Top

Opgeladen: 47%. Laatst gewijzigd op 30 augustus.

-1-

Wit wat je weet met het…

Witboek Levenskunst

Door Hans van Dam

Deel 7 van de Agnosereeks

Omslag van deel 7 van de Agnosereeks.

Alles wat je altijd al wilde niet-weten over levenskunst maar nooit durfde vragen.

‘Leven is geen kunst, geen kunstje en geen kunde; levenskunst is vliegwerk en vrij alleen je val.’ Dwaalteksten over leven en sterven, liefde en eenzaamheid, vrijheid en angst, zingeving en zinloosheid, gemoedsrust en onrust, geluk en ongeluk, wijsheid en dwaasheid.

-2-

Wat je minstens over levenskunst moet weten

‘Wat weet jij eigenlijk over levenskunst, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

-3-

Vallen maakt je vrij

Voor bange vogels.

‘Wat is levenskunst volgens jou?’

‘Vastklampen aan de neus van een vliegtuig…’

verschrikte vogel klemt zich vast aan de neus van een vliegtuig

‘Terwijl je gewoon kan vliegen!’

‘Terwijl je gewoon kan vallen.’

-4-

Leerling af, afleerling af

‘Wat was jouw weg, Hans?’

‘Eerst ging alles vanzelf.’

‘En toen?’

‘Heb ik heel veel geleerd.’

‘En toen?’

‘Ging niets meer vanzelf.’

‘En toen?’

‘Heb ik heel veel afgeleerd.’

‘En toen?’

‘Heb ik het afleren afgeleerd.’

‘En nu?’

‘Gaat alles weer vanzelf.’

-5-

Dolende zielen – een dementie à trois

Deze tekst is samengesteld uit brieven aan vrienden en familieleden rond de tijd van het overlijden in de lente van 2012.

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: ‘Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?’

En mijn even oude vader: ‘Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.’

Ik zei: ‘Ik begrijp precies wat je bedoelt.’

Van links naar rechts: Ton, Hans en Miep (1991).

Antonius Jozef van Dam

Afgelopen donderdag, 26 april 2012, is mijn vader gecremeerd.

Antonius Jozef van Dam, roepnaam Ton.

Geboren op 6 september 1929, gestorven op 21 april 2012 om twee uur ’s nachts.

Graag wil ik je iets vertellen over zijn laatste jaren, waarin hij alles kwijtraakte.

Zijn verstand.

Zijn zelfbeschikkingsrecht.

Zijn vrouw.

Zijn geheugen en daarmee zijn vrienden, zijn familie, zijn kennissen en van lieverlee zijn hele verleden.

Zijn huis.

Zijn spulletjes.

Zijn zelfredzaamheid.

Zijn gezondheid.

Zijn eetlust.

En ten slotte zijn leven.

Een nieuwe vriendin

Zijn vrouw raakte hij niet eenmaal kwijt maar vele malen.

Eerst aan hun dementie à deux, toen ze van de ene op de andere dag ophielden echtgenoten te zijn.

Mijn moeder werd zijn ‘nieuwe vriendin’, die hij ‘ongeveer drie weken geleden had ontmoet’ – ‘ja, waar eigenlijk, Miep, weet jij het nog?’ – en die nu bij hem ‘ingetrokken was’.

Waar mijn moeder daarvoor had gewoond wist ze niet meer: ‘Gek hè?’

Ik: ‘Schalkwijk?’

Miep: ‘Daar heb ik weleens van gehoord, ja.’

Ton: ‘Hoe weet jij dat nou? Dat wist ik nog niet eens.’

Het klikte wonderwel tussen de tortelduifjes, ‘alsof we elkaar al jaren kennen.’

Ze zaten voor het eerst sinds lange tijd weer naast elkaar op de bank, dicht tegen elkaar aan.

Ton iets dichter bij Miep dan zij bij hem.

Lekker weinig Duitsers

Content waren ze ook met hun ‘vakantiewoning’, het hoekhuis waar ze in mijn herinnering al sinds 1965 woonden.

Hoe ze wisten dat het een vakantiewoning was?

Doordat de zolder, de schuur, de garage en een paar kasten afgesloten waren.

‘Daar bewaart de eigenaar natuurlijk zijn eigen spulletjes’.

Sleutels waren er nog genoeg, aan haakjes, in jaszakken, doosjes, potjes en blikjes, maar dat je die ergens in moest steken en dan draaien?

De wijk waarin hun vakantiewoning stond, beviel best.

‘Lekker weinig Duitsers’.

Betalen met je portemonnee

Ook dit feest mocht niet duren.

Ton en Miep deden nog steeds samen boodschappen, maar hun voorraad boterhamzakjes, groene thee, aspirientjes en pepermuntjes werd wel heel groot.

Regelmatig bleek de supermarkt gesloten, ‘zonder enige reden’, ‘schandalig’.

Zon- en feestdagen bestonden niet meer.

Waar ik vroeger nog weleens een bankbiljet toegestopt kreeg, trakteerde mijn vader mij nu op muntjes, handenvol, gloeiend van trots.

Papiergeld was nu papier, maar metaal was nog altijd geld voor de man die een halve eeuw munten had verzameld.

Betalen deden mijn ouders bij voorkeur met hun hele portemonnee.

Zo’n koffiepad, waar moest die nou ook alweer in?

Waarom is onze koffie nooit meer warm?

Telefoneren was ook niet meer wat het geweest was, vonden ze.

Je moest maar afwachten wie je aan de lijn kreeg tegenwoordig.

Aan welke kant van de hoorn moest je ook alweer spreken?

Op een dag was de telefoondraad doorgeknipt.

Ik vroeg wat er gebeurd was.

‘O, is dat een telefoondraad?’

Even later: ‘Wie zou dat nou gedaan hebben?’

Opgewekt: ‘Maar de telefoon doet het nog gewoon, hoor.’

Zelfs hun gebreken raakten ze kwijt

De huisarts was kennelijk verhuisd, concludeerden ze.

Vandaar dat ze hem niet meer konden vinden.

Het tuindorp waar hij altijd praktijk hield, was de laatste jaren sowieso onherkenbaar veranderd, maar niet getreurd, ze hadden lekker gewandeld en alles ging naar wens.

Of ze nog genoeg medicijnen hadden, vroeg ik.

‘Waarvoor?’

‘Hoge bloeddruk.’

‘Wie?’

‘Hoge oogboldruk, diabetes, botontkalking?’

‘Wat?’

‘Bloedverdunners, pa, vanwege je TIA’s.’

‘Nee hoor, daar hebben wij allemaal geen last van.’

‘Echt?’

‘Stel je voor.’

Zelfs hun gebreken raakten ze kwijt.

Altijd maart

Nadat de zomertijd was ingegaan liepen alle klokken en horloges ongelijk.

Vooral de kleine wijzers.

Sommige toonden de tijd op de Azoren, andere die van Greenwich, Amsterdam, Israël of Moskou.

Op de kalender bevroor de tijd.

Nooit zou er meer een einde komen aan de maand maart.

Mijn moeder werd op de vreemdste plaatsen teruggevonden.

In de poort achter het huis, op blote voeten, beha over haar trui, cups op haar rug, helemaal in paniek.

Of in winkelcentrum Overvecht, waar ze wildvreemden trakteerde op verwarde verhalen en als een soort Ausweis haar portemonnee aanbood.

Dwangverpleging

Toen Miep haar echtgenoot ook niet meer herkende als haar nieuwe vriend, werd ze bang.

Een wildvreemde in huis!

Wat moet dat hier!

Ze schreeuwde tegen hem, sloeg naar hem.

Ze werd onvoorspelbaar en onhandelbaar, sloeg met de deuren, plaste waar ze stond, poepte waar ze liep en werd opgenomen in een psychiatrische inrichting voor crisisopvang.

Haldol en oxazepam maakten haar weer dociel.

Een maand later werd ze overgeplaatst naar de gesloten afdeling van verzorgingstehuis Tamarinde in Utrecht.

Weer een maand later trok mijn vader bij haar in met zijn eigen BOPZ Artikel 60-indicatie (dwangverpleging) en hielden ze weer zielsveel van elkaar.

Trouwring en sleutels

Ton was nog geen week op de gesloten afdeling of hij was zijn trouwring kwijt.

Niet veel later had hij hem weer om.

Een trouwring die ik nooit eerder had gezien.

Hij slobberde een beetje.

Er stond de naam van een onbekende in gegraveerd.

Niet veel later was hij ook deze trouwring kwijt.

Ton maakte er geen probleem van.

Waar hij wel een probleem van maakte, waren zijn sleutels.

Zijn sleutelbos was zijn hele leven belangrijk voor hem geweest.

In Tamarinde had hij geen sleutels nodig, deuren werden voor hem geopend en gesloten, maar dat was het punt niet.

Hij bleef maar op zijn zakken kloppen op zoek naar zijn sleutels, honderden keren per dag.

Ook zijn portemonnee miste hij verschrikkelijk.

Er was niets te betalen, voor bewoners is alles op de afdeling gratis, maar er hoorde een portemonnee in zijn zak.

En een kammetje, al had hij nog nauwelijks haren.

Zo bleef hij haar maar kwijtraken

Kort na zijn opname raakte mijn vader zijn vrouw opnieuw kwijt.

Ditmaal aan Magere Hein.

Peilloos was zijn verdriet.

Maar niet voor lang.

Tot zijn onuitsprekelijke geluk vond hij zijn liefste Miepje terug in een ziekbed in de huiskamer van zijn eigen afdeling.

Hoe dat toch mogelijk was, vroeg hij zich geen moment af.

Zijn liefde stroomde weer.

Inderdaad leek deze medepatiënte best wat op zijn vrouw.

Ze had ook grijs haar.

Net als mijn moeder was ze helemaal geel.

Ach, ach, wat een ongelukkige keuze.

Binnen een week gaf mevrouw de geest en verloor Tonneman opnieuw zijn geliefde.

Twee keer sterven kan best.

Huilen, huilen, huilen.

Intussen vrat meneer Alzheimer of mevrouw Diabetes of wie of wat er ook aan zijn hersenen knaagde vrolijk verder.

Steeds minder wist mijn vader van welke Miep hij nou eigenlijk zo vol was.

Ze kwam en ging, keerde in een andere gedaante terug en verdween.

‘Miep, Miep… ja, dat is mijn zus, daar heb ik… een hele speciale band mee… geloof ik…’

Zo bleef hij haar maar kwijtraken.

Een onvrijwillige hongerstaking

De laatste maanden van zijn leven verloor Ton zijn eetlust.

De smulpaap van weleer had geen trek meer.

Brood werd vervangen door pap.

Pap werd appelmoes.

Appelmoes werd water.

Water werd bloedpoep.

Langzaam teerde hij weg.

Een onvrijwillige hongerstaking.

Vroeger dacht je dan aan Auschwitz, tegenwoordig aan Aids, ALS of Anorexia.

Of aan Alzheimer natuurlijk.

Als het maar met een A begint.

Of was het toch darmkanker?

De laatste maand kon hij niet meer staan.

De laatste week kon hij niet meer zitten.

De laatste dagen kon hij niets meer zeggen.

De laatste uren kon hij zijn ogen niet meer openen.

Hij kon zijn ogen niet meer sluiten.

Hij kon alleen nog maar ademen.

Hij kón niet meer.

Houten klauwen

Op vrijdagavond 20 april hebben we uren bij hem gezeten.

Op zijn onderbenen en onderarmen bloeiden lijkvlekken op.

Zijn neus werd spits en wit.

Zijn handen namen de omgevingstemperatuur aan.

Zijn vingertoppen werden blauw, roze en weer blauw.

Hij hijgde als een pakpaard.

Zijn schedel met het zachte donshaar van een baby voelde merkwaardig koud en droog aan.

Zijn armen bleven maar werken.

Deken omhoog, deken omlaag, het liefst tegelijk, in een laatste, onbewuste poging van het lichaam om zijn temperatuur weer op orde te krijgen?

Keer op keer sloeg hij, of het, met grootse gebaren zijn houten klauwen in zijn gezicht, in een vergeefse poging om in z’n uitdrogende ogen te wrijven.

Of was het een hartenkreet in de lichaamstaal van een stervende?

Ik dacht van niet.

Ik wist het niet.

Afscheid nemen ging niet meer.

Paarsgewijs dropen we af.

In afwezigheid van zijn naasten, al dan niet in afwezigheid van zichzelf, blies hij in het holst van de nacht zijn laatste adem uit.

Zucht.

Hans en Miep (2010).

-6-

Weet jij waar ik woon?

Leugenfabriek

Sinds ik de jaren des onderscheids bereikte, heb ik nooit méér van mijn ouders gehouden dan in de laatste vijf jaar, en in die vijf jaar nooit méér dan in hun laatste jaar.

De oude geschillen en verschillen waren vergeten, niemand deed zich nog groter voor dan hij was, en wie het toch nog eens probeerde, faalde hopeloos.

Vooral de wekelijkse ontmoetingen met mijn vader vond ik fijn.

Nu zijn brein haperde en zijn leugenfabriek overuren draaide voelde ik me dichter bij hem dan ooit.

Waarom?

Waar vroeger zijn weten qua stelligheid dat van zijn bronnen nog overtrof – Het Beste, HP/De Tijd, Elsevier Weekblad, De Telegraaf, Utrechts Nieuwsblad, Brandpunt, Een Groot Uur U, Zembla – en zelfs zijn onwetendheid nog het karakter had van een wereldbeschouwing (‘het is nooit één ding hè, het is altijd een complex van factoren’), en sowieso alles wat hij beweerde of ontkende verzoop in een zee van bijzinnen zoals deze, waarin hij steeds vaker de draad kwijtraakte, struikelde hij als demente bejaarde al over de eerste de beste – hoofdzin of bijzin, dat viel ook al niet meer uit te maken.

Hè, wat is het leven nou ook alweer

Ton: Het leven is… Het leven is… hè, wat is het leven nou ook alweer?

Hans: Weet je het niet meer?

Ton: Wat niet meer?

Hans: Wat het leven is.

Ton: Hè?

Hans: Je zei ‘Het leven is… het leven is…’

Ton: Waar heb je het over?

Hans: Ja, als ik dat eens wist.

Ton: Ja, wat dan.

Waar hebben we het over?

Ton: Het leven is… Het leven is…

Hans: Nou?

Ton: Ik snap er allemaal niks meer van.

Hans: Nee.

Ton: Snap jij het?

Hans: Vroeger dacht ik van wel.

Ton: Ik ook!

Hans: Maar nu?

Ton: Wát nu?

Hans: Ja, wat nú.

Ton: Ik zou het ook niet weten.

We schieten in de lach.

Ton: Stom hè?

Hans: Zeg dat wel.

Ton: Wat eigenlijk?

Hans: Ja, wat eigenlijk.

Ton: Waar hebben we het over?

Hans: Ik wou het net aan jou vragen.

Schaterlach.

Ik weet de weg niet meer

Ton: Ik weet de weg niet meer.

Hans: Ik ook niet.

Ton: Hè?

Hans: Wat?

Ton: Jij ook niet?

Hans: Moet je ergens heen dan?

Ton: Naar huis.

Hans: O.

Ton: Weet jij waar ik woon?

Hans: Waar niet.

Ton: Hè?

Hans: Waar je bent?

Ton: Waar?

Hans: Hier?

Ton: Echt waar?

Hans: Waar wou je anders heen?

Ton: Daar vraag je me wat.

Hans: Hoef je ook de weg niet te weten.

Ton: Handig.

Hans: Nog een kopje koffie?

Ton: Ik heb geen geld bij me.

Hans: Voor bewoners is het gratis.

Ton: En ik dan?

En zo ging het maar door dat laatste jaar. Het ene dwaalgesprek na het andere.

Hans en Ton (2010).

-7-

De betovering van de eensluidendheid

Allemaal goed

Wat mij achteraf misschien wel het meest verbaasd heeft aan mijn reactie op mijn vader’s dementie is dat ik geen moment de behoefte voelde om zijn wereld voor hem te ordenen.

Mij maakte het niet uit dat zijn werkelijkheid van zin tot zin veranderde.

Woonde hij zelfstandig dan woonde hij zelfstandig.

Woonde hij een zin later in een bejaardentehuis dan woonde hij in een bejaardentehuis.

Woonde hij een zin later in bij mijn broer dan woonde hij in bij zijn zoon.

Woonde hij een zin later bij pa en moe dan was hij weer een kind van zijn ouders.

Mij maakte het niet uit dat mijn vader geen idee had wie hij was, of wie ik was – of eigenlijk het ene idee na het andere.

Was ik zijn kind, dan was ik zijn kind.

Was ik een zin later zijn jongste broer dan was ik zijn jongste broer.

Was ik een zin later zijn collega dan was ik zijn collega.

Was ik een zin later zijn vriend dan was ik zijn vriend.

Allemaal goed.

Als het erop aankwam had ik zelf immers ook geen idee wie en wat en of hij was.

Wie en wat en of ik was.

Had ik niet en heb ik niet.

En ook niet waar ik eigenlijk ben.

Wat thuis is en wat uit.

Wat eigen is en wat vreemd.

Wat ik hier doe.

Hoe ik hier gekomen ben.

Hoe het nou verder moet.

Zap, zap, zap

Als je zozeer bij de gedachte leeft als ik, dan ben je door en door bekend met de schimmigheid van ‘je’ of ‘de’ ‘werkelijkheid’.

Daardoor besef je dat de overeenkomsten tussen een gezonde geest en een demente veel groter zijn dan je op het eerste gezicht zou denken.

Die vluchtigheid.

Zap, zap, zap.

Van het ene fragment naar het andere.

Van de ene hypothese naar de andere.

Van het ene verleden naar het andere.

Van de ene dagdroom naar de andere.

Van het ene verhaal naar het andere.

Van de ene identiteit naar de andere.

Van het ene gevoel naar het andere.

Van het ene verlangen naar het andere.

Van de ene betekenis naar de andere.

Van de ene zin naar de andere.

Zap, zap, zap.

De hele dag door.

Bestendigheid is schijn.

Een blinde vlek van de eenzijdig naar buiten gerichte geest.

Of is dat ook maar schijn?

Zap.

Ik kan mezelf er niet eens bij houden

Omdat ik als het erop aankomt geen idee heb hoe de wereld in elkaar steekt, had ik niet de behoefte, zoals de meeste anderen, om mijn verwarde vadertje uit te leggen hoe het allemaal zat.

Om hem er voor de duur van mijn bezoek bij te halen en bij te houden.

Wáárbij dan wel?

Bij wélke wereld?

Van wie?

Waarom?

Voor hoelang?

Man, ik kan mezelf er niet eens bij houden.

Zomaar wat kletsen

Ik voelde me niet geroepen om voor mijn vader het gezond verstand te vertegenwoordigen, of welk verstand of onverstand dan ook.

Dus konden we zomaar wat kletsen en hoefden we onze tijd niet zoals vroeger te verdoen met de heilige opdracht onze gedachten op elkaar af te stemmen, om door de betovering van de eensluidendheid de illusie van een bestendige, objectieve, coherente, intelligibele en beheersbare wereld in stand te houden.

Praten met mijn vader is (in dit opzicht) nooit makkelijker geweest.

Bij gebrek aan een agenda hadden we de grootste pret.

Samen in agnose, ja gezellig.

Ton (2010).

-8-

Wat je minstens van de dood moet weten

‘Wat weet jij eigenlijk van de dood, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

-9-

Denkt het dode meisje…

Denkt het mooie meisje: Ik wou dat ik slim was.

Denkt het slimme meisje: Ik wou dat ik mooi was.

Denkt het mooie, slimme meisje: Ik wou dat ik dom en lelijk was.

Denkt het domme, lelijke meisje: Ik wou dat ik dood was.

Denkt het dode meisje…

-10-

Een verstand dat op een standpunt staat is een puntverstand

Tien wandspreuken voor oneliners*

* oneliner: 1. bondige spreuk; 2. iemand wiens denken beperkt blijft tot oneliners

1. Een verstand dat op een standpunt staat is een puntverstand.

2. Een puntverstand is een verstand dat op het standpunt staat dat een verstand dat op een standpunt staat een puntverstand is.

3. Een verstand dat ergens op staat is een verstandbeeld.

4. Het verstand is een verstandbeeld van het verstand.

5. Een verstand dat ergens op staat is een verstand dat nergens op slaat.

6. Een verstand dat ergens voor staat is een verstand dat nergens achter komt.

7. Een verstand dat ergens voor staat is een verstand dat nergens binnen komt.

8. Een verstand dat nergens voor staat is een verstand dat nergens voor gaat.

9. Een verstand dat zich een houding aanmeet staat niet garant voor een goede verstandhouding.

10. Verstand is wat zichzelf verzint; verstand is wat zichzelf ontbindt.

-11-

Wat is een dwaalspreuk?

Volgens Van Dale is een aforisme of sententie een bondige spreuk die een bepaalde wijsheid uitdrukt.

Onder een anaforisme (Grieks, an-, niet) of insententie (Latijn, in-, niet) versta ik een eveneens bondige spreuk die een bepaalde dwijsheid uitdrukt – een niet-weten voorbij wijsheid en dwaasheid.

Zoals een aforisme de weg wijst, zo leidt een anaforisme het bos in.

Nu hou ik erg van dure woorden, maar jij misschien niet, dus laat ik anaforismen en insententies maar gauw dwaalspreuken noemen.

Een goede dwaalspreuk is – wat zal ik zeggen – nietszeggend.

Volgens dit criterium ben ik er nooit in geslaagd om ook maar één goede dwaalspreuk te schrijven.

Geen van de duizenden probeersels in de Agnosereeks is dan ook geschikt voor opname in het Lege Boek.

Toch neem ik ze niet terug, al was het alleen maar om te laten zien dat het project om niet-weten in één zin te vangen net zo hopeloos is als ieder ander project om het te vangen – in één woord, in een gedicht, in een artikel, een correspondentie, een boek, een gebaar, een ritueel, een handeling, een pad, een praktijk, een meditatievorm, een levenshouding, filosofie, oraal systeem, traditie of wat dan ook.

Niet-weten laat zich niet vangen, ook niet in het woord ‘niet-weten’.

Ook niet in de zin ‘niet-weten laat zich niet vangen, ook niet in het woord niet-weten’.

Daarin komt niet-weten het leven nabij.

-12-

Tip voor een wijs heden

Tegeltje met spreuk.
Wijsheid, maak er geen tegeltje van.

-13-

Tip bij de tip voor een wijs heden

Tegeltje met spreuk.
Maak geen tegeltje van ‘Wijsheid, maak er geen tegeltje van.’

-14-

Wat is geluk?

Boeddha: Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg.

Hans: Er is geen weg. Dat is geluk.

-15-

Wat is de weg?

Boeddha: Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg.

Hans: Er is geen geluk. Dat is de weg.

-16-

Afwisseling is de weg

Boeddha: Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg.

Hans: Geluk is zo weer weg.

Boeddha: En dan?

Hans: Komt het zomaar terug.

Boeddha: Enzovoort?

Hans: Nou, voort…

Boeddha: Dan zal dat de weg wel zijn.

Hans: Nou, weg…

Lees ook: De boer die zijn paard verloor.

-17-

Het volle leven is meer dan zweven

De goeroe en de agnost.

Goeroe: Het leven begint waar de angst eindigt.*

* Uitspraak van Osho (1931-1990).

Agnost: De angst begint waar het leven begint.

Goeroe: En de angst eindigt waar het leven begint.

Agnost: En de dood begint waar de angst eindigt.

Goeroe: Want leven is niet bang zijn.

Agnost: Want leven is ook bang zijn.

Goeroe: Dus wees niet bang voor het leven.

Agnost: Dus wees niet bang voor de angst.

Goeroe: Want de angst eindigt waar het leven begint.

Agnost: Want de angst begint waar het leven begint.

-18-

Lijden, is er een einde aan?

Of er een einde is aan het lijden, vraag je?

Jazeker.

Natuurlijk niet.

Een beetje.

In een toekomstig leven.

Alleen aan geestelijk lijden.

Alleen aan lichamelijk lijden.

Alleen voor boeddha’s.

Alleen voor sannyasins.

Alleen voor chassidim.

Alleen voor geelhoeden.

Alleen voor zwartkousen.

Ja, is er nou een einde aan het lijden of niet?

Daar is maar één antwoord op:

Het is maar net aan wie je het vraagt.

We vragen het aan de boeddhist, de non-dualist, de therapeut, de christen, de filosoof, en ten einde raad de weetniet, nou, dan weet je het wel.

Lijden volgens de boeddhist

Volgens het boeddhisme is er een uitweg uit het lijden. Die uitweg is vervat in de vier Edele Waarheden:

1. Er is lijden.

2. Het lijden heeft een oorzaak.

3. De oorzaak van het lijden kan opgeheven worden.

4. Door het achtvoudige pad te volgen wordt het lijden beëindigd.

Degene die naar het einde van het lijden streeft (of anderen daarbij helpt) heet een bodhisattva.

Degene voor wie het lijden beëindigd is, heet een boeddha.

Wie niet meer lijdt, is ontsnapt aan de kringloop van geboorte en dood die samsara heet, en verblijft voorgoed in nirwana.

In de praktijk is het achtvoudige pad een lang en zwaar pad, niet voor watjes.

Het vergt volledige inzet gedurende vele levens.

Slechts een enkele bodhisattva bereikt het einde van het lijden nog in dit leven.

Lijden volgens de non-dualist

Advaita vedanta leert dat er geen lijden is, alleen een moeiteloos zien van ogenschijnlijk lijden.

Deze visie is gebaseerd op de gedachte dat wij niet de persoon zijn die we denken te zijn, maar het universele bewustzijn waarin alle verschijnselen als vluchtige droom verschijnen, inclusief de persoon die zich ‘ik’ noemt.

Door je aandacht te verleggen van het lijden naar het zien van het zogenaamde lijden, door je niet langer te vereenzelvigen met je leed maar met het ene bewustzijn waarvan het een manifestatie is en waarvan jijzelf een manifestatie bent, kan je er afstand van nemen.

De non-dualistische goeroe Sri Nisargadatta Maharaj, die keelkanker in een vergevorderd stadium had, zei: ‘Hier is verschrikkelijk veel pijn, daar niet.’

Lijden volgens Byron Katie

De Amerikaanse zelfhulpgoeroe en cognitief therapeute Byron Katie is net als veel psychotherapeuten van mening dat lijden veroorzaakt wordt door onrealistische gedachten.

Volgens haar kan je eenvoudig en methodisch een eind maken aan je verdriet, angst en boosheid door jezelf vier standaardvragen te stellen over iedere pijnlijke gedachte die er in je opkomt:

1. Is dat waar?

2. Kan ik dat wel weten?

3. Wat gebeurt er als ik dat geloof?

4. Wie zou ik zijn zonder die gedachte?

Dit gedachteonderzoek noemt Byron Katie Het Werk.

Als je maar hard genoeg Werkt, komt er vanzelf een einde aan je lijden.

Hoelang dat duurt is mij niet duidelijk; naar eigen zeggen is Byron Katie na dertig jaar nog steeds niet helemaal uitgeWerkt.

Lijden volgens de christen

Het christendom leert dat de mens gedoemd is tot lijden doordat de eerste vrouw, Eva, in het paradijs een hapje nam van een appel van de boom van de kennis van goed en kwaad, terwijl God dat nog zo verboden had.

Onze Lieve Heer was daar zo boos over dat hij Adam en Eva met schaamte sloeg en uit het paradijs verdreef.

Ze mochten er nooit meer in en hun nakomelingen ook niet, vandaar dat de zonde van Eva in de Hof van Eden bekend staat als de erfzonde.

Een einde aan het lijden tijdens dit leven zit er voor christenen dus niet in, maar als ze zich christelijk gedragen, gaat na hun overlijden hun geestelijk overschot naar de hemel waar het met gouden bestek goddelijke spijzen mag nuttigen.

Hebben christenen zich niet christelijk gedragen dan gaat hun geestelijk overschot naar de hel voor een verschrikkelijk eeuwigdurend afzien.

Alle ongedoopte christenkindjes en alle niet-christenen wacht hetzelfde lot.

Lijden volgens de filosoof

Filosofieën die een einde aan het lijden in het vooruitzicht stellen vind je vooral bij de oude Grieken: hedonisme, pythagorisme, stoïcisme.

Latere filosofie biedt eerder troost dan een uitweg uit het lijden.

Filosofie die een beetje helpt relativeren is van alle tijden: van het antieke pyrronisme tot het 20e-eeuwse postmodernisme.

Utopistische filosofieën, zoals het dialectisch materialisme, het communisme, het existentialisme, het kapitalisme, het socialisme en het fascisme zijn activistisch van aard en suggereren door een omwenteling van de wereldorde het lijden van de mensheid te kunnen verminderen of beëindigen.

Of ze hun belofte hebben waargemaakt, laat ik aan je eigen oordeel over.

Lijden volgens de weetniet

Lijden, is er een einde aan?

Het is maar net aan wie je het vraagt.

De boeddhist geeft een ander antwoord dan de non-dualist, de psychotherapeut, de christen, de scepticus, de hedonist, de existentialist, de fascist, de communist, de socialist, de kapitalist.

Ze zeggen allemaal wat anders en zweren allemaal bij hun gelijk.

En de weetniet?

Noor vraagt het aan Hans.

-19-

Gouden bergen, gebakken licht

‘Geen vulkaan zonder krater en geen roes zonder kater.’ Eindeloos dwaalgesprek over het einde van het lijden en spiritueel materialisme.

Is het wel goud wat er blinkt?

Noor: Veel spirituele leraren en schrijvers beloven gouden bergen. Een einde aan het lijden. Het hoogste geluk. Onvoorwaardelijke liefde. Universeel mededogen. De wijsheid voorbij alle wijsheid. Jij doet dat nadrukkelijk niet. Waarom niet?

Hans: Gouden bergen, zeg dat wel. Eenheid, harmonie, onverstoorbaarheid, innerlijke vrede, volmaaktheid, spontaniteit, authenticiteit, absolute waarheid, onsterfelijkheid, onbevreesdheid, zorgeloosheid – het kan niet op.

Noor: Wat is daarop tegen?

Hans: Niks.

Ik gun iedereen zijn gouden berg.

Ik gun iedereen zijn zoektocht naar een gouden berg.

Ik gun iedereen die een afkeer heeft van gouden bergen zijn kruistocht.

Maar: geen vulkaan zonder krater en geen roes zonder kater.

Noor: Wat voor kater?

Hans: Dat hangt ervan af of je verlicht meent te zijn, een zoeker of een scepticus.

Noor: In het eerste geval?

Hans: Als je verlicht meent te zijn en op de top van de gouden berg denkt te staan, heb je veel te verliezen. Is het wel goud wat er blinkt? Misschien is je berg alleen maar verguld. Op de hoogte der hoogten kan je alleen nog maar omlaag. Ik ken persoonlijk enkele mensen die dat is overkomen. Hun ‘nirwana’ bleek niet meer dan het zoveelste masker van ‘samsara’ te zijn. Wat een strop.

Uit getuigenissen in Halfway Up the Mountain: The Error of Premature Claims to Enlightenment van Mariana Caplan blijkt hoe pijnlijk het is om te moeten toegeven dat je jezelf en anderen al die tijd, vele jaren soms, maar wat hebt wijsgemaakt.

Noor: En de zoeker?

Hans: Wie een gouden toekomst najaagt, meent in een blikken heden te leven. Dat doet zeer. Je leven voldoet niet. Jijzelf voldoet niet. En steeds is er die angst:

Zoek ik wel op de juiste plaats?

Heb ik mij wel bij de juiste traditie aangesloten?

Weet mijn leraar wel waar hij het over heeft?

Ben ik wel zuiver in de leer?

Doe ik mijn oefeningen wel goed?

Zullen mijn inspanningen ooit beloond worden?

Kan ik dit wel of zal ik uiteindelijk tegen de muur van mijn eigen beperkingen op lopen?

Wat als er helemaal geen gouden bergen zijn?

Per slot van rekening vaart de zoeker per definitie blind op andermans kompas. Wetend dat er net zoveel kompassen als mensen zijn, die allemaal hun eigen kant op wijzen.

Noor: En de scepticus?

Hans: Wie gelooft dat gouden bergen luchtspiegelingen zijn, moet dat steeds voor zichzelf bewijzen.

De gedachte dat je in dit korte en misschien enige leventje de boot mist door je eigen halsstarrigheid is nauwelijks te verdragen.

Dus ga je verhalen verzamelen over goeroes die de boel oplichten, speur je spirituele teksten na op tegenstrijdigheden – altijd prijs – en word je lid van de Autonome Agnostici of de Anonieme Atheïsten in de hoop je wankele scepsis te bolsteren met een ongefundeerd geloof in andermans ongeloof.

Ik ken de berg niet van het dal

Noor: Wat zou je tegen hen willen zeggen?

Hans: Tegen degenen die gevonden hebben zeg ik: Van harte!

Tegen degenen die op zoek zijn zeg ik: Ga door!

Tegen degenen die ten strijde trekken zeg ik: Houd moed!

Noor: Bespeur ik daar enig cynisme?

Hans: Nee hoor, ik meen het oprecht. Ieder zijn meug.

Ik heb geen reden om wie dan ook te bekritiseren of ongevraagd op alternatieven te wijzen.

Ik heb ook geen reden om wie dan ook aan te moedigen.

Ik heb ook geen reden om mijn aanmoedigingen terug te nemen of mijn kritiek in te houden.

Noor: Wat zeg je tegen jezelf?

Hans: Tja.

Noor: Ik bedoel, heb jij gevonden, ben je op zoek of geloof je er gewoon niet in?

Hans: Dat bedoel ik.

Noor: Op die manier.

Hans: En jij?

Noor: Ik?

Hans: Waarom hebben wij dit gesprek? Wat hoop je van me te horen? Wat is je meest brandende vraag?

Noor: Of er gouden bergen zijn, natuurlijk. Of jaag ik schimmen na?

Hans: Ik kan niet zeggen dat ze er zijn, ik kan niet zeggen dat ze er niet zijn. Dat moet je voor jezelf uitmaken. Tenzij je een ander wil napraten.

Noor: Heb jij het voor jezelf uitgemaakt?

Hans: Jazeker.

Noor: En?

Hans: Ik kan niet zeggen dat ze er zijn, ik kan niet zeggen dat ze er niet zijn.

Noor: Je weet het niet.

Hans: Ik ken de berg niet van het dal, maar jodelen kan je overal.

Noor: Wat?

Hans: Jodelahiti!

Niet-weten maakt je niets

Noor: Je weet het niet en je blijft er nog vrolijk onder ook.

Hans: Agnose is mijn gouden berg.

Noor: Mij lijkt het meer een gouden put.

Hans: Al was het een roestig blik.

Noor: Jij liever dan ik.

Hans: Wat is jouw gouden berg?

Noor: Gewoon, een einde aan het lijden.

Hans: Welja, doe meteen de Mount Everest maar.

Noor: Maakt niet-weten een einde aan het lijden?

Hans: De dood maakt een einde aan het lijden, zeggen ze.

Noor: Niet-weten niet?

Hans: Niet dat ik weet.

Noor: Ik bedoel, maakt het jou…

Hans: Nee.

Noor: Wat nee?

Hans: Niet-weten maakt me niets.

Noor: Niets?

Hans: Het maakt me niet positief, zacht, heel, harmonieus, goddelijk, liefdevol, dankbaar, luchtig, optimistisch, extatisch, dynamisch of onkwetsbaar.

