Top

Laatst gewijzigd op 10 juli.

-1-

Wit wat je weet met het…

Witboek Advaita

Non-dualisme zonder dogma’s

Door Hans van Dam

Deel 6 van de Agnosereeks

Omslag van deel 6 van de Agnosereeks.

‘Dat je grenzen weet te trekken betekent nog niet dat ze er zijn. Dat je ze weet te trekken betekent nog niet dat ze er niet zijn.’

Advaita vedanta – geloof je het Zelf? Zin en onzin van het non-dualisme; dubbelhartige dwaalteksten over de dualiteit van non-dualiteit en de non-dualiteit van niet-weten.

-2-

Vragen die in het Witboek Advaita aan de orde komen

Wat is non-dualisme?

Wat is non-dualiteit?

Wat is advaita?

Wat is vedanta?

Ben je iemand of niemand?

Ben je de doener of de getuige?

Hebben wij wel of geen vrije wil?

Ben je de persoon of het zelf?

Bestaat het zelf of is dat de volgende persoon?

Is alles werkelijk één?

Is ieder onderscheid een illusie of is dat ook een illusie?

Is advaita een heilsweg naar Bewustzijn of een denkweg uit de mind?

Moet je ontwaken uit de droom of moet je ontwaken uit de droom van ontwaken?

Is realisatie een kwestie van zien of van doorzien?

Wat is de kosmische grap?

Is non-dualisme onzin?

Wat is non-dualisme zonder dogma’s?

Voorwoord

-3-

Advaita als agnose

Niet-twee, het einde van de wijsheid.

1. Advaita als non-dualisme

De Sanskriet term advaita vedanta (a-dvaita ved’-anta), kortweg advaita, betekent letterlijk niet-tweeheid wijsheid-einde.

Advaita vedanta, ofwel non-dualisme, is de tegenhanger van dvaita vedanta, ofwel dualisme.

In het westen wordt het woord dualisme meestal gebruikt om een of meer van de volgende gedachten aan te duiden:

1. Dat de mens uit twee substanties bestaat, namelijk lichaam en geest;

2. Dat de werkelijkheid uit twee substanties bestaat, namelijk stof en geest;

3. Dat de werkelijkheid uit twee tegenpolen bestaat, namelijk subject en object;

4. Dat de onderscheidingen die zich onophoudelijke aan ons voordoen, welke dan ook, reëel zijn.

Dvaita vedanta heet dualistisch omdat de persoonlijke ziel, het persoonlijke bewustzijn, Atman, volgens deze vedantaschool absoluut gescheiden is van de alziel, het albewustzijn, Brahman.

Etymologisch gezien is advaita niet de bevestiging en aanvaarding van een monistische ontologie. Het is zelfs niet de ontkenning van een dualistische ontologie, maar slechts de weigering ervan.

Advaita is geen dualisme en geen antidualisme, maar non-dualisme – een onleer.

2. Advaita als monisme

De termen advaita en non-dualisme kennen nog een betekenis, namelijk niet-afgescheidenheid.

De term afgescheidenheid verwijst naar het idee dat ik een klein radertje ben in het reusachtige mechaniek van een stoffelijke wereld die al bestond lang voordat ik werd geboren en die nog steeds zal bestaan lang nadat ik ben overleden.

Volgens advaita vedanta in de gedaante van een monistische leer is afgescheidenheid een illusie:

In werkelijkheid bevind ik mij niet in de wereld, maar bevind de wereld zich in mij.

Ikzelf ben het ene universele Bewustzijn (Brahman, de Bron, Openheid, Liefde, God, het Ene, de Ene).

Daarin verschijnen mijn persoon en de wereld als illusies, als een film op een doek of een verhaal in een boek.

In werkelijkheid ben ik niet de film, maar het doek.

Niet het verhaal, maar het boek.

Niet het gekende maar de kenner.

Het gekende is slechts een manifestatie van de kenner.

Verschijnselen zijn als rimpels in de oceaan van Bewustzijn.

De kenner is het gekende.

Advaita in deze zin is dus niet alleen een ontkenning van willekeurig welke vorm van dualisme, maar vooral een bevestiging van de absolute eenheid van het schijnbaar menigvuldige.

Het is geen onleer maar een ontologie, en wel een monistisch idealisme.

Dat, heel verwarrend, de naam non-dualisme draagt.

3. Advaita als onvermogen

Of je advaita nou opvat als een weigering van iedere vorm van dualisme of de aanvaarding van het monistisch idealisme, het gaat hoe dan ook over onderscheidingen

Over dualiteiten, tegenstellingen, verschillen, ongelijkheden, afbakeningen, indelingen, klassen, grenzen.

Over hokjes, hekjes en haakjes.

Hokjes geven duidelijkheid en houvast, zou je denken, maar bij nader inzien valt dat vies tegen.

Hoe langer je nadenkt over de verschillen tussen jezelf en de ander, tussen jezelf en de wereld en tussen de dingen onderling, hoe meer tussenvormen je vindt.

Hoe meer tussenvormen je vindt, hoe minder er van het onderscheid overblijft.

Waar houdt de waarnemer op en begint het waargenomene?

Zijn licht, geluid, geur, smaak, warmte, druk en beweging iets van de wereld of iets dat ik toevoeg aan een onkenbaar Ding-an-sich?

Bestaat er wel een object zonder subject, een subject zonder object?

Bestaat er wel zoiets als stof zonder geest, of geest zonder stof?

Dit is een kruk, denk je, en dat is een stoel, maar soms weet je gewoon niet of iets een kruk of een stoel is, of beide of geen van beide.

Dit is een stoel, denk je, en dat is een tafel, maar soms weet je gewoon niet of iets een stoel of een tafel is, of beide of geen van beide.

Dit is een tafel, denk je, en dat is een podium, maar soms weet je gewoon niet of iets een tafel of een podium is, of beide of geen van beide.

Dit is een podium, denk je, en dat is een vloer, maar soms weet je gewoon niet of iets een podium of een vloer is, of beide of geen van beide.

Dit is een vloer, denk je, en dat is een dak, maar soms weet je gewoon niet of iets een vloer is of een dak.

Is het onderscheid tussen dit ding en dat ding iets van de werkelijkheid of van de geest?

En houdt onderscheid tussen werkelijkheid en geest, is dat iets van de werkelijkheid of van geest?

Wat vandaag goed is, blijkt morgen slecht.

Wat voordelig is in het ene opzicht is nadelig in het andere.

Waar de een van geniet is waar de ander van walgt.

Wie alles van alle kanten bekijkt, of zelfs maar van twee, vindt niets dan tegenspraken en dubbelzinnigheid.

Op het eerste gezicht lijkt alles duidelijk van elkaar onderscheiden, ook voor mij.

Bij nader inzien niets.

Probeer zelf maar eens een eenduidige definitie te vinden van iets ogenschijnlijk simpels als man en vrouw of schrijver en lezer of meester en leerling – en verlies je in het vage.

4. Niet weten te onderscheiden

Onderscheiden is een vorm van weten en ieder weten bevestigt of ontkent onderscheidingen, impliciet of expliciet, onuitgesproken of uitgesproken, neem alleen al deze zin.

Niet-weten is een vorm van spiritualiteit die geen onderscheidingen erkent of ontkent.

Niet-weten is steno voor ‘niet weten te onderscheiden’ of ‘geen onderscheid weten te maken’.

Niet dat de weetniet geen verschillen kan waarnemen of dat zijn denken geen verschillen kent.

Hij is blind noch blanco, dwaas noch dement.

Maar de verschillen die zich nou eenmaal spontaan voordoen in zijn gedachten en waarnemingen houden bij nader inzien geen stand.

Voor de weetniet staan álle onderscheidingen tussen aanhalingstekens.

Voor hem zijn alle grenzen vloeibaar.

Daarom hangt hij overal tussenin.

Zijn wereld is dualistisch noch monistisch, materialistisch noch idealistisch, subjectief noch objectief.

De weetniet bewoont de tussenruimte, maar waartussen eigenlijk?

5. Advaita als agnose

Een mooi woord voor niet-weten is agnose (Grieks, a, niet + gnosis, kennis), een mooi woord voor weetniet is agnost.

Dat komt goed uit want agnose allitereert met advaita, net als niet-weten met non-dualisme.

Definiëren we advaita en non-dualisme als het onvermogen om tot definitieve of zelfs maar voorlopige uitspraken te komen inzake welk onderscheid ook, of als het onvermogen om heilig te geloven in welk onderscheid ook*, dan is advaita niets anders dan agnose en non-dualisme hetzelfde als niet-weten.

* Inclusief het onderscheid tussen wel en niet onderscheiden.

Dan is de advaitavadin een agnost en de non-dualist een weetniet.

We hebben het dan wel over een radicaal non-dualisme, dat zichzelf niet spaart.

Advaita voor diehards, die die geen enkel onderscheid erkennen of ontkennen.

Een lege leer, een non-theorie, de onleus van een onpartij die niets onderschrijft of voorschrijft – dit ook niet.

Wat is non-dualisme?

-4-

Wat je minstens van non-dualisme moet weten

‘Wat weet jij eigenlijk van non-dualisme, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘En van non-dualiteit?’

‘Idem dito.’

‘En van advaita?’

‘Idem dito.’

‘En van vedanta?’

‘Idem dito.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

-5-

Non-dualisme in de praktijk – de Tao van tja

Een non-dualist is iemand die geen onderscheid meer weet te maken en daar niet meer over in zit.

Welk dilemma je hem ook voorlegt, spiritueel, praktisch of filosofisch, hij haalt er zijn schouders over op.

Ego of zelf? Tja.

Lichaam of geest? Tja.

Iemand of niemand? Tja.

Kleine geest of grote geest?

Duaal of non-duaal? Tja.

Zijn of bewustzijn? Tja.

Vasthouden of loslaten? Tja.

Doen of laten? Tja.

Doen of zien? Tja.

Worden of zijn? Tja.

Zijn of niet zijn? Tja.

Relatief of absoluut? Tja.

Goed of slecht? Tja.

Doen of gewaarzijn? Tja.

Alles of niets? Tja.

Twee of één? Tja.

Twee of niet-twee? Tja.

God of mens? Tja.

Film of doek? Tja.

Stof of geest? Tja.

Golf of zee? Tja.

Object of subject? Tja.

Duisternis of licht? Tja.

Weten of niet-weten? Tja.

Illusie of werkelijkheid? Tja.

Jnana of bhakti? Tja.

Atman of anatman? Tja.

Atman of brahman? Tja.

Brahman of parabrahman? Tja.

Prapattivada of viprapattivada? Tja.

Viprapattivada of aprapattivada? Tja.

Dvaetavada of advaetavada? Tja.

Advaetavada of dvaetadvaetavada? Tja.

Dvaetadvaetavada of advaetadvaetadvaetavada? Tja.

Vishishtadvaetavada of vishuddha Advaetavada? Tja.

Et cetera et cetera.

Welk dilemma je hem ook voorlegt, spiritueel, praktisch of filosofisch, hij haalt er zijn schouders over op.

Want een non-dualist is iemand die geen onderscheid meer weet te maken en daar niet meer over in zit.

Ben jij zo iemand?

Ken jij zo iemand?

-6-

Non-dualisme als niet-weten

Non-dualisme is een ander woord voor advaita.

Advaita is het eerste woord van de leer die advaita vedanta heet.

Advaita vedanta is Sanskriet voor niet-twee (a-dvaita), het einde (anta) van de wijsheid (veda).

Niet-twee betekent niet splitsen.

Niet opdelen.

Niet scheiden, of althans de onderscheidingen die je nou eenmaal onophoudelijk schijnt te moeten maken niet te serieus meer nemen.

Geen heilige huisje meers, ook niet dat van advaita vedanta.

Inzien dat het de hokjesgeest zelf is die de wandjes optrekt.

Inzien dat ‘de hokjesgeest’ zelf zo’n hokje is.

Het denken doorzien.

Inzien dat 'het denken’ weer zo’n hokje is.

Het doorzien van het denken doorzien.

Inzien dat ‘het doorzien van het denken’ weer zo’n hokje is.

Het doorzien van het doorzien van het denken doorzien.

Inzien dat ‘het doorzien van het doorzien van het denken’ weer zo’n hokje is.

Wie het denken tot op de bodem doorziet, doorziet elk onderscheid.

Wie het denken tot op de bodem doorziet, ziet dat het zonder bodem is.

Onder het denken vind je geen onderscheid en geen eenheid – niet dat ik weet.

Wie de bodemloze put onder het onderscheidende en verenigende denken ziet, verblijft in niet-weten.

Hij heeft niets meer te zeggen, dit ook niet.

Non-dualisme is een ander woord voor niet-weten.

Niet-weten is ook maar een woord.

Maar of je dat wilt weten?

-7-

Non-dualisme is een vorm van onwijsheid

maar niet ieder vorm van onwijsheid is non-dualisme.

‘Niet-tweeheid’ is het hoofdwoord van ‘advaita vedanta’.

Bij de vertaling naar een Nederlands synoniem werd het tweede woord, de apofatische term ‘vedanta’, kennelijk niet belangrijk gevonden.

Vandaar dat wij tegenwoordig spreken van ‘non-dualisme’ en niet van ‘onwijsheid’ (of non-wijsheid of niet-wijsheid of dwaasheid).

Terecht, denk ik; als advaita de soortnaam is, dan is vedanta de familienaam.

Een soort heeft maar één familie, een familie heeft meerdere soorten.

Non-dualisme is een vorm van onwijsheid, maar er zijn veel vormen van onwijsheid die geen non-dualisme zijn.

Andere vormen van onwijsheid zijn bijvoorbeeld zenboeddhisme, taoïsme, quiëtisme, scepticisme, pyrronisme, nominalisme, pluralisme, postmodernisme, cynisme, laxisme, nihilisme, obscurantisme, stoïcisme, agnosticisme, anarchisme, irrationalisme, absurdisme en dadaïsme.

Advaita vedanta is dus op de eerste plaats non-dualisme en pas op de tweede plaats onwijsheid.

-8-

Gewetensvragen voor non-dualisten

Als je dit Witboek Advaita leest, heb je vast weleens wat over non-dualisme en advaita gelezen.

Misschien heb je je er al jaren in verdiept en zie je jezelf inmiddels als de kenner van het gekende, als het doek waarop de film van het leven wordt geprojecteerd.

Misschien identificeer je je niet langer met de hoofdrolspeler in die film maar met het ene, de bron of het leven zelf, en waan je je daarom verlicht.

Je bent de eerste niet.

Je bent ook de eerste niet die daarbij over het hoofd ziet dat non-dualisme geen onderscheid maakt tussen verlicht en onverlicht.

Je zal ook de laatste niet zijn.

Niets om je voor te schamen dus.

Om te kijken of er nog meer dogma’s in je denken zijn geslopen, heb ik een paar vragen voor je.

Is advaita volgens jou een zijnsleer, een kenleer of een non-leer?

Is advaita volgens jou een monisme, een dualisme of een non-dualisme?

Is advaita volgens jou een filosofie, een antifilosofie of een non-filosofie?

Is advaita volgens jou de hoogste waarheid of wijsheid, of het einde van alle waarheid en wijsheid?

Verwijst advaita volgens jou naar een hogere identiteit zoals de kenner, atman of het ware zelf, of naar het einde van iedere vorm van identificatie?

Is advaita volgens jou een vorm van gnosis of van agnosis?

Valt er volgens jou in advaita nog iets te onderscheiden?

Kan een leer zonder onderscheid volgens jou toch een leerstellige inhoud hebben?

Staat advaita volgens jou open voor dit soort vragen?

Sta jij zelf open voor dit soort vragen?

-9-

Een non-definitie van non-dualisme

Wat is non-dualisme?

Non-dualisme is de non-leer die geen enkel onderscheid erkent of ontkent.

Deze non-definitie bestaat uit drie delen:

1. Non-dualisme erkent geen enkel onderscheid

2. Non-dualisme ontkent geen enkel onderscheid

3. Non-dualisme is een non-leer

Non-dualisme erkent geen enkel onderscheid

Dat non-dualisme geen enkel onderscheid erkent, weet iedereen die er weleens een boekje over heeft gelezen of een filmpje over heeft gezien.

Dit aspect van het non-dualisme is wat gewoonlijk non-dualiteit wordt genoemd, niet-tweeheid, door mij geoperationaliseerd als ‘niet weten te onderscheiden’ of ‘geen onderscheid weten te maken’ of althans ‘geen enkel onderscheid hard weten te maken’.

Non-dualisme ontkent geen enkel onderscheid

Dat non-dualisme geen enkel onderscheid ontkent, zal je waarschijnlijk verrassen.

Geen enkel onderscheid erkennen betekent toch zeker hetzelfde als elk onderscheid ontkennen?

Natuurlijk niet.

Dat je geen spruitjes lust betekent toch ook niet dat je alle andere groenten lekker vindt?

En waarom ontkent het non-dualisme geen enkel onderscheid?

Omdat ontkennen nog steeds een vorm van scheiden is.

Ontkennen is onderscheid maken tussen hoe het niet zit en hoe het wel zit.

Een radicaal non-dualisme ontkent niets, dit ook niet.

Non-dualisme is een non-leer

Wat voor leer is een leer die geen enkel onderscheid erkent of ontkent?

Welke leerstelligheden bevat een dergelijke leer?

Geen enkele.

Waarom niet?

Omdat leerstelligheid zonder onderscheid onmogelijk is.

Probeer maar eens een leerstelling te formuleren die geen enkel onderscheid erkent, ontkent of veronderstelt.

Toe maar, ik wacht wel even…

En?

Zei ik toch.

Wat voor leer is een leer zonder leerstellingen?

Een leer zonder leerstellingen is geen leer.

Een leer zonder leerstellingen is ook geen antileer.

Een leer zonder leerstellingen is een non-leer.

Als je radicaal non-dualisme toch als een leer wilt zien, moet je het een lege leer noemen.

Een lege leer is een leer zonder onderscheidingen, zonder onderstellingen en zonder stellingen.

‘Een’ lege leer, zei ik zojuist.

Alsof er meerdere lege leren mogelijk zijn.

Maar is dat wel zo?

Waarin zou de ene lege leer van de andere moeten verschillen?

Ik zou het ook niet weten.

Non-dualisme is dé lege leer.

Of de non-leer, ook goed.

Als symbool voor de lege leer gebruik ik het agnosticon, Ø (zeg ‘eh’).

-10-

Filosofisch non-dualisme versus radicaal non-dualisme

Hierboven heb ik non-dualisme gedefinieerd als een non-leer die geen enkel onderscheid erkent of ontkent – een vorm van niet-weten, a-gnosis.

Dat is niet hoe iedereen het definieert, integendeel.

Voor de meeste mensen is non-dualisme een monistische filosofie – een vorm van kennis, gnosis.

Agnostisch of radicaal non-dualisme is een lege leer, gnostisch of filosofisch non-dualisme is een dogmatische leer, een premoderne kosmologie van hindoeïstische origine om precies te zijn.

Als je het non-dualisme omarmt omdat je niet kan leven zonder fundamentele antwoorden op fundamentele levensvragen, dan ben je een filosofisch non-dualist – een gnosticus, een metafysicus, een kosmoloog, een gelovige, een fundamentalist – iemand die weet hoe het zit.

Als je het non-dualisme omarmt omdat je geen fundamentele antwoorden op fundamentele levensvragen hebt en daar niet meer mee zit, dan ben je een radicale non-dualist, een agnost, een weetniet – iemand die niet weet hoe het zit en daar vrede mee heeft.

Wat leert filosofisch non-dualisme?

Het filosofisch non-dualisme leert in hoofdlijnen het volgende:

1. Alle verschijnselen zijn illusies.

2. Ook jouw persoon is een illusie, een fictie, even reëel als een romanfiguur in een boek, een acteur in een film.

3. In werkelijkheid ben jij de kenner, niet het gekende.

4. De kenner is diegene, of liever datgene, waarin alle verschijnselen verschijnen en verdwijnen, meestal bewustzijn genoemd.

5. Er is maar één bewustzijn, het universele Bewustzijn.

6. Alle personen en andere verschijnselen zijn manifestaties van het ene Bewustzijn.

Ieder individueel gezicht is een gezicht van het ene Bewustzijn.

Alle handen en voeten zijn handen en voeten van het ene Bewustzijn.

7. Alle nonverschijnselen zijn ongemanifesteerd Bewustzijn.

In plaats van Bewustzijn spreekt de non-dualist ook wel van Zijn, de Bron, het Ene, het Leven, de Liefde, God, het Zelf et cetera, meestal met een hoofdletter

Filosofisch non-dualisme is een oosterse vorm van idealistisch monisme, vergelijkbaar met westerse filosofieën als de zijnsleer van Parmenides (circa 515 voor Christus), de monadologie van Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716), het spiritualistisch idealisme van George Berkeley (1685-1753) en het absoluut idealisme van Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831).

Wat leert radicaal non-dualisme?

Niets.

-11-

Radicaal non-dualisme als lege leer

Radicaal non-dualisme leert niets, zagen we net, maar dat betekent niet dat er niets te leren valt over radicaal non-dualisme.

Al was het maar wat het niet is.

Radicaal non-dualisme is geen kenleer maar het einde van de epistemologie

Waarom is radicaal non-dualisme geen kenleer?

Omdat het geen enkel onderscheid erkent of ontkent.

Hoe zou je zonder onderscheidingen te erkennen of ontkennen ook maar één zinvolle uitspraak kunnen doen over de kenner of het gekende, over subject en object, over de waarnemer en de wereld, hun overeenkomsten, verschillen en verbanden?

Radicaal non-dualisme rekent af met alle epistemologie.

Was radicaal non-dualisme toch een kenleer, dan was het een lege, zeg maar gerust dé lege, Ø, want waarin zou de ene lege kenleer moeten verschillen van de andere?

Radicaal non-dualisme is geen zijnsleer maar het einde van de ontologie

Waarom is radicaal non-dualisme geen zijnsleer?

Omdat het geen enkel onderscheid erkent of ontkent.

Hoe zou je zonder onderscheidingen te erkennen of ontkennen ook maar één zinvolle uitspraak kunnen doen over het zijnde, het niet-zijnde, essentie en substantie, primaire en secundaire kwaliteiten, causaliteit en contingentie, overeenkomsten, verschillen en verbanden?

Radicaal non-dualisme rekent af met alle metafysica.

Was radicaal non-dualisme toch een zijnsleer, dan was het een lege zijnsleer, zeg maar gerust dé lege zijnsleer, Ø, want waarin zou de ene lege zijnsleer moeten verschillen van de andere?

Radicaal non-dualisme is geen wijsbegeerte maar het einde van de filosofie

Waarom is radicaal non-dualisme geen wijsbegeerte?

Omdat het geen enkel onderscheid erkent of ontkent.

Hoe zou je zonder onderscheidingen te erkennen of ontkennen ook maar één zinvolle uitspraak kunnen doen over de wereld, de dingen, het leven, de dood, subject versus object, stof versus geest, het absolute versus het relatieve, ethiek of de vrije wil?

Radicaal non-dualisme rekent af met alle theorieën.

Was radicaal non-dualisme toch een filosofie, dan was het een lege filosofie, zeg maar gerust dé lege filosofie, Ø, want waarin zou de ene lege filosofie moeten verschillen van de andere?

Radicaal non-dualisme is geen kosmologie maar het einde van de grote verklaringen

Waarom is radicaal non-dualisme geen kosmologie?

Omdat het geen enkel onderscheid erkent of ontkent.

Hoe zou je zonder onderscheidingen te erkennen of ontkennen ook maar één zinvolle uitspraak kunnen doen over de oorzaak van het heelal, de oorsprong en bestemming van de verschijnselen, de betekenis, het waarom en waartoe van het bestaan, over de herkomst en de toekomst van de mensheid en het leven?

Radicaal non-dualisme rekent af met alle wereldbeelden.

Was radicaal non-dualisme toch een kosmologie, dan was het een lege kosmologie, zeg maar gerust dé lege kosmologie, Ø, want waarin zou de ene lege kosmologie moeten verschillen van de andere?

Radicaal non-dualisme is geen antwoord op de vraag wie je bent maar het einde van iedere identificatie

Waarom verschaft radicaal non-dualisme je geen nieuwe, hogere identiteit? Omdat het geen enkel onderscheid erkent of ontkent.

Hoe zou je zonder onderscheidingen te erkennen of ontkennen ook maar één zinvolle uitspraak kunnen doen over jezelf, het ego, het zelf, atman, anatman of brahman, god boven jou of god in jou of jij in god, kleine ik, grote ik, je ware aard of je oorspronkelijke gezicht?

Radicaal non-dualisme rekent af met alle zelfbeelden.

Was radicaal non-dualisme toch een identiteit, dan was het een lege identiteit, zeg maar gerust dé lege identiteit, Ø, want waarin zou de ene lege identiteit moeten verschillen van de andere?

Radicaal non-dualisme is geen geloof maar het einde van iedere overtuiging

Waarom is radicaal non-dualisme geen nieuw geloof?

Omdat het geen enkel onderscheid erkent of ontkent.

Hoe zou je zonder onderscheidingen te erkennen of ontkennen ook maar één zinvolle uitspraak kunnen doen over je herkomst, je bestemming, de ene god of de vele goden, engelen, priesters, kerken, normen, waarden, geopenbaarde wijsheid, rituelen en liturgie, over almacht en onmacht, alwetendheid en onwetendheid, waarheid en onwaarheid?

Radicaal non-dualisme rekent af met ieder geloof, zowel religieus als seculier.

Was radicaal non-dualisme toch een geloof, dan was het een leeg geloof, zeg maar gerust hét lege geloof, Ø, want waarin zou het ene lege geloof moeten verschillen van het andere?

Radicaal non-dualisme als lege leer

Geen gnose maar agnose.

Radicaal non-dualisme kan je niet alleen de lege kenleer, Ø, de lege zijnsleer, Ø, de lege filosofie, Ø, de lege kosmologie, Ø, de lege identiteit, Ø en het lege geloof, Ø, noemen, maar net zo goed de lege spiritualiteit, Ø, de lege waarheid, Ø, de lege weg, Ø, het lege woord, Ø, de lege stelling, Ø, het lege geheim, Ø, de lege geest, Ø, het lege testament, Ø, de lege boodschap, Ø, het lege evangelie, Ø, het lege standpunt, Ø en bedenk het allemaal maar.

Opnieuw omdat radicaal non-dualisme geen enkel onderscheid erkent of ontkent.

Voor mezelf vat ik het zo samen: radicaal non-dualisme is de lege leer, Ø.

De lege leer is een ander woord voor radicaal niet-weten.

Radicaal non-dualisme is dus een ander woord voor radicaal niet-weten.

Maar dat had je inmiddels vast wel door.

-12-

Filosofisch non-dualisme bestaat niet

Een boel woorden alweer, en we zijn nog maar net begonnen, nondeju.

Wat wil ik nou eigenlijk zeggen?

Dat non-dualisme en filosofie niet samengaan.

Zonder onderscheid valt er niet te filosoferen, zelfs niet over eenheid.

Wie geen enkel onderscheid erkent of ontkent, is uitgepraat.

Zelfs dat er niets te zeggen is kan hij niet meer zeggen.

Alles wat hij toch zegt moet hij vroeger of later terugnemen.

Filosofisch non-dualisme is een contradictio in terminis, zoals dat zo mooi heet, een innerlijke tegenspraak.

Dat wordt nog duidelijker als je in plaats van ‘filosofisch’ ‘dualistisch’ schrijft: dualistisch non-dualisme is een innerlijke tegenspraak.*

* Wat de Indiase metafysici er niet van weerhouden heeft een filosofie van die strekking te formuleren: dvaitadvaita vedanta. Daarna volgde non-dualistisch dualistisch non-dualisme: advaitadvaitadvaita. Steeds fijnere onderscheidingen, die natuurlijk nooit een eind zullen maken aan het onderscheiden.

Wie zo nodig wil filosoferen moet afscheid nemen van de niet-tweeheid die hem de geest snoert.

Daarom stel ik voor het onderscheid tussen filosofisch non-dualisme en radicaal non-dualisme te laten vallen en het woord non-dualisme te reserveren voor de enige leer die werkelijk non-dualistisch is: de lege leer, Ø.

Het filosofisch non-dualisme krijgt de enige naam die het verdient: monisme.

Een absoluut idealistisch monisme om precies te zijn.

Filosofie is een houvast.

Je verzint of adopteert denkbeelden, zelfbeelden, mensbeelden, godsbeelden, wereldbeelden en houd je daaraan vast.

Je steekt er je hand voor in het vuur.

Je giet ze in beton, zet ze op een voetstuk, aanbidt ze en probeert anderen ook zo gek te krijgen, want de meeste stemmen gelden, volgens de consensustheorie van waarheid.

Je redeneert je suf om je denk-beelden netjes op elkaar aan te laten sluiten en het gebouw van rationalisaties overeind te houden, want waarheid is samenhang en consistentie, volgens de coherentietheorie van waarheid.

Jij bent je zelfbeeld, de mens is jouw mensbeeld, god is jouw godsbeeld, de wereld is jouw wereldbeeld, en zolang je dat maar gelooft en alle signalen negeert waaruit blijkt dat jij niet samenvalt met je zelfbeeld, de mens niet met jouw mensbeeld, god niet met jouw godsbeeld, de wereld niet met jouw wereldbeeld et cetera, lijkt alles in orde en onder controle.

Non-dualisme zoals ik het versta is geen houvast maar een laatlos.

Het is een bom onder je begrippen, het zuur waarin je denkbeelden oplossen.

Ook die over non-dualisme, de lege leer en niet-weten.

-13-

Een inleiding in het non-dualisme is een uitleiding uit het non-dualisme

Non-dualisme, dat is drie keer niks.

Nada nada nada.

Het heft zichzelf op.

Daar kan je ook weer een definitie van maken:

Non-dualisme is het einde van het non-dualisme.

Hieruit volgt dat het einde van het non-dualisme gelijk is aanhet einde van het einde van het non-dualisme is, enzovoort.

Wat dan wel een nieuw begin zal zijn – maar waarvan?

Van het einde natuurlijk.

Iedere inleiding in het non-dualisme is daarom meteen een uitleiding uit het non-dualisme, deze ook.

Dat is het lot van iedere bevrijdingsleer die gebaseerd is op een paradox.

Iedere open deur naar gene zijde blijkt een draaideur te zijn.

Je blijft net zolang rondjes draaien tot je het in de gaten krijgt.

Zodra je het in de gaten hebt, spring je in het gat, of zuigt het je naar binnen?

Een inleiding in het taoïsme is een uitleiding uit het taoïsme.

Een inleiding in het soefisme is een uitleiding uit het taoïsme.

Een inleiding in verlichting is een uitleiding uit verlichting.

Een inleiding in advaita is een uitleiding uit advaita.

Een inleiding in de mystiek is een uitleiding uit de mystiek.

Een inleiding in zen is een uitleiding uit zen.

Een inleiding in niet-weten is een uitleiding uit niet-weten.

Aan het eind van de rit sta je met lege handen.

Dan heb je niets meer te doen of te laten.

Behalve wat je nou eenmaal doet of laat.

Niets aan te doen of te laten.

-14-

Kanonnen! Het lijkt wel oorlog!

Om geen enkel misverstand te laten bestaan over het wezen van non-dualisme, ik bedoel natuurlijk het non-wezen ervan, wil ik hier benadrukken:

Non-dualisme is geen leer maar een non-leer.

Non-dualisme is geen waarheid maar een non-waarheid.

Non-dualisme is geen wijsheid maar non-wijsheid.

Non-dualisme is geen verlichting maar non-verlichting

Non-dualisme is geen geloof maar een non-geloof

Non-dualisme is geen spiritualiteit maar non-spiritualiteit.

Non-dualisme is geen weg maar een non-weg.

Non-dualisme is geen stelling maar een non-stelling.

Non-dualisme is geen geheim maar een non-geheim.

Non-dualisme is geen standpunt maar een non-standpunt.

Non-dualisme is geen idee maar een non-idee.

Non-dualisme is geen zelf maar een non-zelf.

En bovenal:

Non-dualisme is geen filosofie maar een non-filosofie.

Ka-nonnen!

Het lijkt wel oorlog!

-15-

Twaalf wijsheden, dertien ongelukken

Meester Eh heeft gezegd:

Dat je grenzen weet te trekken betekent nog niet dat ze er zijn.

Hij heeft ook gezegd:

Dat je geen grenzen weet te trekken betekent nog niet dat ze er niet zijn.

Toen iemand hem vroeg wat het dan wel betekent, zei hij:

Dat je niet weet wat het betekent betekent nog niet dat het iets betekent.

En bij een soortgelijke gelegenheid:

Dat je niet weet wat het betekent betekent nog niet dat het niets betekent.

En bij een soortgelijke gelegenheid:

Dat je weet wat het betekent betekent nog niet dat het iets betekent.

Meester Eh heeft tevens gezegd:

Dat grenzen wegvallen betekent niet dat er grenzeloosheid voor in de plaats komt.

En ook:

Dat grenzeloosheid wegvalt betekent niet dat er grenzen voor in de plaats komen.

En:

Dat grenzen wegvallen betekent niet dat alles één is.

En:

Dat alles niet een is betekent niet dat alles twee, niet-twee, veel of oneindig is.

Over dit laatste heeft hij tevens gezegd:

Eenheid is nog steeds een bepaling.

En:

Onbepaaldheid is nog steeds geen eenheid.

En:

Onbepaaldheid is nog steeds een bepaling.

Toen iemand hem vroeg hoe het dan wel zit, zei hij alleen maar:

Eh…

en dat is hoe hij aan zijn bijnaam kwam.

Brieven

-16-

Autolyse als illusie; dromen van Jed McKenna

Spirituele oorlogsvoering of spirituele spelletjes?

Beste Hans,

Ben een boek aan het lezen van ene Jed McKenna over autolyse en spirituele oorlogsvoering. Moest meteen aan jou denken. De persoon is volgens McKenna een illusie. De zenboeddhist Jeff Shore gebruikt in dit verband de uitdrukking ‘being without self’: zonder zelf zijn. Advaita en zen bestrijden zij aan zij het droompersonage. Mee eens dat spiritualiteit oorlogsvoering is?

Beste Sofie,

Is voetbal oorlog?

Is koude oorlog?

Is een patatje oorlog?

Is een heilige oorlog?

Sofie: Spiritualiteit is volgens jou geen oorlog?

Hans: Spiritualiteit is volgens mij een spelletje.

Sofie: Wat voor spelletje?

Hans: Een achtvoudig spelletje.

Doen alsof het oorlog is.

Doen alsof je aan jezelf sterft.

Doen alsof je wijsheid erft.

Doen alsof je de waarheid kent.

Doen alsof je de waarheid bent.

Doen alsof je ego’s bestrijdt.

Doen alsof je wezens bevrijdt.

Doen alsof je niet doet alsof.

Vijanden voor het leven, lang zullen we beven

Sofie: Spiritualiteit is een spelletje oorlog?

Hans: Een wargame waar geen eind aan komt.

Sofie: Wat moet ik me daarbij voorstellen?

Hans: We bedenken kosmologiën die niemand kan verifiëren of doorzien. Zo ontstaan er leerlingen. Leerlingen voor Meesters.

En datte we Wijze Wezens zijn
Dat wille we wé-hé-ten

We bedenken Idealen waaraan niemand kan voldoen. Zo ontstaan er losers. Losers voor Verlossers.

Lang zullen we streven
Lang zullen we streven
Leven na leven naar de Gloria

We bedenken kwelgeesten die niemand kan verslaan. Zo ontstaan er vijanden. Vijanden voor het leven.

Lang zullen we beven
Lang zullen we beven
Lang zullen we beven voor de swastika

Sofie: Welke vijanden voor het leven?

Duivels, ketters, zonden, ikjes, ego’s, onwetendheid, begeerte, gehechtheid, maya, mara, mind.

Satsangzen in samsara

Sofie: Jed McKenna verklaart de oorlog aan het droompersonage. Jij verklaart de oorlog aan de leraar.

Hans: Ik zou niet weten hoe. Maar de leraar van een droompersonage kan alleen maar een droompersonage zijn.

De oorlog verklaren aan een droompersonage kan alleen maar in een droom.

O, Broeders op het Lege Ei!
Dragers van de Gulden Slab!
Maagden zonder Vlies of Haar!
Ridders zijn toch veel te zwaar!

Atmes, Brahmes, Advaitantes!
Niemand hier en niemand daar!
Alle films, verdoeken maar!
Bewustzijn is geen kaviaar!

Instant dogma, kant en klaar!
Oude leugens zijn niet waar!
Wijsheidsoog met grauwe staar!
Satsangzen in samsara!

Sofie: Klinkt toch behoorlijk oorlogszuchtig.

Hans: Zolang de bla-bla-bladeren de he-he-hemel in groeien zal ik agent orange sproeien.

Of, om het met U.G. Krishnamurti te zeggen: ‘Wat mij ook raakt, het zal onmiddellijk opbranden, dat is de aard van mijn energie’.*

* De Denkbeeldige Geest, U.G. Krishnamurti, 2004, pagina 39.

Onzin natuurlijk, behalve voor degenen die in indianentaal geloven.

Ugh!

De term ‘autolyse’ is misleidend

Sofie: Hoe denk jij over autolyse?

Hans: Pure misleiding.

Alsof er een methode bestaat om jezelf op te lossen.

Alsof er een zelf is op te lossen.

Alsof er een Zelf is om in op te lossen.

Alsof je alleen maar jezelf hoeft op te lossen, en niet Jed McKenna en Jeff Shore en Linji Huizhao en J.C. van Nazareth en S.G. Boeddha en F.W. Nietzsche en U.G. Krishnamurti en J.N. van Dam en noem maar op.

Om nog maar te zwijgen van de myriaden imponderabilia in het kruitvat tussen je kruin en je sprekerd.

Al die sissers, blindgangers en losse flodders die de hele dag ongevraagd in je opkomen – ‘autolyse’, ‘atman’, ‘brahman’, ‘bewustzijn’, ‘zen’, ‘dharma’, ‘waarheid’, ‘ego’, ‘mind’, ‘onwetendheid’, ‘begeerte’, ‘gehechtheid’, ‘maya’, ‘mara’, ‘being without self’, ‘spirituele oorlogsvoering’.

Alsof die niet opgelost hoeven te worden.

Sofie: Nou je het zegt. Zelf vraag ik me ook weleens af of Jed McKenna zijn potlood niet te vroeg heeft begraven. Is hij niet blijven hangen in het idee dat hij ontwaakt is? Terwijl hij intussen iedereen aanspoort om Verder te gaan.

De lege Jedset en de lege mindset

Sofie: In zijn Notities maakt McKenna gewag van een enorme leegte. Hij verklaart de wereld failliet en doet niet langer mee – weer een vorm van afgescheidenheid. Ook maakt hij onderscheid tussen ontwaken in de droom en ontwaken uit de droom. Heel verwarrend allemaal. Verder zit hij naar eigen zeggen alleen maar op een stoepje van een putdeksel te genieten.

Hans: Mensen kunnen zich kennelijk niks mooiers voorstellen.

Te lang over zichzelf nagedacht, vermoed ik, dan wil je weleens wat anders.

Wie in de put zit, ziet overal deksels.

Sofie: Toch wel gek, als je erbij stilstaat.

Hans: Het aanwassende legioen van autolysten noem ik de Jedset.

Dat is een woordspeling op mindset.

Met Mindset bedoel ik de absolute en onveranderlijke toestand waarin de geest verkeert die is gebiologeerd door een absolute en onveranderlijke Waarheid, maakt niet uit welke.

Je herkent de Waarzeggers van willekeurig welke Mindset aan hun monistische monolithische monomane monotone monologen.

Ze klinken als een klok.

Tok tok tok.

Getikt, gelocked, gelikt, verstokt.

Fundamentalisten aller gezindten, verenigt u!

Slijpt de potloden!

Streept alles weg waar ge niet aan twijfelt!

Krassen! Krassen! Krassen!

Sofie: Is niet-weten dan geen mindset?

Hans: Nou en of.

Een lege mindset.

Zeg maar gerust dé lege mindset, want waarin zou de ene lege mindset van de andere moeten verschillen?

Sofie: Jij bewaakt een lege kluis.

Hans: Ik bewoon een leeg huis.

Wat valt er te bewaken?

Iedereen mag er komen spoken.

Met of zonder Mindset.

Laat maar gaan, laat toch gaan, laat het gaan

Sofie: Wat is dan het punt van niet-weten?

Hans: Niet-weten is geen punt en geen lijn.

Geen uitroepteken en geen vraagteken.

Geen woord en geen stilte.

Geen hoofdletter en geen kleinkapitaal.

Geen spoortje van grafiet, alleen nog wit in het verschiet.

Sofie: Hoe is het om in niet-weten te verblijven?

Hans: Niet-weten is geen plek, maar in beweging blijven.

Almaar Verder gaan, zoals Jed McKenna zelf aanbeveelt, en Ken Kesey en de Hartsoetra en de ANWB en het VVV – hé hé, ga je mee?

Maar niet ergens héén.

Ergens vandáán.

Sofie: Waarvandaan?

Hans: Van je vorige gedachten vandaan.

Van je huidige gedachte vandaan.

Van de volgende gedachten vandaan.

Van déze gedachten vandaan.

Alle gedachten naar de maan, en geen hond erachteraan.

A small step for a man, a big step for a mind.

Laat maar gaan, laat toch gaan, laat het gaan.

Terugtrekken is een vorm van meedoen

Sofie: Doe jij nog mee aan de wereld?

Hans: Niet meedoen aan de wereld, dat gaat echt niet.

Ik loop erover en zij over mij.

Ik adem erin en zij in mij.

Ik eet ervan en zij van mij.

Ik schijt erop en zij op mij.

Ik praat ertegen, zij zwijgt in mij.

Ik sterf erin of zij in mij.

Inderdaad leid ik vergeleken met de meeste mensen een teruggetrokken bestaan, maar dat leed ik altijd al, en heus niet omwille van de waarheid.

Teruggetrokken en midden in het leven zijn gewoon twee vormen van meedoen.

Twee vormen van meegedaan worden.

Of je wil of niet.

Sofie: Terugtrekken is passé: ‘In de wereld, maar niet van de wereld.’

Hans: Van cliché naar cliché.

Sofie: Hoezo?

Hans: Je trekt je terug, misschien wel verder, middenin het leven, of je leeft verder, misschien wel veel verder, middenin je teruggetrokkenheid.

Sofie: Jij vindt het geen bezwaar dat Jed McKenna zich aan de wereld onttrekt?

Hans: Nogmaals, niemand kan zich aan de wereld onttrekken.

Laat die zelfverklaarde wargamer dus maar lekker van zijn putdeksels genieten.

Putdeksels als schilden, schilden om dromers op te hijsen, dromend van oorlog, ego’s en eremetaal.

Waak zacht.

Tekening van Jed McKenna met zonnebril en speelgoedweer op een zwevende putdeksel.
Spirituele oorlogsvoering of spirituele spelletjes? Jed mag het weten.

Autolyse, anatman, sunyata en afhankelijk ontstaan

Autolyse (Grieks, auto, zelf + lusis, losmaken, oplossen) is de naam van de bevrijdingsmethode van de non-dualist Jed McKenna. Die is heel simpel: opschrijven wat je meent te weten en doorstrepen waar je niet zeker van bent. Wat overblijft is volgens McKenna de Waarheid van niet-zelf. De illusie van de persoon is dan voorgoed doorzien, vandaar de term ‘autolyse’ – zelfoplossing. Een jaar of twee van ijverig schrijven en doorhalen zou genoeg zijn.

Het begrip autolyse is verwant met de boeddhistische begrippen anatman (Sanskriet, an, niet + atman, zelf) en anatta (Pali, an, niet + atta, zelf). Beide verwijzen naar de doctrine van zelfloosheid. Er bestaan twee versies van.

Bij anatman/anatta in engere zin gaat het om de gedachte dat de mens ondanks de schijn van het tegendeel geen onveranderlijke essentie, substantie, wezen, werkzaamheid, geest, ziel of zelf heeft.

Bij anatman/anatta in ruimere zin gaat het om de gedachte dat niets enige substantie of essentie heeft: levende wezens niet, de dingen net zomin.*

* In het hindoeïsme staat anatman voor de monistische doctrine dat atman (de persoonlijke ziel of geest) weliswaar geen illusie is, maar slechts een verschijningsvorm van de algeest Brahman.

Zelfloosheid (anatman/anatta) is een van de drie karakteristieken of bestaanskenmerken, die gezamenlijk de trilaksana of tilakkhana worden genoemd. De andere twee zijn vergankelijkheid (anitya/anicca) en ontevredenheid (duhkha/dukkha).

Zelfloosheid in ruimere zin is verwant met de boeddhistische begrippen leegte (sunyata/sunnata) en afhankelijk ontstaan.

Lezer, laat je niet intimideren door al die ingewikkelde woorden. Grieks, Sanskriet, Pali of Nederlands, het komt allemaal op hetzelfde neer: niets is wat het lijkt.

Maar wat het dan wel is?

-17-

Advaita is: niet vastzitten

Beste Ferry,

Wat een lange brief zeg, meer dan drie meter. Ik kan natuurlijk niet overal op reageren, dus ik beperk me tot de punten die mij het meest aan het hart gaan.

Advaita is: niet vastzitten in neutraliteit

Om te beginnen, dank voor je medeleven.

Inderdaad heb ik pijn en inderdaad maak ik me zorgen.

Je stelt ‘dat het de verlichte betaamt pijn en zorgen te verwelkomen’, dus ik heb meteen de rode loper uitgerold.

Kijk ze eens paraderen!

Grapje.

Eerlijk gezegd maakt het mij niks uit of ik de pijn en de zorgen verwelkom of mijn afwijzing ervan of mijn afwijzing daar weer van.

Ze zijn allemaal even welkom of nietkom, dus daar heb ik geen omkijken naar.

Ook in algemene zin maakt het mij niets uit of iets me uitmaakt.

Wat heb ik daarmee te maken?

Maakt het me toch een keertje uit, dan maakt dát me niet uit.

Zodoende kan ik het nooit verkeerd doen.

En nooit goed natuurlijk.

Hoe dat kan?

Ik sta onverschillig tegenover mijn verschilligheid.

Ik sta onpartijdig tegenover mijn partijdigheid.

Ik tolereer mijn intolerantie.

Ik stem niet tegen mijn stem.

Ik heb geen mening over mijn meningen.

Ik hecht geen geloof aan mijn geloof.

Ik kijk onbevooroordeeld naar mijn vooroordelen.

Ik ben ruimdenkend inzake mijn bekrompenheid.

Ik word niet begrensd door grenzeloosheid.

Ik ben een met mijn menigvuldigheid.

Ik eigen mij mijn toe-eigeningen niet toe.

Ik identificeer mij niet met mijn identificaties.

Ik hou mij niet verantwoordelijk voor mijn verantwoordelijkheidsgevoel.

Ik heb geen voorkeur voor een leven zonder voorkeur.

Ik heb geen hokje voor hokjesgeesten.

Ik maak geen onderscheid tussen wel en geen onderscheid maken.

Begrijp je wat ik bedoel?

Advaita is: niet vastzitten in woorden

Hoe je een en ander moet noemen is wat anders.

Eerst noemde ik het niet-weten; die term lag (en ligt) me het best.

Later heb ik honderd andere namen leren kennen waarmee ik ook uit de voeten blijk te kunnen. Waaronder advaita. Non-dualiteit. Niet-twee. Niet-onderscheiden. Niet-doen. Niet-willen. Niet-hebben. Niet-begeren. Niet-hechten. Niet-oordelen. Niet-geloven. Niet-zelf. Niet-zijn.

Helaas zijn alle labels misleidend.

Wie ze letterlijk neemt en ernaar probeert te leven, komt meteen vast te zitten.

Die mag geen onderscheid meer maken, geen grenzen meer trekken, nergens meer over oordelen, geen plannen of doelen meer hebben, geen eigendommen vergaren, niets meer geloven, nergens meer naar verlangen, nergens meer aan hechten en niets meer weten.

Die loopt de hele dag op te letten, zijn best te doen, zijn zonden te overdenken, zijn karma te verkleinen, zijn persoon te ontkennen, zijn ego te onderdrukken, zijn geest tot rust te brengen, zijn openheid te cultiveren, zijn gewoontes te doorbreken, zijn illusies te doorzien, zijn banden te verbreken, zijn bezittingen te lozen, zijn gedrag bij te stellen en de balans op te maken.

Mij best hoor, maar om dat nou vrijheid te noemen?

Zo ken ik een advaitaleraar, laten we hem X noemen, die te pas en te onpas tegen anderen en tegen zichzelf roept dat ‘het de verlichte betaamt alles te verwelkomen’.

Een fuik van jewelste en een gesel voor hen die hunkeren naar verlichting of die zich de identiteit van verlichte hebben aangemeten.

Zolang je gelooft dat de verlichte iets past zit je vast.

Zolang je gelooft in verlichting als iets wat je kunt worden of doen of bereiken, heb je iets te worden, te doen of te bereiken.

Ook deze woorden zijn misleidend en zetten je vast.

En te zeggen dat alle woorden misleidend zijn, of dat de waarheid voorbij de woorden is of iets van die strekking, maakt het er niet beter op.

