Top

Ontsloten: 37%. Geredigeerd: 0%. Gewijzigd: 12 mei.

Witboek Verlichting

Denken doorzien

Ontwaken uit de droom van ontwaken

Door Hans van Dam

Deel 5 van de Agnosereeks

Omslag van deel 5 van de Agnosereeks.

Spirituele verlichting is je denken doorzien – maar dan ook helemaal. Geen bevrijdend inzicht, maar vrij zijn van inzicht. Realisatie als radicaal niet-weten; ontwaken uit de droom van ontwaken. Witten wat je meent te weten met het Witboek Verlichting.

Doe de verlichtingstest!

Geen inzicht – maar wat een uitzicht!

Wat is spirituele verlichting?

Het is maar net aan wie je het vraagt.

Voor mij is verlichting een ander woord voor niet-weten.

Wat is niet-weten?

Het is maar net aan wie je het vraagt.

Voor mij is niet-weten het denken doorzien door het denken.

Het einde van het heilige geloof in woorden, ideeën, meningen en oordelen.

Alle gedachten ontmaskeren en ontmantelen, moeiteloos, de hele dag door, zowel van anderen als van jezelf.

Ook die over verlichting.

Ook die over niet-weten.

Ook die over het denken.

Ook deze.

Nou, dat is het wel zo’n beetje.

Verlichting: geen inzicht – maar wat een uitzicht!

Verlichting is het failliet van het verstand

Verlichting is het failliet van het verstand.

Ziedaar de gedachte die in dit boek ontwikkeld wordt – en steeds opnieuw bankroet verklaard.

Opvoeren en afvoeren, roepen en herroepen, stellen en ontstellen, keer op keer, meer heeft het dwijze denken niet om het lijf.

Wat rest is de lege leer, zei de lege heer, gloeiende halleluja.

Het denken doorzien klinkt moeilijker dan het is.

Ikzelf hoef er tenminste niets voor te doen.

Sterker nog, ik kan het al tien jaar niet laten.

Het overkomt me, zoals pijn, verliefdheid, winden, niesen of gapen.

Of zuchten, zoals we nog zullen zien.

Ik hoef er geen moment mindful, waakzaam of oplettend voor te wezen.

Man, ik kan me niet eens meer voorstellen dat ik de gedachten die onophoudelijk in me opkomen ooit onvoorwaardelijk geloofd heb.

Al die hokjes, meninkjes, verklarinkjes, speculaties, generalisaties, oordelen, leuzen, idealen – evenzovele zeepbellen, natte dromen, doodlopende wegen.

Nu deze gedachten weer.

Wat een waanzin.

Wat een waanzin ook om te denken dat denken waanzin is.

Houdt het dan nooit op?

Niet dat ik weet.

Mijn gedáchten niet.

Het heilige geloof, het onvoorwaardelijke vertrouwen in mijn gedachten wel.

Ook in deze gedachten.

Geloof het of niet.

Portret van een verlichte geest

Geplukte kip met een gebroken ei als kop.

Catch 22 – Tweeëntwintig metaforen voor verlichting

Catch: addertje onder het gras, val, instinker. Catch 22: vicieuze cirkel, paradox.

Hieronder eenentwintig metaforen voor verlichting.

Er zit er vast wel een voor je bij.

Maak je keus en betaal de prijs.

En anders is daar altijd de tweeëntwintigste.

Die hoef je niet te kiezen.

Wat de prijs betreft: van een kale kip kan je niet plukken.

Kakelde de kip zonder kop.

Tok tok tok!*

* Toitoitoi in kippentaal.

Catch 1 – Verlichting als plaats

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een plaats?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Hier, thuis, je innerlijke diepte, je diepste kern, gene zijde, een hogere dimensie, het hiernamaals, de hemel, het koninkrijk der hemelen, het paradijs, de Hof van Eden, Shambala, Shangri-La, Nirwana, Atlantis, Arcadië, Elysium, El Dorado, Erewhon, Utopia, Walhalla of zo?’

‘'t Idee.’

‘Wat is jouw plaats?’

‘Ik ben helemaal van de kaart.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Joker die van zijn eigen speelkaart is gestapt.
‘Ik ben helemaal van de kaart.’

Catch 2 – Verlichting als tijd

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een tijd?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Nu, het hiernumaals, het heden, het eeuwige heden, de eeuwigheid, dit ogenblik, ongeborenheid, onvergankelijkheid, onveranderlijkheid of zo?’

‘'t Idee.’

‘Ben jij voorgoed in het nu?’

‘Ook die tijd is voorbij.’

‘Maar wel voorgoed?’

‘Voorgoed moet nog komen.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Rare klok met vier wijzers die de ledematen van een monnik blijken te zijn.
‘Voorgoed moet nog komen.’

Catch 3 – Verlichting als weg

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een weg?’

‘Hoe bedoel je?’

‘De negatieve weg1, de positieve weg2, de weg van het hoofd3, de weg van het hart4, het kleine voertuig5, het grote voertuig6, zelfonderzoek, het werk, autolyse, ascese, caritas, devotie, gebed, meditatie, contemplatie, advaita, tantra, tao, yoga, zen of zo?’

1. via negativa; 2. via positiva; 3. jnana yoga; 4. bhakti yoga; 5. hinayana; 6. mahayana.

‘'t Idee.’

‘Wat was jouw weg?’

‘Ik ben gewoon verdwaald.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 4 – Verlichting als (on)grond

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een laatste grond?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Bewustzijn, gewaarzijn, kennendheid, helderheid, stilte, leegte, ruimte, niet-iets, het niets, het niet-zijn, ledigheid, vol-ledigheid, inessentie, sunyata, anatman, geen-geest, geen-zelf of zo?’

‘'t Idee.’

‘Heb jij een laatste grond gevonden?’

‘Die heb ik afgegraven.’

‘Bedoel je dat je de ongrond hebt gerealiseerd?’

‘Die heb ik dichtgegooid.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 5 – Verlichting als gemoedstoestand

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een gemoedstoestand?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Liefde, mededogen, gelukzaligheid, innerlijke vrede, onverstoorbaarheid, onbewogenheid, gelijkmoedigheid, gemoedsrust, berusting, aanvaarding, gelatenheid, lankmoedigheid, lijdzaamheid, overgave, apathie, ataraxie, contenance, flegma, indifferentie, laconisme, resignatie, sereniteit?’

‘'t Idee.’

‘Wat is jouw gemoedstoestand?’

‘Voor mij geen toestanden meer.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 6 – Verlichting als staat

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een staat?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Autonomie, autarkie, onafhankelijkheid, ongebondenheid, ongenaakbaarheid, soevereiniteit, in je kracht staan, vrijheid, zelfgenoegzaamheid, zelfstandigheid of zo?’

‘'t Idee.’

‘Wat is jouw staat?’

‘Ik ben in alle staten.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 7 – Verlichting als transformatie

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een transformatie?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Bewustwording, ontwaken, realisatie, transcendentie, zelfverwerkelijking of zo?’

‘'t Idee.’

‘Waarin ben jij getransformeerd?’

‘Ik zeg niks.’

‘Omdat het niks voorstelt?’

‘Om misverstanden te voorkomen.’

‘Wat voor misverstanden?’

‘Dat verlichting iets is. Dat het niets is. Dat je verlicht kan worden. Dat je het al bent. Dat je bent. Dat je niet bent. Dat er iets te transformeren valt. Dat er niets te transformeren valt.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 8 – Verlichting als ervaring

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een ervaring?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Euforie, exaltatie, extase, heelheidsbeleving, geestesvervoering, trance, zielsverrukking, kensho, satori, ananda, jhana, moksha, samadhi of zo?’

‘'t Idee.’

‘Wat is jouw ervaring?’

‘Dat ervaringen zo voorbij zijn.’

‘En dan?’

‘Sta je weer met lege handen.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 9 – Verlichting als filosofie

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een filosofie?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Monisme, holisme, non-dualisme, spiritualisme, solipsisme; subjectivisme, scepticisme, pyrronisme, nominalisme, relativisme, situationisme, pluralisme, postmodernisme, poststructuralisme, deconstructivisme; cynisme, laxisme, existentialisme, fatalisme, hedonisme, irrationalisme, nihilisme, obscurantisme, stoïcisme; agnosticisme, atheïsme, amoralisme, anarchisme, absurdisme, dadaïsme, surrealisme, iconoclasme of zo?’

‘'t Idee.’

‘Hoe heet jouw filosofie?’

‘Tja.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 10 – Verlichting als levenshouding

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een levenshouding?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Openheid, onbevangenheid, neutraliteit, onpartijdigheid, indifferentie, keuzeloos gewaarzijn, niet-oordelen of zo?’

‘'t Idee.’

‘Hoe stel jij je op?’

‘Ik weet me geen houding meer te geven.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Fantasiefiguur in een vreemde houding opgebouwd uit fantasiefiguurtjes in vreemde houdingen.
‘Ik weet me geen houding meer te geven.’

Catch 11 – Verlichting als loslaten

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Loslaten?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Meegaan, ondergaan, meegeven, overgeven, overlaten, toelaten, meedrijven, meewaaien, niet doen, wu wei of zo?’

‘'t Idee.’

‘Heb jij alles losgelaten?’

‘Zelfs het loslaten.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 12 – Verlichting als spontaniteit

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Spontaniteit?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Directheid, natuurlijkheid, authenticiteit, echtheid, eenvoud, eerlijkheid of zo?’

‘'t Idee.’

‘Spontaniteit is niet jouw ding?’

‘Alleen als het vanzelf komt.’

‘En als het niet vanzelf komt?’

‘Ben ik spontaan gemáákt.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 13 – Verlichting als oplettendheid

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Mindfulness?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Aandachtigheid, aanwezigheid, alertheid, oplettendheid, opmerkzaamheid, waakzaamheid, wakkerheid of zo?’

‘'t Idee.’

‘Jij bent niet steeds mindful?’

‘Ik kijk wel linker uit.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Zendo met twee monniken, de ene zit te mediteren, de andere zit te pitten met zijn gezicht tegen de muur.
‘Ik kijk wel linker uit.’

Catch 14 – Verlichting als hogere identiteit

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een hogere identiteit?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Je oorspronkelijke gezicht, je ware aard, je diepste wezen, je hoogste zelf, je essentie, je boeddhanatuur of zo?’

‘'t Idee.’

‘Wat is jouw oorspronkelijke gezicht?’

‘Geen gezicht.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 15 – Verlichting als hogere werkelijkheid

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een hogere werkelijkheid?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Het hier-en-nu, dit, het ik-ben, het zijn zelf, het hoogste, het overstijgende, het absolute, het alomvattende, het tijdloze, het oneindige of zo?’

‘'t Idee.’

‘Wat is jouw werkelijkheid?’

‘Niet weten wat echt is?’

‘Bedoel je dat alles een illusie is?’

‘Dan ook de illusie.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 16 – Verlichting als orgaan

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een orgaan?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Het derde oog, het wijsheidsoog, het hart, de hara, de onderbuik, de hoofdchakra of zo?’

‘'t Idee.’

‘Hoe is het met jouw derde oog gesteld?’

‘Dat heb ik uitgestoken.’

‘En nu?’

‘Ben ik ziende blind.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 17 – Verlichting als bevrijdend inzicht

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een bevrijdend inzicht?’

‘Hoe bedoel je?’

‘De wijsheid zonder wijsheid, de wijsheid voorbij alle wijsheid, een weten zonder woorden, de kennis zonder leraar, de dharma, prajnaparamita of zo?’

‘'t Idee.’

‘Jij bent niet tot helderheid gekomen?’

‘Ik ben finaal de mist ingegaan.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 18 – Verlichting als verwondering

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Verwondering?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Een geestesgesteldheid waarin je het leven ervaart als geheimzinnig, mysterieus, numineus, onbegrijpelijk, ondenkbaar, onkenbaar, onvoorstelbaar, onzegbaar, raadselachtig, vervreemdend, verbijsterend of zo?’

‘'t Idee.’

‘Wat is volgens jou het geheim van het leven?’

‘Van het wat?’

‘Doe niet zo flauw.’

‘Wie?’

‘Toe nou.’

‘Niet weten of er een geheim is?’

‘Dat kan je toch geen geheim noemen?’

‘Daarom mag je het gerust weten.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 19 – Verlichting als mystieke eenwording

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Mystieke eenwording?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Versmelting, collectus, henosis, de unio mystica, unitus, godgelijkheid of zo?’

‘'t Idee.’

‘Jij bent niet één geworden?’

‘Ik ben het tellen verleerd.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 20 – Verlichting als geest

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Een geest?’

‘Hoe bedoel je?’

‘De gewone geest1, de natuurlijke geest2, de oorspronkelijke geest3, de fundamentele geest4, de lege geest5, de weetnietgeest6, de algeest7, de grote geest8, geen-geest9 of zo?’

1. ordinary mind; 2. natural mind; 3. original mind; 4. fundamental mind; 5. empty mind; 6. don’t-know mind; 7. one mind; 8. big mind; 9. no mind.

‘'t Idee.’

‘Jij bent meer een vrijgeest.’

‘Ik ben meer een ghost buster.’

‘Een jagersgeest?’

‘Pang!’

‘Een killer mind!’

‘Pang!’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 21 – Verlichting als einde

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Het einde?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Nietiging, ontwording, zelfvergetelheid, de grote dood, het einde der tijden, de apocalyps, het eschaton of zo?’

‘'t Idee.’

‘Jouw wereld is niet verloren gegaan?’

‘Ook dat is voorbij.’

‘Jouw tijd is niet tot stilstand gekomen?’

‘Ook voorbij.’

‘En je eigen einde?’

‘Voorbij.’

‘En het voorbij gaan?’

‘Allemaal voorbij.’

‘Wat moet ik me dán voorstellen bij verlichting?’

‘Geen idee.’

Catch 22 – Verlichting als voorstelling

‘Wat moet ik me voorstellen bij verlichting, Hans?’

‘Geen idee.’

‘Is dat wat ik me erbij moet voorstellen of weet je het niet?’

‘Zo kan je het ook zeggen.’

‘Wat als ik me er niks meer bij voorstel?’

‘Geen idee.’

‘Dan weet ik het ook niet meer.’

‘Dan weet ik het ook niet meer.’

Robotje met een gloeilamp als hoofd (net als Lampje van Willie Wortel) dat angstig zijn handje uitsteekt naar het stopcontact; om hem heen liggen allemaal kapotte gloeilampen.
‘En anders is daar altijd de tweeëntwintigste.’

Dit waren 22 metaforen voor spirituele verlichting.

Wat ook maar een metafoor is.

Maar waarvoor?

Goed nieuws van gene zijde

Voor glimwormen.

‘Wat is niet-weten?’

‘Een wormgat naar deze zijde.’

Ontspan je in de lege leer

Kom, laat voorgoed je masker neer!

Verlies je in de lege leer!

Geen welles en geen nietes meer!

Verlaat je op de lege leer!

Je bent geen haan van een geweer!

Verschuil je in de lege leer!

En doet je denken toch eens zeer?

Ontspan je in de lege leer!

Dan neemt dit lied ineens een keer.

Het doet misschien een beetje zeer –

Word lichter dan een donzen veer:

Ontdoe je van de lege leer!

Verlichting is dubbel of quitte

Verlichting is alles afbreken.

Ook het afbreken.

Verlichting is alles verliezen.

Ook het verliezen.

Verlichting is alles ontkennen.

Ook het ontkennen.

Verlichting is alles weerspreken.

Ook het weerspreken.

Verlichting is alles relativeren.

Ook het relativeren.

Verlichting is niets geloven.

Ook je ongeloof niet.

Verlichting is niets afwijzen.

Ook het afwijzen niet.

Verlichting is overal aan twijfelen.

Ook aan het twijfelen.

Verlichting is ruimte voor alles.

Ook voor ruimtegebrek.

Verlichting is overal voorbijgaan.

Ook aan het voorbijgaan.

Verlichting is bevrijding.

Ook van de vrijheid.

Verlichting is alles loslaten.

Ook het loslaten.

Verlichting is onthechting.

Ook van onthechting.

Verlichting is nergens over oordelen.

Ook niet over oordelen.

Verlichting is van niets weten.

Ook niet van niet-weten.

Niet-weten als surplace van de denker

‘Wat is niet-weten?’

‘Een surplace van de denker.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Je gedachten gaan nog steeds overal heen, maar jij blijft thuis.’

‘Mooi.’

‘Maar ja…’

‘Wat?’

‘Dat is ook maar een gedachte.’

Niet-weten als surplace van je gedachten

‘Wat is niet-weten?’

‘Een surplace van je gedachten.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Jij gaat nog steeds overal heen, maar je gedachten blijven thuis.’

‘Mooi.’

‘Maar ja…’

‘Wat?’

‘Dat is ook maar een gedachte.’

Wat je minstens moet weten van verlichting

‘Wat weet jij eigenlijk van verlichting, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

In plaats van verlichting kan je ook iets anders invullen, zoals bevrijding, realisatie, ontwaken, satori, samadhi, wijsheid, essentie, de bron, het absolute, het zelf, god, niet-weten et cetera. Bijvoorbeeld:

‘Wat weet jij eigenlijk van nirwana?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

Wanneer dit vierregelige dialoogje met alle mogelijke trefwoorden telkens weer waar is voor jou op dit moment, kan je spreken van niet-weten.

Uiteraard is het voor degene die niet weet ook van toepassing op niet-weten.

Verlichting – je moet er niet aan denken

1. Grondslag

Verlichting is geen alomvattende verklaring. Het is geen machtsgreep. Het is geen denken dat zegeviert over de wereld.

Verlichting is een denken dat zegeviert over zichzelf. Niet ooit, definitief, waarna het voor eeuwig stilvalt, maar telkens weer, keer op keer, de hele dag door, nu en nu en nu.

2. Terugslag

Als verlichting inderdaad een denken is dat zegeviert over zichzelf, dan zegeviert het natuurlijk ook over het denken over zichzelf.

Dus ook over het denken dat verlichting een denken is dat zegeviert over zichzelf, nu en nu en nu.

Dus ook over het denken dat verlichting géén alomvattende verklaring, géén machtsgreep, géén denken is dat zegeviert over zichzelf.

Dus ook over het denken in termen van ‘verlichting’, ‘zegevieren’ en ‘het denken’ of in wat voor termen ook.

Dus ook over het denken zonder termen of welke vorm van anders denken of niet-denken ook.

Wat blijft er dan nog over?

Is er dan nog wel iets dat verlichting mag heten?

3. Uitputtingsslag

Verlichting is dus het einde van verlichting, zou je denken, maar dat is opnieuw een gedachte.

Verlichting is het einde van het denken dat verlichting het einde is van verlichting, zou je denken, maar dat is opnieuw een gedachte.

Verlichting is het einde van het denken dat verlichting het einde is van het denken dat verlichting het einde is van het denken, zou je denken, maar dat is opnieuw een gedachte.

4. Wiekslag

Is verlichting nu een overwinning van het denken op het denken, of het einde van het denken, of allebei, of geen van beide, wat denk jij?

Voor mij is het een vinger in het gat van de geest die ooit een dijk is geweest.

Kijk hem eens nat gaan!

Verlichting – je moet er niet aan denken.

Dan pas krijg je vleugels.

Als ‘verlichting’ niet jouw woord is, kan je het in deze tekst gewoon vervangen door iets anders. Zen, bevrijding, non-dualiteit, mystiek – wat werkt voor jou is het juiste woord. Oorspronkelijk stond er ‘niet-weten’.

Substitutie levert de volgende titels op:

Zen – je moet er niet aan denken.

Bevrijding – je moet er niet aan denken.

Non-dualiteit – je moet er niet aan denken.

Mystiek – je moet er niet aan denken.

Niet-weten – je moet er niet aan denken.

Waar moet jij aan denken?

Mensen denken de wereld

denken

mensen denken

mensen denken zich een wereld

mensen denken zich in de wereld

mensen denken zich van de wereld

mensen denken dat zij van de wereld zijn

mensen denken dat de wereld van hen is

mensen denken dat de wereld in hen is

Mensen denken de wereld

mensen denken

denken

Mensen denken de mensen

denken

mensen denken

mensen denken mensen

mensen denken dat ze mensen zijn

mensen denken dat ze beesten zijn

mensen denken dat ze geen beesten zijn

mensen denken zeker dat ze zijn

mensen denken dat ze zeker zijn

mensen denken dat ze zeker niet zijn

mensen denken dat ze denken zijn

mensen denken

denken

Mensen denken het denken

denken

mensen denken

mensen denken dat ze denken

mensen denken dat ze beter moeten denken

mensen denken dat ze anders moeten denken

mensen denken dat ze meer moeten denken

mensen denken dat ze minder moeten denken

mensen denken dat ze niet meer moeten denken

mensen denken dat ze het denken kunnen laten

mensen denken dat ze kunnen laten

mensen denken dat ze kunnen doen

mensen denken dat ze kunnen

mensen denken dat ze niet kunnen

mensen denken dat ze niet anders kunnen

mensen denken dat ze anders kunnen

mensen denken steeds iets anders

mensen denken steeds iets

mensen denken steeds

mensen denken

denken

Hoofd met een spinnenweb eromheen.
Denken, denken, denken.

Niet-weten voor heilsprofeten

Van juk naar juk; 33 voorwaarden voor volmaakt geluk.

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk naar school mag?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk een medaille hebt gewonnen?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk van school mag?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk een baan hebt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk een auto hebt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk opslag krijgt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk een andere baan hebt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk een partner hebt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk een eigen huis hebt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk van dat huis af bent?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk van je partner af bent?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk een nieuwe partner hebt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk kankervrij bent?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk zwanger wordt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk een kind hebt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk een groter huis hebt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je gezin eindelijk compleet is?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je zwakzinnige kind eindelijk in een tehuis zit?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je kinderen eindelijk een diploma hebben?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je kinderen eindelijk uit huis zijn?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je kinderen eindelijk een baan hebben?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je kinderen eindelijk een partner hebben?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk kleinkinderen hebt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk gescheiden bent?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk met pensioen bent?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk een boek geschreven hebt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk een nieuwe heup hebt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk in een zorgflat woont?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk euthanasie krijgt?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk dood bent?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Of denk je soms dat je gelukkig zal zijn als je eindelijk van dit soort gedachten bevrijd bent?

Als je eindelijk onthecht bent?

Als je eindelijk verlicht bent?

Dat alles dan leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Ik vraag het je nog één keer:

Denk je nou echt dat je ooit helemaal gelukkig zal zijn?

Lees ook: De boer die zijn paard verloor.

Niet-weten voor onheilsprofeten

Een hart met 33 riemen.

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je naar school moet?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je van school moet?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je moet werken?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je geen baan vindt?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je geen opslag krijgt?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je ontslagen wordt?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je je rijbewijs niet haalt?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je je rijbewijs moet inleveren?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je je partner verliest?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je je huis kwijtraakt?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je een misdaad begaat?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je verkracht bent?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je kanker krijgt?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je kanker terugkeert?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je onvruchtbaar blijkt te zijn?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je een kind krijgt?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je nog meer kinderen krijgt?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je een zwakzinnige kind krijgt?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je kinderen geen diploma halen?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je kinderen uit huis gaan?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je kinderen geen werk vinden?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als er een kind sterft?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je geen kleinkinderen krijgt?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je failliet gaat?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je partner je verlaat?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je met pensioen moet?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je geëxcommuniceerd wordt?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je een nieuwe heup moet?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je in een zorgflat moet?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je dement wordt?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je geen euthanasie krijgt?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit meer gelukkig zal zijn als je dood bent?

Dat het dan nooit meer leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Denk je nou echt dat je nooit gelukkig zal zijn zolang je dit soort gedachten denkt?

Dat het dan nooit echt leuk wordt?

Denk je dat nou echt?

Wat denk je allemaal niet?

Malle meditaties van een malin génie

Cogito ostinato.

Hieronder in hoofdlijnen de ontwikkeling van het denken van de beroemde Franse rationalist René Descartes (1596-1650).

