, of moet ik zeggen loempia, zoals Schipper hierboven en hieronder:

Van weten naar niet weten dat is het beste.
Van niet weten naar weten, dat is dom.

En Ir. Blok:

Weten het niet-weten, dat is hoog.
Niet weten het weten, dat is een ziekte.

Omdat een simpele nevenschikking als ‘weten niet weten’ niet-Chinezen als ik in verwarring brengt, wordt 知不知 vaak vertaald als ‘wetend niet-weten’ of ‘weten zonder weten’, en is 不知 kortweg ‘niet-weten’ gaan heten.

De uitdrukkingen ‘wetend niet-weten’ en ‘weten zonder weten’ zijn gebaseerd op een innerlijke tegenspraak en heten daarom oxymorons.

Het oxymoron is voor apofatische sprekers een onmisbare stijlfiguur.

De term ‘niet-weten’ kan je zien als een verkorte vorm ofwel een ellips van het oxymoron ‘wetend niet-weten’.

Weet je dat ook weer.

Een broodje wijsheid of een broodje niet-weten?

Er zijn verschillende varianten van de Tao Te Tjing overgeleverd in verschillende volgordes. Wat de oorspronkelijke volgorde was weet niemand. Als auteur zou ik zeker met hoofdstuk 71 zijn geëindigd.

Ik zou er ook mee begonnen zijn. Dan hadden we nu een broodje niet-weten gehad, belegd met wijsheid. Goede stoelgang verzekerd.

In plaats daarvan hebben we een broodje wijsheid belegd met niet-weten. Obstipatie verzekerd, wijsheid gaat door de maag en de darmen zitten met de gebakken peren.

-253-

Meester Nietskunner en Nietmeester Weetniet

De taoïstische uitdrukkingen wu wei, niet-doen, en wei wuwei, doen zonder doen of doende niet-doen, raken langzaam ingeburgerd in het Nederlandse taalgebied.

Niet dat ze opgenomen zijn in de standaard woordenlijst maar ze hebben het al wel tot lemma in de Wikipedia geschopt.

Niet-weten en weten zonder weten of wetend niet-weten kan je op analoge wijze romaniseren tot wuzhi en zhi wuzhi.

Zhi wuzhi (klassiek Chinees, zhi, weten + wu, niet + zhi): wetend niet-weten, of weten zonder weten

Klinkt goed, vind ik, maar geen mens die het snapt. Je hebt er dus niks aan, behalve voor jezelf en onder ons.

Als je ‘weten’ niet gebruikt als zelfstandig naamwoord (‘kennis’) maar als werkwoord (‘kennen’) dan zijn de juiste transcripties bùzhī en zhī bùzhī. Klinkt minder goed, vind ik, en nog steeds geen mens die het snapt.

Meer dan duizend jaar geleden verscheen er in China een boekje getiteld Wunengzi.

Wu betekent ‘niet’, neng ‘kunnen’ en zi ‘meester’, als in Laozi, Zhuangzi, Liezi, Linzi (Meester Lao, Meester Zhuang, Meester Lie, Meester Lin).

Dat boekje, Wunengzi, heet dus eigenlijk Meester Nietskunner.

Volgens de vertaler, Jan De Meyer, was Wunengzi bij de keuze van zijn naam geïnspireerd door een taoïst, Wang Ji (590-644), die zichzelf Wuxinzi noemde: Meester Zonder Geest of Meester Zondergeest of Zondergeestmeester.

Nu vraag ik me af of ik mezelf voortaan in het Nederchinees Wuzhizi zal noemen – Meester Zonder Weten.

Weetniet Zonder Meester zou beter zijn, denk ik, of anders Nietmeester Weetniet.

Of weet je wat?

Zeg maar gewoon Hans.

-246-

Taijitu 36

-254-

De onbekende geschiedenis van niet-weten

Volgens de overlevering is de Tao Te Tjing geschreven door Laozi (lao: oud, zi: meester, Oude Meester dus), ook wel Oude Langoor genoemd.

Lange oorlellen zijn een teken van hoge ouderdom en hoge ouderdom is een taoïstisch ideaal, vraag me niet waarom.

Over Laozi is niets met zekerheid bekend, en niets met onzekerheid, ook niet over de lengte van zijn oorlellen, behalve dat hij de dingen die hij gezegd zou hebben naar eigen zeggen liever niet gezegd zou hebben.

Weten dat je niet weet is volgens hem immers hoog – of zou hij dat liever ook niet gezegd hebben?

De geschiedenis van het vroege taoïsme is voor eeuwig in nevelen gehuld. In de wolk van niet-weten, zoals een mystiek traktaatje uit de middeleeuwen het noemt, zeg maar gerust wolkbreuk.

Voor ons lijkt het alsof de Tao Te Tjing uit de lucht is komen vallen maar die kans is klein, temeer daar de vermeende schrijver pas na het verschijnen van zijn boekje is vergoddelijkt, en wie had het anders naar beneden moeten gooien.

Over de geschiedenis van niet-weten bestaan sowieso veel misverstanden:

Dat het uitsluitend het domein zou zijn van Japanse zenboeddhisten.

Dat het uitsluitend het domein zou zijn van Chinese taoïsten, van wie de chanboeddhist, en later de zenboeddhist, het dan weer afgekeken zouden hebben.

Dat het uitsluitend het domein zou zijn van mystici.

Dat het uitsluitend het domein zou zijn van sceptici.

Dat het uitsluitend het domein zou zijn van postmodernisten.

Allemaal onzin – niet-weten is van alle tijden en plaatsen.

-255-

Socrates: ‘Ik weet dat ik niets weet’

Hoe stel je vast of niet-weten (of wat dan ook) het domein is van een bepaalde tijd of plaats?

Simpel: dat lukt je nooit.

Hoeveel oudere teksten of tekstfragmenten in hoeveel verschillende talen zou je daarvoor wel niet moeten controleren?

Hoeveel nieuwe oude teksten zullen archeologen in de toekomst nog opduikelen in potten, gaten, grotten en graven?

Hoeveel miljoenen gedachten zijn er daarvoor en sindsdien overal gedacht maar nooit gedeeld of opgeschreven en bewaard gebleven?

Vaststellen of niet-weten (of wat dan ook) van alle tijden en plaatsen is kan je ook wel vergeten, en wat maakt het ook uit.

Voor degenen die het niet-weten onder Chinese vlag willen laten varen heb ik oud nieuws.

Ongeveer in dezelfde tijd dat de Tao Te Tjing tot stand kwam, schreef de Griekse filosoof Plato de dialoog Apologie, waarin hij de filosoof Socrates laat zeggen:

Wat ik niet weet meen ik niet te weten.

Vaak wordt deze orakelspreuk geparafraseerd als:

Ik weet alleen maar dat ik niets weet.

Een dubieuze vereenvoudiging en sowieso niet iets waarvoor je je achter een wijsgeer verschuilt.

Wat Socrates werkelijk over niet-weten gezegd heeft en in welke bewoordingen, aangenomen dat hij er werkelijk iets over gezegd heeft, is onbekend.

Voor zover ik weet heeft hij nooit iets opgeschreven, al is dat evenmin met zekerheid vast te stellen.

Plato kon hem dus alle woorden in de mond leggen die hij maar wilde – een eeuwenoud procedé ter vergroting van zijn geloofwaardigheid waarvan ook de taoïstische traditie zich graag bedient.

Eerlijk gezegd zou ik er zelf ook niet vies van zijn, maar wat moet een agnost met geloofwaardigheid?

-256-

Pyrrho van Elis: ‘Ik weet niet of ik niets weet’

Het Griekse scepticisme vond zijn hoogtepunt én zijn Waterloo misschien al in het denken van de wijsgeer Pyrrho van Elis (circa 360-270 voor Christus).

Deze pyromaan stak liever andermans geschriften in de brand dan zelf iets te schrijven.

Net als Socrates heeft hij niets anders nagelaten dan schoorvoeten in het werk van navolgers, vooral in dat van Sextus Empiricus.

Pyrrho staat erom bekend dat hij zelfs weigerde te bevestigen dat hij niets wist. Dat komt aardig in de buurt van mijn eigen definitie van agnose – zelfs niet weten van niet-weten – en gaat een stapje verder dan ‘weten niet weten op.’

Nou, stapje, zeg maar gerust een reuzenstap waarmee het niet-weten vastberaden wegbeent van zijn eigen ketenen nog voor ze zijn gesmeed.

Dichterbij niet-weten kan je met woorden denk ik niet komen, poëzie daargelaten, want alles wat je erover beweert, bevestigend of ontkennend, behoort per definitie tot het weten.

Ook dat niet weten het weten een ziekte is bijvoorbeeld, en weten het niet weten hoog.

Wie zoiets zegt, deelt mensen in in ziek en gezond, wetend en niet-wetend, laag en hoog.

Op grond van dergelijke ogenschijnlijk onschuldige onderscheidingen ga je jezelf algauw als een wijze zien, een messias, een verlosser van de mensheid, de langverwachte stichter van het koninkrijk der hemelen op aarde.

Nou, dan weet je het wel.

-257-

Sengtsan: ‘Hou op met praten en denken’

Wie ik ook nog even wil noemen in verband met niet-weten is Sengtsan, de derde chan-patriarch, een landgenoot van Oude Langoor die leefde in de tiende eeuw na Plato:

Maak je ook maar het kleinste onderscheid, dan wijken hemel en aarde oneindig ver uiteen.

Dat schreef hij in De Grote Weg, verzen over de geest van vertrouwen, althans volgens degenen die erop vertrouwen dat hij de schrijver was.

De arme man had het nog niet gezegd of hemel en aarde weken oneindig ver uiteen, het Zelf straft meteen, had hij maar geen onderscheid moeten maken tussen wel en geen onderscheid maken.

In diezelfde geest van vertrouwen zei Sengtsan:

Hou op met praten en denken en er is niets dat je niet zal begrijpen.

Hij zal er dus wel niets van begrepen hebben.

Zelf heb ik meer vertrouwen in de geest van wantrouwen van chanmeester Linji, een tijdgenoot, ongeveer, van Meester Nietskunner.

Geloof niets van wat ik zeg’, zei Linji telkens weer, maar niemand geloofde hem, hijzelf nog het minst, zo gaf hij het goede voorbeeld.

Lees ook Klein abc van de Grote Weg van Sengtsan.

-258-

Taoïsme als kunst

De ondertitel van dit Witboek Taoïsme luidt ‘Meester Tja en de Tao van niet-weten’.

Nu zijn er tegenwoordig heel wat boeken, tijdschriftartikelen en websites met ‘de Tao van’ in de (onder)titel, en het worden er steeds meer:

De Tao van leiderschap, de Tao van de liefde, de Tao van het boogschieten, de Tao van de wijsheid, de Tao van de fysica, de Tao van Poeh, de Tao van Toonder, de Tao van zen, de Tao van de landbouw, de Tao van het dirigeren, de Tao van de man, de Tao van de vrouw, de Tao van seksualiteit, de Tao van topsport, de Tao van het coachen, de Tao van het struinen en zo voort, ik verzin het niet, kijk maar op internet.