Dat verleidt alleen maar tot zwijgerij en het ophemelen van stilte.

Advaita is: niet vastzitten in advaita

Wat betreft de door jou ‘gerespecteerde, vaste satsangbezoeker B.’ die meende ‘dat jouw gedachten, en eigenlijk alle gedachten, vanuit het perspectief van de advaita vedanta gebakken lucht zijn’ – hij heeft volkomen gelijk.

Helaas voor B. betekent dit dat zijn gedachte dat jouw gedachten vanuit het perspectief van de advaita vedanta gebakken lucht zijn, ook gebakken lucht is.

Evenals de gedachte dat eigenlijk alle gedachten vanuit het perspectief van de advaita vedanta gebakken lucht zijn.

Evenals het perspectief van de advaita vedanta zelf.

Dus waarop wou B. zich nog beroepen?

Waartegen wou jij nog in beroep gaan?

Advaita is uiteindelijk zelfvernietigend.

Dat is precies wat ik er zo mooi aan vindt: het doet alles op zijn grondvesten schudden.

Advaita is een ander woord voor aardbeving, of liever, geestbeving.

Non-dualisme als denksteenvergruizer.

Wie ieder onderscheid ondermijnt, zelfs het onderscheid tussen eenheid en veelheid, werkelijkheid en illusie, iemand en niemand, één en twee en niet-twee en veel, die raakt alle verhalen kwijt.

Ook het verhaal van advaita, ja.

Niets houdt hij over.

Zelfs niet het niets.

Geen grond meer onder zijn voeten en geen poot meer om op te staan.

Einde oefening.

Afgelopen, uit.

Stel je dat eens voor. Geen dvaita. Geen advaita. Geen veda. Geen vedanta. Geen dualisme. Geen non-dualisme. Geen dualiteit. Geen non-dualiteit. Geen zelf. Geen niet-zelf. En ook geen niet-weten natuurlijk.

Kan het eenvoudiger?

Advaita is: niet vastzitten in Bewustzijn

Het komt mij voor dat je je met je hypostase van ‘het Bewustzijn dat zich uitdrukt via de gedachten van wat men gewoonlijk de persoon noemt, in mijn geval Ferry’, evenzeer en net zo hopeloos vast lult als met de hypostase van de persoon zelf, in jouw geval Ferry.

Het Bewustzijn is gewoon de volgende persoon, zeg maar Ferdinand of Ferrari.

De Persoon der personen.

De Hoofdpersoon, ontsproten aan het Opper-hoofd.

Dat alleen maar een alter ego blijkt te zijn van goeie ouwe Ferry.

Zo praat je er tenminste over:

‘Het Bewustzijn kent mij en leeft mij. In die zin ben ik het Bewustzijn en andersom. Er is geen afgescheidenheid.’

Het Bewustzijn is gewoon de volgende persoon.

Wat is Bewustzijn precies, vraag ik mij af, of doe alsof.

Een personificatie, een reïficatie of een deïficatie?

Misschien wel een mystificatie.

Ik zou tenminste niet weten hoe je ‘het niets dat alles is’ en ‘het alles dat in zichzelf leeg is’ (jouw woorden) anders zou moeten noemen.

Met dat soort taal maak je de heilige graal alleen maar heiliger, stuw je de overspannen verwachtingen nog hoger op en wek je in je gebiologeerde toehoorders precies de spirituele hebzucht, eerzucht en behaagzucht op die je zegt te verafschuwen.

Inflatie van de non-persoon verleidt tot identificatie.

Advaita is: niet vastzitten in speculatie

En wat is dat nou ineens weer voor geheimzinnig gedoe over de kosmos?

Ja, ik ken die R. die je met instemming citeert wel zo’n beetje – cryptofiel, filoloog, sciëntist, nieuwetijdskind en praatjesmaker par excellence met zijn meeneemideeën over elfdimensionale snaren en andere luchtgitaren, zijn gewauwel over de noodzaak tot verwetenschappelijking van onze zogenaamd middeleeuwse spiritualiteit naar het voorbeeld van Lama Ladida, bla bla bla.

Pas maar op dat je kop niet uit elkaar knalt.

Metafysica is amfetamine voor de mind, maar met spiritualiteit heeft het geen jota te maken, of hoe het kleinste higgsdeeltje tegenwoordig ook mag heten.

Tenzij je spiritualiteit definieert als speculatie.

Voor mij is spiritualiteit juist het einde van alle speculatie, zowel de gebreidelde als de ongebreidelde variant.

Of ten minste de erkenning van het speculatieve karakter van onze verheven gedachten.

Een speculum om de ongeboren babbelbox bloot te leggen, die gedijt bij verborgenheid.

Waarop hij meteen dichtklapt.

Gynäkologie des Geistes.

Advaita is: niet vastzitten in de Waarheid

Ook dat andere stokpaardje van je, het leven als Mysterie, is dezer dagen bon ton onder beaten uit alle hoeken en gaten, van ongeboren tot ongestorven, van half gaar tot dubbel gebakken, wat een lucht.

God is dood, Osho bijgezet, Hare Krishna vergeten, Boeddha in zijn kont geneukt – leve het Mysterie.

Het Mysterie – weer een nieuw sterrenbeeld aan het firmament om thee en horoscopen van te trekken, het volgende mikpunt voor de psychonaut.

Zou dat dan de Eeuwige WijsDom zijn, verlichting als permanente staat van verwondering?

Verwonder je hier dan maar eens over: niemand verkeert in een permanente staat van verwondering.

Zelfs amnesiepatiënt Clive Wearing niet.

Zelfs mijn demente ouders niet.

En verlichten wel het allerminst, wat jij.

Zij hebben namelijk de absolute Waarheid in pacht.

Vreemd genoeg niet allemaal dezelfde.

Zelfs dat verwondert ze niet.

Verlichten lijken sprekend op elkaar, hun act gaat over van leraar op leerling.

Zekerheid zaaien en bewondering oogsten, luidt het devies.

Bestudeerd hun gebaren, alwetend hun blik.

Zelfgenoegzaam glimlachen ze hun gehoor uit.

En maar Wijzen.

Speel maar eens een videootje van een van je eigen satsangs af, en let vooral op je handen.

Advaita is: niet vastzitten in je gedachten

Satsang – alleen het woord al.

‘Bijeenkomst in Waarheid’.

Wat heeft dat met verwondering te maken?

Daarom wil ik je ter overweging geven dat ‘het Mysterie van het Leven dat ons leeft’ weleens niet meer zou kunnen zijn dan een modieuze gedachte, die net als alle gedachten, modieus of niet, komt en gaat.

Geprezen zij de Heer, Hij weet het ook niet meer.

Of heeft het nooit geweten.

Als je het Mysterie niet denkt is er geen Mysterie te bekennen, als je het Leven niet denkt geen Leven, als je het Bewustzijn niet denkt geen Bewustzijn.

Hoef je ook niks meer uit te leggen.

Kan je er ook geen geld meer voor vragen.

Zijn er ook geen hooggespannen verwachtingen meer.

Heb je ook niks meer Waar te maken.

Man, ontspan.

Bijeenkomst in lichtheid – dat is pas satsang.

Gezelligheid kent geen tijd, vergankelijkheid duurt het langst, wat kan het absolute daaraan toevoegen?

Ook dit zijn maar gedachten.

Over een paar seconden zijn ze alweer verdwenen.

Instant verlossing, eeuwige Endlösung.

Helemaal gratis.

Je hoeft er niets voor te doen.

Je kan er niets tegen doen.

Zoen,

Hans

-18-

Advaita is ook maar een verhaal

Beste Hans,

In de leader van de film Alles over niets vergelijkt Paul Smit de voice-over in ons hoofd met de oude mopperpotten Statler en Waldorf van de Muppets, die vanaf hun balkon eindeloze verhalen vertellen over het leven, dat zich ondertussen niets van hun aantrekt en gewoon zijn eigen gang blijft gaan.

Want wij leiden niet ons leven, het leven leidt ons. Volgens Paul, die spreekt in de traditie van de advaita vedanta, hebben wij geen vrije wil, al proberen de stemmetjes in ons hoofd ons voortdurend wijs te maken van wel. Een intrigerende gedachte, vind je niet?

Beste Nuri,

Zeker weten dat dit niet het volgende verhaal van Statler en Waldorf is?

Nuri: De non-dualist Jan van Delden gebruikte jaren eerder al een soortgelijke metafoor. Hij had het over de loodsvisjes die doen alsof ze de haai leiden, terwijl ze in werkelijkheid alleen maar meezwemmen.

Hans: Zeker weten dat dit niet het volgende verhaal van de loodsvisjes is?

Nuri: Van Delden heeft het ook vaak over de honderdacht Jantjes in ons hoofd. Jantje Gierig, Jantje Jaloers, Jantje Voorop. Volgens hem zijn het allemaal praatjesmakers en moeten we ze leren negeren.

Hans: Zeker weten dat dit niet het volgende verhaal van de Jantjes is?

Nuri: Volgens hem moet je koffer met verhalen helemaal leeg.

Hans: Zeker weten dat dit niet het volgende verhaal uit je koffer is?

Nuri: Eindelijk hoor ik wat je zegt.

Hans: Vraagt.

Nuri: Wou jij beweren dat alle goeroes, roshi’s, meesters en leraren op hun beurt slechts manifestaties zijn van de Statlers en de Waldorfs en de loodsvisjes en de Jantjes?

Hans: Wou jij beweren dat ik iets wou beweren?

Nuri: Op wie moet ik me dan verlaten?

Hans: Verlaten is het juiste woord.

Nuri: Op mijn innerlijke goeroe?

Hans: Die kan wel zoveel beweren.

Nuri: Op mijn gevoel?

Hans: Die dolle stier?

Nuri: Op mijn intuïtie?

Hans: Mijn intuïtie zegt van niet.

Nuri: Volgens Jack Kornfield kunnen wij ons volledig verlaten op de wijsheid van het hart.

Hans: Dat is een achterhaalde metafoor. Het hart is een pomp.

Nuri: Jack Kornfield is anders niet de eerste de beste.

Hans: Statler en Waldorf ook niet. Toch zijn het pratende poppen.

Nuri: Het zijn allemaal maar verhalen, wou je zeggen.

Hans: Dat het allemaal maar verhalen zijn ook.

Nuri: Het enige wat rest is niet-weten.

Hans: Tenzij dat ook maar een verhaal is.

Nuri: Niet-weten is ook maar een verhaal?

Hans: Jij zegt het.

Nuri: Dan zeg ik wel niks meer.

Hans: Vind jij dat we moeten zwijgen?

-19-

Illusies in Bewustzijn en Bewustzijn als illusie

Je gedachten allemaal opzijzetten

Beste Hans,

Als ik mijn ogen open, ervaar ik een buitenwereld die wordt verlicht door een uiterlijke lichtbron. Als ik mijn ogen sluit ervaar ik een binnenwereld die wordt verlicht door een innerlijke lichtbron.

De uiterlijke lichtbron is de zon of een afgeleide daarvan. De innerlijke lichtbron is het Universele Bewustzijn dat alles verlicht maar zelf onzichtbaar is. Het verlicht ook het ego dat schijnbaar rondwandelt in de schijnbare buitenwereld maar in werkelijkheid niet meer is dan een illusie in het Bewustzijn.

De kleine golf bestaat niet zonder de grote zee. Ik ben niet de golf, ik ben de hele zee. Het afgescheiden ik is een illusie. Er is alleen het ondeelbare Ene. Het ware Zelf. Daarom is het oneindig kleine even groots als het oneindig grote.

Het is zinloos om het antwoord buiten mezelf te zoeken. Alles wat ik echt moet weten, weet ik al. Ik heb alleen teveel verkeerde gedachten, dus die zet ik best opzij. Aangezien ik niet zo goed weet wat de verkeerde zijn, zet ik ze gewoon allemaal opzij. Ik houd me er niet langer aan vast want ze zijn zo vluchtig en het kost me zoveel energie om ze na te jagen. De hemel zal mijn beloning zijn.

Ik heb alles om tot weten te komen als ik niets meer weet. Wat daarna rest is het inzicht en het uitzicht.

Beste Gijsbrecht,

Aangezien ik niet zo goed weet welke de verkeerde gedachten in je brief zijn, lijkt het mij het beste om je advies op te volgen en ze gewoon allemaal opzij te zetten. Bij dezen.

De illusie van binnen en buiten

Gijsbrecht: Daar heb je me mooi te pakken, Hans. Ik zou het op prijs stellen als je toch wat dieper op de inhoud van mijn brief in zou willen gaan. Je hoeft me niet te ontzien. Gespaard ben ik al te vaak.

Hans: Dan loop ik je brief punt voor punt langs.

Om te beginnen maak je onderscheid tussen een buitenwereld die je met je ogen kunt zien en een binnenwereld die je kunt zien met je ogen dicht.

Ik zal niet ontkennen dat de wereld op het eerste gezicht in tweeën uiteen lijkt te vallen, maar zelf ben ik er bij nader inzien niet in geslaagd de grens tussen de uiterlijke en innerlijke wereld te trekken.

Integendeel, de buitenwereld en de binnenwereld blijken elkaar zozeer te doordringen dat ik tegenwoordig geen idee meer heb waar de ene ophoudt en de andere begint.

Ik zie het verschil niet meer.

Wat mij betreft kun je alles net zo goed buitenwereld als binnenwereld noemen.

Of buitenwereld én binnenwereld tegelijk.

Of buitenwereld noch binnenwereld.

Laat staan dat ik de kenstructuren van beide werelden doorzie.

Dat er een innerlijke lichtbron, namelijk Bewustzijn, moet zijn om de innerlijke wereld ervaarbaar te maken zoals er een uiterlijke lichtbron nodig is om buiten iets te kunnen zien, lijkt mij alleen al daarom een gewaagde analogie.

Het Ene is eeuwig alleen

Dat de buitenwereld en de binnenwereld bij nader inzien onontwarbaar zijn, of zelfs fictief, betekent uiteraard niet dat ‘alles’ één is.

Hoe stel je zoiets vast?

Wie kan ‘alles’ overzien?

Is ‘alles’ wel meer dan een woord?

De beeldspraak van de kleine golf die niet doorheeft dat hij de grote zee is, biedt troost aan eenzame zielen, maar is daarom nog niet waar.

Een druppel is geen golf, je kunt er niet op surfen.

Een golf is geen zee, je kunt er niet op varen.

Al zou de golf onbetwistbaar de zee zijn, dan nog was het een schrale troost.

Juist door zijn alomvattendheid is het Ene onherroepelijk alleen.

Zelfgenoeg zijn is geen samenzijn, maar het toppunt van afgescheidenheid.

Het zelfgenoeg zijn van het ene Bewustzijn is een vorm van solipsisme.

Per definitie.

En de liefde van de solipsist kan alleen maar liefde voor zichzelf zijn, want buiten hem is er niets.

Dat heet narcisme.

Als het Ene bestaat tenminste.

Anders heet het gewoon een illusie.

Kan een universeel Bewustzijn iets voor zichzelf verborgen houden?

Stel dat ik inderdaad het ene Bewustzijn ben.

Wat heb ik daaraan als ik er geen toegang toe heb?

Waarom ben ik altijd hier en nooit daar, laat staan overal?

Waarom kan ik in mijn hoedanigheid van universeel Bewustzijn niet jouw gedachten lezen en niet door jouw ogen kijken?

Waarom weet ik niet onmiddellijk, zelfs zonder te lezen of te kijken, wat jij denkt en ziet?

Als alle wezens een en hetzelfde Bewustzijn belichamen, waarom zijn wij dan veroordeeld tot lichaamstaal, moedertaal en gebarentaal?

Vanwaar al die misverstanden tussen ons?

Waarom zijn wij niet transparant voor elkaar?

Waarom zijn wij niet eens transparant voor onszelf?

Los van deze praktische vragen dienen zich ook principiële vragen aan.

Kan een universeel Bewustzijn iets voor zichzelf verborgen houden en toch nog universeel zijn?

Kan het Ene zichzelf opsplitsen in delen en toch nog één zijn?

Kan het Onbegrensde zichzelf begrenzen en toch nog onbegrensd zijn?

Denkbeelden van het type kleine golf versus grote oceaan, het valse ego versus het ware Zelf, het afgescheiden ik versus het ondeelbare Ene, kom je tegen in uiteenlopende tradities, waaronder advaita vedanta, taoïsme, zen en dzogchen.

Ik zal de laatste zijn om ze te ontkennen.

Persoonlijk durf ik het bestaan van een persoonlijke ego of een persoonlijk bewustzijn al evenmin te bevestigen of te ontkennen als het bestaan van een onpersoonlijk Zelf of een universeel Bewustzijn.

Laat staan dat ik mij laat verleiden tot uitspraken over de relatie tussen beide.

Of antwoorden ga zoeken op de vele vragen die ze oproepen.

Ik zal ook de laatste zijn om ze te erkennen.

De rationalistische argumenten en analogieën die in dit verband gewoonlijk worden opgevoerd en die de afgelopen jaren veelvuldig door correspondenten op mij zijn uitgeprobeerd, hebben geen enkele indruk op me gemaakt.

Retoriek ruik ik van verre, en als je er eenmaal immuun voor bent, hoor je alleen maar ruis.

Ruis die muziek wil zijn.

Zelf bedien ik me ook van retoriek, iets anders heb ik niet.

Ik gebruik het om niets te zeggen, dit ook niet.

Niet-weten is ruis die geen muziek wil zijn.

Wat mensen er ook in horen.

Waarin verschijnt het Bewustzijn?

Het al dan niet vermeende Bewustzijn wordt door non-dualisten vaak omschreven als de onkenbare grond van het kennen.

Waarom het kennen zo nodig een grond zou moeten hebben heeft niemand mij ooit duidelijk kunnen maken.

Waarom die grond onkenbaar zou moeten zijn ook niet.

Waarom die grond zelf geen grond nodig heeft ook niet.

Dat laatste is een verschijningsvorm van het aloude regressieprobleem waaronder de meeste kosmologiën gebukt gaan.

De wereld is geschapen door de Schepper, alla, maar waardoor is de Schepper geschapen?

Als de Schepper zichzelf kon scheppen, kan de wereld dan niet net zo goed zichzelf geschapen hebben?

Als de wereld zijn eigen schepper was, waar is die Schepper dan nog voor nodig?

De wereld is veroorzaakt door de Eerste Oorzaak, alla, maar wat veroorzaakte de Eerste Oorzaak?

Als de Eerste Oorzaak zichzelf kon veroorzaken, kan de wereld dan niet net zo goed zichzelf hebben veroorzaakt?

Als de wereld zijn eigen oorzaak was, waar is die Eerste Oorzaak dan nog voor nodig?

De wereld verschijnt in Bewustzijn, alla, maar waarin verschijnt Bewustzijn?

Als Bewustzijn in zichzelf verschijnt, kan de wereld dan niet net zo goed in zichzelf verschijnen?

Als de wereld in zichzelf verschijnt, waar is dat Bewustzijn dan nog voor nodig?

Hele bibliotheken zijn er over het regressieprobleem volgeschreven.

Ook daar is geen beginnen en geen einde aan.

Het dogma van de onkenbare grond

De grootste moeilijkheid van een onkenbare grond is zijn onkenbaarheid.

Zo’n grond is principieel niet waar te nemen of te ervaren en daarom is zijn bestaan onmogelijk te verifiëren of te falsificeren.

Iedere rechtstreekse of indirecte waarneming of ervaring van de onkenbare grond, bijvoorbeeld in de vorm van een visioen, een inzicht, een eenheidservaring, verzonkenheid, exaltatie, extase, kensho, satori, ananda, jhana, moksha of samadhi, moet worden afgewezen als een illusie, anders zou de grond niet onkenbaar zijn.

Ook de rede biedt geen soelaas: over het onkenbare kan per definitie en bij gebrek aan premissen niet geredeneerd worden.

Uitspraken over de onkenbare grond kunnen daarom net zo goed waar als onwaar zijn.

Nee, dat zeg ik verkeerd.

Uitspraken over de onkenbare grond kunnen net zomin waar als onwaar zijn.

Geloofsartikelen die zich helemaal niets aan de rede of de realiteit gelegen laten liggen en waaraan de rede en de realiteit zich helemaal niets gelegen laten liggen, heten dogma’s.

Het zijn vicieuze verhalen, tautologische structuren, onneembare leer-stellingen.

Onweerlegbare zekerheden in een onzeker heden – de meeste mensen kunnen niet zonder.

Zijn atomen ruimteschepen?

Het oneindig kleine en het oneindig grote waar jij het over hebt, ken ik uit de wiskunde.

Daar zijn het gedachteconstructies die als katalysator van het onderzoekende denken fungeren.

Ze inspireerden in de loop van de eeuwen tot de differentiaal- en integraalrekening van Leibniz en Descartes, tot alternatieven voor de Euclidische meetkunde en tot de overaftelbare verzamelingen van Cantor.

In religies dient het idee van het oneindig grote als toevluchtsoord voor mensen die zich anders verloren voelen.

Het oneindig grote mag dan oneindig groot zijn, het idee van het oneindig grote is net als alle ideeën oneindig klein.

Het oneindig kleine geeft een oneindig gevoel van veiligheid.

Het inspireerde in de loop van de eeuwen tot oneindig gedoe:

Woordvloed, zwijgzaamheid, hoogmoed, bescheidenheid, zonde, boetedoening, ascese, barmhartigheid, bouwdrift, beeldenstormen, bekeringsdrang, gelatenheid, extase, verzuiling, oecumene, inquisitie, martelaarschap, heiligverklaring en oorlog.

En nou deze correspondentie weer.

Gedachten verkrachten

In je brief maak je een onderscheid tussen goede en verkeerde gedachten.

Je neemt je voor de verkeerde gedachten opzij te zetten, en voor de zekerheid meteen maar álle gedachten.

Dat gedachten goed of verkeerd kunnen zijn is ook maar een gedachte.

Is die volgens jou goed of verkeerd?

Wat je ook ten antwoord geeft, het is opnieuw een gedachte.

Goed of verkeerd?

Volgens de spiritueel therapeute Byron Katie is iedere gedachte een goede gedachte, zolang je maar afstand houdt.

Volgens de non-dualist Jan van Delden is iedere gedachte een verkeerde gedachte die je maar beter op afstand houdt.

Zelf beschik ik niet over een boven alle discussie verheven maatstaf om vast te stellen welke gedachten goed of verkeerd zijn, dus kan ik daarover geen boven alle discussie verheven oordeel vellen.

Volgens jou kun je je gedachten opzijzetten.

Volgens Byron Katie kun je ze niet opzijzetten omdat ze zich nou eenmaal ongevraagd aandienen, maar je kunt ze wel onderzoeken.

Zelf heb ik inderdaad weleens de indruk dat ik mijn gedachten onderzoek of opzij zet, maar of ik dat doe of onderga of beide of geen van beide kan ik, alle intuïties daarover ten spijt, niet objectief vaststellen.

Het zou net zo goed een droom kunnen zijn, of een verkeerde gedachte.

Niet lang geleden schreef iemand mij dat hij zijn gedachten uit kon zetten wanneer en zolang hij maar wilde.

Dat kon ik natuurlijk niet verifiëren want iedere keer dat hij mij schreef had hij ze net weer aanstaan.

Bovendien is uitzetten geen opzijzetten, want hij kon duidelijk niet zelf bepalen wat hij dacht als hij dacht.

Of laat ik het zo zeggen, wat hij tegen mij dacht had ik nooit zelf willen denken.

Vandaar mijn vraag: weet je zeker dat je je gedachten naar believen opzij kunt zetten?

Zo niet, dan zou ik die gedachte maar gauw opzijzetten.

Wat als de hemel maar een gedachte is?

Als je je gedachten niet langer najaagt, zal de hemel je beloning zijn, zeg je.

Hoe weet je dat?

Ben je er op bezoek geweest vertrouw je op je eigen voorgevoel of op andermans beloften misschien?

Wat als de hemel zelf maar een gedachte is – misschien zelfs, godbetere, een verkeerde?

Denk jij dat ik met mijn niet-weten, of wat het ook is, al in de hemel ben?

Zelf heb ik geen idee waar ik ben of hoe ik het moet noemen.

Dat is vast niet jouw idee van de hemel?

Als je niets meer weet, heb je alles om tot weten te komen, zeg je.

Alsof het een voorafje is.

Eerst niet-weten, dan spinazie eten.

In mijn ervaring is het niet-weten zelf de spinazie.

Spinazie à la crème.

Je krijgt er geen spierballen van, zoals Popeye, en geen anker op je onderarm om je aan vast te houden, maar wel een smedige geest.

Een vredige geest.

Zonder tatoeages.

Zonder ankers.

Niet-weten is het einde van de rusteloze zoektocht naar een Definitieve Verklaring voor Alles.

In agnose heb je alle inzichten achter je gelaten zonder dat er iets voor in de plaats is gekomen.

Behalve een weids uitzicht.

Ik kan er eindeloos naar kijken en ik mag het graag schilderen, al is het dan met woorden.

Nou, dat was het wel zo’n beetje.

Excuses voor mijn verbositeit.

Ik had je liever rechtstreeks via ons gemeenschappelijk Bewustzijn benaderd, maar ik kon je nergens vinden.

Zelfs niet in mijn dromen.

Ik hoop dat je innerlijke licht intussen niet is uitgegaan.

De groeten aan de nieuwe maan,

Hans

Gijsbrecht: Wat ik pretendeer, doe jij daadwerkelijk. Je hebt zonder enige consideratie al mijn gedachten opzij gezet. Ik vrees dat ik nog een weg te gaan heb.

Hans: Als je nou eens begon met het opzijzetten van de gedachte dat je nog een weg te gaan hebt?

Gijsbrecht: Daar heb je me alweer te pakken.

-20-

Advaita vedanta als denkweg uit de grijpgeest

Niet-twee is niet één

Beste Hans,

Het is pas door jouw vertaling van non-dualiteit in ‘geen onderscheid weten te maken’ dat ik begrijp wat ermee bedoeld wordt. Welk verschil zich ook aan je voordoet, uiteindelijk is het niet hard te maken. Alles is één. Alle grenzen zijn kunstmatig.

Dat is ook de diepere betekenis van a-dvaita: niet-twee. Geen onderscheid weten te maken. Er is alleen maar het Ene. De Bron. Bewustzijn.

Beste Orban,

Advaita vedanta is een vernuftige term die vaak verkeerd begrepen wordt.

In mijn visie behoort hij tot het ontkennende, het apofatische spreken.

Apofatisch spreek je als je wilt zeggen hoe iets niet is zonder te zeggen hoe het wel is.

Het is een vorm van tegenspreken.

Een apofatische uitspraak is geen eigen stellingname maar een ontkenning van andermans stellingname.

A-dvaita, niet-twee, non-dualisme, is simpelweg een ontkenning van dvaita, twee, dualisme.

Niet voor niets wordt het gekwalificeerd door een tweede ontkennende term, vedanta.

Vedanta is Sanskriet voor het einde (anta) van de wijsheid (veda).

‘Advaita vedanta’, etymologisch een dubbele ontkenning, bestrijdt bepaalde aanspraken op wijsheid zonder zelf aanspraak op wijsheid te maken.

Advaita is een ‘nietes’ tegen het ‘welles’ van dvaita.

Niet meer en niet minder.

Mensen houden niet van nietes, dus maken ze er gauw een welles van.

Niet-twee, redeneren ze, betekent eigenlijk één.

En advaita vedanta betekent eigenlijk ‘alles is één’.

Nou, dat betekent het dus niet.

Anders had advaita vedanta wel eka veda geheten, de wijsheid van de of het ene of van eenheid.

Maar het heet advaita vedanta, in de betekenis van niet-twee, het einde van de wijsheid, en daarmee basta.

Want hoe verheven het ook klinkt in zo’n op sterven na dode taal, eigenlijk is het gewoon een krachtterm.

Je hoort hem met stemverheffing uit te spreken terwijl je met je vuist op tafel slaat.

‘ADVAITA VEDANTA NOG AAN TOE!’

Zo snoert men de mind de mond.

Advaita als exit uit het starre dualistische denken

Orban: Wat kan niet-twee nou anders betekenen dan één?

Hans: Van niet-twee naar één is net zo’n grote sprong als van niet vol naar leeg, van niet heet naar koud, van niet vies naar lekker, van niet lelijk naar mooi, van niet kruipend naar vliegend.

Een blaas die niet vol is hoeft niet leeg te zijn, een bad dat niet heet is hoeft niet koud te zijn, een drankje dat niet vies is hoeft niet lekker te zijn, een gezicht dat niet lelijk is hoeft niet mooi te zijn, een dier dat niet kruipt hoeft niet te kunnen vliegen.

Van niet-twee naar één is een bokkensprong.

Een foutsprong.

Non-dualisme is enkel een ontkenning van het dualisme, geen bevestiging van het monisme.

Orban: Ja, misschien is eenheid niet zo’n gelukkige term, maar wat is niet-twee? Is de waarnemer niet het waargenomene? Is het subject niet het object? Is dát niet de boodschap van de advaita vedanta? Zijn wijzelf niet die boodschap? Zijn wij niet dát?

Hans: Is de waarnemer het waargenomene? Jeminee.

Is het subject het object? Geen idee.

Niet-twee betekent alleen dat je ze niet weet te scheiden.

Dat je geen idee hebt waar de een ophoudt en de ander begint.

Maar niet-twee betekent net zo goed dat je ze niet weet te verenigen.

De waarnemer is een idee, het waargenomene is een idee, het subject is een idee, het object is een idee, hun relatie is een idee, hun tweeheid is een idee, hun eenheid is een idee.

Niet-twee is geen idee.

Welke metafysische conclusies wou je daaruit afleiden?

Orban: Dus volgens jou is advaita vedanta alleen maar een nietes tegen dvaita.

Hans: Niet twee, einde van de wijsheid.

Een exit uit het starre dualistische denken.

Een nooduitgang voor mensen die het er benauwd van krijgen.

De rest mag zich erin koesteren tot de dag des oordeels.

Orban: Vandaar nón-dualisme.

Hans: Maar net zo goed een exit uit het starre monistische denken.

Voor mensen die het er benauwd van krijgen.

De rest mag zich erin koesteren tot de dag des oordeels.

Orban: En dan?

Hans: Zullen we eindelijk zien wie er in de droom leefde.

Orban: Hier krijg ik het pas benauwd van.

Hans: Advaita vedanta is geen heilsweg naar Bewustzijn maar een ijlweg uit de mind.

Een denkweg uit de waan.

Een afrit uit de denklus.

Een wegdenkweg uit iedere vorm van gedachtenverstarring, zowel monistisch als dualistisch als non-dualistisch als pluralistisch en nihilistisch.

Orban: Brr. Volgens mij ben ik een onverbeterlijke monist.

Hans: Een van de velen.

Niet-weten is iets wat je niet-doet

Orban: Helpt niet-weten tegen gedachtenverstarring?

Hans: Niets helpt tegen gedachtenverstarring, niet dat ik weet. Advaita vedanta ook niet. Agnose ook niet.

Orban: Wat is niet-weten dan wel?

Hans: Dat zeg ik. Geen idee.

Orban: Echt niet?

Hans: Een zelfreinigende geest.

Een denken dat zichzelf bij de staart heeft.

Een weetniet is een denker die kan lachen om al zijn ideeën, ook om deze.

Orban: Dan helpt het toch tegen gedachtenverstarring?

Hans: Niet-weten helpt niet tegen gedachtenverstarring, het is een denken dat niet verstart.

Orban: Niet-weten is toch iets wat je toepast? Een vorm van mindfulness – opletten bij het denken?

Hans: Opletten bij het denken is geen doen. Ik moet er niet aan denken.

Orban: Wat heb je er dan aan?

Hans: Wat heb je aan je blinde darm?

Orban: Kom nou.

Hans: Niet-weten is geen methode of gereedschap.

Het is geen remedie of therapie.

Het is geen naaimachine-olie om het zwoegende brein te smeren.

Je hebt er niets aan want het is niet iets wat je doet.

Het is iets wat zich aan je voordoet.

Orban: Je bent het keuzeloos gewaar.

Hans: Doe maar duur.

Orban: Wu wei.

Hans: Hoppetee.

En dan het absolute nog overstijgen

Orban: Geen mindfulness, geen keuzeloos gewaarzijn, geen wu wei, wat dan wel?

Hans: Zeg jij het maar; ik heb er hoe dan ook geen omkijken naar, ik kan het gewoon niet helpen.

Mijn geest is zelfreinigend zoals een motor zelfsmerend is, een reddingsboot zelfrichtend, een schroef zelftappend, een profetie zelfvervullend, een windmolen zelfzwichtend, mijn longen zelfzuchtend.

Orban: Niet-weten stelt eigenlijk niets voor.

Hans: Niet in mijn woordenboek.

Het is een pretentieloze term om aan te geven dat je het allemaal niet meer weet.

Dat je je gedachten niet meer gelooft, deze ook niet.

Dat je daar vrede mee hebt, grote vrede.

Als je begrijpt wat ik bedoel.

Maar alle termen zijn aan inflatie onderhevig.

Zelfs een klein kinderwoord als niet-weten wordt algauw een grotemensenwoord waarop spirituele patjepeeërs massaal hun spatjes komen afscheiden.

Dan krijgt het in naam der verlichting zware betekenissen toegedicht die alleen nog getuigen van zeker-weten, al dan niet voorgewend.

Orban: Zoals?

Hans: Het universele bewustzijn of het mysterie van het leven of dat wat ik ten diepste ben of het kennen dat zelf op geen enkele wijze gekend kan worden of de alomvattende geest of de leegte waaruit alles ontstaat en waarin alles vergaat of de stilte van het hart of het derde oog of onze fundamentele openheid of de onvoorwaardelijke liefde die wij zijn of het eeuwige hier en nu of de wijsheid voorbij alle wijsheid.

Orban: Mooi toch?

Hans: Mooie woorden zijn niet waar.

Orban: En ware woorden zijn niet mooi. Laozi.

Hans: Schoonzwammers zullen steeds weer proberen om er een waarheid van te maken, een werkelijkheid, een grond, een zekerheid, een steen der wijzen, een ding, een schepper, een god, een iets, een niets, een plaats, een tijd, een leidraad, een ideaal, een norm, een hebbeding, een afgodsbeeld, een amulet.

De zoveelste toverstok om het geluk af te dwingen.

Het zoveelste voetstuk om boven jezelf en je medemens uit te stijgen.

Transcendentie, weet je wel.

Orban: Herkenbaar.

Hans: Als in ‘kennen’.

Orban: Maar daar is het toch allemaal om te doen?

Hans: Waar om?

Orban: Transcendentie.

Hans: Je doet maar.

Orban: Ontsnappen aan het vergankelijke.

Hans: Van de ene droom in de andere.

Orban: Het relatieve overstijgen, bedoel ik.

Hans: En dan het absolute nog overstijgen.

Orban: En dan?

Hans: Het overstijgen nog overstijgen.

Orban: En dan?

Hans: Ben je daar ook weer van verlost.

Orban: En dan?

Hans: Sta je eindelijk weer met beide benen op de grond.

Niet-twee betekent dat het niet uitmaakt

Orban: Dus volgens jou is niet alles één?

Hans: Begin je nou weer?

Orban: Voor mij is dat de hamvraag.

Hans: Eén in welk opzicht?

Hoe stel je zoiets vast?

Wat bedoel je met alles?

Wat maakt het in vredesnaam uit?

Orban: Natuurlijk maakt het uit!

Hans: Niet-twee betekent dat het niet uitmaakt.

Dat het geen verschil maakt.

A-dvaita.

Niet uitmaken.

Orban: Geen onderscheid maken.

Hans: Geen onderscheid weten te maken.

En geen eenheid weten te maken.

Anders maakt het toch weer uit.

Orban: Niet-twee, niet-één, wat dan wel?

Hans: Een twee drie vier…

Orban: Hè?

Hans: Hoedje van, hoedje van, een twee drie vier, hoedje van papier.

Orban: Eerst een kinderwoord en nou weer een kinderliedje.

Hans: Spiritualiteit is kinderspel. Iedereen mag meedoen. Niemand kan het niet.

Orban: Behalve ik zeker.

Hans: Zalig zijn de armen van geest.

Orban: En ik maar denken dat het om de Hoogste Waarheid ging.

Hans: En jij maar denken.

-21-

Verlichting is wat je uitdoet als je vertrekt

Beste Hans,

Met veel plezier dwaal ik rond op je dwijze website. Voor mij is niet-weten een ander woord voor Bewustzijn. Verlichting is een ander woord voor Bewust Zijn. Dat wil zeggen, bewust zijn van het Bewustzijn dat wij zijn. Kun jij je hierin vinden?

Beste Ake,

Voor mij verwijst niet-weten naar niet weten. Bewust loos zijn. Loosbewust zijn. Wat je ook meent te zijn. Al is het maar loos bewustzijn. En dan je loosheid nog lozen. Kun jij je hierin verliezen?

Ake: Maar het loos zijn, is dat juist niet het oerkenmerk van het Bewustzijn dat wij zijn?

Hans: Als ik dat wist zou ik niet meer loos zijn.

Ake: Wat versta jij dan onder verlichting?

Hans: Wat je uitdoet als je vertrekt.

Ake: Ben jij al vertrokken?

Hans: Dat kan ik zo niet zien.

Ake: Waarom niet?

Hans: Omdat het hier zo donker is.

-22-

Monisme, dualisme of non-dualisme? Van canon naar kanon

Van dualisme naar monisme

Beste Flavia,

Je boekje ‘De Zachte Kracht’ viel me niet tegen, ik vond het lekker weglezen. In zijn soort is het aardige, toegankelijke lectuur, maar voor mij wat te zoet. Bewustzijn, vrede, liefde, mededogen, blijdschap, dankbaarheid, bloemen, eeuwig licht – ik hou meer van pittig.

De schrijfster zelf komt over als een onthecht, sereen en gelukzalig mens die alle ballast uit het verleden heeft losgelaten, geen schuld, angst of wrok meer kent, geen conflicten meer heeft en alle twijfel voorbij is.

Iemand die het leven minzaam knikkend toelacht, hoe het zich ook misdraagt.

Niet de Flavia die ik heb leren kennen.

Voor mij leest De Zachte Kracht niet als het verslag van iemand die, ik citeer, ‘het denken heeft overwonnen’ (pagina’s 12, 23, 55, 127) en ‘het verstand heeft doorzien’ (12, 16, 47, 55, 143), maar als de geloofsbelijdenis van iemand die het ene verstand heeft ingeruild voor het andere.

Het gezonde verstand voor het spirituele.

De dualistische canon voor de monistische.

De hokjesgeest voor de eenheidsworst.

De lineaire tijd voor het Eeuwige Heden.

Materie voor Bewustzijn.

De illusie voor de Werkelijkheid.

Iemand voor Niemand.

De doener voor de Getuige.

Worden voor Zijn.

Van monisme naar non-dualisme

Zelf kan ik net zomin geloven in het ene verstand als in het andere.

Er is niets maar dan ook niets in de spirituele canon, of in welke canon ook, waarvoor ik mijn hand in het vuur zou steken zonder asbest handschoen.

Er is niets waarvoor ik mijn hand in een asbest handschoen zou steken.

Vandaar misschien dat ik het spiritueel verstand met zijn monistische dogma’s alleen maar kan begrijpen als een voor sommigen blijkbaar noodzakelijk tussenstation op het pad van weet-ik-toch naar weet-ik-veel.

Het laatste houvast vóór het grote laatlos.

Een noodsprong om alvast aan de verstikkende dualistische denkbeelden van het gezond verstand te ontsnappen zonder meteen alle zekerheden op te geven.

Een voorproefje, een pilot, een generale repetitie, uitstel van executie.

Wat meestal uitdraait op afstel.

Je kan het natuurlijk ook omdraaien, dan noem je niet-weten een tussenstation.

Dat is de visie en/of ervaring van Johannes van het Kruis: God kan pas in je ziel afdalen als je je van ieder godsbeeld en zelfbeeld hebt ontdaan.

Voor deze christelijke mysticus is niet-weten slechts een voorbereiding op de mystieke eenwording, het laatste wat je ‘zelf’ kan doen.

Daarna is het afwachten geblazen, doffe ellende, dorre vertwijfeling, diepe eenzaamheid, peilloze wanhoop – de donkere nacht van de ziel, waar voor menig aspirant geen einde aan komt.

Want de laatste zet is aan God, en de Almachtige laat zich dwingen noch haasten, dat is genoegzaam bekend.

Je ziet, verhalen zat.

Voor elk wat wils, en anders verzin je zelf maar wat.

Heb je er voorgoed tabak van, zoals ik, dan prop je ze alle verhalen in de loop van een kanon, dit verhaal ook.

Aanstampen, lucifer erbij, BOEM!

Leeg is je canon.

De mensheid maakt drie stadia door

Omdat je het in De Zachte Kracht steeds over ‘dansen als een derwisj’ hebt, permitteer ik me een citaat van de soefi Juzjani:

De mens beeldt zich in dat hij de Waarheid kent en de goddelijke perceptie. In feite weet hij niets.*

* Het pad van de Soefi, Idries Shah, 2009, pagina 197.

Hoe Juzjani dat weet wordt nergens vermeld.

Wij mindere goden moeten het dus op gezag aannemen, een hachelijke zaak.

Wat hij er precies mee bedoelt, wordt ook al niet vermeld.

Dat de mens principieel geen toegang heeft tot de Waarheid en de goddelijke perceptie?

Dat er niet zoiets is als de Waarheid en de goddelijke perceptie?

Dat de Waarheid en de goddelijke perceptie alleen toegankelijk zijn voor de soefi, die bijgevolg geen mens is, althans geen gemiddeld mens?

We kunnen het Juzjani niet meer vragen.

Daarom voor de zekerheid een tweede citaat van een andere beroemde soefi, die maar liefst veertigduizend kwatrijnen bij elkaar ululeerde, Jalaludin Rumi.

De mensheid maakt drie stadia door. Eerst aanbidt hij alles: man, vrouw, geld, kinderen, de aarde en stenen. Daarna, als hij wat vorderingen heeft gemaakt, aanbidt hij God. Ten slotte zegt hij niet: ‘Ik aanbid God’; ook niet: ‘Ik aanbid God niet.’*

* Idem, pagina 229.

In plaats van God kan je hier een van je eigen eternalistische koosnaampjes gebruiken, het Bewustzijn, de Bron, het Zelf, de Boeddha, het Zijn, de Tao, het Mysterie, de Zachte Kracht enzovoort:

Ten slotte zegt hij niet: ‘Ik aanbid het Bewustzijn’; ook niet: ‘Ik aanbid het Bewustzijn niet.’

Ten slotte zegt hij niet: ‘Ik aanbid het Zelf’; ook niet: ‘Ik aanbid het Zelf niet.’

Ten slotte zegt hij niet: ‘Ik aanbid de Boeddha’; ook niet: ‘Ik aanbid de Boeddha niet.’

Ten slotte zegt hij niet: ‘Ik aanbid de Zachte Kracht’; ook niet: ‘Ik aanbid de Zachte Kracht niet.’

Om het citaat van Rumi verder aan te passen aan onze postchristelijke postmoderne tijd moeten we misschien het eerste en het tweede stadium omwisselen:

De mensheid maakt drie stadia door. Eerst aanbidt hij God. Daarna, als hij wat vorderingen heeft gemaakt, aanbidt hij alles: man, vrouw, geld, kinderen, de aarde en stenen. Ten slotte zegt hij niet: ‘Ik aanbid alles’; ook niet: ‘Ik aanbid alles niet.’

Hoe je het ook wendt of keert, Rumi was niet voor één gat te vangen.

Mooie definitie van verlichting?

Zeg ja en je bent voor één gat te vangen.

Zeg nee en je bent toch niet ontsnapt.

De Zacht Kracht komt onverwacht

Beste Hans,

Dank voor je reactie op De Zachte Kracht. Ik zou er een heleboel over kunnen zeggen maar ik beperk me tot één vraag. Klopt het dat jij je verheven voelt boven al die zoekers voor wie het spirituele verstand het eindstation is? Heb jij inderdaad het idee dat iedereen het verkeerd ziet behalve jij? Dat jij verder gaat dan iedereen? Zie jij jezelf als de enige ware verlichte? Lijkt het maar zo of is jouw spiritualiteit één grote egotrip?

Hans: Als dit één vraag was, ben ik blij dat het er niet meer zijn.

Flavia: Nou?

Hans: Nee, ik voel me niet verheven boven zoekers voor wie het spirituele verstand een eindstation is.

Ook niet boven mensen voor wie het gezond verstand het eindstation is.

Ik voel me ook niet hun gelijke.

Ik voel me ook niet hun mindere.

Wie of wat of dat ik ben is voor mij een onuitgemaakte zaak, om over anderen nog maar te zwijgen.

Wie zou zich dan waarop moeten laten voorstaan in vergelijking met wie?

Ik zeg alleen maar dat ik er niet meer in kan geloven.

In het gezond verstand niet, in het spiritueel verstand niet, in welke verstand dan ook niet.

En laat het onverstand ook maar zitten.

Als een natte hond schud ik alles van me af.

Kijk, een regenboog!

Flavia: Noem dat maar wijsheid.

Hans: Ik maak geen aanspraak op wijsheid of dwaasheid.

Flavia: Noem dat maar verlichting.

Hans: Ik waan mij niet verlicht of onverlicht, gehecht of onthecht, aards of heilig, egoïstisch of egoloos of wat dan ook.

Al die woorden hebben hun zeggingskracht voor mij verloren.

Dat is nou net de grap.

Flavia: De Kosmische Grap.

Hans: Al die woorden hebben hun zeggingskracht voor mij verloren.

Flavia: De Waarheid is voorbij de woorden.

Hans: Al die woorden hebben hun zeggingskracht voor mij verloren.

Flavia: Denk je dat je ooit de weg naar het spirituele verstand zult vinden?

Hans: Al die woorden hebben hun zeggingskracht voor mij verloren.

Flavia: Het spirituele verstand is nota bene je eigen woord.

Hans: Kan je nagaan.

Flavia: Wat blijft er over als alle woorden hun zeggingskracht verliezen?

Hans: Niet alle. Al die.

Flavia: Wat blijft er over als al die woorden hun zeggingskracht verliezen?

Hans: Geen idee.

Flavia: Daar doe ik het niet voor.

Hans: Noem het dan maar de Zachte Kracht.

-23-

Waarin verschijnt Bewustzijn?

Beste Hans,

Ik heb maar één vraagje: Waarin verschijnt niet-weten?

Beste Joan,

Non-dualisten zijn rare jongens en meisjes.

Ik ken er intussen een heleboel en ze zijn allemaal even aardig, maar ze hebben allemaal dezelfde eigenaardigheid.

Zit je net lekker over X te kletsen of daar komt ie weer, de eeuwige retorische vraag: ‘Waarin verschijnt X?’

Heb ik het over mijn lichaam, dan vragen ze: ‘Waarin verschijnt je lichaam?’

Heb ik het over de dood, dan vragen ze: ‘Waarin verschijnt de dood?’

Heb ik het over mijn lief, dan vragen ze: ‘Waarin verschijnt je lief?’

Heb ik het over de Boeddha, dan vragen ze: ‘Waarin verschijnt de Boeddha?’

Heb ik het over de Tao, dan vragen ze: ‘Waarin verschijnt de Tao?’

Heb ik het over niet-weten, dan vragen ze: ‘Waarin verschijnt niet-weten?’

En dan moet ik ze met open mond aankijken alsof ik het voor het eerst hoor, tot het hen eindelijk behaagt mij in te wijden in het grootste geheim op aarde, dat ze, echt, eerlijk waar, helemaal op eigen kracht ontdekt hebben, eigenlijk al op hun negende, hun zesde, hun derde, vlak voordat hun dierbaren het eruit sloegen, en dat ze ondanks alle dualistische indoctrinatie moeiteloos en onmiddellijk her-kenden dankzij de onvolprezen advaita vedanta:

‘In het Bewustzijn, Hans.’

In het Bewustzijn.

Vergeet de hoofdletter niet.

Dat niet al-één ons Ware Zelf is, maar in tegenstelling tot al die afschuwelijk onberekenbare aanschouwelijkheden in en om ons heen ook nog eens Onveranderlijk en Onvergankelijk.

Dit her-inneren heet Verlichting en daarvoor heeft een heldere geest nog geen seconde nodig.

Hoera!

Maar ja.

Waarin verschijnt Bewustzijn?

-24-

Ik denk dus ik ben Bewustzijn

Schijnvragen lokken schijnantwoorden uit

Beste Hans,

Ik heb maar één vraag aan jou. Waarin verschijnt niet-weten?

Hans: In de vraag ‘Waarin verschijnt niet-weten?’

Rob: Ik bedoel, waarin verschijnen je gedachten?

Hans: In de vraag ‘Waarin verschijnen je gedachten.’

Rob: Dan zal ik zelf het antwoord maar geven. Gedachten verschijnen in Bewustzijn.

Hans: Wie zegt dat gedachten ergens in verschijnen?

Rob: Waar moeten ze anders in verschijnen?

Hans: In schijnvragen.

Rob: Pardon?

Hans: Een schijnvraag is een verkapte bewering. Een vraag die iets veronderstelt dat nog niet is vastgesteld.

