Top

Opgeladen: 53%. Laatst gewijzigd op 6 juli.

-1-

Wit wat je weet met het…

Witboek Mystiek

Religie zonder dogma’s

Door Hans van Dam

Deel 8 van de Agnosereeks

Omslag van deel 8 van de Agnosereeks.

Alles wat je altijd al wilde niet-weten over mystiek maar nooit durfde vragen.

‘God is een poort – een pad uit het woord.’ Zalig zijn de armen van geest; dwaalteksten over de afgrond van het bestaan vanuit de afgrond van het bestaan.

-2-

Wat je minstens van God moet weten

‘Wat weet jij eigenlijk van God, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

-68-

Meister Ecksit – een uitgang zonder ingang

Compendium mystiek – tegenvallers voor meelopers.

Over mystiek kan je eeuwen preken zonder een stap dichterbij te komen.

Je kan het preken ook achterwege laten en meteen ter zake komen.

Meister Ecksit draait er liever niet omheen.

Waar zijn monniken ook heen willen, hij toont ze de weg terug.

Waar ze ook naar binnen willen, hij wijst ze de de weg naar buiten.

Monnik: U leidt me van de illusie naar de werkelijkheid!
Meister: Ik leid je uit de illusie en de werkelijkheid.

Monnik: U leidt me van de duisternis naar het licht!
Meister: Ik leid je uit de duisternis en het licht.

Monnik: U leidt me uit het verleden naar het heden!
Meister: Ik leid je uit het verleden en het heden.

Monnik: U leidt me uit de toekomst naar het heden!
Meister: Ik leid je uit de toekomst en het heden.

Monnik: U leidt me van sterfelijkheid naar onsterfelijkheid!
Meister: Ik leid je uit sterfelijkheid en onsterfelijkheid.

Monnik: U leidt me van het tijdelijke naar het eeuwige!
Meister: Ik leid je uit het tijdelijke en het eeuwige.

Monnik: U leidt me van het aardse naar het bovenaardse!
Meister: Ik leid je uit het aardse en het bovenaardse.

Monnik: U leidt me van samsara naar nirwana!
Meister: Ik leid je uit samsara en nirwana.

Monnik: U leidt me van karma naar dharma!
Meister: Ik leid je uit karma en dharma.

Monnik: U leidt me van daar naar hier!
Meister: Ik leid je uit daar en hier.

Monnik: U leidt me van het menselijke naar het goddelijke!
Meister: Ik leid je uit het menselijke en het goddelijke.

Monnik: U leidt me van het lagere naar het hogere!
Meister: Ik leid je uit het lagere en het hogere.

Monnik: U leidt me van het relatieve naar het absolute!
Meister: Ik leid je uit het relatieve en het absolute.

Monnik: U leidt me van de vorm naar de leegte!
Meister: Ik leid je uit de vorm en de leegte.

Monnik: U leidt me van afwijzen naar aanvaarden!
Meister: Ik leid je uit afwijzen en aanvaarden.

Monnik: U leidt me van oordelen naar niet-oordelen!
Meister: Ik leid je uit oordelen en niet-oordelen.

Monnik: U leidt me van de leugen naar de waarheid!
Meister: Ik leid je uit de leugen en de waarheid.

Monnik: U leidt me van het kwade naar het goede!
Meister: Ik leid je uit het kwade en het goede.

Monnik: U leidt me van onverschilligheid naar mededogen!
Meister: Ik leid je uit onverschilligheid en mededogen.

Monnik: U leidt me van reactiviteit naar dialoog!
Meister: Ik leid je uit reactiviteit en dialoog.

Monnik: U leidt me van het hoofd naar het hart!
Meister: Ik leid je uit het hoofd en het hart.

Monnik: U leidt me van haat naar liefde!
Meister: Ik leid je uit haat en liefde.

Monnik: U leidt me van het valse naar het ware!
Meister: Ik leid je uit het valse en het ware.

Monnik: U leidt me van gemaaktheid naar echtheid!
Meister: Ik leid je uit gemaaktheid en echtheid.

Monnik: U leidt me van verdeeldheid naar eenheid!
Meister: Ik leid je uit verdeeldheid en eenheid.

Monnik: U leidt me van vasthouden naar loslaten!
Meister: Ik leid je uit vasthouden en loslaten.

Monnik: U leidt me van schuld naar onschuld!
Meister: Ik leid je uit schuld en onschuld.

Monnik: U leidt me van praktiseren naar overgave!
Meister: Ik leid je uit praktiseren en overgave.

Monnik: U leidt me van worden naar zijn!
Meister: Ik leid je uit worden en zijn.

Monnik: U leidt me van de stroom naar de bron!
Meister: Ik leid je uit de stroom en de bron.

Monnik: U leidt me van verdeeldheid naar eenheid!
Meister: Ik leid je uit verdeeldheid en eenheid.

Monnik: U leidt me van het vele naar het ene!
Meister: Ik leid je uit het vele en het ene.

Monnik: U leidt me van dualiteit naar non-dualiteit!
Meister: Ik leid je uit dualiteit en non-dualiteit.

Monnik: U leidt me van het ego naar het zelf!
Meister: Ik leid je uit het ego en het zelf.

Monnik: U leidt me van eigenmacht naar anderkracht!
Meister: Ik leid je uit eigenmacht en anderkracht.

Monnik: U leidt me van doen naar niet-doen!
Meister: Ik leid je uit doen en niet-doen.

Monnik: U leidt me van gebondenheid naar vrijheid!
Meister: Ik leid je uit gebondenheid en vrijheid.

Monnik: U leidt me van gehechtheid naar onthechting!
Meister: Ik leid je uit gehechtheid en onthechting.

Monnik: U leidt me van monnikschap naar meesterschap!
Meister: Ik leid je uit monnikschap en meesterschap.

Monnik: U leidt me van dwaasheid naar wijsheid!
Meister: Ik leid je uit dwaasheid en wijsheid.

Monnik: U leidt me van weten naar niet weten!
Meister: Ik leid je uit weten en niet weten.

Monnik: U leidt me van spreken naar zwijgen!
Meister: Ik leid je uit spreken en zwijgen.

Monnik: U leidt me…
Meister: Uit leiden en volgen.

Monnik: U leidt me…
Meister: Uit u en ik.

Monnik: U leidt me…
Meister: Uit ingaan en uitgaan.

Monnik: U…
Meister: Is een uitgang die nergens toe leidt.

Wie is Meister Ecksit?

Volgens Japanners is Meister Ecksit het westerse pseudoniem van de beroemde Japanse zenmeester Masuta Ekisuto.

Volgens Duitsers is Masuta Ekisuto het Japanse pseudoniem van de beroemde Duitse mysticus Meister Eckhart.

Volgens Chinezen is Meister Eckhart het Duitse pseudoniem van de beroemde chanconfucianist Masu Baibai.

Volgens Indiërs is Masu Baibai het Chinese pseudoniem van de beroemde dvaitadvaitavadin Mala Baba.

Volgens ondergetekende is Mala Baba het pseudoniem van Malle Babbel, een pseudoniem van ondergetekende of omgekeerd.

Meister Ecksit kan er wel om lachen. Die hoeft nergens meer heen.

-3-

Zalig zijn de armen van geest

‘Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.’ Negen klassieke en tweeënvijftig postmoderne zaligsprekingen – belijdenis van een onnozelaar.

De Bergrede van Jezus

Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

Dit beroemde vers, het derde uit het vijfde hoofdstuk van het Evangelie volgens Mattheüs, is de eerste van de zogeheten zaligsprekingen of zaligheden in de Bergrede van Jezus.

In het Latijn klinkt het nog geheimzinniger:

Beati pauperes spiritu, quoniam ipsorum est regnum caelorum.

Het lijkt wel een magisch woord uit Harry Potter, een toverspreuk voor de armen van geest.

Zoals gauw genoeg zal blijken is het eerder een onttoverspreuk voor de rijken van geest.

Daar komt nog bij dat Harry Potter wel in de tijd kon reizen, met een tijdverdrijver, maar dat Jezus geen Latijn sprak, ook geen potjeslatijn, zelfs niet met een taalverdraaier.

Wat hij wel sprak is niet zeker; Aramees, Hebreeuws, een potje Grieks misschien?

Wat hij gezegd heeft, schijnt dan weer wél zeker te zijn.

Wat ik echt niet met elkaar kan rijmen, vandaar dat ik het bij dichten houd.

De klassieke zaligsprekingen

Hier heb je de zaligsprekingen van Jezus volgens Mattheüs, hoofdstuk 5 vers 3-11 in het Nederlands, al weet ik niet van wie:

1. Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

2. Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.

3. Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.

4. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

5. Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.

6. Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.

7. Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.

8. Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

9. Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.

De eerste zaligheid de beste

De eerste van de 9 zaligheden is naar mijn mening meteen de beste, omdat hij in zijn eentje voldoende voorwaarde is voor de andere, en bovendien …

Vergeef me, ik wil weer eens sneller dan mijn ezel.

Hieronder 52 postmoderne variaties op de eerste zaligspreking uit de Bergrede van Jezus.

Uitgesmeerd over 14 artikelen, want het moet wel leuk blijven.

Allemaal zonder taalverdraaier, want ik heb ze zelf bedacht, in mijn eigenste potjesnederlands.

Een voor elke dag tussen Pasen en Pinksteren (zolang ze niet op één dag vallen) of een voor elke week van het jaar, aan elkaar gebroddeld door uw vertrouwde dwaalgids.

Ze volgen een bochtig traject door de krochten van mijn geest, dat net als elke geest en net als al mijn dwaalteksten vanzelf ten stilte meandert.

De zaligsprekingen zijn op te vatten als de aanloop tot het Stilte-evangelie, of als de afloop ervan, dat is aan u.

Dit is alvast de eerste, of de laatste, daar wil ik vanaf zijn:

Zalig zijn de armen van geest, want zij belijden slechts de stilte.

Ach, kon ik het hier maar bij laten.

-4-

Mijn denken staat schaak noch mat

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: wat betekent eigenlijk de uitdrukking ‘de armen van geest’?

Daarover wordt nu al tweeduizend jaar geredetwist.

Maar niet door de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen.

Zalig zijn de armen van geest, zij kennen geen armen van geest.

En wat is eigenlijk ‘het koninkrijk der hemelen’?

Ook daarover wordt eindeloos gedebatteerd.

Maar niet door de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen.

Zalig zijn de armen van geest, zij kennen geen koninkrijk der hemelen.

En wat moeten we ons eigenlijk voorstellen bij ‘zalig’?

Ook daarover wordt nog altijd gebakkeleid.*

* In de Nieuwe Bijbelvertaling lezen we ‘gelukkig’ in plaats van ‘zalig’; volgens critici een ongelukkige of zelfs onzalige keus omdat het egocentrisch overkomt (in plaats van theocentrisch, bedoelen ze) en de associatie met de eeuwigheid en met de Eeuwige mist.

Maar niet door de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen.

Zalig zijn de armen van geest, zij kennen geen zaligheid.

De armen van geest kennen geen armen van geest en zij kennen geen rijken van geest.

Zij kennen geen hemelen en zij kennen geen hellen.

Zij kennen geen zaligheid en zij kennen geen onzaligheid.

Zalig zijn de armen van geest, zij kennen geen dit en geen dat.

Zij kennen geen dit en geen dat, ze kennen geen niet-dit en niet-dat, zij dansen van pat naar pat, hun kennis gelijkt een gat.

Zalig zijn de armen van geest, hun denken staat schaak noch mat.

-5-

Zalig zijn de schelen – zij zien het verschil niet tussen links en rechts

Kun je kiezen voor keuzeloosheid?

Volgens de spirituele leraar Jiddu Krishnamurti is verlichting keuzeloos gewaarzijn.

Dat zal best, maar het is verdraaid moeilijk om keuzeloos gewaar te zijn, en ik prijs me gelukkig dat ik niet gekozen heb voor keuzeloosheid.

Volgens de spirituele leider Gautama Boeddha is nirwana uitdoving, onthechting.

Dat zal best, maar het is verdraaid moeilijk om overal van te onthechten, behalve voor doden, en ik prijs me gelukkig dat ik niet gehecht ben aan onthechting.

Volgens de derde zenpatriarch, Sengtsan, is de grote weg niet moeilijk voor wie geen voorkeuren heeft.

Dat zal best, maar het is verdraaid moeilijk om geen voorkeuren te hebben, en ik prijs me gelukkig dat ik er geen voorkeur heb om zonder voorkeur te zijn.

Wie geen verschil ziet kan niet kiezen

Gelukkig is er iets waarvoor we ons allemaal gelukkig mogen prijzen: wie geen onderscheid maakt kan niet kiezen.

Om Sengtsan te parafraseren:

Geen voorkeuren hebben is niet moeilijk voor wie geen onderscheid maakt.

Nu lijkt ál het leven onderscheid te maken, van schimmel tot paard, van virus tot paus en van bacterie tot boeddha*, zodat we misschien meer hebben aan een voorwaardelijke bewering:

* Vergeef me de nevenschikkingen, maakt het je uit?

Geen voorkeuren hebben is niet moeilijk voor zover je geen onderscheid maakt.

Maar ja, wie maakt er nou geen onderscheid?

Wie geen onderscheid wéét te maken natuurlijk.

Wie niet weet, die niet scheidt.

Maar wie scheidt, die weet of meent te weten – of hij nou wil of niet.

En wie weet of meent te weten, die scheidt – of hij nou wil of niet.

Kortom:

Geen voorkeuren hebben is niet moeilijk voor zover je geen onderscheid weet te maken.

Ook de uitspraak van Seng-ts’an wint aan relevantie in de voorwaardelijke vorm:

De grote weg is niet moeilijk voor zover je geen voorkeuren hebt.

Combineren we deze uitspraak met de vorige dan krijgen we:

De grote weg is niet moeilijk voor zover je geen onderscheid weet te maken.

Verliezen is vinden

Niet iedereen weet in dezelfde mate onderscheid te maken.

Zo is het conceptuele onderscheidingsvermogen van een kind geringer dan dat van een volwassene.

Het conceptuele onderscheidingsvermogen van een baby is geringer dan dat van een kind.

Wie is het onder de mensen die het minste onderscheid weet te maken?

Geen idee, het is ook geen wedstrijd, maar ik weet hoe hij heet:

De arme van geest.

Zalig zijn de armen van geest, zij weten nauwelijks onderscheid te maken.

Zo gering als hun onderscheidingsvermogen is, zo groot is hun onderscheidingsonvermogen, dat heeft het leven mooi geregeld.

Combineren we de vorige zaligspreking met het jargon van Seng-ts’an dan krijgen we:

De grote weg is niet moeilijk voor de armen van geest.

En in het jargon van Krishnamurti:

Keuzeloos gewaarzijn is niet moeilijk voor de armen van geest.

En in het jargon van de Boeddha:

Onthechting is niet moeilijk voor de armen van geest.

Ik kan me best vinden in deze formuleringen.

Ja, ik kan me er best in vinden, maar ik kan me er niet best in verliezen, dus we zijn er nog – niet.

En hoewel de lege mens zich alleen ten volle kan verliezen in de lege formulering komt de volgende uitspraak toch aardig in de buurt.

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

-6-

Lucht en leegte en wat ik ervan vind

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is, zei ik.

Zo heb ik geen voorkeur voor geestelijke armoede en ben ik er niet aan gehecht en niet van onthecht, omdat ik als het erop aankomt geen idee heb wat armoede van geest inhoudt, of er wel armen van geest zijn, of er wel een geest is, of er ook rijken van geest zijn, wie beter af is en tot welke groep of groepen ik behoor, gesteld dat ik ergens toe behoor, gesteld dat ik ben.

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

Zo heb ik ook geen voorkeur voor het koninkrijk der hemelen en ben ik er niet aan gehecht en niet van onthecht, omdat ik als het erop aankomt geen idee heb wat dat is, hoeveel koninkrijken er zijn, of er wel koninkrijken zijn, of er wel een koninkrijk der hemelen is, en in welk koninkrijk of in welke koninkrijken ik mij bevind, gesteld dat ik mij in een of meer koninkrijken bevind, gesteld dat ik mij ergens bevind, gesteld dat ik ben.

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

Zo heb ik ook geen voorkeur voor zaligheid en ben ik er niet aan gehecht en niet van onthecht, omdat ik als het erop aankomt geen idee heb wat dat inhoudt, of er wel zoiets is als zaligheid, of er ook onzaligheid is, of het mogelijk is gelijktijdig of afwisselend zalig en onzalig te zijn en hoe dat bij mij zit, gesteld dat het bij mij zit, gesteld dat ik ben.

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

Zo heb ik ook geen voorkeur voor de grote weg en ben ik er niet aan gehecht of van onthecht, omdat ik als het erop aankomt het verschil niet zie tussen de grote weg, de kleine weg, de berm, het wildpad en het vrije veld, evenmin als het verschil tussen thuis en onderweg of vertrekpunt en bestemming, dus wat zal ik me druk maken over de vraag hoe ik van mijn voorkeuren af kan komen, gesteld dat ze van mij zijn, gesteld dat je er inderdaad van af kunt komen, gesteld dat er een ik is en aangenomen dat je zonder voorkeuren inderdaad minder moeite zou hebben op een of andere al dan niet denkbeeldige grote weg.

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

Zo heb ik ook geen voorkeur voor nirwana of samsara en ben ik aan geen van beide gehecht en van geen van beide onthecht, omdat ik als het erop aankomt geen idee heb wat het verschil is, als ze al niet identiek zijn, en geen idee of ik mij in nirwana of in samsara bevind, of in beide of in geen van beide, of nu eens in het een en dan weer in het ander, als dat al zou kunnen, gesteld dat ik mij ergens bevind, gesteld dat ik ben.

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

Zo heb ik ook geen voorkeur voor keuzeloos gewaarzijn boven selectief gewaarzijn, of keuzeloos blind zijn, of selectief blind zijn, en ben ik niet gehecht aan of onthecht van … enzovoort, net zomin als ik gehecht ben aan of onthecht ben van gehechtheid of onthechting, omdat ik als het erop aankomt geen idee heb of we daar wel een keuze hebben, en of er wel een ik is die kan kiezen et cetera ad infinitum.

Lucht en leegte, zegt Prediker, lucht en leegte, alles is leegte.

(Prediker 1:2)

-7-

Uitleggen wat ik niet kan uitleggen – woorden in de wind

Doorzichtig is mijn geest inzake alle levensbeschouwelijke kwesties.

Leeg en licht en luchtig.

Blanco sta ik in het leven.

Zonder plan of doel.

Wat zou ik moeten doen?

Zelfs het niet-doen doe ik niet.

Wat zou ik moeten oefenen?

Zelfs het niet-oefenen praktiseer ik niet.

Wat zou ik moeten preken?

Zelfs het niet-preken predik ik niet.

Noch het niet-oefenen

Noch het niet-doen.

Noch het niet-weten.

Voor zover ik het niet ken, sta ik blanco in het leven.

Voor zover ik er niet ben, is mij alles om het even.

Over rust gesproken:

Zalig zijn de armen van geest, zij begeren niet wat zij niet kennen.

En over hartstocht:

Zalig zijn de armen van geest, zij kennen niet wat zij begeren.

Noch begeren zij te kennen wat zij begeren zonder kennen.

Onbestemd en onvervuld blijft in deze zin hun minne.

Dat is haar bestemming, haar vervulling en haar zinne.

Uitleggen kan ik dit verder niet, en waarom ook.

Als je het ooit mag ondervinden, valt er niets meer te zeggen.

Tot die tijd zijn dit woorden in de wind.

-8-

Als kinderen – zalig zonder rede

De kleinsten zullen de grootsten zijn

De armen van geest in Mattheüs 5:3 doen me altijd denken aan de kinderen in Mattheüs 18:1-4:

1. Op dat moment kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: Wie zal de grootste zijn in het Koninkrijk der hemelen?

2. En Jezus riep een kind bij zich en zette dat in hun midden.

3. En Hij zei: Wie niet wordt als een kind zal het Koninkrijk der hemelen niet binnengaan.

4. Maar wie zich zo klein maakt als dit kind zal de grootste zijn in het Koninkrijk der hemelen.

Deze passage heeft de mystieke katholieke dichter Angelus Silesius tot prachtige kwatrijnen geïnspireerd, bijvoorbeeld:

Mensch, wordt gij niet een kind
zoo kunt gij nimmer zijn
daar, waar Gods kind’ren zijn –
de poort is u te klein.

en

Wenscht gij Gods kind te zijn
en smeekt g’om kinderzin
dan was God u reeds voor
en gaf dien wensch u in.

Bron: Angelus Silesius: de hemelse zwerver, ingeleid en vertaald door Hilbrandt Boschma, tweede druk, Kluwer, Deventer 1945.

En:

De wijsheid toeft graag daar
waar zij haar kinderen vindt.
Waarom? Het antwoord luidt:
zij zelve is een kind.

Bron: Angelus Silesius, zwerver tussen hemel en aarde, een bloemlezing uit de Cherubinische Wandersmann, ingeleid en vertaald door Jacques Benoit, Kluwer, Deventer 1971.

Kinderen van geest

Over de interpretatie van de frase ‘wie niet wordt als een kind’ in Mattheüs 5:3 is minstens zoveel geschreven als over de armen van geest.

Zelf wil ik er alleen dit over kwijt, dat er niet staat ‘wie geen kind is’ of ‘wie geen kind wordt’.

Er staat: ‘wie niet wordt als een kind’.

Kinderen weten nog niet; zij die als kinderen zijn geworden weten niet meer.

Hans op de lagere school.

Kinderen zijn kinderen; volwassenen die als kind zijn geworden, zou je kinderlijk of kindgelijk kunnen noemen (maar niet kinderachtig of kinds).

Kinderen moeten nog verstandskiezen krijgen; die van kindgelijken zijn al weggerot.

Het niet-weten van volwassenen is verworven, of liever verloren, want het is verlies van weten.

Het niet-weten van kinderen is aangeboren; het moet eerst nog weten worden eer het verloren kan gaan.*

* ‘Gij moet nog kind worden en zonder schaamte. De trots der jeugd is nog in u, laat zijt gij jong geworden: wie echter tot kind worden wil, moet ook nog zijn jeugd te boven komen.’ (Friedrich Nietzsche in Aldus sprak Zarathoestra, Wereldbibliotheek 2007/1941, laatste pagina van deel 2)

Vandaar mijn volgende zaligspreking:

Zalig zijn de armen van geest, want zij zijn als kinderen.

Of simpelweg

Zalig zijn de kinderen van geest.

Grote kinderen blijven klein

Voor zover zaligheid berust op het onvermogen conceptueel onderscheid te maken, hebben kinderen minder goede vooruitzichten dan kindgelijken, want hun onderscheidingsvermogen wordt snel groter.

Voor zover zaligheid berust op kleinheid hebben kinderen eveneens minder goede vooruitzichten dan kindgelijken, want kleine kinderen worden snel groot.

Kinderen willen volwassenen worden, volwassenen willen als kinderen worden. Hoe zit het met degenen die als kinderen zijn?

Zalig zijn de armen van geest, zij willen niets meer worden.

-9-

Van armen zonder karretje en ezels zonder Eden

Wachten op Zijn Wederkomst

Waarvoor staat ‘geest’ in ‘de armen van geest’?

Geen idee.

We zouden het Jezus kunnen vragen als Hij terugkomt, áls Hij terugkomt, vraag niet wanneer, nadat Zijn identiteit onomstotelijk is vastgesteld, vraag niet hoe.

Maar dat kan nog wel even duren, aangezien de vele Jezussen die zich sinds de allereerste hebben aangediend zonder uitzondering te licht zijn bevonden of niet eens zijn gewogen, al dan niet terecht.

In plaats van Jezus zelf zouden we Zijn geschriften kunnen raadplegen.

Maar Jezus Christus heeft net als Gautama Boeddha zelf nooit iets geschreven.

Of het is nooit bekend geworden dat Hij van een van Zijn werken de schrijver is geweest.

Of het is slechts in beperkte kring bekend geweest en in vergetelheid geraakt, of toch in elk geval buiten mijn, toegegeven, zeer beperkte gezichtsveld gehouden of gebleven.

Leve de overlevering

In plaats van de geschriften van Jezus zelf zouden we de geschriften kunnen raadplegen van mensen die óver Jezus geschreven hebben toen Hij nog leefde (waarschijnlijk niemand) of daarna (alle anderen).

De eerder vermelde bergrede uit het Evangelie volgens Mattheüs bijvoorbeeld, al worden daarin de begrippen ‘arm’ en ‘geest’ en ‘arm van geest’ niet nader verklaard.

Of anders de veldrede uit het Evangelie naar Lucas; een variatie op de bergrede (of omgekeerd) waarin het woord ‘geest’ helemaal niet wordt gebruikt:

En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.

(Lukas 6:20)

Gewetensvraag: hoe nauwkeurig is de nieuwtestamentische overlevering, die waarschijnlijk pas decennia na het overlijden van Christus tot stand kwam?

Niemand die het weet, maar velen die het menen te weten.

Nog erger is de situatie in het boeddhisme, dat blind vaart op soetra’s en shastra’s die niet ‘slechts’ decennia, maar eeuwen tot millennia na de dood van de historische Boeddha op schrift zijn gesteld.

Spannen of ontspannen?