Het verband met het taoïsme is vaak ver te zoeken, ze doen eerder aan new age, Happinez en zelfhulplectuur denken. Ze reiken methoden aan om je geest leeg te maken, je ego af te leggen, in de ‘flow’ of ‘the zone’ te geraken, één te worden met je doel of tegenstander, meer te genieten, gelukkiger te worden, je prestaties te verbeteren, je productiviteit te verhogen, effectiever en efficiënter te worden, meer winst te maken, de concurrentie de loef af te steken, je macht te vergroten, je angsten te overwinnen, successen te behalen, lof te oogsten, vitaler te worden, vrienden te verwerven, vriendschappen te verdiepen en zo voort, ik verzin het niet, kijk maar op internet.

Met ‘de Tao van’ wordt kennelijk ‘het geheim van’ of ‘de kunst van’ bedoeld. Het geheim waarin jij mag delen, de kunst die jij je even eigen kan maken en waarmee je jezelf en de wereld versteld zal doen staan.

Er zit wel een addertje onder het gras. De maakbare mens is money. Het gaat in bovenstaande voorbeelden niet om vrijblijvende geschenken van gulle gevers die het beste met je voorhebben, maar om winstgevende producten – boeken, bijeenkomsten, lezingen, cursussen, retraites, seminars.

Hoe verkoop je spulletjes en diensten? Met een exotisch woord, Tao in dit geval. Kunst kan je dat niet noemen maar een kunstje toch wel. Een oud kunstje, een koud kunstje.

De Tao van Marketing – ik zou er een boek over schrijven als het al niet bestond.

Tieten zijn uit, mystiek is in, orakel ik daarin.

Wijs maken ze ons niet maar ze maken ons toch maar mooi van alles wijs, de naamloze reclamemakers en talloze andere beoefenaars van het oudste beroep ter wereld.

Ik weet niet hoe het met de jouwe gesteld is maar mijn kop gonst ervan na zestig jaar, ik lijk wel dement.

Jezus redt, op de markt is mijn gulden nog steeds een daalder waard en Popla blijft mijn graal, al word ik admiraal.

Hoezeer ik er ook van baal, ik doe het de hooggeëerde adverteerders niet na. Zo oreer ik er als weetniet nu al dertien jaar op los en nog steeds heb ik niemand iets wijs weten te maken, mezelf ook niet, dit ook niet.

Je hoeft geen kapitalist of cynicus te wezen om in te zien dat er in religies fantastische bedragen omgaan. Het Vaticaan is schat- en schatrijk geworden van de blijde boodschap. Christendom, jodendom, islam, hindoeïsme, boeddhisme, scientology – overal valt wel een slaatje uit te slaan. Waarom dan niet uit het taoïsme?

Er is zelfs een uitdrukking voor de vermarkting van de geest: spiritueel materialisme. Het woord is zowel van toepassing op de kooplui die er materieel beter van (hopen te) worden als op de kopers die er spiritueel beter van (hopen te) worden.

De term ‘spiritueel materialisme’ is bedacht of gepopulariseerd door de Tibetaanse boeddhist, drinkebroer en seksverslaafde Chögyam Trungpa.

Hij heeft er begin jaren zeventig lezingen over gegeven en daar een boek van gemaakt, Cutting through spiritual materialisme (Spiritueel materialisme doorsnijden), dat nog steeds lekker verkoopt.

Noch het boek noch het boeddhisme heeft kunnen voorkomen dat deze elfde incarnatie van een verlichte lama, dharmahouder in de traditie van zowel de kagyu- als de nyingmalijn en grondlegger van de internationale shambala-organisatie, op achtenveertigjarige leeftijd overleed.

Niet aan wijsheid, niet aan deugdzaamheid, niet aan perfectie, niet aan onthechting en niet aan onthouding maar aan levercirrose. Op naar de volgende incarnatie.

Wie weet ben ik die volgende incarnatie. Aan de ondertitel van het Witboek Taoïsme zal het alvast niet liggen.

-259-

Taoïsme als cultus

Voor de meeste niet-Aziaten is het taoïsme een antieke Chinese filosofie. In Azië is het taoïsme een mysteriereligie voor ingewijden – een esoterische cultus.

Onder een cultus versta ik een accumulatie van beeldjes, dingetjes, woordjes, liedjes, verhaaltjes, spreuken, zeden, geschriften, iconen, symbolen, rituelen, feesten, praktijken, heiligen, halfgoden, goden enzovoort onder een gemeenschappelijke naam.

Cultussen zijn van alle tijden en plaatsen, denk maar aan het animisme, het hermetisme, het mandeïsme, het totemisme, de vrijmetselarij, de Hare Krishna en scientology. Ze kunnen in de loop der eeuwen ongelooflijk ingewikkeld worden.

De taoïstische cultus is een van de oudste en doet qua complexiteit niet onder voor het katholicisme waarmee ik zelf ben opgegroeid, of voor het Tibetaanse hooglandboeddhisme dat nog barokker is dan de barok.

Wie meent dat het taoïsme uitblinkt door eenvoud moet Tao, de levende religie van China van Kristofer Schipper er maar eens op naslaan. Zelf was ik al na 3 bladzijden de draad kwijt en het gevoel van science fiction is de volle 300 bladzijden gebleven.

Kenmerkend voor esoterie is het achterhouden van kennis. Waar kennis wordt achtergehouden ontstaat afstand tussen een elite van ingewijden, de priesters, en een massa van oningewijde buitenstaanders, de leken, die voor hun zielenheil betalen met geld, goederen en diensten.

Een schoolvoorbeeld van esoterisch boeddhisme is zen (chan), dat ontstaan is in China op een voedingsbodem van taoïsme en confucianisme. Zen maakt aanspraak op een geheime transmissie van hart tot hart van een transcendente waarheid voorbij de woorden.

Zen is lang niet zo ingewikkeld als het taoïsme maar als je voor het eerst een zendo bezoekt of een sesshin bijwoont is de kans groot dat je je een buitenstaander voelt.

In zen duurt het jaren of decennia voor je er helemaal bijhoort, als je het al mag meemaken. Dat bepaal je niet zelf; alleen degenen die transmissie hebben gekregen en opgenomen zijn in de ketchimyaku, de stamboom of ‘lineage’, hebben het recht om er anderen aan toe te voegen. Het zijn zenmeesters die zenmeesters aanstellen.

Dankzij deze protectionistische praktijk, die aan de middeleeuwse gilden herinnert, blijft de priesterlijke macht van generatie op generatie in handen van de eigen spirituele factie.

Nog exclusiever dan zen is het taoïsme, waarin het meesterschap is voorbehouden aan bepaalde families. Net als adellijke titels is de taoïstische titel erfbaar, niet verwerfbaar.

Zo mocht de eerste westerse taomeester Kristofer Schipper pas geïnitieerd worden nadat hij als zoon was geadopteerd door zijn Thaise leermeester.

Geen bloed zo blauw als taobloed.

-260-

Taoïsme als filosofie

Waar kennis niet wordt achterhouden maar voor iedereen toegankelijk is, spreken we van exoterie in plaats van esoterie.

In het westen is het taoïsme geen esoterische praktijk maar een exoterische filosofie – een leer waarvan je kennis kan nemen door er erover te lezen en erover na te denken.

Om het taoïsme als exoterisch gedachtegoed te onderscheiden van het taoïsme als esoterische praktijk, kan je het eerste beter taoïstische filosofie noemen, of filosofisch taoïsme of westers taoïsme of exoterisch taoïsme of welke term je ook maar geschikt acht om te verwijzen naar het wijsgerig stelsel, of liever non-stelsel, van de drie oudste canonieke werken, Laozi, Zhuangzi en Liezi.

Drie werken, dat klinkt overzichtelijker dan het is. Het zijn namelijk geen strak gecomponeerde monografieën maar overlappende en inconsistente pastiches van overwegend korte teksten van meerdere of vele auteurs.

Net als mijn eigen boeken bevatten ze veel hersenloze herhalingen en nutteloze variaties op hetzelfde thema. Ondanks de indeling in hoofdstukken en paragrafen vertonen ze inhoudelijk weinig samenhang. De stukjes staan zozeer op zichzelf dat je ze rustig achterstevoren of door elkaar kan lezen, dan hou je het nog langer vol ook, ik tenminste wel.

Al vroeg waren taoïstische filosofen het bijna nergens over eens. In de Zhuangzi is sprake van wel ‘honderd’ scholen – taoïstische in het bijzonder of filosofische in het algemeen, dat valt uit de context niet op te maken.

De moederboeken lezen als een in elkaar geflanste kroniek van een onnavolgbare orale geschiedenis waarin het taoïsme al zoveel gezichten heeft dat je de kop niet meer van de kont kan onderscheiden. Zoveel koekoeken hebben hun eieren erin gelegd dat de bodem uit het nest is gevallen.

Interpolatie heet dat met een net woord, of assimilatie of eclecticisme. Hoe je het ook noemt, taoïstische wijsbegeerte is van meet af aan een amalgaam dat alle gaatjes vult.

Zo zijn sommige stukjes ronduit anarchistisch, andere ronduit legalistisch. Sommige zijn ronduit sceptisch, andere ronduit dogmatisch. Sommige zijn non-conformistisch, andere reactionair, sommige socialistisch, andere kapitalistisch, sommige nihilistisch, andere confucianistisch, sommige fatalistisch, andere activistisch, sommige hedonistisch, andere ascetisch, sommige intellectualistisch, andere obscurantistisch, sommige sofistisch, andere absurdistisch et cetera.

Door selectief lezen kan iedereen zichzelf terugvinden in het taoïsme, zelfs Meester Tja.

Wie alles leest vindt niets.

-261-

Taoïsme als godsdienst

Het begrip ‘Tao’ wordt vaak vertaald als de Weg, maar er zijn ook schrijvers die het liever onvertaald laten, zoals Kristofer Schipper in zijn bezorging van de klassieker Zhuang Zi en de nog klassiekere Lao Zi.

De afwezigheid van definities is het meest fundamentele kenmerk van de Chinese religie, stelt hij, en de Tao is per definitie ondefinieerbaar. Wat hem er niet van weerhoudt toch een poging te wagen.

Zo definieert hij in de inleiding van Zhuangzi de Tao als ‘de ultieme ratio’ en schrijft hij in Tao, De levende religie van China, 1988 (p13):

Als transcendentaal en tegelijk immanent principe van het heelal is de Tao onnoembaar, ongrijpbaar en toch in alles aanwezig. Het gaat echter om veel meer dan een principe. De eerste betekenis van het teken voor Tao is weg: de onderstroming in de mutatie en de transformatie van alle dingen, het spontane proces dat de natuurlijke cyclus van het heelal bepaalt.

Daar snap ik geen jota van, jij?

Zou hij soms het ‘ene’ bedoelen? Nou, nee:

Maar laten we niet de fout begaan dit begrip van eenheid ook op de Tao zelf toe te passen. De Tao kan één maken, maar hij is niet zelf het Ene. Hij schept het Ene, maar vervolgens kan hij deze eenheid versnipperen en verdelen: ‘De Tao bracht het Ene voort, het Ene de Twee; de Twee brachten de Drie voort en de Drie de Tienduizend Dingen’, zegt de Daodejing.

Het idee van de Tao als de ultieme ratio doet me denken aan het idee van het levensprincipe (élan vital) dat volgens negentiende-eeuwse vitalisten het onbegrijpelijke verschil tussen leven en dood zou verklaren.