Rob: Wat heb ik dan verondersteld?

Hans: Dat zeg ik. Dat gedachten ergens in verschijnen.

Rob: Volgens mij heb ik je een legitieme vraag gesteld. De belangrijkste vraag die iemand je ooit zal stellen.

Hans: Wat was er vóór het begin? Hoeveel manen heeft de planeet Polyphemus? Waarom heb je je hond gemarteld?

Rob: Pardon?

Hans: Drie voorbeelden van schijnvragen. De eerste schijnvraag veronderstelt dat er iets is, bijvoorbeeld het heelal, dat een begin heeft waaraan iets vooraf ging.

De tweede schijnvraag veronderstelt dat Polyphemus een bestaande planeet is waarover je feitelijke vragen kunt stellen.

De derde schijnvraag veronderstelt dat jij een hond hebt en dat je die gemarteld hebt en dat daar een reden voor was die jij kent en desgevraagd kunt en wilt meedelen.

Snap je?

Bewustzijn als ether voor gedachtengolven

Rob: Geef nou maar toe dat je geen antwoord hebt op mijn vraag.

Hans: Ik geef toe dat ik geen antwoord heb op jouw vraag of op welke vraag ook, behalve de meest alledaagse.

Nu ik toch aan het bekennen ben, geef ik ook toe dat ik geen vragen meer heb, behalve de meest alledaagse.

Rob: Blijf dan maar dom.

Hans: Hoe slim is iemand die retorische vragen stelt?

Rob: Je draait eromheen. Gedachten moeten ergens in verschijnen.

Hans: Dat dachten fysici ook van licht. Ze noemden het ether. Die ether is nooit gevonden en geen fysicus zoekt er nog naar.

Rob: Vergelijk het dan maar met geluid. Geluidsgolven hebben wel degelijk een medium nodig. Zonder lucht geen geluid. Op de maan is het doodstil. Maar in je hoofd is het niet doodstil. Voilà.

Hans: Maar waarom zou je gedachten vergelijken met geluidsgolven en niet met lichtgolven? Is dat niet een beetje opportunistisch?

Rob: Wie niet bij bewustzijn is, is zich nergens van bewust. Er is dus Bewustzijn nodig om gedachten te ervaren.

Hans: Welnee, de bewusteloze is alleen maar bewusteloos bij wijze van spreken.

Hij is effe pleitte, tijdelijk buiten werking, uitgeschakeld, knock-out – ook allemaal bij wijze van spreken.

Je kan je nooit op een wijze van spreken beroepen om het bestaan van een of andere metafysische essentie of van wat dan ook te bewijzen of te ontkrachten.

Rob: Je probeert je eruit te draaien.

Hans: Dat de slapeloze geen slaap ervaart, bewijst niet dat daarvoor Slaapzijn nodig is.

Dat de goddeloze geen god ervaart, bewijst niet dat daarvoor Godzijn nodig is.

Dat de bewusteloze geen gedachten ervaart, bewijst niet dat daarvoor Bewustzijn nodig is.

Of wel soms?

Rob: Gedachten verschijnen in het onveranderlijke Bewustzijn dat wij zijn.

Hans: Is dat een kras op je plaat of een plaat voor je kop?

Rob: Het is gewoon de Waarheid.

De Grote Bedrieger en nog grotere bedriegers

Hans: Je redenering doet me denken aan de mijmeringen van de Franse filosoof René Descartes.

Die is in zijn Meditaties op zoek naar absolute zekerheid langs de weg van de methodische twijfel.

Hij stelt zich voor dat er een Grote Bedrieger is, een malin génie, die hem constant onjuiste gedachten voortovert.

Is er een manier om deze Grote Bedrieger te slim af te zijn?

Nou en of, meent Descartes.

Wat de Grote Bedrieger mij ook influistert, aan één feit valt niet te twijfelen: ik besta.

Als ik niet bestond kon de Grote Bedrieger mij ook niets influisteren.

Ik twijfel dus ik ben, dubito ergo sum.

Aangezien twijfelen een vorm van denken is, kunnen we deze uitspraak generaliseren tot ‘ik denk dus ik ben’, cogito ergo sum.

Rob: Zo is het! Descartes was op een haar na een non-dualist. Hij ging net niet ver genoeg. Van het beroemde ‘Ik denk dus ik ben’ naar het onomstotelijke ‘Ik denk dus ik ben Bewustzijn’ is maar één kleine stap.

Hans: Nou stap, zeg maar gerust bokkensprong.

‘Ik denk dus ik ben’ staat voor ‘Er is een gedachte nu, dus er is denken, dus er is een denker.’

Zo redeneert Descartes zich in één zin van het meest vluchtige en ongrijpbare (een gedachte nu) via een abstracte functie (het denken) naar een substantieel en bestendig subject aan wie die abstracte functie zich voltrekt (de denker).

Dat mag gerust denkbedrog heten.

Groot Bedrog van een Grootbedrieger.

De malin génie is er niks bij.

Rob: Ik snap wat je zegt, maar ik ben geen cartesiaan, ik ben een non-dualist.

Hans: Je snapt niet wat ik zeg, want de non-dualist doet precies hetzelfde.

Hij redeneert: ‘Er is een gedachte nu, dus is er een tijdloos, ondeelbaar en universeel Bewustzijn waarin die gedachte verschijnt en gekend wordt, dat ik wel zelf moet zijn, anders kon ik die gedachte niet kennen.’

Zo denkt hij zich in één zin van het meest vluchtige en ongrijpbare naar het universele en tijdloze zelf dat hij zelf bedacht heeft.

Korter door de bocht kan de weg niet zijn.

Een sterker staaltje van inflatoir denken heb ik nooit gezien, en ik heb heel wat staaltjes gezien hoor, ook bij mezelf.

Rationalisme van de hoogste orde.

De Baron van Münchhausen is er niks bij.

Advaita zonder onderscheid of eenheid

Rob: Nee, jij dan.

Hans: Nee, dan ik.

Rob: Jij probeert jezelf en anderen voortdurend wijs te maken dat je niks weet.

Hans: Ik probeer niemand iets wijs te maken, ik zou niet weten wat.

Ik heb geen wijsheid te vergeven, en dat noem ik niet-weten.

Dat is alles.

Rob: Mij maak je niks wijs.

Hans: Meer kan ik niet van je vragen.

Rob: Geen enkel denken blijft zonder conclusies.

Hans: Zou je denken?

Rob: Ik kan me er in elk geval niets bij voorstellen.

Hans: Stel je voor, een lege ruimte met blinde muren pikdonker.

Laat dat je bovenkamer zijn.

Zie je het voor je?

Rob: Nee.

Hans: In het donker valt niets te zien.

Geen bewustzijn en geen Bewustzijn, geen dualisme en geen non-dualisme, geen weten en geen niet-weten, geen dvaita, geen advaita, geen veda en geen vedanta.

Voilà.

Rob: Volgens mij heb jij er niets van begrepen.

Hans: Advaita betekent niet-twee, heb ik begrepen.

Die term laat aan duidelijkheid niets te wensen over.

Waarom dan dat heilige geloof in het onderscheid tussen de kenner en het gekende? Tussen Bewustzijn en gedachte? Tussen het veranderlijke en het onveranderlijke? Tussen dualiteit en non-dualiteit? Tussen een en twee? Tussen onderscheid en eenheid?

Rob: De kenner is het gekende.

Hans: Non-dualisme is geen monisme.

Rob: Er is alleen maar Bewustzijn.

Hans: Je aanbidt woorden. Zonder woorden geen metafysica. Zonder metafysica geen retoriek. Dan ben je overal van verlost.

Rob: Ik geef het op.

Hans: Dat komt op hetzelfde neer.

-25-

De omweg van de directe bevrijdingsweg

Beste Hans,

Prachtig hè, dat niet-weten? Of zoals Nisargadatta Maharaj het zei:

Laat je onjuiste denkbeelden los, dat is genoeg. Het is niet nodig om juiste denkbeelden te ontwikkelen. Die bestaan helemaal niet.*

* citaat van Nisargadatta uit I am That, p360, geciteerd in Non-dualisme, de directe bevrijdingsweg, Philip Renard 2005, pagina 7.

Voor mij is dat de essentie van niet-weten: je onjuiste denkbeelden loslaten.

Hans: Behalve deze zeker.

Lisan: Wat? Welke?

Hans: Dat je je onjuiste denkbeelden los moet laten.

Lisan: Dat is ook maar een denkbeeld, wou je zeggen.

Hans: Of dat je je onjuiste denkbeelden los kán laten.

Dat het goed is je onjuiste denkbeelden los te laten.

Dat het niet nodig is juiste denkbeelden te ontwikkelen.

Dat het mogelijk is het ontwikkelen van wat voor denkbeelden dan ook tegen te gaan.

Dat er geen juiste denkbeelden bestaan.

Lisan: Allemaal onjuiste denkbeelden.

Hans: Zou je denken?

Lisan: Zo hou je niets over.

Hans: Prachtig hè, dat niet-weten?

Lisan: Ik hou het toch maar op Nisargadatta.

Hans: Moet je zelf weten.

-26-

Zien of zijn? Advaita voor denktanks

Het zijn der zijnden

Beste Hans,

Wat komt het eerst: zien of zijn? Gaat het zijn vooraf aan het kennen of gaat het kennen vooraf aan het zijn? Of staan ze wellicht op hetzelfde plan? Of zijn ze misschien zelfs identiek? Of zijn beide gebaseerd op iets fundamentelers? En analoog aan deze vraagstelling: ligt de epistemologie ten grondslag aan de ontologie of de ontologie aan de epistemologie? Ik kom er niet uit.

Hans: Ik ook niet.

Ananda: Dat is wel heel gemakkelijk.

Hans: Moeilijker kan ik het niet maken.

Ananda: Volgens mij is zijn de ingrond van het kennen. Wat denk jij?

Hans: Wat ik denk?

Wat een bizarre zin, is wat ik denk.

‘Zijn is de ingrond van het kennen.’

Wat een bizar woordgebruik, is wat ik denk.

Ananda: Wat is zijn? Van oorsprong bedoel ik. Daar denk ik veel over na. Zijn is wat wij zijn, maar wat is zijn?

Hans: Nou, dat kan ik je wel vertellen.

Van oorsprong is ‘zijn’ gewoon een werkwoord dat je in staat stelt zinnetjes te vormen.

Het woord doet zijn werk: Hier is de deur, daar is de brievenbus.

Geen vuiltje aan de lucht.

Maar mensen zoals jij die een beetje filosofisch zijn aangelegd, stellen zichzelf diepzinnige vragen, bijvoorbeeld wat die deur en die brievenbus gemeen hebben.

Ze hebben duidelijk een andere vorm en ze hebben duidelijk een andere functie, dus dat kan het niet zijn.

Maar alle twee zíjn ze, constateer je nadat je de zinnetjes woord voor woord vergeleken hebt.

Hier ís de deur.

Daar ís de brievenbus.

En zo wordt het begrip ‘zijn’ geboren.

Werkwoorden zijn werkpaarden, maar begrippen zijn heersers.

Ze grijpen om zich heen.

Ze roepen nieuwe vragen op, zoals: Wat is zijn?

Vragen roepen nieuwe begrippen op, en zo gaat het van kwaad tot erger.

Je denkt en je denkt, je overlegt met deze, je raadpleegt gene, je leest het ene boek na het andere, je filosofeert nog een beetje verder en voor je het weet heb je het over de ‘isheid der zijnden’, over ‘zijnsgronden’ en ‘zijnsoordelen’, over het ‘zelfzijn’ en het ‘alzijn’, over het ‘hierzijn’ en het ‘daarzijn’, over het ‘Dasein’ en de ‘zijnsgesteldheid’ en de ‘zijnsvergetelheid’ en het ‘in-de-wereld-zijn’ en het ‘niet-zijn’ als een bijzondere vorm van ‘er-zijn’ en het ‘zo-zijn’ versus het ‘anders-zijn’.

Steeds dieper worden je gedachten, steeds gekker je uitspraken.

‘Ik-ben-heid is mijn wezensgrond.’

‘Het gedifferentieerde zijn ontstaat via een mysterieus wordingsproces uit het ongedifferentieerde zijn en vloeit er aan het einde van zijn zijn door ontwording vanzelf in terug.’

‘Alle dingen zijn ér maar niet alle dingen zijn zó, dus het zo-zijn gaat vooraf aan het er-zijn.’

Zo ontstaat een waterhoofd dat zelfs de sterkste benen niet meer kunnen dragen.

Begrijp je wat ik bedoel?

De kenner van het gekende

Ananda: Ja, maar gaat het zijn nou vooraf aan het kennen of gaat het kennen vooraf aan het zijn? Dat is wat mij bezighoudt.

Hans: ‘Kennen’ is ook al zo’n raar, abstract woord.

Van oorsprong is het gewoon een werkwoord dat je in staat stelt zinnetjes te vormen.

Het woord doet zijn werk: ‘Zeg, ken jij de mosselman?’ ‘Gezelligheid kent geen tijd.’

Geen vuiltje aan de lucht.

Maar mensen zoals jij die een beetje filosofisch zijn aangelegd, stellen zichzelf diepzinnige vragen, bijvoorbeeld wat die beide vormen van kennen met elkaar gemeen hebben.

Voor je het weet hebben ze het over ‘de kennis’ en ‘het kennen’ van ‘het gekende’ door ‘de kenner’ en over ‘kennendheid’ en meer van dat moois.

‘De hoogste kennis heeft geen object’, beweren ze, en ‘Ik ben de kenner, niet het gekende’, ‘Ik ben de kenner én het gekende’, ‘Kennendheid is mijn ware aard en het hoogste zijn’, ‘Het gekende wordt gekend door het onkenbare kennen.’

En nóg worden ze niet uitgelachen.

Ze definiëren ‘het kennen’ als een ‘functie’ van de ‘geest’, gebaseerd op het ‘aspectloze bewustzijn’ waarin zich ‘verschijnselen’ manifesteren die door het ‘richten’ van de ‘aandacht’ via de ‘intentionele boog’ tot ‘evidente’ ‘inzichten’ leiden.

Ze onderscheiden het ‘onbewuste’ van het ‘onderbewustzijn’, het ‘individuele onderbewustzijn’ van het ‘collectieve onderbewustzijn’, het ‘onderbewustzijn’ van het ‘bovenbewustzijn’, het ‘zelfbewustzijn’ van het ‘albewustzijn’, het ‘ik-bewustzijn’ van het ‘godsbewustzijn’, en verklaren plechtig dat alle vormen van ‘(bewust)zijn’ deel uitmaken van het ‘Universele Bewustzijn’ ‘dat wij zijn’ – ‘eenheid in verscheidenheid.’

Onvermoeibaar inventariseren, interpreteren, verabsoluteren en relativeren ze de overeenkomsten, verschillen en verbanden tussen de verschillende vormen van bewustzijn onderling en andere obscure entiteiten zoals de ‘geest’, de ‘ziel’, het ‘hart’, het ‘zelf’, de ‘innerlijke goeroe’, de ‘boeddhanatuur’, het ‘immanente’, het ‘transcendente’, de ‘godheid’ en wie en wat al niet.

Ananda: Gedachteninflatie.

Hans: Wat eerst ballonnetjes in je hoofd zijn, wordt gaandeweg steeds reëler voor je, tot alle concreetheid uit je denken verdwenen is.

Sommige van die ballonnetjes hebben het kennelijk in zich om door sommige geesten te worden aangezien voor de werkelijkheid zelf, of voor de essentie daarvan, of voor de hoogste vorm of de bron en bestemming ervan.

God!

Het Goede!

Het Zelf!

Perfectie!

Schoonheid!

De Deugd!

De Waarheid!

De Non-dualiteit!

Het Ene!

Het Niets!

Het Zijn!

De wereld in één woord.

Een speen voor de bange geest.

De nominalist en de realist

Ananda: Je hebt mijn vraag over epistemologie en ontologie nog niet beantwoord.

Hans: Als je niet eens weet waar ‘zijn’ en ‘kennen’ precies voor staan, en of ze wel ergens voor staan, laat staan wat hun onderlinge relatie is, waarom zou je je dan nog druk maken over de vraag of de zijnsleer vooraf gaat aan de kenleer of omgekeerd?

Ananda: In je antwoorden zie ik echo’s van het middeleeuwse debat tussen de realisten die volhielden dat taal een afspiegeling is van de werkelijkheid en dat ieder woord derhalve correspondeert met iets werkelijks, en de nominalisten die stelden dat alle woorden loze abstracties zijn – zelfs schijnbaar concrete woorden als ‘deur’ en ‘brievenbus’.

Hans: Hadden ze toen al brievenbussen?

Ananda: Volgens mijn postbode wel.

Hans: Tegen de realist zou ik zeggen: ‘Met welke realiteit correspondeert de illusie en tot welke categorie behoor jij?’

Tegen de nominalist zou ik zeggen: ‘Nominalisme is ook maar een woord, wat maakt dat jou?’

Ananda: En tegen mij?

Hans: Tegen jou zou ik zeggen: ‘Wat bedoel je precies met “taal” en “afspiegeling” en “woord” en “iets werkelijks” en “loos” en “abstractie” en “schijnbaar” en “concreet”?’

En let eens op, terwijl je dat uitvogelt, hoe ballonnetjes betonblokken worden.

En let eens op, terwijl je daarop let, hoe de gedachte dat ballonnetjes betonblokken worden, een betonblok wordt.

En let eens op, terwijl je daarop let, hoe het opletten zélf een hinderpaal wordt.

En let dan eens níet op.

Advaita is geen filosofie

Ananda: Ik zie ook echo’s van de analytische wijsbegeerte van onder meer Gilbert Ryle en Ludwig Wittgenstein, die zich fanatiek verzetten tegen de correspondentieleer volgens welke taal een afspiegeling is van de werkelijkheid, en die onvermoeibaar betoogden dat taal alleen maar een instrument is.

Hans: Als ‘Ryle’ en ‘Wittgenstein’ niet met iets werkelijks correspondeerden, wie heeft dan hun boeken geschreven?

Als hun boeken niet met iets werkelijks corresponderen, wat heb jij dan gelezen?

Advaita is geen filosofie

Ananda: Jij denkt wel heel concreet.

Hans: Zelfs als Ryle en Wittgenstein er waren, dan zijn ze er nu niet meer, dus kénnen ze ook niet meer, neem ik hier maar even aan; wat ons evengoed niet verhindert om hun namen te gebruiken.

Of kennen ze niet meer omdat ze niet meer zijn?

Of is niet-zijn hetzelfde als niet-kennen, en zo ja, volgt dan uit deze identiteit dat kennen inderdaad hetzelfde is als zijn?

Of zijn kennen en zijn manifestaties van een gemeenschappelijke (on)grond, laten we zeggen, het numineuze of de menigvuldigheid of niet-weten of liefde of het onnoemelijke al dan niet?

Ik weet zeker dat deze diepe vragen bij jou in goede handen zijn.

Ananda: Volgens mij was dit geen compliment.

Hans: Parallellen zijn parallellen, maar advaita is geen filosofie.

Ananda: Wat is het dan wel?

Hans: Water in een waterhoofd. Laat maar lekker over Gods akker vloeien.

-27-

Het Bewustzijn voorbij; advaita zonder Grote Woorden

Niet-weten als Bewustzijn

Beste Hans,

Voel jij er wat voor om een boekje te maken van onze correspondentie? Ik denk aan een selectie, de essentie van onze dialoog.

Hans: Ik ben me van geen essentie bewust.

Nina: Een titel heb ik ook al, ‘Advaita en niet-weten’.

Hans: Het eerste wat me inviel was ‘Advaita is geen idee’. Wat is precies het idee?

Nina: Tja, hoe leg ik dat uit. Toen ik jouw dwaalteksten ontdekte, was dat voor mij een aha-erlebnis. In jou herkende ik eindelijk het niet-weten in mezelf. Maar hoe moest ik dat in overeenstemming brengen met de Hoogste Waarheid van het Ene Bewustzijn dat ik ben?

Onze correspondentie heeft daarin duidelijkheid gebracht. Ik weet niets en tegelijkertijd weet ik dat ik Ben en dat Bewustzijn de Essentie van mijn Zijn is. Dat Bewustzijn, dat Zijn, die Essentie, dit Leven dat ik ben, dit Niet-Weten, is niet in woorden uit te drukken en kan door het verstand niet begrepen worden.

De tegenspraak tussen mijn weten en mijn niet-weten, waar ik eerst zo mee zat, speelt zich volledig af binnen het verstand. Natuurlijk weet ik van alles, maar dan hebben we het over begrippen, denken, redeneren, feitenkennis. Een stoel is een stoel, ja, maar dat is niets meer dan een maatschappelijke conventie. Je komt er geen stap dichter mee bij de Uiteindelijke Werkelijkheid, die onkenbaar is.

Bewustzijn kent alles maar is zelf onkenbaar. Bewustzijn is ondeelbaar in zichzelf besloten en kent als zodanig geen innerlijke tegenspraak. Tegenstelling opgelost.

Advaita vedanta, heeft mij laten zien dat ik in essentie bén. Niet wát ik ben is mijn essentie, maar dát ik ben. Mijn Zijn, mijn Bewustzijn is altijd spontaan, moeiteloos en probleemloos, en altijd alleen maar hier en nu. Het is een constant, neutraal gegeven.

Wanneer mijn aandacht echter wordt opgeslokt door het denken, het voelen en het ervaren, dan verdrink ik in voorbijgaande indrukken die mij meevoeren uit de Hoogste Werkelijkheid. Advaita betekent voor mij in Bewustzijn verblijven. De aandacht op het Bewustzijn zelf gericht houden. Dat verlicht mijn zorgen en relativeert mijn pieken en dalen zodat ik er niet in blijf hangen.

Advaita is Zien, niet met je ogen maar met Bewustzijn. De dingen zien zoals ze zijn, niet zoals ik wil dat ze zijn. Niet met het verstand maar met het hart. Een geleefde waarheid die tegelijkertijd volkomen subjectief en volkomen universeel is. De hemel is blauw, geen twijfel mogelijk. Ik ben, geen twijfel mogelijk.

Ik weet het, het zijn allemaal concepten maar ik gebruik ze om te verwijzen naar de niet-conceptuele Werkelijkheid. Geen enkel concept legt het goed uit. ‘Bewustzijn’ is een vinger die naar de maan wijst. Ook niet-weten legt niets uit.

Jij verwerpt én omarmt, wel én niet, weten én niet-weten, niet-weten én niet weten van niet-weten. Ik denk niet dat uitleggen jouw drijfveer is, maar wat dan wel? Waarom produceer jij non-stop dwaalteksten? Laat ik het maar niet vragen, we doen wat we doen tot we het niet meer doen.

Ik kan in ieder geval niet meer weg uit Bewustzijn. Dat heeft het Leven mij geopenbaard en onze correspondentie heeft het bevestigd en verdiept. Het besef werkelijk gevestigd te zijn in Bewustzijn heeft grote vreugde gebracht, en diepe verwondering.

Er is een groot niet-weten in mij, als Zuiver Bewustzijn, dat nederig maakt. Louter Bewustzijn te zijn is een troost, een zegen, een vreugde en een stille achtergrond die ik mocht herontdekken dankzij de advaita vedanta.

Niet weten van Bewustzijn

Hans: Dank voor je uitleg, je klinkt al helemaal als een boekje.

Nina: Het zou de inleiding van ons boekje kunnen zijn.

Hans: Alleen is het eerder de essentie van jouw denken dan van onze dialoog.

Nina: Wat is volgens jou de essentie van onze dialoog?

Hans: Langs elkaar heen praten is volgens mij de essentie van onze dialoog.

Nina: Wat dacht je van de titel ‘Bewustzijn als Niet-Weten’?

Hans: Wat dacht je van de titel ‘Niet weten van Bewustzijn’?

Nina: Dat lijkt mij heel wat anders.

Hans: Het is ook heel wat anders, dat probeer ik je nu al maanden duidelijk te maken.

Voor mij betekent niet-weten alleen maar dat ik het niet allemaal niet meer weet.

Jij verwijst met de term niet-weten naar iets absoluuts dat je Bewustzijn noemt.

Beide betekenissen zijn legitiem – definiëren staat vrij – maar ze verschillen als nacht en dag, en dat krijg ik je maar niet aan je verstand gepeuterd.

Nina: Niet iets absoluuts, het absolute. De universele, kosmische grond. De enige. Zowel die van jou als die van mij als die van iedereen en van het hele universum.

Hans: ‘Ik sta erop,’ zei de fundamentalist, ‘er is maar één fundament’, en stortte in de afgrond.

Nina: Alles is Bewustzijn. Er is alleen maar Bewustzijn. De tienduizend dingen en wezens ontstaan in Bewustzijn en vergaan in Bewustzijn. Tijdens hun bestaan zijn ze gemanifesteerd Bewustzijn. Daarvoor en daarna zijn ze latent Bewustzijn.

Jouw bewustzijn maakt deel uit van Bewustzijn. Mijn bewustzijn maakt deel uit van Bewustzijn. Er is alleen maar Bewustzijn. Er is alleen maar dít.

Hans: Dit of Dat, het is altijd wat.

Nina: Het is de Waarheid.

Hans: Ja, dat zeggen ze allemaal.

Nina: Wat zeggen ze allemaal?

Hans: Dat het de Waarheid is.

Nina: Wat dan?

Hans: Volgens de materialist is alles stof. Dat is de Waarheid.

Volgens de taoïst is alles chi. Dat is de Waarheid.

Volgens de mysticus is alles God. Dat is de Waarheid.

Volgens de zenboeddhist is alles leeg. Dat is de Waarheid.

Volgens de non-dualist is alles Bewustzijn. Dat is de Waarheid.

Volgens de nihilist bestaat de waarheid niet. Dat is de Waarheid.

Steeds is het de Waarheid. de enige Waarheid.

Afijn, ieder zijn ding of onding; mij is het om het even.

Nina: Stof verschijnt in Bewustzijn. Chi verschijnt in Bewustzijn. God verschijnt in Bewustzijn. Leegte verschijnt in Bewustzijn. Alles verschijnt in Bewustzijn. En alles ís Bewustzijn.

Hans: En dat noem jij niet-weten.

Nina: Het is de enige redelijke verklaring.

Hans: Welnee, er zijn tienduizend redelijke verklaringen.

Het worden er iedere dag meer.

Je herkent ze van verre: ze verklaren alles, ze voorspellen niets en ze zijn onweerlegbaar.

Vlaggen zonder lading.

Nina: Al waren het er een miljoen. Alle verklaringen zijn manifest Bewustzijn.

Hans: Dat bedoel ik nou. Jij duidt alles in idealistische termen en er valt niets tegen in te brengen.

Een ander duidt alles in materialistische termen en er valt niets tegen in te brengen.

Misschien is dat de kick; dat je alles kunt verklaren en overal een antwoord op hebt waar niets tegenin te brengen valt.

Zeg jij het maar, want ik voel hem niet; is dat de kick?

Nina: Bewustzijn is een ervaringsfeit.

Hans: Ik heb nog nooit Bewustzijn ervaren, of mijn ervaring ervan nooit als zodanig herkend.

Ik weet niet wat Bewustzijn is, ik weet niet dát Bewustzijn is, of zelfs maar dat het niet is.

Over Bewustzijn heb ik absoluut niets te melden.

Daarom valt jouw project om de wezenlijke identiteit van Bewustzijn en niet-weten vast te stellen voor mij bij voorbaat in het water.

Bij jou zijn Bewustzijn en niet-weten synoniem, dus op voorhand identiek, met hetzelfde gevolg.

Nina: Als je alleen maar niet wist, zou je heus niet zoveel schrijven.

Hans: Ik heb niks uit te leggen, en dat leg ik uit.

Noem het spelen, noem het puzzelen, noem het mediteren.

Nina: Geen boekje dus?

Hans: Jij bent het boekje.

Nina: Jij bent toch ook een boekje?

Hans: Ik ben een dummy met een gummie wiens schrijven wissen is.

Advaita als niet-weten

Maanden later

Beste Hans,

Ik heb er nog eens over nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat wij in de grond wel degelijk naar hetzelfde verwijzen.

Hans: Zei het ene lijk tegen het andere.

Nina: Jouw niet-weten is mijn Bewustzijn. Jij bent niet-weten, ik ben Bewustzijn. Jij bent ik. Is dat geen vreugdevolle gedachte?

Hans: Je geeft toe dat het maar een gedachte is?

Nina: Het komt tot mij als een gedachte omdat wij nou eenmaal Bewustzijn zijn. Voor mij is advaita vedanta de Grote Waarheid.

Hans: Voor mij is advaita vedanta de Grote Afrekening. Het Einde van de Wijsheid.

Het rekent af met alle Grote Woorden, ook deze.

Het rekent af met alle Grote Verhalen, ook dit.

Nina: Advaita vedanta is het Grootste Verhaal wat je ooit zult tegenkomen. Het enige verhaal wat je nodig hebt.

Ik heb geen verhaal nodig, ik kan het missen als hoofdpijn.

Sinds ik mijn verhalen na het vertellen meteen in de fik steek, is mijn leven ondraaglijk licht geworden.

In de Alagaddupama-Sutta wordt de boeddhistische leer een vlot genoemd om de rivier mee over te steken, niet om de rest van je leven achter je aan te slepen; al moet ik de eerste boeddhist die alles achter zich heeft gelaten nog tegenkomen.

Ik mag graag denken dat deze gelijkenis ook van toepassing is op de advaita vedanta.

Al moet ik de eerste non-dualist die alles achter zich heeft gelaten nog tegenkomen.

Man man, wat slepen jullie een rotzooi mee.

Nina: Wat versta jij onder oversteken?

Hans: Je schepen achter je verbranden.

Nina: Is dat alles?

Hans: Het is niets.

Nina: Ik vind dat geen vreugdevolle gedachte.

Hans: Niet-weten is geen vreugdevolle gedachte.

Niet-weten is een louteringsvuur.

De vreugde komt op haar eigen tijd, als ze komt, hiep hoi.

Soms in de vorm van een vreugdevuur, vaker in de vorm van bluswater.

Nina: Niet-weten is net zo goed een Groot Verhaal.

Hans: Integendeel, niet-weten is een wegwerpverhaal.

Net als de advaita vedanta.

Net als zen.

Ik vertel die verhalen en tijdens het vertellen gooi ik ze weg.

Ik vertel ze uitsluitend om ze weg te kunnen gooien.

Zo vertel ik wat ik doe en doe ik wat ik vertel.

Nina: Maar waarom?

Hans: Daarom.

Nina: Ik bedoel, waar is het goed voor?

Hans: Wou je er weer een vreugdevolle gedachte van maken?

Nina: Dat is ook geen antwoord.

Hans: Ik heb ook geen antwoord.

Het is de aard van mijn denken.

Binnen een paar gedachten loopt het in zichzelf dood.

Zo houdt het zichzelf in leven.

-28-

Advaita is Sanskriet voor Basta!

Beste Hans,

Volgens sommigen is Bewustzijn de ongedefinieerde ingrond van het zijnde, volgens anderen Leegte of het Niets. Volgens weer anderen is het Brahman of juist Parabrahman; Atman of juist Anatman. Er zijn er die zeggen: Dat Wat Is is de grond van dat wat is, maar dat lijkt mij een tautologie. Ik heb ook weleens gelezen dat Zijn en Niet-zijn de keerzijden van het Ene zijn, en dat het gekende in de Kenner verschijnt, dualiteit in non-dualiteit.

Komt dit volgens jou allemaal op hetzelfde neer, een soort universele waarheid of Eeuwige Wijsheid die schuilgaat onder een Babylonische spraakverwarring, of zijn het allemaal afzonderlijke theorieën? Waar gaat kosmologie over in mythologie? Wat is precies de relatie tussen het duale en het non-duale, tussen het gekende en het ongekende, tussen Bewustzijn en Zijn? Wat is het verband tussen het zijnde en mijn gedachten daarover? Ben ik de schepper of alleen maar de spiegel van de schepping? Ben ik een mens of ben ik God?

Beste Jana,

Wie spreekt over de grond van het zijnde bedrijft zijnsleer, ontologie.

Het aantal ontologen in dit universum is inmiddels groter dan het aantal sterren, hun hemelse licht is oogverblindend, hun gekrakeel oorverdovend.

Wie zelf nog wat wil zien of horen, wendt zich noodgedwongen af.

Waarom zijn er zoveel ontologen, is wat ik weleens zou willen weten.

Wat is de bestaansgrond van de zijnsleer?

Jana: Laat ik me tot mijn hoofdvraag beperken. Verschijnt het Zijn volgens jou in het Bewustzijn of andersom? Gaat het kennen vooraf aan het zijn of het zijn aan het kennen?

Hans: Zelf heb ik altijd meer gehad met kenleer dan met zijnsleer, totdat tien jaar geleden tijdens mijn dust bowl ook die grond onder mijn voeten werd weggeblazen.

Sindsdien loop ik op lucht.

Ongebakken lucht.

Zijn of Bewustzijn is voor mij geen kwestie meer.

Vorm of leegte ook niet.

Brahman of Parabrahman ook niet.

Atman of Anatman ook niet.

Eenheid of veelheid ook niet.

Kenner of gekende ook niet.

Dualiteit of non-dualiteit ook niet.

Mens of God ook niet.

Al die woorden – ze vullen wel je hoofd, maar niet je buik.

De honger blijft, kijk maar naar jezelf.

Substantialisme bevredigt niet, het heeft geen substantie.

Je gaat er alleen maar van boeren.

Jana: Jij hebt inzake de schepper, de schepping, het wezen van het zijn, het zelf en andere fundamentele kwesties niets te verklaren.

Hans: Zelfs niet dat er inzake de schepper, de schepping, het wezen van het zijn, het zelf en andere fundamentele kwesties niets te verklaren valt.

Jana: En dat noem jij niet-weten.

Hans: Niet-weten, gemoedsrust, bevrijding, agnose, zen, taoïsme, advaita, non-dualisme, mystiek, soefisme – wat mij betreft komt het allemaal op hetzelfde neer.

Jana: Namelijk?

Hans: Basta!

Jana: Ik dacht dat je op de Eeuwige Wijsheid doelde.

Hans: Noem het wat je wilt.

Jana: Waar staat basta voor?

Hans: Korte metten maken met de mind.

Spiritualiteit als het einde van het Bezeten Weten.

Ook dit weten.

Basta!

Jana: Hoe kom je ertoe?

Hans: Ik kom er niet toe, het overkomt me met iedere gedachte, nu deze weer.

Basta!

Jana: Is Basta niet gewoon een ander woord voor de Bron, Bewustzijn, Stilte, Essentie, het Ware Zelf?

Hans: En wat zeg ik dan?

Jana: Basta!

Hans: Toedeloe.

-29-

Maar Goeroe, wat heeft u grote ogen!

Beste Hans,

Slechts weinig mensen zijn echt geïnteresseerd in de waarheid. De meesten jongleren liever met abstracte begrippen zoals god, ego, genade, verlichting, overgave, liefde, niet-weten, bewustzijn, het nu enzovoort. Met dit soort woorden bouwen ze overtuigingen waarvoor ze vervolgens bereid zijn anderen een kopje kleiner te maken of zelf te sterven. Terwijl ze niet eens weten wat ze precies bedoelen! Probeerden ze daar maar eens achter te komen, dan zouden ze ontdekken dat je daarvoor andere abstracte begrippen nodig hebt die ook weer niet helder zijn, et cetera.

Niet dat we zonder woorden kunnen. Kijk maar naar jouw website! Woorden zijn nodig om woorden los te kunnen laten. Overtuigingen zijn nodig om overtuigingen los te kunnen laten. Maar pas als het denken werkelijk stopt – voor even althans – ontwaak je in de grote stilte en ervaar je de waarheid die geen woorden nodig heeft. Omdat je zíet. Jij weet wat ik bedoel, ook al zeg je het heel anders of zeg je het liever helemaal niet. Jij ziet. Dat weet ik omdat ik de stilte in je ogen zie.

De meeste mensen ervaren de stilte niet lang genoeg om zich er zelfs maar van bewust te zijn. Anderen hebben hem wel diepgaand ervaren maar hun ego heeft zich er onmiddellijk meester van gemaakt zodat ze alleen maar in een nieuwe illusie zijn gaan leven. Weinigen realiseren langs de weg van overgave een steeds diepere stilte. Slechts een enkeling, zoals Ramana volgens mij, heeft zijn geloof in ego, in een apart zelf, volledig achter zich gelaten.

Veel hedendaagse advaitaleraren beweren dat je het inzicht nooit meer kwijtraakt eens je het hebt gezien. Ja, ze zeggen zoveel. Verstandelijk benoemen is geen woordloos zien. Je hoeft niet briljant te zijn om de juiste woorden in de juiste volgorde te zetten om jezelf en je aanbidders te overtuigen. Ik hoef alleen maar naar hun ogen te kijken om te weten of ze lullen of poetsen. Spelen met woorden boeit me niet. Waar het op aankomt is voorbij de woorden te gaan.

Neem nou deze foto van advaitaleraar Wolter Keers.

Wolter Keers.

Denk er zijn woorden bij: ‘Ik weet niets, ik weet niets, ik weet niets… Als een mantra die zichzelf herhaalt blijft dit ene, schokkende, alles omverwerpende, alles met zich meeslepende inzicht over.’ Hij zegt het wel maar hij leeft het niet. Hij boeit me niet, het is allemaal intellectueel, zoals je op dat moment ook duidelijk in zijn blik ziet. Geen wonder ook. Zolang je ‘ik weet niets’ als een mantra herhaalt, blijf je geloven in een ‘ik’ een ‘weten’ en een ‘niets’. Terwijl je, en dat is denk ik waar jij ook steeds naar verwijst, verder moet gaan. Verblijven in het niet-weten is heel wat anders dan het idee met woorden vasthouden.

Kijk nu eens naar deze foto van advaitaleraar Jean Klein.

Jean Klein.

Denk er zijn woorden bij: ‘Verblijf in niet-weten en je zult zien wat er gebeurt.’ Geen omslachtig geverbaliseer, gewoon pats-boem in één klap voorbij het intellect.

Sorry voor de lange uitleg. Je zult wel begrijpen dat ik uit eigen ervaring spreek. Enfin. Nu even over ons. Welk spel gaan we spelen, Hans? Is er een spel waar we alle twee van houden? Het spel dat ik het liefste speel is dat van de waarheid.

Spelen met de regels

Beste Max,

Waarheid is voor mij een woord.

Woorden zijn voor mij een spel.

Ik jongleer er al mijn hele leven mee.

Jong geleerd is oud gedaan, wie houdt mij nu nog tegen?

Wat jij het liefste speelt is het spel van de waarheid.

Dat spel kent strikte regels waar je niet van mag afwijken.

Spelen volgens de regels heet weten.

Spelen met de regels heet niet-weten.

Dat is het spel wat ik het liefste speel.

Het is ook het spel dat het leven met ons speelt.

De regels veranderen steeds, net als de inzet en de deelnemers.

Je kan je er niet op instellen en daar probeer je je dan op in te stellen.

Verlichtinkje spelen

Spelen, dat is doen alsof.

Een van de populairste spelletjes voor grote mensen is verlichtinkje.

Verlichtinkje is doen alsof de werkelijkheid een illusie is die jij wel doorziet en anderen lekker niet.

Een ander spelletje is goeroetje.

Goeroetje spelen is doen alsof je anderen verlicht kan maken.

Opdat één zakkenwasser goeroetje kan spelen, heb je een heleboel voetenwassers nodig die volgelingetje willen spelen.

Volgelingetje spelen is doen alsof je gelooft dat Goeroe jou verlicht kan maken.

Iedereen moet het zelf weten, maar ik vind het een kutspelletje.

Het spelletje dat ik altijd speel, zou je improvisatietje kunnen noemen.

Improvisatie is een mooi woord voor maar wat doen.

Niet omdat je daarvoor kiest maar omdat je niet weet wat je anders zou moeten doen.

Ik tenminste niet.

Mijn grote stilte heet denken

Bij mijn geboorte, aangenomen dat ik geboren ben, is er geen handleiding of taakomschrijving meegeleverd, geen adres waar ik mij kan vervoegen voor nadere informatie, geen verklaring, geen maatstaf, geen bon, geen garantiebewijs of zelfs maar een disclaimer.

Ik heb dat lange tijd als een vloek ervaren maar het is eerder, of ook, een zégen, om niet te zeggen een uitdaging, een kans, een goede grap, een slechte grap, een test, een straf, zoete koek, een afleidingsmanoeuvre, een leugen, een droom, een gegeven of hoe je het maar wil duiden.

Jouw grote stilte heet waarheid en manifesteert zich wanneer het denken eindelijk eventjes stilvalt.

Mijn grote stilte heet denken, dus ik hoef nergens op te wachten.

Mijn denken is zelfstillend geworden.

Het maakt zijn eigen gedachten onschadelijk.

De ene keer door ze stap voor stap te ontmantelen, de andere keer door ze gecontroleerd tot ontploffing te brengen.

Boem! Boem! Boem!

De waarheid zie ik niet

Letterlijke stilte, zoals die tussen twee gedachten in, komt en gaat als de gedachten zelf en heeft voor mij geen speciale betekenis.

Ik verlang er niet naar, ik probeer die gedachtenstilte niet op te wekken of op te rekken.

Waarom zou ik?

Zijn er geen gedachten dan zijn er wel waarnemingen.

Zijn er geen waarnemingen dan zijn er wel dromen.

Zijn er geen dromen dan zijn er wel gedachten.

Wat maakt het dan uit?

Ik zie wat ik zie maar de waarheid zie ik niet, dus die hoef ik ook niet naar me toe te trekken.

Het geloof in een apart zelf is voor mij niet leugenachtiger of waarachtiger dan het ongeloof in een apart zelf of het geloof of ongeloof in een gemeenschappelijk zelf.

Het onderscheid tussen illusie en werkelijkheid zegt mij niets, dus daar kan ik me niet druk over te maken.

Verstandelijk benoemen is voor mij niet minder waard dan woordloos zien, wat ook maar een woord is.

Meer zie ik eigenlijk niet.

Is dat wat je in mijn ogen ziet?

Ik-gedachten horen erbij

Of Ramana Maharshi egovrij was weet ik niet.

Wat betekent dat?

Hoe weet je dat?

Vanwege zijn belladonna-pupillen zeker weer.

Ramana is dood, leve zijn foto?

Ramana Maharshi aan het eind van zijn Latijn.

Egovrij zijn, het mocht wat.

Vrij zijn van egovrijheid, hoe klinkt dat?

Dan puilen je ogen uit hun kassen van verlichting.

Zelf heb ik eerlijk gezegd nog steeds een heleboel ik-gedachten, dat wil zeggen, gedachten waarin het woordje ik voorkomt, neem alleen deze al.

Ik-gedachten zijn voor mij niet minder (waar(d)) dan gedachten waarin het ik niet figureert.

Waar het om draait is wat ze gemeen hebben.

Weet jij het?

Dat het allemaal gedachten zijn.

Had je niet gedacht, hè?

Gedachten zijn zo voorbij

Iedere gedachte die in mij opkomt, of wat het ook is dat er in mij opkomt, of wat het ook is waarin het opkomt, als het al ergens in opkomt – iedere gedachte gelóóf ik.

Ik geloof haar zolang als ze duurt.

Dan is het uit met de pret en even later is de volgende gedachte aan de beurt.

Denk ik dat ik iemand ben, dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat ik niemand ben, dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat ik daarom wel alles moet zijn, dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat ik niet kan weten of ik iemand ben of niemand of alles (of niets of iemand en niemand of iemand noch niemand of alles noch niets of alles en niets), dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat niet-weten voorbij de woorden is, dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat dit allemaal maar verhalen zijn, dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat er geen verhaal is, dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat er niets te zeggen valt, dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat alleen zwijgen recht doet aan de wijsheid voorbij alle wijsheid, dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat je nooit voorbij de horizon van je gedachten kunt kijken, dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat de horizon van mijn weten is gekrompen tot de actuele gedachte, dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat ik alleen maar de getuige ben van de actuele gedachte, dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat ik alleen maar de actuele gedachte zelf ben, dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat ik dat ook niet kan weten, dan geloof ik dat – eventjes.

Denk ik dat niet-weten het heerlijkste is wat er bestaat, dan geloof ik dat – eventjes.

Vallen mijn gedachten weg, dan vallen ze weg – eventjes.

The scream of consciousness

Dit waren enkele van de gezwollen lijken die gedurende het korte interval dat ik dit opschreef langs mijn geestesoog dreven.

Een kleine proeve van wat de depressieve Amerikaanse psycholoog William James zo treffend ‘the scream of consciousness’ noemde, of zoiets.

Wie kaas wil maken van zijn gedachtegangen en gedachtesprongen in termen van ego en egoloosheid wens ik alle tijd en tijdloosheid van de wereld.

Of het genoeg is, betwijfel ik.

Want met gedachten is het al net als met een schilderij van Rembrandt: als je te dichtbij komt zie je alleen nog maar vegen op een doek.

Met gedachten is het al net als met begrippen: als je te dichtbij komt zie je alleen nog maar letters in een woordenboek.

Met gedachten is het al net als met materie: als je te dichtbij komt zie je alleen nog maar strepen in een bellenkamer.

Met gedachten is het al net als met internet: als je te dichtbij komt zie je alleen nog maar pixels op een beeldscherm.

Ook dit zijn stuk voor stuk gedachten.

Pas maar op dat je niet te dichtbij komt.

-30-

Ramana Maharshi versus Romana Mahasjiesj – zien wat je wilt zien

Beste Hans,

Hierbij stuur ik je een foto van Shri Ramana Maharshi, wiens ogen zo prachtig getuigen van de vrede van een onverdeeld bestaan dat geen onderscheid kent.

Shri Ramana Maharshi.

Beste Joris,

De wereldvreemde vestaalse maagd Shri Ramana Maharshi werd en wordt voortdurend gepromoot als een grote grijze wereldwijze, dus dat is wat iedereen zag en ziet en wil zien, jij ook.

Stel je voor dat je bovenstaande foto aantreft in een boek over beruchte seriemoordenaars. Zie je de kille berekening in de ogen van R.M., de kinderkannibaal van Tiruchuli? Wat een gluiperd, hè?

Beeld je nu eens in dat je onderstaande foto van Ramana Maharshi aantreft in een World Press Photobook uit 1988 met als bijschrift:

‘Tweede slachtoffer van de AIDS-epidemie, de hyperseksuele exhibitionist Romana Mahasjiesj, exploitant van een Amerikaanse keten van darkrooms en sex farms, organisator van roemruchte kinky feesten en producent van talloze hardcore seksfilms in zowat alle genres, die naar eigen zeggen meer dan tweeduizend mannen, vrouwen en dieren het hof heeft gemaakt.’

Romana Mahasjiesj.

Wat zie je nu?

-31-

Had Ramana Maharshi klinefelter? Niet willen zien wat je ziet

Vele jaren geleden had ik, hartstochtelijk geïnteresseerd in geneeskunde als ik was, een grote verzameling medische illustraties.

Daardoor had ik zonder formele opleiding toch aardig zicht gekregen op allerlei vormen van macroscopische pathologie, inclusief de talloze syndromen die dikwijls de naam van de ontdekker dragen.

Een daarvan heet het Klinefelter syndroom.

Toen ik in 2012 de vele foto‘s van Shri Ramana Maharshi op het internet eens goed bekeek, vielen me diverse dingen op:

Die lange armen en benen.

Die ronde schouders en brede heupen.

Die borstjes.

Die slappe handen.

Die lage spiertonus.

Dat luie lichaam.

Die lege lendendoek.

Ik dacht: Klinefelter.

Die man had het Klinefelter syndroom.

Links: typische klinefelterpatiënt. Rechts: Ramana Maharshi.

Het Klinefelter syndroom werd voor het eerst beschreven in 1942 in Massachussets, Amerika, kort voor Ramana’s dood een halve aardbol verderop.

Het gaat hier om een genetische afwijking in de vorm van een of meer extra X-chromosomen: XXY of XXXY of XXXXY et cetera in plaats van XY, die voorkomt bij ongeveer een op de duizend mannen.

Een van de kenmerken van Klinefelter is een zeer lage testosteronspiegel.

De Klinefelter is (behalve in de zogeheten mozaïekvariant) steriel en asexueel.

Mede door het lage testosterongehalte is hij niet competitief ingesteld, en eerder lief, zachtaardig, verlegen, wijkend, inschikkelijk en toegeeflijk dan dominant.

Klinefelters zijn vaak star in hun denken. Ze houden van vaste regels en trekken conclusies waar ze niet makkelijk van af te brengen zijn. Ze zijn honkvast en houden van rust.

Ze zijn vaak beter in de omgang met dieren dan met mensen, die ze niet altijd even goed begrijpen. Ideeën vinden ze makkelijker dan emoties.

Klinefelter gaat gepaard met diverse vormen van autisme, zoals Asperger en het savant-verschijnsel (bijvoorbeeld een fotografisch geheugen, waarvan ook bij Ramana sprake was) en autistiform gedrag.

Er kunnen allerlei afwijkingen in het slaappatroon optreden. Narcolepsie, slaapwandelen, niet kunnen inslapen, zeer licht slapen, zeer vast slapen enzovoort.

