Top

De derwisj en de dwaas

Dansen in het duister

Soefisme zonder dogma’s

Door Hans van Dam

Deel 4 van de Agnosereeks

Omslag van deel 4 van de Agnosereeks.

‘Voor hem die weet, zijn duizend verklaringen niet voldoende, voor hem die niet weet is ieder teken teveel.’ Draaiboek voor dummy’s – wervelende dwaalgesprekken over mystiek niet-weten.

dummy: 1. iemand die nog niet weet; 2. iemand die niet meer weet.

De dans van niet-weten

Dit boek, De derwisj en de dwaas – Dansen in het duister (kortweg De derwisj en de dwaas of Dansen in het duister) bestaat uit honderd dwaalgesprekken over soefisme en agnose.

Ieder gesprek begint met een citaat van een dode derwisj. Ik had best citaten van levende derwisjen willen gebruiken, maar die kon ik niet vinden in Harderwijk, waar ik de eerste versie van deze dialogen schreef. Zonder bril had ik er niet eens de boekenwinkel of de bibliotheek kunnen vinden.

“Eens een dwaas, altijd een dwaas. De rest is schone schijn.”

Omdat mijn derwisjen allemaal overleden zijn, bleef hun bijdrage aan de dwaalgesprekken beperkt tot meedelen in plaats van meepraten. Voor de broodnodige wisselwerking heb ik een stand-in ingehuurd, Ayah (‘Ah ja’) in de rol van aangever. Een dialoog voor twee personen leest beter weg dan een dialoog voor één personen, al blijft het vanuit het perspectief van de schrijver een monoloog.

Ikzelf neem de rol van dwaas op me. Daar moet je niet te licht over denken. Ja, als baby ging het nog vanzelf. Vervolgens ontwikkelde ik me een twee drie tot een onverbeterlijke wijsneus die zowat een halve eeuw het hoogste woord voerde, wat een ouwehoer. Uiteindelijk heb ik hem de mond kunnen snoeren, maar mijn mond houden kan ik nog steeds niet. Eens een dwaas, altijd een dwaas. De rest is schone schijn. Afijn.

Close-up van de gezichten van een ernstige derwisj met muts en een olijke derwisj met narrenkap die naar elkaar kijken.
De derwisj en de dwaas.

Onder ieder citaat staat van wie het afkomstig is, ik bedoel, aan wie het toegeschreven wordt, terecht of onterecht. Denk erom dat je nooit maar dan ook nooit de woorden leest zoals ze oorspronkelijk door de geciteerden zijn uitgesproken en opgetekend. Je leest vertalingen en vertalingen van vertalingen.

Een aantal van die vertaalde vertalingen heb ik ook nog eens geparafraseerd om de formulering en de interpunctie aan te passen aan de eisen van de dialoog, aan mijn eigen smaak en aan de nieuwe eeuw, wat hopelijk op hetzelfde neerkomt. Weer een stapje verder verwijderd van het origineel.

“Niet-weten gaat bij mij gepaard met verrukking. Ik word er high van, gewichtloos. Ik ga ervan zweven.”

De derwisj en de dwaas is geen cursus soefisme. Het is geen cursus niet-weten. Het is geen cursus wat dan ook. Je kunt er best wat van opsteken, maar daar is het me niet om te doen. Juist niet.

Ik gebruik citaten uit een islamitische mystieke traditie waar het niet-weten als een rode, zeg maar gerust gouden draad doorheen loopt om te kunnen demonstreren wat een radicaal, postreligieus, postfilosofisch, postpostmodern niet-weten inhoudt. Soeficitaten zijn lonten in mijn kruitvat. Al loopt het onveranderlijk met een sisser af. Sst.

Wie niet weet heeft niets te zeggen, dit ook niet. Dat doet hij door 1. te weerleggen wat anderen zeggen en 2. zijn eigen weerleggingen te weerleggen. Niet op eigen gronden, want die heeft hij niet, maar op die van zijn tegenspreker, voor zover die ze heeft.

Wat heb je eraan om deze dialogen te lezen?

Op zijn ergst berooft het je van je troetelgedachten. Dat is altijd het risico van lezen.

Op zijn best bevrijdt het je uit de houdgreep van alle gedachten, welke dan ook, van wie dan ook, waaronder deze. Niet van de gedachten op zich, die blijven komen en gaan en wat doe je eraan, maar uit hun houdgreep. Dat zou mooi zijn, misschien, maar ook daar is het me niet om te doen.

“Zwevende ben ik niet in de hel, niet in de hemel, niet hier en niet daar. Een wolk van niet-weten, onderweg naar nergens.”

Mij gaat het erom de dans van niet-weten te dansen en al draaiende uit mijn gedachten te treden, de vrije ruimte in. Keer op keer, telkens weer. Duister te worden als het heelal. En net zo wijd.

Kring van acht dansende derwisjen tegen de achtergrond van het heelal.
“Mij gaat het erom de dans van niet-weten te dansen en al draaiende uit mijn gedachten te treden, de vrije ruimte in.”

Uittreding is een ander woord voor extase. Dat is afgeleid van het Griekse ekstasis, van ek, uit, en stasis, stand. In het Nederlands betekent het verrukking, trance, exaltatie.

Niet-weten gaat bij mij inderdaad gepaard met verrukking. Trance kun je het niet noemen, ik ben volledig bij mijn positieven. Maar ik word er high van, gewichtloos. Ik ga ervan zweven. Als een ooievaar cirkelend in thermiek. Derwisj met vleugels, klepperend zonder nest.

Zwevende ben ik niet in de hel, niet in de hemel. Niet in samsara, niet in nirwana. Niet hier en niet daar – neither here nor there, zegt de Engelsman. Een wolk van niet-weten*, onderweg naar nergens.

Misschien dat het me daar om te doen is.

* Een wolk van niet-weten is een traktaat uit de middeleeuwen over christelijke mystiek.

Bronvermelding.

Woordenlijstje soefisme

De derwisj en de dwaas – Dansen in het duister gaat over mystiek niet-weten en is geïnspireerd door het soefisme. Het wordt geen moeilijk verhaal, juist niet, je hoeft er bijna niets voor te weten, op een paar eenvoudige woorden na.

Soefisme. Verzamelnaam voor verschillende vormen van islamitische mystiek.

Islam. Monotheïstische godsdienst gebaseerd op het Oude Testament en de Koran. De ene God van de islam heet Allah.

“Van het mysterie kunnen wij niets weten, anders was het geen mysterie meer. Het pad naar het mysterie is het pad van niet-weten.”

Universeel soefisme. In de twintigste eeuw probeerde ene Hazrat Inayat Kahn om het soefisme los te weken van de islam en geschikt te maken voor iedereen, ongeacht zijn geloof. Hij noemde zijn eenheidsleer universeel soefisme.

Soefi, derwisj. Aanhanger van het soefisme. Ook wel minnaar of vriend genoemd en als collectief de vrienden, soms met een hoofdletter.

Mystiek. Het verlangen naar of de ervaring van of de belichaming van of eenwording met het mysterie.

Het mysterie. Kan in het algemeen verwijzen naar het raadsel van het leven of in het bijzonder naar het raadsel dat God of de of het Ene wordt genoemd.

In het soefisme heet het mysterie ook wel de Heer, de Vriend, de Beminde, de Geliefde, het Oog, Bewustzijn en de Waarheid.

Niet-weten. Van het mysterie kunnen wij niets weten, anders was het geen mysterie meer. Het pad naar het mysterie is het pad van niet-weten. Een echt pad is het niet want we hoeven nergens heen. Het mysterie is overal.

Ieder pad leidt van het mysterie naar het mysterie. Je kunt dus net zo goed thuis blijven. Maar thuis is alles net zo mysterieus als onderweg. Je kunt dus net zo goed op pad gaan. Voor een weetniet komt het op hetzelfde neer. Dom of slim of geniaal, dolen doen we allemaal.*

“Ieder pad leidt van het mysterie naar het mysterie. Je kunt dus net zo goed thuis blijven.”

Werveldans. Soefi’s staan bekend om hun religieuze dansen. De bekendste daarvan is een variatie op de pirouette, waarbij de derwisj zichzelf in trance brengt door langdurig in een hoog tempo om zijn as te draaien. Extase wordt in het soefisme uitgelegd als zelfvergetelheid, als eenwording met het mysterie.

De derwisj draagt een hoge pijpvormige, randloze hoed en een witte rok die door de middelpuntvliedende kracht prachtig uitbuikt.

Je zult in dit boek heel wat dansende derwisjen tegen komen, in woord en in beeld. Omdat ze iconisch zijn en omdat ze tot de verbeelding spreken. Vergeef me mijn grappenmakerij, het is niet kwaad bedoeld. Ik hou van spiritualiteit die licht maakt en lucht geeft.

* Het rijmt dus het is waar, zou Ayah zeggen, maar dat rijmt niet.

Wit silhouet van een dansende derwisj tegen een zwarte achtergrond.
Dansen in het duister.

Mystiek betekent: geheim voor iederéén

Het woord ‘mystiek’ is afgeleid van het Griekse ‘mystikos’, dat ‘geheimzinnig’ betekent. Niet in de gnostische zin van ‘geheime kennis, alleen voor ingewijden’, maar in de agnostische zin van ‘geheim voor iedereen’: waar niemand bij kan, ook ingewijden niet.

Zo opgevat is mystiek het tegenovergestelde van gnostiek. Een gnosticus is gebonden aan geheime kennis, een mysticus is ongebonden, vrij van kennis.

Een mysticus is een vrijgeest, geen vrijmetselaar, om maar eens een bekende geheime organisatie voor ingewijden te noemen. Mystiek is geen metselen en metselen is geen mystiek, al bouw je een kerk van de grond tot het zwerk.

Een grenze(n)loos nietweten voert het mysterie zozeer ten top dat het niet langer als een wezen of onwezen wordt voorgesteld, niet langer als een ding of onding, niet langer als goddelijk of ongoddelijk, niet langer als bestaand of onbestaand, niet langer als immanent of transcendent, niet langer als het eendere of het andere, niet langer als fysisch of metafysisch of parafysisch of wat dan ook.

“Agnose is een ongebonden, geloofsvrije, beeldloze mystiek die het mysterie zowel ten top als ten einde voert.”

In een onbegrensd nietweten houdt het mysterie zelfs op mysterieus te zijn. Er is geen onderscheid meer tussen de weetniet, haar niet weten en het mysterie waarvan niets geweten wordt, noch een samenvallen of versmelten daarvan.

Geen veelheid, geen dualiteit, geen non-dualiteit, geen eenheid, geen leegte – niets van dat alles en ook niets anders. Zelfs het nietweten wordt niet geweten. Het mag dan ook geen naam hebben in iedere zin van het woord. Maar zonder naam gaat het ook niet.

Mystiek die het mysterie tegelijkertijd ten top en ten einde voert, kun je radicale mystiek noemen, of lege mystiek, of de mystiek van nietweten of agnostische mystiek of simpelweg agnose – redeloze, bodemloze agnose.

Agnose is een ongebonden, geloofsvrije, beeldloze mystiek die geen voorkeur heeft voor een ongebonden, geloofsvrije, beeldloze mystiek, niet voor vrijzinnigheid, niet voor orthodoxie, niet voor neutraliteit, niet voor een leven zonder voorkeur.

“De weetniet wentelt onophoudelijk om zijn as. Zo schroeft hij zich overal uit weg.”

Een derwisj wentelt steeds om zijn as. Zo schroeft hij zich een weg uit zichzelf naar God. Maar een rechtstreekse weg tot God is er volgens het soefisme niet. Soefisme is geen hamer, een soefi is geen spijker. Tot de Dag des Oordeels zal de derwisj als een komeet om Hem heen blijven draaien.

Ook de weetniet wentelt onophoudelijk om zijn as. Zo schroeft hij zich overal uit weg.

Uit het ego, maar ook uit het zelf.

Uit het onderscheid, maar ook uit de eenheid.

Uit de tijd én uit het nu.

Uit het geloof én uit het ongeloof.

Uit het antwoord én uit de vraag.

Uit het weten én uit het nietweten.

“Een gnosticus is gebonden aan geheime kennis, een mysticus is ongebonden, vrij van kennis.”

Een soefi is een soort weetniet, een weetniet is een soort schroefie. Hij is wendbaar zonder door te draaien. Hij draait nergens als een komeet omheen, ook niet om God of om welke hete brei dan ook. Maar hij draait zich overal uit, ook hieruit. Linksom én rechtsom.

En jij?


Wat heeft jouw voorkeur?

Doldraaien of duimendraaien?

Dichtdraaien of opendraaien?

Vastdraaien of losdraaien?

Indraaien of uitdraaien?

Zwart silhouet van een dansende derwisj tegen een witte achtergrond.
Dansen als het duister.

Rumi en het pad van de verbijstering

Een heleboel soefi’s hebben behartenswaardige dingen over niet-weten gezegd. We zullen een aantal van hen leren kennen in de dialogen van De derwisj en de dwaas.

De meest uitgesproken agnost is misschien de Perzische mysticus Rumi*. Bij hem heet niet-weten verbijstering:

Geef vannacht je slaap op, ga voor één nacht naar het rijk van slapeloosheid. Kijk naar deze minnaars die verbijsterd raakten en als motten stierven in eenwording met de Geliefde.

(1)

De minnaars zijn hier de soefi’s, de Geliefde is het onbevattelijke mysterie dat geen naam mag hebben, waarmee de minnaars zich vereenzelvigen door en in verbijstering.

Het intellect is eerder een hinderpaal dan een hulpmiddel op het pad van de soefi:

Doe intelligentie van de hand en koop verbijstering. Misschien is je intelligentie maar een mening en verbijstering de vrije blik.

(2)

Ben je eenmaal met stomheid geslagen, dan ontstaat er een nieuwe gevoeligheid:

Als uit verbijstering dit intellect van je je hoofd uitvliegt, wordt elk puntje van je haar een nieuw kennen.

(3)

Het verstand dat verloren gaat, de taal die tekort schiet – het zijn vaste thema’s van de derwisj:

In dit oord van tegenwoordigheid gaat het verstand van allen reddeloos teloor. Als de pen dit punt bereikt, breekt hij.

(4)

In dit oord van lege woordigheid weet je bij God niet meer wat je moet zeggen.

“Gedachten kunnen de lege leer niet bevatten. Zij is een gat zonder bodem.”

Niet de wijze wordt in het soefisme vereerd, zoals in het boeddhisme en het taoïsme, maar de onwetende. Een soefi is niet verheven maar nietig. Geen heer maar dienaar. Niet groot en hoog maar klein en laag. Hij staat niet aan de top van de religieuze hiërarchie maar erbuiten:

Liefde fluistert me in het oor: ‘Je kunt beter een prooi zijn dan een jager. Wees mijn dwaas – verzaak de hoge staat van de zon en word een stofje! Kom, hang rond bij Mijn deur en word dakloos.’

(5)

Kom, zweef weg door je tralies en word vrij.

Rumi hield van de zee zoals alleen een woestijnbewoner dat kan en gebruikte haar graag als metafoor:

Zeggen en horen kunnen de Liefde niet bevatten, zij is een oceaan waarvan je de diepte niet kunt peilen. Deze zee telt ontelbare druppels, daarbij vergeleken vallen de zeven zeeën in het niet.

(6)

Gedachten kunnen de lege leer niet bevatten. Zij is een gat zonder bodem.

Degene die het schuim ziet, verklaart het geheim, terwijl wie de Zee ziet verbijsterd is. Degene die het schuim ziet, neemt zich iets voor, terwijl wie de Zee kent, zijn hart ermee verenigd. Degene die de schuimvlokken ziet, wikt en weegt, terwijl wie de Zee ziet, zijn bewuste wil heeft opgegeven.

(7)

Wie het schuim ziet, denkt na. Wie de zee ziet staat paf.

Wie het schuim ziet, schept op. Wie de zee ziet, laat af.

Wie het schuim ziet, trapt erin. Wie de zee ziet, springt erin.

* Mohamed (D)Jalal ad-Din (of al-Din) Balkhi Rumi of Roemi (1273-1307).

1-7: Alle citaten van Rumi zijn afkomstig uit Roemi juwelen, bloemlezing uit de Masnavi samengesteld door Camille en Kabir Helminski, Servire 2001. Paginanummers: 1: 131; 2,3: 82; 4: 69; 5: 106; 6: 129; 7: 137.

1 - Vernedering is maatwerk

Shibli, een trotse hoveling, ging naar meester Junaid om de waarheid te zoeken. Hij zei: ‘Ik hoor dat u de goddelijke kennis bezit. Ik zou er graag in delen.’ Junaid zei: ‘Ik kan u die niet geven, omdat u haar anders te goedkoop zou hebben. Om haar volledig te waarderen moet men zelf de parel opduiken.’ ‘Waar zal ik beginnen?’ vroeg Shibli. ‘Ga heen en wordt zwavelverkoper.’

Na een jaar liet Junaid hem bij zich brengen. ‘U doet het prima als koopman. Word nu derwisj en ga alleen maar bedelen.’ Shibli bracht een jaar door met bedelen in de straten van Baghdad, maar zonder succes.

Ten einde raad keerde hij terug naar de meester. Junaid zei: ‘Voor de mensheid bent u nu niets. Laat diezelfde mensheid niets voor u worden.’ Shibli zei: ‘Hoe leg ik dat aan?’ ‘Keer terug naar de provincie waarvan u gouverneur was, zoek allen op die u destijds hebt onderdrukt en vraag nederig om vergiffenis.’ Shibli ging op weg en werd door iedereen vergeven.

Tevreden vervoegde hij zich weer bij Junaid, die meteen zag dat hij nog altijd een zekere eigendunk bezat. Shibli moest opnieuw een jaar gaan bedelen. Het geld dat hij ontving bracht hij elke avond naar de meester die het uitdeelde aan de armen. Pas de volgende ochtend kreeg Shibli zelf te eten.

Eindelijk werd hij als discipel aangenomen. Toen er weer een jaar voorbij was gegaan, dat hij had doorgebracht als dienaar van al zijn medeleerlingen, voelde hij zich de nederigste mens in heel de schepping.

Op een dag werd hij door lieden die hem wilden kleineren in het openbaar bespot vanwege zijn mystieke taal. Hij verklaarde: ‘Naar uw mening ben ik gek. Naar mijn mening bent ú gezond van geest. Ik bid om uw gezonde geest te versterken, maar ik bid ook om mijn waanzin te versterken. Uw werkelijkheidszin komt voort uit de macht van uw onbewustheid. Mijn waanzin komt voort uit de kracht van de liefde.’


Hans: Mooi. Behalve de laatste regels.

Ayah: Wat zou jij zeggen?

Hans: ‘Uw werkelijkheidszin komt voort uit de macht van uw weten. Mijn waanzin komt voort uit de kracht van niet-weten.’

“Vernedering is de weg. Zeker als je denkt dat je er al bent.”

Ayah: Vind jij dat Shibli het te mooi maakt?

Hans: Dat hij zich de liefde toe-eigent, moet hij zelf weten. Het komt wel een beetje hautain over, niet wat je verwacht van een toonbeeld van nederigheid. Hij suggereert hier dat de gezonden van geest geen van allen de kracht van de liefde kennen.

Zelf heb ik niets verworven, ik ben iets kwijtgeraakt: ik weet het allemaal niet meer. Dan is het eerlijker om van niet-weten te spreken.

Ayah: Wie heeft er gelijk, Shibli of jij?

Hans: Spiritualiteit heeft niets met gelijk of ongelijk te maken. De mijne in elk geval niet.

Ayah: Jij spreekt alleen maar voor jezelf.

Hans: Dat mogen anderen uitmaken.

Ayah: Heb jij ook oefeningen in nederigheid gekregen?

Hans: Niemand heeft mij opgedragen om bordenwasser of schillenboer te worden, als je dat bedoelt. Ik sta niet in een bepaalde traditie en ik heb nooit het genoegen van een leraar mogen smaken.

Mijn oefeningen in nederigheid waren en zijn de gewone vernederingen van het leven. Zonder hoger doel om de pil te vergulden. Dezelfde vernederingen die iedereen met enige eigendunk, hoe gering ook, te slikken krijgt. Je weet vast wel wat ik bedoel.

Ik ben hardleers, dus mijn vernederingen duren al meer dan een halve eeuw. Daarbij vergeleken zijn die drie jaar van Shibli een bagatel.

Ayah: Wat voor vernederingen?

Hans: Mijn vernederingen kunnen jou niet helpen.

Ayah: Ieder krijgt zijn eigen vernederingen.

Hans: Ieder heeft zijn eigen hoogmoed.

Ayah: Vernedering is maatwerk.

Hans: Je krijgt precies wat je nodig hebt.

Ayah: Of je wilt of niet.

Hans: Omdat je niet wilt.

Ayah: Vernedering is de weg.

Hans: Zolang je denkt dat je ergens heen moet.

Ayah: En als je denkt dat je nergens heen moet?

Hans: Dan ook.

Ayah: En als je denkt dat er je er al bent?

Hans: Dan helemaal.

Ayah: En als je niet meer denkt?

Hans: Vraag maar aan iemand die niet meer denkt.

Ayah: Ben jij zo iemand?

Hans: Alleen voor iemand die dat denkt.

Ayah: Waar vind ik iemand die niet denkt?

“Vernedering is maatwerk. Je krijgt precies wat je nodig hebt.”

Hans: Op het kerkhof.

Ayah: Zes voet onder de grond.

Hans: Eén met de wormen.

Ayah: Dieper kun je niet zinken.

Hans: Eindelijk thuis.


Wanneer ben jij voor het laatst vernederd?

Is er iets wat je vroeger vernederend vond en nu niet meer of omgekeerd? Wat is het verschil?

Leer jij iets van je vernederingen of is het patroon onveranderlijk?

Heb jij de laatste tijd zelf nog iemand vernederd?

2 - De alchemist en de dwaas

De alchemist sterft in pijn en frustratie terwijl de dwaas in een ruïne een schat ontdekt.

Saadi


Hans: Schatjagers, allebei.

Ayah: Wat voor schat, denk jij?

Hans: De alchemist sterft in pijn en frustratie omdat hij nergens God ziet. De dwaas leeft in vreugde en dankbaarheid omdat hij overal God ziet.

Ayah: Dat zal het zijn.

Hans: De alchemist leeft in blijde verwachting omdat hij overal goud ziet. De dwaas sterft in blijde verwachting omdat hij overal God ziet.

Ayah: Blijde verwachting is blijde verwachting, ik kan het weten.

Hans: De alchemist blijft maar naar de steen der wijzen zoeken terwijl de dwaas een ruïne als een schat kan zien.

Ayah: Ook mooi.

“De steen der dwazen vind je overal. Daar kun je op bouwen.”

Hans: De alchemist sterft in pijn en frustratie terwijl de dwaas in pijn en frustratie een schat herkent.

Ayah: Diep.

Hans: De alchemist sterft hoe dan ook en de dwaas sterft hoe dan ook.

Ayah: De dood ontziet niemand.

Hans: Wat denk jij dat Saadi bedoelt?

Ayah: Zo te zien kun je er alle kanten mee op.

Hans: Misschien is dat wel de schat.

Ayah: Alle kanten op kunnen?

Hans: Een ander woord voor vrijheid van geest.

Ayah: Daar kun je ook teveel van hebben.

Hans: Ik krijg er nooit genoeg van.

Ayah: Dwaasheid.

“De steen der wijzen vind je nergens, al loopt iedereen te wijzen.”

Hans: Misschien is dat wel de schat.

Ayah: Wat?

Hans: Dwaasheid.

Ayah: Waarom dan die ruïne?

Hans: De steen der dwazen vind je overal.

Ayah: Zelfs in een ruïne.

Hans: Daar kun je op bouwen.

Ayah: In tegenstelling tot de steen der wijzen.

Hans: Al loopt iedereen te wijzen.

Ayah: Waar vinden we die steen der wijzen?

Hans: Probeer het eens bij Sisyphos.*

Ayah: Wie is dat nou weer.

Hans: Vraag het dan maar aan een alchemist.

* Sisiphos: figuur uit de Griekse mythologie die een zware steen tegen een steile helling op moest duwen. Telkens als hij boven was rolde de steen naar beneden en kon hij weer van voren af aan beginnen.


Wat voor schat zoek jij?

Zou je liever in een wereld vol dwazen leven of in een wereld vol wijzen?

Hoeveel kanten kun jij op?

3 - Wat niet bij een schipbreuk verloren kan gaan

Je bezit alleen maar wat niet bij een schipbreuk verloren kan gaan.

El Ghazali


Hans: Gevaarlijke uitspraak.

Ayah: Hoezo?

Hans: Omdat mensen dan meteen gaan verzinnen wat er bij een schipbreuk niet verloren kan gaan.

Ayah: Wat kan er bij een schipbreuk niet verloren gaan?

Hans: Zie je wel?

Ayah: Ik denk dat El Ghazali God bedoelt.

Hans: Ik denk dat El Ghazali Satan bedoelt.

Ayah: Meen je dat nou?

Hans: Meen je dat nou?

Ayah: Ik bedoel dát wat onvergankelijk, eeuwig en absoluut is.

Hans: Zie je wel?

Ayah: Het Zien. De Kenner. De Geest. Het Zelf. Het Ene. Essentie. Bewustzijn. Liefde. De Vriend. De Boeddhanatuur. Brahman. Dao. God.

Hans: Je gaat meteen verzinnen wat er bij een schipbreuk niet verloren kan gaan.

Ayah: Wou jij beweren dat God een verzinsel is?

Hans: En dan krijg je dit soort discussies.

“Wat er niet bij een schipbreuk verloren kan gaan? Levensvragen. Duidingsdrang. Verklaringsdrift.”

Ayah: Bedoel je dat alles vergankelijk is?

Hans: Zie je wel?

Ayah: Of relatief?

Hans: Zie je wel?

Ayah: Volgens mij is wijsheid wat niet verloren kan gaan bij een schipbreuk.

Hans: Wacht maar tot je de giek tegen je kop krijgt.

Ayah: Wat kan er volgens jou niet bij een schipbreuk verloren gaan?

Hans: Volgens mij is dwaasheid wat niet verloren kan gaan bij een schipbreuk.

Ayah: Wat nog meer?

Hans: Levensvragen?

Ayah: Ah ja.

Hans: Duidingsdrang?

Ayah: Klopt.

Hans: Verklaringsdrift?

Ayah: Hm.

Hans: Speculatie?

Ayah: Toegegeven.

Hans: Absolutisme?

Ayah: Ik hoop toch dat er iets is dat alles…

Hans: Hoop?

Ayah: Daar zeg je me wat.

Hans: Wanhoop?

Ayah: Onbetwistbaar.

Hans: En water natuurlijk.

Ayah: Ha ha.

Hans: En de schipbreuk niet te vergeten.

Ayah: Hè hè.

Hans: Ik zou het anders ook niet weten.

Ayah: Niet-weten?

Hans: Dat kan op ieder moment verloren gaan.

Ayah: Volgens mij heb ik zojuist schipbreuk geleden.

Hans: Dan heb je toch nog iets.


Heb jij weleens last van verklaringsdwang en duidingsdrift?

Volgens El Ghazali is er iets wat bij een schipbreuk niet verloren kan gaan. Volgens het boeddhisme is er niets wat niet bij een schipbreuk verloren kan gaan. Wat vind jij een prettiger idee? Waarom?

Wat kan er volgens jou niet bij een schipbreuk verloren gaan?

Draaien als een derwisj 1

Twee derwisjen die watertrappelend rondjes draaien in zee.

4 - Requiem voor de stille stem

Ooit waren er alleen zielen maar geen lichamen. Dat duurde slechts een paar jaar, maar elk van die jaren was als een van onze millennia.

Alle zielen waren in slagorde opgesteld. Ze kregen de wereld te zien. Negen van de tien zielen vlogen er vol begeerte op af.

Daarop kregen de overgebleven zielen de hel te zien. Negen van de tien zielen vlogen er vol afschuw van weg.

Toen waren er nog maar enkele zielen over, zij die door niets werden geraakt. Ze voelden zich niet aangetrokken door de aarde of door het paradijs, evenmin hadden zij de hel gevreesd. De Hemelse Stem vroeg: ‘Idioten, wat willen jullie dan?’

De zielen antwoordden in koor: ‘U die alles weet, weet ook dat U het is die wij begeren en dat we U nooit zullen verlaten.’

De Stem zei tot hen: ‘Mij begeren is gevaarlijk en gaat gepaard met grote ontberingen.’

De zielen antwoordden: ‘Wij willen alles ondergaan, als we maar bij U kunnen zijn. We zijn bereid alles te verliezen om alles te verwerven.’

Ilahi-Nama


Hans: Dat is maar de helft van het verhaal.

Ayah: Hoe gaat het verder?

Hans: De meeste zielen vliegen op de Stem af en gaan in rook op. De Stem zegt: ‘Idioten, dat komt er nou van.’ Negen van de tien overgebleven zielen vliegen vol afschuw weg.

De rest vraagt: Gaat begeerte naar U per se gepaard met grote ontberingen? De Stem doet er het zwijgen toe. Negen van de tien overgebleven zielen vliegen vol afschuw weg.

De rest vraagt: ‘Moeten wij inderdaad alles verliezen teneinde alles te verwerven?’ De Stem laat zich niet meer verleiden. Negen van de tien overgebleven zielen vliegen vol afschuw weg.

De volhouders vragen honderduit. De Stem zwijgt. Negen van de tien overgebleven zielen vliegen vol afschuw weg.

De achterblijvers vragen of er dan helemaal geen antwoorden zijn. De Stem zwijgt. Negen van de tien overgebleven zielen vliegen vol afschuw weg.

De laatsten vragen of stilte soms het antwoord is. De Stem zwijgt. Negen van de tien overgebleven zielen vliegen vol afschuw weg.

“Je weet niet en je raadt niet en je wacht op niets of niemand. Maar je ogen glanzen en om je mond speelt een flauwe glimlach.”

Een handjevol bewaart tot het einde der tijden een hoopvol stilzwijgen. Ook daardoor laat de Stem zich niet vermurwen. De allerlaatste zielen vliegen vol afschuw weg.

Maar jij verliest de moed niet.

Je houdt de moed er niet in.

Je vecht niet en je vlucht niet.

Je spreekt niet en je zwijgt niet.

Je doet niet en je laat niet.

Je weet niet en je raadt niet en je wacht op niets of niemand.

Maar je ogen glanzen en om je mond speelt een flauwe glimlach.

Ayah: En dan?

Hans: Zie je alle zielen in slagorde voor je opgesteld.

Ayah: En dat is het eind van het verhaal?

Hans: En dat is het begin van het verhaal.


Waar wacht jij op?

Wat hoor jij de stille stem* allemaal zeggen?

Als je haar niets hoort zeggen, komt dat dan volgens jou doordat je haar nog niet kunt horen of doordat ze nog niet tegen je gesproken heeft of doordat ze niet kan spreken of doordat ze niets te zeggen heeft of doordat er helemaal geen stille stem is misschien?

Stel dat de stille stem niet voor zichzelf kan spreken, kun jij dan voor haar zwijgen?

Is jouw verhaal al geëindigd?

* ‘De stille stem’ is ook de titel van een boek over niet-weten van Jan Oegema.

5 - Een waarheid als twee koeien

Wie ingenomen is met zichzelf beseft niet dat hij ooit de waarheid te horen krijgt.

Saadi


Hans: Wie ingenomen is met zichzelf beseft niet dat hij nooit de waarheid te horen krijgt.

6 - Iedereen heeft een theorie over jou, jij ook

Iedereen heeft een theorie over mij. Ik ben mezelf. Wat ik ben, dat ben ik.

Omar Khayyam


Hans: Omar heeft een theorie over iedereen.

Ayah: Namelijk?

Hans: Dat iedereen een theorie over hem heeft.

Ayah: Ah ja.

Hans: Hij heeft ook een theorie over zichzelf.

Ayah: O ja?

Hans: Dat hij zichzelf is. Dat hij is wat hij is.

Ayah: Klopt altijd.

Hans: Zegt niks.

Ayah: In elk geval beperk je jezelf niet.

Hans: Niets over jezelf zeggen is een beperking.

Ayah: Wie of wat ben jij?

Hans: Iedereen heeft een theorie over mij. Ik ook. Maar wat ik nou ben?

Ayah: Volgens mij bedoelt Omar Khayyam dat ook.

Hans: Iedereen heeft een theorie over hem. Jij ook.

Ayah: Wat denk jij dat hij bedoelt?

Hans: ‘Wat ik ben, dat ben ik’ is een tautologie. Het betekent wat jij het laat betekenen.

Ayah: Voor mij betekent het dat Khayyam ten diepste niet weet wie hij is.

Hans: Daar heb je het al.

Ayah: ‘Ik ben die ik ben’, zegt God in Exodus 3:14. ‘Ik zal zijn die ik zal zijn.’

Hans: Misschien heeft Hij ook geen bruikbare theorie over zichzelf.

Ayah: Dan zou Hij niet alwetend zijn.

Hans: Misschien weet Hij dat dan ook niet.

Ayah: Wat is jouw theorie over jezelf?

Hans: De ene na de andere.

Ayah: Misschien is dat wel wat je bent.

Hans: Wat?

Ayah: Iemand die de ene theorie na de andere over zichzelf heeft.

Hans: Iedereen heeft een theorie over mij. Jij ook.

“‘Ik ben die ik ben’, zegt God in Exodus 3:14. Misschien heeft Hij ook geen ook geen bruikbare theorie over zichzelf.”

Ayah: Misschien is dat wel wat wij zijn.

Hans: Wij?

Ayah: De mens. Als soort. Een duidend dier. Homo poeticus.

Hans: Iedereen heeft een theorie over ons. Jij ook.


Wat is jouw theorie over mij?

Wat is jouw theorie over jezelf?

Hoeveel theorieën heb jij al over jezelf gehad?

Wie zou je zijn zonder theorie over jezelf?

Denk jij dat het mogelijk is om te stoppen met theoretiseren over jezelf? Zo ja of nee, is dat nog theorie of al praktijk?

Wat is jouw theorie over de mens?

Hoeveel theorieën over de mens denk jij dat er zijn?

Wat is de mens zonder theorie?


Draaien als een derwisj 2

Dansende derwisj met het frame van een hoepelrok als rok.

7 - Toevlucht nemen tot de boef

Het toevluchtsoord is voor je, de boef is achter je. Als je verdergaat, win je. Als je slaapt, sterf je.

Saadi


Hans: De boef is in je.

Ayah: Dan kun je geen kant meer op.

Hans: De schuilplaats is in je.

Ayah: Dan hoef je geen kant meer op.

Hans: Al ga je alle kanten op.

Ayah: Wat als je slaapt?

Hans: Dromen.

Ayah: Wat als je waakt?

Hans: Dagdromen.

Ayah: Wat als je nooit meer droomt?

Hans: Dan sterf je.

Ayah: Wat als je sterft?

Hans: Dan ga je alle kanten op.

Matroesjka van boeven.
De boef is in je, de schuilplaats is in je.

Wat doe je liever, dromen of dagdromen?

Heb jij een boef in je? Is die innerlijke boef jouw vijand?

Heb jij een schuilplaats in je? Mag die boef daar ook komen?

Heeft de boef een schuilplaats in jou? Mag jij daar ook komen?

8 - Al heb ik zorgen, volledig leef ik

Ik belast geen kameel en draag niet de last van een kameel. Ik regeer niet en ik word niet geregeerd. Ik heb geen zorgen om het verleden, het heden of de toekomst. Volledig adem ik, volledig leef ik.

Saadi


Hans: Al belast ik een kameel.

Ayah: Wat?

Hans: Al draag ik de last van een kameel.

Ayah: Ja?

Hans: Al regeer ik.

Ayah: Wat dan?

Hans: Al word ik geregeerd.

Ayah: Nou?

Hans: Al heb ik zorgen om het verleden, het heden of de toekomst.

Ayah: Ga door.

Hans: Waarmee?

Ayah: Je vergeet de pointe.

Hans: Dat is het punt.

Ayah: Er is geen punt en dat is het punt?

Hans: Ook dat is het punt niet.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Dat zou toch weer een punt zijn.

Ayah: Wat er ook gebeurt…

Hans: Volledig leef ik.

Ayah: Ieder leven is een volledig leven?

Hans: Ook een halfslachtig leven.

Ayah: Al leef ik halfslachtig, volledig leef ik.

Hans: Al leef je volledig halfslachtig. Al leef je halfslachtig volledig. Al leef je halfslachtig halfslachtig.

Ayah: Maar wat betekent het?

Hans: Al was het betekenisloos.

Ayah: Als je niet weet, kun je het niet fout doen.

Hans: Al doe je alles fout.

Ayah: En ook niet goed.

Hans: Al doe je alles goed.

Ayah: Al droeg je een kameel.

Hans: Al was je een kameel.

“Voor wie niet weet is ieder leven een volledig leven. Ook een halfslachtig leven.”

Ayah: Leven is leven.

Hans: Al wou je dood.

Ayah: En sterven is sterven.

Hans: Al ben je als de dood.

Ayah: Dus?

Hans: Dus.

Verharende kameel.
Voor wie niet weet is iedere vacht een volledige vacht.

Vind jij dat je een halfslachtig leven leidt?

Vind jij dat je faalt als je zorgen hebt om het verleden, het heden of de toekomst?

Vind jij dat je faalt als je vindt dat je faalt?

9 - De fopneus, de wijsneus en de loopneus

Ik zag een man die zich in gebed ter aarde wierp en riep uit: ‘Je legt de last van je neus op de grond met de uitvlucht dat dit een vereiste van het bidden is!’

Hakim Jami


Hans: Hakim steekt zijn neus in de wind met de uitvlucht dat dit een vereiste van de wijsheid is.

Ayah: Nee, jij dan.

Hans: Ik loop gewoon mijn neus achterna.

Ayah: Waarvan is dat een vereiste?

Hans: Geen idee.

Ayah: Geen idee of geen-idee?

Hans: Wat?

Ayah: Of je geen idee hebt waarvan het een vereiste is of dat het een vereiste is van geen-idee.

Hans: Mijn neus.

Derwisj die zijn neus achterna danst.

Welk lichaamsdeel steek jij graag in de wind?

Wiens neus loop jij achterna?

Waarvan is dat een vereiste?

Loop jij je neus achterna of duw jij je neus voor je uit of loopt je neus voor jou uit of trekt je neus jou mee?

Heb jij geen idee of geen-idee?

10 - Spreken als een zwijger

Spreek niet van de Vier Wegen, of van de Tweeënzeventig Paden, of van de ‘Paden talloos als de zielen van de Mensen’. Heb het in plaats daarvan over het Pad en het bereiken. Alles is daaraan ondergeschikt.

Sirhindi


Hans: Spreek niet over het pad en het bereiken.

Ayah: Want?

Hans: Dat is ondergeschikt.

Ayah: Er is geen pad en er valt niets te bereiken, wou je zeggen.

Hans: Spreek niet over geen-pad en niet-bereiken.

Ayah: Want?

Hans: Dat is ondergeschikt.

Ayah: Ondergeschikt aan de of het Allerhoogste?

Hans: Spreek niet over de of het Allerhoogste.

Ayah: Daar ook al niet van?

Hans: Dat is ondergeschikt.

Ayah: Waaraan zou de of het Allerhoogste ondergeschikt moeten zijn?