1. Ik denk dus ik ben. (Meditationes I)

2. Ik denk dus ik ben niet. (Meditationes II)

3. Ik ben dus ik denk niet. (Meditationes III)

4. Ik denk niet dus ik ben. (Meditationes IV)

5. Ik denk dus ik ben mezelf niet. (Meditationes V)

6. Ik denk dus ik denk. (Meditationes VI)

7. Ik ben dus ik ben. (Meditationes VII)

8. Ik ben dus ik denk. (Meditationes VIII)

9. Ik denk tot ik ben. (Meditationes IX)

10. Ik ben tot ik denk. (Meditationes X)

11. Ik denk wat ik ben. (Meditationes XI)

12. Ik ben wat ik denk. (Meditationes XII)

13. Ik ben niet wat ik denk. (Meditationes XIII)

14. Ik denk niet dat ik ben. (Meditationes XIV)

15. Ik denk dat ik denk. (Meditationes XV)

16. Ik ben wat ik ben. (Meditationes XVI)

17. Ik denk dus ik ben bang. (Observationes I)

18. Ik denk dus ik ben bezorgd. (Observationes II)

19. Ik denk dus ik ben ontevreden. (Observationes III)

20. Ik denk dus ik ben schuldig. (Observationes IV)

21. Ik denk dus ik ben boos. (Observationes V)

22. Ik denk dus ik ben beschaamd. (Observationes VI)

23. Ik denk dus ik ben trots. (Observationes VII)

24. Ik denk dus ik ben beledigd. (Observationes VIII)

25. Ik denk dus ik ben zielig. (Observationes IX)

26. Ik denk dus ik ben sterfelijk. (Observationes X)

27. Ik denk dus ik ben misleid. (Observationes XI)

28. Ik denk dus ik ben in de war. (Observationes XII)

29. Ik denk dus. (Conclusiones I)

30. Denk ik. (Conclusiones II)

31. … (Conclusiones III)

Nota bene: Meditationes I verwijst naar de Meditationes de prima philosophia uit 1618. Daarna verscheen op 1 april van ieder jaar een volgend werk met de nieuwste inzichten van de grootmeester. Je kon er de klok op gelijk zetten.

Aan deze reeks kwam pas in 1649 een einde met de verschijning van het volstrekt lege Conclusiones III. Koningin Christina van Zweden was er zo van onder de indruk dat ze de Tabula rasa, zoals dit magnum opus van Descartes ook wel wordt genoemd, voor eigen rekening integraal op diens drie verdiepingen hoge grafsteen liet beitelen.

Of Descartes met Conclusiones III werkelijk het einde van zijn denken had bereikt of alleen maar het einde van zijn leven, zullen we wel nooit weten.

(wordt vervolgd)

Waar heeft opa zijn verstand verloren?

‘Was jij geen psycholoog, Hans?’

‘Nee hoor, ik heb er alleen maar voor geleerd.’

‘Wat is cognitieve therapie volgens jou?’

‘Een methode om irreële gedachten te vervangen door reële.’

‘Wat is filosofie?’

‘Een methode om onware gedachten te vervangen door ware.’

‘Wat is wetenschap?’

‘Een methode om speculatieve gedachten te vervangen door empirische.’

‘Wat is religie?’

‘Een methode om aardse gedachten te vervangen door hemelse.’

‘Wat is spiritualiteit?’

‘Een methode om negatieve gedachten te vervangen door positieve.’

‘En wat is niet-weten?’

‘Gewoon.’

‘Gewoon wat?’

‘Dat je het niet weet.’

‘Ik bedoel, wat voor methode is niet-weten?’

‘Niet-weten is geen methode.’

‘Ik bedoel, wat is het doel van niet-weten?’

‘Niet-weten heeft geen doel.’

‘Wat is dan het verband tussen niet-weten en je gedachten?’

‘Dat je niet weet of je ze moet geloven?’

‘Maar waar is dat goed voor?’

‘Wie zegt dat het ergens goed voor is?’

‘Bedoel je dat het nergens goed voor is?’

‘Ik zou het echt niet weten.’

‘Hoe voelt niet-weten?’

‘Nu eens zus, dan weer zo.’

‘Maakt het je zacht of vredig?’

‘Niet-weten maakt je niets.’

‘Maakt het je liefdevol of vriendelijk?’

‘Niet-weten maakt je niets.’

‘Maakt het je mededogend of dankbaar?’

‘Niet-weten maakt je niets.’

‘Wat is de weg naar niet-weten?’

‘Is er een weg naar niet-weten?’

‘Bedoel je dat er geen weg naar niet-weten is?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Hoe kom je er dan?’

‘Door de weg kwijt te raken?’

‘Hoe ben jij de weg kwijtgeraakt?’

‘Waar heeft opa zijn verstand verloren?’

‘Waar slaat dat nou weer op.’

‘Dat bedoel ik.’

‘Nou weet ik nog niks.’

‘En een moeite dat het kost.’

Hoe je aan het denken ontsnapt

Acht soorten escapisme.

‘Hans, wat is zen volgens jou?’

‘Een poging om aan het denken te ontsnappen.’

‘Hoe?’

‘Door te vluchten in de leegte en het Zelf.’

‘Wat is meditatie?’

‘Een poging om aan het denken te ontsnappen.’

‘Hoe?’

‘Door te vluchten in trance en herhaling.’

‘Wat is advaita?’

‘Een poging om aan het denken te ontsnappen.’

‘Hoe?’

‘Door te vluchten in bewustzijn en non-dualiteit.’

‘Wat is godsdienst?’

‘Een poging om aan het denken te ontsnappen.’

‘Hoe?’

‘Door te vluchten in God en gebod.’

‘Wat is filosofie?’

‘Een poging om aan het denken te ontsnappen.’

‘Hoe?’

‘Door te vluchten in begrippen en theorieën.’

‘Wat is scepticisme?’

‘Een poging om aan het denken te ontsnappen.’

‘Hoe?’

‘Door te vluchten in twijfel en voorbehoud.’

‘Wat is hedonisme?’

‘Een poging om aan het denken te ontsnappen.’

‘Hoe?’

‘Door te vluchten in bezit en genot.’

‘Wat is nieuws?’

‘Een poging om aan het denken te ontsnappen.’

‘Hoe?’

‘Door te vluchten in actualiteiten en achterklap.’

‘Dus zen, meditatie, advaita, godsdienst, filosofie, scepticisme, hedonisme en nieuws zijn allemaal pogingen om aan het denken te ontsnappen?’

‘Tenzij dat ook maar een gedachte is.’

‘Wat hebben ze nog meer gemeen?’

‘Dat het maar niet wil lukken.’

In plaats van ‘het denken’ kan je ook ‘jezelf’ lezen, of ‘het hier en nu’ of zo, net wat je aanspreekt, als iets hiervan je aanspreekt.

Dan vat je zen, meditatie, godsdienst et cetera op als een manier om aan jezelf of aan het hier en nu te ontsnappen.

Niets hiervan is in algemene zin waar of onwaar, behalve voor degene die dat denkt.

Hoe je aan het ontsnappen ontsnapt

‘Wat is niet-weten, Hans?’

‘Gewoon.’

‘Wat gewoon?’

‘Dat je het niet meer weet.’

‘Wat niet?’

‘Niks niet.’

‘Behalve dat je het niet meer weet.’

‘Zou je denken?’

‘Ik denk dat niet-weten de zoveelste vergeefse poging is om aan het denken te ontsnappen.’

‘Hoe?’

‘Door te vluchten in domheid en naïviteit.’

‘Tenzij dat ook maar een gedachte is.’

‘Wat voor vlucht is niet-weten volgens jou?’

‘Een hoge vlucht.’

‘Waaruit, bedoel ik.’

‘Uit het vluchten.’

‘Niet-weten is een vlucht uit het vluchten?’

‘Tenzij dat ook maar een gedachte is.’

‘Waardoor wordt jij gedragen?’

‘Door de wieken van niet-weten.’

‘Maar wat veroorzaakt de lift?’

‘Louter lucht.’

‘Jij wordt niet gedragen door het Zelf of God of Bewustzijn of zo?’

‘Tenzij dat louter lucht is.’

‘Maar dat weet je niet.’

‘Mij is het om het even, zolang ik vrij mag zweven.’

‘Ik dacht dat niet-weten een wolk was.’

‘Het is allemaal beeldspraak.’

‘Ik snap er eerlijk gezegd niks van.’

‘Meer kan ik niet van je vragen.’

‘Maar ik vind het mooi gezegd.’

‘Woorden in de wind.’

Alleen maar zijn maakt niemand vrij

22 Leuzen om los te laten.

Alleen maar denken maakt niemand vrij.

Alleen maar doen maakt niemand vrij.

Alleen maar oefenen maakt niemand vrij.

Alleen maar bidden maakt niemand vrij.

Alleen maar zitten maakt niemand vrij.

Alleen maar geven maakt niemand vrij.

Alleen maar vergeven maakt niemand vrij.

Alleen maar liefhebben maakt niemand vrij.

Alleen maar verbinden maakt niemand vrij.

Alleen maar zijn maakt niemand vrij.

Alleen maar worden maakt niemand vrij.

Alleen maar vasthouden maakt niemand vrij.

Alleen maar loslaten maakt niemand vrij.

Alleen maar hechten maakt niemand vrij.

Alleen maar onthechten maakt niemand vrij.

Alleen maar aanvaarden maakt niemand vrij.

Alleen maar spreken maakt niemand vrij.

Alleen maar zwijgen maakt niemand vrij.

Alleen maar antwoorden maakt niemand vrij.

Alleen maar vragen maakt niemand vrij.

Alleen maar weten maakt niemand vrij.

Alleen maar niet-weten maakt niemand vrij.

Alleen maar X maakt niemand vrij.

Al rijmt het nog zo op wu wei.

De rest gaan aan je neus voorbij.

(Maar wie ben ik, dus voel je vrij.)

Zwijgen of het gedrukt staat

Beste Hans,

Soms ben ik de clichés uit het spirituele wereldje helemaal beu. Dan is het een verademing om over niet-weten te lezen. Sobere taal, fris van de lever. Jij laat de woorden weer spreken.

Beste X,

Ik laat de woorden weer zwijgen.

Niet-weten is geen bevrijdend inzicht

Verlichting is handelswaar

Verlichting is hot. Sinds Jezus van zijn kruis is gevallen wil iedereen een licht zijn voor zichzelf. Mooier nog, we zijn al verlicht maar we weten het nog niet, houdt men ons voor.

Verlichting is de nieuwe graal. Of je nou naar een satsang of naar een zendo gaat, het doel is verlichting. Hoe sneller hoe beter: ‘Spoedcursus verlichting’ (Tijn Touber), ‘Verlicht in 1 seconde’ (Mabel van den Dungen), ‘Verlichting voor luie mensen’ (Paul Smit).

Hoe dat dan moet? In zen, in dzogchen, in advaita – overal waar instantverlichting wordt aangeboden, gaat het om een ‘bevrijdend inzicht’.

Meestal is dat het inzicht dat ‘ik’ of ‘het relatieve’ of doe maar meteen de hele wereld, een illusie is in de enige echte Werkelijkheid.

Die enige echte Werkelijkheid luistert naar klinkende namen als het Zelf of de Bron of de Boeddhanatuur of het Absolute of het Al of Bewustzijn of God of Liefde.

Die enige echte Werkelijkheid ben Jij.

Dat is alles.

Effe beseffe en klaar is Klaar:

Het leven is een fopsigaar.

Danken en betalen maar.

Verlichting is nu handelswaar.

Van de ene put in de andere

Natuurlijk, een inzicht is zó omarmd, van de ene seconde op de andere, dat kan de beste overkomen. Ik heb al heel wat ingezien in mijn leven. Wie niet?

Inzichten boeien, en zie dan nog maar eens los te komen.

Daar gaan vaak jaren of decennia van twijfelen, stutten, ontleden, slopen, opnieuw omarmen en weer twijfelen overheen.

Jaren van deprogrammeren en deconditioneren.

Jaren van destructie en deconstructie.

Dat bevrijding van een bevrijdend inzicht net zoveel tijd en moeite kost als een paradigmawisseling, komt doordat het een paradigmawisseling ís. Een copernicaanse revolutie.

Het enige verschil met een reguliere paradigmawisseling is dat je niet de hele wereld hoeft te veranderen. Je hoeft geen breed gedragen omwenteling te ontketenen. Je zal niet in de boeien worden geslagen of op de brandstapel belanden vanwege je nieuwlichterij.

Je hoeft alleen jezelf maar in beweging te krijgen. De enige die uit het gat moet kruipen ben jij. Maar als je zwicht voor de verleiding een nieuw bevrijdend inzicht als breekijzer te gebruiken, is al het werk voor niets.

Bevrijdinkje is net ganzenbord: bij iedere rondgang wacht de put.

En jij bent de gans.

Niet de wereld vergaat, maar je wereldbééld

Niet-weten is géén inzicht – maar wat een uitzicht!

Hoelang duurt het voor je eindelijk van het uitzicht kan genieten?

Het hangt ervan af hoeveel inzichten je hebt vergaard, hoe nauw ze samenhangen, hoe belangrijk ze voor je zijn.

Bij mij duurde het mijn halve leven, als ik 98 word (wat ik niet hoop) en ik denk niet dat ik sneller had gekund.

Niet-weten voor luie mensen? Laat me niet lachen.

Spoedcursus niet-weten? Geloof het maar niet.

Niet-weten in 1 seconde? Vergeet het maar.

Instant agnose? In geen duizend jaar.

Tenzij je al op het randje balanceert zonder het te weten.

Als er nog maar één inzicht tussen jou en een radicaal niet-weten in staat.

Een laatste strohalm.

Dan kan het schijnbaar ineens gebeuren.

In de ‘laatste’ seconde van die ‘duizend’ jaar.

Alsof de grond onder je voeten wegvalt.

Alsof de wereld vergaat.

Help!

Geen paniek – het was je gedachtewereld maar.

Alleen je wereldbééld vergaat.

Kijk nou!

Je stáát!

De weg vinden in het ware is de weg vinden uit het ware

Twaalf waarheden, dertien ongelukken.

1. De weg vinden in het boeddhisme is de weg vinden uit het boeddhisme.

Dit heet het ware boeddhisme.

2. De weg vinden in het taoïsme is de weg vinden uit het taoïsme.

Dit heet het ware taoïsme.

3. De weg vinden in het soefisme is de weg vinden uit het soefisme.

Dit heet het ware soefisme.

4. De weg vinden in de mystiek is de weg vinden uit de mystiek.

Dit heet de ware mystiek.

5. De weg vinden in het non-dualisme is de weg vinden uit het non-dualisme.

Dit heet het ware non-dualisme.

6. De weg vinden in jezelf is de weg vinden uit jezelf.

Dit heet het ware zelf.

7. De weg vinden in het niets is de weg vinden uit het niets.

Dit heet het ware niets.

8. De weg vinden in het weten is de weg vinden uit het weten.

Dit heet het ware weten.

9. De weg vinden in het niet-weten is de weg vinden uit het niet-weten.

Dit heet het ware niet-weten.

10. De weg vinden in het spreken is de weg vinden uit het spreken.

Dit heet het ware spreken.

11. De weg vinden in het zwijgen is de weg vinden uit het zwijgen.

Dit heet het ware zwijgen.

12. De weg vinden in de weg is de weg vinden uit de weg.

Dit heet de ware weg.

13. De weg vinden in het ware is de weg vinden uit het ware.

Dat mag geen naam hebben.

Boeddhabeeld zwevend in de ruimte gevuld met het patroon van een doolhof
De weg vinden in het boeddhisme is de weg vinden uit het boeddhisme.

Ben jij al helemaal uitgedacht?

‘Verlossing is het einde van alle denken, Hans.’

‘Zou je denken?’

‘Ik heb het van zenleraar Nico Tydeman.*’

* ‘[Nagarjuna] wilde geen nieuwe filosofie, maar bevrijding. En bevrijding komt niet van het denken. Verlossing is het einde van alle denken.’ (Transmissie en Transcendentie, p264)

‘Man man, wat kan die denken.’

‘Die het op zijn beurt van de Indische filosoof Nagarjuna heeft.’

‘Man man, wat kon die denken.’

‘Kon ik maar zo denken.’

‘Denk jij dan nog steeds?’

‘Ik denk me rot.’

‘Dan kan je nog niet verlost zijn.’

‘Pardon?’

‘Verlossing is het einde van alle denken, zei je toch?’

‘Ben jij al helemaal uitgedacht?’

‘Ik kan wel zoveel denken.’

‘Niet dus.’

‘Ik moet er niet aan denken.’

‘Dan ben jij ook nog niet verlost.’

‘Zou je denken?’

‘Dat is ook maar een gedachte, wou je zeggen.’

‘Alsof ik iets wou zeggen.’

‘Bedoel je dat je niets wou zeggen?’

‘Zou je denken?’

Gedachten om los te laten

‘Wat vond jij de moeilijkste gedachte om los te laten, Hans?’

‘Alsof het aan mij is om ze los te laten.’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Dat ik ze niet meer weet vast te houden?’

‘Je moet ze wel loslaten.’

‘Deze ook.’

‘Je hebt geen keus.’

‘Die ook.’

‘Wat vond je de moeilijkste gedachte om los te moeten laten?’

‘Dat de mens in wezen goed is.’

‘Want dat is hij niet?’

‘Dat bleek.’

‘Jij ook niet?’

‘Ik al helemaal niet.’

‘Wat was daar zo moeilijk aan?’

‘Dat de wereld waarin ik mij veilig had gewaand plotseling een levensgevaarlijke plek werd.’

‘En toen?’

‘Moest ik ook de gedachte loslaten dat de mens in wezen slecht is.’

‘Want dat is hij niet?’

‘Dat bleek.’

‘Behalve jij, zeker?’

‘Zelfs ik niet.’

‘Wat was daar moeilijk aan?’

‘Dat de wereld nog gevaarlijker werd.’

‘Dat snap ik niet.’

‘Omdat ik nu ook niet meer uit kon gaan van de intrinsieke slechtheid van de mens.’

‘En toen?’

‘Moest ik de gedachte loslaten dat ik wist wat goed en slecht was.’

‘Want dat wist je niet meer?’

‘Dat bleek.’

‘En toen?’

‘Moest ik de gedachte loslaten dat mensen mij niet meer konden kwetsen omdat ik nergens meer van uitging.’

‘Want dat konden ze nog steeds?’

‘Dat bleek.’

‘En jij hun?’

‘Wat dacht je.’

‘En toen?’

‘Moest ik de gedachte loslaten dat ik onkwetsbaar was omdat ik niet meer aannam dat ik onkwetsbaar was.’

‘Want dat was je nog steeds?’

‘Dat bleek.’

‘En toen?’

‘Werd nu.’

‘Wat heb je dan gewonnen?’

‘Dat ik niet meer denk dat er iets te winnen valt?’

‘Alle inspanning is voor niets.’

‘Ook die gedachte heb ik los moeten laten.’

‘Eigenlijk ben je iedere zekerheid kwijtgeraakt.’

‘Deze ook.’

Verlichting is een duistere zaak

Zeven dwaallichten.

Een lamp aandoen om de duisternis te zien

Verlichting proberen te begrijpen is net zoiets als een lamp aandoen om de duisternis te zien.

Zullen we hem even uitdoen?

Verlichting is geen visie en een visie op verlichting is geen verlichting.

Wat je ook ziet, dat is het niet.

Verlichting is geen leer en leerstukken over verlichting zijn geen verlichting.

Wat je ook leert, dat is het niet.

Verlichting is geen weg en wegen naar verlichting zijn geen verlichting.

Waar je ook gaat, daar is het niet.

Verlichting is geen praktijk en oefeningen in verlichting zijn geen verlichting.

Wat je ook beoefent, dat is het niet.

Verlichting is geen ervaring en ervaringen van verlichting zijn geen verlichting.

Wat je ook ervaart, dat is het niet.

Verlichting is geen droom en dromen over verlichting zijn geen verlichting.

Wat je ook droomt, dat is het niet.

Verlichting is geen woord en woorden over verlichting zijn geen verlichting.

Wat je ook zegt, dat is het niet.

Hoe je het ook noemt, dat is het niet.

Daarom:

Wie het licht wil zien, moet de duisternis ingaan.

Een lamp uitdoen om het licht te zien

Dezelfde tekst, maar nu met het oorspronkelijke woord, niet-weten:

Niet-weten is een duistere zaak

Niet-weten proberen te begrijpen is net zoiets als een lamp aandoen om de duisternis te zien.

Zullen we hem even uitdoen?

Niet-weten is geen visie en een visie op niet-weten is geen niet-weten.

Wat je ook ziet, dat is het niet.

Niet-weten is geen leer en leerstukken over niet-weten zijn geen niet-weten.

Wat je ook leert, dat is het niet.

Niet-weten is geen weg en wegen naar niet-weten zijn geen niet-weten.

Waar je ook gaat, daar is het niet.

Niet-weten is geen praktijk en oefeningen in niet-weten zijn geen niet-weten.

Wat je ook beoefent, dat is het niet.

Niet-weten is geen ervaring en ervaringen van niet-weten zijn geen niet-weten.

Wat je ook ervaart, dat is het niet.

Niet-weten is geen droom en dromen over niet-weten zijn geen niet-weten.

Wat je ook droomt, dat is het niet.

Niet-weten is geen woord en woorden over niet-weten zijn geen niet-weten.

Wat je ook zegt, dat is het niet.

Hoe je het ook noemt, dat is het niet.

Daarom:

Wie het licht wil zien, moet de duisternis ingaan.

Verlichting is de illusie doorzien

Zwanenzang van dertien dubbelwanen.

Wat is verlichting?

Verlichting is de illusie doorzien.

Niet alleen de illusie van het ego, maar ook die van het zelf.

Niet alleen die van de vorm, maar ook die van de leegte.

Niet alleen die van de tijd, maar ook die van het nu.

Niet alleen die van de doener, maar ook die van de getuige.

Niet alleen die van het kiezen, maar ook die van het keuzeloos gewaar zijn.

Niet alleen die van het relatieve, maar ook die van het absolute.

Niet alleen die van dualiteit, maar ook die van non-dualiteit.

Niet alleen die van het vele, maar ook die van het ene.

Niet alleen die van de stof, maar ook die van de geest.

Niet alleen die van dwaasheid, maar ook die van wijsheid.

Niet alleen die van gebondenheid, maar ook die van vrijheid.

Niet alleen die van de werkelijkheid, maar ook die van de illusie.

Ook de illusie van verlichting als het doorzien van alle illusies doorzie je dan.

Maar hoe moet je het dan nog noemen?

In plaats van verlichting kan je hier ook een ander woord invullen. Dat levert bijvoorbeeld de volgende titels op:

Non-dualisme is de illusie doorzien.

Agnose is de illusie doorzien.

Zen is de illusie doorzien.

Verlichting is een desillusie

Wat blijft er dan nog over?

‘Wat als je de illusie doorziet?’

‘Dan ben je gedesillusioneerd.’

‘Hè?’

‘Wat dacht jij dan?’

‘Verlicht.’

‘Ook die illusie ben je kwijt.’

‘Het enige wat overblijft is desillusie?’

‘Ook die illusie ben je kwijt.’

Verlichting is de desillusie doorzien

Wat valt er dan nog weg?

‘Is alles dan alleen maar een illusie?’

‘Ook die illusie ben ik kwijt.’

‘Heb jij dan helemaal geen illusies meer?’

‘Ook die illusie ben ik kwijt.’

Een koning zonder kijk

Van de obscure Meester Rara zijn slechts tien uitspraken overgeleverd, maar wát voor uitspraken.

Dus laat je hersens maar kraken:

1. ‘Wie wéét ziet het allemaal, wie niet weet zíet het allemaal wel, en zo heeft elk zijn kijk.’

2. ‘Wie wéét heeft het goed gezien, wie niet weet heeft het zien doorzien, en zo heeft elk zijn kijk.’

3. ‘Wie wéét heeft het zélf gezien, wie niet weet heeft het zelf gezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

4. ‘Wie wéét heeft het zélf gezien, wie niet weet heeft zichzelf doorzien, en zo heeft elk zijn kijk.’