Wat betreft de gezondheid is er een grotere vatbaarheid voor onder meer verkoudheid, luchtwegaandoeningen, middenoorontstekingen, reuma, botontkalking en borstkanker.

Als je de biografie van Han van den Bogaard over Shri Ramana leest, zul je zien dat veel aspecten van Maharshi’s leven hierdoor in een ander daglicht komen te staan.

Niet alleen die met betrekking tot zijn lichamelijke gezondheid maar ook en vooral die met betrekking tot zijn spiritualiteit.

Voor de meeste klinefeltersymptomen zijn bij Ramana zonder moeite anekdotische aanwijzingen te vinden.

Dat bewijst niks want de diagnose van Klinefelter kan alleen definitief gesteld worden door middel van DNA-onderzoek.

Daarvoor is het inmiddels een eeuwtje te laat.

Godzijdank, zul je zeggen, blijf met je tengels van mijn mahashies af.

Was Ramana een onverdeelde wijze in een verdeelde wereld of een autist in een autolytische illusie?

Is Ramana het ene Bewustzijn waarin ook dit soort kwesties geacht wordt te verschijnen en verdwijnen, of een hedendaags archetype dat nooit heeft bestaan behalve in het collectief onbewuste?

Ik zou het ook niet weten.

De talloze hagiografische werken over Ramana maken ons hieromtrent geen steek wijzer.

Integendeel, die maken alleen Shri Ramana Maharshi wijzer, daar zijn het hagiografieën voor.

Kijk liever zelf, zou ik tegen iedereen willen zeggen, maar ja.

Ook daarvoor is het een eeuwtje te laat.

Nawoord

In een persoonlijke brief naar aanleiding van dit onderwerp schrijft Han van de Bogaard, auteur van Sprekende stilte: leven en leer van Sri Ramana Maharshi:

Beste Hans,

Hartelijk dank voor je mail. Ik vind het een interessante optie die je hier naar voren brengt, met ogenschijnlijk overtuigende argumenten voor het Klinefeltersyndroom.

Aan de andere kant zijn er elementen in Ramana‘s leven die je analyse weerspreken. Op de eerste plaats, en dat wordt in mijn boek ook wel duidelijk denk ik, was Ramana tot zijn ontwaken een doodnormale, zelfs enigszins macho jongen met dito eigenschappen: jongensvriendschappen, een competitieve instelling, en normale sociale vaardigheden, passend binnen de cultuur waarin hij leefde. Daarnaast heb ik ook wel eens ergens gelezen (maar dit heb ik niet in het boek opgenomen) dat iemand Ramana een keer vroeg of hij wel eens zaadlozingen had. Hierop antwoordde Ramana bevestigend. Dus tja, ik heb toch twijfels of je intuïtie klopt en hij in aanleg, genetisch dus, anders was dan anderen.

Mijn theorie is dat Ramana in de loop van zijn leven ‘vervrouwelijkt’ is. Levend in en als het Zelf speelde seksualiteit eigenlijk geen rol in zijn leven, en waren de normale sociale omgangsvormen en interesses niet echt relevant meer voor hem. Hij leefde weliswaar nog in de wereld, maar was geenszins meer van de wereld. Zoals ook in mijn boek te lezen is, merkte een van zijn oude schoolvrienden, die een tijdje in de ashram heeft geleefd, ooit op, toen hij de benen van Ramana masseerde, dat die vroeger zo hard en borstelig waren, en nu glad en zacht. Misschien is zijn hormoonhuishouding in de loop van de jaren veranderd. Maar autistische trekken zou ik hem zeker niet toe willen dichten, want in tegenstelling tot een autist was hij juist uitstekend in staat zich in de positie van een ander in te leven en met behulp van beeldspraken en metaforen over te brengen wat hij bedoelde.

Natuurlijk is dit ook alleen maar speculatie van mijn kant, maar dit is het eerste wat in me opkomt na het lezen van je mail.

Hoe dan ook, hartelijk dank voor je complimenten ten aanzien van het boek. Gezien de impact die het boek op veel mensen heeft kan ik niet anders concluderen dat Ramana over mijn schouders heeft meegekeken toen ik het schreef.

Vriendelijke groet,

Han

-32-

Een knuppel in de hokjesgeest

Beste Hans,

Stel dat Shri Ramana Maharshi inderdaad het klinefeltersyndroom heeft gehad, zoals jij op je website beweert, wat maak dat dan uit voor zijn wijsheid? Of wou je daar ook nog aan twijfelen? En dan nog iets: hoe kan het dat de man achter NietWeten.nl een theorie over een syndroom omarmt? Daar zit een tegen strijdigheid in. Is je mystieke ontkenningstaal misschien maar een front?

Zelf heb ik jaren geleden een altaar ingericht met in het midden een fotokopie van een foto van Shri Ramana Maharshi. Ik kijk hem ieder dag diep in de ogen, waarin ik onver anderlijk het levende Wonder weerspiegelt zie. Net als in de ogen van zwakzinnigen trouwens; zonder beperking geen manifestatie.

Voor mij is Shri Ramana Maharshi geen heilige maar een verlicht mens die als een van de zeer weinige, zo niet de enige, de transcendente Waarheid volledig heeft gerealiseerd. Ik ben echt niet op zoek naar een heilige. Dus wat is eigenlijk jouwprobleem?

Beste Arjan,

Mij maakt het niet uit of Ramana Maharshi een of ander syndroom had of niet, en ook niet of dat te rijmen is met zijn al dan niet vermeende wijsdom en ook niet of daar een tegenstrijdigheid in zit.

Waarom benadruk je dat je niet op zoek bent naar een heilige? Denk je soms dat ik iets tegen heiligenvereerders, heiligenverering, heiligen of heiligheid heb? Jezus, dat zou een saaie boel worden zeg.

Leven de beeldensnijders!

Leven de beeldenkramers!

Leven de beeldendwepers!

Leven de beeldenbrekers!

Ik heb ze allemaal even lief en bovendien kunnen ze niet zonder elkaar en ik niet zonder hen.

Vandaar dat niemand voor mij hoeft te rechtvaardigen waarom hij graag in iemands ogen kijkt, of naar een foto daarvan of een print van een scan van een kopie, of naar een Rorschach inktvlek voor mijn part, en daar wat dan ook of niets in ziet.

Zelf kijk ik het liefst in de ogen van mijn lief.

Tientallen, honderden keren per dag, ik krijg er maar geen genoeg van.

Waarom, dat weet ik niet.

Of zich in haar ogen iets manifesteert of weerspiegelt, immanent, transcendent of anderszins is voor mij nooit een vraag, het is gewoon meteen goed – ken je dat?

Echt, daar kan geen mongool of maharishi tegenop.

Tot nog toe niet tenminste.

En ze is niet eens officieel zwakzinnig!

En ze is niet eens officieel verlicht!

Of zelfs maar officieus, of onverlicht, of overbelicht, of wat dan ook.

Snap jij het?

Wel balen dat ze maar niet in mijn huisaltaar wil komen wonen.

Ze laat zich pertinent niet heiligen en weigert om als beeld te poseren.

Wat dat betreft kan ik je geen ongelijk geven; het blijft behelpen met die levenden.

Overigens heb je je aan een kleine maar niet onbelangrijke aanname bezondigd:

Theorieën verzinnen is geen theorieën omarmen.

Ik verzin ze bij de vleet en ik gooi ze bij de vleet weer weg.

Wacht maar tot iemand bij mij komt zeiken dat Ramana Maharshi een Klinefelter is.

Of, in jouw geval:

Wacht maar tot iemand bij mij komt zeiken dat Ramana Maharshi géén Klinefelter is.

Ik zie de dingen nooit zus of zo, maar als iemand zus zegt, dan zeg ik graag zo, en vice versa.

En vice versa.

En vice versa.

Net zolang tot hij of zij het zelf doet of een van ons het zat is – meestal dat laatste.

Heel verwarrend voor wie helderheid zoekt, maar heel helder voor wie de verwarring omarmt.

Voor jou is het klinefelterverhaal een aantasting van de waardigheid van een onvervalste verlichte, of wat ook de diepere reden mag zijn dat je mij ongevraagd de lendendoek komt uitvegen.

Voor mij is het klinefelterverhaal een giller.

Een knuppel in de hokjesgeest.

De lezer leert er iets van, of hij leert er iets van af, of hij leert er niets van, meestal het laatste.

Dat mijn ontkenningstaal mystiek zou zijn, kan ik alleen maar ontkennen.

Wat moet een knuppel als ik met het goddelijke, en wat is in godsnaam niet-goddelijk?

Wat ik ook schrijf, wat jij er ook in leest, ik verwijs niet apofatisch naar een of ander dit of dat of iets of niets of ik-ben of ik-ben-niet of bewustzijn of atman of anatman of brahman; niet naar hogere kennis, niet naar alles-ontkennen en ook niet naar niet-weten.

Laat anderen maar grijpen en adoreren en imiteren en langs ’s wegen Heeren naar hogere sferen navigeren, dan zwaai ik ze wel uit.

Het klinefelterverhaal is net als al mijn dwaalteksten simpelweg de uit drukking, de uit rukking, de ex pressie van een denken dat vrolijk op zichzelf te hoop loopt.

Of dat iets met verlichting of realisatie of zwakzinnigheid te maken heeft, zal mij een rotzorg zijn.

Dus dat is eigenlijk mijnprobleem.

-33-

Losers voor verlossers

Beste Hans,

Ken jij de non-dualist Henk Feltkamp? Hij heeft een prachtige vertaling uit het Engels gemaakt van geselecteerde hoofdstukken uit de Tao Te Ching. Neem alleen al het eerste:

‘Het ware is niet wat men kunnen kan.
Het woord noemt niet het ware, maar het weetbare.
Naamloos zijn we deel van het eeuwige,
het woord creëert apartheid.

Zonder begeerte zien we het wonder.
Zodra we begeren begint de kleinheid.

Het geheel en het aparte zijn verstrengeld,
maar het woord scheidt hen.

Steeds radicaler niet-weten
is de toegang tot het levensmysterie.’

Ik denk dat dit jou wel zal aanspreken.

Beste Anouk,

Dank voor je tip. ‘Het ware is niet wat men kunnen kan’ – kom er maar eens op.

Omdat ik Henk Feltkamp nog niet kennen kon, heb ik eens even in zijn online boekje De troost van de werkelijkheid gegrasduind.

Ik zal het maar recht voor zijn raap zeggen: op mij komt hij over als een echte moralist.

Of een valse, daar ben ik nog niet uit.

Net als alle zelfbenoemde bevrijders die menen de Werkelijkheid te zien en anderen zo nodig uit hun droom moeten helpen.

Iedereen leidt een gemankeerd leven, menen zij, behalve wij.

Verlossers hebben losers nodig.

Henk creëert apartheid.

Anouk: Geldt dat niet voor alle verlossers?

Hans: Dat zeg ik.

Anouk: Ben jij niet zo’n verlosser?

Hans: Ik ben gewoon een loser.

Anouk: Heb jij iets tegen moralisten?

Hans: Dan zou ik zelf een moralist zijn.

Anouk: Creëer jij soms geen apartheid?

Hans: Soms wel, soms niet. Want een aardbei is geen biet. Het woord noemt ook het eetbare.

Anouk: Maar wat vind jij van Feltman’s vertaling van het eerste hoofdstuk van de Tao Te Ching?

Hans: Waarom al die woorden als je van mening bent dat woorden apartheid creëren?

Waarom onderscheid maken tussen het ware en het weetbare, tussen het tijdelijke en het eeuwige, tussen het naamloze en het benoemde, tussen het geheel en het deel?

Waarom onderscheid maken tussen het woord en het ware? Maakt het woord soms geen deel uit van het ware?

Waarom onderscheid maken tussen begeerte en het wonder? Is begeerte soms geen wonder?

Maakt scheiden soms geen deel uit van het levensmysterie?

En als ik ook eens een woord mag scheiden, waarom het leven reduceren tot een mysterie?

Of als dat je meer aanspreekt, waarom het mysterie reduceren tot het leven?

Anouk: Don’t shoot the translator.

Hans: In zijn inleiding schrijft Henk:

‘De oude tekst biedt veel vrijheid van interpretatie, maar niet zo veel als ik me soms gepermitteerd heb. Mijn verdediging is dat ik de intentie probeer weer te geven die ik in het gedicht vermoed.’

Dit zijn niet de woorden van een vertaler, maar van een interpreet.

Natuurlijk moet hij zelf weten wat hij zegt en hoe hij het zegt, doe ik ook, maar er zijn andere manieren van spreken die misschien meer in overeenstemming zijn met de geest van niet-weten.

Anouk: Hij spreekt toch ook van een steeds radicaler niet-weten?

Hans: Er is niet zoiets als een steeds radicaler niet-weten.

Niet-weten is per definitie mateloos.

Wat valt er te radicaliseren aan het radicale?

Anouk: Heb je in de andere hoofdstukken wel iets van je gading gevonden? Een sleutelwoord of een kernzin?

Hans: Hoofdstuk 62, regel 13: (kon ik niet goed lezen.)

Anouk: Volgens mij is dat een redactionele opmerking van Angélique Bongers, die het handschrift van Henk heeft getranscribeerd.

Hans: Mijn complimenten aan Angélique.

Anouk: Hoe voelt het om onder de boom van de kennis te liggen?

Hans: Vraag maar aan iemand die onder de boom van de kennis ligt.

Anouk: Wat zou hij antwoorden, denk je?

Hans: Beurs.

Anouk: Wat nog meer?

Hans: Aangepikt en uitgezogen.

Anouk: Er zitten toch ook wel prettige kanten aan?

Hans: Zeker weten, je kunt niet dieper vallen.

Anouk: Zeker weten?

Hans: Zeker weten: je kunt niet dieper vallen.

Anouk: Denk jij dat Henk nog steeds aan de boom van de kennis hangt?

Hans: Welke boom?

Anouk: Ik dacht dat je zou zeggen, ‘Welke Henk?’

Hans: Mij niet gezien.

Anouk: Want hij heeft het tijdelijke verwisseld met het eeuwige.

Hans: Geeft niks hoor, ik kan ze zelf ook niet uit elkaar houden.

-34-

De Waarheid als handelswaar

Een goedkoop spelletje

Beste Hans,

Vanmiddag heb ik weer een privésatsang met mijn advaitaleraar à raison van zeventig euro. En ik weet niet eens meer wat ik hem moet vragen. Heb jij nog een idee?

Beste Jette

Ja hoor. Vraag maar of hij genoegen neemt met half geld. Dat is meer dan niks, en dat mag ook wel, omdat jij weer zo nodig je spelletje moet spelen.

De andere helft van zijn tarief betaalt je leraar aan jou. Dat is meer dan niks, en dat mag ook wel, omdat hij weer zo nodig zijn spelletje moet spelen.

Twee keer half geld maakt samen zeventig euro die van eigenaar verwisselt, net als voorheen. Wel even opgeven bij de belasting, hè?

Jette: Welk spelletje speel ik volgens jou?

Hans: Zoekertje natuurlijk.

Jette: En mijn advaitaleraar dan?

Hans: Leraartje natuurlijk.

Jette: Wat is jouw spelletje eigenlijk?

Hans: Op dit moment speel ik belastingadviseurtje. Een heel goedkoop spelletje, het kost je alleen maar woorden. Doe er je voordeel mee, zou ik zeggen, of zal ik je mijn bankrekening sturen?

Een korte satsang

Twee weken later

Jette: Vanmiddag weer een privésatsang met mijn leraar. Opnieuw geen idee wat ik hem nog zou moeten vragen, jij?

Hans: Heb je hem wel iets te zéggen?

Jette: Ook niet.

Hans: Kan je hem dat niet zeggen?

Jette: Daar zeg je me wat.

Hans: Dat zal me een korte satsang worden, zeg.

Jette: Ik zie er nu al tegenop.

Hans: Het moment van de Waarheid.

Jette: Wat moet ik dan zeggen?

Hans: Dat je af wil zeggen?

Jette: Daar heb ik heus geen privésessie voor nodig.

Hans: Dan kan je hem dat meteen zeggen.

Jette: Zonde van het geld.

Hans: Vrijheid wordt duur betaald.

Een dikke fooi

Twee weken later

Jette: Vanmiddag privésatsang, wat moet ik mijn leraar in godsnaam nog vragen?

Hans: Wat je hem in godsnaam nog moet vragen.

Jette: En als hij het ook niet weet?

Hans: Dan weet je evenveel als hij.

Jette: En dan?

Hans: Maak je dat je wegkomt.

Jette: Zonder te betalen?

Hans: Ik zou hem een dikke fooi geven.

Jette: Waarvoor?

Hans: Zo’n ontdekking is goud waard.

Jette: Maar dan sta ik er weer alleen voor.

Hans: Dat stond je toch al.

Jette: Hoezo?

Hans: Als alles één is.

Jette: En anders?

Hans: Helemaal.

Jette: Hoezo?

Hans: Omdat je leraar dan onzin verkoopt.

Jette: Maar is alles nou één of niet?

Hans: Eerst betalen.

-35-

Weetnietgeesten discussiëren niet

Four kinds of minds (but none too kind).

Beste Hans,

Stijlloos hoe je bona fide leraren en goeroes aan de kaak stelt. Eleanor Roosevelt zei het al: ‘Great minds discuss ideas; average minds discuss events; small minds discuss people.’

Beste Patrick,

Weetnietgeesten discussiëren niet.

-36-

Piekeren over piekervaringen

‘Het is met piekervaringen al net als met alle ervaringen. Ze zijn zo voorbij en dan sta je weer met lege handen.’ Piekeren over piekervaringen; valkuilen op de weg.

Weg van jezelf

Beste Hans,

Als kind van een jaar of tien heb ik eens een heel bijzondere ervaring gehad die me nooit meer heeft losgelaten. Ik was ziek maar ik denk niet dat het er iets mee te maken heeft. Ik noemde die ervaring destijds, en nu nog steeds, mijn buikgevoel.

Gevoel is niet het goede woord maar ik weet niet hoe ik het anders moet noemen. Het voelde alsof alles licht en donker tegelijk was, zacht en hard, dicht en ijl, dik en dun. Alle extremen vertegenwoordigd en duidelijk aanwezig en toch niet van elkaar gescheiden.

Het zinderde als elektriciteit, zacht als dons en toch intens als de bliksem. Het was in mij en ik was daarin. Vrede, volledige helderheid, het lichaam in rust maar helemaal levend en aanwezig ondanks mijn ziekte. Het klopte precies, vraag me niet waarom of waarmee, en ook al wist ik niet wat het was, het voelde … thuis. Iets heerlijkers bestond er niet. Later is dat gevoel nog vaak teruggekomen, vanzelf, zonder dat ik er iets voor hoefde te doen.

Ik heb het jarenlang voor me gehouden omdat ik niet wist hoe ik het onder woorden moest brengen. Hoe zeg je zoiets? Op een dag zei ik tegen mijn ouders: ‘Wat ik ben, zijn jullie in essentie ook, toch?’ Het was als vraag bedoeld en hun bevestiging was heel belangrijk voor mij, maar ze lachten erom. Mede door die ervaring begon ik mij lichamelijk en geestelijk af te sluiten, met alle gevolgen van dien. Een verhaal op zich maar dat doet er nu niet toe.

Als twintiger ben ik op onderzoek gegaan om erachter te komen wat dat buikgevoel nou precies was, en vooral wat ik moest doen om het terug te krijgen. Tien jaar lang deed ik niets anders dan lezen, schrijven, leraren bezoeken en nadenken.

Uiteindelijk heb ik ontdekt dat ‘ik’ daar helemaal niets voor kan doen. Integendeel, ieder doen staat het in de weg, maar hoe moest ik dat weten? Wat ik wel wist, puur intuïtief, was dat ik uiteindelijk tot één punt zou komen, dat ik alles tot één punt zou kunnen herleiden. Alleen was dat punt natuurlijk geen punt, maar de leegte.

Toen ik bij die leegte was uitgekomen, heb ik dezelfde weg nog eens afgelegd, maar nu in omgekeerde richting. Vanuit de leegte zag ik dat alles diezelfde nietsheid was. Om dat te kunnen bevatten heb ik er een draai aangegeven, aan die leegte, zodat het een negatief werd van de volheid, een antiding, een onsubstantie, enfin, een hoop geredeneer en gedoe om het allemaal kloppend te krijgen en vanuit de leegte terug te kunnen keren naar de wereld.

Natuurlijk kon ik er toen helemaal niets meer mee. Ik zat te weinig in mijn lijf, te veel in mijn hoofd en ik raakte steeds verder van huis. Ik kon niets meer voelen, alleen nog maar denken, en mijn buikgevoel was compleet onbereikbaar.

Tot ik hoorde, las en uiteindelijk ook inzag dat het denken zelf gezien wordt door iets achter dat denken. Ik moest achter dat denken zien te geraken, het denken passeren door niet meer te denken, dat wil zeggen, door niets meer te weten.

Mijn laatste leraar (ik heb er al heel wat versleten!), een non-dualist in hart en nieren, heeft mij helpen inzien dat mijn lichaam geen object is. Ik besta, ik leef, ik ben er gewoon, hier en nu, er is gewoon Bestaan, Zijn, Leven, alleen maar Dit. Een Zelf maar geen zelf, niet een ‘ik’ die er is, mijn hart slaat vanzelf, ik haal vanzelf adem, het regelt zichzelf, het doet zichzelf, daar ben ik niet voor nodig.

Maar ja. Ondertussen schuilt er in dit Leven dat zichzelf schijnt te leven gewoon een heel bang meisje dat als kind werd uitgelachen vanwege haar ideeën over wie ze echt was.

Mijn buikgevoel klopt, dat weet ik heel zeker. Maar ook al heb ik het gevoel dat het echt niet anders kan zijn, toch wilde en wil ik het van iemand anders horen.

Zo’n paradox: ik weet dat de ander eigenlijk alleen in mij bestaat. En dan toch van ‘hem’ of ‘haar’ willen horen…

Nog zo’n paradox: hoe kan ik nou zeker weten dat mijn buikgevoel klopt als ik al sinds vele jaren weet dat er niets te weten valt?

Bovendien, hoe helder het ook is, dat gevoel komt en gaat. Volgens advaita is alles wat komt en gaat niet echt. Maar juist vanuit het kennen, als alles echt stil is in mij, als ik mijn lichaam even niet zie als een object, als het ego zich er even niet mee bemoeit of ermee aan de haal probeert te gaan, dan komt het buikgevoel vanzelf weer op. Soms blijft het zelfs even hangen maar dan begint al gauw het gedoe met het ego weer, dat het veroordeelt of claimt.

Al die tegenstrijdigheid. Wat klopt hier nou wel of niet? Ik weet niet of ik mij duidelijk heb uitgedrukt. Snap je mijn probleem?

Mijn leraar geloof ik niet. Die heeft het steeds over ‘Intimiteit’ in de zin van ‘de smaak van het Zijn dat wij delen’. Ik probeer er al jaren achter te komen of zijn Intimiteit gewoon een ander woord is voor mijn buikgevoel, maar daar komen we blijkbaar niet uit. Vandaar dat ik nu mijn pijlen op jou richt.

Weg van de levensverhalen

Beste Ester,

Dank je wel dat je deze versie van je levensverhaal met me hebt willen delen.

Ik zeg ‘deze versie’ omdat je je levensverhaal wel voortdurend zult herschrijven.

Pakweg tien jaar geleden zal het een heel ander verhaal geweest zijn dan nu, en over tien jaar zal het wel weer compleet veranderd zijn, of denk jij van niet?

Als alle eerdere versies van je levensverhaal bij nader inzien onwaar blijken te zijn en gereviseerd moeten worden in het licht van de nieuwste ontwikkelingen, hoe groot is dan de kans dat het huidige verhaal standhoudt?

Of een toekomstige versie?

Als alle verhalen op den duur onhoudbaar zijn, waarom dan al die moeite om ze op te schrijven?

Kan je ze niet net zo goed meteen weggooien?

Wie hou je eigenlijk voor de gek?

En je allerlaatste levensverhaal, geschreven vlak voor je dood – zou dat standhouden als je nog wat langer te leven zou hebben, laten we zeggen tien jaar, honderd jaar, duizend jaar, eeuwig?

Als je eeuwig zou leven, zou je levensverhaal dan ook eeuwig duren?

Aan wie zou je het dan ooit kunnen vertellen, wie zou er nog naar je willen luisteren?

Zou je het zelf nog kunnen aanhoren?

Hoeveel tijd ben je inmiddels al kwijtgeraakt aan het schrijven en herschrijven en herschrijven van je levensverhaal?

Wat heeft het je tot nog toe gebracht?

Aan hoeveel mensen heb je het al verteld?

Hoeveel mensen lopen er rond met eerdere versies van je levensverhaal, die je ze met veel moeite op de mouw hebt gespeld en nu met nog meer moeite zal moeten corrigeren of herroepen?

Veel mensen denken net als jij dat hun leven, het leven, een legpuzzel is.

De stukjes hebben ze al, nou nog even aan elkaar leggen.

Dan zullen ze eindelijk het grote plaatje zien.

Maar is dat wel zo?

Is er wel een groter plaatje?

Is er maar één groter plaatje?

Wat als er wel duizend grotere plaatjes zijn?

Dit zijn de eerste vragen die in me opkwamen bij het lezen van je brief. Over naar de inhoud.

Weg van de logica

Volgens mij zit jij met twee paradoxen in je eh… maag.

Ten eerste vraag je je af hoe je je ‘buikgevoel’ moet rijmen met niet-weten.

Aan de ene kant ben je van mening dat je buikgevoel klopt, dat het waar is, dat het iets over de werkelijkheid zegt, misschien wel over de hoogste werkelijkheid; aan de andere kant ben je van mening dat je niets kunt weten, dus ook niet over de waarheid of de hoogste werkelijkheid.

Ten tweede vraag je je af hoe je je buikgevoel moet rijmen met advaita.

Je gevoel zit volgens de advaita vedanta immers aan de ‘gekende kant’, die vergankelijk is en daarom illusoir zou zijn, terwijl het ware zelf juist het onvergankelijke, onkenbare kennen (of de onvergankelijke, onkenbare kenner) van het gekende zou zijn, dat zich op geen enkele wijze manifesteert, dus ook niet als een piekervaring.

In beide gevallen – niet-weten en advaita – is je buikgevoel een waardeloze illusie, terwijl het nou net het heerlijkste, mooiste en meest authentieke is dat je ooit hebt ervaren.

Ergens klopt er dus iets niet, maar wat?

Is je buikgevoel vals?

Heb je het wel juist geïnterpreteerd?

Is niet-weten onzin?

Heb je het wel goed begrepen?

Is advaita een dwaalleer?

Heb je je wel goed geïnformeerd?

Begrijp jij je leraren verkeerd, of zij hun leer?

De eenvoudigste manier om aan een paradox te ontsnappen, is hem laten bestaan.

Ik bedoel, waarom moet je buikgevoel in overeenstemming worden gebracht met niet-weten en advaita?

Waarom moet je logisch zijn?

Als ik je buikgevoel goed begrijp, heeft het iets weg van een eenheid van tegendelen, waarin licht en donker, zacht en hard, dicht en ijl, dik en dun, rustig naast elkaar bestaan.

Is er in die buik misschien ook ruimte voor de tegenstellingen waarmee je worstelt: weten en niet-weten, buikgevoel en niet-weten, buikgevoel en advaita, niet-weten en advaita, de gekende kant en de kennende kant?

Zo ja, wat is dan nog het probleem?

Geen probleem.

In ieder geval niet in je buik.

Vanuit je buik.

Als buik.

Daarbuiten is natuurlijk een andere zaak.

En als ik het goed begrijp ga je vaak uit je buik.

Weg van advaita

Hoe valt je buikgevoel te rijmen met advaita?

Door de ijzeren logica van de advaita vedanta tegen zichzelf in te zetten.

Advaita stelt dat álle ervaringen, dus ook je buikgevoel, aan de ‘gekende’ kant zitten.

Volgens de leer is alles aan de gekende kant vergankelijk en dus, vanuit het perspectief van de eeuwigheid bezien, zonder waarde.

Als dat waar is dan geldt het natuurlijk ook voor de advaitavada zelf, die net zo goed tot de gekende kant behoort.

Dat je het doek bent, niet de film, is gewoon de volgende film.

Weg ermee, probleem opgelost.

Je kan ook vraagtekens zetten bij het merkwaardige uitgangspunt dat het ware onveranderlijk moet zijn.

Waarom eigenlijk?

Wie zegt dat op wiens gezag?

Waarom zou het tijdelijke onecht zijn in plaats van echt maar tijdelijk?

Je kan ook vraagtekens zetten bij het onderscheid tussen het kennen en het gekende, tussen het bewustzijn en zijn inhouden, waarop de advaita vedanta patent meent te hebben.

Waarom zou het gekende niet zelfkennend zijn?

Is er wel zoiets als een bewustzijn los van zijn inhouden?

Hoe stel je zoiets vast, als het vermeende bewustzijn helemaal geen eigenschappen heeft?

Natuurkundigen uit de negentiende eeuw redeneerden dat lichtgolven net als geluidsgolven en watergolven een medium nodig hebben om zich in te kunnen verplaatsen, en noemden dat medium ether.

Die ether is nooit gevonden.

Waarom bewustzijn dan wel?

Heb jij het al gevonden?

Zeker weten dat het geen illusie is?

Weg van niet-weten

Wat betreft de vraag hoe je buikgevoel valt te rijmen met niet-weten: een radicaal niet-weten is op zichzelf al paradoxaal.

Als je niets weet, dan ook niet dat je niets weet.

Net als met de beroemde leugenaarsparadox: ‘deze zin is gelogen’.

Als hij waar is, is hij onwaar en als hij onwaar is, is hij waar.

Een radicaal niet-weten gaat onmiddellijk aan zichzelf ten gronde.

Dat kan je zien als het einde van niet-weten of als het toppunt ervan of beide of geen van beide.

Hoe je het ook ziet, het resultaat is dat je niet langer iets weet en niet langer niets weet.

In die zin is ieder (niet) weten een wetend niet weten.

Zowel het weten als het niet-weten staan voorgoed tussen aanhalingstekens.

Niet-weten is inderdaad niet te verenigen met een buikgevoel dat klopt.

Maar ‘niet-weten’ is probleemloos te verenigen met ‘een buikgevoel dat klopt’.

De aanhalingstekens duiden op een onvoorwaardelijk voorbehoud, of liever, een ‘onvoorwaardelijk voorbehoud’.

Je gelooft in geen van beide heilig.

Noch in niet-weten, noch in je buikgevoel.

Weg paradox.

Weg van de woorden

Zoals een consequent doorgeredeneerd niet-weten zichzelf vernietigt, waarna je weer met lege handen staat, zo maakt een consequent doorgeredeneerd advaita korte metten met zichzelf, waarna je weer met lege handen staat.

Onderweg ziet de wereld er vanuit agnose misschien anders uit dan vanuit advaita, maar in de limiet komen ze op hetzelfde neer.

Waarop?

Nergens op.

Hoe moeten we dit ‘nergens op’ noemen zonder meteen teveel te zeggen?

Het weten voorbij?

Niet-weten voorbij?

De dualiteit voorbij?

De non-dualiteit voorbij?

Het zijn voorbij?

De eenheid voorbij?

De essentie voorbij?

Advaita voorbij?

Het voorbijzijn voorbij?

Je kan van verlichting spreken of van verduistering of toch maar weer van niet-weten.

Je kan het een debacle noemen of een triomf of beide of geen van beide.

Je kan ‘tja’ zeggen, je schouders ophalen of je mond houden.

Wat maakt het allemaal uit?

Weg van de piekervaringen

De gemeenschappelijke term van je paradoxen is je buikgevoel.

Uit je brief krijg ik de indruk dat dit buikgevoel voor jou niet alleen een heerlijke, voorbijgaande ervaring is maar ook, en misschien wel vooral, een manifestatie van de Waarheid of de hoogste Werkelijkheid of het Leven of het Zijn dat je ten diepste zou zijn.

Maar is het dat wel?

Hoe stel je zoiets vast?

Zelf heb ik ook allerlei mooie en rare ervaringen.

Ik spreek er niet graag over want dan gaan de mensen alleen maar denken dat het bij niet-weten om ervaringen gaat.

Piekervaringen, mystieke ervaringen, eenheidservaringen, heelheidsbeleving, kensho, satori, ananda, jhana, moksha, samadhi, of hoe het ook allemaal mag heten.

Niets is minder waar.

Maar omdat je buikgevoel in jouw brief centraal staat, zal ik je zeggen wat ik zoal ervaar.

Soms voel ik grote dankbaarheid.

Soms voel ik mij gedragen door de wereld.

Soms voel ik een overweldigende, zalige nietigheid.

Soms voel ik mij uitstromen naar en opgaan in de wereld.

Soms voel ik mij het water waar ik naar kijk of een blaadje dat erin drijft, dikwijls vervloeit mijn lichaam en verliest het zijn vaste vormen en contouren.

Soms hebben alle vormen en kleuren een verhevigde intensiteit.

Soms zindert en trilt alles alsof ik de atomen of de energie zelf kan zien.

Soms hou ik van alles en iedereen.

Vaak vind ik alles mysterieus en majestueus.

Vaak heb ik onder een oppervlakkige rusteloosheid een gevoel van diepe vrede.

Vaak zie ik in de spiegel tot mijn verbazing weer niet de glimlach op mijn gezicht die mijn hart verwarmt.

Sommige van deze ‘ervaringen’ had ik vroeger ook al, andere pas sinds ik ‘niet meer weet’.

Ze duren seconden, minuten, uren of vormen dagenlang de achtergrond waartegen allerlei andere ervaringen/verschijnselen optreden, die ermee in overeenstemming of eraan tegengesteld zijn.

Dat was het wel zo’n beetje.

Voor veel mensen zijn ervaringen het hart en de ziel van hun spiritualiteit.

Voor mij heeft het een niets met het andere te maken.

Integendeel, wat mij betreft stellen ervaringen niks voor.

Ik onderga ze, verder kunnen ze me gestolen worden.

Eerlijk gezegd heb ik geen idee meer welke van mijn ervaringen ik tot de spirituele moet rekenen en welke tot de normale.

Zijn ervaringen zoals zien, proeven, ruiken, niesen, ademhalen, plassen, klaarkomen, zwemmen, dansen, dromen of hallucineren soms minder waard dan de unio mystica, de extase, innerlijke vrede, een godsvisioen?

Waarom zou ik de ene ervaring hoger aanslaan dan de andere?

In mijn beleving zijn alle ervaringen precies even gewoon of bijzonder.

Weg van de duidingen

Ervaringen zijn ervaringen, ze komen en ze gaan en wat doe je eraan.

Belangrijker is wat je ermee doet, hoe je ermee omgaat.

Vervult een ervaring je met trots?

Wil je er de baas over zijn?

Laat je je erop voorstaan?

Moet de hele wereld het weten?

Welke conclusie trek je eruit?

Mag ik, bijvoorbeeld, uit mijn diepe dankbaarheid concluderen dat het bestaan een cadeau is?

Mag ik uit mijn zalige nietigheid concluderen dat ik eigenlijk niets ben?

Mag ik uit mijn uitstromen naar de wereld concluderen dat ik eigenlijk alles ben?

Mag ik uit het zinderen van de dingen concluderen dat alles eigenlijk energie is?

Mag ik uit de verhevigde intensiteit van de dingen concluderen dat er een onbemiddelde werkelijkheid is waarmee ik op dat moment in contact sta?

Mag ik uit mijn aanvallen van liefde voor alles en iedereen concluderen dat ik liefde ben of dat alles liefde is?

Mag ik uit mijn aanvallen van be- en vervreemding concluderen dat het leven een mysterie is?

Mag ik uit mijn innerlijk vrede concluderen dat alles goed is zoals het is?

Mag ik uit mijn ‘piekervaringen’ concluderen dat ik de hoogste piek heb bereikt, een bijzonder mens ben, misschien wel ontwaakt, gerealiseerd, verlicht?

Zo ja, moet ik dan bij het uitblijven van deze ervaringen, dus tussen deze ervaringen in, mijn conclusies herroepen?

Moet ik bij tegengestelde ervaringen, bijvoorbeeld van ondankbaarheid, weerzin, hoogmoed, eenzaamheid, matheid en innerlijke onrust, tot tegenovergestelde conclusies komen?

Ik moet er niet aan denken.

Zo blijf ik aan het concluderen, voortdurend van het ene zelfbeeld in het andere schietend, van het ene wereldbeeld in het andere, van de ene werkelijkheid in de andere, van de ene waarheid in de andere, van de ene wijsheid in de andere, van de ene gemoedstoestand in de andere.

Voor mij is een mooie ervaring een mooie ervaring en niet meer dan dat.

Ik zal niet zeggen dat ik er nooit conclusies uit trek, daar ga ik niet over.

Maar als het al eens gebeurt, vallen ze subiet ten prooi aan niet-weten, waar ik trouwens ook niet over ga.

Ervaring weg, conclusies weg, volgende patiënt.

Idem dito voor negatieve ervaringen.

Daarom is het voor mij geen enkel probleem dat mooie ervaringen voorbijgaan.

Ik hang er immers niets aan op.

Geen diepste waarheid, geen hoogste werkelijkheid, geen egoloosheid of superego.

Ik vind mezelf geen bijzonder mens omdat ik iets wel of niet ervaar.

Ik vind mezelf geen verliezer omdat ik iets niet of wel ervaar.

Ik denk nooit: o jee, mijn mooie ervaring is voorbij, dan ben ik mijn lichaam zeker weer als object gaan zien, of dan heeft mijn ego zeker weer de kop opgestoken.

Het voorbijgaan van mijn ervaringen betekent voor mij niet dat ik iets verkeerd doe, niet dat ik moet stoppen met iets te doen, niet dat ik moet niet-doen of moet loslaten.

Het voorbijgaan van mijn ervaringen betekent voor mij alleen maar het voorbijgaan van mijn ervaringen.

Het betekent niets.

Betekent het toch iets, dan heeft dát niets te betekenen.

Heeft het dat toch, dan heeft dát niets te betekenen, enzovoort.

Kortom, laat maar gaan.

Ik heb er niks aan, aan die ervaringen niet, ze brengen me niets anders dan zichzelf, dus kan ik ook niets kwijtraken als ze, zoals alle ervaringen altijd, de geest geven.

Mijn geest is een vrije radicaal, die bindt zich nergens aan.

Ook niet aan mij.

Ook niet aan het idee van het ware zelf.

Ook niet aan het idee van de geest als vrije radicaal.

Ook niet aan het idee van de geest.

Ook niet aan het idee van de niet-geest.

Niet-weten is geen ervaring.

Het heeft geen ervaringen nodig.

Het heeft er ook geen last van.

Niet-weten is immuun voor ervaringen.

Weg van de bevestigingen

Wanneer je ervaringen alleen maar ziet als ervaringen en niet als vingers die naar de maan wijzen, dan dondert het niet wat anderen ervan vinden.

Jij hebt je buikgevoel, dat is een fijn gevoel, het fijnste dat je kent, een thuiskomen, wat maakt het uit of anderen het herkennen of erkennen?

Waarom moeten je ouders het bevestigen?

Waarom moeten de boekjes het bevestigen?

Waarom moeten je leraren het bevestigen?

Waarom moet ik het bevestigen?

Wat maakt het uit of de intimiteit van leraar A of de universele liefde van leraar B of de eenheidservaring van leraar C of de smaak van zijn van leraar D of de innerlijke glimlach van Hans van Dam in wezen of in grote lijnen identiek zijn aan of verschillend van jouw buikgevoel?

Wat bewijst dat?

Wat moet je met die bewijzen?

Nu we het er toch over hebben: waarom is het zo erg dat je ouders jou niet begrijpen?

Jij kan of wil hun toch ook niet begrijpen?

Jij deed en doet toch ook niet echt je best om hun te begrijpen in hun onbegrip voor jou, in hun gezond verstand, in hun overtuiging (neem ik nu maar even aan) dat er een onoverbrugbare kloof bestaat tussen menselijke individuen onderling en tussen het individu wereld?

Probeer eerst zelf maar eens wat begrip op te brengen voor je ouders, zou ik zeggen, voor je aanspraak maakt op het hunne.

Of zie het wederzijdse onbegrip rustig onder ogen zonder je meteen in verwijten te verliezen.

Of verlies je in verwijten zonder jezelf daarvoor verantwoordelijk te stellen.

Of hou jezelf ervoor verantwoordelijk zonder jezelf dáárvoor verantwoordelijk te stellen.

Al was het maar voor de verandering.

Ook het onbegrip tussen jou en je leraren schijnt wederzijds te zijn.

Ikzelf zou jouw buikgevoel kunnen gaan duiden in termen van niet-weten, maar wat schiet je ermee op?

Het enige dat het oplevert is wéér een analogie, met de onvermijdelijke overeenkomsten en de al even onvermijdelijke verschillen.

Zo blijf je aan de gang.

En je leraren helemaal, de arme donders.

Weg van de gedachten

Als je het echt zo nodig allemaal onder woorden moet brengen, zijn er waarschijnlijk geen betere termen dan je eigen termen.

Alleen wie geen eigen woorden kan vinden moet genoegen nemen met die van anderen.

Die zijn net als alle confectiekleding ofwel te groot ofwel te klein.

Meestal te groot, vrees ik.

Extra extra large.

Bewustzijn!

Boeddha!

Brahman!

Essentie!

Tao!

God!

Liefde!

Mededogen!

Eeuwigheid!

Ga toch lekker in die buik van je zitten, laat die buik lekker in jou zitten, jullie passen elkaar als een handschoen, iets passenders zal je misschien nooit vinden.

Kan je leven met de gedachte dat nooit iemand je buikgevoel onvoorwaardelijk zal bevestigen of dat een onverhoopte bevestiging niets zal veranderen?

Nee?

Kan je dan misschien leven met de gedachte dat je daar niet mee kunt leven en toch steeds naar bevestiging zult blijven zoeken?

Nee?

Kan je dan misschien leven met de gedachte dat je niet kunt leven met die gedachte?

Nee?

Kan je leven met de gedachte dat je buikgevoel komt en gaat, wat je ook doet of laat?

Nee?

Kan je dan misschien leven met de gedachte dat je daar niet mee kunt leven en toch blijft doen en laten?

Nee?

Kan je dan misschien leven met de gedachte dat je niet kunt leven met die gedachte?

Nee?

Kan je leven met de gedachte dat je misschien nooit zult weten wat je buikgevoel precies betekent en of het wel iets betekent?

Nee?

Kan je dan misschien leven met de gedachte dat je daar niet mee kunt leven en toch blijft interpreteren en verklaren?

Nee?

Kan je dan misschien leven met de gedachte dat je niet kunt leven met die gedachte?

Nee?

Maakt niet uit, het zijn allemaal maar gedachten.

Ook dit is maar een gedachte.

En het is met gedachten al net als met ervaringen: ze glippen voortdurend door je vingers.

Weg van niet-denken

Dat het denken gepasseerd kan worden door niets meer te denken, zoals jij stelt, is mij niet bekend.

Zelf ben ik het denken in elk geval niet voorbij.

Ik heb weleens gelezen van mensen die urenlang niks denken, sommige Aspergers bijvoorbeeld, Socrates, en wie weet de doden.

Van de spirituele leraar en dwarskont U.G. Krishnamurti herinner ik me een passage waarin hij verklaart dat zijn denken sinds zijn realisatie van nature stilstaat, dat de tijd voor hem verstrijkt zonder te verstrijken totdat iets, of iemand, of zijn lichaam, wat roept of vraagt en het denken weer op gang helpt, maar zodra het zijn taak volbracht heeft, valt het weer stil.

Zelf heb ik dat nooit meegemaakt – behalve misschien tijdens de zogenaamde droomloze slaap, maar daar heb ik geen concrete herinneringen aan.

Had ik ze wel dan zou ik ze niet vertrouwen.

Verder is het altijd bal in mijn bovenkamer.

Voor getuigenissen over gedachteloosheid moet je niet bij mij zijn.

Voor mij is niet-denken heel wat anders dan niet-weten.

Voor mij is niet-weten is een radicaal andere vorm van denken.

Een zelfbewust en zelfvernietigend denken.

Een denken dat spontaan tegenwicht biedt, of lijkt te bieden, aan het wetende denken wanneer en voor zolang dat nodig is.

En dan zelf in rook opgaat.

Of zo nodig op zijn beurt weersproken wordt door een volgende gedachte, enzovoort.

Weg van de filosofie

Dat de ander van wie je bevestiging zoekt alleen in jou zou bestaan, zoals jij stelt, is een solipsistische gedachte.

De filosofie van het solipsisme, nauw verwant met die van de advaita vedanta, is bij mijn weten noch te bewijzen noch te ontkrachten.

Sommigen nemen het voor waar aan en putten er troost en kracht uit.

Anderen nemen het voor waar aan en worden er eenzaam en verdrietig van.

Weer anderen houden het voor onwaar.

Ikzelf houd het alleen maar voor mogelijk, wat het onmogelijk maakt er conclusies uit te trekken.

Dat is wel zo rustig.

Zelf ben ik weliswaar een liefhebber van de filosofie en kan ik enorm genieten van al die wonderlijke ideeën, maar alleen nog als verschijnsel, niet meer als waarheid.

Theorieën zijn bloemen van de geest.

Kijken, niet plukken.

Dat theorieën bloemen van de geest zijn, is ook zo’n bloem.

Wat mij betreft is er in de spiritualiteit geen plaats voor welke theorie dan ook.

Kijken, niet plukken.

Spiritualiteit is voor mij geen idee, maar een vrijplaats, een asiel, een terp, ademruimte, een lege ark doelloos ronddrijvend in een onafzienbare zee van wetendheid.

Ook dit is maar een idee – weg ermee.

Weg van de leegte

Jouw gedachte dat alles leegte is, ken ik onder meer uit het boeddhisme.

Zelf kan ik dat bevestigen noch ontkennen.

Van alles weet ik niets.

Van niets ook niet.

Heb je er weleens bij stilgestaan dat het concept ‘leegte’ zelf ook leeg zou kunnen zijn?

Weg van de zekerheid

Net als in jou schuilt er in mij ook een bang meisje.

Jongetje.

Diertje.

Of Angsthaas en ik ooit van elkaar verlost zullen worden, betwijfel ik.

Of ik ooit verlost zal worden van mijn incidentele verlangen ervan verlost te worden betwijfel ik ook.

Of ik dat incidentele verlangen moet opvatten als een betrouwbaar signaal over of vanuit een of ander persoon, zeg Hans van Dam, betwijfel ik ook.

Dat die persoon een illusie is, betwijfel ik ook.

Enzovoort, enzovoort.

Conclusie?

Weg van de weg

Beste Hans,

Diep in mijn hart heb ik altijd gehoopt dat iemand mij nog eens schaakmat zou zetten, helemaal. Alle ruimte krijgen en tegelijk geen kant meer op kunnen. Gewoon perplex staan. Niet vanwege één idee of ervaring of gebeurtenis of toestand maar totaal. En wat er dan overblijft, of niet overblijft …

Is er nu iets verandert? Misschien alles. Misschien niets. Moet er iets veranderen? Moet er iets hetzelfde blijven? Ik kan eigenlijk niets anders zeggen dan ‘bedankt’. En ik weet niet eens waarvoor!

-37-

Een grote afstand tot het denken – spiritualiteit zonder spiritualiteit

Beste Hans,

Ik bespeur bij jou een grote afstand tot het denken: de afstand die door Jiddhu Krishnamurti keuzeloos gewaarzijn werd genoemd. Is dat niet de quintessens van spiritualiteit?

Beste Mila,

Inderdaad schijnt er een grote afstand te zijn, maar vraag me niet waartussen.

Anders ga ik domme dingen roepen als: ‘tussen mij en het denken’, en zadel ik ons meteen weer op met een denker en een denken.

Zie er dan nog maar eens van af te komen.

Als er werkelijk een grote afstand tot het denken is, dan ook tot de gedachte dat er een grote afstand tot het denken is. Dus daar sta je dan met je mooie inzicht.

Mila: Dat bedoel ik nou. Keuzeloos gewaarzijn.

Hans: Als je werkelijk keuzeloos gewaar bent, dan ook van de gedachte dat je werkelijk keuzeloos gewaar bent.

En ook van de gedachte dat er een je is en dat er gedachten zijn waarvan die je zich keuzeloos gewaar is.

Of juist geen je of geen gedachten of geen keuzeloos gewaarzijn daarvan.

Dus daar sta je dan met je mooie woorden.

Mila: Nou moe.

Hans: Moe word je van het najagen van mooie woorden.

Sommigen vullen er hun hele hoofd mee, en hun hele leven.

Ze noemen het spiritualiteit, weer zo’n woord.

Mila: Ben jij naar jouw gevoel helemaal onthecht – ook van algemeen erkende spirituele termen als keuzeloos gewaarzijn?

Hans: En ook van de gedachte dat ik naar mijn gevoel helemaal onthecht ben – ook van algemeen erkende spirituele termen als keuzeloos gewaarzijn.

Ook van de gedachte dat volledige of gedeeltelijke onthechting mogelijk of wenselijk is.