Zowel christenen als boeddhisten zijn dus helemaal aangewezen op vertellers, navertellers, geheugenkunstenaars, verdichters, dichters, vertalers, hertalers, apologeten, exegeten, interpreten, filosofen, filologen, pedagogen, theologen, theocraten, boeddhologen en boeddhocraten uit heden en verleden.

Mensen die ervoor geleerd hebben, dat is het probleem niet.

Mensen die, zo zijn wij nou eenmaal, ik net zo goed, iemand met de statuur van een hemelse ezelrijder maar wat graag voor hun karretje spannen.

Zalig zijn de armen van geest, zij spannen niemand voor hun karretje.

Niet omdat de armen van geest bovenmensen zijn of met bovenmenselijke inspanning hun menselijkheid onderdrukken, maar omdat zij geen karretje meer hebben, geen bestemming, en niets om te vervoeren.

Zalig zijn de armen van geest, zij hoeven nergens heen.

-10-

Middenspel – scherp zonder snede

Ik ben toch niet gek?

Misschien ben je al lezende ten prooi gevallen aan hevige twijfel.

Zijn die armen van geest soms zwak-, waan- of krankzinnig?

Hebben ze een cognitieve stoornis?

Lijden ze aan Alzheimer, Korsakov of een andere vorm van dementie?

Hebben ze ADD, ADHD, ASS of, God verhoede, HVD?

Ontbreekt het hun aan in- of uitlevingsvermogen, woorden of daden?

Is er iets, wat dan ook, mis met hun geest, ziel, psyche, bewustzijn, onderbewustzijn, brein?

Nee, nee, nee, nee, nee en nee.

Er is alleen iets veranderd in hun houding ten opzichte van hun geest.

Zalig zijn de armen van geest, zij laten zich niet langer leiden door hun geest.

Schouderophaaldienst

Waardoor laten de armen van geest zich dan wel leiden?

Door het hart?

Door de rede?

Door het heden?

Door de materie?

Door de wet?

Door de groep?

Door de omgeving?

Door het id?

Door het ego?

Door het superego?

Door de sterren?

Door de wetenschap?

Door het geheel?

Of laten ze zich alleen nog leiden door de Geest, met een hoofdletter, door God de Vader, Allah, het Zelf, het Absolute, het Goede, het Ene, Atman, Brahman, Zeus, de Bron, Bewustzijn, Tao, Eros, het Leven, de Kosmos, het Al?

Vraag maar aan een arme van geest.

Vraag maar, toe dan, hij bijt niet, buiten etenstijd.

En zie, hij haalt zijn schouders voor je op.

Hij haalt zijn schouders voor je op zolang je het zelf nog niet kan.

Zalig zijn de armen van geest, zij halen hun schouders voor ons op.

Het grote middenspel

Zalig zijn de armen van geest, zij halen hun schouders voor ons op.

Zo geven zij toe dat ze het ook niet weten.

Zo geven zij aan dat het helemaal niet erg is om iets niet te weten.

Zo helpen zij ons om alles waar we niets vanaf weten in het midden te laten.

Zalig zijn de armen van geest, zij laten alles in het midden.

Met ‘het midden’ pleit ik niet voor of tegen een of andere Middenweg, gulden, christelijk, humanistisch, boeddhistisch, non-dualistisch, taoïstisch, moralistisch of anderszins.

Met ‘het midden’ pleit ik niet voor of tegen een of andere levenshouding zoals openheid, onbevangenheid, neutraliteit, onpartijdigheid, agnose, keuzeloos gewaarzijn, epoche, scepsis, ataraxie, niet-weten of niet-oordelen.

Met ‘het midden’ pleit ik niet voor of tegen een of andere gemoedstoestand zoals gelukzaligheid, onverstoorbaarheid, onbewogenheid, gelijkmoedigheid, gemoedsrust, aanvaarding, gelatenheid, lijdzaamheid, overgave, sereniteit en noem maar op.

Met ‘het midden’ pleit ik niet voor of tegen pleiten of niet-pleiten.

Spél is slechts het midden.

Het Grote Middenspel:

Een kleine oase in het hart van de hokjesgeest.

Zalig zijn de armen van geest, er is een oog in hun orkaan.

-11-

Groot Ongeloof – een trap zonder treden

Geest is een ander woord voor je gedachten

En zo mijmeren we op de plaats verder, van niemendal naar niemendal.

Onbegrensd is het koninkrijk der zwervelingen – het is overal hier en nergens niet.

Om terug te komen op de vraag die nog steeds open staat:

Wat is nou toch die geest die, volgens Jezus volgens Mattheüs volgens bijbelvertalers, bij de armen van geest zozeer door armoede is getekend dat hen zonder meer het koninkrijk der hemelen toekomt?

Sta mij toe een balletje op te gooien, niet te hoog, zonder boog, zodat je het des te eenvoudiger weg kunt slaan, want wegslaan is het wezen van niet-weten.

‘Geest’ is hier volgens mij niet een of andere metafysische, kosmische, biologische, esoterische, theologische, spirituele, filosofische of psychologische entiteit, maar gewoon een ander woord voor je gedachten.

Laten we er meteen maar weer een zaligheid tegenaan gooien:

Zalig zijn de armen van geest, zij laten zich niet langer leiden door hun gedachten.

Meisje met een vlindernetje dat een prachtvlinder achternazit en op het punt staat over de rand van een afgrond te rennen.
‘Zij laten zich niet langer leiden door hun gedachten’

Lachen om je wijsdom

Wanneer laat iemand zich niet langer leiden door zijn gedachten, zelfs niet door de gedachte dat hij zich niet langer laat leiden door zijn gedachten?

Als hij het heilige geloof in zijn innerlijke stem is kwijtgeraakt – in het vertoog, in die onophoudelijke stroom van woorden, gelezen, gehoord, zelfbedacht, herinnerd gehallucineerd, gedroomd, inclusief deze.

Als hij zijn innerlijke stem niet meer als de zijne beschouwd, en niet meer als de Zijne, en niet meer als vertolker van de Waarheid of zelfs maar van de waarheid.

Als hij eindelijk kan lachen om zijn innerlijke stem, zijn innerlijke wijsheid, zijn innerlijke goeroe, zijn innerlijke ouwehoeroe, als om een dronken lorre, een jonge hond, een borrelende buik, een oude kont.

Zalig zijn de armen van geest, zij lachen om hun wijsdom.*

* Wijsdom is zelfgekakte dwaasheid aangezien voor hardgebakken wijsheid.

Voorbij geloof en ongeloof

Iemand die zich niet langer laat leiden door zijn gedachten, zelfs niet door deze, bejegent meningen, oordelen, onderscheidingen, overtuigingen, manifesten, pleidooien, ideeën en idealen ongeacht hun bron met Groot Ongeloof – deze ook.

Niet moedwillig, niet methodisch, niet met een bepaald doel voor ogen; niet met het oog op doelloosheid, grilligheid of spontaniteit; maar blindelings, vanuit een onwankelbaar vertrouwen.

Zalig zijn de armen van geest, zij vertrouwen op hun wantrouwen.

Groot Ongeloof betekent natuurlijk niet dat je niet in God gelooft.

Het betekent niet dat je niet in de Boeddha gelooft.

Het betekent niet dat je in atheïsme gelooft, in agnosticisme, anatman, nihilisme, sunyata, scepticisme, fatalisme.

Groot Ongeloof betekent niet dat je in Groot Ongeloof gelooft.

Groot Ongeloof betekent alleen maar dat je niet meer in je gedachten gelooft.

Ook niet in deze.

Zalig zijn de armen van geest, zij zijn voorbij geloof en ongeloof.

-12-

Yabba Dabba Doo – zalig zonder bede

Niet-weten maakt nederig

De uitdrukking ‘de armen van geest’, is afkomstig uit de Statenbijbel.

In de Nieuwe Bijbelvertaling heet het:

Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.

Wie arm van geest is ontkomt er niet aan naar de maat van zijn armoede van geest nederig van hart te zijn, want hij is zich voortdurend bewust van zijn geestelijke armoede, zijn peilloze onbegrip, zijn ontoereikendheid, zijn kleinheid, waarin hij zich verheugt.

Ook ontkomt de arme van geest er niet aan naar de maat van zijn armoede van geest zachtmoedig (zaligspreking 3), barmhartig (5), rein van hart (6), vreedzaam (7) en gerechtig (4,8) te zijn.

Niet als verdienste, maar per ongeluk, als bijverschijnsel van zijn armoede van geest, die zich na het overschrijden van een kritieke maar onbepaalde grens door geen enkele geestelijke of morele praktijk, door geen enkele studie, meditatie of onthouding meer laat lenigen.

Zalig zijn de armen van geest, zij zijn reddeloos verloren.

Nederigheid maakt geen niet-weten

Wie nederig van hart is, hoeft omgekeerd niet arm van geest of reddeloos verloren te zijn, al zou dat zijn nederigheid allicht ten goede komen.

En wie gelooft dat hij de wijsheid in pacht heeft, kan alleen maar hoog van hart zijn, en alléén, verontwaardigd, onbarmhartig, onbuigzaam, hardvochtig en oorlogszuchtig naar de maat van zijn gelijk – maar weet of waant zich des te rijker van geest.

Zalig zijn de rijken van geest, hunner is het koninkrijk der dromen.

Was ik evangelist geweest dan had ik dit statige vers graag voor mijn rekening genomen, en alle andere, en al mijn meanderen op de koop toe.

Dan had ik zelf de wijsheid in pacht gehad, daarboven op de hoogste troon in het koninkrijk mijner dromen, stel je voor.

Een mantra uit het stenen tijdperk

Een avangelist*, als ik mezelf zo mag noemen, belijdt slechts de stilte, met of zonder woorden, recht zo die gaat.

* avangelist (a-, niet + angelist, boodschapper): boodschapper zonder boodschap

Een innerlijke stilte, die zich door geen enkele gedachte of Gedachte van geen enkele geest of Geest, meer laat overschreeuwen.

Zalig zijn de armen van geest, zij belijden slechts de stilte.

YABBA DABBA DOO!

Kleurplaat van Fred Flintstone waarin wild over de lijntjes is gekleurd.
‘YABBA DABBA DOO!’

O, pardon.

Yabba dabba doo.

-13-

De stille stem – zalig zonder rede

Wat voor meester is de arme van geest?
Een stille, die alle leerlingen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor priester is de arme van geest?
Een stille, die alle goden voor zichzelf laat spreken.

Wat voor mysticus is de arme van geest?
Een stille, die alle ervaringen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor boeddha is de arme van geest?
Een stille, die alle dharma’s voor zichzelf laat spreken.

Wat voor minnaar is de arme van geest?
Een stille, die alle geliefden voor zichzelf laat spreken.

Wat voor moralist is de arme van geest?
Een stille, die alle zeden voor zichzelf laat preken.

Wat voor politicus is de arme van geest?
Een stille, die alle partijen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor staatshoofd is de arme van geest?
Een stille, die alle mensen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor wetenschapper is de arme van geest?
Een stille, die alle feiten voor zichzelf laat spreken.

Wat voor fysicus is de arme van geest?
Een stille, die alle dingen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor musicus is de arme van geest?
Een stille, die alle instrumenten voor zichzelf laat spelen.

Wat voor wijsgeer is de arme van geest?
Een stille, die alle filosofen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor denker is de arme van geest?
Een stille, die alle gedachten voor zichzelf laat spreken.

Wat voor duider is de arme van geest?
Een stille, die alle tekens voor zichzelf laat spreken.

Wat voor arts is de arme van geest?
Een stille, die alle symptomen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor spreker is de arme van geest?
Een stille, die alle woorden voor iedereen laat zwijgen.

-14-

De lege moraal – zalig zonder zeden

Ziektewinst

Zachtmoedigheid, barmhartigheid, reinheid van hart, vreedzaamheid en gerechtigheid zijn voor mij geen deugden, waarden of idealen.

Voor dat soort zaken moet je in de wetende religies zijn: het christendom, het boeddhisme, het jodendom, de islam, het hindoeïsme, het humanisme, het socialisme.

Voor mij, voor een agnost, zijn zachtmoedigheid, barmhartigheid, reinheid van hart, vreedzaamheid, gerechtigheid en dergelijke symptomen van een radicaal niet-weten.

Noem het ziektewinst.

Noem het bijvangst.

Noem het complicaties.

Noem het simplificaties.

Moraal zonder mores

Juist waar het fundament onder het denken volledig is weggeslagen, ontstaat een handelswijze die wel wat weg heeft van de moraal die de mensheid zichzelf al sinds mensenheugenis probeert op te leggen.

Zonder forceren, zonder geloften, zonder geboden, zonder stenen tafelen, zonder stenigen, zonder inquisitie.

Voorbij goed en kwaad, voorbij juist en onjuist, voorbij heilig en zondig, voorbij recht en plicht, voorbij rechtzinnig en vrijzinnig, voorbij beloning en straf, voorbij hemel en hel.

Deze moraal is niet in regels te vangen, want regels behoren tot het domein van het weten, de wetten, het streven, het hebben en het heersen.

De moraal van niet-weten is een moraal zonder mores.

Een lege moraal, zo leeg als de lege leer, maar toch – een moraal.

Of zeg maar gerust dé lege moraal, want waarin zou de ene lege moraal moeten verschillen van de andere?

Emergente ethiek

De arme van geest is naar de maat van zijn geestelijke armoede overwegend maar niet principieel zachtmoedig, barmhartig, rein van hart, vreedzaam en gerechtig.

Zijn ethiek is emergent, zij blijft hem onbekend.

Zij is de zijne niet, gaat buiten hem om, net als hijzelf, net als het leven dat hij leeft terwijl het hem leeft.

Hij heeft er geen omkijken naar, en als hij toch eens omkijkt, ziet hij – niets.

De ethiek van de arme van geest is niet verankerd in zijn wijsheid, die hij niet heeft, niet in zijn god, die hij niet kent, niet in zijn leegte, die (hij) niet is.

Vandaar dat de arme van geest niemand tot voorbeeld kan zijn – wat mensen er niet van weerhoudt het toch te proberen.

Vandaar ook dat de arme van geest nergens op aangesproken kan worden – wat mensen er niet van weerhoudt het toch te proberen.

Vandaar ook dat de arme van geest zichzelf nergens op aan kan spreken – wat hem er niet van weerhoudt het toch te proberen.

Dus pas maar op, beste mensen: met die armen van geest weet je het maar nooit.

De heilige Franciscus van Assisi met een tortelduif op zijn hoofd en een geplukte kip in zijn hand; hij kijkt een beetje bedremmeld.
‘Dus pas maar op, beste mensen: met die armen van geest weet je het maar nooit.’

Wat is emergentie?

Emergentie (‘plotseling opduiken’), lijkt in de wetenschappelijke verklaringspraktijk een eufemisme voor niet-weten, een mom voor het echec van het reductionisme.

Zo wordt bewustzijn door systeemtheoretici ‘verklaard’ als een emergente eigenschap van complexe interacties tussen zenuwcellen, leven als een emergente eigenschap van complexe interacties tussen organische moleculen, zwaartekracht als een emergente eigenschap van informatieverschillen tussen massa’s.

De vloeibaarheid van water heet emergent omdat deze eigenschap niet te voorspellen is uit de eigenschappen van de individuele watermoleculen, lees ik in de Wikipedia.

Als dat waar is, betekent emergent (althans op die plek) inderdaad niet meer dan onvoorzien en onherleidbaar.

Maar dan is zowat het hele leven emergent, inclusief deze dwaaltekst.

Of had je hem soms aan zien komen?

Mijn ethiek emergent noemen, verklaart in elk geval niets.

Ik druk er alleen maar mijn verbazing mee uit dat een mens zonder fundament niet noodzakelijk in barbarij vervalt.

Net zo min als een mens mét een fundament – christelijk, islamitisch, hindoeïstisch, boeddhistisch, communistisch, kapitalistisch, democratisch, racistisch, fascistisch en noem maar op – noodzakelijk beschaafd is.

Behalve in zijn eigen ogen.

-15-

De lege wet – geen Perzen en geen Meden

Zalig zijn alle mensen.

Zalig zijn de zachtmoedigen, zij maken zich nergens hard voor.

Zalig zijn de overwonnenen, zij hebben niets te verdedigen.

Zalig zijn de rechtelozen, zij hebben niets te claimen.

Zalig zijn de machtelozen, zij hebben geen ellebogenwerk.

Zalig zijn de vreedzamen, zij vechten niet tegen oorlog.

Zalig zijn de nederigen, zij kunnen niet dieper vallen.

Zalig zijn de christenen, zij hebben hun eigen kruis.

Zalig zijn de boeddhisten, zij hebben genoeg aan een vlot.

Zalig zijn de schipbreukelingen, zij hebben genoeg wrakhout.

Zalig zijn de drenkelingen, zij hebben genoeg water.

Zalig zijn de doden, hun laat alles koud.

Zalig zijn de stervenden, zij hebben niets meer te verliezen.

Zalig zijn de pasgeborenen, zij weten van toeten noch blazen.

Zalig zijn de naaktlopers, zij hebben niets om het lijf.

Zalig zijn de zwervers, zij dolen zonder doelen.

Zalig zijn de vrijzinnigen, zij bidden zonder richting.

Zalig zijn de thuisblijvers, zij hoeven nergens heen.

Zalig zijn de twijfelaars, zij hebben niets te bewijzen.

Zalig zijn de narren, zij lachen om het rijk.

Zalig zijn de armen, zij lopen op eigen benen.

Zalig zijn de dwazen, zij wijzen niemand de weg.

Zalig zijn de slapelozen, zij hebben geen nachtmerries.

Zalig zijn de dromers, zij slapen overal doorheen.

Zalig zijn de blinden, zij zien het verschil niet.

Zalig zijn de doven, zij verstaan geen woord.

Zalig zijn de analfabeten, zij kunnen dit niet lezen.

-16-

Zalig is mijn heden

Zalig is mijn heden!

Zalig zonder reden!

Zalig zonder beden!

Zalig zonder zeden!

Zalig zonder Eden!

Zalig is mijn heden –

Zonder zaligheden!

-17-

Belijdenis van een onnozelaar

Hieronder mijn eigen bergrede, geïnspireerd door de zaligsprekingen volgens Mattheüs, hoofdstuk 5, vers 3-11.

Ik heb haar vormgegeven als een wisselgebed voor een voorganger (ik) en een koor (ikkes). Dan voel ik me niet zo alleen.

Kop van een zwakzinnige met microcefalie.
‘Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van hemel noch aarde.’

Voorzanger: Zalig zijn de armen van geest.

Koor: Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten niet beter.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van hemel noch aarde.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van zachtmoedigheid noch hardvochtigheid.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van barmhartigheid noch onbarmhartigheid.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van reinheid noch onreinheid.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van vreedzaamheid noch oorlogszucht.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van gerechtigheid noch ongerechtigheid.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van onderscheid noch eenheid.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van gehechtheid noch onthechting.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van oordelen noch niet-oordelen.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van zaligheid noch onzaligheid.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van rijkdom noch armoe.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten niet beter.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest als de mensen hen smaden en vervolgen en negeren en liegende alle kwaad tegen hen spreken omdat ze niet beter weten.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de mensen die de armen van geest smaden en vervolgen en negeren en liegende alle kwaad tegen hen spreken omdat ze niet beter weten, want zij weten niet beter.

Zalig zijn de armen van geest!

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten niet beter.

Zalig zijn de armen van geest!

Amen.

Allemaal koppen van onnozelaars die samen ook weer de kop van een onnozelaar vormen.
‘Zalig zijn de armen van geest, want zij weten niet beter.’

-18-

Het Stilte-evangelie – inleiding

Dwaalteksten over God, stilte, de stilte van God, God als stilte en stilte als niet-weten.

Verleiden met woorden tot stilte; de stilte van stille woorden

Lucifer is een samentrekking van het Latijnse ‘lux’ (licht) en ‘ferre’ (drager) en betekent lichtdrager.

Lucifer is ook de naam van de duivel.

De duivel verleidt mensen met woorden.

God verleidt mensen met stilte.

De duivel versus God, dat is het Woord versus de Stilte.

‘Bij wijze van spreken’, zegt Lucifer erbij.

Bij wijze van zwijgen, denkt God erbij.

‘Dus brand je niet aan mijn woorden’, zegt Hans erbij.

-19-

Stilte-evangelie 1 – En het Woord was stil

In den beginne was het Woord
En het Woord was Stilte
En het was stil

-20-

Variaties op Johannes 1:1

Vers 1 van het Stilte-evangelie is een variatie op Johannes 1:1:

In den beginne was het Woord
En het Woord was bij God
En het Woord was God

Een andere variatie op Johannes 1:1 vind je in mijn tekst ‘Woord is een god’:

In den beginne was het Woord
En het Woord was god
En het Woord bleef god

Een derde variatie zou je het Kinderevangelie kunnen noemen:

Je begint met een woord
En het woord is eh

En het zingt maar rond
Tot je laatste huh

-21-

Stilte-evangelie 2 – Onuitgesproken

Toen het woord was uitgesproken
Leek het woord al uitgesproken
En het bleef stil

-22-

Stiltegebed







Gestileerde rustende figuur.

-23-

Stilte-evangelie 3 – En de stilte is geen ding

In de stilte zijn de dingen
En de dingen zijn in stilte
En het blijft stil

-24-

Van U wil ik zwijgen

Lieve God,

Van U wil ik zwijgen
zolang de gelovigen
voor U spreken.

Amen.

-25-

Voor U wil ik spreken

Lieve God,

Voor U wil ik spreken
zolang de ongelovigen
van U zwijgen.

Amen.

-26-

Voor U wil ik zwijgen

Lieve God,

Voor U wil ik zwijgen
zolang de gelovigen
voor U spreken.

Amen.

-27-

Voor ons wil ik spreken

Lieve God,

Voor ons wil ik spreken
zo lang U maar zwijgt,
zolang U maar zwijgt.

Amen.

-28-

Van mij mag U

Lieve God,

Van mij mag U zwijgen.

Amen.

-29-

Stilte-evangelie 4 – Als een oordeel

In de stilte schreeuwt het leven
En het overschreeuwt de stilte
En ze zwijgt stil

-30-

Schietgebed

Mijn God…

Ik…
Zal…
U…
Nu…

Ik zál U…

Ik zal U…

Niet meer de Mijne noemen…
Geen God meer noemen…
Geen U meer noemen…
Geen Mij meer noemen…

Ik zal mij…

Niet meer de Uwe noemen…
Geen ik meer noemen…
Geen mij meer noemen…
Geen ons meer noemen…

Ik zal ons…

Niet meer aanroepen…
Niet meer omroepen…
Niet meer herroepen…
Niet meer naroepen…

Mijn god…

Ik zal…

Niet ik…
Niet u…
Niet straks…

En nu?

-31-

Stilte-evangelie 5 – Streel het woord, min de stilte

Maar het schepsel dat mij hoort
Wordt de minstreel van het woord
Stil

Ruimteminstreel met luit.
‘Streel het woord, min de stilte’

-32-

Smeekbede van een kwezel

Lieve God,

Zwijg voor mij
zolang ik het zelf
nog niet kan.

Amen.

-33-

Smeekbede van een zoeker

Lieve God,

Zwijg voor mij
zolang ik mezelf
nog niet ken.

Amen.

-34-

Smeekbede van een non-dualist

Lieve God,

Zwijg voor mij
zolang ik het zelf
nog niet ken.

Amen.

-35-

Smeekbede van een boeddhist

Lieve God,

Zwijg voor mij
zolang ik het zelf
nog ken.

Amen.

-36-

Smeekbede van een individualist

Lieve God,

Zwijg voor mij
zolang ik mezelf
nog niet ben.

Amen.

-37-

Smeekbede van een mysticus

Lieve God,

Zwijg voor mij
zolang ik mezelf
nog ben.

Amen.

-38-

Smeekbede van een dwaas

Lieve God,

Spreek voor mij
zolang ik het zelf
nog niet kan.

Amen.

-39-

Smeekbede van een wijze

Lieve God,

Zwijg voor mij
zolang ik het zelf
nog niet kan.

Amen.

-40-

Smeekbede van een agnost

Lieve God,

Zwijg met mij
zolang ik het zelf
nog kan.

Amen.

Agnost: iemand die niet meer weet.

-41-

Stilte-evangelie 6 – Speelzin

En het zinspeelt op het woord
Dat noch nimmer is gehoord
Stil

-42-

Wat is stilte?

Stilte is

1. (letterlijk) weinig of geen geluid;

2. (figuurlijk) innerlijke rust, vrede;

3. (met hoofdletter) persoon of god die de stilte verbeeldt;

4. (symbolisch) antwoord van de Stilte (3) op elke levensvraag;

5. (ironisch) kakofonie van antwoorden van de mens op elke levensvraag; synoniem: ruis.

Serene werveling van blauwe zwervelingen.
Verbeelding van de stilte.