5. ‘Wie wéét heeft zichzelf ontzien, wie niet weet heeft afgezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

6. ‘Wie wéét houdt het voor onzienlijk, wie niet weet houdt het voor gezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

7. ‘Wie wéét heeft het niet gezien, wie niet weet heeft het wel gezíen, en zo heeft elk zijn kijk.’

8. ‘Wie wéét heeft het niet gezien, wie niet weet is gezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

9. ‘Wie wéét geeft niemand gelijk, wie niet weet geeft niemand ongelijk, en zo blijft elkeen rijk.’

10. ‘Wie wéét geeft niemand gelijk, wie niet weet geeft niemand ongelijk, en zo blijft elk een rijk.’

De weg naar verlichting is bezaaid met denkknopen

Een denkknoop is een hardnekkig raadsel dat de denker hoofdbrekens bezorgt en tot wanhoop drijft.

Denkknopen worden ook wel paradoxen of aporieën genoemd.

Een voorbeeld van een theologische denkknoop is de vraag of God machtig genoeg is om zichzelf van zijn almacht te beroven. Zo ja, is hij dan nog machtig genoeg om het ongedaan te maken?

Een ander theologisch voorbeeld is de vraag wie de Schepper heeft geschapen (wie de Eerste Beweger heeft bewogen, wie de Eerste Oorzaak heeft veroorzaakt).

Een voorbeeld van een filosofische denkknoop is de vraag of de stof voortkomt uit de geest of de geest uit de stof.

Verwant hiermee is de vraag of wij een vrije wil hebben of een speelbal zijn van natuurkundige krachten. Als paradox geformuleerd:

Als de wil werkelijk vrij is, kan niets hem beïnvloeden. Als niets mijn wil kan beïnvloeden ben ik niet vrij.

Of zo:

Als ik mijn wil kan beïnvloeden, wie is er dan de baas?

Een voorbeeld van een logische denkknoop is de zin ‘Deze zin is gelogen.’ Is hij waar dan is hij onwaar, is hij onwaar dan is hij waar.

Een voorbeeld van een wiskundige denkknoop is de verzameling van alle elementen die geen lid zijn van een verzameling.

Sorry, die laatste zin is zo abstract dat je er al hoofdpijn van krijgt voor je hem begrepen hebt.

Bertrand Russel, de wiskundige en filosoof die hem ontdekte terwijl hij aan de Principia Mathematica* werkte, goot hem daarom in de vorm van de paradox die nu zijn naam draagt, Russel’s paradox, en ook wel de kappersparadox wordt genoemd:

Als een barbier iedereen scheert die zichzelf niet scheert, scheert hij dan zichzelf?

* Een driedelig werk waarin hij samen met Alfred Whitehead probeert de wiskunde uit de logica af te leiden.

Nog een voorbeeld van een wiskundige denkknoop is de onvolledigheidsstelling van Kurt Gödel, die via een reductio ad absurdum wist te bewezen dat de wiskunde als geheel onbewijsbaar is.*

* Dat wil zeggen, niet geaxiomatiseerd kan worden. Dat was de doodsklap voor de Principia Mathematica, die toen al 27 jaar op verlossing wachtte.

Een voorbeeld van een natuurkundige denkknoop is de dualistische aard van de kleinste bouwstenen van de werkelijkheid, zoals fotonen, die zich soms als golven en soms als deeltjes gedragen.

Wat in de klassieke mechanica ondenkbaar was, werd de hoeksteen van de kwantummechanica, een van de meest succesvolle theorieën aller tijden, die het begrijpelijke voorgoed onbegrijpelijk maar wel berekenbaar maakt.

Nog meer denkknopen:

1. Zelfs niet-weten van niet-weten.

2. Zelfs niet doen aan niet-doen.

3. Alles loslaten, ook het loslaten.

4. Meegaan met de stroom, ook als je er tegenin gaat.

5. Je gedachten niet geloven, deze ook niet.

6. Dat het allemaal maar verhalen zijn is ook maar een verhaal.

7. Boeddhisme wijst je de weg uit het boeddhisme.

8. De hoogste deugd is zonder deugd.

9. Zoeken tot je het niet-vinden hebt gevonden.

10. Het denken doorzien door het denken.

11. Vrede sluiten met je onvrede.

De weg naar verlichting is nou eenmaal bezaaid met denkknopen, waarvan de grootste wel de weg en de verlichting zelf zijn.

Want de weg leidt weg van de weg en verlichting is het einde van verlichting.

Dat laatste is natuurlijk geen denkknoop, dat is verlossing uit iedere denkknoop.

Je zou het niet denken, maar het is goed toeven in het oog van de orkaan.

Als je maar niet probeert te ontsnappen.

Hersenen met een knoop erin.
‘Een denkknoop is een hardnekkig raadsel dat de denker hoofdbrekens bezorgt en tot wanhoop drijft.’

Een nest op hete kolen

De denker bouwt
Jaar in jaar uit
Een nest
Op hete kolen

De zwerver gaapt
En rekt zich uit
Hij gaat maar weer
Wat dolen

Mijn wereld voor een nest

De burger denkt
jaar in jaar uit
Mijn koninkrijk
Voor vrijheid

De zwerver denkt
Jaar in jaar uit
Mijn wereld
Voor een nest

Vrij als een vogel

‘Hoeveel vragen telt de Weg volgens jou, Hans?’

‘O, wel tienduizend.’

‘Hoeveel antwoorden telt de Weg?’

‘O, maar één.’

‘Hoe luidt het Ene Antwoord?’

‘Piep.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Van een vogeltje.’

‘Haha.’

‘Zo kan je het ook zeggen.’

‘Waarvoor staat die piep symbool, als ik het vragen mag?’

‘Voor het hoogste lied.’

Verlichting is ertussenuit piepen

Als de vogel gevlogen is.

Leerling: Wie ben ik?

Meester: Piep.

Leerling: Wat ben ik?

Meester: Piep.

Leerling: Ben ik?

Meester: Piep.

Leerling: Wat ben jij?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is god?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is denken?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is liefde?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is geluk?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is vrijheid?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is waarheid?

Meester: Piep.

Leerling: Wat kan ik weten?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is wijsheid?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is de mens?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is mijn lichaam?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is een gedachte?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is een boom?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is het leven?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is goed?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is hier?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is dit?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is nu?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is zien?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is echt?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is zijn?

Meester: Piep.

Leerling: Waarom ik?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is lijden?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is de dood?

Meester: Piep.

Leerling: Waarom vergaat alles?

Meester: Piep.

Leerling: Is er leven na de dood?

Meester: Piep.

Leerling: Is er leven voor de dood?

Meester: Piep.

Leerling: Hoe moet ik sterven?

Meester: Piep.

Leerling: Hoe moet ik leven?

Meester: Piep.

Leerling: Waar kan ik rust vinden?

Meester: Piep.

Leerling: Waar komen wij vandaan?

Meester: Piep.

Leerling: Waar zijn wij?

Meester: Piep.

Leerling: Waar gaan wij heen?

Meester: Piep.

Leerling: Wat is de zin van het leven?

Meester: Piep.

Leerling: Zijn er echt geen antwoorden?

Meester: Piep.

Leerling: Moeten we dan maar zwijgen?

Meester: Piep.

Dood de vrijdenker

‘Ben jij gelovig, Hans?’

‘Ik ben bevrijd van elk geloof.’

‘Bedoel je dat je niet gelooft?’

‘Ik ben bevrijd van ongeloof.’

‘Hoe heb je dat gedaan?’

‘Ik ben bevrijd van ieder doen.’

‘Is dat een kwestie van overgave?’

‘Ik ben bevrijd van ieder laten.’

‘Maar komt dat uit jezelf of uit God?’

‘Ik ben bevrijd van zelf en God.’

‘Doel je op de unio mystica?’

‘Ik ben bevrijd van één, twee, veel.’

‘Verwijs je daarmee naar het niets?’

‘Ik ben bevrijd van vorm en leegte.’

‘Hoe is het om zo vrij te zijn?’

‘Vrij noch onvrij, da’s pas fijn.’

Een denken dat zich nergens aan vastklampt

‘Wat is vrijdenken, Hans?’

‘Een denken dat zich nergens aan vastklampt.’

‘Sommigen houden jou voor een nihilist.’

‘Sinds wanneer noem jij jezelf sommigen?’

‘Bén jij een nihilist?’

‘Nihilisme is nog altijd een strohalm.’

‘Waaraan klampt de nihilist zich dan vast?’

‘Aan de overtuiging dat er niets is om in te geloven.’

‘Moeten wij dan alles maar loslaten?’

‘Alles loslaten is nog steeds een strohalm.’

‘Bedoel je dat we ook het loslaten moeten loslaten?’

‘Het loslaten loslaten is nog steeds een strohalm.’

‘Blijft er dan helemaal niets over?’

‘Nihilist.’

‘Maar wat is nou vrijdenken?’

‘Noem dat desnoods vrijdenken.’

Hoe je een vrijdenker wordt

‘Begrijp ik het goed dat we volgens jou altijd onze aannames moeten onderzoeken, Hans?’

‘Waarom zou je?’

‘Om een vrijdenker te worden.’

‘Je neemt aan dat je een vrijdenker kan worden door altijd je aannames te onderzoeken.’

‘Hoe anders?’

‘Je neemt aan dat je een vrijdenker kan worden.’

‘Dat hoop ik tenminste.’

‘Waarom zou je een vrijdenker willen worden?’

‘Om me beter te voelen, natuurlijk.’

‘Wie zegt dat je je beter voelt als je je vrij denkt?’

‘Daar vraag je me wat.’

‘Als je maar geen antwoord geeft.’

‘Waarom niet?’

‘Dat leidt alleen maar tot nieuwe aannames.’

‘Waarom ben jij zo geobsedeerd door aannames?’

‘Is daar een reden voor nodig?’

‘Ik dacht misschien voor mijn bestwil.’

‘Zeker niet.’

‘Gaat mijn lot jou niet ter harte?’

‘Zeker wel.’

‘Waarom dan niet voor mijn bestwil?’

‘Omdat ik niet weet wat goed voor je is.’

‘Waarom weet jij niet wat goed voor me is?’

‘Omdat ik me daarvan heb vrijgedacht?’

‘Hoe heb je je daarvan vrijgedacht?’

‘Misschien wel door mijn aannames te onderzoeken.’

‘Vind jij dat je altijd je aannames moet onderzoeken?’

‘Waarom zou je?’

Iedere gedachte is een greep naar de macht

Deze ook.

X: De Waarheid laat zich in acht woorden vangen.

H: Dat waren er acht.

X: Lolbroek.

H: Grapjurk.

X: Wil je de waarheid in acht woorden nou horen of niet?

H: Hou me niet langer in spanning.

X: Iedere gedachte is een greep naar de macht.

H: Deze ook.

X: Lolbroek.

H: Grapjurk.

X: Maar het is nooit jouw greep.

H: Deze ook.

X: Het is het denken dat grijpt terwijl jij keuzeloos gewaar bent.

H: Deze ook.

X: Begrijp je wat ik bedoel?

H: Begrijp je wat ik bedoel?

X: Nou?

H: Nou?

X: Realisatie betekent niet langer denken dat je verantwoordelijk bent voor je eigen gedachten.

H: En als je nou denkt van wel?

X: …

H: Nou?

X: Ik weet niet wat ik daarop moet zeggen.

H: Dat waren er acht.

Is verlichting een verdienste of genade?

Is verlichting een persoonlijke verdienste of is het goddelijke genade?

Kan je het nemen of kan je het alleen maar krijgen?

Kan je ervoor kiezen of overkomt het je?

Zijn wij de doener of de getuige?

Een controversiële kwestie waarover al duizenden jaren wordt gedebatteerd.

Mensen kunnen er maar niet over ophouden en dat zegt toch wel iets, maar wat?

Het is maar net aan wie je het vraagt.

Als je het mij vraagt is verlichting het einde van dit soort kwesties.

Om lezers te lokken en hun aandacht vast te houden noem ik verlichting ook weleens zen of non-dualisme of mystiek of niet-weten en omgekeerd.

Pauwenwoorden, paarlen voor de breinen, wormen voor de doden.

In je moerstaal: je bent er als je er klaar mee bent.

Dat je dan ergens bent, aan deze zijde of aan gene, thuis of in den hoge, is natuurlijk ook weer flauwekul, maar om nou te zeggen dat je dan nergens bent is pas echt een cliché.

Zelfverklaarde zelfgerealiseerden verstaan onder verlichting namelijk het doorzien van de persoon.

Zij menen dat het individu een illusie is van het denken of van het bewustzijn of van het kennen of van het ene – dat het ik net zo weinig in de melk te brokkelen heeft als een golf in de zee of een drol in de plee.

Verlichting is geen prestatie en geen keus, concluderen ze, verlichting is genade.

Of ze voor die conclusie kiezen of dat die hen overkomt mag je zelf uitmaken, als je kunt.

In het laatste geval staan ze er zelf niet voor in, wat hun geloofwaardigheid natuurlijk niet ten goede komt.

Zelfgerealiseerden heten zo omdat ze de identiteit van het onware zelf, dat wil zeggen, kleine ik, het ego, de persoon, de mind, small mind, dit wezen, dit lichaam enzovoort, hebben vervangen door de Identiteit van het Zelf, de Bron, Essentie, het Al, het Leven, het Ene, Bewustzijn, God, de Boeddhanatuur, Big Mind enzovoort.

Is er werkelijk zoiets als het Zelf?

Een controversiële kwestie waarover al duizenden jaren wordt gedebatteerd.

Mensen kunnen er maar niet over ophouden en dat zegt toch wel iets, maar wat?

Het is maar net aan wie je het vraagt.

Als je het mij vraagt is verlichting het einde van dit soort kwesties, maar dat zei ik al.

Dus laten we er maar over ophouden.

Voorgoed.

Doorgezeten

‘Zolang je denkt dat je weet hoe het zit, weet je nog steeds niet hoe het zit, Hans.’

‘Zolang je denkt dat je niet weet hoe het zit, weet je nog steeds hoe het zit.’

Het denken zal het nooit opgeven

‘Alles is onzeker, Hans.’

‘Zeker weten?’

‘Het bestaan is op geen enkele wijze kloppend te krijgen.’

‘Dan zal dit ook wel niet kloppen.’

‘Het leven is een raadsel.’

‘Toch weer een oplossing gevonden?’

‘Om niet te zeggen, absurd.’

‘Neem alleen al deze gedachte.’

‘De hoogste werkelijkheid onttrekt zich aan onze verhalen.’

‘Het bekende verhaal.’

‘Er zijn geen antwoorden.’

‘Daar vraag je me wat.’

‘Nergens is houvast te vinden.’

‘Ook hierin niet.’

‘De wereld is wat je denkt dat hij is.’

‘Zou je denken?’

‘Het leven ontsnapt aan iedere duiding.’

‘Nou jij nog.’

‘Diep in mijn binnenste heerst stilte.’

‘Wie is dan die ouwehoer?’

‘Maar het denken zal het nooit opgeven.’

‘Zeg dat wel.’

Doordenkers zijn dooddenkers

Wat is diepzinnigheid?

Denken dat je het doorhebt.

De geest groef zich in, de geest groef zich uit

‘Wat was jouw weg, Hans?’

‘Contractio mentis, dilatatio mentis.’

‘Pardon?’

‘De geest groef zich in, de geest groef zich uit.’

‘En jij dan?’

‘Ik dacht dat ik die geest was.’

‘Nu niet meer?’

‘Ik kan wel zoveel denken.’

‘Er is alleen nog maar geest?’

‘Ook uitgegraven.’

‘Hoe zit het met ascese? Caritas? Meditatio? Contemplatio? Heb jij geloften afgelegd? Wat heb je allemaal gepraktiseerd?’

‘Ik heb alleen maar geprakkiseerd.’

‘Anders niets?’

‘Een doorn verwijderd met een doorn.’

‘Maar wat was dan de doorn?’

‘De geest houdt de geest in zijn greep, de geest helpt de geest om zeep.’

‘De geest was de doorn?’

‘En de doorn gaf de geest.’

‘Contractio mentis, dilatatio mentis.’

‘Dan lijkt het nog wat.’

‘En dat was jouw weg?’

‘En weg was de weg.’

Ik heb mijn kleinheid gerealiseerd

‘Ben jij verlicht, Hans?’

‘Hè?’

‘Of je ontwaakt bent.’

‘Dat zie je toch?’

‘Wat heb je dan gerealiseerd?’

‘Geen idee.’

‘Je Boeddhanatuur? Je Ware Aard? Je Oorspronkelijke Gezicht? Big Mind? Het Zelf?’

‘Daar weet ik allemaal niets van.’

‘Wat dan wel?’

‘Dat zeg ik.’

‘Heb ik iets gemist?’

‘Mijn kleinheid dan maar.’

‘Jij hebt je Kleinheid gerealiseerd?’

‘Met een kleine letter.’

‘Vergeleken met wat?’

‘Een hoofdletter.’

‘Verwijs je daarmee naar afhankelijk ontstaan? Interzijn? Het Absolute? Non-dualiteit? Het Goddelijke?’

‘Daar weet ik allemaal niets van.’

‘Ook al niet?’

‘Ik kan het ook niet helpen.’

‘Bedoel je soms dat zoiets niet bestaat?’

‘Dat weet ik ook al niet.’

‘Nou, daar kan je mee voor de dag komen.’

‘Alsof ik voor de dag wil komen.’

‘Hoe klein ben jij wel niet?’

‘Je mag me gerust een nul noemen.’

‘Verwijs je daarmee naar het Niets? Sunyata? Anatman? Maya? Bewustzijn?’

‘Daar weet ik…’

‘Allemaal niets van, ja ja.’

‘Je haalt me de woorden uit de mond.’

‘Wat blijft er dan nog over?’

‘Waarvan?’

‘Kleinheid, zei je toch?’

‘Om ervan af te zijn.’

‘Dus jij bent niet verlicht?’

‘Hè?’

Verlost van de verlossers

Beste Hans,

In al je teksten, om het even welke, maak je op mij een vrije en verloste indruk. Trefzeker, ook al schiet je vanuit de heup. Wat is jouw geheim?

Lullig mannetje in zijn nakie met een plantenspuit bij wijze van pistool.
‘Trefzeker, ook al schiet je vanuit de heup.’

Beste X,

Dat ik niks meer uit te leggen heb?

Behalve dat ik niks meer uit te leggen heb, God sta me bij.

Misschien is dit mijn geheim:

Ik ben verlost van de verlossers.

Ontsnapt aan de snappers.

Verweesd van de wijzen.

Bevrijd van de vrijheid.

Ontdaan van de doener.

Ook de getuige is afgetuigd.

Zelfs niemand ben ik niet.

Hoe het zo gekomen is, weet ik precies niet.

Maar om dat nou een geheim te noemen?

X: Wat was jouw weg?

H: Als ik een weg had, zou ik hem meteen openstellen. Het zou een weg zijn met tweerichtingsverkeer, zodat je op je schreden kon terugkeren. Dat is pas vrijheid.

X: Zou jij op je schreden terugkeren?

H: Schrijden is voor koningen.

X: Kruipen dan?

H: Ik zit hier goed, zei de nar op zijn aambei.

X: Pardon?

H: Wat kan ik zeggen?

Niks zo lekker als honger.

Er is nog nooit een put verdronken.

Geen groter uitzicht dan geen inzicht.

Begrijp je wat ik bedoel?

X: Nee.

H: Nou, ik ook niet. Praten over een terugweg – man, ik heb niet eens een heenweg.

De Nacht van de Spiritualiteit

Tijdens de Nacht van de Spiritualiteit draagt de meester een gedicht voor in de categorie De Hoogste Werkelijkheid.

Hij neemt plaats op het spreekgestoelte, stelt de microfoon af, schraapt zijn keel, recht zijn rug en haalt zijn schouders op.

Met een knikje bedankt hij het publiek en verlaat het spreekgestoelte.

Later die nacht draagt de meester nog een gedicht voor, ditmaal in de categorie Wat is Spiritualiteit?

Zoals te doen gebruikelijk begint hij met de titel.

Hij zegt: De Langste Nacht.

Met een knikje bedankt hij het publiek en verlaat het spreekgestoelte.

De volgende ochtend maakt de meester zijn opwachting in de Ontbijtshow. De gastvrouw vraagt hem of hij niet beter helemaal had kunnen zwijgen.

Meester: Waarover?

Gastvrouw: De Hoogste Werkelijkheid.

Meester: De wat?

Gastvrouw: Wel een beetje meewerken, hè.

Meester: Ik heb toch niks gezegd?

Gastvrouw: U hebt uw schouders toch opgehaald?

Meester: En?

Gastvrouw: Dat had u ook kunnen laten.

Meester: Mij te veelzeggend.

Gastvrouw: Wilt u op deze wijze de mind aan de kaak stellen?

De meester haalt zijn schouders op.

Na de reclame vraagt de gastvrouw hem of de langste nacht naar zijn mening eindig of eeuwig is.

Meester: Welke langste nacht?

Gastvrouw: Komt er ooit een eind aan?

Meester: Komt er ooit een eind aan de Ontbijtshow?

Gastvrouw: Aan deze aflevering of aan de hele Ontbijtshow?

Meester: Zeg dat wel.

De gastvrouw haalt haar schouders op.

Nou dan, zegt de meester.

Niet-weten is een kind

Een worm weet wat niet-weten is.
Een vis weet wat niet-weten is.
Ook ik wist wat niet-weten is
Totdat ik het wou weten.

Geen mens wist wat niet-weten was.
Geen prof wist wat niet-weten was.
Want weten wat niet-weten is
Is nevernooit niet-weten.

Een aap weet wat niet-weten is.
Een kind weet wat niet-weten is.
Ook jij wist wat niet-weten is
Al wil je het niet weten.

Denk je nou nog steeds dat je hier iets komt leren?

Meester: Ik ken een goeie. Zegt Hildegard van Bingen, ‘Alweer zo’n prachtig visioen van het Levende Licht!’ Zegt de migrainelijder, ‘Alweer zo’n ellendig scotoom!’

De meester begint keihard te lachen. Zijn leerlingen kijken hem geschrokken aan.

Meester: Pardon, ik liet me even gaan.

Leerling: Wie is Hildegard van Bingen?

Meester: Een middeleeuwse mystica.

Leerling: Wat is een scotoom?

Meester: De zinderende lichtvlek die een migraineaanval inluidt.

Leerling: Maar wat is nou de clou?

Meester: Zeggen jullie het maar.

Leerling: Dat Hildegard van Bingen een scotoom aanzag voor een visioen!

Leerling: Dat de migrainelijder een visioen aanzag voor een scotoom!

Leerling: Dat een scotoom best mystiek kan zijn!

Leerling: Dat je ziet wat je wilt zien!

Leerling: Dat je ziet wat je kunt zien!

Leerling: Dat je ziet wat je moet zien!

Leerling: Dat de waarheid verschillende kanten heeft!

Leerling: Dat er verschillende waarheden zijn!

Leerling: Dat waarheid niet bestaat!

Meester: Hier krijg ik pas hoofdpijn van.

Leerling: Maar wat is nou de clou?

Meester: Dat is nou de clou.

Leerling: Ik bedoel, wat kan ik hiervan leren?

Meester: Denk je nou nog steeds dat je hier iets komt leren?

Iedereen klaagt

Was z’n gat
nou maar een mond,
dacht de haas
vanuit de hond.

Was de mest
nou maar geen stront,
klonk het klaaglijk
uit de grond.

Was mijn ei
maar niet zo rond,
kreunde kip
vanuit zijn kont.

Was mijn haar
maar niet zo blond,
dacht het spook
dat niet bestond.

Hond met een konijnenkop uit zijn kont.
‘Was z’n gat nou maar een mond,
dacht de haas vanuit de hond.’

Iedereen droomt

Als je maar
geen auto’s had,
dacht de haas
een beetje plat.

Was het water
maar niet nat,
dacht de wader
op het wad.

Als de mens
maar tot mij bad,
dacht de Boeddha
ladderzat

Als ik nou
maar niks vergat,
dacht het oudje,
zei ik wat?