O, denk je dan, nou snap ik het.

Niet dat je er wijzer van wordt, want het levensprincipe is zelf al even onbegrijpelijk als het verschil tussen leven en dood, maar toch.

Het idee van de Tao doet me ook denken aan het idee van de ene God die de hele schepping heeft geschapen.

O, denk je dan, nou snap ik het.

Niet dat je er wijzer van wordt, want God is zelf al even onbegrijpelijk als de hele schepping, maar toch.

Volgens het taoïsme zijn de tienduizend verschijnselen te begrijpen als een manifestatie van de ene Tao.

O, denk je dan, nou snap ik het.

Niet dat je er wijzer van wordt, want de Tao is al even onbegrijpelijk als de tienduizend verschijnselen, maar toch.

Zie je het patroon?

Nog een patroon:

Volgens gelovigen moeten we niet voor God gaan spelen maar ons schikken naar de Almachtige. ‘Zo God het wil’, zegt de christen, ‘inshallah’, zegt de moslim. Overgave aan Gods wil is in het monotheïsme de hoogste deugd.

Niet dat je er wijzer van wordt, want wie weet wat God wil? Theologen alvast niet, die zijn het nog nooit ergens over eens geweest.

Volgens taoïsten moeten we ons nergens mee bemoeien maar schikken naar het Almachtige. ‘Wu wei’, zegt de taoïst, ‘wei wu wei’. Afstemmen op de Tao door niet-doen is in het taoïsme de hoogste deugd (Te).

Niet dat je er wijzer van wordt, want wie weet wanneer hij is afgestemd op de Tao? Taoïsten alvast niet, die zijn het nog nooit ergens over eens geweest.

Zowel in het theïsme als in het taoïsme wordt het onverklaarbare verklaard vanuit het onverklaarde en het onbegrijpelijke begrepen vanuit het onbegrepene.

Mensen worden er rustig van.

Daar snap ik geen jota van, jij?

-246-

Taijitu 37

-262-

Taoïsme als weg

De ene denker is de andere niet. Sommige filosofen zijn meer geïnteresseerd in zijnsleer, andere in kenleer.

De eersten zullen geneigd zijn de Tao te zien als het absolute, de laatsten als de weg van niet-weten en niet-doen.

Taomeester Kristofer Schipper behoort tot de eerste categorie, sinoloog Jan de Meyer, vertaler van De geschriften van Liezi en Wunengzi (Nietskunner) tot de laatste.

Met zijn ondertitels ‘De taoïstische kunst van het relativeren’ en ‘Het taoïsme en de bevrijding van de geest’ maakt De Meyer meteen duidelijk dat hij meer geïnteresseerd is in het relatieve van de tienduizend verschijnselen dan in het absolute waarvan ze een manifestatie zouden zijn.

Volgens hem gaat het in de Liezi en in de navolger Wunengzi ‘in essentie […] om het relativeren en afbreken van alle conventionele kennis en inzichten’.

Onzin natuurlijk, deze boeken hebben net zomin een essentie als ratatouille, maar het staat iedereen vrij, zelfs de academicus, om zijn eigen accent te leggen en dat te presenteren als het ware taoïsme.

Een mooi voorbeeld van relativering in de Liezi is het verhaaltje over iemand die zijn bijl was kwijtgeraakt en zijn buurjongen van diefstal verdacht. Volgens de bestolene liep de jongen als een dief, keek hij als een dief, sprak hij als een dief en wees alles erop dat hij de bijl had gestolen.

Op een dag vond de eigenaar tijdens graafwerk in een vallei zijn bijl terug waar hij hem, neem ik aan, zelf had achtergelaten. Vanaf dat moment was er ineens niets meer in de houding of het gedrag van de buurjongen dat hem aan een dief deed denken.

Zo’n verhaal helpt je zien dat je ziet wat je verwacht te zien en dat het verdomd moeilijk is om die twee uit elkaar te houden.

De Liezi staat vol van dit soort geschiedenissen. Neem nou het kostelijke relaas van de oude man die terugkeert naar zijn thuisland. Zijn reisgenoot wijst hem op de wallen van de stad waar hij geboren is, op het altaar van de aardgod van de wijk waar hij is opgegroeid, op de hut en het graf van zijn vader zaliger.

Overmand door emoties begint de grijsaard onbedaarlijk te huilen, waarop zijn reisgenoot vrolijk zegt: ‘Gefopt, we zijn er nog lang niet!’ De oude is diep gekrenkt en als ze later daadwerkelijk in zijn geboortestad arriveren ontroert die hem niet.

Relativeren, dat is je zekerheden tegen het licht houden.

Je aannames onderzoeken.

Niets voor lief nemen.

Onder ogen zien dat alle kennis, ieder oordeel, elke duiding betrekkelijk is, beperkt geldig, afhankelijk van standpunt en zichtlijn, individu en omstandigheden, tijd en plaats.

In de woorden van Yang Zhu:

Van alle honderdduizend dingen is er geen enkel dat we met zekerheid kennen. Van de dingen die zijn gebeurd tijdens ons leven hebben we over sommige gehoord, terwijl we er andere hebben gezien, maar van alle tienduizend is er geen een die we met zekerheid kennen. Van de tienduizend dingen die voor onze ogen gebeuren, onthouden we sommige en vergeten we andere, maar van elke duizend is er geen een die we met zekerheid weten.’

(Liezi, 7.XV)

Als agnost heb ik absoluut geen belangstelling voor de metafysica van het absolute, maar des te meer voor de verregaande relativeringen, op het absurdistische af, van het antieke taoïsme.

Absurdisme is een rode draad (een van de vele) van Zhuang Zi. Het begint al meteen in de eerste paragraaf van het eerste hoofdstuk (Zwerven, vrij en blij), waar een soortement scheppingsverhaal al snel in beschouwelijkheid ontaardt.

In dat verhaal is sprake van een reusachtige vis, Kun genaamd, van ‘ik weet niet hoeveel duizend mijl’, die verandert in een reusachtige vogel Peng met wieken als wolken die de hemel bedekken. De vogel stijgt op en even later lijkt het reusachtige dier op een wild paard en dan op een nietig stofje aan de blauwe hemel.

Die blauwe hemel, is dat eigenlijk wel zijn eigen kleur? Is de verte waarnaar we turen zonder einde? Als Peng terugkijkt, zijn wij voor hem dan ook zo klein?

Een musje moet lachen om die gekke Peng: heen en weer fladderen tussen lianen, dat is toch ook goed vliegen? Het musje wordt vergeleken met iemand die maar één ambt weet te bekleden, die aan één district, aan één land is gebonden: zo iemand beschouwt alles ook alleen vanuit zijn eigen standpunt.

Het boek is nog niet begonnen of je zit al tot over je oren in de betrekkelijkheid.

Is relativering werkelijk de weg? Die vraag veronderstelt dat er een weg is, dat de weg van ons is, dat we er zelf voor kunnen kiezen om die weg te gaan. Is dat zo? Kunnen we ons de weg toe-eigenen?

De canonieke taoïstische werken bevatten verschillende antwoorden op deze vraag, zowel bevestigende als ontkennende als ontwijkende, opnieuw voor elk wat wils.

Een van die antwoorden is een tegenvraag: ‘Je bezit niet eens je eigen lichaam, hoe zou je dan over de Weg kunnen beschikken?’

Daar neemt de vragensteller geen genoegen mee: ‘Als mijn eigen lichaam niet van mezelf is, van wie is het dan wel?’

‘Het lichaam is je toegevallen. Ook het leven is niet van jezelf: het is je toegevallen. Je kinderen en kleinkinderen zijn niet van jou. Ze zijn je toegevallen. Daarom ben je op reis zonder te weten waar je heen gaat, verblijf je zonder te weten waar je je aan vastklampt en eet je zonder te weten waar het vandaan komt.’

(Liezi, 1.XIV)

-263-

Taoïsme als dwaasheid

Wie volledig doordrongen is van de betrekkelijkheid van zijn gedachten en van de betrekkelijkheid van hun betrekkelijkheid krijgt een rekkelijke geest.

Het is niet dat zijn denken onsamenhangend wordt, vervliegt of verdwijnt, maar dat het elastisch wordt, soepel, vloeibaar. Het stolt niet meer, het verhardt niet meer, het versteent niet meer. Het wordt vrijer, ruimer, levendiger, speelser.

Zoals een schip lichter loopt na het wegschrapen van aangroeisels, zo loopt een geest lichter na het verwijderen van weterij.

Hoe dat in zijn werk gaat, hoelang het duurt en hoe ver het gaat verschilt van persoon tot persoon en van traditie tot traditie.

Ikzelf heb er zo’n beetje mijn hele leven voor nodig gehad, bepaald geen wereldrecord, maar het gaat bij mij wel heel ver.

Meester Lie, de protagonist van Liezi, deed het kennelijk in een jaartje of tien:

Na drie jaar studie durfde hij niet meer na te denken over goed en fout en niet meer te spreken over voordeel en nadeel. En voor de eerste keer keurde zijn meester hem een blik waardig.

Na vijf jaar dacht hij weer na over goed en fout en sprak hij weer over voordeel en nadeel. En voor de eerste keer glimlachte zijn meester naar hem.

Na zeven jaar liet hij zijn geest nadenken over om het even wat, zonder nog onderscheid te maken tussen goed en fout, en liet hij zijn mond spreken over om het even wat zonder, zonder nog onderscheid te maken tussen voordeel en nadeel. En voor de eerste keer mocht hij bij zijn meester op de mat te zitten.

Na negen jaar had zijn geest de totale vrijheid om wat dan ook te denken en had zijn mond de totale vrijheid om wat dan ook te zeggen, zonder dat hij er zich nog van bewust was of iets goed of fout, voordelig of nadelig was, voor hem of voor een ander.

Uiterlijk en innerlijk bestonden voor hem niet meer, alles was hetzelfde geworden. Hij besefte niet langer waar zijn lichaam tegenaan leunde, waar zijn voeten op stapten, waar zijn geest aan dacht, of wat er in zijn woorden besloten lag.

Wat dit alles nog met wijsheid te maken heeft? Goeie vraag.

Een minister vroeg eens aan Confucius* of hij zichzelf zag als een wijze.

* De Confucius die hier ten tonele wordt gevoerd is niet de echte Confucius, grondlegger van het confucianisme, maar een stand-in die uit diens naam onbeschaamd het taoïstische gedachtegoed verkondigt.

Confucius wist het niet, al wilde hij wel toegeven dat hij veel gelezen had.

Of de Drie Koningen wijzen waren wist hij ook niet, al wilde hij wel toegeven dat ze over veel kennis en moed beschikten.

Of de Vijf Keizers wijzen waren wist hij ook niet, al wilde hij wel toegeven dat ze vol medemenselijkheid en plichtsbesef waren.

Of de Drie Doorluchtigen wijzen waren wist hij ook niet, al wilde hij wel toegeven dat ze zich goed konden voegen naar de actuele situatie.

Toen de minister vroeg wie er dan wel wijs is, antwoordde Confucius dat er onder de mensen van het westen iemand was die niet regeerde terwijl er toch geen chaos ontstond, die niet sprak en toch geloofd werd, die zo ongrijpbaar was dat mensen hem zelfs geen naam wisten te geven. Maar of die nou echt een wijze was, wist hij niet.