Het maakt me niet neutraal, onverstoorbaar, gelijkmoedig, onpartijdig, open, onbevangen, ontvankelijk, verdraagzaam, wijs, realistisch of stoïcijns.

Het maakt me niet negatief, opstandig, defaitistisch, fatalistisch, wanhopig, dwaas, rusteloos, cynisch, onverschillig, pessimistisch, moe, melancholiek, verdrietig of gelaten.

Excuses voor deze opsomming, dan hebben we het maar gehad.

Noor: Wat maakt het je dan wel?

Hans: Iets weten maakt je iets, niets weten maakt je niets.

Onzin natuurlijk, maar als benadering van hetzelfde niet-weten dat me dit doet zeggen, is het nauwelijks te overtreffen.

Noor: Dat klinkt niet als het einde van het lijden.

Hans: Het klinkt als niks. Niet-weten lijkt nergens op.

Je weet nooit of iemand vrij van lijden is

Noor: Heb je weleens iemand ontmoet die vrij van lijden was?

Hans: Niet dat ik weet. Maar dat bewijst niks. Wat zou iemand in hemelsnaam kunnen doen of zeggen om mij daarvan te overtuigen?

Volstaat het als iemand van zichzelf beweert dat hij het lijden voorbij is?

Natuurlijk niet.

Mensen zeggen zoveel.

Is het genoeg als iedereen om hem heen het bevestigt?

Natuurlijk niet.

Mensen zijn het eens over de gekste dingen.

Stel dat ik een week, een maand, een jaar lang intensief met zo iemand samenleef en al die tijd geen spoor van pijn, angst, boosheid, verdriet, jaloezie of enige andere vorm van geestelijk lijden zie.

Bewijst dit dat hij in die periode niet geleden heeft?

Welnee, het bewijst hoogstens dat ik er niks van gemerkt heb.

Of als ik er toch iets van gemerkt heb, dat ik het alweer vergeten ben tegen de tijd dat ik conclusies moet trekken.

Laat staan dat het iets zegt over de periode voorafgaand aan dat jaar of erna.

Hoe zou ik dan ooit moeten vaststellen dat iemand het lijden overwonnen heeft?

Los daarvan heb ik nog nooit iemand ontmoet die mij de indruk gaf vrij van lijden te zijn, mezelf inbegrepen.

Ik heb ook nog nooit iemand ontmoet die volmaakt was, of onbevreesd of zorgeloos, om maar eens wat te noemen.

Ik kan me er niets bij voorstellen.

Totale zorgeloosheid, totale onbevreesdheid, totale onverstoorbaarheid, totale verdoving lijkt mij onverenigbaar met het leven.

Zelf ben ik in elk geval nergens vrij van.

Ook niet van weten.

Niets menselijks is mij vreemd.

Niets onmenselijks is mij vreemd.

Niets is mij vreemd.

En niets is mij bekend.

Dat noem ik niet-weten.

Een groot acteur voor licht-gelovigen

Noor: Osho maakte destijds een volkomen serene indruk.

Hans: Op het podium wel ja.

Een groot acteur voor licht-gelovigen.

Achter de schermen kon hij kibbelen als een oud wijf.

De oude mens was voor hem niet te verdragen, daarom verzon hij de nieuwe mens – Zorba de Boeddha, de onthechte hebberd, naar zijn evenbeeld.

Onder invloed van zijn idolate volgelingen die hem als levende voetstukken op handen droegen, werd hij werd steeds megalomaner.

In zijn laatste decennium kreeg hij paranoïde trekjes en was hij chronisch boos op alle regeringen die hem dwarsboomden.

Bovendien leed hij aan een breed spectrum van kwalen die terecht of ten onrechte bekend staan als psychosomatisch.

Dit alles heb ik alleen maar van horen zeggen en wat het bewijst weet ik ook niet, dat is aan jou.

Noor: Osho was misschien niet zo’n goed voorbeeld, maar zenmeesters staan erom bekend dat ze onder alle omstandigheden…

Hans: Jan-Willem van de Wetering vertelt in een van zijn autobiografische boeken over een congres voor zenmeesters in Japan dat in het honderd liep door een tyfoon.

Die zenmeesters raakten compleet overstuur van het razende weer en vluchtten met de eerste trein naar huis.

Tot verbijstering van de monniken, die hun meesters tot dan toe voor onverstoorbaar hielden.

Hoe nu? Is de verlichte toch verstoorbaar, speelt zijn onverstoorbaarheid zich af op een dieper niveau of wat?

Aan jou de keus.

Groot leed en klein leed

Noor: En als de keus aan jou was?

Hans: Wat mij betreft, als je bijvoorbeeld ineens mijn ogen probeert uit te steken, zal ik je een levendige demonstratie van verstoorbaarheid geven.

Ik zal defensief of offensief reageren, al dan niet in een reflex.

Ik zal boos worden, of bang, of huilen of lachen van schrik.

Noor: Zou jij in een neerstortend vliegtuig…

Hans: Zet mij in een neerstortend vliegtuig of in een stadion vol rossende hooligans of op een plein vol panikerende pelgrims en er zal pure adrenaline door mijn aderen vloeien.

Voor een ongetraind iemand als ik betekent adrenaline eerst een ondoordachte en ongetwijfeld onhandige poging om te vechten of te vluchten, dan bibberen en daarna pas nadenken.

Zelfs als ik er zonder kleerscheuren afkom, zal het een hele tijd duren voor ik een beetje ben bijgekomen en weer lekker in mijn vel zit.

Noor: Lijden dus.

Hans: En echt niet alleen bij rampen, hoor. Ik lijk best rustig, maar ik ben heel schrikachtig van aard.

Er hoeft maar een baby te janken of een kind te krijsen of een hond te blaffen en ik verkeer subiet in een staat van alarm. Heel onplezierig.

Al met al ben ik totaal verstoorbaar. Zo was het toen ik nog van alles meende te weten en zo is het nog steeds.

Ook ben ik niet vrij van dorst, vermoeidheid, frustratie en verveling, om maar eens wat voorbeelden van klein leed te noemen.

Huilen doet zeer

Noor: Huil je weleens?

Hans: Als het even kan onderdruk ik het.

Noor: Waarom?

Hans: Huilen doet zeer. Sommige mensen lucht het op, mij niet.

Sterke emoties probeer ik sowieso te vermijden. Mijn hele leven al.

Noor: Waarom?

Hans: Zwakke zijn mij sterk genoeg. Misschien ben ik wat te fijn afgesteld. Ik weet het niet. Jij?

Noor: Ik had eerlijk gezegd niet verwacht dat iemand die zo vol is van niet-weten nog steeds zou huilen. Betekent dat niet…

Hans: Voor mij niet.

Noor: Maar…

Hans: Voor jou kennelijk wel. Waarom ook niet. Iedereen mag er het zijne of hare van denken.

Noor: Volgens mij meen je het nog ook.

Hans: Dat is het fijne van niet-weten. Geen censuur. Denken en voelen staat vrij. Al hoef ik niet altijd alles te horen.

Noor: Ze zeggen dat U.G. Krishnamurti nooit om zijn overleden zoon heeft gehuild.

Hans: Is dat iets goeds of iets slechts?

Noor: Byron Katie heeft naar eigen zeggen vredig glimlachend vastgesteld dat haar pasgeboren kleinzoon niet ademde.

Hans: Ze zeggen ook dat Nisargadatta regelmatig om zijn overleden vrouw huilde. Nou en?

Ik ben Krishnamurti niet, ik ben Byron Katie niet en ik ben Nisargadatta niet.

Ze maken geen enkel verlangen in me los, niet naar dramatische uitbarstingen van verdriet en niet naar vlakheid.

Ik trek geen lering uit hun lering en niet uit hun gedrag.

Trok ik er wel lering uit of maakte het wel een verlangen in me los, dan deed het dat.

Noor: Je hebt niet de behoefte om in hun voetsporen te treden.

Hans: Wie wil er nou in de voetsporen van de doden treden? Het is al erg genoeg dat hun dode woorden ons de weg wijzen.

Noor: Jij hoeft niemand anders te worden.

Hans: Ik ben die ik ben. En wil ik morgen ineens wel iemand anders worden – mij best.

Wat is lijden nou echt?

Noor: Wat is lijden volgens jou?

Hans: Ja, wat niet.

Noor: Wat?

Hans: Een woord.

Een feit.

Een persoonlijke ervaring.

Een gevoel.

Een hypothese.

Een wet.

Een noodzakelijk kwaad.

De keerzijde van vreugde.

Een uitdaging.

Een zienswijze.

Een kokervisie.

Een religie.

Een motief.

Een verhaal.

Een sprookje.

Een nachtmerrie.

Onze natuur.

Tegennatuurlijk.

Een illusie.

Een gesel Gods.

De poort naar de hemel.

Willen.

Niet willen.

Hoop.

Wanhoop.

Onwetendheid.

Wetendheid.

Iets geloven.

Niets geloven.

Een concept.

Een teken.

Een aanleiding.

Een weg.

Een wegversperring.

Wat je denkt dat het is.

Niet wat je denkt dat het is.

Wat je denkt dat het niet is.

Niet wat je…

Noor: Maar wat is lijden nou echt?

Lijden als keuze

Hans: Dat is een oneigenlijke vraag. Alsof er maar één antwoord is. Alsof er een antwoord is.

Noor: Niet dan?

Hans Er zijn alleen maar duidingen – steeds meer duidingen. Geen daarvan is echter dan een andere.

Maar we gaan er voor de duur van dit gesprek van uit dat er geleden wordt zonder ons af te vragen wat dat precies is, zodat we ons kunnen buigen over twee kritieke levensvragen:

1. Is er een einde aan het lijden?

2. Zo ja, kan je dat zelf bewerkstelligen of heb je maar af te wachten?

Mijn antwoord: ik ben niet vrij van lijden en ik denk niet dat er een einde zal komen aan mijn lijden, behalve misschien bij mijn overlijden.

Maar weten doe ik het niet.

Noor: Ik ben niet vrij van lijden, anders zat ik hier niet. Maar iemand als Boeddha of in onze tijd Byron Katie misschien wel.

De Vier Edele Waarheden die centraal staan in het boeddhisme gaan over het lijden, de oorzaak van het lijden, het einde van het lijden en de weg ernaartoe.

De vier vragen van het Werk gaan over het beëindigen van het lijden voor zover het veroorzaakt wordt door negatieve gedachten.

Beiden veronderstellen dat lijden een keuze is, dat je er iets aan kan doen, dat geluk maakbaar is.

Hans: Dat geldt voor iedere weg. Dat is hun bestaansrecht.

Maar waarom zijn er zoveel wegen, is wat ik weleens zou willen weten. Het achtvoudige pad, het Werk, je gedachten niet geloven (Linji Yixuan), je Jantjes negeren (Jan van Delden), denken wat je wilt denken (Rients Ritskes), neurolinguïstisch programmeren (NLP), mindfulness, quantum healing, yoga, sjamanisme, tantra, mystiek, jodendom, christendom, hindoeïsme, islam…

Als er een effectieve manier was om een einde aan ons lijden te maken, waarom is die dan niet allang aan iedereen bekend?

Waarom is de mensheid niet allang overwegend gelukkig?

Waarom ben jij niet non-stop gelukkig?

Waarom ben ik niet non-stop gelukkig?

Noor: Daar zeg je me wat.

Hans: Daar vraag ik je wat.

Rationeel emotieve therapie

Noor: Jij denkt niet dat er een weg is die een einde aan ons lijden kan maken?

Hans: De een zegt van wel, de ander van niet. Het ene onderzoek wijst uit van wel, het andere van niet. Het is maar net aan wie je het vraagt.

Noor: Maar jij denkt van niet.

Hans: Ik weet het niet.

Zelfs als er iets in je leven ten goede lijkt te veranderen, is niet met zekerheid te zeggen of dat door die methode komt.

Als er niets lijkt te veranderen is niet met zekerheid te zeggen of de methode niet werkt of dat er niet aan de voorwaarden is voldaan.

Ook als je je er volledig voor inzet en dat ervaart als je eigen keuze, is niet met zekerheid te zeggen of je het ook niet had kunnen doen.

Rationeel-emotieve therapie – onrealistische gedachten onderzoeken en vervangen door realistische – maakte ergens in het grauwe gat dat ze de twintigste eeuw noemen deel uit van mijn opleiding.

Nu vraag ik je: is het realistisch om te denken dat je alle onrealistische gedachten kan onderzoeken en vervangen door realistische?

Of omgekeerd, is het realistisch om te denken dat het onrealistisch is?

Is het realistisch om te denken dat er realistische gedachten zijn?

Of omgekeerd, is het realistisch om te denken dat alle gedachten onrealistisch zijn?

Noor: Tja.

Hans: Is het realistisch om te denken dat lijden een keuze is, dat er nog tijdens je huidige leven voorgoed een einde aan kan komen?

En als je dat gelooft: is het realistisch om te denken dat het waar is omdat je het gelooft of dat het waar wordt doordat je het gelooft?

Noor: Ik denk dus van wel.

Het verband tussen gedachten en stofjes

Hans: Dit is mijn ervaring:

Ieder niet-weten in mij lijkt een reactie op een weten in mij.

Hoe sneller het niet-weten toeslaat, hoe kortstondiger en oppervlakkiger het lijden – én de vreugde – waarmee de voorafgaande, wetende gedachte gepaard ging.

Maar hoezeer mijn gedachten elkaar op de hielen zitten, ze lopen altijd één stap achter.

Bovendien kan een fysiologische reactie op een gedachte van een seconde minuten tot uren aanhouden – veel langer dan de gedachte zelf, want zoveel tijd kost het om al die rare stofjes in je bloed weer af te breken.

Noor: Stofjes?

Hans: Cortisol, met oxytocine, met serotonine, vasopressine en noem maar op.

Het verband tussen gedachten en stofjes is trouwens helemaal niet duidelijk. Roepen gedachten stofjes op of stofjes gedachten of roepen ze elkaar op of roepen beide iets anders op of dat andere beide of wat?

Noor: Ik heb eens gelezen dat het ware niet-weten de gedachte al bij haar schepping ontmoet.

Hans: Ik ook.

Noor: Maar dat is niet jouw ondervinding?

Hans: Soms wel, soms niet. Veel gedachten hebben hun macht over mij volledig verloren, maar niet allemaal altijd. Het is afwachten geblazen. En dan bedoel ik overdag.

’s Nachts hoef ik niet af te wachten. In mijn dromen ben ik als vanouds op de vlucht, gefrustreerd, woedend, angstig, jaloers, teleurgesteld, druk, agressief, hebberig, te vroeg, te laat, de hele mikmak.

In mijn dromen weet ik meestal precies hoe het allemaal zit, wie ik ben, wat ik wil, wat goed is, wat slecht is, hoe het hoort, wat ik moet doen, wat ik moet laten.

Met alle ellende van dien.

Met alle vreugde van dien.

Dat ik in mijn dromen een keertje niet weet, is ook na twaalf jaar nog steeds een zeldzaamheid.

Leed ligt altijd op de loer

Noor: Zeg je nu dat Byron Katie c.s. het lijden onmogelijk overwonnen kunnen hebben? Het nachtelijke al helemaal?

Hans: Wat weet ik van Byron Katie?

Misschien heeft ze alleen haar dagelijkse lijden voorgoed overwonnen.

Misschien heeft ze al haar lijden voorgoed overwonnen.

Misschien heeft ze het alleen tijdelijk overwonnen.

Misschien betekent overwinnen voor haar alleen maar zonder weerstand ondergaan, aanvaarden of omarmen.

Misschien weet ze alleen maar niet meer waar het lijden ophoudt en de vreugde begint.

Misschien heeft ze niets overwonnen maar vertelt ze sprookjes om de mensen of zichzelf gerust te stellen.

Misschien is ze een geweldige actrice.

Misschien is ze een gewiekste zakenvrouw.

Misschien is ze een begenadigd therapeute.

Misschien is ze een geboren oplichter.

Misschien is ze een geboren verlichter.

Misschien is ze alleen maar een gedachte in je hoofd.

Misschien dit alles tegelijk of niets van dit alles.

Misschien dit, misschien dat; wat maakt het uit wat ik denk dat zij is of doet of beweert of ervaart?

Ik kan alleen maar voor mezelf spreken.

Moet je ook eens proberen.

Noor: Zelf heb je het lijden in elk geval niet overwonnen.

Hans: Stel dat ik je nu zou vertellen dat ik het lijden overwonnen heb, dat ik nooit meer bang, boos of verdrietig ben of zal zijn. Wie zegt dat die gedachte waar is?

Misschien lieg ik wel om mezelf voor de gek te houden of om jou te intimideren of bewondering te wekken.

Misschien ben ik wel oprecht maar geef ik alleen maar uitdrukking aan de waan van het moment.

En zelfs als ik inderdaad mijn lijden overwonnen zou hebben – ik veronderstel nu even een bestendige wereld en een bestendige persoon waarover bestendige uitspraken kunnen worden gedaan – wie garandeert mij dan dat daar zo direct geen einde aan komt?

Hoe kan ik ooit weten dat mijn lijden voorbij is tenzij ik in de toekomst van mijn eigen leven en denken kan kijken?

Noor: In de toekomst kijken kan je ook al niet?

Hans: Nee joh, ik kan niet eens in het heden kijken.

Noor: Hoezo niet in het heden?

Hans: Ik weet bij God niet wat dat is.

Meestal gaat het alleen over denkleed

Noor: We mogen nu wel concluderen dat jij niet gelooft dat er een einde aan jouw lijden of aan het lijden van de mensheid kan komen.

Hans: Ik geloof het niet, maar ik geef geen cent voor wat ik wel en niet geloof.

Wat ik ook geloof, weten doe ik het niet.

Sowieso gaat het bij spirituele en religieuze heilswegen meestal alleen maar om wat je denkleed zou kunnen noemen: lijden veroorzaakt door pijnlijke gedachten.

Maar zelfs als ik mijn denken perfect op orde zou hebben, dan was ik nog niet verlost van lichamelijke kwellingen.

Noor: Jij gelooft ook niet dat fysieke pijn overwonnen kan worden?

Hans: Er zijn gevallen bekend van mensen die weinig of geen lichamelijke pijn kennen, maar die zijn er medisch gezien slecht aan toe.

Noor: Hoezo?

Hans: Ze kauwen hun lippen en hun wangen en hun tong stuk.

Ze lopen voortdurend breuken, snij- en brandwonden op.

Ze merken ziektes pas op in een laat stadium.

Ze hebben een aanzienlijk lagere levensverwachting dan hun pijngevoelige medemens.

Hun tanden en kiezen worden al heel jong getrokken, om te beginnen de melktanden.

Het gaat hier om een ernstige aandoening, niet om verlichting.

Noor: Dat wist ik niet.

Hans: Ik heb het ook maar van horen zeggen. Alle mensen die ik ooit ontmoet heb, wetend of niet-wetend, gelovig of ongelovig, verlicht of onverlicht of verduisterd of wat ze ook claimden of ervoeren of toegedicht kregen, hadden en hebben iedere dag pijn of gedragen zich althans zoals ik me gedraag als ik pijn heb.

Als ik jou knijp doet het zeer, en als ik jou heel hard knijp doet het heel zeer, of niet soms?

Noor: Ik geef het toe, hou je handen maar thuis.

Hans: Leven is ook pijn lijden. Of je nou in de tijd leeft of in het eeuwige heden of in welk zelfbedacht of zelfgejat verhaal ook.

En of ik nou aan mijn lichaam lijd of aan mijn gedachten, lijden is lijden.

Noor: En een fakir dan?

Hans: Dat moet je aan een fakir vragen. Maar ik heb nog nooit gehoord van een fakir die op een spijkerbed sliep.

Pijn kent geen grenzen

Noor: Sommige mensen beweren dat je lichaam alleen maar uit gedachten bestaat.

Hans: Kan jou het schelen als je crepeert van de pijn.

Noor: Mensen die verlicht zijn zeggen dan: er is wel pijn, maar die is niet van mij.

Hans: Kan best wezen, maar zeer doet het evenzeer.

Of hij nou van mij is van jou of van het leven of van god of van iedereen of niemand, pijn is pijn.

Noor: Nisargadatta had keelkanker in een vergevorderd stadium. Hij zei: Hier is verschrikkelijk veel pijn, daar niet.

Hans: Maar hij was niet alleen maar daar. Anders had hij nooit geweten dat er hier verschrikkelijk veel pijn is.

Noor: Daar zeg je zo wat.

Hans: Je mag dan wel denken of weten of ervaren dat je met één been aan gene zijde staat, in de non-dualiteit, in het absolute, in het bewustzijn, in het ene, in de bron of hoe het ook allemaal mag heten, gesteld dat er zoiets is, maar met je andere been, natuurlijke net het zere, sta je gewoon aan deze zijde, in de wereld, in het relatieve, in de dualiteit, in het weten of hoe het ook allemaal mag heten, gesteld dat er zoiets is.

Wie kan zich daaraan onttrekken? Ik niet. Ik zou niet weten hoe. Behalve misschien door zelfdoding.

Noor: Misschien?

Hans: Misschien, want ik weet niet of je er wel voor kan kiezen om jezelf te doden, want ik weet niet of je wel een vrije wil hebt.

Misschien, want ik weet niet of de dood wel het einde van de pijn en van het lijden is.

Noor: Alsjeblieft zeg.

Hans: Heb je er weleens bij stil gestaan dat dit al het leven na de dood zou kunnen zijn? Of het leven voor je geboorte? Of voor je volgende geboorte? Of dat je er aanstonds uit ontwaakt?

Noor: Geloof je dat nou echt?

Hans: Wat doet dat er nou toe?

Noor: Waarom zeg je het dan?

Hans: Omdat het zou kunnen. Omdat ik het niet weet.

Noor: Sta jij met één been aan gene zijde?

Hans: Ik heb het verschil met deze zijde nooit begrepen.

Noor: Bedoel je dat deze zijde al gene zijde is?

Hans: Ik heb de overeenkomst nooit begrepen.

Noor: Misschien ligt dat wel aan jou.

Hans: De tijd dat ik het als een tekortkoming kon zien, ligt ver achter me.

Noor: Zie je het als een inzicht?

Hans: De tijd dat ik het als een verdienste kon zien, ligt ver achter me.

Hé Jezus, heb je het achtvoudige pad al eens geprobeerd?

Noor: Voor Jezus was het koninkrijk der hemelen…

Hans: Jezus! Denk je soms dat Jezus genoot van zijn doornenkroon?

Hoe zou het voelen om aan een houten kruis te hangen met dikke spijkers door je polsen en voeten en een gat in je zij? Wat riep Jezus ook alweer? Wat waren zijn laatste woorden volgens Marcus?

Noor: Nou?

Hans: ‘Always look on the bright side of life.’

Noor: Dat was Brian, volgens mij. In The life of Brian van Monty Python.

Hans: Jezus riep ‘Eloï, Eloï, lema sabachtani’. Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten!

Noor: Juist.

Hans: Wat zou jij geantwoord hebben als je erbij was geweest?

‘Hé Jezus, heb je het achtvoudige pad al eens geprobeerd?’

Of: ‘Yo man, doe The Work en verlos je van je kwade gedachten, amen.’

Dan veronderstel je dat hij leed onder de gedachte dat God hem verlaten had.

Terwijl die gedachte misschien alleen maar een irrationele uitdrukking was van een overweldigend lichamelijk lijden.

Noor: Dat lijkt mij ook.

Hans: Als er al iets uitgedrukt werd.

Als Marcus dat ‘lema sabachtani’ al niet verzonnen heeft.

Als hij die kruisiging al niet verzonnen heeft.

Als hij die Jezus al niet verzonnen heeft.

Als Marcus al meer is dan mijn projectie op grond van het Nieuwe Testament.

Als het Nieuwe Testament al meer is dan een projectie van mijn geest.

Als mijn geest al meer is dan een projectie van mijn huidige gedachte.

Als mijn huidige gedachte al van mij is.

Als er al een mij is.

Niets beloven, dat is pas moeilijk

Noor: Ik begin zo langzamerhand te begrijpen waarom je geen gouden bergen wil beloven.

Hans: Gouden bergen beloven is makkelijk.

Niets beloven, dat is pas moeilijk.

Wie wil er nou luisteren naar iemand die alleen maar roept dat hij het allemaal niet meer weet?

Naar de lege leer?

Naar het lege verhaal van een lege geest?

Noor: Want voor jou is spiritualiteit allemaal gebakken lucht.

Hans: Gebakken licht.

Noor: Ja. Ha ha. Is dat zo? Is het voor jou allemaal gebakken licht?

Hans: Natuurlijk niet.

Dat het allemaal gebakken licht is, is ook weer gebakken licht.

En dat ook, en dat ook, en dat ook.

Je ziet, lichter dan niet-weten wordt het niet.

Noor: Wat?

Hans: Stel dat ik zou zeggen: ja, voor mij is het allemaal gebakken licht.

Of: volgens mij bestaan gouden bergen wel degelijk maar zelf ben ik helaas nog steeds verdwaald.

Of: ik woon al jaren bovenop de hoogste.

Is het dan waar?

Natuurlijk niet.

Voor mij tenminste niet.

Voor mij is het alleen maar de gedachte van het moment.

Dat het de gedachte van het moment is, is op zijn beurt de gedachte van het moment.

Ik heb nog niet met mijn ogen geknipperd of de gedachte van het moment, hoe scherpzinnig of stompzinnig, vreugdevol of ellendig ook, is alweer voorbij.

En hup, daar is de volgende alweer.

Het is net een lichtkrant.

Wat denk je ergens van als je er niet aan denkt?

Noor: Hoe weet je dan wat je werkelijk denkt?

Hans: Dat is precies het punt. Wanneer kan ik zeggen: ‘Dit is mijn mening?’ Als ik tien keer per dag hetzelfde denkt?

Hoe dacht ik er dan over tussen de herhalingen in, toen ik ergens anders aan dacht, of nergens aan dacht?

Zelfs als ik ergens werkelijk, bestendig, iets van zou vinden, zou kúnnen vinden, hoe weet ik dan of ik er over tien seconden nog steeds zo over denk?

Ik kan nog verder gaan. Is de tijd eigenlijk wel echt, de ‘afgelopen dag’ waarop ik ‘tienmaal’ iets gedacht heb, die ‘tien seconden’ die moeten verstrijken voordat ik kan verifiëren of ik iets ‘nog steeds’ vindt? Of zijn dat ook alleen maar gedachten?

En dat het misschien alleen maar gedachten zijn, is dat niet opnieuw een gedachte?

En de ‘ik’ die dit allemaal ‘denkt’?

Noor: Is het niet altijd nu?

Hans: Ja, wie zal het zeggen. Ik niet. Mij zegt het niks.

‘Nu’ is een woord. ‘Het is altijd nu’: vier woorden. Vier luchtbellen. Je kan er nog geen blad mee in beweging brengen.

Noor: Pfff.

Hans: Snap je? Wie zijn gedachten niet gelooft, deze ook niet, vind nergens houvast. Hij zit nergens in vast.

Ook niet in de gedachte dat hij nergens in vastzit.

Ook niet in het hier en nu.

Zijn denken heeft geen zwaarte
Zijn woorden geen gewicht
Zijn ogen zijn vol klaarte
Al heeft hij geen gezicht

Noor: Vandaar dat je zegt: ik weet het niet. Omdat je niet over een fundament, een wereldbeeld, een wereld beschikt.

Hans: Zelfs dat ik daar niet over beschik is teveel gezegd. Dat is nog steeds een fundament, een nabeeld van een wereld.

Ook dat ik nergens een zinnig woord over kan zeggen, kan ik niet zeggen. Dat is nog steeds een zinnig woord.

De mislukking van het denken is de triomf van het denken

Noor: Je hebt jezelf aardig in de hoek geverfd.

Hans: Niet-weten heeft geen hoeken.

Noor: In het midden dan.

Hans: Niet-weten heeft geen midden.

Noor: Is dat dan wat je ontdekt hebt?

Hans: Agnose is niet iets wat je ontdekt.

Noor: Wat is het dan wel?

Hans: Een geestelijke knock-out. De handdoek in de ring gooien. Uit de ring stappen, de wijde wereld in.

Noor: Waar geen hoeken zijn.

Hans: En geen midden is.

Noor: Klinkt niet direct als een bevrijdend inzicht.

Hans: ‘God spreekt in de mislukking van het denken’, zei de Duitse filosoof Immanuel Kant.

Niet-weten is de terminale mislukking van het denken.

Wat in zekere zin de absolute triomf van datzelfde denken is.

Noor: Hè?

Hans: Omdat het zichzelf eindelijk tot de orde roept.

Omdat het uiteindelijk zichzelf tot de orde roept.

Dat zeg ik verkeerd.

Het denken roept zichzelf niet op een bepaald moment voor eens en voor altijd tot de orde; het tot de orde roepen, het herroepen wordt op een bepaald moment onderdeel van het denken zelf.

Dat zeg ik verkeerd.

Want is er eigenlijk wel zoiets als ‘het denken’ dat iets kan roepen, of is dat ook maar een wijze van spreken?

Veelduidigheid is waarin humor gedijt

Noor: Zo blijft er niks over.

Hans: Er valt niks weg hoor, niet echt. Zien, horen, voelen, proeven, ruiken, denken, dromen, doen, laten, zwijgen, praten, liefhebben, haten – alles gaat gewoon door.

Als we deze gedachte tenminste mogen geloven.

Noor: Wat is dan het verschil?

Hans: Dat je niet meer weet wat het ten diepste, of ten hoogste, of op welk niveau dan ook, allemaal te betekenen heeft – als het al iets te betekenen heeft.

Als we deze gedachte tenminste mogen geloven.

Dat je het daardoor allemaal niet meer zo bloedserieus kunt nemen.

Als we deze gedachte tenminste mogen geloven.

Want veelduidigheid is waarin humor gedijt, terwijl eenduidigheid leidt tot ernst en al te makkelijk ontaardt in gelijkhebberij, dogmatisme, geloofsijver, censuur, onderdrukking, inquisitie, fundamentalisme en extremisme.

Als we deze gedachte tenminste mogen geloven.

Noor: Ik vind haar heel aannemelijk.

Hans: Ik heb zo mijn twijfels.

Onderscheid maken tussen humor en ernst en dan ernst wegzetten als de bron van alle kwaad is nogal simplistisch.

Het is zelf een ernstige, eenduidige gedachte.

Voor je het weet ga je humor voorschrijven en ernst verbieden.

Lach of ik schiet.

Noor: Misschien moeten we onze gedachten maar verbieden.

Hans: Denk niet of ik schiet.

Noor: In elk geval moeten we ze niet meer zonder meer geloven.

Hans: Geloof je dat?

Noor: Want het enige wat we weten is dat we niets weten.

Hans: Zeker weten?

Noor: Dit gaat wel heel ver, zeg.

Hans: Niet-weten is het meest nabij.

Noor: Ik dacht dat je zou zeggen: ‘En daar nog weer voorbij’.

Hans: Dat komt op hetzelfde neer.

Niet-weten woont mij uit

Noor: Is niet-weten jouw thuis geworden? Is dat waar je nu verblijft, in agnose? Is dat onze oorspronkelijke natuur? Heb jij het Zelf gerealiseerd, de hoogste werkelijkheid? Zou je niet-weten kunnen omschrijven als het ware…

Hans: Daar gaan we weer.

Noor: Jij probeert het toch ook steeds in woorden te vangen?

Hans: Je maakt het allemaal veel te mooi.

Niet-weten is geen plek, dus ook geen thuis, al kan je je er na verloop van tijd in thuis gaan voelen, bij wijze van spreken.

Niet-weten is niet onze oorspronkelijke natuur, hooguit weten wij wezenlijk niets of veel minder dan we denken.

Niet-weten is geen zelf of Zelf of hogere werkelijkheid of realisatie van de of het een of ander, maar niet weten wat dat allemaal mag wezen en of het eigenlijk wel is.

Niet-weten is niet het ware dit of dat of zus of zo, dat is allemaal speculatie en geloof – metafysica en religie.

Noor: Het Mysterie laat zich niet in een hokje stoppen.

Hans: Welk mysterie?

Noor: Hè?

Hans: Wat jij doet heet mystificatie. Niet-weten is demystificeren. Je realiseren dat je het niet weet. Dat toegeven aan jezelf.

Noor: Ben jij zelf…

Hans: Kijk, misschien denk jij dat er hier iemand is, ene ‘Hans van Dam’ die het allemaal niet meer weet, maar ik niet.

En nu denk je misschien weer dat er hier niemand is, zoals Tony Parsons dat zo mooi zegt, maar ik niet.

Dat ‘Hans van Dam’ zijn ‘ware aard’ heeft ontdekt of zichzelf heeft doorzien of het Zelf heeft gezien, is daarom voor mij allemaal niet zozeer onwaar als wel betekenisloos.

Noor: Oké, jij woont niet in niet-weten. Woont niet-weten in jou?

Hans: Het woont mij uit, zou ik haast zeggen, maar daarmee verklaar ik mezelf tot woning en dramatiseer ik wat maar al te gewoon is.

En met deze uitspraak verklaar ik mezelf ongewild tot non-entiteit en banaliseer ik wat maar al te bijzonder is.

Zie je het patroon?

Het is steeds hetzelfde liedje.

Gedachte op gedachte, het houdt niet op.

Ook in mij niet.

Maar ik ga er niet meer in mee.

Ook hierin niet.

Daar gaat niet-weten over.

Een verkooppraatje voor spirituele hebberds

Noor: Is niet-weten in wezen…

Hans: Zolang je nog denkt dat niet-weten in wezen dit of dat is, weet je nog iets.

Noor: Niet-weten wordt dikwijls omschreven als onvoorwaardelijke liefde. Wat vind jij van die gedachte?

Hans: Een verkooppraatje voor spirituele hebberds.

Zie je agnose als onvoorwaardelijke liefde? Dan wéét je nog iets.

Zie je het als de hoogste vorm van intimiteit? Dan weet je nog iets.

Zie je het als het toppunt van nederigheid of bescheidenheid of deemoed? Dan weet je nog iets.

Zie je het als totale kwetsbaarheid? Dan weet je nog iets.

Zie je het als blind vertrouwen? Dan weet je nog iets.

Zie je het als laatste zekerheid of totale onzekerheid? Dan weet je nog iets.

Zie je het als kinderlijke onschuld? Dan weet je nog iets.

Zie je het als spontaniteit of vrijmoedigheid? Dan weet je nog iets.

Zie je het als authenticiteit? Dan weet je nog iets.

Zie je het als…

Noor: Maar niet-weten betekent toch dat je overal voor open staat?

Hans: Zie je het als openheid? Dan weet je nog iets.

Zie je het als een keuze? Dan weet je nog iets.

Zie je het als een weg? Dan weet je nog iets.

Zie je het als overgave? Dan weet je nog iets.

Zie je het als genade? Dan weet je nog iets.

Zie je het als een onbemiddelde blik op de werkelijkheid zelf? Dan weet je nog iets.

Zie je het als een eeuwig heden? Dan weet je nog iets.

Zie je het als zelfverwerkelijking? Dan weet je nog iets.

Zie je het als eenwording met het geheel of met god? Dan weet je nog iets.

Zie je het als het zijn zelf? Dan weet je nog iets.

Zie je het als het einde van de werkelijkheid, als de leegte, als het niets? Dan weet je nog iets.

Zie je het als…

Noor: Je wil toch niet ontkennen dat niet-weten bevrijdend werkt?

Hans: Zie je het als verlossing? Dan weet je nog iets.