Iedereen meet: verlichtingsstadia voor zenboeddhisten

Je voortgang op het spirituele pad meten, mag dat wel spiritualiteit heten?

Zen voor beginners: de vorm doorzien.

Zen voor halfgevorderden: de leegte doorzien.

Zen voor gevorderden: de identiteit van vorm en leegte doorzien.

Zen voor vergevorderden: zen doorzien.

Zen zonder zen, mag dat verlichting heten?

Zelf noem ik het niet-weten.

Ik zou het maar vergeten.

Verlichtingsstadia voor non-dualisten

Verlichting voor beginners: het dualistische denken doorzien.

Verlichting voor mingevorderden: het dualistische en het monistische denken doorzien.

Verlichting voor gevorderden: het dualistische en het monistische en het non-dualistische denken doorzien.

Verlichting voor vergevorderden: het dualistische en het monistische en het non-dualistische en het nihilistische denken doorzien.

Verlichting voor zeer ver gevorderden: het dualistische en het monistische en het non-dualistische en het nihilistische en het pluralistische denken doorzien.

Spiritualiteit zonder dualisme, monisme, non-dualisme, nihilisme, pluralisme of welk isme ook: mag dat wel spiritualiteit heten?

Zelf noem ik het niet-weten.

Ik zou het maar vergeten.

Verlichting is sofisterijstebrij

H: Wat is verlichting volgens jou?

X: Het failliet van het verstand.

H: Ik had het zelf kunnen zeggen.

X: Dank je.

H: Weg ermee.

X: Waarom?

H: Anders blijf je daar weer mee zitten.

X: Waar weer mee zitten?

H: Waarmee dan ook.

X: Met je failliet?

H: Waarmee dan ook.

X: Met je verstand?

H: Waarmee dan ook.

X: Met je verlichting?

H: Waarmee dan ook.

X: Is dat dan verlichting?

H: Is wat dan verlichting?

X: Nergens meer mee zitten?

H: Ik sta er niet voor in.

X: Nergens meer voor staan?

H: Daar ga ik niet in mee.

X: Nergens meer voor gaan?

H: Alles naar de maan.

X: Ik snap het al.

H: Hij snapt het weer.

X: Verlichting is vrij zijn van verlichting.

H: Sofisterij.

X: Moet jij zeggen.

H: Weg ermee.

X: Is dat dan verlichting?

H: Is wat dan verlichting?

X: Weg ermee zeggen?

H: Zakdoekje leggen.

X: Nou weet ik nog niks.

H: Dan noem je dat toch verlichting.

X: Verlichting is niet-weten?

H: Ik zou het ook niet weten.

X: Zo hou je niets over.

H: Hoe hou je niets over?

X: Op die manier.

H: Nou, manier.

X: Je kan het kwalijk een weg noemen.

H: Laat staan een doel.

X: Doel je op het niets?

H: Een bel is nog geen fiets.

X: Een bel is toch een klok?

H: Een lepel zonder kok.

X: Ik geef het op.

H: Kous op je kop.

X: Wat een mop.

H: Maar om dat nou verlichting te noemen?

Verlichting is geen idee

Raden maar.

X: Wat is verlichting?

H: Geen idee.

X: Je laat me in mijn eigen sop gaarkoken.

H: Gaar is gaar.

X: Halve gare.

H: Raar maar waar.

X: Wat kun je mij aanraden?

H: Raden maar.

X: Is verlichting maar zien?

H: Je ziet maar.

X: Is verlichting maar wat doen?

H: Je doet maar.

X: Is verlichting maar wat zeggen?

H: Je zegt het maar.

X: Is verlichting…

H: Bekijk het maar.

X: Nou weet ik nog niks.

H: Dan noem je dat toch verlichting?

X: Is dat verlichting?

H: Geen idee.

Verlichting is geen-idee

Tussen edele en onedele stilte.

Verlichting is geen idee

Verlichting is geen-idee

Geen-idee is niet weten

Niet weten wat verlichting is

Niet weten wat is

Zelfs niet weten van niet-weten

Wat als dat verlichting was?

Dan zou het stil worden, eventjes

Tot iemand er een idee van maakt:

‘Verlichting is stilte’

En zo de stilte doorbreekt

Weer onderscheid gaat maken

Wat moet je anders met een idee?

Tussen tweeëntwintig soorten stilte:

Innerlijke stilte en uiterlijke stilte

Geestelijke stilte en wereldse stilte

Hogere stilte en lagere stilte

Levende stilte en doodse stilte

Sprekende stilte en zwijgende stilte

Hemelse stilte en aardse stilte

Immanente stilte en transcendente stilte

Diepe stilte en oppervlakkige stilte

Heilzame stilte en heilloze stilte

Juiste stilte en onjuiste stilte

Edele stilte en onedele stilte

Er een tweeëntwintigvoudig pad van maakt

Vol ideeën en idealen

Vol beloften en geloften

Vol geboden en gebeden

Catch 22 voor mie en joe

En van zichzelf een onmisbare gids

Want alles moet anders

Alles is mis zoals het is

Alleen wat komen gaat is goed

Lieve vrede, kindjezoet

Er tweeëntwintig boeken mee vult

De hoofden van zijn lezers

Zijn zelfvergeten apologeten

Gezegend zijn de vervloekten

Ze bouwen me eindeloos na

Leuzen voor kneuzen

Zitten op bevel

Heilige neuzen

Allemaal dezelfde kant op

Goed voor je hummmmm

Kon do fu ki ya ki ba

Hi hi ho ho ha ha ha

Zeg me dat maar na na na

Lallende tongen

Malende gebedsmolens

Mallende gedachten

Smachten naar Words of Wisdom

Turen door de koker van je smart

Wachten op de oerknal in je hart

Dat is geen stilte, hoor je me?

Dat is een idee van stilte

Een flits van duisternis

Vermomd als verlichting

Welkom in de hersenpan

Verlichting als idee

De grijpgeest en de weetnietgeest

De grijpgeest legt zich vast
Zijn denken is verwrongen

De weetnietgeest loopt los
Zijn gang is ongedwongen

Hij is de dans ontsprongen
En leeft nu op de tast

Wat is een grijpgeest?

Een grijpgeest is het tegenovergestelde van een weetnietgeest.

De grijpgeest wil vaste grond onder zijn voeten, een steen om op te staan.

Hij vereert denk-beelden, hoe massiever hoe beter.

De grijpgeest hunkert zijn leven lang naar een canon van onbetwijfelbare kennis, naar een eenduidige, universele, algemeen geaccepteerde leer of religie die alles verklaart en waar iedereen naar leeft.

De grijpgeest voelt zich alleen thuis in een eenduidige, overzichtelijke wereld waarin alles in een hokje past en overeenkomstig gelabeld en afgehandeld kan worden.

Een grijpgeest is een hokjesgeest.

Ook ‘grijpgeest’ is zo’n hokje.

Ook ‘hokjesgeest’ is zo’n hokje.

Ook ‘weetnietgeest’ is zo’n hokje.

Voor je het weet zit je gevangen.

Wat is een weetnietgeest?

Een weetnietgeest is een geest zonder vaste standpunten of overtuigingen.

Een geest zonder onveranderlijke regels of motto’s.

Een geest zonder denk-beelden of sokkels.

Een geest zonder leer of heer.

Een weetnietgeest is een geest die alles loslaat, zelfs het loslaten.

Een geest die sneller schiet dan zijn schaduw.

Een geest die zich voortdurend leegdenkt – een zelfledigende geest, een lege geest.

Een gat van een geest, zwarter dan het zwartste gat, maar zo licht als een veer, lichter dan de lichtste leer.

Een weetnietgeest is een wendbare geest die tussen alle mentale klippen door laveert, zowel concrete als abstracte, zowel praktische als leerstellige.

Een lichtvoetige geest die uitstapt en wegdanst als een bokser in de ring, als een aikidoki in de dojo.

Een weetnietgeest is een geest die dansend de dans ontspringt.

Vrolijk dansend figuur opgebouwd uit vrolijke dansende figuurtjes.
Een geest die dansend de dans ontspringt.

Zo’n geest laat zich echt niet vangen in een woord als ‘weetnietgeest’ of in wat voor geest of woord ook.

Hij laat zich echt niet vangen in een zin als deze, niet in een tekst als deze, niet in een boek als dit.

Toch blijf ik het proberen.

Alleen zo kan ik je laten zien dat het zinloos is.

Alleen zo kan ik je kennis laten maken met de weetnietgeest.

Aangenaam.

Van schijnproblemen, schijnvragen en schijndilemma’s.

Iemand hier of niemand hier?

Het absolute of het relatieve?

Hindoeïsme of boeddhisme?

Mediteren of contempleren?

Engageren of terugtrekken?

Christendom of jodendom?

Heb je een vrije wil of niet?

Wat is goed, wat is kwaad?

Rechtzinnig of vrijzinnig?

Werkelijkheid of illusie?

Katholiek of protestant?

Vasthouden of loslaten?

Hechten of onthechten?

Wijsheid of dwaasheid?

Schepping of evolutie?

Verlicht of onverlicht?

Verdienste of genade?

Verdienste of genade?

Socialist of kapitalist?

Streven of overgeven?

Nirwana of samsara?

Weten of niet-weten?

Toeval of noodzaak?

Dvaita of advaita?

Tantra of ascese?

Veda of vedanta?

Homo of hetero?

Welles of nietes?

Vorm of leegte?

Hullie of zullie?

Man of vrouw?

Hoofd of hart?

God of duivel?

Hemel of hel?

Alles of niets?

Stof of geest?

Zwart of wit?

Ego of zelf?

Al die schijnproblemen, schijnvragen en schijndilemma’s.

De weetnietgeest stinkt er niet meer in.

Jij?

De weetnietgeest wil alleen maar ondermijnen

‘Ik heb geloof ik nog nooit zo’n subversieve geest gezien als de jouwe, Hans.’

‘De weetnietgeest wil alleen maar ondermijnen.’

‘Waar is dat goed voor?’

‘Vraag dat maar aan de weetnietgeest.’

‘Dat doe ik toch?’

‘En wat zei de weetnietgeest?’

‘Vraag dat maar aan de weetnietgeest.’

‘Voilà.’

‘Maar waarom doe je het dan?’

‘Waarom doe ik wat dan?’

‘Ondermijnen. Uithollen. Slopen.’

‘Voor mij hoeft het niet.’

‘Bedoel je dat je het niet kan laten?’

‘Ook daar zit ik niet op te wachten.’

‘Het hoeft niet en het hoeft niet niet?’

‘En anders maar wel.’

‘Rare snijboon.’

‘Wie?’

‘Bedoel je dat je niemand bent?’

‘Bedoel je dat ik iets bedoel?’

‘Geen-geest, geen-zelf, anatman, inessentie, sunyata?’

‘Vraag het dan maar aan de weetnietgeest.’

‘De weetnietgeest wil alleen maar ondermijnen.’

‘De wat?’

‘Ik heb geloof ik nog nooit zo’n subversieve geest gezien als de jouwe, Hans.’

Niets geloven, niet meer streven, doet de gek in vreugde leven

‘Volgens mij ben jij knettergek, Hans.’

‘Vroeger zou ik het hartgrondig met je eens zijn geweest.’

‘En nu?’

‘Nu denk ik dat ik vroeger knettergek was.’

‘Waarom zou je het vroeger met me eens zijn geweest?’

‘Iemand die zijn eigen gedachten niet serieus neemt is van God los.’

‘Daar kan je geen staat op maken.’

‘Daar kan je geen peil op trekken.’

‘Waarom zeg je nú dan dat je vróeger knettergek was?’

‘Omdat ik mijn gedachten zo serieus nam en overal achteraan holde.’

‘Meen je dat nou?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘Dat is dan het verschil.’

‘Zei ik het niet?’

‘Wat?’

‘Volgens mij ben jij knettergek, Hans.’

Niet-weten is geen kunst, maar je kan het ermee vergelijken

Een plooibare geest

Niet-weten is het onvermogen om je eigen denkbeelden serieus te nemen.

Deze incluis.

De volgende incluis.

Je krijgt er smedige meningen van.

Floppy visies.

Een plooibare geest.

Het vermogen om snel tussen standpunten heen en weer te schakelen.

Of het onvermogen er lang in te blijven hangen, zeg jij het maar.

Ik wil het beslist niet ophemelen.

Of neersabelen.

Geen kunst

Niet-weten kan je je voorstellen als het kubistisch vermenigvuldigen of surrealistische smelten of pointillistisch ontbinden of cinematografisch animeren van versteende denkbeelden.

Door het vermenigvuldigen, smelten, ontbinden of reanimeren worden starre, onveranderlijke denkbeelden beweeglijke, vitale wemelbeelden.

Volgens Van Dale is een wemelbeeld een onvast, steeds verschietend beeld:

’t Water met zijn wemelbeeld.

‘Literair, verouderd’, voegt het woordenboek eraan toe.

Het is ook nooit goed.

Onderstaande litanie combineert de beeldspraak van de wemelbeelden met het foefje van de aanhalingstekens dat woorden ontdoet van hun letterlijke betekenis.

Reanimeren

Door het reanimeren van mijn zelfbeelden wordt ik ‘ik’.*

Door het reanimeren van mijn mensbeelden wordt jij ‘jij’.

Door het reanimeren van mijn godsbeelden wordt Hij ‘Hij’.

Door het reanimeren van mijn boeddhabeelden wordt leegte ‘leegte’.

Door het reanimeren van mijn heiligenbeelden worden iconen ‘iconen’.

Door het reanimeren van mijn voorbeelden worden idolen ‘idolen’.

Door het reanimeren van mijn wensbeelden wordt willen ‘willen’.

Door het reanimeren van mijn ideaalbeelden wordt hoop ‘hoop’.

Door het reanimeren van mijn schrikbeelden wordt wanhoop ‘wanhoop’.

Door het reanimeren van mijn angstbeelden wordt vrees ‘vrees’.

Door het reanimeren van mijn kruisbeelden wordt lijden ‘lijden’.

Door het reanimeren van mijn ziektebeelden worden gebreken ‘gebreken’.

Door het reanimeren van mijn doodsbeelden wordt sterven ‘sterven’.

Door het reanimeren van mijn lichaamsbeelden wordt stof ‘stof’.

Door het reanimeren van mijn denkbeelden wordt geest ‘geest’.

Door het reanimeren van mijn wereldbeelden wordt werkelijk ‘werkelijk’.

Door het reanimeren van mijn toekomstbeelden wordt later ‘later’.

Door het reanimeren van mijn herinneringsbeelden wordt vroeger ‘vroeger’.

Door het reanimeren van mijn tijdsbeelden wordt nu ‘nu’.

Word ik nou ‘ik’ of wordt ‘ik’ nou ik?

Sommige lezers denken nu misschien dat ik mij vergis.

Dat door het reanimeren van mijn zelfbeelden ‘ik’ ik wordt.

Dat, met andere woorden, in de gang van weten naar niet-weten het onware ik vervangen wordt door het ware ik.

Onwaar in de zin van bemiddeld door ideeën die tussen mij en de, laten we zeggen, absolute werkelijkheid in staan.

Waar in de zin van onbemiddeld door ideeën, dus rechtstreeks aanschouwd.

Maar dat bedoel ik helemaal niet.

Want het onware ik en het ware ik en de relatieve werkelijkheid en de absolute werkelijkheid en de bemiddelde werkelijkheid en de onbemiddelde werkelijkheid horen wat mij betreft allemaal tot het domein van de denkbeelden.

Het onderscheid tussen denkbeelden en wemelbeelden trouwens ook.

Het onderscheid tussen weten en niet-weten ook.

Dus waar hebben we het eigenlijk over?

Denk-beelden: houwen of breken?

Wat is de overeenkomst tussen wijzen en dwazen?

Ze denken niet, ze houwen denk-beelden.

Wijzen en dwazen zijn denkbeeldhouwers.

En als ze geen denk-beelden houwen dan eren ze ze wel.

Als denkbeeldendienaars in een denkbeeldendienst.

Hun geest is een denkbeeldentuin vol denkbeeldengroepen.

En als ze geen denk-beelden eren dan venten ze ze wel uit.

Denkbeeldenventers in een denkbeeldenkraam.

Dwijzen* houden wel van denkbeelden maar niet van denk-beelden.

* Dwijze: iemand die dwaas noch wijs is; weetniet, agnost

Ze houwen ze niet en ze houden ze niet en ze eren ze niet en ze venten ze niet uit.

Maar ze breken ze met liefde.

Ze breken ze.

Met liefde.

Ze breken ze uit liefde.

Ze breken zelfs de Liefde.

Niet-weten is een denkbeeldenstorm.*

* Spreekt deze beeldspraak je aan? Laat het dan geen beeld-spraak worden.

Denkstenen: welke wil jij op je graf?

In de filosofie heet het product van een letterlijk* denken een hypostase.

* Letterlijk: realistisch, essentialistisch, eternistisch, substantialistisch, dualistisch, divisionistisch, discursief, hypostatisch.

Ik noem het een denksteen.

Hiermee wil ik de mentaliteit aan de kaak stellen die achter ieder woord een entiteit weet:

‘Ik denk dus ik ben.’

(Descartes)

‘God bestaat, anders kon ik hem niet denken.’

(Anselmus)

Het Woord is Steen geworden, zou een theoloog, nee, geoloog, nee, paleontoloog, nee, psycholoog… nou ja, laat maar zitten.

Luchtige gedachten krijgen door letterlijkheid het gewicht van meteorieten.

Denkstenen liggen zwaar op de geest.

Je kan er net zoveel last van krijgen als van blaasstenen, nierstenen, galstenen, oorstenen, speekselstenen en drekstenen – vooral die laatste.

De geesteskramp die er het gevolg van is, zou je een denksteenkoliek kunnen noemen.

Iemand die regelmatig denksteenkolieken krijgt, heet dan een denksteenlijder.

En denk nou niet dat ik reclame maak voor het nominalisme, de middeleeuwse leer die stelt dat woorden geen reële tegenhanger in de werkelijkheid hebben.

Mocht het nominalisme al waar zijn dan heeft het immers zelf geen tegenhanger in de werkelijkheid.

Hetzelfde geldt voor verwante filosofieën zoals het fictionalisme, het anti-platonisme, het anti-realisme, het formalisme, de boeddhistische leer van de leegte (sunyata) en afhankelijk ontstaan, en de hindoeïstische leer van maya.

Allemaal denkstenen.

In de denkbeeldentuin van het non-dualisme

X: Volgens het non-dualisme zijn concepten de oorzaak van onze afgescheidenheid.

H: ‘Non-dualisme’ is een concept. ‘Concept’ is een concept. ‘Afgescheidenheid’ is een concept. ‘Oorzaak’ is een concept.

X: Met ‘concept’ bedoel ik een denkbeeld. Iets onwerkelijks.

H: ‘Denkbeeld’ is een denkbeeld. ‘Onwerkelijk’ is een denkbeeld.

X: Een denkbeeld deelt wat oorspronkelijk heel is in tweeën.

H: ‘Delen’ is een denkbeeld. ‘Oorspronkelijk’ is een denkbeeld. ‘Twee’ is een denkbeeld. ‘Heel’ is een denkbeeld.

X: Ik verwijs naar onze natuurlijk staat van eenheid.

H: ‘Natuurlijk’ is een denkbeeld. ‘Staat’ is een denkbeeld. ‘Eenheid’ is een denkbeeld.

X: Hoe kunnen wij onze afgescheidenheid overwinnen volgens jou?

H: ‘Wij’ is een denkbeeld. ‘Afgescheidenheid’ is een denkbeeld. ‘Overwinnen’ is een denkbeeld.

X: Het zijn allemáál maar denkbeelden, wou je zeggen.

H: Dat het allemaal maar denkbeelden zijn is ook maar een denkbeeld, zou ik zeggen.

X: …

H: Is er wat?

X: Ik weet niet meer wat ik moet zeggen.

H: Ik dacht dat je het nooit zo zeggen.

Wat ik onder realisatie versta

X: Ben jij gerealiseerd?

H: Het is maar net wat je onder realisatie verstaat.

X: Dat Grote Ik het verhaal van kleine ik doorziet.

H: Wat is kleine ik?

X: De illusie van de persoon, de doener, de initiator.

H: En Grote Ik?

X: Je ware aard, de kenner van kleine ik en van alle andere denkbeelden.

H: Wie zegt dat er zo’n kenner is?

X: Hoe kan een gedachte anders worden gekend?

H: Als de doener een illusie is, waarom de kenner dan niet?

X: De doener die alles initieert is net zoiets als de kenner die als constateert, wou je zeggen.

H: Het zijn allebei maar denkbeelden.

X: Dan zou Grote Ik ook een illusie zijn.

H: Maar wat is dan realisatie?

X: Dat je zowel het verhaal van kleine ik als het verhaal van Grote Ik doorziet?

H: Of is dat gewoon het volgende verhaal?

X: Dat je alle verhalen doorziet?

H: Of is dat gewoon het volgende verhaal?

X: Wat heb jij eigenlijk gerealiseerd?

H: Dat ik niets heb gerealiseerd?

X: Is dat een vraag of een antwoord?

H: Mij lijkt het opnieuw een verhaal.

Niet-weten is woorden vermoorden

‘Wat is niet-weten, Hans?’

‘Woorden vermoorden.’

‘Want de Waarheid is voorbij de woorden?’

‘Waarheid is een woord.’

‘Want we moeten naar de stilte in ons zelf?’

‘Zelf is een woord.’

‘Want we moeten naar de stilte?’

‘Stilte is een woord.’

‘Niet-weten is anders ook een woord.’

‘Een ander woord voor moord.’

Niet-weten in zes woorden

‘Wat is niet-weten?’

‘Van je hart geen woordkuil maken.’

Het alledaagse is ook voorbij de woorden

X: De Waarheid is voorbij de woorden.

H: Waarom noem je het dan de waarheid?

X: Het Allerhoogste laat zich niet in woorden beschrijven.

H: Waarom noem je het dan het allerhoogste?

X: Het Zelf…

H: Waarom noem je het dan het zelf?

X: Puntje puntje puntje laat zich niet in woorden beschrijven.

H: En wat dan nog?

X: Daarin onderscheidt het zich van het alledaagse.

H: Alsof dat zich wél in woorden laat beschrijven.

X: Niet dan?

H: Wat voor kleur heeft die zitbal bijvoorbeeld?

X: Blauw. Hemelsblauw, om precies te zijn.

H: Heel goed. Beschrijf die kleur nou eens aan iemand die kleurenblind is.

X: Eh… de kleur van… nee, het is… stel je voor dat…

H: Nou?

X: Ik weet het niet.

H: Prima omschrijving.

X: Maar je begrijpt me toch wel?

H: Alleen maar omdat ik al weet wat hemelsblauw is.

X: Maar als je nou begrijpt wat ik bedoel…

H: Met de naam van een kleur omschrijf je niet het nog onbekende, je benoemt alleen het reeds bekende.

X: Ik geef toe dat het met kleur…

H: Beschrijf het geluid van een sirene of van mijn stem maar eens aan een dove.

X: Tja.

H: Sommige mensen kennen geen pijn. Beschrijf jouw pijn maar eens op zo’n manier dat ze precies weten wat je bedoelt.

X: …

H: Wat dacht je van warmte en koude? Druk? Textuur? Een vederlichte aanraking? Richtingsgevoel? Houdingszin? Jeuk?

X: Ik geef toe dat er bij zintuiglijke waarnemingen moeilijkheden kunnen ontstaan, maar…

H: Er zijn mensen die geen dorst kennen. Er zijn mensen die geen verzadiging kennen. Er zijn mensen die geen lust kennen. Er zijn mensen die geen orgasme kennen. Wat zou je tegen ze zeggen?

X: Oké, maar instincten zijn ook zo basaal…

H: Angst? Woede? Liefde? Mededogen? Tederheid? Onbehagen? Neerslachtigheid? Verdriet?

X: Gevoelens zijn natuurlijk sowieso vaag…

H: Beschrijf die berk daar dan maar eens op zo’n manier dat ik hem ongezien kan natekenen.