Wijzen wier wijsheid eruit bestaat koste wat het kost hun eigen wijsheid onderuit te halen – kom er maar eens om.

Wat het kost, blijkt wel uit het beeld dat de Tao Te Tjing van de taoïstische wijze schetst. In de vertaling van Ir. Blok:

O die verduistering, er is geen einde aan!
De mensen stralen van lust,
als wie zich vergast aan het stieroffer,
als wie in de lente terrassen bestijgt.
Ik alleen lig stil en heb nog geen teken gegeven,
als een klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft.
Ik ben altijd zwervende, als niet wetende waarheen te gaan.
Alle mensen hebben over; ik alleen ben leeg.
O, ik heb het hart van een dwaas!
Ik ben zo verward!
De mensen zijn helder; ik alleen lijk duister.

(Hoofdstuk 20, Over de onwetendheid van de wijzen)

In de vertaling van Schipper:

Wat een onnozele ziel! Chaotisch en verward!
De gemene lieden zijn steeds helder van geest.
Ik alleen tast in het duister.
De gemene lieden onderzoeken en scheiden.
Ik alleen ben me nergens van bewust.
Ja, wild ben ik, als was ik de wijde zee!
Chaotisch! Alsof ik nergens houvast heb.

Dat is weer eens wat anders dan het gebruikelijke beeld van de minzaam glimlachende meester die alles op een rijtje heeft en mensen onvermoeibaar de weg wijst.

Wijsheid als niet-weten en niet-doen, de wijze als onnozelaar – hoe zou ik niet van het taoïsme kunnen houden?

-264-

Taoïsme als lege leer

Radicaal niet-weten is geen absolutisme en geen relativisme maar een praktijk van relativeren zonder het relativeren te verabsoluteren.

Een praktijk van praktiseren zonder prakkiseren, van doen zonder doen, van maar wat dóen want je moet toch wat.

In een radicaal niet-weten kan er van een exoterisch of esoterisch taoïsme geen sprake zijn.

Niet omdat daar iets op tegen is maar omdat exoterie en esoterie beide tot het weten behoren.

Zoals we net hebben gezien neemt het antieke taoïsme zichzelf graag op de korrel, hier en daar, af en toe.

Wat krijg je als je die lijn doortrekt?

Wat krijg je als je het taoïsme volledig ontdoet van weterij?

Dan krijg je taoïsme zonder Tao. Zonder deugd. Zonder innerlijke kracht. Zonder weg. Zonder ascese. Zonder rituelen. Zonder kosmologie. Zonder goden of halfgoden. Zonder heiligen of zielen. Zonder onsterfelijkheid.

Dan krijg je taoïsme zonder filosofie. Zonder anarchisme. Zonder legalisme. Zonder scepticisme. Zonder dogmatisme. Zonder conformisme. Zonder non-conformisme. Zonder nihilisme. Zonder cynisme. Zonder fatalisme. Zonder activisme. Zonder hedonisme.

Dan krijg je taoïsme zonder scholen, schoolsheid of schoolmeesters.

Dan krijg je taoïsme zonder wijzen of dwazen.

Als je het taoïsme ontdoet van alle weterij krijg je taoïsme zonder taoïsme.

Taoïsme zonder taoïsme is een ander woord voor de lege leer.

Iedere andere, inhoudelijke vorm van taoïsme is gewoon een van de tienduizend dingen.

De tienduizend dingen zijn allemaal even onbestendig. Volgens het laatste hoofdstuk van de Zhuangzi bieden ze geen van alle houvast:

Chaotisch! zonder vorm! Transformaties, nooit bestendig. Zijn we dood? Zijn we levend? Zijn we evenredig met de hemel en de aarde? Trekken wij samen op met de goden? Hoe duister! Waar zijn we? Hoe onduidelijk! Waar gaan we naartoe? De tienduizend dingen omringen ons totaal. Geen enkel voldoet als toeverlaat.

Niet-weten is geen toeverlaat maar leven zonder toeverlaat.

Tja zeggen tegen het leven en tja zeggen tegen je tja, net als de boer die zijn paard verloor.

Leren leven met het idee dat het leven niet te leren is en geen idee:

De tienduizend dingen – ze leven, maar niemand ziet hun oorsprong; ze komen te voorschijn, maar niemand ziet waarvandaan. Alle mensen hechten waarde aan wat hun verstand kan bevatten, en niemand heeft de kennis die berust op wat het verstand niet kan bevatten, en die we wel de grote onzekerheid mogen noemen! Genoeg! Genoeg! In feite kun je daar niet aan ontsnappen, en komt het erop neer te zeggen: ‘Zo is het! – Is het zo?’

(Zhuangzi hoofdstuk 25, VIII)

Uiteindelijk doe je er het zwijgen toe, al is het maar met woorden:

De taoïsten van vroeger kwamen zo ver dat ze niets meer bevestigden en niets meer ontkenden, en dat was genoeg. Ze waren zo verstild: wat valt er nog over te zeggen?

(Zhuangzi hoofdstuk 33)

Wat mij betreft niets.

Tau Teh Tsjing: de Tao Te Tjing volgens Ir. Blok

-265-

Inhoudsopgave van de Tau Teh Tsjing

‘Die weten, zijn niet geleerd. Die geleerd zijn, weten niet.’ Volledige tekst van de Tao Te Tjing in de klassieke vertaling uit 1910 van Ir. Blok.

-266-

Inleiding

De toespraken en dwaalspreuken van Meester Tja zijn gebaseerd op twee vertalingen van de Tao Te Tjing: de Tau Teh Tsjing van Ir. Blok uit 1910 en de Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht van Kristofer Schipper uit 2010.

De eerste is mijns inziens de meest ingeleefde en de meest literaire vertaling tot nog toe. Het archaïsche Nederlands van Ir. Blok klinkt nog altijd als een klok.

De tweede is op het moment van schrijven de meest recente vertaling rechtstreeks uit het klassiek Chinees.

Vanwege hun verschillende kwaliteiten had ik ze graag allebei als bijlage opgenomen in dit boek, maar Uitgeverij Atlas wilde niet meewerken.

De Tau Teh Tsjing hieronder is afkomstig uit De boodschap van Lau-Tze, ingeleid en vertaald door Ir. J.A. Blok, N.V. Servire, Den Haag 1934.

Ik heb de tekst overgenomen zonder iets te veranderen, compleet met de (inconsequente) oude spelling en interpunctie.

De Romeinse hoofdstuknummers heb ik gewijzigd in Arabische.

De inleiding van 45 bladzijden, de 177 ‘aanteekeningen’ (voetnoten) en de biografie van Lau-Tze heb ik weggelaten.

Dank aan uitgeverij Ankh-Hermes, die vlot toestemming verleende om deze vertaling als bijlage op te nemen in dit Witboek Taoïsme.

-267-

1

Tau, dat gezegd kan worden, is niet het eeuwig Tau.
De naam, die genoemd kan worden, is niet de eeuwige Naam.
Onnoembaar, is het oorsprong van hemel en aarde;
Noembaar, aller dingen moeder.
Durend begeerteloos, zien wij zijn inwezen.
Durend begeerende, zien wij zijn grens.
Beiden in oorsprong gelijk, in naam verschillend.
Die gelijkheid heet diep, de diepte der diepten; van al het onzienlijke is het de poort.

-268-

2

Kennen allen onder den hemel de schoonheid van het schoone, dan ook het leelijke.
Kennen allen de goedheid van het goede, dan ook het niet-goede.
Want zijn en niet-zijn baren elkander.
Moeilijk en licht vervolmaken elkander.
Lang en kort bepalen elkander.
Hoog en laag verkeeren elkander.
De toon en de stem sluiten aan bij elkander.
Voor en na volgen elkander.
Daarom maakt de Wijze werk van het niet-doen
En predikt de leer zonder woorden.
De tienduizend wezens komen op en hij weigert niet.
Hij brengt voort en rekent niet als eigen.
Hij doet en steunt er niet op,
Verwerft verdienste en hecht er niet aan.
Juist omdat hij er niet aan hecht,
Wordt zij hem niet ontzegd.

-269-

3

Prijs den verdienstelijke niet, opdat het volk niet twiste.
Eer de moeilijk te verkrijgen goederen niet, opdat het volk geen diefstal plege.
Zie het begeerlijke niet aan, opdat ’s volks hart niet worde verontrust.
Daarom: de Wijze regeert door het hart ledig te maken, den buik te voeden, den wil te verzwakken, het beendergestel sterker te maken.
Hij zorgt zoo steeds, dat het volk niet weet en geen begeerten heeft.
Hij zorgt zoo, dat de weters niet durven handelen.
Hij betracht het niet-doen en dan is er niets on-geregeld.

-270-

4

Tau is het leege en kan in gebruik niet worden gevuld.
O hoe diep! het lijkt de oervader aller dingen.
Het mindert zijn scherpte,
Ontwart zijn verwikkeling,
Tempert zijn schittering
En maakt zich gelijk aan het stof.
O hoe maanlichtstil; het lijkt onveranderlijk.
Ik weet niet van wien het het kind is.
Het was voor den oppersten Heer.

-271-

5

Hemel en aarde zijn niet menschlievend.
Voor hen zijn alle dingen als de stroohonden.
De Wijze is niet menschlievend.
Voor hem zijn alle menschen als stroohonden.
Tusschen hemel en aarde is als een blaasbalg.
Het is de leegte en stort niet in.
Beweegt het zich, dan uit het zich te meer.
Veel spreken put zich uit,
Houdt niet het inwezen.

-272-

6

De geest van de diepte sterft niet; men noemt die de duistere moeder.
De poort van de duistere moeder heet wortel van hemel en aarde.
Eeuwig, eeuwig schijnt zij te bestaan.
Wie daarop steunt, kent geen inspanning.

-273-

7

Hemel en aarde zijn duurzaam.
Hemel en aarde kunnen duurzaam zijn, omdat zij niet voor zichzelf leven.
Daarom kunnen zij duurzaam zijn.
Vandaar stelt de Wijze zich achter bij anderen en komt zelf naar voren.
Hij maakt zich los van zichzelf en blijft zelf behouden.
Is het niet, omdat hij niets eigens heeft?
Daarom juist kan het eigene worden vervuld.

-274-

8

Het opperste goede is als water.
Water doet goed aan alle wezens en strijdt niet.
Het woont op plaatsen, door alle menschen veracht.
Daarin komt de goede Tau nabij.
Hij leeft gaarne op lage plaats.
Zijn hart mint de diepte.
In weldoen mint hij de liefde,
In spreken de waarheid,
In bestuur de orde,
In werken bekwaamheid,
In handelen den geschikten tijd.
Hij strijdt niet, daardoor treft hem geen blaam.

-275-

9

Dragen en gevuld houden, beter er vanaf te zien.
Wetten en met de hand toetsen kan zoo niet doorduren.
Een zaal vol juweelen en goud kan niemand bewaken.
Hoovaardig te zijn bij rijkdom of eer trekt ongeluk aan.
Na verdienstelijke daden en volgenden roem trekke men zich terug.
Dit is de weg des hemels.