Zie je het als het oog van de orkaan? Dan weet je nog iets.

Zie je het als het paradijs van voor de zondeval? Dan weet je nog iets.

Zie je het als volledige aanvaarding van al wat is? Dan weet je nog iets.

Zie je het als neutraliteit, onpartijdigheid, niet-oordelen? Dan weet je nog iets.

Zie je het als keuzeloos gewaarzijn? Dan weet je nog iets.

Zie je het als…

Noor: Maar een heleboel leraren beweren dat niet-weten…

Hans: Beweren is weten.

Het einde van het geloof in je gedachten over lijden

Noor: Je hebt een heleboel vooroordelen over niet-weten weggenomen. Wat ik ervan moet denken weet ik onderhand niet meer, maar één ding is mij wel duidelijk geworden: agnose is niet het einde van het lijden.

Hans: Het is niet het einde van het lijden, maar wel het einde van het geloof in het einde van het lijden.

En het einde van het ongeloof in het einde van het lijden.

En het einde van het streven naar het einde van het lijden, zowel dat van mezelf als dat van anderen.

En het einde van het streven naar het einde van het geloof in het lijden, als je me nog kan volgen.

Niet-weten is het einde van het geloof in alle gedachten over het einde van het lijden en over wat dan ook, inclusief deze.

Een groter vreugde ken ik niet en heb ik nooit gekend – geloof het of niet.

Noor: Dan is niet-weten het hoogste geluk.

Hans: Niet het hoogste geluk, maar wel het einde van het geloof in het hoogste geluk.

En het einde van het ongeloof in het hoogste geluk.

En het einde van het streven naar het hoogste geluk, zowel voor mezelf als voor anderen.

En het einde van het streven naar het einde van het streven naar het hoogste geluk, als je me nog kan volgen.

Niet-weten is het einde van het geloof in alle gedachten over het hoogste geluk en over wat dan ook, inclusief deze.

Een groter geluk ken ik niet en heb ik nooit gekend – geloof het of niet.

Noor: Zo ook voor onvoorwaardelijke liefde, en universeel mededogen, de wijsheid voorbij alle wijsheid enzovoort?

Hans: Volgens mij is het kwartje gevallen.

Noor: Als je maar niet vraagt welk kwartje.

Hans: Dat iedereen voor een dubbeltje geboren is?

Noor: Niks gouden bergen.

Hans: Eindeloze vlakten.

Noor: Hoogvlakten, laagvlakten?

Hans: Vlak is vlak.

Noor: Hoger kan je niet klimmen.

Hans: Dieper kan je niet vallen.

Monnik die op zijn buik ligt met zijn kin op een spijkerkussen.
Streven naar het einde van het lijden.

-20-

Niet-weten is een bed zonder grenzen

In de wolk van niet-weten hangt alles in de lucht.

Geen hel meer onder je grond.

Geen grond meer onder je voeten.

Geen voeten meer onder je benen.

Geen benen meer onder je kont.

Geen kont meer onder je romp.

Geen romp meer onder je hoofd.

Geen hoofd meer onder je dak.

Geen dak meer boven je hoofd.

Geen hemel meer boven je dak.

Onder noch boven, hel noch heil.

Voor jou misschien een schrikbeeld, maar dan heb je nog nooit een luchtreis gemaakt.

Niet-weten: bed zonder grenzen.

-21-

Twee baasjes met een hondenbaan

Baasje: Ik heb mijn hond leren apporteren.

Hond: Ik heb mijn baasje leren gooien.

-22-

Elf baasjes en elf dwaasjes

Reder: Ik ben de belangrijkste, want ik bepaal de vracht!

Kapitein: Ik ben de belangrijkste, want ik bepaal de belading!

Stuurman: Ik ben de belangrijkste, want ik bepaal de route!

Machinist: Ik ben de belangrijkste, want ik hou de machines draaiende!

Kok: Ik ben de belangrijkste, want ik hou de mensen draaiende!

Matroos: Ik ben de belangrijkste, want ik hou het dek begaanbaar!

Werf: Ik ben de belangrijkste, want ik onderhoud het schip!

Fabriek: Ik ben de belangrijkste, want ik lever het staal!

Zee: Ik ben de belangrijkste, want ik hou het schip drijvende!

Bodem: Ik ben de belangrijkste, want ik hou de zee drijvende!

Hans: Ik ben de belangrijkste, want ik schrijf deze tekst!

Lezer: …

-23-

Eer is iets dat niet bestaat

Tegeltje met spreuk.
Eer is iets dat niet bestaat en daarom steeds verdedigd moet worden.

-24-

Uit het Handboek voor Zandhazen

Tegeltje met spreuk.
Veld van eer: plaats waar je roemloos ten onder gaat.

-25-

Ereleed

Ereleed.

‘Wat is eer?’

‘Blinde trouw.’

‘Waar leidt dat toe?’

‘Afhankelijkheid.’

‘Wat nog meer?’

‘Misbruik.’

‘Wat nog meer?’

‘Sektes.’

‘Wat nog meer?’

‘Nationalisme.’

‘Wat nog meer?’

‘Oorlog.’

‘Wat nog meer?’

‘Concentratiekampen.’

‘Wat nog meer?’

‘Kamikaze.’

‘Wat nog meer?’

‘Harakiri.’

‘Wat nog meer?’

‘Eerwraak.’

‘Is eer dan nergens goed voor?’

‘Wat is goed?’

-26-

Niets is alleen maar goed of kwaad

‘Ik wil het goede doen en het kwade laten, Hans.’

‘Niets is alleen maar goed of kwaad.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Wat goed is in het ene opzicht, is kwaad in het andere.’

‘Ik wil alleen maar doen wat goed is in ieder opzicht.’

‘Dan moet je alles laten.’

‘Ik wil alleen maar laten wat goed is in geen enkel opzicht.’

‘Dan moet je alles doen.’

‘Erg behulpzaam ben je niet.’

‘Bekijk het anders eens zonder opzicht.’

‘Hè?’

‘Bekijk het dan maar vanuit ieder opzicht.’

-27-

Niets is goed of kwaad van zichzelf

‘Ik wil het goede doen en het kwade laten, Hans.’

‘Niets is goed of kwaad van zichzelf.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Hetzelfde mes snijdt kelen en komkommers door.’

‘Maar een mitrailleur is zonder meer des duivels.’

‘Een mitrailleur kan redden en doden.’

‘De wereld zou beter af zijn zonder schiettuig.’

‘Het is met blote handen dat de meeste moorden worden gepleegd.’

‘En?’

‘Zou de wereld beter af zijn zonder handen?’

-28-

Goed is fout en fout is goed

‘Wat is jouw morele code, Hans?’

‘Goed is fout en fout is goed.’

‘Hè?’

‘En de jouwe?’

‘Goed is goed en fout is fout.’

‘Geef eens een voorbeeld van iets dat alleen maar goed is.’

‘Helpen is alleen maar goed.’

‘Helpen is afhankelijk maken.’

‘Wanneer iemand in nood verkeert, is het onze morele plicht …’

‘Helpen is iemand zijn zelfrespect ontnemen’

‘Wou jij beweren dat je beter niet kan helpen?’

‘Niet helpen is iemand in zijn sop gaar laten koken.’

‘Wat moeten we dan doen?’

‘Wie zegt dat je iets moet doen?’

‘Moeten we dan alles maar laten?’

‘Wie zegt dat je iets moet laten?’

‘Ik wil de juiste keuzes maken.’

‘Wie zegt dat je een keuze hebt?’

‘Wou jij beweren van niet?’

‘Wat weet ik daarvan?’

‘Noem dat maar een morele code.’

‘Moraal begint waar de code eindigt.’

‘Eindelijk een concreet antwoord.’

‘Als je er maar geen code van maakt.’

-29-

Wat je minstens van ethiek moet weten

‘Wat weet jij eigenlijk van ethiek, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

-30-

Niets is alleen maar goed of fout

‘Ik heb de gelofte afgelegd niet te doden, Hans.’

‘Oei. Waarom?’

‘Doden is fout, redden is goed.’

‘Mensen doden ook om te redden.’

‘In de oorlog misschien, maar niet in het dagelijks leven.’

‘Driemaal daags. Tenminste, wie het zich kan veroorloven.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Eten.’

‘Wat heeft dat ermee te maken?’

‘Eten is redden door te doden.’

‘Je kan toch vegetarisch eten?’

‘Vegetarisme is planten doden in plaats van dieren.’

‘Planten zijn lagere wezens dan dieren.’

‘Dan zullen we het maar niet hebben over de verdelgingsmiddelen die in de landbouw worden gebruikt om insecten te bestrijden.’

‘Met biologische landbouw kan je…’

‘Of over het vee dat de mest produceert en zelf opgegeten wordt.’

‘Maar niet door mij.’

‘Al is het maar door onze huisdieren.’

‘Het is een schande.’

‘Wat moeten ze dan eten?’

‘Hm.’

‘Of geef je ze liever een spuitje?’

‘…’

‘Om nog maar te zwijgen over de vernietiging van de oorspronkelijke ecosystemen die iedere vorm van landbouw met zich meebrengt.’

‘Misschien moest ik maar stoppen met eten.’

‘Niet eten is een vorm van zelfdoding die versterving wordt genoemd.’

‘In elk geval dood je er geen andere levende wezens mee.’

‘Vergeet je darmflora niet.’

‘Verdraaid.’

‘Maar de wormen zullen je dankbaar zijn.’

-31-

Kan je een weetniet aanspreken op zijn verantwoordelijkheidsgevoel?

Beste Hans,

Terwijl ik wat aan het surfen was kwam ik per ongeluk op jouw site terecht. Het niet-weten – prachtig!

Man, wat benijd ik mijn hond. Hoe die iedere dag zonder zorgen doorkomt. Hij vraagt niet veel: eten, drinken, een mand, een dak. Hij is gezegend want hij weet niet.

Weten is een vloek. De vloek van de mensheid. Het is onze zogenaamde wijsheid die onze onvolprezen aarde om zeep helpt. Weten leidt tot zelfvernietiging.

Net als jij ben ik me bewust van de absurditeit van het bestaan. Maar al is het leven een droom of een spel, ik kan er niet omheen: ook ik wéét. Ik weet dat ik van mannen houdt en niet van vrouwen. Ik wéét dat dieren dieren zijn en mensen beesten. Ik wéét dat de mensheid een gesel is voor de natuur.

Zeggen dat ik niet weet is een leugen. Het is onjuist spreken. Bovendien verklaar ik mezelf op die manier onaanspreekbaar en ontoerekeningsvatbaar. Dat is immoreel.

Daar schrijf ik je eigenlijk voor. Zelfs al zouden wij ons in een droom of game bevinden, zelfs al zou de werkelijkheid van A tot Z een illusie zijn, we mogen ons nooit onttrekken aan onze verantwoordelijkheid!

Beste X,

Niet alle kennis is altijd een vloek, was het maar zo simpel.

Niet alle honden zijn altijd zorgeloos, was dat maar waar.

Alle dieren zijn soms beesten.

Alle mensen zijn altijd dieren.

Niet alles op aarde gaat naar de bliksem, maar alles wat er nu aan leven op aarde is, kan er zijn omdat bijna al het eerdere naar de bliksem ging.

De mensheid is ook natuur en de natuur is ook een gesel voor de mens.

Misschien is het leven een droom, misschien is dat ook maar een droom.

Het onderscheid tussen juist en onjuist spreken is een gesel van het boeddhisme.

Toerekeningsvatbaarheid en moraliteit veronderstellen een vrije wil, maar veel hedendaagse wetenschappers trekken de vrijheid van de wil in twijfel.

Wie geen vrije wil heeft, kan zich ook niet vrijwillig onttrekken aan zijn verantwoordelijkheid.

Ikzelf veronderstel niet dat wij een vrije wil hebben, ook niet dat wij die niet hebben.

Jij veronderstelt dat ik onaanspreekbaar ben en me onttrek aan mijn verantwoordelijkheid.

Mag ik jou aanspreken op je verantwoordelijkheid en je vragen dat eerst te verifiëren voor je me erop aanspreekt?

-32-

De theejunk

‘Is de wil vrij of onvrij, Hans?’

‘Glaasje wijn?’

‘Ik drink alleen nog maar thee.’

‘Uit vrije wil?’

‘Zeker, ik kies er zelf voor geen alcohol meer te drinken.’

‘Kies er dan nu maar eens zelf voor wél alcohol te drinken.’

‘Nu?’

‘Dan heb je het meteen maar gehad.’

‘Dat… kan ik niet.’

‘Nou dan.’

-33-

De filosofiejunk

‘Is de wil vrij of onvrij, Hans?’

‘Waarom wil je dat weten?’

‘Het laat me gewoon niet los.’

‘Nou dan.’

-34-

Kan je geloven wat je wil?

‘Ik geloof heilig in de vrije wil, Hans.’

‘Ja, het heerst.’

‘Volgens mij bepaalt iedereen zelf wat hij denkt, doet en voelt.’

‘Zou je er ook niet in kunnen geloven als je dat wilde?’

‘In de vrije wil?’

‘Nou?’

‘Dat zou ik dan wel moeten kunnen, hè.’

‘Doe eens.’

‘…’

‘En?’

‘Ik geloof niet dat ik het wil.’

‘Ja, dat is altijd maar weer afwachten.’

-35-

Vrije wil in vrije val

‘Niet in de vrije wil geloven is net zoiets als niet in de zwaartekracht geloven, Hans.’

‘Geloof jij daar dan in?’

‘Hè?’

‘Wat?’

‘Ik kan me zo op de grond laten vallen als ik dat wil.’

‘Mensen vielen ook al voordat de zwaartekracht werd bedacht.’

‘Het gaat erom dat ik het vrijwillig doe.’

‘Mensen deden ook al voordat de vrije wil werd bedacht.’

‘De vrije wil is maar een gedachte, wou je zeggen.’

‘Dat het maar een gedachte is ook.’

‘Waar geloof jij dan in?’

‘Hè?’

‘Niet in geloven geloven is volgens mij net zoiets als in niet-geloven geloven.’

‘Geloof jij daar dan in?’

-36-

Stand-up comedy

Je vraagt of wij een vrije wil hebben.

‘Sta eens op’, zeg ik

Je staat op.

‘Ga eens zitten.’

Je gaat zitten.

‘Deed je dat nou uit jezelf of niet?’

‘Volgens mij wel.’

‘Als ik niets gevraagd had, zou je het dan ook gedaan hebben?’

‘Nee…’

‘Maar?’

‘Ik deed het wel degelijk uit vrije wil.’

‘Je deed het toch omdat ik het vroeg?’

‘Maar alleen omdat ik zelf instemde met jouw verzoek.’

‘Sta eens op.’

Nu blijf je natuurlijk zitten.

‘Blijf eens zitten.’

Nu sta je natuurlijk op.

‘Zie je wel,’ zeg je triomfantelijk, ‘jij hebt niets over mij te zeggen.’

‘Zou je dat ook gedaan hebben als ik niets had gevraagd?’

‘Wat gedaan hebben?’

‘Opstaan als ik je vraag om te gaan zitten en omgekeerd.’

‘Misschien niet, maar ik koos er toch echt zelf voor.’

‘Blijf dan maar staan.’

Je gaat zitten en staat meteen weer op.

‘En als ik had gezegd “Ga dan maar zitten”?’

Nu ga je erbij liggen.

‘Blijf dan maar liggen’, zeg ik.

‘Dat bepaal ik nog altijd zelf.’

‘Dan ga ik intussen een blokje om.’

‘Ik denk toch dat ik maar weer opsta.’

‘Je doet maar wat je niet laten kan.’

-37-

Bewijs in het ongerijmde

H: Geloof jij in de vrije wil?

X: Vrije wil bestaat niet.

H: Denk jij dat of overkomt die gedachte je?

X: Die overkomt me, denk ik.

H: Waarom zou je je er dan nog iets van aantrekken?

X: Omdat ik niet anders kan?

H: Niet omdat hij waar is?

X: Maar hij voelt wel waar.

H: Misschien overkomt dat gevoel je ook alleen maar.

X: Als gedachten en gevoelens me alleen maar overkomen, kan ik ook niet weten of ze waar zijn, wou je zeggen.

H: Geldt dat ook voor deze gedachte?

X: Ik vrees van wel.

H: Waarom zou je je er dan nog iets van aantrekken?

X: Omdat ik niet anders kan?

H: Niet omdat hij waar is?

X: Maar hij voelt wel waar.

H: Misschien overkomt dat gevoel je ook alleen maar.

X: Als de gedachte dat ik niet weet of gedachten en gevoelens waar zijn omdat ze me alleen maar overkomen me ook alleen maar overkomt, is het eind zoek.

H: Geldt dat ook voor deze gedachte?

X: Daar heb je het al.

-38-

Ervaarbewijs is geen bewijs

X: Hebben wij een vrije wil?

H: Geen idee.

X: Erváár jij een vrije wil?

H: Zo vaak.

X: Nou dan.

H: Dat ik bijziend ben betekent toch niet dat de wereld onscherp is?

X: Bedoel je dat vrije wil een illusie is?

H: Ik bedoel dat ervaring niet doorslaggevend is.

X: Dat zie ik toch anders.

H: Zeker nooit gedroomd.

X: Dat is ’s nachts.

H: Zeker nooit verliefd geweest.

X: Dat is tijdelijk.

H: Is het leven een hel omdat ik depressief ben?

X: Stemmingen zijn subjectief.

H: Is het leven een feest omdat ik euforisch ben?

X: Idem dito.

H: Is de wereld grijs omdat ik kleurenblind ben?

X: Stel je voor.

H: Bestaat Sinterklaas omdat je bij hem op schoot hebt gezeten?

X: Sinterklaas is een collectieve kinderwaan.

H: Dacht je dat ook toen je bij hem op schoot zat?

X: Natuurlijk niet.

H: Ervaring gaf toch de doorslag?

X: In dit geval niet.

H: Maar in het geval van de vrije wil wel?

X: Die ervaar ik nog steeds.

H: Sinterklaas toch ook?

X: Maar daar geloof ik niet meer in.

H: Aha!

X: Wat?

H: Dan is niet de ervaring doorslaggevend maar wat je erover gelooft.

X: Ik geloof er niks van.

H: Waarom kan jouw ervaring je geloof in de vrije wil dan wel bevestigen maar je ongeloof in Sinterklaas niet ontkrachten?

X: …

H: Ik bedoel maar.

X: Ik zou je bijna gaan geloven.

H: Nou nog ervaren.

-39-

Waarom mijn mening niet belangrijk is

X: Geloof jij dat je het voor het zeggen hebt?

H: Maakt niet uit.

X: Jouw mening is belangrijk voor mij.

H: Ik kan wel zoveel zeggen.

X: Hoe bedoel je?

H: Stel dat ik het niet voor het zeggen heb, maar beweer van wel.

X: Waarom zou je?

H: Wat maakt het uit als ik het niet voor het zeggen heb?

X: Goeie vraag.

H: Stel dus dat ik het niet voor het zeggen heb, maar beweer van wel, dan zou jij geen steek wijzer wezen.

X: Integendeel.

H: Of stel dat ik het wel voor het zeggen heb, maar beweer van niet.

X: Waarom zou je?

H: Om aan mezelf te bewijzen dat ik het kan, bijvoorbeeld.

X: Op die manier.

H: Dan zou jij weer geen steek wijzer wezen.

X: Integendeel.

H: Het zou ook kunnen dat ik meen wat ik zeg.

X: Daar ga ik zonder meer van uit.

H: Maar dat weet je niet.

X: Toegegeven.

H: Dus zou je opnieuw geen steek wijzer wezen.

X: Integendeel.

H: En zelfs als ik echt meende wat ik zei, zou ik het best eens mis kunnen hebben.

X: Ook dat nog.

H: En zou jij nog steeds geen steek wijzer wezen.

X: Integendeel.

H: Dus wat ik ook zeg, je schiet er niets mee op.

X: Nee.

H: Hiermee ook niet.

X: Maar geloof jij nou dat je het voor het zeggen hebt of niet?

H: Maakt niet uit.

-40-

Om vrij te laten

Doorhalen wat niet van toepassing is.

Ik

Ik ben

Ik ben vrij

Ik ben vrij om te doen

Ik ben vrij om te doen wat ik wil

Ik ben vrij om te doen wat ik wil maar ben ik wel

Ik ben vrij om te doen wat ik wil maar ben ik wel van mij

Mijn wil is vrij om te doen wat hij wil maar is hij wel van mij

Mijn wil is vrij om te doen wat hij wil maar is hij wel

Mijn wil is vrij om te doen wat hij wil

Mijn wil is vrij om te doen

Mijn wil is vrij

Mijn wil is

Mijn wil

-41-

Kikker in je wil

De wil zegt altijd ik
Ze zweert je eeuwig trouw
Maar is dat wat jij wil
Of wat zij wil in jou?

Springende menskikker.
Kikker in je wil

-42-

Wie is er ikker, mijn bil of mijn kikker?

De wil zegt altijd ik
Ik ben er steeds voor jou
Maar als ik niet meer wil
Legt zij mij aan een touw

De wil zegt altijd ik
Gedraagt zich als een pauw
Maar als ik haar negeer
Slaat zij mij bont en blauw

De wil zegt altijd ik
Voor mij is zij te nauw
Maar als ik me verstop
Schudt zij mij uit haar mouw

De wil zegt altijd ik
Maar deed zij wat ik wou
Dan liet ze mij met rust
En toonde ze berouw

-43-

Ik laat het er maar bij

De wil zegt altijd wij
Ik vind dat best wel raar
Gewis ben ik van háár
Maar was zij ooit van mij?

-44-

Wat je minstens over de vrije wil moet weten

‘Wat weet jij eigenlijk over de vrije wil, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

-45-

Waarom je broer zich heeft verhangen

‘Als ik maar wist waarom mijn broer zich heeft verhangen, Hans.’

‘Wat dan?’

‘Dan zou ik er vrede mee kunnen hebben.’

‘Ongeacht het antwoord?’

‘Als ik het maar wist.’

‘En als hij zou zeggen dat hij geen idee had?’

‘Dan zou ik zeggen: daar kom je niet mee weg.’

‘En als hij zou zeggen dat het zenuwzwakte was?’

‘Dan zou ik zeggen: waar heb je dat nou weer gelezen?’

‘En als hij het aan zijn homofilie zou wijten?’

‘Dan zou ik zeggen: daarvoor hoef je toch niet dood?’

‘En als hij zou zeggen dat het door zijn autisme kwam?’

‘Dan zou ik zeggen: autistisch zijn we allemaal.’

‘En als hij zou zeggen dat het Weltschmerz was?’

‘Dan zou ik zeggen: de wereld zorg wel voor zichzelf.’

‘En als hij zou zeggen dat hij misbruikt was?’

‘Dan zou ik zeggen: ik toch ook?’

‘En als hij zou zeggen dat hij zichzelf niet meer kon aanzien?’

‘Dan zou ik zeggen: ik ben nog lelijker dan jij.’

‘En als hij zou zeggen dat hij er geen gat meer in zag?’

‘Dan zou ik zeggen: je kwam pas net kijken.’

‘En als hij zou zeggen dat hij mensen alleen maar ongelukkig maakte?’

‘Dan zou ik zeggen: nee, van je dood worden we vrolijk.’

‘En als hij zou zeggen dat hij zich eenzaam voelde?’

‘Dan zou ik zeggen: iedereen hield van je.’

‘Wat had hij dan moeten zeggen?’

‘…’

‘Nou?’

‘Misschien wel niets.’

‘Dat heeft hij dan goed aangevoeld.’

-46-

Waarom je zus voor de trein is gesprongen

‘Ik snap niet waarom mijn zus voor de trein is gesprongen, Hans.’

‘Nee.’

‘Wat zou ik er niet voor over hebben als ik het haar kon vragen.’

‘Heb jij overal een goede reden voor?’

‘Niet overal voor, maar…’

‘Begrijp jij alles van jezelf?’

‘Niet alles, maar…’

‘Kan jij je omstandigheden overzien?’

‘Niet helemaal, maar…’

‘Waarom je zus dan wel?’

-47-

Waarom je vader een overdosis heeft genomen

Verklaringen afleggen.

‘Ik snap niet waarom mijn vader een overdosis heeft genomen, Hans.’

‘Heb je nog gedroomd vannacht?’

‘Ik droom wat af.’

‘Als iemand je vraagt je dromen uit te leggen, wat zeg je dan?’

‘Die is gek.’

‘Als jij je dromen van afgelopen nacht niet eens kan verklaren, waarom je vader dan wel zijn nachtmerrie van zoveel jaar geleden?’

-48-

Mijn vriend Wim verhing zich op zestienjarige leeftijd

Vredesgebed.

Mijn vriend Wim verhing zich op zestienjarige leeftijd.

Vrede zij met hem.

De zestienjarige Hans nam het hem heel erg kwalijk.

Vrede zij met hem.

De zestienjarige Hans nam het zichzelf ook heel erg kwalijk dat hij het vriend Wim heel erg kwalijk nam.

Vrede zij met hem.

De zestienjarige Hans gaf zichzelf ook nog eens de schuld dat vriend Wim zich verhing.

Vrede zij met hem.

Wim’s familie nam het Wim ook heel erg kwalijk dat hij zich verhing.

Vrede zij met hen.

Wim’s familie geeft zichzelf nog steeds de schuld dat Wim zich verhing.

Vrede zij met hen.

Ikzelf denk iedere dag aan zelfmoord.

Vrede zij met mij.

Sommigen vinden dat je het zelfdoding moet noemen.

Vrede zij met hen.

Sommigen nemen het mij kwalijk dat ik iedere dag aan zelfmoord denk.

Vrede zij met hen.

Sommigen nemen het mij niet kwalijk dat ik iedere dag aan zelfmoord denk, maar wel dat ik het niet voor me hou.

Vrede zij met hen.

Ik zal mezelf geen strobreed in de weg leggen als ik daadwerkelijk de hand aan mezelf sla.

Vrede zij met mij.

Sommigen nemen het mij kwalijk dat ik zeg dat ik mezelf geen strobreed in de weg zal leggen als ik daadwerkelijk de hand aan mezelf wil slaan.

Vrede zij met hen.

Als ik mezelf toch tegen wil houden als ik daadwerkelijk de hand aan mezelf wil slaan dan zal ik mezelf geen strobreed in de weg leggen.

Vrede zij met mij.

Mijn lief zal mij ook geen strobreed in de weg leggen als ik daadwerkelijk de hand aan mezelf wil slaan.

Vrede zij met haar.

Sommigen nemen het haar kwalijk dat ze mij geen strobreed in de weg zal leggen als ik daadwerkelijk de hand aan mezelf wil slaan.

Vrede zij met hen.

Als mijn lief mij toch tegen wil houden als ik daadwerkelijk de hand aan mezelf wil slaan dan zal ik haar geen strobreed in de weg leggen.

Vrede zij met ons.

Sommigen vinden dat je niet dood mag willen.

Vrede zij met hen.

Sommigen denken dat je daar iets over te zeggen hebt.

Vrede zij met hen.

Sommigen denken dat je er niets over te zeggen hebt.

Vrede zij met hen.

Sommigen denken dat zelfdoding een recht is.

Vrede zij met hen.

Sommigen denken dat niemand over zelfdoding mag oordelen.

Vrede zij met hen.

Sommigen denken dat iedereen vrij mag oordelen over zelfdoding.

Vrede zij met hen.

Sommigen denken dat iedereen vrij mag oordelen over wat ook.

Vrede zij met hen.

Sommigen vinden dat niemand vrij mag oordelen over wat ook.

Vrede zij met hen.

Jij vindt waarschijnlijk ook van alles.

Vrede zij met jou.

Of misschien vind je wel niks.

Vrede zij met jou.

-49-

Zeker lang geen kerst gevierd

‘Niemand houdt van mij, Hans.’

‘Hoe weet je dat.’

‘Waarom moet ik anders de kerstdagen weer alleen doorbrengen?’

‘Wou jij beweren dat je weet wat het betekent als mensen de kerstdagen alleen moeten doorbrengen?’

‘Dat niemand van je houdt natuurlijk.’

‘En de mensen die de kerstdagen wel samen doorbrengen?’

‘Die houden wel van elkaar.’

‘Zeker lang geen kerst gevierd.’

-50-

Tweede kerst

‘Alweer een eenzame kerst, Hans.’

‘Waarom klaag je nooit over eenzaamheid op gewone dagen?’

‘Omdat ik het dan niet zo sterk voel.’

‘Wat is het verschil tussen alleen zijn op 25 juni en alleen zijn op 25 december?’

‘Een half jaar.’

‘Wat maakt dat nou uit.’

‘Met kerst kruipt iedereen bij elkaar.’

‘Je moest eens weten hoeveel mensen op 25 juni bij elkaar kruipen.’

‘Ja, hou maar op.’

‘Hoezo?’

‘Straks ga ik me op ’s zomers ook nog eenzaam voelen.’

-51-

Ertussen genomen

‘Alweer een eenzame kerst, Hans.’

‘Misschien zit eenzaamheid wel tussen je oren.’

‘Dat biedt perspectief.’

‘Maar misschien zit het idee dat eenzaamheid tussen je oren zit, ook wel tussen je oren.’

‘Wat?’

‘Waar anders.’

‘Bedoel je dat eenzaamheid toch niet tussen je oren zit?’

‘Tenzij het idee dat eenzaamheid toch niet tussen je oren zit, ook tussen je oren zit.’

‘Misschien zit alles wel tussen je oren.’

‘Dan ook het idee dat alles wel tussen je oren zal zitten.’

‘Nou weet ik het helemaal niet meer.’

‘Dan heb je wat om over na te denken.’

‘Daar ben ik wel even zoet mee.’

‘Fijne kerst.’

-52-

Betrouwbaar gezelschap in een liefdeloze wereld

Vrienden voor het leven.

X: Niemand houdt van mij.

H: Ik hou van je.

X: Maar verder niemand.

H: Je hond?

X: Maar verder niemand.

H: Je moeder?

X: Maar verder niemand.

H: Je vader?

X: Die is dood.

H: Hield hij niet van je?

X: Dat was toen.

H: Je buren of buurtgenoten?

X: Dat weet ik niet, dus dat telt niet.

H: Dus niemand houdt van je.

X: Dat zeg ik.

H: Je koestert die gedachte, hè?

X: Ik haat die gedachte.

H: Maar ze verlaat je nooit?

X: Ze verlaat me nooit.

H: Betrouwbaar gezelschap in een liefdeloze wereld.

-53-

Hoe weet je dat er niemand van je houdt?

X: Niemand houdt van mij.

H: Zeker weten?

X: Ik denk het wel.

H: Heb je het aan iedereen gevraagd?

X: Niet aan iedereen.

H: Aan wie wel?

X: Aan niemand, eerlijk gezegd.

H: Hoe weet je het dan?

X: Dat weet ik gewoon.

H: Weet je het gewoon of denk je het gewoon?

X: Ik denk het gewoon.

H: Ben je van plan het te onderzoeken?

X: Ik denk het niet.

H: Waarom niet?

X: Misschien wil ik het wel niet weten.

H: Stel dat het niet waar zou zijn, wat dan?

X: Dat zou niet best wezen.

H: Waarom niet?

X: Waar zou ik anders boos en verdrietig over moeten zijn?

H: Wie zegt dat je daar een reden voor moet hebben?

X: Misschien kan ik wel niet boos of verdrietig zijn zonder reden.

H: Dan maar niet.

X: Joost mag weten hoe ik me dan zou voelen.

H: En daarom zeg je dat niemand van je houdt?

X: Kennelijk neem ik liever het zekere voor het onzekere.

H: Wat is er zeker aan de ongeverifieerde gedachte dat niemand van je houdt?

X: Inmiddels niets meer.

H: Kijk eens aan.

X: Het is niet zeker dat niemand van mij houdt.

H: Zeker weten?

-54-

Wou jij de ene leugen vervangen door de andere?

X: Niemand houdt van mij.

H: En?

X: Dat betekent dat ik onwaardig ben.

H: Want anders hielden ze wel van je?

X: Inderdaad.

H: Dus iedereen heeft gelijk?

X: Dat zou ik denken.

H: Waarom zou iedereen niet ongelijk hebben?

X: Zou je denken?

H: Ik heb geen idee.

X: Je wordt bedankt.

H: Wou jij de ene leugen vervangen door de andere?

-55-

Is het leven zinvol als er iemand van je houdt?

X: Niemand houdt van mij.

H: En?

X: Dat maakt mijn leven zinloos.

H: Hoezo?

X: Het is toch zeker zo.

H: Wou jij beweren dat het leven zinvol is als er iemand van je houdt?

X: Ja.

H: Wat zeg je dan tegen degenen die innig geliefd worden en het leven toch als zinloos ervaren?

X: Eh…

H: Niet slecht.

X: Hè?

H: En tegen degenen die zich niet geliefd weten en het leven toch als zinvol ervaren?

X: Eh…

H: En tegen jezelf?

X: Hè?

H: Niet slecht.

-56-

En maar concluderen

X: Niemand houdt van mij.

H: Hoe weet je dat?

X: Houden er veel mensen van jou?

H: Dat weet ik niet.

X: Hoe komt dat?

H: Omdat ik niet weet wat liefde is.

X: Heb je het nog nooit meegemaakt?

H: Ik heb van alles meegemaakt.

X: Maar geen liefde?

H: Dat weet ik niet.

X: Heb je nog nooit gekust?

H: Zo vaak.

X: Heb je nog nooit lieve woordjes uitgewisseld?

H: Zo vaak.

X: Heeft nooit iemand zielsgraag bij je willen zijn?

H: Zo vaak.

X: Nou dan.

H: Hoe bedoel je?

X: Dat betekent dat er iemand van je hield.

H: Waarom zou het iets betekenen?

X: Wou jij zeggen van niet?

H: Jij bent het die wat wil zeggen.

X: Bedoel je…

H: En maar concluderen.

-57-

En wat dan nog als er niemand van je houdt?

X: Niemand houdt van mij.

H: En?

X: Dat betekent…

H: Waarom stop je nou?

X: Omdat je toch weer gaat vragen hoe ik dat weet.

H: En vroeger of later moet je toegeven…

X: Dat ik dat niet weet.

H: En daarna zou ik je vragen…

X: Of dingen überhaupt wel iets betekenen. En dan zou ik zeggen…

H: ‘Wou jij soms zeggen van niet?’ En dan zou ik zeggen…

X: ‘Wie zegt dat ik iets wil zeggen?’

H: Hoe weet je dat allemaal?

X: Niet dan?

H: Daar zullen we nou wel nooit achter komen.

-58-

Uitgesproken over liefde

X: Niemand houdt van mij.

H: En?

X: Dat weet ik eigenlijk niet.

H: Hè hè.

X: Poe poe.

H: Was dat nou zo moeilijk?

X: Kennelijk.

H: Waarom?

X: Het betekent immers…

H: Daar gaan we weer.

X: … niets.

H: Nou dat weer.

-59-

Mag iedereen er zijn?

‘Wat is liefde voor jou?’

‘Dat ik er mag zijn, Hans.’

‘Dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.’

‘Dat we er allemaal mogen zijn.’

‘Dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.’

‘Bedoel je dat ik er niet mag zijn?’

‘Dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.’

‘Dat we er geen van allen mogen zijn?’

‘Dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.’

‘Basta met wel en niet mogen zijn, wou je zeggen.’

‘Dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.’

‘Niets valt op welke manier dan ook te onderbouwen, zou ik zeggen.’

‘Dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.’