X: Organische vormen zijn natuurlijk minder makkelijk dan geometrische…

H: Zou je je huis zo kunnen beschrijven dat iemand het ongezien na zou kunnen bouwen?

X: Complexe vormen zijn natuurlijk minder makkelijk dan enkelvoudige…

H: Geef me dan maar een uitputtende beschrijving van een baksteen.

X: Ik zou niet weten waar ik moest beginnen.

H: Wat dacht je van de kleur?

X: Wou jij beweren dat niets zich in woorden laat beschrijven?

H: Alsof ik iets wou beweren.

X: Waarom dan dit hele gesprek?

H: Omdat jij zo nodig iets nietszeggends over het allerhoogste moest roepen.

X: Wat moet ik anders over het allerhoogste roepen?

H: Welk allerhoogste?

X: Wou jij beweren dat het allerhoogste niet bestaat?

H: Alsof ik iets wou beweren.

X: Dus je houdt vol dat er niets te zeggen valt?

H: Ik denk dat jij mij niet wil horen.

Woorden zijn woordenboeken

Woorden staan nooit op zichzelf.

Ze veronderstellen andere woorden en die weer andere.

Woorden zijn woordenboeken.

Wie dat betwijfelt, daag ik uit een eentalig betekeniswoordenboek in een voor hem volkomen vreemde taal te nemen en alleen met behulp van dit woordenboek de betekenis van één willekeurig trefwoord te achterhalen.

Als je dat niet bij de hand hebt kan je terugvallen op een Nederlands betekeniswoordenboek. Zo omschrijft Van Dale een boom als een…

‘houtachtig gewas met een zeer groot wortelgestel en een enkele, stevige, houtige en zich secundair verdikkende, overblijvende stam, die zich eerst op zekere hoogte boven de grond vertakt’

Boom is een heel doodeenvoudig woord en toch veronderstelt het al een waslijst aan andere woorden.

Zoek je die ook in het woordenboek op, dan blijken ze op hun beurt vol woorden te zitten.

Voor elk woord waarvan je achteloos gebruikmaakt, neem je er pakweg tien voor lief, en voor elk daarvan weer tien et cetera.

Waardoor iedere poging om vast te stellen wat je precies bedoelt als je iets zegt of denkt binnen de kortste keren vastloopt.

Begrijpen is als schaatsen op dun ijs: je moet hard doorrijden om er niet doorheen te zakken.

En nooit naar beneden kijken.

Dus weet wat je zegt als je zegt dat je weet wat je zegt.

Gedachten zijn gedachtenwerelden

Zoals woorden vol andere woorden zitten, en die weer vol andere woorden, zo zitten gedachten vol andere gedachten, en die weer vol andere gedachten.

Gedachten zijn gedachtewerelden – deze gedachte ook.

‘Ik zoek de waarheid’

De zin ‘ik zoek de waarheid’ veronderstelt bijvoorbeeld:

- dat er een waarheid is;

- dat er maar één waarheid is;

- dat zij bekend is maar nog niet aan de zoeker;

- dat de zoeker haar zal vinden;

- dat hij haar zal kunnen begrijpen;

- dat hij haar zal kunnen vasthouden;

- dat hij dan beter af is;

- dat er een bestendige ik is, namelijk de zoeker;

- dat er een zoektocht is die al een poosje loopt;

- dat er een verleden is waarin die zoektocht tot op heden plaatsvond;

- dat er een toekomst is waarin de zoektocht zich zal voortzetten;

- dat er een bestendige wereld is waarbinnen de zoektocht zich voltrekt.

Tegen de achtergrond van deze latente gedachten lijkt de manifeste gedachte ‘ik zoek de waarheid’ vanzelfsprekend en onbetwistbaar.

Omgekeerd lijken alle latente gedachten in het licht van de manifeste gedachte op hun beurt vanzelfsprekend en onbetwistbaar.

De ene hand wast de andere.

‘Waarom heeft u uw echtgenote doodgeschoten?’

Nog een voorbeeld. De vraag ‘Waarom heeft u uw echtgenote doodgeschoten?’, heeft als ondergedachten (onder meer):

- deze vrouw is uw echtgenote;

- deze vrouw is dood;

- zij is door een schot om het leven gekomen;

- het dodelijke schot is door u gelost;

- men schiet om redenen;

- ook u had uw redenen

- uw redenen waren duidelijk voor u;

- u kunt zich die redenen op dit moment correct herinneren;

- u kunt ze duidelijk aan ons overbrengen en u bent daartoe bereid.

In de argumentatieleer wordt een vraag die op een onbevestigde veronderstelling berust een strikvraag genoemd.

Een goede rechter zou de vraag waarom u uw echtgenote heeft doodgeschoten pas toestaan nadat uitdrukkelijk was vastgesteld dat u inderdaad uw echtgenote heeft doodgeschoten.

Naar analogie van het woord ‘strikvraag’ zou je een onuitgesproken, niet onderzochte aanname een strikgedachte kunnen noemen.

Een mijn om op te staan.

Een instinker.

Wat je ook denkt, je weet niet wat je denkt

Iedere expliciete gedachte rust op een fundament van impliciete gedachten.

Iedere gedachte leidt regressief tot steeds meer andere.

Hoe dieper je erin duikt, hoe meer er opduiken.

Daarom is het onmogelijk om de inhoud van een gedachte compleet of zelfs maar enigszins bloot te leggen.

Wat je ook denkt, je weet niet wat je denkt.

Niet precies en niet bij benadering.

Ik ook niet.

Nu ook niet.

Wat je ook zegt, je weet niet wat je zegt.

Niet precies en niet bij benadering.

Ik ook niet.

Hier ook niet.

Wat je ook leest, je weet niet wat je leest.

Niet precies en niet bij benadering.

Nu ook niet.

Tot besluit twee strikvragen:

1. Zijn de impliciete gedachten die bij analyse van een expliciete gedachte aan het licht komen daadwerkelijk daarin aanwezig of is het de analyse zelf die ze produceert?

2. Wat betekent het dat verschillende mensen in dezelfde expliciete gedachte totaal andere impliciete gedachten lezen?

Betekenissen zijn betekenisvelden

De bovenbouw en de onderbouw

Volgens de betekenisleer bestaat de betekenis van een gedachte uit twee delen: de denotatie en de annotatie.

De denotatie van een gedachte is gewoon de inhoud ervan: het expliciete deel, zeg maar; datgene waarvan je je bewust bent.

Deze kleine bovenbouw wordt gedragen een reusachtige onderbouw, de zogenaamde annotatie, waarvan je je nauwelijks of niet bewust bent.

De denotatie wordt ook wel de sensus superficialis genoemd, de oppervlaktebetekenis.

De annotatie heet de sensus subliminalis, de dieptebetekenis.

De annotatie van een gedachte vormt zogezegd de infrastructuur ervan.

De tijdelijke ongrond waarin de gedachte wortelt, groeit en afsterft.

De wegwerpwereld waarin de gedachte vanzelfsprekend lijkt.

Ik bedoel daarmee het geheel van onderscheidingen en onuitgesproken aannames dat aan de gedachte in kwestie ten grondslag ligt, en alle onderscheidingen en aannames daar weer onder, et cetera.

Al die impliciete onderscheidingen en aannames verschaffen de context waarbinnen de gedachte eerst betekenisvol kan zijn.

Zonder die context zou de denotatie letterlijk in de lucht hangen.

‘Heet hier!’

Bij een bewering is de denotatie het gestelde, de annotatie het veronderstelde.

Neem bijvoorbeeld de uitroep ‘Heet hier!’

Zodra je deze zin van slechts twee woorden leest, weet je wat er staat.

Je weet wat ‘heet’ betekent en je weet wat ‘hier’ betekent en je weet wat ‘heet hier’ betekent zonder dat iemand het je uit hoeft te leggen.

Aan de oppervlakte, denotatief, is er geen vuiltje aan de lucht.

Annotatief wel.

Want wat is heet?

En wat is hier?

Om een en ander uit te leggen, ontkom je er niet aan de notie van het lichaam te introduceren.

Je moet het over zweten hebben, hijgen, blossen op de wangen, kleren en het verlangen ze uit te trekken, een raam open te zetten, een ventilator aan te zetten.

Daaronder en daartussen vind je weer noties als warmte, lauwheid en koude, thermometers, het weer, verwarming, temperatuurverschillen en warmteregulatie.

En waar is hier?

Niet daar.

Nu begin je over ruimte, dimensionaliteit, punt, lijn, vlak, lichaam, afstand, richting, boven, onder, links, rechts, achter, voor, relatief, absoluut, stilstand, beweging, spierkracht, arbeid, massa en energie.

En dat is nog maar het begin.

Want alle woorden die je denotatief hebt gebruikt in je uitleg hebben hun eigen annotatie.

Wat is zweten bijvoorbeeld?

Volgt een ingewikkeld verhaal over de huid, over zweetklieren en warmtesensoren en doorbloeding en haarvaten en lichaamsvocht en nieren en vochthuishouding en zoutconcentraties en electrolytenbalans en lichaamstemperatuur en homeostatische regelsystemen.

Wat zijn zweetklieren nou weer?

Wat zijn warmtesensoren?

Haarvaten?

Doorbloeding?

Lichaamsvocht?

Nieren?

Enzovoort, enzovoort.

Dit onbegrensde enzovoort

Hoe meer je uitlegt, hoe meer je uit te leggen hebt.

Er komt geen eind aan.

Er is geen beginnen aan.

Niet echt.

Dit onbegrensde enzovoort vormt volgens de betekenisleer het impliciete wereldbeeld, het semantische en episodische netwerk, de annotatie die ogenblikkelijk door de denotatie wordt opgeroepen, deze legitimeert en er op haar beurt door gelegitimeerd wordt, waardoor beide vanzelfsprekend schijnen.

Zoals de weg de auto’s verklaart en de auto’s de weg.

Maar wat verklaart de weg met auto’s?

Stellingen zijn veronderstellingen

Onder voorwaardelijkheid versta ik het voorbehoud dat een bewering, nog los van de vraag of zij waar is, pas waar kan zijn wanneer de onderliggende onderscheidingen geldig en de onderliggende aannames waar zijn.

Vanwege het regressieve karakter van dit voorbehoud is nooit met zekerheid vast te stellen of een bewering waar is.

Het voorbehoud is principieel, eeuwig.

Voorbeelden van voorwaardelijkheid:

Wie de waarheid zoekt, neemt aan dat de waarheid bestaat, gevonden kan worden, begrijpelijk is en de moeite van het weten waard.

Wie meent dat de wereld een illusie is, veronderstelt dat de illusie zelf geen illusie is.

Wie meent dat hij werkelijk bestaat, veronderstelt dat hij op dat moment niet droomt.

Wie meent dat niets toeval is, veronderstelt een universele orde.

Wie meent dat alles toeval is, veronderstelt een universele chaos.

Wie meent dat ware premissen tot ware conclusies leiden, veronderstelt de logica.

Wie meent dat de som van de hoeken van een driehoek altijd honderdtachtig graden is, veronderstelt een vlakke ondergrond.

Wie claimt iets waars te kunnen zeggen veronderstelt dat taal daarvoor een geschikt medium is.

Wie meent dat bladeren groen zijn, veronderstelt dat kleuren buiten de hersenen om bestaan.

Wie meent dat tijd absoluut is (Newton) veronderstelt dat tijd onafhankelijk is van beweging.

Wie schuldgevoelens heeft, kritiek uit of complimentjes geeft, veronderstelt een vrije wil.

Wie veronderstelt dat iemand zonder vrije wil geen schuldgevoelens heeft, kritiek uit of complimentjes geeft, veronderstelt een oorzakelijk verband.

Wie meent dat hij gelijk heeft omdat wat hij zegt in de bijbel staat, veronderstelt dat de bijbel waar is.

Wie meent dat de bijbel waar is omdat hij het woord van god bevat, veronderstelt dat de schrijvers geen fouten hebben gemaakt, dat god bestaat en dat hij niet liegt.

Wie (met Descartes) meent dat god niet liegt omdat hij anders niet volmaakt zou zijn, veronderstelt dat volmaaktheid liegen uitsluit.

Wie meent dat het leven zin heeft (of juist niet) veronderstelt dat er zoiets is als ‘het leven’.

Wie meent dat er niet zoiets is als ‘het leven’, veronderstelt (bijvoorbeeld) dat algemene woorden (universalia) geen tegenhanger hebben in de wereld.

Ook in het boeddhisme komen we het begrip voorwaardelijkheid tegen: hier heet het sunyata (leegte), een term uit het Sanskriet, die staat voor het het idee dat dingen niet op zichzelf bestaan maar het gevolg zijn van ontelbare oorzaken en omstandigheden, die op hun beurt niet op zichzelf bestaan enzovoort.

Iemand die maar niet op kon houden over de leegte was Linji Yixuan; met name zijn preken gaan bijna nergens anders over.

Om de eerste (filosofische) voorwaardelijkheid te onderscheiden van de laatste (boeddhistische), zou je kunnen spreken van epistemologische voorwaardelijkheid versus ontologische voorwaardelijkheid.

Mooie woorden weer, fraaie onderscheidingen, maar wat schiet je ermee op?

Als alle beweringen voorwaardelijk zijn, dan ook de bewering dat alle beweringen voorwaardelijk zijn.

Als alles leeg is dan ook de leegte.

In beide gevallen sta je weer met lege handen.

Gedachten zijn wereldwekkend

Twee soorten voorwaardelijkheid

Gedachten zijn niet zomaar waar, daarvoor moeten ze aan voorwaarden voldoen.

In de argumentatieleer onderscheidt men twee soorten: de noodzakelijke voorwaarde of conditio sine qua non en de stilzwijgende voorwaarde of conditio tacita.

In het dagelijks leven maken we dit onderscheid niet; kenmerkend voor het normale denken is nou juist dat zelfs noodzakelijke, non-triviale voorwaarden zich manifesteren als vanzelfsprekende.

Dat zeg ik verkeerd: de mogelijkheidsvoorwaarden manifesteren zich doorgaans helemaal niet.

Ik geloof mijn gedachten in eerste instantie onvoorwaardelijk, zonder enig voorbehoud en zonder stil te staan bij de mogelijkheid van enig voorbehoud.

Dat is ook wat het woord vanzelfsprekend betekent: stilzwijgend. Vanzelfsprekend. Onuitgesproken. Impliciet. Ongedacht en onbesproken blijvend.

Tacita.

Schuld en schaamte

Gedachten en gevoelens hebben de merkwaardige eigenschap hun eigen mogelijkheidsvoorwaarden te realiseren en zichzelf op die manier waar te maken, zo komt het mij soms voor.

Mijn schuld- en schaamtegevoelens bijvoorbeeld verschijnen altijd en alleen in een wereld waarin mijn wilsvrijheid niet ter discussie staat.

Voor zover ik introspectief kan nagaan is die wereld er niet op voorhand.

Hij ontstaat – en vergaat – samen met, als context van, het schuld- of schaamtegevoel in kwestie.

Ik krijg hem er gratis bij.

Niet in de vorm van een uitgesproken vraagteken dat uitnodigt tot nader onderzoek, maar in de vorm van een ongevraagd uitroepteken dat alle twijfel in de kiem smoort.

Misschien is dat bij jou ook wel zo.

Volg een gedachte maar eens op de voet.

Lijkt het verdorie niet net of de benodigde werkelijkheid door de gedachte zelf wordt meegeleverd?

Alsof hij zijn eigen mise-en-scène schept, uit het niets een wereld tevoorschijn tovert waarin de en het gedachte eventjes kan bestaan?

Die wereld verschijnt en verdwijnt samen met de gedachte zelf, en toch lijkt die wereld voor de duur van die gedachte tijdloos, constant, absoluut en onbetwijfelbaar.

Als deze beschrijving klopt, zijn gedachten kosmogeen, wereldwekkend.

Ze maken zichzelf waar door stiekempjes een wegwerpwereld op te roepen waarin aan al hun bestaansvoorwaarden voldaan is.

Ze zijn pregnant: zwanger van de wereld die ze waarmaakt.

Je kunt het ook zo zeggen: de wereld die de gedachte waarmaakt is zelfrijzend.

Uitgesproken

Het idee van de zelfvoorzienende gedachte doet denken aan het dier dat zijn biotoop niet aantreft maar creëert, zoals de bever de beverdam, de termiet de termietenheuvel, de mens de stad.

Het succesvolle dier schept de wereld waarin het zich thuis voelt, de succesvolle gedachte schept de wereld waarin zij waar is.

Is dit waar? Zijn gedachten inderdaad constitutief, kosmogeen, wereldwekkend, zelfvoorzienend, zelfrijzend?

Zo ja, dan geldt het ook voor deze gedachten en weten we nog niets, alle moeilijke woorden ten spijt.

Maar in elk geval heb ik ze uitgesproken.

Kant en de mislukking van het denken

Niet-weten is het failliet van het weten, de val van het verstand, de nederlaag van de geest, het echec van het ego of, in de woorden van de filosoof Immanuel Kant (1724-1804), de mislukking van het denken.

Niet dat Kant het over niet-weten had, hij had het over God: ‘Gods spreekt in de mislukking van het denken’, zei hij om precies te zijn.

Die Kant.

De nar van Koningsbergen, met het lichaam van een kind en de geest van een geest, die zijn metafysica zag verdwijnen in het duistere Ding-an-sich, zijn epistemologie in de categorieën van het verstand en zijn ethiek in een categorisch imperatief, moedertje lief, houdt de dief, nihilisme in ’t verschiet.

Zelf zie ik niet-weten niet zozeer of althans (alt-Hans) niet alleen als een mislukking van het denken, maar ook en vooral als een triomf van het denken, dat immers zichzelf overwint en maar blijft overwinnen, en zich toch niet wijzer weet.

Als ‘het denken’ al geen hypostase is – een dubieuze hypothese.

Toegegeven, je lichaam wordt er niet jonger van, maar je hervindt de geest van een kind – zo licht als de wind, met niets in ’t verschiet, zelfs de vroegere graal van volwassenheid niet.

Je wordt weer een kleuter die zomaar wat leutert, zich lekker verkneutert en nochtans niet kinds.

Dit alles bij wijze van spreken.

Is niet-weten verlichting?

Beste Hans,

Denk jij soms dat je verlicht bent?

Beste X,

Nee hoor, ik denk niet dat ik verlicht ben.

Ik denk ook niet van niet.

Denk jij dat ik wel of niet verlicht ben?

Denk jij dat je zelf wel of niet verlicht bent?

X: Wat is verlichting volgens jou?

H: Verlichting is zo’n woord dat mensen zoals jij ertoe verleidt zich fanatiek bezig te houden met de vraag of het nou wel of niet van toepassing is op henzelf en op anderen. Heb ik dat goed ingeschat?

X: Wie dat doet is niet verlicht, wou je zeggen.

H: En wie dát zegt?

X: Verlichting is niet jouw woord?

H: Woorden zijn niet mijn ding, maar ik mag er graag mee spelen.

Zijn woorden jouw ding?

Zijn woorden voor jou dingen?

Zijn dingen jouw houvast?

Waar speel jij graag mee?

X: Is niet-weten verlichting?

H: Ik zou het ook niet weten.

X: Jij laat je niets in de mond leggen.

H: Dit ook niet.

X: Wat betekent niet-weten voor jou?

H: Steeds iets anders.

X: Waar ligt dat aan?

H: Het ligt eraan met wie ik praat.

X: Nu je met mij praat.

H: Nu ik met jou praat en precies op dit punt in ons gesprek betekent niet-weten dat ik niemand naar de mond praat. Jou ook niet. Mezelf ook niet. Jij?

X: Hoe ben jij tot niet-weten gekomen?

H: Ik heb geen idee. Van een navolgbaar pad was geen sprake, of ik zie het nog niet. Eerder van een brownse beweging. Een oneindige serie onbedoelde botsingen die mij telkens weer uit koers brachten.

Niet-weten is tot mij gekomen, zou ik haast zeggen, maar dat is een personificatie – misschien wel een dubbele.

X: Ben jij jaloers op jezelf?

H: Ik geloof het niet. Maar ik zou niet meer willen ruilen met de ‘oude’ Hans – de ziel die alles geloofde wat hij dacht en daar flink onder leed.

Zou jij met mij willen ruilen?

X: Zie jij jezelf als verlosser?

H: Ik denk niet dat mensen gevangen zitten en ik denk niet dat ze door mij bevrijd moeten of kunnen worden, of ik door hen. Ik denk ook niet van niet.

Denk jij dat je mij ergens van moet verlossen?

Is het misschien jouw roeping om mensen te ontmaskeren?

X: Zie jij jezelf als hoeder van de Waarheid?

H: Welke Waarheid?

X: De Waarheid van niet-weten natuurlijk.

H: Niet-weten is geen Waarheid. Voor mij niet. Als er een Waarheid is, dan weet ik het niet. Jij?

X: Zie jij jezelf als een missionaris voor niet-weten?

H: Zie jij mij als een missionaris voor niet-weten?

X: Ik was eerst.

H: Als ik al een missionaris ben, dan een zonder missie. Niet-weten is een lege missie.

Heb jij een missie?

X: Kijk jij neer op de wetende medemens?

H: Ik sla mezelf niet hoger aan dan anderen of omgekeerd, wat ze ook weten of menen te weten. Jij?

X: Als jij je dwaalteksten niet gebruikt om jezelf verlicht te verklaren en ook niet om anderen te verlossen of de waarheid te verspreiden, waar zijn ze dan goed voor?

H: Daar ga ik niet over, dat is het domein van de lezer, zeg jij het maar.

X: Ik wil alleen maar weten hoe jij zelf naar je publicaties kijkt.

H: Nu eens zus, dan weer zo. Ik heb daar weinig vat op. Gemiddeld ben ik ’s ochtends enthousiaster dan ’s avonds, maar ook niet altijd.

Precies op dit moment zou ik mijn teksten graag aanprijzen als een sprekend niet spreken of een zwijgend niet zwijgen dat uitdrukking geeft aan een wetend niet weten of een denkend niet denken. Maar zijn ze dat ook? Zeg jij het maar.

X: Ik ben er nog steeds niet achter wat jouw motief is om te publiceren.

H: Wat kan ik nog zeggen? Ik ben niet geïnteresseerd in mijn gelijk of in jouw geluk – niet dat ik weet.

Ik ben er niet op uit ergens bij te horen en ik ben er niet op uit overal buiten te staan – niet dat ik weet.

Ik wil mij niet vestigen als verlosser, biechtvader, goeroe, vriend, mystagoog, therapeut, inspirator, auteur, spreker, praatpaal of hoeder van de Waarheid – niet dat ik weet.

Ik ben niet op zoek naar aandacht, bewondering, bevestiging of erkenning – niet dat ik weet. Al kan ik een beetje belangstelling wel waarderen.

Deze eikel probeert alleen maar (z)onder woorden te brengen wat hij graag eens bij anderen had gelezen sinds hij in die gedenkwaardige herfst van 2007 tijdens een hevige windstilte zomaar uit de boom viel.

Maar zeg eens, wat is jouw motief voor deze correspondentie?

X: Wat denk je, zou je destijds graag je eigen dwaalteksten hebben gelezen?

H: Ik denk het eerlijk gezegd niet.

X: Waarom niet?

H: Ik denk dat ik ze liever zou hebben geschreven.

Maar zeg eens, waarom beantwoord jij zelf geen vragen?

‘Verlichting is terugkeren naar je oorspronkelijke staat’

H: Wat is spirituele verlichting volgens jou?

X: Terugkeren naar je oorspronkelijke staat.

H: Bedoel je dat je al eerder verlicht bent geweest?

X: Inderdaad.

H: Wanneer dan?

X: Als baby.

H: Was jij dan een verlichte baby?

X: Niet ik in het bijzonder; alle baby’s zijn verlicht.

H: Wat moet ik me daarbij voorstellen?

X: Prereflexief denken. Geen onderscheid maken. Niet oordelen. Eén zijn met de wereld.

H: Maakt een baby geen onderscheid of weet hij geen onderscheid te maken?

X: Nou…

H: Oordeelt hij niet of weet hij niet te oordelen?