Ook van de gedachte dat volledige of gedeeltelijke onthechting onmogelijk of onwenselijk is.

Ook van de gedachte dat keuzeloos gewaarzijn een algemeen erkende spirituele term is.

Ook van de gedachte dat keuzeloos gewaarzijn geen algemeen erkende spirituele term is.

Ook van de gedachte dat er algemeen erkende spirituele termen zijn.

Ook van de gedachte dat er geen algemeen erkende spirituele termen zijn.

Ook van de gedachte dat er een quintessens van spiritualiteit is, of dat die er niet is.

Zie je het patroon?

Mila: Dat bedoel ik dus. Jij gelooft niets meer. Jij weet niets meer. Jij bent overal van onthecht.

Hans: Ook van de gedachte en het verlangen niets meer te geloven.

Ook van de gedachte en het verlangen niets meer te weten.

Ook van de gedachte en het verlangen overal van onthecht te zijn.

Mila: Zo blijft er weinig over.

Hans: Opgeruimd staat netjes.

Mila: En dan?

Hans: Kunnen we eindelijk weer over tot de wanorde van de dag.

Maanden later

Beste Hans,

Ik heb er lang over nagedacht en ik kan het maar niet met mezelf eens worden of niet-weten nou het toppunt van keuzeloos gewaarzijn is of het einde ervan.

Hans: Dan neem je toch afstand van beide.

Mila: Ik denk dat Jiddhu je in zijn armen zou sluiten.

Hans: Krishna is anders al een tijdje murti.

Mila: Laat ik het dan zo zeggen: er is een keuzeloos gewaarzijn van de gedachte dat Jiddhu Krishnamurti je in zijn armen zou sluiten.

Hans: Dan neem je toch afstand van beide.

Mila: Is afstand iets wat je neemt of iets wat je overkomt?

Hans: Of beide of geen van beide.

Mila: Waarom zwijg je eigenlijk niet als je toch niets te zeggen hebt?

Hans: Wie zegt dat ik niets te zeggen heb?

Mila: Waarom zeg je het dan niet?

Hans: Maar ik doe al niet anders.

Mila: Maar niet met zoveel woorden.

Hans: Zoveel woorden heb ik niet.

-38-

Wat is keuzeloos gewaarzijn

De mens als louter getuige.

Onthecht getuige zijn

‘Keuzeloos gewaarzijn’, met of zonder spatie tussen ‘gewaar’ en ‘zijn’, is een uitdrukking van de spirituele leraar en antigoeroe Jiddhu Krishnamurti (1895-1986).

Hij doelt ermee op de levenshouding van de verlichte die zijn ware aard heeft gerealiseerd.

Keuzeloos gewaarzijn, dat betekent zoveel als onthecht, onaangedaan, niet-oordelend getuige zijn van wat zich maar voordoet.

‘Je ware aard’ verwijst naar het ene, universele bewustzijn dat je bent en waarin alles verschijnt, gekend wordt en verdwijnt.

De natuurlijke staat

In een aantal boeddhistische scholen uit de mahayanahoek, zoals het Chinese chan, het Thaise watnou, het Tibetaanse dzogchen en het Sri-Lankaanse sjoksjok zien we deze antieke, van oorsprong hindoeïstische metafysica weerspiegeld in monistische ankerwoorden als het zelf, de oorspronkelijke geest, het ene en de natuurlijke staat.

Soortgelijke woorden kom je tegen in de advaita vedanta, eveneens op hindoeïstische leest geschoeid, en ondanks de geuzennaam ‘non-dualisme’ al net zo monistisch als de zojuist genoemde mahayanascholen.

Van bovengenoemde scholen zijn er trouwens een of meer verzonnen, schijnt het, of nog niet gesticht, maar welke en door wie?

Wie niet weet is uitgeteld

Niet-weten is van zichzelf monistisch noch non-dualistisch, dualistisch noch pluralistisch.

Als je wil kan je het simplistisch noemen, of naïef of kinderlijk of bruut, als in ‘art brut’.

Er zijn er die het onwetendheid noemen, maar dat zou best eens op onwetendheid kunnen duiden.

Hoe je het ook noemt, een agnost telt niet meer.

Niet tot nul, niet tot één, niet tot twee, niet tot niet-twee, niet tot drie, niet tot vier en niet tot veel.

Een agnost telt niet meer, en daardoor telt hij niet meer mee.

Ook niet voor de buitenwereld.

Hij is volkomen uitgeteld.

Je ware aard?

Van de ware aard die de verlichte volgens Krishnamurti zou hebben gerealiseerd, is in agnose sprake noch geen-sprake.

Je ware aard erkennen is het einde van niet-weten.

Je ware aard ontkennen is eveneens het einde van niet-weten.

Een en ander geldt ook voor het zelf, de oorspronkelijke geest, het universele bewustzijn, het ene, de natuurlijke staat, de verlichte en soortgelijke mentale constructies, als dat is wat het zijn.

Het geldt trouwens ook voor de pendanten van het zelf: het ikje, small mind, de persoon, het ego, de overlever, het id en soortgelijke mentale constructies, als dat is wat het zijn.

Niets te realiseren

Een agnost – over mentale constructies gesproken – heeft daarom niets te realiseren, niets in te zien, niets te bewaken, niets te doen, niets te laten, niets te bevestigen en niets te ontkennen, dit ook niet.

Hij (onder)gaat gewoon zijn gang.

Als iemand deze gang als goddelijk omschrijft, noemt de agnost hem van de weeromstuit menselijk, dierlijk of beestachtig, en als iemand zijn gang als menselijk, dierlijk of beestachtig omschrijft, noemt de agnost hem van de weeromstuit goddelijk.

Maar als iemand gewoon zijn waffel houdt (in het spirituele wereldje een zeldzaamheid, kan ik je verzekeren), dan kan de agnost eindelijk zijn waffel houden, hè hè.

Spiritueel knock-out

Als je in agnose verblijft – over mentale constructies gesproken – ben je spiritueel knock-out.

Volkomen uitgeteld, of zei ik dat al.

Je ligt erbij en kijkt ernaar.

Je ziet het aan en lacht erbij.

Of je pinkt een traantje weg, kan gebeuren.

Je geeft mee of je verzet je of je geeft mee met je verzet of je verzet je tegen het meegeven of je verzet je tegen je verzet, net wat er komt, maakt niet uit, ook niet als het toch uitmaakt.

Eenvoudiger kan volgens mij of niet-mij niet, met of zonder streepje tussen ‘een’ en ‘voudiger’.

Maar om dat nou keuzeloos gewaarzijn te noemen?

Dialogen

-39-

Wat is fundamenteler, gedachten of bewustzijn?

‘Bewustzijn is fundamenteel, Hans.’

‘Hoezo?’

‘Zonder bewustzijn zouden er nooit gedachten opkomen.’

‘Gedachten zijn fundamenteel.’

‘Hoezo?’

‘Zonder gedachten zou nooit het idee van bewustzijn opkomen.’

‘Daar zeg je me wat.’

‘Zonder gedachten zou nooit het idee van een fundament opkomen.’

‘Inderdaad, zeg.’

‘Zonder gedachten zou nooit het idee van gedachten opkomen.’

‘Dus gedachten zijn fundamenteel?’

‘Of is dat is ook maar een gedachte?’

-40-

Wat is etherischer, ether of bewustzijn?

‘Golven verschijnen in het water, Hans, niet andersom.’

‘En?’

‘Net zo verschijnen gedachten in bewustzijn, niet andersom.’

‘Wat is fundamenteler, het licht of de ether?’

‘Die vraag heeft geen betekenis.’

‘Waarom niet?’

‘Ether bestaat niet.’

‘Kijk eens aan.’

‘Licht heeft helemaal geen ether nodig.’

‘Waarom gedachten dan wel bewustzijn?’

‘Oei.’

‘Nou?’

‘Ik weet niet wat ik daarop moet zeggen.’

‘Dat noem ik pas fundamenteel.’

-41-

Komt het brein op in het bewustzijn of het bewustzijn in het brein?

‘Wat is fundamenteler volgens jou, gedachten of bewustzijn?’

‘Bewustzijn, Hans.’

‘Hoezo?’

‘Gedachten komen op in je bewustzijn.’

‘Bewustzijn komt op in je gedachten.’

‘Bewustzijn komt op in je gedachten?’

‘Of anders wel in het brein.’

‘Bewustzijn komt op in het brein?’

‘Tenzij het brein opkomt in het bewustzijn.’

‘Nou weet ik het helemaal niet meer.’

‘Of is dat ook maar een gedachte?’

-42-

Kan je bewustzijn en inhoud wel scheiden?

‘Wat is fundamenteler volgens jou, bewustzijn of bewustzijnsinhouden?’

‘Bewustzijnsinhouden komen op in het bewustzijn, Hans.’

‘Wat is een bewustzijnsinhoud waarvan niemand zich bewust is?’

‘Kan ik me niks bij voorstellen.’

‘Wat is bewustzijn waarin zich geen bewustzijnsinhouden voordoen?’

‘Kan ik me ook niks bij voorstellen.’

‘Waarom scheid je ze dan?’

-43-

Zijn gedachten zelfbewust?

‘Wat is denken volgens jou?’

‘Bewustwording van gedachten, Hans.’

‘Wie is het die zich gedachten bewust wordt?’

‘Het ene Bewustzijn natuurlijk.’

‘En als gedachten nou zelfbewust zijn?’

‘Wat dan?’

‘Dan heb je geen Bewustzijn meer nodig.’

‘Ik hoef er niet vanaf.’

‘Zie er eerst maar eens aan te komen.’

‘Dat is ook maar een gedachte.’

‘Zie er dan maar weer van af te komen.’

-44-

Ben jij een gedachte in mijn bewustzijn of ik in het jouwe?

Duet voor solipsisten.

‘Ik ben Bewustzijn, Hans.’

‘En ik dan?’

‘Jij natuurlijk ook.’

‘Waarom kan ik jouw gedachten dan niet lezen en jij de mijne niet?’

‘Hm.’

‘Zeg dat wel.’

‘Wat denk jij?’

‘Lees mijn gedachten maar, Heer Bewustzijn.’

‘Ha ha.’

‘Zijn de mensen in je dromen mensen of gedachten?’

‘Gedachten natuurlijk.’

‘En hebben die gedachten gedachten?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Nou dan.’

‘Bedoel je dat jij slechts een gedachte in mijn bewustzijn bent?’

‘Tenzij jij slechts een gedachte in het mijne bent.’

‘Dat kan ook nog.’

‘Of is dat ook maar een gedachte?’

-45-

Kan je wel zijn zonder welzijn?

Over eternalisme gesproken.

‘Bewustzijn is fundamenteler dan niet-weten, Hans.’

‘Hoe dat zo?’

‘Niet-weten verschijnt in Bewustzijn en niet andersom.’

‘Wie zegt dat niet-weten ergens in verschijnt?’

‘Zonder Bewustzijn zou ik niet bewust zijn.’

‘Zonder welzijn zou ik niet wel zijn.’

‘Het feit van bewust zijn bewijst het Bewustzijn.’

‘Zonder bijzijn zou er geen bij zijn.’

‘Wou jij beweren dat niet-weten nergens in verschijnt?’

‘Ik zou het echt niet weten.’

‘Dat is ook geen argument.’

‘Dat wou ik ook niet beweren.’

‘Nou weet ik nog niks.’

‘Zeker weten?’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Bewustzijn, gesteld dat het bestaat, is fundamenteler dan niet-weten, gesteld dat er zoiets is, of omgekeerd, of beide, of geen van beide, of nog iets anders.’

‘Noem dat maar een conclusie.’

‘Noem het dan maar fundamenteel.’

-46-

Hoe je je van jezelf verlost

Meltdown (advaitaversie).

De doener en de getuige

‘Wat ben ik?’

‘Een munt.’

‘Wat zijn de keerzijden daarvan?’

‘De doener en de getuige.’

‘Hoe verlos ik mij van de doener?’

‘Door de munt om te smelten.’

‘Maar dan raak ik de getuige ook kwijt!’

‘Als dat geen bevrijding is.’

‘Maar dat wil ik helemaal niet!’

‘Dan blijf je toch lekker jezelf.’

De kenner en het gekende

‘Wat ben ik?’

‘Een munt.’

‘Wat zijn de keerzijden daarvan?’

‘De kenner en het gekende.’

‘Hoe verlos ik mij van het gekende?’

‘Door de munt om te smelten.’

‘Maar dan raak ik de kenner ook kwijt!’

‘Als dat geen bevrijding is.’

‘Maar dat wil ik helemaal niet!’

‘Dan blijf je toch lekker jezelf.’

De film en het doek

‘Wat ben ik?’

‘Een munt.’

‘Wat zijn de keerzijden daarvan?’

‘De film en het doek.’

‘Hoe verlos ik mij van de film?’

‘Door de munt om te smelten.’

‘Maar dan raak ik het doek ook kwijt!’

‘Als dat geen bevrijding is.’

‘Maar dat wil ik helemaal niet!’

‘Dan blijf je toch lekker jezelf.’

De golf en de oceaan

‘Wat ben ik?’

‘Een munt.’

‘Wat zijn de keerzijden daarvan?’

‘De golf en de oceaan.’

‘Hoe verlos ik mij van de golf?’

‘Door de munt om te smelten.’

‘Maar dan raak ik de oceaan ook kwijt!’

‘Als dat geen bevrijding is.’

‘Maar dat wil ik helemaal niet!’

‘Dan blijf je toch lekker jezelf.’

Jijzelf en het zelf

‘Wat ben ik, Hans?’

‘Een munt.’

‘Wat zijn de keerzijden daarvan?’

‘Jijzelf en het zelf.’

‘Hoe verlos ik me van mezelf?’

‘Door de munt om te smelten.’

‘Maar dan raak ik het zelf ook kwijt!’

‘Als dat geen bevrijding is.’

‘Maar dat wil ik helemaal niet!’

‘Dan blijf je toch lekker jezelf.’

-47-

Doekjes houden van filmpjes

Ik ben het doek

Alex: Ik ben niet de film.

Hans: Die film ken ik.

Alex: O ja?

Hans: Hij heet Ik ben het doek.

Ik ben Dát

Bieke: Ik ben niet het doek.

Hans: Die film ken ik.

Bieke: O ja?

Hans: Hij heet Ik ben Dát.

Alleen maar Dit

Cleo: Ik ben niet Dát.

Hans: Die film ken ik.

Cleo: O ja?

Hans: Hij heet Alleen maar Dit.

Ik bén

Door: Ik ben dit noch dat.

Hans: Die film ken ik.

Door: O ja?

Hans: Hij heet Ik bén.

Niemand hier

Elmi: Ik ben niet.

Hans: Die film ken ik.

Elmi: O ja?

Hans: Hij heet Niemand hier.

Alles over niets

Fara: Er is niets wat ik niet ben.

Hans: Die film ken ik.

Fara: O ja?

Hans: Hij heet Alles over niets.

Ik ben niet de auteur

Gitte: Ik weet niet wie ik ben.

Hans: Die film ken ik niet.

Gitte: Het is een boek.*

Hans: Ik ben niet de auteur.

* Van de non-dualist Jan van den Oever

-48-

Over het verhaal dat de werkelijkheid uit verhalen bestaat

Echte fictie.

‘De werkelijkheid bestaat niet, Hans.’

‘O nee?’

‘Er bestaan alleen maar verhalen over de werkelijkheid.’

‘En die verhalen dan?’

‘Wat is daarmee?’

‘Zijn die werkelijk of onwerkelijk?’

‘O.’

‘Nou?’

‘Werkelijk, zou ik zeggen.’

‘Dus de werkelijkheid bestaat toch?’

‘Eh …’

‘In de vorm van verhalen over de werkelijkheid?’

‘Jeetje.’

‘Mooi verhaal.’

-49-

De illusie van de realiteit

‘Wij zijn het kennen, Hans, niet het gekende.’

‘Wat is het verschil?’

‘Het kennen is realiteit, het gekende illusie.’

‘En waartoe behoort deze gedachte?’

-50-

‘Dat waarin gedacht wordt’ is ook maar een gedachte

‘Ik ben dat waarin gedacht wordt.’

‘Dit is wat daarin gedacht wordt.’

-51-

Is er wel een achterste stoel of denk je dat ook alleen maar?

Rosa: Als je naar een spannende film zit te kijken, besef je soms ineens: het is niet echt. Het is maar een film. Dan kun je ontspannen achterover zitten en met des te meer genoegen naar die film kijken.

Hans: Tja.

Rosa: Zo is het ook met het leven.

Hans: Het leven is een film?

Rosa: En nog een slechte ook.

Hans: Moonraker.

Rosa: Hou op, schei uit.

Hans: En daar zit jij naar te kijken?

Rosa: Ik zit te kijken naar een film van honderd jaar met mezelf in de hoofdrol. Ik identificeer me met de acteur, maar eigenlijk ben ik de toeschouwer.

Hans: Alleen de toeschouwer is echt?

Rosa: Precies.

Hans: Mooie film.

Rosa: Wat?

Hans: Je hebt zojuist het scenario geschreven van een film over iemand die naar een film over zichzelf zit te kijken en zich identificeert met de toeschouwer.

Rosa: Verdraaid.

Hans: Een film over het zien van een film.

Rosa: Dan zou het leven dus het zien van een film over het zien van een film zijn?

Hans: Jij zegt het.

Rosa: Niet te geloven!

Hans: En dit gesprek over het zien van een film over het zien van een film?

Rosa: Wat is daarmee?

Hans: Is dat echt?

Rosa: Verdraaid.

Hans: Nou?

Rosa: Dat is dus eigenlijk een film over het zien van een film over het zien van een film!

Hans: Je zou er duizelig van worden.

Rosa: Vreemd hoor.

Hans: Wat?

Rosa: Je gaat één rij naar achteren en je meent meteen in de achterste stoel te zitten.

Hans: De achterste stoel?

Rosa: Het ultieme perspectief op de hoogste werkelijkheid.

Hans: Dat er een ultiem perspectief op een hoogste werkelijkheid zou zijn is gewoon de volgende film.

Rosa: Niet te geloven!

Hans: Zeg dat wel.

Rosa: De vraag is dus, hoe ontsnap je aan de illusie van de achterste stoel?

Hans: Dat je aan de illusie van de achterste stoel zou kunnen ontsnappen is gewoon de volgende film.

Rosa: Bedoel je dat er niet aan te ontsnappen valt?

Hans: Dat er niet aan te ontsnappen valt is gewoon de volgende film.

Rosa: Wat zou jij zeggen?

Hans: Wat ik zou zeggen is gewoon de volgende film.

Rosa: Bedoel je dat er niets te zeggen valt?

Hans: Dat er niets te zeggen valt is gewoon de volgende film.

Rosa: Omdat de waarheid voorbij de woorden is?

Hans: Dat de waarheid voorbij de woorden is, is gewoon de volgende film.

Rosa: Wat je ook zegt, het is gewoon de volgende film.

Hans: Dit ook.

Rosa: Wat ook?

Hans: Dat wat je ook zegt gewoon de volgende film is.

Rosa: Moeten we dan maar een potje gaan zwijgen?

Hans: Dat is gewoon de volgende film.

Rosa: Enzovoort.

Hans: Nou, vóórt.

-52-

De man die zichzelf voor een doek aanzag

Paul: Ik ben het doek, niet de film.

Hans: Pardon?

Paul: Ik heb mezelf jarenlang geïdentificeerd met de hoofdrolspeler in de film van mijn leven maar nu besef ik dat het al die tijd alleen maar een film was.

Hans: Wie ben je dan wel?

Paul: Ik ben alleen maar het doek waarop de film geprojecteerd wordt.

Hans: Niet de toeschouwer?

Paul: Nou …

Hans: Niet de zaal?

Paul: Eh …

Hans: Niet het geheel van film, doek, zaal en publiek?

Paul: …

Hans: Maar in geen geval de acteur.

Paul: Dat bedoel ik.

Hans: Hoe ben je tot die conclusie gekomen?

Paul: Ik heb jarenlang naar mezelf gezocht. Wie ben ik? Wat is mijn wezen? Wat is het dat hetzelfde blijft achter alle veranderingen? Maar ik heb niets kunnen vinden. Niets dat aldoor hetzelfde blijft. Ik ben er niet in geslaagd te bepalen wie of wat ik ten diepste ben.

Hans: En toen?

Paul: Heb ik me een tijdje heel leeg gevoeld.

Hans: En toen?

Paul: Viel eindelijk het kwartje.

Hans: Welk kwartje?

Paul: Dat dát is wat ik ben.

Hans: Wat?

Paul: Leegte. Bewustzijn. Gewaarzijn. Het zijn zelf.

Hans: O?

Paul: Ik ben het onbepaalde en het onbepaalbare waarin alles verschijnt.

Hans: En daarom zeg je dat je het doek bent en niet de film?

Paul: Precies.

Hans: En wat is het doek?

Paul: Eh … ik ben het doek.

Hans: En wat betekent dat concreet?

Paul: Dat ik … dat ik … dat ik …

Hans: Nou?

Paul: Omdat ik er niet achter kan komen wie …

Hans: Ga door.

Paul: Omdat ik geen idee heb hoe … of wat …

Hans: Nou?

Paul: Dat bedoel ik dus.

Hans: Wat?

Paul: Dat ik ten diepste niet weet wie of wat ik ben.

Hans: Maar wel dat je bent?

Paul: …

Hans: Wat schiet je ermee op om jezelf het doek te noemen als je niets over het doek weet?

Paul: …

Hans: Als je niet eens weet of het doek dat je bent wel bestaat?

Paul: …

Hans: Grappig.

Paul: Wat is er grappig?

Hans: Wie weet is dit gewoon de volgende film waarin jij de hoofdrol speelt.

Paul: Welke film?

Hans: De film waarin jij het doek blijkt te zijn, natuurlijk.

Paul: Hè?

Hans: Goeie titel.

Paul: Wat?

Hans: Of wat dacht je van ‘De man die zichzelf voor een doek aanzag’?*

* Aanrader: ‘De man die zichzelf voor een hoed aanzag’ van Oliver Sacks.

Paul: …

Hans: Is daar iemand?

Paul: Ik weet niet wie ik ben.

Hans: Zeg dat dan meteen.

Variaties op ‘Ik ben het doek, niet de film’

Ik ben het kennen, niet het gekende.
Ik ben het minnen, niet het beminde.
Ik ben het bewustzijn, niet de inhoud.
Ik ben de computer, niet de software.
Ik ben de geest, niet zijn gedachten.
Ik ben God, niet zijn schepping.
Ik ben het krijtbord, niet het krijt.
Ik ben het boek, niet de tekst.
Ik ben de leegte, niet de vorm.
Ik ben het nu, niet de tijd daarin.
Ik ben openheid, niet wat er binnenkomt.
Ik ben de ruimte, niet de dingen daarin.
Ik ben de spiegel, niet de weerspiegelingen.
Ik ben de stilte, niet het geluid.
Ik ben de televisie, niet het programma.
Ik ben de toeschouwer, niet het spektakel.
Ik ben het water, niet de golf.

-53-

Zijn boekjes en praatjes soms niet de film?

Doekjes voor het bloeden.

‘Wat is een non-dualist?’

‘Iemand die niet in de film gelooft.’

‘Waar gelooft hij wel in?’

‘Het doek.’

‘Verschijnt het doek soms niet in de film?’

‘Jawel.’

‘Maar?’

‘Dat wil er gewoon niet in.’

‘Wat doet een non-dualist in zijn vrije tijd?’

‘Filmpjes kijken.’

‘Waarover?’

‘Non-dualisme.’

‘En anders?’

‘Boekjes lezen.’

‘Waarover?’

‘Non-dualisme.’

‘En anders?’

‘Satsangs geven.’

‘Waarover?’

‘Non-dualisme.’

‘Verschijnen die filmpjes en boekjes en satsangs soms niet in de film?’

‘Om over het non-dualisme nog maar te zwijgen.’

‘Maar?’

‘Dat wil er ook niet in.’

‘Wat wil er eigenlijk nog wel in?’

‘Eigenlijk niets.’

‘Maar wat is nou een non-dualist?’

‘Dat is nou een non-dualist.’

-54-

Denk jij dat denken een ziekte is?

‘Dank voor je dwaalteksten, Hans, ik ben het er helemaal mee eens!’

‘Hè? Waarmee eens?’

‘Je hoeft alleen maar het denken te doorzien!’

‘Zou je denken?’

‘Zet bij alles wat je denkt een vraagteken!’

‘Waarom?’

‘Zie je gedachten en besef dat ze allemaal onwaar zijn!’

‘Deze ook?’

‘Als je dat consequent doet, ontdek je dat je niet je denken bent!’

‘Dacht jij dat dan?’

‘Denken is een ziekte!’

‘Ben je wel lekker?’

‘Maar er is iets dat aan je gedachten vooraf gaat!’

‘Eerdere gedachten?’

‘Iets wat die gedachten ziet!’

‘God?’

‘Dat wat jij ten diepste bent!’

‘Ik?’

‘Bewustzijn!’

‘Wat is dat?’

‘Bewustzijn is waarin het denken verschijnt!’

‘Is Bewustzijn dan niet wat in het denken verschijnt?’

‘Bewustzijn is wat je in staat stelt het denken te onderzoeken!’

‘Denk je dat of heb je het onderzocht?’

‘Het denken onderzoeken is het denken doorzien!’

‘En daarom zet jij bij alles wat je denkt een vraagteken?’

‘Zeker weten!’

-55-

De pee in

‘Wat is non-dualisme?’

‘De leer zonder leerlingen.’

‘Dat wist ik niet.’

‘Let maar eens op.’

‘Advaita vedanta hebben we het toch over?’

‘Advaita pedanta zal je bedoelen.’

‘Waarom heeft deze leer geen leerlingen?’

‘Omdat iedereen zich meteen als leraar gedraagt.’

-56-

Masters of the universe

‘Wat is de geest van zen?’

‘Beginners mind.’

‘Hoe dat zo?’

‘In zen blijf je eeuwig leerling.’

‘Wat is de geest van advaita?’

‘Master mind.’

‘Hoe dat zo?’

‘In advaita ben je meteen leraar.’

‘Nou, dan zou ik het wel weten.’

‘Daar heb je het al.’

-57-

Doe de pedantatest!

Hoe kom je erachter of iemand, jijzelf of een ander, besmet is met advaita pedanta?

Testen op antistoffen heeft geen zin, want advaita pedanta is zo’n aandoening die het afweersysteem meteen na de eerste blootstellling volledig lam legt.

Gelukkig bestaat er een gratis niet-invasieve test waarvoor je alleen maar hoeft te kunnen praten, en welke non-dualist kan dat nou niet.

Stel bij een vermoeden van advaita pedanta gewoon een vraag, maakt niet uit welke, zoals ‘Wie ben ik?’ of ‘Wat is vrijheid?’ of ‘Is alles een illusie?’ of ‘Is alles één?’ of ‘Wat is de Kosmische Grap?’ of ‘Wat is Bewustzijn?’ of ‘Bestaat Bewustzijn wel?’

In het onwaarschijnlijke geval dat het subject de schouders ophaalt, in de lach schiet of een wedervraag stelt, heb je te maken met een bonafide non-dualist – iemand die het dualistische denken live doorziet, in plaats van eens per week tijdens satsang of alleen achteraf tijdens de nabeschouwing of – meestal – helemaal nooit.

Maar als hij meteen begint uit te leggen hoe het allemaal zit, als hij met grote stelligheid spreekt, als hij het vanzelfsprekend vindt dat hij de antwoorden geeft en jij de vragen stelt, als hij alleen maar in zijn eigen praatjes is geïnteresseerd en bovengemiddeld met zichzelf is ingenomen, als hij er geld voor vraagt in plaats van geeft en jou als zijn terechte publiek beschouwt, dan is de diagnose advaita pedanta onontkoombaar.

Als er dan ook nog filmpjes op het internet circuleren waarin hij soortgelijk gedrag vertoont, dan weet je precies hoe laat het is.

Tenzij je zelf van gisteren bent.

Succes!

Verder lezen: Narcisme in de Wikipedia.

Doe ook de verlichtingstest!

-58-

De never mind

‘Wat is de geest van niet-weten?’

‘Never mind.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat niet weten geen leer is.’

‘Wat is niet-weten dan wel?’

‘Never mind.’

-59-

Vernauwing is het wezen van de blik

‘Wat is het wezen van de blik, Hans?’

‘Vernauwing.’

‘Ik doelde eigenlijk op het wijsheidsoog.’

‘O, sorry.’

‘Hou luidt in dat geval je antwoord?’

‘Vernauwing.’

-60-

Ik denk dus ik denk

Fragment uit het onlangs opgedoken dagboek ‘Cogito ergo cogito’ van René Descartes.

Ik denk dus ik ben

Ik denk dus ik denk dat ik ben

Ik denk dus ik denk dat ik denk dat ik ben

Ik denk dus ik denk dat ik denken ben

Ik denk dus ik denk

Ik denk dus ik denk ik

Ik denk dus ik denk ik niet

Ik denk ik dus ik denk niet-ik

Ik denk niet-ik dus ik ben

Ik denk niet-ik dus ik ben niet

Ik ben dus ik denk niet niet

Ik denk dus ik denk het denken

Wat als ik niet zou denken?

Waar is dan mijn zijn?

Waar is dan mijn niet-zijn?

Waar is dan dat denken?

Waar is dan de vraag, ‘wat als ik niet zou denken’?

Waar zijn dan alle vragen die daaruit voortvloeien?

Zou er dan geen denken zijn of zou er dan niet-denken zijn?

Maar ik kan niet niet-denken, niet wanneer ik maar wil.

Kan ik denkende niet-denken?

Natuurlijk kan ik dat

Hoe zou ik het niet kunnen, als ik het al doe?

Nou, doe – het overkomt me al

Nou, mij – het gebeurt al

Onophoudelijk, denk ik

Onophoudelijk denk ik

Denk ik nu

Denk ik nu?

Ik?

Nu?

-61-

Moet je zijn om te kunnen denken?

Quod absurdum.

Descartes: Ik denk dus ik ben.

Hans: Dat betwijfel ik.

Descartes: Als ik niet was, zou ik ook niet kunnen denken.

Hans: Hoelang duurt een gedachte?

Descartes: Een paar seconden, denk ik.

Hans: Hoelang duurt zijn?

Descartes: Aha, ik zie het probleem.

Hans: Nou, hoelang?

Descartes: Een heel mensenleven.

Hans: Hoe kan iets wat maar een paar seconden duurt als bewijs dienen voor iets wat een heel mensenleven duurt?

Descartes: Zijn kent geen tijd.

Hans: Hoe kan iets wat maar een paar seconden duurt als bewijs dienen voor iets waar geen eind aan komt?

-62-

Rimpels op de oceaan van gedachten

Impel stimpel.

‘Gedachten zijn rimpels op de oceaan van liefde, Hans.’

‘Mooie gedachte.’

‘Dank je.’

‘En wat ben jij in deze beeldspraak?’

‘De oceaan van liefde natuurlijk.’

‘Mooie gedachte.’

‘Dank je.’

-63-

Denk jij dat je bent?

Leerling: Ik denk, dus ik ben.

Meester: Je denkt dat je bent.

Jaren later

Leerling: Ik denk dat ik niet ben.

Meester: Dat had je gedacht.

Jaren later

Leerling: Ik denk niet dat ik ben of niet ben.

Meester: Leuk bedacht.

Jaren later

Leerling: Ik denk, dus …

Meester: Je denkt.

Jaren later

Leerling: Ik denk niets.

Meester: Behalve dit zeker.

Jaren later

Leerling: Ik…

Meester: Begin je nou weer?

-64-

De weg om niet te volgen

‘Wie denk jij dat je bent?’

‘Ik ben de lege ruimte waarin mijn denkbeelden en gevoelens worden ingetekend.’

* Uitspraak van de filosoof en taoïst Patricia de Martelaere (1957-2009) in haar boek Taoïsme, de weg om niet te volgen.

‘Is dat waar of is het alleen maar een denkbeeld ingetekend in je lege ruimte?’

‘Daar vraag je me wat.’

‘Is dat waar of is het alleen maar een denkbeeld ingetekend in je lege ruimte?’

‘Wat zou je gezegd hebben als ik had gezegd dat het waar was?’

‘Is dat waar of is het alleen maar een denkbeeld ingetekend in je lege ruimte?’

‘En als ik had gezegd dat het alleen maar een denkbeeld ingetekend in mijn lege ruimte was?’

‘Is dat waar of is het alleen maar een denkbeeld ingetekend in je lege ruimte?’

‘Dan weet ik het ook niet meer.’

‘Dan weet ik het ook niet meer.’

-65-

Verschijnen gedachten in bewustzijn of bewustzijn in gedachten?

Zwamdiploma.

Brit: Waarin verschijnt niet-weten, Hans?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Brit: Doe niet zo flauw.

Hans: Waarin zwemt de zee?

Brit: Wat is dat nou weer voor vraag.

Hans: Zo wou ik het niet stellen.

Brit: Wie ben ik?

Hans: Kan jou het schelen.

Brit: Dat is zo’n beetje de belangrijkste vraag op aarde.

Hans: Pas dan maar op dat je hem niet beantwoordt.

Brit: Waarom niet?

Hans: Omdat het dan geen vraag meer is, suffie.

Brit: Ben ik mijn gedachten?

Hans: Wat denk jij?

Brit: Ik denk van niet.

Hans: Als ik het niet dacht.

Brit: Gedachten komen en gaan…

Hans: Was dat maar waar.

Brit: Gedachten komen en gaan, maar…

Hans: Behalve deze zeker.

Brit: Mag ik misschien even uitspreken?

Hans: Laat maar komen.

Brit: Gedachten komen en gaan, maar ik…

Hans: Laat toch gaan.

Brit: Gedachtenkomenengaanmaarikniet.

Hans: Nou, sneller komen ze niet.

Brit: Ik zei, gedachten komen en gaan maar ik niet.

Hans: Maar ik wel.

Brit: Hoe zou ik dan mijn gedachten kunnen zijn?

Hans: Waar mensen zich al niet druk over maken.

Brit: Geef nou eens antwoord!

Hans: Maar ik doe al niet anders!

Brit: Waarin verschijnen mijn gedachten?

Hans: Wie zegt dat ze ergens in verschijnen?

Brit: Gesteld dat ze ergens in verschijnen.

Hans: Daar zeg je wel wat bij.

Brit: Stel.

Hans: In je gedachten dan maar.

Brit: In mijn bewustzijn zal je bedoelen.

Hans: Is bewustzijn dan geen gedachte?

Brit: Ik ben het onvergankelijke bewustzijn waarin gedachten komen en gaan.

Hans: Is dat waar of is het ook maar een gedachte die komt en gaat?

Brit: …

Hans: Iemand thuis?

Brit: Daar moest ik even over nadenken.

Hans: En?

Brit: Er is geen andere conclusie mogelijk.

Hans: Kijk anders eens naar je premissen.

Brit: Ik ben de ene onveranderlijke getuige.

Hans: Ik ben het mannetje in mijn hoofd.

Brit: Wat?

Hans: Dat ik het mannetje in het hoofd van het mannetje in mijn hoofd ben.

Brit: Volgens mij zei je dat je het mannetje in je hoofd bent.

Hans: Maar ik bedoelde het mannetje in het hoofd van het mannetje in het hoofd van het mannetje in mijn hoofd.

Brit: Homunculi zijn nergens voor nodig.

Hans: Waarom getuigen wel dan?

Brit: Homunculi leiden alleen maar tot een oneindige regressie.

Hans: Dat heb je met die getuigen.

Brit: Er is maar één getuige…

Hans: Wie kan daarvan getuigen?

Brit: Er is maar één onveranderlijke getuige van de gedachten die komen en gaan…

Hans: Laat toch gaan.

Brit: Er is maar één onveranderlijke getuige van de gedachten die komen en gaan, en dat ben ik.

Hans: En ik dan?

Brit: En dat zijn wij.

Hans: Er is maar één onveranderlijke getuige van de gedachten die komen en gaan en dat zijn wij?

Brit: Ik ben Dat.

Hans: En dit dan?

Brit: Ik ben dat wat overal aan voorafgaat.

Hans: Wie kan daarvan getuigen?

Brit: De Eerste Getuige heeft geen getuige nodig.

Hans: Waarom gedachten dan wel?

Brit: Omdat wij nou eenmaal de onveranderlijke getuige zijn van de gedachten die komen en gaan.

Hans: Dat zei je al.

Brit: Dat zeg ik.

Hans: En toen zei ik, ‘Is dat waar of is het ook maar een gedachte die komt en gaat?’

Brit: …

Hans: Iemand thuis?

Brit: Ik denk.

Hans: Ik was er al bang voor.

Brit: Het kan gewoon niet anders.

Hans: Is dat waar?

Brit: Zoals de logica dicteert…

Hans: Zei de logicus geleerd…

Brit: Waar bewustwording is, moet bewustzijn zijn.

Hans: Waar het giet, moet een gieter zijn.

Brit: Waar gezien wordt, moet een ziener zijn.

Hans: Waar gevroren wordt, moet een vriezer zijn.

Brit: Waar gekend wordt, moet een kenner zijn.

Hans: Waar gezonken wordt, moet een zinker zijn.

Brit: Waar gedacht wordt, moet een denker zijn.

Hans: Waar gegolfd wordt, moeten golven zijn.

Brit: En dáárin verschijnen gedachten.

Hans: En dáárin zwamt de zee.

-66-

Je hebt van die mensen die overal zichzelf zien

‘Wat is het dat overal niet-weten ziet, Hans?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Bewustzijn natuurlijk.’

‘Wat is het dat overal bewustzijn ziet?’

‘…’

‘Nou?’

‘Die zit.’

‘Een schot voor open doel.’

‘Maar het gaat er niet om wat we zien, Hans, het gaat erom dat we zien.’

‘Je hebt van die mensen die overal zien zien.’

‘Zien is wat wij zijn en Zijn is wat wij zien…’

‘Je hebt van die mensen die overal zichzelf zien.’

‘… En in dat Zijn is geen verschil.’

‘Je hebt van die mensen die overal eenheid zien.’

‘Dus wat is het dat overal niet-weten ziet?’

‘Je hebt van die mensen…’

-67-

Je hebt van die mensen die overal hetzelfde zien

Je hebt van die mensen die overal verschil zien.

Je hebt van die mensen die overal overeenkomst zien.

Je hebt van die mensen die overal illusie zien.

Je hebt van die mensen die overal werkelijkheid zien.

Je hebt van die mensen die overal zijn zien.

Je hebt van die mensen die overal zien zien.

Je hebt van die mensen die overal leegte zien.

Je hebt van die mensen die overal waarheid zien.

Je hebt van die mensen die overal leven zien.

Je hebt van die mensen die overal liefde zien.

Je hebt van die mensen die overal zichzelf zien.

Je hebt van die mensen die overal de duivel zien.

Je hebt van die mensen die overal god zien.

Je hebt van die mensen die overal de ene zien.

Je hebt van die mensen die overal de ander zien.

Je hebt van die mensen die overal het andere zien.

Je hebt van die mensen die overal hetzelfde zien.

Je hebt van die mensen die overal van die mensen zien die overal hetzelfde zien.

Je hebt van die mensen die overal van die mensen zien die overal van die mensen zien die overal hetzelfde zien.

Je hebt van die mensen…

-68-

Zie ik overal niet-weten of zie jij mij overal niet-weten zien?

‘Je hebt van die mensen die overal niet-weten zien, Hans.’

‘Ik zou er graag eens een ontmoeten.’

‘Heb je niet genoeg aan jezelf?’

‘Ik zou mij graag eens ontmoeten.’

‘Jij ziet toch overal niet-weten?’

‘Jij ziet mij overal niet-weten zien.’

‘Je hebt van die mensen…’

-69-

Heb jij je conditioneringen al doorzien?

‘We hoeven alleen maar onze conditioneringen te doorzien om de Werkelijkheid onder ogen te krijgen, Hans.’

‘Doe maar duur.’

‘Niet dan?’

‘Heb jij je eigen conditioneringen al doorzien?’

‘Eh… nog niet helemaal, denk ik.’

‘Hoe weet je dan dat je ze helemaal kunt doorzien?’

‘Eh… dat hoopte ik.’

‘Hoe weet je dat je de Werkelijkheid onder ogen zult krijgen als je je conditioneringen helemaal hebt doorzien?’

‘Eh… gelezen.’

‘Hoe weet je dat er zoiets is als de Werkelijkheid?’

‘Hoe zou je hem anders onder ogen kunnen krijgen?’

‘Iets wat je leest voetstoots aannemen, hoe zou je dat noemen?’

‘Ik zou het vertrouwen noemen.’

‘Dat lijkt mij een eufemisme.’

‘Goedgelovigheid dan?’

‘Dat lijkt mij een dysfemisme.’

‘Hoe zou jij het noemen?’

‘Wat dacht je van conditionering?’

‘We hoeven alleen maar onze conditioneringen te doorzien om de Werkelijkheid onder ogen te krijgen, Hans.’

-70-

Heb jij de Werkelijkheid al doorzien?

‘We hoeven alleen maar onze conditioneringen te doorzien om de Werkelijkheid onder ogen te krijgen, Hans.’

‘De werkelijkheid?’

‘Met een hoofdletter.’

‘In plaats van?’

‘De werkelijkheid met een kleine letter natuurlijk.’

‘Wat is het verschil?’

‘Wat denk jij?’

‘Misschien is de werkelijkheid met een hoofdletter wel gelijk aan de werkelijkheid met een kleine letter.’

‘Waarom zou je hem dan nog met een hoofdletter schrijven?’

‘Misschien wel omdat je er dan eindelijk vrede mee hebt.’

‘Waarom zou je er dan ineens vrede mee hebben?’

‘Misschien wel omdat je dan eindelijk verlost bent van het streven naar een werkelijkheid met een hoofdletter.’

‘Dat zou een enorme teleurstelling zijn.’

‘Misschien zou het wel een enorme opluchting zijn.’

‘Dat zou pas echt een teleurstelling zijn.’

‘Over conditionering gesproken.’

-71-

Heb jij het al gezien?

Het komt eropaan de werkelijkheid te doorzien, Hans.

‘Wat als je de werkelijkheid doorziet?’

‘Dan zie je eindelijk de Werkelijkheid.’

‘Wat als je de Werkelijkheid doorziet?’

‘De Werkelijkheid is absoluut, die kan je niet doorzien.’

‘Wat als je het absolute doorziet?’

‘Nou?’

‘Dan heb je het wel gezien.’

-72-

Ditjes …

‘Er is alleen maar Dit, Hans!’

‘Ook dat nog.’

-73-

En Datjes

‘Ik ben Dát, Hans!’

‘En dit dan?’

-74-

Praatjes vullen geen gaatjes

‘Er is geen weg. Er is geen doel. Er is geen zelf. Er is alleen maar dit.’

‘Hoe stel je zoiets vast?’

‘Wou jij beweren van niet?’

‘Ik zou het echt niet weten.’

‘Wat niet?’

‘Of er een weg is. Of er een doel is. Of er een zelf is. Of er alleen maar dit is.’

Jaren later

‘Wij kunnen niet weten of er een weg is. Wij kunnen niet weten of er een doel is. Wij kunnen niet weten of er een zelf is. Wij kunnen niet weten of er alleen maar dit is.’

‘Hoe stel je zoiets vast?’

‘Wou jij beweren van niet?’

‘Ik zou het echt niet weten.’

‘Wat niet?’

‘Dat we niet kunnen weten of er een weg is. Dat we niet kunnen weten of er een doel is. Dat we niet kunnen weten of er een zelf is. Dat we niet kunnen weten of er alleen maar dit is.’

Jaren later

‘Ik zeg niks.’

‘En dit dan?’

Jaren later

‘…’

‘Nou dat weer.’

-75-

Waar het regent is iets dat giet

Kierewiet.

‘Wie ben jij?’

‘Ik ben de kenner van het gekende, Hans.’

‘Wie zegt dat er zoiets is?’

‘Waar gezien wordt, is iets dat ziet.’

‘Want waar het fikt, is iets dat ziedt?’

‘Hè?’

‘Waar water loopt, is iets dat vliet?’

‘Nou ja.’

‘Waar het regent, is iets dat giet?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Wat lul je dan.’

-76-

Als de doener een illusie is, dan ook de kenner

‘De doener is een illusie, Hans.’

‘Wie zegt dat?’

‘Er is alleen maar doen.’

‘Als je niet de doener bent, wie ben je dan wel?’

‘De kenner natuurlijk.’

‘Waarvan?’

‘Het gekende.’

‘Jij bent de kenner van het gekende?’

‘Dat zeg ik.’

‘Dan zeg ik, de kenner is een illusie, er is alleen maar kennen.’

‘Meen je dat nou?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat het kennen ook maar een illusie is.’

‘Op die manier.’

‘Tenzij dat ook maar een illusie is.’

‘Is alles dan alleen maar een illusie?’

‘Tenzij dat ook maar een illusie is.’

-77-

Waarom zou je bij zelfonderzoek alles afwijzen wat veranderlijk is?

‘Volgens de advaita vedanta moet ik onderzoeken wie ik ben, Hans.’

‘Zeggen ze er ook bij hoe?’

‘Jazeker. Ik moet alles afwijzen wat veranderlijk is.’

‘Waarom?’

‘Om tot mijn onveranderlijke essentie te komen.’

‘Wie zegt dat er zoiets is?’

‘Dat is het uitgangspunt, denk ik.’

‘Uitgangspunten zijn er om te onderzoeken, lijkt mij.’

‘Maar het klopt wel hoor, ik voel me mijn hele leven al mezelf.’

‘En?’

‘Als ik me steeds dezelfde voel, kan ik onmogelijk iets veranderlijks zijn.’

‘Waarom zou iets veranderlijks zich niet steeds dezelfde kunnen voelen?’

‘Daar vraag je me wat.’

‘Onderzoek dat dan eerst maar eens.’

-78-

Zeker weten dat bewustzijn zelfs maar bestaat?

‘Volgens de advaita vedanta kan ik onmogelijk iets veranderlijks zijn, Hans.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat ik me steeds dezelfde voel.’

‘Als je niet iets veranderlijks bent, wat ben je dan wel?’

‘Dat wat nooit verandert.’

‘Wat is het dat nooit verandert?’

‘Datgene waarin al het veranderlijke verschijnt en verdwijnt.’

‘Pardon?’

‘Bewustzijn. Gewaarzijn. Het kennen. De getuige. Het ware zelf.’

‘Wat zijn de eigenschappen van dat bewustzijn?’

‘Bewustzijn heeft geen eigenschappen.’

‘Hoe weet je dan dat het onveranderlijk is?’

‘Wat geen eigenschappen heeft, kan niet veranderen.’

‘Wat geen eigenschappen heeft, kan ook niet hetzelfde blijven.’

‘Daar zeg je me wat.’

‘Wat geen eigenschappen heeft, kan ook niet bestaan.’

‘Eigenlijk niet, nee.’

‘Wat geen eigenschappen heeft, kan zelfs niet vergaan.’

‘Bewustzijn stijgt uit boven bestaan en vergaan, zou ik zeggen.’

‘Wat geen eigenschappen heeft, kan ook nergens bovenuit stijgen, zou ik zeggen.’

‘Maar waar hebben we het dan nog over?’

‘Dat zou ik ook weleens willen weten.’

-79-

Waarom ik er klaar mee ben

‘Zou je kunnen zeggen dat jouw persona is opgeslokt door het Ene, Hans?’

‘Zeker, net als het Ene.’

‘Wat?’

‘Wat?’

‘Het Ene is ook opgeslokt?’

‘Zeker.’

‘Misschien had ik moeten zeggen, door Essentie, God, de Bron, het Ware, het Absolute, het Eeuwige Heden?’

‘Ook opgeslokt.’

‘Ruimte, Openheid, Neutraliteit, Beschikbaarheid, Tegenwoordigheid?’

‘Opgeslokt.’

‘Niet-weten dan?’

‘Opgeslokt.’

‘O, ik snap het al.’

‘Wat?’

‘Je bedoelt natuurlijk de concepten.’

‘In tegenstelling tot?’

‘De geleefde werkelijkheid.’

‘Opgeslokt.’

‘Zo blijft er niets… aha… Het Niets. Leegte. Bewustzijn?’

‘Allemaal opgeslokt.’

‘Klaar ben je ermee.’

‘Zeg dat wel.’

-80-

Het einde van de dwaasheid

Irsa: Atman is Brahman.

Hans: Wat?

Irsa: De eigenziel is identiek aan de wereldgrond.

Hans: Je haalt me de woorden uit de mond.

Irsa: Persoonlijke bewustzijn is hetzelfde als universeel bewustzijn.

Hans: Waarom scheid je ze dan?

Irsa: Om aan te kunnen geven dat ze identiek zijn, natuurlijk.

Hans: Als ze identiek zijn, bestaan ze niet als zichzelf.

Irsa: Dan bestaan ze nog steeds, maar niet afzonderlijk.

Hans: Als Atman geen ander is dan Brahman, dan bestaat er geen Atman.

Irsa: Nou…

Hans: Waar of niet?

Irsa: Strikt genomen wel.

Hans: Volgens dezelfde redenering bestaat er ook geen Brahman.