‘Maar wat is dan liefde voor jou, Hans?’

‘Dit is nou liefde voor mij.’

-60-

De stilte van de storm

‘Vind jij dat iedereen er mag zijn, Hans?’

‘Welk standpunt zal ik vandaag eens verkondigen.’

‘O, waait de wind uit die hoek.’

‘Ik zou het eerder een windstilte noemen.’

‘Wat?’

‘Vind jij dat iedereen er mag zijn?’

‘Ware liefde heeft…’

‘O, waait de wind uit die hoek.’

‘… plaats voor iedereen, wou ik zeggen.’

‘Ook voor mensen die dat niet hebben?’

‘…’

‘Is dit nou de stilte of de storm?’

-61-

Een vervreemdbaar recht

X: Ik mag er zijn. Jij mag er zijn. Iedereen mag er zijn.

H: Van wie?

X: Ik bedoel alleen maar dat iedereen bij zijn geboorte een vrijkaart voor het leven krijgt.

H: Behalve de misgeboortes zeker.

X: Leven is een onvervreemdbaar recht zodra en zolang je leeft.

H: Voor sommigen blijkt het een vervreemdbaar recht.

X: Dat is nog steeds een recht.

H: Wie of wat verleent dat recht?

X: Er is een instantie groter dan jij en ik …

H: Ken jij die instantie?

X: Natuurlijk niet.

H: Hoe komt dat?

X: Omdat hij groter is dan jij en ik.

H: Hij of zij?

X: Dat weet ik niet.

H: Hoeveel groter?

X: Dat weet ik niet.

H: Waarom niet?

X: Omdat ik zijn of haar grenzen niet ken.

H: Ken je zijn of haar inhoud?

X: Ook niet.

H: Ben je absoluut zeker van zijn of haar bestaan?

X: Eerlijk gezegd niet.

H: Wat weet je eigenlijk wel van die instantie?

X: Eigenlijk niets.

H: Volgens mij zeg je maar wat.

X: Dat is te zeggen…

H: Nou?

X: Eigenlijk wel.

H: Ach, wie niet.

X: Ik doe maar alsof.

H: Alsof wat?

X: Alsof ik het allemaal wel doorheb.

H: Maakt niet uit.

X: Ik schaam me dood.

H: Mag dat er soms niet zijn?

X: Nou je het zegt.

H: Wat?

X: Ook dat mag er zijn!

H: Begin je nou weer?

-62-

Waarom niet alles er mag zijn

‘Alles mag er zijn, Hans.’

‘Dan ook het gevoel dat iets of iemand er niet mag zijn.’

‘Wát?’

‘En ook het gevoel dat niets of niemand er mag zijn.’

‘Hè?’

‘Aangenomen dat alles er mag zijn.’

‘Daar ben ik ineens niet meer zo zeker van.’

‘En?’

‘Wat?’

‘Mag die twijfel er zijn?’

-63-

Niemand is het leven onwaardig in elk opzicht

‘Ik ben het leven niet waardig, Hans.’

‘En anderen?’

‘Wel.’

‘In welk opzicht?’

‘In welk opzicht dan ook.’

‘Niemand is het leven waardig in elk opzicht.’

‘Maar ik ben het in geen enkel opzicht.’

‘Niemand is het leven onwaardig in elk opzicht.’

‘Hoe moet ik het dan zien?’

‘Wie zegt dat je het moet zien?’

‘En als ik het nou toch moet zien?’

‘Zie het dan maar zonder opzicht.’

-64-

Waardigheid is een onwaardig woord

X: Ik ben het leven niet waardig.

H: Wat dat aangaat zijn er wel tienduizend standpunten mogelijk.

X: Welke dan bijvoorbeeld?

H: Dat alleen gezonde mensen het leven waardig zijn.

Dat alleen slimme mensen het leven waardig zijn.

Dat alleen ariërs of Israëlieten of Roma of indianen of negers of agrariërs of stedelingen het leven waardig zijn.

Dat alleen edelen of arbeiders of rijkaards of vrijdenkers of christenen of moslims of boeddhisten of Hutu’s of Tutsi’s of Ajacieden of Feyenoorders het leven waardig zijn.

Dat alleen filantropen of kinderen of ouden van dagen of harde werkers of levensgenieters of dieren of aliens het leven waardig zijn.

Dat alleen ik het leven waardig ben.

Dat alleen anderen het leven waardig zijn.

Dat iedereen het leven waardig is.

Dat niemand het leven waardig is.

Dat je het soms wel waardig bent en soms niet.

Dat je het tegelijk waardig en onwaardig bent, of waardig noch onwaardig.

Dat waardig een onwaardig woord is.

Enzovoort, enzovoort.

Je kan het zo gek niet bedenken of iemand vindt het wel.

X: Nou je het zegt…

H: Of ik het nou zeg of niet.

X: Eigenlijk wist ik dat allang.

H: Maar je hebt het nooit met je gevoel van minderwaardigheid in verband gebracht?

X: Nee.

H: Vanuit welk standpunt ben jij het leven niet waardig?

X: Ik ben geen productief lid van de maatschappij.

H: Werkeloos?

X: Ik haat dat woord.

H: Vanuit het standpunt dat je je plekje met werken moet verdienen is je leven inderdaad niet te rechtvaardigen.

X: Wát?

H: Maar hoe rechtvaardig je dat standpunt?

X: Het valt goed te verdedigen dat…

H: Op welke gronden berust die zienswijze?

X: Uitgaand van de gedachte dat…

H: Op welke gronden berusten die gronden?

X: Gezien het feit dat…

H: En die?

X: …

H: Daar heb je het al.

X: Misschien zijn standpunten het leven niet waardig.

H: Dat is gewoon het volgende standpunt.

-65-

Was ik maar verlicht, dan was mijn bestaan gerechtvaardigd

‘Waar ben je toch steeds zo druk mee?’

‘Verlicht worden, Hans.’

‘Waarom in godsnaam?’

‘Dan zal ik eindelijk het leven waardig zijn.’

‘Als verlichte zul je het verschil tussen waardig en onwaardig niet meer weten.’

‘Des te beter.’

‘Noch het verschil tussen beter en slechter.’

‘Maakt niet uit.’

‘Noch het verschil tussen verlicht en onverlicht.’

‘Als ik maar geen loser meer ben.’

‘Noch het verschil tussen winnen en verliezen.’

‘Maar mijn leven…’

‘Noch het verschil tussen leven en dood.’

‘Maar mijn…’

‘Noch het verschil tussen mijn en dijn.’

‘Zal ik dan niets meer weten?’

‘Noch het verschil tussen weten en niet-weten.’

‘Maar als ik verlicht wordt…’

‘Noch het verschil tussen worden en zijn.’

‘Maar als je nou in eenheid verkeert…’

‘Noch het verschil tussen eenheid en verdeeldheid.’

‘Dan weet ik eerlijk gezegd niet of ik nog wel verlicht wil worden.’

‘Dan heb je de eerste stap gezet.’

-66-

Wie zou je zijn zonder liefde?

‘Ik ben het leven niet waardig, Hans.’

‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’

‘Gaan we Byron Katie nadoen?’

‘Wie zou je zijn zonder Byron Katie?’

‘Zo ken ik je weer.’

‘Nou?’

‘Mezelf?’

‘Wie is mezelf?’

‘Degene die het leven niet waardig is.’

‘Wie zou je zijn zonder het leven?’

‘Wat?’

‘Vertel me dan maar wie je zou zijn zonder jezelf.’

‘Nou moet ik zeker zeggen dat ik zou dansen als een derwisj.*’

* gevleugeld woord van Byron Katie

‘Wie zou je zijn zonder benen?’

‘Nou moet ik zeker zeggen dat ik…’

‘Wie zou je zijn zonder tong?’

‘…’

‘Wat klets je dan.’

-67-

Waarom wijzen uit het oosten komen

Leerling: Wat is de weg?

De meester wijst naar de ondergaande zon.

Leerling: Ik snap het niet.

Meester: Als een dwaas maar lang genoeg naar het westen loopt, wordt hij vanzelf een wijze uit het oosten.

-68-

Niet-weten is een vuurzee

X: Wat heeft niet-weten voor nieuws te bieden?

H: Niet-weten heeft niets te bieden, laat staan iets nieuws.

X: Waarin onderscheidt het zich dan?

H: In dat het er openlijk voor uitkomt.

X: Waarvoor?

H: Dat het niets te bieden heeft.

X: Is dat alles?

H: Kom er maar eens om.

X: Hoezo?

H: Overal kan je wel iets krijgen, maar waar krijg je nou niets?

X: Als je hét niets bedoelt dan weet ik nog wel een paar adresjes.

H: Maar ik bedoel gewoon niets.

X: Dan zal het ook wel niets kosten.

H: Integendeel, het zal je alles kosten.

X: Niet-weten brengt je niets maar kost je alles?

H: Wat wil je nog minder.

X: Geef mijn portie maar aan Fikkie.

H: Zeg maar gerust vuurzee.

X: En als je eenmaal niet meer weet?

H: Dan brengt het je alles en kost het je niets.

-69-

De gelijkenis van de veerboot

“Als iemand in een vierkante veerbak een rivier oversteekt en een lege boot botst tegen hem op, dan wordt hij niet boos, ook al is hij misschien wel een humeurig persoon. Maar als er iemand in die boot zit, dan gaat onze veerman schreeuwen dat hij afstand moet bewaren. En als de eerste schreeuw niet wordt gehoord, dan volgen er een tweede en een derde, en daarna, als er nog steeds geen gehoor wordt gegeven, volgen er lelijke woorden. Eerst werd hij niet kwaad, en nu wel: dat komt alleen omdat eerst de boot leeg was, en nu vol! Iemand die zichzelf kan leegmaken en zo in de wereld rondzwerven, wie zou die ooit kunnen deren?”

Bron: Zhuang Zi, de volledige geschriften, Kristofer Schipper, 2007/2011, hoofdstuk 20.II, p259.

Waarom word je niet boos op een onbemande boot en wel op een bemande?

Niet op een baby maar wel op een kind?

Niet op de tak waarmee je geslagen wordt maar wel op degene die slaat?

Waar slaat dat allemaal op?

Slaat het wel ergens op?

Hoe maak je jezelf leeg?

Leeg waarvan?

Hoe is het om als een lege boot op de rivier van het leven te drijven?

Kan je daar zelf voor kiezen of moet je dan roerganger zijn?

-70-

Niet-weten is uit de kunst

‘Wat is niet-weten?’

‘De kunst van het weglaten.’

‘Wat blijft er over als je alles weglaat?’

‘Tja.’

‘Dat is ook niet veel.’

‘Och.’

‘Het enige wat rest is de kunst van het weglaten?’

‘Ook afgedankt.’

-71-

Niet-weten als apatheia en ataraxia

Het stoïsche woord apatheia (Grieks, a, niet + pathè, emotie) betekent letterlijk emotieloos, zonder gevoel zijn.

Wij verstaan onder apathie een ongewenste staat van onverschilligheid, afstomping of lusteloosheid, maar dat is niet wat hier bedoeld wordt.

Apatheia is een gewenste staat van onbewogenheid, gelatenheid, zorgeloosheid, berusting, kalmte, harmonie en gemoedsrust.

De cerebrale variant van apatheia is ataraxia (Grieks, a, niet + tarassoo, verwarren, woelig maken).

Ataraxie is letterlijk een toestand van onverwardheid, helderheid van geest, maar in het oud-Griekse spraakgebruik was het tevens een vorm van a-pathische onverstoorbaarheid.

Borstbeeld met een hoofd dat rood is van ergernis omdat er een meeuw op zijn hoofd schijt.

Filosofie: fatalisme en scepticisme

Het belangrijkste verschil tussen apatheia en ataraxia is misschien niet de gemoedstoestand die ermee aangeduid wordt, maar de weg ernaartoe.

Apatheia is een term uit het stoïcisme, ataraxia uit het scepticisme.

Stoïcisme is de deterministische en fatalistische leer dat wat je overkomt helemaal bepaald wordt door de omstandigheden.

Alleen het oordeel dat je erover velt bepaal je zelf.

In een deterministisch universum er maar één juist oordeel mogelijk, namelijk dat alles op ieder moment precies is zoals het zijn moet.

Door dit constant voor ogen te houden bereikt de stoïcijn apatheia.

Scepticisme is de leer dat je nergens zeker van kan zijn.

Als je overal aan kan twijfelen, is geen enkel oordeel definitief.

In een onzeker universum is er maar één houding mogelijk, namelijk ieder oordeel voor onbepaalde tijd op te schorten.

Deze houding heet in het Grieks epoche.

Ataraxia bereikt de scepticus door niet meer te oordelen.

Boeddhisme: nirwana en moksha

Apatheia en ataraxia zijn Griekse woorden, maar dat betekent niet dat het streven naar onverstoorbaarheid typisch Grieks of westers is.

Boeddhistische beschrijvingen van nirwana (uitdoving) en moksha (bevrijding van samsara, de cyclus van geboorte, lijden en dood) komen op hetzelfde neer.

Wanneer een boeddhist spreekt van ‘opperste gelukzaligheid’ en ‘volkomen harmonie’ bedoelt hij daarmee geen euforie, verrukking, vervoering of extase, want gevoelens zijn van voorbijgaande aard en een bron van lijden.

De boeddhistische praktijk is gericht op een duurzame staat van aanvaarding, onthechting en innerlijke rust.

Advaita vedanta: de kenner en het gekende

In advaita komt het er niet op aan emoties uit te bannen en oordelen op te schorten, zoals in de sceptische, stoïsche en epicuristische filosofieën en in het boeddhisme.

Het komt erop aan ze onaangedaan te ondergaan.

Rustig beziet de non-dualist zelfs zijn heftigste emoties, zoals een professioneel acteur zijn eigen toneelspel gadeslaat.

Hij weet dat hij het onveranderlijke en onvergankelijke Bewustzijn zelf is, waarin alle verschijnselen maar rimpels zijn, en niet de persoon die daarin verschijnt als ‘ik’.

Het is alsof de advaitavadin zichzelf heeft verdubbeld in een waarnemer en een deelnemer, en zich in de eerste heeft teruggetrokken.

Uiterlijke en innerlijke verschijnselen trekken voorbij als wolken aan de hemel zonder deze te verstoren.

Of als een storm die aan de oppervlakte van de oceaan grote golven opstuwt maar de diepzee onberoerd laat.

Immanentie en transcendentie

Het idee dat de veranderlijke wereld zich voltrekt in een onveranderlijk medium, kom je tegen in verschillende tradities onder verschillende namen.

Zo spreekt men in het hindoeïsme van atman, brahman of parabrahman, in het non-dualisme van bewustzijn, het kennen, het waarnemen of het beminnen, in het zenboeddhisme van het ware zelf, de boeddhanatuur, de geest of de zoheid der dingen, in de mystiek van god of de godheid of het ene, in het taoïsme van de Tao.

Hierbij gaat het steeds om iets dat in het alledaagse aanwezig is als essentie of dat het alledaagse overstijgt.

Het eerste heet immanentie, het laatste transcendentie.

Volgens sommige tradities kan je het onveranderlijke wel ervaren, volgens andere maar een beetje, na lang oefenen, volgens weer andere principieel niet omdat het van elk ervaren, van elk voorstellen de grond zou zijn.

Een non-traditie

Het scepticisme, het stoïcisme, het epicurisme, de advaita vedanta, het hindoeïsme, het boeddhisme, het taoïsme en de mystiek – al deze en andere religieuze, spirituele en filosofische tradities schurken bij wijlen tegen agnose aan.

Toch moeten we tradities niet proberen te reduceren tot een radicaal niet-weten, en een radicaal niet-weten niet tot een of andere traditie, want daarmee doen we beide tekort.

In een radicaal niet-weten blijft geen enkel begrip, halfbegrip, niet-begrip of onbegrip overeind.

Daar is geen sprake van immanentie of transcendentie.

Niet van atman, brahman, het ware zelf, de boeddhanatuur of de zoheid der dingen.

Niet van dualisme, non-dualisme, non-dualistisch dualisme, monisme of nihilisme.

Niet van determinisme, fatalisme, stoïcisme of scepticisme.

Niet van apatheia, niet van apathie, niet van epoche, niet van ataraxie.

Aan een radicaal niet-weten gaat alles te gronde, ook het niet-weten zelf.

Hoe zou het dan ooit een traditie kunnen zijn?

Hoe zou het ooit onderdeel van een traditie kunnen zijn?

Hoe zou een traditie er ooit onderdeel van kunnen zijn?

De muziek van de stilte

Een saaie bedoening, denk je nu misschien, alsof je met een triangel een compositie voor een heel orkest moet spelen, maar dan vergis je je lelijk.

Niet-weten, dat is zwaarteloos zweven, wiegen en wuiven.

De muziek van de stilte – daar kan geen orkest tegenop.

Onderwaterfiguur van triangels met wuivend wier als haar.
Zwaarteloos zweven, wiegen en wuiven.

Wie dit toch weer apatheia of ataraxia wil noemen, moet het vooral niet laten.

Wie het beslist geen apatheia of ataraxia wil noemen, moet het vooral niet doen.

Ik word er niet warm of koud van.

-72-

De vier seizoenen van het spirituele pad

Lente

Doen

Hechten

Weten

Zomer

Niet doen

Niet hechten

Niet weten

Herfst

Niet doen aan niet doen

Niet hechten aan niet hechten

Niet weten van niet-weten

Winter

Tja

Tja

Tja

-73-

Opgaan in het afgaan

Als we het over gewone gevoelens hebben, is vrede het tegenovergestelde van onvrede.

Je voelt je vredig óf je voelt je onvredig.

Naarmate het gevoel van vrede toeneemt, neemt het gevoel van onvrede af en omgekeerd.

De vrede van niet-weten is anders.

Die is onafhankelijk van je gevoel.

Nee, dat zeg ik verkeerd.

De vrede van niet-weten gedijt bij tegenstrijdige gevoelens.

Hij voedt zich met álle gevoelens.

De vreemde vrede van niet-weten is er altijd.

Dus ook als je bang bent.

Ook als je onrustig bent.

Ook als je boos bent.

Alsof het uit een ander vaatje tapt.

Alsof het eerder een geestestoestand is dan een gemoedstoestand – ataraxia in plaats van apatheia.

Maar ja.

Wie kent het verschil tussen geest en gemoed?

Of zullen we het een buikgevoel noemen?

Maar welk buikgevoel dan?

Dat van een gevulde maag of van een lege maag?

Dat van een bourgondiër of van een hongerkunstenaar?

Misschien wel het buikgevoel van een endeldarm die eindelijk aan zijn gerief komt.

Helemaal opgaand in het afgaan.

Zuchtend van verlichting.

Shit.

Dat krijg je ervan als je vrede sluit met je onvrede.

Dan heb je geen woorden meer.

Dan sta je steeds voor aap.

Ook dát verstoort de vrede niet.

De vrede van niet-weten.

-74-

Wat je minstens van gemoedsrust moet weten

‘Wat weet jij eigenlijk van gemoedsrust, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

-75-

Goed nieuws: er zijn vele wegen naar onverstoorbaarheid

‘Ken jij de weg naar onverstoorbaarheid, Hans?’

‘Ik ken er maar een.’

‘Zeg op.’

‘Zelfmoord.’

‘Wát?’

‘Maar dat kan wel op veel manieren.’

-76-

Onverstoorbaar zijn alleen de doden

‘Heeft niet-weten jou onverstoorbaarheid gebracht, Hans?’

‘Niet-weten heeft mij niets gebracht.’

‘Heeft dat niets het karakter van onverstoorbaarheid?’

‘Van onverstoorbaarheid weet ik niets.’

‘Jij bent dus niet onverstoorbaar?’

‘Integendeel, zou ik haast zeggen.’

‘Integendeel?’

‘Ik ben compleet verstoorbaar.’

‘Maar jij bent toch…’

‘Zijn is verstoorbaar zijn.’

‘Dat snap ik niet.’

‘Het is heel eenvoudig:

Een waarneming is een verstoring van de vorige waarneming of van de stilte tussen twee waarnemingen.

Een gedachte is een verstoring van de vorige gedachte of van de stilte tussen twee gedachten.

Een gevoel is een verstoring van het vorige gevoel of van de stilte tussen twee gevoelens.

Niet-weten is een verstoring van het weten dat eraan vooraf ging.

Weten is een verstoring van een ander weten of van een niet-weten dat eraan vooraf ging.

Slaap is een verstoring van de waak, waak weer van de slaap, honger van verzadiging en omgekeerd, rust van inspanning, en zo verder.’

‘Niet-weten betekent dus niet dat je onverstoorbaar bent?’

‘Onverstoorbaar zijn alleen de doden.’

-77-

Het geheim van gemoedsrust

‘Het geheim van gemoedsrust is niets verwachten, Hans.’

‘Hoezo?’

‘Als je niets verwacht kan niets meer tegenvallen en raak je nooit meer van slag.’

‘Heb je dat ervaren of heb je dat bedacht?’

‘Dat is wat ik verwacht.’

‘Nou maar hopen dat het niet tegenvalt.’

-78-

De schrale troost van niet-weten

X: Wat is de troost van niet-weten?

H: Niet goed is ook goed.

X: Waarom?

H: Omdat je toch niet weet wat goed is.

X: Dan houdt het op.

H: En omdat je nooit weet waar niet goed allemaal nog goed voor zal zijn.

X: Het kan verkeren.

H: Vandaar.

X: Maar dan is goed toch ook niet goed?

H: Klopt.

X: Omdat je ook niet weet wat niet goed is?

H: Geen idee.

X: En omdat je nooit weet waar goed allemaal weer niet goed voor zal zijn?

H: Het kan verkeren.

X: Noem dat maar troost.

H: Noem het dan maar niet-weten.

-79-

Als het je niet meer uitmaakt dat het je nog wat uitmaakt

H: Wat is niet-weten volgens jou?

X: Dat het je niet uitmaakt.

H: Waarom niet?

X: Omdat je niet zou weten waarom.

H: En als het je toch uitmaakt?

X: Maakt niet uit.

H: En als ook dat je nog uitmaakt?

X: Maakt niet uit.

H: Spreek je uit ervaring of heb je het bedacht?

X: Wat maakt dat nou uit.

H: Eerlijk zeggen.

X: …

H: Nou?

X: Ik heb het bedacht.

H: Geen probleem.

X: Maar het werkt niet.

H: Dat haal je de koekoek.

X: Je wordt verdomme helemaal niet onverstoorbaar van niet-weten!

H: Maakt niet uit.

X: Je wordt er verdomme helemaal niks van!

H: Dat is niet-weten.

-80-

Er niet mee zitten dat je ergens mee zit

‘Wat is gemoedsrust, Hans?’

‘Er niet mee zitten dat je ergens mee zit.’

‘Wanneer zal ik er niet meer mee zitten dat ik ergens mee zit?’

‘Als alle hoop vervlogen is.’

‘Blijf ik zeker met de wanhoop zitten.’

‘Die vervliegt met de hoop.’

‘Zal ik wel antwoorden hebben?’

‘Je zal alle antwoorden kwijt zijn.’

‘Blijf ik zeker met de vragen zitten.’

‘Die vervliegen met de antwoorden.’

‘Blijf ik zeker met niets zitten.’

‘Met niets kan je niet zitten.’

‘Zit jij nog ergens mee?’

‘Gewoonlijk niet, mee.’

‘En als je toch ergens mee zit?’

‘Kan gebeuren.’

‘Wat dan?’

‘Dan zit ik dáár niet mee.’

‘En als je er toch mee zit?’

‘Kan gebeuren.’

‘Wat dan?’

‘Dan zit ik dáár niet mee.’

‘En anders maar wel?’

‘En anders maar wel.’

‘En dat wou jij gemoedsrust noemen?’

‘En dat wou jij gemoedsrust noemen.’

-81-

Onder ogen zien dat je niet alles onder ogen ziet

‘Wat is innerlijke vrede, Hans?’

‘Alles onder ogen zien.’

‘En als je dat niet kan?’

‘Niks aan de hand.’

‘Maar wat dan?’

‘Dan zie je dat gewoon onder ogen.’

‘En als dat ook niet helpt?’

‘Jij denkt nog steeds dat iets zal helpen.’

‘Wou jij beweren van niet?’

‘Daar ben ik helemaal niet mee bezig.’

‘Ik weet niet of ik dit wel wil weten.’

‘Dan zie je dat maar onder ogen.’

‘Als ik alles onder ogen zie, zal ik dan vrede hebben?’

‘Ooit iemand ontmoet die alles onder ogen zag?’

‘Persoonlijk?’

‘Nou?’

‘Jou.’

‘Dat weet je toch niet?’

‘Maar jij toch wel?’

‘Ik zie onder ogen dat ik niet alles onder ogen zie.’

‘Wat zie jij bijvoorbeeld niet onder ogen?’

‘Wonden aan mijn eigen lichaam bijvoorbeeld niet. Als er bij mij bloed afgenomen moet worden kijk ik letterlijk weg. Dan nog val ik flauw.’

‘Gaat dat ooit veranderen, denk je?’

‘Daar ben ik helemaal niet mee bezig.’

‘Als ik onder ogen zie dat ik niet alles onder ogen zie, zal ik dan vrede hebben?’

‘Weet ik niet.’

‘Tja.’

‘Wat?’

‘Ik had me er meer van voorgesteld.’

‘Ook dat moet je onder ogen zien.’

-82-

Gedachten zijn duistere machten

‘Wat is bezorgdheid, Hans?’

‘Denken dat je iets kan overkomen.’

‘Wat is gemoedsrust?’

‘Denken dat je niets kan overkomen.’

‘Wat denk jij?’

‘Dat het denken je overkomt.’

‘Meen je dat nou?’

‘Och.’

‘Waarom zei je het dan?’

‘Het viel me zomaar in.’

-83-

Morgen is niet nu, maar de angst voor morgen wel

‘Morgen moet ik gadverdamme weer naar de tandarts.’

‘Je gaat me toch niet vertellen dat je daar bang voor bent, Hans?’

‘Nou en of.’

‘Dat is anders nergens voor nodig.’

‘Waarom niet?’

‘Morgen is alleen maar een gedachte.’

‘Dat morgen alleen maar een gedachte is ook.’

‘Maar morgen is toch niet nu?’

‘Maar de angst voor morgen is wel nu.’

‘Maar angst heeft toch helemaal geen zin?’

‘Een blindedarm heeft ook helemaal geen zin.’

‘En?’

‘Toch heb ik hem.’

‘Een blindedarm?’

‘En angst voor de tandarts.’

‘Ik eerlijk gezegd ook.’

‘Wat?’

‘Een blindedarm, en angst voor de tandarts.’

‘Nou dan.’

‘Maar ik wil het niet weten.’

‘Ben jij soms bang voor angst?’

‘Het is zo irrationeel.’

‘Ben jij soms bang voor irrationaliteit?’

-84-

Alle Wegen Lijden Naar Dromen

Eenmalige aanbieding, het absolute meesterwerk: Alle Wegen Lijden Naar Dromen van drs. Johannes Nicolaas van Dam*, honderddelig, goud op snee.

* Bekend van de bestsellers Het Icaruscomplex en Vallen tot je niet meer opstaat.

1. Het sprookje van het materialisme

2. Het sprookje van het idealisme

3. Het sprookje van de persoon

4. Het sprookje van het ware zelf

5. Het sprookje van geen-zelf

6. Het sprookje van de ware geest

7. Het sprookje van geen-geest

8. Het sprookje van het doen

9. Het sprookje van niet-doen

10. Het sprookje van het loslaten

11. Het sprookje van de vrije wil

12. Het sprookje van de onvrije wil

13. Het sprookje van overgave

14. Het sprookje van genade

15. Het sprookje van de hel

16. Het sprookje van de hemel

17. Het sprookje van gehechtheid

18. Het sprookje van onthechting

19. Het sprookje van veelheid

20. Het sprookje van afgescheidenheid

21. Het sprookje van eenheid

22. Het sprookje van dualiteit

23. Het sprookje van non-dualiteit

24. Het sprookje van onuitsprekelijkheid

25. Het sprookje van de film en het doek

26. Het sprookje van het worden

27. Het sprookje van het zijn

28. Het sprookje van verlichting

29. Het sprookje van de bron

30. Het sprookje van essentie

31. Het sprookje van het absolute

32. Het sprookje van de hoogste waarheid

33. Het sprookje van de diepste grond

34. Het sprookje van de achterste stoel

35. Het sprookje van de eerste oorzaak

36. Het sprookje van alleen maar dit

37. Het sprookje van maya

38. Het sprookje van immanentie

39. Het sprookje van transcendentie

40. Het sprookje van het eeuwige nu

41. Het sprookje van transformatie

42. Het sprookje van realisatie

43. Het sprookje van een hogere werkelijkheid

44. Het sprookje van een onbemiddelde werkelijkheid

45. Het sprookje van je goddelijke natuur

46. Het sprookje van het totaal andere

47. Het sprookje van het bewustzijn

48. Het sprookje van het keuzeloos gewaarzijn

49. Het sprookje van niet-oordelen

50. Het sprookje van mindfulness

51. Het sprookje van spontaniteit

52. Het sprookje van authenticiteit

53. Het sprookje van de stilte

54. Het sprookje van de onschuld

55. Het sprookje van onverstoorbaarheid

56. Het sprookje van blijvend geluk

57. Het sprookje van onvoorwaardelijke liefde

58. Het sprookje van neutraliteit

59. Het sprookje van openheid

60. Het sprookje van de thuiskomst

61. Het sprookje van de kosmische grap

62. Het sprookje van het scepticisme

63. Het sprookje van het stoïcisme

64. Het sprookje van het postmodernisme

65. Het sprookje van het relativisme

66. Het sprookje van het existentialisme

67. Het sprookje van het absurdisme

68. Het sprookje van het nihilisme

69. Het sprookje van de grote weg

70. Het sprookje van geen-weg

71. Het sprookje van zelfvergetelheid

72. Het sprookje van verdienste

73. Het sprookje van devotie

74. Het sprookje van ascese

75. Het sprookje van het verzaken

76. Het sprookje van het derde oog

77. Het sprookje van het ego

78. Het sprookje van de mind

79. Het sprookje van het Werk

80. Het sprookje van autolyse

81. Het sprookje van meditatie

82. Het sprookje van de dharma

83. Het sprookje van niet-dharma

84. Het sprookje van samsara

85. Het sprookje van nirwana

86. Het sprookje van je boeddhanatuur

87. Het sprookje van het universele mededogen

88. Het sprookje van de geloften

89. Het sprookje van het kleine voertuig

90. Het sprookje van het grote voertuig

91. Het sprookje van de transmissie van hart tot hart

92. Het sprookje van de vinger en de maan

93. Het sprookje van je oorspronkelijke gezicht

94. Het sprookje van vorm en leegte

95. Het sprookje van de kennis zonder leraar

96. Het sprookje van de wijsheid voorbij alle wijsheid

97. Het sprookje van de sophia perennis

98. Het sprookje van het mysterie

99. Het sprookje van niet-weten

100. Het sprookje van de lege leer

Zolang de voorraad strekt en uitsluitend verkrijgbaar bij uitgeverij Eeuwig Zweven onder vermelding van ‘Slaap zacht’.

Nu kopen

-85-

Waarheid is een koe

Tegeltje met spreuk.
Waarheid is een koe, ze laat zich door iedereen melken.

-86-

Twee heilige koeien

’s Lands wijs.

‘Wat is de belangrijkste oorzaak van verkeersdoden in India?’

‘De heilige koe.’

‘En in de rest van de wereld?’

‘De heilige koe.’

-87-

Liefde is geen doen

Een slecht gesprek over een echt gesprek.

‘‘Raar vind ik het dat je thuis en op school wel leert wat je zult tegenkomen als je naar het noorden rijdt of naar het zuiden, naar het oosten of naar het westen, maar niet wat je allemaal in de krochten van je geest kunt aantreffen, laat staan hoe je daarmee om moet gaan.’’

Waarom wachten? Brand maar los

Jane: Graag zou ik je interviewen voor … over het thema Liefde is de Weg. Ben je daar voor in?

Hans: Wat is liefde?

Is liefde?

Heb jij een liefde?

Wat is de weg?

Is er een weg?

Waar wil je weg?

Jane: Het is de bedoeling dat ik de vragen stel.

Hans: O, dat wist ik niet.

Wiens bedoeling eigenlijk?

Waarom?

Jane: Mijn bedoeling. De reden dat ik je benader, bedoel ik. Voel je er wat voor om een gesprek aan te gaan over Liefde en de Weg?

Hans: Ik dacht dat we al begonnen waren.

Jane: Nou?

Hans: Over de liefde en de weg in het algemeen heb ik helaas niets te melden, of je moet dat vermeldenswaardig vinden.

Maar er komen in weerwil van jouw bedoeling wel spontaan allerlei vragen in me op, die ik nog even gauw stel voor ik me door jou in de hoek van geïnterviewde laat schilderen.

Wat betekent het thema voor jou persoonlijk?

Zit het je hoog of ben je eruit?

Als je eruit bent, waarom wil je er dan nog over praten?

Als het je hoog zit, ben ik dan wel de juiste persoon om mee te praten?

Waarom niet met je partner, als je die hebt, of met je beste vriend, als je die hebt, of met je leraar, als je die hebt?

Of zit de redactie weer eens verlegen om kopij?

Jane: Je begrijpt het niet. Dit is een kans. Ik bied jou een platform om over jezelf te praten.

Hans: En jij dan? Wil je zelf soms buiten schot blijven?

Jane: Zondag ben ik de hele dag in Amsterdam. Zullen we wat afspreken? Zeg maar waar en wanneer, ik trakteer.

Hans: Waarom wachten? Brand maar los.

Wie is er bang voor een echt gesprek?

Jane: Waarom doe je zo moeilijk? Ben je bang voor een echt gesprek?

Hans: Nee hoor. Ik voer iedere dag echte gesprekken, urenlang.

Ook correspondentie kan een echt gesprek zijn, al lijkt het een uitstervende kunst.

Ben jij bang voor een echte correspondentie?

Jane: Ben jij soms bang voor mensen?

Hans: Nou en of. Jij niet?

Jane: Interessant. Ik dacht dat jij nergens bang voor was. Waar ben je bang voor?

Hans: Voor mensen die denken dat ik nergens bang voor ben.

Voor mensen die geloven dat er mensen zijn die nergens bang voor zijn.

Voor mensen die zeggen dat ze nergens bang voor zijn.

Voor mensen die dingen doen die ze niet willen omdat anderen zeggen dat ze niet durven.

Voor mensen die nooit antwoord geven.

Voor mensen die nooit een vraag stellen.

Voor mensen die iedere vraag met een wedervraag beantwoorden.

Voor mensen die overal een mening over hebben,

Voor mensen die hun zin doordrijven.

Voor mensen die zich verschansen in een rol – teveel om op te noemen.

Jane: Waaronder een echt gesprek.

Hans: Nee, ik ben niet bang voor een echt gesprek.

Niet voor intimiteit.

Niet voor vertrouwelijkheid.

Maar des te meer voor afstandelijkheid, vormelijkheid, omzichtigheid.

Het zijn de spelletjes waar je zomaar in verzeild kunt raken die ik vrees.

Het doen alsof.

De beleefdheden, de vleierij, de gelijkhebberij, de machtsstrijd, de schijnheiligheid, de rituelen.

Ik net zo goed als jij hoor, dat zit heel diep.

Niet kunnen zeggen wat je voelt, overal omheen draaien.