-43-

Het hele Stilte-evangelie

1

In den beginne was het Woord
En het Woord was Stilte
En het was stil

2

Toen het woord was uitgesproken
Leek het woord al uitgesproken
En het bleef stil

3

In de stilte zijn de dingen
En de dingen zijn in stilte
En het blijft stil

4

In de stilte schreeuwt het leven
En het overschreeuwt de stilte
En ze zwijgt stil

5

Maar het schepsel dat mij hoort
Wordt de minstreel van het woord
Stil

6

En het zinspeelt op het woord
Dat noch nimmer is gehoord
Stil

-44-

Stilte-evangelie 7 (apocrief) – Stil leven

Niet te kloppen zonder poort
Leeft het weerloos zonder woord
Stil

-45-

Zesentwintig titels voor Stilte-evangelie 7

Het leuke van stukjes schrijven is dat je zelf de titels mag bedenken.

Het vervelende is dat je maar één titel per stukje mag gebruiken.

Vaak weet ik er wel tien, die steeds een ander accent leggen.

Voor het omstreden zevende vers van het Stilte-evangelie hierboven zou ik in plaats van de titel ‘Stil leven’ liever de volgende titellijst a-z hebben gebruikt:

a. Kloppen

b. Te kloppen

c. Niet te kloppen

d. Poort

e. Zonder poort

f. Kloppen zonder poort

g. Niet te kloppen zonder poort

h. Leeft het?

i. Zonder poort leeft het

j. Zonder poort leeft het weerloos

k. Weerloos

l. Zonder woord

m. Weerloos zonder woord

n. Weer zonder woord

o. Weerwoord

p. Leeft weerloos

q. Niet te kloppen zonder woord

r. Zonder poort zonder woord

s. Leeft het stil

t. Niet te stil

u. Leeft het woord

v. Weerloos woord

w. Poort zonder woord

x. Poortwoord

y. Woordstil

z. Stil

Bij deze 26 titels heb ik me beperkt tot de woorden en de woordvolgorde van het vers, anders is het hek helemaal van Van Dam.

Met zo’n lange lijst krijg je evengoed weer behoefte aan een titel, vind je niet?

En wat is er nou logischer dan een van de titels uit de lijst te gebruiken.

En wat is er nou logischer dan de titellijst te presenteren als een gedicht:

-46-

Weerloos zonder woord

Kloppen

Te kloppen

Niet te kloppen

Poort

Zonder poort

Kloppen zonder poort

Niet te kloppen zonder poort

Leeft het?

Zonder poort leeft het

Zonder poort leeft het weerloos

Weerloos

Zonder woord

Weerloos zonder woord

Weer zonder woord

Weerwoord

Leeft weerloos

Niet te kloppen zonder woord

Zonder poort zonder woord

Leeft het stil

Niet te stil

Leeft het woord

Weerloos woord

Poort zonder woord

Poortwoord

Woordstil

Stil

-47-

Het Boek met Zeven Zegelen

Hieronder nogmaals het Stilte-evangelie inclusief het apocriefe zevende vers.

Ik noem deze variant Het Boek met Zeven Zegelen, of gewoon De Zeven Zegelen:

1. In den beginne was het Woord, en het Woord was Stilte, en het was stil.

2. Toen het woord was uitgesproken, bleek het woord al uitgesproken, en het bleef stil.

3. In de stilte zijn de dingen, en de dingen zijn in stilte, en het blijft stil.

4. In de stilte schreeuwt het leven, en het overschreeuwt de stilte, en ze zwijgt stil.

5. Maar het schepsel dat mij hoort, wordt de minstreel van het woord, stil.

6. En het zinspeelt op het woord, dat noch nimmer is gehoord, stil.

7. Niet te kloppen zonder poort, leeft het weerloos zonder woord, stil.

Wie ze nog denkt te kunnen verbreken zal de Zeven Zegelen misschien liever de Zeven Heuvelen noemen.

Wie ze tevergeefs heeft beklommen zal de Zeven Heuvelen misschien liever de Zeven Smarten noemen.

Wie berust in zijn verlies zal de Zeven Smarten misschien liever de Zeven Zuchten noemen.

Wie ontspant in zijn berusting zal de Zeven Zuchten misschien liever de Zeven Vreugden noemen.

Zeven minstrelen in de ruimte.
De Zeven Vreugden.

-48-

De Val van de Zevende Hemel

De Zeven Heuvelen, de Zeven Smarten, de Zeven Zuchten en de Zeven Vreugden – ik ken ze van binnenuit.

‘Ken’ tussen aanhalingstekens, want het zijn veel te grove bakens voor de wildpaadjes en sluipweggetjes van het innerlijk leven.

Duidelijk maken is té duidelijk maken, met alle onduidelijkheid van dien.

Nog meer woorden:

De gemoedstoestand waarin je de Zeven Heuvelen beklimt is die van verwatenheid.

De gemoedstoestand waarin je de Zeven Smarten ondergaat is die van verlatenheid.

De gemoedstoestand waarin je de Zeven Zuchten slaakt is die van gelatenheid.

De gemoedstoestand waarin je de Zeven Vreugden viert is die van uitgelatenheid.

De labels van verwatenheid, verlatenheid, gelatenheid en uitgelatenheid lijden natuurlijk aan dezelfde Zeven Euvelen als de metaforen van de Zeven Smarten, de Zeven Zuchten, de Zeven Vreugden en de Zeven Heuvelen.

Zo stond bij mij de gemoedstoestand van verwatenheid min of meer op zichzelf, terwijl die van gelatenheid en uitgelatenheid zich meteen bij aanvang van de verlatenheid al aankondigden.

Tot op de dag van vandaag ben ik wat verwaten, verlaten en gelaten.

Tussen de gemoedstoestanden van verwatenheid en verlatenheid in ben ik een maand lang euforisch geweest.

Zal ik die periode de Zeven Pieken noemen en inlassen tussen de Zeven Heuvelen en de Zeven Smarten?

Wat is dan het verschil tussen de Zeven Vreugden en de Zeven Pieken?

Wat komt er na de Zeven Vreugden, als er na de Zeven Vreugden wat komt?

Zo word je vanzelf weer een femel:

De Val van de Zevende Hemel.

-49-

Woordenlijst bij De Val van de Zevende Hemel

femel

Zemel, memel, kwezel, wezel, ezel.

verwatenheid

Ouderwets woord voor hoogmoed, hier gebruikt omdat het rijmt op verlatenheid.

de Zevende Hemel

Volgens de Talmoed, de Koran en het kabbalisme de hoogste en heerlijkste van de zeven hemelen; verblijfplaats van God.

een Boek met Zeven Zegelen

Geïnspireerd door Openbaringen 5:1-3:

1. Toen zag ik dit: degene die op de troon zat had in zijn rechterhand een boekrol die aan beide kanten beschreven was en met zeven zegels was verzegeld.

2. Ik zag een machtige engel die met luide stem uitriep: ‘Wie komt het toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?’

3. Maar er was niemand in de hemel of op aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen en inzien.

Volgens Van Dale staat de uitdrukking ‘een boek met zeven zegels’ voor een groot geheim, een zaak waarvan niets bekend is.

de Zeven Heuvelen

Geïnspireerd door een van de bijnamen van Rome, de stad der zeven heuvelen.

de Zeven Pieken

Geïnspireerd door de Seven Summits, de hoogste bergen van de zeven continenten.

de Zeven Smarten

Geïnspireerd door een van de bijnamen van de Heilige Maagd Maria, de Moeder der Zeven Smarten, ook wel Onze Lieve Vrouw van Smarten genoemd.

de Zeven Vreugden

Geïnspireerd door de Zeven Vreugden van Maria.

de Zeven Zuchten

Ongeïnspireerd.

de Zeven Zegelen

De Zeven Zegelen waarnaar de titel van dit stukje verwijst, vind je terug in de zeven stilteverzen van het Stilte-evangelie:

1. Het Woord

2. Het woord

3. De dingen

4. Het leven

5. Het loflied

6. De zinspeling

7. De weerloosheid

Wat een willekeurig rijtje weer.

Net zo willekeurig als de zeven verzen van het Stilte-evangelie, die verre van stil zijn, zeg nou zelf.

In feite zijn er evenveel zegelen als dingen die je niet begrijpt, zolang je ze meent te kunnen en te moeten begrijpen.

Voor wie ze niet meer wil verbreken zijn zegelen was en is het Boek met Zeven Zegelen nooit geweest.

-50-

Vangelo del silenzio

Na publicatie van het Stilte-evangelie maakte Goff Smeets, die in Italië woont, een dichterlijke bewerking die ik hier graag opneem.

Eerst was er het woord
en het woord was stilte
en het werd stil

Het woord was uitgesproken
en het was uitgesproken stil
In stilte zijn de dingen
en de dingen zijn in stilte
In stilte schreeuwt het leven
en de stilte zwijgt stil

Nu is er het woord
en het woord is stilte
en de stilte zwijgt
met het woord

-51-

God is geen woord

Meester Sst zegt:

God is geen woord.

Heb je het al gehoord?

-52-

God is een poort

Meester Zwerver zegt:

God is een poort.

Je moet er even doorheen.

Lees ook: Niet te geloven! De Poortloze Poort.

-53-

Woord is een god

In den beginne was het Woord, en het Woord was god, en het Woord bleef god.1

* Vrij naar Johannes 1:1 – In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.

Woord is een god
De god van de schijn
Woord is de heer
Die heerst in ons brein

GOD is een woord
DUIVEL is een woord
HEMEL is een woord
HEL is een woord
ZONDE is een woord
VERGEVING is een woord
JHANA is een woord

PRAJNA is een woord
MOKSHA is een woord
KENSHO is een woord
BHIKKHU is een woord
BOEDDHA is een woord
DHARMA is een woord
SANGHA is een woord

KARMA is een woord
SAMSARA is een woord
NIRWANA is een woord
SUNYATA is een woord
ANATMAN is een woord
ATMAN is een woord
BRAHMAN is een woord

ADVAITA is een woord
VEDANTA is een woord
YOGA is een woord
MANTRA is een woord
GITA is een woord
TANTRA is een woord
TAROT is een woord

I-TJING is een woord
TAO is een woord
TATHAGATA is een woord
MEESTER is een woord
LEERLING is een woord
EGO is een woord
ZELF is een woord

BEWUSTZIJN is een woord
VERLICHTING is een woord
WIJSHEID is een woord
DWAASHEID is een woord
WETEN is een woord
NIET-WETEN is een woord
WAARHEID is een woord

LEUGEN is een woord
SCHIJN is een woord
BEGRIP is een woord
BREIN is een woord
VERZOEKING is een woord
WOORD is een woord
GOD is een woord

Woord is een god
De god van de schijn
Die maakt dat begrippen
Verzoekingen* zijn

* Verzoeking: aanvechting, beproeving, bekoring, verlokking, verleiding, kwelling, valstrik, verovering

Uitgebleekte pagina uit de bijbel met zwarte tekst in de vorm van een kruis.
Woord is een god.

-54-

Een pad uit het woord

God is een zucht
Een naam voor de pijn

God is een woord
De vloek van ons brein

Brein is de hoop
De trots van de soort

Brein is een vloek
De god van het woord

God is een poort
Een pad uit het woord

Poort is het brein
Dat niemand behoort

Brein is de god
Die god heeft vermoord

God is het brein
Dat dit heeft verwoord

Pagina uit de bijbel met uitgebleekte tekst in de vorm van een kruis.
Een pad uit het woord.

-55-

What can I say?

God is a concept
By which we measure our pain
But then again
Word is a concept
By which we measure our brain

I don’t believe in magic
I don’t believe in i-ching
I don’t believe in bible
I don’t believe in tarot
I don’t believe in Hitler
I don’t believe in Jesus
I don’t believe in kings
I don’t believe in Buddha
I don’t believe in mantra
I don’t believe in gita
I don’t believe in tantra
I don’t believe in yoga
I don’t believe in oneness
I don’t believe in emptiness
I don’t believe in you
I don’t believe in me
I don’t believe in disbelief
And that’s reality

Reality is over
That’s the dream
The dream is over
This is the end
The end is past
What can I say?
Yesterday
I was Hans
Is a concept
By which we measured
But now, dear friends…


Geïnspireerd door het nummer God van het album John Lennon / Plastic Ono Band, het eerste dat Lennon maakte zonder de Beatles. Lyrics:

God is a concept / By which we measure our pain / I’ll say it again / God is a concept / By which we measure our pain

I don’t believe in Magic / I don’t believe in I-ching / I don’t believe in Bible / I don’t believe in Tarot / I don’t believe in Hitler / I don’t believe in Jesus / I don’t believe in Kennedy / I don’t believe in Buddha / I don’t believe in Mantra / I don’t believe in Gita / I don’t believe in Yoga / I don’t believe in Kings / I don’t believe in Elvis / I don’t believe in Zimmerman / I don’t believe in Beatles

I just believe in me / Yoko and me / And that’s reality / The dream is over / What can I say? / The dream is over / Yesterday / I was the dreamweaver / But now I’m reborn / I was the walrus / But now I’m John / And so, dear friends / You’ll just have to carry on / The dream is over

-56-

Onze goddelijke grond is een bodemloze afgrond

Een kwestie van perspectief.

X: Wat is onze goddelijke grond volgens jou?

H: Eh…

X: Eerlijk zeggen.

H: Dat zeg ik.

X: Eh…?

H: Nee, ‘eh…’

X: Zonder vraagteken.

H: En zonder uitroepteken.

X: En in normaal Nederlands?

H: Een bodemloze afgrond dan maar.

X: Een áfgrond?

H: Neem me niet kwalijk.

X: Toch wel een goddelijke, mag ik hopen?

H: Alleen vanaf de grond gezien.

X: En vanuit de afgrond gezien?

H: Eh…

-57-

God is de grondeloosheid van de onvindbare ziel

H: Wie of wat is God volgens jou?

X: De diepste grond van de ziel.

H: Bij wijze van spreken?

X: Letterlijk.

H: Hm.

X: Wie of wat is God volgens jou?

H: De grondeloosheid van de ziel?

X: Letterlijk?

H: Bij wijze van vragen.

X: Hoe kom ik bij de grondeloosheid van mijn ziel?

H: Door je ziel te onderzoeken?

X: Wat zal ik dan vinden?

H: Wie zegt dat je dan wat zult vinden?

X: Bedoel je dat we geen ziel hebben?

H: Dat behoort nog tot het vinden.

X: Dus God is de grondeloosheid van de onvindbare ziel?

H: Ik zou het anders ook niet weten.

-58-

Aan de vruchten kent men de boom

X: Rusten in God is de vrucht van mijn contemplatieve leven.

H: Wie is God?

X: Een Groot Mysterie. De Afgrond van het bestaan.

H: Wie rust er in God?

X: Ik.

H: Wie ben jij?

X: Een klein mysterie. De afgrond van mijn bestaan.

H: Dus met rusten in God bedoel je dat het onoplosbare mysterie dat je zelf bent, verblijft in het onoplosbare mysterie dat God heet?

X: Precies.

H: Dus jij maakt deel uit van God?

X: Nou …

H: Niet?

X: Dat maakt deel uit van het mysterie.

H: Want?

X: Misschien zijn God en ik wel identiek.

H: Op die manier.

X: Of misschien maakt God wel deel uit van mij.

H: Dat kan ook nog.

X: Vandaar.

H: Wat een raadselen allemaal.

X: Zeg dat wel.

H: En wie is eigenlijk die God?

X: Dat zeg ik.

H: Wat?

X: Een mysterie.

H: Wat betekent het voor jou dat God een mysterie is?

X: Dat … ik geen idee heb wie of wat Hij is.

H: Of dat Hij is?

X: Hm.

H: Wat betekent het dat jij een mysterie bent?

X: Dat … ik geen idee heb wie of wat ik ben.

H: Of dat je bent?

X: Hm.

H: En dat zou de vrucht van jouw contemplatieve leven zijn?

X: Wat?

H: Dat iemand die niet weet wie of wat of dat hij is, verblijft in, of identiek is met, of als verblijfplaats dient voor, iets of iemand waarvan hij niet weet wie of wat of dat het is?

X: Ik zou het anders ook niet weten.

H: Misschien had je dat moeten zeggen.

X: Wat moeten zeggen?

H: De vrucht van mijn contemplatieve leven is rusten in niet-weten.

X: Misschien wel.

H: Maar ja.

X: Wat?

H: Dat zou je dan ook niet weten.

X: Verdraaid.

H: En om dat nou rusten te noemen?

-59-

De ene afgrond roept de andere

X: Wat is het verband tussen een menselijk en een goddelijk stilzwijgen volgens jou?

H: Abyssus abyssum invocat.

X: Wat wat wat?

H: Dat is Latijn.

X: Maar wat betekent het?

H: De ene afgrond roept de andere.

X: Welk stilzwijgen correspondeert met welke afgrond?

H: Stilzwijgen is stilzwijgen.

X: Welke afgrond is het diepst?

H: Peilloos is peilloos.

X: Waarom heet het eerste stilzwijgen dan menselijk en het tweede goddelijk?

H: Omdat het eerste woorden nodig heeft.

-60-

Uw lof, o God, stamelen wij in ons lied

Roept de ene afgrond: HOOR JE MIJ?
Roept de andere: Hoor je mij?
Roept de ene: Hoor je mij?
Roept de andere: Hoor je mij?

Roept de ene: IS HET NOU UIT?
Roept de andere: Is het nou uit?
Roept de ene: Is het nou uit?
Roept de andere: Is het nou uit?

Roept de ene: JIJ BENT BEGONNEN!
Roept de andere: Jij bent begonnen!
Roept de ene: Jij bent begonnen!
Roept de andere: Jij bent begonnen!

Roept de ene: ZULLEN WE BEGINNEN?
Roept de andere: Zullen we beginnen?
Roept de ene: Zullen we beginnen?
Roept de andere: Zullen we beginnen?

Roept de ene: HOOR JE MIJ?
Roept de andere: Hoor je mij?
Roept de ene: Hoor je mij?
Roept de andere: Hoor je mij?

-61-

De best bewaarde geheimen van het universum

Leerling: Wat is het best bewaarde geheim van het universum?
Meester: Of er een geheim is.

Leerling: Wat is het best bewaarde geheim van het universum?
Meester: Of er een bewaarder is.

Leerling: Wat is het best bewaarde geheim van het universum?
Meester: Of er een universum is.

Leerling: Wat is het best bewaarde geheim van het universum?
Meester: Het vanzelfsprekende.

Leerling: Wat is het best bewaarde geheim van het universum?
Meester: Wat niet.

Leerling: Wat is het best bewaarde geheim van het universum?
Meester: God, zei de mens.

Leerling: Wat is het best bewaarde geheim van het universum?
Meester: De mens, zei God.

Leerling: Wat is het best bewaarde geheim van het universum?
Meester: Jij, zei de psychiater.

Leerling: Wat is het best bewaarde geheim van het universum?
Meester: Ik, zei de gek.

-62-

Doe maar alsof je een kind voor je hebt

Monnik: ‘Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook de daden niet van God, die alles maakt.’

Meester: Pardon?

Monnik: Prediker 11:5.

Meester: En?

Monnik: ‘Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman?’

Meester: Om over je eigen gedachten nog maar te zwijgen.

Monnik: Romeinen 11:34.

Meester: Wat wil je nou eigenlijk zeggen?

Monnik: Dat het numineuze mij voor onoplosbare raadselen stelt.

Meester: Het wat?

Monnik: Het leven is een mysterie.

Meester: Het leven is een woord.

Monnik: Ik doel op het grote onbekende waarin… waarvan…

Meester: Probeer het eens zo eenvoudig mogelijk te zeggen.

Monnik: Dan komt er niks.

Meester: Dat lijkt me niet onjuist, maar ook niet erg precies.

Monnik: In de diepte der diepten… daar waar niets of niemand…

Meester: Doe maar of je een kind voor je hebt.

Monnik: Hoi, eh…

Meester: Zie je wel?

Monnik: Wat?

Meester: Dat je het best in je eigen woorden kon zeggen.

Monnik: Huh?

Meester: Zie je wel?

-63-

Niet-weten als leeg geloof

Wie niet weet is geen priester.

Was hij toch een priester dan was hij geen hogepriester maar een lage die alles boven de pet ging, nergens hoogte van kreeg en nergens boven stond.

Nee, geen lage priester maar een lege priester van een leeg geloof.

Nu kan er maar één leeg geloof zijn, want waarin zou het ene lege geloof, Ø1, verschillen van het andere lege geloof, Ø2?

We kunnen dus beter spreken van hét lege geloof.

Als religie is het lege geloof, gespeend van gebruikelijke infernalia als goden, engelen, duivelen, hemelen, vagevuren, hellen, geschriften, gebeden, voorschriften, gewaden, ornamenten, relikwieën, rituelen en andere licht ontvlambare materialen.

Het lege geloof kent geen gelovigen en geen ongelovigen.

Het kent geen canonieke werken en geen apocriefe.

Het kent geen rechtzinnigen en geen vrijzinnigen.

Het kent geen inquisiteurs en geen martelaren.

Het kent geen openbaringen en geen crypten.

Het kent geen biechthokjes en geen aflaten.

Het kent geen kruis en geen kruisvaarders.

Het kent geen kloosters en geen roosters.

Het kent geen heiligen en geen heidenen.

Het kent geen kerken en geen kerkers.

Omdat het lege geloof geen enkele vorm van afleiding of voorstelling biedt, is het wellicht de meest geconcentreerde religie onder de zon, maar waarop concentreert het zich?

Niet op de zon.

Ook niet op de hemel of de aarde.

Wat er dan nog overblijft?

De tussenruimte natuurlijk.

Zijn het niet de uitsparingen die de letters, de spaties die de woorden, de interlinies die de regels, de marges die de boeken maken?

Is het niet de tussenruimte die beweging mogelijk maakt?

Het lege geloof aanhangen, dat is rondzweven in het onbegrensde.

En wat mag dat onbegrensde dan wel wezen?

Waarin zweeft men dan rond en wat hangt men dan aan?

Geen idee!

Geen idee is waarin men dan rondzweeft.

Geen idee is wat men dan aanhangt.

Het lege geloof, Ø, koestert geen enkele overtuiging, positief, negatief of neutraal, over willekeurig wat.

Dus ook niet over de gevestigde godsdiensten, het lege geloof of het koesteren van overtuigingen, positief, negatief of neutraal, over willekeurig wat.

Van ons heeft niemand iets te vrezen, behalve die de ruimte vrezen, en dan nóg.

Zwart vlak met doorzichtige regenbooglijnen in de vorm van een vrouw met een cape met kap.
De lege moeder van het lege geloof.

-64-

De theïst, de atheïst en de agnost

Theïst: Er is iets waaraan alles ondergeschikt is!

Atheïst: Er is niets waaraan alles ondergeschikt is!

Theïst: Dat is er wel!

Atheïst: Dat is er niet!

Theïst: Welles!

Atheïst: Nietes!

Theïst: Zeg jij ook eens wat!

Atheïst: Ja joh, zeg jij ook eens wat!

Agnost: Is er iets?

Theïst: Er is iets waaraan alles ondergeschikt is!

Atheïst: Er is niets waaraan alles ondergeschikt is!

-65-

De theïst, de atheïst, de agnosticus en de agnost

Theïst: Er is iets waaraan alles ondergeschikt is!

Agnosticus: Dat valt niet te bewijzen!

Theïst: Dat het niet te bewijzen valt ook niet!

Atheïst: Er is niets waaraan alles ondergeschikt is!

Agnosticus: Dat valt ook niet te bewijzen!

Atheïst: Dat het ook niet te bewijzen valt ook niet!

Theïst: Welles!

Agnosticus: Nietes!

Atheïst: Welles!

Agnosticus: Nietes!

Theïst: Zeg jij ook eens wat!

Atheïst: Ja joh, zeg jij ook eens wat!

Agnosticus: Hé daar, ben je doof?

Agnost: Is er iets?

Theïst: Er is iets waaraan alles ondergeschikt is!

Atheïst: Er is niets waaraan alles ondergeschikt is!

Agnosticus: Dat valt niet te bewijzen!

-66-

De fideïst en de agnost

Fideïst: Volgens mij is ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven.

Agnost: Gelooft u dat?

Fideïst: Niet alleen het religieuze weten, maar ook het wetenschappelijke weten en zelfs het wiskundige weten.

Agnost: Zeker weten?

Fideïst: Zonder geloof blijft er niets van over.

Agnost: Dat wil ik best geloven.

Fideïst: Ik heb het over wijsgerig fideïsme.*

* Afgeleid van het Latijnse fides, geloof.

Agnost: U ziet uzelf als fideïst?

Fideïst: Zeker weten.

Agnost: U bent ervan overtuigd dat ieder weten een kwestie van geloven is?

Fideïst: Dat zeg ik.

Agnost: Geldt dat ook voor het fideïsme?

Fideïst: Wat?

Agnost: Of maakt u daar een uitzondering voor?

Fideïst: Wou u beweren dat het fideïsme ook maar een geloof is?

Agnost: Als het waar is wel.

Fideïst: Dan is het dus niet waar.

Agnost: Als het waar is niet.

Fideïst: En niet-weten dan?

Agnost: Dat is geen geloof.

Fideïst: Wat is het dan wel?

Agnost: Je gedachten niet geloven?

Fideïst: Iedereen gelooft zijn gedachten.

Agnost: Gelooft u dat?

Fideïst: Dus niet-weten is geen fideïsme?

Agnost: Ik geloof het niet.

Fideïst: Volgens mij is ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven.

-67-

Niet-weten is geen gebod

‘Wat is weten?’

‘Een gebod zonder end.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een gebed zonder end.’