X: Voor zover ik weet…

H: Is hij één met de wereld of weet hij het verschil niet tussen zichzelf en zijn moeder en de dingen om hem heen?

X: Hij weet het niet, denk ik.

H: Herinner jij je dat of gis je maar wat?

X: Herinneren is een groot woord…

H: Verlichting is ook een groot woord.

X: Misschien wel ja.

H: Te groot misschien, als je daarmee alleen maar bedoelt, ‘toen wist ik misschien geen onderscheid te maken en nou weer niet; toen wist ik misschien niet te oordelen en nou weer niet; toen wist ik misschien het verschil tussen mezelf en de rest niet en nou weer niet.’

X: Hoe moet ik het dan noemen?

H: Wat dacht je van niet-weten?

Wie kent het verschil tussen zelfrealisatie en zelfdestructie?

X: Ik heb het Zelf gerealiseerd!

H: Wat heb je gedaan?

X: Ik heb mijn Ware Zelf gevonden!

H: Waar lag het?

X: Overal, dat is nou net de grap!

H: Ik kom niet meer bij.

X: Idioot hè!

H: Wat moet ik me precies voorstellen bij het Ware Zelf?

X: Alles!

H: Vandaar dat het zo lang duurde om het te realiseren natuurlijk.

X: Wat?

H: Zelfs God had er zes dagen voor nodig.

X: Je begrijpt het niet!

H: Leg het me dan maar uit.

X: Ik heb mijzelf en de wereld minutieus onderzocht en uiteindelijk moeten vaststellen dat er geen verschil is!

H: Je kon de grens tussen binnenwereld en buitenwereld niet vinden.

X: Precies!

H: Als je jezelf zoekt vind je alleen de wereld, als je de wereld zoekt vind je alleen jezelf.

X: Dat bedoel ik!

H: Je hebt geen idee waar jij ophoudt en waar de wereld begint?

X: Zo is het!

H: Eigenlijk weet je niet eens meer of er wel sprake is van een jij of een wereld, van een subject of een object.

X: Zo te horen heb jij het helemaal in het snotje!

H: Dus als je zegt dat je het Ware Zelf hebt gerealiseerd, bedoel je eigenlijk alleen maar dat je het allemaal niet meer uit elkaar kunt houden?

X: Hè?

H: Precies!

X: Ik snap het niet.

H: Dat bedoel ik!

X: Ik heb geen idee…

H: Zo is het!

X: Ik geef het op.

H: Zo te horen heb jij het helemaal in het snotje!

Wie wat realiseert die heeft wat

X: Hoe noem je iemand die de ingrond heeft gerealiseerd?

H: De ongrond?

X: De ingrond. De grond van alles. Het absolute. De leegte. De boeddhanatuur. Het onveranderlijke. Bewustzijn. De Kenner. Dát.

H: O, dat.

X: Nou?

H: Een fundamentalist, zou ik zeggen.

X: Pardon?

H: Wie wat realiseert die heeft wat.

X: Vaste grond onder zijn voeten.

H: Dat denkt hij tenminste.

X: En jij?

H: Tja.

X: Ik bedoel, hoe noem je iemand die de ongrond heeft gerealiseerd?

H: De ingrond?

X: De ongrond. Ben je doof of zo?

H: Een fundamentalist, zou ik zeggen.

X: Hè?

H: Wie wat realiseert die heeft wat.

X: Onvaste grond onder zijn voeten.

H: Dat denkt hij tenminste.

X: Wie de ingrond heeft gerealiseerd is een fundamentalist en wie de ongrond heeft gerealiseerd is een fundamentalist?

H: Jij zegt het.

X: Wat maakt dat jou?

H: Mij maakt het niks.

X: Maar jij hebt toch de ongrond gerealiseerd?

H: Wat ben ik, een fundamentalist?

X: Jij bent toch van niet-weten?

H: Wat ben ik, een fundamentalist?

X: Heb jij soms iets tegen fundamentalisme?

H: Wat ben ik, een fundamentalist?

X: Dus jij hebt noch de ingrond noch de ongrond gerealiseerd.

H: Dat denk jij tenminste.

X: Wat als je niet meer denkt dat je de ingrond hebt gerealiseerd, niet dat je de ongrond hebt gerealiseerd en niet dat je noch de ingrond noch de ongrond hebt gerealiseerd?

H: Dat verschilt per persoon.

X: In mijn geval?

H: Dan bedenk je wel weer wat anders.

X: En in jouw geval?

H: Ben je doof of zo?

Verlichting is BASIC: escape en run

BASIC is een eenvoudige programmeertaal waarmee ik begin jaren 80 leerde werken.

Ook als je de taal niet kent, laat de code zich makkelijk lezen:

10 PRINT 'Verlichting is het denken'
20 PRINT 'doorzien door het denken'
30 GOTO 20

RUN

Verlichting is het denken
doorzien door het denken
doorzien door het denken
doorzien door het denken
doorzien door het denken

ESC

Zo zonder leestekens wordt het samengestelde en geneste karakter van deze eeuwig uitdijende zin niet duidelijk en ontgaat je misschien de zin ervan.

Laten we ons programmaatje iets uitbreiden:

10 PRINT 'Verlichting is'
20 PRINT 'het denken'
30 VERLICHTING = 'het denken doorzien door het denken'
40 PRINT 'en'
50 PRINT VERLICHTING
60 VERLICHTING = ASCII(66) + VERLICHTING + ASCII(66) + 'doorzien door het denken'
70 GOTO 40

RUN

Verlichting is
het denken
en
het denken doorzien door het denken
en
'het denken doorzien door het denken' doorzien door het denken
en
''het denken doorzien door het denken' doorzien door het denken' doorzien door het denken
en

ESC

De tekst tussen RUN en ESC is een aardige omschrijving van verlichting in de zin van agnose, niet-weten.

Een nog betere omschrijving is RUN.

Weghollen – maar waarvandaan of waarheen?

De beste omschrijving is misschien ESC, want dan kun je lekker op je kont blijven zitten.

ESC is wat op de escape-toets staat, de noodknop op je toetsenbord waarmee je op ieder moment uit de mallemolen kunt stappen zodat je op ieder moment uit de mallemolen kunt stappen zodat je op ieder moment uit de mallemolen ESC

Of zoals de Chinese zenmeester Shisuang het zei in koan 46 van de Poortloze Poort:

‘Wie de top van een honderd voet hoge paal heeft bereikt moet nog één stap zetten.’

En nog een.

En nog een.

ESC

Wie de top van een honderd voet hoge paal heeft bereikt moet nog één stap zetten

Kijk eens aan.

Nog meer metaforen voor verlichting.1

En die dan weer doorzien.

1. Wat zelf ook maar een metafoor is. Maar waarvoor? Voor de wijsheid zonder wijsheid.2

2. Wat zelf ook maar een metafoor is. Maar waarvoor? Voor non-dualiteit.3

3. Wat zelf ook maar een metafoor is. Maar waarvoor? Voor niet-weten.4

4. Wat zelf ook maar een metafoor is. Maar waarvoor? Voor steeds opnieuw beginnen.5

5. Wat zelf ook maar een metafoor is. Maar waarvoor? ESC

Verlichting is een hersencrash

Indertijd, nog vóór de uitvinding van internet, toen beeldschermen van glas waren, toetsenborden van bakeliet, muizen van vlees en geheugens van graniet, heb ik behalve Basic ook A Programming Language geleerd, het elegante APL waarvan de programma’s wiskundige functies zijn:

VERLICHTING_IS
x0 = 'het denken doorzien door het denken'
f(xn+1) = ASCII(66) + f(xn) + ASCII(66) + 'doorzien door het denken'

Best gek, een functie die zichzelf aanroept.

Dat heet recursie en daarmee kun je wonderlijke dingen doen.

De simpele recursieve functie VERLICHTING_IS doet ongeveer hetzelfde als het BASIC-programmaatje uit de vorige paragraaf.

Ziehier de tussenwaarden van x voor n = 1, 2, 3 en 4:

x1 = het denken doorzien door het denken

x2 = 'het denken doorzien door het denken' doorzien door het denken

x3 = ''het denken doorzien door het denken' doorzien door het denken' doorzien door het denken

x4 = '''het denken doorzien door het denken' doorzien door het denken' doorzien door het denken' doorzien door het denken

En de eindwaarde van x?

Tja.

Of een foutmelding: bad syntax, out of memory, account disabled.

Of een computercrash.

Of x zelf, de of het grote onbekende, want de waarde blijft maar veranderen.

* Wiskundig uitgedrukt: f(x) = x oftewel het is wat het is, of ik ben die ik ben* – constant variabel.

* Ehje Asjer Ehje – ‘Ik ben die ik ben’, zegt ene God tegen ene Mozes in Exodus 3:14.

Of kortsluiting van het brein.

Een hersencrash.

Een hersencrèche.

Bewaarplaats en speelzaal voor de mind.

Kijk eens aan.

Nog meer metaforen voor verlichting.

En die dan weer doorzien.

Verlichting is een hersencrash

Verlichting is puntje puntje puntje

X: Wat is verlichting?

H: Niet weten wat verlichting is.

X: Zeker weten?

H: Natuurlijk niet.

X: Waarom niet?

H: Omdat ik niet weet wat verlichting is.

X: O nee.

H: Wat nu?

X: Ken jij iemand die verlicht is?

H: Hoezo?

X: Dan kunnen we het daar gaan vragen.

H: Ik ken sowieso niemand.

X: Wat?

H: Laat staan iemand die verlicht is.

X: Behalve jezelf natuurlijk.

H: Ken ik niet.

X: Zeker weten?

H: Natuurlijk niet.

X: Dit kan toch geen verlichting zijn.

H: Spreek je uit ervaring?

X: Ik denk het niet.

H: Dat weet je ook al niet?

X: Ik vrees van niet.

H: Ken jij iemand die zonder twijfel verlicht is?

X: Jij toch?

H: Lachen.

X: Meester Puntje-puntje-puntje dan maar.

H: Ken je hem persoonlijk?

X: Ik zit al 10 jaar aan zijn voeten.

H: Hoe weet je dat hij verlicht is?

X: Dat zegt hij.

H: Waar zegt hij dat?

X: Tijdens bijeenkomsten.

H: Misschien zegt hij maar wat.

X: En in zijn boeken.

H: Misschien heb je de tekst wel verkeerd begrepen.

X: Anderen zeggen het ook.

H: Wat zeggen anderen ook?

X: Dat meester Puntje-puntje-puntje verlicht is.

H: Waar zeggen anderen dat ook?

X: Op die bijeenkomsten. In die boeken. Tegen mij persoonlijk.

H: Misschien praten ze meester Puntje-puntje-puntje wel na.

X: Dat kan ik niet uitsluiten.

H: Misschien ken je dus wel niemand die verlicht is.

X: De Boeddha.

H: Die is van voor jouw tijd.

X: In dit leven wel.

H: Wat weet jij van vorige levens?

X: Op dit moment niks.

H: Dan is de Boeddha op dit moment van voor jouw tijd.

X: Tja.

H: Al was je een wedergeboorte van de Boeddha zelf.

X: Je wrijft het er wel in.

H: Om kort te gaan, jij weet niet wat verlichting inhoudt.

X: Of ik moest nu al verlicht zijn.

H: Maar dat wist je toch niet?

X: Tenzij dat verlichting is.

H: Is dat verlichting?

X: Dat weet ik dus niet.

H: En zou je dan wél weten wat verlichting inhoudt?

X: Dan had ik nog steeds geen idee.

H: Wat maakt het dan uit?

X: Ik zou het echt niet weten.

H: Dan ben je even ver als ik.

Verlichting is een vrouw

Verlichting is een vrouw
Je denkt dat je haar zoekt
Maar zij zoekt jou

Verlichting is een vrouw
Je denkt dat je haar ziet
Maar zij ziet jou

Verlichting is een vrouw
Je denkt dat je haar treft
Maar zij treft jou

Verlichting is een vrouw
Je denkt dat je haar wint
Maar zij wint jou

Verlichting is een vrouw
Je denkt dat je haar neemt
Maar zij neemt jou

Verlichting is een vrouw
Je denkt dat je haar hebt
Maar zij heeft jou

Verlichting is een vrouw
Je denkt dat je haar houdt
Maar zij houdt jou

Verlichting is een vrouw
Je denkt dat je haar vult
Maar zij vult jou

Verlichting is een vrouw
Je denkt dat je haar leeft
Maar zij leeft jou

Verlichting is een vrouw
Je denkt dat je haar schrijft
Maar zij wist jou

In plaats van verlichting kan je alles invullen wat in jouw beleving groter is dan jijzelf: liefde, zen, het leven, God, de bron, bewustzijn, de Boeddha, essentie, waarheid, atman, anatman, Brahman, leegte.

Zelf geef ik de voorkeur aan agnose of niet-weten:

Agnose is een vrouw
Je denkt dat je haar zoekt
Maar zij zoekt jou

Ik, die niet om beleving geef, begeef mij nooit in hogere sferen dan de levende wolk van niet-weten, die genoeglijk tussen hemel en aarde zweeft en met alle winden meewaait.

Deze ondefinieerbare zachtheid tussen zegen en regen sluit niets of niemand in of uit.

Zij is mijn tweede bruid, Lucienne mijn eerste, halverwege.

De vrouw staat in deze tekst voor de underdog die je onderschat tot het te laat is.

Dat zij dat niet is, weet ik nu het te laat is.

Verlichting is een touw

Verlichting is een touw
Je denkt dat het bevrijdt
Maar het bindt jou

Zeg het met wielwoorden

Een wielwoord is een zin die begint en eindigt met dezelfde woorden:

‘Het denken doorzien door het denken.’

‘Niet geloven in niet geloven.’

‘Niet weten van niet weten.’

Buigen we zo’n zin terug op zichzelf met weglating van de dubbele woorden dan ontstaat er een woordwiel.

Het woordwiel ‘niet weten van’.

Een woordwiel is een taalautomaat die een oneindig aantal isomorfe wielwoorden voortbrengt.

Een slinger aan het woordwiel ‘niet weten van’ levert de volgende wielwoorden op:

niet weten

niet weten van niet weten

niet weten van ‘niet weten van niet weten’

niet weten van ‘niet weten van ‘niet weten van niet weten’’

Verlichting kunnen we nu definiëren als de conjunctie van wielwoorden voortgebracht door het woordwiel ‘niet weten van’:

niet weten en

niet weten van niet weten en

niet weten van ‘niet weten van niet weten’ en

niet weten van ‘niet weten van ‘niet weten van niet weten’’ en…

of van het woordwiel ‘niet geloven in’:

niet geloven en

niet geloven in niet geloven en

niet geloven in ‘niet geloven in niet geloven’ en

niet geloven in ‘niet geloven in ‘niet geloven in niet geloven’’ en…

Het woordwiel ‘niet geloven in’.

of van het woordwiel ‘het denken doorzien door’:

het denken doorzien en

het denken doorzien door het denken en

‘het denken doorzien door het denken’ doorzien door het denken en

‘‘het denken doorzien door het denken’ doorzien door het denken’ doorzien door het denken en…

Het woordwiel ‘het denken doorzien door’.

Minder kan je haast niet zeggen.

Niet zeggen is de zuiverste uitdrukking van niet weten.

Meer valt er niet te zeggen.

Hoe moeten we zo’n conjunctie van wielwoorden die zichzelf tot in het oneindige weerspreekt nou noemen?

Een weerzin?

Een waanzin?

Een krankzin?

Of gewoon een onzin?

Kijk eens aan.

Nog meer metaforen voor verlichting.

En die dan weer doorzien.

Verlichting is geen toestand

Hierboven maakten we kennis met het woordwiel ‘het denken doorzien door’.

Iets zit mij dwars aan de wielzinnen die het genereert.

Dat komt, het dwijze denken heeft zichzelf niet eens en voor altijd doorzien, maar doorziet zichzelf steeds opnieuw.

Nu.

En nu.

En nu.

Daarom prefereer ik de bedrijvende zin ‘het denken doorziet het denken’ boven de lijdende zin ‘het denken doorzien door het denken’.

De bedrijvende zin correspondeert met het woordwiel ‘het denken doorziet’.

Een slinger aan dit woordwiel levert de volgende conjunctie op:

het denken doorziet en

het denken doorziet het denken en

het denken doorziet ‘het denken doorziet het denken’ en

het denken doorziet ‘het denken doorziet ‘het denken doorziet het denken’’ en…

Plak deze wielwoorden aan elkaar en je krijgt weer een onzin van jewelste.

Zó gaat het denken teloor in eindeloze weerspraak.

Zo bijt het denken zichzelf in de staart.

Het woordwiel ‘het denken doorziet’.

Verlichting is het doorzien doorzien

Verlichting is…

- Je waarnemingen doorzien.

- Je gevoelens doorzien.

- Je ideeën doorzien.

- Je idealen doorzien.

- Je ervaringen doorzien.

- Je gedachten doorzien.

- Jezelf doorzien.

- Het zelf doorzien.

- Verlichting doorzien.

- Het doorzien doorzien.

Wat blijft er dan nog over?

In plaats van verlichting kan je hier natuurlijk ook weer niet-weten, agnose, zen, dzogchen, non-dualisme, mystiek of een ander woord van je keuze lezen.

Wat je minstens van de mind moet weten

‘Wat weet jij eigenlijk van de mind, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

Malen over de mind – proeven van vrijdenkerij

Beste Hans,

Al ons denken is gebaseerd op ervaring en, erger nog, op conditionering. Hoe lang je ook je geheugen doorzoekt, het levert nooit nieuwe antwoorden op. Denken is dus niet alleen een trage en vermoeiende maar ook een heel beperkte activiteit. Hoe zwaar het is kun je wel zien aan De Denker van Rodin, die zijn enorme hoofd met zijn hand moet ondersteunen.

Denken is eigenlijk maar een zielige bezigheid. Het is in wezen leeg. Natuurlijk, je moet denken als je een Ikea-kast in elkaar wilt zetten, maar verder? Denken over gevoel doet je uiteindelijk bij de psychiater belanden. Die je problemen oplost met pilletjes. Denken over het leven leidt uiteindelijk tot zelfmoord.

Gelukkig is het denken geen mechanisme waar we niets over te zeggen hebben. Integendeel, het is een stuurbaar proces waar we wel degelijk invloed op uit kunnen oefenen. Alleen moeten we ons daar voortdurend op toeleggen. Fietsen leer je ook niet van de ene dag op de andere.

We moeten ons bewust leren worden van onze gedachten. We moeten afstand leren nemen van onszelf en onze gedachtestroom op de voet volgen. Dat is een bijzonder interessante en leerzame bezigheid die tot grote zelfkennis leidt. Zelfkennis is waar het in dit leven allemaal om draait.

Hoe lastig het door alle conditioneringen ook is, door ons bewust te worden van onze gedachten en deze zonder enig oordeel te volgen, komen we veel over onszelf en ons gevoelsleven te weten. Kijken, niet oordelen. Zo komen we weer in contact met onszelf. Natuurlijk is dat niet altijd even makkelijk want je komt heel wat tegen – bubbels die je alleen kunt aangaan met je eigen waarheid en je eigen wijsheid.

Aandacht voor je denken is puur liefdewerk. Het zal je laten zien dat denken een zeer beperkte maar heel goed stuurbare bezigheid is.

Beste X,

Leuk bedacht, al levert het geen nieuwe antwoorden op.

Beste Hans,

Daar neem ik geen genoegen mee. Mag ik aandringen op een inhoudelijke reactie?

Beste X,

Als jouw denken een zielige bezigheid is, waarom hou je je er dan nog mee bezig?

Waarom hou je mij ermee bezig?

Als het denken een domme zoekautomaat is die alleen maar oude antwoorden ophoest, wat verwacht je dan van jouw antwoord?

Wat verwacht je van mijn antwoord?

Is de gedachte dat het denken een stuurbaar proces is waar we wel degelijk veel invloed op uit kunnen oefenen een gedachte die ongewild in je opkwam of reeds het product van een stuurbaar proces waarop je wel degelijk veel invloed hebt kunnen uitoefenen?

En de gedachte dat het denken een proces is en niet bijvoorbeeld een toestand of een vermogen of intrinsiek leeg of afhankelijk ontstaan of wat dan ook?

Dat denken over gevoel je bij de psychiater doet belanden, is tot op heden niet mijn ervaring.

Dat denken over het leven tot zelfdoding leidt ook niet.

Misschien ben ik gewoon nog niet zover.

Heel wat mensen denken na over gevoel en over het leven, en sterven toch een natuurlijke dood, denk ik, of denkt het in mij of hoe zeg je dat, al kan ik niet uitsluiten dat ze, wanneer de natuurlijke dood maar lang genoeg op zich had laten wachten, uiteindelijk alsnog aan zelfdoding zouden bezwijken, die tegen die tijd misschien allang als een natuurlijke dood wordt gezien, maar dit terzijde.

Waar het om draait in het leven, bijvoorbeeld om zelfkennis, zoals jij oppert, is mij niet geopenbaard, maar misschien is dat een kwestie van zelfkennis.

Dát het ergens om draait in het leven ook niet.

Dat het nergens om draait ook niet.

Dat er zoiets is als een ‘zelf’ waarvan men zoiets als ‘kennis’ kan verwerven ook niet.

Dat er integendeel alleen maar een niet-zelf is in de vormeloze vorm van de onkenbare kenner van het gekende of de onveroorzaakte oorzaak van het oorzakelijke of de non-duale matrix van de dualiteit en ga zo maar door, evenmin.

Zelf of niet-zelf ben ik inzake deze en soortgelijke kwesties niet tot onomstotelijke conclusies gekomen.

Wat niet wil zeggen dat je inzake deze en soortgelijke kwesties niet tot onomstotelijke conclusies kan komen.

Voor onomstotelijke conclusies moet je echter bij anderen wezen. Het aanbod is gigantisch, dus dat zal het probleem niet zijn.

Ook tot kijken zonder oordeel ben ik persoonlijk niet in staat.

Wel worden mijn oordelen tegenwoordig voortdurend ondermijnd door vervolggedachten.

Dit oordeel ook.

Of ik dat zelf doe of alleen maar onderga of beide of geen van beide durf ik niet te zeggen.

Dat het een kwestie van bewustwording, aandacht of puur liefdewerk is, ook niet.

Ik heb mij er voor zover ik weet nooit bewust op toegelegd om mij ergens van bewust te worden of mijn aandacht ergens op te richten of mezelf of mijn gedachten liefdevol tegemoet te treden.

Net zomin als ik mij erop heb toegelegd mijn oordelen voortdurend te ondermijnen door middel van vervolggedachten.

Ik zou niet weten hoe.

Laat staan dat ik daarbij, of waarbij ook, gebruik zou maken van een eigen waarheid of van eigen wijsheid.

Waar haal ik die zo gauw vandaan?

Maar misschien heb ik wat dit laatste betreft gewoon pech.

Of mazzel.

Of misschien gaat het hier om de wijsheid zonder wijsheid, of om de waarheid van een leven zonder waarheid.

Of misschien ben ik gewoon een laatbloeier.

Een winterbloeier.

Een droogbloeier.

Een doodbloeier?

Al met al kan ik je verhaal dus niet bevestigen.

Anderzijds kan ik het ook niet ontkennen.

Neem je daar wel genoegen mee?

Denk jij nog in cirkeltjes?

Beste Hans,

Ik denk nog steeds in cirkeltjes. Jij niet. Ooit zal ik net zo zijn als jij. Maar nu nog niet. Ik denk nog steeds in cirkeltjes.

Beste X,

Ik ook. Ooit zal je dat doorhebben. Maar nu nog niet. Nu denk je nog dat je ervan af zal komen. Maar je blijft in cirkeltjes denken. Ik ook.

Beste Hans,

Wat is dan het verschil tussen ons? Want er moet een verschil zijn. Dat weet ik zeker. Wat is dan het verschil tussen ons?

Beste X,

Jij gelooft nog dat je ervan af zal komen. Ik niet. Jij gelooft nog dat je dan beter af zal zijn. Ik niet. Maar jij wel. Jij gelooft nog dat je ervan af zal komen.