-276-

10

Wie het zinnelijke op doet gaan in het geestelijke en tot eenheid komt, kan ondeelbaar zijn.
Wie de levenskracht tot gedweeheid brengt, kan zijn als een pasgeborene.
Zijn diep inzicht zuiverend, kan hij vrij zijn van alle gebrek.
Het volk liefhebbend bij ’s lands bestuur, kan hij komen tot niet-doen.
Terwijl de poorten des hemels zich openen en sluiten, kan hij zijn als de broedende vogel.
Terwijl zijn licht de vier richtingen doordringt, kan hij on-wetende zijn.
Hij geeft leven en onderhoudt.
Hij brengt voort en rekent niet als eigen.
Hij doet en steunt er niet op.
Hij kweekt op en is niet als meester.
Dit heet ondoorgrondelijke deugd.

-277-

11

De dertig spaken vereenigen zich in de naaf.
Van de leegte hangt het gebruik van het wiel af.
Men kneedt leem tot vaten.
Van de leegte hangt het gebruik van het vat af.
Men hakt deuren en vensters uit om een huis te maken.
Van de leegte hangt het gebruik van het huis af.
Daarom: het zijn heeft zijn voordeel.
Maar van het niet-zijn komt het nut.

-278-

12

De vijf kleuren verblinden de oogen der menschen.
De vijf tonen verdooven de ooren der menschen.
De vijf smaken bederven den mond der menschen.
Dolle ritten en jachten maken het menschenhart gek.
Moeilijk te verkrijgen goederen verderven ’s menschen levenswandel.
Daarom maakt de Wijze werk van zijn binnenste en niet van zijn oogen.
Daarom laat hij dit en neemt hij dat.

-279-

13

Gunst en ongunst zijn dingen van vreeze.
Eer is een groote ramp juist als de persoonlijkheid.
Wat beteekent: "gunst en ongunst zijn dingen van vreeze"?
Gunst verlaagt.
Haar verwerven baart vrees.
Haar verliezen baart vrees.
Daarom: gunst en ongunst zijn dingen van vreeze.
Wat betekent: "eer is een groote ramp juist als de persoonlijkheid"?
Ons treffen groote rampen om onze persoonlijkheid.
Welke rampen konden ons treffen, zoo wij geen persoonlijkheid hadden?
Daarom: wie het regeeren des Rijks acht als de persoonlijkheid, dien kan men het Rijk toevertrouwen.
Wie het regeeren des Rijks mint als de persoonlijkheid, dien vertrouwe men het Rijk toe.

-280-

14

Gij kijkt er naar en ziet het niet; men noemt het kleurloos.
Gij luistert er naar en hoort het niet; men noemt het klankloos.
Gij tast er naar en raakt het niet; men noemt het onstoffelijk.
Deze drie zijn niet te doorgronden.
Daarom vallen zij samen tot een.
Boven niet licht, onder niet duister, Eeuwig en onuitsprekelijk,
Keert het terug weer tot niet-zijn.
Men noemt het: vorm van het vormlooze,
Beeld van het beeldelooze.
Men noemt het vaag, onbestemd.
Voor ziet gij het gelaat niet.
Achter ziet gij den rug niet.
Zich houdend aan het Tau van vroeger, beheerscht men het leven van heden, en kent den oorsprong van het oude.
Dit heet den draad volgen van Tau.

-281-

15

De wijzen van ouds waren duister, geestelijk, diep en doordringend.
Hun diepte kan niet worden gekend.
Daar zij niet kan gekend worden, tracht ik een denkbeeld te geven.
Zij waren voorzichtig, als wie een stroom doorwaadt in den winter,
Behoedzaam als wie zijn vier buren vreest,
Ingetogen als een gast,
Wijkend als ijs, dat smelten gaat,
Ongerept als ruw hout,
Leeg als een vallei,
Duister als troebel water.
Wie kan den troebel langzaam doen klaren door rust?
Wie kan de rust door beweging langzaam wekken tot leven?
Die Tau bewaart en niet wenscht vol te zijn.
Niet vol, maar berooid en uit den tijd, is hij volkomen.

-282-

16

Wie het opperste ledig bereikt, handhaaft bestendige rust.
De tienduizend wezens worden tezamen geboren en ik zie ze weder terugkeeren.
Alle dingen bloeien overvloedig en keeren tot hun oorsprong terug.
Tot den oorsprong teruggekeerd zijn, heet rust.
Rust heet wederkeer tot Leven.
Wederkeer tot Leven heet eeuwigheid.
Eeuwigheid kennen heet verlicht zijn.
Niet kennen het eeuwige is verwarring en ellende.
Eeuwigheid kennen is zielegrootheid.
Zielegrootheid is gerechtigheid.
Gerechtigheid is koningschap.
Koningschap is hemel zijn.
Hemel zijn is Tau zijn.
Tau zijn is eeuwigdurend zijn.
Dan is men veilig bij des lichaams einde.

-283-

17

Van de groote Heerschers wist het volk enkel, dat zij bestonden.
De volgenden had het lief en loofde hen.
De volgenden vreesde het.
De volgenden verachtte het.
Wie niet genoeg vertrouwt, vindt ook geen trouw.
O, hoe bedachtzaam waren de eersten met hun kostbare woorden.
Hadden zij de verdienste verworven, het werk volvoerd, dan zei het volk: "wij doen vanzelf".

-284-

18

Het groote Tau verdween, en er kwam menschlievendheid en rechtvaardigheid.
Scherpzinnigheid en vernuft ontstonden, en er kwam groote huichelarij.
De zes bloedverwanten raakten in onvrede, en er kwam kinder- en ouderliefde.
Staat en gezin vervielen tot wanorde, en er kwam toewijding en trouw.

-285-

19

Verzaak de wijsheid en doe de scherpzinnigheid weg en ’t zal het volk tot honderdvoudig voordeel wezen.
Verzaak menschlievendheid en doe de rechtvaardigheid weg, en het volk zal tot ouder- en kinderliefde weerkeeren.
Verzaak de knapheid en doe de winzucht weg, en dieven noch roovers zullen er komen.
In deze drie dingen uitblinken voldoet niet.
Daarom leer ik waaraan zich te houden:
Weer den eenvoud erkennen, de ongereptheid bewaren, weinig ikzucht te hebben en weinig begeerten.

-286-

20

Verzaak studie, en gij zijt vrij van zorgen.
Hoe klein is het verschil tusschen "ja" en "zeker".
Hoe groot is het tusschen goed en kwaad.
Wat de menschen vreezen, kan men niet nalaten te vreezen.
O die verwildering; er is geen einde aan.
Alle menschen stralen van lust, als wie zich vergast aan het stieroffer, als wie in de lente terrassen bestijgt.
Ik alleen lig stil en heb nog geen teeken gegeven, als een klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft.
Ik ben altijd zwervende, als niet wetende waarheen te gaan.
Alle menschen hebben over; ik alleen lijk arm.
Ik ben bekrompen van geest, o troebel, chaotisch.
De menschen zijn helder; ik alleen lijk duister.
De menschen zijn scherpzinnig; ik alleen ben dof.
Ik ben grillig als de zee; ik word heen en weer gedreven als rusteloos.
Alle menschen zijn bekwaam; ik alleen ben bot als een boer.
Ik alleen ben anders dan de menschen, omdat ik de moeder vereer, die alles voedt.

-287-

21

De groote Deugd in haar verschijning vloeit enkel voort uit Tau.
Tau in zijn schepping is vaag, is verward.
O hoe vaag, hoe verward!
Zijn kern houdt de beelden.
O hoe vaag, hoe verward!
Zijn kern houdt het wezen.
O hoe diep, hoe duister!
Zijn kern houdt den geest.
Die geest is inwerkelijk.
Zijn kern is trouw.
Van ouds tot nu toe verdween zijn naam niet.
Het waakt over alle geboorte.
Hoe weet ik dat van de geboorte?
Door dit.

-288-

22

Onvolledig wordt volkomen.
Gebogen wordt recht.
Hol wordt vol.
Versleten wordt nieuw.
Weinig wordt: verkrijgen.
Veel wordt: verdolen.
Daarom houdt de Wijze het Ene en is zoo een voorbeeld voor de wereld.
Hij stelt zich niet in het licht; daardoor schittert hij.
Hij schat zichzelf niet hoog; daardoor blinkt hij uit.
Hij roemt zichzelf niet; daarom heeft hij verdienste.
Hij verheft zich niet; daarom staat hij hoog.
Hij strijdt niet, daarom kan niets ter wereld met hem strijden.
De spreuk der Ouden: "Onvolledig wordt volkomen", was die zonder zin?
Tot den werkelijk volkomene wendt zich alles.

-289-

23

Wie weinig spreekt, is "vanzelf".
Een wervelwind duurt geen ganschen morgen.
Een plasregen duurt geen ganschen dag.
Wie brengt die voort?
Hemel en aarde.
Als hemel en aarde niet langer kunnen, hoeveel minder dan de mensch.
Daarom: wie naar Tau handelt, zal een worden met Tau.
Wie naar de deugd handelt, zal een worden met deugd.
Wie naar de dwaling handelt, zal een worden met dwaling.
Wie zich een maakt met Tau, dien neemt Tau met vreugde op.
Wie zich een maakt met deugd, dien neemt deugd met vreugde op.
Wie zich een maakt met dwaling, dien neemt dwaling met vreugde op.
Wie niet genoeg vertrouwt, vindt ook geen trouw.

-290-

24

Wie op de teenen staat, staat niet.
Wie de beenen strekt, loopt niet.
Wie zichzelf in het licht stelt, schittert niet.
Wie zichzelf hoog schat, blinkt niet.
Wie zichzelf roemt, heeft geen verdienste.
Wie zichzelf verheft, staat niet hoog.
Bij Tau vergeleken is dit als restjes van eten, als uitspattende levenswandel, dien een ieder verafschuwt.
Daarom: wie Tau heeft, doet niet zoo.

-291-

25

Er was iets chaotisch en volmaakts voor hemel en aarde ontstonden.
O hoe stil, hoe ijl!
Dit is het eenig bestaande en verandert niet.
Het doorvloeit alles zonder gevaar.
Het kan worden beschouwd als ’s werelds moeder.
Ik weet zijn naam niet, ik noem het Tau.
Gedwongen het een naam te geven, zeg ik groot.
Van groot zeg ik vliedend,
Van vliedend ver,
Van ver, wederkeerend.
Daarom is Tau groot, de hemel groot, de aarde groot, de koning groot.
Er zijn in de wereld vier groote dingen.
De koning is daarvan een.
De mensch volge de aarde, de aarde den hemel, de hemel Tau en Tau het vanzelf zijn.

-292-

26

Zwaar is de wortel van licht.
Rust is de meester van beweging.
Daarom schrijdt de Wijze den ganschen dag voort en wijkt van zijn zwaren voorraadswagen niet af.
Hij heeft schitterende uitzichten, hij zit onbewogen en stelt zich er boven.
Maar hoe, als de heer van tienduizend wagenen het Rijk licht acht om zichzelf?
Door lichtzinnigheid verliest hij zijn dienaren,
Door onstuimigheid de heerschappij.