-68-

De God van niet-weten

‘Hoe heet jouw God, Hans?’

‘TJA!’

‘Geloof jij in God?’

‘Tja.’

-69-

Gedachten zijn oneindige afgronden

De wiskundige en de agnost.

Wiskundige: In ieder mens is er een oneindige afgrond die je alleen met God kan vullen.*

* Uitspraak van Blaise Pascal (1623-1662).

Agnost: In iedere God is er een oneindige afgrond die Hij alleen met mensen kan vullen.

Wiskundige: Dat is heel wat anders.

Agnost: Dat zegt u.

Wiskundige: We hebben het nu over de mens.

Agnost: In ieder mens is er een oneindige afgrond die je alleen met fantasie kan vullen.

Wiskundige: Wou u beweren dat God een fantasie van de mens is?

Agnost: Tenzij dat ook een fantasie van de mens is.

Wiskundige: Dus volgens u is er in ieder mens een oneindige afgrond die je alleen met fantasie kan vullen.

Agnost: Volgens mij is er in ieder mens een oneindige afgrond die je nergens mee kan vullen.

Wiskundige: En waarom zou je die oneindige afgrond niet met God kunnen vullen?

Agnost: Geen afgrond laat zich met een afgrond vullen.

Wiskundige: Wou u beweren dat God zelf een oneindige afgrond is?

Agnost: Er hebben zich al heel wat mensen in gestort.

Wiskundige: Als we de oneindige afgrond in de mens nergens mee kunnen vullen, wat moeten we er dan mee doen?

Agnost: Lekker laten gapen.

Wiskundige: Wat als je die gapende afgrond in je binnenste niet verdraagt?

Agnost: Dan probeer je hem met wiskunde te vullen.

Wiskundige: Dat heb ik inderdaad geprobeerd.

Agnost: Maar?

Wiskundige: Met heel mijn wiskundig vernuft ben ik er niet in geslaagd de gapende afgrond in mijn binnenste te vullen.

Agnost: En toen?

Wiskundige: Probeerde ik hem met gedachten te vullen.

Agnost: De Pensées.

Wiskundige: Met heel mijn filosofisch vernuft ben ik er niet in geslaagd de gapende afgrond in mijn binnenste te vullen.

Agnost: Misschien is die gapende afgrond in uw binnenste ook maar een gedachte.

Wiskundige: Dat is een vernuftige gedachte.

Agnost: Misschien zijn gedachten wel oneindige afgronden.

Wiskundige: Die zich dan natuurlijk met geen enkele gedachte laten vullen.

Agnost: Geen afgrond laat zich met een afgrond vullen.

Wiskundige: Al hebben zich er al heel wat mensen in gestort.

Agnost: Of zijn dit ook maar weer gedachten?

Wiskundige: In ieder mens is er een oneindige afgrond die je alleen met God kan vullen.

-70-

Navigeren naar hogere sferen

Spoedcursus voor hemelbestormers.

X: Weet je wat er boven de hellepoort staat geschreven?

H: Nou?

X: Gij die hier binnentreedt, laat alle hoop varen.

H: De Goddelijke Komedie.

X: Dante, 1481.

H: Weet je wat er boven de hemelpoort staat geschreven?

X: Nou?

H: Gij die hier binnentreedt, laat alle hoop varen.

-71-

De hemel is een poort

X: Wat staat er boven de hemelpoort geschreven?

H: Gij die hier wilt binnentreden, laat alle hoop varen.

X: Hoe weet jij dat?

H: Omdat ik ervoor heb gestaan.

X: Ben je erdoorheen gegaan?

H: En niemand hield me tegen.

X: Wat was het eerste dat je zag?

H: Een bordje.

X: Wat stond erop?

H: U verlaat nu de hemel.

X: Hè?

H: Dat dacht ik ook.

X: En toen?

H: Ben ik meteen omgekeerd.

X: Heel verstandig.

H: En niemand hield me tegen.

X: Wat was het eerste dat je zag?

H: Een bordje.

X: Wat stond erop?

H: U verlaat nu de hemel.

X: Nou moe.

H: Dat dacht ik ook.

X: Noem dat maar een hemel.

H: Ik noem het een poort.

-72-

Tempels hebben drempels

De geestelijke en de agnost.

1.

Geestelijke: Twijfel is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen betreden.*

* Uitspraak van Charles Caleb Colton (1780-1832).

Agnost: Wijsheid is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Twijfel kunnen betreden.

2.

Geestelijke: Twijfel is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen betreden.

Agnost: Wijsheid is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Dwaasheid kunnen betreden.

3.

Geestelijke: Twijfel is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen betreden.

Agnost: Zekerheid is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen verlaten.

-73-

Een tempeldak is een hellend vlak

De filosoof en de agnost.

Nok

Filosoof: Wijsheid begint met verwondering.*

* Uitspraak van Socrates (469-399).

Agnost: Wijsheid eindigt met bewondering.

Dak

Filosoof: Wijsheid begint met verwondering.

Agnost: Wijsheid eindigt met verkondiging.

Goot

Filosoof: Wijsheid begint met verwondering.

Agnost: Wijsheid eindigt met verbijstering.

-74-

De tempel van nietweten heeft geen hoogte en geen breedte

Een vrijplaats zonder uitgang.

X: Hoe kom ik in de tempel van nietweten?

H: Je hoeft er niet in.

X: Waarom niet?

H: Omdat hij overal is.

X: Waarom weet ik dat dan niet?

H: Omdat je er al in zit.

X: Dan vlucht ik toch in een Tempel van Wijsheid?

H: Daar zit je ook al in.

X: Hoe weet je dat?

H: Anders zou je niet vragen hoe je in de tempel van nietweten komt.

X: Hoe weet je of je in de tempel van nietweten bent?

H: Daar staan geen muren omheen.

X: Aha.

H: Er zit geen dak op.

X: Dat haal je de koekoek.

H: Er ligt geen vloer in.

X: Waarom ook.

H: Het stinkt er nooit naar zweetvoeten.

X: Leve de openlucht.

H: Zó weet je of je in de tempel van nietweten bent.

X: Heb je daar onbegrensd inzicht?

H: Daar heb je onbegrensd uitzicht.

X: Mag zoiets nog wel een tempel heten?

H: Dat heb je goed gezien.

-75-

Numinisme is een eufemisme voor niet-weten

Soms voel je je ineens overgeleverd aan ‘het grote onbekende’, ken je dat?

Dan ervaar je het bestaan eventjes als een mysterie dat fascineert en doet beven.

Het mysterium tremendum et fascinans noemt de Duitse theoloog Rudolf Otto dat.

Bij hem is het mysterie dat fascineert en doet beven niet zomaar een mysterie, zoals bij mij, maar een goddelijk mysterie.

En waarom ook niet, bij ervaringen heb je het niet voor het zeggen.

Jij zal het allicht eerder als een duivels mysterie ervaren of als een regelrechte nachtmerrie.

Nu is het één ding om het bestaan kortstondig te ervaren als een goddelijk mysterie; het bestaan opvatten als een goddelijk mysterie is iets heel anders.

In het laatste geval is er sprake van de niet-lege leer dat de werkelijkheid zelf, in de woorden van Otto, numineus is – een manifestatie van het numineuze.*

Das Numinose, afgeleid van het Latijnse numen, goddelijke openbaring.

Deze naamloze leer, die sinds het begin van de twintigste eeuw als een wolkenstraat boven de christelijke theologie hangt, kwam ik tijdens mijn zoektocht door de mystieke literatuur zo vaak tegen dat ik hem spontaan numinisme ben gaan noemen.

Deze toevoeging aan onze wondere taal heeft voor mij weinig zin, behalve dat ik nu in vier niet mis te verstane woorden kan zeggen: niet-weten is geen numinisme.

En in nog zes niet mis te verstane woorden: numinisme is een eufemisme voor niet-weten.

Dat deze tien woorden niet mis te verstaan zijn is natuurlijk ijdele hoop, maar gelukkig geloofde ik het toch al niet.

-76-

Niet-weten als de vermoorde onschuld

Volgens het boek Genesis van het Oude Testament waren de eerste mensen, Adam en Eva, ook de eersten die zich schaamden voor hun voortplantingsorgaan en het verstopten achter een vijgenblad.

Ze verloren hun onschuld nadat ze stiekem een appeltje van de verboden boom der kennis hadden gegeten.

Zoals Adam en Eva hun lichamelijke naaktheid voor elkaar verborgen, zo verbergen wij onze geestelijke naaktheid voor elkaar.

Zoals zij zich van vijgenbladen bedienden, zo bedienen wij ons van boekbladen.

Zoals zij toevlucht namen tot een soevereine heer, zo nemen wij toevlucht tot een soevereine leer – welke dan ook.

Alles om te verbergen dat wij niet van de boom der kennis hebben gegeten.

Het kan verkeren…

-77-

Weten is een waaiboom met luchtwortels

Hang je er niet aan op.

‘Wat is weten?’

‘De boom der kennis.’

‘Wat is niet-weten?’

‘De ongrond waarin de boom der kennis wortelt.’

-78-

Ende hier omme seghic sachte

Beste Hans,

Vergeleken met de bruidsmystiek van een Hadewijch of een Ruusbroeck is NietWeten.nl wel een beetje, hoe zal ik het zeggen, onderkoeld.

Vergelijk jouw eigen teksten maar eens met onderstaand fragment van Hadewijch uit haar Achtentwintigste Brief:

Tussen
God
en de zalige ziel
die God geworden is met God,
is een geestelijke liefde.
En wanneer God
deze geestelijke liefde openbaart in de ziel,
zo rijst in haar
een innige vriendschap.
Dat betekent:
zij voelt in zich
hoe God haar een vriend is
voor alle smart
en in alle smart
en boven alle smart,
ja, boven alle smart
tot in de trouw aan Zijn Vader.
In deze innige vriendschap
rijst
een groot vertrouwen.
In dit hoog vertrouwen
rijst
een oprechte zoetheid.
In deze gerechte zoetheid
rijst
een waarachtige blijdschap.
In deze waarachtige blijdschap
rijst
een goddelijke klaarheid.

Bron: Ende hier omme swighic sachte, Hadewijch, vertaling: Ellen Hennink, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen 2002.

Mooi hè?

Beste X,

In haar negenendertigste lied, couplet 6, zingt Hadewijch:

Wat mij betreft, ik laat de minne wezen
wat ze van haar kant wezen wil.
Deze of gene waant in haar zijn vonnissen te lezen,
maar door haar toedoen valt zijn ijver spoedig stil,
en even vlug zijn lofgezang,
waaraan hij zich had opgetild.
Als ze dat wil, kan ze
goed strijden onder ’t schild;
al wordt niemand daar beter van.

Bron: Het boek der liederen I, Hadewijch, tekst en vertaling: Herman Vekeman, Uitgeverij DAMON, Budel 2005.

In dezelfde brief waaruit jij citeert (al dan niet toevallig net een brief waarvan de authenticiteit omstreden is; zie De beeldspraak van Hadewijch, J. Reynaert, 1981, p425), schrijft Hadewijch of wie dan ook:

Sinds de heiligheid van God mij zwijgen deed,
sindsdien heb ik veel gehoord.
En sinds ik veel gehoord heb,
waarom hield ik het dan in?
Ik hield niet zonder reden in
wat ik inhield.
Ik hield alles in, ervoor en erna.
Zo zwijg ik dan
en rust ik
met God
tot de tijd
dat God mij spreken doet.
Ik heb
al mijn verdeeldheid geheeld,
en ik heb mij
al mijn heelheid eigen gemaakt,
en ik heb
al mijn eigenheid besloten gehouden in God
tot de tijd dat er iemand komt
met een onderscheid makende geest,
die mij vraagt
wat het is dat ik bedoel,
en hoe ik dit voel
met God in God.
Ik ben des te meer onderscheiden
als ik moet spreken.
En hierom zwijg ik zacht.

Bron: Ende hier omme swighic sachte, Hadewijch, vertaling: Ellen Hennink, 2002)

Zelf heb ik jarenlang gezocht naar een manier om ‘alles in te houden’ zónder ‘zacht te zwijgen’. Of ik die gevonden heb mag iedereen voor zichzelf uitmaken.

Los van die vraag, en afgezien van al hun tekortkomingen, vind ik mijn dwaalteksten prachtig. Zoiets hoor je niet te zeggen, nee, naar ik ga er ook niet om liegen.

Omdat ze op mijn eigenfrequentie zijn afgestemd, resoneer ik mee met mijn dwaalteksten, of zij met mij. Zelfs na de honderdste lezing.

Ik min ze zoals ik mijn agnose min en ik min mijn agnose zoals Hadewijch de Minne mint.

Niet vanwege hun literaire waarde, die hebben ze niet.

Ook niet omdat ze het niet-weten zo treffend omschrijven, dat kunnen anderen beter dan ik.

Wel omdat ze het zo duidelijk demonstreren; je ziet het voor je ogen gebeuren.

Steeds wanneer niet-weten zélf het woord neemt, zit ik op het puntje van mijn stoel, inwendig jubelend.

Voor jou is NietWeten.nl onderkoeld, voor mij is het de hoogste lyriek. Hoger hoeft niet en hoger zal het wel niet worden. Daarvoor is een radicaal niet-weten als het mijne simpelweg te paradoxaal en te subversief.

Begrijp je wat ik bedoel?

X: Niet echt.

H: Laat ik het zo zeggen,

Wat mij betreft, ik laat niet-weten wezen
wat het van zijn kant wezen wil.
Deze of gene waant in hem haar vonnissen te lezen,
maar door zijn toedoen valt haar ijver spoedig stil,
en even vlug haar lofgezang,
waaraan zij zich had opgetild.
Als het dat wil, kan het
goed strijden onder ’t schild;
al wordt niemand daar beter van.

X: Ai.

H: Of anders zo,

Sinds niet-weten mij zwijgen deed
heb ik veel gehoord
en sinds ik veel gehoord heb
waarom hield ik het dan in?
Ik hield niet zonder reden in
wat ik inhield.
Ik hield alles in, ervoor en erna.
Zo zweeg ik dan
en rustte ik
met niet-weten
tot de tijd
dat het mij spreken deed.
Ik heb al mijn verdeeldheid
ondermijnd
en ik heb de eenheid
afgezworen
en ik heb mijn eigenheid
besloten gehouden
in niet-weten
tot de tijd dat er iemand kwam
met een wetende geest
die mij vroeg
wat het is dat ik bedoel
en hoe ik dit voel
met niet-weten in niet-weten.
Ik ben des te meer onderscheiden
als ik moet zwijgen
en hierom spreek ik zacht.

X: Mag ik hieruit concluderen dat jij jezelf als een mysticus ziet?

H: Als Hadewijch zacht had gezwegen, zou ze zich zelfs niet bediend hebben van woorden als ‘God’, ‘ik’, ‘verdeeldheid’ en ‘heelheid’. En ze zou zichzelf ook geen mystica genoemd hebben.

X: Waarom niet?

H: Omdat ook die woorden haar ‘onderscheiden’ zouden hebben gemaakt. En natuurlijk zou ze dat ook niet meer hebben willen zeggen. Hebben kunnen zeggen. Wat valt er nog te zeggen zonder woorden?

X: Dus jij ziet jezelf niet als een mysticus?

H: Ik zie mezelf niet als een mysticus en niet als een niet-mysticus, en dat is mijn mystiek.

X: Ik meen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te kunnen stellen dat Hadewijch het woord ‘God’ nooit opgegeven zou hebben.

H: In haar twintigste brief beschrijft Hadewijch ‘de twaalf uren van de opgang in minne’. In het elfde uur maakt de Minne

‘zijn memorie zo enig, dat hij niet vermag te denken aan heiligen of mensen, niet aan hemel of aarde, niet aan engelen, niet aan zichzelf, niet aan God, maar alleen aan de Minne die hem in bezit heeft genomen in steeds nieuwe tegenwoordigheid.’

In het twaalfde onnoembare uur ten slotte, zinkt Minne

‘terug in Haarzelf. Zij vindt alle voldoening in haar eigen natuur. Zo is Zij zelfgenoegzaam: al minde niemand de Minne, haar naam zou Haar beminnenswaardigheid genoeg geven in haar zelfheerlijke eigen natuur.’

(Hadewijch Brieven, F. van Bladel en B. Spaapen, Lannoo Tielt / Den Haag 1954, p157)

Meister Eckhart zegt in dit verband:

‘Hij bezit dan zonder gehechtheid, zonder bezitsdrang, zonder bezetenheid, doet geen enkele aanspraak gelden - noch op het eigen ik, noch op dat wat buiten hem is, zelfs niet op God.’

X: Wat is in jouw visie het verband tussen agnose en mystiek?

H: Wie niet weet, staat inzake alle wezenlijke vragen – filosofische, existentiële, ethische, religieuze en spirituele – met lege handen. Hij heeft geen enkel antwoord.

Zelfs niet het antwoord dat er geen antwoorden zijn.

Zelfs niet het antwoord dat je niets kunt weten.

Zelfs niet het antwoord dat je dat ook niet kunt weten.

Wie niet weet heeft ook geen vragen meer.

Zelfs de termen waarin de antwoorden en de vragen werden gesteld, zijn in rook opgegaan.

‘Dit is het twaalfde onnoembare uur.’

X: Geen antwoorden meer en geen vragen meer.

H: Wie niet weet, is – in alle rust – aan het eind van zijn Latijn.

Aan het eind van zijn moedertaal, zijn lichaamstaal, zijn orakeltaal.

Wie niet weet, is sprakeloos.

Hij heeft werkelijk niets meer te zeggen.

Zelfs niet dat hij niets te zeggen heeft.

X: Omdat de waarheid voorbij de woorden is.

H: Nee, niet omdat de waarheid voorbij de woorden is. Dat zijn opnieuw woorden.

Niet omdat alles een uitdrukking van het ene is. Dat zijn opnieuw woorden.

Niet omdat alleen stilte recht doet aan de wijsheid voorbij alle wijsheid. Dat zijn opnieuw woorden.

Niet omdat de hoogste werkelijkheid geen verschil kent. Dat zijn opnieuw woorden.

Niet om een andere zegbare of onzegbare reden. Dat zijn opnieuw woorden.

Wie niet weet, is alleen maar sprakeloos.

Sprakeloos zonder reden.

Redeloos sprakeloos.

Inderdaad, dit zijn nog steeds woorden.

Leugenachtig woorden want intussen spreek ik ongehinderd verder.

Weg ermee dus.

En weg ook met het ‘weg ermee’.

‘Dit is het twaalfde onnoembare uur.’

X: Agnose is simpelweg einde verhaal.

H: Dat geldt niet alleen voor het verhaal van God maar ook voor het verhaal van niet-God.

Het geldt voor het verhaal van ik maar ook voor het verhaal van niet-ik.

Het geldt voor het verhaal van verdeeldheid maar ook voor het verhaal van heelheid.

Het geldt voor het verhaal van onderscheid maar ook voor het verhaal van eenheid.

Het geldt voor het verhaal van weten maar ook voor het verhaal van niet-weten.

Het geldt ook voor het verhaal van de twaalf uren van de opgang in minne.

Het geldt zelfs voor het verhaal getiteld ‘Einde verhaal’.

X: ‘Ende hier omme swighic sachte.’

H: Ende hier omme seghic sachte.

-79-

Wijsheid, inzicht, plannen, niets houdt stand

X: ‘Wijsheid, inzicht, plannen, niets houdt stand tegen de Heer.’

H: Jij zegt het.

X: Spreuken 21:30.

H: De bijbel zegt het.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Wijsheid, inzicht, plannen, niets houdt stand.

X: Lekker kort.

H: Maar of het stand houdt?

X: Geloof jij niet in de Heer?

H: Daar gaat het niet om.

X: Waar gaat het wel om?

H: Dat ik hem liever niet in een hokje stop.

X: In welk hokje?

H: Dat van een mannelijk lid van de heersende klasse der mensheid.

X: Heer.

H: Onder meer.

X: Geloof jij wel in het Onbenoembare?

H: Het onbenoembare of de onbenoembare?

X: Daar vraag je me wat.

H: Geloof ik eigenlijk wel in mezelf?

X: Wat?

H: Als ik niet ben, kan ik niet geloven in wat dan ook.

X: Dus jij gelooft niet?

H: Als ik niet ben, kan ik ook niet ongelovig zijn.

X: Zijn of niet-zijn, is dat dan de vraag?

H: Voor mij niet.

X: Omdat je hem al beantwoord hebt?

H: Omdat ik hem niet meer stel.

X: Dus als ik het goed heb, geloof je noch geloof je niet in jezelf noch in de of het Onbenoembare?

H: Gesteld dat daar verschil tussen is.

X: Waartussen?

H: Tussen geloven en niet geloven. Tussen mezelf en de of het onbenoembare. Tussen de en het onbenoembare. Tussen mezelf en geloven of niet geloven.

X: Wou jij beweren dat je de of het onbenoembare zelf bent?

H: Hoe kan ik nou de identiteit bevestigen van zaken waarvan ik niet eens het bestaan of niet-bestaan weet vast te stellen?

X: Bedoel je dat… begrijp ik het goed dat… zou je kunnen zeggen dat…

H: Wijsheid, inzicht, plannen, niets houdt stand.

-80-

Gelouterd door het vragenvuur

Tot de vragen uitblijven.

X: Waarom verbreekt God nooit het stilzwijgen?

H: Omdat God het stilzwijgen is.

X: Waarin onderscheidt het goddelijk stilzwijgen zich van andere vormen van stilzwijgen?

H: In dat het nooit verbroken wordt.

X: Hoe wek ik het goddelijk stilzwijgen op?

H: Door vragen te stellen.

X: Aan wie?

H: Aan wie dan ook.

X: Aan God? Aan mezelf? Aan een leraar?

H: Allemaal goed.

X: Wat voor vragen?

H: Levensbeschouwelijke vragen. Spirituele vragen. Religieuze vragen. Filosofische vragen. Psychologische vragen. Metafysische vragen. Existentiële vragen. Ethische vragen. Wat er maar in je opkomt.

X: Leiden vragen niet tot antwoorden?

H: Talrijk als de sterren.

X: Hoe moet ik daarmee omgaan?

H: Inventariseren. Onderzoeken. Omarmen. Verwerpen. Negeren. Wat er maar in je opkomt.

X: Hoe lang moet ik doorgaan met vragen stellen?

H: Tot de antwoorden uitblijven.

X: Bij wie?

H: Bij wie dan ook.

X: En dan?

H: Doorgaan met vragen stellen.

X: Aan wie?

H: Aan wie dan ook.

X: Hoe lang?

H: Tot de vragen uitblijven.

X: En dan?

H: …

X: Nou?

H: …

X: …

H: …

X: Is dit nou het stilzwijgen van God?

H: Vraag het dan maar aan God.

Icoon van een heilige zonder mond.

-81-

De Vraagmuur

Geen half woord.

Na een bedevaart van duizenden kilometers ben je eindelijk aanbeland bij de Vraagmuur, die zo lang is dat niemand ooit de uiteinden heeft kunnen vinden.

Over de hele lengte van de muur, zo ver het oog reikt, staan vragenstellers te wiegen en te prevelen.

Je zoekt een plekje tussen een man met een baard en een vrouw met een staart, haalt een paar keer diep adem en fluistert: Waarom verbreekt God nooit het stilzwijgen?

Vraagmuur: …

Jij: Omdat God het stilzwijgen is?

Vraagmuur: …

Jij: Waarin onderscheid het goddelijk stilzwijgen zich van andere vormen van stilzwijgen?

Vraagmuur: …

Jij: In dat het nooit verbroken wordt?

Vraagmuur: …

Jij: Hoe wek ik het goddelijk stilzwijgen op?

Vraagmuur: …

Jij: Door vragen te stellen?

Vraagmuur: …

Jij: Aan wie?

Vraagmuur: …

Jij: Aan wie dan ook?

Vraagmuur: …

Jij: Aan God? Aan mezelf? Aan een leraar?

Vraagmuur: …

Jij: Allemaal goed?

Vraagmuur: …

Jij: Wat voor vragen?

Vraagmuur: …

Jij: Levensbeschouwelijke vragen? Spirituele vragen? Religieuze vragen? Filosofische vragen? Psychologische vragen? Metafysische vragen? Existentiële vragen? Ethische vragen? Wat er maar in me opkomt?

Vraagmuur: …

Jij: Leiden vragen niet tot antwoorden?

Vraagmuur: …

Jij: Talrijk als de sterren?

Vraagmuur: …

Jij: Hoe moet ik daarmee omgaan?

Vraagmuur: …

Jij: Inventariseren? Onderzoeken? Omarmen? Verwerpen? Negeren? Wat er maar in me opkomt?

Vraagmuur: …

Jij: Hoe lang moet ik doorgaan met vragen stellen?

Vraagmuur: …

Jij: Tot de antwoorden uitblijven?

Vraagmuur: …

Jij: Bij wie?

Vraagmuur: …

Jij: Bij wie dan ook?

Vraagmuur: …

Jij: En dan?

Vraagmuur: …

Jij: Doorgaan met vragen stellen?

Vraagmuur: …

Jij: Aan wie?

Vraagmuur: …

Jij: Aan wie dan ook?

Vraagmuur: …

Jij: Hoe lang?

Vraagmuur: …

Jij: Tot de vragen uitblijven?