Over het weer moeten praten terwijl ik misschien met mijn neus in je kruis wil duiken.

Al die omtrekkende bewegingen.

Dáár ben ik bang voor.

Maar niet voor een echt gesprek.

Jij?

Vraag niet hoe het kan

Jane: Wat versta jij dan onder een echt gesprek?

Hans: Dat is niet zo moeilijk.

Toevallig ben ik gezegend met een intense relatie met iemand met een – voor mij – volkomen open geest aan wie ik me helemaal bloot durf te geven en die zich voor zover ik weet helemaal aan mij bloot durft te geven.

Zonder touwtrekkerij, zonder terughoudendheid, zonder doel, zonder wil.

Een dynamische uitwisseling waarvan de afloop niet van tevoren vaststaat.

Dat is voor mij een echt gesprek.

Het loopt al zowat dertig jaar van hot naar haar en het gaat maar door.

Jane: Hoe doen jullie dat?

Hans: Vraag niet hoe het kan, ik snap er ook niks van.

Het is geen vaardigheid, gesprekstechniek, talent, houding of levenservaring.

Niet iets waarover we vrij kunnen beschikken en dat ons in onze andere contacten goed van pas komt.

Het was er vanaf de eerste dag.

Geen van beiden zijn we er ooit in geslaagd die sfeer van vertrouwelijkheid met iemand anders op te bouwen en vast te houden.

Het is dus niet onze verdienste dat het tussen ons zo goed marcheert en het is niet andermans tekortkoming wanneer het met een van ons weer eens hapert of stokt.

Van allemansvrienden, eenmansvrienden en kluizenaars

Jane: Gaat al dat praten met dezelfde persoon op den duur niet vervelen?

Hans: Tot nog toe niet.

Terwijl we heus niet van die slimme of diepe gedachten hebben.

Maar ze komen wel uit onze tenen.

Weet je dat ik sinds ik Lucienne ken niet meer eenzaam ben geweest, maar dan ook helemaal niet meer?

Ongelofelijk.

Eenzaamheid is alleen nog maar een herinnering.

Terwijl ik altijd dacht, nee, wíst, dat het bij het bestaan hoorde, dat iedereen diep vanbinnen eenzaam was.

Allemaal projectie, zeg ik achteraf.

Als je niet meer eenzaam bent, hoef je ook niet zo nodig met Jan en alleman te gaan rollebollen.

Door dat eeuwigdurende dwaalgesprek met Lucienne is mijn behoefte aan intimiteit met anderen sterk gedaald.

Daar heb ik me lang tegen verzet, maar het viel niet te ontkennen.

Zo vreemd is het nou ook weer niet; als je thuis genoeg eet, hoef je niet meer zo nodig iedere dag naar een restaurant.

Wat jij?

Jane: Ik trakteer.

Hans: Doe maar het Amstelhotel.

Jane: Haha.

Hans: Vroeger smeerde ik mezelf uit over tientallen mensen, zoals zij zich op hun beurt uitsmeerden over tientallen, soms honderden anderen.

Een netwerk, dat was en is de norm.

Intimi, vrienden, kennissen, bekenden in uitdijende kringen – een heel circus, al had je toen nog geen sociale media.

Met de een ging ik hardlopen, met de ander dansen.

Met de een kon ik over seks praten, met de ander over de dood.

Toch was ik eenzaam.

Ik voelde me door niemand werkelijk gezien en er was niemand die zich werkelijk aan mij liet zien.

Alleen maar stukjes.

Nu zijn die tientallen mensen verenigd in een en dezelfde persoon, in wie ik alle afwisseling vind die ik nodig heb.

Jane: Sommigen noemen dat eenkennigheid.

Hans: Er zijn allemansvrienden, er zijn eenmansvrienden, er zijn kluizenaars.

Waarom zou iedereen hetzelfde moeten zijn?

Waarom zou je je hele leven hetzelfde moeten zijn?

Misschien smeer ik me straks weer uit over tientallen mensen, eet ik iedere dag in een ander restaurant en roem ik de variatie.

Jane: Maar op dit moment heb jij geen behoefte om alles met iedereen te delen.

Hans: Mijn behoefte om alles wat er in me omgaat met iemand op deze aardbol te delen is onverminderd groot.

Mijn behoefte om het nog een keer te delen met iemand anders is evenredig klein.

Het is niet anders.

Alleen niet-weten wil ik met iedereen delen.

Voor zolang het duurt.

Daarom schrijf ik nu ook met je.

Al verstaan we elkaar niet.

Niemand is gek of normaal

Jane: Waarom kun je wel met je vrouw praten, maar niet met mij?

Hans: Die geeft tenminste antwoord.

Jane: Dat is toch geen reden om een gesprek met mij uit de weg te gaan?

Hans: Wat zijn we nu aan het doen dan?

Jane: Ik vraag maar een uur, geen dertig jaar.

Hans: Dat uur is allang op.

Jane: Wat is dat toch, die behoefte om alles met iemand te delen?

Hans: Wat is dat toch, die behoefte om mensen te interviewen?

Jane: Jij vind het niet raar om almaar je diepste gedachten op tafel te gooien voor je partner.

Hans: Ik vind het raar om almaar je diepste gedachten onder tafel te houden voor je partner, en zelfs voor wildvreemden zoals jij, al doe ik dat wel.

Ik vind het raar om je hele leven met geheimen rond te lopen en voortdurend op je woorden te moeten passen.

Raar vind ik het dat je anno 2018 nog steeds niet vrijuit kunt spreken over je abortus of over je angst dat je van het balkon zult springen of over je behoefte om op iemand te pissen of over je incestueuze fantasieën of over je pedofiele of necrofiele neigingen of over je stille wanhoop of over je brandende jaloezie of over het gevoel dat je in een verkeerd lichaam zit of over je verlangen om onmogelijk dun te worden of onzichtbaar te zijn of er niet meer te zijn of wat er ook maar in je leeft.

Raar vind ik het dat je thuis en op school wel leert wat je zult tegenkomen als je naar het noorden rijdt of naar het zuiden, naar het oosten of naar het westen, maar niet wat je zoal in de krochten van je geest kunt aantreffen, laat staan hoe je daarmee om moet gaan.

Jane: Niemand bereidt je voor op je eigen gekte.

Hans: Met gekte heeft het niets te maken.

Dat lijkt maar zo, omdat iedereen doet of hij normaal is.

Jane: Iedereen is gek.

Hans: ‘Gek’ is een stigma en ‘normaal’ is een stigma.

Stigma’s zijn dooddoeners, vraag maar aan Jezus.

Daarmee beëindig je een gesprek zelfs al lekken de woorden nog na.

Voor mij is niemand gek of normaal.

Zo begint een gesprek dat nergens heen gaat en nooit eindigt, zelfs als er even geen woorden zijn.

Sangha voor twee, satsang privé, wei wuwei, holadijee

Jane: Wat is dan het punt?

Hans: Het punt is dat niemand je voorbereidt op je innerlijke leven.

Ook religies niet.

Die leren je denken in termen van goed en kwaad, juist en onjuist, schuld en boete, werkelijkheid en illusie, relatief en absoluut, ego en zelf, atman en anatman, gebod en gebed, onderdrukken en sublimeren en meer van dat moois.

Maar luisteren, ho maar.

Heb je rare gedachten?

Ga maar op je kussentje zitten.

Heb je het moeilijk?

Ga maar op je adem letten.

Ben je boos?

Ga maar mettameditatie doen.

Bij Leven in Aandacht van Thich Nhat Hanh mag je bij de gratie Boeddha’s even dharma delen met de groep zonder dat iemand iets terugzegt.

In de katholieke kerk mag je bij de gratie Gods vijf minuten biechten bij iemand die een toonbeeld van vroomheid lijkt maar dat waarschijnlijk helemaal niet is.

Bij de Quakers mag je tijdens de unprogrammed worship eventjes iets delen met je zwijgende geloofsgenoten.

Maar ik moet de eerste christelijke of boeddhistische priester nog tegenkomen die toegeeft dat hij na zijn bezegeling nog altijd, zeg, geil, drankzuchtig, hebzuchtig, heerszuchtig is, dat hij onverminderd geniet van de aandacht van al die goedgelovigen om hem heen, dat hij zich iedere dag opnieuw beter, groter, kalmer, wijzer en interessanter voordoet dan hij is.

Ik moet de eerste christelijke of boeddhistische priester nog tegenkomen die, al is het maar één keer, publiekelijk erkent dat hij ook maar een mens is, nog steeds een mens is, altijd een mens zal blijven, net als iedereen.

Die dát tot het speerpunt van zijn onderricht maakt.

Maar nee, liever prevelt hij tienduizend keer het Onze Vader of de bodhisattvageloften die zijn verlossersrol rechtvaardigen en zijn heiligheid onderstrepen.

Wat voor voorbeeld geef je dan?

Jane: Nou nou.

Hans: De wereld is tot op de decimeter in kaart gebracht met gps, Google Maps wijst je overal de weg, maar niemand bereidt je voor op je innerlijk leven, niet echt.

Niemand vertelt je hoe je al die gedachten en gevoelens en verlangens en fantasieën en stemmen moet duiden en dulden en doden.

Samen met iemand die je liefhebt en vertrouwt je geest verkennen is dan een groot goed.

Al je gedachten delen, al je geheimen prijsgeven, wat er ook van komt.

Een heerlijke, eerlijke, spontane, vrije vorm van spiritualiteit, die ik te allen tijd verkies boven voorgeschreven vormen van meditatie, recitatie, ritueel en gebed.

Saampjes alle spoken van alle kanten belichten, keer op keer, tot ze hun massa verliezen en doorzichtig worden.

Je gedachten net zolang tegen het licht houden tot je er dwars doorheen kijkt.

Ook door deze.

Sangha voor twee, satsang privé, wei wuwei, holadijee.

Jane: En waar leidt dat toe? Waarheid? Non-dualiteit? Nirwana?

Hans: Als het ergens toe moet leiden, is het geen dwaalgesprek meer.

Delen is geen weg.

Liefde is geen doen.

Denk ik weleens.

En zie die gedachten meteen weer doorzichtig worden.

X Oké. Mocht je toch nog een echt gesprek over het thema Liefde is de Weg willen, laat het me dan weten. De deadline is half november. Ik trakteer.

Nota bene: een dwaalgesprek kun je ook in je eentje voeren.

De innerlijke monoloog van een weetniet is gewoon een dwaalgesprek voor één persoon.

Ook daar komt geen eind aan.

Tot nog toe tenminste niet.

-88-

Het leven wordt spannender als het mee mag doen

Niet-weten vindt zelden bijval.

Het woord niet en waar het voor staat niet.

Wie wil er nou niet weten?

Wie wil er nou met lege handen staan?

Laat staan met een leeg hoofd.

Het gros van de mensen kent het begrip niet eens, of gebruikt het als synoniem voor onwetendheid of voor struisvogelpolitiek – zaken om te ontkennen of, na een borreltje of twee, te bekennen; niet om te erkennen, laat staan om te verkennen.

Op een verjaardag hoef je echt niet met niet-weten aan te komen en ook bij een sollicitatie zou ik er maar niet over beginnen – of je moet medewerker van NietWeten.nl willen worden.

Maar ik heb het getroffen.

Lief en ik zijn zielsverwanten c.q. lotgenoten, partners in crime, nitwits, eters van nederige taart, dummy’s van de onderste plank.

Dagelijks verwonderen we ons over dit onbegrijpelijke bestaan.

We bekijken het van alle kanten, maar wat nou de goede is?

Ach man, we modderen maar wat aan.

Lopen wad naar het grote gat of tot de vloed ons scheidt.

Hoor, de krabben slijpen reeds hun scharen.

Het leven wordt spannender als het mee mag doen.

-89-

Gedenk te sterven

Memento mori

De meeste mensen gaan ervan uit dat ze van ouderdom zullen sterven, maar is dat wel zo?

Gedenk te sterven, want het kan ieder moment afgelopen zijn:

Over tien jaar

Verbeeld je dat je nog maar tien jaar te leven hebt.

Wat zou je nog willen doen in die tijd?

Waar ben je eindelijk van verlost?

Waar ben je bang voor?

Ben je bereid om over tien jaar te sterven?

Over één jaar

Verbeeld je dat je nog maar één jaar te leven hebt.

Wat zou je nog willen doen in die tijd?

Waar ben je eindelijk van verlost?

Waar ben je bang voor?

Ben je bereid om over één jaar te sterven?

Over één maand

Verbeeld je dat je nog maar één maand te leven hebt.

Wat zou je nog willen doen in die tijd?

Waar ben je eindelijk van verlost?

Ben je bereid om over één maand te sterven?

Over één week

Verbeeld je dat je nog maar één week te leven hebt.

Wat zou je nog willen doen in die tijd?

Waar ben je eindelijk van verlost?

Waar ben je bang voor?

Ben je bereid om over één week te sterven?

Over één dag

Verbeeld je dat je nog maar één dag te leven hebt.

Wat zou je nog willen doen in die tijd?

Waar ben je eindelijk van verlost?

Ben je bereid over één dag te sterven?

Over één uur

Verbeeld je dat je nog maar één uur te leven hebt.

Wat zou je nog willen doen in die tijd?

Waar ben je eindelijk van verlost?

Waar ben je bang voor?

Ben je bereid om over één uur te sterven?

Over één minuut

Verbeeld je dat je nog maar één minuut te leven hebt.

Wat zou je nog willen doen in die tijd?

Waar ben je eindelijk van verlost?

Waar ben je bang voor?

Ben je bereid om over één minuut te sterven?

ECG dat na zeven hartslagen ophoudt.
Gedenk te sterven.

-90-

Gedenk te leven

Memento vivendi

Onsterfelijken onder ons

De meeste mensen gaan ervan uit dat ze minder dan een eeuw te leven hebben, maar is dat wel zo?

Volgens nieuwetijdsleraren zijn er allang onsterfelijken onder ons.

Volgens het boeddhisme kunnen en zullen wij vele malen reïncarneren.

Volgens de advaita vedanta zijn wij het tijdloze bewustzijn.

Volgens het spiritisme leven wij eeuwig voort als geesten.

Volgens christenen en moslims gaat onze ziel na het overlijden van het lichaam voorgoed naar de hemel of de hel.

Volgens futurologen evolueren wij naar een androïde bestaansvorm met onbeperkt vervangbare onderdelen.

Wie heeft er volgens jou gelijk?

Zeker weten?

Vaarwel of vaarniet?

Ook op kleinere schaal is de bestaansonzekerheid groot.

Misschien ben jij een van de velen die op een dag van zijn arts of van een andere toekomstvoorspeller te horen krijgt dat hij nog maar een week, een maand, een jaar, een decennium te leven heeft.

Je brengt je leven op orde, laat een testament opmaken, werkt je bucket list af (want wat is een mens zonder actielijstje) en neemt uitgebreid afscheid.

Als de Dooie Dood dan op het aangekondigde tijdstip verstek laat gaan, en nog eens, en nog eens, raken jij en je dierbaren steeds meer in de war.

Je kan tenslotte niet aan de gang blijven met laatste wensen vervullen en afscheid nemen.

Daar hangen jullie dan, overal tussenin, in de wachtkamer van de dood.

Echt leven lukt niet meer en echt doodgaan evenmin.

Vaarwel of vaarniet?

Gedenk te leven, want Joost mag weten hoe lang en in welke vorm het nog doorgaat:

Nog honderd jaar

Verbeeld je dat je nog honderd jaar te leven hebt.

Wat ga je doen met al die tijd?

Waar ben je eindelijk van verlost?

Waar ben je bang voor?

Ben je bereid om nog honderd jaar te leven?

Nog duizend jaar

Verbeeld je dat je nog duizend jaar te leven hebt.

Wat ga je doen met al die tijd?

Waar ben je eindelijk van verlost?

Waar ben je bang voor?

Ben je bereid om nog duizend jaar te leven?

Nog tienduizend jaar

Verbeeld je dat je nog eens tienduizend jaar te leven hebt.

Wat ga je doen met al die tijd?

Waar ben je eindelijk van verlost?

Waar ben je bang voor?

Ben je bereid om nog tienduizend jaar te leven?

Voor eeuwig

Verbeeld je dat je het eeuwige leven hebt.

Wat ga je doen met al die tijd?

Waar ben je eindelijk van verlost?

Waar ben je bang voor?

Ben je bereid om voor eeuwig te leven?

ECG in hartvorm.
Gedenk te leven.

-91-

Woekergedachten over woekerweefsel

Ik heb nooit kanker gehad.

Niet dat ik weet tenminste.

Ik waan mij kankervrij.

Maar ik weet niet, ik kan niet weten, of ik het niet allang meedraag.

Een traag groeiende brughoekkanker misschien of een ingekapselde longkanker of een snelgroeiende prostaatkanker die pas twee weken geleden op hol is geslagen.

Als er straks inderdaad kanker bij mij wordt vastgesteld, zal ik niet weten of de diagnose klopt.

Misschien is er wel iets anders aan de hand.

Een cyste.

Een aneurysma dat dezelfde röntgenschaduw werpt als een vaatgezwel.

Misschien camoufleert een relatief ongevaarlijke kanker wel een veel gevaarlijker systeemziekte.

Misschien ben ik zo gezond als een vis en heeft de arts mijn dossier verwisselt met dat van een andere patiënt.

Als ik vervolgens genees weet ik niet of het door de behandeling komt of dat er sprake is van een spontane remissie, als ik al ziek was.

Misschien voorkomt de behandeling wel een spontane remissie.

Ook weet ik niet of de behandeling van het ene type kanker op termijn niet een ander type kanker in mij voortbrengt, bijvoorbeeld een stralingsgezwel of hormoonkanker.

Als ik na vijf jaar definitief genezen wordt verklaard, weet ik niet of ik werkelijk genezen ben.

Een arts kan wel zoveel zeggen.

Wie weet welke uitzaaiingen onopgemerkt zijn gebleven.

Misschien heeft de radioloog verzuimd naar mijn röntgenfoto’s en scans te kijken.

Misschien heeft hij mijn foto’s en scans verwisseld met die van een andere patiënt.

Bovendien kan de kanker, de oude of een nieuwe van hetzelfde type of van een heel ander type, ieder moment weer toeslaan.

Mocht ik ondanks alles werkelijk genezen zijn en nooit meer kanker krijgen, dan weet ik niet wat voor andere verrassingen het leven of de dood desondanks of juist daardoor voor mij in petto heeft.

Ook weet ik niet welke waardevolle ervaringen ik heb moeten missen doordat ik niet chronisch of terminaal ziek ben geworden.

Kanker.

Je weet nooit of je het hebt.

Je weet nooit wat het teweegbrengt.

Je weet nooit hoe je ermee om moet gaan.

Je weet nooit of je er vanaf bent.

Je weet nooit wat je ervan moet vinden.

Je weet maar nooit.

Naschrift

In de zomer van 2012, een paar jaar nadat ik bovenstaande tekst had geschreven, werden op een röntgenfoto naar aanleiding van algehele malaise en een recidiverende longontsteking verdachte schaduwen geconstateerd in de punt (apex) en de stam (het hylum) van mijn linkerlong, en in de ruimte tussen de longen (het interstitium).

Gezien de slechte prognose van longkanker heb ik, tegen het uitdrukkelijke advies van mijn huisarts en oncoloog in, afgezien van verder onderzoek.

Sindsdien leef ik in geleende tijd.

Maar ach, dat deed ik toch al.

Wordt vervolgd (of niet natuurlijk).

Naschrift 2

Iemand wees mij erop dat verder onderzoek toch ook had kunnen uitwijzen dat mijn longen gezond zijn.

Dat klopt niet want hele kleine longtumoren kunnen met geen enkele methode zichtbaar gemaakt worden.

Verder onderzoek had dus hooguit kunnen uitwijzen dat met de gebruikte methode geen tumoren aangetoond konden worden.

Om over mijn andere organen en de rest van mijn lichaam nog maar te zwijgen.

Dus leef ik nog steeds in geleende tijd. Maar ach, dat deed ik toch al.

Wordt vervolgd (of niet natuurlijk).

Naschrift 3

Iemand wees mij erop dat verder onderzoek een andere (long)ziekte aan het licht had kunnen brengen, die wel goed behandelbaar is.

Dat klopt.

De onderzoeken die ik heb geweigerd dienden alleen ter bevestiging van de diagnose longkanker.

Een uitgebreid bloedonderzoek bijvoorbeeld heeft niets opgeleverd.

Dus leef ik nog steeds in geleende tijd. Maar ach…

Naschrift 4

Iemand wees mij erop dat ik een hypochonder ben, iemand die altijd denkt dat hij iets ergs onder de leden heeft.

Zij heeft in zoverre gelijk dat ik mij nooit gezond waan.

Ze heeft in zoverre ongelijk dat ik mij ook niet ziek waan.

Ook niet ziek én gezond.

Ook niet ziek noch gezond.

Ik denk niet meer in dat soort termen.

Al weet ik ze nog steeds prima te gebruiken wanneer de situatie dat vraagt.

Bij de dokter bijvoorbeeld.

Bij de apotheek.

Bij de buurvrouw.

Bij mensen die wel in dat soort termen denken.

Dan doe ik gewoon lekker mee.

Naschrift 5 (mei 2020)

Ik ben niet zieker geworden of genezen, en ik word nergens meer op gewezen.

-92-

Groot, groter, kleinst

Klein verstand vindt alles vanzelfsprekend.

Gemiddeld verstand vindt veel vanzelfsprekend.

Groot verstand vindt weinig vanzelfsprekend.

Briljant verstand vindt niets vanzelfsprekend.

Onverstand vindt niets.

-93-

De mythe van de eenvoud

De auteur en de agnost.

Auteur: Als je erover spreekt, wordt zelfs het eenvoudigste meteen ingewikkeld en onbegrijpelijk.*

* Uitspraak van Hermann Hesse (1877-1962).

Agnost: Als je erover zwijgt ook.

Auteur: Hoe verklaart u dat?

Agnost: Doordat zelfs het eenvoudigste ingewikkeld en onbegrijpelijk is.

Auteur: Dat ik daar nou nooit op gekomen ben.

Agnost: Of is dat te simpel gedacht?

Auteur: Ik ben schrijver geworden om orde te scheppen in de chaos.

Agnost: Niet om het ingewikkelde en onbegrijpelijke eenvoudiger voor te stellen dan het is?

Auteur: Zo had ik het nog niet bekeken.

Agnost: Of is dat weer te simpel gedacht?

Auteur: Daar ga ik eens rustig over nadenken.

Agnost: Zou u dat nou wel doen?

Auteur: Hoezo?

Agnost: Als je erover denkt, wordt zelfs het eenvoudigste meteen ingewikkeld en onbegrijpelijk.

Lees ook: Eenvoud is geen kunst – waarom zen geen goed voornemen is.

-94-

Weet niet, en doe wat je doet

Een naschrift dat inleving behoeft.

Beste Hans,

Ken jij het morele motto van Aurelius Augustinus, ama, et fac quod vis? Het betekent: ‘Heb lief, en doe wat je wilt’.

Augustinus schrijft:

‘Het is enkel vanuit de wortel van de liefde bekeken dat men een onderscheid kan maken tussen de handelingen van de mensen. Vele dingen kunnen goed lijken maar nochtans niet uit de wereld van liefde voortkomen. Ook doornstruiken hebben bloemen: sommige handelingen kunnen hard en brutaal lijken – en toch worden ze ingegeven door het verlangen iemand op te voeden.’

En hij vervolgt:

‘Ziehier een eenvoudig voorschrift dat ik je meegeef, eens en voor altijd: Heb lief, en doe wat je wilt. Indien je zwijgt, zwijg dan uit liefde; als je spreekt, spreek uit liefde; indien je iemand terechtwijst, doe het uit liefde; waar je vergeeft, vergeef je uit liefde. Zorg ervoor dat zich in de grond van je hart de wortel van liefde bevindt: en uit die wortel kan enkel het goede bloeien.’

(uit Laat heb ik je liefgehad, Boris Todoroff 2002, p135)

Prachtig, vind je niet? Een voorschrift dat naleving verdient. Wat is de plaats van liefde in jouw spiritualiteit?

Beste Aloysius,

Liefde is wel mijn ding maar niet mijn woord. Niet-weten is niet mijn ding maar wel mijn woord. Andere woorden heb ik niet en daarom zet ik die van Augustinus er maar omheen:

Ziehier een eenvoudig voorschrift dat ik je meegeef, eens en voor altijd: Weet niet, en doe wat je doet. Indien je zwijgt, zwijg dan uit niet-weten; als je spreekt, spreek uit niet-weten; indien je iemand terechtwijst, doe het uit niet-weten; waar je vergeeft, vergeef je uit niet-weten. Zorg ervoor dat zich in de grond van je hart de wortel van niet-weten bevindt: en uit die wortel kan enkel niet-weten bloeien.

Goed genoeg, maar pas op:

‘Weet niet, en doe wat je doet’ is voor mij geen voorschrift dat naleving verdient, maar een naschrift dat inleving behoeft.

Ook dat durf ik van niemand te vragen.

-95-

Liefde behoeft geen woord, geen definitie, geen gedachten en geen krans

X: Wat is liefde voor jou?

H: Geen idee.

X: Ik bedoel, in spirituele zin.

H: Dan helemaal niet.

X: En als je toch wat moet zeggen?

H: Een gedachte dan maar.

X: Liefde is een gedachte?

H: Of is dat ook maar een gedachte?

X: Maar gedachten zijn zo voorbij!

H: Sneller dan je lief is.

X: Ik denk dat liefde iets tijdloos is.

H: Wat voor iets?

X: Het kennen. Bewustzijn. Gewaarzijn. Ontvankelijkheid. Leegte. De ruimte waarin alles verschijnt en verdwijnt. Een staat van zijn. Het zijn zelf van het zijnde. Je ware ik. Het allerhoogste. Het ene. De waarheid. God. Onschuld. Zoiets.

H: Allemaal gedachten.

X: Wat is een gedachte?

H: Een eendagsvlieg.

X: Is dat alles?

H: Maar dan vluchtiger.

X: Een secondenvlieg.

H: Een flits in de duisternis.

X: Maar een gedachte drukt toch een bepaald weten uit?

H: Dat is ook maar een gedachte.

X: Dat liefde een voorbijgaande gedachte is net zo goed.

H: Zeker weten.

X: Een pak van mijn hart.

H: Hoezo?

X: Dan is er toch weer ruimte voor liefde.

H: Wat is liefde voor jou?

-96-

Liefde is puntje puntje puntje

Achtenveertig definities van liefde.

Iedereen weet wat liefde is.

Ik bedoel, niemand weet wat liefde is.

Of laat ik het zo zeggen:

Niemand is het erover eens wat liefde is.

Om je een indruk te geven, heb ik 48 definities op een rijtje gezet.

1. Liefde is een vorm van eigenbelang

2. Liefde is een kwestie van hormonen en feromonen

3. Liefde is lust

4. Liefde is een kwestie van pikorde

5. Liefde is een evolutionair principe

6. Liefde is een samenlevingsvorm met wederzijds voordeel

7. Liefde is de hoeksteen van de beschaving

8. Liefde is een vorm van hysterie

9. Liefde is een soort psychose

10. Liefde is projectie

11. Liefde is introjectie

12. Liefde is een gevoel

13. Liefde is een houding

14. Liefde is een functie

15. Liefde is je ware aard

16. Liefde is een keuze

17. Liefde is overgave

18. Liefde is niet-oordelen

19. Liefde is alles in het midden laten

20. Liefde is zelfloosheid

21. Liefde is eenheidsbewustzijn

22. Liefde is bewustzijn

23. Liefde is bewust zijn

24. Liefde is zijn

25. Liefde is gewaarzijn

26. Liefde is een weg

27. Liefde is de weg

28. Liefde is het doel

29. Liefde is de bron

30. Liefde is god

31. Liefde is een expressie van het goddelijke

32. Liefde is de hoogste waarheid

33. Liefde is wat blind maakt

34. Liefde is het levensprincipe

35. Liefde is een epifenomeen van de materie

36. Liefde is openheid

37. Liefde is dit alles en nog veel meer

38. Liefde is niets van dit alles

39. Liefde is alles

40. Liefde is niets

41. Liefde is onzegbaar

42. Liefde is een concept

43. Liefde is een woord

44. Liefde is een illusie

45. Liefde is niet weten wat liefde is

46. Liefde is niet-weten

47. Liefde is niet

48. Liefde ís

Dit waren 48 definities van liefde.

Ik had er ook 480 kunnen geven, of 4800.

Aan jou de vraag:

Wat is liefde nou echt?

-97-

Wat je minstens over de liefde moet weten

‘Wat weet jij eigenlijk over de liefde, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

-98-

Liefde is je haat onder ogen zien

En als je dat niet kan dan zie je dat maar onder ogen.

‘Wat is liefde, Hans?’

‘Je haat onder ogen zien.’

‘Welke haat?’

‘Je haat voor alles wat je haat iedere keer dat je het haat, inclusief alles wat je haat aan jezelf.’

‘Onder ogen zien?’

‘Erkennen. Toegeven.’

‘Niet bestrijden?’

‘Bestrijden behoort nog tot de haat.’

‘Hè?’

‘Je haat de haat in anderen en daarom wil je hem bestrijden. Je haat de haat in jezelf en daarom wil je hem bestrijden. Strijd is haat.’

‘We moeten het bestrijden bestrijden.’

‘Strijd tegen strijd is haat.’

‘Wat is haat?’

‘Afwijzen wat is.’

‘Dus liefde is het niet onder ogen zien van de haat onder ogen zien?’

‘Of hoe je het ook noemt.’

‘En als ik het niet onder ogen zien nou niet onder ogen kan zien?’

‘Dan zie je dat maar onder ogen.’

‘En als dat ook niet lukt?’

‘Dan zie je dat maar onder ogen.’

‘Zo blijft er niets van over, Hans.’

‘Dat is liefde.’

-99-

Nooit meer samen

Tegeltje met spreuk.
Liefde is: / nooit meer samen / eenzaam zijn.

-100-

Alleen met jou

Alleen

Met jou

Kan ik

Alleen zijn

Lief

-101-

Hou je van de ander of van jouw beeld van de ander?

Desillusies.

X: Liefde is een illusie.

H: O?

X: Je houdt nooit van de ander, alleen van jouw beeld van de ander.

H: Is dat liefde of jouw beeld van de liefde?

X: Vertrouwen is ook een illusie.

H: Ik geloof je meteen.

X: Je vertrouwt nooit op de ander, alleen op jouw oordeel van de ander.

H: Is dat vertrouwen of jouw beeld van vertrouwen?

X: Eigenlijk is de hele werkelijkheid een illusie.

H: Echt?

X: Je ziet nooit de werkelijkheid, alleen jouw beeld van de werkelijkheid.

H: Is dat de werkelijkheid of jouw beeld van de werkelijkheid?

X: Bedoel je dat de werkelijkheid toch geen illusie is?

H: Is dat de illusie of jouw beeld van de illusie?

X: Verdraaid.

H: Wat?

X: Nou weet ik het helemaal niet meer.

H: Dan noem je dat toch de werkelijkheid.

X: Is dat de werkelijkheid of jouw beeld van de werkelijkheid?

H: Waar zie je mij voor aan?


Geïnspireerd door een passage uit Awareness van Anthony de Mello:

You are never in love with anyone. You’re only in love with your prejudiced and hopeful idea of that person. Take a minute to think about that: You are never in love with anyone, you’re in love with your prejudiced idea of that person. Isn’t that how you fall out of love? Your idea changes, doesn’t it? ‘How could you let me down when I trusted you so much’? you say to someone. Did you really trust them? You never trusted anyone. Come off it! That’s part of society’s brainwashing. You never trust anyone. You only trust your judgment about that person. So what are you complaining about? The fact is that you don’t like to say, ‘My judgment was lousy’. That’s not very flattering to you, is it? So you prefer to say, ‘How could you have let me down’?

-102-

Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid

Genade in drieëndertig triaden.

De dwaas denkt dat de wereld echt is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat de wereld een illusie is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij iemand is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij niemand is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij een vrije wil heeft, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij geen vrije wil heeft, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij in de wereld is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat de wereld in hem is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat alles substantieel is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat alles leeg is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij de film is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij het doek is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij niets is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij alles is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat er vele dingen zijn, de dwijze niet.
De wijze denkt dat er maar één ding is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij het lichaam is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij de geest is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij licht ziet, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij licht geeft, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij geschapen is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij de schepper is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat waarheid relatief is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat de waarheid absoluut is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij moet doen, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij moet laten, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij geboren is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij ongeboren is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij zal sterven, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij onsterfelijk is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij in de tijd leeft, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij in het nu leeft, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat liefde de mensen verbindt, de dwijze niet.
De wijze denkt dat liefde de mensen oplost, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat de waarheid zegbaar is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat de waarheid onzegbaar is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat alles anders moet, de dwijze niet.
De wijze denkt dat alles volmaakt is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat er iets te bereiken valt, de dwijze niet.
De wijze denkt dat er niets te bereiken valt, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij zichzelf moet verlossen, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij iedereen moet verlossen, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij iets nodig heeft, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij niets nodig heeft, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij zich moet verdedigen, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij zich moet overgeven, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij moet vasthouden, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij moet loslaten, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat begeerte bevredigd moet worden, de dwijze niet.
De wijze denkt dat begeerte overwonnen moet worden, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat het denken zal overwinnen, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij het denken zal overwinnen, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij het denken moet overwinnen, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij het denken heeft overwonnen, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat de leer nergens is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat de leer overal is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat er een leer is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat er geen leer is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij verlicht kan worden, de dwijze niet.
De wijze denkt dat iedereen al verlicht is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat er een weg is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat er geen weg is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij wijs is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij dwaas is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij iets weet, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij niets weet, de dwijze niet.

-103-

Ik wou dat ik twee dwazen was

Het nirwana van de numerologie.

Drie

Het godsgetal.

De vorige dwaaltekst, ‘Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid’, heeft als ondertitel ‘Genade in drieëndertig triaden’.

Dat aantal is geen toeval.

Drie is het godsgetal.

Zoals de numerologen onder ons wel weten is een triade een drietal, bijvoorbeeld de Boeddha, de Dharma en de Sangha; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; de Dwaas, de Wijze en de Dwijze.

Dit waren drie triaden.

Er zijn dus drieëndertig triaden van genade, en elk daarvan volstaat.

Want iedere triade is een lade voor alle andere.

Het is alles of niets – genadeloos de genade.

Je kan het vergelijken met de achtenveertig Poortloze Poorten van de Wumenguan.

Elke poort biedt toegang tot een en dezelfde plaatsloze plaats: de wolk van niet-weten, of hoe het hier ook mag heten.

Een poort is nou eenmaal geen trede.

Maar boven is wel beneden.

Drieëndertig triaden is drie keer …

Elf

Het dwazengetal.

Elf is het dwazengetal.

Het gekkengetal.

Het narrengetal.

Het zottengetal.

Het kengetal van carnaval.

Carnaval begint officieel op de elfde van de elfde om elf over elf met een vergadering van de Raad van Elf.

Het officiële begin van carnaval is overbodig omdat carnaval nooit officieel ophoudt, laat staan officieus.

Het wordt al minstens sinds protopotamische tijden non-stop gevierd.

Je wordt geboren in een optocht en loopt de polonaise tot je erbij neervalt.

Dan word je, nog steeds in een stoet, naar je graf gedragen.