Irsa: Maar…

Hans: Waar of niet?

Irsa: Strikt genomen wel.

Hans: Eerst waren Brahman en Atman duidelijk onderscheiden. Nu ze niet meer duidelijk onderscheiden zijn, kunnen we ook niet meer beweren dat ze zijn, in de oorspronkelijke betekenis van het woord.

Irsa: Strikt genomen niet.

Hans: Geen Brahman, geen Atman.

Irsa: Dat Atman gelijk is aan Brahman betekent toch alleen maar dat ze één zijn?

Hans: En wat betekent dat?

Irsa: Dat ik… dat je… als je probeert aan te geven waar je persoonlijke bewustzijn ophoudt en het universele bewustzijn begint…

Hans: Die bestonden toch niet?

Irsa: Dat je er dan niet uitkomt, wou ik zeggen.

Hans: Je weet niet waar de een begint en waar de ander ophoudt?

Irsa: Strikt genomen niet.

Hans: En je weet ook niet of ze eigenlijk wel bestaan.

Irsa: Strikt genomen niet.

Hans: En ruim genomen?

Irsa: Ook niet.

Hans: Is dat wat je bedoelt als je zegt dat Atman gelijk is aan Brahman?

Irsa: Wat bedoelt?

Hans: Dat je niet weet waar je persoonlijke bewustzijn ophoudt en het universele bewustzijn begint, aangenomen dat ze bestaan?

Irsa: Dat zal dan wel.

Hans: Zeg dat dan meteen.

-81-

Het einde van de autoriteit

Sjors: Atman is Brahman.

Hans: Eerst maar eens vaststellen of ze wel bestaan.

Sjors: Het persoonlijke bewustzijn is gelijk aan het universele bewustzijn. De persoonlijke ziel is gelijk aan de alziel.

Hans: Eerst maar eens vaststellen of ze wel bestaan.

Sjors: Maar over de relatie tussen het persoonlijke en het universele bewustzijn wordt in de Indiase filosofie eindeloos gespeculeerd.

Hans: Eerst maar eens vaststellen of ze wel bestaan.

Sjors: Dat ze niet zouden bestaan, lijkt me nauwelijks te verdedigen.

Hans: Volgens de oudste boeddhistische geschriften is Atman een illusie. Dat is de doctrine van anatman of niet-zelf, die al duizenden jaren met verve wordt verdedigd. Volgens Nagarjuna heeft niets een eigen wezen of werking, ondanks de schijn van het tegendeel. Dit is de doctrine van sunyata of leegte, die al bijna tweeduizend jaar met verve wordt verdedigd. Als alles leeg is, dan ook Brahman en Atman.

Sjors: Dus volgens jou bestaan het persoonlijke en het universele bewustzijn helemaal niet?

Hans: Wat ben ik, een boeddhist?

Sjors: Bedoel je dat ze toch bestaan?

Hans: Wat ben ik, een hindoe?

Sjors: Bedoel je dat we niet kunnen weten of ze wel of niet bestaan?

Hans: Wat ben ik, een scepticus?

Sjors: Zelf ben ik ervan overtuigd dat ze bestaan.

Hans: Kan best wezen, maar hoe stel je zoiets vast?

Sjors: Wetenschappelijk?

Hans: Atman en Brahman zijn geen fysische maar metafysische grootheden. Het metafysische laat zich niet wetenschappelijke onderzoeken.

Sjors: Met de rede?

Hans: Daarmee kan je alles bewijzen en ontkrachten. Er zijn letterlijk duizenden religieuze en wijsgerige leerstelsels die allemaal heel logisch in elkaar zitten. Neem alleen al de verschillende vedantascholen, waarvan advaita er maar één is. Wiens rede wil je volgen?

Sjors: Door persoonlijke ervaring?

Hans: In advaita vedanta wordt het persoonlijke bewustzijn gewoonlijk voorgesteld als de noodzakelijke en voldoende voorwaarde voor iedere persoonlijke ervaring, die echter zelf niet rechtstreeks ervaren kan worden. Volgens de leer zelf kan ervaring ons dus niet verder helpen.

Sjors: Door ons op autoriteiten te verlaten, de traditie, Heilige Geschriften?

Hans: Autoriteiten beweren allemaal wat anders. Er is bij mijn weten niets dat door iedere autoriteit wordt onderschreven. En waren ze het wel allemaal ergens over eens, dan kan je nog steeds niet uitsluiten dat ze het allemaal mis hebben. Wie autoriseert de autoriteit?

Sjors: Dan weet ik het ook niet meer.

Hans: Dan weet ik het ook niet meer.

-82-

Non-dualisme voor exhibitionisten

‘Wat is non-dualisme, Hans?’

‘Nudisme?’

‘Non-dualisme.’

‘Naaktlopen.’

‘HALLO!’

‘Wie schreeuwt er zo?’

‘Ben je doof of zo?’

‘Ik wou het net aan jou vragen.’

‘Ik vroeg niet wat nudisme is, ik vroeg wat non-dualisme is.’

‘Dat zeg ik.’

‘Wat dan?’

‘Naaktlopen.’

‘Hè?’

‘Met je billen bloot gaan. In je blote kont staan. Geen draad meer aan je lijf hebben.’

‘Non-dualisme is met je billen bloot gaan?’

‘Ben je doof of zo?’

-83-

Dat de kenner het gekende is, heet monisme, geen non-dualisme

‘Wat is een non-dualist?’

‘Iemand die zich de kenner weet, niet het gekende.’

‘Klinkt meer als een dualist.’

‘Hoezo?’

‘Vanwege dat onderscheid tussen de kenner en het gekende natuurlijk.’

‘De kenner is het gekende.’

‘Wablief?’

‘Er is alleen maar het Ene.’

‘Monist.’

‘Voor mijn part.’

‘Maar wat is dan een non-dualist?’

-84-

Behoort het non-dualisme zelf soms niet tot de illusie?

‘Wat is een dualist, Hans?’

‘Iemand die zich het gekende waant.’

‘Wat is een non-dualist?’

‘Iemand die zich de kenner waant.’

‘Beide verkeren in een waan?’

‘Of is dat ook maar een waan?’

‘Volgens mij heb jij de illusie volledig doorzien.’

‘Of is dat ook een illusie?’

-85-

Non-dualisme is geen ja en geen nee

‘Wat is non-dualisme, Hans?’

‘Geen ja en geen nee.’

‘Wat is het dan wel?’

‘Tja.’

‘Als ik vraag of jij een non-dualist bent, wat zeg dan?’

‘Geen ja en geen nee.’

‘Wat dan wel?’

‘Tja.’

-86-

De overeenkomst tussen een non-dualist

‘Wat is de overeenkomst tussen een non-dualist?’

‘Dat hij overal zichzelf ziet.’

-87-

Het verschil tussen een non-dualist

‘Wat is het verschil tussen een non-dualist?’

‘Dat hij overal hetzelfde ziet.’

-88-

Ligt non-dualiteit ten grondslag aan niet-weten of andersom?

‘Wat is non-dualiteit?’

‘Het is maar net aan wie je het vraagt.’

‘Ik vraag het nu aan jou.’

‘Niet weten te onderscheiden.’

‘Ik dacht dat non-dualiteit stond voor het onbegrensde Ene dat wij zijn.’

‘Dat zeg ik.’

‘Wat?’

‘Het is maar net aan wie je het vraagt.’

‘Maar volgens jou is non-dualiteit een bijzonder geval van niet-weten?’

‘Als het al niet andersom is.’

‘Ja, ligt niet-weten nou ten grondslag aan non-dualiteit of non-dualiteit aan niet-weten?’

‘Misschien wel beide.’

‘Niet-weten en non-dualiteit liggen ten grondslag aan elkaar?’

‘Of geen van beide.’

‘Nou weet ik nog niet wat het verschil is.’

‘Dat is nou non-dualiteit.’

‘Je bedoelt zeker, dat is nou niet-weten.’

‘Ik zie het verschil niet.’

-89-

Non-dualiteit is: niet weten wat je zegt

‘Wat betekent non-dualiteit voor jou, Hans?’

‘In concreto?’

‘Hier en nu.’

‘Niet weten wat ik zeg.’

‘Geef eens een voorbeeld.’

‘Dat was al een voorbeeld.’

‘Hè?’

‘Wel opletten, hè.’

‘Geef nog eens een voorbeeld.’

‘Iets goed of kwaad noemen.’

‘Wat is daarmee?’

‘Als ik dat doe, dan weet ik niet wat ik zeg.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik niet weet wat goed of kwaad is.’

‘Met welke begrippen heb je nog meer moeite?’

‘Eigenlijk met alle begrippen.’

‘Zoals?’

‘Betekenen, non-dualiteit, hier en nu, niet weten, zeggen, geven, voorbeeld, zijn, opletten, goed, kwaad, noemen, doen, weten, komen, begrippen, moeite, uitzondering, allemaal, onbegrepen, jemineetje, onbegrippen, zwijgen, je, uitmaken …’

‘Zonder uitzondering?’

‘Allemaal onbegrepen.’

‘Jemineetje.’

‘Allemaal onbegrippen.’

‘Maar waarom zwijg je dan niet gewoon?’

‘Wat maakt het uit?’

-90-

Non-dualiteit is geen entiteit

‘Bestaat non-dualiteit eigenlijk wel?’

‘In plaats van?’

‘Niet te bestaan natuurlijk.’

‘Dat is een dualiteit.’

‘Zelfs dat het bestaat kun je van non-dualiteit niet zeggen?’

‘En zelfs niet dat het niet bestaat.’

‘Ik vind het zo … nietszeggend allemaal.’

‘Zo kun je het ook zeggen.’

‘Maar op een vreemde manier ook heel veelzeggend.’

‘Meer kun je eigenlijk niet zeggen.’

‘Maar wat het nou wil zeggen?’

‘Ik durf het niet te zeggen.’

-91-

Is schijn versus werkelijkheid nou schijn of werkelijkheid?

‘Wat betekent non-dualiteit?’

‘Als ik dat eens wist.’

‘Volgens mij betekent het dat onderscheidingen zoals goed en kwaad, mannelijk en vrouwelijk, rijk en arm, schijnbaar zijn.’

‘In tegenstelling tot?’

-92-

Als non-dualiteit iets betekent, dan betekent het iets anders niet

‘Wat betekent non-dualiteit?’

‘Wie zegt dat het iets betekent?’

‘Hè?’

‘Stel dat het inderdaad iets betekent…’

‘Nou?’

‘Dan betekent het iets anders niet.’

‘En?’

‘Dat zou toch weer een onderscheid zijn.’

‘Dus non-dualiteit betekent niets?’

‘In tegenstelling tot?’

-93-

Koning Eenoog en keizer Langoor

Hoeveel hersens heeft een dwaas?

Luna: Hoeveel ogen heeft een wijze?

Hans: Klinkt als een retorische vraag.

Luna: Volgens mij zijn het er drie.

Hans: Wat ziet het eerste oog?

Luna: Alleen het relatieve, verschilligheid, dualiteit.

Hans: Wat ziet het tweede oog?

Luna: Alleen het absolute, on-verschilligheid, non-dualiteit.

Hans: Wat ziet het derde oog?

Luna: Het relatieve in het absolute, verschilligheid in on-verschilligheid, dualiteit in non-dualiteit.

Hans: Ingewikkeld hoor.

Luna: Hoeveel ogen heeft de wijze volgens jou?

Hans: Dat moet je aan een wijze vragen.

Luna: Ben jij dan geen wijze?

Hans: Dwaas.

Luna: Hoeveel ogen heb jij?

Hans: Twee.

Luna: Wat zie je daarmee?

Hans: Geen idee.

Luna: Het absolute?

Hans: Dat heeft zich nog niet aan mij geopenbaard

Luna: Maar ik dacht…

Hans: Of ik heb het nog niet als zodanig herkend.

Luna: Het relatieve dan?

Hans: Dat heeft zich ook nog niet aan mij geopenbaard.

Luna: Het relatieve openbaart zich toch aan iedereen?

Hans: Dan heb ik het nog niet als zodanig herkend.

Luna: Is er alleen maar dit?

Hans: In plaats van?

Luna: Dat zeggen ze toch zo?

Hans: Ze zeggen zoveel.

Luna: Jij denkt van niet?

Hans: Hoe stel je zoiets vast?

Luna: Volgens mij is het een verwijzing naar het eeuwige heden.

Hans: Dat heeft zich nog niet aan mij geopenbaard.

Luna: Het tijdloze nu, bedoel ik.

Hans: Ja, is het nou eeuwig of is het tijdloos?

Luna: De waarheid is voorbij de woorden.

Hans: Waarom hou je dan je mond niet?

Luna: Maar wel onmiddellijk gegeven in de mystieke ervaring.

Hans: Mensen ervaren zoveel.

Luna: Iedereen ervaart alleen maar het Ene.

Hans: Dan heb ik het nog niet als zodanig herkend.

Luna: Het Ene openbaart zich niet, dat ben je.

Hans: Hoe weet je dat als het zich niet openbaart?

Luna: Eh…

Hans: Goed gezegd.

Luna: Dat beweert mijn leraar.

Hans: Je hebt het alleen maar van horen zeggen?

Luna: Ik ben bang van wel.

Hans: Hoeveel oren heeft een wijze?

-94-

Illusies van verscheidenheid en eenheid

Hope: Alles is één.

Hans: Heb je het nageteld?

Hope: Je weet heus wel wat ik bedoel.

Hans: Daar zou ik maar niet van uitgaan.

Hope: Zoals je zelf ergens zegt, hoe langer je erover nadenkt, hoe vager het onderscheid tussen de dingen onderling en tussen jezelf en de rest van de wereld.

Hans: Ik kan wel zoveel zeggen.

Hope: Dan neem ik het wel voor mijn rekening.

Hans: Heb jij daadwerkelijk vastgesteld dat er geen principieel onderscheid is tussen de dingen onderling, welke dan ook?

Hope: Daar is geen beginnen aan.

Hans: Heb jij daadwerkelijk vastgesteld dat er geen principieel onderscheid is tussen jezelf en de rest van de wereld.

Hope: Ik denk niet dat dat kan.

Hans: Waarom niet?

Hope: Omdat niet vinden iets anders is dan vaststellen.

Hans: Waarom zeg je het dan?

Hope: Oké, ik heb voor zover mijn onderzoek reikt geen principieel onderscheid kunnen vinden tussen de dingen onderling en tussen mezelf en de rest van de wereld, wat niet betekent dat het er niet is.

Hans: Wat betekent het wel?

Hope: Het betekent dat de dingen en ik best weleens één zouden kunnen zijn, ook al lijken we onderscheiden.

Hans: Als het niet regent, is het dan droog?

Hope: Nou?

Hans: Niet als het sneeuwt.

Hope: Oké, ik wéét niet of alles één is.

Hans: Waarom zeg je het dan?

Hope: Maar ik heb het wel erváren.

Hans: Wat heb je ervaren?

Hope: Ik heb een paar keer in mijn leven de eenheid van het universum gevoeld. De hoogste Waarheid.

Hans: Wat ervaar je op dit moment?

Hope: Gewoon.

Hans: Geen eenheid.

Hope: Niet op dit moment.

Hans: Wat wel?

Hope: Verscheidenheid. Dualiteit.

Hans: Is dat dan niet de hoogste Waarheid?

Hope: Hoezo?

Hans: Je erváárt het toch?

Hope: Nou…

Hans: Of niet soms?

Hope: …

Hans: Lastig hè, al die verschillende ervaringen?

Hope: Ik zeg, ook als eenheid niet ervaren wordt, is ze de drager van de illusie van dualiteit.

Hans: Dan zeg ik, ook als dualiteit niet ervaren wordt, is ze de drager van de illusie van eenheid.

Hope: Meen je dat nou?

Hans: Wat maakt dat nou uit?

Hope: Dan weet ik het ook niet meer.

Hans: Zeg dat dan meteen.

-95-

Voor telgangers

Leerling: Wat moet ik doen om tot eenheid te geraken?

Meester: Het is geen kwestie van doen, het is een kwestie van laten.

Jaren later

Leerling: Wat moet ik laten om tot eenheid te geraken?

Meester: Het is geen kwestie van laten, het is een kwestie van kwijtraken.

Jaren later

Leerling: Wat moet ik kwijtraken om tot eenheid te geraken?

Meester: De tel.

-96-

Tel uit je winst of neem je verlies

1

Leerling: Alles is één.

Meester: Alles wel, maar verder?

2

Leerling: Alles is één.

Meester: Je arm is geen been.

3

Leerling: Alles is één.

Meester: Niets ook.

4

Leerling: Alles is één.

Meester: En wat is één?

Leerling: Dan weet ik eigenlijk niet.

Meester: Wat maakt het dan uit.

-97-

Meerkeuzevraag voor metafysici

0. De boeddhist zegt: alles is leeg.

1. De monist zegt: alles is een.

2. De dualist zegt: alles is twee.

¬2. De non-dualist zegt: alles is niet-twee.

x>2. De pluralist zegt: alles is menigvuldig.

∞. De mysticus zegt: alles is oneindig.

ø. De agnost zegt niets.

Wie praat jij na?

-98-

Lijden doet scheiden

1

Leerling: Scheiden doet lijden.

Meester: Verenigen net zo goed.

2

Leerling: Scheiden doet lijden.

Meester: En lijden doet weer scheiden.

3

Leerling: Scheiden doet lijden.

Meester: En scheiden doet verenigen.

Leerling: En verenigen?

Meester: Doet weer scheiden.

Leerling: En wat doet lijden?

Meester: Wat niet.

-99-

Begrippen zijn rare dingen

Een punt is een lijn zonder lengte, dus een punt is in wezen een lijn.

Een lijn kun je trekken met een punt, dus een lijn is in wezen een punt.

Een lijn is een vlak zonder breedte, dus een lijn is in beginsel een vlak.

Een vlak kun je trekken met een lijn, dus een vlak is in beginsel een lijn.

Een vlak is een ruimte zonder hoogte, dus een vlak is in de grond een lichaam.

Een lichaam kun je trekken met een vlak, dus een lichaam is in de grond een vlak.

Een punt is een vlak zonder lengte of breedte, dus een punt is in essentie een vlak.

Een vlak kun je trekken met een lijn getrokken met een punt, dus een vlak is in essentie een punt.

Een lijn is een lichaam zonder breedte of hoogte, dus een lijn is in principe een lichaam.

Een lichaam kun je trekken met een vlak getrokken met een lijn, dus een lichaam is in principe een lijn.

Een punt is een lichaam zonder lengte, breedte of hoogte, dus een punt is in wezen een lichaam.

Een lichaam kun je trekken met een vlak getrokken met een lijn getrokken met een punt, dus een lichaam is in wezen een punt.

-100-

Denk niet dualiteit, denk niet non-dualiteit

‘Ik wil hebben wat jij hebt, Hans.’

‘Het is geen kwestie van hebben.’

‘Dan wil ik kwijtraken wat jij bent kwijtgeraakt.’

‘Denk niet hebben, denk niet kwijtraken.’

‘Maar het relatieve…’

‘Denk niet relatief, denk niet absoluut.’

‘Maar de illusie…’

‘Denk niet illusie, denk niet werkelijkheid.’

‘Maar het hoogste…’

‘Denk niet hoog, denk niet laag.’

‘Voor mij ben jij waarlijk…’

‘Denk niet waarlijk, denk niet valselijk.’

‘Verlicht, wou ik zeggen.’

‘Denk niet verlicht, denk niet onverlicht.’

‘O, ik snap het al.’

‘Hè hè.’

‘Je verwijst naar non-dualiteit.’

‘Denk niet dualiteit, denk niet non-dualiteit.’

‘Dan weet ik het ook niet meer.’

‘Dan weet ik het ook niet meer.’

-101-

Vragen naar de onbekende weg

‘Wat is non-dualisme voor jou, Hans?’

‘Vragen stellen.’

‘En dan?’

‘Je vragen bevragen.’

‘En dan?’

‘De woorden in je vragen bevragen.’

‘En dan?’

‘De veronderstellingen in je vragen bevragen.’

‘En dan?’

‘Het vragen bevragen.’

‘Tot je eindelijk antwoord hebt gekregen?’

‘Tot al je begrippen in rook zijn opgegaan.’

‘En dat wou jij non-dualisme noemen?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Waarom niet?’

‘Dat is dan ook in rook opgegaan.’

-102-

Non-dualisme is overal van afzien

‘Wat is non-dualisme voor jou?’

‘Keuzeloos gewaarzijn, Hans.’

‘Werkeloos toezien, zal je bedoelen.’

‘Jij weet het altijd zo fraai te zeggen.’

‘Ik mag het beestje graag bij de naam noemen.’

‘Zie jij ook werkeloos toe?’

‘Nee, ik doe uitzichtloos werk.’

‘Wat dan?’

‘Non-dualisme onder woorden brengen.’

‘Wat is daar uitzichtloos aan?’

‘Dat non-dualisme inzichtloos is.’

‘Dan breng je het toch zonder woorden?’

‘Dat is helemaal afzien.’

X: Breng het dan maar onder woorden.

Hans: Non-dualisme is overal van afzien.

-103-

Non-dualisme is hopeloos gewoon zijn

‘Wat is non-dualisme voor jou?’

‘Keuzeloos gewaar zijn, Hans.’

‘Nou, daar kan je mee voor de dag komen.’

‘Wat is non-dualisme voor jou?’

‘Hopeloos gewoon zijn?’

‘Hopeloos of hooploos?’

‘Doe dan maar reddeloos.’

‘Reddeloos of redeloos?’

‘Doe dan maar waardeloos.’

‘Waardeloos of waardenloos?’

‘Doe dan maar woordenloos.’

‘Non-dualisme is woordenloos gewoonzijn?’

‘Wijzeloos, wijsheidsloos, wezenloos, weerloos, wetteloos…’

‘Noem dat maar woordenloos.’

‘Noem het dan maar non-dualisme.’

-104-

Natuurlijk versus onnatuurlijk – de obscurantist

‘De menselijke beschaving is onnatuurlijk, Hans.’

‘Hoezo?’

‘Cultuur is een uitvinding van de mens.’

‘De mens is een uitvinding van de natuur.’

‘Dus?’

‘Is beschaving een uitvinding van de natuur.’

‘Pardon?’

‘Als je tenminste in de sluitrede gelooft.’

‘Zo kan je alles wel natuurlijk noemen.’

‘Inderdaad.’

‘Dan kan je net zo goed niks meer zeggen.’

‘Misschien niet …’

‘Maar?’

‘Zwijgen is onnatuurlijk.’

-105-

Iets onnatuurlijk noemen is onnatuurlijk

Wijze lessen uit de natuur.

‘Elektriciteit is onnatuurlijk, Hans.’
‘En bliksem dan?’

‘Stroomwapens zijn onnatuurlijk.’
‘En sidderalen dan?’

‘Kernenergie is onnatuurlijk.’
‘En de zon dan?’

‘Gentechnologie is onnatuurlijk.’
‘En biodiversiteit dan?’

‘Stuwdammen zijn onnatuurlijk.’
‘En bevers dan?’

‘Chemische wapens zijn onnatuurlijk.’
‘En slangen dan?’

‘Kleding is onnatuurlijk.’
‘En pelzen dan?’

‘Vliegen is onnatuurlijk.’
‘En vogels dan?’

‘Geweld is onnatuurlijk.’
‘En orka’s dan?’

‘Stedenbouw is onnatuurlijk.’
‘En termietenheuvels dan?’

‘Veelwijverij is onnatuurlijk.’
‘En stieren dan?’

‘Zelfmoord is onnatuurlijk.’
‘En lemmingen dan?’

‘Homoseksualiteit is onnatuurlijk.’
‘En koeien dan?’

‘Hebzucht is onnatuurlijk.’
‘En eekhoorns dan?’

‘Iets onnatuurlijk noemen is onnatuurlijk.’
‘En jij dan?’

-106-

Appels met peren

Soldaat: Als u niet voor ons bent dan bent u tegen ons.

Meester: Als je geen appel bent dan ben je een peer.

Soldaat: U moet nú kleur bekennen.

Meester: Wit.

Soldaat: Kiest u voor neutraliteit?

Meester: Dan had ik wel grijs gezegd.

Soldaat: Wat bedoelt u dan met wit?

Meester: Alle kleuren van de regenboog.

Soldaat: Maar wat betekent wit?

Meester: Dat ik me overgeef natuurlijk.

Soldaat: Aan wie?

Meester: Aan iedereen.

Soldaat: Aan ons of aan de vijand?

Meester: Onvoorwaardelijk.

Soldaat: U blijft erbij?

Meester: Bij hoog en bij laag.

Soldaat: Bij ons of bij de vijand, bedoel ik.

Meester: Net zo makkelijk.

Soldaat: Ik vraag het voor de laatste keer …

Meester: Ben je een appel of ben je een peer?

-107-

Hokjesfeest of bijltjesdag?

1

Soldaat: Vriend of vijand?

Meester: U eerst.

2

Soldaat: Vriend of vijand?

Meester: Waar dan?

3

Soldaat: Vriend of vijand?

Meester: Vrijhand.

4

Soldaat: Vriend of vijand?

Meester: Lichaam of geest?

Soldaat: Een gezonde geest in een gezond lichaam.

Meester: Nou dan.

-108-

Heb jij een voorkeur voor een leven zonder voorkeur?

‘Hoe kom ik van mijn voorkeuren af?’

‘Van je voorkeuren af willen is een voorkeur.’

‘Wat als je geen voorkeur hebt voor een leven zonder voorkeur?’

‘Dan ben je daar vanaf.’

‘Nou, dat lijkt me wel wat.’

‘Dan heb je een voorkeur voor een leven zonder voorkeur voor een leven zonder voorkeur.’

‘Hoe kom ik daar vanaf?’

‘Van je voorkeuren af willen is een voorkeur.’

-109-

Hokjesfeest

‘Ik vind jou een echte non-dualist, Hans.’

‘Stop jezelf in een hokje.’

‘Onder een non-dualist versta ik iemand zonder hokjes.’

‘Dat bedoel ik.’

‘Iemand die weigert in een hokje plaats te nemen.’

‘Ik ga zitten waar ik wil.’

‘Iemand die weigert anderen in een hokje te stoppen.’

‘In je hok, hokjesgeest.’

‘Iemand die zijn hokjes stuk voor stuk gesloopt heeft.’

‘Wie er aan mijn hokjes komt die krijgt een schop.’

‘Al deze uitspraken bevestigen mijn overtuiging.’

‘Sofist.’

‘Ik vind jou een echte non-dualist, Hans.’

‘Stop jezelf in een hokje.’

-110-

Brokjesgeest

‘Zie jij jezelf als een non-dualist, Hans?’

‘Wie? O. Ja. Nee. Kwenie.’

‘Ik bedoel, denk jij dat anderen jou zien als non-dualist?’

‘Wie? O. Nee. Ja. Kwenie.’

‘Ik bedoel, ben jij weleens bang om door de mand te vallen?’

‘Wie? O. Nou. Eh… Als wat?’

‘Ik bedoel, wat is volgens jou een non-dualist?’

‘Een wat? O. Eh… Tja. Nou?’

‘De waarheid is voorbij de woorden, wou je zeggen.’

‘De wát? O. Nou. Eh… Hè?’

-111-

De derde keus

De dans ontsprongen.

Herinneringen

Zoeker: Heb ik herinneringen of hebben ze mij?

Leraar: Jij hebt herinneringen of zij hebben jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Een geweten

Zoeker: Heb ik een geweten of heeft het mij?

Leraar: Jij hebt een geweten of het heeft jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Voorkeuren

Zoeker: Heb ik voorkeuren of hebben ze mij?

Leraar: Jij hebt voorkeuren of zij hebben jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Gedachten

Zoeker: Heb ik gedachten of hebben ze mij?

Leraar: Jij hebt gedachten of zij hebben jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Gevoelens

Zoeker: Heb ik gevoelens of hebben ze mij?

Leraar: Jij hebt gevoelens of zij hebben jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Verlangens

Zoeker: Heb ik verlangens of hebben ze mij?

Leraar: Jij hebt verlangens of zij hebben jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Een geloof

Zoeker: Heb ik een geloof of heeft het mij?

Leraar: Jij hebt een geloof of het heeft jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Principes

Zoeker: Heb ik principes of hebben ze mij?

Leraar: Jij hebt principes of zij hebben jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Plannen

Zoeker: Heb ik plannen of hebben ze mij?

Leraar: Jij hebt plannen of zij hebben jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Dingen

Zoeker: Heb ik dingen of hebben ze mij?

Leraar: Jij hebt dingen of zij hebben jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Werk

Zoeker: Heb ik werk of heeft het mij?

Leraar: Jij hebt werk of het heeft jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Een wil

Zoeker: Heb ik een wil of heeft hij mij?

Leraar: Jij hebt een wil of hij heeft jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Een ik

Zoeker: Heb ik een ik of heeft het mij?

Leraar: Jij hebt een ik of het heeft jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Een geest

Zoeker: Heb ik een geest of heeft hij mij?

Leraar: Jij hebt een geest of hij heeft jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Een lichaam

Zoeker: Heb ik een lichaam of heeft het mij?

Leraar: Jij hebt een lichaam of het heeft jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Een bewustzijn

Zoeker: Heb ik een bewustzijn of heeft het mij?

Leraar: Jij hebt een bewustzijn of het heeft jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Antwoorden

Zoeker: Heb ik antwoorden of hebben ze mij?

Leraar: Jij hebt antwoorden of zij hebben jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Vragen

Zoeker: Heb ik vragen of hebben ze mij?

Leraar: Jij hebt vragen of zij hebben jou.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

-112-

De vijfde keus

Zoeker: Leid ik mijn leven of leidt het mij of beide of geen van beide?

Leraar: Jij leidt jouw leven of het leidt jou of beide of geen van beide.

Zoeker: Is dit nog de vraag of al het antwoord of beide of geen van beide?

Leraar: Dit is nog de vraag of al het antwoord of beide of geen van beide.

-113-

Woon jij in iemandsland of niemandsland?

‘Waar woont de dualist, Hans?’

‘In iemandsland.’

‘Waar woont de non-dualist?’

‘In niemandsland.’

‘En waar woon jij?’

‘Overal en nergens.’

-114-

Woon jij binnen de lijntjes of buiten de lijntjes?

‘Waar woont de dualist?’

‘Binnen de lijntjes.’

‘Waar woont de non-dualist?’

‘Buiten de lijntjes.’

‘Waar woon jij?’

‘Op het randje.’

-115-

Ben jij iemand met lijntjes of iemand zonder lijntjes?

‘Wat is een dualist?’

‘Iemand met lijntjes.’

‘Wat is een non-dualist?’

‘Iemand zonder lijntjes.’

‘Wat ben jij?’

‘Iemand met stippellijntjes.’

‘Een dualistisch non-dualist.’

‘Hou toch op.’

‘Een non-dualistisch dualistisch non-dualist?’

‘Schei toch uit.’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Iemand met stippellijntjes.’

‘Waarvoor staan die?’

‘…’

-116-

Zijn dit de woorden van iemand die in non-dualiteit verblijft?

‘Hoe kom ik tot volledig inzicht inzake non-dualiteit?’

‘Denk je dat zij zich laat kennen?’

‘Hoe bevrijd ik mij van alle inzichten inzake non-dualiteit?’

‘Denk je dat zij zich niet laat kennen?’

‘Welke oefeningen kan ik doen om tot non-dualiteit te komen?’

‘Denk je dat zij zich laat praktiseren?’

‘Is het beter om helemaal geen oefeningen te doen?’

‘Denk je dat zij zich zomaar prijsgeeft?’

‘Bestaat non-dualiteit eigenlijk wel?’

‘Bestaan, niet bestaan …’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Spreken, zwijgen …’

‘Zijn dit de woorden van iemand die in non-dualiteit verblijft?’

‘Iemand, niemand …’

‘Wat versta jij onder non-dualiteit?’

‘Ach …’

‘Ach, wat?’

‘Op een gegeven moment lukt het je gewoon niet meer.’

‘Wat niet?’

‘Onderscheid maken niet.’

‘Echt niet?’

‘Niet echt.’

‘En dat is alles?’

‘Alles, niets …’

‘Wou jij beweren dat non-dualiteit een onvermogen is?’

‘Vermogen, onvermogen …’

‘Want daarop kan men zich onmogelijk laten voorstaan.’

‘Wou jij je onderscheiden met niet-onderscheiden?’

-117-

Pompen of verzuipen

‘Wat is dualiteit?’

‘Een zeekaart.’

‘Wat is non-dualiteit?’

‘De zee.’

-118-

Non-dualisme is: alles tussen aanhalingstekens

Zoeker: Wat is non-dualisme?

Leraar: Alles tussen aanhalingstekens.

Zoeker: Behalve de aanhalingstekens zeker.

Leraar: Die ook.

Zoeker: Zo hou je niets over.

Leraar: ‘Niets’.

Zoeker: Noem dat maar non-dualisme.

Leraar: Noem het dan maar ‘non-dualisme’.

-119-

Ik wordt ‘ik’ en nu wordt ‘nu’

Zoeker: Wat is non-dualisme?

Leraar: Ik wordt ‘ik’.

Zoeker: En ‘ik’?

Leraar: Wordt ‘‘ik’’.

Zoeker: En ‘‘ik’’?

Leraar: Wordt ‘‘‘ik’’’.

Zoeker: En dan?

Leraar: Wordt ‘dan’.

Zoeker: En toen?

Leraar: Wordt ‘toen’.

Zoeker: En nu?

Leraar: Wordt ‘nu’.

Zoeker: En zo voort?

Leraar: Wordt ‘voort’.

-120-

Non-dualisme wordt ‘non-dualisme’

Zoeker: Wat is non-dualisme?

Leraar: Ik wordt ‘ik’ en jij wordt ‘jij’ en Hij wordt ‘Hij’ en hier wordt ‘hier’ en daar wordt ‘daar’ en toen wordt ‘toen’ en dan wordt ‘dan’ en nu wordt ‘nu’.

Zoeker: En dualisme?

Leraar: Wordt ‘dualisme’.

Zoeker: En non-dualisme?

Leraar: Wordt ‘non-dualisme’.

Zoeker: En dat is dat?

Leraar: En dat is ‘dat’.

-121-

Non-dualisme in seculiere, filosofische en theologische termen

Zoeker: Wat is in zo min mogelijk woorden non-dualisme?

Leraar: ‘Ik’.

Zoeker: En in seculiere termen?

Leraar: ‘Wereld’.

Zoeker: En in filosofische termen?

Leraar: ‘Waarheid’.

Zoeker: En in theologische termen?

Leraar: ‘God’.

Zoeker: En zonder termen?

Leraar: Sst.

Zoeker: Niet ‘sst’?

Leraar: Dat komt op hetzelfde neer.

-122-

Non-dualisme zonder woorden

Zoeker: Wat is in zo min mogelijk woorden non-dualisme?

Leraar: ‘Ik’.

Zoeker: Ik?

Leraar: Nee, ‘ik’.

Zoeker: Tussen aanhalingstekens.

Leraar: Precies.

Zoeker: Verwijs je nu naar niet-ik?

Leraar: ‘Niet-ik’ dan toch.

Zoeker: Of ik én niet-ik?

Leraar: ‘Ik en niet-ik’ dan toch.

Zoeker: Of ik noch niet-ik?

Leraar: ‘Ik noch niet-ik’ dan toch.

Zoeker: En ik maar denken dat ik niemand was.

Leraar: ‘Niemand’ dan toch.

Zoeker: Maar niet iemand?

Leraar: Of ‘iemand’ natuurlijk.

Zoeker: Of iemand én niemand?

Leraar: ‘Iemand en niemand’ dan toch.

Zoeker: Of iemand noch niemand?

Leraar: ‘Iemand noch niemand’.

Zoeker: Of gewoon alles?

Leraar: ‘Alles’.

Zoeker: Of niets.

Leraar: ‘Niets’.

Zoeker: Als het maar tussen aanhalingstekens staat.

Leraar: ‘Tussen aanhalingstekens.’

Zoeker: Kan het nog korter?

Leraar: Eh…

Zoeker: Nou?

Leraar: …

Zoeker: En dat wou jij non-dualisme noemen?

Leraar: En dat wou jij non-dualisme noemen.

-123-

De ene non-dualist is de andere niet

‘Verwijst non-dualiteit naar een hogere werkelijkheid?’

‘Hoger dan wat?’

‘De alledaagse werkelijkheid natuurlijk.’

‘Toch weer een verschil gevonden?’

‘Bedoel je dat de hogere werkelijkheid dezelfde is als de alledaagse?’

‘Toch weer een overeenkomst gevonden?’

‘Wat wil je daarmee zeggen?’

‘Ik stel alleen maar vragen.’

‘Ik ook.’

‘Toch weer een overeenkomst gevonden?’

‘Maar ik wil antwoorden.’

‘Dan zal dat het verschil wel zijn.’

-124-

Over het onderscheid tussen wel en niet onderscheiden

‘Wat is een boeddhist?’

‘Iemand die onderscheid maakt tussen samsara en nirwana.’

‘Wat is een taoïst?’

‘Iemand die onderscheid maakt tussen doen en niet doen.’

‘Wat is een mysticus?’

‘Iemand die onderscheid maakt tussen hemel en aarde.’

‘Wat is een non-dualist?’

‘Iemand die onderscheid maakt tussen dualiteit en non-dualiteit.’

‘Hoe noem je degene die geen onderscheid maakt?’

‘Vergeleken met?’

‘Iemand die wel onderscheid maakt natuurlijk.’

‘Dat was een onderscheid.’

‘Toe nou.’

‘Iemand noch niemand dan maar.’

‘Ben jij iemand noch niemand?’

‘Ja noch nee.’

‘Nou weet ik nog niets.’

‘Dan weet je toch nog iets.’

-125-

De duellist en de non-duellist

‘Wat is een dualist?’

‘Een duellist.’

‘Tegen wie duelleert hij?’

‘Tegen zichzelf, maar dat weet hij niet.’

‘Wat is een non-dualist?’

‘Een non-duellist.’

‘Waarom duelleert hij niet?’

‘Omdat hij niets te verdedigen heeft.’

-126-

‘Verschil’

Zoeker: Wat is het verschil tussen jou en mij?

Leraar: Dat jij overal verschil ziet.

Zoeker: En jij?

Leraar: Ik zie overal ‘verschil’.

Zoeker: Ik dacht dat je zou zeggen, ‘Ik zie overal eenheid’.

Leraar: Nou, overal…

-127-

‘Eenheid’

Zoeker: Wat is het verschil tussen jou en mij?

Leraar: Dat jij overal eenheid ziet.

Zoeker: En jij?

Leraar: Ik zie hoogstens ‘eenheid’.

Zoeker: Maar wat betekent dat dan nog?

Leraar: Zo kan je het ook zeggen.

Zoeker: Dan kan je net zo goed niks zeggen.

Leraar: Zo kan je het ook zeggen.

-128-

Eenheid is niet het geheel

‘Wat is eenheid?’

‘Een woord.’

‘Is het dan niet het geheel?’

‘Waarvan?’

‘Van alles.’

‘Dat is een tautologie.’

‘Van tegendelen dan.’

‘Dat is een contradictie.’

‘Nergens van dan.’

‘Dat is een kop zonder kip.’

‘Hoezo?’

‘De uitdrukking ‘X is het geheel van’ wordt altijd gevolgd door de samenstellende delen.’

‘Bijvoorbeeld?’

‘Ruwbouw is het geheel van fundering, muren en dak. God is het geheel van natuurwetten. Een ecosysteem is het geheel van interacties in een natuurlijk milieu.’

‘En?’

‘Waarvan is eenheid het geheel?’

‘Nou, gewoon.’

‘Gewoon wat?’

‘Eenheid is het hoogste geheel.’

‘Waarvan?’

‘Nergens van.’

‘Die hebben we al gehad.’

‘Van zichzelf dan?’

‘Maar wat zeg je dan nog?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Nou, ik ook niet’

-129-

Gebed zonder end

‘Wat is satsang, Hans?’

‘Een dwaalgesprek met je leraar.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een dwaalgesprek met jezelf.’

‘Wat is het verschil?’

‘Het eerste is eindig.’

-130-

Nu-isme is van alle tijden

De goeroe en de agnost.

Goeroe: Wie naar de toekomst verlangt, wil het heden mijden.*

* Uitspraak van Jiddhu Krishnamurti (1895-1986).

Agnost: Verlangen vindt plaats in het heden.

Goeroe: Daar zegt u me wat.

Agnost: Mijden vindt eveneens plaats in het heden.

Goeroe: Verdraaid.

Agnost: Dus dat kan het probleem niet zijn.

Goeroe: Wat kan het probleem wel zijn?

Agnost: Wie naar het heden verlangt, wil de toekomst of het verleden mijden.

Goeroe: Ja, zo kun je het ook zien.

Agnost: Wie het mijden wil mijden, verlangt naar een toekomst of verleden zonder vermijding.

Goeroe: U draait het helemaal om.

Agnost: En wie naar een goeroe gaat wil aan het heden ontsnappen.

Goeroe: Maar ik verwijs ze toch juist naar het heden?

Agnost: Daarom komen ze juist naar u toe.

Goeroe: Waarom komen ze juist naar mij toe?

Agnost: Omdat u ze een toekomst voorspiegelt zonder verleden.

Goeroe: Dat lijkt me een heel goede reden.

Agnost: Zo trekt u ze uit hun heden.

Nu-isme: het idee dat alleen het nu reëel is, en het ideaal om helemaal in het heden te leven, zonder gisteren of morgen, zonder spijt of zorgen.

-131-

Een onwerkelijke waarheid

De goeroe en de agnost.

Goeroe: Geloof is één ding, werkelijkheid een ander.*

* Uitspraak van Jiddhu Krishnamurti (1895-1986).

Agnost: Gelooft u dat werkelijk?

Goeroe: De werkelijkheid is de enige waarheid.

Agnost: Gelooft u dan in de werkelijkheid?

Goeroe: Gelooft u dan niet in de werkelijkheid?

Agnost: Ongeloof is één ding, onwerkelijkheid een ander.

-132-

Niet weten is echt geen filosofie

De denker en de agnost.

Denker: Echte filosofie is om de dingen te zien zoals ze zijn.*

* Uitspraak van Georges-Louis Leclerc de Buffon (1707-1788).

Agnost: Denkt u dat je de dingen kunt zien zoals ze zijn?

Denker: Wat is echte filosofie volgens u?

Agnost: Je afvragen of je de dingen kunt zien zoals ze zijn?

Denker: Is dat alles?

Agnost: Nagaan of de dingen waarvan je denkt dat je ziet zoals ze zijn wel echt zijn?

Denker: Ik weet het niet hoor.

Agnost: Ik ook niet hoor.

Denker: Filosofie is om de dingen te zien zoals ze echt zijn.

Agnost: Denkt u dat u de filosofie ziet zoals ze echt is?

Denker: Wat ziet u als u naar de filosofie kijkt?

Agnost: Een eindeloze optocht van mensen die denken dat alleen hun filosofie echt is.

Denker: U denkt toch ook dat alleen uw filosofie echt is?

Agnost: Ik denk niet dat ik echt een filosofie heb.

Denker: U geeft het in elk geval toe.

Agnost: Je hebt echt geen filosofie nodig om de dingen te zien zoals ze zijn.

-133-

De dood van de leraar

Gouwe Ouwe.

Wende: Hoe denk jij over Douwe Tiemersma?*

* Advaitaleraar en filosoof, overleden in 2013.

Hans: Douwe is dood.

Wende: Maar zijn gedachten leven voort.

Hans: Had hij maar geen boeken moeten schrijven.

Wende: Hoe kun je zoiets zeggen?

Hans: Hij heeft het zelf gezegd.

Wende: Waar dan?

H: In zijn artikel De dood van de leraar.*

* InZicht, Wegen van radicaal zelfonderzoek 2, nr. 1 (februari 2000), pagina 23

Wende: Wat zei hij dan?

Hans: Dat hij een leraar wou zijn die alle vormen van houvast oplost.

Wende: Nou herinner ik het me weer.

Hans: Een consequent mens.

Wende: Hoezo?

Hans: Hij voegde de daad bij het woord.

Wende: Ja, ha ha.

Hans: En nu maar wachten op de dood van zijn leer.

Wende: Waarom moet zijn leer dood?

Hans: Omdat die niet alle vormen van houvast oplost.

Wende: Hoe weet je dat?

Hans: Zijn gedachten leven voort, zei je toch?

Wende: Jij wilt toch ook een leraar zijn die alle vormen van houvast oplost?

Hans: Alsof ik een leraar wil zijn.

Wende: Niet dan?

Hans: Bovendien heb ik niets tegen houvast.

Wende: Dan heb je zeker iets tegen leraren.

Hans: Ook niet.

Wende: O.

Hans: Ik heb ook niets tegen mensen die iets tegen leraren hebben.

Wende: Hè?

Hans: Ik heb ook niets tegen mensen die iets hebben tegen mensen die iets tegen leraren hebben.

Wende: Ik kan je niet meer volgen.

Hans: Gelukkig maar, dan kan je ook niet in de verleiding komen.

Wende: Welke verleiding?

Hans: Om mij te volgen natuurlijk.

Wende: Wacht maar tot je zelf dood gaat.

Hans: Wat dan?

Wende: Dan zal je eens zien hoe weinig er van jouw gedachtegoed overblijft.

Hans: Daarvoor hoef ik echt niet dood te gaan.

Wende: Waarom niet?

Hans: Het is er nooit geweest.

-134-

Visserslatijn, of hoe het onweetbare toch weer weetbaar werd

Jan: Ik weet niet wie ik ben.*

* Boektitel van de non-dualist Jan van den Oever.

Hans: Maar dat weet je dan weer wel?

Jan: Ja en nee.

Hans: Leg eens uit.

Jan: Ik ben het onweetbare waarin het weten verschijnt.

Hans: Behoort dit nog tot het weten of reeds tot het onweetbare?

Jan: Ik ben niet-weten.

Hans: En dat voor iemand die niet weet wie hij is.

Jan: Waar moet het weten anders vandaan komen?

Hans: Waarom moet het weten ergens vandaan komen?

Jan: Alles heeft een oorzaak.

Hans: Behalve de eerste oorzaak zeker.

Jan: En dat kan niet het weten zelf zijn.

Hans: Jij kan het weten.

Jan: Dus gaat er iets aan het weten vooraf.

Hans: Ik zou het echt niet weten.

Jan: Dat iets moet ik zelf wel zijn.

Hans: Waarom zou jij dat moeten zijn?

Jan: Hoe kan ik dit anders weten?

Hans: Weet je wat ik weleens zou willen weten?

Jan: Nou?

Hans: Hoe kan niet-weten dit allemaal weten?

Jan: Omdat ik niet-weten ben.

-135-

Grondsop voor de grondelozen

‘Niet-weten is de onkenbare grond van het gekende, Hans.’

‘Als de onkenbare grond van het gekende werkelijk onkenbaar is, dan zullen we dat nooit weten.’

‘Toegegeven…’

‘Maar?’

‘De onkenbare grond van het gekende bestaat wel degelijk.’

‘Als de onkenbare grond van het gekende werkelijk onkenbaar is, dan zullen we dat nooit weten.’

‘Toegegeven.’

‘Tenzij de onkenbare grond van het gekende voorbij bestaan en niet-bestaan is…’

‘Maar?’

‘Als de onkenbare grond van het gekende werkelijk onkenbaar is dan zullen we dat nooit weten.’

‘Zijn God, Brahman, Atman, Sunyata, Boeddhanatuur, Bewustzijn, Essentie, de Tao, de Leegte, het Niets, de Non-dualiteit, de Onbewogen Beweger, de Eerste Oorzaak en dergelijke niet allemaal namen van de onkenbare grond van het gekende?’

‘Als de onkenbare grond van het gekende werkelijk onkenbaar is, dan zullen we dat nooit weten.’

‘En als de onkenbare grond van het gekende niet werkelijk onkenbaar is?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Zo zie je maar weer…’

‘Wat?’

‘De Waarheid is onuitsprekelijk.’

‘Waarom noem je het dan de Waarheid?’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Waarover?’

‘Ben jij van mening dat wij moeten zwijgen?’

‘Waartoe?’

‘Dan weet ik het ook niet meer.’

‘Dan weet ik het ook niet meer.’

‘Niet-weten is de onkenbare grond van het gekende, Hans.’

‘Als de onkenbare grond van het gekende werkelijk onkenbaar is, dan zullen we dat nooit weten.’

-136-

Wat je al niet denkt

Jan: Je bent niet wat je denkt.*

* Boektitel van de non-dualist Jan van Rossum.

Hans: Denk jij dan dat je bent?

Jan: Jawel, maar niet wat ik denk.

Hans: Wat ben je dan wel?

Jan: Dat waarin gedacht wordt.

Hans: Of is dat ook maar een gedachte?

Jan: Dat waarin gedacht wordt, is ook maar een gedachte?

Hans: Of is ook maar een gedachte?

Jan: Wat als ik niet meer denk?

Hans: Dan vraag je dat niet meer.

Jan: Wat als ik niets meer vraag?

Hans: Dan ben je wat je bent.

-137-

De Jantjes

Jantje 1

Jan: Ik weet niets, maar dat weet ik wel verdomd zeker.*

Hans: Ik weet niets en dat ook niet.