Vraagmuur: …

Jij: En dan?

Vraagmuur: …

Jij: Nou?

Vraagmuur: …

Jij: Is dit nou het stilzwijgen van God?

Vraagmuur: …

Jij: Zal ik het dan maar aan God vragen?

Vraagmuur: …

-82-

Het laatste woord van Meester Sst

Monnik: Is de Stilte echt of fictief?

Meester: Sst.

Monnik: Is de Stilte voorbij bestaan en niet-bestaan?

Meester: Sst.

Monnik: Is de Stilte de oorsprong en bestemming van alle dingen en wezens?

Meester: Sst.

Monnik: Is de Stilte absoluut, eeuwig en oneindig?

Meester: Sst.

Monnik: Is de Stilte God of goddelijk of menselijk?

Meester: Sst.

Monnik: Is de Stilte ongeboren en doodloos?

Meester: Sst.

Monnik: Is de Stilte Leegte of het Niets of gewoon niets?

Meester: Sst.

Monnik: Is de Stilte ons Ware Zelf of onze Ware Natuur?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn wij allen één en dezelfde Stilte?

Meester: Sst.

Monnik: Is de Stilte Waarheid of Wijsheid?

Meester: Sst.

Monnik: Hoe vind je de Stilte in jezelf?

Meester: Sst.

Monnik: Is Stilte hetzelfde als niet-weten?

Meester: Sst.

Monnik: Bent u voorgoed de Stilte ingegaan?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn wij zelf de Stilte?

Meester: Sst.

Monnik: Waarom zegt u alleen maar sst?

Meester: Sst.

Monnik: Van u word je ook niks wijzer.

Meester: Vraag het dan maar aan de Stilte.

Monnik: Wat als je alles aan de Stilte vraagt?

Meester: Dan val je vanzelf een keer stil.

Monnik: …

Meester: Hè hè.

Monnik: Sst.

-83-

God, begin je nou weer?

Monnik: Wie is God?

Meester: Sst.

Monnik: Wat is God?

Meester: Sst.

Monnik: Is God?

Meester: Sst.

Monnik: Is God in mij?

Meester: Sst.

Monnik: Ben ik in God?

Meester: Sst.

Monnik: Ben ik?

Meester: Sst.

Monnik: Wie ben ik?

Meester: Sst.

Monnik: Wat ben ik?

Meester: Sst.

Monnik: Ben ik een woord?

Meester: Sst.

Monnik: Ben ik een ding?

Meester: Sst.

Monnik: Ben ik de dingen?

Meester: Sst.

Monnik: Ben ik in de dingen?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn de dingen in mij?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn de dingen?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn de dingen woorden?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn de dingen God?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn de dingen in God?

Meester: Sst.

Monnik: Is God in de dingen?

Meester: Sst.

Monnik: Is God in de woorden?

Meester: Sst.

Monnik: Is God een woord?

Meester: Sst.

Monnik: Is God het Woord?

Meester: Sst.

Monnik: Wat is het Woord Gods?

Meester: Sst.

Monnik: Is God stilte?

Meester: Sst.

Monnik: Is God in de stilte?

Meester: Sst.

Monnik: Is de stilte in God?

Meester: Sst.

Monnik: Is Stilte het Woord?

Meester: Sst.

Monnik: Is het Woord?

Meester: Sst.

Monnik: Is stilte?

Meester: Sst.

Monnik: Wat is?

Meester: Sst.

Monnik: Sst?

Meester: …

Monnik: Is er wat?

Meester: God, begin je nou weer?

-84-

Een stille aanbidder

‘Hoe heet jouw God, Hans?’

‘Sst.’

‘Geloof jij in Sst?’

‘Sst.’

-85-

Vader, waarom kan ik u niet horen?

‘Vader, waarom kan ik u zien?’

Vader legt zijn hand op mijn ogen.

‘Komt het door mij?’

Vader gaat achter het kamerscherm staan.

‘Komt het door de leegte tussen ons?’

Vader doet het licht uit.

‘Komt het door de lamp?’

Vader verlaat de kamer.

‘Komt het door u?’

‘Vader?’

‘Vader, waarom kan ik u niet zien?’

Ik leg mijn hand op mijn ogen.

Ik ga achter het kamerscherm staan.

Ik doe het licht aan.

Ik verlaat de kamer.

Daar staat vader.

‘Vader, waarom kan ik u zien?
Komt het door Edison?
Komt het door het lichtnet?
Komt het door de krachtcentrales?
Komt het door de materie?
Komt het door mijn hersenen?
Komt het door opa en oma?
Komt het door de voortplanting?
Komt het door de evolutie?
Komt het door de aarde?
Komt het door de zon?
Komt het door God?
Komt het door alles?
Komt het door niets?’

Ik pak zijn hand.

Waarom kan ik hem voelen?

‘Vader, waarom kan ik u niet horen?’

-86-

Niet-weten is de geboortegrond van God

Groot Nieuws voor Piet Snot.

‘Is God een metafoor voor stilte, Hans?’

‘Zou best kunnen.’

‘Of is stilte juist een metafoor voor God?’

‘Zou best kunnen.’

‘Ik bedoel, het is het een of het ander, lijkt mij.’

‘Of beide of geen van beide of nog iets anders, lijkt mij.’

‘Maar wat staat hier voor wat?’

‘De leegte voor een gat?’

‘Waar staat het gat dan voor?’

‘Ik denk een metafoor.’

‘Ik sta hier voor Piet Snot.’

‘Geboortegrond van God.’

-87-

Dichter van God

God zwijgt in alle talen
Ik zwijg in alle talen
Hij peilt de stilte in mij

Ik zwijg in alle talen
God zwijgt in alle talen
Zo blijft Hij heel dicht bij mij

-88-

Wie ook maar één deur opent, gooit alle andere dicht

X: Hoeveel vragen heb jij God gesteld?

H: Wel tienduizend.

X: Welke vragen waren dat?

H: Alle vragen die ik maar kon bedenken.

X: Jemig.

H: En dat vele malen.

X: Hoeveel van die vragen heeft Hij beantwoord?

H: Hij heeft ze allemaal beantwoord.

X: Allemaal?

H: Zonder uitzondering.

X: Kon je al die informatie wel verwerken?

H: Daar heb ik nooit moeite mee gehad.

X: Ben jij zo briljant?

H: Dat was helemaal niet nodig.

X: Waarom niet?

H: Omdat ik steeds hetzelfde antwoord kreeg.

X: Namelijk?

H: Een onverbiddelijk stilzwijgen.

X: Hm.

H: Zelfs dat was er niet bij.

X: Op alle vragen?

H: Zonder uitzondering.

X: Dus eigenlijk heeft Hij geen enkele vraag beantwoord.

H: Zo heb ik dat lange tijd gezien.

X: Maar nu niet meer?

H: Nee.

X: Hoe was het om steeds hetzelfde antwoord te krijgen?

H: Om gek van te worden.

X: Je klinkt nog steeds boos.

H: Integendeel.

X: Dat snap ik niet.

H: Ik ben Hem eeuwig dankbaar dat Hij niet één keer is gezwicht.

X: Waarvoor?

H: Voor de verleiding om mij een waarheid op de mouw te spelden.

X: Op de mouw te spelden?

H: Ik was zonder meer bereid de laagste leugen te aanvaarden als de hoogste waarheid.

X: Maar Hij was niet zonder meer bereid je er een te verkopen.

H: Zonder meer niet.

X: Waarom ben je daar dankbaar voor?

H: Wie ook maar één deur opent, gooit alle andere dicht.

X: Zijn onafgebroken stilzwijgen betekent toch alleen maar dat er geen enkele deur is opengegaan?

H: Zijn onafgebroken stilzwijgen betekent tevens dat er geen enkele deur is dichtgegaan.

X: Niet open en niet dicht.

H: Voilà.

X: Mooi.

H: Och.

X: Lelijk dan?

H: Zeg mooi, en alle andere deuren gaan dicht; zeg lelijk, en alle andere deuren gaan dicht.

X: Moet ik dit verhaal over God nou letterlijk nemen of figuurlijk?

H: Zeg letterlijk, en alle andere deuren gaan dicht; zeg figuurlijk, en alle andere deuren gaan dicht.

X: Jij houdt alles liever open.

H: Zeg jij, en alle andere deuren gaan dicht; zeg open, en alle andere deuren gaan dicht.

-89-

Waarom ik geen antwoord geef

X: Waarom geeft God nooit antwoord?

H: Vraag maar aan God.

X: Ik vraag het nu aan jou.

H: Omdat Hij uitsluitend de waarheid spreekt.

X: Bedoel je dat er geen waarheid is?

H: Dan had ik dat wel gezegd.

X: Bedoel je dat de waarheid alleen door niet-antwoorden kan worden uitgedrukt?

H: Welke waarheid?

X: Je ontkende toch dat er geen waarheid zou zijn?

H: Dan had ik dat wel gezegd.

X: Bedoel je dat de waarheid voorbij de woorden is?

H: Dan had ik dat wel gezegd.

X: Bedoel je dat de waarheid zelfs geen waarheid mag heten?

H: Dan had ik dat wel gezegd.

X: Waarom geef je geen antwoord?

H: Omdat jij niets van wat ik zeg als antwoord herkent.

X: Wat heb je dan geantwoord?

H: Vraag het dan maar aan God.

-90-

Wie kent het verschil tussen het ene zwijgen en het andere?

X: Wat is het verschil tussen God en diens stilzwijgen?

H: Uiteindelijk?

X: Nou?

H: Ik zou het echt niet weten.

X: Wat is het verschil tussen Gods stilzwijgen en het jouwe?

H: Uiteindelijk?

X: Nou?

H: Ik zou het echt niet weten.

X: Wat is het verschil tussen jouw stilzwijgen en jezelf?

H: Uiteindelijk?

X: Nou?

H: Ik zou het echt niet weten.

X: Als er geen verschil is tussen God, diens stilzwijgen, jouw stilzwijgen en jezelf, zijn ze dan niet identiek?

H: Uiteindelijk?

X: Nou?

H: Ik zou het echt niet weten.

Klein paaseilandbeeld dat opziet tegen een groot paaseilandbeeld.

-91-

Vuur met vuur bestrijden

X: Wat is het dat we met onze metaforen proberen uit te drukken?

H: Klinkt als een retorische vraag.

X: Inderdaad.

H: Geef dan maar een retorisch antwoord.

X: God. De Bron. De Tao. Het Zelf. De Leegte. Het Ene. Het Onzegbare. Het Mysterie. Het Numineuze. De Non-dualiteit. Het Absolute. Het Oneindige.

H: Alsof dat geen metaforen zijn.

X: Wat proberen we dan uit te drukken?

H: Misschien wel onze metaforen.

X: Met onze metaforen proberen we onze metaforen uit te drukken?

H: Vuur met vuur bestrijden.

X: Stel je voor.

H: Wat?

X: Hoe stil het dan zou worden.

H: Tja.

X: Misschien is dat wel wat we met onze metaforen proberen uit te drukken.

H: Wat?

X: De Stilte.

H: Mislukt.

-92-

De waarheid voorbij de woorden is een woord

X: De Waarheid is voorbij de woorden.

H: De waarheid is een woord.

X: Ik heb het over God.

H: God is een woord.

X: Zie je wel hoe onzegbaar het wel is?

H: Onzegbaar is een woord.

X: Dan weet ik het ook niet meer.

H: Niet-weten is een woord.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Waarover?

X: Vind je dat we moeten zwijgen?

H: Waarvan?

X: Tja.

H: Niet slecht.

-93-

Als Zijn stem de jouwe is

‘Waar is al die stilte goed voor?’

‘Wil God in mij spreken, dan moet ik zwijgen, Hans.’

‘En als Zijn stem de jouwe is?’

-94-

Als Hij in jou wil zwijgen

‘Waar is al die stilte goed voor?’

‘Wil God in mij spreken dan moet ik zwijgen, Hans.’

‘En als Hij in jou wil zwijgen?’

-95-

Als Hij niets te zeggen heeft

‘Waar is al die stilte goed voor?’

‘Wil God in mij spreken dan moet ik zwijgen, Hans.’

‘En als Hij niets te zeggen heeft?’

‘Ik denk dat jij Hem ernstig onderschat.’

‘Ik denk dat jij Hem ernstig onderschat.’

-96-

Een hoger stilzwijgen

‘Als God het stilzwijgen nooit verbreekt, van wie komen dan al die antwoorden, Hans?’

‘Van God?’

‘Is dat een antwoord of een vraag?’

‘Voor mijn part.’

‘Maar God zegt toch juist niets?’

‘Daarvoor hoeft Hij echt zijn mond niet te houden.’

-97-

Voorbij gelijk en ongelijk en daar nog weer voorbij

WereldWijdeWaanzin.

X: Hoe klinkt het Woord van God?

H: Als acht miljard mensen die ieder hun gelijk willen halen.

X: Hoe komt het dat we daarin het Woord van God niet herkennen?

H: Omdat we nog steeds denken dat er maar één gelijk kan hebben.

X: Wou jij zeggen dat de Waarheid een wereldwijde kakofonie is?

H: Je denkt nog steeds dat er maar één gelijk kan hebben.

X: Volgens mij heeft iedereen gelijk.

H: Je denkt nog steeds dat er maar één gelijk kan hebben.

X: Ik bedoel, volgens mij heeft niemand gelijk.

H: Je denkt nog steeds dat er maar één gelijk kan hebben.

X: Zo te horen heb ik geen gelijk.

H: Je denkt nog steeds dat je ongelijk kan hebben.

X: Bedoel je dat het Woord van God voorbij gelijk en ongelijk is?

H: Je denkt nog steeds dat je gelijk kan hebben.

X: Wat als je niet meer denkt dat iedereen gelijk heeft, en ook niet meer dat niemand gelijk heeft, en ook niet meer dat er maar één gelijk kan hebben, en ook niet meer dat je gelijk kan hebben, en ook niet meer dat je ongelijk kan hebben, en ook niet meer dat het Woord van God voorbij gelijk en ongelijk is?

H: Dan klinkt het Woord van God.

-98-

Omdat iedereen zo nodig het Hoogste Woord moet voeren

X: Wat is het Hoogste Woord?

H: Het Diepste Stilzwijgen.

X: Hoe komt het dat wij het Diepste Stilzwijgen niet herkennen?

H: Door de wijze waarop het zich manifesteert.

X: Hoe manifesteert het Diepste Stilzwijgen zich?

H: Als een Babylonische Spraakverwarring.

X: Waarom manifesteert het Diepste Stilzwijgen zich als een Babylonische Spraakverwarring?

H: Omdat iedereen zo nodig het Hoogste Woord moet voeren.

-99-

Oost-Indische wijsheid

‘Is het letterlijk stil in jou, Hans?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Wat hoor jij zoal?’

‘Hetzelfde gekakel en gekrakeel als altijd.’

‘Dezelfde vragen en dezelfde antwoorden?’

‘Onder meer.’

‘Het is niet dat je niets meer hoort.’

‘Het is meer dat ik niet meer luister.’

‘Dat lijkt mij een prima idee.’

‘Dat komt doordat jij nog luistert.’

-100-

De leegte beminnen is de waarheid bevragen

De mystica en de agnost.

Mystica: De waarheid beminnen is de leegte verdragen.*

* Uitspraak van Simone Weil (1909-1943).

Agnost: De leegte beminnen is de waarheid bevragen.

Mystica: Hoe dat zo?

Agnost: De leegte verdraagt geen waarheid.

Mystica: Waarom niet?

Agnost: Anders is ze niet leeg meer.

Mystica: De leegte verdraagt alleen maar leegte?

Agnost: Ook niet.

Mystica: Waarom niet?

Agnost: Anders is ze niet leeg meer.

Mystica: De leegte verdraagt alleen maar een naam?

Agnost: Ook niet.

Mystica: Waarom niet?

Agnost: Anders is ze niet leeg meer.

Mystica: Wat verdraagt ze eigenlijk wel?

Agnost: Bevraagd te worden.

Mystica: Wat is de leegte bevragen?

Agnost: De waarheid beminnen.

Mystica: De leegte beminnen is de waarheid bevragen, zei je toch?

Agnost: Dat komt op hetzelfde neer.

Mystica: Nou weet ik het helemaal niet meer.

Agnost: Dat komt op hetzelfde neer.

-101-

De mystiek van alledag, of het wonder van het water

‘Waar niets meer vanzelfsprekend is, begint de mystiek. Waar vanzelfsprekendheid heerst, eindigt de mystiek. Verwondering is de wortel van de mystiek.’ Het wonder van water; correspondentie over alledaagse mystiek en het mysterie van het bestaan.

Geen woord meer

O, dat is, dat is…
geen woord meer… de bloeiende
Yoshinobergen!

(Teishitsu in Haiku, Een jonge maan, J. van Tooren, 1983, p117)

Is de werkelijkheid al niet diep genoeg?

Beste Hans,

Zou jij jezelf een mysticus noemen?

Beste Vera,

Wat versta jij onder een mysticus?

Vera: Iemand die een ervaring heeft gehad.

Hans: Dan is iedereen een mysticus.

Vera: Ik bedoel een diepe ervaring. Exaltatie, extase, heelheidsbeleving, geestesvervoering, trance, zielsverrukking, ananda, jhana, moksha, samadhi, epectase, de unio mystica, henosis, unitus, collectus, kensho, satori.

Hans: Kirin, Asahi, Yebisu, Singha, Tsingtao.*

* Aziatische biermerken.

Vera: Ik doel op een rechtstreekse ervaring van een diepere werkelijkheid.

Hans: Wat zeg je me daar? Een diepere werkelijkheid? Is die er dan? Ik bedoel, mijn God. Is de werkelijkheid al niet diep genoeg? Nog dieper? Onvoorstelbaar. Hoe zou het onvoorstelbare nog onvoorstelbaarder kunnen zijn dan het al is? Ik kan het me gewoon niet voorstellen.

Tenzij ‘de diepere werkelijkheid’ zelf een voorstelling is. Van de geest of een ander projectieapparaat, ik zeg maar wat. Of is de geest ook zo’n voorstelling, en zo ja, waarvan? Of is onvoorstelbaarheid zelf een voorstelling, en zo ja, voor wie?

Een diepere werkelijkheid. Mara bewaar me. Of was het nou Maria? Maar wacht eens even … Heb jij soms een rechtstreekse ervaring gehad van een ondiepere werkelijkheid? Of van dé ondiepere werkelijkheid, voor het geval er maar één mocht zijn?

Dat zou ik ook weleens willen meemaken, zeg. Wat heb je daarvoor gedaan? Hoe lang heb je geoefend? Hoeveel retraites heb je gevolgd? Heb je ook geloftes afgelegd, je hoofdhaar afgeschoren, je geslacht laten besnijden, of wat?

Kost alles bij elkaar een lieve duit, wed ik. Zou het ook voor mij zijn weggelegd of is zoiets voorbehouden aan leden en uitverkorenen?

Kennismaken of kennisbreken?

Vera: Bedoel je dat deze werkelijkheid al de diepere werkelijkheid is? In de zin van ‘Alleen maar Dit’ (neo-advaita) of ‘Ik ben Dat’ (‘tat tvam asi’)?

Hans: Ben jij Ditman, ben ik Datman. Zijn we samen dit en dat, man.

Vera: Of ‘Vorm is leegte’ (zen), of ‘Ik ben die ik ben’ (Ehje asjer ehje, Exodus 3:14), of ‘God is dit’ (pantheïsme), of ‘God is ook dit’ (panentheïsme)?

Hans: Aha, een meerkeuzevraag. Doorhalen wat niet van toepassing is. Alles dan maar, wat maakt het uit. Of niets, als het toch niet uitmaakt.

Maar eigenlijk bedoelde ik: is de werkelijkheid al niet diep genoeg? En als ik je goed begrijp, is de werkelijkheid inderdaad niet diep genoeg. Niet voor de aanstaande mysticus tenminste. In dat geval ben ik beslist voor de volle honderd procent geen mysticus, laat staan een aanstaande.

Daar staat tegenover dat ik een massa rechtstreekse ervaringen heb van de onmetelijke diepte van wat nu plotseling een of de oppervlakkige werkelijkheid lijkt te zijn. Die zich keer op keer aan mij komt voorstellen als onvoorstelbaar. Heeft ze zich aan jou nog niet voorgesteld? Onvoorstelbaar.

Heb ik me eigenlijk al aan jou voorgesteld? Kennismaken gaat helaas niet omdat ik geen kennis kan maken. Kennisbreken gaat me heel wat beter af, maar daar maak je ook geen vrienden mee.

Ik kan je wel verklappen dat ik deel uitmaak van voornoemde onvoorstelbaarheid, die daardoor zelf op klappen staat. Vraag me dus maar niet wie ik ben, wat ik ben, of ik ben, waar ik ophoud en jij begint, waar jij ophoudt en de wereld begint, of ik een vrije wil heb of hij mij en zo verder en zo voort, want ik sta toch al voor joker.

Alles is in mist gehuld, ik kan werkelijk niets meer onderscheiden, of niets werkelijk meer, of niets werkelijks meer, en niets onwerkelijks natuurlijk, behalve mist misschien, of moet ik mijn bril weer eens poetsen.

Wat niet per se betekent dat alles één is: subject, object, schepper, schepping, leegte, vorm, doek, film; kippen, koppen, goden, geiten, boeken, boeddha’s, dominees, cabaretiers, integralen, differentialen, petjes, pijtjes, slabbetjes, slipjes – de hele kledingzooi, zoals monistische missionarissen van allerlei pluimage momenteel massaal van de daken kukelen, ’t is wat.

Ziehier mijn rechtstreekse ervaring van wat volgens jou alleen maar de oppervlakkige werkelijkheid is:

Ik kan mijn ogen niet geloven!
Ik kan mijn oren niet geloven!
Ik kan mijn neus niet geloven!
Ik kan mijn tong niet geloven!
Ik kan mijn gevoel niet geloven!
Ik kan mijn gedachten niet geloven!
Ik kan mijn geest niet geloven!
Ik kan mijn lichaam niet geloven!
Ik kan mijn hart niet geloven!
Ik kan mezelf niet geloven!
Ik kan mijn medemens niet geloven!
Ik kan mijn wereld niet geloven!
Ik kan mijn God niet geloven!
Ik kan mijn ongeloof niet geloven!

Geloof je dat?

De wortel van de mystiek is Groot Ongeloof

Vera: Wat heeft dit met mystiek te maken?

Hans: Waar niets vanzelfsprekend is, begint de mystiek. Waar vanzelfsprekendheid heerst, eindigt de mystiek. Verwondering is de wortel van de mystiek.

De wortel van de mystiek is Groot Ongeloof. Groot Ongeloof is de kathedraal van niet-weten. De kathedraal van niet-weten is een zwart gat waarin al je denkbeelden verdwijnen. Wie in niet-weten verblijft, noem ik een agnost. Agnose is een ander woord voor mystiek.

Terugkeren naar je mystieke roots kan niet zonder denkbeeldenstorm. Zelfbeelden, mensbeelden, godsbeelden, boeddhabeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden, angstbeelden, lichaamsbeelden, wereldbeelden – het zijn evenzovele beverdammen in een vrij stromende realiteit. Onveranderlijkheden die tevergeefs een veranderlijk heden simuleren.
Monolieten waarop alle mystiek te hoop loopt. Poortloze-poortwachters die je weghouden uit Verwonderland.

Of laat ik het zo zeggen: je denk-beelden moeten weer denkbeelden worden, efemeer als het leven zelf. Hoe minder denk-beelden, hoe meer denkbeelden. Hoe meer denkbeelden, hoe flexibeler je geest. Hoe flexibeler je geest, hoe ongrijpbaarder je gedachten, ook voor jezelf. Hoe ongrijpbaarder je gedachten, hoe ongrijpbaarder jijzelf, de ander, de dingen, God. Zo wordt alles vanzelf weer geheimzinnig, ondoorgrondelijk, onbeheersbaar. Wat het al die tijd is geweest.

Groot Ongeloof is als een ruwe diamant, ongeslepen, vrij van filosofische, religieuze, spirituele, psychologische, theologische en ideologische facetten. Je kan er nog alle kanten mee op. Als een blok marmer voordat de beeldhouwer erop inhakt en het zijn wil oplegt. Ik noem het oermystiek.

Wat zeg ik nou toch allemaal? ‘Denk-beelden moeten weer denkbeelden worden.’ Hoe kom je erop. Waarom dan wel? Hoe dan wel? Heb je daar iets over te zeggen dan? Maken denk-beelden soms geen deel uit van de vrij stromende realiteit? Is de vrij stromende realiteit zelf soms geen denk-beeld? Wacht maar tot je levend begraven wordt, dan zul je eens zien hoe vrij de realiteit stroomt.

Groot Ongeloof, geloof het maar niet. In naam der Oermystiek: weg ermee. En weg ook met de oermystiek. En weg ook met het weg ermee.

Laat het denken maar denken.

denk-beeld: idee waaraan niet te tornen valt.

denkbeeldenstorm: omverwerpen van vastomlijnde ideeën en waarden.

oermystiek: kinderlijke verwondering over het bestaan.

Groot Ongeloof: het onvermogen om heilig in je eigen gedachten en begrippen te geloven, welke dan ook.