Beste Hans,

Geloof jij dan helemaal niets meer? Dat kan ik niet geloven. Jij misschien wel. Ik moet het weten. Geloof jij dan helemaal niets meer?

Beste X,

Zelfs dat geloof ik niet meer. Jij wel. Jij gelooft dat ik helemaal niets meer geloof. Maar ik niet. Zelfs dat geloof ik niet meer.

Beste Hans,

Ik denk nog steeds in cirkeltjes. Jij niet. Ooit zal ik net zo zijn als jij. Maar nu nog niet. Ik denk nog steeds in cirkeltjes.

Het gebouw van de logica berust op het drijfzand van premissen

H: Wat is logica volgens jou?

X: Een denkmethode.

H: Wat voor een?

X: Een die uit ware premissen ware conclusies afleidt.

H: O jee.

X: O jee?

H: Waar halen we zo gauw ware premissen vandaan?

X: Geen probleem.

H: Hoezo?

X: Ware premissen zijn ware conclusies uit eerdere afleidingen.

H: Goed gevonden…

X: Maar?

H: Waar halen die hun ware premissen vandaan?

X: Uit eerdere afleidingen natuurlijk.

H: Enzovoort?

X: Waarom niet?

H: Eén afleiding moet toch de eerste zijn.

X: Dan zullen we de premissen daarvan zonder bewijs moeten aannemen.

H: Dan staat de hele keten op losse schroeven.

X: Dan kan je net zo goed meteen de slotconclusie aannemen, wou je zeggen.

H: Alleen als je ergens van uit wil gaan.

Waarom ik in mijn broekzak pas – het syllogisme

X: Wat is een syllogisme?

H: Een redeneervorm.

X: Geef eens een voorbeeld.

H: Alle mensen hebben hersenen, Aristoteles is een mens, dus Aristoteles heeft hersenen.

X: Geen speld tussen te krijgen.

H: Gesteld dat alle mensen hersenen hebben.

X: Daar zeg je me wat.

H: Het was eerder een vraag.

X: Daar vraag je me wat.

H: Zuiver retorisch natuurlijk.

X: Wie heeft het syllogisme uitgevonden?

H: Aristoteles.

X: Wat had hij ermee voor?

H: De geldigheid van redeneringen waarborgen.

X: Knappe kerel.

H: Ik pas in mijn poncho, mijn poncho past in mijn broekzak, dus ik pas in mijn broekzak.

De allerhoogste autoriteit is ongeautoriseerd

De lagere dus ook.

Veel mensen proberen een stelling te bewijzen door zich op een autoriteit te beroepen zoals pappa, mamma, een grote broer of zus, een leraar, een meester, een goeroe, een wijze, de bijbel, een priester, de paus, god, een traditie, een erkend vakman, een beroemdheid, de wetenschap.

Dat werkt alleen als de autoriteit in kwestie boven alle twijfel verheven is, maar hoe stel je zoiets vast?

Om een autoriteit te legitimeren moet je je beroepen op een hogere autoriteit, om een hogere autoriteit te legitimeren moet je je beroepen op een nog hogere autoriteit, en zo voort, helemaal tot aan de allerhoogste autoriteit.

De allerhoogste autoriteit hoef je niet te legitimeren, daar is ze de hoogste voor.

De allerhoogste autoriteit kan je ook niet legitimeren, tenminste niet met een beroep op een nog hogere autoriteit, want die bestaat niet.

Dat zij het bij het rechte eind heeft, moet je zonder enig bewijs aannemen, en dat geldt met terugwerkende kracht (met terugwerkende zwakte) voor alle lagere autoriteiten.

Uiteindelijk blijft de oorspronkelijke stelling dus onbewezen en weten we nog niks.

Inductie is gewoon een vorm van wilddenken

Wat is inductie?

Inductie is de logische tegenhanger van deductie.

Deductie is redeneren van het algemene naar het bijzondere, bijvoorbeeld:

Alle deducties zijn waar, dit is een deductie, dus dit is waar.

Inductie is gewoon een moeilijk woord voor generaliseren – redeneren van het bijzondere naar het algemene:

Gisteren was ik niet zwanger, vandaag ben ik niet zwanger, dus morgen zal ik ook wel niet zwanger zijn.

Gisteren kwam de zon op, vanmorgen kwam de zon op, dus iedere dag komt de zon op.

Deze zwaan is wit, die zwaan is wit, dus alle zwanen zijn wit.

Maar die vlieger gaat niet op, ondanks zijn machtige vleugels, want er zijn ook zwarte zwanen, al zie je die niet vaak.

En al waren er alleen maar witte zwanen, dan nog was de redenering ongeldig, want alle zwanen zijn niet wit omdát deze zwaan wit is en die zwaan ook, nee, deze zwaan is wit en die ook omdát alle zwanen wit zijn – deductief dus.*

* ‘Omdat’ is een groot woord. Er wordt hier immers niets verklaard, er wordt alleen maar een semantische relatie tussen algemene en bijzondere beweringen geëxpliciteerd.

Bovendien weet je nooit of de volgende zwaan die uit het ei kruipt niet een blauwe of roze mutant zal zijn. Of dat er niet al twintig jaar bonte zwanen rondzwemmen in Tsjernobyl of op een bewoonbare planeet in een ander sterrenstelsel, ik noem maar wat.

Wilddenken

Ongecontroleerd generaliseren, is typisch voor levende wezens, vandaar dat een mot in een kaarsenvlam vliegt en een eend naar een lokeend zwemt.

Hoe intelligenter het wezen hoe wilder zijn geest.

Voor ongebreideld wilddenken moet je bij mensen wezen, die creëren uit de geringste feiten complete wereldbeelden.*

* De mens is bij mijn weten niet alleen de onbetwiste wilddenker maar ook de enige wildplasser op aarde. Dat laatste is pas mogelijk sinds het wilddenken zijn weg vond naar het wetboek van strafrecht.

Mijn buurman is Marokkaan, hij is aardig, dus alle Marokkanen zijn aardig, of alle allochtonen zijn aardig, of alle Arabieren zijn aardig, of alle Noord-Afrikanen zijn aardig, of alle moslims zijn aardig, of alle mannen zijn aardig, of alle buurmannen zijn aardig of alle buren zijn aardig, of alle mensen zijn aardig, je zegt het maar.

Zo gaat het in de religie ook: horloges zijn gemaakt door een horlogemaker, dus de wereld is gemaakt door een wereldmaker, zijn naam is God, ere zij God in den hoge, halleluja.

Inductie/generalisatie/wilddenken – je doet er niets aan, maar het is bij mijn weten op geen enkele wijze logisch te rechtvaardigen.

Onzin, zei de pragmaticus:

Gisteren werkte het, vandaag werkt het, dus morgen zal het ook wel werken.

De wet van toereikende grond is niet toereikend

H: Zou jij in een chaotisch universum inductief durven redeneren?

X: Natuurlijk niet.

H: Waarom niet?

X: Omdat iedere schijn van orde toeval zou zijn.

H: In ons universum niet?

X: Ken jij de wet van toereikende grond?

H: De wat?

X: Nee, de wet.

H: Zeg op.

X: Alles heeft een oorzaak, dus alles is verklaarbaar.

H: Met andere woorden, het universum is geordend.

X: Als dat geen basis voor inductie is…

H: Maar hoe weet je dat de wet van toereikende grond geldig is?

X: Anders zouden we niet inductief kunnen redeneren.

H: De wet van toereikende grond is waar, anders zouden we niet inductief kunnen redeneren, en we kunnen inductief redeneren, anders was de wet van toereikende grond niet waar?

X: Klopt als een bus.

H: Dat is een cirkelredenering.

X: …

H: Wat denk je nu?

X: Ik zou niet weten hoe ik het anders moest rechtvaardigen.

H: Nou, ik ook niet.

De wet van non-contradictie versus de wet van contradictie

X: Ken jij de wet van non-contradictie?

H: Een stelling kan niet tegelijk waar en onwaar zijn.

X: Precies.

H: Geef eens een voorbeeld.

X: De zon kan niet tegelijk op en onder zijn.

H: En dat zou een wet zijn?

X: Volgens mijn logicaboek wel.

H: Staat er ook een bewijs bij?

X: Nee.

H: Dat komt doordat het geen wet is, maar een postulaat.

X: Een wat?

H: Een vertrekpunt voor een logische redenering.

X: O.

H: Bedenk eens een redenering op grond van de wet van non-contradictie.

X: De zon kan niet tegelijk op en onder zijn, de zon is op, daarom is de zon niet onder.

H: Op voorwaarde dat de wet van non-contradictie van toepassing is.

X: Die is altijd van toepassing.

H: Spruitjes zijn lekker én vies.

X: Dat is een kwestie van smaak.

H: Landbouwgif is nuttig én schadelijk.

X: Meningen verschillen.

H: Een zakdoek voor een mens is een laken voor een kabouter.

X: Grootte is een relatief begrip.

H: Kanker is slecht voor de patiënt maar goed voor het ziekenhuis.

X: Dat is appels met peren.

H: Als de zon halverwege de kim staat is hij op noch onder.

X: Dat is een kwestie van definitie.

H: Als de zon achter de horizon is verdwenen, zien we hem door het lenseffect van de atmosfeer toch nog aan de horizon staan.

X: Dat is een optische illusie.

H: Geef dan eens een ondubbelzinnig voorbeeld.

X: Iets kan niet tegelijk hier en daar zijn.

H: Je hoofd is hier, je hand is daar dus je lichaam is hier en daar.

X: Ik kom heus wel op een goed voorbeeld.

H: Je komt erop of je komt er niet op.

X: …

H: Blijf je erbij dat de wet van non-contradictie altijd van toepassing is?

X: Niet altijd misschien.

H: Wat heb je er dan aan?

X: Als hij van toepassing is…

H: Maar hoe weet je dat?

X: Maar wat is het alternatief?

H: Geen idee, de wet van contradictie?

De wet van de uitgesloten derde sluit niets uit

Volgens de wet van de uitgesloten derde is iets altijd hetzij waar, hetzij onwaar.

Veel mensen denken dat de wet van de uitgesloten derde zelf altijd waar is, maar dat is helemaal niet zo.

De wet van de uitgesloten derde is alleen waar binnen een tweewaardige logica, en dan nog alleen binnen een tweewaardige logica die de wet van de uitgesloten derde als uitgangspunt neemt, als postulaat.

In dat geval is het inderdaad waar, maar alleen formeel, per definitie, binnen het beoogde systeem.

In een driewaardige logica is de wet van de uitgesloten derde per definitie onwaar.

In een vierwaardige logica en een meerwaardige logica ook.

In fuzzy logica ook.

In modale logica, preferentiële logica en paraconsistente logica ook.

Per definitie.

En in spreektaallogica heerst geen enkele logica.

Daar heerst de wetteloosheid, de grilligheid.

Daar is de wet van de uitgesloten derde nu eens waar, dan weer onwaar, waar voor de een, onwaar voor de ander, waar en onwaar, waar noch onwaar, je zegt het maar.

Waarom ook niet?

Waarom zou iets niet half waar kunnen zijn?

Min of meer waar?

Nu eens waar en dan weer onwaar?

Waar voor mij en onwaar voor jou?

Onbepaald?

Onbepaalbaar?

Waar noch onwaar?

Waar en onwaar in verschillende opzichten?

Waar en onwaar in hetzelfde opzicht?

Voorbij waarheid en onwaarheid?

Met behulp van welke logica moeten we vaststellen welke logica van toepassing is?

Of is dat geen kwestie van logica?

Weet jij het?

Zelfbeschouwing bij ondergaande zon

X: Beschouw jij jezelf als verlicht?

H: Ik kan wel zoveel denken.

X: Maar je hebt er wel gedachten over?

H: Wie zegt dat ik ze heb?

X: Je bedoelt zeker dat ze jou hebben?

H: Ook niet.

X: Bedoel je dat ze jou niet hebben of dat je dat ook niet bedoelt?

H: Ook niet.

X: Wat dan wel?

H: Ze komen zomaar in me op.

X: Gedachten over jezelf.

H: Of wie of wat het ook is waarover ze gaan.

X: Er komen zomaar gedachten over jezelf in je op, of wie of wat het ook is waarover ze gaan?

H: Als ze al ergens over gaan.

X: Er komen zomaar gedachten over jezelf in je op, of wie of wat het ook is waarover ze gaan, als ze al ergens over gaan?

H: Of wat het ook zijn.

X: Iets komt zomaar in je op.

H: Of wat het ook is waarin het opkomt.

X: Want dat weet je ook niet.

H: Gesteld dat het ergens in opkomt.

X: Waaruit komt het op?

H: Komt het ergens uit op?

X: Het moet toch ergens vandaan komen.

H: En waar komt dát dan weer vandaan?

X: Is er dan niemand die het weet?

H: Er zijn zoveel mensen die het weten.

X: Nou dan.

H: Maar wie er nou gelijk heeft?

X: Iets komt er op, maar je weet niet wat en je weet niet waarin en je weet niet waarover en je weet niet waaruit, als het al ergens uit opkomt, als het al opkomt, als het al iets is, en je weet ook niet wie het wel zou weten.

H: Jij zegt het.

X: Maar beschouw jij jezelf nou als verlicht of niet?

H: Ik kan wel zoveel denken.

Drie struikelblokken op de weg naar verlichting

‘Wat is volgens jou het grootste struikelblok op de weg naar verlichting, Hans?’

‘Verlichting.’

‘Het grootste struikelblok op de weg naar verlichting is verlichting?’

‘Hoe kom je erop.’

‘Wat dan wel?’

‘De weg natuurlijk.’

‘Het grootste struikelblok op de weg naar verlichting is de weg?’

‘Hoe bedenk je het.’

‘Even serieus.’

‘Het idee dat er struikelblokken zijn natuurlijk.’

‘Het grootste struikelblok op de weg naar verlichting is het idee dat er struikelblokken zijn?’

‘Ik zou het anders ook niet weten.’

De razernij der geleerden

Wegwijzers voor wegwezers

‘Wat is volgens jou het grootste struikelblok op de weg naar verlichting, Hans?’

‘De deliramenta doctrinae.’

‘De wat?’

‘De razernij der geleerden.’

‘Welke geleerden precies?’

‘Filosofen bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘De Rede.’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Sceptici bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘Twijfel.’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Sofisten bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘Retoriek’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Exegeten bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘Het Woord.’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Mystici bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘God.’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Boeddhisten bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘Leegte.’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Advaitavadins bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘Bewustzijn.’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Universalisten bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘Eeuwige Wijsheid.’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Monisten bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘Eenheid.’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Holisten bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘Heelheid.’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Non-dualisten bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘Ondeelbaarheid.’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Idealisten bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘De geest.’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Pluralisten bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘Veelheid.’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Existentialisten bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘Geworpenheid.’

‘Welke geleerden nog meer?’

‘Fatalisten bijvoorbeeld.’

‘Hoe heet hun razernij?’

‘Overgave.’

‘Jij bent toch ook een soort geleerde?’

‘Mwah.’

‘Hoe heet jouw razernij?’

‘Tja.’

Luchtkastelen hebben geen fundering nodig

Quot erat demonstrandum is Latijn voor ‘wat te bewijzen was’.

Je ziet het vaak als acroniem (Q.E.D.) of als dusteken (∴) onder wiskundige en logische bewijzen staan.

Bewijzen betekent in de wiskunde: afleiden uit onbewezen axioma’s volgens afleidingsregels die niet uit het systeem zelf zijn af te leiden.

Hieruit volgt:

1. Wiskunde berust volledig op onbewezen axioma’s en afleidingsregels

2. Axioma’s berusten volledig op onbewezen wiskunde

Q.E.D.

In de logica betekent bewijzen: afleiden uit onbewezen postulaten volgens wetten die niet in het systeem zelf bewezen kunnen worden.

Hieruit volgt:

1. Logica berust volledig op onbewezen postulaten en wetten.

2. Postulaten en wetten berusten volledig op onbewezen logica.

Q.E.D.

Een en ander betekent natuurlijk niet dat wiskunde en logica onwaar of nutteloos zijn.

Hun bruikbaarheid is in de praktijk afdoende bewezen en zuivere wiskunde is net als zuivere logica een prachtig spel en een heerlijk tijdverdrijf.

Dat hoeft niemand te bewijzen.

Kleine twijfel, geen verlichting

‘Ken jij het gezegde over twijfel en verlichting, Hans?’

‘Ach ja.’

‘Kleine twijfel, kleine verlichting, grote twijfel, grote verlichting.’

‘En?’

‘Wat?’

‘Geloof je dat?’

Grote twijfel, kleine verlichting

‘Ken jij het gezegde over twijfel en verlichting, Hans?’

‘Geen twijfel, geen verlichting.’

‘Precies.’

‘En?’

‘Ik betwijfel dat.’

‘Zeker weten?’

‘Ja… ik bedoel… nee… ik bedoel… verdraaid.’

‘Niet slecht.’

Totale twijfel, geen twijfel

‘Ken jij het gezegde over twijfel en verlichting, Hans?’

‘Daar gaan we weer.’

‘Kleine twijfel, kleine verlichting, grote twijfel, grote verlichting.’

‘Totale twijfel, geen twijfel.’

‘Hè?’

‘Zijn we daar ook weer van verlost.’

‘En die verlichting dan?’

‘Zijn we daar ook weer van verlost.’

‘En dan?’

‘Hè?’

Geen twijfel aan niet-weten

Beste Hans,

Het spijt me dat ik het moet zeggen maar ik vind je dwaalteksten een verschrikking. Nooit heb ik een duidelijker geval gezien van de ziekte die twijfelzucht heet.

Beste X,

Er is geen spoor van twijfel in mij.

X: Dan wil ik weleens weten waar jij voor staat.

H: Er is geen spoor van zekerheid in mij.

X: Het enige wat je weet is dat je niets weet?

H: Er is geen spoor van weten in mij.

X: Ook dat je niets weet, weet je niet?

H: Er is geen spoor van niet-weten in mij.

X: Waarom heet jouw site dan NietWeten.nl?

H: Mijn site gaat niet over twijfel maar over het einde van de twijfel.

Niet over zekerheid maar over het einde van de zekerheid.

Niet over weten maar over het einde van het weten.

Niet over niet-weten maar over het einde van niet-weten.

En daar dan weer het einde van.

X: Doel je op de leegte die wij zijn?

H: Er is geen spoor van leegte in mij.

X: Heb je liever dat ik van vol-ledigheid spreek?

H: Er is geen spoor van vol-ledigheid in mij.

X: Zullen we dan maar zeggen dat je spoorloos bent?

H: Of dat ik niet spoor, wat jij wil.

X: Waarom praat je zo raar?

H: Even normaal dan maar.

Al dit obstinate ontkennen is niet bedoeld om te mystificeren.

Ik vertegenwoordig niet een of ander metafysisch negativisme.

Ik wil niet apofatisch verwijzen naar een waarheid of werkelijkheid voorbij de woorden waarvan alleen intuïtieve kennis mogelijk is.

Ik ben er niet op uit mijn mind, verstand, wijsheidsoog, ziel, hart of enig ander lichaams- of geestesdeel te legen om ruimte te maken voor het absolute, het numineuze, de liefde, god of de bron.

Ik wil alleen maar niets gezegd laten.

Een even eenvoudige als onmogelijke opdracht die tot vreemde capriolen leidt waarvan niet iedereen even blij schijnt te worden als ik.

Veel keus heb ik niet.

Onze taal is nou eenmaal bedoeld om iets te zeggen en niet om niets te zeggen.

Om zelfs niet niets te zeggen.

Want ook dat ik niets te zeggen heb, zal je mij niet horen zeggen.

X: Ik snap niet waar je het allemaal vandaan haalt.

H: Misschien moet je zelf eens proberen zelfs niet niets te zeggen. Voor je het weet klink je net zo gek als ik.

X: Waarom durf je niets gezegd te laten?

H: Met durven heeft het niets te maken; het is gewoon hoe mijn verstand werkt sinds ik het verloor.

X: Hoe werkt jouw verstand sinds je het verloor?

H: Dat zie je toch?

X: Maar wat ik nou zie?

H: Dat er weinig ongedacht blijft, en niets gedacht.

X: Waarom niet?

H: Weet ik niet.

X: Is het ergens goed voor?

H: Wat heet goed.

X: Waarom doe je het dan?

H: Waarom doe ik wat? Ik doe niks. Alles gaat vanzelf of blijft vanzelf uit. Daar zit geen Hans of niet-Hans meer tussen. Ik werk niet mee, ik werk niet tegen, ik ben niet keuzeloos gewaar. Niet dat ik weet.

Noem het desnoods denken-zonder-denken (wu nien).

Zodat het nog wat lijkt.

Of geest-zonder-geest (wu hsin).

Twijfel-zonder-twijfel.

Kennis-zonder-kennis.

Wijsheid-zonder-wijsheid.

Weten-zonder-weten.

Niet-weten zonder niet-weten.

Verlichting-zonder-verlichting.

Dwijsheid.

Agnose.

Allemaal goed.

Allemaal fout.

Mijn schrijven zonder schrijven, spreken zonder spreken en doen zonder doen zijn simpelweg uitdrukkingen (of vormen of aspecten of afgeleiden of bijverschijnselen of parallellen of spiegelbeelden of originelen) van een denken zonder denken.

Van een denken zonder denk-beelden.

Dat zichzelf net als de Baron van Münchhausen aan zijn eigen haren uit het moeras trekt – en dan gewoon weer loslaat.

Telkens weer.

X: Ik geloof niet dat ik je kan volgen. Maar ik geloof wel dat ik je ten onrechte van twijfelzucht beschuldigd heb.

H: Zeker weten.

Vernietig alle bedenksels en spring in het gat dat overblijft

H: Wat is de weg?

X: Neti neti.

H: Niet iedereen spreekt Sanskriet.

X: De via negativa.

H: Niet iedereen spreekt Latijn.

X: Niet dit, niet dat.

H: Wat dan wel?

X: Daar trap ik niet meer in.

H: Loop er dan maar omheen.

X: Vernietig alle bedenksels en spring in het gat dat overblijft.

H: En het gat dat overblijft?

X: Wat is daarmee?

H: Is dat soms geen bedenksel?

X: Ai.

H: En degene die erin moet springen?

X: Wat is daarmee?

H: Is die soms geen bedenksel?

X: Oei.

H: En het idee dat de werkelijkheid uit bedenksels bestaat?

X: Wat is daarmee?

H: Is dat soms geen bedenksel?

X: Oi.

H: En het idee dat je alle bedenksels moet vernietigen?

X: Ei.

H: Dat je ze kúnt vernietigen?

X: …

H: Dat je dan beter af zal zijn?

X: Allemaal bedenksels.

H: Dat zeg jij.

X: Wat zeg jij?

H: Wat is de weg?

X: En wat is het antwoord?

H: En dat was het antwoord.

Niet-weten als zelfbewustwording van het denken

Beste Hans,

Ik denk dat iedereen die net als ik een tijdje doorbrengt in jouw dwaaltuin maar één conclusie kan trekken: deze man weet (het) niet. Geen twijfel mogelijk. Daar valt niet over te twisten.

Waar ik wel aan twijfel is hoe ik het moet duiden. Mag niet-weten verlichting heten? Ben jij verlicht?

Beste X,

⬜ Ja, ik ben verlicht.

⬜ Nee, ik ben niet verlicht.

⬜ Het is maar net wat je onder verlichting verstaat.

X: Je bent het vinkje vergeten.

H: Ik had drie vinkjes gezet.

X: Dan zijn ze gevlogen.

H: Wie wil er ook in een hokje zitten.

X: Zeg het dan maar met woorden.

H: Ik doe al niet anders.

X: Dan heb ik eroverheen gelezen.

H: Lees hier dan ook maar overheen:

Ik zal mezelf nooit verlicht noemen, dat heb ik tot nog toe tenminste nooit gedaan.

Niet omdat de persoon een illusie is en een illusie niet verlicht kan worden, zoals men in non-dualistische kringen beweert, maar omdat ik voor mijn gevoel niet wezenlijk veranderd ben.