-293-

27

Goed reizen laat wagen- noch voetsporen na.
Goed spreken maakt afwijkingen noch fouten.
Goed rekenen heeft geen telraam noodig.
Goed sluiten heeft geen grendel noodig of slot, en niemand kan openen.
Goed binden heeft geen koorden of banden noodig, en niemand kan losknoopen.
Vandaar munt de Wijze steeds uit in het helpen der menschen.
Daarom verwerpt hij de menschen niet.
Steeds munt hij uit in het helpen der schepselen.
Daarom verwerpt hij de schepselen niet.
Dit heet dubbel verlicht.
Daarom: de goede is de leeraar van den niet-goede.
De niet-goede is de schat van den goede.
Wie zijn leeraar niet eert, wie zijn schat niet lief heeft, is bij alle wijsheid toch blind.
Dit heet gewichtig en diep.

-294-

28

Wie zijn kracht kent en zijn zachtheid bewaart, is een werelddal.
Wie een werelddal is, hem ontbreekt de eeuwige deugd niet, en hij keert weer terug tot den staat van een klein kind.
Wie zijn licht kent en zijn duister bewaart, is een voorbeeld der wereld.
Wie een voorbeeld der wereld is, in hem faalt de eeuwige deugd niet, en hij keert weer terug tot het grenzelooze.
Wie zijn hoogheid kent en verblijft in de schande, is een werelddal.
Wie een werelddal is, vloeit over van de eeuwige deugd en hij keert weer terug tot de oorspronkelijke reinheid.
Breekt de oorspronkelijke reinheid open, dan neemt zij vorm aan.
Zoo de Wijze haar aanwendt, overtreft hij alle magistraten.
Hij regeert groot en kwetst niemand.

-295-

29

Die aan het Rijk wil raken om het te hervormen, ik zie dat hij niet slaagt.
Het Rijk is een heilig vat; men moet er niet aan werken.
Er aan werken is bederven, er naar grijpen is verliezen.
Want onder de schepselen gaan sommige voor, andere volgen.
Sommige verwarmen, andere verkoelen.
Sommige worden sterk, andere vallen af.
Sommige slagen, andere bezwijken.
Daarom vermijdt de Wijze buitensporigheid, overdaad en pracht.

-296-

30

Wie den heerscher helpt met Tau, bedwingt het Rijk niet met wapengeweld.
Zijn doen lokt een goed antwoord uit.
Waar legers kampeeren, groeien distels en doornen.
Op groote oorlogen volgen jaren van onheil.
De goede slaagt, en daarmee uit,
Waagt het niet verder te gaan met geweld,
Slaagt en roemt niet,
Slaagt en praalt niet,
Slaagt en is niet aanmatigend,
Slaagt en kan niet anders,
Slaagt en vermijdt geweld.
Van af hun hoogste bloei worden de dingen oud.
Dit heet Tau-loos.
Tau-loos vergaat snel.

-297-

31

De beste wapenen zijn ongelukswerktuigen.
Alles haat ze.
Daarom: wie Tau heeft, voert ze niet.
De edele mensch, in vrede, eert den linkerkant,
In oorlogstijd den rechterkant.
Wapens zijn ongelukswerktuigen.
Het zijn geen werktuigen voor den edele mensch.
Hij gebruikt ze, als hij niet anders kan.
Hij stelt vrede en rust bovenaan.
Hij overwint, maar vindt er geen vreugde in.
Wie daarin vreugde vindt, houdt van menschenmoord.
Wie van menschenmoord houdt, kan zijn wil in de wereld niet krijgen.
In geluk eert men den linkerkant,
In ongeluk den rechterkant.
De onderbevelhebber staat links.
De opperbevelhebber staat rechts.
Dat is: zij staan volgens de rouwplechtigheden.
Wie veel menschen gedood heeft, weene daarover met medelijden en geklag.
Die overwint in den strijd plaatse men volgens de rouwplechtigheden.

-298-

32

Tau is eeuwig, onnoembaar.
Hoe gering het ook in zijn eenvoud is, waagt toch de gansche wereld niet het te onderwerpen.
Als koningen en vorsten het konden handhaven, zouden de tienduizend wezens zich schikken vanzelf.
Hemel en aarde zouden zich vereenigen en een zoeten dauw doen neerdalen en zonder bevel, vanzelf raakte het volk tot harmonie.
Tot schepping komende, wordt het noembaar.
Eenmaal noembaar, moet men het weten te houden.
Wie houdt, is zonder gevaar.
Tau’s aanwezigheid in de wereld is als de saamvloeiing van beek en rivier met stroom en zee.

-299-

33

De menschenkenner is verstandig.
De zelfkenner is verlicht.
De menschenbedwinger is krachtig.
De zelfbedwinger is machtig.
Wie voldaan weet te zijn, is rijk.
Wie krachtig handelt, heeft wil.
Wie zijn plaats niet verliest, houdt stand.
Wie sterft, maar niet vergaat, leeft eeuwig.

-300-

34

Het groote Tau is àldoorvloeiend.
O, het kan links en rechts.
De tienduizend wezens steunen erop om geboren te worden, en het weigert niet.
Het verwerft verdienste en rekent die niet als eigen.
Het bemint en koestert de tienduizend wezens en is niet als meester.
Het is eeuwig begeerteloos.
Men kan het noemen: gering.
De tienduizend wezens keeren terug en het is niet als meester.
Men kan het noemen: groot.
Daarom: de Wijze doet nimmer groot.
Daardoor vermag hij het groote te doen.

-301-

35

Houdt het groote beeld en heel de wereld stroomt toe,
Stroomt toe zonder letsel; daar is rust en vrede en voorspoed.
Muziek en lekkernijen doen den voorbijgaanden vreemdeling poozen.
Komt Tau den mond uit, o hoe laf, hoe smakeloos is het!
Wij kijken ernaar en zien het niet.
Wij luisteren ernaar en hooren het niet.
Wij gebruiken het en ’t is onuitputtelijk.

-302-

36

Wat saamtrekken gaat, was eerst uitgestrekt.
Wat verzwakken gaat, was eerst sterk.
Wat vervallen gaat, was eerst hoog.
Wat verdwijnen gaat, was eerst verkregen.
Dit heet duister en toch licht.
Zacht overwint hard.
Zwak overwint sterk.
De visch moet de diepte niet verlaten.
Men moet de scherpe wapenen des Rijks niet toonen aan het volk.

-303-

37

Tau is eeuwig niet-doende en toch is er niets, dat het niet doet.
Als koningen en vorsten het konden handhaven, zouden de tienduizend wezens vanzelf anders worden.
Waren zij anders en wilden toch weer doen, ik zou ze bedwingen door het Nameloos Eene.
Het Nameloos Eene brengt niet-begeeren.
Door niet-begeeren komt rust.
Dan komt de wereld vanzelf tot vrede.

-304-

38

Hooge deugd, geen deugd.
Daarom juist deugd.
Lage deugd verliest geen deugd.
Daarom geen deugd.
Hooge deugd doet niet en het is er haar niet om te doen.
Lage deugd doet, maar het is er haar om te doen.
Hooge menschlievendheid doet, maar het is er haar niet om te doen.
Hooge rechtschapenheid doet, maar het is er haar om te doen.
Hooge vormelijkheid doet, maar er is geen antwoord op.
Dan ontbloot zij de armen en dwingt.
Daarom: is Tau verloren, dan komt er deugd,
Deugd verloren, dan is er menschlievendheid,
Menschlievendheid verloren, dan komt er rechtschapenheid,
Rechtschapenheid verloren, dan komt er vormelijkheid.
Vormelijkheid nu is de schors van oprechtheid en trouw, en ’t begin van verwarring.
Het vroeger weten is de bloem van Tau en het begin van onwetendheid.
Daarom houdt een hoog mensch zich aan de kern, niet aan de schors.
Hij houdt zich aan de vrucht en niet aan de bloem.
Daarom laat hij dit en neemt hij dat.

-305-

39

Wat oudtijds eenheid kreeg:
De hemel kreeg eenheid, daardoor reinheid.
De aarde kreeg eenheid, daardoor rust.
De geesten kregen eenheid, daardoor rede.
Het stroomdal kreeg eenheid, daardoor volte.
De tienduizend wezens kregen eenheid, daardoor leven.
Vorsten en koningen kregen eenheid om zoo een voorbeeld te zijn voor de wereld.
Dit deed eenheid.
De hemel zonder reinheid zou zoo scheuren.
De aarde zonder rust zou zoo splijten.
De geesten zonder rede zouden zoo vergaan.
Het stroomdal zonder volte zou zoo opdrogen.
De tienduizend wezens zonder leven zouden zoo worden vernietigd.
Vorsten en koningen, die geen voorbeeld waren, hoe hoog en geëerd ook, zouden zoo vallen.
Daarom houdt de edele het geringe voor zijn grondslag.
De hooge beschouwt het lage als zijn grondslag.
Daarom noemen vorsten en koningen zich weezen, geringen, waardeloozen.
Beschouwen zij aldus het geringe niet als hun grondslag, en terecht?
De wagendeelen alleen zijn nog geen wagen.
Wensch niet te worden geëerd als jade noch veracht als gewone steen.

-306-

40

Terugkeer is de beweging van Tau.
Zachtheid is de werking van Tau.
De dingen der wereld ontstaan uit zijn.
Zijn ontstaat uit niet-zijn.

-307-

41

Hooren hoog ontwikkelden van Tau, zoo volgen zij het vol ijver.
Hooren middelmatigen van Tau, zoo houden zij het nu en verliezen het dan weer.
Hooren onontwikkelden van Tau, zoo lachen zij er zeer om.
Lachten zij er niet om, dan zou het Tau niet zijn.
Daarom, welgegrond is het woord:
Tau-licht lijkt duister.
Tau-voortgang lijkt achteruitgang.
Tau-effenheid lijkt ruw.
Hooge deugd lijkt een vallei.
Groote reinheid lijkt schande.
Rijke deugd lijkt ontoereikend.
Sterke deugd lijkt wankel.
Bloote zuiverheid lijkt verdorven.
Als een groot vierkant zonder hoeken,
Een groote vaas in aanleg,
Een groot geluid zonder klank,
Een groot beeld zonder vorm,
Zoo is Tau verborgen en heeft geen naam.
En toch is Tau alleen, wat helpt en volmaakt.

-308-

42

Tau baart een.
Een baart twee.
Twee baart drie.
Drie baart de tienduizenden dingen.
De tienduizend dingen dragen het duister beginsel buiten en het lichtbeginsel binnen.
Door ijlen adem komt samenklank.
Wat de menschen haten is weezen, geringen, onwaardigen te zijn.
En toch noemen zoo koningen en vorsten zich.
Daarom, de een vermindert en vermeerdert toch.
De ander vermeerdert en vermindert toch.
Wat de menschen leeren is ook mijn leering:
De sterken en geweldigen sterven geen natuurlijken dood.
Ik zal ze tot grondslag nemen voor mijn leer.

-309-

43

Het zachtste ter wereld overwint het hardste.
Niet-zijn doordringt wat zonder tusschenruimte is.
Ik weet daardoor de kracht van het niet-doen.
De leer zonder woorden,
De kracht van het niet-doen,
Weinigen onder den hemel zijn er aan toe.