Het diepste geheim van de kosmos is de kosmos

Vera: Begrijp ik het goed dat jij de werkelijkheid ervaart als een ‘mysterium tremendum et fascinosum’?

Hans: Vroeg de jonge vader aan zijn brullende baby.

Vera: Die term is van Rudolf Otto. Ik had eigenlijk ‘goddelijk’ of ‘God’ willen zeggen.

Hans: God lijkt mij niet zozeer het ‘mysterium tremendum et fascinosum’ zelf als wel de invulling en oplossing ervan. Opgevat als een naam of het naamloze of een wezen of een bewustzijn of een zijn of een bovenzijnde of een macht of een kracht of een deugd of een pracht of een principe of een leegte of vul maar in en hol maar uit.

Door het God te noemen, wordt het meteen een stuk minder mysterieus, ontzagwekkend en fascinerend. Het mysterium tremendum et fascinosum is zelf al een invulling, met een dito ontraadselend effect. Maar waarvan?

Vera: Ik zie het verschil tussen jou en Der Rudolf niet zo.

Hans: Bij Otto is het mysterium tremendum et fascinosum een verwijzing naar het ongrijpbare, het numineuze, het heilige, het goddelijke, het andere, het onbereikbare.

Het mysterie dat mij fascineert en doet beven is daarentegen helemaal niet ver weg maar juist dichtbij, onder mij, voor mij, achter mij, links van mij, rechts van mij, door mij en in mij en in jou en als jou en hier en nu.

Het is een kaarsvlam die mij fascineert en doet beven.
Het is mijn verbeelding die mij fascineert en doet beven.
Het is mijn woede die mij fascineert en doet beven.
Het is mijn kanker die mij fascineert en doet beven.
Het is de dood die mij fascineert en doet beven.
Het is de buurvrouw die mij fascineert en doet beven.
Het is mijn stijve die mij fascineert en doet beven.
Het is een briesend paard dat mij fascineert en doet beven.
Het is een vlieg die mij fascineert en doet beven.
Het zijn bloed en water, spuug en plas, kak en as die mij fascineren en doen beven.
Het zijn woorden die mij fascineren en doen beven.
Het zijn fascinatie en angst die mij fascineren en doen beven.

Vera: Klinkt niet direct als het mysterie Gods.

Hans: Als je een mystieke ervaring definieert als een rechtstreeks ervaring van het mysterie Gods in zijn goddelijke hoedanigheid dan heb ik nog nooit een mystieke ervaring gehad. Als je een mystieke ervaring definieert als een rechtstreekse ervaring van het mysterieuze karakter van wat dan ook, dan zijn al mijn ervaringen zo mystiek als maar kan.

Vera: In de godsmystiek draait het om God, in de bruidsmystiek, liefdesmystiek, minnemystiek om Christus, in de soefimystiek om de Vriend, in het chassidisme om JWHW, in zen om de Boeddhanatuur of het Ware Zelf, in de advaita vedanta om Atman, in het taoïsme om de Tao. Ik bedoel maar.

Hans: In de getallenmystiek draait het om cijfers, in de kwantummystiek om deeltjes en in de natuurmystiek om landschappen, bomen, zonsondergangen. Is het gewone te gewoon voor je om bijzonder te kunnen zijn?

De mystiek van alledag

Vera: Hoe zou je jouw mystiek noemen als je het geen oermystiek mocht noemen?

Hans: Ik zou het denk ik niet-weten noemen, of krijg-nou-wat, of verhip.

Vera: Verhip.

Hans: Doe dan maar agnose, of zei ik dat al? Of anders de mystiek van alledag. Helaas is dat geen gangbare uitdrukking. In de veertiende editie van de Dikke Van Dale trof ik wel het woord ‘bestaansmystiek’ aan. Helaas is dat ook geen gangbare uitdrukking. Ik kan het in de Wikipedia en op het internet tenminste nergens terugvinden. Het woordenboek definieert het als ‘een mystiek aspect van de dingen, waardoor zij tegelijk ‘‘volkomen open en volkomen toegesloten zijn’’ (A. Roland Holst).’ Mooi hè?

Vera: Wat dacht je van totaalmystiek?

Hans: Dekt de lading, maar klinkt alsof je de oorlog verklaart. Heb je weleens van de mystieke roos gehoord?

Vera: Voor katholieken is dat de Heilige Maagd Maria, voor gnostici het diepste geheim van de kosmos.

Hans: Wat is volgens jou het diepste geheim van de kosmos?

Vera: Nou?

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt. Zoveel zielen, zoveel antwoorden.

Vera: Als je het jou vraagt?

Hans: Als je het mij vraagt is het diepste geheim van de kosmos de kosmos. In zijn geheel, niets uitgezonderd. Voor mij zijn niet alleen God, Jezus, Allah, de Vriend, JWHW, Atman, de Boeddhanatuur, het Ware zelf, getallen, de kleinste deeltjes en de natuur mysterieus, geheimzinnig, raadselachtig, ondoorgrondelijk, ontzagwekkend, maar het hele bestaan met alles erop en eraan.

Niet alleen de appel, niet alleen de val van de appel, niet alleen de zwaartekracht, niet alleen de theorie van de zwaartekracht, niet alleen de natuurkunde, niet alleen de natuurkundige, niet alleen de natuur. Het bestaan zelf is de mystieke roos.

Daarom hoef ik de mystieke roos nergens te zoeken en kan ik hem nooit kwijtraken. Ik ken dit geheim der geheimen niet, behalve als geheim, en ik koester het als geheim, als dat is wat het is, want zelfs dat is geheim.

Daarom hoef ik het niet te ontdekken, aan niemand te ontfutselen, voor niemand verborgen te houden, voor niemand te bewaren en aan niemand te onthullen. Kan het eenvoudiger?

Het geheim van alles is dus een geheim van niks, of misschien wel hét geheim van niks, want waarin zou het ene geheim van niks moeten verschillen van het andere?

Een leeg geheim
Een leeg geheim
Hoe kan ik daar
Zo vol van zijn!

Man, ik kan wel zingen, dansen, springen –

Zo niet als God
Dan wel als zot
Die uit ontzag
Met alles spot

Maar zeg eens, wat is jouw geheim?

mystieke ervaring: 1. rechtstreekse ervaring van het mysterie Gods; 2. rechtstreekse ervaring van het mysterie van wat dan ook.

mystiek van alledag, bestaansmystiek: diepe verwondering over het ‘gewone’.

Rare dingen aan het uiteinde van andere rare dingen

Vera: Volgens de literatuur is een mystieke ervaring een rechtstreekse ervaring van het mysterie Gods.

Hans: Nou, het kan best zijn dat er achter het waarneembare mysterie van de dingen een ander, dieper mysterie schuilgaat, bijvoorbeeld het mysterie Gods, maar dat heeft zich dan nog niet als zodanig aan mij kenbaar gemaakt.

Voor mij is het concrete, ik bedoel daarmee wezens, dingen, gedachten, gevoelens en zo, zelf ondoorgrondelijk, onuitputtelijk, onbevattelijk, mysterieus – mystiek. Zo niet op het eerste gezicht dan toch bij nader inzien.

Het onbekende mag dan wel tot bekendheid neigen, het bekende neigt net zo goed tot onbekendheid, zoals een woord na een aantal herhalingen vanzelf zijn betekenis verliest, je lichaam zich ineens van een nieuwe kant laat zien of de persoon in de spiegel of een vriend of je lief ineens een vreemde (b)lijkt.

Zelfs het overbekende wekt in mij telkens weer een gevoel van bevreemding op. Zo kijk ik al mijn hele leven als een baby in de wieg naar de spontane bewegingen van mijn handen – die rare dingen aan het uiteinde van andere rare dingen die ik de mijne heb leren noemen.

Vera: Maar is het niet juist het ongrijpbare, het numineuze, het heilige, het goddelijke dat voortdurend door de kieren van het concrete piept?

Hans: Voor gepiep moet je bij de Oppermuis wezen.

Vera: Maar serieus.

Hans: Misschien ben ik bevooroordeeld, maar op mij komt ‘het ongrijpbare’, ‘het numineuze’, het ‘heilige’, ‘het goddelijke’ in de zin van de ongeschapen Schepper waar Rudolf Otto op doelt, over als een verklaring achteraf. Een concept, een constructie, een eufemisme, om niet te zeggen een opgedirkt verhaaltje in een opgeblazen taaltje.

Mijn achterdocht mag onterecht zijn, hij komt heus niet uit de lucht vallen. Hoeveel tetterende theologen, wauwelende wijzen en naamloze napraters heb ik al niet moeten aanhoren sinds ik van de moederkoek gescheiden werd; hoeveel meer sinds ik op eigen woorden kwam te staan?

Nergens zijn ze het over eens, maar allemaal staan ze te trappelen om je de weg te wijzen uit de gevangenis die ze je net zelf hebben aangepraat. En altijd uit compassie, altruïsme, naastenliefde, waarheidsliefde en de pure goedheid van hun hart.

Hun uitlegkunde riekt naar inlegkunde, oplegkunde, aflegkunde. Van de goeden niets dan doods. Let maar eens op: elke ‘eh … hè?-erlebnis’, iedere spontane, pre-analytische ‘wauw!’ of ‘wát?’ jouwerzijds wordt moeiteloos ingepast in hun synthetische scholastieke schema’s.

Alles wat niet past wordt alchemistisch omgevormd in het klatergoud van ‘de Waarheid voorbij de woorden’, ‘het Numineuze’, ‘het Heilige’, ‘het Goddelijke’, ‘de Drie-eenheid’, ‘de Vier-eenheid’, ‘de Tao’, ‘de Bron’, ‘Bewustzijn’, de ‘Boeddhanatuur’, ‘het Zelf’, ‘Zijn’, ‘de Non-dualiteit’, het Absolute, de Eeuwige Wijsheid, de Gezegende, Zijne Heiligheid, Hare Krishna. En dan de rest van je leven op je knieën liggen natuurlijk. Zalig zijn de stratenmakers.

Ik ben een gat waar alles in en uit kan

Vera: En jij dan?

Hans:

’k Ben geen Godman
’k Ben geen Zelfman
’k Ben geen Atman
’k Ben een gatman

’k Ben een gat waar
Alles in kan
Alles uit kan
In en uit, man

Vera: ’k Ben een wát, man?

Hans: Ik ben een wátman.

Vera: Wat voor gat dan?

Hans: Jij bent natman, zei de badman.

Vera: Wat voor gat, man, wat voor gat dan?

Hans: Ik ben zatman, ladderzatman. Zat van niks, man, van mijn gat, dan.

Vera: ’k Vroeg je wat, man, wat voor gat dan?

Hans: Het gat waarin mijn weten is neergestort en mijn niet-weten is opgelost.

Vera: Ontstellend, dit.

Hans: Weet je wat ik ontstellend vindt?

Vera: Nou?

Hans: Dat ik er bén. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat ik belichaamd ben. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Zien, eten, lezen, praten, lachen, zoenen, bloeden, slapen. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat er behalve mij talloze andere dingen en wezens zijn. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat er talloze dingen en wezens van vroeger niet meer zijn. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat er talloze dingen en wezens van later nog niet zijn. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat de talloze dingen en wezens die er ook hadden kunnen zijn, er niet zijn en misschien nooit zullen zijn, behalve in mijn verbeelding, als dat is wat het is, en in mijn dromen, als dat is wat ze zijn. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat al deze gedachten verbeelding zijn, als dat is wat ze zijn. Dat zelfs mijn kop verbeelding is, als dat is wat het is. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Deze hartverscheurende, hersenschuddende, met stomheid slaande ontsteltenis wilde en wil niet van mijn zijde wijken, en ik niet meer van de hare. Zij is mijn uit- en overlaat. Alle woorden, stellingen, oordelen, theorieën, verklaringen, interpretaties, duidingen, verhalen, gedachten verdwijnen in haar zwarte gat. Deze ook.

Lang heb ik me verzet, tot ik niet meer kon, tot er iets brak, of doorbrak, of openbrak, of uitbrak, weet ik veel. Nu is de nagloed uit dat gat het dwaallicht waarop ik mij oriënteer. Het spotlicht dat mij overal volgt, opdat ik om mezelf blijf lachen. Het nachtlicht dat mij ondanks alles geruststelt.

Vera: jij liever dan ik.

Hans: Alles went, al blijft het onbekend. Het gewone mag dan hoogst ongewoon zijn, het ongewone is nu de gewoonste zaak van de wereld.

Agnose is toch een soort thuiskomen, al is het dan in den vreemde, dat daarmee eigen wordt zonder een jota aan eigenaardigheid in te boeten.

Het Fremdkörper is ingelijfd, het wezensvreemde blijkt mijn wezen te wezen. De xenofoob is xenoloog geworden, xenofiel, xenomaan.

Vera: Waarheen wijst de vinger van de xenomaan?

Hans: Naar hemzelf, zijn laatste waan. Uit zijn ogen schijnt mijn duisternis.

xenofoob: iemand die bang is voor de vreemdheid van het schijnbaar bekende.

xenoloog: iemand die de vreemdheid van het schijnbaar bekende onderzoekt.

xenofiel: iemand die de vreemdheid van het schijnbaar bekende omarmt.

xenomaan: iemand die door de vreemdheid van het schijnbaar bekende is geobsedeerd.

Xenos is Grieks voor ‘vreemd’; hier duidt het specifiek op de verborgen vreemdheid van al het schijnbaar bekende.

Hoe wonderlijk, hoe wonderlijk, hoe wonderlijk gewoon

Vera: Wat zijn nou precies jouw mystieke ervaringen? Of wat maakt jouw ervaringen precies mystiek?

Hans: Ik heb geen mystieke ervaringen. Ik heb ook geen gewone ervaringen. Al mijn ervaringen zijn gewoon wonderlijk. Al mijn ervaringen zijn wonderlijk gewoon. Ze zijn doordrenkt van niet-weten, dat is alles. Zo klinkt het lied van de agnost:

Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

bis

Het is dus niet zo dat ik ooit, jaren of decennia geleden, een diepe ervaring heb gehad waar ik nog steeds op teer.

Het is niet zo dat ik af en toe diepe ervaringen heb op een meditatiekussen of in een kerkbank of in de natuur die mij obsederen en van waaruit ik probeer te leven.

Het is niet zo dat ik uren per dag ‘in eenheid verblijf’, zoals een fanatieke meditator uit Vlaanderen mij ooit verzekerde – en er dan nondeju ‘toch steeds weer uitval’.

Ik val nergens in of uit, niet dat ik weet.

Jij?

God is al net zo’n raadsel als jij en ik

Vera: En God dan?

Hans: God is mij een raadsel. Jij bent mij een raadsel. Ik ben mij een raadsel. Het zelf is mij een raadsel. Alles is mij een raadsel.

Zijn God, jij, ikzelf, het zelf en alles hetzelfde raadsel of verschillende raadsels? Is alles raadselachtig of ben ik het die alles raadselachtig maakt? Is er wel een raadsel? Is er wel een alles? Is er wel een mij? Is er wel een jij? Is er wel een zelf? Is er wel een God?

Voor mij is het één groot mysterie.

Vera: Kan iemand die zich afvraagt of er wel een God is wel een mysticus zijn?

Hans: Ik heb geen rechtstreekse ervaringen van God zelf. Ik ben dus beslist geen mysticus. In ieder geval behoor ik niet tot de mystici die al weten wat het onbegrijpelijke is dat ze ervaren en die al weten hoe ze het moeten benoemen, benaderen en bejegenen.

Tijdens mijn doorlopende ervaringen van de onbekendheid van het bekende heeft het onbekende nooit ofte nimmer zijn of haar identiteit prijsgegeven.

Ik ken het niet, zelfs niet als het onbekende of het onbepaalde of het ondoorgrondelijke of het geheimzinnige of het mysterie of het verborgene of het mystieke of het wezenloze of het identiteitsloze.

Laat staan als god of duivel of geest of zelf of principe of iets of niets of kwaliteit of natuur of aspect of illusie of idee of wat dan ook.

Ik ken het niet en ik weet niet of er wat te kennen valt, ook niet dat er niets te kennen valt.

Mij is niets geopenbaard, of dat moest de openbaring zijn. Mystieker kan niet, in de oorspronkelijke zin van het woord. Ik ben dus beslist een mysticus.

Vera: Mag ik aannemen dat die diep doorleefde ervaring van het ongewone van het gewone de grondslag is van jouw bestaansmystiek, zoals de diep doorleefde ervaring van het numineuze de grondslag is van de godsmystiek?

Hans: Aannemen is voor aannemers. Daar komen alleen maar gebouwen van. Niet-weten heeft geen grondslag. Niet-weten is een kaakslag, een bijlslag, een zweepslag, een aanslag, een inslag, een nekslag, een donderslag bij wijze van hemel.

Doodslag, kaalslag, hagelslag, wat het ook is, in ieder geval geen filosofie of anti-filosofie, geen leer en geen anti-leer. Wat valt er dan te funderen? Agnose betekent alleen maar dat je het allemaal niet meer weet en allemaal niet meer hoeft te weten. Bij wijze van spreken natuurlijk, zoals alles wat ik zeg, want letterlijk genomen is het lulliaanse kul. Dit ook.

Vera: Maar bestaansmystieke ervaringen zijn toch een bevestiging van niet-weten, zoals godsmystieke ervaringen een bevestiging zijn van het bestaan van God of Atman of het Zelf?

Hans: Wat valt er in Nescio’s naam te bevestigen aan niet-weten? Ik wil best toegeven dat mijn chronische bevreemding congruent is met niet-weten. Maar mijn bevreemding heeft het een halve eeuw uitgezongen zonder niet-weten, en niet-weten beroept zich nooit ofte nimmer op mijn bevreemding of op wat dan ook.

Vera: Is er dan geen enkel verband?

Hans: Laat ik het zo zeggen: mijn bevreemding, die niets bewijst of bevestigt, heeft uiteindelijk, zeer tegen mijn zin, beslag gekregen in een radicaal niet-weten, dat niets beweert of ontkent.

Duizendmaal liever had ik mijn verbijstering verbrijzeld op een van de monolithische waarheden, waarden, werkelijkheden, wijsheden waarin de geest grossiert. Joost weet hoe hard ik ernaar heb gezocht.

Een rots in de branding wou ik vinden.
Een rots in de branding wou ik scheppen.
Een rots in de branding wou ik worden.
Een drenkeling is wat ik werd.
Een drenkeling zonder vlot of gebod.
Drijvend in de zee van niet-weten –

Een île flottant
De zee een hand

Ben ik daar nou al die tijd zo bang voor geweest?

Verhalen over wonderen zijn wonderen

Vera: Nog één vraagje. Geloof jij in mirakels zoals de wonderen van Jezus en de zes bovennatuurlijke krachten van boeddha’s? Op het water lopen, broodvermenigvuldiging, levitatie, telepathie?

Hans: Nou en of.

Vera: Echt waar?

Hans: Jezus op het water is misschien maar een verhaal, misschien een historisch feit. Als feit zou het een wonder zijn, maar als verháál net zo goed.

En wat te denken van jezelf in het water, water in jezelf, water, jezelf, mensen, mieren, meren, rivieren, oceanen, wolken, regen, sneeuw, hagel?

Vijfduizend mensen voeden met vijf broden is misschien maar een verhaal, misschien een feit. Als feit zou het een wonder zijn, maar als verháál net zo goed.

En wat te denken van vijfduizend mensen, vijf broden, deeg, het kneden van het deeg, knedende handen, meel, maalstenen, dorsvlegels, sikkels, ijzer, erts, bomen, hout, graan, grond, zon?

Levitatie is misschien maar een verhaal, misschien een feit. Als feit zou het een wonder zijn, maar als verháál net zo goed.

En wat te denken van vlinders, vogels, ballonnen, vliegtuigen, parachutisten, astronauten, de aardbol die in de ruimte zweeft, de maan die om de aarde draait, de zwaartekracht, de ruimte, de melkweg?

Telepathie is misschien maar een verhaal, misschien een feit. Als feit zou het een wonder zijn, maar als verháál net zo goed.

En wat te denken van empathie, sympathie, antipathie, apathie, homeopathie, neuropathie en encefalopathie?

Wat te denken van telegrafie, telefonie, televisie, telescopie, telemetrie, telematica, teleseks, teleshoppen, telebankieren?

Voor de mysticus van alledag is alles miraculeus, of het nou een mirakel wordt genoemd of niet.

Is alles miraculeus dan is alles middelmatig.

Als je mystieke roos de hele kosmos behelst, zijn de wonderen van Jezus en de bovennatuurlijke krachten van boeddha’s een bagatel.

Als je mystieke roos de hele kosmos behelst, is een paperclip al een wonder.

Het wonder van de woorden

O, dat is, dat was…
Het wonder van de woorden –
Een spraakwaterval!

-102-

Opklaringen in de wolk van niet-weten

X: God benader je via de wolk van niet-weten.

H: Heb je dat ondervonden of gelezen?

X: Gelezen.

H: Dus eigenlijk weet je het niet.

X: Eigenlijk niet.

H: Behoort de benaderingswijze van God soms niet tot de wolk van niet-weten?

X: Daar had ik nog niet bij stil gestaan.

H: Waar is de wolk van niet-weten?

X: Ik zou het ook niet weten.

H: Ben jij het die God vindt in de wolk van niet-weten, of is het God die jou vindt in de wolk van niet-weten, of vinden jullie elkaar in de wolk van niet-weten, of wat?

X: Het schijnt dat God jou vindt in de wolk van niet-weten.

H: Zou het niet eerder een kwestie zijn van verliezen in de wolk van niet-weten dan van vinden in de wolk van niet-weten?

X: Wat verliezen in de wolk van niet-weten?

H: God verliezen in de wolk van niet-weten. Jezelf verliezen in de wolk van niet-weten. Al je denkbeelden verliezen in de wolk van niet-weten. Het verliezen verliezen in de wolk van niet-weten.

X: Daar is het een wolk van niet-weten voor, wou je zeggen.

H: Is er wel een wolk van niet-weten, zou ik zeggen.

X: Niet in de wolk van niet-weten, zou je zeggen.

H: Of zitten we er al middenin?

X: Is er dan helemaal niets over God te zeggen?

H: Sommigen schijnen Zijn naam te weten.

X: Is er dan helemaal niets over te zeggen?

H: Waarover?

X: Is er dan helemaal niets te zeggen?

H: Wie zal het zeggen.

X: Dan weet ik het ook niet meer.

H: Dan weet ik het ook niet meer.

X: …

H: God, wat ben je stil.

‘Wees jij nu maar blind, en geef alle verlangen om het te begrijpen op, want dit zou je meer hinderen dan helpen.’

(De Wolk van niet-weten, Sint-Adelbertabdij, Egmond, 1994; vertaling van The cloud of unknowing, auteur onbekend, circa 1380, hoofdstuk 34, pagina 102).

-103-

Niet-weten is geen quiëtisme

Het quiëtisme is een mystieke beweging die passiviteit, gelatenheid, zwijgzaamheid, meditatie, niet-denken, niet-willen, niet-weten, onthechting en overgave predikt met als oogmerk gemoedsrust, zaligheid, volmaaktheid of de eenwording met God.

Quiëtisme is van alle tijden en plaatsen.

We vinden het onder meer in de vorm van het boeddhistische streven naar nirwana (uitdoving), in de meditatievorm shikantaza (alleen maar zitten) van sotozen, in het woordloos biddend navelstaren van de hesichasten, in het doende niet-doen van de taoïsten, in de Griekse idealen van apatheia en ataraxia en in het indifferentisme (de onverschilligheid ten aanzien van de eigen zaligheid) van Meister Eckhart.

Wie niet weet kent als gevolg van zijn agnose misschien een zekere of onzekere gemoedsrust, maar streeft er niet naar en predikt niets.

Behalve, bij wijze van tijdverdrijf, de lege leer, die toch niet bestaat en daarom rustig gepredikt kan worden zonder meteen een predikant voor het leven te zijn, of een predikant tegen het leven.

Passiviteit of activiteit, gelatenheid of verzet, zwijgzaamheid of spraakzaamheid, denken of mediteren, doen of laten, hechten of onthechten, het is de agnost allemaal om het even.

Mocht het hem onverwacht toch een keertje uitmaken dan is dát hem om het even, et cetera.

Niet-weten is geen quiëtisme, en dat vind ik wel zo rustig.

-104-

Omdat puntje puntje puntje niet-noemen is

X: Waarom kan ik God niet vinden?

H: Omdat God niet-vinden is?

X: Waarom spreekt Hij niet tegen mij?

H: Omdat God niet-spreken is?

X: Waarom weet ik niet wie Hij is?

H: Omdat God niet-weten is?

X: Als God niet-vinden, niet-spreken en niet-weten is, waarom noemen we Hem dan nog God?

H: Hem?

X: Het?

H: Substantialist.

X: Leegte?

H: Boeddhist.

X: Het oerprincipe?

H: Taoïst.

X: De matrix?

H: Non-dualist.

X: Bewustzijn?

H: Idealist.

X: Het ene?

H: Monist.

X: Energie?

H: Materialist.

X: Intelligentie?

H: Nieuwetijdskind.

X: Puntje puntje puntje dan maar?

H: Vooruit dan maar.

X: Waarom noemen wij puntje puntje puntje nog God?

H: God?

X: Waarom noemen wij puntje puntje puntje nog puntje puntje puntje?