Hans is gewoon Hans, hij is niet ineens goddelijk of alomvattend geworden of zo, eerder kleiner dan hij meende te zijn.

Ik heb geen metafysisch inzicht in mijn ware aard of in wat dan ook gekregen.

Wel wezenlijk veranderd is mijn denken.

Dat voelt werkelijk verlicht.

Met verlicht bedoel ik lichter, helderder, beweeglijker, luchtiger – minder gewichtig.

Zoals je lichaam wanneer je bent afgevallen.

Alsof mijn geest is afgevallen.

Ik voel me een vlieggewicht, zwevend in een wolk van niet-weten.

Maar deze vergelijking gaat mank, want wie afvalt wordt kwantitatief lichter zonder dat er kwalitatief iets veranderd.

Terwijl ik het gevoel heb dat mijn denken als het ware van aggregatietoestand is veranderd.

Vloeibaar is geworden in plaats van vast.

Gasachtig in plaats van vloeiend.

Vuur in plaats van lucht, zouden de oude Grieken zeggen.

De overgang van een wetend naar een niet-wetend denken is in mijn beleving een transformatie, een metamorfose, een kwantumsprong.

Er is iets doorgebrand en er is iets tevoorschijn gekomen dat er eerder niet was en dat niet te voorzien was.

Wat ze in de wetenschap emergent noemen: onvoorspelbaar en onvoorstelbaar.

Uit de as van het normale denken, dat voornamelijk betrokken was op zijn omgeving, is een zelfbewust denken verrezen, dat voornamelijk betrokken is op zichzelf.

En de rook om mijn hoofd is verdwenen.

Waar ik vroeger de wereld meende te zien, zie ik nu slechts mijn wereldbeeld.

Waar ik vroeger de mens meende te zien, zie ik nu slechts mijn mensbeeld.

Waar ik vroeger mezelf meende te zien, zie ik nu slechts mijn zelfbeeld.

Waar ik vroeger zaken meende te zien, zie ik nu slechts woorden.

Waar ik vroeger meende te begrijpen, zie ik nu mijn begrippen.

Mijn denken is zogezegd een lichtje opgegaan.

Eindelijk, eindelijk heeft het zichzelf gezien en sindsdien kan het zichzelf nooit meer niet zien.

Een denken dat zichzelf ziet is een denken dat zichzelf doorziet.

Een denken dat zichzelf doorziet weet niet meer wat het ziet – niet echt.

Het ziet wat het denkt, het ziet dat het denkt, het ziet dat het allemaal maar gedachten zijn, de ene na de andere, het ziet dat dit ook weer gedachten zijn en dat dat wel niet zal veranderen.

Meer hoeft het niet meer te zien.

Een denken dat zichzelf heeft doorzien, houdt zijn gedachten voor gezien.

Het ziet ze aan en laat ze gaan.

Mag dat verlichting heten?

Ik hou het op niet-weten.

Daar valt tenminste niet over te twisten.

Met jou niet.

Doorhebben dat je het door denkt te hebben

‘Wat is weten?’

‘Doen alsof je het doorhebt.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Doen alsof je het niet doorhebt.’

‘Je blijft maar doen alsof?’

‘Ik tenminste wel.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘Dat je dat dan eindelijk doorhebt.’

‘Dat je deed alsof je het doorhad?’

‘En dat je nu weer denkt van niet.’

Een schilderij neuken

Beste Hans,

Ik bestudeer al maanden je teksten, en ik kan er maar niet achter komen waar je naar verwijst.

Beste X,

Misschien is dat wel waarnaar ik verwijs.

X: Hoewel je het voortdurend tegenspreekt, heb ik van binnen steeds het gevoel: dit denken, deze teksten verwijzen naar iets heel dieps en wonderlijks.

H: Dat gevoel heb ik nou ook.

X: Wat is het precies waarnaar ze verwijzen?

H: Ik betwijfel of je daar al aan toe bent.

X: Spaar me niet.

H: Ga er maar even rustig voor zitten.

X: Ik ben er klaar voor.

H: Dit denken en deze teksten.

X: Hè?

H: Dat komt op hetzelfde neer.

X: Dit denken en deze teksten verwijzen naar iets heel dieps en wonderlijks, namelijk dit denken en deze teksten?

H: Is dat niet diep en wonderlijk?

X: Zit je mij in de maling te nemen?

H: Zit je mij in de maling te nemen?

X: Ik doelde op iets als hun goddelijke oorsprong: de Bron, Essentie, het Numineuze, het Absolute, de Waarheid voorbij de woorden.

H: Jij bent net als de verzamelaar die tegen Mona Lisa zei: doe mij maar het schilderij.

X: Ik ben toevallig een groot liefhebber van vrouwelijk schoon.

H: Of als als de museumgast die bij de Mona Lisa zei: doe mij maar die vrouw.

X: Bedoel je dat ik niet verder moet kijken dan mijn neus lang is?

H: Of als de verzamelaar die bij de Mona Lisa zei: pak maar in.

X: Bedoel je dat het om de maan gaat, niet om de vinger?

H: Of als de bezoeker die tegen Mona Lisa zei: zullen we?

X: Ik zie iets wezenlijks over het hoofd, hè?

H: Volgens jou wel.

X: Wat is het wezenlijke dat ik over het hoofd zie?

H: Dit denken, deze teksten.

Vlammend vraagteken.
Niet-weten is iets heel dieps en wonderlijks.

Wel- en weemoed van een nablijver

Een raar liedje, al zeg ik het zelf.

IK BEN ER!

(al weet ik niet waar)

IK HEB HET!

(al weet ik niet wat)

IK BEN KLAAR!

(al weet ik niet waarmee)

IK HEB NIETS MEER TE DOEN!

(al weet ik niet hoe)

Bis

Wonderlijke gedachten over wonderen

Tijdens een lezing steekt de meester middenin een zin zonder enige aanleiding zijn handen in de lucht.

Meester: Kijk! Een wonder!

Monnik: Dat deed u gisteren ook al.

Meester: Kan best wezen, maar het blijft een wonder.

Monnik: Dat is ook maar een gedachte.

Meester: Dat het maar een gedachte is ook.

Monnik: En wat is een gedachte nou helemaal?

Meester: Een wonder!

Monnik: Een gedachte is ook een wonder?

Meester: Niet dan?

Monnik: Ik denk, eh… het niet.

Meester: Dat is ook maar een gedachte.

Monnik: Ik bedoel, ik denk het ook.

Meester: Dat is ook maar een gedachte.

Monnik: Dat het maar een gedachte is ook.

Meester: Dat kan ik niet tegenspreken.

Monnik: Bedoelt u dat we nooit voorbij de horizon van onze gedachten kunnen kijken?

Meester: Dat is ook maar een gedachte.

De leerling steekt gefrustreerd zijn armen op.

Meester: Kijk! Een wonder!

Niet-weten is bijzonder gewoon

X: Wat maakt niet-weten zo bijzonder?

H: Dat het op geen enkele wijze bijzonder is.

X: Leidt het tot blijvend geluk? Onverstoorbaarheid? Innerlijke vrede? Onvoorwaardelijke liefde? Kinderlijke onschuld ? Eeuwig leven?

H: Niet dat ik weet.

X: Leidt het tot neutraliteit? Flegma? Willoosheid? Onthechting? Aanvaarding? Berusting?

H: Niet dat ik weet.

X: Leidt het tot afstomping? Melancholie? Depressiviteit? Onrust? Leegte? Verlorenheid?

H: Niet dat ik weet.

X: Niet-weten is op geen enkele manier bijzonder?

H: Niet weten is bijzonder gewoon.

Groeten uit Ver Wonderland

Groeten uit Ver Wonderland

De Achterkant van het Verstand

Waar woorden worden weggezegd

Waar hersens worden drooggelegd

Waar toga’s worden afgelegd

Waar grenzen worden blootgelegd

Waar lijken worden opgedregd

Waar diepten worden afgeslecht

Waar eenheid niet wordt opgelegd

De kromme niet wordt afgerecht

Waar alle hoop verloren gaat

En wanhoop is vergeten.

Niet-weten is gewoon een wonder!

Magnifico (groots, prachtig)

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!

Ik ga op in verwondering!
Jij gaat op in verwondering!
Het vele gaat op in verwondering!
Het ene gaat op in verwondering!
De illusie gaat op in verwondering!
De werkelijkheid gaat op in verwondering!
De waarheid gaat op in verwondering!
De leugen gaat op in verwondering!
Dwaasheid gaat op in verwondering!
Wijsheid gaat op in verwondering!
Het hoogste gaat op in verwondering!
Het laagste gaat op in verwondering!
De dingen gaan op in verwondering!
Het lichaam gaat op in verwondering!
Het leven gaat op in verwondering!
De dood gaat op in verwondering!
De tijd gaat op in verwondering!
Het nu gaat op in verwondering!

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!

Gedachten gaan op in verwondering!
Gevoelens gaan op in verwondering!
Ideeën gaan op in verwondering!
Opvattingen gaan op in verwondering!
Overtuigingen gaan op in verwondering!
Geloof gaat op in verwondering!
Ongeloof gaat op in verwondering!
Normen gaan op in verwondering!
Waarden gaan op in verwondering!
Idealen gaan op in verwondering!
Motto’s gaan op in verwondering!
Principes gaan op in verwondering!
Voorschriften gaan op in verwondering!
Verboden gaan op in verwondering!
Rechten gaan op in verwondering!
Plichten gaan op in verwondering!

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!

De weg gaat op in verwondering!
Het doel gaat op in verwondering!
De leerling gaat op in verwondering!
De meester gaat op in verwondering!
Dualiteit gaat op in verwondering!
Non-dualiteit gaat op in verwondering!
Gehechtheid gaat op in verwondering!
Onthechting gaat op in verwondering!
De mind gaat op in verwondering!
Het hart gaat op in verwondering!
Het ego gaat op in verwondering!
Het zelf gaat op in verwondering!

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!

Bewustzijn gaat op in verwondering!
Boeddha gaat op in verwondering!
Brahman gaat op in verwondering!
Essentie gaat op in verwondering!
God gaat op in verwondering!
Liefde gaat op in verwondering!
Mededogen gaat op in verwondering!
Verwondering gaat op in verwondering!

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!

Niet-weten is wonderlijk gewoon!

Allegrezza (opgewekt)

Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk
gewoon!

Het gat in het denken is de weg uit het denken

Beste Hans,

Wat ik je nu opstuur zijn de stukken en brokken die overgebleven zijn na een etmaal van schrijven, wissen, niet verzenden, overwegen, snacken, dommelen en weer van voren af aan beginnen. Je ziet, er is bitter weinig van overgebleven.

Goeroes zeggen dat alles goed is zoals het is. Dat wil ik graag geloven. Maar als ik zie dat er iets niet goed is, dan is dat toch ook wat er is? Dan is dat toch ook goed?

Zo ontstaat er binnen twee gedachten een paradox waarin ik hopeloos vastloop. Ik bedoel, is het nou goed dat iets niet goed is of juist niet?

Heel af en toe overkomt het me dat iets helemaal goed lijkt, een heerlijk gevoel, maar dan herinnert iets anders me er wel weer aan dat er toch iets niet goed aan is, en dan begin ik meteen weer te malen.

Wat wil ik nou eigenlijk? Ik wil niet meer willen, denk ik. Dan ben je overal vanaf, lijkt mij.

Maar dat lukt me niet, dus kan ik beter stoppen met te willen niet meer te willen, maar dan wil ik dát weer en dat wil ik óók niet. Allemaal paradoxen. Een en al perplexiteit.

Ik wil het leven omarmen. Helemaal!

Ik wil niet meer willen. Helemaal niet!

Wat moet ik hiermee?

Beste X,

Denken dat iets niet goed is zoals het is, is ook wat er is, of je nou wil of niet.

Denken dat het niet goed is dat je denkt dat iets niet goed is zoals het is, is nog steeds wat er is, of je nou wil of niet.

Dus dat zit wel goed.

Of het zit wel fout, goed fout, als je denkt met dit soort formules de weg uit het denken te vinden.

Als je denkt jezelf 1, 2, 3 uit het denken te kunnen denken.

Inderdaad hopen veel mensen rust te vinden door het leven onvoorwaardelijke te omarmen, met alles erop en eraan, als een gegeven, als gods wil of als noodlot waartegen geen verzet mogelijk is.

Ze willen willoos worden als een doodgeboren lam.

Hoe gaat iemand die alles verwelkomt, om met innerlijk verzet, denk jij?

Het verzet omarmen? Dan blijft er verzet.

Het verzet bestrijden? Dan komt er nog meer verzet.

Dénken dat je alles moet omarmen is al een daad van verzet.

Rust zoeken is vechten tegen je onrust.

Rust zoeken in je onrust is nog steeds een vorm van onrust en nog altijd een daad van verzet.

De Eerste Wereldoorlog werd door de beroemde historicus en science-fiction schrijver H.G. Wells (1866-1946) the war to end all wars genoemd.

Nou, dat hebben we geweten.

Vier jaar lang de hel op aarde.

Nog geen 22 jaar later de Tweede Wereldoorlog.

Die ook al geafficheerd werd als de laatste oorlog.

Een paar jaar later de Koude Oorlog, die er altijd al geweest is en onverminderd voortwoekert.

Spiritualiteit: the inner war to end all inner wars.

Zoeken naar the thought to end all thoughts.

Gejaagd door the will to end all willing.

Zeg eens, hoeveel jaar ben je hier nou al mee bezig?

X: Zolang ik denk, denk ik.

H: ‘Ik denk dus ik sta perplex’, had Descartes moeten zeggen.

X: Wat is perplexiteit volgens jou?

H: Een denken dat doldraait maar nog steeds tot rust hoopt te komen door een tandje bij te schakelen.

X: Bingo.

H: Een weten dat is vastgelopen, maar nog altijd niet van ophouden weet.

X: Maar wat moet ik dan?

H: Dit is mijn ervaring:

Zolang je je perplexiteit probeert te vangen in je denken, zit je verstrikt in haar netten.

Zolang je haar probeert te vangen in woorden zal je haar wissen.

Zolang je haar probeert te vangen in stilte zal je het uitschreeuwen.

X: En jij dan?

H: Bij mij is er iets doorgebrand.

X: Het lijntje brak.

H: Het schip zonk en het land verdronk. Zo van:

Wat een gezeik.
Ik ben het zat.
Slijk is slijk.
Dan maar nat.
Vinger uit de dijk.
Water zonder bad.
Dood zonder lijk.
Mond zonder blad.
Rijk zonder rijk.

X: En dat was dat.

H: En zo is het nog.

X: Wat is een paradox?

H: Een gat in het denken. Het oog van de orkaan waar jij omheen draait.

X: Bingo.

H: Denken lijkt massief maar het is hartstikke poreus. Gatenkaas.

X: Meer gat dan kaas.

H: Al die gaten in het denken zijn met elkaar verbonden. Ze vormen de tussenruimte van je gedachten. Het interstitium. In feite is het één groot zwart gat.

X: En jij bent in dat gat gevallen?

H: Het gat in het denken is de weg uit het denken.

X: Waarom ben jij zo lekker aan het schrijven en ik alleen maar aan het wissen?

H: Schrijven is vaststellen, wissen is vrijstellen.

Jij doet het een of het ander.

Ik doe beide tegelijk.

Vangen om te bevrijden.

Schrijvend wissen.

Aanzuigend uitblazen.

Als een didgeridoo:

The sound must go on.

Verlichting is een lege boodschap

‘Zou jij van jezelf zeggen dat je bent thuisgekomen, Hans?’

‘Eerder dat ik van de pot ben gerukt.’

‘Van de pot gerukt?’

‘Wat moet ik zonder boodschap nog op de pot?’

‘Jij hebt geen boodschap voor de wereld?’

‘Geen grote en geen kleine.’

‘Bedoel je dat er geen boodschap is?’

‘Dat zou nog steeds een boodschap zijn.’

‘Wat bedoel je dan?’

‘Dat zou nog steeds een boodschap zijn.’

‘Waarom zegt je eigenlijk gerukt?’

‘Wie van zijn fiets waait, zegt toch ook niet dat hij is afgestapt?’

Verlichting is derealisatie

‘Heb jij de waarheid gerealiseerd, Hans?’

‘Eerder gederealiseerd.’

‘Wanneer heb je dan de waarheid gerealiseerd?’

‘Als je je niets meer realiseert.’

Verlichting is alles kwijtraken

‘Wat is realisatie, Hans?’

‘De illusie kwijtraken, de werkelijkheid kwijtraken, het kwijtraken kwijtraken.’

‘Ben je dan niet terug bij af?’

‘Dan ben je als het ware af.’

De Grote Verlichtingstest

Wil je weten of je verlicht bent?

Beantwoord naar eer en geweten de volgende vragen.

1. Denk je dat de verlichte ergens anders is, bijvoorbeeld in de hemel of aan gene zijde?

2. Denk je dat de verlichte buiten de tijd staat?

3. Denk je dat verlichting een gemoedstoestand is?

4. Denk je dat verlichting een ervaring is?

5. Denk je dat de verlichte het geheim van het leven kent?

6. Denk je dat de verlichte almachtig is of speciale gaven heeft?

7. Denk je dat de verlichte onthecht is?

8. Denk je dat de verlichte het leven volledig omarmt?

9. Denk je dat de verlichte vol mededogen zit?

10. Denk je dat de verlichte altijd nederig en bescheiden is?

11. Denk je dat de verlichte helemaal in het nu leeft?

12. Denk je dat de verlichte van alle problemen verlost is?

13. Denk je dat de verlichte doet door niet te doen?

14. Denk je dat de verlichte alles losgelaten heeft?

15. Denk je dat de verlichte genoeg heeft aan zichzelf?

16. Denk je dat de verlichte nooit oordeelt?

17. Denk je dat de verlichte blijvend gelukkig is?

18. Denk je dat de verlichte op handen gedragen wordt?

19. Denk je dat het leven lijden is?

20. Denk je dat alle levende wezens verlost moeten worden?

21. Denk je dat er in het hele universum geen grassprietje verkeerd ligt?

22. Denk je dat je liefde bent?

23. Denk je dat je onschuld bent?

24. Denk je dat je niets openheid bent?

25. Denk je dat je authentiek bent?

26. Denk je dat je bewustzijn bent?

27. Denk je dat je de kenner bent?

28. Denk je dat je de bron bent?

29. Denk je dat je de waarheid belichaamt?

30. Denk je dat je altijd het juiste doet?

31. Denk je dat je goddelijk bent?

32. Denk je dat je god bent?

33. Denk je dat vrij bent?

34. Denk je dat de verlichte volmaakt spontaan is?

35. Denk je dat je je gedachten niet gelooft?

36. Denk je dat dit de hemel al is?

37. Denk je dat je onsterfelijk bent?

38. Denk je dat je alles bent?

39. Denk je dat je niets bent?

40. Denk je dat je iemand bent?

41. Denk je dat je niemand bent?

42. Denk je dat je een vrije wil hebt?

43. Denk je dat vrije wil niet bestaat?

44. Denk je dat je één bent met de rest van de wereld?

45. Denk je dat het leven een mysterie is?

46. Denk je dat de werkelijkheid echt is?

47. Denk je dat de werkelijkheid een illusie is?

48. Denk je dat er een hogere werkelijkheid is?

49. Denk je dat deze werkelijkheid de hogere is?

50. Denk je dat je er een onbemiddelde werkelijkheid is?

51. Denk je dat de werkelijkheid monistisch is?

52. Denk je dat de werkelijkheid dualistisch is?

53. Denk je dat de werkelijkheid non-dualistisch is?

54. Denk je dat de werkelijkheid pluralistisch is?

55. Denk je dat de dingen leeg zijn?

56. Denk je dat er een weg naar verlichting is?

57. Denk je dat er vele wegen naar verlichting zijn?

58. Denk je dat er geen weg naar verlichting is?

59. Denk je dat bij de transmissie van meester op leerling steeds hetzelfde wordt doorgegeven?

60. Denk je dat er bij de transmissie van meester op leerling iets wordt doorgegeven?

61. Denk je dat er bij de transmissie van meester op leerling niets wordt doorgegeven?

62. Denk je dat de leerling zijn meester moet aftroeven of overtreffen?

63. Denk je dat alle godsdiensten het over hetzelfde hebben?

64. Denk je dat alle godsdiensten het over iets anders hebben?

65. Denk je dat je steeds verlichter kunt worden?

66. Denk je dat verlichting een kwestie van alles of niets is?

67. Denk je dat je na je verlichting weer terug kunt vallen?

68. Denk je dat je na je verlichting nog moet rijpen?

69. Denk je dat verlichting alleen maar bereikt kan worden via het gevoel of de intuïtie of het derde oog of de hoofdchakra of de onderbuik?

70. Denk je dat verlichting een transformatie van je huidige staat is?

71. Denk je dat verlichting een terugkeer naar je oorspronkelijke staat is?

72. Denk je dat iedereen al verlicht is maar het nog niet beseft?

73. Denk je dat verlichting een kwestie is van caritas?

74. Denk je dat verlichting een kwestie is van ascese?

75. Denk je dat verlichting een kwestie is van overgave?

76. Denk je dat je het denken overwonnen hebt?

77. Denk je dat verlichting alleen bereikt kan worden via het denken?

78. Denk je dat het denken tegen zichzelf ingezet moet worden?

79. Denk je dat de verlichte geen gedachten meer heeft?

80. Denk je dat de verlichte alleen maar positieve gedachten heeft?

81. Denk je dat je een ego hebt?

82. Denk je dat je het ego moet overwinnen?

83. Denk je dat je het ego onoverwinnelijk is?

84. Denk je dat het ego alleen maar een gedachte is?

85. Denk je dat er een absolute waarheid is?

86. Denk je dat er alleen relatieve waarheden zijn?

87. Denk je dat er zelfs geen relatieve waarheden zijn?

88. Denk je dat de waarheid zich onder woorden laat brengen?

89. Denk je dat de waarheid zich alleen negatief laat omschrijven?

90. Denk je dat de waarheid voorbij de woorden is?

91. Denk je dat je beter kunt zwijgen?

92. Denk je dat je beter kunt spreken?

93. Denk je dat je kunt weten?

94. Denk je dat je niet kunt weten?

95. Geloof je in de Kosmische Grap?

96. Denk je dat deze vragen ertoe doen?

97. Denk je dat de opsteller van deze vragenlijst verlicht is?

98. Denk je dat de verlichte al deze vragen weet te beantwoorden?

99. Denk je dat de verlichte geen van deze vragen weet te beantwoorden?

100. Denk je dat je uit deze vragenlijst kunt opmaken wat verlichting is?

Heb je een of meer vragen van deze vragen weten te beantwoorden?

Volgende keer beter.

Je mag de Grote Verlichtingstest zo vaak afleggen als je wilt.

De Kleine Verlichtingstest

Wil je weten of je verlicht bent?

Beantwoord naar eer en geweten de volgende vragen:

1. Denk je dat iedereen verlicht kan worden?

2. Denk je dat iedereen al verlicht is?

3. Denk je dat je kunt zien of iemand verlicht is?

4. Denk je dat de verlichte weet dat hij verlicht is?

5. Denk je dat de verlichte het lijden overwonnen heeft?

6. Denk je dat de verlichte ingoed is?

7. Denk je dat de verlichte probleemloos door het leven gaat?

8. Denk je dat de verlichte zich altijd lekker voelt?

9. Denk je dat de verlichte anderen kan verlossen?

10. Denk je dat er een kikkerproef voor verlichting bestaat?

Heb je een of meer van deze vragen weten te beantwoorden?

Volgende keer beter.

Je mag de Kleine Verlichtingstest zo vaak afleggen als je wilt.

De Kleinste Verlichtingstest

Wil je weten of je verlicht bent?

Volgende keer beter.

Je mag de Kleinste Verlichtingstest zo vaak afleggen als je wilt.

Hoe niet-weten voelt in 8 woorden

Zout in de wonde

Zout in de pap

Verlichting in vier woorden

Torso met kapotte gloeilamp als hoofd.
Verlichting is: tegen de lamp lopen.

Niet-weten in 4 woorden

Licht uit

Spot aan