Onderweg verkleed je je als leerling, als moeder, als pastoor, als roshi, als geelhoed, als coach, als blogger, als vlogger, als socialist, als boer, als burgemeester – pakken van hetzelfde laken.

Elf ambachten, elf ongelukken.

Wat je ook voorwendt, je bent en blijft Prins Carnaval, gekluisterd aan je grondgetal.

Tweeëntwintig

Het wijzengetal.

Twee keer elf is tweeëntwintig.

Tweeëntwintig is het wijzengetal.

Tweeëntwintig gedeeld door twee is elf, dus een dwaas is een halve wijze, en een wijze is twee dwazen, daar hoef je echt geen Einstein voor te wezen.

Tweeëntwintig wordt ook het meestergetal genoemd.

Een meester is in mijn idioticon iemand die de catch 22 van verlichting volledig doorziet, en daarmee zijn meesterschap.

De ware meester is meester-af.

Meester-af kent geen onware meesters.

Zijn ware naam is Meester Af.

Drieëndertig

Het dwijzengetal.

Drieëndertig is de som van het dwazengetal elf en het wijzengetal tweeëntwintig, 11 + 22 = 33.

Drieëndertig is het dwijzengetal.

Een dwijze is derhalve een dwaze wijze, oftewel een wijze dwaas, want optellen is commutatief.

Een wijze die zich van zijn dwaasheid probeert te ontdoen is gewoon een dwaas.

Een dwaas die zich van zijn wijsheid probeert te ontdoen ook.

Want aftrekken is niet-commutatief, maar dwaasheid is wel distributief.

Een dwijze is een dwijze is een dwijze, op en top associatief.

Aan haakjes heeft hij lak.

Hij laat zich niets wijsmaken en maakt niemand iets wijs, dit ook niet, en dit ook niet, en dit ook niet…

De dwijze draait op 33 toeren om zijn as, als een derwisj met een kras, maar zonder plaat voor zijn kop of raad van elf.

Drieëndertig is het sleutelgat van een tuimelslot, een bermudadriehoek boven een zwart gat – een onmogelijk uitroepteken aan het einde van het denken dat ooit begon met een onschuldig vraagteken.

Drieëndertig is ook de hoogste graad in de Vrijmetselarij en de enige graad in de Vrijzwetselarij – de Intergalactische Grootloge die niemand in- of uitsluit.

Je bent van harte welkom.

Drieëndertig is het sleutelgat van een tuimelslot, een bermudadriehoek boven een zwart gat – een onmogelijke uitroepteken aan het einde van het denken dat ooit begon met een onschuldig vraagteken

Zesenzestig

Het gulden getal.

Zesenzestig is de som van het dwazengetal elf, het wijzengetal tweeëntwintig en het dwijzengetal drieëndertig, 11 + 22 + 33 = 66.

Zesenzestig is ook het nummer van de autoroute dwars door Amerika die de oostkust met de westkust verbindt, en bij uitbreiding het nummer van de middenweg die alles met alles verbind, these met antithese in synthese, wijsheid met dwaasheid in dwijsheid, nee met ja in het grote tja.

De middenweg als marktplein.

Om er te komen hoef je alleen maar Route 66 ondersteboven in twee richtingen tegelijk te bewandelen.

Dat kan je niet omdat je denkt dat het niet kan.

Laat die gedachte gaan en je ontdekt dat je nooit anders hebt gedaan.

De spirituele weg, dat is Route 99.

twee verkeersborden één van route 66 en een omgekeerd verkeersbord van route 99,
Om er te komen hoef je alleen maar Route 66 ondersteboven in twee richtingen tegelijk te bewandelen

Negenennegentig

De schone namen van god.

Negenennegentig is het dwijzengetal drieëndertig vermenigvuldigd met het godsgetal drie, 3 x 33 = 99.

Het is ook het atoomnummer van het element Einsteinium en het aantal schone namen van god.

De schone namen van god zijn niet de ware naam van god, en ook over zijn wonderbare overstijging van bestaan en niet-bestaan blijft het laatste woord terecht ongezegd.

Honderd

Het kleinste kamertje waar iedereen in past (is de bovenkamer)

De ware naam van god is de honderdste.

Die kunnen we niet weten, niet-weten zal hij heten.

Niet vergeten,

De dwaas denkt dat getallen niets betekenen, de dwijze niet.

De wijze denkt dat getallen iets betekenen, de dwijze niet.

Januskop van twee dwazen
Ik wou dat ik twee dwazen was.

-104-

Dwijs is dwaas noch wijs

Wetend noemen we degene die in de ban is van standpunten,
overtuigingen, begrippen, theorieën, veronderstellingen, normen,
waarden en andersoortige gedachten.

Zijn we het met hem eens dan noemen we hem wijs, zijn we het oneens dan noemen we hem dwaas.

Niet-wetend noemen we degene die niet in de ban is van standpunten, overtuigingen, begrippen, theorieën, veronderstellingen, normen, waarden en andersoortige gedachten.

Dus ook niet van de gedachte dat hij niet in de ban van zijn standpunten, overtuigingen, begrippen, theorieën, veronderstellingen, normen, waarden en andersoortige gedachten zou zijn.

Ook niet van de gedachte dat je je op een of andere manier aan de ban van je gedachten zou kunnen onttrekken.

Ook niet van de gedachte dat je je onmogelijk aan de ban van je gedachten zou kunnen onttrekken.

Ook niet van de gedachte dat er een hij zou zijn die ergens al dan niet van in de ban zou kunnen zijn of zich daar wel of niet aan zou kunnen onttrekken.

Ook niet van de gedachte dat er geen hij zou zijn die ergens al dan niet van in de ban zou kunnen zijn of zich daar wel of niet zou kunnen onttrekken.

Daar de weetniet geen enkele gedachte bevestigt of ontkent, deze ook niet, kunnen we het ook niet met hem eens of oneens zijn, en kunnen we hem ook niet wijs of dwaas noemen.

Daarom noem ik hem maar dwijs.

-105-

Niet-weten voor voetballers

‘Wat is weten?’

‘Dribbelen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Tackelen.’

-106-

Niet-weten voor doelverdedigers

‘Wat is weten?’

‘Keepen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Voor paal staan.’

-107-

Niet-weten voor achterhoedespelers

‘Wat is weten?’

‘Muurtje maken.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Bukken.’

-108-

Niet-weten voor trainers

‘Wat is weten?’

‘Een kopduel.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Rust.’

-109-

Niet-weten voor scheidsrechters

‘Wat is weten?’

‘Een gele kaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een rode kaart.’

-110-

Is het leven absurd?

Wat is absurdisme?

Absurdisme is een literaire en theatervorm die tot doel heeft de absurditeit van het bestaan aan de orde en de kaak te stellen.

Hoofdkenmerk van het absurdisme is de negatie: afbraak van plot, karakters, communicatie, orde, logica, ruimte en tijd; en verder een voorkeur voor farce, zwarte humor, paradox en ironie.

Synoniemen van absurdisme zijn antitheater en théâtre de l’absence.

Absurdisme in het taoïsme

Hoewel het absurdisme floreerde in het midden van de vorige eeuw, onder meer in het werk van Beckett, Ionesco, Vian, Albee en Duyns & Armando (Herenleed), vind je het al in de taoïstische geschriften van Liezi en Zhuangzi uit de vierde eeuw voor Christus:

De Wolkenaanvoerder reisde eens naar het oosten en passeerde daar de takken van de Fuyaoboom. Daar kwam hij ineens Wijde Weetniet tegen. Die was net bezig zich te vermaken door te huppelen als een musje en zich daarbij op de billen te slaan. De Wolkenaanvoerder stopte onmiddellijk, bleef stokstijf staan, en riep: ‘Oude heer! Wie bent u? Wat doet u?’ Wijde Weetniet ging door met te huppelen als een musje en met zichzelf op de billen te slaan, en antwoordde: ‘Ik amuseer me!’

Bron: Zhuang Zi; De volledige geschriften, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper, Uitgeverij Augustus, Amsterdam – Antwerpen, 2007, 161-164.

Absurdisme in zen

Het absurdisme bereikte zijn hoogtepunt misschien al in de tweede helft van het eerste millennium in de Chinese chanliteratuur, met name in dat schoolvoorbeeld van absurdisme, de gongan, beter bekend als de zen-koan.

Twee voorbeelden van absurdistische koans uit de zenklassieker De Linji lu:

Een monnik vroeg: ‘Wat is de kern van de boeddhistische leer?’ Meester Linji stak zijn vliegenkwast omhoog. De monnik slaakte een kreet. De meester gaf hem een oplawaai.

Een voorbeeld uit De Poortloze Poort:

Meester Zhaozhou ging bij een kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester zei: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’ Bij de volgende kluizenaar aangekomen zei de meester: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester maakte een buiging en zei: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’

Absurdisme in advaita

Ook in de advaita vedanta is het lachen geblazen, vooral in de hedendaagse variant die neo-advaita wordt genoemd (Harding, Parsons), waarvan de hoofdloze bijeenkomsten (satsangs) geheid een absurde wending nemen.

Omdat de persoon volgens advaita een illusie is, meent de naar eigen zeggen illusoire non-dualist af te moeten zien van de eerste persoonsvorm enkelvoud (ik) en de eerste persoon meervoud (wij).

In plaats daarvan duidt hij zichzelf en alle anderen en al het andere bij voorkeur aan als hét of dít, wat een goed verstaander, altijd een andere non-dualist (die dus eigenlijk dezelfde is), automatisch vertaald in het Zelf, het Al, het Bewustzijn, de Bron.

Satsang is een en al allusie op het Ene waarin de klok klokt, de stoel stoelt, de realisatie realiseert en zichzelf trakteert op het schijnsucces genaamd verlichting.

De absurditeit van het absurdisme

Als er iets absurd is in dit leven is het toch wel het absurdisme, wat jij of niet-jij?

De pretentie het zogenaamde leven definitief te kunnen duiden als enkel en alleen absurd.

Absurd!

Maar het absurde, en dat is het mooie, vindt zijn voltooiing in zijn eigen ridiculisering, zoals de negatie in haar eigen ontkenning, de leegte in haar eigen leegte en de scepsis in de twijfel aan de scepsis.

Het is precies deze zelfvernietiging die ook de kern van niet-weten uitmaakt: zelfs niet weten van niet-weten.

Voor je het weet ben je het kwijt – het toppunt van absurditeit.

Niet-weten laat zich daarom graag uitdrukken en uit drukken in dwaalteksten, waarin niet-zeggen doelbewust tot in het belachelijke wordt doorgevoerd.

Niet om te verwijzen naar ‘het absolute voorbij de woorden’, niet om de absurditeit van het bestaan aan de orde te stellen, niet om wie dan ook waarvan of waaruit dan ook te bevrijden, maar gewoon omdát.

Agnose is een gát.

-111-

Wat is de zin van de zin van het leven?

‘Wat is de zin van het leven, Hans?’

‘X is de zin van het leven.’

‘Maar wat is X?’

‘Als ik dat eens wist.’

‘Want dat is nou net de vraag.’

‘Dat is alleen maar de éérste vraag.’

‘Wat is de volgende vraag?’

‘Wat is de zin van X?’

‘Waarom zou ik dat willen weten?’

‘Omdat je anders nog niks weet.’

‘En, wat is de zin van X?’

‘Y is de zin van X.’

‘En wat is de zin van Y?’

‘Z is de zin van Y.’

‘Enzovoort?’

‘Nou, vóórt.’

‘Dit noem ik nou dooddoen.’

‘Dit noem ik nou doodvrágen.’

‘Wat is de zin van doodvragen?’

‘X is de zin van doodvragen.’

-112-

Wat is de zin van ‘het leven’?

X: Wat is de zin van het leven?

H: Wat is de zin van ‘het leven’?

X: Hoe bedoel je?

H: Wat versta jij onder het leven?

X: Ik heb geloof ik wel tien antwoorden op die vraag.

H: Ik heb er geloof ik wel honderd.

X: Wat nu?

H: Eerst maar eens vaststellen welke de juiste is.

Zes maanden later

H: En?

X: Ik ben er nog steeds niet uit.

H: Ik ook niet.

X: En dat na een half jaar.

H: En dat na een halve eeuw.

X: Dus wat is de zin van het leven?

H: Dus wat is de zin van ‘het leven’?

X: Is dat een retorische vraag?

H: Is dat een retorische vraag?

X: Is dat een retorische vraag?

H: Is dat een retorische vraag?

X: Dit duurt zeker nog wel even.

H: Zo hoef ik geen antwoord te geven.

X: Is dat soms de zin van het leven?

H: Wat is toch de zin van die vraag?

-113-

Hoelang is geen Chinees

‘Wat is de zin van het leven, Hans?’

‘Hoe lang is de standaardmeter van Parijs?’

‘Wat is dat nou weer voor vraag.’

‘Zo wou ik het niet stellen.’

‘Aan jou heb je ook niks.’

‘Nog een keertje dan.’

‘Wat is de zin van het leven?’

‘Hoeveel weegt de zwaartekracht?’

‘Zo komen we nergens.’

‘Was het maar zo makkelijk.’

-114-

Wat is de zin van het ontdekken van de zin van het leven?

H: Wat is de zin van het leven?

X: Ontdekken wat de zin van het leven is.

H: Wat is de zin van het ontdekken van de zin van het leven?

X: Wat doet dat er nou toe?

H: Wat doet de zin van het leven er nou toe?

X: Ik zie de overeenkomst niet.

H: Ik zie het verschil niet.

X: Nog een keertje dan.

H: Wat is de zin van het leven?

X: Ontdekken wat de zin van het leven is.

H: En dan?

X: Kan je daar rekening mee houden.

H: Wat is de zin van het ontdekken van de zin van het leven?

X: Wat doet dat er nou toe?

H: Dan kan je daar ook nog rekening mee houden.

X: Wie wil daar nou ook nog rekening mee houden?

H: Wie wil er nou rekening houden met de zin van het leven?

X: Ik zie de overeenkomst niet.

H: Ik zie het verschil niet.

-115-

De zin van welk leven?

‘Wat is de zin van het leven, Hans?’

‘Welk leven?’

‘Je weet toch zeker wel wat het leven is?’

‘Gelukkig niet.’

‘Hoezo gelukkig niet?’

‘Daar komen alleen maar vragen van.’

‘Wat voor vragen?’

‘Dit soort vragen.’

-116-

Het leven heeft steeds een andere zin

‘Het leven heeft geen enkele zin, Hans.’

‘Integendeel.’

‘Pardon?’

‘Het heeft steeds een andere.’

‘Het leven heeft steeds een andere zin?’

‘Jij zegt het.’

‘Maar wat is dan de ware zin van het leven?’

‘Dat zeg ik.’

‘Wat?’

‘Steeds een andere.’

‘Maar ik wil eenduidigheid.’

‘Heb ik ook voor je.’

‘Wat is volgens jou de enige ware zin van het leven?’

‘Steeds een andere.’

-117-

Iedereen weet wat de zin van het leven is

‘Niemand weet wat de zin van het leven is, Hans.’

‘Integendeel.’

‘Pardon?’

‘Iedereen weet wat de zin van het leven is.’

‘Hè?’

‘We zijn het er alleen niet over eens.’

‘Met elkaar niet?’

‘En met onszelf niet.’

‘Daar ben ik het niet mee eens.’

‘Zie je wel?’

-118-

Wat je minstens over de zin van het leven moet weten

‘Wat weet jij eigenlijk over de zin van het leven, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

-119-

Zo gek als een stekker

Meester Mekker zegt:

Het leven is een cracker.

Het breekt op gekke plekken.

-120-

Aan blijde boodschappen hangt altijd een prijskaartje

‘Ik zoek de blijde boodschap, Hans.’

‘Dan moet je niet bij mij zijn.’

‘Waarvoor moet ik wel bij jou zijn?’

‘De lege boodschap.’

‘Heeft de lege boodschap iets met onvoorwaardelijke liefde, blijvend geluk, universele wijsheid, duurzame vrede en eeuwig leven te maken?’

‘De lege boodschap heeft nergens mee te maken.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat hij leeg is.’

‘Wat kost hij?’

‘Niets natuurlijk.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat hij leeg is.’

‘Waar kan ik terecht voor de blijde boodschap?’

‘Ja, waar niet.’

‘Bijvoorbeeld?’

‘Bij een of andere kerk.’

‘Hoe weet ik dat het daar over de blijde boodschap gaat?’

‘Doordat er een prijskaartje aan hangt.’

‘En als ik dat niet wil?’

‘Dan ga je naar een of andere sekte.’

‘Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?’

‘Doordat er een prijskaartje aan hangt.’

‘En als ik dat niet wil?’

‘Dan ga je naar een of andere therapeut.’

‘Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?’

‘Doordat er een prijskaartje aan hangt.’

‘En als ik dat niet wil?’

‘Dan ga je naar een of andere coach.’

‘Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?’

‘Doordat er een prijskaartje aan hangt.’

‘En als ik dat niet wil?’

‘Dan ga je naar een of andere sangha.’

‘Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?’

‘Doordat er een prijskaartje aan hangt.’

‘En als ik dat niet wil?’

‘Dan ga je naar een of andere goeroe.’

‘Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?’

‘Doordat er een prijskaartje aan hangt.’

‘En als ik dat niet wil?’

‘Dan koop je een of ander boek.’

‘Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?’

‘Doordat er een prijskaartje aan hangt.’

‘Misschien moet ik toch de lege boodschap eens proberen.’

‘Zie hem eerst maar eens te vinden.’

‘Is hij dan niet te koop?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat er geen vraag naar is.’

‘Waarom is er geen vraag naar?’

‘Omdat hij gratis is.’

‘Dan kan het niet veel wezen.’

‘Dat heb je goed gezien.’

-121-

Hoe groter de boodschap, hoe groter de stank

Beste Hans,

Iedere religie heeft een blijde boodschap maar niet-weten heeft helemaal geen boodschap. Wat heb je er dan aan?

Beste X,

Niet-weten heeft een lege boodschap. Dat is niet niks.

X: Volgens mij heeft niemand daar een boodschap aan. Waarom jij dan wel? Geef me één goede reden.

H: Ik geef je er twee:

1. Een blijde boodschap maakt mij niet leeg.

2. De lege boodschap maakt mij blij.

-122-

Niet-weten als diep doorleefd onvermogen

Plaats maken voor wat is

In de spirituele literatuur wordt niet-weten regelmatig in verband gebracht met wijsheid, openheid, liefde, mededogen, zachtmoedigheid, nederigheid, vriendelijkheid, tolerantie, vrijheid, onthechting en noem maar op.

Soms riekt het naar marketing, lees spiritueel materialisme, en dan irriteert het me, maar helemaal uit de lucht gegrepen is het ook weer niet.

Wie niet weet, zoals ik, is daardoor eerder geneigd zijn oordeel op te schorten, zichzelf en zijn gedachten met een korreltje zout te nemen, minder op zijn strepen te gaan staan, beter te luisteren, verder dóór te vragen ongeacht de consequenties – onder ogen te zien, toe te geven, over te geven, los te laten.

Op het eerste gezicht heeft dat inderdaad iets weg van wat mensen wijsheid noemen, maar in werkelijkheid is het een natuurlijk gevolg van een diep doorleefd onvermogen.

De rest wijst zich vanzelf.

Daar is echt geen wijsheid voor nodig.

Van spirituele of morele superioriteit kan in een radicaal niet-weten geen sprake zijn.

Agnose noopt hoogstens tot bescheidenheid, en het is uit bescheidenheid dat de weetniet wijkt.

Plaats maakt voor wat er nou eenmaal is.

Onder ogen ziet wat is.

Wat het ook is.

Hoe klein kan je zijn

Ach, was het maar zo eenvoudig.

Vaak genoeg maak ik helemaal geen plaats voor wat er is, als ik er al niet faliekant overheen kijk.

Ook dat is wat er is, of ik het leuk vind of niet.

Erken ik dan tenminste mijn eigen kleingeestigheid?

Hm.

Erken ik dan tenminste mijn onvermogen om mijn kleingeestigheid helemaal onder ogen te zien?

Eh…

Hoe bekrompener ik blijk, hoe bescheidener ik word, hoe meer ruimte ik voel voor kleingeestigen zoals ik.

Mooi meegenomen toch?

O o, wat vind ik mezelf soms geweldig

Wie niet weet is eerder kind dan sint.

Hij heeft nog steeds grenzen – psychische, sociale en morele, rare en rationele.

Wijsheid, openheid, liefde, mededogen, zachtmoedigheid, nederigheid, vriendelijkheid, tolerantie, vrijheid, onthechting?

Schijngestalten van de maan.

In verband met niet-weten weiger ik categorisch die woorden te gebruiken, want ze slaan de plank mis en voor je het weet sla je jezelf op de borst.

Doe ik evengoed weleens.

O o, wat vind ik mezelf soms geweldig – voor de duur van die gedachte.

Even later schaam ik me misschien weer – voor de duur van die gedachte.

Even later geneer ik me misschien weer voor mijn schaamte – voor de duur van die gedachte.

Gelukkig gaat het allemaal vanzelf weer over.

Helaas komt het allemaal vanzelf weer terug.

Leer mij mijn gedachten kennen.

In de greep van het lege denkbeeld

Als je niet-weten per se ergens mee moet vergelijken, vergelijk het dan maar met een leeg denkbeeld.

Zeg maar gerust hét lege denkbeeld, want waarin zou het ene lege denkbeeld van het andere moeten verschillen?

Als lucht in een vacuüm dringt het lege denkbeeld je geest binnen en neemt hem helemaal in bezit.

Zonder zelf enige ruimte in te nemen.

Dan ben je vol van zijn leegte.

Dan is de leegte vol van jou.

-123-

De trein komt altijd te laat, op tijd en te vroeg

Niet te geloven!

Zegt de eerste passagier: Deze trein kwam drie kwartier te laat, dat geloof je toch niet?

Zegt de tweede: Nee hoor, hij kwam precies op tijd, ik kon zo instappen.

Zegt de derde: Nee hoor, hij kwam net te vroeg, ik had graag nog even een kopje koffie gehaald.

Zegt de eerste: Hij kwam toch echt te laat.

Zegt de tweede: Hij kwam toch echt op tijd.

Zegt de derde: Hij kwam toch echt te vroeg.

-124-

De dood komt altijd te laat, op tijd en te vroeg

Geschreven naar aanleiding van de suïcide van Joost Zwagerman.

Zegt de eerste fan: De dood kwam veel te laat, wat heeft die man geleden.

Zegt de tweede: Nee hoor, ze kwam precies op tijd, hij is tot het gaatje gegaan.

Zegt de derde: Nee hoor, ze kwam veel te vroeg, hij had nog zoveel kunnen schrijven.

Zegt de eerste: Ze kwam toch echt te laat.

Zegt de tweede: Ze kwam toch echt op tijd.

Zegt de derde: Ze kwam toch echt te vroeg.

Zegt Joost: …

-125-

Sterven als je sterft

‘Hoe komt het toch dat sommigen te vroeg sterven en anderen te laat, Hans?’

‘Niemand sterft te vroeg of te laat.’

‘Niet?’

‘Te vroeg betekent alleen maar eerder dan verwacht.’

‘Op die manier.’

‘Te laat betekent alleen maar later dan verwacht.’

‘Prachtig.’

‘Wat?’

‘Zonder verwachtingen sterft iedereen op tijd.’

‘Welnee.’

‘Waarom niet?’

‘Op tijd is nog steeds een verwachting.’

‘Wanneer sterf je als je niet te vroeg, te laat of op tijd sterft?’

‘Als je sterft.’

-126-

Nergens op rekenen helpt ook al niet

‘Als je nergens op rekent kan de dood je nooit overvallen, Hans.’

‘Sufferd.’

‘Pardon?’

‘Nou reken je er weer op dat de dood je nooit kan overvallen als je nergens op rekent.’

‘Verdraaid.’

‘Zeg dat wel.’

‘Hoe kan ik ervoor zorgen dat de dood mij niet zal overvallen?’

‘Door jezelf te doden?’

‘Dat is wel erg radicaal.’

‘En tot die tijd kan de dood je nog steeds overvallen.’

‘Dan mag ik wel opschieten.’

‘En je kan er ook niet op rekenen dat je het aandurft om jezelf te doden als het moment daar is.’

‘Als je nergens op rekent kan alles je nog steeds overkomen, wou je zeggen.’

‘Als je wel ergens op rekent ook.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

-127-

Een poes is nog geen kater

– Gecondoleerd met je doodgeboren kindje.

– Dank je.

– Vreselijk hè.

– Het is maar net hoe je het bekijkt.

– Wat?

– Het was een mooie zwangerschap en een mooie bevalling.

– En nu?

– Hebben we het rijk weer alleen.

– Hoe zag het kindje eruit?

– Helemaal gaaf en helemaal slap.

– Dat moet een zware klap geweest zijn.

– Had gekund.

– Had je het zien aankomen?

– Alleen in algemene zin.

– Hoe bedoel je?

– Wat leeft gaat dood, ook ongeboren kindjes.

– Je maakt niet echt een geschokte indruk.

– Ik kan het ook niet helpen.

– En je vrouw?

– Wat is daarmee?

– Ze is toch negen maanden in verwachting geweest.

– Zwanger, bedoel je.

– Niet in verwachting?

– Niet dat ik weet.

– Ze verwachtte niets?

– Of eigenlijk alles. Ze hield overal rekening mee.

– Net als jij.

– Net als ik.

– Zij is ook niet geschokt?

– Tot nog toe niet.

– Wat is het verschil tussen niets verwachten en alles verwachten?

– Ik zou het ook niet weten.

– Wat is het verschil tussen alles verwachten en niets weten?

– Zelfde verhaal.

– Wat is het verschil tussen niets weten en niets verwachten?

– Idem dito.

– Dus jullie zijn er helemaal klaar mee?

– Voor zolang het duurt.

– Misschien komt de man met de hamer pas later.

– Mauwde de poes tegen de kater.

-128-

Niet-weten voor boogschutters

‘Wat is weten?’

‘Een pijl op je boog.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een pijl uit de boog.’

Naakt mannetje dat als boog fungeert; hij kijkt verschrikt naar de pijl die door zijn lijf steekt.
Een pijl op je boog.

-129-

Als je verstand stilstaat

De diplomaat en de agnost.

Diplomaat: Ontken nooit je overtuigingen omwille van rust en stilte.*

* Uitspraak van Dag Hammarskjöld (1905-1961).

Agnost: Laatst hoorde ik iemand het tegenovergestelde beweren.

Diplomaat: Namelijk?

Agnost: Ontken nooit je rust en stilte omwille van overtuigingen.

Diplomaat: Daar ben ik het niet mee eens.

Agnost: Waarom niet?

Diplomaat: Dan ontstaat er geen gesprek.

Agnost: Er doet er nog een de ronde.

Diplomaat: Toe maar.

Agnost: Ontken omwille van je rust en stilte nooit andermans overtuigingen.

Diplomaat: Daar ben ik het ook niet mee eens.

Agnost: Waarom niet?

Diplomaat: Om dezelfde reden.

Agnost: Is dit soms geen gesprek?

Diplomaat: Dat kan ik niet ontkennen.

Agnost: Terwijl ik uw overtuigingen nergens ontken.

Diplomaat: Ik denk dat u ze liever verkent.

Agnost: Dat wil ik best bekennen.

-130-

Meningen zijn geen must voor je zielenrust

De fysicus en de agnost.

Fysicus: Niets draagt méér bij tot zielenrust dan helemaal geen mening te hebben.*

* Uitspraak van G. C. Lichtenberg (1742-1799).

Agnost: Is dat een ervaringsfeit?

Fysicus: Het is mijn bescheiden mening.

Agnost: Pas dan maar op voor uw zielenrust.

Fysicus: Wat is uw mening?

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan almaar zonder mening zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je serieus genomen wilt worden.

Fysicus: Daar zit wat in.

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan het met allen eens te zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je uniek wilt zijn.

Fysicus: Daar zit ook wat in.

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan het met niemand eens te zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je ergens bij wilt horen.

Fysicus: Daar zit ook wat in.

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan het met de vijand eens te zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je anders wilt zijn.

Fysicus: Daar zit ook wat in.

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan het met je idool oneens te zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je op hem wilt lijken.

Fysicus: Ik word hier heel onrustig van.

Agnost: Ik word hier heel rustig van.

Fysicus: Hoe kan dat?

Agnost: Niets draagt meer bij tot mijn zielenrust dan alle mogelijke meningen te inventariseren.

-131-

Wat je minstens over gemoedsrust moet weten

‘Wat weet jij eigenlijk over gemoedsrust, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

-132-

Wijs als gras

Leerling: In het hele universum ligt nog geen grassprietje verkeerd.

Meester: In het hele universum ligt nog geen grassprietje goed.

Vijf jaar later

Leerling: In het hele universum ligt nog geen grassprietje goed.

Meester: In het hele universum ligt nog geen grassprietje verkeerd.

Vijf jaar later

Leerling: In het hele universum ligt nog geen grassprietje…

Meester: Goed of verkeerd.

Vijf jaar later

Leerling: In het hele universum ligt nog geen grassprietje goed of verkeerd.

Meester: Heb je ze allemaal gecontroleerd?

Vijf jaar later

Leerling: In het hele universum …

Meester: In het hele wat?

Vijf jaar later

Leerling: Zelfs over het kleinste grassprietje heb ik niets te melden.

Meester: Waarom doe je het dan toch?

Vijf jaar later

Leerling: …

Meester: Had dat dan meteen gezegd.

-133-

Gedachten zijn zo voorbij, deze ook

1.

Leerling: Vergankelijkheid is eigenlijk een zegen.

Meester: Hoezo?

Leerling: Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.

Meester: Maar daar is de volgende alweer.

2.

Leerling: Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.

Meester: Maar daar is ze voor de zoveelste keer.

3.

Leerling: Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.

Meester: De heerlijkste ook.

4.

Leerling: Vergankelijkheid is een zegen én een vloek.

Meester: Hoezo?

Leerling: Iedere gedachte is zo voorbij.

Meester: Deze ook.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Deze ook.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Deze ook.

Leerling: Wat nu?

Meester: Deze ook.

Leerling: Niet te geloven.

Meester: Die ook.

Leerling: Maar dat is wel precies wat ik bedoel.

Meester: Wat?

Leerling: Vergankelijkheid is een zegen én een vloek.

Meester: Die ook.

-134-

Er is meer in ons dan liefde alleen

Beste meneer Van Dam,

Gisteren vond ik in een oud dagboek van zowat veertig jaar geleden een lied van J. Krishnamurti dat ik gedeeltelijk had overgeschreven. Het heet Het lied van de liefde. Krishnamurti schreef het kort na zijn verlichting, omdat zijn hart overstroomde. Op zoek naar de complete tekst kwam ik via Google op uw website terecht. En wat voor een website!

Maar het mooiste vind ik toch uw foto. Zoals ze zeggen: de ogen zijn de spiegel van de ziel. Nu weet ik precies niet wat de ziel is, maar die foto’s zeggen mij alles. Ze doen me denken aan een prachtig gedicht van de grote soefimeester Hafiz:

The subject tonight is Love
And for tomorrow night as well,
As a matter of fact
I know of no better topic
For us to discuss
Until we all
Die!

In plaats van ‘Love’ kunt u wat mij betreft gerust ‘niet-weten’ lezen.

Foto van de auteur met dromerige blik.
Hans lacht naar zijn lief. Wie is zij?

Beste mevrouw X,

Dank voor uw vriendelijke opmerkingen over mijn foto.

Hij is weliswaar niet geacteerd, maar ik kan u verzekeren dat ik niet altijd zo kijk.

Soms zie ik er bijvoorbeeld benepen uit, of kritisch of verveeld of angstig of moe.

Mijn ziel heeft veel facetten, maar dat maakt haar nog geen diamant.

De beste spiegel om mijn ziel te bekijken is de lachspiegel.

Die plaatst alles in de juiste wanverhoudingen.

Ook de doorkijkspiegel en de aarsspiegel kan ik van harte aanbevelen als u mij beter wilt leren kennen.

Of anders gewoon even bij uzelf naar binnen kijken zonder roze bril, kan niet missen.

Hoe u het ook bekijkt, ik hoop dat u mij niet aanziet voor een heilige vol vriendelijkheid en mededogen.

Er is meer in mij dan liefde alleen, net als in alle mensen die ik ken, en mogelijk in alle mensen uit heden en verleden, maar die ken ik niet, net zomin als de mensen die ik ken.

Het niet-weten dat op hen en mij het meest van toepassing is, luidt: dat wil je niet weten.

Wedden dat u weet wat ik bedoel?

Iets niet willen weten en het dan toch onder ogen zien, mag van mij liefde heten, in elk geval tot het eind van deze brief.

Hafiz is dacht ik vooral een mysticus, een man van god, een man van blinde liefde voor god.

Voor hem is God volstrekt onzichtbaar want beeldloos, net als voor mij en voor God zelf, naar men zegt.

Net als niet-god, voeg ik er ten overvloede aan toe, die ook in dat opzicht niet voor Hem onderdoet.

Mystieke liefde moet wel blind zijn, dus dat treft.

Ik heb bovenstaand gedicht overeenkomstig uw suggestie zo hertaald:

het onderwerp van vanavond is niet-weten
evenals dat van morgenavond
en als het erop aankomt
weet ik niets beters
om bij stil te staan
tot we eindelijk
het leven
laten

Mij klinkt dit als muziek in de oren, of beter nog als stilte, maar wat Hafiz ervan zou denken?

Inderdaad zijn er steeds meer mensen die niet-weten liefde noemen, en omgekeerd.

Zelf vind ik dat te mooi.

Of niet mooi genoeg, daar ben ik nog niet uit.

Ik mag dan inzake de grote levensvragen misschien niets weten – ik sta er niet voor in – maar daarom houd ik nog niet overal van.

Ik omarm niet het hele leven, tenzij in die zin dat ik ook mijn weerstand tegen van alles en nog wat, eh… niet omarm natuurlijk, maar eindelijk onder ogen zie.

Toch weet ik mij niet de keuzeloze waarnemer van het waargenomene die volgens Jiddu Krishnamurti de allerhoogste liefde zou zijn.

Ook in die zin kan ik de liefde dus niet naar me toe trekken.

U ziet, de oersoep van niet-weten wordt al net zo lauw gegeten als opgediend.

Beste meneer Van Dam,

Wat een kostelijk weerwoord. Geen twijfel mogelijk: u weet precies wat Liefde is.

Beste mevrouw X,

Geen twijfel mogelijk: ik heb geen idee wat liefde is.

Tenzij dát liefde is.

Maar daar zal ik dan wel nooit achter komen.

-135-

Wat is ethiek?

Onder ethiek versta ik in dit boek het geheel van morele voorschriften – normen, waarden, deugden, zeden, regels, conventies, geboden en geloften – in een samenleving.

Etiquette

In het leven van alledag hebben morele voorschriften het karakter van etiquette waaraan mensen elkaar en soms ook zichzelf proberen te houden.

Wetten

In de maatschappij hebben morele voorschriften het karakter van wetten en regels waaraan burgers worden gehouden door politie en justitie.

Geboden

In monotheïstische religies zoals het christendom, het jodendom en de islam hebben morele voorschriften het karakter van goddelijke geboden waaraan gelovigen worden gehouden door menselijke afgezanten.

Geloften

In atheïstische religies zoals het boeddhisme en het humanisme hebben morele voorschriften het karakter van menselijke geloften of voornemens waaraan gelovigen zichzelf en soms ook elkaar proberen te houden.