H: Wij?

X: Waarom noemt puntje puntje puntje, puntje puntje puntje nog puntje puntje puntje?

H: Omdat puntje puntje puntje niet noemen is?

-105-

Steeds dieper in de afgrond zinken – de weg der geleidelijkheid

H: Wat is de weg naar God?

X: Steeds dieper in de afgrond van je ziel zinken tot al het geroezemoes verstomd is en in de stilte eindelijk het Woord Gods verstaanbaar wordt.

H: Jij zegt het.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Steeds dieper in de afgrond van je ziel zinken, tot al het geroezemoes verstomd is.

X: En het Woord Gods dan?

H: Dat is gewoon die stilte.

H: Wat is de weg naar God?

X: Steeds dieper in de afgrond van je ziel zinken tot al het geroezemoes verstomd is.

H: Jij zegt het.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Steeds dieper in de afgrond van je ziel zinken.

X: En de stilte dan?

H: Dat is gewoon het geroezemoes.

H: Wat is de weg naar God?

X: Steeds dieper in de afgrond van je ziel zinken.

H: Jij zegt het.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Steeds dieper in de afgrond zinken.

X: En je ziel dan?

H: Dat is gewoon die afgrond.

H: Wat is de weg naar God?

X: Steeds dieper in de afgrond zinken.

H: Jij zegt het.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Tja.

X: En die afgrond dan?

H: Dat komt op hetzelfde neer.

H: Wat is de weg naar God?

X: Tja.

H: Jij zegt het.

X: Wat zou jij zeggen?

H: …

X: En God dan?

H: Dat komt op hetzelfde neer.

H: …

X: …

H: …

X: …

H: …

X: …

H: …

-106-

God zwijgt in de mislukking van ons denken

X: God spreekt in de mislukking van het denken.

H: Hier spreekt nog steeds het denken.

X: Het was anders een uitspraak van de grote Duitse filosoof Immanuel Kant.

H: Kant sprak over de mislukking van zijn denken.

X: Wat zou jij zeggen?

H: God zwijgt in de mislukking van ons denken.

X: God zwijgt in de mislukking van ons denken?

H: En dat is ons geluk.

-107-

Over God raak je nooit uitgesproken

X: God spreekt…

H: Wat?

X: Ik was nog niet klaar.

H: O.

X: God spreekt in de mislukking van het denken.

H: Over God.

X: Wat?

H: Je was nog niet klaar.

X: God spreekt in de mislukking van het denken over God?

H: Ik was nog niet klaar.

X: O.

H: God spreekt in de mislukking van het denken over ‘God spreekt in de mislukking van het denken over God.’

X: Goeiendag.

H: Ik was nog niet klaar.

X: Pardon.

H: God spreekt in de mislukking van het denken over ‘God spreekt in de mislukking van het denken over ‘God spreekt in de mislukking van het denken over God’.’

X: Jij kan er anders ook wat van.

H: Ik was nog niet klaar.

X: Schei uit.

H: Ik ben nog niet eens begonnen.

X: Hoe is het mogelijk.

H: Over God raak je nooit uitgesproken.

-108-

De wolk van niet-weten – een goddelijk lege mystiek

Briefwisseling over de verschillen tussen een mystiek niet-weten en een radicaal niet-weten, een relatief niet-weten en een absoluut niet-weten, een instrumenteel niet-weten en een accidenteel niet-weten, een goddelijke mystiek en een lege mystiek, Ø.

Beste Hans,

In paragraaf 3 van hoofdstuk I van het traktaatje Over mystieke theologie zegt Pseudo-Dionysius de Areopagiet:

‘En dan bevrijdt hij zich ook daarvan, van de dingen die gezien worden en van degenen die zien, en gaat hij het duister van de kennisloosheid in, het werkelijk mystieke, waar hij zijn kennend grijpen laat zwijgen, en belandt hij in het volledig onaanraakbare en onzichtbare, wanneer hij geheel en al behoort aan degene die aan alles voorbij is, en aan niets, niet aan zichzelf en niet aan iets anders, en wanneer hij zich met het volledig onkenbare door de onwerkzaamheid van al zijn kennen op de hoogste wijze vereent en door niets te kennen boven geest kent.’

En een stukje verderop:

‘In dat duister, dat meer dan licht is, te belanden, daarom bidden wij, en om door blikloosheid en kennisloosheid te zien en te kennen wat boven aanschouwing is en boven kennis, juist door het niet zien en het niet kennen. Want dat is het werkelijk zien en kennen en het bezingen van degene die boven zijndheid is als boven zijndheid; door middel van wegneming van alles wat de zijnden toekomt, zoals degenen doen die een van nature aanwezig beeld tot stand brengen, wanneer ze al het belemmerende dat het zuiver aanschouwen van het verborgene in de weg staat wegnemen en door wegneming alleen de verborgen schoonheid laten verschijnen zoals die op zichzelf is.’

Op NietWeten.nl is duisternis een regelmatig terugkerende metafoor voor niet-weten. Zo noem je jezelf onder meer ‘een duisterling’ en ‘verduisterd’, en uitdrukkelijk niet verlicht. Doel je daarmee op hetzelfde als Dionysius de Areopagiet met ‘het duister dat meer dan licht is’? Wat is volgens jou het verschil tussen de duisternis van de mysticus en de duisternis van de agnost, of komen ze op hetzelfde neer?

Beste X,

De beeldspraak van de duisternis loopt als een, eh … zwarte draad door de geschiedenis van de christelijke mystiek en komt in meer of minder uitgewerkte vorm voor bij onder meer Gregorius van Nyssa, Pseudo-Dionysius de Areopagiet, Meister Eckhart en Johannes van het Kruis.

Simpel gezegd staat de duisternis bij hen voor een gezochte staat van begrippenloosheid, kennisloosheid, beeldloosheid ten aanzien van zelf en god, die ik hier maar even een mystiek niet-weten zal noemen; dit ter onderscheiding van een radicaal niet-weten, waarvan ik zelf slachtoffer ben en waaraan mijn website is gewijd.

In de mystieke opgang is niet-weten eerst een doel op zich, en vervolgens een middel tot het hoogste doel dat, afhankelijk van de mysticus, neerkomt op het schouwen van god, of, inniger, de vereniging met god of, voorbij schouwen en innigheid, de verening met, het opgaan in god. Het mystieke niet-weten is dus een instrumenteel niet-weten.

Daarmee hebben we meteen het belangrijkste verschil met mijn eigen niet-weten te pakken, dat voor mij nooit een doel op zich is geweest, en nooit een middel tot een hoger of het hoogste doel. Ik ben er geen moment op uit geweest tot niet-weten te komen, had er zelfs nog nooit van gehoord toen het me op een dag domweg overkwam.

Gewoontegetrouw naar strohalmen grijpend, viel ik pardoes in de dode zee van niet-weten, en daar dobber ik nog altijd rond. Het hoge zoutgehalte houdt mij drijvende. Niet-weten heeft mijn leven wel volledig op zijn kop gezet, maar daar is het me nooit om te doen geweest.

Het mijne is een ongezocht, onvoorzien en, in het begin, ongewenst niet-weten – een ongeluk of (bij nader inzien) een geluk bij een ongeluk, een subliem geval van serendipiteit. Om het te onderscheiden van het instrumentele niet-weten van de mysticus zal ik het hier maar even een accidenteel niet-weten noemen.

De christelijke mysticus gaat de duisternis dus aan en in met een reden: hij hoopt op die manier toegang te krijgen tot (in termen van Dionysius de Areopagiet) ‘de volmaakte en enige oorzaak van alles die boven alle bepaling is’, ‘de drieheid die meer dan zijndheid is en meer dan god en meer dan goed’.

Aangezien de god die de mysticus wil leren kennen boven alle bepaling is, laat hij zich niet kennen met de middelen waarmee we onszelf en de schepselen om ons heen leren kennen: de zintuigen, de rede en de verbeelding. Juist niet; om god te leren kennen moet de mysticus zich, als eerste benadering, van al zijn godsbeelden ontdoen, zintuiglijke zowel als rationele en fantastische. Daarna kan hij de onkenbare alleen nog maar van binnenuit leren kennen door zich zoveel mogelijk aan hem gelijk maken.

Hoe maakt de mysticus zich gelijk aan de god die boven alle bepaling is? Door zichzelf boven bepaling te stellen, in concreto door zich van alle zelfbeelden te ontdoen, net zoals hij zich van al zijn godsbeelden heeft ontdaan. Door zichzelf te ont-kennen, leert hij de onkenbare kennen als zichzelf. Laat ik hier maar meteen bekennen dat ik niet uit ervaring spreek; ik heb de onkenbare niet leren kennen als mijzelf, maar mezelf wel als onkenbaar.

Met deze beschrijving hebben we meteen het tweede verschil tussen een mystiek niet-weten en een radicaal niet-weten te pakken: het eerste is relatief in de zin van begrensd, ingebed in een context van kennis die niet ter discussie staat, het tweede absoluut in de zin van onbegrensd, zonder inbedding of context, zonder uitzondering.

Het relatieve niet-weten van de mysticus blijft immers beperkt tot het ik en de allerhoogste; hij hoeft zich ‘alleen maar’ te ontdoen van zijn zelfbeelden en godsbeelden. Alle andere denk-beelden in de beeldentuin van zijn geest, zoals mensbeelden, wereldbeelden en ideaalbeelden blijven in principe (en voor zover ik kan nagaan ook in de praktijk) ongemoeid.

Relatief niet-weten, waarvan mystiek niet-weten een instantie is, laat zich omschrijven als ‘dít niet weten of dát niet weten’; absoluut niet-weten, dat geen andere instanties kent dan zichzelf, laat zich zelfs niet omschrijven als ‘niets weten, dit ook niet’. Het is een toestand van totale agnose.

In de praktijk blijkt de mysticus zich zelfs niet van zijn zelf- en godsbeelden te ontdoen; er blijft steeds iets over, er wordt altijd iets voor in de plaats gesteld. God mag dan wel voorbij alle bepaling zijn, en zelfs voorbij zijn en niet-zijn, maar zijn bestaan-voorbij-alle-bepaling is boven alle twijfel verheven.

Dit onwrikbare uitgangspunt valt buiten het oculair van het mystieke niet-weten. Dat kan ook niet anders, want zonder god kan er ook geen weg naar god zijn, waardoor de hele mystieke opgang in het water zou vallen, of God verhoede, in de zee van niet weten.

Niet alleen staat Zijn bestaan buiten kijf, de Onkenbare blijkt bij nader inzien nog heel wat kenmerken te hebben. Ik ken tenminste geen enkele beschrijving van een christelijke mystieke ervaring waarin god geen eigenschappen toegedicht krijgt. Zo blijft hij voor de meeste mystici zelfs in de peilloze diepten van de rechtstreekse ervaring de schepper, de eerste oorzaak, de ene, de allerhoogste, de oneindige, de alomtegenwoordige, de almachtige, de alwetende, de alziende, de onveranderlijke, de drieheid, de Christus, het Goede (Dionysius), het Zijn (Eckhart), de minne (Hadewijch) et cetera.

Ik ken ook geen enkele zelfbeschrijving van een mysticus waarin deze zich van alle zelfbeelden heeft ontdaan. De godzoeker blijkt keer op keer uit een keur van onderdelen en vermogens te bestaan, meestal de wil, het verstand, het geheugen, geest, ziel en lichaam, die op verschillende manieren worden ingezet en opgevoerd en omgeleid en uitgeschakeld omwille van de mystieke opgang.

X: Als ik je goed lees is het mystieke niet-weten voor jou een gemankeerd niet-weten.

H: Voor de agnost is de nachtmysticus een gestrande pelgrim die de hypostase van de onkenbare god aanziet voor niet-weten. Voor de mysticus is de agnost een gestrande pelgrim die de wachtkamer van niet-weten aanziet voor de hemel.

X: En die agnost, dat ben jij.

H: Ik zou het echt niet weten.

X: Het is nota bene je eigen woord.

H: Misschien ben ik wel een agnostische mysticus.

X: Wat is dat nou weer.

H: Voor veel christelijke mystici loopt de weg naar god door de wolk van niet-weten, wat niet voor niets de titel is van een mystiek traktaatje van een anonieme Engelse auteur uit de middeleeuwen. De mysticus gaat de wolk van niet-weten in door alles wat hij over zichzelf en over god meent te weten overboord te zetten.

Nou, dat heb ik ook gedaan of ondergaan. Ik heb mijzelf en god volledig uitgehold, kon tenminste ten aanzien van de een noch de ander bij nader inzien ook maar íets vinden waarvoor ik mijn hand in het vuur durfde steken, zelfs niet ons niet-zijn.

Ik heb dus precies gedaan of ondergaan wat christelijke mystici al tweeduizend jaar van harte aanbevelen. Alleen niet vanwege hun aanbevelingen, want ik wist in de tijd waarover ik nu spreek bijna niets van mystiek. Onbedoeld heb ik gedaan of ondergaan wat zij aanbevelen, en ben daarbij tot het gaatje gegaan, en erdoorhéén, want mijn beeldenstorm beperkte zich niet tot mezelf en god, maar hield meedogenloos huis (en maar blijft huishouden) onder ál mijn denkbeelden.

Weet je wat nou zo gek is? Als je werkelijk de wolk van niet-weten binnengaat en daarbij werkelijk al je denkbeelden over jezelf en over god achterlaat, vind je jezelf helemaal niet terug in de wachtkamer voor de hemel, duimend en duimen draaiend tot de onkenbare god zich eindelijk een keer laat kennen. Ik tenminste niet.

Daar, in die wolk van niet-weten, blijkt helemaal geen wachtkamer te zijn. Er blijken bij gebrek aan denkbeelden om ze te wekken ook helemaal geen verwachtingen te zijn. Er is daar geen hans meer om ze te koesteren en geen god meer om op te wachten. Die denkbeelden (wachtkamer, verwachtingen, hans, god) vallen allemaal weg bij het binnengaan van de wolk van niet-weten.

Waar geen hans is en geen god, is ook geen afstand tussen hans en god en ook geen overbruggen van de afstand tussen hans en god en ook geen schouwen door hans van god en ook geen innige vereniging van hans en god tot hansgod en ook geen opgaan van hans in god of een opgaan van god in hans.

In de wolk van niet-weten is geen god en geen eenheid en geen liefde en geen zijn en geen schepping, dus ook geen god die eenheid is en ook geen god die liefde is en ook geen god die zijn is en ook geen god de schepper.

In de wolk van niet-weten is geen god, dus ook geen weg naar god, dus ook geen instrumenteel niet-weten – maar ook geen accidenteel niet-weten en geen mystiek niet-weten en geen relatief niet-weten en geen absoluut niet-weten of welk niet-weten of wel-weten dan ook.

In de wolk van niet-weten is geen ziel en geen aangeraakt worden in de ziel en geen donkere nacht van de ziel en geen einde van de donkere nacht van de ziel.

In de wolk van niet-weten is zelfs geen wolk van niet-weten, dus ook geen binnengaan van de wolk van niet-weten en geen verblijven in de wolk van niet-weten en geen verlaten van de wolk van niet-weten.

In de wolk van niet-weten ben je buutvrij en is er niets meer te doen of na te laten. Dat noem ik agnose.

X: Dit lijken mij eerder de woorden van een atheïst dan van een mysticus. Of van een agnosticus, een nihilist, een non-dualist misschien?

H: In de wolk van niet-weten is geen theïsme, geen atheïsme, geen agnosticisme, geen nihilisme en geen agnosticisme.

Daar is geen god, geen niet-god en geen goddeloosheid.

Er is geen waarheid en geen ontbreken van waarheid, geen zekerheid, geen twijfel en geen onzekerheid, geen geloof en geen ongeloof.

Er is geen dualisme, geen non-dualisme, geen dualiteit, geen non-dualiteit, geen pluraliteit, geen eenheid en geen leegte.

Moet ik doorgaan? Welke begrippen, welke postulaten, welke afleidingen, welke redeneringen, welke logica, welke rede, welk verstand, welke meningen, welke overtuigingen, welke voorstellingen, welke gedachten, welke wegen, welke doelen, wou je op welke wijze meesmokkelen de wolk van niet-weten in?

X: Geen atheïsme of non-dualisme dan, en ook niks anders. Maar het lijdt geen twijfel dat jij god weggooit. Dat lijkt me een essentieel, om niet te zeggen fataal verschil met Dionysius. Die is er niet op uit zich van god te ontdoen, hij is eropuit zich van alle bepalingen van god te ontdoen om hem volledig recht te doen.

H: De wolk van niet-weten ingaan is geen kwestie van god weggooien. Het is een kwestie van godsbeelden weggooien, zonder uitzondering. Nogmaals, dat is niet mijn idee; het is het dringende advies van een heleboel (christelijke) mystici, waaronder Pseudo-Dionysius.

Wie na het weggooien een transcendente god overhoudt, heeft zijn werk niet goed gedaan. Hij heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid. Wie na het weggooien een immanente god overhoudt, heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid. Wie na het weggooien een beeldloze god overhoudt, heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid. Wie na het weggooien een beeld van niet-god overhoudt, heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid.

Zelfs het weggooien van alle godsbeelden impliceert, als weg naar god, nog steeds een beeld van god, die zich immers laat bepalen als degene die langs deze weg benaderd kan worden. Weg ermee.

X: Sorry dat ik zo aandring, maar wat is hier in godsnaam nog mystiek aan? Is de wolk van niet-weten niet gewoon leeg? Of moet ik niet-weten soms zien als de mystiek van de lege god? Of leger nog, als een mystiek van de leegte?

H: Nee, geen mystiek van de lege god. De lege god is nog steeds een godsbeeld. Ook geen mystiek van de leegte. De leegte is nog steeds een godsbeeld.

Wat dacht je van een lege mystiek? Of liever, dé lege mystiek, Ø, want waarin zou de ene lege mystiek moeten verschillen van de andere?

X: Dat zou jou een lege mysticus maken. Of moet ik nu zeggen, dé lege mysticus?

H: Alleen maar bij wijze van spreken.

X: Niet in werkelijkheid?

H: Niet in de wolk van niet-weten.

X: Die ook al niet bestaat.

H: Niet in de wolk van niet-weten.

X: Sorry dat ik zo aandring…

H: ‘Maar wat is hier in godsnaam nog mystiek aan?’

X: Ik wou het niet nogmaals vragen.

H: ‘Mystiek’ is afgeleid van het Griekse mustikos: geheimzinnig. De donkere wolk van niet-weten onttrekt alles aan het zicht. Niet alleen god maar ook niet-god en de dingen en mijzelf en zichzelf. Ik tast volledig in het duister en niets laat zich raden. Kan het geheimzinniger?

-109-

Verlos ons van het malen

Het Onze Vader voor zoekers.

Onze Vader die in de hemel is,

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij dromen

Help ons uit de droom dat wij wakker moeten worden

Help ons uit de droom dat wij ontwaakt zijn

Help ons uit onze dromen

En verlos ons van het malen

Amen

Als het je uitmaakt, kan je dit gebed ook bidden tot Onze Boeddha die in nirwana is, tot onze Atman die bewustzijn is, tot je Zelf dat in de bonen is of tot wie of wat dan ook.

-110-

Onze Vader die in de hemel is

Tweestemmig wisselgebed geïnspireerd door het Onze Vader, een van de oudste en meest verbreide christelijke gebeden.

1.

Onze Vader die in de hemel is

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Laat ons dromen

2.

Help ons uit de droom dat U in de hemel bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat U niet in de hemel bent

Help ons uit de droom

3.

Help ons uit de droom dat er een hemel is

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat er geen hemel is

Help ons uit de droom

4.

Help ons uit de droom dat U onze Vader bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat U niet onze Vader bent

Help ons uit de droom

5.

Help ons uit de droom dat U bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat U niet bent

Help ons uit de droom

6.

Help ons uit de droom dat wij U zijn

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij U niet zijn

Help ons uit de droom

7.

Help ons uit de droom dat wij zijn

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij niet zijn

Help ons uit de droom

8.

Help ons uit de droom dat wij dromen

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij wakker zijn

Help ons uit de droom

9.

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Zoals wij U de Uwe laten

En anderen de hunne

En onszelf de onze

Laat ons onze dromen

10.

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Laat ons nu maar dromen

Amen

Je kunt dit gebed en andere gebeden op deze pagina ook in de eerste persoon enkelvoud zetten: Mijn Vader die in de hemel is / Help mij uit mijn droom / Maar laat mij mijn dromen / Amen.

-111-

Onze Boeddha die in nirwana is

1.

Onze Boeddha die in nirwana is

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Laat ons dromen

2.

Help ons uit de droom dat U in nirwana bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat U niet in nirwana bent

Help ons uit de droom

3.

Help ons uit de droom dat er een nirwana is

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat er geen nirwana is

Help ons uit de droom

4.

Help ons uit de droom dat U een boeddha bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat U geen boeddha bent

Help ons uit de droom

5.

Help ons uit de droom dat U bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat U niet bent

Help ons uit de droom

6.

Help ons uit de droom dat wij boeddha’s zijn

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij geen boeddha’s zijn

Help ons uit de droom

7.

Help ons uit de droom dat wij zijn

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij niet zijn

Help ons uit de droom

8.

Help ons uit de droom dat wij dromen

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij wakker zijn

Help ons uit de droom

9.

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Zoals wij U de Uwe laten

En anderen de hunne

En onszelf de onze

Laat ons onze dromen

10.

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Laat ons nu maar dromen

Ohm

-112-

Onze Atman die bewustzijn is

1.

Onze Atman, die universeel bewustzijn is

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Laat ons dromen

2.

Help ons uit de droom dat U bewustzijn bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat U geen bewustzijn bent

Help ons uit de droom

3.

Help ons uit de droom dat er bewustzijn is

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat er geen bewustzijn is

Help ons uit de droom

4.

Help ons uit de droom dat U universeel bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat U niet universeel bent

Help ons uit de droom

5.

Help ons uit de droom dat U bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat U niet bent

Help ons uit de droom

6.

Help ons uit de droom dat wij U zijn

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij U niet zijn

Help ons uit de droom

7.

Help ons uit de droom dat wij zijn

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij niet zijn

Help ons uit de droom

8.

Help ons uit de droom dat wij dromen

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij wakker zijn

Help ons uit de droom

9.

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Zoals wij U de Uwe laten

En anderen de hunne

En onszelf de onze

Laat ons onze dromen

10.

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Laat ons nu maar dromen

Ohm

Omdat het individuele zelf, Atman, volgens de advaita vedanta gelijk is aan het universele zelf, Brahman, kun je in plaats van Onze Atman ook Onze Brahman zeggen.

-113-

Verlos ons van het geloof in onze gedachten

Eenvoudig gebed zonder aanhef in drie vormen.

1. Verticaal

Verlos mij

van het geloof

in mijn gedachten

over verlossing

maar laat mij

mijn gedachten

zoals ik anderen

de hunne laat

Amen.

2. Diagonaal

Verlos mij.

Verlos mij van het geloof.

Verlos mij van het geloof in mijn gedachten.

Verlos mij van het geloof in mijn gedachten over verlossing.

Verlos mij van het geloof in mijn gedachten over verlossing, maar laat mij.

Verlos mij van het geloof in mijn gedachten over verlossing, maar laat mij mijn gedachten.

Verlos mij van het geloof in mijn gedachten over verlossing, maar laat mij mijn gedachten, zoals ik anderen de hunne laat.

Amen.

3. Horizontaal

Verlos mij, verlos mij van het geloof, verlos mij van het geloof in mijn gedachten en verlos mij van het geloof in mijn gedachten over verlossing, maar laat mij, en laat mij mijn gedachten, zoals ik anderen de hunne laat.

Amen.

-114-

Ohm sjalom, vrede is geen droom

Wisselgebed voor innerlijke vrede.

help mij uit mijn droom van het ego
help mij uit mijn droom van het zelf

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van het lichaam
help mij uit mijn droom van de geest

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van het vele
help mij uit mijn droom van het ene

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van de hel
help mij uit mijn droom van de hemel

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van het kwade
help mij uit mijn droom van het goede

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van de haat
help mij uit mijn droom van de liefde

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van de tijd
help mij uit mijn droom van het heden

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van het woord
help mij uit mijn droom van de stilte

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van de vorm
help mij uit mijn droom van de leegte

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van het hoofd
help mij uit mijn droom van het hart

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van het worden
help mij uit mijn droom van het zijn

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van de dualiteit
help mij uit mijn droom van non-dualiteit

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van het relatieve
help mij uit mijn droom van het absolute

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van het weten
help mij uit mijn droom van niet-weten

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

help mij uit mijn droom van ontwaken
help mij uit mijn droom van de droom

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom

-115-

Dromen van het einde van het dromen

Zegt de ene dromedaris: Het leven is een droom.

Zegt de andere: Of is dat ook maar een droom?

Zegt de ene: Of is dat ook maar een droom?

Zegt de andere: Of is dat ook maar een droom?

Zegt de ene: Is hier een einde aan?

Zegt de andere: Dat had je gedroomd.

Zegt de ene: Dat had je gedroomd.

Zegt de andere: Dat had je gedroomd.

Zegt de ene: Zie je nou wel dat het leven een droom is?

Zegt de andere: Of is dat ook maar een droom?