Hans: Dat is ondergeschikt.

Ayah: Bedoel je dat alles even veel of even weinig waard is of dat we geen voorkeur mogen hebben of dat we nergens aan mogen hechten?

Hans: Spreek niet over gelijkwaardigheid, neutraliteit of onthechting.

Ayah: Waarover moeten we dan wel spreken?

Hans: Dat is allemaal ondergeschikt.

Ayah: Is er ook maar iets dat niet ondergeschikt is?

Hans: Waaraan?

Ayah: Moeten we dan overal over zwijgen?

Hans: Spreek niet over zwijgen.

Ayah: Dan weet ik het ook niet meer.

Hans: Spreek niet over niet-weten.

Derwisj buigt zo diep voor zijn spiegelbeeld dan hun hoeden de grond raken.
‘Dat is allemaal ondergeschikt.’

Spreek jij liever over het pad of over geen-pad?

Is er volgens jou iets waaraan alles ondergeschikt is?

Is er volgens jou iets waaraan alles bovengeschikt is?

Voor wie buig jij allemaal?

Buig jij voor jezelf?

11 - Een formulering zonder waarheid

Soefisme is waarheid zonder formulering.

Ibn el-Lali


Hans: ‘Waarheid zonder formulering’ is een formulering.

Ayah: Misschien had Ibn el-Lali gewoon moeten zeggen dat soefisme waarheid is.

Hans: Dat is nog steeds een formulering.

Ayah: Misschien had hij alleen maar ‘soefisme’ moeten zeggen, of ‘waarheid’.

Hans: ‘Soefisme’ is een formulering. ‘Waarheid’ is een formulering.

Ayah: Wat is ‘waarheid zonder formulering’?

Hans: Een leugen.

Ayah: Wat blijft er over zonder formulering?

Hans: Zeg jij het maar.

Ayah: Stilte?

Hans: ‘Stilte’ is een formulering.

Ayah: Niet als woord maar als daad, bedoel ik.

Hans: Allemaal woorden.

Ayah: …

Hans: …

Ayah: Zo beter?

Hans: Mij te veelzeggend.

Ayah: Wat?

Hans: Wat niet.

“Woorden vermoorden en dat weer verwoorden. Zo zwijgt de weetniet.”

Ayah: Hoe kan stilte nou te veelzeggend zijn!

Hans: Stilte laat niets ongezegd. Meer kun je niet zeggen.

Hans: Minder wel.

Ayah: Wat moet je dan?

Hans: Zwijgen doe je best met woorden.

Ayah: Wat doe je daar dan mee?

Hans: Andere woorden vermoorden.

Ayah: Welke woorden vermoorden?

Hans: Eerdere woorden vermoorden. Latere woorden vermoorden.

Ayah: Moordende woorden vermoorden.

Hans: En dat dan weer verwoorden.

Ayah: Ga je gang.

Hans: Ik doe al niet anders.

Ayah: Tja.

Hans: Zo kun je het ook zeggen.

Ayah: Ik weet niet wat ik hierop moet zeggen.

Hans: Ik had het niet beter kunnen zeggen.

Ayah: Dus zo spreekt de weetniet.

Hans: Dus zo zwijgt de weetniet.

Ayah: Volgens mij is niet-weten waarheid zonder formulering.

Hans: Sst.


Kun jij zwijgen met woorden?

Kun jij zwijgen zonder woorden?

Ken jij de stilte zonder betekenis?

Ken jij de lege betekenis, Ø?

Stel je voor dat je eindelijk vindt wat je zoekt en dan ontdekt dat je het op geen enkele manier kunt delen: niet door erover te spreken, niet door erover te zwijgen, niet door iets te doen en niet door niets te doen. Interesseert het je dan nog?

Lees ook: Meester Tja en de Tao van niet-weten.

Draaien als een derwisj 3

Derwisj die uit allemaal kleine figuurtjes (zwervelingen) bestaat.

12 - Al waren mijn lippen dichtgenaaid

Steeds wanneer men iemand de Geheimen van de Waarneming leert, zijn zijn lippen dichtgenaaid om niet van het Bewustzijn te spreken.

Rumi


Hans: En dat zou Rumi gezegd hebben?

Ayah: Tenzij de vertaler er een potje van gemaakt heeft.

Hans: Dan waren Rumi’s lippen niet dichtgenaaid.

Ayah: Hoezo?

Hans: Anders zou hij nooit van ‘het Bewustzijn’ gesproken hebben.

Ayah: Op die manier.

Hans: En nooit van ‘de Geheimen van de Waarneming’.

Ayah: Ik veronderstel van niet, nee.

Hans: Hij zou ook nooit hebben gezegd dat zijn lippen waren dichtgenaaid.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Omdat zijn lippen waren dichtgenaaid.

Ayah: Ah ja.

Hans: Zelfs dat zou hij niet gezegd hebben.

Ayah: Wat zou hij wel gezegd hebben?

Hans: Hm hmmm hm hmm hmmm hmm hm.

Ayah: Hm.

Hans: Goeie samenvatting.

Ayah: Hoe zou een weetniet het zeggen?

Hans: Dat moet je een weetniet vragen

Ayah: Hoe zou jij het zeggen?

Hans: Als mijn lippen waren dichtgenaaid?

Ayah: Als je nog steeds kon spreken. Of opnieuw had leren spreken.

Hans: Ik kan nog steeds spreken. En ik heb opnieuw leren spreken.

Ayah: Nou?

Hans: Hm hmmm hm hmm hmmm hmm hm.

Ayah: Ik was er al bang voor.

Hans: Of ehm ehmmm ehm ehmm ehmmm ehmm ehm.

Ayah: Het lijkt wel een mantra.*

Hans: Of ohm ohmmm ohm ohmm oohmmm ohmm ohm.

Ayah: Het ís een mantra.

Hans: En dat met open mond.

* Ayah bedoelt waarschijnlijk de boeddhistische mantra ‘Ohm mani padme hum’.

Derwisj met dichtgenaaide mond, neus, ogen en oren.
“Hm hmmm hm hmm hmmm hmm hm.”

Ken jij de Geheimen van de Waarneming?

Ken jij het Lege Geheim, Ø?

Wat zou jij zeggen als je lippen waren dichtgenaaid?

Welke hechtingen moeten bij jou verwijderd worden om vrij te kunnen spreken?

Wat is volgens jou de grondtoon van het universum: hm, ehm of ohm?

Stel je voor dat je de rest van je leven nog maar één zin kon uitspreken, maar wel net zo vaak als je wilt. Welke zin zou je kiezen?

13 - Bekijk het maar – van alle kanten

Is de herder er voor de kudde of is de kudde voor de herder?

Jami


Hans: Of zijn ze er voor elkaar of zijn ze er voor zichzelf of zijn ze er voor iets hogers of zijn ze er voor iets lagers of zijn ze er gewoon of zijn ze er gewoon niet of wat?

Ayah: Je maakt het er niet eenvoudiger op.

Hans: En wat te denken van de eigenaar, de veearts, de slager, de consument, het gras, de mest, de bacteriën, de regen, de lucht, de aarde, de zon…

Ayah: Is het gras er voor de koe?

Hans: Is de koe er voor de veearts?

Ayah: Is de veearts er voor de slager?

Hans: Is de slager er voor de klant?

Ayah: Is de klant er voor de koning?

Hans: Is de koning er voor de bacteriën?

Ayah: Zijn de bacteriën er voor de zuurstof?

Hans: Is de zuurstof er voor de lucht?

Ayah: Is de lucht er voor de vogels?

Hans: Zijn de vogels er voor de veren?

Ayah: Zijn de veren er voor de kussens?

Hans: Zijn de kussens er voor de kont?

Ayah: Kortom…

Hans: Wie of wat is er voor wie of wat en is dat wel de vraag.

Ayah: Bedoel je dat alles met alles samenhangt?

Hans: Dat is ook maar een manier van kijken.

Ayah: Of dat alles één is?

Hans: Dat is ook maar een manier van kijken.

Ayah: Of dat alles leeg is, zonder wezen?

Hans: Dat is ook maar een manier van kijken.

Ayah: Of dat alles op zichzelf bestaat?

Hans: Dat is ook maar een manier van kijken.

Ayah: Volgens mij stelt Jami hier een retorische vraag over goed leiderschap.

Hans: Is de vraag er voor het antwoord of is het antwoord er voor de vraag?

Ayah: Volgens Jami stelt een goed leider zich in dienst van de gemeenschap zoals een goed herder zich in dienst stelt van de kudde.

Hans: Is A er voor B of is B er voor A of zijn A en B er voor elkaar of voor zichzelf of voor C of omgekeerd of staat alles op zichzelf of is alles een of is alles een illusie of alles tegelijk of niets van dat alles of wat?

Ayah: Het lijkt wel algebra.

“Veelzijdigheid is best eenzijdig. Terwijl je op vele manieren eenzijdig kunt zijn.”

Hans: Iedere mogelijkheid vertegenwoordigt slechts één manier van kijken.

Ayah: Inderdaad.

Hans: Deze ook.

Ayah: Wat is dan de waarheid?

Hans: Ook.

Ayah: Bedoel je dat ‘waarheid’ ook maar een manier van kijken is…

Hans: Dat is ook maar een manier van kijken.

Ayah: … of dat er helemaal geen waarheid is?

Hans: Dat is ook maar een manier van kijken.

Ayah: Alles is maar een manier van kijken.

Hans: Dat is ook maar een manier van kijken.

Ayah: Hè?

Hans: Wat?

Ayah: Dat alles maar een manier van kijken is, is ook maar een manier van kijken?

Hans: Of zie jij dat anders?

Ayah: Vind jij dat je altijd alles van alle kanten moet bekijken?

Hans: Bekijk het maar.

Ayah: Hoezo?

Hans: Veelzijdigheid is best eenzijdig.

Ayah: Verdraaid.

Hans: Terwijl je op vele manieren eenzijdig kunt zijn.

Ayah: Dan weet ik het ook niet meer.

Hans: Niet weten is onzijdig.

Koe met een vacht van gras.
Is het gras er voor de koe of is de koe er voor het gras of is de koe van gras of is het gras van koe of wat?

Is de herder er voor de kudde of is de kudde er voor de herder, wat denk jij?

Bekijk jij weleens iets van alle kanten?

Vind jij dat iedereen eigenlijk alles van alle kanten zou moeten bekijken?

Denk jij dat het mogelijk is om alles van alle kanten te bekijken?

Denk jij dat je nog kunt handelen als je alles van alle kanten bekijkt?

Perspectivisme en hyperperspectivisme

Dat het maar net is hoe je het bekijkt, wordt in de filosofie met een mooi woord perspectivisme genoemd.

Dat je het perspectivisme ook op zichzelf kunt betrekken, dat het zelf ook maar een perspectief is, één van de vele manieren van kijken, zou je met een nog mooier woord hyperperspectivisme kunnen noemen.

Hyperperspectivisme is het toppunt én het einde van het perspectivisme. Het slaat overal op, dus het slaat nergens op. Net als hyperscepticisme, dat zelfs de twijfel betwijfelt. Net als niet-weten, dat zelfs niet weet van niet-weten.

Lees ook: De boer die zijn paard verloor.

14 - Soefisme lost op in de soefi

De Wetenschap van de Waarheid lost op in de Kennis van de soefi. Wanneer zal het mensdom dit gezegde eindelijk begrijpen?

Rumi


Hans: Wanneer het mensdom eindelijk dom genoeg is.

Ayah: Het mensdom zal dit gezegde eindelijk begrijpen wanneer het eindelijk dom genoeg is?

Hans: Kun je lang wachten.

Ayah: Denk jij dat de Wetenschap van de Waarheid oplost in de Kennis van de soefi?

Hans: Bij hoge uitzondering, zou ik denken, maar eigenlijk weet ik het niet.

Ayah: En dan?

Hans: Die Kennis nog oplossen, zou ik denken.

Ayah: Dat zal dan wel helemaal uitzonderlijk zijn.

Hans: Of omgekeerd natuurlijk.

Ayah: Eerst de Kennis van de soefi oplossen en dan de Wetenschap van de Waarheid.

Hans: Of allebei tegelijk.

Ayah: Kan het ook in één keer dan?

Hans: Als een derwisj maar dom genoeg is.

Ayah: En dan?

Hans: Zijn soefisme nog oplossen, zou ik denken.

Ayah: Als daar nog wat van over is.

Hans: Er blijft altijd wel wat achter.

Ayah: Maar dan is alles opgelost.

Hans: Zelfs de soefi.

Ayah: Geen wetenschap van de waarheid meer, geen kennis meer, geen soefisme meer en geen soefi meer.

Hans: En geen niet-wetenschap meer, geen niet-waarheid, geen niet-kennis, geen niet-soefisme en geen niet-soefi.

Ayah: De Grote Oplossing.

Hans: Ook opgelost.

Ayah: Grote Verlossing dan.

Hans: Ook daarvan ben je dan verlost.

Ayah: Ik denk niet dat het mensdom dit gezegde ooit zal begrijpen

Hans: Gelukkig is het een kwestie van niet-begrijpen.


Ben jij dom genoeg om te begrijpen dat de Wetenschap van de Waarheid oplost in de Kennis van de soefi?

Ben jij dom genoeg om te begrijpen dat de Kennis van de soefi oplost in de soefi?

Ben jij dom genoeg om te begrijpen dat de soefi oplost in de niet-soefi?

Ben jij dom genoeg om te begrijpen dat de niet-soefi oplost in de Grote Oplossing?

Ben jij dom genoeg om te begrijpen dat de Grote Oplossing oplost in het niets?

Ben jij dom genoeg om te begrijpen dat dit verhaal zelfoplossend is?

Ben jij dom genoeg voor niet-weten?

Draaien als een derwisj 4

Derwisj op een draaitafel, o o wat kijkt hij blij!

15 - Vijf vergrijpen zonder rechtvaardiging

Zelfrechtvaardiging is erger dan het oorspronkelijke vergrijp.

Sjeik Ziaudin


Hans: En oordelen over zelfrechtvaardiging?

Ayah: Ah ja.

Hans: En oordelen over oordelen?

Ayah: Och jee.

Hans: En het oorspronkelijke vergrijp?

Ayah: Poe hé.

Hans: Van kwaad tot erger.

Ayah: Dus zelfrechtvaardiging is erger dan het oorspronkelijke vergrijp, oordelen over zelfrechtvaardiging is erger dan zelfrechtvaardiging, oordelen over oordelen is erger dan oordelen over zelfrechtvaardiging en het oorspronkelijke vergrijp is erger dan oordelen over oordelen?

Hans: Een vicieuze cirkel.

Ayah: Een rondedansje.

Hans: Echt iets voor een derwisj.


Praat jij weleens iets goed?

Praat jij weleens iets fout?

Wat vind jij erger, dat iemand iets heeft misdaan of dat hij het goedpraat?

Denk jij dat iedereen altijd kan kiezen om iets te doen of te laten?

Stel je voor dat kiezen een illusie is. Kun je er dan voor kiezen om er wel of niet in te geloven?

Kun je het iemand dan nog kwalijk nemen als hij iets verkeerd doet?

Kun je het iemand dan nog kwalijk nemen als hij zichzelf rechtvaardigt?

Kun je het jezelf dan nog kwalijk nemen als je dat veroordeelt?

Maakt het wat uit?

16 - Mensbeelden voor beeldmensen

Maar dit is een oud verhaal dat je vertelt, zeggen sommigen. Maar dit is toch een nieuw verhaal dat je vertelt, zeggen anderen. Vertel het nog eens, zeggen weer anderen. Of, niet nog een keer vertellen, zeggen ze. Of, maar zo werd het vroeger niet verteld.

En dit, dit is ons volk, Derwisj Baba, dit is de mens.

Naqshband


Hans: Zegt Derwish Naqshband.

Ayah: Wat?

Hans: En dit, dit is niet ons volk, zeggen anderen. Dit is niet de mens, zeggen weer anderen. Dit is niet de soefi, zegt de soefi. De soefi is ook maar een mens, zegt de mens. Ieder mens is een derwisj, zegt de derwisj.

Ayah: Maar wie heeft er nou gelijk?

Hans: Niemand heeft gelijk, zegt iemand. Ik heb gelijk, zegt een ander. Ik niet, zeggen sommigen. Wij ook, zeggen anderen. Iedereen heeft gelijk, zegt een enkeling. Maar niet allemaal tegelijk, zegt de meerderheid. En allemaal tegelijk, zegt een uitzondering. Ik zeg niets, zegt bijna niemand, ook al omdat hij dan toch weer iets zegt.

Ayah: En dit, dit is ons volk, Hans. Dit is de mens.

Hans: Jij zegt het.


Wat is de mens volgens jou?

Hoe is ons volk volgens jou?

Is het een nieuw verhaal dat jij vertelt?

Is het een oud verhaal dat ik vertel?

Is het een verhaal dat ik vertel?

Denk jij dat er één definitief verhaal over de mens te vertellen is?

Zou je het fijn vinden als er maar één definitief verhaal over de mens te vertellen zou zijn? Waarom (niet)?

17 - De weg uit de middenweg is de weg uit de uitweg

We wonen niet in het oosten of westen, we studeren niet in het noorden en we onderwijzen niet in het zuiden.

Al-Lahi


Hans: Noch houden wij het midden.

Ayah: Hè?

Hans: Wat?

Ayah: Volgens mij bedoelt Al-Lahi dat Waarheid niet aan tijd of plaats gebonden is.

Hans: God verhoede.

Ayah: Hoezo?

Hans: Dan zit je er voor altijd aan vast.

Ayah: Het einde van de relativiteit.

Hans: Het einde van het vrije denken en spreken.

Ayah: Waarom zou je iets anders willen denken en spreken dan de absolute waarheid?

Hans: De absolute waarheid duldt absoluut geen tegenspraak.

Ayah: Tenzij vrij denken en vrij spreken verankerd liggen in de absolute waarheid.

Hans: Dan zit je daar weer aan vast.

Ayah: Hoezo?

Hans: Vanwege dat anker.

Ayah: Jij bent meer van absolute vrijheid.

Hans: Dan zit je daar weer in vast.

Ayah: Hoezo?

Hans: Dan mag je nooit meer gebonden zijn.

Ayah: Misschien verwijst Al-Lahi alleen maar naar de Gulden Middenweg.

Hans: Ik hou het op de Gulden Uitweg.

Ayah: Wat is de Gulden Uitweg?

Hans: Dat hangt ervan af.

Ayah: Waarvan af?

Hans: Van waar je bent.

Ayah: Waar je ook bent, dat is je vertrekpunt.

Hans: Daar zou ik maar niet van uitgaan.

Ayah: Ik zou niet weten waar ik anders van uit moest gaan.

Hans: Dan is dat je vertrekpunt.

Ayah: Want ‘we wonen niet in het oosten of westen, we studeren niet in het noorden en we onderwijzen niet in het zuiden.’

Hans: Noch houden wij het midden.

Ayah: Niet langer zijn wij gekluisterd aan het relatieve.

Hans: Noch sluiten wij ons op in het absolute.

“Niet langer zijn we gekluisterd aan het relatieve, noch sluiten wij ons op in het absolute.”

Ayah: Wij volgen de Gulden Uitweg.

Hans: Weg uit de Gulden Uitweg.

Ayah: De Gulden Uitweg leidt ook uit de Gulden Uitweg?

Hans: Welke Gulden Uitweg?

Ayah: Hoe is het om overal uit te zijn?

Hans: Daar ben je dan helemaal weg van.

Ayah: Wat als we iedere weg verlaten?

Hans: Dan zijn we waar we zijn en doen daar wat we doen.

Ayah: Wat als we onze Weg vervolgen?

Hans: Ook.

Ayah: Wat maakt het dan uit?

Hans: Als je het mij vraagt niets.

Ayah: Waarom noem je het dan de Gulden Uitweg?

Hans: Daarom noem ik het de Gulden Uitweg.

Ruimtekompas met ronddraaiende wijzer.
We wonen niet in het oosten of westen, we studeren niet in het noorden, we onderwijzen niet in het zuiden noch houden wij het midden.

Komt jouw wijsheid uit het oosten of het westen?

Houd jij liever het midden of zoek je de uitersten op?

Heb je het gevoel dat je ergens weg moet of dat je ergens heen moet?

Ga jij liever de weg of weg van de weg?

Denk jij dat er universele waarheid of wijsheid is?

Vind jij dat je anders moet leven?

Vind jij dat iedereen moet leven zoals jij leeft of zou willen leven of zou moeten leven?

18 - Groeten aan Kant uit het onverstand

Ga over van tijd en plaats naar tijdloosheid en plaatsloosheid – naar andere werelden. Daar ligt onze oorsprong.

Samarqandi Amini


Hans: ‘Overgaan’ behoort tot het domein van tijd en plaats. ‘Andere werelden’ behoort tot het domein van tijd en plaats. ‘Oorsprong’ behoort tot het domein van tijd en plaats.

Ayah: Waar kunnen wij tijdloosheid en plaatsloosheid vinden?

Hans: ‘Waar’ behoort tot het domein van tijd en plaats. ‘Vinden’ behoort tot het domein van tijd en plaats.

Ayah: Verwijs je met deze opmerkingen indirect naar het domein van tijdloosheid en plaatsloosheid?

Hans: ‘Verwijzen’ behoort tot het domein van tijd en plaats.

Ayah: Wat moet ik me dan voorstellen bij tijdloosheid en plaatsloosheid?

“Het onbekende is bekend terrein. Voor iedereen. Van je eerste hartslag tot je laatste.”

Hans: ‘Tijdloosheid’ en ‘plaatsloosheid’ behoren tot het domein van de voorstelling.

Ayah: Verwijs je hiermee naar het domein van het onvoorstelbare?

Hans: ‘Het onvoorstelbare’ behoort tot het domein van het voorstelbare.

Ayah: Bedoel je dat we nooit uit de categorieën van het verstand kunnen breken?

Hans: Immanuel Kant is een categorie van je verstand.

Ayah: Ik krijg hier een heel unheimisch gevoel van.

Hans: Miesj?

Ayah: Ongemakkelijk. Op onbekend terrein.

Hans: Alsof je ooit ergens anders geweest bent.

Ayah: Jij voelt je daar wel thuis?

Hans: Ik ben er kind aan huis. Of ik wil of niet. Het is bekend terrein.

Ayah: Voor jou misschien.

Hans: Voor iedereen. Van je eerste hartslag tot je laatste.

Ayah: Maar waar ligt dan onze oorsprong?

Hans: Daar ligt dan onze oorsprong.

Ayah: Maar waar ligt dan onze bestemming?

Hans: Daar ligt dan onze bestemming.

Ayah: Maar waar zijn we dan nu?

Hans: Daar zijn we dan nu.

Ayah: Ga over van het bekende naar het onbekende – naar andere werelden.

Hans: Je hoeft niet over te gaan naar andere werelden. Je bent er al. Je bent er nooit weggeweest.


Waar denk jij dat je vandaan komt?

Waar denk jij dat je bent?

Waar denk jij dat je heen gaat?

Hoeveel werelden zijn er volgens jou?

Bestaan die werelden buiten elkaar of buiten jou of in elkaar of in jou of naast elkaar of na elkaar of wat?

Stel je voor dat je ergens bent waar geen ingang, geen doorgang en geen uitgang is, geen buiten, geen binnen en geen overgang. Hoe voelt dat?

Wat lijkt jou fijner, dat je eindelijk weet hoe het zit of dat je eindelijk niet meer weet hoe het zit of dat je eindelijk weet hoe het niet zit of dat je eindelijk weet dat je het niet meer weet of wat?

19 - Hoelang duurt het heden?

Uren maken jonge mensen oud. Alle verandering komt voort uit de uren. Wie bevrijd is van uren, is vrij van verandering. Als je een uur lang kunt ontsnappen aan de uren, komen alle samenhangen in een ander licht te staan. Je raakt vertrouwd met wat oorzaak en gevolg te boven gaat.

Uren hebben geen weet van het tijdloze. Wie bezeten is van de tijd, kan het tijdloze enkel bereiken door verbijstering.

Rumi


Hans: En wie bezeten is van het tijdloze?

Ayah: Nou?

Hans: Die kan het loze enkel bereiken door verbijstering.

Ayah: Dat snap ik niet.

Hans: Wie bezeten is van het tijdelijke, zit daarin vast.

Ayah: Dat snap ik.

Hans: Daaraan ontsnap je volgens Rumi door verbijstering.

Ayah: Dan val je uit het tijdelijke.

Hans: Een kwestie van ont-snappen. Niet-begrijpen.

Ayah: Dan ben je het spoor bijster.

Hans: Wie bezeten is van het tijdloze, zit net zo goed vast.

Ayah: In absolutisme.

Hans: Daaraan ontsnap je eveneens door verbijstering.

Ayah: Dan val je ook nog uit het eeuwige.

Hans: Dan val je vrij.

Ayah: Maar hoe kom je tot verbijstering?

Hans: Door jezelf voor je kop te slaan?

Ayah: Hoe stom kun je zijn.

Hans: Je kunt niet stom genoeg zijn.

Ayah: Zelf stel ik liever vragen.

Hans: Ga je gang.

Ayah: Wat is tijd?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Ayah: Wat krijg je dan te horen, bijvoorbeeld?

Hans: Dat tijd lineair is, bijvoorbeeld.

Ayah: Verleden, heden, toekomst.

Hans: Of dat tijd circulair is.

Ayah: De kringloop van de etmalen en de seizoenen.

Hans: Wedergeboortes.

Ayah: Het wiel van samsara.

Hans: Of dat tijd absoluut is.

Ayah: Isaac Newton.

Hans: Dat tijd relatief is.

Ayah: Albert Einstein.

Hans: Dat tijd een categorie van het verstand is.

Ayah: Immanuel Kant.

Hans: Dat tijd de ervaring van duur is.

Ayah: Henri Bergson.

Hans: Dat tijd de zin van zijn is.

Ayah: Martin Heidegger.

Hans: Enzovoort.

Ayah: Volgens mij leven wij in een eeuwig heden.

Hans: Zie je wel?

Ayah: Wat?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Ayah: Herinneringen heb je nu, verwachtingen heb je nu.

Hans: Zie je wel?

Ayah: Wat is er mis met het eeuwige heden?

Hans: Wat is een heden zonder toekomst of verleden?

Ayah: Wat je op dit moment ervaart. Dit gesprek. Deze muziek.

Hans: Zou je dit gesprek, deze muziek ervaren als je alleen maar de huidige klank kon horen?

Ayah: Hm.

Hans: Nou?

Ayah: Dan hoorde je alleen maar ‘ploink’, lijkt mij.

Hans: Zelfs ‘ploink’ heeft nog een duur van een tel of zo. Hoelang duurt het heden als je helemaal afziet van het verleden en de toekomst?

Ayah: Nul seconden. Geen duur.

“Dat komt er nou van als je de tijd onderzoekt. De ene tegenspraak na de andere.”

Hans: Hoe klinkt een ploink zonder duur?

Ayah: …

Hans: Wat kan er volgens jou gebeuren in nul seconden?

Ayah: Niets.

Hans: Is het heden volgens jou gebeurtenisloos?

Ayah: Absurd.

Hans: In een eeuwig heden zonder toekomst of verleden kan bij gebrek aan tijd niets gebeuren.

Ayah: Dat had ik me niet gerealiseerd.

Hans: Als we Parmenides tenminste mogen geloven.

Ayah: O ja, de paradoxen van Zeno.

Hans: Dat komt er nou van van als je de tijd onderzoekt.

Ayah: Wat komt er nou van als je de tijd onderzoekt?

Hans: De ene theorie na de andere.

Ayah: De ene tegenspraak na de andere.

Hans: De ene stoplap na de andere.

Ayah: Tot je kop uit elkaar barst.

Hans: En alles voortijdig tot stilstand komt.

Ayah: Wat moeten we dan?

Hans: De tijd de ruimte geven.

Ayah: Bedoel je de tijdruimte?

Hans: Hem niet langer proberen te vangen, bedoel ik.

Ayah: Wat als je de tijd niet meer probeert te vangen?

Hans: Dan hoef je hem ook niet meer vrij te laten.

Ayah: Misschien is alles wel een illusie. Zowel de tijd als het eeuwige heden.

Hans: Daar ga je alweer.

Ayah: Maya.

Hans: Zie je wel?

Ayah: Wat?

Hans: Het ene verhaal na het andere.

Ayah: Wat als je geen volgend verhaal verzint?

Hans: Dan val je uit het vorige.

Ayah: Waarin?

Hans: Nergens in.

Ayah: Het loze, zei je toch?

Hans: Dat was maar een wijze van spreken.

Ayah: En dan is er alleen nog verbijstering?

Hans: En dan is er ook geen verbijstering meer.

Ayah: Hè?

Hans: Verbijsterend, nietwaar?

Ayah: Zijn uren dan weer uren?

Hans: Je raakt ze almaar kwijt.

Ayah: Ze duren zonder duren.

Hans: En weten niet van tijd.

Bovenaanzicht van dansende derwisj, zijn uitwaaiende rok met de cijfers 1-12 langs de rand fungeert als wijzerplaat, zijn armen als wijzers.
In een eeuwig heden (is het altijd tien voor drie).

Ben jij bezeten van de tijd?

Welke theorie over de tijd spreekt jou aan?

Ben jij bezeten van het tijdloze?

Geloof jij in het absolute?

Geloof jij in het eeuwige heden?

Stel je voor dat de dood het einde is. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat er nooit een einde komt aan je bestaan. Hoe voelt dat?

20 - Ben jij verslaafd aan je hersenspinsels?

De filosoof is de slaaf van zijn hersenspinsels, de heilige berijdt in zijn zuiverheid het Intellect van het intellect als een prins. Het Intellect van het intellect is het koren, het intellect enkel het kaf.

De buik van het dier blijft zoeken naar het kaf. Het intellect pent hele boeken vol. Het Intellect van het intellect vult het heelal met het licht van de maan van de werkelijkheid.

Rumi


Hans: Als er iemand boeken vol heeft gepend is het Rumi wel.

Ayah: Is de filosoof inderdaad de slaaf van zijn hersenspinsels?

Hans: Dé filosoof is een hersenspinsel. Die bestaat helemaal niet, behalve als idee.

Ayah: Jij gelooft niet dat iedere filosoof de slaaf is van zijn hersenspinsels?

Hans: Ik heb moeite met universele uitspraken. Ik vraag me af of het Intellect van het intellect niets beters te doen heeft.

Ayah: Denk jij dat er filosofen zijn die al hun hersenspinsels doorzien?

Hans: Inclusief de gedachte dat ze al hun hersenspinsels doorzien.

Ayah: Benijdenswaardig.

Hans: Inclusief de gedachte dat ze daarom benijdenswaardig of betreurenswaardig zijn.

Ayah: Is iemand die al zijn hersenspinsels doorziet eigenlijk nog wel een filosoof?

Hans: Alleen in de ogen van anderen, zou ik denken.

Ayah: En in haar eigen ogen?

Hans: Een filasoof, zou ik zeggen.

Ayah: Een filásoof?

Hans: Een liefhebber van niet-wijsheid.*

Ayah: Ben jij ook zo iemand die al zijn hersenspinsels doorziet?

Hans: Zodra ik dat geloof, ben ik het niet meer.

Ayah: Is de heilige volgens jou de meester van zijn hersenspinsels, zoals Rumi stelt?

Hans: Tenzij dat ook een hersenspinsel is.

Ayah: Het zou me verbazen als een heilige zijn hersenspinsels niet doorziet.

Hans: Misschien is ‘heilig’ ook wel een hersenspinsel.

Ayah: De heilige bestaat niet, wou je zeggen.

Hans: Een heilige misschien ook niet.

Ayah: Heiligen bestaan niet.

Hans: Tenzij dat ook een hersenspinsel is.

Ayah: We zijn allemaal maar mensen.

Hans: Maar wat is een mens.

Ayah: Geen hersenspinsel.

Hans: Vol hersenspinsels.

Ayah: Een mens is geen hersenspinsel vol hersenspinsels?

Hans: Moet je horen wat je zegt.

“Mensen die de waarheid claimen, spreken elkaar voortdurend tegen, dus kan het nooit allemaal waar zijn.”

Ayah: Hoe kom ik erachter of het Intellect van het intellect inderdaad het koren is?

Hans: Zoals je erachter komt of iemand de slaaf is van zijn hersenspinsels.

Ayah: Namelijk?

Hans: Door met hem te praten.

Ayah: En als hij dood is, zoals Rumi?

Hans: Dan sla je zijn nagelaten woorden erop na.

Ayah: Wat ontdek je dan?

Hans: Wat iedereen ontdekt die zich in andermans geschriften verdiept.

Ayah: Namelijk?

Hans: Je eigen hersenspinsels.

Ayah: Wat voor eigen hersenspinsels heb jij al lezende ontdekt?

Hans: Dat mensen zichzelf voortdurend tegenspreken bijvoorbeeld. Ik ook.

Ayah: Ah ja.

Hans: Zoals ze elkaar voortdurend tegenspreken. Ik ook.

Ayah: Dus kan het nooit allemaal waar zijn, wou je zeggen.

Hans: Of waarheid moest uit tegenspraken bestaan. In tegenspraken. In tegenspreken.

Ayah: Bestaat waarheid uit of in tegenspraken of tegenspreken?

Hans: Dat zou ik dan meteen moeten tegenspreken.

Ayah: Wat is eigenlijk het Intellect van het intellect?

Hans: Voor Rumi of voor mij?

Ayah: Voor Rumi.

Hans: Dat weet ik niet. Ik ken alleen mijn eigen hersenspinsels over Rumi.

Ayah: Voor Rumi volgens jou.

Hans: Een intellect dat zich superieur waant.

Ayah: Nou nou.

Hans: Een intellect dat in naam der eenheid onderscheid maakt tussen heilige en gewone mensen, meesters en leerlingen, koren en kaf, zuiverheid en onzuiverheid, werkelijkheid en droom, wijzen en dwazen.

Ayah: Verdraaid.

Hans: Om zich meteen daarop onbeschaamd te vereenzelvigen met heiligen, meesters, koren, zuiverheid, werkelijkheid en wijsheid.

Ayah: Wat is het Intellect van het intellect volgens jou?

Hans: Een onbenullig stukje van het gewone intellect.

Ayah: Waarin onderscheidt het zich van de rest van het intellect?

Hans: In dat het wél in de spiegel durft te kijken.

Ayah: Waar zit het eigenlijk?

Hans: Midden tussen je frontaalkwabben, vlak boven je ogen.

Ayah: Dat moet haast wel het derde oog zijn.

Hans: Het is een wormvormig aanhangsel zo groot als je kittelaar.

“Een denken dat zichzelf kent is een denken dat zijn plaats kent.”

Ayah: Wat doet het precies?

Hans: Kittelen. Nooit gemerkt?

Ayah: Wat kittelen?

Hans: Het intellect kittelen.

Ayah: Waarom zou het?

Hans: Om het aan het lachen te krijgen.

Ayah: Waarom zou het intellect dan moeten lachen?

Hans: Om zichzelf natuurlijk.

Ayah: En wat is het intellect met een kleine letter volgens jou?

Hans: Een wormvormig aanhangsel van je kittelaar.

Ayah: Hè?

Hans: Wat?

Ayah: Het Intellect was toch juist een wormvormig aanhangsel van het intellect?

Hans: Een hersenspinsel dan maar.

Ayah: Nou moe.

Hans: Tenzij dat ook een hersenspinsel is.

Ayah: Maar dan is het Intellect van het intellect toch ook een hersenspinsel?

Hans: Voor mij is het een metafoor.

Ayah: Waarvoor?

Hans: Voor een denken dat zichzelf heeft verkend. Een denken dat zichzelf kent.

Ayah: Wat is een denken dat zichzelf kent?

Hans: Een denken dat zichzelf doorziet.

Ayah: Wat is een denken dat zichzelf doorziet?

Hans: Een denken dat zijn plaats kent.

Ayah: Wat als het denken zijn plaats kent?

Hans: Niet-weten.

“Als je niet meer weet is de droom werkelijkheid. Dan is de werkelijkheid geen schaduw meer van zichzelf.”

Ayah: Wat is niet weten?

Hans: De buik van het dier.

Ayah: De onderbuik?

Hans: Van mond tot kont.

Ayah: Een meter of tien.

Hans: Gevuld met stront.

Ayah: Wat als je niet meer weet?

Hans: Dan eet je het kaf met het koren.

Ayah: Dan krijg je nooit meer honger?

Hans: Dan raak je nooit meer verstopt.

Ayah: Dan vult het heelal zich met het licht van de maan van de werkelijkheid?

Hans: Dan is de droom werkelijkheid.

Ayah: En dan?

Hans: Is de werkelijkheid geen schaduw meer van zichzelf.

* Fil-a-sofie, afgeleid van het Griekse fileo, liefhebben, a, niet en sofia, wijsheid. Ik gebruik ook weleens het woord asofie, niet-wijsheid, als synoniem voor niet-weten. Verandering van spijs doet eten. Je mag het zo weer vergeten.


Ben jij een filosoof?

Moet jij weleens lachen om je eigen gedachten?

Geloof jij in heiligen, meesters, zuiverheid, wijsheid?

Wat spreekt altijd de waarheid, je mond of je kont?

Met welk lichaamsdeel gaf je antwoord op de vorige vraag?

Draaien als een derwisj 5

Silhouet van een derwisj tegen de achtergrond van een volle maan. In het silhouet zijn sterren te zien.

21 - Een derwisj die er niet omheen draait

Is het tijd voor stilte, dan stilte. Is het tijd voor gezelligheid, dan gezelligheid. Is het tijd om te streven, streef dan. In de tijd en op de plaats van wat dan ook, wat dan ook.

Derwisj


Hans: Eindelijk een derwisj die er niet omheen draait.

Ayah: Volgens mij bedoelt Derwisj dat je altijd met de stroom mee moet gaan.

Hans: Is het tijd om met de stroom mee te gaan, dan meegaan. Is het tijd om ertegenin te gaan, dan ertegenin gaan.

Ayah: Dat je het leven volledig moet omarmen, bedoel ik.

Hans: Is het tijd om het leven te omarmen, dan omarmen. Is het tijd om het leven af te weren, dan afweren.

“Is het tijd om met de stroom mee te gaan, dan meegaan. Is het tijd om ertegenin te gaan, dan ertegenin gaan.”

Ayah: De opdracht waarvoor wij staan is ons te verzoenen met de werkelijkheid, wat er ook komt.

Hans: Is het tijd om je te verzoenen met de werkelijkheid, dan verzoenen. Is het tijd om ten strijde te trekken tegen de werkelijkheid…

Ayah: Gewoon niet meer oordelen, dat is alles.

Hans: Wou je soms dood?

Ayah: Ik verwijs naar niet-weten Hans, daar kun jij toch geen bezwaar tegen hebben?

Hans: Is het tijd om te weten, dan weten. Is het tijd om niet te weten, dan niet-weten.

Ayah: Wat je ook doet, doe het met volledige overgave, wou je zeggen.

Hans: Is het tijd voor volledige overgave, dan volledige overgave. Is het tijd voor reserve, dan reserve.

Ayah: Wat je ook doet, hoe je het ook doet, het is altijd goed?

Hans: Is het tijd voor fouten…

Ayah: Ik begin zo langzamerhand mijn geduld met je te verliezen.

Hans: Het werd een keer tijd.