Jantje 2

Jan: Gedachten zijn e-mails die je ongeopend moet weggooien.*

Hans: Deze ook.

Jantje 3

Jan: Verlichting vind je door alle verhalen in je hoofd te negeren en je aandacht volledig te richten op de aandacht zelf.*

Hans: Het bekende verhaal.

Jantje 4

Jan: Je bent er als je de 108 Jantjes in jezelf helemaal doorziet.*

Hans: Zei Jantje 109.

Gevleugelde uitspraken van de non-dualist Jan van Delden.

-138-

Verhalen van koffers met verhalen die leeg moeten

Jan: Je koffer met verhalen moet helemaal leeg.*

* Gevleugelde uitspraak van de non-dualist Jan van Delden.

Hans: O ja?

Jan: Alle verhalen moeten weg.

Hans: Dan ook het verhaal van de koffer.

Jan: Wat?

Hans: Alle verhalen moesten toch weg?

Jan: Dan kan ik wel inpakken.

Hans: Ook het verhaal dat je dan wel kan inpakken.

Jan: Nou, dan ben ik wel uitgepraat.

Hans: Ook het verhaal dat je dan wel bent uitpraat.

Jan: En dan?

Hans: Dan?

Jan: Wat is daar nou weer mee?

Hans: Weg ermee.

Jan: Ach natuurlijk.

Hans: Wat?

Jan: Je koffer met verhalen moet helemaal leeg.

Hans: O ja?

-139-

De stoel ontsprongen

Jan: Ken jij de beeldspraak van de stoelendans?*

* Metafoor van de non-dualistische leraar Jan van Delden.

Hans: Jij?

Jan: Wat dacht je dan.

Hans: Hoezo?

Jan: Ik heb hem zelf verzonnen.

Hans: Waarom vraag je het dan aan mij?

Jan: Spiritueel gezien zijn er vier stoelen. De stoel van het waken, de stoel van de droom en de stoel van de droomloze slaap.

Hans: En nou moet ik zeker vragen waar de vierde stoel is.

Jan: De vierde stoel is de achterste. Die staat verdekt opgesteld achter de andere drie, uit het zicht.

Hans: Aha.

Jan: Overdag ben je wakker, ‘s nachts slaap je of droom je. Dat zijn de drie bewustzijnstoestanden. Je gaat van bewustzijnstoestand naar bewustzijnstoestand. Je leven lijkt een stoelendans.

Hans: Wat een toestanden.

Jan: Maar in werkelijkheid verkeer je helemaal niet in één van drie bewustzijnstoestanden. Dat is een illusie in bewustzijn. In werkelijkheid ben je het bewustzijn zelf waarin die toestanden zich afspelen. Het ene bewustzijn dat zijn eigen toestanden moeiteloos gewaar is.

Hans: En dat noem jij de achterste stoel.

Jan: In de achterste stoel gaan zitten en er nooit meer uit opstaan, dat is verlichting.

Hans: Als een koning op een troon.

Jan: Zit jij al op de achterste stoel?

Hans: Ik heb geen stoelen.

Jan: Voor jou geen stoelendans.

Hans: Ik ben meer van het vrij dansen.

Jan: Stoelen aan de kant.

Hans: Stoelen in de brand.

Jan: Hoe heet de dans van niet-weten?

Hans: De tjatjatja.

Jan: Wat als je het dansen moe wordt?

Hans: Dan ga ik op de grond zitten.

Jan: Dan is de grond jouw achterste stoel.

Hans: De grond is mijn enige stoel.

Jan: Ja, is het nou een dansvloer of een stoel?

Hans: De dansvloer is de stoel.

Jan: De laagste zetel.

Hans: Heeft geen poot om op te staan.

Jan: Dan kan je nooit meer vallen.

Hans: In elk geval niet meer van je stoel.

Jan: Ik denk dat ik op mijn troon blijf zitten.

Hans: Dan ga ik weer vrij dansen.

-140-

Grote Woorden uit kleine oorden

‘Liefde zegt ik ben Alles, Wijsheid zegt ik ben Niets.*’

Uitspraak van Shri Nisargadatta Maharaj.

‘Lekker laten lullen.’

‘Maar ben ik nou Alles of ben ik nou Niets?’

‘Het is maar net aan wie je het vraagt.’

‘Als je het jou vraagt?’

‘Ik zeg niets.’

‘Ik was er al bang voor.’

‘En dat is alles.’

-141-

Een nobody is iemand die niemand meent te zijn

‘Wat vind jij van Tony Parsons, Hans?*’

* De non-dualistische auteur van het boek Niemand hier.

‘Een ontzettende nobody.’

‘Pardon?’

‘Iemand die niemand meent te zijn.’

‘Jij bent toch ook een soort nobody?’

‘Een dunnobody.’

Dunno als in don’t know?’

‘Iemand die niet weet of hij iemand of niemand is.’

‘Zeker weten?’

‘Zeker weten is voor nobodies.’

-142-

Uit het leven gegrepen

‘Wij zijn het Leven zelf, Hans, spanningsloos en vrij!’

* Uitspraak van de non-dualiste Unmani Liza Hyde.

‘Gebondenheid maakt deel uit van het leven.’

‘Daar zeg je zo wat.’

‘Spanning maakt ook deel uit van het leven.’

‘Maar je begrijpt toch wel wat ik bedoel?’

‘Onbegrip maakt ook deel uit van het leven.’

‘Of wil je me niet begrijpen?’

‘Onwil maakt ook deel uit van het leven.’

‘Ben je het er tenminste mee eens dat wij het leven zelf zijn?’

‘De dood maakt ook deel uit van het leven.’

‘Je kan zeggen wat je wilt, maar op mij komt je heel ontspannen en vrij over.’

‘Verkeerd overkomen maakt deel uit van het leven.’

‘Jij durft tenminste te zeggen wat je denkt.’

‘Niet durven zeggen wat je denkt maakt deel uit van het leven.’

‘Wat maakt eigenlijk geen deel uit van het leven?’

‘Ik zou het echt niet weten.’

‘Alles maakt deel uit van het leven, en dat zijn wij!’

‘Dat zeg jij.’

-143-

Vrijplaats tussen dualisme en non-dualisme

‘Kunnen wij kiezen of overkomt alles ons alleen maar?’

‘Ik kan alleen maar voor mezelf spreken.’

‘Spreek dan maar voor jezelf, Hans.’

‘Ik ben een zwevende kiezer.’

‘Ik bedoel, leid jij voor je gevoel je eigen leven of leidt het leven jou?’

‘Ik ben een kiezende zwever.’

‘Ik snap het niet.’

‘Dualisten kiezen, non-dualisten zweven.’

‘En jij bent een zwevende kiezer?’

‘En ik ben een kezende zwiever.’

-144-

Autolyse voor gevorderden

Even Jed McKenna oplossen.

‘Wat ben jij nou aan het doen?’

‘Autolyse, Hans.’

‘Wat is dat?’

‘Zelfoplossing.’

‘Pardon?’

‘De methode van Jed McKenna om tot verlichting te komen.’

‘Wat houdt die methode in?’

‘Opschrijven wat je meent te weten en alles wegstrepen waarvan je niet zeker bent tot alleen de waarheid overblijft.’

‘Wie zegt dat er wat overblijft?’

‘Jed McKenna.’

‘Wie zegt dat wat overblijft de waarheid is?’

‘Jed McKenna.’

‘Wie zegt dat de waarheid tot verlichting leidt?’

‘Jed McKenna.’

‘Wie zegt dat Jed McKenna weet waar hij het over heeft?’

‘Jed McKenna.’

‘Zeker weten dat hij gelijk heeft?’

‘Eigenlijk niet.’

‘Zou je hém dan niet wegstrepen?’

‘En dan?’

‘De waarheid nog wegstrepen.’

‘Waarom zou je de waarheid wegstrepen?’

‘Je wou toch oplossen?’

‘Maar dan ben je ook klaar?’

‘Jij wilt voor een dubbeltje op de eerste rang zitten.’

‘Wat valt er dan nog meer te doen?’

‘Het wegstrepen wegstrepen.’

‘En dan?’

‘Het ‘dan’ wegstrepen.’

‘En dan ben je eindelijk klaar?’

‘Wie zegt dat je ooit klaarkomt?’

‘Wou jij beweren van niet?’

‘Wie zegt dat ik weet waar ik het over heb?’

‘Ik zie dat ik nog een lange weg te gaan heb.’

‘Waarheen?’

‘Zelfoplossing natuurlijk.’

‘Je veronderstelt dat er iets op te lossen valt.’

‘Waar ben ik in vredesnaam aan begonnen.’

‘Jed mag het weten.’

Iemand die een speelgoedpistool op zijn hoofd richt.
Autolyse.

-145-

Mensen die denken dat ze het weten

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je iets kan weten, Hans.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niets kan weten.’

Jaren later

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niets kan weten.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je iets kan.’

Jaren later

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je iets kan.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niets kan.’

Jaren later

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niets kan.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken.’

Jaren later

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niet moet denken.’

Jaren later

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niet moet denken.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze iemand zijn.’

Jaren later

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze iemand zijn.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze niemand zijn.’

Jaren later

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze niemand zijn.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze iemand of niemand zijn.’

Jaren later

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze iemand of niemand zijn.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze iemand noch niemand zijn.’

Jaren later

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze iemand noch niemand zijn.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je iets kan weten.’

Jaren later

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je iets kan weten, Hans.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niets kan weten.’

-146-

Er is nooit een kosmische grap geweest

De komiek.

‘Hans, ken jij het boekje ‘Verlichting voor luie mensen’ van Paul Smit?’

‘Nooit gelezen.’

‘Waarom niet?’

‘Te lui, denk ik.’

‘Non-dualisme in honderd bladzijden.’

‘Boek uit, licht aan.’

‘Alles draait om dat ene bevrijdende inzicht…’

‘Zei de communist tegen de fascist…’

‘Dat ‘ik’ een illusie is.’

‘En sloeg hem de hersens in.’

‘Ik bestaat niet.’

‘Jij zegt het.’

‘Paul zegt het.’

‘Paul had komiek moeten worden.’

‘Paul ís komiek.’

‘Daar heb je het al.’

‘Ken jij de kosmische grap?’

‘Was dat niet een ander woord voor verlichting?’

‘De kosmische grap is dat er nooit een zoeker of een zoektocht geweest…’

‘En nooit een illusie.’

‘Alleen maar Bewustzijn…’

‘En nooit een grap.’

‘Dat verstoppertje speelt met zichzelf.’

‘En nooit bewustzijn.’

‘Wat?’

‘En nooit verlichting.’

‘Krijg nou wat.’

‘Ook niet voor luie mensen.’

‘Ik kan hier niet om lachen.’

‘Dat is nou net de grap.’

Kosmische grappen

-147-

Kosmische grappen – Lachen om jezelf en het Zelf

‘Uiteindelijk zie je in dat er nooit een grap geweest is.’

Volgens sommigen is alles een illusie.

Er is er alleen maar Bewustzijn dat verstoppertje speelt met zichzelf, menen zij.

Er is geen weg te gaan.

De zoeker is het gezochte.

Dit verhaal wordt de kosmische grap genoemd.

In de rest van dit boek onderzoek ik de kosmische grap aan de hand van de volgende vragen:

Is alles echt een illusie of is dat ook maar een illusie of is de illusie echt?

Speelt Bewustzijn echt een spelletje met ons of spelen wij een onecht spelletje met ‘Bewustzijn’? Wie houdt hier wie voor het lapje?

Is er wel zoiets als Bewustzijn of is dat maar een idee in je bewustzijn?

Is er wel zoiets als je bewustzijn of is dat maar een wijze van spreken?

Ben je wat je zoekt of ben je wat je denkt of denk je dat je zoekt of zoek je wat je denkt of denk je dat je bent of doe je maar alsof of wat?

-148-

Wat is de kosmische grap?

Waarin we kennismaken met Bewustzijn, alias het ware Zelf.

Om maar meteen met de poort in huis te vallen:

De zoeker is het gezochte.

Dat is de kosmische grap.

Jazeker, dat was hem al.

Hoor ik daar iemand lachen?

Weet je wat, ik vertel hem nog een keer.

De zoeker is het gezochte.

Nee, ik hoor nog niemand lachen.

Kennelijk is dit is zo’n grap die je uit moet leggen.

Dat zijn meestal niet de beste grappen.

Kan ik ook niet helpen, ik heb hem niet zelf bedacht.

Even uitleggen dan.

Het idee achter de kosmische grap is dat er maar één substantie is in deze wereld: Bewustzijn.

Er is ook maar één essentie: Bewustzijn.

Er is ook maar één object: Bewustzijn.

Er is ook maar één subject: Bewustzijn.

Er is ook maar één zelf: Bewustzijn.

De substantie is de essentie is het object is het subject is het zelf: Bewustzijn.

Duidelijk tot zover?

De wereld is Bewustzijn, jij bent Bewustzijn, ik ben Bewustzijn, wij zijn Bewustzijn, Bewustzijn is Bewustzijn, alles is Bewustzijn.

Bewustzijn is het Ware Zelf.

Het hele universum, in al zijn concreetheid, is niets dan een illusie in Bewustzijn.

Materie is niet stoffelijk, dat lijkt maar zo.

Stof is net zo geestelijk als gedachten en waarnemingen.

Er is alleen maar geest.

Wie een kijkje wil nemen achter de schermen en daarom op zoek gaat naar zijn ware zelf of de hoogste werkelijkheid of de schepper of de bron of hoe je het ook noemt, zal Bewustzijn vinden.

Al zoek je tot het einde der tijden, iets anders dan Bewustzijn vind je niet.

Maar, en nu komt het, als alles Bewustzijn is, dan ook de zoeker.

De zoeker van vlees en bloed is zelf een illusie in Bewustzijn.

Zijn eindeloze zoektocht langs ’s Heeren wegen is eveneens een illusie in Bewustzijn.

De ene zoeker is de andere niet, de ene zoektocht is de andere niet, de ene illusie is de andere niet, maar Bewustzijn is Bewustzijn.

De zoeker is het gezochte.

Of zoals een kind het zou zeggen:

Wat je zoekt ben je zelf.

Of:

Je bent wat je zoekt.

Of:

Je zoekt wat je bent.

Het Bewustzijn realiseren is de illusie doorzien.

De illusie van de stoffelijke, vergankelijke, veranderlijke wereld, de illusie van de zoeker en de illusie van de zoektocht.

Er is alleen het Ware Zelf.

Dit heet de kosmische grap.

Hoor ik nu wel iemand lachen?

Nee, ik hoor nog steeds niemand lachen.

Hoe kosmisch is deze grap helemaal?

Of zou het mijn timing zijn?

Misschien moet ik de kosmische grap wat uitvoeriger uitleggen.

Een beetje context verschaffen.

Wat dieper op de achterliggende gedachten ingaan en op de tradities die deze gedachten koesteren.

Ga ik doen.

Kan ik er meteen wat vraagtekens bij zetten, een hobby van me.

Dan wordt de kosmische grap pas echt grappig.

Om je dood te lachen!

Echt waar dan wel illusoir.

Wedden?

Twee identieke figuren die door één verrekijker naar elkaar kijken.
De zoeker is het gezochte.

Geloof jij in Bewustzijn?

Stel je voor dat je erin gelooft en iemand bewijst dat Bewustzijn helemaal niet bestaat. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat je er niet in gelooft en iemand bewijst dat Bewustzijn wel bestaat. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat iemand bewijst dat we nooit zullen kunnen bewijzen of Bewustzijn bestaat. Hoe voelt dat?

-149-

De ene zoeker is de andere niet

Waarin we kennismaken met de monist.

Je hebt van die mensen, die leven erop los.

En je hebt van die mensen, die zoeken erop los.

Onder zoekers heb je er die uit zijn op Geluk, zuiver Geluk en niets dan Geluk.

En je hebt er die uit zijn op de Waarheid, de hele Waarheid en niets dan de Waarheid.

Onder waarheidszoekers heb je er die de Waarheid wél vinden en je hebt er die de Waarheid niet vinden, niet in dit leven of nooit niet.

Onder vinders heb je er voor wie de Waarheid pluriform is en je hebt er voor wie de Waarheid uniform is.

Die laatsten, de eenvoudigen, zijn eenvoudig te herkennen aan hun uniforme kleding, hun uniforme gedrag en hun uniforme uitspraken en gebaren.

Ze zeggen voortdurend ‘alles is één’ en steken daarbij één vinger op, meestal de wijsvinger.

Als ze het niet zeggen, dan denken ze het wel:

Alles is één.

Mensen voor wie alles één is, heten monisten.

Zij wéten dat de werkelijkheid in werkelijkheid ondeelbaar is.

Ze hebben de menigvuldigheid doorzien en doorzien hem ieder moment opnieuw.

Ze trappen er niet meer in en hun missie is het om ervoor te zorgen dat niemand er ooit nog intrapt.

Op een of andere manier worden monisten heel gelukkig van de eenheidsgedachte.

Maar vooral op één manier – door hem eindeloos te herhalen.*

* Ikzelf word gelukkig van de gedachte dat ik het allemaal niet weet en niet meer hoef te weten. Die maakt de chaos van het bestaan in één klap draaglijk, interessant, een bron van vermaak, vaak. Al val ik daardoor behoorlijk buiten de boot.

Wat daar zo fijn aan is, weet ik niet.

Zelf voel ik er niks bij.

Mij maakt het niet uit of alles één is.

Ik word er niet warm of koud van.

Misschien dat de chaos van het bestaan met zo’n monistische gedachte in één klap overzichtelijk wordt?

Misschien dat je als werktuig of manifestatie van het ware Zelf of ene Bewustzijn voortaan nergens meer verantwoordelijk voor bent?

Misschien dat het leven en je verleden minder zeer doen als je ze een illusie noemt?

Of misschien is het wel de gedachte dat je nooit meer buiten de boot kunt vallen.

Als alles één is, hoor jij er ook bij.

Je mag er zijn.

Jijzelf bent Dát.

Voel je je toch nog eens eenzaam, dan heb je daar een goede verklaring voor: je bént ook alleen.

Iederéén is alleen.

Er is er maar Eén, dat zijn wij.

Ook wie zich buitengesloten voelt, ben Ik.

En het mag nog Verlichting heten ook!

Zelf-realisatie!

Transcendentie!

Je bent het relatieve ontstegen en één geworden met het Absolute!

Redenen genoeg dus om monist te worden.

Of het nou de Waarheid is of niet.


Denk jij dat alles één is? Hoe voelt dat?

Stel je voor dat je gelooft in eenheid en iemand bewijst dat de werkelijkheid meervoudig is. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat je gelooft in veelheid en iemand bewijst dat de werkelijkheid enkelvoudig is. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat iemand bewijst dat we nooit zullen kunnen bewijzen of de werkelijkheid enkelvoudig is. Hoe voelt dat?

-150-

Hoe weet je dat het Ene alomvattend is?

Waarin blijkt dat tellers en noemers niet voorbehouden zijn aan breuken.

Monisten hebben niet alleen de Waarheid gevonden, de hele Waarheid en niets dan de Waarheid, maar ook, per ongeluk (een ongelukkig woord voor serendipiteit) het Geluk dat niet meer stuk kan.

Ik gun het ze van harte gefeliciteerd, zeker weten, al ben ik blij dat het Geluk of tenminste het geluk, en, toegegeven, op slechte dagen het geluk, niet voorbehouden is aan monisten, want dan zou ik er somber uitzien.

Ikzelf ben namelijk geen monist.

Ik ben ook geen dualist.

Ik ben ook geen non-dualist.

Ik ben ook geen pluralist.

Ik ben ook geen nihilist.

Ik ben ook geen antimonist, antidualist, antinondualist, antipluralist of antinihilist.

Ik ben ook niet tegen mensen die wel anti zijn, of antianti en ga maar door.

Waarom zou ik ook?

Misschien heeft een van hen werkelijk de Waarheid of waarlijk de Werkelijkheid in pacht, of misschien wel allemaal, op hun manier, of alleen op zon- en feestdagen, of geen van allen – niets is onmogelijk.

Wat ik weleens zou willen weten is dit: hoe stelt een eindig mens in een eindige tijd voor eens en voor altijd vast dat het Ene oneindig en alomvattend is?

Door in een leunstoel te gaan zitten en zijn gedachten achterna te gaan?

Door op een kussentje te gaan zitten en in trance te gaan?

Door oude geschriften te lezen en ermee aan de haal te gaan?

Door ayahuasca te drinken en uit zijn plaat te gaan?

Hoe stelt een eindig mens in een eindige tijd voor eens en voor altijd vast dat hijzelf het ware Zelf is, tijdloos, onveranderlijk, alomtegenwoordig?

Metafysica, ik waag me er niet meer aan.

Ik laat alles maar in het midden en fladder er vrolijk doorheen, of vrolijk door mezelf heen, wie zal het zeggen.

Een vlinder die droomt dat hij mens is of een mens die droomt dat hij vlinder is.

Een droom die droomt dat hij werkelijk is of een werkelijkheid die droomt dat hij droomt, je zegt het maar, voor jou is het waar, voor mij is het klaar.

Als je me per se wilt opprikken, noem me dan maar postmonistisch. Postdualistisch. Postnondualistisch. Postpluralistisch. Postnihilistisch. Postbode ben ik ook nog geweest.

Noem me wat je wilt.

Ik tel niet meer mee.


Ben jij een teller of een noemer?

Geloof jij dat mensen in te delen zijn in tellers en noemers?

-151-

De ene monist is de andere (niet)

Waarin we ontdekken dat er meer dan één monist is en dat ze nog van elkaar verschillen ook.

Monisten zoeken het Geluk en de Waarheid in de Eenheid en de Eenvoud.

De ene monist is de andere niet, wat ik een vreemde zaak vind, want je bent één of je bent het niet, maar dat zal ik dan wel verkeerd zien.

Een kleine greep uit een groot aanbod:

Sommige monisten geloven dat de ene substantie stof is. Zij heten materialisten.

Onder materialisten zijn er monisten die geloven dat de ene substantie water is (Thales), lucht (Anaximenes), een onbekende oerstof ( het apeiron, Anaximander) of Zijn (Parmenides).

Er zijn monisten die geloven dat de ene substantie energie is of informatie of een soep van elfdimensionale snaren. Zij heten natuurkundigen.

Er zijn monisten die geloven dat de ene substantie geest is. Zij heten idealisten.

Onder de idealisten zijn er die geloven dat de wereld gelijk is aan de ervaring van de wereld. Zij heten externalisten.

Er zijn monisten die geloven dat God de natuur is en de natuur God, geen verschil. Zij heten pantheïsten.

Er zijn monisten die geloven dat God de Schepper zichzelf tijdens zijn scheppingsdaad van top tot teen in de kosmos heeft getransformeerd, waarin hij niet langer als een afzonderlijke entiteit bestaat. Zij heten pandeïsten.

Er zijn monisten die geloven dat de natuur deel uitmaakt van het Absolute, dat behalve het immanente ook een transcendent gedeelte omvat. Zij heten panentheïsten.

Er zijn monisten die geloven dat het Ene JWHW is. Zij heten chassidisten.

Er zijn monisten die geloven dat het Ene Allah is. Zij heten soefi’s.

Er zijn monisten voor wie het Ene Brahman is. Zij heten hindoes.

Zo gaat het maar door.

Er zijn monisten die geloven dat het Ene de Tao is. Zij heten taoïsten.

Er zijn monisten die geloven dat het universum Intelligentie is, dat trouwens het beste met ons voor heeft. Het bepaalt je hele leven en manifesteert zich aan ieder één als zijn of haar innerlijke goeroe, die helaas in tongen spreekt, maar ze willen best voor je tolken hoor. Zij heten nieuwetijdskinderen.

Er zijn monisten die geloven dat het Ene de boeddhanatuur ofwel ons ware zelf is, waarvan alles en iedereen doortrokken zou zijn (behalve de hond van Wumen natuurlijk). Zij heten zenboeddhisten.

Er zijn monisten die geloven dat alles leegte (sunyata) is, een substantieloze substantie, zij het dat die leegte gelijk is aan de vorm omdat alles anders niet meer één zou zijn. Zij heten ook zenboeddhisten.

Er zijn monisten die geloven dat alles met alles samenhangt, al lijkt het soms van niet. Ze denken dat je aan willekeurig welk draadje kunt trekken om willekeurig welk ander draadje in beweging te brengen. Dit weefsel noemen ze de kosmos en ze heten zelf holisten.

Of ze noemen het anatman of het net van Indra of afhankelijk ontstaan of interdependentie of interzijn of procesleer, en ze heten theravadaboeddhisten of mahayanaboeddhisten of huayanboeddhisten of procesfilosofen en zo meer.

Ingewikkeld hè, al die verschillende soorten monisme?

Zulke moeilijke woorden!

Zulke subtiele onderscheidingen!

Was ik er maar nooit over begonnen.

Dat komt er nou van als je het Ene uit elkaar probeert te houden.

Dat komt er nou van als je het vele samen probeert te voegen.


Waarom denk jij dat er zoveel verschillende monisten zijn?

-152-

Het ene bewustzijn is het andere (niet)

Waarin we kennismaken met het Ene.

In de opsomming van alle soorten en variëteiten en superrassen van monisten, die overigens verre van compleet is, ben ik de belangrijksten verdorie vergeten.

De belangrijksten voor het verhaal over de kosmische grap dan.

Ik doel op degenen die geloven dat de enige echte substantie en de enige echte essentie en het enige echte object en het enige echte subject en het enige echte zelf en de enige echte god en de enige echte wat-dan-ook Bewustzijn is.

In deze groep vind je opnieuw zenboeddhisten van allerlei pluimage en zelfs zonder veren en (op de wenkbrauwen na) helemaal kaal (al dan niet vrijwillig).

Je vindt er dzogchenboeddhisten (van Tibetaanse origine), aanhangers van Transcendente Meditatie™ (van Maharishi Mahesh Yogi), advaitavadins (navolgers van Shankara), nieuwetijds non-dualisten (neo-advaita), andere vedantisten (diverse scholen en onderscholen) en zoals altijd overal tal van spirituele doe-het-zelvers zonder duidelijke antecedenten.

Een van de populairste monistische stromingen in Nederland, vreemd genoeg non-dualisme geheten, advaita vedanta, leert dat er maar één entiteit is, en dat is Zijn.

Er is maar één entiteit en dat is Bewustzijn.

Er is maar één entiteit, en dat is Gelukzaligheid.

Zijn = Bewustzijn = Gelukzaligheid, luidt de spreuk, ter formulering en bezwering van Maya de verschrikkelijke.

Sat, chit, ananda, in het Sanskriet.*

* ‘Sad shit, ananda’, zeggen de Engelsen fonetisch.

Inderdaad, alweer een Drievuldigheid, of is het een drievoudige identiteit of is het een drie-aspectenleer of is het een voetbaluitslag.

Laat ik het zo zeggen, het staat altijd 3 - 1 voor de thuispartij, dat kan iedereen onthouden.

Volgens deze zienswijze, die volgens deze zienswijze helemaal geen zienswijze is maar de Waarheid, de hele Waarheid en niets dan de Waarheid, is de wereld een vergankelijke illusie in Bewustzijn.

Maya, ha ha, alleen schijnbaar substantieel, ja ja.

Wij zijn, om een andere gevleugelde beeldspreuk te gebruiken, niet de film maar het doek.

Niet de schouwspeler maar de toeschouwer.

Niet de vorm maar de leegte.

Niet het gekende maar de kenner.

Niet de dader maar de getuige.

Niet de droom maar de dromer.

Niet de golf maar de zee.

Sterker nog, omdat de film gewoon de manifeste vorm van Bewustzijn is en het doek de latente, ben je zowel het een als het ander, dus alles.

De film is het doek.

De schouwspeler is de toeschouwer.

De kenner is het gekende.

Leegte is vorm.

De dromer is de droom.

De golf is een verschijningsvorm van de zee in de zee.

Hoezee!


Heb je weleens het gevoel dat je in een droom leeft?

Bewijst zo’n ervaring volgens jou dat het leven een droom is? Bewijst het ontbreken van zo’n ervaring dat de wereld echt is?

Voel jij je tijdens de droom de dromer van de droom of de ik-figuur in de droom of de droom zelf of wat? En na de droom?

-153-

Is Bewustzijn een soort flogiston?

Vroeger dachten mensen dat warmte een stofje was, flogiston.

Hoe meer flogiston hoe heter, hoe minder flogiston hoe kouder.

Wetenschappers hebben zich rot gezocht, maar die flogiston is nooit gevonden.

Tegenwoordig zien fysici warmte niet als een zelfstandig stofje maar als een functie van de bewegingssnelheid van moleculen.

Hoe sneller ze bewegen (de moleculen, maar ook de fysici) hoe warmer, hoe trager ze bewegen hoe kouder.

Psychologen zien warmte als een gevoel, dat soms verband houdt met natuurkundige warmte, soms niet.

Zo kan iemand het bij onderkoeling heel warm krijgen, terwijl zijn lichaamstemperatuur juist gevaarlijk laag is.

Dat je het (in het dagelijks spraakgebruik) warm kunt hebben, betekent nog niet dat er zoiets is als warmte in de vorm van een substantie of essentie die je kunt hebben of kwijtraken.

Dat je je (in het dagelijks spraakgebruik) ergens van bewust kunt zijn, betekent nog niet dat er zoiets is als bewustzijn of Bewustzijn in de vorm van een substantie of essentie die je kunt zijn of hebben.

Natuurlijk bewijst het feit dat er nooit flogiston gevonden is, niet dat het niet bestaat, en nog minder dat bewustzijn en Bewustzijn niet bestaan.

Het niet-bestaan van een substantie of essentie is namelijk principieel onbewijsbaar.

Je kunt er hoogstens je belangstelling voor verliezen.

Als je die al had.

-154-

Eenheidsbewustzijn – een machtige monistische meme

Waarin we afdalen in de Oceaan van Bewustzijn tot we geen hand voor ogen zien.

Het idee van eenheidsbewustzijn heeft in het ontkerstende westen myriaden minds veroverd, om niet te zeggen geschapen.

Meer nog dan het idee van het individuele onbewuste van Sigmund Freud, dat hij bevolkte met het cocktailtrio id, ego en superego ofwel kind, volwassene en ouder ofwel zoon, heilige geest en vader, drie drietallen waarin velen zich meenden te herkennen.

Meer nog dan het idee van het collectieve onbewuste van Carl Jung, dat hij bevolkte met een veelheid aan archetypen waarin werkelijk iedereen zich kon herkennen, van de simpelste zielen tot de meest meervoudige persoonlijkheden, kun je nagaan.

Ondanks het postmodernisme, of juist in reactie daarop, heeft de meme van het Universele Bewustzijn menig twintigste-eeuwse denker geïnspireerd tot geschriften die zo voorspelbaar zijn dat je gerust kunt spreken van eenheidsworst of, na nuttiging, van dunnedarmdiarree.

Als je geneigd bent tot ironie tenminste, maar dat ben ik niet, ik doe alleen alsof.

Gelukkig zijn zelfs eenheidsworst en diarree niets minder dan manifest Bewustzijn, waarlijk, het is al goud wat er blinkt.

Eenheidsbewustzijn is zo’n begrip, absoluter dan het meest radicale relativisme, dat zich door geen presocraat of postmodernist meer laat deconstrueren.

Een monoliet in de mind van de monist.

Al hak je er duizend jaar met een diamantmes op in, er verschijnt nog geen krasje op het oppervlak.

Maar het lichtste briesje waait er ongehinderd doorheen.

Wat kan dat wezen?

Lucht.

Leegte.

Lucht én leegte, zegt Prediker.

Beide zijn ondeelbaar met een mes.

Of anders spraakwater, vol geluidsgolven die zich door een gril van het lot aan homo sapiens sapiens voordoen als betekenisgolven – over illusies gesproken – niet te vatten, niet te snijden, niet te verdunnen en niet te harden, neem alleen al deze tekst.

De golf is de zee?

O jee.

Eenheidsbewustzijn, olé!

Hedendaagse navolger-voorgangers van dit tijdloze gedachtegoedje zijn:

- Indira Khan, grondlegger van het universeel soefisme,

- Bhagwan Sri Rajneesh, bedenker van Zorba de Boeddha en de Nieuwe Mens,

- Mooji, oplichtend wezen van puur bewustzijn,

- Andrew Cohen, opschepper van evolutionaire verlichting,

- Ken Wilber, architect en constructeur van de integrale theorie van bewustzijn in honderdacht delen goud op snee,

en al die andere profeten, teveel om op te eten, je krijgt er constipatie van.

Misschien kan ik je beter vertellen waar je ze aan herkent, dan hoef je geen namen te onthouden.

Het zijn propere types, ze houden van schone voeten, daarom laten ze die vaak wassen.

Het zijn kouwelijke types, ze houden van warme voeten, daarom laten ze die graag kussen.

Het zijn podiumbeesten, uitblinkers, alleen niet door bescheidenheid – waarom zou je ook als je alles bent?

Bovendien, als je íemand zijn narcisme mag vergeven, is het wel de Ene.

Wie moet er anders van hem houden?


Verlang jij ernaar God of Alles te zijn? Waarom wel of niet?

Zou jij willen dat anderen jou zien als God of Alles of als verlicht of op een andere manier superieur of uniek?

Is het genoeg dat anderen jou zo zien of moet je jezelf ook zo zien?

Verlang jij naar bewondering en erkenning?

Denk jij dat iedereen verlangt naar bewondering en erkenning?

Denk jij dat er mensen zijn die helemaal zonder bewondering en erkenning kunnen?

Ken jij een narcist? Ben jij een narcist?

-155-

Waarom Bewustzijn niet altijd alwetend en almachtig is

Over de grenzen van het Onbegrensde.

Excuses voor alle omtrekkende bewegingen, ik had ze nodig om mijn hart te luchten om uit te leggen wat de kosmische grap is, die staat of valt met het idee van een collectief, alomvattend Bewustzijn.

Kijk, als ik was begonnen met deze zin, had je er misschien niets van begrepen en was je hem meteen gesmeerd, klik, tik, weg ben ik.

Voor bewustzijnsmonisten is er maar één echt probleem, daar zijn het monisten voor.

Als alles één is, zoals zij stellen (weten, ervaren, geopenbaard hebben gekregen) dan moet ik dat zelf wel zijn.

Ikke Hans, ikke jij, ikke wij.

Was ik het niet, was jij het niet, waren wij het niet, dan vielen we buiten de boot en was niet alles één.

Wij allen zijn het ware Zelf, één in getal.

Waarom voel ik dat dan niet?

Natuurlijk, soms voel ik me best weleens één – met een paardenbloem of met een bananenschil of met een oude boom of met een pluchen beest, je snapt het niet, of met een willekeurige voorbijganger, ook zoiets, of met een lezer of met mijn lief of met de zee of met de melkweg, ik noem maar een dwarsstraat.

Onweerstaanbaar teddybeertje met hele lange haren.
‘Zo’n blij gevoel van uitgaan naar of samenvallen met iets of iemand.’

Maar dat is allemaal bij wijze van spreken.

Ik heb mezelf tenminste nooit letterlijk aangezien voor een paardenbloem of een bananenschil of een pluchen beest of de zee of zo, jij?

Zo’n blij gevoel van uitgaan naar of samenvallen met iets of iemand of meteen maar met alles en iedereen, is een soortement piekervaring, en die is bij mij altijd zo voorbij.

Daarom heet ze natuurlijk een piekervaring en geen plateauervaring of een eeuwigheidservaring, tenzij het toevallig een kortstondige ervaring van ‘de eeuwigheid’ betreft, opnieuw een wijze van spreken.

Piekervaringen, als dat is wat het zijn, gaan bij mij altijd naadloos over in piekerervaringen of in daal- of dalervaringen of andere, veelal onnoemelijke, eh …

Ze spelen zich af in dé buitenwereld of in mijn buitenwereld of in mijn binnenwereld of in mijn geest of in mijn ziel of in mijn verbeelding of in mijn bewustzijn of in hét bewustzijn of in mijn hart of in mijn zelf of in het Zelf of in jouw geest of in onze geest of in god of in een infranet van eendere of andere goden of in een internet van kwantumcomputer uit de toekomst of in een parallel universum of ergens anders in of nergens in, wie zal het zeggen, ik niet – maar wie is dan die ouwehoer die dit allemaal opsomt?

Het gaat zijn gang

Je leven lang

Behang

Dat van de muren valt

Muziek

Die uit de boxen schalt

Geschut

Dat in je oren knalt

De Stem

Die in je harses lalt

Stel dat ik als zoeker inderdaad het gezochte ben, en wel het ene universele Bewustzijn.

Waarom kan ik jouw gevoelens dan niet voelen?

Waarom kan ik alles alleen maar vanuit mijn eigen standpunt zien?

Waarom kan ik alleen mijn eigen lichaam bewegen, en daarvan alleen bepaalde delen?

Waarom kan ik geen kudde olifanten in beweging of tot stilstand brengen, of alle sterren aan de hemel?

Waarom kan ik niet eens mijn eigen gedachten doorgronden, laat staan dat ik de jouwe kan denken, laat staan, simultaan, die van elk wezen op aarde en van ieder wezen in het heelal uit heden, toekomst en verleden?

Waarom weet ik als zoeker niet op voorhand wat ik ga vinden?

Waarom ben ik in mijn hoedanigheid van waar Zelf of universeel Bewustzijn niet alwetend en almachtig?


Kun jij gedachten lezen?

Zo ja, wou je dat je het niet kon? Zo nee, wou je dat je het kon?

Ken jij iemand die gedachten kan lezen?

Lees ook: Hoeveel tongen heeft een boeddha?

-156-

Waarom Bewustzijn altijd verstoppertje speelt

Over de merkwaardige behoefte aan veelheid van het Ene.

Waarom weet de zoeker, die zelf Bewustzijn is, altijd is geweest en altijd zal zijn, niet vanaf het begin van zijn zoektocht dat hij zichzelf zoekt en dat er verder niets te vinden is?

Ja, dat is nou net de kosmische grap:

‘Bewustzijn speelt verstoppertje met zichzelf.’

Dat wil ik best geloven, ik speel zelf ook graag verstoppertje.

Mijn hele leven al, als kind al, in de baarmoeder al, in de eierstok al, toen ik nog geen halve dop was, pure belofte, een van een miljoen, die in een dwaze bui toch de eisprong zou wagen om een zaadcel te behagen en sindsdien vurig verlangt naar een dekschaal of een kist of urn.

Van anderen win ik altijd met verstoppertje, ze kunnen me nooit vinden, ze hebben me nooit gevonden, niet echt, al dachten ze vaak van wel.

Van mezelf verlies ik altijd met verstoppertje, ik kan mij nooit vinden, niet echt, al heb ik vaak gedacht van wel.

Maar ik win ook altijd van mezelf met verstoppertje.

Ik kan mij nooit kwijtraken, niet echt, hoe hard ik het ook probeer, al heb ik vaak gehoopt en gevreesd van wel.

Honkvast ben ik buut vrij, of ik wil of niet.

Inmiddels ben ik zover dat ik niet anders meer wil, maar dat heeft lang geduurd, zowat een halve eeuw.

Als de mens inderdaad een spelend dier is, zoals Johan Huizinga beweert, en als de mens inderdaad Bewustzijn is, zoals het bewustzijnscollectief beweert, dan volgt daaruit dat Bewustzijn met zichzelf speelt.

Of tenminste een schijndeel ervan met een ander schijndeel ervan.

Daar is geen wig tussen te krijgen.

Maar waarom zou Bewustzijn nou juist verstoppertje spelen met zichzelf?

Ik bedoel, waarom geen tikkertje?

Waarom geen vadertje en moedertje?

Waarom geen milieurampje?

Spel is spel, tenslotte.

Verkeerde vraag.

Bewustzijn, dat volgens de of Zijn eenheidsleer het enige subject en het enige object in het universum is, speelt wél tikkertje én vadertje en moedertje én napoleonnetje én moordenaartje én boeddhistje en verkrachtertje en verlichtinkje en noem maar op.

Liefst alles tegelijk met steeds dezelfde acteurs in wisselende rollen en met steeds wisselende acteurs in dezelfde rollen.

Of is dit alweer het volgende spelletje, laten we zeggen, Bewustzijntje of Zienertje of Keuzeloos­Gewaarzijntje of Getuigetje of IkHebHetDoortje­EnJijNietje?

Laten we er even van uitgaan dat Bewustzijn inderdaad graag spelletjes speelt met zichzelf.

Waarom heeft het dan een uitgesproken voorkeur voor verstoppertje?

Waarom schept het eeuw in eeuw uit schijnbare afsplitsingen van zichzelf die zogenaamd niets van hun ware aard weten, of niets van hun zogenaamd ware aard?

Waarom miljarden afsplitsingen tegelijk, waarom triljoenen achtereen, gaat dat nou nooit vervelen, is één niet genoeg?

Zoveel wanhopige zoekers, wat is daar nou leuk aan?

Ja, dat is nou net de kosmische grap:

‘Bewustzijn speelt verstoppertje met zichzelf om zijn eigen eenheid te herontdekken.’

Oké, snap ik.

Zelfs de of het Tijdloze moet op een of andere manier zijn tijd of tijdloosheid zien door te komen.

Zelfs de of het Onveranderlijke moet op een of andere manier zijn onveranderlijkheid zien te overleven.

Maar waarom zou het ene Bewustzijn in Bewustzijnsnaam zijn eigen eenheid willen herontdekken?

Ja, dat is nou net de kosmische grap:

‘Om opnieuw het genoegen van de eenwording te smaken.’

Het onverzadigbare Bewustzijn zet die hele puzzelrit van zoeken en vinden keer op keer uit in zijn eigen schijnuniversum om zich steeds opnieuw één te kunnen voelen.

Met zichzelf ja.

Eén met zichzelf.

De unio mystica.

Zalig!

Zou ik ook doen als ik Hem was.

Dat weet ik, omdat ik Hem bén.

Ha ha ha!


Speel jij weleens verstoppertje met jezelf? Lukt dat?

Speel jij weleens geen verstoppertje met jezelf?

Speel jij weleens verstoppertje met een ander? Lukt dat?

Speel jij weleens geen verstoppertje met een ander?

Speel jij weleens verstoppertje met het Zelf? Lukt dat?

Speel jij weleens verstoppertje als het Zelf? Lukt dat?

Zou jij iemand willen zijn die nooit verstoppertje speelt?

Denk jij dat er mensen zijn die nooit verstoppertje spelen?

Denk jij dat er dieren zijn die nooit verstoppertje spelen?

-157-

Waarom het Zelf altijd doet alsof

Generalisatie van de kosmische grap; psychologie van het Bewustzijn.

Het ware Zelf kan in zijn absolute eenheid onmogelijk verdeeld raken, wil de traditie.

Hoewel het volstrekt neutraal en zonder oordeel heet te zijn, vindt het dat kennelijk niet zo fijn.

Daarom vlucht het voortdurend in gespeelde afgescheidenheid – ik versus niet-ik, het eigene versus het oneigene, het bekende versus het vreemde, het eendere versus het andere – om zich daarna via de weg van de gespeelde hereniging weer eventjes één te kunnen voelen.

Zalig!

Zoals het Zelf voor zijn eigen genoegen kennelijk ook weleens doet alsof het ziek is – in jou, in mij, in alle levende wezens – om zich daarna weer eventjes gezond te kunnen voelen.

Zalig!

Zoals het Zelf voor zijn eigen genoegen kennelijk ook weleens doet alsof het doodgaat – in jou, in mij, in alle levende wezens – om zich daarna weer eventjes levend te kunnen voelen.

Zalig!

Zoals het Zelf voor zijn eigen genoegen kennelijk ook weleens doet alsof het gek is – in jou, in mij, in alle levende wezens – om zich daarna weer eventjes normaal te kunnen voelen.

Zalig!

Zoals het Zelf voor zijn eigen genoegen kennelijk ook weleens doet alsof het in het duister tast – in jou, in mij, in alle levende wezens – om zich daarna weer eventjes verlicht te kunnen voelen.

Zalig!

Zoals het Zelf voor zijn eigen genoegen kennelijk ook weleens doet alsof het gevangen is – in jou, in mij, in alle levende wezens – om zich daarna weer vrij te kunnen voelen.

Zalig!

Zoals het Zelf voor zijn eigen genoegen kennelijk ook weleens doet alsof het lijdt – in jou, in mij, in alle levende wezens – om daarna weer vreugde te kunnen ervaren.

Zalig!

Zoals het Zelf voor zijn eigen genoegen kennelijk ook weleens doet alsof het meedogenloos is – in jou, in mij, in alle levende wezens – om daarna weer mededogen te voelen.

Zalig!

Zoals het Zelf voor zijn eigen genoegen kennelijk ook weleens doet alsof het minderwaardig is – in jou, in mij, in alle levende wezens – om zich daarna weer goddelijk te kunnen voelen.

Zalig!

Ergens snap ik het wel. Waar zou het een-zame Zelf zich anders mee moeten vergelijken dan met eerdere of parallelle of geplande manifestaties van zichzelf? Het valt heus niet mee om je alleen als illusie te kunnen verwerkelijken, vraag maar aan een clown.

Het zou me trouwens niet verbazen als het Zelf voor zijn eigen genoegen ook weleens doet alsof het één is – in jou, in mij, in alle levende wezens – om zich daarna weer terug te kunnen trekken.

Zalig!

Misschien doet het ook weleens alsof het wedergeboren is – in jou, in mij, in alle levende wezens – om daarna weer te kunnen ontsnappen aan de cyclus van geboorte en dood.

Zalig!

Misschien doet het ook weleens alsof het nuchter is – in jou, in mij, in alle levende wezens – om het daarna weer op een zuipen te kunnen zetten.

Zalig!

Misschien doet het ook weleens alsof het onsterfelijk is – in jou, in mij, in alle levende wezens – om zich daarna weer te kunnen verheugen op zijn einde.

Zalig!

Misschien doet het ook weleens alsof het verlicht is om daarna weer te kunnen vluchten in onwetendheid.*

* asylum ignorantiae

Zalig!

Hoe menselijk is toch het Zelf!

Wat een komiek is die Kosmos!

Wat een Egoïst, wat een Uitslover, wat een Bruut!

Geen twijfel mogelijk hoor, dat moet ik Zelf wel zijn.

-158-

Zalig zijn de goedgelovigen

Elf* vragen bij het verhaal van de kosmische grap.

* Elf is het dwazengetal.

Als je in een verhaal gelooft, ben jij het dan zelf die erin gelooft of is het Bewustzijn of het Zelf?

Als je een verhaal niet gelooft, ben jij het dan zelf die het niet gelooft of is het Bewustzijn?

Als het volgens jou Bewustzijn is dat er wel of niet in gelooft, gelooft of nietgelooft het dan in alle oprechtheid wat het gelooft of nietgelooft, of doet het weer eens alsof, al was het maar om daarna weer eventjes te kunnen genieten van zijn onoprechtheid?

Als Bewustzijn opnieuw doet alsof, doet het dat dan tenminste wel oprecht of doet het alleen maar alsof het doet alsof?

Kan Bewustzijn eigenlijk wel iets anders dan doen alsof?

Als Bewustzijn niet anders kan, kun je dan wel zeggen dat het doet alsof?

Kan Bewustzijn eigenlijk wel iets?

Ben ik het die deze vragen stelt aan Bewustzijn of stelt Bewustzijn ze aan mij of via mij aan jou of aan zichzelf of doet het maar alsof of overkomt het ons allebei of allemaal of alle één of wat?

Nu we het er toch over hebben: doet Bewustzijn misschien ook alleen maar alsof het Bewustzijn is? Presenteert het zich aan zichzelf als iets dat het helemaal niet is om eens te kijken hoe het voelt als het dat wel zou zijn? Zo ja, wat is het dan wel?

Presenteert het Bewustzijn alias het Albewustzijn alias het Alsofbewustzijn zichzelf wellicht als iets dat ís, terwijl het eigenlijk helemaal niet is, gewoon om eens te kijken hoe het zou zijn om te zijn?

Wat als het verhaal van de kosmische grap zélf een kosmische grap of dé kosmische grap is, waarmee iets of iemand, een uiterlijke of innerlijke goeroe of ouwehoeroe jou een oor aannaait?

Antwoord 1: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Antwoord 2: het is maar net naar wie je luistert.

Teddybeer met extra oren op zijn kop en romp.
Orenbeertje, gemaakt door mijn moeder, Miep.

-159-

Nog zes kosmische grappen om te huilen

Zelf hou ik wel een geintje, als het maar op 1 april is, anders raak ik in de war.

Ik hou ook wel van vijf geintjes en doe meteen boter bij de vis, al zie ik de boter liever in het kalf en de vis in zee, maar ja, op komkommers kun je niet leven.

1. Zo vind ik het een grap van kosmisch formaat dat er mensen zijn die erop los leven, en andere mensen die erop los zoeken, die dat van elkaar totaal niet begrijpen en nooit zullen begrijpen.

2. Ik vind het een grap van kosmisch formaat dat er zoekers zijn die nooit iets vinden en andere die na jaren of decennia eindelijk vinden wat ze altijd al gezocht zeggen te hebben, en weer andere die steeds opnieuw de hoogste waarheid of werkelijkheid vinden – telkens een andere – ‘maar nu voor ’t echie!’