Ongeschreven en geschreven regels

Lang niet alle morele voorschriften die het gedrag van mensen moeten reguleren zijn vastgelegd. Aan de ene kant van het spectrum vinden we de etiquette, die heel veranderlijk en grotendeels impliciet is en alleen in de praktijk geleerd kan worden.

Aan de andere kant vinden we de moraalfilosofie, de wet en de jurisprudentie die volledig op schrift zijn gesteld en aan de universiteit kunnen worden bestudeerd.

Daartussenin zitten religies, waarvan de ethiek gedeeltelijk gecanoniseerd is in geboden, geloften en kloosterregels.


Voorschriften in het christendom en de islam

De Tien Geboden

Het christendom, het jodendom en de islam, alle drie gebaseerd op het Oude Testament, kennen elk tien geboden, maar niet steeds dezelfde. Zetten we alle oudtestamentische geboden van deze monotheïstische godsdiensten onder elkaar dan hebben we er (volgens de Wikipedia van 19 juli 2017) twaalf.

1. Ik ben de Heer uw God

2. Gij zult geen andere goden hebben

3. Gij zult geen afgodsbeelden maken

4. Gij zult de naam van God niet misbruiken

5. Gedenk de sabbat en houd hem in ere

6. Eer uw vader en moeder

7. Gij zult niet doden/moorden

8. Gij zult geen overspel plegen

9. Gij zult niet stelen

10. Gij zult geen valse getuigenis afleggen

11. Gij zult de vrouw van uw medemens niet begeren

12. Gij zult het huis van uw medemens niet begeren

Naast de geboden uit het Oude Testament bevatten de Bijbel en de Koran een groot aantal voorschriften, gedragsvoorbeelden en gelijkenissen die aansporen tot een leven in dienst van God respectievelijk Allah en in navolging van Christus respectievelijk Mohammed.

Kloosterregels

In de monastieke vormen van deze godsdiensten krijgt de monnik ook nog eens te maken met een kloosterregel die varieert van orde tot orde en doorgaans vele voorschriften bevat. Zo beslaat de Regula Benedicti van de benedictijnen en de cisterciënzers maar liefst 73 hoofdstukken. De titel van het laatste hoofdstuk luidt: ‘Over het feit dat niet de volledige beoefening van de gerechtigheid in deze regel vervat is’.


Voorschriften in het boeddhisme

Het boeddhisme, dat volgens menig boeddhist geen godsdienst is maar een religie omdat zijn goden voor innerlijke kwaliteiten zouden staan, kent onder meer de vier geloften van de bodhisattva, het achtvoudige pad, de vijf voorschriften voor leken, de acht voorschriften voor leken en de tien voorschriften voor monniken. Deze laatste vormen de kern van de pathimokka, een set van 227 regels voor mannelijke respectievelijk 311 voor vrouwelijke monniken die op zijn beurt de kern vormt van de vinaya, de boeddhistische kloosterregel, die duizenden voorschriften omvat.

Het Achtvoudige Pad

Het achtvoudige pad houdt in:

1. Juist begrijpen van de oorzaken van het lijden en de oplossing hiervan

2. Juiste intenties: streven naar verlichting ten behoeve van alle levende wezens

3. Juist spreken: niet kwaadspreken of liegen

4. Juiste handelingen: niet doden, niet stelen, geen misbruik van zintuiglijke genoegens, niet liegen, geen alcohol en drugs

5. Juist levensonderhoud: geen beroep dat anderen kwaad doet

6. Juiste inspanning: streven naar de juiste gedachten en geestestoestand

7. Juiste aandacht: vipassana

8. Juiste mentale absorptie: samadhi

De Vijf Voorschriften

De vijf voorschriften van deugdzaamheid voor leken zijn gebaseerd op onderdelen 3 (juist spreken) en 4 (juist handelen) van het achtvoudige pad:

1. Niet doden

2. Niet stelen

3. Niet seksueel misbruiken

4. Niet liegen of roddelen

5. Geen verdovende middelen gebruiken

De Acht Voorschriften

De acht voorschriften van deugdzaamheid voor leken zijn:

1. Niet doden

2. Niet stelen

3. Geen seks

4. Niet liegen of roddelen

5. Geen verdovende middelen

6. Alleen ’s ochtends eten

7. Geen vermaak, nette kleding, sieraden, maquillage of parfum

8. Geen comfortabel bed

Het derde van de acht voorschriften (geen seks) is strenger dan het derde van de vijf (geen seksueel misbruik), en ook voorschriften 6 tot en met 8 liegen er niet om. Veel boeddhisten proberen zich permanent aan de vijf voorschriften te houden en alleen bij bijzondere gelegenheden zoals zon- en feestdagen en retraites aan de acht voorschriften.

De Tien Voorschriften

De tien voorschriften van deugdzaamheid voor monniken zijn:

1. Niet doden

2. Niet stelen

3. Geen seks

4. Niet liegen of roddelen

5. Geen verdovende middelen

6. Alleen ’s ochtends eten

7. Geen vermaak

8. Geen nette kleding, sieraden, maquillage of parfum

9. Geen comfortabel bed

10. Geen geld, goud of zilver


Het achtvoudige yogapad

Behalve het boeddhisme kent ook het hindoeïsme een achtvoudig pad. Het is terug te vinden in het tweede deel van de yogasoetra’s die worden toegeschreven aan Patanjali. Het bestaat uit acht zogeheten geledingen:

1. De vijf onthoudingen

2. De vijf voorschriften

3. Beheersing van de houding

4. Beheersing van de levensenergie

5. Het terugtrekken van de zintuigen

6. Concentratie

7. Meditatie

8. Absorptie

De Vijf Onthoudingen

Yama, de eerste van de acht geledingen staat voor de vijf onthoudingen:

1. Geweldloosheid

2. Waarheidslievendheid

3. Niet stelen

4. Kuisheid

5. Vrij zijn van bezitterigheid

De Vijf Voorschriften

Niyama de tweede van de acht geledingen, staat voor de vijf voorschriften:

1. Reinheid

2. Tevredenheid

3. Soberheid

4. Introspectie

5. Overgave aan God

-136-

Waarom ik niet meer in eenduidige antwoorden kan geloven

Beste Hans,

Ik ben drieënzeventig jaar, heb vier kinderen en (bijna) twee keer zoveel kleinkinderen, twee honden, twee katten, en een mooie tuin waar ik veel tijd in doorbreng. Van huis uit ben ik arts en ik oefende met die achtergrond diverse beroepen uit: specialist (interne geneeskunde), tropenarts en keuringsarts. Intenser nog dan die dingen deed ik aan zeezeilen en fotografie.

Toen dat allemaal wat verminderde, dacht ik er goed aan te doen om me voor de resterende jaren eens op een geheel andere wereld te richten: het spirituele universum. Te beginnen met mindfulness (een eye-opener) en een tweejarige leergang spiritualiteit (beide geleid door goede en bekwame lieden).

Daar ontdekte ik dat veel van het aangebodene niet relevant was voor mij en dat sommige zaken mij zelfs apert tegenstaan. In het boeddhisme bijvoorbeeld het verdwijnen van het zelf bij het bereiken van nirwana. Dat radicale gebeuren, daar streef ik geenszins naar, zelfs als het meer zou zijn dan een hersenschim.

Wat mij wel aanspreekt is de boeddhistische notie van onthechting (trouwens ook een minderheidsstroming in het christendom), een afstand nemen van de haast, de gekte, de overvloed van van alles en nog wat.

Googelend op je site gekomen dacht ik: wat een berg teksten. Maar interessant, juist door het eenzijdige, radicale thema. Hoe kijkt Hans er tegenaan? Hoe pakt hij het aan? Hoe relativeert hij met zijn niet-weten de gekte in en om ons heen? Zelf ben ik verre van onthecht maar ik wil wel heel graag die kant op, ook met mijn gedachten.

Als ik je goed lees ben jij een missionaris zonder missie. Ik bedoel dat niet negatief want zendelingen zijn er in ruwweg twee soorten: diegenen die het goede met alles en iedereen zeggen voor te hebben, maar uiteindelijk dood en verderf zaaien, en diegenen die minder stellig zijn, maar in feite het goede doen, of tenminste hetzelfde doen als waaraan artsen zich zouden moeten houden: bovenal, gij zult geen schade toebrengen.

De laatste tijd zit ik een beetje in de lappenmand en mede daardoor bekruipt mij een gevoel van urgentie. Ik wil niet-weten maar tegelijkertijd en sterker nog wil ik juist wél-weten:

Waarom sterven er nog steeds kindertjes in Afrika terwijl we al veertig jaar geleden begonnen met vaccineren?

Waarom doet de plaatselijke bevolking er nog steeds aan landbouw uit het stenen tijdperk terwijl de voorbeelden hoe het beter kan genoegzaam bekend zijn?

Waarom is er een uitgekiende commerciële Pamper luier-actie voor nodig om Unicef aan te sporen ernst te maken met het bestrijden van tetanus neonatorum?

Waarom rijden ontwikkelingswerkers in Afrika in Toyota Landcruisers rond in plaats van driemaal goedkopere Suzuki’s?

Waarom maken economen zich zo druk over niet goed bestede ontwikkelingsgelden en zwijgen ze ondertussen unaniem over het totale batige saldo dat van zuid naar noord stroomt?

Waarom is het vinden van olie steevast de pest voor Afrikaanse landen?

Waarom roepen economen te pas en te onpas dat het zo goed gaat met China en India terwijl miljarden er voor een hongerloontje werken en er geen ziektekostenverzekering is buiten de staatsbedrijven en de graaiers van de communistische partij, en je dus bij ziekte lekker mag creperen?

Waarom roepen economen tot vervelens toe dat we meer moeten besteden om uit de crisis te komen, dat we verder moeten groeien terwijl groei niet de oplossing is maar juist het probleem?

Waarom spreken mensen er wél schande van dat in Oost-Congo de mannen worden vermoord en de vrouwen en kinderen worden mishandeld, maar niet dat de gorilla stelselmatig wordt uitgeroeid?

Waarom wordt altijd alleen maar gekeken naar het belang van de mens, die onverzadigbare veelvraat, en niet naar het belang van de dieren?

Waarom valt niet alle mensen de volstrekte wanverhouding op tussen de aantallen mensen en de beschikbare bronnen?

Een boeddhist zal misschien zeggen: ‘Het is zoals het is’. Dat vind ik irritant, al is het ongetwijfeld een deel van de ‘oplossing’. Niet-weten lijkt me ook maar een deel van de ‘oplossing’. Hoe kijk jij daar tegenaan?

BesteX,

Wat leuk dat je aan zeezeilen en fotografie hebt gedaan. Ik ook!

Alleen was ik wat bang voor die grote boot en ontdekte algauw dat ik me meer thuis voelde op een windsurfplank.

Alleen was ik wat bang voor dat grote zeil en ontdekte algauw dat ik me meer thuis voelde in een kajak.

Alleen was ik wat bang voor die grote kano en ontdekte algauw dat ik me meer thuis voelde op een surfboard.

Alleen was ik wat bang voor die grote golven en ontdekte algauw dat ik me meer thuis voelde buiten de branding.

Ik was ook wat bang voor de diepte en ontdekte algauw dat ik me meer thuis voelde aan de oppervlakte.

Sindsdien heb ik voornamelijk in zee gezwómmen en gesnorkeld, langs de kust, baaien over, om eilandjes heen en zo.

Een en ander zal best ergens een metafoor voor zijn, maar waarvoor?

Tegenwoordig voel ik me vooral thuis op een bal, nog meer in bed en het meest op de grond.

Ook dat zal best ergens een metafoor voor zijn.

Als het om mindfulness gaat ben jij koning en ik geen klant.

Op twee jaargangen spiritualiteit geleid door goede en bekwame lieden kan ik ook al niet bogen.

Noch op kinderen, kleinkinderen, huisdieren of tuinplanten.

NietWeten.nl is mijn kindje, zeg maar gerust nageboorte met waterhoofd, en nog on(be)handelbaar ook.

Graag zou ik mij houden aan het adagium van artsen geen schade toe te brengen, maar jij hebt ongetwijfeld in je hoedanigheden van mens en medicus net als ik keer op keer moeten vaststellen dat daarvan geen sprake kan zijn.

Zelfs een geslaagde interventie richt in onvermoede opzichten schade aan.

Omgekeerd weet je maar nooit waar die schade weer goed voor is.

Hetzelfde geldt voor non-interventie, dus daar sta je dan met je prachtparool.

Dat mijn website geen schade aanricht waag ik te betwijfelen.

Dat hij nergens goed voor is eveneens.

Heel wat mensen worden er bijvoorbeeld boos of wanhopig van, anderen, of misschien wel dezelfden, vrolijk of hoopvol.

Misschien pleegt er wel iemand zelfmoord door, misschien is dat het beste wat hem of haar kan overkomen, of het ergste, of beide, of geen van beide.

Misschien profiteert de omgeving van zijn of haar dood, of ondervind er nadeel van of beide of geen van beide, in dezelfde en/of verschillende opzichten.

Misschien durven sommigen door mijn teksten eindelijk hun fundamentele onwetendheid onder ogen te zien en jaag ik anderen voorgoed het zoeken in.

Misschien durven sommigen zich door mijn teksten eindelijk over te geven aan het zoeken en komen anderen voorgoed vast te zitten in het idee van fundamentele onwetendheid.

En wat dan nog?

Meningen, verzuchtingen en hooggestemde idealen duiden in mijn ervaring altijd op kokervisie.

Je vindt ergens iets van omdat je het maar van één kant bekijkt.

Iemand pleit voor betere ambulances en ambulanceroutes omdat zijn eigen vader na een hartaanval niet snel genoeg in het ziekenhuis was, maar ziet niet dat ambulances op hun beurt verkeersongelukken veroorzaken en bijdragen aan luchtwegaandoeningen dankzij de uitstoot van hun opgevoerde motoren.

Iemand anders pleit daarom juist voor minder ambulances totdat zijn kleinzoon sterft aan een hartklepdefect omdat hij niet snel genoeg op de operatietafel lag.

Jij wil weten waarom er nog steeds kindertjes doodgaan in Afrika, maar sommige van de kindertjes die wel gered werden doden nu misschien gorilla’s om aan hun geld te komen of om hun jachtinstinct te bevredigen of om uiting te geven aan hun weet-ik-veel.

Je vraagt je af waarom Afrikanen nog steeds aan landbouw uit het stenen tijdperk doen, terwijl er in je eigen land in dit onvolprezen digitale tijdperk gebaseerd op silicium – hoofdcomponent van zand en steen – computergestuurde megastallen verrijzen die meer fijnstof uitstoten en mest produceren dan ooit.

Je vraagt je af waarom Unicef geen ernst maakt met het bestrijden van tetanus maar veronachtzaamt het feit dat clostridium tetanus net als de gorilla tot de levende en levenslustige wezens behoort.

Je vraagt je af waarom ontwikkelingswerkers rondrijden in Toyota Landcruisers maar niet waarom je zelf rondvloog in straalvliegtuigen en rondzeilde in houten en fiberglas boten.

Je vraagt je met het oog op andere diersoorten af of er onderhand niet teveel mensen op aarde zijn die ook nog eens bovenmatig beslag leggen op haar bronnen, maar je hebt zelf vier kinderen en twee keer zoveel kleinkinderen, om over je huisdieren en vleesconsumptie nog maar te zwijgen.

Als jij als goed opgeleide en breed georiënteerde wereldburger je zaakjes al niet op orde weet te krijgen, als jij al niet in overeenstemming met je eigen denk- en ideaalbeelden weet te leven, hoe moeten minder fortuinlijke en minder gefortuneerde, minder geïnformeerde en minder geleerde individuen en organisaties het dan voor elkaar krijgen?

Ik heb mijn zaakjes zelf ook niet op orde.

Ik zal ze wel nooit op orde krijgen.

Ik weet niet meer wat orde is.

Welke orde, voor wie?

Ik overzie de wijde wereld niet, ik overzie mijn eigen leven niet, ik overzie de consequenties van mijn eigen keuzes niet en ik overzie de factoren die daarop van invloed zijn niet, zodat ik uiteindelijk niet eens kan vaststellen of en in hoeverre het mijn keuzes zijn.

Ik kan er geen kaas van maken en ik probeer het ook niet meer.

Ik ken persoonlijk ook niemand die er wél kaas van heeft weten te maken.

Wel heel veel mensen die dat denken, of doen alsóf.

Sommige van hen beweren zelfs de hoogste waarheid te hebben gevonden of de hoogste werkelijkheid te hebben gerealiseerd.

Daar steek ik wel heel flets bij af.

Ik heb voor mezelf niet eens kunnen vaststellen of er een hoogste waarheid of werkelijkheid ís.

Of zelfs maar een gewone of een laagste.

Ik heb voor mezelf niet eens kunnen vaststellen dat je dat niet kunt weten of dat je niets kunt weten of dat ik niks weet.

Ik heb voor mezelf niet eens kunnen vaststellen of er een ik is of geen-ik of iets anders of niets.

Ik heb voor mezelf niet eens kunnen vaststellen dat ik voor mezelf niet eens iets heb kunnen vaststellen.

Ik heb voor mezelf helemaal niets kunnen vaststellen, laat staan voor anderen.

Daarom kan ik niet meer, zoals jij, in eenduidige antwoorden geloven.

Of in wat voor antwoorden dan ook.

In vragen geloof ik ook niet meer.

In niet-weten geloof ik ook niet meer, in niet-geloven ook niet.

Uiteindelijk kan ik mij nergens mee verenigen.

Ik ben geen liberaal, geen socialist.

Geen democraat, geen anarchist.

Geen christen, geen humanist.

Geen mysticus, geen atheïst.

Geen non-dualist, geen boeddhist.

Geen universalist, geen postmodernist.

Geen negativist, geen positivist.

Geen pessimist, geen optimist.

Geen nihilist, geen idealist.

Geen egoïst, geen altruïst.

Geen activist, geen fatalist.

Zelfs met niet-verenigen kan ik mij niet verenigen: ook tot de club van ongebondenen behoor ik niet.

Juist hier in dit Niemendal voel ik mij thuis.

-137-

Een blok aan je been

Meester Maya zegt:

Wie alles weet die staat als een huis.

Wie staat als een huis is altijd thuis.

Naakt vrouwtje met aan elk been een huis.
Wie staat als een huis is altijd thuis.

-138-

Welkom in het Niemendal

Welkom in het Niemendal

Waar geen woorden zijn

Te wegen

Waar geen stellingen zijn

Te verdedigen

Waar geen oordeel is

Te staven

Waar geen reden is

Te redeneren

Waar geen wijsheid is

Over te dragen

Waar geen geheim is

Te ontraadselen

Waar geen verhaal is

Te halen

Waar geen hoofd is

Te foppen

Waar geen hart is

Te kloppen

Waar geen hartstocht is

Te blussen

Waar geen grond is

Te bezitten

Waar geen weg is

Te wijzen

Waar geen doel is

Te rechtvaardigen

Waar geen middel is

Te heiligen

Waar geen heiligen zijn

Te schenden

Waar geen zonde is

Te bekennen

Waar geen God is

Te herkennen

Waar geen ik is

Te vermoorden

Waar geen ego is

Te temmen

Waar geen zelf is

Te verheffen

Waar geen mens is

Te vatten

Waar geen Jezus is

Te volgen

Waar geen Boeddha is

Te doden

Waar geen vorm is

Te verhullen

Waar geen leegte is

Te vullen

Waar geen eenheid is

Te verdelen

Waar geen illusie is

Te doorzien

Waar geen werkelijkheid is

Te realiseren

Waar geen doen is

Te laten

Waar geen laten is

Te doen

Waar geen wezens zijn

Te bevrijden

Waar geen vrijheid is

Te vangen

Waar geen weten is

Te meten en

Niet-weten is

Gezien

-139-

Niet doden leidt tot de hongerdood

‘Waartoe leidt de gelofte van niet doden?’

‘Plagen.’

‘Waartoe leiden plagen?’

‘Misoogsten.’

‘Waartoe leiden misoogsten?’

‘Hongersnood.’

‘Waartoe leidt hongersnood?’

‘De hongerdood.’

-140-

Niet doden leidt tot geboden

‘Waartoe leidt het verbod op doden?’

‘Overbevolking.’

‘Waartoe leidt overbevolking?’

‘Oorlog.’

‘Waartoe leidt oorlog?’

‘Doden.’

‘Waartoe leidt doden?’

‘Geboden.’

-141-

Niet doden leidt tot moord en doodslag

1

‘Waartoe leidt de gelofte van niet doden?’

‘Het opheffen van de doodstraf.’

‘Waartoe leidt het opheffen van de doodstraf?’

‘Moord en doodslag.’

2

‘Waartoe leidt de doodstraf?’

‘Justitiële dwalingen met fatale afloop.’

‘Waartoe leiden justitiële dwalingen met fatale afloop?’

‘Moord en doodslag.’

-142-

Geloften leiden tot zelfdoding

‘Waartoe leidt de gelofte niet te doden?’

‘Schuld en schaamte.’

‘Waartoe leiden schuld en schaamte?’

‘Zelfhaat.’

‘Waartoe leidt zelfhaat?’

‘Zelfdoding.’

-143-

Niet doden betekent niet leven

‘Wat betekent niet doden?’

‘Uiteindelijk?’

‘Uiteindelijk.’

‘Niet leven.’

‘Dat snap ik niet.’

‘Kan jij leven zonder eten?’

‘Nee, natuurlijk niet.’

‘Kan jij eten zonder doden?’

-144-

Nog vijf keerzijden van het gebod niet te doden

Abortus provocatus

‘Waartoe leidt de gelofte niet te doden?’

‘Ongewenste kinderen.’

Euthanasie

‘Waartoe leidt de gelofte niet te doden?’

‘Uitzichtloos lijden.’

Jacht

‘Waartoe leidt de gelofte niet te doden?’

‘Overbegrazing.’

Plagen en ziekten

‘Waartoe leidt de gelofte niet te doden?’

‘Epidemieën.’

Straffen

‘Waartoe leidt de gelofte niet te doden?’

‘Levenslang.’

-145-

Ook veganisten hebben bloed aan hun handen

‘Ik ben veganist, Hans.’

‘Wat houdt dat in?’

‘Dat ik niets dierlijks eet en niets gebruik waarvoor dieren nodig zijn.’

‘Dat mocht je willen.’

‘Ik gebruik zelfs geen gelatine meer.’

‘Maar je eet nog wel?’

‘Uitsluitend plantaardig en biologisch.’

‘Je eet gewassen?’

‘Is daar iets mis mee?’

‘Arme planten.’

‘Planten hebben geen gevoel.’

‘Wat eten die planten eigenlijk?’

‘Hè?’

‘Wat eten de planten die jij eet?’

‘Planten eten niet.’

‘Kunstmest?’

‘Ik ben tegen kunstmest.’

‘Poep dus.’

‘Wat heeft dat er nou weer mee te maken?’

‘Waar komt die poep vandaan?’

‘O.’

‘Nou?’

‘Van koeien en zo.’

‘En waarvoor worden die koeien nog meer gebruikt?’

‘…’

‘Of denk je dat ze uitsluitend voor de poep worden gehouden?’

‘…’

‘Dat een boer van mest alleen kan leven?’

‘…’

‘Nou dan.’

-146-

Lijd jij aan dierenleed?

X: Stop dierenleed! Draag geen bont!

H: Zou je liever te jong sterven of nooit zijn geboren?

X: Te jong sterven. Daar hoef ik echt niet over na te denken.

H: Waarom zou dat voor pelsdieren anders zijn?

X: Ben jij soms voor het gebruik van bont?

H: Niet dat ik weet.

X: Dan moet je er wel op tegen zijn.

H: Niet dat ik weet.

X: Dan moet je wel neutraal zijn.

H: Niet dat ik weet.

X: Het zou een zootje worden als iedereen zich zo opstelde.

H: Ik stel me niet op.

X: Heb jij dan helemaal geen medelijden?

H: Met wie?

X: Met de dieren die geslacht worden om hun pels natuurlijk.

H: Ook.

X: Met wie dan nog meer?

H: Met jou.

X: Waarom?

H: Omdat jij aan dierenleed lijdt.

X: Schei toch uit.

H: Met de fokkers.

X: Wát?

H: Denk je dat het leuk is om bedreigd te worden?

X: Ze vragen erom.

H: Ik heb nog nooit iemand om een dreigement horen vragen.

X: Je weet best wat ik bedoel.

H: En met de liefhebbers van bont natuurlijk.

X: Jij hebt medelijden met de liefhebbers van bont?

H: Omdat ze zich steeds schuldiger voelen.

X: Dat is ze verdomme geraden ook.

H: En omdat ze zomaar door iedereen uitgescholden kunnen worden.

X: En dan komen ze er nóg goed vanaf.

H: Ben je zelf ooit in die positie geweest?

X: Ik draag geen bont.

H: Ben je weleens gepest, bedoel ik?

X: O. Ja. Op school, jarenlang.

H: Een fijne herinnering zeker?

X: …

H: Ik dacht al zoiets.

X: Maar ben jij nou voor de pelsdieren, voor de activisten, voor de fokkers of voor de bontliefhebbers?

H: Onder meer.

-147-

Bepaal jij zelf waar je van houdt?

Over macht en overmacht.

‘Ik vind het schandalig dat mensen nog steeds bont dragen, Hans’

‘Waarom?’

‘Dat is zo zielig voor pelsdieren.’

‘Hou je van pelsdieren?’

‘Nou en of.’

‘Zou je ook niet van ze kunnen houden?’

‘Ondenkbaar.’

‘Is dat de reden dat je actie moet voeren?’

‘Beslist.’

‘Sommige mensen houden van bont.’

‘En?’

‘Zouden ze er ook niet van kunnen houden?’

‘Ze, eh…’

‘Zou dat de reden kunnen zijn dat ze bont moeten dragen?’

‘…’

‘Tussen twee haakjes…’

‘Wat?’

‘Je draagt leren schoenen.’

-148-

We zitten helemaal vast in onze eigen voorkeuren

‘Waarom kopen mensen in hemelsnaam nog bont, Hans?’

‘Misschien wel omdat ze zo van pelsdieren houden.’

‘Een dodelijke liefde.’

‘Ze weten ze in elk geval te waarderen.’

‘Ze zitten helemaal vast in hun eigen voorkeuren.’

‘Ook dat hebben jullie gemeen.’

-149-

Ik dood en laat voor mij doden

‘Zou jij kunnen doden, Hans?’

‘Ik dood en ik laat voor mij doden.’

‘Pardon?’

‘Kippen, duiven, kwartels, koeien, varkens, paarden, herten, zwijnen, vissen, kikkers, schildpadden, ratten, muizen, mollen, vissen, bomen, struiken, planten, grassen, bacteriën, virussen, schimmels, noem maar op.’

‘Ik bedoelde eigenlijk mensen.’

‘Ik wil je niet ongerust maken …’

‘Maar?’

‘Waarom zou iemand die alle levende wezens onder de zon doodt en laat doden, een uitzondering maken voor mensen?’

‘Dat weet ik eigenlijk niet.’

‘Nou, ik ook niet.’

-150-

Er sterven voortdurend mensen voor mij en door mij

‘Zou jij kunnen doden, Hans?’

‘Natuurlijk.’

‘O?’

‘Ik dood en ik laat voor mij doden.’

‘Dieren en planten?’

‘En mensen.’

‘Wát?’

‘Er sterven voortdurend mensen voor mij en door mij.’

‘Hoe dan?’

‘In het verkeer, in fabrieken, in mijnen, in gevangenissen, in ziekenhuizen, in de lucht, onder water, op het slagveld, noem maar op. Als het had gemoeten had ik mijn moeder rustig in het kraambed voor mij laten sterven.’

‘Ik bedoelde eigenlijk door je eigen hand.’

‘Ik wil je niet ongerust maken …’

‘Maar?’

‘Waarom zou iemand die zonder met zijn ogen te knipperen mensen voor zich laat sterven, moeite hebben eigenhandig te doden?’

‘Dat weet ik eigenlijk niet.’

‘Nou, ik ook niet.’

-151-

Mijn bloed kookt als ik alleen maar aan zo’n situatie denk

‘Zou jij kunnen doden, Hans?’

‘Met mijn blote handen?’

‘Of met wapens.’

‘Ik kan mij tientallen situaties voorstellen waarin ik iemand om het leven breng, en dat doe ik dan ook regelmatig.’

‘Wat doe je regelmatig?’

‘Mij situaties voorstellen waarin ik iemand om het leven breng.’

‘O, gelukkig.’

‘Wat voorstellen betreft ben ik beslist een ervaringsdeskundige.’

‘Een ouwe rot.’

‘Mijn bloed kookt als ik alleen maar aan zo’n situatie denk.’

‘Heb je er ooit een bij de hand gehad?’

‘Niet echt.’

‘Stelt dat je gerust?’

‘Niet in het minst.’

‘Waarom niet?’

‘Je weet nooit wanneer het moment daar is.’

-152-

Ik ben nogal bang aangelegd

‘Zou jij als het erop aankomt iemand kunnen doden, Hans?’

‘Als het erop aankomt?’

‘Bijvoorbeeld om je eigen leven of dat van je lief te redden?’

‘Ik mag het graag denken …’

‘Maar?’

‘Ik ben nogal bang aangelegd.’

‘Ik eerlijk gezegd ook.’

‘Dus ik reken nergens op.’

‘Denk jij dat je het doden achterwege kunt laten als het nergens voor nodig is?’

‘Ik mag het graag denken …’

‘Maar?’

‘Ik ben nogal bang aangelegd.’

‘Hè?’

‘Als je bang bent, heb je jezelf niet meer in de hand.’

‘Op die manier.’

‘Dus ik reken nergens op.’

‘Heeft een mens die niet bang is zichzelf wél in de hand?’

‘Ik mag het graag denken …’

‘Maar?’

‘Waarom zou angst de enige onzekere factor zijn?’

‘Wat anders?’

‘Lust. Woede. Drank. Sadisme. Paranoia. Jaloezie. Stoerheid. Groepsdruk. Massahysterie. Hongersnood. Een hersentumor. Ik noem maar wat.’

‘Op die manier.’

‘Dus ik reken nergens op.’

‘Hebben wij dit gesprek wel in de hand?’

‘Ik mag het graag denken …’

‘Maar?’

‘Wie weet of de Grote Schrijver het ons niet oplegt.’

‘Ook daar zullen we wel nooit achter komen.’

‘Zelfs dáár ben ik nog niet achter.’

‘Dat we er nooit achter zullen komen?’

‘Jij?’

‘Ik eerlijk gezegd ook niet.’

‘Dus ik reken nergens op.’

-153-

Vijf redenen om (niet) bij de pakken neer te zitten

1

Leerling: Als alles een illusie is, waarom zou je dan nog wat doen?

Meester: Als alles een illusie is, waarom niet?

2

Leerling: Als alles een illusie is, waarom zou je dan nog wat doen?

Meester: Als alles een illusie is, dan ook het niet-doen.

3

Leerling: Als alles een illusie is, waarom zou je dan nog wat doen?

Meester: Als alles een illusie is, dan ook de illusie.

4

Leerling: Als alles een illusie is, waarom zou je dan nog wat doen?

Meester: Als alles een illusie is, dan ook mijn antwoord.

5

Leerling: Als alles een illusie is, waarom zou je dan nog wat doen?

Meester: Als alles een illusie is, dan ook jouw vraag.

In plaats van illusie (maya) mag je hier ook leegte (sunyata) lezen.

-154-

Non-dualisme is al net zo’n mijnenveld als boeddhisme

‘Wat vind jij van het boeddhisme, Hans?’

‘Een mijnenveld.’

‘Mijn idee.’

‘Hoezo?’

‘Geloften en goede voornemens leiden alleen maar tot bestendiging van het geloof in de persoon, de vrije wil en de maakbaarheid van de wereld.’

‘Wat zou volgens jou het beste zijn?’

‘Geen goede voornemens meer maken, geen geloften meer afleggen en dat ook niet van anderen verlangen.’

‘Je veronderstelt een persoon, een vrije wil en een maakbare wereld.’

‘Wat?’

‘Het voornemen geen goede voornemens meer te maken, geen geloften meer af te leggen en dat ook niet van anderen te verlangen leidt alleen maar tot bestendiging van het geloof in de persoon, de vrije wil en de maakbaarheid van de wereld.’

‘Verdraaid.’

‘Dat zeg ik.’

‘Wat?’

‘Een mijnenveld.’

-155-

Je kiest wat je wil, maar wie bepaalt wat je wil?

‘Hebben wij een vrije wil, Hans?’

‘Dat moet je zelf uitmaken.’

‘Maar ik kan toch zeker doen wat ik wil?’

‘Dat is het punt niet.’

‘Wat is het punt wel?’

‘Of je zelf kan bepalen wat je wil.’

‘Maar ik kan toch zeker zelf keuzes maken?’

‘Dat is het punt ook niet.’

‘Wat is het punt wel?’

‘Of je zelf kan bepalen waar je voor kiest.’

‘Ik snap het niet.’

‘Val je op mannen of op vrouwen?’

‘Op mannen.’

‘Zou je ook op vrouwen kunnen vallen als je ervoor koos?’

‘O, zo.’

‘Snap je?’

‘Ooit heb ik een prachtige vrouw moeten afwijzen …’

‘Ooit heb ik een prachtige man moeten afwijzen …’

‘Ajax of Feyenoord?’

‘Tennis.’

‘Een voetbalfan komt makkelijker aan zijn trekken.’

‘Djokovic of Nadal?’

‘Federer.’

‘De fans van Djokovic hebben meer te vieren.’

‘Groente of fruit?’

‘Snoep.’

‘Fijn voor de tandarts.’

‘Zie je het patroon?’

‘Ik zou het liever niet zien.’

‘En dat wou jij vrije wil noemen?’

‘Kan ik het helpen.’

‘Jezus of Boeddha?’

‘Hou op, schei uit.’

-156-

Vrije wil is wat je geen keus laat

‘Is kiezen een keuze, Hans?’

‘Wat jij wil.’

‘Wat is vrije wil?’

‘Datgene wat je geen keus laat.’

‘Maar je kan toch doen wat je wil?’

‘Maar kan je ook laten wat je wil?’

‘Alleen als je wil.’

‘Dan doe je nog steeds wat je wil.’

‘Maar je kan toch laten wat je niet wil?’

‘Maar kan je ook doen wat je niet wil?’

‘Alleen als je wil.’

‘Dan doe je nog steeds wat je wil.’

‘Dus?’

‘Heb je geen keus.’

‘Maar is kiezen nou een keuze of niet?’

‘Wat jij wil.’

-157-

De lijdende vorm bedrijven

‘Wij denken niet, Hans, wij worden gedacht.’

‘Geldt dat ook voor dit denken?’

‘Uiteraard.’

‘Hoe weet je dan of het waar is?’

‘Hm.’

‘Want jij staat er niet voor in.’

‘Niet als we worden gedacht.’

‘Als jij er niet voor instaat, wie dan wel?’

‘Daar moet ik nog eens goed over nadenken.’

‘Wie?’

‘Ik bedoel, daar moet nog eens goed over worden nagedacht.’

‘Jij zeg het.’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Daar moet ik nog eens goed over worden nagedacht?’

-158-

Verbeurd

‘Ik doe niet, Hans, ik gebeur.’

‘Is dit spreken ook wat gebeurt?’

‘Natuurlijk.’

‘Hoe weet je dan of het waar is?’

‘Dat voel ik.’