“Is het tijd om te weten, dan weten. Is het tijd om niet te weten, dan niet-weten.”

Ayah: Hoe moet ik het dan zeggen?

Hans: Wat zeggen?

Ayah: Ik bedoel, wat heb je eraan?

Hans: Moet je dan overal wat aan hebben?

Ayah: Dit geeft toch helemaal geen houvast?

Hans: Is het tijd voor houvast…

Ayah: Ik geef het op.

Hans: Is het tijd voor…

Ayah: Het volgende citaat, dan het volgende citaat.


Ga jij altijd mee met de stroom? Wat als er ook dwarsstromen en onderstromen en tegenstromen zijn? Wat als je in een maalstroom terechtkomt?

Oordeel jij? Veroordeel jij het oordelen? Ken jij iemand die nooit oordeelt en zo ja, leeft hij nog?

Kun jij je overal mee verzoenen? Kun jij je verzoenen met je onverzoenlijkheid?

Geef jij je overal volledig aan over? Kun jij je volledig overgeven aan je verzet? Kun jij je volledig overgeven aan je verzet tegen je verzet?

22 - Er is een tijd voor Prediker en een tijd voor Derwisj

Voor alles is er een vastgestelde tijd en er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.

Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te trekken.

Er is een tijd om te doden en een tijd om te genezen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen.

Er is een tijd om te huilen en een tijd om te lachen, een tijd om te rouwen en een tijd om te dansen.

Er is een tijd om stenen te verzamelen en een tijd om stenen te gooien, een tijd om te omhelzen en een tijd om afstand te bewaren.

Er is een tijd om te vinden en een tijd om te verliezen, een tijd om te bewaren en een tijd om te verspillen.

Er is een tijd om te breken en een tijd om te maken, een tijd om te spreken en een tijd om te zwijgen.

Er is een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten, een tijd van oorlog en een tijd van vrede.

Prediker*


Hans: Komt me bekend voor.

Ayah: Het is een citaat uit het Oude Testament.

Hans: Soefisme avant la lettre.

Ayah: Volgens mij komt Prediker 3 op hetzelfde neer als het citaat van Derwisj in ons vorige gesprek.

Hans: Namelijk?

Ayah: Dat er een tijd is voor gezelligheid en een tijd voor stilte, en dat je die twee niet moet verwarren.

Hans: Jij liever dan ik.

Ayah: Hoezo?

Hans: Dan moet je je de hele tijd afvragen of het ergens tijd voor is.

Ayah: Daar gaat dit over.

Hans: Dat maak jij ervan.

Ayah: Wat maak jij ervan?

Hans: Voor mij gaat Prediker over timing en Derwisj over gelatenheid.

Ayah: In concreto?

Hans: Volgens Prediker is er een tijd om te zaaien en een tijd om te oogsten. Volgens Derwisj zaai je als je zaait en oogst je als je oogst.

Ayah: Derwisj zegt anders niets over zaaien en oogsten.

Hans: ‘In welke tijd en op welke plaats, wat dan ook.’

Ayah: Dus?

Hans: Als je zaait, dan zaaien – zelfs in oogsttijd. Als je oogst, dan oogsten – zelfs in zaaitijd.

Ayah: Dan gaat je zaad verloren.

Hans: Dan oogst je wind.

Ayah: Dan lijd je honger.

Hans: Dan ga je dood.

Ayah: Noem dat maar wijsheid.

Hans: Feiten zijn feiten.

Ayah: Maar waarom zou je je zaaien en oogsten op het verkeerde tijdstip?

Hans: Omdat.

Ayah: Omdat wat?

Hans: Omdat wat dan ook.

Ayah: Bijvoorbeeld?

Hans: Omdat je dood wilt.

Ayah: En als je wilt leven?

Hans: Omdat je af wilt vallen.

Ayah: En als je aan wilt komen?

Hans: Omdat de koning het bevolen heeft.

Ayah: En als de koning niks bevolen heeft?

Hans: Omdat er geen seizoenen zijn.

Ayah: En als er wel seizoenen zijn?

Hans: Omdat je onder glas teelt.

Ayah: En als je in de volle grond teelt?

Hans: Omdat het wintergroenten zijn.

Ayah: En als het zomergroenten zijn?

Hans: Omdat je het juiste tijdstip niet kent.

Ayah: En als je het juiste tijdstip wel kent?

Hans: Omdat je avontuurlijk bent ingesteld.

Ayah: En als je behoudend bent?

Hans: Omdat je het niet kunt laten.

Ayah: En als je het toch kon laten?

Hans: Dan kon je het niet doen.

Ayah: Hoe weet je dat?

Hans: Omdat je het niet deed.

Ayah: En dat zou Derwisj bedoeld hebben?

Hans: Alleen als het tijd is voor interpretaties.

Ayah: Volgens mij hou jij meer van Derwisj dan van Prediker.

Hans: Er is een tijd om te preken en er is een tijd om te dansen.

* Parafrase HvD.

Klok met een heleboel wijzers.
Er is een tijd voor alles en het is altijd tijd.

Wat spreekt jou meer aan, Prediker of Derwisj?

Heb jij overal een reden voor, en voor elke reden een reden?

Heb jij tijd om vragen te beantwoorden of lees je alleen maar?

Heb jij tijd om vragen te stellen?

Wil jij weleens dood?

Is er volgens jou een tijd om te leven en een tijd om te sterven of leef je als je leeft en sterf je als je sterft?

23 - Niet-weten is een dooie mus

Betreur het verleden niet en maak u geen zorgen over de toekomst.

Dhun-Nun


Hans: Treuren als er treuren is, zorgen als er zorgen zijn.

Ayah: Daar heb je Derwisj weer.

Hans: Napraten als er napraten is.

Ayah: Volgens mij bedoelt Dhun-Nun dat verleden en toekomst alleen maar gedachten zijn in het Eeuwige Heden.

Hans: Daar heb je het eeuwige heden weer.

Ayah: Ga maar na. Het verleden is niet meer, de toekomst is nog niet.

Hans: Relativeren als er relativeren is.

Ayah: Het is geen relativering, het is de Realiteit.

Hans: Maar is het ook jouw realiteit?

Ayah: Dat probeer ik mezelf wijs te maken.

Hans: Dat dacht ik al.

Ayah: Wat zou jij zeggen?

Hans: Betreur het betreuren van het verleden niet en maak je geen zorgen over je zorgen voor morgen.

Ayah: En als je dat toch doet?

Hans: Heb je het weer over jezelf?

Ayah: Doorzichtig, hè?

Hans: Betreur het betreuren van het betreuren van het verleden niet en maak je geen zorgen over je zorgen over je zorgen van morgen.

Ayah: Geen centje pijn.

Hans: Hoe zeer het ook doet.

“Betreur het betreuren van het verleden niet en maak je geen zorgen over je zorgen voor morgen.”

Ayah: Maar dan helpt het toch niks?

Hans: Maar dan geeft het toch niks?

Ayah: En als het toch nog wat geeft?

Hans: Dan geeft dat weer niks.

Ayah: Op een of andere manier voel ik me nu geweldig opgelucht.

Hans: Blij met een dooie mus.

Ayah: Dat kan dus.

Hans: Maar?

Ayah: Ik voel me ook geweldig teleurgesteld.

Hans: Gemengde gevoelens horen bij niet-weten.

Ayah: Maar ik wil helemaal geen gemengde gevoelens!

Hans: Geeft niks.

Ayah: Ik wil alleen maar goede gevoelens!

Hans: Geeft niks.

Ayah: Al met al is die vingerwijzing van Dhun-Nun maar flauwekul.

Hans: Al met al zijn mijn vingerwijzingen ook maar flauwekul.

Ayah: Wijzen als er wijzen is, zullen we maar zeggen.

Hans: Wijzen is geen wijsheid, zou ik zeggen.

Ayah: Wat is wel wijsheid?

Hans: Door de vingers zien?

Ayah: Wat door de vingers zien?

Hans: Tussen je vingers door kijken, bedoel ik.

Ayah: Door de bomen het bos zien, bedoel je.

Hans: Door de bomen zien, bedoel ik.

Ayah: Maar wat zie je dan?

Hans: Dat je aldoor wat wilt zien.

Ayah: En als je dat dan hebt gezien?

Hans: Dat je dan wéér denkt dat je het ziet.

Ayah: Maar wat je denkt dat is het niet?

Hans: Komt er een einde aan dit lied?

Ayah: Is dit al wijsheid of is het nog steeds een vingerwijzing?

Hans: Het is een dooie mus.

“Wijsheid is zien dat je aldoor wat wilt zien.”


Vind jij dat je het verleden niet moet betreuren en dat je je geen zorgen moet maken over de toekomst?

Trekt jouw gevoel zich ooit iets aan van je meningen?

Wat is jouw mening daarover?

Vind jij dat je het verleden niet moet bejubelen en dat je je niet moet verheugen op de toekomst?

Trekken jouw meningen zich ooit iets aan van je gevoel?

Als je gevoel zich niets aantrekt van jouw meningen, is het dan wel van jou?

Als je meningen zich niets aantrekken van je gevoel, zijn ze dan wel van jou?

Heb jij het verleden en de toekomst al doorzien?

Heb je het heden al doorzien?

Heb je het doorzien al doorzien?

Kun jij blij zijn met een dooie mus?

Draaien als een derwisj 6

Zwarte tangramderwisj op een witte achtergrond en een witte tangramderwisj op een zwarte achtergrond.

24 - Een bord plaatsen om het weg te kunnen halen

We brengen een tijd op een plek door. Plaats geen bord om die plek aan te duiden. Neem liever van de dingen die aan die plek vastzitten zolang ze er nog zijn.

Dehlavi


Hans: Is het tijd is om te nemen van de dingen die aan een plek vastzitten, dan ervan nemen. Is het tijd om een bord te plaatsen om die plek aan te duiden, dan een bord plaatsen.

Ayah: Volgens mij doelt Dehlavi op onthechting als de uiteindelijke bestemming van de soefi.

Hans: Je hebt zojuist een bord geplaatst om die plek aan te duiden.

Ayah: Wat is volgens jou de uiteindelijke bestemming van de soefi?

Hans: Dezelfde als die van iedereen.

Ayah: Te weten?

Hans: Tijd doorbrengen op een plek.

Ayah: Bedoel je dat er geen uiteindelijke bestemming is?

Hans: Wel voor degenen die daarin geloven en eraan hechten.

Ayah: Maar eigenlijk niet?

Hans: Wat ben ik, een nihilist?

Ayah: Volgens mij gaat het erom overal van te onthechten.

Hans: In ieder geval voor degenen die dat geloven en eraan hechten.

Ayah: En voor anderen?

Hans: Die nemen van de dingen die aan een plek vastzitten zolang ze er nog zijn of ze plaatsen een bord om die plek aan te duiden of beide of geen van beide.

“Spiritualiteit is geen plek waar je verblijft, geen toestand waarin je verkeert. Het is beweeglijkheid, lichtvoetigheid.”

Ayah: Jij hebt toch ook een bord geplaatst om die plek aan te duiden?

Hans: Ik heb een bord geplaatst om het weg te kunnen halen.

Ayah: En dat steeds weer.

Hans: Spiritualiteit is voor mij geen plek waar je verblijft, geen toestand waarin je verkeert. Het is beweeglijkheid, lichtvoetigheid.

Ayah: Hoe heet jouw bord?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Ayah: Het Lege Bord?

Hans: Daar kun je niet van eten.

Ayah: Zou je niet liever nemen van de dingen die aan die plek vastzitten?

Hans: Mijn bord is een van die dingen.

Driehoekig waarschuwingsbord midden op zee met daarin het silhouet van een dansende derwisj.
“Plaats geen bord om die plek aan te duiden.”

Geloof jij in onthechting?

Wat hoop je daarmee te bereiken?

Hecht je eraan?

Heb jij een bord geplaatst om jouw plek aan te duiden?

Is dat een bord voor je kop?

Kan je kop ook zonder bord of word je dan gek?

Word je weleens gek van je bord?

25 - Wie mij wil vernietigen zal ik helpen

U kunt ons niet vernietigen als u tegen ons bent. Maar u kunt het ons moeilijk maken zelfs als u denkt dat u ons helpt.

Baudani


Hans: Wie mij wil vernietigen zal ik helpen.

Ayah: Waarom?

Hans: Ik sta toch alleen maar in de weg.

Ayah: En wie zichzelf wil vernietigen?

Hans: Die helpt zichzelf.

Ayah: Waarom?

Hans: Hij staat toch alleen maar in de weg.

Ayah: En wie zichzelf heeft vernietigd?

Hans: Die staat vanzelf weer op.

Ayah: En wie vanzelf is opgestaan?

Hans: Die staat eindelijk op eigen benen.

Ayah: En wie eindelijk op eigen benen staat?

Hans: Die hoeft nergens meer heen.

Ayah: En dan?

Hans: Staat er nooit meer iemand in de weg.

“Als je nergens heen hoeft, staat er nooit meer iemand in de weg.”

Ayah: Wat heb je eraan dat er niemand meer in de weg staat als je nergens meer heen hoeft?

Hans: Dan ben je vrij om te gaan en te staan waar je wilt.

Ayah: Hm.

Hans: Wat?

Ayah: Denk je dat dit mij helpt?

Hans: Dat weet ik niet.

Ayah: Aan jou heb je ook niks.

Hans: Ik kan het je alleen maar moeilijk maken.

Derwisj op een boomstammetje in plaats van benen; uit zijn hoed groeit een tak met een blaadje.
Wie niet op eigen benen staat, gaat nergens heen.

Moet jij ergens heen?

Wie staat jou in de weg?

Wie sta jij in de weg?

Maak jij het jezelf weleens moeilijk?

Van wie zijn jouw benen?

26 - Wie God zoekt moet God vergeten

Uwais el-Qarni zei tegen enkele bezoekers, ‘Zoekt u God? Zo ja, waarom bent u dan bij mij gekomen?’ De bezoekers méénden alleen dat ze God zochten. Hun aanwezigheid en uitstralingen verrieden hen. ‘Zo niet,’ vervolgde Uwais, ‘wat hebt u dan met mij uitstaande?’ Omdat het mannen van het verstand en van het gevoel waren, konden ze hem niet begrijpen.


Hans: Als je God zoekt, moet je bij God wezen en als je God niet zoekt moet je niet bij mij wezen.

Ayah: Ik wil weten wat dat betekent.

Hans: Voor wie?

Ayah: Voor Uwais.

Hans: Waarom kom je dan bij mij?

Ayah: Wat bekent het voor jou?

Hans: Als je God zoekt moet je zijn zelfbenoemde vertegenwoordigers vergeten.

Ayah: En dan vind je Hem?

Hans: Was het maar zo makkelijk.

Ayah: Wat is er nog meer voor nodig?

Hans: Wie God zoekt moet God vergeten.

Ayah: Pardon?

Hans: Sorry.

Ayah: Wie God zoekt moet God vergeten?

Hans: Om te beginnen.

Ayah: Wat nog meer?

Hans: Wie God zoekt moet zichzelf vergeten.

Ayah: Het moet niet gekker worden.

Hans: Pech.

Ayah: Hoezo?

Hans: Wie God zoekt moet alles vergeten.

Ayah: Kon het toch gekker.

Hans: Zelfs het vergeten.

Ayah: Hoe kun je nou alles vergeten.

Hans: In de zin van niet meer weten.

Ayah: Wat niet meer weten?

Hans: Wie of wat of dat God is. Wie of wat of dat je zelf bent.

Ayah: Alles wat je heilig gelooft over de Weg, de Waarheid en het Leven.

Hans: Dit ook.

“Niet-weten vind je in jezelf. Bij anderen vind je hooguit geouwehoer over niet-weten.”

Ayah: Niets meer weten.

Hans: Alles vergeten.

Ayah: Behalve niet-weten.

Hans: Zelfs niet-weten.

Ayah: Wat vind je dan?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Ayah: Komt dat even goed uit.

Hans: Hoezo?

Ayah: Ik zoek niet-weten.

Hans: Waarom kom je dan bij mij?

Ayah: Ha ha.

Hans: Serieus.

Ayah: Rare.

Hans: Bij anderen vind je hooguit geouwehoer over niet-weten.

Ayah: Daarom kom ik bij jou.

Hans: Bij mij ook.

Ayah: Wat maak je me nou?

Hans: Niets aan te doen.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Geouwehoer over niet-weten is nou eenmaal geouwehoer, geen niet-weten.

Ayah: Bij wie moet ik dan wezen?

Hans: Niet-weten vind je in jezelf.

Ayah: Dan heb ik zeker niet goed gekeken.

Hans: Of je wilt het niet weten.

Ayah: Denk jij dat ‘mensen van het verstand en van het gevoel’ dit kunnen begrijpen?

Hans: Er valt hier niets te begrijpen.

Ayah: Als je niet-weten hebt gevonden, heb je dan God gevonden?

Hans: Als je niet-weten hebt gevonden, ben je alles kwijt.

Ayah: Ook God?

Hans: Ook niet-god.

Ayah: Ook niet-weten?

Hans: Of hoe het ook mag heten.

Ayah: Dan heb je niets meer.

Hans: Zelfs niet niets.

Ayah: Dan heb je geen idee.

Hans: Geen ja meer en geen nee.

Ayah: Geen golf meer en geen zee.

Hans: Verdikkeme, hoezee.


Zoek jij God?

Ben je bereid Hem te vergeten?

Ben je bereid jezelf te vergeten?

Ben je bereid het Zelf te vergeten?

Ben je bereid het vergeten te vergeten?

Ben je bereid het niet-weten te vergeten?

Draaien als een derwisj 7

Derwisj in een diabolo.

27 - Het land rust en de ploeg komt vanzelf

Ik heb het werk opgegeven en ben er daarna weer naar teruggekeerd. Toen heeft het mij opgegeven en ik ben er nooit meer naar teruggekeerd.

Abu Hafs


Hans: Welk werk eigenlijk?

Ayah: Spiritueel werk, lijkt mij.

Hans: Zou Byron Katie inspiratie hebben opgedaan bij Abu Hafs?

Ayah: ‘Het Werk’, bedoel je?

Hans: ‘Vier Vragen die je leven veranderen.’*

Ayah: Ik betwijfel of Abu Hafs dat bedoelde.

Hans: En Byron Katie heeft Het Werk nooit opgegeven.

Ayah: En Het Werk Byron Katie niet.

Hans: Ze werkt zich al dertig jaar een slag in de rondte.

Ayah: Draaiend als een derwisj.

Hans: Een onverbeterlijke Workaholic.

Ayah: Net als jij, volgens mij.

Hans: Nou, nee.

Ayah: Hoezo?

Hans: Ik heb het werk opgegeven en ben er nooit meer naar teruggekeerd.

Ayah: Welk werk?

Hans: Denkwerk.

Ayah: Niet Het Werk?

Hans: Ik moet er niet aan denken.

Ayah: En toen?

Hans: Is nu.

Ayah: De ploeg roest en het land blijft onbewerkt.

Hans: Het land rust en de ploeg komt vanzelf.

Ayah: Het werk heeft jou niet opgegeven.

Hans: Zo kun je dat zien…

Ayah: Maar?

Hans: Ik heb er geen omkijken naar.

* Vragen die je volgens Byron Katie aan jezelf moet stellen over iedere gedachte die je dwarszit: 1. Is dat waar? 2. Kun je dat wel weten? 3. Wat gebeurt er als je dat gelooft? 4. Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Diezelfde vragen kun je ook stellen over de gedachte dat je iedere gedachte die je dwarszit moet onderzoeken aan de hand van deze vragen. Is dat waar? Kun je dat wel weten? Wat gebeurt er als je dat gelooft? Wie zou je zijn zonder die gedachte?

28 - De wil is vrij maar niet van mij

Bishr, zoon van Harith, werd eens gevraagd waarom hij geen onderricht gaf. ‘Ik ben met onderwijzen opgehouden omdat ik merk dat ik een sterke drang tot onderwijzen heb. Zodra deze drang voorbij is, ga ik uit vrije wil onderricht geven.’


Hans: Mensen vragen weleens waarom ik geen lesgeef. ‘Ik doe niet anders.’ Anderen vragen waarom ik lesgeef. ‘Ik kijk wel linker uit.’

Ayah: Ja, geef je nou les of geef je geen les?

Hans: Mij best.

Ayah: Dat is ook geen antwoord.

Hans: Ik geef nooit les en ik geef nooit geen les.

Ayah: Uit innerlijke drang of uit vrije wil?

Hans: Wat maakt het uit? Die innerlijke drang is niet van mij en die vrije wil is niet van mij.

Ayah: Pardon?

Hans: Heeft iemand jou ooit gevraagd of je behoefte hebt aan een innerlijke drang of aan een vrije wil?

Ayah: Nee.

Hans: Nou, mij ook niet.

Ayah: We zijn ermee opgezadeld.

Hans: Je kunt niet kiezen of je wilt kiezen.

Ayah: Je kunt de vrije wil niet eventjes aan- of uitzetten.

Hans: Laat staan voorgoed.

Ayah: Hij is ons opgedrongen.

Hans: Aangenomen dat de vrije wil geen illusie is.

Ayah: Daar zijn de geleerden nog niet uit.

Hans: Aangenomen dat de ‘je’ waaraan die vrije wil lijkt te zijn opgedrongen geen illusie is.

Ayah: Daar zijn ze ook nog niet uit.

Hans: Aangenomen dat degene die of datgene wat iets lijkt op te dringen geen illusie is.

Ayah: Jij houdt steeds het midden, hè?

Hans: Nergens voor nodig.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Iedere plek is wel ergens het midden van.

Ayah: Dat is waar.

Hans: En iedere plek is wel ergens de rand van.

Ayah: Inderdaad.

Hans: En iedere plek is wel ergens buiten.

Ayah: Tja.

Hans: Waar wou je dan gaan zitten om het midden te houden?

Een heleboel halfdoorzichtige cirkels door elkaar.
Iedere plek is wel ergens in, naast en buiten.

Ayah: Maar jij wilt je nergens op vastleggen, toch?

Hans: Hierop ook niet.

Ayah: Jij bent voortdurend aan het tegensturen.

Hans: Zodra ik dat merk, stuur ik ervan weg.

Ayah: Zeg je hier eigenlijk niet hetzelfde als Bishr?

Hans: Dan had ik mijn mond wel gehouden.

Ayah: Het is niet omdat je een sterke drang tot spreken hebt.

Hans: Zodra de drang tot spreken voorbij is ga ik uit vrije wil spreken.

Ayah: Misschien ga je dan wel uit vrije wil zwijgen.

Hans: Ik doe al niet anders.

“Je kunt niet kiezen of je wilt kiezen. Je kunt die ‘vrije’ wil niet uitzetten.”

Ayah: Vanwaar dan die woordenstroom?

Hans: Omdat mijn spreken zwijgen is.

Ayah: Hardop zwijgen, zogezegd.

Hans: Buikspreken zonder pop.

Ayah: Over vrije wil gesproken.

Hans: Dan heb je de poppen aan het dansen.

Ayah: Over lesgeven gesproken.

Hans: Of wou je dit soms onderricht noemen?


Als je de keuze had gehad, zou je dan gekozen hebben voor een vrije wil?

Zou je kiezen voor de ervaring van een vrije wil als je wist dat het een illusie was?

Heb je zelf voor de ervaring van een vrije wil gekozen?

Denk jij dat de ervaring van een vrije wil bewijst dat de wil vrij is?

Heb je er zelf voor gekozen dat te denken?

29 - Denk aan mij als iemand aan wie je niet hoeft te denken

Een discipel kwam bij Maruf Karkhi en zei: ‘Ik heb met de mensen over u gesproken. Joden beweren dat u een jood bent, christenen vereren u als een van hun eigen heiligen en moslims houden vol dat u de grootste van alle moslims bent.’

Maruf antwoordde: ‘Dit is hoe ze over me spreken in Bagdad. In Jeruzalem zeggen de joden dat ik een christen ben, de moslims dat ik een jood ben en de christenen dat ik een moslim ben.’

Hoe moet ik aan u denken?’ vroeg de man.

‘Sommigen begrijpen me niet en vereren me,’ zei Maruf, ‘anderen begrijpen me niet en verguizen me. Je moet aan me denken als iemand die dit gezegd heeft.’


Hans: Sommigen begrijpen me niet en negeren me. Anderen begrijpen me best en negeren me.

Ayah: Hoe moet ik aan jou denken?

Hans: Alsof je aan mij moet denken.

Ayah: Als ik aan jou moet denken.

Hans: Denk aan mij als iemand die er niet van uitgaat dat je zelf kunt bepalen óf en hóe je aan mij denkt.

Ayah: Bedoel je dat ik dat niet zelf kan bepalen?

Hans: Ook daar ga ik niet van uit.

Ayah: Hoe is het om genegeerd te worden?

Hans: Soms begrijp ik dat best en soms verbaast het me.

Ayah: En als je serieus genomen wordt?

Hans: Soms verbaast het me en soms begrijp ik het best.

Ayah: Maakt het je uit?

Hans: Alleen als het me wat uitmaakt.

Ayah: Dus?

Hans: Meestal niet.

Ayah: En als het je toch uitmaakt?

Hans: Maakt niet uit.

Ayah: Moet ik aan jou denken als iemand die dit gezegd heeft?

Hans: Je moet aan mij denken zoals je aan me moet denken.

Ayah: En als er geen moeten is?

Hans: Zoals je aan me wilt denken.

Ayah: Jou maakt het niet uit.

Hans: Meestal niet.

“Denk aan mij als iemand die er niet van uitgaat dat je zelf kunt bepalen óf en hóe je aan mij denkt.”

Ayah: En als het je toch uitmaakt?

Hans: Maakt niet uit.

Ayah: Maar als je het nou helemaal zelf mocht bepalen?

Hans: Denk dan maar aan mij als iemand die niets gezegd heeft.

Ayah: Omdat er niets te zeggen valt?

Hans: Dan had ik dat wel gezegd.

Ayah: Ah ja.

Hans: Aangenomen dat ik daar iets over te zeggen heb.

Ayah: Hoe wil je later herinnerd worden?

Hans: Als iemand die er niet van uitgaat dat je dat zelf kunt bepalen.

Ayah: Dat zei je al.

Hans: Denk dan maar aan mij als iemand die zichzelf tevergeefs herhaalt.

Ayah: En als je het wel zelf kon bepalen?

Hans: Als iemand die niet wist hoe hij herinnerd wilde worden.

Ayah: Dat lijkt me niet teveel gevraagd.

Hans: Of doe maar als iemand die niet zo nodig herinnerd hoeft te worden.

Ayah: Ik zal het onthouden.


Hoe wil jij dat mensen aan je denken?

Hoeveel moeite doe je daarvoor?

Word je er weleens moe van?

Hoeveel mensen denken werkelijk over jou zoals jij wilt?

Hoe denk jij aan mensen?

Denk je dat dit is hoe zij willen dat jij over hen denkt?

Kun jij zelf bepalen hoe je over mensen denkt?

Denk jij dat mensen zelf kunnen bepalen hoe ze over jou denken?

Hoe wil jij aan jezelf denken?

Lukt het een beetje?

“Sommigen begrijpen me niet en negeren me. Anderen begrijpen me best en negeren me.”

30 - Wie niet weet die niet wint

Toen de sjeiks van Bagdad hem vroegen hun de betekenis van grootmoedigheid te vertellen, zei Abu Hafs: ‘Wat denkt u zelf?’

Meester Junaid antwoordde: ‘Grootmoedigheid is grootmoedigheid niet op jezelf betrekken en je er niet voor op de borst slaan.’

Het commentaar van Abu Hafs luidde: ‘De sjeik heeft goed gesproken. Maar ik meen dat grootmoedigheid wil zeggen recht doen wedervaren zonder recht nodig te hebben.’


Hans: Grootmoedig lijkt iemand die niet meer weet vast te stellen wat tot zijn eigen voordeel strekt.

Ayah: En als je je neiging tot cynisme een ogenblik onderdrukt?

Hans: Cynisch lijkt iemand die er niet om liegt.

Ayah: Kun je het dan anders formuleren?

Hans: Grootmoedig lijkt iemand die zich voor de schijn van grootmoedigheid niet meer op de borst slaat.

Ayah: En rechtvaardigheid?

Hans: Rechtvaardig lijkt iemand die niet meer weet vast te stellen wat wie tot voordeel strekt.

Ayah: Je bent in ieder geval eerlijk.

Hans: Eerlijk lijkt iemand die zich voor de schijn van eerlijkheid niet meer op de borst slaat.

“Rechtvaardig lijkt iemand die niet meer weet vast te stellen wat wie tot voordeel strekt.”

Ayah: Zou je kunnen zeggen dat ware grootmoedigheid, ware rechtvaardigheid en ware eerlijkheid op natuurlijke wijze voortkomen uit nietweten?

Hans: Grootmoedigheid, rechtvaardigheid en eerlijkheid horen tot het domein van het weten.

Ayah: Wat weet je dan, bijvoorbeeld?

Hans: Wat grootmoedigheid is, bijvoorbeeld. Dát grootmoedigheid is.

Ayah: Hoe bedoel je?

Hans: Dat grootmoedigheid echt bestaat, bedoel ik. Dat het meer is dan een woord, een begrip, een machtsmiddel om jezelf boven anderen te plaatsen en je zin door te drijven, bijvoorbeeld.

Ayah: Wat nog meer?

Hans: Dat mensen vrij kunnen kiezen om grootmoedig, rechtvaardig en eerlijk te zijn, bijvoorbeeld.

Ayah: Wou jij beweren van niet?

Hans: Beweren hoort tot het domein van het weten.

Ayah: Wat versta jij precies onder het domein van het weten?

Hans: Het domein van de veronderstellingen. Het domein van de stelligheid. Het domein van het gelijk. Het domein van het geloof. Het domein van het gezag. Het domein van het oordelen. Het domein van belonen en bestraffen.

Ayah: En dat wijs jij af?

Hans: Afwijzen hoort tot het domein van het weten.

“Eerlijk lijkt iemand die zich voor de schijn van eerlijkheid niet meer op de borst slaat.”

Ayah: Volgens de Daodejing is ware deugd…

Hans: Waar en vals horen tot het domein van het weten. Deugd en ondeugd horen tot het domein van het weten.

Ayah: Zou je kunnen zeggen dat weten het kwaad vertegenwoordigt en…

Hans: Goed en kwaad horen tot het domein van het weten.

Ayah: En nietweten het goede, wou ik zeggen.

Hans: Weten en nietweten horen tot het domein van het weten.

Ayah: Wat maak je me nou?

Hans: Dus maak jezelf maar niets wijs.

Ayah: Nietweten betekent jezelf niets wijs maken?

Hans: Maak dat de kat maar wijs.

Ayah: Maar dan hoort jouw uitspraak dat iemand grootmoedig lijkt als hij niet meer weet vast te stellen wat tot zijn eigen voordeel strekt, toch ook tot het weten?

Hans: Als je dat maar weet.

“Cynisch lijkt iemand die er niet om liegt.”


Ben jij grootmoedig genoeg om anderen hun kleinzieligheid te vergeven?

Ben jij grootmoedig genoeg om jezelf je onvermogen om anderen hun kleinzieligheid te vergeven te vergeven?

Ben jij grootmoedig genoeg om je eigen kleinzieligheid onder ogen te zien?

Ben jij grootmoedig genoeg om je eigen onvermogen om je eigen kleinzieligheid onder ogen te zien onder ogen te zien?

Ben jij grootmoedig genoeg om het begrip grootmoedigheid achter te laten in het domein van het weten?

Draaien als een derwisj 8

Derwisj met wulkhoed.

31 - Een bedrieger die de waarheid zegt

Een geleerd mens die vele vrienden heeft zou best eens een bedrieger kunnen zijn, omdat ze niet langer zijn vrienden zouden zijn als hij ze de Waarheid zou vertellen.

Sufian Thauri


Hans: Dat zal mij niet overkomen.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Omdat ik niet geleerd ben.

Ayah: Dat lijkt me geen voordeel.

Hans: En omdat ik nooit veel vrienden heb gehad.

Ayah: Daar kunnen we dan niets uit afleiden.

Hans: Maar vooral omdat ik niemand de Waarheid kan vertellen.

Ayah: Waarom kun je niemand de Waarheid niet vertellen?

Hans: Omdat ik de Waarheid niet ken.

Ayah: Niet omdat de Waarheid voorbij de woorden is?

Hans: Dan zou dat toch de Waarheid zijn?

Ayah: Niet omdat er geen Waarheid is?

Hans: Dan zou dat toch de Waarheid zijn?

Ayah: Wat vertel je ze wel?

Hans: Waarom ik ze de Waarheid niet kan vertellen.

Ayah: Wat zeggen ze dan?

Hans: Dat ik een bedrieger ben.

Ayah: Zo hou je geen vrienden over.

Hans: Zo blijven mijn Vrienden over.


Zeg jij mensen weleens de waarheid?

Vertel jij mensen weleens de Waarheid?

Doe jij vaak alsof je iets weet?

Denk jij dat je iedereen altijd zou moeten laten weten dat je iets niet weet?

Vind jij jezelf een bedrieger?

Denk jij dat er wezens zijn – mensen, dieren, planten, bacteriën, schimmels, virussen – die zich nooit anders voordoen dan ze zijn?

32 - Dronken als een derwisj

We dronken ter ere van de Vriend, bedwelmden onszelf nog vóór de schepping van de wingerd.*

Ibn el-Farid


Hans: We dronken ter ere van niet-weten, bedwelmden onszelf nog vóór de schepping van de Vriend.

Aya: Wou jij beweren dat de Vriend een illusie is?

Hans: We dronken ter ere van de nuchterheid, bedwelmden onszelf nog vóór de schepping van de illusie.

Ayah: Wat was er nog voor de schepping van de illusie en van de Vriend?

Hans: Yabbadabbadoo!

Ayah: Je lijkt wel dronken.

Hans: Dronken van niet-weten.

Ayah: Zat als een balletje.

Hans: Toeter als een tol.

Ayah: Probeer dan maar eens overeind te blijven.

Hans: Ik draai me overal uit.

Ayah: Hoe voel je je als je dronken van niet-weten bent?

Hans: Broodnuchter.

Ayah: Dronken van nuchterheid?

Hans: Als een wingerd in de lente.

Ayah: Hoe is dat?

Hans: Of je tegen een muur op loopt.

Ayah: Wat als je het hoogste punt hebt bereikt?

Hans: Dan ga je uit je dak.

*Wingerd: druivenstok, in het soefisme een indirecte verwijzing naar wijn en naar mystieke bedwelming. Vriend: 1. Allah, 2. derwisj.

Derwisj die op de zoldering van een moskee danst.
In niet-weten ben je dronken van nuchterheid.

33 - Extase komt en gaat

Wanneer de Waarheid komt, wordt de extase verdreven.

(Anoniem)


Hans: Geen probleem.

Ayah: Hoezo?

Hans: Wanneer niet-weten komt, wordt de Waarheid verdreven.

Ayah: Wanneer de Waarheid komt, wordt de extase verdreven en wanneer niet-weten komt, wordt de Waarheid verdreven?

Hans: Zijn we daar ook weer van verlost.

Ayah: Van de Waarheid?

Hans: Is dat geen heerlijk vooruitzicht?

Ayah: Dat weet ik zo net niet.

Hans: Heel goed.

“Wanneer niet-weten komt, wordt de Waarheid verdreven.”

Ayah: Komt de extase dan weer terug?

Hans: In mijn geval of in het algemeen?

Ayah: In het algemeen.

Hans: Weet ik niet.

Ayah: In jouw geval.

Hans: Extase komt en gaat.

Ayah: Ben je dan wild extatisch als ze komt?

Hans: Dan ben ik licht euforisch tot ze gaat.

Ayah: Geen laaiend vuur?

Hans: Een lauwe stoof.

Ayah: De voeten warm.

Hans: Het hoofd koel.

Ayah: Nee, dan de Waarheid.

Hans: Daar krijg je een koortskop van.

Ayah: Een heet hoofd.

Hans: Een heethoofd.

Ayah: Wanneer wordt niet-weten verdreven?

Hans: Wanneer niet-weten komt.

Ayah: Hè?

Hans: Zodra je denkt dat je niets weet, weet je weer iets.

Ayah: En als er weten komt?

Hans: Ook.

Ayah: Maar weet jij nou iets of weet jij nou niets?

Hans: Geen van beide. Allebei.

Ayah: Hoe kan dat?

Hans: Weten en niet-weten wisselen elkaar onophoudelijk af.

Ayah: Maar niet-weten overheerst?

“De Waarheid gedijt bij bewondering. Niet-weten gedijt bij verwondering.”

Hans: Niets overheerst.

Ayah: Ze houden elkaar in evenwicht.

Hans: Weten, niet-weten, weten, niet-weten.

Ayah: Boter bij de vis.

Hans: Meteen afrekenen.

Ayah: Iedere gedachte rekent af met de vorige.

Hans: Zo ordelijk is het nou ook weer niet.

Ayah: En weer een afrekening.

Hans: Even afrekenen met het afrekenen.

Ayah: Jouw denken is zelfvernietigend.

Hans: Of van wie het ook is. Of hoe het ook in zijn werk gaat.

Ayah: Klaar ben je ermee.

Hans: Al gaat het maar door.

Ayah: En de Waarheid?

Hans: Die is niet zelfvernietigend.

Ayah: De Waarheid is eeuwig, bedoel je.

Hans: De Waarheid wil eeuwig bevestigd worden, bedoel ik.

Ayah: Zijn er nog meer verschillen?

Hans: De Waarheid gedijt bij bewondering. Niet-weten gedijt bij verwondering.

Ayah: Nou, dan zou ik het wel weten.

Hans: Nou, ik niet.


Neigt jouw denken tot verwondering of tot bewondering?

Neigt het tot zelfbevestiging of tot zelfvernietiging?

Bepaal je dat zelf of overkomt het je?

Word jij opgewonden van het idee van de Waarheid of benauwd het je?

Voel jij je weleens euforisch?

Denk jij dat extase bij jezelf of bij anderen iets bewijst over de kwaliteit of de echtheid of de waarheid van de gedachte of ervaring die ermee gepaard gaat?

34 - Tegen de verrukking in

Men zegt: ‘Dit is een verrukkelijk dorp.’ Maar nog verrukkelijker is het hart van de mens die kan zeggen: ‘Ik ben niet verrukt van verrukkelijke dorpen!’

Yahya Razi


Hans: Een verrukkelijk gedachte…

Ayah: Maar?

Hans: Nog verrukkelijker is het hart van de mens die kan zeggen…

Ayah: ‘Ik ben niet verrukt van verrukkelijke gedachten!’

Hans: Een verrukkelijk gedachte…

Ayah: Maar?

Hans: Nog verrukkelijker is het hart van de mens die kan zeggen…

Ayah: ‘Ik ben niet verrukt van de gedachte dat ik niet verrukt ben van verrukkelijke gedachten!’

Hans: Heerlijk hè?

Ayah: Kicken.

Hans: Een soort extase.

Ayah: Uit jezelf treden.

Hans: Uit je gedachten treden.

“De verrukking van het weten laat zich alleen verdringen door de grotere verrukking van niet weten.”

Ayah: Ah ja.

Hans: Ook uit deze.

Ayah: Oh ja.

Hans: Verrukking is verslavend.

Ayah: Het laat zich niet onderdrukken.