3. Ik vind het een grap van kosmisch formaat dat de mensheid na duizenden jaren van denken en debatteren nog steeds geen overeenstemming heeft bereikt over de vraag hoeveel substanties er zijn. Of heb ik iets gemist?

Volgens mij lopen er nog altijd mensen rond voor wie er pertinent twee of pertinent meer dan twee of pertinent meerdere of pertinent oneindig veel substanties of objecten of singulariteiten zijn – ‘alles is uniek en eenmalig!’

Voor anderen is er pertinent maar één substantie of maar één object – ‘het Ene is onveranderlijk en zelfidentiek!’

Er zijn er ook voor wie er pertinent geen substanties of objecten bestaan – ‘it’s all in the mind!’

4. Ik vind het een grap van kosmisch formaat dat monisten na duizenden jaren van denken en debatteren nog steeds geen consensus hebben bereikt over de aard en betekenis van de enige echte substantie of het enige echte object of subject.

5. Ik vind het een grap van kosmisch formaat dat er na duizenden jaren onderlinge onenigheid nog altijd monisten zijn die hun ogen sluiten voor de verschillen, in de volle overtuiging dat alle monisten eigenlijk hetzelfde bedoelen, ‘ook al gebruiken ze andere woorden’. En dat nog de Eeuwige Wijsheid durven noemen ook.*

* Onder meer de Arès Pilgrimage beweging, de Bahai, de Cao Dai, de Cultus van het Sprekende Kruis, de Falun Gong, de Huna, de Konkokyo, the Law of One, de Mahikari, het Rastafarianisme, de Seicho-no-le, de Tenrikyo, de theosofie, het Unitarian Universalism en de Universal Life Church. Die het onderling ook weer niet eens kunnen worden. Ik bedoel, hoeveel kosmische grappen zijn er wel niet?

Weer vijf kosmische grappen, man, trans, vrouw, ik schud ze zo uit mijn mouw, mijn gewaad is onuitputtelijk, ik lijk wel een heilige.

6. Dat we niet op komkommers kunnen leven is trouwens ook een grap van kosmisch formaat, die al meer dan drie miljard jaar voor slachtpartijen onder de voelende wezens zorgt. Om je een kriek te lachen. En wij maar denken dat gevoel voor humor een recente evolutionaire ontwikkeling is.

Voor vandaag kap ik ermee, ik heb buikpijn van het lachen, maar ik weet zo nog een stuk of tien, twintig kosmische grappen, die houd je van me tegoed.

Vrouw, trans, man, ik kan er wat van, nooit geweten dat religie zo leuk kon zijn!

Of ik al die geintjes zelf of Zelf bedacht heb of dat jij of Gij of Het het was?

Dat mag je of u of Het zelf of Zelf uitmaken.

Wat je er ook van denkt, dát je er wat van denkt duidt op een groot gevoel van humor.

Je moet er alleen nog even om lachen.

Succes!


Leef jij erop los of zoek jij erop los?

Hoe vaak heb jij je ideeën over de hoogste waarheid of werkelijkheid al moeten herzien?

Denk jij dat alle monisten eigenlijk hetzelfde bedoelen? Hoe weet je dat?

Denk jij dat er zoiets is als onveranderlijke, eeuwige, universele wijsheid?

Denk jij dat de Eeuwige Wijsheid al bekend is of is geweest of zou kunnen zijn of dat hij nog ontdekt moet worden of zou kunnen worden?

Zou je zelf de (her)ontdekker en verkondiger van de Eeuwige Wijsheid kunnen of willen zijn? Waarom (niet)?

Leef je liever in een wereld mét Eeuwige Wijsheid of in een wereld zonder?


Lees ook De Intergalactische Waarheidsconferentie.

-160-

Denken is de grap

Of is dat ook maar een gedachte?

Vera: Ken jij de kosmische grap, Hans?

Hans: Bedoel je de kleinste kosmische grap, de kleine kosmische grap, de middelste kosmische grap, de grote kosmische grap of de grootste kosmische grap?

Vera: Hè?

Hans: Wat?

Vera: Ik dacht dat er maar één kosmische grap was.

Hans: Dat is ook een goeie!

Vera: Doe dan eerst de kleinste maar.

Hans: Denken dat er een zoeker of een zoektocht is.

Vera: En de kleine?

Hans: Denken dat er nooit een zoeker of een zoektocht is geweest.

Vera: En de middelste?

Hans: Denken dat er een kosmische grappenmaker is.

Vera: En de grote?

Hans: Denken dat er geen kosmische grappenmaker is.

Vera: Nou, dan heb je alle mogelijkheden wel zo’n beetje gehad.

Hans: Dat is ook een goeie!

Vera: Maar wat is dan de grootste kosmische grap?

Hans: Denken.

Vera: Denken is de grootste kosmische grap?

Hans: En de allergrootste kosmische grap?

Vera: Nou?

Hans: Denken dat denken de grootste kosmische grap is.

Vera: Ik dacht dat er maar vijf kosmische grappen waren.

Hans: Dat is ook een goeie!

Vera: Dus jij weet er nog meer?

Hans: Wat te denken van denken dat denken de grootste kosmische grap is?

Vera: Ik geloof dat ik het door krijg.

Hans: Nou gaan we lachen.

Vera: Je bedoelt natuurlijk dat er geen eind is aan het aantal kosmische grappen.

Hans: Dat is ook een goeie!

hersenen met grote glimlach
Denken is de grap.

Hoe serieus neem jij je denken?

Moet je weleens lachen om andermans gedachten?

Denk jij dat anderen weleens moeten lachen om jouw gedachten?

Zijn er gedachten waar je vroeger heilig in geloofde en nu om moet lachen?

Denk je dat er gedachten zijn waar je nu nog heilig in gelooft maar straks om zult lachen?

Denk jij dat jouw gedachten overwegend waar zijn?

Kun je lachen om de gedachten die je zojuist gedacht hebt?

Kun je lachen om de gedachte dat het denken zelf de kosmische grap is?

-161-

Denken dat je het doorhebt is de grap

Joost: Ken jij de kosmische grap?

Hans: Ik ken er zoveel.

Joost: O?

Hans: Maar ze komen allemaal op hetzelfde neer.

Joost: Waarop?

Hans: Denken dat je het doorhebt.

Joost: Ik doelde op het inzicht dat er nooit een zoeker of een zoektocht is geweest.

Hans: Dat zeg ik.

Joost: Wat?

Hans: Denken dat je het doorhebt.

Joost: Bedoel je dat er nooit een inzicht is geweest?

Hans: Zei ik het niet?

Joost: Wat?

Hans: Denken dat je het doorhebt.

Joost: De kosmische grap is denken dat je het doorhebt?

Hans: Je denkt nog steeds dat je het doorhebt.

Joost: Ik kan hier niet om lachen.

Hans: Dat is nou net de grap.


Denk jij dat je het doorhebt?

Denk jij dat je het door zult hebben dat je weer eens denkt dat je het doorhebt?

Denk jij dat je het door zult hebben dat je weer eens denkt dat je het door zult hebben als je weer eens denkt dat je het doorhebt?

-162-

Verdiepend inzicht is de grap

Bodemdwaling.

Edith: Ken jij de kosmische grap?

Hans: Wat maakt het uit.

Edith: Hoezo?

Hans: Je vertelt hem toch wel.

Edith: Uiteindelijk zie je in dat er nooit een zoeker of een zoektocht is geweest.

Hans: Uiteindelijk zie je in dat dit inzicht nog steeds tot de zoektocht behoort.

Edith: Hè?

Hans: Wat?

Edith: Uiteindelijk zie je in dat het inzicht dat er nooit een zoeker of een zoektocht is geweest, nog steeds tot de zoektocht behoort?

Hans: Dit inzicht ook.

Edith: Hè?

Hans: Wat?

Edith: Uiteindelijk zie je in dat het inzicht dat het inzicht dat er nooit een zoeker of een zoektocht is geweest, nog steeds tot de zoektocht behoort, nog steeds tot de zoektocht behoort?

Hans: Dit inzicht ook.

Edith: Hè?

Hans: Wat?

Edith: Uiteindelijk zie je in dat het inzicht dat het inzicht dat het inzicht dat er nooit een zoeker of een zoektocht is geweest, nog steeds tot de zoektocht behoort, nog steeds tot de zoektocht behoort, nog steeds tot de zoektocht behoort?

Hans: Enzovoort.

Edith: Uiteindelijk zie je in dat ieder inzicht tot de zoektocht behoort?

Hans: Dit inzicht ook.

Edith: Uiteindelijk zie je in dat er nooit een inzicht is geweest?

Hans: Dit inzicht ook niet.

Edith: Zo diep ben ik nog nooit gegaan!

Hans: Hè?

Edith: Wat?

Denkwolkjes in denkwolkjes in denkwolkjes.
Zo diep ben ik nog nooit gegaan!

Denk jij dat er een laatste inzicht is?

Als je denkt dat er geen laatste inzicht is, is dat dan het laatste inzicht?

Als je inziet dat het nooit het laatste inzicht kan zijn omdat er dan toch een laatste inzicht zou zijn, is dát dan het laatste inzicht?

Als geen inzicht het laatste is, wat hebben al die eerdere inzichten dan voor zin?

-163-

Regressie is de grap

Merijn: Ken jij de kosmische grap?

Hans: Welke precies?

Merijn: Dat er nooit een zoeker of een zoektocht is geweest.

Hans: Wat dan wel?

Merijn: Alleen maar Bewustzijn dat verstoppertje speelt met zichzelf.

Hans: Speelt het nou nog steeds verstoppertje met zichzelf?

Merijn: Ja, vreemd eigenlijk.

Hans: Zalig zijn de zwakzinnigen.

Merijn: Nou zeg.

Hans: Pardon, zalig is de Zwakzinnige.

Merijn: Bewustzijn is pure Intelligentie volgens mij.

Hans: Waarom denk je dat?

Merijn: Hoe zou het universum anders geordend kunnen zijn?

Hans: Moet iedere orde dan eerst bedacht worden door een hogere orde?

Merijn: Hoe zou er anders orde kunnen zijn?

Hans: Wie heeft die Intelligentie dan bedacht?

Merijn: Goeie vraag.

Hans: Geen goed antwoord.

Merijn: Wat is wel een goed antwoord?

Hans: Bedenk maar wat.

Merijn: Een Superintelligentie.

Hans: Wie heeft die Superintelligentie dan bedacht?

Merijn: Ik dacht al dat je dat zou vragen.

Hans: Ik dacht al dat je dat zou zeggen.

Merijn: Wat had ik dan moeten zeggen.

Hans: Misschien heeft die Superintelligentie zichzelf wel bedacht.

Merijn: Dat zal het zijn.

Hans: Of anders die Intelligentie.

Merijn: Waarom ook niet.

Hans: Of misschien heeft het universum zichzelf wel geordend.

Merijn: Dat kan ook nog.

Hans: Dan hebben we die Intelligentie en die Superintelligentie ook niet meer nodig.

Merijn: Of misschien bedient het universum zich wel van ons.

Hans: Moet ieder denken zich dan bedienen van iets anders?

Merijn: Hardnekkige gedachte.

Hans: Misschien zijn wij het zelf wel …

Merijn: Zeker zijn wij het Zelf wel.

Hans: Ik was nog niet klaar.

Merijn: Ga door.

Hans: Misschien zijn wij het zelf wel die van alles bedenken.

Merijn: Zou kunnen …

Hans: Maar?

Merijn: Dat verklaart dus helemaal niks.

Hans: Dan verklaart het zichzelf maar.

Merijn: Hoe kan iets nou zichzelf verklaren!

Hans: Hoe kan iets nou iets anders verklaren.

Merijn: Alles verklaart alleen maar zichzelf?

Hans: Alles zeker.

Merijn: Er kan toch ook iets overstijgends zijn dat alles verklaart?

Hans: Nee, want dan was het niet alles.

Merijn: Het enige dat alles verklaart is alles.

Hans: Maar dat verklaart dan helemaal niets.

Merijn: Toch zoek ik een verklaring voor alles.

Hans: Dat verklaart tenminste al dat gezoek.

Merijn: Maar dat is niet wat ik zoek.

Hans: Misschien zoek je wel voor niets.

Merijn: Dit klinkt allemaal behoorlijk zwakzinnig.

Hans: Het zal de kosmische grap toch niet zijn?


Denk jij dat er een hogere orde is?

Hoe weet je dat?

Is de hogere orde die jij misschien ziet of erkent of ervaart of vermoedt, de hoogste orde of zou er nog een hogere orde kunnen zijn waar je nog geen weet van hebt of nooit weet van zult of kunt hebben?

Hoe weet je dat?

-164-

Alwetendheid is de grap

Rani: Ken jij de kosmische grap?

Hans: Wat ben ik, een astroloog?

Rani: Wat je zoekt ben je zelf.

Hans: Jij misschien.

Rani: Bewustzijn speelt verstoppertje met zichzelf om zijn eigen eenheid weer te kunnen ervaren.

Hans: Wie? Wat?

Rani: Het almachtige, alomvattende alwetende Ene.

Hans: Toe maar.

Rani: Ere wie ere toekomt.

Hans: Kan het Ene zijn eenheid soms niet rechtstreeks ervaren?

Rani: Het lijkt er niet op.

Hans: Dan is het niet almachtig.

Rani: Ik bedoel, natuurlijk wel.

Hans: Waarom doet het dan zo moeilijk?

Rani: Dat is mij niet geopenbaard.

Hans: Als Bewustzijn alomvattend is, hoe kun jij dat dan niet weten?

Rani: Doordat … omdat …

Hans: Jij bent het toch zelf?

Rani: Nou …

Hans: Als jij het ene Bewustzijn bent, hoe kun je dan niet alles weten?

Rani: Ik zou het ook niet weten.

Hans: Waar zou het alomvattende zich trouwens moeten verstoppen?

Rani: Hoezo?

Hans: Daarbuiten is er niets.

Rani: Anders was het niet alomvattend, wou je zeggen.

Hans: Zelfs geen daarbuiten en geen niets.

Rani: Misschien kan het zich in zichzelf verstoppen?

Hans: Maar niet in zijn geheel.

Rani: Nee, want dan was het er gewoon.

Hans: En niet voor zichzelf.

Rani: Wat weet jij daarvan?

Hans: Als het zichzelf niet kon vinden, zou het niet langer alwetend zijn.

Rani: Je kunt niet alles hebben.

Hans: En als het alomvattend was, zou jij dit allemaal moeten weten.

Rani: Je valt in herhaling.

Hans: Het Ene, zul je bedoelen.

Rani: Hield het Ene maar even zijn kop.

Hans: Dat kan het kennelijk ook al niet.

Rani: Ik geef het op.

Hans: Wat een mop.

Rani: Ha ha.

Hans: Maar om dit nou een kosmische grap te noemen?


Ben jij alwetend?

Kan iemand die zelf niet alwetend is ooit met zekerheid vaststellen of hijzelf of iemand anders dat wel is?

Kan iemand die denkt dat hij alwetend is ooit met zekerheid vaststellen of dat echt zo is?

Ken jij iemand die alwetend lijkt?

Kende jij als kind mensen die alwetend leken? Waren ze het ook?

Stel je voor dat iemand alles van jou weet. Hoe voelt dat?

Zou jij zelf alwetend of almachtig willen zijn?

Denk jij dat je alles van jezelf weet?

Denk jij dat er iemand is die alles van zichzelf weet?

-165-

Bewustzijn is de grap

Alles tussen aanhalingstekens.

Tanja: Ken jij de kosmische grap?

Hans: Daar gaan we weer.

Tanja: Er is nooit een zoeker of een zoektocht geweest.

Hans: Wat dan wel?

Tanja: Alleen maar het ene Bewustzijn dat verstoppertje speelt met zichzelf.

Hans: Welnee.

Tanja: Wat is de kosmische grap dan wel?

Hans: Dat de zoeker een ‘zoeker’ blijkt te zijn en de zoektocht een ‘zoektocht’. En het gezochte het ‘gezochte’.

Tanja: Tussen aanhalingstekens?

Hans: Vraagtekens, haakjes, maakt niet uit.

Tanja: Bedoel je dat je niet met zekerheid kunt vaststellen of er nou wel of niet een zoeker en een zoektocht zijn geweest?

Hans: Ik in elk geval niet.

Tanja: En het Bewustzijn dat verstoppertje speelt met zichzelf dan?

Hans: ‘Bewustzijn’ dan toch.

Tanja: Waarom?

Hans: Ooit bewustzijn gezien?

Tanja: Bewustzijn is wat voorafgaat aan het zien.

Hans: Nooit gezien dus.

Tanja: Hoe kun je nou zien wat vooraf gaat aan het zien.

Hans: Over verstoppertje gesproken.

Tanja: Je kunt het toch beredeneren?

Hans: Hoe kun je nou beredeneren wat vooraf gaat aan het redeneren.

Tanja: Ik weet niet of ik dit nog wel leuk vind.

Hans: Het is ook maar een ‘grap’.


Kun jij zien wat vooraf gaat aan het zien?

Heeft iemand ooit gezien wat vooraf gaat aan het zien?

Zou het kunnen dat er iets vooraf gaat aan datgene wat vooraf zou gaan aan het zien?

Zou het kunnen dat er niets vooraf gaat aan het zien en dat het zien nergens aan vooraf gaat?

-166-

Aannames zijn de grap

Guy: Wat vind jij van de kosmische grap?

Hans: Welke?

Guy: Dat er nooit een zoeker of een zoektocht is geweest.

Hans: Wat dan wel?

Guy: Alleen maar Bewustzijn dat verstoppertje speelt met zichzelf.

Hans: Kijk eens aan.

Guy: De persoon, de vrije wil en de wereld zijn allemaal illusies.

Hans: En waarom zou Bewustzijn verstoppertje spelen met zichzelf?

Guy: Om in de opheffing van het zogenaamde individu de eigen eenheid weer te kunnen ervaren.

Hans: Nogal omslachtig voor de Grote Tovenaar, nietwaar?

Guy: Een grap van kosmisch formaat.

Hans: Ik kom niet meer bij.

Guy: Vind je hem niet leuk?

Hans: Ik heb er eerlijk gezegd nooit de lol van ingezien.

Guy: Waarom niet?

Hans: Al die aannames.

Guy: Welke aannames?

Hans: Dat er zoiets is als bewustzijn bijvoorbeeld.

Guy: Wou jij beweren van niet?

Hans: Wat weet ik daarvan?

Guy: Nou dan.

Hans: Maar jij beweert van wel.

Guy: Op die manier.

Hans: En dat is het verschil.

Guy: Welke aannames nog meer?

Hans: Dat alles bewustzijn is.

Guy: Wou jij beweren van niet?

Hans: Wat weet ik daarvan?

Guy: Nou dan.

Hans: Maar jij beweert van wel.

Guy: Op die manier.

Hans: En dat is het verschil.

Guy: Welke aannames nog meer?

Hans: Dat er maar één bewustzijn is.

Guy: Wou jij beweren van niet?

Hans: Wat weet ik daarvan?

Guy: Nou dan.

Hans: Maar jij beweert van wel.

Guy: Op die manier.

Hans: En dat is het verschil.

Guy: Welke aannames nog meer?

Hans: Dat bewustzijn spelletjes moet spelen om eenheid te kunnen ervaren.

Guy: Wou jij beweren van niet?

Hans: Wat weet ik daarvan?

Guy: Nou dan.

Hans: Maar jij beweert van wel.

Guy: Op die manier.

Hans: En dat is het verschil.

Guy: Welke aannames nog meer?

Hans: Dat bewustzijn eropuit is eenheid te ervaren.

Guy: In plaats van?

Hans: Onderscheid of veelheid bijvoorbeeld.

Guy: Wou jij beweren van niet?

Hans: Wat weet ik daarvan?

Guy: Nou dan.

Hans: Maar jij beweert van wel.

Guy: Op die manier.

Hans: En dat is het verschil.

Guy: Welke aannames nog meer?

Hans: Dat bewustzijn ergens op uit is.

Guy: Wou jij beweren van niet?

Hans: Wat weet ik daarvan?

Guy: Nou dan.

Hans: Maar jij beweert van wel.

Guy: Op die manier.

Hans: En dat is het verschil.

Guy: Welke aannames nog meer?

Hans: Dat de persoon, de vrije wil en de wereld illusies zijn.

Guy: Wou jij beweren van niet?

Hans: Wat weet ik daarvan?

Guy: Nou dan.

Hans: Maar jij beweert van wel.

Guy: Op die manier.

Hans: En dat is het verschil.

Guy: Welke aannames nog meer?

Hans: Dat Bewustzijn een soort persoon met een vrije wil is die verlangens heeft en dingen kan ervaren.

Guy: Wou jij beweren van niet?

Hans: Wat weet ik daarvan?

Guy: Nou dan.

Hans: Maar jij beweert van wel.

Guy: Op die manier.

Hans: En dat is het verschil.

Guy: Welke aannames nog meer?

Hans: Dat Bewustzijn een multipele persoonlijkheid is met miljarden subpersonen die allemaal illusoir zijn, behalve Hijzelf.

Guy: Ik denk dat ik begrijp wat je bedoelt.

Hans: Nou al?

Guy: Het idee van de kosmische grap berust op talloze onuitgesproken, ononderzochte aannames.

Hans: Ieder idee berust op talloze onuitgesproken, niet onderzochte aannames.

Guy: Ieder idee berust op talloze onuitgesproken, niet onderzochte aannames?

Hans: Dit idee ook.

Guy: Hoe weet ik dan of het waar is?

Hans: Dat weet je dan niet.

Guy: Zijn er ook ideeën die niet op onuitgesproken ononderzochte aannames berusten?

Hans: Niet dat ik weet.

Guy: Wat een grap.

Hans: Kosmisch man.


Heb jij ideeën die niet op talloze onuitgesproken ononderzochte aannames berusten?

-167-

Het ware Zelf is de grap

De Ene wast de Andere de Ore.

Nathan: Ken jij de kosmische grap?

Hans: Van haver tot gort, hinnikte het paard.

Nathan: Er is nooit een zoeker of een zoektocht geweest.

Hans: Breek me de bek niet open.

Nathan: Er is alleen het ware Zelf dat verstoppertje speelt met zichzelf.

Hans: Het ware wat?

Nathan: Wijzelf zijn Dát.

Hans: Ik ken ook een paar kosmische grappen.

Nathan: Ik dacht dat er maar één was.

Hans: Dat is ook een goeie!

Nathan: Welke dan?

Hans: Dat er heel wat boeddhisten zijn die uit naam van de Boeddha oorlog voeren, bijvoorbeeld.

Nathan: Lachen.

Hans: Dat er heel wat christenen zijn die uit naam van God hun medemens martelen, bijvoorbeeld.

Nathan: Leuk hoor.

Hans: Dat er heel wat moslims zijn die uit naam van Allah hun medemens een kopje kleiner maken, bijvoorbeeld.

Nathan: Ha ha.

Hans: Dat er heel wat goeroes zijn die uit mededogen hun volgelingen oplichten, manipuleren en misbruiken, bijvoorbeeld.

Nathan: Wat een giller.

Hans: Dat mensen en dieren elkaar altijd maar dwarszitten, treiteren, afslachten en opvreten, bijvoorbeeld.

Nathan: Ik kom niet meer bij.

Hans: Dat volstrekte gemoedsrust zowel bij heiligen als psychopaten voorkomt, bijvoorbeeld.

Nathan: Jij hebt een griezelig gevoel voor humor.

Hans: Ik niet.

Nathan: Wie dan wel?

Hans: Het ware Zelf, zei je toch?

Nathan: Wou jij beweren dat het ons ware Zelf is dat oorlog voert, martelt, onthoofdt, oplicht, onderdrukt, verkracht, dwarszit, treitert, afslacht en opvreet?

Hans: Wie anders?

Nathan: Daar heb je me te pakken.

Hans: Zoals het ook het ware Zelf is dat gemarteld, onthoofd, opgelicht, onderdrukt, verkracht, dwarsgezeten, getreiterd, afgeslacht en opgevreten wordt.

Nathan: Ook dat nog.

Hans: ‘Wijzelf zijn Dát.’

Nathan: Je wrijft het er wel in.

Hans: Aangenomen dat alles één is tenminste.

Nathan: Zo niet, dan zijn er nog veel meer slachtoffers.

Hans: Grappig hè?

Nathan: Ik kan wel janken.

Hans: Wie?


Ben jij Dát?

Sinds wanneer denk je dat?

Was je Dát ook al voor je het bedacht had?

Voel jij je in je hoedanigheid van het Zelf zowel de dader als het slachtoffer van alles wat er maar gebeurt?

-168-

Het paradijs is de grap

Dick: Ken jij de kosmische grap?

Hans: Doe me een lol.

Dick: Er is nooit een zoeker of een zoektocht geweest.

Hans: Ken je die van Sam en Moos die naar het paradijs gingen?

Dick: Parijs, was het toch?

Hans: Ze gingen niet.

Dick: De lichtstad.

Hans: Ken je die van Sam en Moos die niet naar het paradijs gingen?

Dick: Heb je het nou over verlichting?

Hans: Ze gingen toch.

Dick: Ja, gingen ze nou wel of gingen ze nou niet?

Hans: Of waren ze er al of is het er niet.

Dick: Dat kan ook nog.

Hans: Of zijn ze er niet en is dat het al.

Dick: Zo blijf je aan de gang.

Hans: Nee, jij dan.

Dick: Waar gaat dit over?

Hans: Gaan wij ergens heen of zijn we er al of zijn we er niet of is het er niet?

Dick: Wat zou jij zeggen?

Hans: Wij gaan ergens heen of we zijn er al of we zijn er niet of het is er niet.

Dick: Of wat dan ook.

Hans: Of wat dan ook.

Dick: Je houd je hoe dan ook op de vlakte.

Hans: Ik houd me niet op de vlakte. De vlakte is overal.

Dick: Is de vlakte het paradijs?

Hans: Het paradijs is geen lichtstad.

Dick: Maar wat is dan de grap?

Hans: Dat is dan de grap.

Dick: Ik kan hier niet om lachen.

Hans: Dan zal dat het verschil wel zijn.


Geloof jij in het paradijs?

Stel je voor dat je in het paradijs gelooft terwijl het helemaal niet bestaat. Hoe voelt dat?

Stel je voor dat je niet in het paradijs gelooft terwijl het wel bestaat. Hoe voelt dat?

-169-

Ideeën zijn de grap

Of is dat ook maar een idee?

Victor: Ken jij de kosmische grap?

Hans: De kosmische griep?

Victor: Grap.

Hans: Geintje.

Victor: De zoeker is de zoektocht is het gezochte.

Hans: Ik heb in tijden niet zo gelachen.

Victor: Ik snap hem eerlijk gezegd ook niet.

Hans: Ken je die van de zoekers die naar zichzelf gingen zoeken?

Victor: Nou?

Hans: Ze gingen niet.

Victor: Omdat ze er al waren zeker.

Hans: ’t Idee!

Victor: Omdat er geen zelf is zeker.

Hans: ’t Idee!

Victor: Omdat daar geen komen en gaan is zeker.

Hans: ’t Idee!

Victor: Dit is zeker jouw idee van de kosmische grap.

Hans: Ik heb geen idee!

Victor: Volgens mij heb jij werkelijk geen idee.

Hans: ’t Idee!

Victor: En ik heb geen idee waar jij op doelt.

Hans: ’t Idee!

Victor: Is dat alles wat je te zeggen hebt?

Hans: Als je geen idee had, zou je nergens naar zoeken.


Heb jij ideeën?

Hebben ideeën jou?

Denk jij dat er mensen zijn die geen idee hebben?

Heb je enig idee hoe het zou zijn als geen idee jou had?

-170-

De illusie is de grap

Mamma Maya!

Yasmin: Ken jij de kosmische grap?

Hans: Ik geef het op.

Yasmin: Je kent hem niet?

Hans: Dat was hem al.

Yasmin: Raad eens.

Hans: Dat niemand de kosmische grap kent?

Yasmin: Mis.

Hans: Dat niemand de kosmische grap snapt?

Yasmin: Mis.

Hans: Dat alleen leerlingen erin geloven?

Yasmin: Mis.

Hans: Ken jij hem eigenlijk wel?

Yasmin: Maya.

Hans: Aangenaam.

Yasmin: Alles is een illusie in Bewustzijn.

Hans: ‘Alles’ ook.

Yasmin: Wát?

Hans: Zak in je kat.

Yasmin: ‘Alles’ is ook een illusie?

Hans: Als alles een illusie is wel.

Yasmin: Dat had ik me nog niet gerealiseerd.

Hans: Bewustzijn ook.

Yasmin: Bewustzijn is ook een illusie?

Hans: Als alles een illusie is wel.

Yasmin: Dus alles is inderdaad een illusie.

Hans: De illusie ook.

Yasmin: De illusie is zelf een illusie?

Hans: Als alles een illusie is wel.

Yasmin: Wat als de illusie zelf ook een illusie is?

Hans: Dan is alles toch echt.

Yasmin: Echt?

Hans: Tenzij dat ook een illusie is.

Yasmin: En als de illusie geen illusie is?

Hans: Dan is de illusie echt.

Yasmin: Dus niet alles is een illusie.

Hans: Als alles een illusie is niet.

Yasmin: En anders helemaal niet.

Hans: Is dat leuk of niet?


Denk jij dat alles een illusie is in Bewustzijn?

Zo ja, geldt dat dan ook voor het idee van Bewustzijn?

Geldt het ook voor het idee dat alles een illusie is in Bewustzijn?

Geldt het ook voor het idee dat het ook geldt voor het idee dat alles een illusie is in Bewustzijn?

-171-

De kosmos is de grap

Marcel: Er is helemaal geen wereld.

Hans: O?

Marcel: Dat denk je alleen maar.

Hans: Goh.

Marcel: Er is ook geen weg.

Hans: Ach.

Marcel: Dat denk je alleen maar.

Hans: Joh.

Marcel: Er is ook geen doel.

Hans: Foei.

Marcel: Dat denk je alleen maar.

Hans: Asjemenou.

Marcel: Er is ook geen zoeker.

Hans: Tjee.

Marcel: Dat denk je ook alleen maar.

Hans: Tja.

Marcel: Laat staan een zoektocht.

Hans: Echt?

Marcel: Dat denk je ook alleen maar.

Hans: Geen wereld, geen weg, geen doel, geen zoeker en geen zoektocht?

Marcel: Dat denk je alleen maar.

Hans: Of denk je dat ook alleen maar?

Marcel: Wat?

Hans: Dat je dat allemaal alleen maar denkt.

Marcel: Hè?

Hans: Bè.

Marcel: Grapjas.

Hans: Dat had je gedacht.


Stel je voor dat je alle spirituele en levensbeschouwelijke vragen onbeantwoord achter je kon of moest laten. Hoe voelt dat?

-172-

Verlichting is de grap

Ewald: Wat is verlichting volgens jou?

Hans: Een geweldige grap.

Ewald: Bedoel je de kosmische grap?

Hans: De wat?

Ewald: Dat de zoeker het gezochte is?

Hans: Laat me niet lachen.

Ewald: Wat bedoel je dan?

Hans: Iets om eindeloos grappen over te maken.

Ewald: Verlichting?

Hans: Het woord alleen al!

Ewald: Omdat het een illusie is?

Hans: Als je dat wist was de lol eraf.

Ewald: Maar alles is toch een illusie?

Hans: ‘t Idee!

Ewald: De waarheid is voorbij de woorden, wou je zeggen.

Hans: Wat een giller!

Ewald: Ben jij eigenlijk wel verlicht?

Hans: Hou op, schei uit!

Ewald: Is iedereen niet al verlicht zonder het te weten?

Hans: Ik pis in mijn broek!

Ewald: Ik kan hier niet om lachen.

Hans: Zei ik het niet?

Ewald: Wat?

Hans: Een geweldige grap.


Kun jij lachen om het idee van verlichting?

Kun jij lachen om mensen die anderen verlicht noemen?

Kun jij lachen om mensen die zichzelf verlicht noemen?

Kun jij lachen om mensen die jou verlicht noemen?

Kun jij lachen om de mensen die verlichting zoeken?

Kun jij lachen om jezelf?

-173-

De kosmische grap is de grap

Het uiteindelijke doorzien.

Fleur: Ken jij de kosmische grap?

Hans: Daar gaan we weer.

Fleur: Uiteindelijk zie je in dat er nooit een zoeker of een zoektocht is geweest.

Hans: Uiteindelijk zie je in dat er nooit een kosmos of een grap is geweest.

Fleur: Wát?

Hans: Láchen.

Heb jij het uiteindelijke al gezien?

Heb jij het uiteindelijke al doorzien?

Heb jij het doorzien van het uiteindelijke al doorzien?

-174-

Geen kosmische grap (maar wel een internationale)

Hoelang is geen Chinees?

Lieke: Ik ken een goeie.

Hans: Ouwe koeien.

Lieke: Hoe Lang is een Chinees.

Hans: Ken ik niet.

Lieke: Nee, jij moet vragen hoe lang.

Hans: Dan had je de vraagvorm moeten gebruiken.

Lieke: Hoe Lang is een Chinees?

Hans: Zou best kunnen.

Lieke: Ik gebruikte toch de vraagvorm?

Hans: Ik ken ook een goeie.

Lieke: Vooruit dan maar.

Hans: Hoe lang is geen Chinees?

Lieke: Ken ik niet.

Hans: Wie niet?

Lieke: Hoe Lang niet.

Hans: Dat vroeg ik niet.

Lieke: Wat vroeg je dan wel?

Hans: Hoe lang geen Chinees is.

Lieke: O, zeg dat dan meteen.

Hans: Daarom gebruikte ik de vraagvorm.

Lieke: En, hoe lang is geen Chinees?

Hans: Eén meter negentig.

Lieke: Geen Chinees is één meter negentig?

Hans: Weet ik dat.

Lieke: Je weet het niet?

Hans: Dan zou ik ze eerst allemaal moeten nameten.

Lieke: Daar zou ik dan maar eens gauw mee beginnen.

Hans: Dat heeft geen zin.

Lieke: Waarom niet?

Hans: Ze groeien sneller dan ik ze kan meten.

Lieke: Als individu of als volk?

Hans: Precies.

Lieke: Waarom geef je dan zo’n stom antwoord?

Hans: Omdat jij zo’n stomme vraag stelde.

Lieke: Volgens mij was jij het die een stomme vraag stelde.

Hans: Ik vroeg alleen hoelang geen Chinees is.

Lieke: Hoelang is geen Chinees?

Hans: Je kan me nog meer vertellen.

Lieke: Wat zou jij zeggen?

Hans: Een eeuwigheid.

Lieke: Hoe kom je daar nou weer bij.

Hans: Twee zelfs.

Lieke: Geen Chinees is twee eeuwigheden?

Hans: Tot zijn geboorte en vanaf zijn dood.

Lieke: En een Chinees?

Hans: Wat is daarmee?

Lieke: Hoelang een Chinees is.

Hans: Begin je nou weer?

Lieke: Een mensenleven, zou ik zeggen.

Hans: Hoelang is een mensenleven?

Lieke: Een minuut, een eeuw.

Hans: Is dat een antwoord of een vraag?

Lieke: Dat weet je pas achteraf.

Hans: Jij of de nabestaanden?

Lieke: Dat weet je ook pas achteraf.

Hans: Wat lul je dan.


Hoe lang is de schaduw van een Chinees?

-175-

De kosmische grap voor heksen

Twee lelijke heksen op bezemstelen ontmoeten elkaar in de lucht.
Bijeenkomst in Waarheid (satsang).

-176-

Er is maar één kosmische grappenmaker

Er is maar één kosmische grappenmaker …

Januskop met vrolijke narrengezichten.

En dat zijn wij!

-177-

Er zijn maar twee kosmische grappenmakers

Er zijn maar twee kosmische grappenmakers …

Horizontale januskop met treurige narrengezichten.

En dat ben jij!

-178-

Er is maar één kosmische grap

Er is maar één kosmische grap …

Narrenmutsen zonder januskop.

En dat is het ware Zelf!

-179-

Er is één maar aan de kosmische grap

Er is één maar aan de kosmische grap …

Januskop met een vrolijk en een treurig gezicht.

Hij is niet altijd leuk.

-180-

Er is maar één achtvoudige kosmische grap

Er is maar één achtvoudige kosmische grap.

Januskop met vrolijke en treurige nar, beide met tranen op hun wangen.

1. Soms moet je overal om lachen en denk je dat je erin blijft.

2. Soms kun je niet meer lachen en denk je dat het zo blijft.

3. Soms moet je overal om huilen en denk je dat je erin blijft.

4. Soms kun je niet meer huilen en denk je dat het zo blijft.

5. Soms moet je huilen van het lachen en denk je dat je erin blijft.

6. Soms kun je niet meer en denk je dat het zo blijft.

7. Soms moet je lachen van het huilen en denk je dat je erin blijft.

8. Soms denk je niet meer en hoop je dat het zo blijft.

Niets blijft.

Dat was de grap.

-181-

Niemand snapt de kosmische grap

Niemand snapt de kosmische grap.

Januskop met verbijsterde narrengezichten.

Dat is nou net de grap!

-182-

Niet-weten is de kosmische grap

Niet-weten is de kosmische grap.

Labyrint van tientallen concentrische vierkanten met kleine doorgangen en helemaal in het midden een vraagteken.

Maar wie kan daarbij?

-183-

Niet-weten is geen grap

Niet-weten is geen grap …

Labyrint van tientallen gekleurde kaders met kleine openingen en middenin een januskop met narrengezichten in een gesloten kader.

… Je blijft erin.

-184-

Hans van Dam is de grap

Ken je die van de man die geen gevoel voor humor had?

Fotomontage van het gezicht van Hans van Dam met drie monden en zes neuzen.
Het ware gezicht van Hans van Dam.

Hij wist niet van ophouden!

-185-

Kosmische grap of komisch drama?

Wat je denkt word je zelf.

een zoeker die zichzelf zoekt

zal nooit iets anders vinden

dan

een zoeker die zichzelf zoekt

zal nooit iets anders vinden

dan

een zoeker die zichzelf zoekt

zal nooit iets anders vinden

dan

een zoeker die zichzelf zoekt

zal nooit iets anders vinden

dan

een zoeker die zichzelf zoekt

zal nooit iets anders vinden

dan

een zoeker die zichzelf zoekt

zal nooit iets anders vinden

dan

iemand die overal zichzelf ziet

zal nooit meer iets anders zien

dan

iemand die overal zichzelf ziet

zal nooit meer iets anders zien

dan

iemand die overal zichzelf ziet

zal nooit meer iets anders zien

dan

iemand die overal zichzelf ziet

zal nooit meer iets anders zien

dan

iemand die overal zichzelf ziet

zal nooit meer iets anders zien

dan

iemand die overal zichzelf ziet

zal nooit meer iets anders zien

Dubbel droste-effect met links een reeks van steeds kleinere mannetjes die elkaar met een vergrootglas bekijken en rechts een reeks steeds groter wordende mannetjes die zichzelf in een spiegel bekijken.

-186-

De Zwanenzang van Yin en Yang

Kleine correspondentie tussen het ware Zelf.

Beste Yin,

Dankzij jouw kosmische grappen ben ik in één keer uit het bewustzijnsverhaal gekatapulteerd, rechtstreeks de verbijstering in. Vaarwel Zelf. Daar wou ik je even voor bedanken.

Beste Yang,

Nou, gefeliciteerd dan maar.

Of gecondoleerd.

Of gefelileerd of gecondoliteerd, net hoe het op dit moment voelt.

In mijn ervaring schieten mensen sneller de verbijstering uit dan erin.

Sneller dan ik met mijn ogen kan knipperen.

De katapult blijkt een bungeejump.

De Verklaringsdienst staat steeds paraat en krijgt je zo weer aan de praat.

Misschien ben jij de uitzondering, we gaan het zien.

Om de kans daarop te vergroten zal ik proberen niet met mijn ogen te knipperen.

Twee weken later

Beste Yin,

Volgens mij heb je toch met je ogen geknipperd, of ik heb te vroeg gejuicht.

Beste Yang,

Je bedoelt natuurlijk, ‘Volgens mij heeft het ware Zelf toch met zijn ogen geknipperd, of Het heeft gewoon te vroeg gejuicht.’

Beste Yin,

Inderdaad, dat bedoelde ik. Maar nu je het zo uitschrijft, begin ik toch weer te twijfelen.

Beste Yang,

Heb je weleens gehoord van de kosmische grap?

Yinyangsymbool waarin de s-curve de profielen van een zwarte en een witte nar uittekent.
De Zwanenzang van Yin en Yang.

-187-

Ik roep maar wat in mijn woestijn

De groeten hè, van onze Hein.

Dit is mijn lied
En zijn refrein
Mijn laatste roep
In jouw woestijn:

Dat ieder DenkBeeld
Er mag zijn
In het theater
Van je brein

Dus maak je GROOT
Of maak je klein
Misschien verzacht het
Wel je pijn

Zelf hul ik mij
In maneSchijn
En pretendeer
Een nar te zijn

Die roept en roept
In jouw woestijn
Tot aan het eind
Van zijn Latijn

Je moet toch wat
Dat zal het zijn
Terwijl je wacht
Op ene Hein

Dus zing ik hard
In mijn woestijn:
Dit is jouw lied
En mijn refrein

-188-

Epiloog: zelfs de vragen achter je laten

De serie dwaalteksten over kosmische grappen waarmee dit boek over advaita eindigt, begon met vijf vragen:

Is alles echt een illusie of is dat ook maar een illusie of is de illusie echt?

Speelt Bewustzijn echt een spelletje met ons of spelen wij een onecht spelletje met ‘Bewustzijn’? Wie houdt hier wie voor het lapje?

Is er wel zoiets als Bewustzijn of is dat maar een idee in je bewustzijn?

Is er wel zoiets als je bewustzijn of is dat maar een wijze van spreken?

Ben je wat je zoekt of ben je wat je denkt of denk je dat je zoekt of zoek je wat je denkt of denk je dat je bent of doe je maar alsof of wat?

Ik stelde deze vragen niet om tot definitieve antwoorden te komen, maar om twijfel te zaaien over alle denkbare antwoorden.

Niet-weten beweegt zich niet zoals het gewone denken van de vraag naar het antwoord, maar van het antwoord naar de vraag en van de vraag naar de vragen over de vragen, over de woorden waarin ze gesteld zijn en over de aannames waarop ze gestoeld zijn.

Vragenderwijs kom je in hogere sferen waarin je kennis steeds ijler wordt, tot je in het vacuüm belandt dat agnose heet.

In agnose zijn er geen antwoorden en geen vragen meer. Er zijn geen zekerheden en geen twijfels meer. Er zijn geen meesters en geen leerlingen meer, geen goeroes en geen volgelingen. Er is niemand die het weet en niemand die het beter weet en niemand die niet weet.

Daar is alleen nog maar ruimte.

Grenzeloze ruimte.

De ruimte van niet-weten.

Zonder dualiteit.

Zonder non-dualiteit

Zonder leraren die je van alles wijs proberen te maken.

Zonder leerlingen die je de waarheid proberen te ontfutselen.

Hè hè.

Eindelijk rust.

Nawoord

-189-

Weg van de weg van non-dualisme

‘Waarheen leidt de weg van non-dualisme?’

‘Weg.’

‘De weg leidt weg?’

‘De naam zegt het al.’

‘Waar vandaan?’

‘Overal vandaan.’

‘Niet alleen van de illusie…’

‘Maar ook van de Werkelijkheid.’

‘Niet alleen van de leugen…’

‘Maar ook van de Waarheid.’

‘Niet alleen van het kwade…’

‘Maar ook van het Goede.’

‘Niet alleen van gehechtheid…’

‘Maar ook van Onthechting.’

‘Niet alleen van het geconditioneerde…’

‘Maar ook van het Ongeconditioneerde.’

‘Niet alleen van het wereldlijke…’

‘Maar ook van het Heilige.’

‘Niet alleen van de mind…’

‘Maar ook van het Hart.’

‘Niet alleen van het ego…’

‘Maar ook van het Zelf.’

‘Niet alleen van dualiteit…’

‘Maar ook van non-dualiteit.’

‘Niet alleen van het worden…’

‘Maar ook van het Zijn.’

‘Niet alleen van het doen…’

‘Maar ook van het Zien.’

‘Niet alleen van het vele…’

‘Maar ook van het Ene.’

‘Niet alleen van het weten.’

‘Maar ook van het niet-weten.’

‘Niet alleen van het vertrekpunt…’

‘Maar ook van de bestemming.’

‘Niet alleen van het vinden…’

‘Maar ook van het zoeken.’

‘Niet alleen van het doel…’

‘Maar ook van de weg.’

‘En dat is de weg van non-dualisme?’

‘En weg is de weg van non-dualisme.’

-190-

Vedanta als het einde van de wijsheid

De sanskrietterm advaita vedanta is opgebouwd uit vier componenten: a, dvaita, veda en anta, wat respectievelijk niet, twee, wijsheid en einde betekent.

Advaita vedanta is etymologisch gezien een dubbele ontkenning.

Ten eerste is het een ontkenning van alle filosofieën die zich baseren op een fundamentele tweedeling, bijvoorbeeld tussen geest en lichaam, vorm en leegte, de doener en de kenner, het kennen en het gekende of eenheid en veelheid.

Ten tweede is het een ontkenning van de gedachte dat deze ontkenning op zichzelf de hoogste wijsheid zou zijn.

Niet-twee, niet-wijsheid, zo zou je de uitdrukking ‘advaita vedanta’ kunnen parafraseren.

‘Niet-weten’ zou je de parafrase kunnen parafraseren, als je Hans van Dam heet, maar wie heet er nou Hans van Dam.

Ondanks de dubbele ontkenning is advaita vedanta, oftewel non-dualisme, voor velen een positieve filosofie, een formuleerbare vorm van wijsheid, die de wereld voorstelt als een ondeelbare eenheid.

Een dergelijke filosofie is natuurlijk helemaal niet non-dualistisch en ook niet dualistisch, maar – per definitie – zuiver monistisch.

Net zo monistisch als het onveranderlijke Zijn van Parmenides, het neoplatonisme van Plotinus, de monadologie van Leibniz, het pantheïsme van Spinoza, het idealisme van Bacon en de wereldgeest van Hegel.

Monisme is van alle tijden en plaatsen.

Het heeft vele gezichten, die uiteraard ook alleen maar een manifestatie van de of het Ene kunnen zijn.

Zeker volgens eternalistische zondagsfilosofen van het slag dat uitsluitend rust kan vinden in een eenregelige, eenduidige, onbetwijfelbare totaalverklaring, en zich tegen beter (niet) weten in wanhopig tracht te identificeren met het zelfbedachte geheel.

Want je bent pas echt iemand als je niemand bent, en je bent pas echt niemand als je niets bent, en je bent pas echt niets als je alles bent, zeg nou zelf.

Toegegeven, onze Indiase rolmodellen, sinds onheuglijke tijden onverbeterlijke doordenkers, hebben het ernaar gemaakt.

In een poging de veda’s te overtreffen en voor eens en altijd een einde aan het speculatieve gefilosofeer te maken, hebben ze de ene vedanta na de andere vedanta verzonnen, er kwam geen eind aan.

Dvaita vedanta, advaita vedanta, dvaitadvaita vedanta, advaitadvaitadvaita vedanta en ga zo maar door.

Zo malen de geestelijke mallemolens in oost en west verder, verder, almaar verder in de hoop zichzelf op een goede dag eindelijk en finaal ten einde te denken, zoals de illustere aartsleugenaar de Baron van Münchhausen zichzelf ten einde raad aan zijn haren uit het moeras trok.

Zal het ooit lukken een einde aan het denken te maken?

Meer ter zake: zal het jou ooit lukken?

En als het je dan eindelijk gelukt is, net als zoveel andere edele doordenkers en mediterende doorzitters en deugdzame doorzetters – christenen, moslims, boeddhisten, fascisten, tantristen, taoïsten, dadaïsten, surrealisten, existentialisten, absurdisten, humanisten, communisten, darwinisten, fatalisten, ietsisten, nietsisten, nihilisten, romantici, mystici, sceptici, asceten, iconoclasten en noem maar op – leef je dan eindelijk in Waarheid?

Heb je eindelijk de Werkelijkheid gerealiseerd?

Of is dat gewoon de volgende droom?

-191-

Non-dualisme anno 2050

Meta-meta-meta-meta-meta-meta-meta-meta-meta-metafysica van de hoogste allerhoogste allerallerhoogste orde.

Beste Hans,

Ik ben een non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualist. En jij?

Beste Maya,

Is dat niet de leer van de Indiase grootmeester Shankara Sharanka Karansha Rakansha Kakaran Shakaran Rashan?

Maya: Inderdaad.

Hans: Hoe noemt hij die Zelf ook alweer?

Maya: De advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-vedanta natuurlijk.

Hans: Hoe kon ik het vergeten.

Maya: Tellen is weten.

Hans: Zijn Wijsheid is niet te meten.

Maya: De tiende dan, man, daar kunnen wij niet aan tippen.

Hans: Verschil moet er zijn, hè, ook in het onbegrensde.

Maya: Zeker weten.