-310-

44

Naam of zelf, wat is nader?
Zelf of goederen, wat is meer?
Verkrijgen of verliezen, wat is erger?
Veel begeeren doet veel verspillen.
Veel vergaren doet veel verliezen.
Wie voldaan weet te zijn, is vrij van blaam.
Wie zich in kan houden, loopt geen gevaar.
Die kan langdurig blijven bestaan.

-311-

45

Groote volmaking is als onvolmaakt,
In gebruik onvergankelijk.
Groote volte is als leeg,
In gebruik onuitputtelijk.
Groote rechtheid is als krom,
Groote bekwaamheid is als dom,
Groote welsprekendheid is als stom.
Beweging overwint kou.
Rust overwint warmte.
Reinheid en rust zijn het rechte onder den hemel.

-312-

46

Het Rijk heeft Tau, en renpaarden bemesten den akker.
Het Rijk is zonder Tau, en strijdpaarden staan bij de grenzen.
Geen zonde grooter dan begeerte te dulden.
Geen onheil grooter dan geen tevredenheid kennen.
Geen ramp grooter dan bezit begeeren.
Daarom: wie den vrede kent der genoegzaamheid, is altijd tevreê.

-313-

47

Mijn huis niet uitgaande, ken ik de wereld.
Mijn venster niet uitturend, zie ik den weg des hemels.
Hoe verder men uitgaat, hoe minder kent men.
Daarom: de Wijze gaat niet, maar weet toch,
Ziet niet, maar noemt toch,
Doet niet, maar volbrengt toch.

-314-

48

Aan studie doen eischt dagelijks meer.
Aan Tau doen eischt dagelijks minder.
Minder en minder tot niet-doen bereikt is.
Met niet-doen kan men alles doen.
Met niet-doen kan men meester der wereld worden.
Met doende te zijn kan men geen meester der wereld worden.

-315-

49

De Wijze heeft geen onveranderlijk hart,
Richt zijn hart naar het hart der honderd geslachten.
Den goede, hem ben ik goed.
Den niet-goede, hem ben ik ook goed.
Deugd is goed.
Den oprechte, hem ben ik oprecht.
Den niet-oprechte, hem ben ik ook oprecht.
Deugd is oprecht.
De Wijze leeft in de wereld vol angst en beven, dat zijn hart door de wereld zal worden verontrust.
De honderd geslachten richten op hem hun oor en oog.
Den Wijze, allen zijn hem kinderen.

-316-

50

Uitgaan is leven, ingaan is dood.
Dertien zijn de dienaren des levens.
Dertien zijn de dienaren des doods.
Ook dertien, die ’s menschen leven drijven naar den dood.
Maar waarom dit?
Wegens het overmatig geleefde leven.
Nu heb ik gehoord van wie goed het leven beheerscht.
Het land doortrekkend, ontmoet hij neushoorn noch tijger.
Ingaand in legers, mijdt hij pantser noch wapen.
De neushoorn vindt er geen plaats om zijn hoorn in te stooten.
De tijger vindt er geen plaats om zijn klauw in te slaan.
Het wapen vindt er geen plaats om het scherp in te steken.
Maar waarom dit?
Omdat hij geen plek heeft, die dodelijk is.

-317-

51

Tau verwekt ze.
Deugd voedt ze.
Materie vormt ze.
Kracht vervolmaakt ze.
Daarom is er geen der tienduizend wezens, dat Tau niet eert en de Deugd niet acht.
Het vereeren van Tau, het achten van Deugd is op niemands bevel, maar eeuwig vanzelf.
Want Tau verwekt ze; Deugd voedt ze, kweekt ze op, brengt leven, vervolmaakt ze, doet rijpen, ontwikkelt ze, beschut ze.
Het brengt voort en rekent niet als eigen.
Het doet en steunt er niet op.
Het kweekt op en is niet als meester.
Dit heet ondoorgrondelijke deugd.

-318-

52

De wereld heeft een oorsprong; dat is ’s werelds moeder.
Als men de moeder kent, kent men het kind.
Wie het kind kent en zich houdt aan de moeder, is buiten gevaar bij ’s lichaams einde.
Zijn doorgangen sluitend, zijn poorten versperrende, zal hij bij ’s lichaams einde zonder zorgen zijn.
Zijn doorgangen openend, zijn zaken reddende, zal hij bij ’s lichaams einde reddeloos zijn.
Het ijle zien heet verlicht.
Zachtheid bewaren heet sterk.
De straling volgende om tot het licht terug te keeren, zoo verliest men niets bij ’s lichaams ondergang.
Dit heet bekleed zijn met eeuwigheid.

-319-

53

Indien ik een weinig kennis had
En in het groote Tau wandelde,
Zoo zou ik de openbaring ervan vreezen.
Het groote Tau is zeer vlak,
Maar het volk mint de zijpaden.
Hoven zeer weelderig,
Dan de velden vol onkruid,
De graanschuren ledig.
Kleederen rijk gekleurd,
Scherpe zwaarden dragen,
Drank en spijs zwelgen,
Goederen en schatten te over hebben,
Dit heet pralen met roof,
Geen Tau voorwaar.

-320-

54

Goed geplant wordt niet ontworteld.
Goed gegrepen gaat niet verloren.
Onafgebroken brengen dien kinderen en kindskinderen offers.
Betracht hij Tau voor zichzelf, dan is zijn deugd waarachtig.
Betracht hij Tau in het gezin, dan is zijn deugd overvloedig.
Betracht hij Tau in de gemeente, dan is zijn deugd vèrreikend.
Betracht hij Tau in den staat, dan is zijn deugd overstroomend.
Betracht hij Tau in het Rijk, dan is zijn deugd aldoordringend.
Daarom naar de persoon beoordeelt men personen.
Naar het gezin beoordeelt men gezinnen.
Naar de gemeenten beoordeelt men gemeenten.
Naar den staat beoordeelt men staten.
Naar het Rijk beoordeelt men het Rijk.
Hoe weet ik dat van het Rijk?
Door dit.

-321-

55

Die overvloed van deugd heeft, lijkt een klein kindje.
Dat steekt geen venijnig gedierte; wilde beesten bespringen het niet, roofvogels tasten het niet aan.
Zijn beenderen zijn week, zijn spieren zijn zwak, toch grijpt het al stevig.
Nog kent het de gemeenschap der seksen niet, en in zijn geslachtsorgaan is al werking.
Dit komt door de volkomenheid van het zaad.
Den ganschen dag schreeuwt het en zijn stem wordt niet heesch.
Dit komt door de volkomenheid der harmonie.
Harmonie kennen heet eeuwigheid.
Eeuwigheid kennen heet verlicht zijn.
Vermeerdering van leven heet geluk.
Begeerte, het leven aandrijvende, heet kracht.
Vanaf hun hoogsten bloei worden de dingen oud.
Dit heet Tau-loos.
Tau-loos vergaat snel.

-322-

56

Die weten, spreken niet.
Die spreken, weten niet.
De Wijze sluit zijn doorgangen,
Verspert zijn poorten,
Mindert zijn scherpte,
Ontwart zijn verwikkeling,
Tempert zijn schittering
En maakt zich gelijk aan het stof.
Dit heet mystieke eenwording.
Hem treft geen liefde.
Hem treft geen vervreemding.
Hem treft geen voorspoed.
Hem treft geen nadeel.
Hem treft geen eer.
Hem treft geen schande.
Daarom wordt hij door heel de wereld geëerd.

-323-

57

Met rechtheid regeert men den staat.
Met listen voert men oorlog.
Met niet-doen wint men het Rijk.
Hoe weet ik dat van het Rijk?
Door dit:
Hoe meer verboden en bepaald is in het Rijk, hoe armer wordt het volk.
Hoe meer scherpe werktuigen het volk heeft, hoe verwarder wordt de staat.
Hoe bekwamer en handiger het volk wordt, hoe meer gekunstelde dingen komen op.
Hoe meer wetten en besluiten worden afgekondigd, hoe meer dieven en roovers er komen.
Daarom zegt de Wijze:
Ik doe niet, en het volk zal vanzelf zich hervormen.
Ik hou van de rust, en het volk zal vanzelf recht worden.
Ik doe geen werk, en het volk zal vanzelf rijk worden.
Ik heb geen begeerten, en het volk zal vanzelf eenvoudig worden.

-324-

58

Als het bestuur armzalig is, wordt het volk welvarend.
Als het bestuur scherp toeziet, lijdt het volk gebrek.
Ongeluk, ach, is waardoor het geluk wordt gedragen.
Geluk, ach, is waarin het ongeluk verscholen ligt.
Wie kent den overgang? Er is geen ophouden aan.
De redelijken worden onbehoorlijk,
De deugdzamen onberekenbaar.
Der menschen verblinding duurt sinds menigen dag.
Daarom: de Wijze is oprecht en kwetst niet,
Zuiver, en beleedigt niet,
Rechtschapen, en overdrijft niet,
Stralend, en verblindt niet.

-325-

59

Om menschen te besturen en den hemel te dienen gaat niets boven spaarzaamheid.
Spaarzaamheid nu is tijdige voorzorg.
Tijdige voorzorg heet sterke opeenhooping van deugd.
Met sterke opeenhooping van deugd is niets onoverkomelijk.
Is niets onoverkomelijk, dan kent niemand zijn grenzen.
Kent niemand zijn grenzen, dan kan hij het Rijk regeeren.
Die de moeder van het Rijk heeft, kan lang aanblijven.
Dit heet een diepe wortel en stevigen stam hebben.
Dit is de weg voor een lang leven en durend inzicht.

-326-

60

Het regeeren van een grooten staat is als het koken van een klein vischje.
Als men het rijk regeert met Tau, krijgen de demonen geen macht.
Niet dat de demonen geen macht krijgen, maar zij schaden de menschen niet.
Niet, dat zij de menschen niet schaden, maar de Wijze schaadt de menschen niet.
Noch de Wijze noch de demonen schaden hen, daarom vloeien hun deugden saam.

-327-

61

Een groote staat, die laag stroomt, doet de wereld saamvloeien, is als ’s Rijks vrouw.
De vrouw overwint den man gestadig door rust.
In rust houdt zij zich laag.
Daarom: als een groot rijk nederig doet tegen een klein, zal het dat kleine winnen.
Als een klein rijk nederig doet tegen een groot, zal het dat groote winnen.
Daarom: de een buigt zich om te winnen, de ander om gewonnen te worden.
Een groot rijk begeere slechts de menschen te vereenigen en te voeden.
Een klein rijk begeere slechts mee te gaan en de menschen te dienen.
Zoo ontvangen beiden hun wensch.
Maar het groote vernedere zich.

-328-

62

Tau is de toevlucht aller wezens,
Schat van den goede,
Steun van den niet-goede.
Schoone woorden kunnen van voordeel zijn.
Edel gedrag kan de menschen verheffen.
Waarom zou men den niet-goede verstooten?
Daarvoor stelde men een keizer in en drie ministers.
Maar beter dan statig de jadeschijf geheven te houden of te rijden met een vierspan is stil te zitten en voort te gaan in Tau.
Waarom vereerden de Ouden Tau zoo?
Luidt het niet: Door zoeken kan het worden gevonden, en die zonde heeft, wordt erdoor bevrijd?
Daarom is het het kostbaarste onder den hemel.