Hans: Behalve door een grotere verrukking.

Ayah: Maar waar haal je die zo gauw vandaan?

Hans: De verrukking van een weten laat zich alleen verdringen door de grotere verrukking van een groter weten.

Ayah: Waardoor het eerdere weten ineens kleiner lijkt.

Hans: Een vorm van verdrukking.

Ayah: En de verrukking van een groter weten?

Hans: Laat zich alleen verdringen door de verrukking van een groots weten.

Ayah: En de verrukking van een groots weten?

Hans: Laat zich alleen verdringen door de verrukking van niet-weten.

Ayah: En de verrukking van niet-weten?

Hans: Laat zich alleen verdringen door de grotere verrukking van niet weten van niet-weten.

Ayah: Is hier een einde aan?

Hans: In mijn geval of in het algemeen?

Ayah: In jouw geval.

Hans: Tot nog toe niet.

Ayah: En in het algemeen?

Hans: Ik zou het echt niet weten.

Draaien als een derwisj 9

Bevroren derwisj met een iglo als rok.

35 - Innerlijke zoetheid en niets om op te jagen

Waar is de baker voor het dorstig kind die liefdevol de smaak van innerlijke zoetheid aanbiedt?

Waar is zij die de weg tot zichzelf verspert teneinde deze te openen voor een honderdtal tuinen van verrukking?

Want de borst is geworden tot een barrière tussen het kind en andere heerlijke smaken en talloze soorten voedsel.

Ons leven berust op ontwenning. Streef ernaar jezelf beetje bij beetje te onthechten. Maak je van het voedsel van deze wereld los en word een jager op het verborgen wild.

Rumi


Hans: Eerst maak je je los van de borst en word je een jager op het voedsel van deze wereld.

Ayah: Dat is de natuur.

Hans: Dan maak je je los van het voedsel van deze wereld en word je een jager op het verborgen wild.

Ayah: Dat is religie.

Hans: Dan maak je je los van het voedsel van de andere wereld.

Ayah: Hè?

Hans: Wat?

Ayah: Ik geloof niet dat Rumi…

Hans: Ons leven berust op ontwenning, zegt hij toch?

Ayah: Jawel.

Hans: Dan ook van het voedsel van de andere wereld.

Ayah: Als je wilt onthechten, doe het dan helemaal.

Hans: Dus ook van God.

Ayah: Ongelovige.

Hans: Maar ook van niet-god.

Ayah: Dat neem ik terug.

Hans: Dus ook van gehechtheid.

Ayah: Nou dan.

Hans: Maar ook van onthechting.

Ayah: Waarom zou je?

Hans: Anders zit je daar weer in vast.

Ayah: Ah, ja.

Hans: Voilà.

“Eerst maak je je los van de borst, dan van je religie en dan van het losmaken.”

Ayah: En dan?

Hans: Innerlijke zoetheid!

Ayah: Zonder baker!

Hans: Tuinen van verrukking!

Ayah: Zonder verborgen wild!

Hans: Niets meer om op te jagen!

Ayah: En dan?

Hans: Maak je je daar ook nog van los.


Denk jij dat je pas helemaal gelukkig kunt zijn als je totaal onthecht bent?

Ben jij gehecht aan het idee dat je ooit helemaal gelukkig kunt zijn?

Ben jij gehecht aan de jacht op verborgen wild?

Ben jij gehecht aan teksten over onthechting?

Als je een knop had waarmee je een voorbijgaand gevoel van geluk of een orgasme eeuwig kon laten duren, zou je er dan op drukken?

Stel je voor dat je alles waar je niet hartstikke gelukkig van werd nooit had meegemaakt. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat je alleen nog maar geluk kon ervaren en nooit meer iets anders. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat iedereen behalve jij alleen nog maar geluk kon ervaren. Hoe voelt dat?

Ben jij gehecht aan het idee dat je nooit helemaal gelukkig kunt zijn?

36 - Genade voor ijdele opscheppers

IJdele opschepperij houdt goede daden op een afstand en scheurt de tak van mededogen van de boom. Wees eerlijk of hou je mond en vind daarin dan genade en verrukking.

Rumi


Hans: Rumi’s tak van mededogen strekt zich kennelijk niet uit tot ijdele opscheppers.

Ayah: Wat zou jij zeggen?

Hans: IJdele opschepperij maakt goede daden mogelijk en is de kiem van de tak van mededogen.

Ayah: Meen je dat nou?

Hans: Voor een Rumi die ijdele opscheppers afscheept met ijdele woorden wel.

Ayah: Maar niet in het algemeen?

Hans: In het algemeen zijn mijn woorden net zo ijdel.

Ayah: Hoezo?

Hans: Niets is waar in het algemeen. Dit ook niet.

Ayah: ‘Niets is waar in het algemeen’ is ook niet waar in het algemeen?

Hans: Dat scheelt weer een tegeltje.

Ayah: Volgens mij kan het helemaal geen kwaad om ijdele opscheppers te vragen hun mond te houden.

Hans: Dat is weer zo’n algemeenheid.

Ayah: Wat is daar mis mee?

Hans: Misschien slaat een opschepper wel helemaal door als hij niet meer mag opscheppen.

Ayah: Daar zeg je me wat.

Hans: Misschien komt zijn ijdelheid nooit aan het licht als hij verplicht zijn mond houdt.

Ayah: Dan blijft het ondergronds woekeren, bedoel je.

Hans: Zou het leven niet ontzettend saai zijn zonder opscheppers?

Ayah: Volgens mij zit niemand op egotripperij te wachten.

Hans: Dat is weer zo’n algemeenheid.

Ayah: Jij wel dan?

Hans: Parmantigheid kan prachtig zijn.

Ayah: Nou ja.

Hans: Ik hou van de pauw om zijn staart. Ik hou van de bok om zijn baard. Ik hou van de held om zijn zwaard.

Ayah: Ik hou van de jock om zijn vaart.

Hans: Nou dan.

Ayah: Het zit ons in het bloed, wou je zeggen.

Hans: IJdelheid is geen uitvinding van homo sapiens maar van moeder natuur.

Ayah: Opschepperij hoort erbij.

Hans: Zoals rijmelarij bij mij.

Ayah: Dat zie ik liever dan grootdoenerij.

Hans: Ik ken niemand bij zijn volle verstand die er vrij van is.

Ayah: Verzet is zinloos.

Hans: Verzet is ijdelheid.

Ayah: Je verzetten tegen ijdelheid is ook een vorm van ijdelheid?

Hans: Omdat je jezelf boven je eigen natuur plaatst.

Ayah: Derwisjen lijken mij eerlijk gezegd ook niet helemaal vrij van ijdelheid, met hun hoge hoeden en witte rokken.

Derwisj met een arrogante blik en een waaier van pauwenveren achter zijn hoofd.
“Niemand is vrij van opschepperij.”

Hans: Ik heb tenminste nog nooit een derwisj in zijn onderbroek zien dansen.

Ayah: Ik heb nog nooit een derwisj in zijn onderbroek gezien, punt.

Hans: Heb ik jou al eens in je onderbroek gezien, vraagteken.

Ayah: Ik heb jou nog nooit in je blote kont gezien, uitroepteken.

Hans: Ik laat alleen nog maar mijn grote mond zien, maalteken.

Ayah: Wat had Rumi volgens jou moeten zeggen?

Hans: Had Rumi volgens jou iets moeten zeggen?

Ayah: Zonder zijn woorden hadden we dit gesprek niet gehad.

Hans: Wat dacht je van ‘Wees eerlijk en spreek je uit zodat iedereen weet wat er in je omgaat’?

Ayah: Wat als er niets in je omgaat?

Hans: Heb je het soms weer over jezelf?

Ayah: Ik moet nodig mijn grote mond leren houden.

“Je verzetten tegen ijdelheid is ook een vorm van ijdelheid.”

Hans: Wat dacht je van ‘Wees eerlijk en hou je mond zodat iedereen weet dat er niets in je omgaat’?

Ayah: Geldt dat dan wél voor iedereen?

Hans: Natuurlijk niet.

Ayah: Voor iedereen in wie niets omgaat, bedoel ik?

Hans: Ook niet.

Ayah: Voor wie geldt het dan niet, bijvoorbeeld?

Hans: Voor degene die over en vanuit niet-weten spreekt, bijvoorbeeld.

Ayah: Wat zou je tegen zo iemand zeggen?

Hans: Wees eerlijk en spreek je uit zodat iedereen weet dat je niets te zeggen hebt.

Ayah: Nou, dat gaat je prima af.

Hans: Dank je.

Ayah: Maar waarom zou je?

Hans: Omdat ik daarin genade en verrukking vind.


Stel je voor dat je in een wereld leeft waarin geen enkel levend wezen zich op welke wijze dan ook probeert te onderscheiden. Hoe voelt dat?

Ben jij helemaal vrij van ijdele opschepperij?

Ken je iemand die helemaal vrij is van ijdele opschepperij?

Vind jij dat je alles op alles moet zetten om je ego te overwinnen? Wie zegt dat, jij of je ego?

Vind jij dat iedereen alles op alles moet zetten om zijn ego te overwinnen? Wie zegt dat, jij of je ego?

Is ‘ego’ volgens jou een reële entiteit of een wijze van spreken? En ‘jij’? En ‘ik’?

37 - Derwisj in duigen

Als een derwisj in een toestand van zielsverrukking bleef verkeren, zou hij in beide werelden in brokstukken uiteenvallen.

Saadi


Hans: Dat gebeurt toch wel.

Ayah: Zelfs als een derwisj niet in een toestand van zielsverrukking bleef verkeren, zou hij in beide werelden in brokstukken uiteenvallen?

Hans: Alsof hij oorspronkelijk een eenheid was.

Ayah: Niettemin schijnt het belangrijk te zijn dat de derwisj niet in een toestand van zielsverrukking blijft hangen.

Hans: Dat gebeurt toch niet.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Ook toestanden van zielsverrukking gaan voorbij.

Ayah: Wat gaat nooit voorbij?

Hans: Geen idee.

Ayah: Is dat wat nooit voorbijgaat of weet je het niet?

Hans: Rozen verwelken, schepen vergaan, maar geen idee blijft altijd bestaan.

Ayah: Ik zou jou nooit iets in mijn poesiealbum laten schrijven.

Hans: Vraag het anders eens aan Plato.

Ayah: Wat zou die zeggen?

Hans: Rozen verwelken, schepen vergaan, maar een Idee blijft altijd bestaan.

Ayah: Die zou ik ook niet in mijn poesiealbum laten schrijven.

Hans: Wie zou je wel in je poesiealbum laten schrijven?

Ayah: Heraclitus.

Hans: De filosoof van de verandering.

Ayah: Procesfilosofie wordt steeds populairder.

Hans: Rozen verwelken, schepen vergaan, maar het voorbijgaan blijft altijd bestaan.

Ayah: Zo denkt de boeddhist er ook over. Alleen de vergankelijkheid is eeuwig.*

Hans: Dat weet je pas achteraf.

Ayah: Wanneer dan?

Hans: Als alles voorbij is.

“Rozen verwelken, schepen vergaan, maar geen idee blijft altijd bestaan.”

Ayah: Over welke werelden heeft Saadi het eigenlijk?

Hans: Hoeveel werelden zei je?

Ayah: Twee werelden, zei Saadi.

Hans: Over brokstukken gesproken.

Ayah: Bedoel je dat er maar één wereld is?

Hans: In jouw wereld misschien.

Ayah: En in jouw wereld?

Hans: Mijn wereld, jouw wereld, de werelden van Saadi – hoeveel werelden zijn er wel niet?

Ayah: Ik kan niet zeggen dat ik hiervan in een toestand van zielsverrukking raak.

Hans: Dan zal dat het verschil wel zijn.

* Vergankelijkheid (Pali: anicca; Sanskriet: anitya) is volgens het boeddhisme een van de drie Bestaanskenmerken (Pali: tilakkhana; Sanskriet: trilaksana)

Overlangs gespleten derwisj waarvan de helften vrolijk verder dansen.
“Zelfs als een derwisj niet in een toestand van zielsverrukking bleef verkeren, zou hij in beide werelden in brokstukken uiteenvallen.”

Vormen jouw gedachten een eenheid?

Vormen jouw gevoelens een eenheid?

Vormen jouw ervaringen een eenheid?

Vormen jouw dromen een eenheid?

Vormen de mensen om jou heen een eenheid, en jij met hen?

Is jouw wil het altijd met je eens?

Ben jij een met je spuug en je snot en je poep en je bloed, 1. als het nog in je zit en 2. na uitscheiding?

Is jouw leven een eenheid?

In wat voor wereld leef je liever, een uniforme of een pluriforme?

In wat voor wereld leef je liever, een relatieve of een absolute?

In wat voor wereld leef je liever, een veranderlijke of een onveranderlijke?

In wat voor wereld leef je liever, een paradoxale of een logische?

38 - Dat nooit meer!

Eerst is er kennis. Daarna is er ascese. Daarna is er de kennis die na de ascese komt.

Rumi


Hans: Komt er dan nooit een eind aan?

Ayah: Waaraan?

Hans: Aan die kennis.

Ayah: Van de kennis die vóór de ascese komt naar de kennis die ná de ascese komt.

Hans: Zelfs ascese helpt niet.

Ayah: Wat helpt wel?

Hans: Waartegen?

Ayah: Ja, waar hebben we het nou over.

Hans: Dat zou ik ook weleens willen weten.

Ayah: Kennis, zei je toch?

Hans: Wat is daar mis mee?

Ayah: Ik begreep uit jouw woorden dat we van al onze kennis af moeten.

Hans: Wat zouden we zonder kennis moeten?

Ayah: Waarom zei je dan dat zelfs ascese niet helpt?

Hans: Probeer het anders zelf eens.

Ayah: Wat?

Hans: Ascese.

Ayah: Soberheid.

Hans: Acht jaar in een grot met je gezicht naar de muur.

Ayah: Veertig dagen in de woestijn met je kop in het zand.

Hans: Tien dagen op retraite met je kont op een kussen.

Ayah: De kuisheidsgelofte, het celibaat, geheelonthouding…

Hans: Te weinig eten, drinken, slapen, bewegen, praten, lachen, liefde…

Ayah: Als we maar gelukkig worden.

Hans: Alleen op pijn staat geen maat.

Ayah: Als er maar een einde aan het lijden komt.

Hans: Was ik maar vast uitgedoofd, zei de vulkaan met zijn vinger naar de maan en droomde verder van nirwana.

Ayah: Wat is de kennis die door de ascese komt?

Hans: Die kun je in drie woorden samenvatten.

Ayah: Nou?

Hans: ‘Dat nooit meer!’

Ayah: Wat nooit meer?

Hans: Ascese natuurlijk. Soberheid. Onthouding. Versterving.

“Van ascese leer je maar één ding: dat nooit meer!”

Ayah: Wat dan wel? Onmatigheid? Losbandigheid? Zwelgen? Verslaving?

Hans: Daar leer je ook maar één ding van.

Ayah: Namelijk?

Hans: ‘Dat nooit meer!’

Ayah: Toch maar de middenweg dan? Alle uitersten vermijden? Nooit meer buiten de lijntjes kleuren?

Hans: Daar leer je ook maar één ding van.

Ayah: ‘Dat nooit meer!’

Hans: Hoe kom je erop.

Ayah: Doen wat er in je opkomt, is dat wat jij voorstaat? Je hart volgen, je gevoel, je intuïtie, je innerlijke goeroe, je eigen wijsheid?

Hans: ‘Dat nooit meer!’

Ayah: Wat komt er volgens jou na de kennis die na de ascese, de onmatigheid, de middenweg en het volgen van het hart komt?

Hans: Bijkomen.

Ayah: Ik dacht niet-weten.

Hans: Dat moet je maar afwachten.

Ayah: En dan?

Hans: Dansen.

Ayah: Als een derwisj.

Hans: Als een dronkaard.

Ayah: In het duister.

Hans: Als het duister.

Ayah: Tot je erbij neervalt.

Hans: Nou, nee.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Dat zou weer ascese zijn.

Ayah: ‘Dat nooit meer!’

Hans: Dat moet je maar afwachten.

Hele dunne derwisj in de stijl van Giacometti.
Wat er na het niet-weten dat na de kennis die na de ascese komt komt komt.

Hoeveel regels heb jij al gevolgd in je leven?

Zijn de regels die je nu volgt dezelfde als de regels die je vroeger volgde?

Vind je dat iedereen dezelfde regels zou moeten volgen?

Vind je dat iedereen jouw regels zou moeten volgen?

Zou je graag zien dat er een universele verklaring van de regels van de mens zou komen?

Zou je graag een verbod zien op al die regels, of zie je liever een verbod op het verbieden van regels? Wie moet dat regelen volgens jou?

Denk jij dat niet-weten onvermijdelijk tot een ongeregeld leven leidt?

39 - Verdergaan zonder dichterbij te komen

Als je de hemelse wetenschap niet hebt bestudeerd, als je geen voet in een Taveerne hebt gezet, als je je eigen verlies en winst niet kent, hoe bereik je dan de Vrienden?

Verder, verder! Verder, verder!

Baba Tahir Uryan


Hans: En als je de Vrienden hebt bereikt?

Ayah: Nou?

Hans: Verder, verder! Verder, verder!

Ayah: Doet me denken aan de mantra ‘Gate, gate, paragate, parasamgate’.

Hans: De Hartsoetra.

Ayah: ‘Gegaan, gegaan, overgegaan, helemaal overgegaan.’

Hans: Dat is de voltooid overleden tijd.

Ayah: En?

Hans: Spiritualiteit is onvoltooid tegenwoordige tijd. Niet-weten doe je nu.

Ayah: Hoe zou jij het dan vertalen?

Hans: ‘Verder, verder, almaar verder, zelfs het verdergaan voorbij.’

Ayah: Maar waarheen?

Hans: Dat is de vraag niet.

Ayah: Wat is de vraag wel?

Hans: Maar waarvandaan?

Ayah: Nou?

Hans: Van je laatste gedachte natuurlijk.

“Spiritualiteit is onvoltooid tegenwoordige tijd. Niet-weten doe je nu.”

Ayah: Bedoel je dat je al je gedachten achter je moet laten?

Hans: Te beginnen met deze.

Ayah: En dan?

Hans: Trek je maar weer verder.

Ayah: Wat is de Taveerne?

Hans: Een Virtuele Hangplek voor Virtuele Vrienden.

Ayah: Waar vind ik die hangplek?

Hans: Achter de horizon.

Ayah: Achter welke horizon?

Hans: Achter elke horizon.

Ayah: Wie zijn die Virtuele Vrienden?

Hans: Voor mij zijn dat de mensen uit heden, verleden en toekomst die ‘Verder, verder!’ zeggen.

Ayah: En wat is de Hemelse Wetenschap?

Hans: En dat is de hemelse wetenschap.

Ayah: Wat is daar hemels aan?

Hans: Verder, verder!

Ayah: Bedoel je dat het ‘verder, verder’ op zichzelf al hemels is?

Hans: Verder, verder!

Ayah: Bedoel je dat je ook het idee van de hemel achter je moet laten?

Hans: Verder, verder!

“De vraag is niet waarheen; de vraag is waarvandaan.”

Ayah: Bedoel je dat je ook het achterlaten achter je moet laten?

Hans: Verder, verder!

Ayah: Hoe lang gaat dit nog door?

Hans: Totdat je je eigen winst en verlies niet meer kent?

Ayah: En dan?

Hans: Verder, verder!


Waar vlucht jij vandaan?

Waar vlucht jij heen?

Ken jij je eigen winst en verlies?

Wat is voor jou de hemelse wetenschap?

Draaien als een derwisj 10

Breakdancende derwisj.

40 - De praktijk van niet praktiseren

Wat is eerlijkheid iets prachtigs en wat is schijnheiligheid iets vreemds!

Ik ben naar Mekka en Bagdad getrokken en ik heb het gedrag van de mensen op de proef gesteld.

Als ik ze vroeg om eerlijk te zijn, behandelden ze me altijd vol eerbied, omdat men hun geleerd had dat goede mensen altijd zo spreken en omdat men hun geleerd had dat ze hun ogen neer moeten slaan wanneer mensen het over eerlijkheid hebben.

Toen ik ze zei schijnheiligheid te schuwen, waren ze het allemaal met me eens. Maar ze wisten niet dat ik, als ik ‘waarheid’ zei, wist dat zij niet wisten wat waarheid is, en dat zij en ik daarom schijnheilig waren.

Ze wisten niet dat ze, als ik ze zei niet schijnheilig te zijn, schijnheilig waren om me niet naar de methode te vragen. Ze wisten niet dat ik schijnheilig was door alleen maar te zeggen ‘Wees niet schijnheilig’, omdat woorden de boodschap niet uit zichzelf overbrengen.

Ze hadden daarom eerbied voor mij als ik schijnheilig handelde. Dit had men hun zo geleerd. Ze respecteerden zichzelf terwijl ze dachten als schijnheiligen; want het is schijnheilig te denken dat je beter wordt door alleen maar te denken dat het slecht is om schijnheilig te zijn.

Het pad leidt verder: naar de praktijk waar geen schijnheiligheid kan bestaan, waar eerlijkheid niet iets is dat het doel van de mens is.

Jami


Hans: En dan nog verder.

Ayah: Waarheen?

Hans: Naar de praktijk waar geen heiligheid kan bestaan en niets te praktiseren valt.

Ayah: En dan?

Hans: Dan?

Ayah: Leidt het pad dan nog verder?

Hans: Welk pad?


Waar eindigt jouw pad?

Eindigt jouw pad?

Zeker weten dat jouw pad ergens heen gaat?

Stel je voor dat je zeker wist dat jouw pad nergens heen gaat. Zou je het dan verlaten? Waarom (niet)?

Wat heb je liever, een pad dat duidelijk nergens heen gaat of een pad dat nergens duidelijk heen gaat?

41 - Waan na waan – een lekke kraan

Het Pad kan door een druppel water lopen, maar ook door een gecompliceerd voorschrift.

Al-Bokhari


Hans: Als je maar doorloopt.

Ayah: Wat als je blijft staan?

Hans: Dan kom je nooit aan.

Ayah: Wat als je blijft gaan?

Hans: Dan komt er geen eind aan.

Ayah: Waaraan?

Hans: Aan je waan.

Ayah: Welke waan?

Hans: Dat je ergens heen gaat.

Ayah: Bedoel je dat we nergens heen gaan?

Hans: Dat is gewoon de volgende waan.

Ayah: Waan na waan.

Hans: Een lekke kraan.

Ayah: Wat is niet-weten?

Hans: Niet blijven staan en niet blijven gaan.

Ayah: Klinkt als een gecompliceerd voorschrift.

Hans: Als je maar doorloopt.

Derwisj dansend in een waterdruppel aan een kraan.
“Waan na waan – een lekke kraan.”

42 - Op de weg zie je alleen maar wijzers

Met gids kun je waarlijk mens worden. Zonder gids blijf je voornamelijk dier. Zolang je je aan niemand kunt onderwerpen, ben je waardeloos voor de weg. Zolang je je alleen op jouw manier kunt onderwerpen, zal de weg je niet vinden en ben je verloren.

Zulkifar, zoon van Jangi


Hans: Ieder mens is voornamelijk dier.

Ayah: Ook een waar mens?

Hans: Als er iets waar is aan een mens, dan is het wel zijn dierlijkheid.

Ayah: De rest is een leugen?

Hans: Als er iets waar is aan een mens dan is het wel zijn leugenachtigheid.

Ayah: Wat is er niet waar aan een mens?

Hans: Alles is waar aan een mens. Of je het nou leuk vindt of niet.

Ayah: Waarom suggereert Zulkifar dan dat je alleen met gids waarlijk mens kunt worden?

Hans: Verzin maar wat.

Ayah: Ik hoopte dat jij een idee had.

Hans: Ideeën zat.

Ayah: Bijvoorbeeld?

Hans: Omdat hij volgelingen zoekt? Omdat hij mensen aan zich wil onderwerpen? Omdat zijn hormonen opspelen? Omdat hij in onware mensen gelooft? Omdat hij een dienaar is van Allah? Omdat hij één is met Allah? Omdat hij het licht heeft gezien? Omdat hij in onwetendheid verkeert? Omdat hij malende is?

Ayah: Misschien ben jij wel malende.

Hans: Ik noem het liever dwalende.

Ayah: Zou jij je nog aan iemand kunnen onderwerpen?

Hans: God, nee.

Ayah: Jij kunt je alleen maar aan jezelf onderwerpen.

Hans: Dat gaat al helemaal niet meer.

Ayah: Wie is nu jouw gids?

Hans: Wat moet ik met een gids?

Ayah: Waarlijk mens worden natuurlijk.

Hans: Alles is waar aan mij, of ik het nou leuk vind of niet.

Ayah: Jij hebt geen gids nodig.

Hans: En al helemaal geen derwisj.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Probeer maar eens iemand te volgen die alleen maar om zijn eigen as draait.

Ayah: Zolang je je aan niemand kunt onderwerpen, ben je waardeloos voor de weg, zegt Zulkifar.

Hans: Ben ik er voor de weg?

Ayah: Als je wilt gidsen wel.

Hans: Alsof ik wil gidsen, zeg.

“Alles is waar aan een mens. Of je het nou leuk vindt of niet.”

Ayah: Waar ben je dan mee bezig?

Hans: Mensen het bos in leiden?

Ayah: Waarom zou je iemand het bos in willen?

Hans: Omdat je er helemaal je eigen weg kunt banen?

Ayah: Wat is daar leuk aan?

Hans: Dat je nooit weet waar je uitkomt?

Ayah: Alleen maar omdat je verdwaald bent.

Hans: Dat je nooit meer kunt verdwalen?

Ayah: Alleen maar omdat je de weg al kwijt bent.

Hans: Hoelang ben jij de weg al kwijt?

Ayah: Al sinds mijn tienertijd.

Hans: Er valt dus mee te leven?

Ayah: Alleen maar omdat ik hem nog steeds hoop te vinden.

Hans: Wegen vind je overal.

Ayah: Ik hoop de enige juiste te vinden.

Hans: Zijn er dan onjuiste?

Ayah: Je moet érgens van uitgaan.

Hans: Is er wel een juiste?

Ayah: Daar ga ik dus van uit.

Hans: Misschien vind je je weg alleen als je nergens van uitgaat.

Ayah: Daar ga ik niet van uit.

Hans: Wat als je hem eindelijk gevonden hebt?

Ayah: Dan weet ik eindelijk waar ik heen ga.

Hans: Dan mag je nergens anders meer komen.

Ayah: Het juiste pad is breed genoeg.

Hans: Hoe weet je dat als je het nog niet gevonden hebt?

Ayah: Wie zou jij trouwens het bos in moeten leiden?

Hans: Het is maar een wijze van spreken.

Ayah: Je hebt niet eens volgelingen.

Hans: Niet-weten is onnavolgbaar.

Ayah: Dat was me al opgevallen.

Hans: Wie het toch probeert, snijd ik meteen de pas af.

Ayah: Waarom?

Hans: Dat is nou eenmaal de kortste weg naar het bos.

Ayah: Wie zou jou nou willen volgen?

Hans: Die genoeg heeft van de weg?

Ayah: Zou jij iemand aan je kunnen onderwerpen?

Hans: Ik kan me niet eens aan mezelf onderwerpen.

Ayah: Dan ben je volgens Zulkifar verloren.

Hans: Daar heb ik lang naar gezocht.

“Als je elke weg weet te vermijden gaat er een wereld voor je open.”

Ayah: Jij zocht toch naar niet-weten?

Hans: Dat kon ik toch niet weten?

Ayah: Zo zul je de weg nooit vinden.

Hans: Ik blijf er zo ver mogelijk van weg.

Ayah: Van welke weg?

Hans: Van elke weg.

Ayah: Wat als je elke weg weet te mijden?

Hans: Dan gaat er een wereld voor je open.

Helikopterview van een dansende derwisj met daaromheen een spiraal van mensen in bidhouding.
Hoe je iemand volgt die alleen maar om zijn as draait.

Hoe vind jij het om voornamelijk dier te zijn?

Hoop je ooit volledig aan je dierlijkheid te ontsnappen?

Wat vind jij kenmerkend voor mensen, hun leugenachtigheid of hun eerlijkheid?

Hoe zou het zijn als iedereen kon horen wat jij allemaal dacht?

Hoe zou het zijn als jij kon horen wat iedereen dacht?

Hoe zou het zijn als je zelf niet meer kon horen wat je dacht?

En als alleen jij niet kon horen wat je dacht, maar alle anderen wel?

Aan wie of wat ben jij op dit moment onderworpen?

Door wie of wat zou jij best onderworpen willen worden?

Wie of wat onderwerp jij aan jezelf?

Wie of wat zou jij best aan je willen kunnen onderwerpen?

Waar voel jij je het best, op de weg of in het veld?

43 - Verwarring is het meest nabij

De waarheid heeft alle geleerden van de islam in verwarring gebracht. Iedereen die de psalmen bestudeerd heeft. Elke joodse rabbi. Elke christelijke priester.

Ibn el-Arabi


Hans: Verwarring is het meest nabij.

Ayah: Volgens koan twintig van het Boek van Sereniteit is nietweten het meest nabij.

Hans: Dat komt op hetzelfde neer.

Ayah: Volgens mij wil el-Arabi alleen maar zeggen dat geleerdheid niet de weg naar wijsheid is.

Hans: Dwaasheid is het meest nabij.

Ayah: Maar wat is nou de waarheid?

Hans: Noem dat desnoods de waarheid.

Ayah: Ik snap er eerlijk gezegd niets van.

Hans: Eerlijkheid is het meest nabij.

Ayah: En die Ibn el-Arabi is me ook een raadsel.

Hans: Raadsels zijn het meest nabij.

Ayah: Heb je dan werkelijk niets te zeggen?

Hans: Niets zeggen is het meest nabij.

Ayah: Ik vind het om te huilen.

Hans: Lachen is het meest nabij.

Ayah: Wat is eigenlijk niet nabij?

Hans: Alles is het meest nabij.

Ayah: Nou weet ik het helemaal niet meer.

Hans: Verwarring is het meest nabij.


Wat is voor jou het meest nabij?

44 - Zolang je me zoekt, zul je me missen

Volgens de Profeet heeft de Waarheid verklaard:

Ik ben niet verborgen in wat hoog of laag is.
Niet in aarde, lucht of troon.
Dit is zekerheid, o geliefde –
Ik ben verborgen in het hart van de gelovigen.
Als je me zoekt, zoek dan in deze harten.

Rumi


Hans:

Ik ben niet verborgen.
Niet in wat hoog of laag is.
Niet in aarde, lucht of troon.
Niet in het hoofd of het hart.
Niet in geloof, niet in ongeloof.
Niet in zekerheid, niet in twijfel.
Als je me zoekt, zul je me missen.
Maar verborgen ben ik niet.

Ayah: Waar gaat dit over?

Hans: Dat is de vraag niet.

Ayah: Wat is de vraag wel?

Hans: Wanneer gaat dit over?

Ayah: Heb je het nou over God?

Hans: Wat ben ik, een profeet?

Ayah: Over de Waarheid?

Hans: Wat ben ik, een leugenaar?

“Zolang je iets zoekt, zul je het missen.”

Ayah: Over de Liefde?

Hans: Wat ben ik, blind?

Ayah: Over de boeddhanatuur?

Hans: Wat ben ik, een substantialist?

Ayah: Over het Ware Zelf?

Hans: Wat ben ik, een ander?

Ayah: Over de gewone geest?

Hans: Wat ben ik, een spook?

Ayah: Over Bewustzijn?

Hans: Wat ben ik, een idee?

Ayah: Over Eeuwige Wijsheid?

Hans: Wat ben ik, een dwaas?

Ayah: Over het Mysterie?

Hans: Wat ben ik, een goochelaar?

Ayah: Over jezelf?

Hans: Wat ben ik, een narcist?

Ayah: Waar heb je het dan over?

Hans: Wat ben ik, een oud wijf?

Ayah: En jij zou niet verborgen zijn?

Hans: Zolang je me zoekt, zul je me missen.

Ayah: En anders?

Hans: Niet.

Ayah: Missen in de zin van eroverheen kijken?

Hans: Waar overheen kijken?

Ayah: Of in de zin van vruchteloos verlangen?

Hans: Waar vruchteloos naar verlangen?

“De vraag is niet waar dit over gaat. De vraag is wanneer het overgaat.”

Ayah: Jij geeft niets maar dan ook niets prijs, hè?

Hans: Ik geef alles maar dan ook alles prijs. Hebben?

Ayah: …

Hans: Wat is er?

Ayah: Soms zie ik iets… glinsteren…

Hans: Het zullen je ogen toch niet zijn?


Zie jij weleens iets glinsteren?

Wil je het dan meteen hebben?

Zou jij het zoeken kunnen missen?

Zo nee, is dát dan niet wat je zoekt?

Zo ja, heb je het dan niet allang gevonden?

Draaien als een derwisj 11

Miniderwisj die rondjes draait op de hoed van een kleine derwisj die rondjes draait op de hoed van een grote derwisj… (droste-effect).

45 - Waar zoek jij jezelf?

Toen iemand bij hem aanklopte, riep Bayazid: ‘Wie zoekt u?’ De bezoeker antwoordde: ‘Bayazid.’ Bayazid zei: ‘Ik zoek hem al drie decennia en nog heb ik hem niet gevonden.’


Hans: Wat een volhouder, hè?

Ayah: Hoe lang zoek jij al?

Hans: Ik ben helemaal uitgezocht.

Ayah: Omdat jij jezelf hebt gevonden?

Hans: Zo ver zou ik niet willen gaan.

Ayah: Omdat jij het Zelf hebt gerealiseerd?

Hans: Zo ver zou ik niet willen gaan.

Ayah: Omdat jij het niet-zelf hebt gerealiseerd?

Hans: Zo ver zou ik niet willen gaan.

“Hoe ver je zou moeten gaan? Naar waar je nog op weg moest gaan.”

Ayah: Omdat jij de of het Ene hebt gerealiseerd?

Hans: Zo ver zou ik niet willen gaan.

Ayah: Omdat er niets of niemand te vinden of te realiseren valt?

Hans: Zo ver zou ik niet willen gaan.

Ayah: Hoe ver zou ik moeten gaan?

Hans: Naar waar je nog op weg moest gaan.

Ayah: Dat punt heb ik nog niet bereikt.

Hans: Dat punt ben jij allang voorbij.

Ayah: Ik zoek nog altijd naar mezelf.

Hans: En daarom klop je aan bij mij?


Hoop jij jezelf te vinden of te verliezen?

Bij wie klop je daarvoor aan?

Wat is volgens jou het verschil tussen de persoon, de wil, de geest, de ziel, het geweten, het verstand, het instinct, de intuïtie, het brein, het hart, het ego, bewustzijn, Bewustzijn, het zelf, het Zelf, je boeddhanatuur, Atman en Anatman?

Hoeveel van deze entiteiten heb jij al gevonden/verloren?

Hoeveel hoop je er nog te vinden/verliezen?

46 - De derwisj en de narcist

Een man ging naar de deur van de Beminde en klopte aan. Een stem vroeg: ‘Wie is daar?’ De man antwoordde: ‘Ik ben het.’ De stem zei: ‘Er is hier geen plaats voor mij en jou.’ De deur bleef dicht.

Na een jaar van eenzaamheid en onthouding keerde de man terug naar de deur van de Beminde. Hij klopte aan. Een stem van binnen vroeg: ‘Wie is daar?’ De man zei: ‘U bent het.’ De deur ging open.

Rumi


Hans: Een man ging naar de deur van de Beminde en klopte aan. Een stem vroeg: ‘Wie is daar?’ De man antwoordde: ‘Ik ben het.’ De stem zei: ‘Er is hier geen plaats voor mij en jou.’ De deur bleef dicht.

Na een jaar keerde de man terug naar de deur van de Beminde, die zijn tijd had doorgebracht in eenzaamheid en onthouding. De man klopte aan. De stem riep: ‘Jij bent het! Kom binnen!’ De deur bleef open.

Ayah: Ah, ja!

Hans: Er bestaat een mondeling overgeleverd vervolg op dit verhaal dat bij weinigen bekend is. Wil je het horen?

Ayah: Nou?

Hans: Een jaar later keerde de man opnieuw terug naar de deur van de Beminde, maar er was geen deur. Een stem achter hem riep: ‘Jij bent het! Kom je buiten spelen?’

Draaien als een derwisj 12

Geraamte met een hoepelrok in de vorm van een reuzenborstkas, dansend als een derwisj.

47 - Niemand kent Haar ware geslacht

Geen menselijke geest kan de vorm begrijpen van het wezen dat men God noemt.

Sanai


Hans: Laat staan Zijn geest.

Ayah: Geen menselijke geest kan de vorm of de geest begrijpen van het wezen dat men God noemt?

Hans: Ik tenminste niet.

Ayah: Ik ook niet.

Hans: Laat staan Zijn wezen.

Ayah: Geen menselijke geest kan de vorm of de geest of het wezen begrijpen van het wezen dat men God noemt.

Hans: Of zelfs maar Zijn naam.

Ayah: Niemand kent Zijn ware naam.

Hans: Of zelfs maar Haar ware geslacht.

Ayah: Nee, maar dat praat zo moeilijk.

Hans: En geen menselijk geest kan de vorm begrijpen van het wezen dat men mens noemt.

Ayah: Mensen zijn net water.

Hans: Laat staan zijn geest.

Ayah: Ik probeer het al vijftig jaar vergeefs.

Hans: Laat staan zijn of haar wezen.

Ayah: Of zijn of haar wat dan ook.

Hans: Zijn zijn noch haar haar.

Ayah: Wat zou dat toch voor wezen wezen?

Hans: Wie kan zelfs maar het blote bestaan bevestigen van datgene waarvan hij vorm noch geest noch wezen begrijpt?

Ayah: Ik pas.

Hans: Of zelfs maar ontkennen?

Ayah: Hebben we het nu over God of over de mens?

Hans: Wie kent het verschil tussen onbegrijpelijkheden waarvan hij zelfs het bestaan niet kan verifiëren?

Ayah: Hebben we het eigenlijk nog wel ergens over?

Hans: Dat durf ik niet te bevestigen.

Ayah: Ik was er al bang voor.

Hans: Of zelfs maar te ontkennen.


Ken jij de vorm en de geest en het wezen van God?

Ken jij de vorm en de geest en het wezen van de mens?

Ken jij de vorm en de geest en het wezen van jouw persoontje?

Ken jij de vorm en de geest en het wezen van de poepbacterie?*

Ken jij de vorm en de geest en het wezen van de waterstofmolecule?

* Pardon, van Escherichia coli (met een hoofdletter).

48 - Bidden om niet

Het doel waarvoor koningen bidden, is een glimp op te vangen van het wezen van de derwisj.

Hafiz


Hans: Dan kunnen ze lang bidden.

Ayah: Het is niet te hopen.

Hans: Tenzij dat hun doel is.

Ayah: Lang bidden?

Hans: Sommige mensen voelen zich daar wel bij.

Ayah: Wat is volgens jou het doel waarvoor koningen bidden?

Hans: Het doel waarvoor alle mensen bidden?

Ayah: Namelijk?

Hans: Doelloosheid?

Ayah: Meen je dat nou?

Hans: Sommige mensen voelen zich daar wel bij, of denken dat ze zich er wel bij zullen voelen.