‘Is dit voelen ook wat gebeurt?’

‘Natuurlijk.’

‘Hoe weet je dan of het klopt?’

‘Dat denk ik.’

‘Is dit denken ook wat er gebeurt?’

‘Ik zie waar je naartoe wilt.’

‘Is dit zien ook wat er gebeurt?’

‘Waar wil je eigenlijk naartoe?’

‘Wil ik ergens naartoe of word ik ergens naartoe gewild?’

‘Ik geloof niet dat ik dit wil.’

‘Het is al gebeurd.’

-159-

Gedachten aftuigen – wat een gedoe

‘Wij zijn de getuige, Hans, niet de doener.’

‘Waarvan precies?’

‘Van het hele… gedoe, zou ik zeggen.’

‘Ook van het getuige zijn?’

‘Wat?’

‘Of behoort dat soms niet tot het hele gedoe?’

‘Nou je het zegt.’

‘Waar is die getuige dan nog voor nodig?’

-160-

Retour afzender

1

‘Ontvangen wat er gaande is, meer hoeven we niet te doen, Hans.’

‘Is ontvangen soms niet wat er gaande is?’

‘Nou je het zegt.’

‘Wat valt er dan nog te doen?’

‘Bedoel je dat we zelfs niet hoeven ontvangen?’

‘Ik heb wel wat beters te doen.’

2

‘Ontvangen wat er gaande is, meer hoeven we niet te doen, Hans.’

‘In tegenstelling tot?’

‘Afwijzen wat er gaande is, zou ik zeggen.’

‘Is afwijzen soms niet wat er gaande is?’

‘Nou je het zegt.’

‘Of moet dat afwijzen soms weer ontvangen worden?’

‘Dat zal het zijn.’

‘En als je dat dan weer afwijst?’

‘Hm.’

‘Wat?’

‘Ik snap er niks meer van.’

‘Meer valt er niet te doen.’

-161-

Het hoogste geluk gaat zomaar stuk

‘Het hoogste geluk is niet doen wat je wil maar willen wat je doet, Hans.’

‘Je kan wel zoveel willen.’

‘Daarom probeer ik alles te willen wat ik doe.’

‘Je zal wel moeten.’

‘Of in afgezwakte vorm: het hoogste geluk is niet doen wat je wil maar willen wat er gebeurt.’

‘En als niet-willen nou is wat er gebeurt?’

‘Het hoogste geluk is ook: niet hebben wat je wil maar willen wat je hebt.’

‘Je kan niet alles hebben.’

‘Wat is volgens jou het hoogste geluk?’

‘Niet weten wat het hoogste geluk is?’

‘Of wil je het niet zeggen?’

‘Dan zou ik dat wel zeggen.’

‘Misschien is het hoogste geluk niet zeggen wat je wil maar willen zeggen wat je zegt.’

‘Ik wou dat ik dat had willen zeggen.’

-162-

Wie het geluk zoekt, moet afzien van zijn geluk

‘Wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk, Hans, en wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk.’

‘Jij zegt het.’

‘Wat zeg jij?’

‘Soms heb je geluk, soms heb je gelijk.’

‘Zo lust ik er nog wel een.’

‘Soms zoek je het geluk, soms niet; soms zoek je het gelijk, soms niet.’

‘Daar valt weinig tegenin te brengen.’

‘Soms word je gelukkig van je gelijk, soms ongelukkig; soms word je gelukkig van je ongelijk, soms ongelukkig.’

‘Uit het leven gegrepen.’

‘Soms ben je gewoon gelukkig, soms ben je gewoon ongelukkig; soms heb je gewoon gelijk, soms heb je gewoon ongelijk.’

‘Maar waar het nou aan ligt?’

‘Soms ben je gelukkig én ongelukkig; soms heb je gelijk én ongelijk.’

‘Nou je het zegt.’

‘Soms ben je gelukkig noch ongelukkig; soms heb je gelijk noch ongelijk.’

‘Vaker wel dan niet.’

‘Soms denk je dat er iets aan te doen valt, soms niet.’

‘Zo is het precies.’

‘Soms kan het je wat schelen, soms niet.’

‘Wat zijn mensen toch ingewikkeld, hè?’

‘Ik bedoel maar.’

‘Je hebt helemaal gelijk, Hans.’

‘Wat een geluk.’

-163-

Hoe groot is jouw geluk?

1

‘Beter een ons geluk dan een pond wijsheid, Hans.’*

* Nederlands spreekwoord.

‘Ik heb nog geen gram wijsheid.’

‘Hoe groot is jouw geluk?’

‘Gelukkig is mijn weegschaal stuk.’

2

‘Beter een ons geluk dan een pond wijsheid.’

‘Deze weegt al honderd pond.’

‘Wat volgt daaruit voor mijn geluk?’

‘Volgens mij geen ene fuck.’*

* Geen Nederlands spreekwoord

-164-

Wijsheid is geen geluk

Tegeltje met spreuk.
Geluk is geen wijsheid.

-165-

Vier sleutels tot het geluk

Klavertje 1

‘Wat is de sleutel tot het geluk, Hans?’

‘De sleutel tot het ongeluk.’

Klavertje 2

‘Wat is de sleutel tot het geluk?’

‘Niet weten wat de sleutel tot het geluk is.’

Klavertje 3

‘Wat is de sleutel tot het geluk?’

‘Niet weten of er een sleutel tot het geluk is.’

Klavertje 4

‘Wat is de sleutel tot het geluk?’

‘Niet weten wat geluk is.’

-166-

De poort naar het geluk

‘De poort naar het ongeluk heb ik allang gevonden, Hans, maar waar is nou de poort naar het geluk?’

‘Volgens mij is er maar één poort.’

‘De poort naar het geluk is de poort naar het ongeluk?’

‘Heb je het door?’

‘Hoe zou jij die poort omschrijven?’

‘Eén poort is geen poort.’

‘Dus?’

‘Kan je net zo goed thuisblijven.’

‘Net zo goed als wat?’

‘Weggaan natuurlijk.’

‘Wat nu?’

‘Zo kan je het ook zeggen.’

‘Hè?’

‘Zo kan je het ook zeggen.’

‘Nou moe.’

‘Zo kan je het ook zeggen.’

‘…’

‘Zo kan je het ook zeggen.’

‘Tja.’

‘Maar om dat nou geluk te noemen?’

‘Wat zou jij geluk noemen?’

‘Daar begin ik niet meer aan.’

‘O.’

‘En dat is mijn geluk.’

-167-

Gek, zei de ik

‘Ben jij een gelukkig mens, Hans?’

‘Ben ik een mens?’

‘Dat nam ik inderdaad even aan.’

‘Ben ik?’

‘Dat nam ik inderdaad even aan.’

‘Wat heet gelukkig?’

‘Ik had gehoopt dat jij dat wist.’

‘Hoop doet lijden.’

‘Vandaar.’

‘Of was het nou andersom?’

‘Wat?’

‘Leed doet hopen?’

‘Of beide?’

‘Of geen van beide?’

‘Hoop doet leven, was het toch?’

‘Leven is lijden, was het toch?’

‘Wie zei dat ook alweer?’

‘Ik, zei de gek.’

‘Nou je het zegt.’

‘Maar wie ben ik?’

-168-

Wat er achter de poort tot het geluk zit

‘Niet-weten is de sleutel tot het geluk, Hans.’

‘Maar waar is nou het slot?’

‘Ik bedoel, niet-weten is de sleutel en het slot tot het geluk.’

‘Maar waar is nou de poort?’

‘Ik bedoel, niet-weten is de sleutel en het slot en de poort tot het geluk.’

‘Maar wat er nou achter zit?’

‘Het geluk natuurlijk.’

‘Niet-weten natuurlijk.’

‘Niet-weten is de poort tot niet-weten?’

‘Ik zou het anders ook niet weten.’

‘En waar is het geluk?’

‘En daar is het geluk.’

-169-

Geluk zit in een klein koekje

Meester Koekoek heeft gezegd: ‘Geluk is een koekje.’

Hij heeft ook gezegd: ‘Geluk is een gelukskoekje.’

En: ‘Geluk is een gelukskoekje breken.’

En: ‘Geluk is nog brozer dan een koekje.’

En: ‘Geluk is kletskoek.’

Wat hij ook zei, het maakte hem blij.

Daarin leek de Meester op mij.

Toen men hem vroeg waar het Grote Geluk zich het meeste thuis voelt, zei hij: ‘In een klein hoekje.’

Toen men hem vroeg waar dat hoekje te vinden was, zei hij: ‘Wat zoek je.’

-170-

Geluk is niet weten

Geluk

Geluk is

Geluk is niet

Geluk is niet weten

Geluk is niet weten wat

Geluk is niet weten wat geluk is

Geluk is niet weten wat

Geluk is niet weten

Geluk is niet

Geluk is

Geluk

Tegeltje met spreuk.
Geluk is niet weten wat geluk is.

-171-

Niet-weten is ademruimte, denkruimte, speelruimte, leefruimte

Beste Hans,

Hierbij een link naar een interview met de spirituele leraar Puntje-puntje-puntje. Ik ben benieuwd wat jij ervan vindt.

Beste X,

Dank voor je, even tellen, derde link alweer deze maand. En we zijn pas op de helft.

Man, wat een saai filmpje weer.

Wat een ontstellende stelligheid.

Zoveel clichés, hoe krijg je ze bij elkaar.

Zitten er dan alleen maar klonen op Youdupe?

Niet om door te komen, zeg.

Wil je mij een lol doen?

Stuur me geen links meer.

Je mag er zoveel niet-sturen als je wil.

Beter nog: stuur ze me maar allemáál niet.

Dan ben jij wel even zoet en ik wat minder zuur.

Beste Hans,

Hierbij de, even tellen, vijfde link alweer deze maand. Sorry hoor, maar ik ben ervan overtuigd dat deze je aan zal spreken. Je moet er wel even de tijd voor nemen en het gesprokene goed tot je laten doordringen. Ik zou je haast vragen om het voor mij te doen, maar je moet het natuurlijk alleen voor jezelf doen.

Beste X,

Sinds ik online ben met mijn website over niet-weten worden mij voortdurend filmpjes, boekjes, mp3-tjes, verhaaltjes, gedichtjes, preken, teisho’s, satsangs, sensei’s, goeroes, meditatietechnieken, therapieën en waarheden aanbevolen.

Dikwijls met klem.

Alsof mijn website SOS.NL heet in plaats van NietWeten.nl.

In de mystiek spreekt men weleens van de donkere nacht van de ziel waarin je zou verkeren nadat je je eindelijk van alle zelfbeelden en godsbeelden hebt verlost, maar voordat het de beeldloze godheid behaagt je ziel binnen te gaan.

Machteloos wachtend, smachtend naar de minne.

Ook in jouw ogen schijnt niet-weten een noodzakelijk kwaad te zijn.

Een wachtkamer zonder dak of gemak.

De blote hemel tussen woonhuis en godshuis.

De bomkrater die de ingang van het paradijs verspert en daarom zo snel mogelijk opgevuld moet worden.

Zelf vind ik in dat gigagat juist ademruimte, denkruimte, speelruimte, leefruimte.

Van je af kunnen kijken, dat geeft het gemoed pas rust.

Pleinvree noem ik dat, pleinvreugd, pleinlust, agorafilie.

Ik wil je niet naar buiten lokken, hoor.

Jou niet en niemand niet.

Ik zeg alleen hoe het er is, op het weidse plein van de vreemde weetnietvrede.

Hoe ik het beleef.

Voor wie het horen wil.

Voor wie het hebben kan.

X: Ik kan zo’n filmpje wel tien keer zien, weet je dat? Puntje-puntje-puntje weet het als geen ander te vertolken.

H: Integendeel, Puntje-puntje-puntje weet het als ieder ander te vertolken.

Hij bedient zich van het standaard wijsheidsjargon met clichés als ego, identiteit, illusie, waarheid, karmisch pad, boeddhaveld, verlichting, een hogere bewustzijnstoestand, transcendentie, gelukzaligheid, universele liefde, totale openheid, heelheid, non-dualiteit, het absolute, de bron, eenheid, integratie en balans.

Spoken in de bovenkamer.

Wie gelooft daar nog in?

De weetnietgeest in elk geval niet.

Jaren geleden heb ik in een roes van beate verstandsverbijstering door al deze en soortgelijke termen een streep gezet.

Niet met een potlood, niet met een pen maar met een stanleymes.

Dat beviel zo goed dat ik sindsdien vrijwel niks anders meer doe.

Nu ook weer.

Krassen, krassen, krassen.

Zó houdt de weetnietgeest zijn vredesplein leeg.

-172-

Leven is geen kunst en niet-weten is geen doen

In de mystiek is niet-weten een wachtkamer voor God, bij de Zen Peacemakers is het een bejegeningsideaal, bij Jan Oegema is niet-weten een levenshouding en in het bedrijfsleven is niet-weten een managementmethode.

Voor mij is het geen van vieren. Maar wat dan wel?

1. Een radicaal niet-weten

Ieder woord van iedere taal betekent voor ieder wezen – mens, paard, hond, vis – iets anders, of gewoon niets.

Soms zijn de verschillen klein, soms zijn ze onoverbrugbaar groot.

Soms zijn we ons van de verschillen bewust, dikwijls blijven ze onder de radar waardoor we ten onrechte denken dat we elkaar verstaan of misverstaan, dat we het eens zijn of juist oneens.

Ook niet-weten betekent voor iedereen iets anders.

Voor sommigen is het openheid, een onbevooroordeelde blik, medemenselijkheid; voor anderen is het een weg naar God of het onverdeelde zelf, non-dualiteit.

Voor de een is het een middel, voor de ander is het een doel.

Voor de taoïst is het wijsheid, voor de theravadin onwetendheid.

Voor mij is niet-weten gewoon niet weten.

Met je mond vol tanden staan.

Dat je het allemaal even niet meer weet, maar dan chronisch.

Leven is geen kunst en niet-weten is geen doen.

Het is ook geen laten.

Het is geen zelf en geen niet-zelf.

Het is geen ideaal, geen middel, geen weg en geen doel.

Het is niet juist en niet onjuist.

Het is nergens goed voor en het is nergens slecht voor, niet van zichzelf, niet dat ik weet.

Integendeel, denken in termen van tegendelen zoals goed en slecht, juist en onjuist, weg en doel, ideaal en middel, zelf en niet-zelf, doen en laten, weten en niet-weten, behoort volledig tot het weten.

Net als deze tekst.

Om het verschil met alternatieve betekenissen van ‘niet-weten’ te benadrukken, noem ik het mijne weleens radicaal niet-weten, kortweg agnose (a-gnose).

Dit laatste woord speelt in het Nederlands nauwelijks een rol en heeft van concurrerende betekenissen nog weinig te duchten.

Ik kom er zo op terug.

2. Niet-weten als tussenstadium

In de mystiek, vooral bij Johannes van het Kruis, is niet-weten een praktijk van bidden, meditatie en contemplatie om je te ontledigen van al je zelfbeelden en godsbeelden, want die staan tussen jou en de allerhoogste in.

Ook verwijst niet-weten er naar de dorre tussentijd waarin je beeldloos afwacht totdat God, wie of wat dat ook moge wezen, zich eindelijk aan jou openbaart, wie of wat jij ook mag wezen.

Erg aangenaam schijnt deze toestand niet te zijn; Johannes van het Kruis noemt het de donkere nacht van de ziel, een kwelling waaraan voor een enkeling een einde komt in de mystieke vereniging met de beeldloze.

Het radicale niet-weten waarvan ik getuig is geen wachtkamer (martelkamer, verloskamer) maar een gelagkamer (rustkamer, speelkamer).

Geen tussenstadium maar een eindstadium waarin je je gedachten doorziet, een voor een, dan breekt het lijntje niet.

Dus ook de gedachte van niet-weten als een eindstadium waarin je je gedachten een voor een doorziet.

Alsof dat mogelijk zou zijn.

Alsof het wenselijk zou zijn.

Aan een radicaal niet-weten komt géén einde in de mystieke vereniging met de beeldloze.

Agnose is zelf al de mystieke vereniging.

Een vereniging zonder bestuur en zonder leden.

Een en al mysterie, zonder tal of taal of teken, niet te claimen, niet te faken.

Ook dit is maar een beeld.

Agnose is helemaal het einde, ook van niet-weten, ook van beeldloosheid, ook van het mysterie en zelfs van het einde, dus dat scheelt.

Leve de lege statuten.

Voor mij is niet-weten geen kwelling.

Wéten was de kwelling, als we dan per se in dit soort termen moeten denken.

Wel ben ik door het verlies van mijn twijfelachtige zekerheden flink in de rouw geweest.

Vaak stonden de tranen in mijn ogen of liepen ze over mijn wangen zonder dat ik er erg in had.

Agnose is een bad dat snel volloopt maar langzaam warm wordt, zou je kunnen zeggen.

Het vertrouwen dat je in dit bodemloze tepidarium niet zal verdrinken, moet groeien.

Zolang je er niet volledig op vertrouwt, kan je je er niet volledig in ontspannen.

Dat kost tijd, jaren in mijn geval, ik was ook zo’n ontzettende weetal.

Tegenwoordig balanceer ik vaak uren achtereen op het randje van de euforie, ongelooflijk.

Maar ik zit dan ook al tien jaar in bad.

Euforie bewijst natuurlijk niks, je kan overal van uit je dak gaan – van Jezus, van Hazes, van Krishna, van Callas, van Boeddha, van Beckett, van genot, van pijn, van kopen, van wegdoen, van woorden, van stilte – maar lekker is het wel.

Bovendien heb ik niks meer te bewijzen, dit ook niet.

Hoe het ook zij, in een radicaal niet-weten ben je niet alleen vrij van onwrikbare zelfbeelden en godsbeelden, zoals de aanstaande mysticus, maar van alle vaste denkbeelden omtrent welk onderwerp ook – mensbeelden, wereldbeelden, boeddhabeelden, heiligenbeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden, ziektebeelden, de hele reutemeteut, inclusief je vrijheidsbeelden, inclusief dít vrijheidsbeeld.

Het is niet dat er geen denkbeelden meer zijn, maar dat het geen denk-beelden meer zijn.

Radicaal niet-weten is een denkbeeldenstorm die alle denk-beelden aan diggelen slaat, met sokkel en al, de diggelen tot gruis, het gruis tot stof.

Mettertijd luwt de beeldenstorm, maar de wind van niet-weten gaat nooit liggen.

Stofhoosjes vormen schijngestalten van voormalige denkbeelden.

Oude bekenden, je kijkt er dwars doorheen en ze vallen meteen weer uiteen.

Ook dit is maar een denkbeeld, ik hoop dat je het doorziet.

3. Niet-weten als voorschrift

Een heel andere betekenis van het begrip niet-weten vinden we bij de Zen Peacemakers.

Voor hen is niet-weten geen tussenstop onderweg naar God, maar een humanistisch bejegeningsideaal.

Zen Peacemakers willen de medemens open en onbevooroordeeld tegemoet treden, met ‘een houding van niet-weten.’

Een soortgelijke benadering zien we bij de ietsist Jan Oegema, auteur van De stille stem, die niet-weten een levenshouding noemt, waarvoor je kan kiezen en waarvoor je zou moeten kiezen.

Zijn boek is een pleidooi voor openheid, barmhartigheid en naastenliefde – degelijke oecumenische, boeddhistische en verlichtingsidealen, traditiegetrouw gegrond in de zwevende vooronderstelling van een ik met een vrije wil.

Niet-weten als levenshouding

Vragen stellen, luisteren, lief zijn voor elkaar, leven en laten leven, ik vind het prachtig allemaal, misschien wat eenzijdig en naïef.

Maar net als bij het bejegeningsideaal van de Zen Peacemakers is het mij niet duidelijk waarom deze levenshouding ineens niet-weten moet heten.

Wat voegt dat toe, wat neemt het weg, wat haalt het uit?

Oude wijn in nieuwe zakken, zegt het spreekwoord onbarmhartig, maar misschien is dat een vooroordeel.

Ook in managementboeken wordt niet-weten opgevat als een houding, een keuze, een methode, een ideaal.

Het is, opnieuw, een machtsgreep.

De manager krijgt het advies om zijn vakmatige onwetendheid openlijk toe te geven en een beroep te doen op de expertise van de werkvloer.

Hij legt niet zijn wil op zoals de bazen van weleer, maar laat zich adviseren door zijn ondergeschikten, die qua knowhow eigenlijk zijn superieuren zijn.

Een manager die niet weet, staat in dienst van werknemers die wél weten.

Hij dirigeert niet, hij faciliteert, en het bedrijf profiteert.

Zo legt de manager indirect toch zijn wil op, of wiens wil het ook mag wezen.

Geen probleem, dat is het punt niet.

Het punt is dat er in een onbegrensd niet-weten bij gebrek aan denk-beelden geen sprake kan zijn van een bejegeningsideaal, een levenshouding of een managementmethode.

Ook het meta-ideaal om anderen of het leven zónder idealen, houdingen of methoden tegemoet te treden, vindt in agnose geen onderdak.

Het punt is dat niet-weten geen punt is.

Geen aandachtspunt, geen agendapunt, geen aanknopingspunt en geen gezichtspunt.

Niet-weten is geen-punt – of het moest een breekpunt zijn.

Een nulpunt?

Misschien spreekt deze formulering je aan: in een onbegrensd niet-weten is er de facto (maar niet de jure) ruimte voor alle denkbare idealen, houdingen en methoden naast elkaar, hoe tegenstrijdig ook, en voor alle denkbare bezwaren tegen alle denkbare idealen, houdingen en methoden, hoe onredelijk ook.*

* Dit is de gedachte van de hele leer.

Net zo is er in een onbegrensd niet-weten ruimte voor alle denkbare definities van niet-weten, en voor alle claims van wie dan ook als zou een bepaalde definitie de enige juiste zijn, of een bepaald soort niet-weten het enige ware niet-weten, of ieder niet-weten obstinate onwetendheid, of wat dan ook.

Hoe je het ook noemt, niet-weten is geen doen en leven is geen kunst.

Niemand kan het en niemand kan het niet.

Hier wou ik het graag bij laten.

Schaamte is geen schande

‘Op een nudistenstrand zag ik een bord met de volgende tekst: “Feel free, don’t be ashamed” Is ook van toepassing op niet-weten, vind je niet?’

‘Feel free to be ashamed.’

‘Heb je het nou over naaktlopen of over niet-weten?’

‘Ik zie het verschil niet.’

-173-

Levenskunst is vliegwerk

Stellen, vergroten en overtreffen.

Een variatie op deze tekst is gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad als ‘De bergsoetra – 33 trappen naar de top’.

Twee soorten levenskunst

‘Wat is Kleine Levenskunst?’

‘Vallen en opstaan.’

‘Wat is Grote Levenskunst?’

‘Vallen.’

Drie levenslessen

‘Wat is de Kleine Levensles?’

‘Almaar bijleren.’

‘Wat is de Grote Levensles?’

‘Dat er niets te leren valt.’

‘Wat is de Grootste Levensles?’

‘Dat de Kleine Les al niet te leren valt.’

Twee vormen van volmaaktheid

‘Wat is Kleine Volmaaktheid?’

‘Weten dat niets volmaakt is.’

‘Wat is Grote Volmaaktheid?’

‘Niet weten wat ‘volmaakt’ is.’

Drie soorten initiatief

‘Wat is het Kleine Initiatief?’

‘Almaar doen.’

‘Wat is het Grote Initiatief?’

‘Maar wat doen.’

‘Wat is het Grootste Initiatief?’

‘Laat maar gaan.’

Vier vormen van gemoedsrust

‘Wat is de Kleinste Rust?’

‘Even bijkomen.’

‘Wat is Kleine Rust?’

‘Je onrust aanvaarden.’

‘Wat is Grote Rust?’

‘Aanvaarden dat je dat niet kunt.’

‘Wat is de Grootste Rust?’

‘Aanvaarden dat je dat ook niet kunt.’

Drie soorten liefde

‘Wat is Kleine Liefde?’

‘Een roze bril.’

‘Wat is Grote Liefde?’

‘Alles onder ogen zien.’

‘Wat is de Grootste Liefde?’

‘Onder ogen zien dat je dat niet kunt.’

Drie soorten zekerheid

‘Wat is Kleine Zekerheid?’

‘Ergens aan vasthouden.’

‘Wat is Grote Zekerheid?’

‘Nergens aan vasthouden.’

‘Wat is de Grootste Zekerheid?’

‘Het loslaten loslaten.’

Drie manieren van sterven

‘Wat is de Kleine Dood?’

‘Sterven aan je lichaam.’

‘Wat is de Grote Dood?’

‘Sterven aan je geest.’

‘Wat is de grootste dood?’

‘Sterven aan het sterven.’

Drie zonden

‘Wat is de Kleine Zonde?’

‘Weten wat zonde is.’

‘Wat is de Grote Zonde?’

‘De Kleine Zonde niet door de vingers kunnen zien.’

‘Wat is de Grootste Zonde?’

‘De Grote Zonde niet door de vingers kunnen zien.’

Vier soorten deugd

‘Wat is de Kleinste Deugd?’

‘Spelen zonder regels.’

‘Wat is de Kleine Deugd?’

‘Spelen volgens de regels.’

‘Wat is de Grote Deugd?’

‘Spelen met de regels.’

‘Wat is de Grootste Deugd?’

‘Spelen.’

Twee soorten domheid

‘Wat is Kleine Domheid?’

‘Denken dat alles vanzelf spreekt.’

‘Wat is Grote Domheid?’

‘Denken dat alles een wonder is.’

Drie soorten leed

‘Wat is Klein Leed?’

‘Denken.’

‘Wat is Groot Leed?’

‘Denken.’

‘Wat is het Grootste Leed?’

‘Denken.’

Drie soorten vreugde

‘Wat is Kleine Vreugde?’

‘Denken.’

‘Wat is Grote Vreugde?’

‘Denken.’

‘Wat is de Grootste Vreugde?’

‘Denken.’

Drie manieren van thuiskomen

‘Wat is het Kleine Thuiskomen?’

‘Je heilige huisjes betrekken.’

‘Wat is het Grote Thuiskomen?’

‘Je heilige huisjes verlaten.’

‘Wat is het Grootste Thuiskomen?’

‘Vrij in- en uitlopen.’

Drie zelven

‘Wat is het Kleine Zelf?’

‘Een doodloper.’

‘Wat is het Grote Zelf?’

‘Een zitzak.’

‘Wat is het Grootste Zelf?’

‘Vanzelf.’

Twee maskers

‘Wat is het Kleine Masker?’

‘Je persona.’

‘Wat is het Grote Masker?’

‘Je oorspronkelijke gezicht.’

Twee soorten zen

‘Wat is Kleine Zen?’

‘Een verkleedpartij.’

‘Wat is Grote Zen?’

‘Naaktlopen.’

Vier soorten boeddha’s

‘Wat is de Kleinste Boeddha?’

‘Een boeddhabeeldje.’

‘Wat is de Kleine Boeddha?’

‘Een levende boeddha.’

‘Wat is de Grote Boeddha?’

‘Een dode boeddha.’

‘Wat is de Grootste Boeddha?’

‘Een boeddhadoder.’

Vier vormen van echtheid

‘Wat is de Kleinste Echtheid?’

‘Doen alsof je echt bent.’

‘Wat is Kleine Echtheid?’

‘Doen alsof je niet echt bent.’

‘Wat is Grote Echtheid?’

‘Niet doen alsof je echt bent.’

‘Wat is de Grootste Echtheid?’

‘Niet doen alsof je niet doet alsof.’

Vier soorten advaita

‘Wat is de Kleinste Advaita?’

‘Niet-twee.’

‘Wat is Kleine Advaita?’

‘Niet-een.’

‘Wat is Grote Advaita?’

‘Niet-tellen.’

‘Wat is de Grootste Advaita?’

‘Niet noemen.’

Vier soorten mystiek

‘Wat is de Kleinste Mystiek?’

‘God worden.’

‘Wat is Kleine Mystiek?’

‘Alles worden.’

‘Wat is Grote Mystiek?’

‘Niets worden.’

‘Wat is de Grootste Mystiek?’

‘Klein worden.’

‘Hoe klein precies?’

‘Precies zo groot als je bent.’

Vijf idealen

‘Wat is het Kleinste Ideaal?’

‘De wereld verbeteren.’

‘Wat is het Kleine Ideaal?’

‘De wereld aanvaarden.’

‘Wat is het Grote Ideaal?’

‘Jezelf verbeteren.’

‘Wat is het Grootste Ideaal?’

‘Jezelf aanvaarden.’

‘Wat is het Allergrootste Ideaal?’

‘Het afwijzen aanvaarden.’

Vier vormen van spiritualiteit

‘Wat is de Kleinste Spiritualiteit?’

‘Vinden.’

‘Wat is Kleine Spiritualiteit?’

‘Zoeken.’

‘Wat is Grote Spiritualiteit?’

‘Niets kunnen vinden.’

‘Wat is de Grootste Spiritualiteit?’

‘Niets meer zoeken.’

Drie wegen

‘Waar is de Kleine Weg?’

‘Daar.’

‘Waar is de Grote Weg?’

‘Hier.’

‘Waar is de Grootste Weg?’

‘Weg.’

Vier geheimen

‘Wat is het Kleinste Geheim?’

‘Het relatieve.’

‘Wat is het Kleine Geheim?’

‘Het absolute.’

‘Wat is het Grote Geheim?’

‘Dat er geen geheim is.’

‘Wat is het Grootste Geheim?’

‘Of dat wel zo is.’

Vier illusies

‘Wat is de Kleinste Illusie?’

‘Denken dat de werkelijkheid bestaat.’

‘Wat is de Kleine Illusie?’

‘Denken dat de werkelijkheid niet bestaat.’

‘Wat is de Grote Illusie?’

‘Denken dat de illusie bestaat.’

‘Wat is de Grootste Illusie?’

‘Denken dat de illusie niet bestaat.’

Twee soorten conclusies

‘Wat is de Kleine Conclusie?’

‘Geen conclusie.’

‘Wat is de Grote Conclusie?’

‘Geen premissen.’

Twee manieren van zien

‘Wat is het Kleine Zien?’

‘Oogjes toe.’

‘Wat is het Grote Zien?’

‘Kop eraf.’

Twee soorten wijsheid

‘Wat is Kleine Wijsheid?’

‘Dwaasheid.’

‘Wat is Grote Wijsheid?’

‘Dwijsheid.’

Drie waarheden

‘Wat is de Kleine Waarheid?’

‘Een boek.’

‘Wat is de Grote Waarheid?’

‘Een leugen.’

‘Wat is de Grootste Waarheid?’

‘Geen idee.’

Twee leugens

‘Wat is de Kleine Leugen?’

‘Wat ik niet zeg.’

‘Wat is de Grote Leugen?’

‘Wat ik ook zeg.’

Vijf soorten geluk

‘Wat is het Kleinste Geluk?’

‘Blij zijn met iets.’

‘Wat is het Kleine Geluk?’

‘Blij zijn met niets.’

‘Wat is het Grote Geluk?’

‘Niet blij hoeven zijn.’

‘Wat is het Grootste Geluk?’

‘Niets hoeven zijn.’

‘Wat is het Allergrootste Geluk?’

‘Niet hoeven zijn.’

Drie vormen van vrijheid

‘Wat is Kleine Vrijheid?’

‘Niet-weten.’

‘Hoe maakt niet-weten vrij?’

‘Wat je niet weet kan je ook niet binden.’

‘Wat is Grote Vrijheid?’

‘Zelfs niet weten van niet-weten.’

‘Maar je was toch al bevrijd?’

‘Nog niet van de Kleine Vrijheid.’

‘Wat is de Grootste Vrijheid?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

Cirkel van krioelende figuurtjes waartussen het silhouet van een zwaluw is uitgespaard.
Levenskunst is vliegwerk.

-174-

Niet-weten is de ontstellende trap

‘Wat is de kleine trap?’

‘De stellende.’

‘Wat is de middelste trap?’

‘De vergrotende.’

‘Wat is de grote trap?’

‘De overtreffende.’

‘Wat is de grootste trap?’

‘De ontstellende.’

‘Wat moet ik me voorstellen bij de ontstellende trap?’

‘Niet stellen, niet vergroten, niet overtreffen.’

‘Wat dan wel?’

‘Niet-weten.’

-175-

Eromheen draaien is de weg

Een trap onder een hol.

‘Wat is de weg?’

‘Een trap.’

‘Een trap waarnaartoe?’

‘Een trap naar de maan.’

‘Waarvoor staat die trap?’

‘Wil je dat echt weten?’

‘Anders zou ik het niet vragen.’

‘Een trapgat.’

‘Wat?’

‘Had je niet gedacht, hè?’

‘En waarvoor staat de maan?’

‘Wil je dat echt weten?’

‘Anders zou ik het niet vragen.’

‘Een trapgat.’

‘Hè?’

‘Wat dacht je dan?’

‘De weg is het doel, wou je zeggen.’

‘Een gat is een gat, zou ik zeggen.’

‘Waar vind ik dat gat?’

‘Dat vind je niet.’

‘Wat dan?’

‘Dat ontstaat.’

‘Waar?’

‘Waar je bent.’

‘Hoe dan?’

‘Door er steeds omheen te draaien.’

‘En dat zou de weg zijn?’

‘En wat zou de weg zijn?’

‘Eromheen draaien tot er een gat ontstaat?’

‘Kan je lang wachten.’

‘En dan erin springen zeker.’

‘En dan eromheen blijven draaien.’

‘Waarom niet springen?’

‘Noem het dan maar moed verzamelen.’

‘Hoelang moet je daarmee doorgaan?’

‘Tot je over je eigen benen struikelt.’

‘En dan?’

‘Val je alsnog in een gat.’

-176-

Nog drie overtreffende trappen onder je gat

‘Wat is de Grootste Leer?’

‘De Lege Leer.’

‘Wat is het Grootste Boek?’

‘Het Lege Boek.’

‘Wat is het Grootste Weten?’

‘Niet-weten.’

-177-

Drie woorden voor onderweg

‘Wat is het Eerste Woord?’

‘Eh…’

‘Wat is het Middelste Woord?’

‘Hè?’

‘Wat is het Laatste Woord?’

‘Tja.’

-178-

Niet-weten in een notendop

‘Wat is weten?’

‘Blablabla.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Tralala.’

-179-

Hans maakt de balans op

‘Wat heb jij eigenlijk bereikt, Hans?’

‘Niets, en dat viel om de drommel niet mee.’

‘Wat heb jij te zeggen?’

‘Niets, en dat valt om de drommel niet mee.’

‘Maak eens een beetje reclame voor jezelf.’

‘Ik kan niets, maar dat kan ik wel heel goed.’

‘Even serieus.’

‘Ik doe niets, maar dat doe ik wel de hele dag.’

‘Maar wat heb je dan bereikt?’

‘Niets, en dat viel om de drommel niet mee.’

‘Maar wat wil je dan zeggen?’

‘Niets, en dat valt om de drommel niet mee.’

-180-

Lang de nacht

Uitgedacht
Uit alle macht
En nog bij leven
Uitgeschreven

Goede wacht

-181-

Het achtvoudige levenspad

1. Je bent verstrooid

2. Je komt samen

3. Je wordt geboren

4. Je groeit groot

5. Je wordt verstrooid

6. Je gaat dood

7. Je wordt verstrooid

8. Je bent verstrooid

-182-

Grafschrift voor iedereen

Oude grijze grafsteen met inscriptie.
Alleen / Onder een steen / Ben ik te harden