-329-

63

Betracht niet-doen.
Werk aan niet-werken.
Geniet het niet-genieten.
Uw groot zij als klein,
Uw veel als weinig.
Vergeld kwaad met deugd.
Ontwerp het moeilijke als het nog licht is.
Doe het groote als het nog klein is.
't Moeilijke onder den hemel komt zeker voort uit het lichte.
Het groote onder den hemel komt zeker voort uit het kleine.
Daarom: de Wijze doet nimmer groot.
Daardoor vermag hij het groote te doen.
Die lichtvaardig belooft, houdt zeker weinig woord.
Wie veel makkelijk vindt, ondervindt zeker veel moeilijks.
Daarom vindt de Wijze veel moeilijk.
Vandaar dat hij nooit moeite ondervindt.

-330-

64

Wat in rust is, is licht te houden.
Wat nog komen moet, is licht te voorkomen.
Wat bros is, is licht te breken.
Wat klein is, is licht te verstrooien.
Behandel de dingen voor ze bestaan.
Beheersch ze voor ze tot wanorde komen.
Een niet te omvademen boom groeit uit een fijn sprietje.
Een toren van negen verdiepingen begint met een kleine hoop gronds.
Een reis van duizend mijlen begint met wat onder den voet ligt.
Wie doet, faalt.
Wie grijpt, verliest.
Daarom: de Wijze doet niet en faalt daardoor niet,
Grijpt niet en verliest daardoor niet.
Als het volk doet, faalt het altijd op het punt van slagen.
Zorgt men zoowel voor einde als voor begin, dan zal men niet falen.
Daarom begeert de Wijze het niet-begeeren en eert de moeilijk te verkrijgen goederen niet,
Maakt studie van niet-studie
En wendt zich tot wat de menschen voorbijgaan.
Zoo helpt hij de tienduizend wezens in hun natuurlijken loop, en durft niet te "doen".

-331-

65

De Ouden, die Tau goed betrachtten, zochten daarmee het volk niet verlicht, maar eenvoudig te maken.
Het volk is moeilijk te regeeren, omdat het zoo knap is.
Met knapheid het Rijk regeeren, is ’s Rijks vloek.
Niet met al die knapheid het Rijk regeeren, is ’s Rijks zegen.
Wie dit beide weet, is een voorbeeld.
Altijd dit voorbeeld weten te zijn, heet diepgaande deugd.
Die diepgaande deugd is ondoorgrondelijk, ver en tegengesteld aan de dingen.
Zoo komt men tot groote overgave.

-332-

66

Waarom kunnen stroomen en zeeën koningen aller wateren zijn?
Omdat zij zich weten te vernederen.
Daarom kunnen zij koningen aller wateren zijn.
Daarom: wil de Wijze boven het volk uit staan, dan moet hij in spreken daaronder blijven.
Wil hij voor het volk uit staan, dan moet hij daarachter zich houden.
Zoo staat de Wijze boven en drukt het volk niet,
Staat hij vooraan en hindert het volk niet.
Daarom verheft de gansche wereld hem vol vreugde en wordt hem niet moe.
Hij strijdt niet; daarom is er niemand onder den hemel, die met hem strijden kan.

-333-

67

Allen onder den hemel noemen mij groot, maar ik lijk een mislukte.
Juist omdat ik groot ben, lijk ik een mislukte.
De welgelukten – hoe lang duurt al hun onbeduidendheid.
Ik heb drie kleinoodiën, die ik vasthoud en waardeer.
Het eerste heet medegevoel.
Het tweede heet spaarzaamheid.
Het derde heet nederigheid.
Door mijn medegevoel kan ik dapper zijn.
Door mijn spaarzaamheid kan ik vrijgevig zijn.
Door mijn nederigheid kan ik de eerste zijn.
Maar nu verwerpt men het medegevoel en is toch dapper,
Verwerpt men de spaarzaamheid, en is toch vrijgevig,
Verwerpt men de laatste plaats en wil vooraanstaan.
Dit leidt tot den dood.
Wie strijdt met medegevoel, overwint.
Wie verdedigt met medegevoel, houdt stand.
Wien de hemel beschermen wil, dien geeft hij als geleide het medegevoel.

-334-

68

Een goed aanvoerder is niet krijgszuchtig.
Een goede strijder is niet toornig.
Een goed overwinnaar zoekt geen twist.
Een goed leider houdt zich laag.
Dit heet niet-strijdende deugd.
Dit heet goed menschen weten te leiden.
Dit heet met den hemel een zijn.
Dit was het hoogste der Ouden.

-335-

69

Een ervaren krijgsman zeide: Ik durf niet beginnen, ik wacht liever af.
Ik durf geen duim vooruitgaan; ik ga liever een voet terug.
Dit heet voortgaan zonder te gaan,
Dreigen zonder de armen te strekken,
Opdringen zonder dat men weerstand vindt,
Aangrijpen zonder wapenen.
Geen grooter ramp dan den vijand gering te achten.
Den vijand gering te achten is bijna onzen schat verliezen.
Daarom: waar twee vijandelijke legers elkander ontmoeten, overwint dat met het medelijden.

-336-

70

Mijn woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen, heel gemakkelijk te betrachten.
Maar niemand onder den hemel kan ze begrijpen noch ze betrachten.
Mijn woorden hebben een oorsprong, mijn daden hebben een meester.
Dit wordt niet geweten; daarom kent men mij niet.
Die mij kennen, zijn zeldzaam.
Dat is juist mijn roem.
Daarom: de Wijze kleedt zich grof en verbergt het juweel binnenin.

-337-

71

Weten het niet-weten, dat is hoog.
Niet weten het weten, dat is een ziekte.
Wie ziek is van die ziekte is niet ziek.
De Wijze is niet ziek, omdat hij ziek is van die ziekte.
Daarom is hij niet ziek.

-338-

72

Als het volk niet vreest wat te vreezen is, zal het vreeselijkste tot hen komen.
Vind uw huis niet eng, de plaats, waar gij leeft, niet mistroostig.
Juist als men ze niet mistroostig vindt, is ze niet mistroostig.
Daarom: de Wijze kent zichzelf, maar stelt zich niet in het licht,
Heeft zichzelf lief, maar acht zich niet hoog.
Daarom laat hij dit en neemt hij dat.

-339-

73

Dapper zijn in het durven leidt tot den dood.
Dapper zijn in het niet-durven leidt tot het leven.
Van deze beide is het een schadelijk, het andere nuttig.
Als de hemel iets haat, wie kent er de reden van?
Daarom vindt de Wijze ingrijpen moeilijk.
De weg van den hemel is zoo:
Die strijdt niet en weet te overwinnen,
Spreekt niet en weet toch antwoord te bekomen,
Roept niet en allen loopen toe vanzelf,
Is lankmoedig maar maakt goed plannen.
Het net des hemels is ontzaglijk.
De mazen zijn wijd,
Maar niemand ontsnapt.

-340-

74

Als het volk den dood niet vreest, hoe het dan schrik aan te jagen met den dood?
Als men kon maken, dat het volk altijd den dood vreesde en ik greep en doodde den misdadiger, wie zou dan durven?
Daar is altijd een Scherprechter, die beschikt over den dood.
In plaats van dien eenen Scherprechter te dooden is in plaats van den meester timmerman hout gaan kappen.
Wie in plaats van den timmerman hout gaat kappen, zelden dat hij zich niet in de vingers snijdt.

-341-

75

Het volk heeft honger, omdat zijn vorst te veel belastingen heft.
Daarom heeft het honger.
Het volk is moeilijk te regeeren, omdat zijn vorst te veel "doet".
Daarom is het moeilijk te regeeren.
Het volk acht den dood gering, omdat het te hevig wil leven.
Daarom acht het den dood gering.
Maar hij, die geen acht geeft op het leven, is wijzer dan die het acht.

-342-

76

Als de mensch wordt geboren, is hij zacht en zwak.
Als hij sterft, is hij stijf en sterk.
Als de dingen, het gras en de boomen worden geboren, zijn ze zacht en teer.
Als zij sterven, zijn ze droog en schraal.
Daarom: stijfheid en sterkte zijn volgelingen van den dood.
Zachtheid en zwakte zijn volgelingen van het leven.
Daarom: een leger, dat sterk is, overwint niet.
Een boom, die krachtig is, staat opgeschreven ten doode.
Wat sterk is en groot, is minder.
Wat zacht is en zwak, is meer.

-343-

77

De weg des hemels is als het spannen van een boog.
Wat hoog is, verlaagt het.
Wat laag is, verhoogt het.
Waar teveel is, daar neemt het af.
Waar te weinig is, daar voegt het toe.
De weg des hemels is: af te nemen waar teveel is en bij te voegen waar te weinig is.
De weg der menschen is zoo niet.
Die is af te nemen waar te weinig is en bij te voegen waar te veel is.
Wie kan met zijn overvloed de wereld dienen?
Alleen die Tau heeft.
Daarom: de Wijze doet en steunt er niet op;
Verwerft verdienste en hecht er niet aan.
Hij wil zijn deugd niet doen uitblinken.

-344-

78

Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water.
Maar niets overtreft het in het aantasten van wat hard en sterk is.
Niets dat water daarin evenaart.
Zwak overwint sterk.
Zacht overwint hard.
Niemand onder den hemel, die dit niet weet.
Maar niemand kan het in toepassing brengen.
Daarom zegt de Wijze:
De schande van het Rijk dragen, dat heet het koningsoffer leiden.
De rampen van het Rijk dragen, dat heet koning zijn van het Rijk.
Ware woorden, die tegenstrijdig lijken.

-345-

79

Wordt hevige vijandschap bijgelegd, dan blijft er altijd nog wrok over.
Hoe dit goed te maken?
Daarom houdt de Wijze de linkerhelft van het contract en eischt niet van anderen.
Wie deugd heeft, zorgt te voldoen.
Wie geen deugd heeft, zorgt te eischen.
Het Tau des hemels heeft niet lief.
Maar het helpt altijd den goede.

-346-

80

Laat er een kleine staat met weinig volks en hoofden zijn over tien-
en honderdtallen zonder dat ze worden gebruikt.
Zorg, dat het volk den dood vreeze en toch niet ver weg trekke.
Al zijn er schepen en wagens, laat niemand reden vinden er in te gaan.
Al zijn er kurassen en wapenen, laat niemand reden vinden ze aan te doen.
Laat het volk terugkeeren tot het gebruik der geknoopte koorden.
Dan zal het smaak vinden in zijn voedsel, trotsch zijn op zijn kleederen,
vrede vinden in zijn woning en zich verblijden in zijn zeden.
Al ligt een naburige staat vlak bij, zoodat de hanen en honden van
weerskanten elkanders geluid kunnen hooren, het volk zal oud worden en sterven zonder er gemeenschap mee te hebben gehad.

-347-

81

Ware woorden zijn niet mooi.
Mooie woorden zijn niet waar.
Die goed zijn, zijn niet welbespraakt.
Die welbespraakt zijn, zijn niet goed.
Die weten, zijn niet geleerd.
Die geleerd zijn, weten niet.
De Wijze stapelt niet op.
Hoe meer hij anderen doet, hoe meer houdt hij over.
Hoe meer hij anderen geeft, hoe rijker wordt hij.
De weg van den hemel is: nuttig te zijn en niet te schaden.
De weg van den Wijze is: te doen en niet te strijden.