Ayah: En wat is volgens jou het wezen van de derwisj?

Hans: Het wezen van alle mensen?

Ayah: Namelijk?

Hans: Nergens meer voor hoeven bidden?

Ayah: Meen je dat nou?

Hans: Sommige mensen voelen zich daar wel bij, of denken dat ze zich er wel bij zullen voelen.

Ayah: Volgens mij doet een derwisj weinig anders dan bidden.

Hans: Maar bidt hij ook ergens voor?

Ayah: Waarom zou een derwisj nergens meer voor bidden?

Hans: Omdat al zijn wensen zijn vervuld of omdat hij denkt dat al zijn wensen zijn vervuld of omdat hij niet meer weet wat zijn wensen zijn en of ze zijn vervuld?

Ayah: Hoe kan dat?

Hans: Doordat ze niet meer van hem zijn of doordat hij denkt dat ze niet meer van hem zijn of doordat hij niet meer denkt dat ze van hem zijn of doordat hij niet meer weet of ze van hem zijn?

Ayah: Hoe kan dat?

Hans: Doordat hij zichzelf is kwijtgeraakt of doordat hij denkt dat hij zichzelf is kwijtgeraakt of doordat hij niet meer weet dat of wat hij is of doordat hij niet meer denkt in termen van zelf en niet-zelf?

Ayah: Hoe kan dat?

“Nergens meer voor hoeven bidden is waarvoor mensen bidden.”

Hans: Doordat hij God heeft gevonden of doordat hij denkt dat hij God heeft gevonden of doordat hij een is geworden met God of doordat hij denkt dat hij één is geworden met God of doordat hij niet meer weet dat of wat God is of doordat hij niet meer denkt in termen van god en niet-god?

Ayah: Wat een mogelijkheden allemaal.

Hans: Of anders gewoon doordat hij niet langer zoekt.

Ayah: God vind je door Hem niet langer te zoeken?

Hans: Dat weet ik niet.

Ayah: Wat weet je wel?

Hans: Wie God niet zoekt is God niet kwijt.

Ayah: Ah ja.

Hans: Wie niets meer zoekt is niets meer kwijt.

Ayah: En dat zou het wezen van de derwisj zijn?

Hans: Of anders zijn wezenloosheid.

Ayah: Wat versta jij onder wezenloosheid?

Hans: Dat je niet meer weet wat je in wezen bent en of je in wezen wel iets bent en of je wel wezenlijk bent en wat dat eigenlijk betekent en wat het er in godsnaam toe doet.

Ayah: Dan is het doel waarvoor koningen en mensen bidden een glimp op te vangen van de wezenloosheid van de derwisj.

Hans: Maar eigenlijk die van henzelf.

Ayah: Waarom niet die van de derwisj?

Hans: Omdat niemand daar een boodschap aan heeft.

Ayah: Behalve de derwisj zelf.

Hans: Die al helemaal niet meer.

“Een glimp opvangen van mijn eigen wezenloosheid heeft me met blindheid geslagen.”

Ayah: Maar waarom zou je bidden om een glimp op te vangen van je eigen wezenloosheid?

Hans: Sommige mensen voelen zich daar wel bij, of denken dat ze zich er wel bij zullen voelen.

Ayah: Wat als je je daar niet wel bij voelt of denkt dat je je er niet wel bij zult voelen?

Hans: Dan mag je bidden dat je er geen glimp van opvangt.

Ayah: Heb jij er een glimp van opgevangen?

Hans: Het heeft me met blindheid geslagen.

Ayah: Dan hoef je nooit meer te bidden.

Hans: Toch zit ik almaar te bidden.

Ayah: Wat is bidden voor jou?

Hans: Dit is bidden voor mij.

Ayah: Bidden in het duister.

Hans: Bidden als het duister.

Ayah: Bidden omdat je niks ziet.

Hans: Bidden om niet.


Wat is bidden voor jou?

Denk jij dat jouw wensen van jou zijn of denk je dat ze niet van jou zijn of weet je niet meer of ze van jou zijn of wat?

Zijn al jouw wensen vervuld of denk je dat ze allemaal zijn vervuld of denk je dat ze ooit allemaal zullen zijn vervuld of weet je niet (meer) wat jouw wensen zijn en of ze vervuld zijn of zullen worden?

Heb jij God gevonden of denk je dat je God gevonden hebt of ben je één met God of weet je niet meer dat of wat God is?

Denk jij dat je jezelf bent of denk je dat je zonder zelf bent of denk je dat je het Zelf bent of denk je dat er geen Zelf is of weet je niet meer wat of dat je bent?

49 - Dwangvoorstellingen over vooroordelen

Soefi zijn betekent dat je je losmaakt van vooroordelen en dwangvoorstellingen, en niet probeert je lot te ontlopen.

Abu-Said, zoon van Abi-Khair


Hans: Wat als vooroordelen en dwangvoorstellingen je lot zijn?

Ayah: Het belangrijkste lijkt mij wel om van je vooroordelen af te komen.

Hans: Wat als dit een van die vooroordelen is?

Ayah: Dan zal het wel het belangrijkste zijn om van je dwangvoorstellingen af te komen?

Hans: Wat als dit een van die dwangvoorstellingen is?

Ayah: Dan moet je lot niet proberen te ontlopen wel het belangrijkste zijn.

Hans: En als je lot proberen te ontlopen je lot is?

Ayah: Verdraaid.

Hans: Hou je niet van tegenstrijdigheden?

Ayah: Wat kan ik doen om ervan af te komen?

Hans: Je losmaken van je dwangvoorstellingen en vooroordelen, en niet proberen je lot te ontlopen?

50 - Tot de derwisj zich in zijn graf omdraait

Aan hen die in de conventionele godsdienst waarheid zoeken:

Tot seminarium en minaret in puin zijn gevallen
is ons heilige werk niet gedaan.

Tot het geloof verwerping wordt en verwerping geloof
zal er geen ware gelovige bestaan.

Abu-Said


Hans: Geloof je dat?

Ayah: Eh… oh…

Hans: Nou?

Ayah: Eerlijk gezegd wel.

Hans: Abu-Said zou zich in zijn graf omdraaien.

Ayah: Daar is hij derwisj voor.

Hans: Dansen als een dode.

Ayah: Dus ik had moeten zeggen dat ik er niet in geloof?

Hans: Abu-Said zou zich in zijn graf omdraaien.

Ayah: Waarom?

Hans: ‘Tot geloof verwerping wordt en verwerping geloof.’

Ayah: Maar hij had het toch alleen over conventionele godsdienst?

Hans: Je moet ergens beginnen.

Ayah: Hij had het niet over het soefisme.

Hans: Misschien spreekt hij hier tegen beginnende soefi’s.

Ayah: Wat zou hij tegen de Vrienden hebben gezegd?

Hans: Dat weet ik niet.

Ayah: Wat zou jij tegen de Vrienden zeggen?

Hans:

Tot seminarium en minaret in puin zijn gevallen
Tot het geloof verwerping wordt en verwerping geloof
Tot dit heilige werk van ons teniet is gedaan
Tot de ware gelovigen verdwenen zijn
Tot ook de verwerping verworpen is
En het vergeten is vergeten…

Ayah: Ga door.

Hans: Ik kijk wel linker uit.

Ayah: Hoezo?

Hans: Voor je het weet wordt het conventionele godsdienst.


Doe jij heilig werk?

Maak jij daarmee andermans heilige werk ongedaan?

Zijn er anderen wiens heilige werk het is jouw heilige werk ongedaan te maken?

Wanneer is het heilige werk volgens jou gedaan?

Stel je voor dat het heilige werk nooit gedaan is. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat het heilige werk ooit gedaan is. Hoe voelt dat?

Wat zou je doen als het heilige werk gedaan was?

Draaien als een derwisj 13

Hele dikke derwisj in een sierlijke zweefpas.

51 - Gedachten zijn hogere machten

O Heer! Zo ik u aanbid uit vrees voor de hel, werp mij in de hel. Zo ik u aanbid uit begeerte naar het paradijs, ontzeg mij het paradijs.

Rabia


Hans: O Heer, zo ik u aanbid, ontzeg mij uw wezen. Zo ik u verzoek, ontzeg mij uw naam.

Ayah: Volgens mij wil Rabia zeggen dat aanbidding van God met als doel om in het paradijs te komen of uit de hel te blijven geen ware aanbidding is.

Hans: Waarom niet?

Ayah: Omdat het ingegeven is door eigenbelang.

Hans: God verzoeken om je het paradijs te ontzeggen of in de hel te werpen is net zo goed ingegeven door eigenbelang. Of denk jij dat God niets beters te doen heeft?

Ayah: Rabia wil Hem alleen maar op de juiste manier aanbidden.

Hans: Denk jij dat er voor God maar één juiste manier van aanbidden is?

Ayah: Daar zeg je zo wat. Misschien zijn er wel meerdere juiste manieren om Hem te aanbidden.

Hans: Denk jij dat er voor God een onjuiste manier van aanbidden is?

Ayah: Daar zeg je zo wat. Misschien zijn alle manieren om Hem te aanbidden wel juist.

Hans: Denk jij dat er voor God een juiste manier van aanbidden is?

Ayah: Daar zeg je zo wat. Misschien schieten alle manier van aanbidden wel tekort.

Hans: Denk jij dat God aanbeden wil worden?

Ayah: Daar zeg je zo wat. Misschien wil hij alleen maar met rust gelaten worden.

Hans: Denk jij dat God niet voor zijn eigen rust kan zorgen?

Ayah: Wat een veronderstellingen allemaal, hè?

“Misschien is de hel wel je angst voor de hel.”

Hans: Over veronderstellingen gesproken, misschien wil Hij zelf weleens iemand aanbidden.

Ayah: Waarom zou Hij?

Hans: Al was het maar voor de verandering.

Ayah: Ja, waarom ook niet.

Hans: Of misschien is God wel een van ons.

Ayah: Dan zou Hij wel heel beperkt zijn.

Hans: Misschien is jouw beeld van ons wel heel beperkt.

Ayah: Daar zeg je zo wat.

Hans: Misschien is God wel Rabia.

Ayah: In dat geval heeft Rabia geen juist godsbeeld.

Hans: In dat geval heeft Rabia geen juist zelfbeeld.

Ayah: We kunnen het haar niet meer vragen.

Hans: Probeer het anders eens bij God.

Ayah: Die geeft aldoor niet thuis.

Hans: Past dat in jouw godsbeeld?

Ayah: Past het in jouw godsbeeld?

Hans: Alles past, ik heb geen beeld.

Ayah: Niets past, je hebt geen beeld.

Hans: Dat komt op hetzelfde neer.

Ayah: Vrees jij de hel?

Hans: Is er een hel?

Ayah: Ik weet het niet.

Hans: Misschien is de hel wel je angst voor de hel.

Ayah: Sommigen mensen zijn doodsbang voor de hel.

Hans: Of voor hun voorstelling van de hel.

Ayah: Want de hel zelf moet nog komen, wou je zeggen.

Hans: Tenzij dit hem al is.

Ayah: De mens lijdt het meest…

Hans: Aan de beelden in zijn geest?

Ayah: Begeer jij het paradijs?

Hans: Is er een paradijs?

Ayah: Ik weet het niet.

Hans: Misschien is het paradijs wel je verheugenis op het paradijs.

Ayah: Want het paradijs zelf moet nog komen, wou je zeggen.

Hans: Tenzij dit het al is.

Ayah: De mens houdt het meest…

Hans: Van de pret vóór het feest?

Ayah: Is het leven zelf en wat het nog voor ons in petto heeft niet net zo goed een voorstelling als de hel en het paradijs?

Hans: Het leven zelf weet ik zo net niet. Wat het nog voor ons in petto heeft misschien wel.

“Misschien is het paradijs wel je verheugenis op het paradijs.”

Ayah: Misschien?

Hans: Tenzij je in de toekomst kunt kijken.

Ayah: Daar heb ik tot nog toe weinig succes mee gehad. Jij?

Hans: Ik kan niet eens in het verleden kijken.

Ayah: In hét verleden niet of in jouw verleden niet?

Hans: Zie ze maar eens uit elkaar te houden.

Ayah: Maar je herinnert je toch wel hoe het vroeger was?

Hans: Jawel, maar mijn herinneringen veranderen steeds.

Ayah: Ja, dat heb ik ook.

Hans: En met het heden weet je het ook nooit.

Ayah: Wat staat ons nog allemaal te wachten.

Hans: Gedachten zijn hogere machten.


Wat past er wel en niet in jouw godsbeeld?

Vrees jij de hel?

Is dit volgens jou al de hel of moet hij nog komen?

Doe of laat jij dingen om te voorkomen dat je in de hel terechtkomt?

Droom jij van het paradijs?

Is dit volgens jou al het paradijs of moet het nog komen?

Doe of laat jij dingen om in het paradijs terecht te komen?

52 - Wie wiedt die ziet

In cel en kloostergang, in klooster en synagoge: sommigen vrezen de hel en anderen dromen van het paradijs. Maar niemand die de geheimen van zijn God volledig kent, heeft zaadjes als deze in zijn hart geplant.

Omar Khayyam


Hans: Sommigen vrezen God en anderen Satan. Maar niemand die de geheimen van het leven volledig erkent, heeft zaadjes als deze in zijn hart geplant.

Ayah: Geen paradijs, geen hel, geen God, geen Satan.

Hans: Wie wiedt die ziet, zo klinkt mijn lied.

Ayah: Zinspeel je nu op non-dualiteit?

Hans: Sommigen dromen van onderscheid, anderen van eenheid. Maar niemand die de geheimen van het leven volledig erkent, heeft zaadjes als deze in zijn hart geplant.

Ayah: Van jou wordt je ook niet wijzer.

Hans: Sommigen zoeken wijsheid, anderen dwaasheid. Maar niemand die de geheimen van zijn leven volledig erkent, heeft zaadjes als deze in zijn hart geplant.

Ayah: Geloof jij dan helemaal nergens in?

Hans: Sommigen zijn gelovig, anderen ongelovig. Maar niemand die de geheimen van het leven volledig erkent, heeft zaadjes als deze in zijn hart geplant.

Ayah: Wat voor zaadjes heb jij zoal geplant?

Hans: Ik zaai alleen maar twijfel.

Ayah: Waar is dat goed voor?

Hans: Sommigen kijken of het baat, anderen of het schaadt. Maar niemand die de geheimen van het leven volledig erkent, heeft zaadjes als deze in zijn hart geplant.


Erken jij de geheimen van het leven?

Wat voor zaadjes heb jij in je hart geplant?

Bloeit het daardoor op of groeit het daardoor dicht?

53 - Blind als een derwisj

Het geheim moet aan alle niet-mensen onthouden worden. Het mysterie moet voor alle idioten verborgen blijven. Zie wat je de mensen aandoet! Het Oog moet voor alle mensen verborgen blijven.

Omar Khayyam


Hans: Zeg hem maar dat hij zich niet ongerust hoeft te maken.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Niet-mensen kun je het geheim toch niet onthouden en mensen kun je er onmogelijk iets mee aandoen.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Omdat alle idioten zich voor het mysterie verborgen houden. Omdat alle mensen wegkijken van hun oog.

Ayah: Ze willen er niets van weten.

Hans: Omdat ze alles al weten.

Ayah: En jij?

Hans: Ik weet zelfs niet van niet-weten.

Ayah: En dat zou het mysterie zijn?

Hans: Vraag maar aan Omar.

Ayah: Die is al eeuwen dood.

Hans: Daarom heeft hij het geheim nog niet meegenomen in zijn graf.

“Ik ben een mysterie. Jij bent een mysterie. Alle wezens zijn een mysterie. Alle niet-wezens zijn een mysterie.”

Ayah: Wat heeft hij er dan mee gedaan?

Hans: Alsof je er iets mee kunt doen.

Ayah: Wat is volgens jou het mysterie?

Hans: Ik ben een mysterie. Jij bent een mysterie. Omar Khayyam is een mysterie. De idioten zijn een mysterie. Alle mensen zijn een mysterie. Alle wezens zijn een mysterie. Alle niet-wezens zijn een mysterie.

Ayah: De hele wereld is het mysterie?

Hans: De hele wat?

Ayah: Is God een ander woord voor mysterie?

Hans: God, daar vraag je me wat.

Ayah: Wat is geen mysterie?

Hans: Wat is een mysterie?

Ayah: Nou?

Hans: Een woord? Een feit? Een ervaring? Een gedachte? Een manier van kijken? De volgende waan?

Ayah: De hoogste werkelijkheid, zou ik zeggen.

Hans: Idioot.

Blinde derwisj die met twee blindenstokken een wesp van zich af probeert te slaan.
“Het Oog moet voor alle mensen verborgen blijven.”

Wat is volgens jou het mysterie?

Ben jij een ingewijde?

Moet het mysterie voor alle idioten verborgen blijven?

Stel je voor dat jij het geheim eindelijk zou kennen. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat je de enige bent die het kent. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat je de enige bent die het niet kent. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat niemand het geheim ooit zal kennen. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat het grootste geheim is dat iedereen alleen maar doet alsof hij het geheim kent. Hoe voelt dat?

Stel je nu eens voor dat je je niets voorstelt. Hoe voelt dat?

54 - Niet-weten is geen gezicht

Waar je maar kijkt, daar is het gelaat van God. Les je je dorst met water uit een kom, dan aanschouw je God in het water. Wie geen minnaar is van God, ziet zijn eigen beeld in het water.

Kijk verder dan je neus lang is. Kun je, als het beeld van de minnaar is opgegaan in de Geliefde, wel iemand anders in het water zien? Zeg me dat!

Rumi


Hans: Waar je maar kijkt, daar is het mysterie.

Zie je water in een kom, dan aanschouw je het mysterie van het water. Het mysterie van het zien. Het mysterie van waarneming op afstand.

Zie je jezelf in het water, dan aanschouw je het mysterie van je gelaat. Het mysterie van je ogen. Het mysterie van weerspiegeling, beeld in beeld.

Drink je het water uit de kom, dan proef je het mysterie op je tong. Het mysterie van je mond. Het mysterie van de smaak.

Draag je de kom in je handen dan voel je het mysterie in je vingers. Het mysterie van de kom. Het mysterie van gevoel. Het mysterie van je spieren.

Lees je deze zinnen, dan hoor je het mysterie in je hoofd. Het mysterie van de woorden. Het mysterie van klinken zonder klanken. Het mysterie van je geest.

Als je erover nadenkt, dan denk je het mysterie. Is er werkelijk zoiets als het mysterie of is het mysterie een gedachte in mij? Zie ik wonderen of zie ik mijn verwondering? Zie ik het wonder van mijn verwondering of bén ik verwondering misschien?

Is er werkelijk een mij of is dat maar een concept, een gevoel, een ervaring, een gedachte, ergens in of nergens in? Ook dat is het mysterie.

Zijn dit reële gedachten of zijn ze voor zichzelf begonnen? Ook dat is het mysterie.

Waar je maar kijkt, daar is het mysterie.

“Zie je jezelf in het water, dan aanschouw je het mysterie van je gelaat. Het mysterie van je ogen. Het mysterie van weerspiegeling, beeld in beeld.”

Ayah: Als je het mysterie God noemt, zeg je in wezen hetzelfde als Rumi.

Hans: Kun je, als alle denkbeelden opgegaan zijn in niet-weten, nog wel iets anders dan water zien?

Ayah: Tja.

Hans: Kun je dan nog wel water zien?

Ayah: Waar je maar kijkt, daar is het gelaat van niet-weten.

Hans: Dat had je gedroomd.

Ayah: Hoezo?

Hans: Niet-weten is geen gezicht.


Wat zie jij overal? Jezelf? Het Zelf? God? De boeddhanatuur? Energie? Vergankelijkheid? Voordelen? Nadelen? Het mysterie? Dingen? Het zien van de dingen? De ziener van de dingen? Geest? Bewustzijn? Eenheid? Lijden? Liefde? Haat? Antwoorden? Vragen? Mensen die overal hetzelfde zien?

Denk je dat iedereen overal ziet wat jij overal ziet?

Zijn jouw beste vrienden mensen die ook overal zien wat jij overal ziet?

Zijn mensen die niet overal zien wat jij overal ziet blinden die de ogen geopend moeten worden?

Is datgene wat jij tegenwoordig overal ziet hetzelfde als datgene wat je vroeger overal zag en in de toekomst overal zult zien?

Stel je voor dat je nooit meer overal kon zien wat je nu overal ziet. Hoe voelt dat?

Draaien als een derwisj 14

Derwisj in een dwangbuis die alleen zijn hoofd laat draaien.

55 - Je weet niet wat je ziet

Toen de filosoof en de soefi elkaar ontmoetten, zei Avicenna, Wat ik weet, ziet hij. Abu Said merkte op: Wat ik zie, weet hij.


Hans: Ik weet niet wat ik zie.

Ayah: Een puntige filosofische uitspraak.

Hans: Dank je.

Ayah: Maar ik mis de religieuze dimensie.

Hans: Ik weet wat ik niet zie.

Ayah: Als je het nou het Hogere had genoemd…

Hans: Ik zie niet wat jij ziet.

Ayah: Of het Mysterie…

Hans: Ik weet niet wat ik weet…

Ayah: Dan hadden we tenminste van mystiek kunnen spreken.

Hans: Maar ik zie wat jij niet ziet.

Ayah: Waarom zeg je dat dan niet?

Hans: Ik weet niet hoe het heet.

Ayah: Iets dat je gauw vergeet?

Hans: Ik zie wat ik niet weet.

56 - De duider en de dwaas

Voor hem die waarnemingsvermogen bezit is alleen al een teken voldoende. Voor hem die nergens werkelijk acht op slaat zijn duizend verklaringen niet genoeg.

Hadji Bektash


Hans: Voor hem die weet, zijn duizend verklaringen niet genoeg. Voor hem die niet weet is ieder teken teveel.

57 - De derwisj, de duivel en hun advocaat

Tijdens het mediteren, merkte een derwisj dat er een duivel naast hem zat. De derwisj zei: ‘Moet u geen kwade streken uithalen?’ De duivel zei: ‘Nu er zoveel theoretici en aanstaande leraren op het Pad zijn, is er voor mij geen eer meer te behalen.’


Hans: Toen hij weer eens stond te dansen, merkte een derwisj dat er een duivel in hem zat. De derwisj zei: ‘Moet u geen kwade streken uithalen?’ De duivel zei: ‘Of ik het nou doe of u.’

Ayah: Ai.

Hans: Ach.

Ayah: En die theoretici dan?

Hans: Toen hij weer eens stond te dansen, merkte een derwisj dat er een theoreticus in hem zat.

Ayah: Oei.

Hans: Och.

Ayah: En die aanstaande leraren dan?

Hans: Toen hij weer eens stond te dansen, merkte een derwisj dat er een leraar in hem zat.

Ayah: Volgens mij heb jij de duivel in je.

Hans: En zijn advocaat.

Ayah: Dan is er weinig hoop.

Hans: Toen hij weer eens stond te dansen, merkte een duivel dat er een derwisj in hem zat.

Draaien als een derwisj 15

Derwisj in zwarte rok en vest met hoorntjes, bokkenpootjes en een staart.

58 - Een van allen, allen in een

Voor de zondigen en boosaardigen ben ik het kwade, maar voor de goeden – weldadig ben ik.

Mirza Khan


Hans: Voor de goedaardigen en braven – ik ben een van jullie. Voor de zondigen en boosaardigen – een van jullie ben ik.

Ayah: Voor wie ben jij weldadig?

Hans: Ik ben een van hen.

Ayah: En voor wie ben jij het kwade?

Hans: Een van hen ben ik.

59 - Leermeesters hebben niets

Leermeesters spreken over leerstellingen. Ware leermeesters bestuderen ook hun leerlingen. Bovenal, leermeesters dienen bestudeerd te worden.

Musa Khan


Hans: Leerstellingen hebben leerlingen. Leerlingen hebben leermeesters. Leermeesters hebben niets.

Ayah: Zou jij mijn leermeester kunnen zijn?

Hans: Leermeesters hebben niets.

Ayah: Dus ook geen leerlingen.

Hans: Laat staan een titel.

Ayah: Wat als een leermeester zijn leerling bestudeert?

Hans: Dat moet je aan een leermeester vragen.

Ayah: Wat denk jij dat hij zou zeggen?

Hans: Niets.

Ayah: Niets?

Hans: Als hij zijn leerling goed bestudeerd heeft niet.

Ayah: En anders?

Hans: Conclusies.

“Leerstellingen hebben leerlingen. Leerlingen hebben leermeesters. Leermeesters hebben niets.”

Ayah: Wat als de leerling zijn leermeester bestudeert?

Hans: Zelfde verhaal.

Ayah: Niets, en anders conclusies?

Hans: Dat is nog steeds een conclusie.


Heb jij leermeesters?

Heb jij leerstellingen?

Heb jij leerlingen?

Stel je voor dat je geen leermeesters, leerstellingen of leerlingen hebt. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat je één of meer of vele leermeesters, leerstellingen en leerlingen hebt. Hoe voelt dat?

Welke conclusie trek jij uit deze tekst?

60 - Vallen als een derwisj

Een kind bezit geen ware kennis van de verworvenheden van een volwassene. Een gewone volwassene kan de verworvenheden van een geleerde niet bevatten. Op dezelfde wijze kan een geleerde de ervaringen van verlichte heiligen en soefi’s niet bevatten.

El-Ghazali


Hans: Een ongeschoolde volwassene kan de verworvenheden van een geschoolde niet bevatten. Een geschoolde volwassene kan de verworvenheden van een geleerde niet bevatten. Maar vallen kunnen ze allemaal.

Ayah: En een kind?

Hans: Dat zit nog te laag bij de grond.

Ayah: En die verlichte heiligen en soefi’s dan?

Hans: Hoogmoed komt vóór de val.

Vallende derwisjen die hun rok als parachute gebruiken.
Vallen als een derwisj.

61 - Vliegen als een derwisj

Telkens weer ben ik als gras gegroeid. Ik heb zevenhonderdzeventig vormen meegemaakt. Ik ben aan het minerale gestorven en plantaardig geworden. Ik ben aan het plantaardige gestorven en dierlijk geworden. Ik ben aan het dierlijke gestorven en een mens geworden. Waarom dan bang zijn door de dood te verdwijnen?

De volgende keer sterf ik en breng vleugels en veren als de engelen voort. Daarna, hoger opvliegend dan de engelen – Wat u zich niet kunt voorstellen, dat word ik.

Rumi


Hans: Wat je je niet kunt voorstellen, dat ben ik.

Ayah: Dat ben ik?

Hans: Jij ook ja.

Ayah: Hoe bedoel je?

Hans: Dat je voor het onvoorstelbare echt niet dood hoeft te gaan.

Ayah: Niet?

Hans: Is gras al niet compleet onvoorstelbaar?

Ayah: Gras?

Hans: Mineralen, dieren, vleugels, veren, engelen, vliegen?

Ayah: Wat is daar onvoorstelbaar aan?

Hans: Stel je maar eens voor dat het er allemaal niet is.

Ayah: Ja, en?

Hans: En dat je het je dan zelf moet voorstellen.

Ayah: Helemaal uit het niets, bedoel je.

Hans: Het lot van de Schepper vóór de schepping.

Ayah: Ik geloof dat ik me dan alleen het niets zou kunnen voorstellen.

Hans: Als er niets was, zou jij er ook niet zijn om het je voor te stellen.

Ayah: Nou, dat begint al goed.

Hans: Waren er wel voorstellingen mogelijk op de eerste dag of moest er eerst een voorstellingsvermogen geschapen worden?

Ayah: Ai.

Hans: Is het wel mogelijk om een voorstellingsvermogen te scheppen op de eerste dag als je nog niet over het voorstellingsvermogen beschikt om je een voorstellingsvermogen voor te stellen?

Ayah: Was er wel verandering mogelijk op de eerste dag of moest er eerst tijd geschapen worden?

Hans: Was er wel plaats om dingen te scheppen of moest er eerst ruimte geschapen worden?

Ayah: Was het wel mogelijk om dingen te scheppen of moesten er eerst natuurkrachten geschapen worden?

Hans: Was er wel een dag op de eerste dag of moest er eerst licht geschapen worden?

Ayah: Kun je wel licht scheppen als je nog geen ogen geschapen hebt?

Hans: Kun je wel ogen scheppen als je nog geen lichaam geschapen hebt?

Ayah: Kun je wel een lichaam scheppen als je nog geen wereld geschapen hebt?

Hans: Kun je wel een wereld scheppen als je nog geen schepper geschapen hebt?

Ayah: Volgens mij is geen beginnen aan.

Hans: Misschien moest eerst het idee van beginnen nog geschapen worden.

Ayah: Misschien moest eerst het idee van scheppen nog geschapen worden.

Hans: Telkens weer ben ik als gras gegroeid…

Ayah: Onvoorstelbaar!

Hans: Ik heb zevenhonderdzeventig vormen meegemaakt.

Ayah: Onvoorstelbaar!

Hans: Ik ben aan het minerale gestorven en plant geworden.

Ayah: Onvoorstelbaar!

Hans: Ik ben aan het plantaardige gestorven en dier geworden.

Ayah: Onvoorstelbaar!

Hans: Ik ben aan het dierlijke gestorven en mens geworden.

Ayah: Onvoorstelbaar!

Hans: De volgende keer sterf ik en breng vleugels en veren als de engelen voort.

Ayah: Onvoorstelbaar!

Hans: Daarna, hoger opvliegend dan de engelen – wat ik mij niet kan voorstellen, dat was ik al, dat ben ik al en dat zal ik blijven.

Ayah: Onvoorstelbaar!

Hans: Dat kun je je dus allemaal voorstellen.

Ayah: Onvoorstelbaar!

Hans: Waarom dan bang zijn door de dood te verdwijnen?

Ayah: Ja, waarom ook eigenlijk.

Hans: En waarom ook eigenlijk niet.

Ayah: Ik kan het me best voorstellen.

Dansende derwisj van gras.
Is gras al niet compleet onvoorstelbaar?

Had jij jezelf kunnen bedenken?

Had jij je ogen kunnen bedenken?

Had jij je hart kunnen bedenken?

Had jij je geslachtsorganen kunnen bedenken?

Had jij je verlangens kunnen bedenken?

Had jij het denken kunnen bedenken?

Had jij deze tekst kunnen bedenken?

Had jij mij kunnen bedenken?

62 - Laat maar fladderen

Soefisme is waarheid zonder vorm.

Ibn el-Jalali


Hans: ‘Soefisme is waarheid zonder vorm’ is een vorm.

Ayah: Een welgevormde zin…

Hans: Van welgevormde woorden…

Ayah: Van welgevormde letters…

Hans: Die dan wel vorm zonder waarheid moet zijn.

Ayah: Die zit.

Hans: De mystieke literatuur staat bol van dit soort uitdrukkingen.

Ayah: Wat voor uitdrukkingen?

Hans: Waarheid zonder vorm. Inzicht zonder kennis. Leer zonder leraar.

Ayah: Wijsheid zonder wijsheid. Poort zonder poort. Dronken zonder drank.

Hans: Ik vind ze prachtig, echt waar. Ik gebruik ze zelf ook graag…

Ayah: Maar?

Hans: Ze grijpen naar niet grijpen.

Ayah: Prachtig.

Hans: Deze ook.

Ayah: Jammer.

“God laten fladderen, dat is voor mij mystiek.”

Hans: Alsof je een levende vlinder opprikt.

Ayah: Hoe moeten we dan spreken?

Hans: Zoals een vlinder fladdert.

Ayah: Zonder opprikken.

Hans: Dát is voor mij mystiek.

Ayah: Wát is voor jou mystiek?

Hans: God laten fladderen.

Ayah: Die wil je niet opprikken.

Hans: De waarheid laten fladderen.

Ayah: Die wil je niet opprikken.

Hans: De gelovige laten fladderen.

Ayah: Die wil je niet opprikken.

Hans: De mens laten fladderen.

Ayah: Die wil je niet opprikken.

Hans: Je gedachten laten fladderen.

Ayah: Die wil je niet opprikken.

Hans: Je gevoelens laten fladderen.

Ayah: Die wil je niet opprikken.

Hans: Je woorden laten fladderen.

Ayah: Die wil je niet opprikken.

Hans: De opprikker laten fladderen.

Ayah: Die ook al?

Hans: Wou jij hem liever opprikken?

Ayah: Dat kan ik niet ontkennen.

Hans: Dan zou je jezelf opprikken.

Ayah: Wat als je alles en iedereen laat fladderen?

Hans: Dan kun je vrij denken.

Ayah: En dan?

Hans: Kun je vrij spreken.

Ayah: En dan?

Hans: Kun je vrijspreken.

Ayah: En dan?

Hans: Ben je bevrijd van de woorden.

Ayah: En dan?

Hans: Zijn de woorden bevrijd van jou.

Ayah: En dan?

Hans: Begin je vanzelf te zweven.

“Als je alles en iedereen laat fladderen begin je vanzelf te zweven.”

Als vlinder opgeprikte derwisj.
‘Die wil je niet opprikken.’

Kun jij je gedachten laten fladderen?

Kun jij je gevoelens laten fladderen?

Kun jij je woorden laten fladderen?

Kun jij je dierbaren laten fladderen?

Kun jij jezelf laten fladderen?

Kun je mij laten fladderen?

Wat is mystiek voor jou?

63 - Een nachtvlinder is geen licht

Ik werd aangetrokken door de Geliefde als een nachtvlinder door de vlam. Toen ik bij zinnen kwam was ik verbrand in Hem.

Ashiq Isfahani


Hans: Toen ik bij zinnen kwam, was Hij verbrandt in mij.

Ayah: Pardon?

Hans: In mij is geen god of niet-god meer te vinden. Niet dat ik weet.

Ayah: In jou is alleen nog maar een jou te vinden?

Hans: In mij is geen mij of niet-mij meer te vinden. Niet dat ik weet.

Ayah: Er is alleen nog maar het ene?

Hans: In mij is geen eenheid meer te vinden. Niet dat ik weet.

Ayah: En ook geen verscheidenheid meer, zeker?

Hans: En ook geen zekerheid meer, waarschijnlijk.

Ayah: En buiten jou?

Hans: Is geen buiten of binnen meer te vinden. Binnen mij ook niet. Niet dat ik weet.

Ayah: Bedoel je dat alles een illusie is?

Hans: In plaats van?

Ayah: Werkelijkheid natuurlijk.

“In mij is geen god of niet-god meer te vinden. Niet dat ik weet.”

Hans: Met een hoofdletter zeker?

Ayah: Daar is het allemaal om begonnen.

Hans: In mij is geen illusie of Werkelijkheid meer te vinden. Niet dat ik weet.

Ayah: Toen jij bij zinnen kwam, was alles verbrandt.

Hans: Alles behalve mijn zinnen…

Ayah: Ben je inmiddels een beetje afgekoeld?

Hans: … Dus brand je maar niet aan mijn zinnen.

64 - Mot om een kaars

De kaars is er niet om zichzelf te verlichten.

Nawab Jan-Fishan Khan


Hans: Probeer het maar eens te voorkomen.

Ayah: Dat een kaars zichzelf verlicht?

Hans: Iedere lichtbron verlicht zichzelf.

Ayah: Mij lijkt dit een soefiverwijzing naar de bodhisattvagedachte van het mahayanaboeddhisme.

Hans: Goedendag.

Ayah: Wat?

Hans: Zijn de lettergrepen in de uitverkoop?

Ayah: De kaars is er om zijn omgeving te verlichten, bedoel ik.

Hans: Probeer het maar eens te voorkomen.

Ayah: Dat een kaars zijn omgeving verlicht?

Hans: Iedere lichtbron verlicht zijn omgeving.

Ayah: We moeten…

Hans: Jij misschien.

Ayah: Niet alleen onszelf bevrijden…

Hans: Zie eerst maar eens jezelf te vinden.

Ayah: Maar we moeten…

Hans: Jij misschien.

Ayah: Alle levende wezens bevrijden.

Hans: Een kaars is geen zon.

Ayah: Maar hij verlicht wel zijn omgeving.

Hans: Wat heet, je kunt er amper bij lezen.

Ayah: Wat zou jij tegen Nawab Jan-Fishan Khan willen zeggen?

Hans: Jezus Jan, hoe kom je aan die naam?

Ayah: Maar serieus.

Hans: Een kaars is een kaars, hij brandt omdat hij brandt.

Ayah: Niet om zijn omgeving te verlichten?

Hans: Dat is alleen maar een bijverschijnsel.

Ayah: Niet om zichzelf te verlichten?

Hans: Een kaars kent geen waarom.

Ayah: En jij bent zo’n kaars.

Hans: En ik was zo’n mot.


Ben jij voor je gevoel een zon of een kaars?

Ben jij voor je gevoel een kaars of een mot?

Ben je er voor je gevoel om je omgeving te verlichten of om jezelf te verlichten?

Denk jij dat alle levende wezens zich gevangen voelen?

Denk jij dat alle levende wezens erop zitten te wachten door jou bevrijd te worden?

Denk jij dat er levende wezens zijn die erop zitten te wachten van jou bevrijd te worden?

65 - De soefi en de suffie

Het is nogal wat om jezelf een soefi te noemen. Daar waag ik me niet aan.

Hadrat Abul-Hasan Khirqani


Hans: Ach, wat zegt een naam.

Ayah: Je zal toch Hadrat Abul-Hasan Khirqani heten.

Hans: Of Nawab Jan-Fishan Khan.

Ayah: Die van ‘De kaars is er niet om zichzelf te verlichten’.

Hans: Met zo’n naam zou ik mezelf ook soefi noemen.

Ayah: Als ik Hans van Dam heette, zou ik mezelf ook Hadrat Abul-Hasan Khirqani noemen.

Hans: Tja, van mij zijn er dertien in een dozijn.

Ayah: En allemaal 60-plus.

Hans: We waren in de mode.

Ayah: Heb jij nog andere namen?

Hans: Johannes Nicolaas.

Ayah: Ik ken een katholiek met vier voornamen en een dubbele achternaam.

Hans: God heeft wel honderd namen en nóg is Hij geen katholiek.

Ayah: Allah is geen moslim.

Hans: Brahman is geen hindoe.

Ayah: Jezus was geen calvinist.

Hans: Boeddha was geen boeddhist.

Ayah: Noem jij jezelf weleens een soefi?

Hans: Ik noem mezelf weleens een suffie.

Ayah: Ach, wat zegt een naam.

Hans: Dat lijkt me duidelijk genoeg.


Hoe noem jij jezelf?

Hoe noemen anderen jou?

Hoe noem jij anderen?

Hoe noem jij mij?

Hoe wil je dat ik je noem?

66 - Filosoofje spelen

Shabistari heeft gezegd: ‘De wereld bezit geen wezen behalve als verschijningsvorm. Van eind tot eind is haar toestand een tijdverdrijf en een spel.’


Hans: Die Shabistari.

Ayah: Wat is daarmee?

Hans: Heeft hij toch weer een wezen van de wereld gevonden.

Ayah: Haar verschijningsvorm.

Hans: Wat een toestand.

Ayah: Van eind tot eind een tijdverdrijf en een spel.

Hans: Dus pas maar op.

Ayah: Waarop?

Hans: Misschien speelt Shabistari wel een spelletje met ons.

Ayah: Bedoel je dat de wereld helemaal geen wezen heeft, ook niet als verschijningsvorm?

Hans: Begin jij nou ook al?

Ayah: Of dat de wereld toch een wezen heeft, anders dan haar verschijningsvorm?

Hans: Misschien speel jij wel een spelletje met mij.

Ayah: Welk spelletje zou ik met jou spelen?

Hans: Filosoofje? Mysticusje? Spiritualitijdverdrijfje?

Ayah: Geloof jij dat de wereld een tijdverdrijf en een spel is?

Hans: Alleen als je dat denkt, voor zolang je het denkt.

Ayah: En als je iets anders denkt?

Hans: Dan zie je een andere wereld.

Ayah: En als je verschillende dingen denkt – nu eens dit, dan weer dat?

Hans: Dan zie je verschillende werelden – nu eens deze, dan weer die.

Ayah: En als je helemaal niet denkt, of aan iets heel anders denkt?

Hans: Dan zie je helemaal geen wereld, of iets heel anders.

Ayah: Bedoel je dat de wereld alleen maar bestaat in onze gedachten?

Hans: Of is dat ook maar een gedachte?

Ayah: Wat is de wereld dan echt?

Hans: Is de wereld dan echt?

Ayah: Denk jij dat alles een illusie is?

Hans: Tenzij dat ook een illusie is.

Ayah: Ik wil weten wat de wereld van zichzelf is, los van onze gedachten.

Hans: Of is de wereld los van onze gedachten ook maar een gedachte?

Ayah: De Welt-an-sich, bedoel ik.

Hans: En dan bij jij zeker de Denker-an-sich?

Ayah: Is alles dan alleen maar een gedachte?

Hans: Of is dat ook alleen maar een gedachte?

Ayah: Voor mij is de wereld één groot mysterie.

Hans: Dan zal dat het verschil wel zijn.

Ayah: Voor wie niet weet kan de wereld nauwelijks iets anders zijn dan een groot mysterie, lijkt mij.

Hans: Wie niet weet die niet weet, lijkt mij.

Ayah: Zelfs niet dat de wereld een groot mysterie is?

Hans: En zelfs niet dat de wereld géén groot mysterie is.

Ayah: Volgens mij ben jij hier degene die een spelletje speelt.

Hans: Ezeltjeprik? Landjepik? Lomperik?

Ayah: Kat en muis.

Hans: En, vermaak je je een beetje?

Ayah: Het verdrijft in elk geval de tijd.


Wat is het wezen van de wereld volgens jou?

Is dat waar of is het ook maar een gedachte?

Wat voor spelletjes speel jij zoal met jezelf?

Wat voor spelletjes speel jij zoal met anderen?

Wat voor spelletjes spelen anderen zoal met jou?

En, vermaak je je een beetje?

67 - Geen manier om niets over te brengen

Er zijn drie manieren om iets over te brengen. De eerste is alles te tonen. De tweede is te tonen wat de mensen willen. De derde is te tonen wat ze het beste dient.

Ajmal van Badakhshan


Hans: Er zijn wel duizend manieren om iets over te brengen.

Ayah: Daar hebben we pedagogiek voor.

Hans: Maar de vraag is niet hoeveel manieren er zijn om iets over te brengen.

Ayah: Wat is de vraag wel?

Hans: Hoeveel manieren er zijn om niets over te brengen

Ayah: Waarom zou je dat willen weten?

Hans: Omdat ik niets over wil brengen.

Ayah: Op die manier.

Hans: Dit ook niet.

Ayah: Ook dat nog.

Hans: En dat wil ik overbrengen.

Ayah: Ja, wil je nou iets overbrengen of niet?

Hans: Is dat over te brengen of niet?

Ayah: Ik weet het niet.

Hans: Geeft niets.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Ik weet toch niet wat de mensen het beste dient.

Ayah: Ik ook niet.

Hans: Ik weet niet eens of er wel iets bestaat dat álle mensen het beste dient.

Ayah: Ik ook niet.

Hans: Ik weet ook niet wat mijzelf het beste dient.

Ayah: Ik ook niet.

Hans: Ik weet niet eens of er wel iets bestaat dat mij het beste dient.

Ayah: Ik ook niet.

Hans: Ik weet ook niet wat de mensen willen.

Ayah: Ik ook niet.

Hans: Ik weet niet eens wat ik zelf wil.

Ayah: Ik ook niet.

Hans: Dus toon ik maar alles.

Ayah: Daar ben je wel even zoet mee.

Hans: Al stelt het niets voor.

Ayah: Dat is dan wel weer zuur.

Hans: En ken ik geen enkele manier om dat over te brengen.

Ayah: Dus waarom zou je?

Hans: Daarom juist.

Ayah: Omdat het kan?

Hans: Omdat het toch niet kan.

Derwisj die ondeugend over zijn schouder kijkt en de voorkant van zijn rok omhoog houdt.
‘Dus toon ik ze maar alles.’

Weet jij wat de mensen het beste dient?

Weet jij wat jezelf het beste dient?

Weet jij wat mensen willen?

Zijn zij het zelf die dat willen?

Weet jij wat je zelf wil?

Ben jij het zelf die dat wil?

Wat laat jij graag zien?

Wat hou je liever achter?

Is dat je eigen keus?

68 - Hoe je klinkt als je jezelf niet meer kunt horen

Junaid sprak meestal voor een gehoor van ongeveer tien mensen. Hij hield altijd op met praten als het gehoor dit aantal sterk overschreed, zodat het nooit uit meer dan twintig mensen bestond.


Hans: Ik spreek meestal voor een gehoor van ongeveer één mensen.

Ayah: Wanneer hou jij op met praten?

Hans: Zodra ik mijn gehoor niet meer kan horen.

Ayah: Wat als je je gehoor niet meer kan horen?

Hans: Dan spreek je voor dovemansoren.

Ayah: Spreek je ook weleens voor een gehoor van meer dan één mensen?

Hans: Meestal zwijg ik voor een gehoor van meer dan één mensen.

Ayah: Zo te horen bereik jij niet veel mensen.

Hans: Ik spreek ook graag voor een gehoor van geen mensen.

Ayah: Hoe bepaal je dan wanneer je ophoudt?

Hans: Ik stop zodra ik mezelf niet meer kan horen.

Ayah: Wat als je jezelf niet meer kan horen?

Hans: Dan klink je als een dove.

Ayah: Hoe klinkt een dove?

Hans: Als iemand die spreekt voor geen gehoor.

Draaien als een derwisj 16

Vierkoppige derwisj.

69 - Wie weet wat God wil horen?

Toen men Maruf Karkhi vroeg waarom hij het gebed van een ander niet verbeterde, zei hij: ‘Het staat een derwisj pas vrij onderricht te geven nadat hij zijn eigen dienst heeft voltooid.’


Hans: Je moet maar durven.

Ayah: Wat zou jij zeggen?

Hans: Wie ben ik om Maruf Karkhi te verbeteren?

Ayah: En als je toch iets moest zeggen?

Hans: Dan zou ik wat vragen.

Ayah: Wat zou je vragen?

Hans:

Wie ben ik om te bepalen wanneer een derwisj vrij onderricht mag geven zolang ik mijn eigen dienst niet heb voltooid?

Wie ben ik om te bepalen dat een derwisj eerst zijn eigen dienst moet hebben voltooid?

Is de eigen dienst van een derwisj ooit voltooid?

Is mijn eigen dienst ooit voltooid?

Aan wie ben ik eigenlijk dienstplichtig?

Wat is eigenlijk mijn dienst?

Heb ik eigenlijk wel dienst?

Heb ik ooit geen dienst?

Wie is eigenlijk die ik?

Ayah: Iemand kan toch een fout maken bij het bidden?

Hans: Een gebed is een gebed. Wie ben ik om het te verbeteren?

Ayah: Iemand moet het toch doen.

Hans: Wie bepaalt wat een fout gebed is?

Ayah: Een heilig mens. Een heilig geschrift.

Hans: Dit is mijn gebed –

Wie weet wat God wil horen?

Wie weet of God wil horen?

Wie weet of God kan horen?

Wie weet of God is?

Wie weet God?

Wie weet?

Wie?

Ayah: Denk jij dat God op vragen zit te wachten?

Hans: Denk jij dat God op antwoorden zit te wachten?

Ayah: Denk jij dat God op jouw gebed zit te wachten?

Hans: Denk jij dat mijn gebed zich tot God richt?

Ayah: Is bidden niet spreken met God?

Hans: Is bidden niet vragen naar God?

Ayah: Bid eens voor.

Hans:

Wie weet of God op antwoorden zit te wachten?

Wie weet of God op vragen zit te wachten?

Wie weet of God zit te wachten?

Wie weet of God zit?

Wie weet God?

Wie weet?

Wie?

70 - Wie weet wat God wil?

God, de Allerhoogste, vroeg Bayazid wat hij wilde. Hij antwoordde: ‘Ik wil niet-willen.’

Rumi


Hans: Niet willen willen is nog steeds willen.

Ayah: Misschien wilde hij ook niet nietwillen.

Hans: Niet willen nietwillen is nog steeds willen.

Ayah: Wat had hij dan moeten zeggen?

Hans: Moeten zeggen is moeten, of je wil of niet.

Ayah: Volgens mij bedoelt Bayazid dat hij alleen maar wil wat God wil.

Hans: En als God dat niet wil?

Ayah: Verdraaid.

Hans: Willen wat God wil is nog altijd willen.

Ayah: Misschien had hij moeten zeggen, ‘Gods wil is mijn wil.’

Hans: Van de wil in de sloot.

Ayah: Hoezo?

Hans: Wie weet wat God wil?

Ayah: God weet wat God wil.

Hans: Misschien wil God wel wat Bayazid wil.

Ayah: Dan krijgen we kortsluiting.

“Probeer maar eens iets anders te willen dan je nu wil.”

Hans: Misschien is God wel willoos.

Ayah: Dan heeft Bayazid een probleem.

Hans: Of misschien weet Hij het ook niet.

Ayah: Was God niet alwetend?

Hans: Misschien wíl hij het niet weten.

Ayah: Dan weet hij het nóg.

Hans: Niets kunnen vergeten, wat een lot.

Ayah: Wat denk jij, hebben wij een vrije wil?

Hans: Jij wel, volgens jou.

Ayah: Jij niet, volgens jou?

Hans: Ik zou het echt niet weten.

Ayah: Ervaar jij dan geen keuzevrijheid?

Hans: Soms wel, soms niet…

Ayah: Maar?

Hans: Ervaringen bewijzen niets. Behalve dat ze zich voordoen.

Ayah: Als we zo gaan beginnen…

Hans: Ben jij weleens duizelig?

Ayah: Soms.

Hans: Wat ervaar je dan?

Ayah: Dat de vloer kantelt. Dat de wereld om me heen draait.

“De vraag is niet of je een wil hebt. De vraag is of je er de baas over bent.”

Hans: Bewijst die ervaring dat de wereld om je heen draait of dat de vloer kantelt?

Ayah: Verdraaid.

Hans: Zei de derwisj.

Ayah: Duizeligheid is een illusie.

Hans: Kennelijk is ervaring niet altijd doorslaggevend.

Ayah: De ene ervaring is de andere niet.

Hans: Wat als je duizelig wordt op zee?

Ayah: Verdraaid.

Hans: Zei de derwisj.

Ayah: Dan was het toch geen illusie.

Hans: Waarom niet?

Ayah: Omdat het dek werkelijk draait en kantelt.

Hans: Nu is ervaring weer wel doorslaggevend?

Ayah: De ene ervaring is de andere niet.

Hans: En als er geen deining is?

Ayah: Verdraaid.

Hans: Zei de derwisj.

Ayah: Dan was het toch een illusie.

Hans: Dus ervaring is doorslaggevend, behalve als het een illusie is, tenzij dat ook een illusie is?

Ayah: Klinkt niet erg overtuigend, hè?

Hans: Wat je zegt.

Ayah: Dus ik heb geen eigen wil?

Hans: Dat is de vraag niet.

Ayah: Wat is de vraag wel?

Hans: Of jij de baas bent over je wil.

Ayah: Hoe stel je zoiets vast?

Hans: Makkie.

Ayah: Filosofen en wetenschappers zijn er anders nog steeds niet uit.

Hans: Daar zijn het filosofen en wetenschappers voor.

Ayah: Wat stel je voor?

Hans: Gewoon even kijken of je van wil kunt veranderen.

Ayah: Hoe bedoel je?

Hans: Probeer maar eens iets anders te willen dan je nu wil.

Ayah: Hè?

Hans: Probeer maar eens iets niet meer te willen dat je nu wel wil of iets wel te willen dat je nu niet wil.

Ayah: Ik weet niet of ik dat wel wil.

Hans: Daar heb je het al.

Ayah: Ik wil over de wil praten. Ik wil de wil begrijpen. Dat is wat ik wil.

Hans: Probeer het dan maar eens niet te willen.

“Ervaringen bewijzen niets, behalve dat ze zich voordoen.”

Ayah: Maar dat wil ik niet!

Hans: Ik was er al bang voor.

Ayah: Nu begin ik toch te twijfelen of die wil wel helemaal van mij is.

Hans: En of hij wel zo vrij is.

Ayah: Als mijn wil niet van mij is, van wie is hij dan wel?

Hans: Is hij wel van iemand?

Ayah: Wat is een wil die van niemand is?

Hans: Is het dan wel een wil?

Ayah: En ben ik dan nog ik?

Hans: En was je ooit die jij?

Ayah: Ik bedoel, wat is iemand die niet vrij over zijn wil kan beschikken?

Hans: God mag het weten.


Geloof jij in de vrije wil?

Is dat jouw keus of overkomt het je?

Kun je er ook niet in geloven?

Geloof jij alles wat je ervaart?

Is dat jouw keus of overkomt het je?

Heb je ervaringen waar je vroeger heilig in geloofde en nu niet meer?

Is dat jouw keus of overkwam het je?

Heb je ervaringen waar je nu heilig in gelooft en vroeger niet?

Is dat jouw keus of overkwam het je?

Is er iets waar je graag in zou geloven?

Is dat jouw keus of overkomt het je?

Wat zou volgens jou beter voor je zijn: dat je er eindelijk in kon geloven of dat je er eindelijk niet meer in wilde geloven?

Kun jij ervoor kiezen ergens wel of niet in te geloven?

Draaien als een derwisj 17

Derwisjmarionet onder een wolk.

71 - Onverdeeld en onverenigd

Ik weet niet of de Vereniging die ik wil, ontstaat door mijn inspanning, het opgeven van de inspanning, of door iets heel anders, dat ik doe of niet doe.

Rumi


Ayah: Rumi weet ook niet veel.

Hans: Dat lijkt maar zo.

Ayah: Wat weet hij dan?

Hans: Het eerste wat hij meent te weten, en het enige wat hij expliciet zegt, is dat hij Vereniging wil.

Ayah: Wat nog meer?

Hans: Hij meent ook te weten dat hij nu niet verenigd is.

Ayah: Ah ja. Anders kon hij er niet naar verlangen.

Hans: Hij meent ook te weten dat er iets of iemand is, de Ene of het Al of Allah of zo, waarmee je verenigd kunt zijn en waarvan je gescheiden kunt zijn.

Ayah: Anders viel er niets te verenigen.

Hans: Hij meent ook te weten dat er een pad naar vereniging loopt.

Ayah: Anders viel er niets te doen of niet te doen.

Hans: Hij meent ook te weten dat de staat van vereniging de moeite waard is.

Ayah: Anders zou hij zich er niet druk over maken.

Hans: Hij meent ook te weten dat hij het zelf is die de vereniging wil en niet, bijvoorbeeld, de of het Ene zelf, die dat in hem of als hem wil.

Ayah: Hij eigent zich een wil toe die misschien niet de zijne is.

Hans: Aangenomen dat er een Rumi is die zich iets kan toe-eigenen.

Ayah: Hoe denk je er zelf over?

Hans: Ik veronderstel niet dat ik ben gescheiden van de of het Ene. Ik veronderstel ook niet van niet.

Ik veronderstel niet dat ik één ben met de of het Ene. Ik veronderstel ook niet van niet.

Ik veronderstel niet dat er zo iemand of zoiets is als de of het Ene. Ik veronderstel ook niet van niet.

Ik veronderstel niet dat er verandering kan komen in mijn eventuele afscheiding van of vereniging met zoiets of zo iemand als de of het Ene door mijn inspanning, het opgeven van de inspanning of door iets anders dat ik doe of niet doe. Ik veronderstel ook niet van niet.

Ik veronderstel niet dat mijn wil van mij is of van de of het Ene of van wie of wat dan ook. Ik veronderstel ook niet van niet.

Ik veronderstel niet dat er werkelijk zoiets is als een wil waarop ik al dan niet aanspraak kan maken. Ik veronderstel ook niet van niet.

Ik veronderstel niet dat er werkelijk een mij is die al dan niet aanspraak kan maken op een eventuele eigen wil. Ik veronderstel ook niet van niet.

Ayah: Dat is een hele mond vol.

Hans: Dat is een heel hoofd leeg.

Ayah: En daar kun je maar niet over uit.

Hans: Waar het hoofd leeg van is, loopt de mond van over.

Ayah: Jij veronderstelt he-le-maal niets.

Hans: Dat neem ik niet aan.

Ayah: Dus wat zal je.

Hans: Wat niet.

Ayah: Hoe noem je zoiets?

Hans: Geen idee.

Ayah: Klaar ben je ermee.

Hans: Tot nog toe wel.

Ayah: Wat dacht je van ‘onverdeeld en onverenigd’?

Hans: Dat lijkt me niet verstandig.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Voor je het weet begint er weer iemand naar te verlangen.

Ayah: En?

Hans: Gaat hij rare dingen zeggen als ‘Ik weet niet of de onverenigde onverdeeldheid die ik wil, ontstaat door mijn inspanning, het opgeven van de inspanning, of door iets heel anders, dat ik doe of niet doe.’


Loopt jouw mond ergens van over, kan jij ergens niet over uit?

Zo nee, zou je willen dat het wel zo was?

Wat veronderstel je daarbij allemaal?

Zo ja, zou je liever ergens anders vol van zijn?

Wat veronderstel je daarbij allemaal?

Zou je liever nergens vol van zijn?

Wat veronderstel je daarbij allemaal?

Wat blijft er overeind in je denken als je alle onuitgesproken en niet onderzochte veronderstellingen wegdenkt?

72 - Ik ben van was

Kennis leidt van: Wat ben ik?
Tot: Ik weet niet wat ik ben
En via: Misschien ben ik niet en ik wil mezelf vinden
Tot: Ik wil mezelf vinden en ik ben
Tot: Ik ben wat ik weet dat ik ben
Tot: Ik ben.

Abu-Hasan el-Shadhili


Hans: Vreemd.

Ayah: Wat is er vreemd aan?

Hans: Bij mij ging het net omgekeerd.

Ayah: Hoe dan?

Hans:

Kennis leidt van: Ik ben dit
En: Ik ben dat
Via: Wat ben ik?
Tot: Ik weet niet wat ik ben

En van: Ik ben
En: Ben ik?
Via: Wat heet zijn
Tot: Ik weet niet dat ik ben

En van: Ik weet niets
En: Dit ook niet
Via: Dat ook niet
Tot: Het is wat

En van: Ik zeg niets
En: Dit ook niet
Via: Dat ook niet
Tot: Soit

Ayah: En dat was dat?

Hans: Tot nog toe wel.

Ayah: Samengevat?

Hans: Kennis leidt tot niet-weten.

Ayah: En niet-weten

Hans: Leidt tot niets en verleidt tot niets.

Ayah: Niets is niet veel.

Hans: Niets is waar je wezen wil.

“Kennis leidt tot niet-weten. Niet-weten leidt tot niets. Niets is waar je wezen wil.”

Ayah: Dus kennis leidt volgens jou niet tot ‘Ik ben’?

Hans: Niet in alle gevallen. En uiteindelijk niet.

Ayah: Wel in het geval van Abu-Hasan el-Shadhili.

Hans: Dat had je gedacht.

Ayah: Hoezo?

Hans: Die was.

Draaien als een derwisj 18

Derwisj gevuld met een zonsopgang onder een sterrenhemel.

73 - Een soefi zonder soefisme

De waarheid vinden begint met zoeken. Dat is de eerste etappe.

Dan komt het besef dat de waarheid ook naar de zoeker zoekt. Dat is de tweede etappe.

Dan gaat de soefi werkelijk op Pad. Dat is de derde etappe. Waarin het tot hem doordringt dat de kennis die hij verwerft het ‘zoeken’ en ‘vinden’ en ‘gezocht worden’ te boven gaat.


Hans: En als hij dan ook nog ‘de waarheid’, ‘de soefi’, ‘het Pad’, ‘de kennis’ en het ‘te boven gaan’ achter zich laat?

Ayah: Ah ja.

Hans: Dat is de slotetappe.

Ayah: Waarvan?

Hans: De Ronde van de Derwisj.

Ayah: En dan?

Hans: Rust.

Ayah: Maar wat heb je dan?

Hans: Dan heb je een soefi zonder soefisme.

Ayah: Wat is een soefi zonder soefisme?

Hans: Een mysticus zonder mystiek.

Ayah: Maar welke kennis heeft hij dan verworven?

Hans: De kennis zonder inhoud.

Ayah: Maar wat doet hij dan de hele dag?

Hans: Praktiseren zonder oefeningen.

Ayah: Wat moet ik me daarbij voorstellen?

Hans: Een gebed zonder end.

74 - Waarom al mijn antwoorden vragen zijn

Niemand bereikt de Graad van Waarheid voordat duizend eerlijke mensen hebben getuigd dat hij een ketter is.

Junaid van Baghdad


Hans: Dan zal niemand de Graad van Waarheid bereiken.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Waar haal je in godsnaam duizend eerlijke mensen vandaan?

Ayah: Wat is een eerlijk mens voor jou?

Hans: Iemand die nergens meer van getuigt?

Ayah: Pardon?

Hans: Iemand die er goed over heeft nagedacht en eerlijk toegeeft dat hij het verschil tussen ketters en ware gelovigen niet kent?

Ayah: Waarom niet?

Hans:

Omdat hij onwetend is?

Omdat je dat niet kunt weten?

Omdat er geen verschil is?

Omdat het verschil onwezenlijk is?

Omdat het een kwestie van definitie is?

Omdat ketters nooit in alle opzichten ketters zijn en ware gelovigen nooit in alle opzichten ware gelovigen?

Omdat de ketters van vandaag de ware gelovigen van morgen zijn en omgekeerd?

Omdat ketters op hun manier ware gelovigen zijn en ware gelovigen ketters?

Omdat iedereen een ketter én een ware gelovige is?

Omdat niemand een ketter of een ware gelovige is?

Omdat niemand weet waar het ware geloof ophoudt en het onware begint?

Omdat niemand weet waar de hemel ophoudt en de aarde begint?

Omdat niemand weet waar het goede ophoudt en het kwade begint?

Omdat niemand weet waar God ophoudt en de mens begint?

Omdat niemand weet waar de waarheid ophoudt en de leugen begint?

Omdat niemand weet waar eerlijkheid ophoudt en oneerlijkheid begint?

Omdat niemand weet waar het weten ophoudt en het nietweten begint?

Omdat er geen enkel conceptueel onderscheid is waar iedereen het over eens is?

Omdat er geen enkel conceptueel onderscheid is waar jij het met iedereen over eens bent?

Omdat er geen enkel conceptueel onderscheid is waar jij het met jezelf over eens bent?

Omdat er geen enkel conceptueel onderscheid is waar jij het met je vroegere zelf over eens geweest zou zijn en met je toekomstige zelf over eens zult zijn?

Omdat geen enkel woord onomstotelijk vaststaat?

Ayah: Jij klinkt werkelijk als een ketter!

Hans: Hoe klinkt een ketter?

Ayah: Heb jij de Graad van Waarheid bereikt?

Hans: Wou je tegen me getuigen?

Ayah: Ja of nee.

Hans: Wat is waarheid?

Ayah: Waarom zijn al jouw antwoorden vragen?

Hans: Omdat ik een eerlijk mens ben?

Ayah: Wanneer noem jij iemand eerlijk?

Hans: Als hij toegeeft dat hij iets niet weet?

Ayah: Je zou nergens anders meer aan toekomen.

Hans: Zou dat niet heerlijk zijn?

Ayah: Vind jij mij een eerlijk mens?

Hans: Waarom zijn al jouw vragen antwoorden?


Stelt iemand jou weleens een vraag?

Zijn haar of zijn vragen antwoorden?

Stel jij weleens iemand een vraag?

Zijn jouw vragen antwoorden.

Stel jij jezelf weleens een vraag?

Geef jij jezelf weleens antwoord?

Draaien als een derwisj 19

Derwisj dansend op een eeuwig stijgende Eschertrap.

75 - Denkend aan sterven sterf je aan het denken

Ongevraagd kom je op de wereld, met lege handen, huilend als een achtergelaten kind. Ongevraagd verlaat je dit leven, met lege handen, verdrietig, vol spijt. Leef daarom je leven op zo’n manier dat niets ervan werkelijk weggegooid is.

Eerst moet aan het leven wennen, terwijl het nog volkomen nieuw voor je is. Je bent nog maar net gewend of je moet al gaan wennen aan het idee dat er een eind aan is.

Mediteer op deze beweging. Sterf vóór je sterft, zegt de Gereinigde. Voltooi de kringloop voordat die voor jou voltooid wordt.

Hashim de Sidqi


Hans: Sterf vóór je sterft vind ik een rare aansporing. Alsof het een keuze is, een vrijwillige virtuele dood, spirituele euthanasie.

Ayah: En dat is het niet?

Hans: Ik kan niet voor anderen spreken.

Ayah: Spreek dan maar voor jezelf.

Hans: Dat lukt al helemaal niet meer.

Ayah: Zalig zijn de schijndoden.

Hans: In mijn ervaring is sterven vóór je sterft iets dat je overkomt en waar je achteraf woorden bij verzint. Dat zijn altijd wanwoorden, zoals ‘sterven vóór je sterft’ of ‘voltooi de kringloop vóór die voor jou voltooid wordt.’

Ayah: Waanwoorden?

Hans: Zo kun je het ook zeggen.

Ayah: Welke woorden heb jij erbij verzonnen?

Hans: Woorden die bij mij passen.

Ayah: Zoals?

Hans: Afdalen in agnose, een vrije val in nietweten, de opgang naar de afgang, je kleinheid realiseren, sterven zonder bederven, weet ik veel.

Ayah: Welk woord is het meest nabij?

Hans: Weet ik veel.

Ayah: Wie of wat sterft er als je sterft voor je sterft?

Hans: Bij mij of bij de soefi?

Ayah: Doe eerst maar bij de soefi.

Hans: Zijn persoon, zou ik denken. Zijn zelfbeeld. Zijn eigenwilligheid.

Ayah: En dan?

Hans: Wordt hij wedergeboren in Allah. Wordt hij een met Allah. Wordt hij deel van Allah. Verdwijnt hij in Allah. Wordt zíjn wil Allah’s wil. Ik weet niet hoe een soefi het zou zeggen.

Ayah: En bij jou?

Hans: Bij mij stierf het heilige geloof in de persoon die ik meende te zijn, zou ik zeggen.

Ayah: En toen?

Hans: Stierf het heilige geloof in het sterven van de persoon die ik meende te zijn, zou ik zeggen.

Ayah: Ja, bestaat die persoon nou wel of niet?

Hans: Het zijn gedachten die sterven en het zijn gedachten die weer opstaan.

“Het zijn gedachten die sterven en het zijn gedachten die weer opstaan.”

Ayah: Want sterven aan het geloof in het sterven van de persoon die je meende te zijn, leidt volgens de logica van de dubbele ontkenning rechtstreeks tot zijn wederopstanding.

Hans: Alleen maar bij wijze van spreken.

Ayah: Wie is er dan precies gestorven en wie is er weer opgestaan?

Hans: De koning is dood, leve de ‘koning’.

Ayah: Tussen aanhalingstekens.

Hans: Hoera! Hoera! Hoera!

Ayah: De koning staat hier voor Hans van Dam?

Hans: De koning staat hier voor de nar.

Ayah: En Hans van Dam?

Hans: Voor ‘Hans van Dam’.

Ayah: Wat betekent dat precies?

Hans: Precies.

Ayah: Hoeveel tijd verstreek er tussen jouw figuurlijke dood en je figuurlijke wederopstanding?

Hans: Geen.

Ayah: Hoe kan dat?

Hans: Het heilige geloof in mijn persoon ging tegelijk met het heilige geloof in de dood van mijn persoon en het heilige geloof in wat dan ook in rook op.

Ayah: Twee vliegen in één klap.

Hans: Alle vliegen in één klap.

Ayah: Toe maar.

Hans: Geloof je dat?

Ayah: Sindsdien denk jij nooit meer in termen van ik en niet-ik?

Hans: Sindsdien denk ik steeds weer in termen van ik en niet-ik.

Ayah: Hè?

Hans: Net als voordien.

Ayah: O.

Hans: Of ik of niet nou wil of niet.

Ayah: Het overkomt je.

Hans: Maar geloof ik het ook?

Ayah: Dat weet ik niet.

Hans: Nou, ik ook niet.

“Het heilige geloof in mijn persoon ging tegelijk met het heilige geloof in de dood van mijn persoon in rook op.”

Ayah: Zo te horen sterf jij onophoudelijk.

Hans: Alleen maar bij wijze van spreken.

Ayah: Maar waaraan?

Hans: Dat zeg ik.

Ayah: Wat zeg je?

Hans: Aan mijn gedachten.

Ayah: Blijft er dan niet één overeind?

Hans: Deze alvast niet.

Ayah: Volgens de logica van de dubbele ontkenning…

Hans: Blablabla.

Ayah: Zie jij jezelf als een Gereinigde?

Hans: God nee.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Dat kan iedere schoonmaker je vertellen.

Ayah: Het reinigen is nooit gedaan.

Hans: Tot nog toe niet, tenminste.

Ayah: Jij blijft op je hoede, hè?

Hans: Of ik nou wil of niet.

Dansende derwisj met een zwabber op z’n hoofd, een pleeborstel in z’n ene hand en een plumeau in z’n andere.
Het reinigen is nooit gedaan.

Ayah: Wat zou er gebeuren als je je waakzaamheid een ogenblik liet verslappen?

Hans: Misschien zou ik dan wel gaan denken dat ik mijn waakzaamheid geen ogenblik mocht laten verslappen.

Ayah: Wat?

Hans: Of misschien zou ik mezelf wel als een Gereinigde gaan zien.

Ayah: Bedoel je dat wij principieel Onrein zijn? Zondig geboren? De erfzondegedachte?

Hans: Of misschien zou ik ons wel als principieel Onrein gaan zien, zondig geboren – de erfzondegedachte.

Ayah: Voel jij je wedergeboren in het Ene? Een met het Ene? Deel van het Ene? Verdwenen in het Ene?

Hans: Of misschien zou ik mezelf wel gaan zien als wedergeboren in het Ene, een met het Ene, deel van het Ene, verdwenen in het Ene.

Ayah: Je bent en blijft een individu, wou je zeggen, afgescheiden van het Ene zolang je leeft.

Hans: Of misschien zou ik mezelf als een individu gaan zien, afgescheiden van het Ene zolang ik leef.

Ayah: Je moet er niet aan denken.

Hans: Je denkt wat je moet denken.

Ayah: Maar je moet niet alles geloven wat je denkt.

Hans: Dit ook niet.

Ayah: Is dit nou de beweging waarop we volgens Hashim de Sidqi moeten mediteren?

Hans: Gelukkig niet.

Ayah: Wat dan?

Hans: Het is al de meditatie.

“Als ik mijn waakzaamheid een ogenblik liet verslappen zou ik misschien wel gaan denken dat ik mijn waakzaamheid geen ogenblik mocht laten verslappen.”


Ben jij al gewend aan het idee dat er mogelijk een eind aan je leven is?

Denk jij dat het voor iedereen mogelijk is om aan dat idee te wennen?

Denk jij dat het voor iedereen goed zou zijn om eraan te wennen?

Denk jij dat er Gereinigden onder ons zijn? Jijzelf? Ik?

Denk jij dat we principieel Onrein zijn, zondig geboren?

Denk jij dat je moet mediteren?

Denk jij dat iedereen moet mediteren?

Denk jij dat je je waakzaamheid geen ogenblik mag laten verslappen?

Denk jij dat ik mijn waakzaamheid geen ogenblik laat verslappen?

Wat denk je allemaal niet?

76 - Wijsheid, je zou er gek van worden

Slaap met de herinnering aan de dood en sta op met de gedachte dat je niet lang meer te leven hebt.

Uwais el-Qarni


Hans: Gedenk te sterven.

Ayah: Memento Mori.

Hans: Plato zei het al.

Ayah: Maar dan in het Grieks.

Hans: En als je dat doet?

Ayah: Dan word je vanzelf een soort wijze, lijkt mij.

Hans: Dan komt er vanzelf weer een wijze, lijkt mij.

Ayah: En wat zegt die?

Hans: Slaap met de herinnering aan het leven en sta op met de gedachte dat je nog lang te leven hebt, bijvoorbeeld.

Ayah: Memento vivendi.

Hans: Je kunt er vergif op innemen.

Ayah: Je zou er gek van worden.

Hans: Daar is het wijsheid voor.

Ayah: Hoe luidt jouw memento?

Hans: Vergeet het maar.

Ayah: Nee, serieus.

Hans: Serieus.

Ayah: Vergeet het maar?

Hans: Vergeet dat ook maar.

Ayah: Doe niet zo flauw.

Hans: Slaap met de herinnering aan leven en dood en sta op met de gedachte dat je niet lang of nog lang te leven hebt?

Ayah: Waarom laat je dat vraagteken niet weg?

Hans: Laat liever de rest weg.

Ayah: Laat ook maar zitten.

Hans: Zo kun je het ook zeggen.

Ayah: Wees op alles voorbereid, is dat wat je bedoelt?

Hans: Jij liever dan ik.

Ayah: Hoezo?

Hans: Je zou nergens anders meer aan toe komen.

Ayah: Wees voorbereid op het onvoorbereide, wat denk je daarvan?

Hans: Ik zou niet weten hoe.

Ayah: Stel dat het me toch zou lukken?

Hans: Dan komt er vanzelf weer een wijze.


Denk jij vaak aan de dood?

Vind jij het heilzaam om aan de dood te denken?

Denk jij dat het voor iedereen heilzaam is om de dood voor ogen te houden?

Denk jij dat je ervoor kunt kiezen de dood voor ogen te houden?

Gedenk te leven, spreekt dat je aan?

Vind jij dat je alles uit het leven moet halen?

Vind jij dat iedereen alles uit het leven moet halen?

Denk je dat je ervoor kunt kiezen om alles uit het leven te halen?

Wat denk je allemaal niet?

77 - Hoe ik mij op de dood heb voorbereid

De dood brengt niet meer dan één bezoek. Wees daarom voorbereid op zijn komst.

Abu Shafiq van Balkh


Hans: De dood brengt niet meer dan één bezoek. Hoe kan ik dan voorbereid zijn op zijn komst?

Ayah: Daar vraag je me wat.

Hans: En brengt de dood wel één bezoek?

Ayah: In plaats van?

Hans: Vele bezoeken bijvoorbeeld.

Ayah: Reïncarnatie.

Hans: Of géén bezoek.

Ayah: Onsterfelijkheid.

Hans: Weet jij veel.

Ayah: Geloof jij dan in reïncarnatie of in onsterfelijkheid?

Hans: Toevallig niet.

Ayah: Maar?

Hans: Weet ik veel.

Ayah: Ben jij op de dood voorbereid? Euthanasiepapieren, nalatenschap, voogdijschap, afscheidsvideo, herinneringsdoos, adressenlijst, begrafenismuziek en zo?

Hans: Ik heb bijna al mijn voorbereidingen teniet gedaan.

Ayah: Waarom?

Hans: Omdat ik er de willekeur van inzag?

Ayah: Echt?

Hans: Ik zou het anders ook niet weten.

Ayah: Bedoel je dat je het beter aan de nabestaanden kunt overlaten?

Hans: Dat is al net zo willekeurig.

Ayah: Bedoel je dat je beter totaal onvoorbereid kunt zijn?

Hans: Dat is al net zo willekeurig.

Ayah: Is willekeur een ander woord voor nietweten?

Hans: Het zijn allebei maar woorden.

Ayah: Welke voorbereidingen zijn er nog over?

Hans: Mijn nalatenschap is geregeld bij wet. Mijn lijk mag versneden worden door geneeskundestudenten.

Ayah: Maar verder ben je nergens meer op voorbereid.

Hans: En toch voel ik mij nu overal op voorbereid.

Ayah: Wat als je ineens weer van alles wilt regelen?

Hans: Dan ga ik ineens weer van alles regelen.

Ayah: Maar geloof jij nou in voorbereiden of juist niet?

Hans: Weet ik veel.


Hoeveel bezoekjes brengt de dood volgens jou? Weet je dat of denk je dat?

Wat heb jij allemaal geregeld? Moet dat?

Wat heb je allemaal nog niet geregeld? Waar wacht je op?

Vind jij dat je je aan de wensen van de overledene moet houden? Is dat belangrijk voor je?

Denk je dat de nabestaanden zich aan jouw wensen zullen houden? Is dat belangrijk voor je?

Heb jij je altijd aan de wensen van de overledene gehouden toen hij nog leefde?

Hebben jouw nabestaanden zich altijd aan jouw wensen gehouden toen je nog leefde?

78 - Sterven als een dwaas is zo gek nog niet

Wie sterft uit liefde voor de materiële wereld, sterft als een huichelaar. Wie sterft uit liefde voor het hiernamaals, sterft als een gelovige. Maar wie sterft uit liefde voor de Waarheid, sterft als een soefi.

Shibli


Hans: Wie sterft uit liefde voor niet-weten, sterft als een dwaas.

Ayah: En wie sterft uit liefde voor de Waarheid?

Hans: Ook.

Ayah: En wie sterft uit liefde voor het hiernamaals?

Hans: Ook.

Ayah: En wie sterft uit liefde voor de materiële wereld?

Hans: Ook.

Ayah: Iederéén sterft als een dwaas.

Hans: Als je het aan een dwaas vraagt wel.

Ayah: Wat is dan het verschil?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Ayah: En wie lééft uit liefde voor niet-weten?

Hans: Die ziet wel hoe hij sterft.

Ayah: Wie wil dat ook weten.

Hans: Hij ziet wel wanneer hij sterft.

Ayah: Wie kan dat ook weten.

Hans: Hij ziet wel hoe vaak hij sterft.

Ayah: Jij denkt ook aan alles.

Hans: Hij ziet wel of hij sterft.

Ayah: In elk geval niet als huichelaar.

Hans: En anders maar als huichelaar.

Ayah: Wat is voor jou een huichelaar?

Hans: Iemand die doet alsof hij weet hoe je moet sterven, bijvoorbeeld.

Ayah: Waarom zou zo iemand een huichelaar zijn?

Hans: Per definitie.

Ayah: Hoezo?

Hans: Hij doet toch alsof?

Ayah: En als hij het oprecht gelooft?

Hans: Dan sterft hij als een gelovige.

Ayah: Net als degene die sterft uit liefde voor het hiernamaals.

Hans: Volgens Rumi wel.

Ayah: Wie sterft er volgens jou als een soefi?

Hans: Die gelooft dat hij sterft als een soefi.

Ayah: Dan sterft hij toch ook als een gelovige?

Hans: Per definitie.

Ayah: Volgens Rumi kun je alleen sterven als een soefi uit liefde voor de Waarheid.

Hans: Geloof je dat?

Ayah: Hoe wil jij sterven?

Hans: Als iemand die niet zo nodig hoeft te sterven als een soefi.

Ayah: Als wie of wat dan wel?

Hans: Als iemand die niet zo nodig hoeft te sterven als wie of wat dan ook.

Ayah: Hoe zul jij sterven?

Hans: Net als jij.

Ayah: Hoe is dat?

Hans: Net als iedereen.

Ayah: Hoe dan?

Hans: Zoals ik sterf.

Ayah: We sterven zoals we sterven.

Hans: Per definitie.

Ayah: Het maakt niet uit hoe we sterven.

Hans: En anders maar wel.

Ayah: Het maakt niet uit of het ons uitmaakt hoe we sterven.

Hans: En anders maar wel.

Ayah: Wie sterft uit liefde voor niet-weten, sterft als een dwaas, zei je toch?

Hans: Dwaas.

Ayah: Vanwaar toch steeds die botheid?

Hans: Uit liefde voor de waarheid.


Hoe wil jij sterven?

Hoeveel manieren zijn er volgens jou om te sterven?

Hoeveel mensen denk jij dat er sterven zoals ze willen sterven?

Hoe groot is de kans dat jij zult sterven zoals je wilt sterven?

Draaien als een derwisj 20

Derwisj draaiend tussen de handen van een pottenbakker.

79 - Om mijn geliefde niet tekort te doen

Wat kan ik doen, moslims? Ik ken mezelf niet eens.

Ik ben geen christen, geen jood, geen magiër, geen moslim. Niet uit het oosten, niet uit het westen. Niet van het land, niet van de zee. Niet van de natuur, niet van het firmament. Niet van de aarde, niet van het water, niet van de lucht, niet van het vuur.

Niet uit India, China, Bulgarije, Saqseen. Niet van het koninkrijk der Irakezen of van Khorasan. Niet van deze wereld of de volgende, niet van hemel of hel. Niet van Adam, Eva, de tuinen van het paradijs of Eden. Mijn plaats is plaatsloos, mijn spoor spoorloos. Ik ben noch lichaam, noch ziel.

Alles is het leven van mijn Geliefde.

Jalaludin Rumi


Hans: Jammer van die laatste zin.

Ayah: Alles is het leven van mijn Geliefde?

Hans: Het was net zo spannend.

Ayah: Hoe zou jij eindigen?

Hans: ‘Wat kan ik doen, mensen? Ik ken mezelf niet eens.’

Ayah: Dat staat al aan het begin.

Hans: Het alfa en omega van niet-weten.

Ayah: Maar het voegt niets toe.

Hans: We willen niet toevoegen, we willen wegnemen.

Ayah: Maar het neemt niets nieuws weg.

Hans: Doe dan maar ‘Wat kan ik doen, mensen? Ik ken mijn geliefde niet eens.’

Ayah: Je kent jezelf niet eens en je kent je Geliefde niet eens?

Hans: Niet echt.

Ayah: Maar wel een beetje.

Hans: Het mag geen naam hebben.

Surrealistisch naakt.
‘Wat kan ik doen, mensen? Ik ken mijn geliefde niet eens.’

Ayah: Wat voor misverstanden denk je te kunnen vermijden door de zin ‘Alles is het leven van mijn Geliefde’ weg te laten?

Hans: Personificatie. Reïficatie. Deïficatie.

Ayah: Goedendag!

Hans: Alsof er niet alleen in overdrachtelijke zin maar ook letterlijk een geliefde zou zijn in de vorm van een persoon, zaak of opperwezen.

Ayah: Want die is er niet?

Hans: Wie zal het zeggen.

Ayah: Is niet-weten jouw Geliefde?

Hans: Over personificatie gesproken.

Ayah: Wat is niet-weten dan wel?

Hans: Over reïficatie gesproken.

Ayah: Wie is dan jouw Geliefde?

Hans: Die zich geen geliefde laat noemen.

Ayah: Hè?

Hans: En geen die.

Ayah: Omdat je het zelf bent?

Hans: En geen ik.

Ayah: Het mag alleen niet-weten heten?

Hans: En geen niet-weten.

Ayah: Meer kun je er niet over zeggen?

Hans: Minder wel.

Ayah: Dit mag gerust het Mysterie heten.

Hans: Dat mag mystificatie heten.

Ayah: Vanwaar toch steeds die terughoudendheid?

Hans: Om mijn geliefde niet tekort te doen.

80 - Ik vond waar ik niet vond

Kruis en christenen, begin tot einde heb ik onderzocht. Hij was niet aan het kruis.

Ik ben naar de hindoetempel gegaan, naar de oude pagode. In geen daarvan was ook maar enig teken.

Naar de hooglanden van Herat ben ik gegaan, en naar Kandahr. Ik zocht. Hij was niet in de hooglanden of in de laaglanden.

Vastberaden ben ik naar de top van de berg Kaf gegaan. Daar was slechts de woonstee van de Anquavogel.

Ik ben naar de Kaaba van Mekka geweest. Hij was er niet.

Ik heb naar hem gevraagd bij Avicenna de denker. Hij was buiten het bereik van Avicenna.

Ik zocht in mijn eigen hart. Op die, zijn plaats, zag ik hem. Hij was nergens anders.

Rumi


Hans: Jammer van die laatste zin.

Ayah: Je valt in herhaling.

Hans: Zei het hart tegen de longen.

Ayah: Wat zou jij hebben gezegd?

Hans: Ik zocht in mijn eigen hart. Hij was er niet. Hij was nergens anders.

Ayah: En toen?

Hans: Ik zocht niet langer. Op die, zijn plaats, zag ik hem.

Ayah: Prachtig.

Hans: Jammer van die laatste zin.

Ayah: ‘Op die, zijn plaats, zag ik hem’?

Hans: Was dat nou nodig?

Ayah: Het zijn nota bene je eigen woorden!

Hans: Des te erger.

Ayah: Wat is er mis mee?

Hans: Weer die personificatie, hè.

Ayah: ‘Hem’.

Hans: En ‘zijn’ plaats.

Ayah: Er is geen sprake van een hem.

Hans: En ook niet van een haar of een het en ook niet van iets anders en ook niet niets.

Ayah: Laat staan dat geen-hem, geen-haar of geen-het een plaats zou hebben.

Hans: Of zelfs maar geen-plaats.

Ayah: Wat dan wel?

Hans: Tja.

Ayah: Maar wat zeg je dan nog?

Hans: Voel je hem?

Twee spiegelbeeldig dansende derwisjen die met elkaar praten.
‘Je valt in herhaling!’ ‘Nee, jij dan!’

81 - Beelden breken om ruimte te maken

Doen we er goed aan afbeeldingen te maken van de wijze waarop de Ongeziene Wereld werkt? Alleen de Ene die deze dingen weet, kan dat. Hoe kan ons kale hoofd het verschijnsel haar verklaren?

Mozes dacht een staf te zien, maar er verborg zich een slang in. Als zo’n spirituele koning al niet in een stuk hout kon kijken, hoe zouden wij dan verleiding en lotsbestemming kunnen begrijpen, of de graankorrels die worden uitgestrooid en wat de Zaaier daarmee voorheeft?

Wij zijn als rondneuzende muizen die ons bemoeien met dingen die ons niet aangaan. De beelden die wij bedenken kunnen veranderen in wilde dieren die ons in stukken scheuren.

Rumi


Hans: Rumi vindt kennelijk dat we geen beelden van de Ongeziene Wereld moeten maken.

Ayah: Alleen de Ene kan dat.

Hans: Waarom doet hij het dan toch?

Ayah: Welke beelden maakt Rumi dan?

Hans: De Ongeziene Wereld bijvoorbeeld.

Ayah: Dat is inderdaad een beeld.

Hans: De Ene bijvoorbeeld.

Ayah: Nu je het zegt.

Hans: De Zaaier die iets voorheeft met de graankorrels die hij uitstrooit, dat wij niet kunnen begrijpen.

Ayah: En dat is drie.

Hans: Zonder beelden blijft er niets van Rumi’s verhaal over.

Ayah: Hoe moet hij er anders naar verwijzen?

Hans: Waarnaar verwijzen?

Ayah: Naar God.

Hans: Verwijzen is verbeelden.

Ayah: Maar wat moet hij dan?

Hans: Zijn eigen denkbeelden stukslaan?

Ayah: Want ieder beeld van God is onvolkomen?

Hans: Dat is vier en dat is vijf.

Ayah: Hoezo?

Hans: God is een beeld. De onvolkomenheid van ieder godsbeeld is een beeld.

Ayah: God is een naam.

Hans: Die onwillekeurig het beeld van een opperwezen met de gedaante van een mens oproept, zes.

Ayah: Schiep God de mens niet naar zijn evenbeeld?

Hans: Waren wij geen rondneuzende muizen?

Ayah: Zeven.

Hans: Misschien is het wel de mens die God schept naar zijn evenbeeld.

Ayah: Mensen denken nou eenmaal in beelden.

Hans: En denkbeelden veranderen nou eenmaal in wilde dieren.

Ayah: Die ons in stukken scheuren.

Hans: Waarmee we God hebben verbeeld als een denkbeeld dat ons in stukken scheurt.

Ayah: Acht.

Hans: Maar een god zonder beeld is als een beeld zonder god.

Ayah: En nóg een beeld.

Hans: Negen.

Ayah: Wat moet je anders?

Hans: Je denkbeelden in stukken scheuren voor ze jou in stukken scheuren?

Ayah: Om ruimte te maken voor God?

Hans: Tien.

Ayah: Hè?

Hans: Dat God net als gewone wezens en dingen ruimte inneemt is opnieuw een beeld.

Ayah: Waarom zou je je denkbeelden anders verscheuren dan om ruimte te maken voor God?

Hans: Om ruimte te maken?

Ayah: Maar waarvoor?

Hans: Waarvoor dan ook. Of gewoon voor de ruimte.

Ayah: Misschien is God wel die ruimte.

Hans: Misschien is die ruimte wel ruimte.

Ayah: Wat moet je met al die ruimte?

Hans: Alsof je wat moet met die ruimte.

Ayah: Het beeld van God als beeldloze ruimte spreekt me anders wel aan.

Hans: Verbaast me niks.

Ayah: Hoezo?

Hans: Elf is het dwazengetal.

Ayah: Jou spreekt het beeld van God als beeldloze ruimte niet aan.

Hans: Natuurlijk niet.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Het neemt veel te veel ruimte in.


1.

Heb jij een godsbeeld?

Doet jouw godsbeeld god recht?

Doet god jouw godsbeeld recht?

Kan jouw godsbeeld zonder god?

Kan god zonder jouw godsbeeld?

2.

Heb jij een boeddhabeeld?

Doet jouw boeddhabeeld de boeddha recht?

Doet de boeddha je boeddhabeeld recht?

Kan jouw boeddhabeeld zonder boeddha?

Kan boeddha zonder jouw boeddhabeeld?

3.

Heb jij een mensbeeld?

Doet jouw mensbeeld de mens recht?

Doet de mens jouw mensbeeld recht?

Kan jouw mensbeeld zonder mens?

Kan de mens zonder jouw mensbeeld?

4.

Heb jij een wereldbeeld?

Doet jouw wereldbeeld de wereld recht?

Doet de wereld jouw wereldbeeld recht?

Kan jouw wereldbeeld zonder de wereld?

Kan de wereld zonder jouw wereldbeeld?

5.

Heb jij een zelfbeeld?

Doet jouw zelf je zelfbeeld recht?

Doet jouw zelfbeeld je zelf recht?

Kan jouw zelfbeeld zonder jou?

Kan jij zonder jouw zelfbeeld?

82 - Onder de mantel der liefde

Onder mijn mantel is niets dan God.

Bayazid


Hans: Onder mijn mantel is niets.

Ayah: En God dan?

Hans: God is niets dan mijn mantel.

Onzichtbare derwisj in zichtbare kleren.
God is niets dan mijn mantel.

83 - God is niets zonder de mens

Wij zijn als een schaal die op het water drijft. Deze schaal is geen meester over zichzelf, maar is overgeleverd aan de genade en de beweging van het water.

Rumi


Hans: Het water is net zo goed overgeleverd aan de genade en de beweging van de schaal.

Ayah: Het is de schaal die op het water drijft, niet omgekeerd.

Hans: Het is het water dat wordt weggedrukt door de schaal. Hoe licht de schaal ook mag zijn, zijn gewicht drukt het omringende water omhoog. Een uitdijende opstuwing die zich in alle richtingen uitbreidt.

Ayah: Ja, dat zal wel.

Hans: En de bewegingen van de schaal veroorzaken rimpels op het wateroppervlak die eveneens uitdijen.

Ayah: Maar het is het water dat de schaal in beweging brengt.

Hans: Of de wind of wat dan ook. Het punt is dat de schaal en het water elkaar wederzijds in beweging brengen.

Ayah: Maar het effect van de schaal op het water is veel geringer dan omgekeerd.

Hans: Alleen als de schaal veel kleiner is dan het water. Wat als de schaal een tanker is en het water een schutsluis?

Ayah: Zo had ik het nog niet bekeken.

Hans: Een kwestie van schaal.

Ayah: Ah ja.

Hans: Bovendien is het water op zijn beurt overgeleverd aan de genade en de beweging van wat dan ook.

Ayah: Van wat dan wel?

Hans: Van het water zelf, om te beginnen. De golven erop en de golfstromen en getijdenstromen erin. Van verticale en horizontale temperatuursverschillen. Van de wind aan de oppervlakte. Van de bewegingen van de maan en de zon die de getijden veroorzaken. Van de zwaartekracht van de aarde. Van de waterwezens, de waterplanten, noem maar op.

Ayah: Je hebt het nu over de zee.

Hans: Elke schaal heeft zijn verhaal.

Ayah: Want alles hangt met alles samen.

Hans: Nou, alles.

Ayah: Volgens mij staat de schaal hier voor de mens en het water voor God.

Hans: Het is de vraag of je die twee zo kunt scheiden.

Ayah: Water is water en een schaal is een schaal.

Hans: Voor mij is het één pot nat.

Ayah: Zonder mensenmaker geen mensen.

Hans: Zonder godenmakers geen goden.

Ayah: Rumi wil alleen maar zeggen dat de mens nergens zou zijn zonder God die overal is.

Hans: Ik wil alleen maar zeggen dat God nergens zou zijn zonder de mens die overal is.

Draaien als een derwisj 21

Derwisj die op het water danst.

84 - Deze liefde kent geen schande

Mijn religie is vanuit liefde te leven. Leven vanuit deze dierlijke ziel en dit hoofd is een schande.

Rumi


Hans: Mijn religie is vanuit nietweten te leven. Deze liefde kent geen schande.

Ayah: Mooi.

Hans: Alleen als tegenwicht hoor.

Ayah: Wat als Rumi dat had gezegd?

Hans: Wat had gezegd?

Ayah: ‘Mijn religie is vanuit nietweten te leven.’

Hans: Dan had ik gezegd, ‘Mijn religie is vanuit mijn dierlijke ziel te leven. Deze ziel kent geen schande.’

Ayah: Ook mooi.

Hans: ‘Mijn religie is zonder religie te leven.’

Ayah: Ah ja.

Hans: ‘Mijn religie is nergens vanuit te gaan.’

Ayah: Je schudt ze zo uit je mouw.

Hans: ‘Mijn religie is overal vanuit te gaan.’

Ayah: Allemaal als tegenwicht.

Hans: Als tijdverdrijf en als spel.

Ayah: De groeten van Shabistari.

Hans: En als oefening natuurlijk.

Ayah: Waarin?

Hans: Vrij denken.

Ayah: Kun je dat leren?

Hans: Wie zal het zeggen.

Ayah: Wat als Rumi niets had gezegd?

Hans: Dan hadden we nu vrij kunnen praten.

Derwisj met een paardenhoofd en hoefjes.
Leven vanuit deze dierlijk ziel en dit hoofd is geen schande.

Wat is jouw religie?

Valt daar iets tegenin te brengen?

Is er een religie waar niets tegenin te brengen valt?

Bestaan er gedachten waar niets tegenin te brengen valt?

Vrij denken, kun je dat leren volgens jou?

Vallen gedachten jou in of bedenk jij ze zelf?

Wat doe je liever, denken volgens gebaande wegen of denken volgens ongebaande wegen?

85 - De opgang van het verstand dat zichzelf doorziet

Hoewel ons verstand niet kan begrijpen, hoezeer het zich ook inspant, zal het de poging toch niet kunnen opgeven. Wanneer het verstand de strijd zou opgeven zou het niet meer het verstand zijn.

Het verstand is dag en nacht rusteloos en in beweging, denkend, worstelend en trachtend om Hem te begrijpen, maar Hij blijft onbegrijpelijk en onbegrepen.

Het verstand is als een mot en de Geliefde is als een kaars. Wanneer de mot in de kaarsenvlam vliegt, wordt hij verteerd. Zo is de mot.

Hoe vaak hij zich ook bezeert, hij kan niet leven zonder de kaars. Kon hij dat wel, dan was hij geen mot. En zou de mot niet verteerd worden, dan was de kaars geen kaars.

Net zo is de mens die het zonder God kan stellen en geen moeite doet om Hem te bereiken, geen mens. Zou hij God wel kunnen begrijpen dan was God niet God.

Daarom is de ware mens altijd bezig en cirkelt hij rusteloos en onophoudelijk rond het licht van Gods Majesteit. En God is nou eenmaal degene die de mens verteert en tot niets maakt zonder dat Hij door het verstand begrepen kan worden.

Rumi


Hans: Rumi gaat er hier kennelijk van uit dat God te groot is voor ons beperkte verstand.

Ayah: Is Hij dat dan niet?

Hans: Misschien is het niet God die te groot is voor ons beperkte bestand, maar wijzelf.

Ayah: Of het leven zelf.

Hans: Misschien is God wel een vernuftige vondst van het verstand ter verklaring van het onbegrijpelijke leven.

Ayah: Een antwoord.

Hans: Op een onverdraaglijke vraag.

Ayah: Dan is het verstand de mot en zijn kaars het leven.

Hans: Dan is God een bovenaardse schepper geschapen door een aards wezen dat zich aan Zijn haren uit het moeras probeert te trekken.

Ayah: Groeten van de Baron van Münchhausen.

Hans: Dan is Hij een antwoord dat geen vraag verdraagt.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Omdat Hij die verantwoordelijk zou zijn voor het onbegrijpelijke leven, zelf niet minder onbegrijpelijk kan zijn.

Ayah: ‘Gods wegen zijn wonderbaarlijk.’

Hans: Je hebt het probleem dus alleen maar verplaatst.

Ayah: Van het onverklaarbare naar de Onverklaarbare.

Hans: Van het wonder naar de Wonderdoener.

Ayah: Dan weet je nog steeds niets.

Hans: Dan weet je voorgoed niets.

Ayah: Dan is het leven principieel onbegrijpelijk geworden.

Hans: Wij geven ons over en buigen nederig het hoofd voor de Ongrijpbare.

Ayah: Als God geen echt antwoord is, wat is Hij dan wel?

Hans: Een onechte vraag?

Ayah: Wat is dat voor vraag?

Hans: Een vraag die geen antwoord verdraagt.

Ayah: Een vraag die de mens verteert en tot niets maakt zonder dat er ooit begrip ontstaat.

Hans: Een vraag die het verstand verteert en tot niets maakt tot het dat begrijpt.

Ayah: De afgang van het verstand dat het leven niet doorziet.

Hans: De opgang van het verstand dat zichzelf doorziet.

Ayah: Een pyrrhusoverwinning.

Hans: Een Pyrrho-overwinning.*

* Pyrrhusoverwinning: zege die niets oplevert. Pyrrho (circa 360 - 270 voor Christus): radicaal scepticus die zelfs het scepticisme betwijfelde.

Ayah: En dat noemt Rumi God.

Hans: Van mij mag het niet-weten heten.

Ayah: Is God werkelijk waar een schepping van de mens?

Hans: ik zou het ook niet weten.

Ayah: Hoe kunnen we dat ook weten.

Hans: Misschien is de gedachte dat God een schepping van de mens is, wel een schepping van God in de mens.

Ayah: Waarom zou Hij dat doen?

Hans: Omdat Zijn wegen wonderbaarlijk zijn.

Ayah: Ah ja.

Hans: Of misschien is dit hele verhaal wel een vernuftige vondst van het verstand ter verklaring van religie.

Ayah: Want godsdienst is al even onbegrijpelijk als het leven zelf.

Hans: Misschien is het verstand op zijn beurt een vernuftige vondst ter verklaring van de onbedwingbare neiging tot verklaren.

Ayah: Maar van wie of wat is het dan een vondst?

Hans: En weer een vraag die geen antwoord verdraagt.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Omdat je anders het probleem opnieuw verplaatst.

Ayah: Naar de wereldgeest, het ware zelf, Brahman, de Tao…

Hans: En hoe verklaar je die dan weer…

Ayah: Misschien moeten we al die verklaringen maar gewoon vergeten.

Hans: Ik zou alleen niet weten hoe.

Droste-effect van een tovenaars toverende tovenaar.
Wie heeft de tovenaar getoverd?

86 - Een vinger naar de waan

Vervangen we in Rumi’s citaat hierboven het woord ‘God’ door ‘het leven’ (in de zin van het geheel, het bestaan, de kosmos, wat dat ook mag betekenen) dan klinkt het opeens heel (post)modern:

Hoewel ons verstand het leven niet kan begrijpen, hoe het zich ook inspant, zal het de poging toch niet kunnen opgeven. Wanneer het verstand de strijd zou opgeven zou het niet meer het verstand zijn.

Het verstand is dag en nacht rusteloos en in beweging, denkend, worstelend en trachtend om het leven te begrijpen, maar het leven blijft onbegrijpelijk en onbegrepen.

Het verstand is als een mot en het leven is als een kaars. Wanneer de mot in de kaarsenvlam vliegt, wordt hij verteerd. Zo is de mot.

Hoe vaak hij zich ook bezeert, hij kan niet leven zonder de kaars. Kon hij dat wel, dan was hij geen mot. En zou de mot niet verteerd worden, dan was de kaars geen kaars.

Net zo is de mens die het zonder begrip kan stellen en geen moeite doet om het te bereiken, geen mens. Zou hij het leven wel kunnen begrijpen dan was het leven niet het leven.

Daarom is de mens altijd bezig en cirkelt hij rusteloos en onophoudelijk rond het raadsel van het leven. En het leven is nou eenmaal datgene wat de mens verteert en tot niets maakt zonder dat het door het verstand begrepen kan worden.

Heeft het verstand dit eenmaal grondig begrepen, dat wil zeggen, heeft het zich neergelegd bij zijn onvermogen, dan kan het eindelijk ontspannen. Ontspannen in niet-weten.

Vervangen we conform deze gedachte ‘het leven’ in de derde tot en met zesde alinea door ‘niet-weten’ dan klinkt het fragment opeens heel agnostisch:

Het verstand is als een mot en niet-weten is als een kaars. Wanneer de mot in de kaarsenvlam vliegt, wordt hij verteerd. Zo is de mot.

Hoe vaak hij zich ook bezeert, hij kan niet leven zonder de kaars. Kon hij dat wel, dan was hij geen mot. En zou de mot niet verteerd worden, dan was de kaars geen kaars.

Net zo is de mens die het zonder niet-weten kan stellen en geen moeite doet om het te bereiken, geen mens. Zou hij het niet-weten wel kunnen begrijpen dan was het geen niet-weten.

Daarom is de mens altijd bezig en cirkelt hij rusteloos en onophoudelijk rond het het niet-weten. En niet-weten is nou eenmaal datgene wat de mens verteert en tot niets maakt zonder dat het door het verstand begrepen kan worden.


Klinkt goed, vind ik. Maar het blijft een verhaal uit de duim.

Een vinger naar de waan.

Hoe die ook mag heten.

Draaien als een derwisj 22

Hoepelende derwisj.

87 - Een vinger naar de vinger naar de maan

Soms zeg ik: ‘De Zon in de Zon binnenin de Zon’ en beweer dat ik daarmee God beschrijf.

Rumi


Hans: Soms zeg ik ‘de Schaduw van het Holst van de Nacht’ en beweer dat ik daarmee het Mysterie beschrijf.

Ayah: Terwijl het niet in de buurt komt?

Hans: Soms zeg ik ‘het Mysterie’ en beweer dat ik daarmee het raadsel van het leven beschrijf.

Ayah: Terwijl het niet in de buurt komt?

Hans: Soms zeg ik ‘het raadsel van het leven’ en beweer dat ik daarmee de wijsheid zonder wijsheid beschrijf.

Ayah: Terwijl het niet in de buurt komt?

Hans: Soms zeg ik ‘de wijsheid zonder wijsheid’ en beweer dat ik daarmee het nietweten beschrijf.

Ayah: Terwijl het niet in de buurt komt?

Hans: Soms zeg ik ‘het nietweten’ en beweer dat ik daarmee het de leegte beschrijf.

Ayah: Terwijl het niet in de buurt komt?

Hans: Soms zeg ik ‘de leegte’ en beweer dat ik daarmee het niets beschrijf.

Ayah: Terwijl het niet in de buurt komt?

Hans: Soms zeg ik ‘het niets’ en beweer dat ik daarmee niets beschrijf.

Ayah: Terwijl het niet in de buurt komt?

Hans: Soms zeg ik even niets.

Ayah: Komt dat dan een beetje in de buurt?

Hans: …

Maan met derwisjmuts.

88 - Ontwaken uit je dromen van ontwaken

Alles wat in deze wereld gebeurt is een droom waarvan de uitleg in de andere wereld gegeven zal worden.

Rumi


Hans: De andere wereld is misschien ook wel een droom in deze wereld.

Ayah: Wie zal er dan nog uitleg over geven?

Hans: Dat er straks uitleg gegeven zal worden over alles wat er in deze wereld gebeurt is misschien ook wel een droom in deze wereld.

Ayah: Zo blijft er niet veel over van deze wereld.

“Misschien is eindelijk echt wakker zijn ook wel een droom in een of andere wereld.”

Hans: Dat alles wat er in deze wereld gebeurt een droom zou zijn, is misschien ook wel een droom in deze wereld.

Ayah: Dan zou het toch geen droom zijn.

Hans: Dat het toch geen droom zou zijn, is misschien ook wel een droom in deze wereld.

Ayah: Er lijkt geen ontkomen aan.

Hans: Dat er geen ontkomen aan lijkt te zijn, is…

Ayah: Misschien ook wel een droom in deze wereld, ja ja.

Hans: Dat het allemaal dromen zijn in deze wereld is misschien wel een droom in de andere wereld.

Ayah: Ik word gek.

Hans: In dat geval zijn we al in de andere wereld maar dromen we van deze.

Ayah: Zijn we toch nog ontkomen.

Hans: Die dan eigenlijk de andere is.

Ayah: Mij lijkt het dat je in de andere wereld niet langer droomt, maar eindelijk echt wakker bent.

Hans: Misschien is eindelijk echt wakker zijn ook wel een droom in een of andere wereld.

Ayah: Misschien ontdek je dan dat deze wereld, dit leven, van begin tot eind een droom was.

Hans: Misschien is dat alleen maar de uitleg waar Rumi van droomde.

“De andere wereld is misschien wel een droom in deze wereld.”

Ayah: Ik zou het hem graag vragen, maar ja…

Hans: Probeer het anders eens in je dromen.

Ayah: Wat een nachtmerrie is dit, zeg.

Hans: Wacht maar tot je de uitleg hoort.

Slaapwandelaar die droomt dat hij danst, of omgekeerd.

89 - Door verbijstering verslonden

Bij ons moet je een wakende slaper zijn opdat je in de wakkere staat dromen kunt dromen. De gedachte aan wat geschapen is staat vijandig tegenover deze zoete wakende slaap. Totdat je denken slaapt, zit je keel dicht, en kan er geen geheim naar binnen.

Het denken wordt door mystieke verbijstering weggevaagd. Het denken en de herinnering aan iets anders dan God wordt door verbijstering verslonden.

Rumi


Hans: Het denken wordt door verbijstering weggevaagd, zeker.

Ayah: En het denken aan iets anders dan God?

Hans: Dat dan natuurlijk ook.

Ayah: Maar?

Hans: Het denken aan God zelf net zo goed.

Ayah: Al het denken wordt door verbijstering verslonden?

Hans: Anders zou het geen verbijstering zijn.

Ayah: Het enige wat overblijft is mystieke verbijstering?

Hans: Ook weggevaagd.

Ayah: De mystieke verbijstering wordt zelf door mystieke verbijstering weggevaagd?

Hans: Zie ik er soms verbijsterd uit?

“Het denken droomt zich een denken dat denkt dat het waakt en het droomt zich een denker die denkt dat hij droomt.”

Ayah: Dit is werkelijk het toppunt!

Hans: Het toppunt van mystiek, zul je bedoelen.

Ayah: Het einde ervan, zul je bedoelen.

Hans: Het toppunt van mystiek is het einde ervan. En het einde van mystiek is het toppunt ervan.

Ayah: De mystiek sterft aan zichzelf.

Hans: En herrijst uit de as.

Ayah: En sterft aan zichzelf.

Hans: En herrijst uit de as.

Ayah: Als de vogel Feniks.

Hans: Nestbouwer en nestverbrander ineen.

Ayah: Mystiek vergaat omdat het bestaat.

Hans: Mystiek bestaat zolang het vergaat.

Ayah: Denk jij dat God bestaat?

Hans: Dat maakt deel uit van het mysterie.

Ayah: Wat maakt eigenlijk geen deel uit van het mysterie?

“Weet jij waar je geest ophoudt en je lichaam begint? Weet jij waar je lichaam ophoudt en de wereld begint?”

Hans: Niets maakt deel uit van het mysterie.

Ayah: Hè?

Hans: Het mysterie zelf wordt door mystieke verbijstering weggevaagd.

Ayah: Ah ja.

Hans: Wat een slokop, hè?

Ayah: Zo te horen kan er bij jou wel een geheim naar binnen.

Hans: Dat is nergens voor nodig.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Het geheim zat altijd al van binnen.

Ayah: Welke geheim dan?

Hans: Ken jij je binnenste?

Ayah: Niet echt.

Hans: Daarom hoeft het geheim niet naar binnen.

Ayah: Buiten zit al van binnen.

“Het mysterie zelf wordt door mystieke verbijstering weggevaagd.”

Hans: Wie kent het verschil tussen binnen en buiten.

Ayah: Is dat ook al geheim?

Hans: Weet jij waar je geest ophoudt en je lichaam begint?

Ayah: Nou, nee.

Hans: Weet jij of je lichaam een functie is van je geest of je geest van je lichaam?

Ayah: Eigenlijk niet.

Hans: Weet jij waar je lichaam ophoudt en de wereld begint?

Ayah: Als het erop aankomt, weet ik niet eens of mijn lichaam deel uitmaakt van mij of van de wereld.

Hans: Nou, ik ook niet.

Ayah: Dat is allemaal geheim?

Hans: Is er een geheim als niemand zich iets afvraagt?

Ayah: Maakt een boom geluid als er niemand is om het te horen?

Hans: Of is dat ook geheim?

“Het toppunt van mystiek is het einde ervan. En het einde van mystiek is het toppunt ervan. Mystiek bestaat zolang het vergaat.”

Ayah: Jouw keel zit duidelijk niet dicht.

Hans: En mijn denken is duidelijk niet weggevaagd.

Ayah: Maar waar het nou mee bezig is?

Hans: Het droomt zich een wereld en het waakt over zichzelf.

Ayah: Een zoete, slapende wake?

Hans: Dat is een van zijn dromen.

Ayah: Wat droomt het nog meer?

Hans: Het droomt zich een denken dat denkt dat het waakt en het droomt zich een denker die denkt dat hij droomt.

Ayah: Hoe is het om zo’n wakkere slaper te zijn?

Hans: Daar kun je alleen maar van dromen.

90 - De warboel de warboel laten

Zintuiglijke waarneming is de gevangene van het intellect. Weet ook dat het intellect de gevangene is van de geest. De geest bevrijdt de gekluisterde hand van het intellect en brengt de warboel in evenwicht.

Rumi


Hans: Zintuiglijke waarneming, het intellect, de geest – wat een warboel.

Ayah: Hoezo?

Hans: Zie ze maar eens uit elkaar te houden.

Ayah: Vraag het anders aan een psycholoog.

Hans: Helpt niets.

Ayah: O?

“De warboel de warboel laten is de warboel in evenwicht brengen.”

Hans: Ik heb zeven jaar psychologie gestudeerd om zaken als zintuiglijke waarneming, het intellect en de geest, de wil, de ziel, het ego, het id, het geweten, de rede, het hart, intuïtie en taal te leren onderscheiden en doorzien.

Ayah: En?

Hans: Ik kon helemaal niks uit elkaar houden.

Ayah: Maar je kunt iedereen doorzien.

Hans: Ik kan niet eens mezelf doorzien…

Ayah: Maar?

Hans: Ik heb alle begrippen doorzien.

Ayah: Je hebt er niets van opgestoken.

Hans: Dat is wat ik ervan heb opgestoken.

Ayah: Dus volgens jou is het niet zo dat zintuiglijke waarneming de gevangene is van het intellect, het intellect de gevangene van de geest, en dat de geest de gekluisterde hand van het intellect bevrijdt en de warboel in evenwicht brengt?

Hans: Ik zou het zelfs niet willen tegenspreken.

Ayah: Wat zou jij zeggen?

Hans: De geest bevrijdt de geest van de geest.

Ayah: Hoppa.

Hans: Het scheermes van Occam.

“Wie niet opstaat kan niet vallen.”

Ayah: Wat als de geest bevrijdt is van de geest?

Hans: Dan ben je eindelijk vrij van geest.

Ayah: Wat als je eindelijk vrij van geest bent?

Hans: Dan laat je de warboel de warboel.

Ayah: Die moet je toch juist in evenwicht brengen?

Hans: Dat is al het evenwicht.

Ayah: De warboel de warboel laten is de warboel in evenwicht brengen?

Hans: Wat zou jou in een volstrekte warboel nog uit evenwicht kunnen brengen?

Ayah: Wie niet opstaat kan niet vallen, wou je zeggen.

Hans: Zolang je valt kun je niet opstaan, zou ik zeggen.

Ayah: Is het intellect dan bevrijdt van de geest? Is de zintuiglijke waarneming dan bevrijdt van het intellect?

Hans: Ken jij het verschil tussen de zintuiglijke waarneming, het intellect en de geest?

Ayah: Ik dacht het wel, maar ik heb er niet voor geleerd.

Hans: Is er eigenlijk wel zoiets als de zintuiglijke waarneming, het intellect en de geest?

Ayah: Die woorden zijn er toch niet voor niets?

Hans: Ze zijn er om dingen mee te zeggen, maar daarom zijn het nog geen dingen.

Ayah: Als de geest een wijze van spreken is, wat is dan die vrijheid van geest van jou?

Hans: Alleen maar een wijze van spreken.

“Zolang je valt kun je niet opstaan.”

Ayah: Waarvoor?

Hans: Niet geloven dat je een geest hebt, niet geloven dat je geen geest hebt, bijvoorbeeld.

Niet geloven dat je een intellect hebt, niet geloven dat je geen intellect hebt.

Niet geloven dat het intellect de gevangene is van de geest, niet geloven dat het intellect niet de gevangene is van de geest.

Niet geloven dat er zoiets is als zintuiglijke waarneming los van het intellect of de geest, niet geloven dat er niet zoiets is.

Niet geloven dat de zintuiglijke waarneming de gevangene van het intellect is, niet geloven dat het dat niet is.

Ayah: En als je het toch gelooft?

Hans: Niet geloven dat jij het bent die dat gelooft, niet geloven dat jij het niet bent die dat gelooft.

Ayah: En als je toch gelooft dat jij het bent of dat jij het niet bent?

Hans: Niet geloven dat er een jij is die gelooft en niet geloven dat er geen jij is die gelooft.

Ayah: En als je toch iets blijft geloven?

Hans: Dan ga je in je kracht staan en kies je ervoor om het niet langer te geloven. Met alles wat je in je hebt.

“De geest bevrijdt de geest van de geest. Dan ben je eindelijk vrij van geest. Dan laat je de warboel de waarboel.”

Ayah: En als dat niet lukt?

Hans: Dan geloof je misschien eindelijk dat jij het niet bent die dat gelooft.

Ayah: Dit niet geloven, dat niet geloven, zelfs niet geloven in niet-geloven.

Hans: Geloof je dat nou echt?

Ayah: Wat een warboel.

Hans: Maar helemaal in evenwicht.

De warboel de warboel laten is de warboel in evenwicht brengen.

91 - God is geen-idee

Het is waar dat alle dingen in relatie tot God goed en volmaakt zijn, alleen door de relatie met ons zijn zij niet goed.

Ontucht en zuiverheid, bidden en niet-bidden, ongeloof en Islam, afgodendienst en het aanbidden van één God; in hun relatie met God zijn zij goed.

Maar in relatie met ons zijn ontucht, diefstal, ongeloof en afgodendienst slecht, terwijl de eenheid met God, het bidden en de goede werken in relatie tot ons goed zijn.

Maar in relatie tot God is alles goed.

Rumi


Hans: Van zichzelf zijn alle wezens en dingen goed noch kwaad en volmaakt noch onvolmaakt. Niet dat ik weet.

Ayah: Hoe komt dat?

Hans: Hoe zou iets goed of kwaad kunnen zijn zonder een of andere hardgebakken moraal?

Ayah: Ik zie niet hoe dat zou kunnen.

Hans: Hoe zou iets volmaakt of onvolmaakt kunnen zijn zonder een of ander hardgebakken ideaal?

Ayah: Dat lijkt mij onmogelijk.

Hans: Waar haalt een agnost zo gauw een hardgebakken moraal of ideaal vandaan?

“Ik vind helemaal niks. Zo goed heb ik gezocht.”

Ayah: En God?

Hans: Van zichzelf is God goed noch kwaad en volmaakt noch onvolmaakt. Niet dat ik weet.

Ayah: Wat is Hij dan wel?

Hans: Van zichzelf is Hij noch is Hij niet. Voor zover ik weet.

Ayah: Bedoel je dat Hij vooraf gaat aan bestaan en niet-bestaan?

Hans: Geen idee.

Ayah: Of dat Hij eraan voorbij gaat?

Hans: Geen idee.

Ayah: Of dat Hij bestaat noch niet-bestaat?

Hans: Geen idee.

Ayah: Of dat Hij bestaat én niet bestaat?

Hans: Geen idee.

Ayah: Maar wat zeg je dan nog?

Hans: Geen idee.

Ayah: Valt er dan helemaal niets over God te zeggen?

Hans: Geen idee.

Ayah: Zelfs dat kun je niet bevestigen?

Hans: Laat staan dat ik iets over alle wezens en dingen in relatie tot Hem zou kunnen zeggen.

Ayah: En als je je beperkt tot de relatie tussen God en de mens?

Hans: Wie kent het verschil tussen God en de mens?

“Van zichzelf zijn alle wezens en dingen goed noch kwaad en volmaakt noch onvolmaakt. Niet dat ik weet.”

Ayah: Bedoel je dat de mens goddelijk is?

Hans: Geen idee.

Ayah: Dat God menselijk is?

Hans: Geen idee.

Ayah: Dat God in de mens is?

Hans: Geen idee.

Ayah: Dat de mens in God is?

Hans: Geen idee.

Ayah: Dat het onderscheid tussen God en de mens een illusie is?

Hans: Geen idee.

Ayah: Dat ze in werkelijkheid één zijn?

Hans: Geen idee.

Ayah: Valt er dan helemaal niets te zeggen over de relatie tussen God en de mens?

Hans: Niet door mij.

Ayah: Dan kun je ook niet ontkennen dat ontucht en zuiverheid, bidden en niet-bidden, ongeloof en Islam, afgodendienst en het aanbidden van één God allemaal goed en volmaakt zijn.

Hans: En ook niet bevestigen.

Ayah: Hoe noem jij ze dan?

Hans: Goed noch kwaad, volmaakt noch onvolmaakt.

Ayah: Zowel in relatie tot God als in relatie tot de mens?

Hans: Noch van zichzelf, noch in relatie tot God noch in relatie tot de mens.

Ayah: Niet dat je weet.

Hans: Niet dat ik weet.

“Zelfs dat er niets over God te zeggen valt, kan ik niet bevestigen.”

Ayah: Maar wat zeg je dan nog?

Hans: Dát.

Ayah: Niets dus.

Hans: Ik vind het nogal wat.

Ayah: Jij vindt helemaal niks.

Hans: Zo goed heb ik gezocht.

Draaien als een derwisj 23

Derwisj op moskeekoepel die als rok fungeert.

92 - God weet wat er schuilgaat achter het verlangen naar God.

Wij zeiden: deze man wilde u zo graag ontmoeten, hij bleef maar zeggen, ‘Ik wou dat ik de meester ontmoet had.’

De meester zei: Op dit moment kan hij de meester niet echt zien omdat het verlangen dat hem vervult om de meester te zien is als een sluier tussen hem en de meester. Daarom ziet hij de meester op dit moment niet zonder sluier.

Zo is het met alle verlangens, gevoelens, liefde en verdwaasdheid die de mensen hebben voor allerlei dingen: vader, moeder, hemel, aarde, parken, paleizen, takken van wetenschap, werken, eten en drinken.

Alleen de mens van God beseft dat al deze verlangens het verlangen naar God zijn en alle andere dingen als sluiers zijn.

Rumi


Hans: Waarom zou het verlangen naar God ook geen sluier zijn?

Ayah: Net als het verlangen naar allerlei dingen, bedoel je.

Hans: Zou toch kunnen?

Ayah: Omdat Rumi alle aardse verlangens heeft herkend als verlangens naar God.

Hans: Maar daarom zijn ze dat nog niet.

Ayah: Als het verlangen naar God ook een sluier is, welk verlangen zit daar dan weer achter?

Hans: Misschien zijn alle verlangens wel sluiers.

Ayah: Maar waarvoor?

Hans: Of misschien is geen enkel verlangen een sluier.

Ayah: Dat kan ook nog.

Hans: Of misschien is het verlangen van Rumi naar God wel een sluier over al zijn verlangens.

Ayah: Je weet maar nooit met die gesublimeerden.

Hans: Of misschien verlangen we gewoon naar sluiers.

“God weet wat er schuilgaat achter het verlangen naar niet-weten.”

Ayah: Maar hoe zit het nou echt?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Ayah: Bijvoorbeeld?

Hans: Als je het Freud vraagt, zit er achter het verlangen naar God een verlangen naar een vaderfiguur.

Ayah: En welk verlangen zit er achter het verlangen naar een vaderfiguur?

Hans: Heel goed.

Ayah: Nou?

Hans: Als je het Rumi vraagt, het verlangen naar God. Als je het Freud vraagt, het verlangen naar macht van een hulpeloos kind of het verlangen van jongetjes naar hun moeder of het verlangen van meisjes naar een eigen penis of zoiets.

Ayah: Wie heeft hier gelijk?

Hans: Zou er maar één gelijk hebben?

Ayah: Bedoel je dat het allebei waar kan zijn?

Hans: Zou er wel een gelijk hebben?

Ayah: Bedoel je dat het allebei onwaar kan zijn?

Hans: Of waar én onwaar, of waar noch onwaar.

Ayah: Daar gaan we weer.

Hans: Als de termen waar en onwaar hier al van toepassing zijn.

“Waarom zou het verlangen naar God ook geen sluier zijn?”

Ayah: Wat zou er nog meer achter het verlangen naar God kunnen zitten?

Hans: Een verlangen naar eenheid. Een verlangen naar eenduidigheid. Een verlangen naar eenvoud. Een verlangen naar overzichtelijkheid.

Een verlangen naar zin. Een verlangen naar begrip. Een verlangen naar orde. Een verlangen naar zekerheid.

Een verlangen naar identiteit. Een verlangen naar veiligheid. Een verlangen naar geborgenheid. Een verlangen naar een praatpaal.

Een verlangen om uitverkoren te zijn. Een verlangen naar liefde. Een verlangen naar het einde van het lijden. Een verlangen naar geluk.

Een verlangen naar rechtvaardigheid. Een verlangen naar onsterfelijkheid. Een verlangen naar een vriend die er altijd voor je is. Een verlangen naar leiding. Ik roep maar wat.

Ayah: Allemaal verlangens waarvoor het verlangen naar God een sluier zou kunnen zijn.

Hans: Of omgekeerd. Of hoe het ook zit. Als het al zit.

Ayah: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Hans: Als je het mij vraagt wel.

“Misschien verlangen we gewoon naar sluiers.”

Ayah: Misschien zit er achter ieder verlangen wel een verlangen naar niet-weten.

Hans: God weet wat er schuilgaat achter het verlangen naar niet-weten.

93 - In de lachspiegel zie je je ware gezicht

Het geneesmiddel voor het verstand is een beeld van de Liefde. De gezichten van alle lievelingen vormen slechts Zijn sluier.

Rumi


Hans: Net Plato.

Ayah: Hoezo?

Hans: Die sloeg beelden ook hoger aan dan dingen. Concrete vormen zag hij als zwakke afspiegelingen van absolute, transcendente ideeën. Alleen was het hoogste idee voor Plato niet de Liefde maar de Deugd, als ik me goed herinner.

Ayah: Volgens mij bedoelt Rumi met de Liefde Allah.

Hans: Het blijft een beeld.

Ayah: Over Plato gesproken, de christelijke mysticus Meister Eckhart wordt tot de neo-platonisten gerekend, wist je dat?

Hans: Omdat hij de hele schepping en zelfs de heilige drie-eenheid als een emanatie van een absolute godheid zag.

“Het diagnosemiddel voor het verstand is een lachspiegel.”

Ayah: Hij is er zelfs om vervolgd door de Inquisitie.

Hans: Paardenmiddel voor de dwaalgeest.

Ayah: De Inquisitie?

Hans: De gezichten van alle duivels vormden slechts Haar luier.

Ayah: Wat is volgens jou het geneesmiddel voor het verstand?

Hans: Alle gezichten van al je lievelingen.

Ayah: En het beeld van de Liefde dan?

Hans: Dat is slechts hun sluier.

Ayah: Het beeld van de Liefde is slechts een sluier voor de gezichten van je lievelingen?

Hans: De Ideeën van Plato zijn slechts een sluier voor de schaduwen in de grot.

Ayah: Je draait het helemaal om.

Hans: Je kent me toch.

Ayah: Waarom?

Hans: Zo voel ik dat.

Ayah: Maar is het ook waar?

Hans: Je zegt het maar.

Ayah: Alle gezichten van al je lievelingen zijn het geneesmiddel voor je verstand?

Hans: Mensen, dieren, planten, dingen, daden – wat je maar ontspant.

Ayah: Wat als het beeld van de Liefde en alle gezichten van al je lievelingen het verstand niet kunnen genezen?

Hans: Eerst maar eens vaststellen of het ziek is.

Ayah: Hoe weet je dat?

Hans: Het diagnosemiddel voor het verstand is een lachspiegel.

“Het verstand is genezen waneer het inziet dat het zelf de lachspiegel is. Dan zijn alle beelden doorzien. Ook het beeld van de lachspiegel.”

Ayah: Hoe werkt dat?

Hans: Ga ervoor zitten, beweeg je hoofd heen en weer, loop erlangs, kijk erin zo vaak je kunt. Of stel het je gewoon voor, zo moeilijk is dat niet.

Ayah: Ik zie het helemaal voor me.

Hans: Die onbestemde, halfbekende grotesken? Nooit hetzelfde, altijd onverwacht?

Ayah: Je zal het maar hebben.

Hans: Dat is je ware zelf.

Ayah: Hè?

Hans: Bè.

Ayah: Hoe kan zoiets vluchtigs nou je ware gezicht zijn?

Hans: Hoe kan je ware gezicht nou niet iets vluchtigs zijn?

Ayah: Je ware gezicht moet constant zijn, lijkt mij. Van geboorte tot dood en misschien zelfs daarvoor en daarna. Wat veranderlijk is, kan de waarheid niet zijn.

Hans: Tenzij je ware gezicht een projectie van het verstand is.

Ayah: Een soort hologram.

Hans: Dan is het maar een zelfbeeld, star als een masker.

Ayah: Maar zonder enige substantie.

Hans: Behalve in je geest.

Ayah: Zelf-beeld.

Hans: Mens-beeld, gods-beeld, boeddha-beeld, vrijheids-beeld.

Ayah: Wereld-beeld, ideaal-beeld, schrik-beeld, tijds-beeld.

Hans: Denk-beeld, denk-beeld, denk-beeld, denk-beeld.

Ayah: Allemaal projecties.

Hans: Of is dat ook maar een projectie?

“Alle gezichten van al je lievelingen zijn het geneesmiddel voor je verstand. Mensen, dieren, planten, dingen, daden – wat je maar ontspant.”

Ayah: Wanneer is het verstand genezen volgens jou?

Hans: Wanneer het inziet dat het zelf de lachspiegel is.

Ayah: Dan zijn alle beelden doorzien?

Hans: Ook het beeld van de lachspiegel.

Ayah: Wat is het verstand dan wel?

Hans: Een denk-beeld, zou ik denken.

Ayah: Lachen!

“Die onbestemde, halfbekende grotesken? Nooit hetzelfde, altijd onverwacht? Dat is je ware zelf.”

94 - Voor een Vriend hoef je niets te verzwijgen

Rumi’s zoon vroeg hem eens: ‘Hoe en waarom heeft de derwisj zich verstopt? Met een oppervlakkige vermomming? Is er iets binnen in hemzelf dat hij verbergt?’

Zijn vader antwoordde: ‘Dat kan op allerlei manieren. Sommigen schrijven liefdesgedichten en de mensen denken dat ze gewone liefde bedoelen. Of een derwisj verbergt zijn ware positie op het Pad door een roeping te aanvaarden. Er zijn schrijvers onder ons en er zijn handelaars, zoals Baba Farid. Sommigen van ons handelen zelfs opzettelijk op een manier die de maatschappij zou kunnen afkeuren.

Zo verdedigen we ons tegen het oppervlakkige. Vandaar dat de Profeet zei: “God heeft de mannen van de grootste kennis verborgen.” De volgelingen van het Pad mogen iets bedenken dat hen vrede schenkt, wanneer ze anders hinder zouden ondervinden.’

Daarop declameerde Rumi:

‘Immer wetend – zich verschuilend, zoeken zij.
Anders lijkend dan ze zijn – voor de gewone mens.
In een innerlijk licht zwerven ze – brengen wonderen tot stand.
Toch worden ze werkelijk gekend – door niemand.’


Hans: Tegenwoordig hoeft niemand zich te verbergen. Niet in het democratische westen. Denken we schijnbaar. Westerlingen zitten massaal op internet.

Ayah: De Inquisitie is dood.

Hans: Leve de inquisitie.

Ayah: Hoe bedoel je?

Hans: Iedereen kan zichzelf ongestraft uitroepen tot God. Niemand die je nog een spiegel voorhoudt.

Ayah: Behalve jij zeker.

Hans: Ik ben God niet.

Ayah: Wie ben je wel?

Hans: Zijn linkerhand?

“Wonderen hebben ons niet nodig. Wijzelf zijn het wonder.”

Ayah: De onreine.

Hans: De hofnar.

Ayah: Ach gut.

Hans: Geschapen op de zevende dag.

Ayah: Zat Hij zeker niet op te letten.

Hans: Laat die lelijke hofnar nou net het enige schepsel zijn dat Hij niet kan missen.

Ayah: Waarom niet?

Hans: Zolang Hij om een ander kan lachen hoeft Hij niet om zichzelf te huilen.

Ayah: Nu hou je God een spiegel voor.

Hans: Spiegels moeten spiegelen.

Ayah: Wat ziet de spiegel in zichzelf?

Hans: De vraag.

Ayah: Spiegeltje, spiegeltje aan de wand…

Hans: Wie is de stomste van het land?

“Zolang Hij om een ander kan lachen hoeft Hij niet om zichzelf te huilen.”

Ayah: De spiegel als inquisiteur.

Hans: Inquisitie door anderen leidt vooral tot huichelarij. Je kunt ook jezelf de maat nemen. Je eigen duimschroeven aandraaien. Vrijwillig in de lachspiegel kijken. Zelf in het water springen om te kijken of je zinkt.

Ayah: Want dat moet?

Hans: Want dat kan.

Ayah: Want dat heb jij gedaan?

Hans: Want dat doe ik nog steeds.

Ayah: Jij bent je eigen ondervrager.

Hans: Grootinquisiteur.

Ayah: Toe maar.

Hans: Alles om mij klein te houden.

Ayah: Even over die laatste vier regels van Rumi. Door wie word jij werkelijk gekend?

Hans: Door niemand word ik werkelijk gekend.

Ayah: Behalve door jezelf zeker.

Hans: Zeker niet door mezelf.

“Ik ben zoekende – als een zandkorrel in de woestijn. Ik waai met alle winden mee.”

Ayah: Breng jij wonderen tot stand?

Hans: Wonderen hebben mij niet nodig.

Ayah: Welke wonderen heb je het over?

Hans: Echte wonderen. Geen oude verhalen. Niet van horen zeggen. Zelf te ervaren.

Ayah: Zoals?

Hans: Jij en ik. Dit gesprek. Een nagel aan mijn doodskist. Een druppel aan mijn neus. Een zandkorrel in de woestijn.

Ayah: Zwerf jij in een innerlijk licht?

Hans: Ik zwerf in een innerlijke duisternis.

Ayah: Lijk jij voor de gewone mens anders dan je bent?

Hans: Die gewone mens ben ik.

Ayah: Volgens mij niet.

Hans: Daar heb je je antwoord al.

Ayah: Wie denk jij dat je voor anderen bent?

Hans: Dezelfde als ik voor mezelf ben.

Ayah: En dat is?

Hans: Vanochtend een goedzak, vanavond een lamzak. Gisteren een bejaarde, morgen een kind. Nu eens zus, dan weer zo. Je weet maar nooit. Ik ook niet.

Ayah: Verschuil je je nu achter niet-weten?

Hans: Ik hoef me niet te verschuilen.

Ayah: Omdat de Inquisitie voorbij is.

Hans: Omdat ik al verborgen ben.

Ayah: Hoe weet je dat zo zeker?

Hans: Roep maar als je me gevonden heb.

“Ik zwerf niet in een innerlijk licht. Ik zwerf in een innerlijke duisternis.”

Ayah: Ben jij nog zoekende?

Hans: Als een zandkorrel in de woestijn.

Ayah: Je waait met alle winden mee.

Hans: Blazen helpt niet.

Ayah: ‘Immer wetend’?

Hans: Laat me niet lachen.

Ayah: Jij bent hier de nar.

Hans: Dan mag jij Rumi zijn.

Ayah: Misschien moet jij maar Rumi zijn.

Hans: Een nar is een nar.

Ayah: Nou nou.

Hans: In de war is in de war.

Ayah: Laat de soefi’s het maar niet horen.

Hans: Voor Vrienden hoef je niets te verzwijgen.

Draaien als een derwisj 24

Derwisj die duizelig is van het draaien en bijna zijn evenwicht verliest. Derwisj die zichzelf al dansend in de woestijn boort. Derwisj die tot aan zijn nek in het zand zit.

95 - Een schijn van waarheid

Het verstand is de schaduw van de objectieve Waarheid. Hoe kan de schaduw het tegen de zonneschijn opnemen?

Rumi


Hans: De objectieve Waarheid is een projectie van het verstand. Hoe kan het doek het opnemen tegen de projector?

Ayah: Hoe weet je dat de objectieve Waarheid een projectie van het verstand is?

Hans: Dat weet ik niet. Het floepte er zomaar uit.

Ayah: En als Rumi dat had gezegd?

Hans: Dan had ik gezegd, ‘Het verstand ook.’

Ayah: Het verstand is ook een projectie van het verstand?

Hans: Dat weet ik niet. Het floepte er zomaar uit.

Ayah: En als hij dan had gezegd, ‘Hoe kan dat nou!’

Hans: Dan had ik gezegd, ‘Projectie ook.’

Ayah: Projectie is ook een projectie van het verstand?

Hans: Dat weet ik niet. Het floepte er zomaar uit.

Ayah: Hoe kan dat nou!

Hans: Wou jij het opnemen tegen de schaduw?

96 - De derwisj verblijft in zijn eigen schaduw

De Man Gods is dronken zonder wijn.
Hij is verzadigd zonder voedsel.

De Man Gods is verrukt, verbaasd.
Hij kent voedsel noch slaap.

De Man Gods is een koning onder een nederige mantel.
Hij is een schat in een bouwval.

De Man Gods is niet van wind en aarde.
Hij is niet van vuur en water.

De Man Gods is een zee zonder kust.
Hij regent parels zonder wolk.

De Man Gods heeft honderd manen en hemelen.
Hij heeft honderdvoudig zonneschijn.

De Man Gods is wijs door de Waarheid.
Hij is geen geleerde uit een boek.

De Man Gods gaat zowel geloof als ongeloof te boven.
Wat bestaat er voor ‘zonde’ of ‘verdienste’ voor de Man Gods?

Rumi


Hans: Ik hou van paradoxen, maar al die Grote Woorden kunnen me gestolen worden.

Ayah: Vooral die Man Gods zeker?

Hans: God heeft zich bij mijn weten niet aan mij geopenbaard. In geen enkele hoedanigheid. Niet als mijzelf, niet als het totaal andere, niet als het alomvattende ene en ook niet op andere wijze.

Ayah: Aan mij ook niet.

Hans: Tenzij ik hem niet als zodanig herkend heb.

“De dwaas is een zee zonder kust. Hij regent zonder wolk.”

Ayah: Dan heeft hij zich aan ons geopenbaard als niet-god.

Hans: Maar hoe weet je dan dat het God is?

Ayah: Doordat het zo voelt?

Hans: Wat als het niet zo voelt?

Ayah: Dan wordt het moeilijk.

Hans: Wat als het soms wel zo voelt en soms niet, op welk gevoel moet je dan afgaan? Wat als het wel zo voelt, maar niet zo is? Wat als het niet zo voelt, maar wel zo is? Op welk gevoel moet je afgaan? Waarin vind je houvast als het om openbaringen gaat?

Ayah: Ik zou het ook niet weten.

Hans: Nou, ik ook niet.

“De dwaas is wijs zonder waarheid. Hij is dwaas zonder gekheid.”

Ayah: Dus?

Hans: Hoe zou ik mezelf dan een Man Gods kunnen noemen?

Ayah: Tja.

Hans: Of geen Man Gods?

Ayah: Inderdaad.

Hans: Ik durf mezelf nauwelijks een man te noemen. En een wijze ben ik al helemaal niet. Zelfs achter de horizon zie ik geen WAARHEID of zelfs maar een waarheid of waarheid gloren.

“God heeft zich in geen enkele hoedanigheid aan mij geopenbaard. Tenzij ik hem niet als zodanig herkend heb.”

Ayah: Een dwaas dan maar?

Hans:

De dwaas is dronken zonder wijn.
Hij is leeg zonder honger.

De dwaas is verrukt en verbaasd.
Hij is verrückt en verdwaasd.

De dwaas is een koning zonder rijk.
Hij is een rijk zonder koning.

De dwaas is van wind en van aarde.
Hij is niet van gisteren of vandaag.

De dwaas is een zee zonder kust.
Hij regent zonder wolk.

De dwaas kent geen hemelen of hellen.
Hij staat in zijn eigen schaduw.

De dwaas is wijs zonder waarheid.
Hij is dwaas zonder gekheid.

De dwaas is zonder verdienste.
Zijn zonden werpen geen steen.

De dwaas ziet tienduizend werelden.
Geen wereld die hem ziet.

Draaien als een derwisj 25

97 - Doorlopende voorstelling voor jong en oud

Weet je wat een mens van de aarde is? Een lantaren van fantasieën en daarbinnen een lamp.

Omar Khayyam


Hans: Weet je wat een mens van de aarde is? Een lantaren van fantasieën over een lamp.

Ayah: Over een lamp?

Hans: Je moet toch ergens over fantaseren.

Ayah: Een lantaren van fantasieën en daarbinnen een lamp, zegt Omar Khayyam.

Hans: Maar wat bedoelt hij daarmee?

Ayah: Volgens mij bedoelt hij met die lamp Allah.

Hans: Of misschien is dit wel een van jouw fantasieën over Khayyam.

“Weet je wat een mens van de aarde is? Een lantaren van fantasieën over de mens en de aarde.”

Ayah: Of misschien bedoelt hij met die lamp wel Bewustzijn.

Hans: Of misschien is dit nog een van jouw fantasieën over hem.

Ayah: Dat je niet de voorstellingen in je bewustzijn bent, maar Bewustzijn zelf, bedoel ik.

Hans: Bewustzijn zelf?

Ayah: De hogere werkelijkheid.

Hans: Weet je wat een mens van de aarde is? Een lantaren van fantasieën over een hogere werkelijkheid.

Ayah: Dat wat is, was en zal zijn. Eeuwig en onveranderlijk. En wij zijn Dat.

Hans: Weet je wat een mens van de aarde is? Een lantaren van fantasieën over onsterfelijkheid.

Ayah: Ik kan gewoon niet geloven dat dit alles is. Waartoe zijn wij op aarde?

Hans: Weet je wat een mens van de aarde is? Een lantaren van fantasieën over een hemel.

Ayah: Vergeet de hel niet.

Hans: Een lantaren van fantasieën over een toekomst.

Ayah: Wie zijn wij?

Hans: Een lantaren van fantasieën over de mens.

Ayah: Wie is Hans van Dam?

Hans: Een lantaren van fantasieën over niet-weten.

Ayah: Wie ben ik?

Hans: Een lantaren van fantasieën over het leven.

Ayah: En wat te denken van onze gesprekken?

Hans: Een lantaren van fantasieën over het soefisme.

Ayah: Neem alleen al dit gesprek.

Hans: Een lantaren van fantasieën over een lantaren van fantasieën.

Ayah: Komt dat zien, komt dat zien!

Hans: Doorlopende voorstelling voor jong en oud!

Fantasie over de derwisj als een lamp.

98 - De minnaar en de nachtkaars

De ware minnaar vindt alleen dan het licht wanneer hij, zoals de kaars, zijn eigen brandstof is en zichzelf verteert.

Attar


Hans: De ware minnaar vindt alleen dan de duisternis wanneer hij, zoals de kaars, zijn eigen brandstof is en zichzelf verteert.

Ayah: De ware minnaar vindt de duisternis?

Hans: Wel als hij zijn eigen brandstof is en zichzelf verteert.

Ayah: Dan gaat hij uit als een nachtkaars.

Hans: Zonder sputteren.

Ayah: En dan is hij blind.

Hans: En dan wordt hij niet langer verblind door zijn eigen vlam.

Ayah: En dan is het donker.

Hans: En dan raakt hij gewend aan de duisternis.

Ayah: En dan?

Hans: Geven zijn ogen licht.

Draaien als een derwisj 26

Symmetrisch diagram van acht wervelende derwisjen.

99 - Dansen in het duister

Ik kwam in een stad, waar de mensen om me heen dromden.

Ze vroegen: ‘Waar komt u vandaan?’
Ze vroegen: ‘Waar gaat u heen?’
Ze vroegen: ‘In wat voor gezelschap reist u?’
Ze vroegen: ‘Wat is uw stamboom?’
Ze vroegen: ‘Wat is uw erfenis?’
Ze vroegen: ‘Wie kunt u begrijpen?’
Ze vroegen: ‘Wie begrijpt u?’
Ze vroegen: ‘Wat is uw leer?’
Ze vroegen: ‘Wie heeft de hele leer?’
Ze vroegen: ‘Wie heeft er helemaal geen leer?’

Ik zei tegen hen:

‘Wat veel lijkt is één.
Wat eenvoudig lijkt is ingewikkeld.
Wat samengesteld lijkt is enkelvoudig.
Het antwoord aan u allen is: De soefi’s.’

Bahaudin


Hans: Hier klopt iets niet.

Ayah: Hoezo?

Hans: De soefi’s is een naam voor een groep personen.

Ayah: En?

Hans: Hoe kan een groep personen nou een erfenis of een leer zijn?

Ayah: Ah ja.

Hans: Het zal wel door de vertaling komen.

Ayah: Ik spreek geen Arabisch, jij?

Hans: Nee. En ik ben geen soefi, jij?

Ayah: Nee.

Hans: En ik ken geen soefi, jij?

Ayah: Ik ook niet.

Hans: Dan kan ‘de soefi’s’ voor ons onmogelijk het ene antwoord zijn.

“Misschien is dansen in het duister wel de essentie van het soefisme. Misschien is het wel de essentie van mystiek.”

Ayah: Maar wat dan wel?

Hans: Tja.

Ayah: Nou?

Hans: Dat was het al.

Ayah: Het antwoord aan u allen is: Tja.

Hans:

Waar komt u vandaan? Tja.
Waar gaat u heen? Tja.
In wat voor gezelschap reist u? Tja.
Wat is uw stamboom? Tja.
Wat is uw erfenis? Tja.
Wie kunt u begrijpen? Tja.
Wie begrijpt u? Tja.
Wat is uw leer? Tja.
Wie heeft de hele leer? Tja.
Wie heeft er helemaal geen leer? Tja.

Ayah: Grammaticaal valt er niets op af te dingen…

Hans: Maar?

Ayah: Of dit is wat Bahaudin bedoelde?

Hans: Tja.

Ayah: Ik bedoel, je kunt wel zoveel zeggen.

Hans: Bahaudin ook.

Ayah: Maar dat is tenminste een erkende derwisj.

Hans: Die tenminste toegaf dat hij helemaal geen leer had.

Ayah: Zo heb ik het niet begrepen.

Hans: Hoe heb jij het wel begrepen?

Ayah: ‘Wat is uw leer?’ ‘De soefi’s.’

Hans: ‘Wie heeft er helemaal geen leer?’ ‘De soefi’s.’

Ayah: Misschien was Bahaudin wel dolgedraaid.

Hans: Misschien is dat wel de essentie van het soefisme.

Ayah: Doldraaien?

Hans: Dansen in het duister.*

Ayah: Tja.

Hans: Misschien is het wel de essentie van mystiek.

Ayah: Dansen in het duister?

Hans: Niet-weten.

“Waar komt u vandaan? Tja. Waar gaat u heen? Tja. Wat is uw leer? Tja. Wat is uw erfenis? Tja.”

Ayah: Mystiek gaat over de eenwording met God.

Hans: Wie kent het verschil tussen ik en gij?

Ayah: Over het numineuze.

Hans: Geef het kind maar een naam.

Ayah: Het mysterie.

Hans: Ik noem het gewoon niet-weten.

Ayah: Het klinkt toch een beetje onnozel.

Hans: Noem het dan maar agnose.

*Dansen in het duister is een boek van Nico Tydeman over niet-weten. Het is ook een lied van Huub van der Lubbe over lijden.

Lees ook: Meester Tja en de Tao van niet-weten.

Draaien als een derwisj 27

100 - Opduiken uit de zee van kennis

Je zoekt kennis in boeken? Belachelijk! Je zoekt genot in suikergoed? Belachelijk!

Je bent een zee van kennis die schuilgaat in een dauwdrop.

Je bent het heelal dat schuilgaat in een lichaam van amper drie el.

Rumi


Hans: Je bent een zee van nietweten in een brein van amper drie pond.

Ayah: En het heelal dan?

Hans: Dat kan er ook nog wel bij.

101 - Onderduiken in de zee van niet-weten

Voor gewone mensen betekent diep nadenken dat ze onderduiken in een zee van veronderstellingen en illusies.

Voor de bijzondere mensen betekent diep nadenken dat ze onderduiken in de oceaan van inzicht.

Ruzbhihan


Hans: Voor mij betekent diep nadenken onderduiken in de zee van niet-weten.

Ayah: Wat betekent oppervlakkig nadenken voor jou?

Hans: Watertrappelen in de zee van niet-weten.

Ayah: En die oceaan van inzicht dan?

Hans: Dan moet je wel heel diep zinken.

Ayah: Ben jij zo diep gezonken?

Hans: Ik ben helemaal tot de bodem gegaan.

Ayah: Vertel eens, wat trof je daar aan?

Hans: Een woud van veronderstellingen en illusies.

102 - Diep in zee is onvergelijkelijk

Diep in zee is onvergelijkelijke rijkdom, maar als je veiligheid zoekt, die is aan wal.

Saadi


Hans: Diep in zee is onvergelijkelijk.

Ayah: En als je rijkdom zoekt?

Hans: Die is aan wal.

Ayah: En die veiligheid dan?

Hans: Die is nergens.

103 - Bestorven maar nog niet bedorven

Toen men hem vroeg: ‘Wat is islam en wie zijn de moslims?’ antwoordde Hasan van Basra: ‘Islam is in de boeken en moslims zijn in het graf.


Hans: Hasan is in de boeken en Hasan is in het graf.

Ayah: Die zit.

Hans: Soefisme is in de boeken en soefisme is in het graf.

Ayah: Ja, de bloeitijd is al eeuwen voorbij.

Hans: Bloeien is bloeden geworden.

Ayah: Ook de hoogste Waarheid blijkt modegevoelig.

Hans: Zelfs het absolute is relatief.

Ayah: Alleen het relatieve is absoluut.

Hans: Zeker weten?

Ayah: Nu je het zegt, hoe is het met jouw nietweten gesteld?

Hans: Nietweten is in mijn boeken en die zijn afgeboekt.

Ayah: En je spiritualiteit dan?

Hans: Ik dans nu op haar graf.

Ayah: Hoe staat het met meneer Van Dam?

Hans: Die is bestorven als een ham.

Ayah: Gerookte ham of rauwe ham?

Hans: Van Dam is enkel rook.

Draaien als een derwisj 28

Derwisj die uit rookwolkjes bestaat.

De dans ontsprongen

Meditatie en dankgebed in vier stemmingen.

Het ego of het zelf?

Niet het ego, niet het zelf
Niet het ego én het zelf
Niet het ego noch het zelf
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

De stof of de geest?

Niet de stof, niet de geest
Niet de stof én de geest
Niet de stof noch de geest
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

De weg of het doel?

Niet de weg, niet het doel
Niet de weg én het doel
Niet de weg noch het doel
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het vele of het ene?

Niet het vele, niet het ene
Niet het vele én het ene
Niet het vele noch het ene
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

De hel of de hemel?

Niet de hel, niet de hemel
Niet de hel én de hemel
Niet de hel noch de hemel
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

De haat of de liefde?

Niet de haat, niet de liefde
Niet de haat én de liefde
Niet de haat noch de liefde
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

De tijd of het heden?

Niet de tijd, niet het heden
Niet de tijd én het heden
Niet de tijd noch het heden
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

De storm of de stilte?

Niet de storm, niet de stilte
Niet de storm én de stilte
Niet de storm noch de stilte
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

De vorm of de leegte?

Niet de vorm, niet de leegte
Niet de vorm én de leegte
Niet de vorm noch de leegte
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het valse of het ware?

Niet het valse, niet het ware
Niet het valse én het ware
Niet het valse noch het ware
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het hoofd of het hart?

Niet het hoofd, niet het hart
Niet het hoofd én het hart
Niet het hoofd noch het hart
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het doen of het laten?

Niet het doen, niet het laten
Niet het doen én het laten
Niet het doen noch het laten
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

De stroom of de bron?

Niet de stroom, niet de bron
Niet de stroom én de bron
Niet de stroom noch de bron
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het deel of het geheel?

Niet het deel, niet het geheel
Niet het deel én het geheel
Niet het deel noch het geheel
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het worden of het zijn?

Niet het worden, niet het zijn
Niet het worden én het zijn
Niet het worden noch het zijn
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het kleine of het grote?

Niet het kleine, niet het grote
Niet het kleine én het grote
Niet het kleine noch het grote
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het kwade of het goede?

Niet het kwade, niet het goede
Niet het kwade én het goede
Niet het kwade noch het goede
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het object of het subject?

Niet het object, niet het subject
Niet het object én het subject
Niet het object noch het subject
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

De duisternis of het licht?

Niet de duisternis, niet het licht
Niet de duisternis én het licht
Niet de duisternis noch het licht
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het westen of het oosten?

Niet het westen, niet het oosten
Niet het westen én het oosten
Niet het westen noch het oosten
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

De leerling of de meester?

Niet de leerling, niet de meester
Niet de leerling én de meester
Niet de leerling noch de meester
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

De leugen of de waarheid?

Niet de leugen, niet de waarheid
Niet de leugen én de waarheid
Niet de leugen noch de waarheid
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het duale of het nonduale?

Niet het duale, niet het nonduale
Niet het duale én het nonduale
Niet het duale noch het nonduale
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het weten of het niet-weten?

Niet het weten, niet het niet-weten
Niet het weten én het niet-weten
Niet het weten noch het niet-weten
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het tijdelijke of het eeuwige?

Niet het tijdelijke, niet het eeuwige
Niet het tijdelijke én het eeuwige
Niet het tijdelijke noch het eeuwige
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het relatieve of het absolute?

Niet het relatieve, niet het absolute
Niet het relatieve én het absolute
Niet het relatieve noch het absolute
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

De illusie of de werkelijkheid?

Niet de illusie, niet de werkelijkheid
Niet de illusie én de werkelijkheid
Niet de illusie noch de werkelijkheid
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het zegbare of het onzegbare?

Niet het zegbare, niet het onzegbare
Niet het zegbare én het onzegbare
Niet het zegbare noch het onzegbare
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het vasthouden of het loslaten?

Niet het vasthouden, niet het loslaten
Niet het vasthouden én het loslaten
Niet het vasthouden noch het loslaten
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het afgeleide of het oorspronkelijke?

Niet het afgeleide, niet het oorspronkelijke
Niet het afgeleide én het oorspronkelijke
Niet het afgeleide noch het oorspronkelijke
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Het immanente of het transcendente?

Niet het immanente, niet het transcendente
Niet het immanente én het transcendente
Niet het immanente noch het transcendente
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Maar de dans ontsprongen…

De dans ontspringen

Niet de dans ontspróngen!
Maar de dans ontspríngen!
En de dans ontspringen!
En de dans ontspringen!
En de dans ontspringen!

Het ontspringen ontsprongen

Niet de dans, niet het ontspringen
Niet de dans én het ontspringen
Niet de dans noch het ontspringen
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets…

Dansen in het duister

Dit boek, De derwisj en de dwaas, heeft als ondertitel ‘Dansen in het duister’. Dansen in het duister is een metafoor voor niet-weten.

Een andere metafoor voor niet-weten is de dans ontspringen. Daarom vond ik het passend om dit boek te beëindigen met de nonduale litanie ‘De dans ontsprongen’ en de spin-offs ‘De dans ontspringen’ en ‘Het ontspringen ontsprongen’.

De strofen van De dans ontsprongen danken hun vorm aan het Indiase tetralemma, dat met betrekking tot een gegeven dualisme, laten we zeggen stof versus geest, vier leerstellingen opsomt die elkaar wederzijds uitsluiten:

1. Alles is louter stof

2. Alles is louter geest

3. Alles is zowel stof als geest

4. Alles is noch stof noch geest

In het algemeen:

1. A en niet B

2. B en niet A

3. A en B

4. niet A en niet B

De systematische ontkenning van de vier leden van het tetralemma is karakteristiek voor de Indiase via negativa of negatieve weg.

Onder de negatieve weg verstaan mystici een benadering van het onzegbare of het absolute door middel van een reeks ontkenningen, al dan niet tetralemma’s.

Zoals wel blijkt uit De dans ontsprongen is het procedé van de viervoudige ontkenning (voor deze gelegenheid uitgebreid tot een achtvoudige ontkenning, een octalemma) ook geschikt om een radicaal niet-weten mee uit te drukken, en op die manier een idee te geven, hoe gestileerd ook, van het dwijze denken.

Wat is soefisme voor mij?

Mystiek.

Wat is mystiek voor mij?

Niet-weten.

Wat is niet-weten voor mij?

Dansen in het duister.

Welke dans wordt daar gedanst?

De dans die de dans ontspringt.

De tjatjatja.

Bronnen

1 - Het pad van de Soefi, Idries Shah, uitgeverij Ten Have, Kampen 2009. §1: p200, §2: p102, §3: p74, §4: p86, §5: p104, §6: p78, §7: p105, §8: p109, §9: p113, §10: p184, §11: p59, §12: p124, §13: p114, §14: p127, §15: p169, §16: p180, §17: p183, §18: p183, §21: p183, §23: p225, §24: p184, §25: p184, §26: p197, §27: p200, §28: p216, §29: p217, §30: p200, §31: p225, §32: p37, §33: p56, §34: p225, §37: p109, §38: p229, §39: p226, §40: p115, §41: p183, §42: p274, §43: p97, §44: p126, §45: p302, §46: p229, §47: p230, §48: p233, §49: p265, §50: p265, §51: p265, §52: p76, §53: p76, §55: p266, §56: p268, §57: p205, §58: p267, §59: p267, §60: p33, §61: p125, §62: p268, §64: p225, §65: p226, §66: p270, §67: p271, §68: p225, §69: p227, §72: p274, §73: p276, §74: p297, §75: p323, §76: p272, §77: p297, §79: p121, §80: p123, §94: p219, §95: p124, §96: p126, §97: p78, §98: p89, §99: p179, §102: p107, §103: p197.

2 - Roemi over liefde, lachen, dood, verraad en de ziel, Coleman Barks, Panta Rehi uitgeverij 2017. §71: p26, §81: p18, §87: p19.

3 - Roemi juwelen, bloemlezing uit de Masnavi samengesteld door Camille en Kabir Helminski, Servire 2001. §19: p41, §20: p45, §35: p27, §36: p32, §54: p190, §84: p194, §89: p33, §90: p40, §93: p169, §100: p138.

4 - Het is wat het is / Jalal-al-din Rumi, Robert Hartzema, 2e druk, Karnak, 1990. §70: p76, §83: p95, 85,§86: p43, §88: p72, §91: p41, §92: p42.

5 - Het pad van de Soefi van Javad Nurkbakhsh, 2006. §63: p171, §78: p16, §82: p28, §101: p160.

6 - Prediker, Herziene Statenvertaling van het Oude Testament. §22: hoofdstuk 3.