Zegt de ene: Of is dat ook maar een droom?

Zegt de andere: Of is dat ook maar een droom?

-116-

De mystieke atheologie van Georges Bataille

Wil een historicus recht doen aan de herkomst van het boeddhisme dan kan hij een boeddhist omschrijven als een hindoe zonder Atman.

Wil een biograaf recht doen aan de bestemming van schrijver, dichter, filosoof en surrealist Georges Bataille (1897-1962) dan kan hij hem omschrijven als een moralist zonder moraal, een boeddhist zonder Boeddha of een mysticus zonder God.

Hoewel Bataille weinig ophad met het woord mystiek en liever sprak van een innerlijke ervaring, zag hij zichzelf toch als een erfgenaam van de mystieke theologie, die echter ‘afgesneden was van een God en schoon schip maakt’.

Een mysticus in christelijke zin was hij niet, en ook geen theoloog, orthodox of anderszins, maar wel, zoals hij zelf graag zei, een atheoloog.

De atheologie heeft ‘alleen het onbekende als object’.

Volgens Bataille, die zich liet inspireren door Maurice Blanchot, is de grondslag van elk spiritueel leven dat het ‘slechts:

zijn beginsel en doel kan hebben in de afwezigheid van heil, in het afzien van elke hoop,

de innerlijke ervaring kan affirmeren als autoriteit (maar elke autoriteit moet voor zichzelf boeten),

aanvechting van zichzelf en niet-weten kan zijn.’

Deze ‘grondslag’ doet denken aan de ‘grondslag’ van het zenboeddhisme, met name soto, waarin volgens zenleraar Nico Tydeman iedere spirituele ambitie ‘tot op de draad versleten moet raken’.

Hij doet ook denken aan de grondslag, dat wil zeggen, de mokerslag van niet-weten, dat zelfs geen afgrond wil heten.

Om die reden zou je zowel zen als niet-weten atheologie kunnen noemen.

Maar een radicaal niet-weten heeft, in tegenstelling tot de innerlijke ervaring die het toch ook is, geen object, dus ook niet het onbekende; geen autoriteit, dus ook niet zichzelf; en geen beginsel of doel, dus ook niet de afwezigheid van heil en het afzien van hoop.

Daarom spreek ik liever van lege mystiek, Ø (leeg van God maar ook leeg van niet-God en zelfs van leegte ontledigd) of van mySstiek of van de lege leer of van Groot Ongeloof.

Nog liever zeg ik niets.

Bataille had zijn boek over atheologie, De innerlijke ervaring, samen met verwante geschriften van later datum willen bundelen tot een atheologische summa, La somme athéologique, maar het is er niet van gekomen. Wel zijn ze terug te vinden in zijn verzamelde werk, Oeuvres complètes, met name in de laatste twee delen.

Hieronder enkele citaten uit De innerlijke ervaring, Georges Bataille, 1954, vertaald door Laurens ten Kate en Wim Kuijt, Uitgeverij Gooi en Sticht bv, Hilversum, 1989.

(titels HvD)

Een oord van verbijstering

‘Ik wilde dat de ervaring daartoe zou leiden waarheen zij voerde, haar niet naar een vooropgezet doel voeren. En ik zeg meteen dat zij naar geen enkele vluchthaven voert (doch naar een oord van verbijstering, van onzin). Ik wilde dat het niet-weten er de grondslag van vormde – waarmee ik met vinniger nauwgezetheid een methode volgde waarin de christenen uitblonken (zij volgden die weg voor zover het dogma dat toestond). Maar deze ervaring, geboren uit het niet-weten, blijft zich daar zonder twijfel in ophouden. Zij is niet onuitsprekelijk, men verraadt haar niet door over haar te spreken, maar de antwoorden op de vragen van de kennis, voor zover de geest deze nog bezat, onttrekt zij zelfs aan hem. De ervaring openbaart niets en kan geen geloof stichten, noch eruit voortkomen.’ (27)

Zonder oplichterij

‘Wij worden alleen dan volkomen blootgelegd wanneer wij zonder oplichterij naar het onbekende gaan.’ (29)

Schoon schip

‘De ervaring bereikt uiteindelijk de versmelting van het object en het subject, is als subject niet-weten en als object het onbekende. Daarop kan ze de intellectuele bedrijvigheid laten stuk lopen: herhaalde mislukkingen dienen haar even goed als de uiteindelijke gedweeheid die men mag verwachten. Wanneer dat is bereikt als een uiterst mogelijke, spreekt het vanzelf dat de filosofie in eigenlijke zin is opgeslokt, dat zij zich ontbindt, reeds losgemaakt van de eenvoudige poging tot een samenhang der kennis, zoals de wetenschapsfilosofie is. En zich ontbindend in deze nieuwe manier van denken, is zij slechts de erfgename van een fabuleuze mystieke theologie, die echter afgesneden is van een God en schoon schip maakt.’ (33)

Geen uitweg

‘Ik verblijf in het onhoudbare niet-weten, dat geen andere uitweg kent dat de extase zelf.’ (36)

Als het niet-weten bereikt wordt

‘Als het niet-weten bereikt wordt, is het absolute weten niet meer dan een vorm van kennis te midden van andere.’ (84)

De toegang tot het onbekende

‘Het leven zal zich in de dood verliezen, de rivieren in de zee en het bekende in het onbekende. Kennis vormt de toegang tot het onbekende.’ (135)

De nacht die mij verkent

Allerlaatste mogelijkheid. Dat het niet-weten nog steeds weten zou zijn. Ik zou de nacht verkennen! Maar nee, het is de nacht die mij verkent … (146)

Dadelijk ben ik niet-weten

‘Wanneer ik God ben, ontken ik hem tot in de grond van de ontkenning. Als ik slechts mijzelf ben, ken ik hem niet. Voor zover in mij de heldere kennis voortbestaat, benoem ik hem zonder hem te kennen: Ik ken hem niet. Ik poog hem te kennen: dadelijk ben ik niet-weten, ben ik God, ongekende onwetendheid, onkenbaar.’ (168)

Niet mee te delen

‘Het denken ruïneert en zijn verwoesting is niet aan de massa mee te delen, zij richt zich tot hen die het minst zwak zijn.’ (195)

-117-

Gebed van een ongelovige

Lieve God in de hemel

Als u bestaat

Waarom laat u me dan denken

Van niet

-118-

Gebed van een gelovige

Lieve God in de hemel

Als u niet bestaat

Waarom laat u me dan denken

Van wel

-119-

Gebed van een twijfelaar

Lieve God in de hemel

Als u bestaat

Waarom laat u me dan denken

-120-

Gebed van een zoutpilaar

Lieve God in de hemel

Als u bestaat

Waarom laat u me dan niet denken

-121-

En dan bevrijd hij zich ook van de kennisloosheid

Beste Hans,

In zijn traktaatje Over Mystieke Theologie, schrijft Dionysius de Areopagiet:

‘En dan bevrijdt hij zich ook daarvan, van de dingen die gezien worden en van degenen die zien, en gaat het duister van de kennisloosheid in, het werkelijk mystieke, waar hij zijn kennend grijpen laat zwijgen, en belandt hij in het volledig onaanraakbare en onzichtbare, wanneer hij geheel en al behoort aan degene die aan alles voorbij is.’

Bron: Over mystieke theologie / Pseudo-Dionysius de Areopagiet, Ben Schomakers 2002, pp15-21.

Ik denk dat dit jou wel zal aanspreken.

Beste X,

En dan bevrijdt hij zich ook daar nog van – van het duister en de kennisloosheid, van het werkelijk mystieke, van het tot zwijgen brengen van zijn kennend grijpen, van het volledig onaanraakbare en onzichtbare en van degene die aan alles voorbij is en waaraan hij geheel en al zou toebehoren.

Ik denk dat dit jou niet zal aanspreken.

-122-

Veelwoordig is niet-weten en woordloos tegelijk

Beste Hans,

In zijn traktaatje Over Mystieke Theologie, schrijft Dionysius de Areopagiet:

Veelwoordig is de goede oorzaak van alles en minbespraakt en woordloos tegelijk, aangezien er geen woorden zijn en geen begrip van haar; want ze bevindt zich boven alles, als meer dan zijndheid, en verschijnt alleen onverhuld en naar waarheid voor wie al het geheiligde en al het loutere doorloopt en boven de hele bestijging van al de heilige toppen uitgaat en alle goddelijke lichten en hemelse klanken en woorden achter zich laat en ingaat in het duister waar werkelijk is, zoals de geschriften zeggen, degene die aan alles voorbij is.

Ik denk dat dit jou wel zal aanspreken.

Beste X,

Veelwoordig is niet-weten en minbespraakt en woordloos tegelijk, aangezien er geen woorden van zijn en geen begrip; want het verschijnt alleen onverhuld en naar waarheid voor wie al het geheiligde en al het loutere doorloopt en boven de hele bestijging van al de heilige toppen uitgaat en alle goddelijke lichten en hemelse klanken en woorden achter zich laat en ingaat in het duister waar werkelijk zijn degenen die aan alles voorbij zijn.

Ik denk dat dit jou niet zal aanspreken.

-123-

Eine kleine Nachtmystik

Beste Hans,

In zijn traktaatje Over Mystieke Theologie, schrijft Dionysius de Areopagiet:

In dat duister, dat meer dan licht is, te belanden, daarom bidden wij, en om door blikloosheid en kennisloosheid te zien en te kennen wat boven aanschouwing is en boven kennis, juist door het niet zien en het niet kennen. (Zo nemen we) alles weg, om onverhuld die kennisloosheid te kennen die door al het kenbare in alle zijnden omhuld is, en om dat duister te zien dat meer dan zijndheid is en dat door al het licht in de zijnden verborgen is.)

Ik denk dat dit jou wel zal aanspreken.

Beste X,

In dat duister, dat meer dan licht is, te belanden, daarom bidden wij, en om door blikloosheid en kennisloosheid te zien en te kennen wat voorbij aanschouwing is en voorbij kennis, juist door het niet zien en het niet kennen. Alles nemen we weg, om onverhuld die kennisloosheid te kennen die door al het kenbare in alle zijnden omhuld is, en om dat duister te zien dat door al het licht in de zijnden verborgen is.

Ik denk dat dit jou niet zal aanspreken.

-124-

De stilte waarin men alle zaligheid hoort en kent

Beste Hans,

In zijn boek De geestelijke bruiloft zegt Jan van Ruusbroec:

‘Want de hemelse Vader wil dat wij zien, hij is immers vader van het licht. En daarom spreekt hij altijd, ongehinderd en onophoudelijk, één enkel onuitputtelijk woord, en niet meer, in de verborgenheid van onze geest. Met dit woord spreekt hij zichzelf en alle dingen uit, en dit woord luidt niet anders dan: “Zie.” Dit is de geboorte en de verschijning van de Zoon, van het eeuwige licht, het licht waarin men alle zaligheid ziet en kent.’

Vertaald uit het Middelnederlands door Jos van den Hoek, 2008, p189.

Ik denk dat dit jou wel zal aanspreken.

Beste X,

Want de hemelse vader wil dat wij horen, hij is immers vader van de stilte. En daarom spreekt hij altijd, ongehinderd en onophoudelijk, één enkel onuitputtelijk woord, en niet meer, in de verborgenheid van onze geest. Met dit woord spreekt hij zichzelf en alle dingen uit, en dit woord luidt niet anders dan: ‘Sst!’ Dit is de kiem van het mysterie, van de eeuwige stilte, de stilte waarin men alle zaligheid hoort en kent.

Ik denk dat dit jou niet zal aanspreken.

-125-

Agnose is het uiterste van zelfmindering

Beste Hans,

Rumi heeft gezegd:

“Wie zegt ‘Ik ben de knecht van God’, zegt dat er twee bestaanswijzen zijn, die van hemzelf en die van God, maar wie zegt: ‘Ik ben God’, heeft zichzelf niet-bestaand gemaakt, zichzelf opgegeven en zegt ‘Ik ben God’, dat wil zeggen: ‘Ik ben niets, Hij is alles: er is geen zijn dan Gods zijn.’ Dit is het uiterste van de nederigheid en de zelfmindering.”

Bron: Encyclopedie van de mystiek; fundamenten, tradities en perspectieven, Joris Baers (redactie), Kampen: Kok, 2003, p78).

Ik denk dat dit jou wel zal aanspreken.

Beste X,

Wie zegt ‘Ik ben de knecht van God’, zegt dat er twee bestaanswijzen zijn, die van hemzelf en die van God. Wie zegt: ‘Ik ben God’, heeft zichzelf niet-bestaand gemaakt, zichzelf opgegeven en zegt eigenlijk: ‘Ik ben Hij, Hij is alles, er is geen zijn dan Gods zijn.’ Maar wie naar waarheid zegt: ‘Ik weet het niet’, laat alles open. Dit is het uiterste van de nederigheid en de zelfmindering.

Ik denk dat dit jou niet zal aanspreken.

-126-

Beeldspraak voor beeldspraak

‘Hans, wat is God voor jou?’

‘Beeldspraak.’

‘Waarvoor?’

‘Een diep, verblindend duister.’

‘Wat is een diep, verblindend duister voor jou?’

‘Beeldspraak.’

‘Waarvoor?’

‘Niet-weten.’

‘Wat is niet-weten voor jou?’

‘Beeldspraak.’

‘Waarvoor?’

‘God mag het weten.’

-127-

Zo goed ken ik mezelf nog wel

Ik ken God als mijn lief.

Ik ken mijn lief als mezelf.

Ik ken mezelf als geen ander.

Er is geen ander die ik ken.

Zo goed ken ik de ander nog wel.

Zo goed ken ik mezelf nog wel.

Zo goed ken ik mijn lief nog wel.

Zo goed ken ik God nog wel.

Hoe goed ken jij jezelf?

-128-

God vergeten

X: Wat is de weg naar God?

H: Vergeten waar God is.

X: En dan?

H: Vergeten wie God is.

X: En dan?

H: Vergeten wat God is.

X: En dan?

H: Vergeten dat God is.

X: En dan?

H: Vergeten waar je bent.

X: En dan?

H: Vergeten wie je bent.

X: En dan?

H: Vergeten wat je bent.

X: En dan?

H: Vergeten dat je bent.

X: En dan?

H: Vergeten wat je bent vergeten.

X: Hè?

H: Maar niet noodzakelijk in die volgorde.

X: En dat zou de weg naar God zijn?

H: Wat?

-129-

Deconstructie van een negatief godsbeeld

Beste Hans,

Het is alweer even geleden dat ik iets van me heb laten horen.

Een van de dingen die is blijven hangen uit onze vorige correspondentie is jouw suggestie dat christelijke mystici misschien niet ver genoeg gingen in het uithollen van hun God.

Ik vermoed dat je na zorgvuldige lezing van capita IV en V van Over Mystieke Theologie van Pseudo-Dionysius de Areopagiet (Ben Schomakers 2002, p19-21) wel anders zult piepen:

IV

En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; en niet op een plaats is; en niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; en ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; en ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; en dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; en niet licht ontbeert; en zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

V

En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat zij niet ziel is en niet geest, en zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft, en zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; en zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; en ook niet dat zij vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; en dat zij niet leeft en niet leven is; en zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; en dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis, en zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid, en niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; en dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; en zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; en dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.

Ik zie niet in hoe je dit nog zou kunnen overtreffen, Hans. Bovendien lijkt deze tekst in stilistisch opzicht sprekend op een dwaaltekst.

Beste X,

Ja, dit is een schoolvoorbeeld van negatieve theologie, maar een dwaaltekst is het nie. Ik zal uitleggen waarom.

Kenmerkend voor een dwaaltekst is dat hij zich niet uitspreekt, tenzij om tegenwicht te bieden.

Om te voorkomen dat een dwaaltekst bezwijkt onder zijn eigen tegenwicht biedt hij ook daaraan tegenwicht tot de zaak weer in balans is en er per saldo niets uitgesproken blijft.

Mijn dwaalteksten lijken daarom hoogstens zwijgend maar zeker niet sprekend op de negatieve theologie van Dionysius.

Om te kunnen zien wat de negatieve theologie van Dionysius inhoudt, moet je vooral op de beginregels van hoofdstuk IV en V letten.

Daar staat: ‘En zo spreken wij uit dat …’ respectievelijk ‘En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat …’ Dionysius is zich aan het uitspreken over ‘de oorzaak van alles’.

Om dit uitspreken te benadrukken, zal ik het inlassen na iedere puntkomma. Ook zal ik voor de leesbaarheid na iedere puntkomma een nieuwe alinea beginnen.

IV’

En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is;

We spreken uit dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft.

We spreken uit dat zij niet op een plaats is.

We spreken uit dat zij niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat.

We spreken uit dat zij ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is.

We spreken uit dat zij ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële.

We spreken uit dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke.

We spreken uit dat zij niet licht ontbeert.

We spreken uit dat zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

V’

En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat zij niet ziel is en niet geest.

We spreken uit dat zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft.

We spreken uit dat zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken.

We spreken uit dat zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid.

We spreken uit dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert.

We spreken uit dat zij ook niet vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht.

We spreken uit dat zij niet leeft en niet leven is.

We spreken uit dat zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd.

We spreken uit dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis.

We spreken uit dat zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid.

We spreken uit dat zij niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent.

We spreken uit dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis.

We spreken uit dat zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid.

We spreken uit dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen.

Want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.

Zie je nu hoeveel er uitgesproken wordt door Dionysius?

X: Maar hij spreekt toch ontkenningen uit? Hij neemt bepalingen weg. Uiteindelijk beweert hij niets behalve dat de volmaakte en enige oorzaak boven alle bepaling en zelfs boven alle wegneming is.

H: Ontkenningen zijn net zo goed bepalingen. Ze drukken nog altijd een weten uit.

Als ik zeg ‘Mijn haarkleur is boven alle bepaling’, zeg ik misschien niet veel maar toch wel iets, bijvoorbeeld dat mijn haar niet duidelijk zwart of bruin of rood of blond is.

Als ik zeg ‘Mijn haar is niet zwart’, zeg ik zo mogelijk nog minder, maar nog altijd meer dan niets. In ieder geval meer dan wanneer ik zeg ‘Ik spreek niet uit welke kleur mijn haar heeft’.

Ook deze laatste zin is informatiever dan je op het eerste gezicht zou denken. Zo suggereert hij dat er een bestendige ik is die haar heeft met een kleur waarover voornoemde ik om niet nader genoemde redenen weigert te spreken.

Om van hoofdstuk IV en V een dwaaltekst te maken in plaats van een graaltekst (een tekst die naar een heilige graal graait) of een praaltekst (een tekst die een heilige graal of de auteur verheerlijkt), moeten we om te beginnen de mantra ‘We spreken uit dat…’ vervangen door ‘We spreken niet uit dat…’

Omdat ik niet voor anderen wil spreken, maak ik ervan: ‘Ik spreek niet uit dat…’

Omdat ik dat wat omstandig vind, maak ik ervan: ‘Ik zeg niet dat…’

Waarom zeg ik niet? Omdat ik niet weet.

Wanneer weet ik niet? Op het moment van zeggen (in dit geval schrijven) niet.

Hoe stel ik dat vast? Eerlijk gezegd stel ik het helemaal niet vast, dat gebeurt vanzelf. Maar hoe dan?

Stel je voor dat je je telkens wanneer je wat denkt of hoort of leest of zegt, afvraagt of je daarvoor je hand in het vuur zou steken.

Of je er vergif op zou innemen.

Of je je leven ervoor zou geven of alles wat je dierbaar is.

En dat je dan zonder eerst allerlei boeken of autoriteiten of vrienden of je innerlijke goeroe of je geweten of je hart te raadplegen, spontaan ‘Nee!’ roept.

Zonder meer, keer op keer.

Maar niet met zoveel woorden, ook niet met minder woorden, helemaal niet met woorden maar voorbewust, impliciet, zonder enige inspanning, intentie of regie jouwerzijds, net als spijs verteren of menstrueren of (re)laxeren of het circuleren van het bloed dat jou in leven houdt maar niet door jou in leven gehouden hoeft te worden.

Zoiets moet je je voorstellen bij het levende niet-weten dat ten grondslag ligt aan het levende niet-spreken dat niets inhoudt en niets achterhoudt.

Waar was ik. O ja:

IV’’

En zo zeg ik niet dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is.

Ik zeg niet dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft.

Ik zeg niet dat zij niet op een plaats is.

Ik zeg niet dat zij niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat.

Ik zeg niet dat zij ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is.

Ik zeg niet dat zij ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële.

Ik zeg niet dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke.

Ik zeg niet dat zij niet licht ontbeert.

Ik zeg niet dat zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

V’’

En wanneer ik dan verder stijg, zeg ik niet dat zij niet ziel is en niet geest.

Ik zeg niet dat zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft.

Ik zeg niet dat zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken.

Ik zeg niet dat zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid.

Ik zeg niet dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert.

Ik zeg niet dat zij ook niet vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht.

Ik zeg niet dat zij niet leeft en niet leven is.

Ik zeg niet dat zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd.

Ik zeg niet dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis.

Ik zeg niet dat zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid.

Ik zeg niet dat zij niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent.

Ik zeg niet dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis.

Ik zeg niet dat zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid.

Ik zeg niet dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen.

Want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.

Je ziet, ik beweer hier al heel wat minder dan Dionysius met zijn negatieve theologie ooit zou kunnen of willen.

Het wordt steeds negatiever en steeds minder theo-logisch.

Of met een toespeling op de titel van Dionysius’ traktaatje: het wordt steeds mystieker (in de etymologische zin van geheimzinniger, verborgener) en steeds minder theologisch.

Maar een dwaaltekst is het nog niet.

Om te beginnen bevalt het me niks dat ik door het parafraseren van Dionysius gedwongen wordt halve uitspraken te doen.

De zin ‘Ik zeg niet dat mijn haar zwart is’ wekt bij de lezer wellicht het vermoeden dat mijn haar niet zwart is.

Om die gedachte in de kiem te smoren, maak ik ervan: ‘Ik zeg niet dat mijn haar zwart is; ik zeg ook niet van niet.’

Verder eindigt de ene zin van hoofdstuk V met de verklaring ‘want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.’

Deze verklaring valt buiten het bereik van Dionysius’ ‘spreken wij uit dat …’ uit de beginregel van V, dus ook buiten het bereik van mijn parafrase ‘ik zeg niet dat …’, en moet daarin expliciet opgenomen worden.

Ziehier het resultaat van deze twee ingrepen:

IV’’’

En zo zeg ik niet dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet op een plaats is; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet licht ontbeert; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit; ik zeg ook niet van niet.

V’’’

En wanneer ik dan verder stijg, zeg ik niet dat zij niet ziel is en niet geest; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij ook niet vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet leeft en niet leven is; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat de volmaakte en enige oorzaak van alles boven alle bepaling is; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al boven alle wegneming is; ik zeg ook niet van niet.

Is het nu eindelijk een dwaaltekst? Op zinsniveau wel, op woordniveau nog niet.

Op zinsniveau al wel omdat mijn laatste parafrase geen stellingen meer bevat (anders dan het ont-stellende performatief ‘Ik zeg niet dat …’).

Op woordniveau nog niet, omdat door de woordkeus aan het begin van IV en het eind van V de indruk wordt gewekt dat er wel degelijk zoiets is als ‘de oorzaak van alles, die boven alles is’ (eerste regel van IV), oftewel ‘de volmaakte en enige oorzaak van alles’ en ‘dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al’ (eerste regel van V).

Zou ik daarvoor mijn hand in het vuur steken? Ik kijk wel linker uit.

Of voor het tegendeel? Mij niet gezien.

Daarom moet ik ten minste aan het eind van V nog een ontzegging toevoegen van de volgende strekking:

‘Ik zeg niet dat er zoiets is als de oorzaak van alles die boven alles is, of de volmaakte en enige oorzaak van alles; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat er iets is dat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al; ik zeg ook niet van niet.’

Dan nóg ben ik niet tevreden, want mijn laatste parafrase zit tjokvol Dionysische hypostasen – denk-beelden waarvan het bestaan en de aard voor mij helemaal niet vaststaan, zoals oorzaak, zijndheid, lichaam, geest, houding, vorm, kwaliteit, kwantiteit, massa, plaats, zintuig, ordeloosheid, aandoening, licht, verandering, vergaan, deling, beroving, vervloeiing, ziel, voorstelling, mening, woord, begrip, aantal, ordening, grootte, kleinheid, gelijkheid, ongelijkheid, gelijkendheid, ongelijkendheid, rust, beweging, vermogen, leven, eeuwigheid, tijd, kennis, waarheid, majesteit, wijsheid, eenheid, godheid, goedheid, Geest, zoonschap, vaderschap, zijnde, dwaling, bepaling, en wegneming.

Misschien vind je dit wat overdreven, maar de vraag of woorden corresponderen met iets werkelijks is een fundamentele, die in het boeddhisme inspireerde tot de sleutelbegrippen leegte (sunyata) en afhankelijk ontstaan (pratitya-samutpada), in de scholastiek tot het nominalisme en in de twintigste eeuw tot de analytische wijsbegeerte en het postmodernisme.

Om de gevaren van ongefundeerd substantialistisch denken te bezweren, zou ik nog meer ontzeggingen aan mijn parafrase moeten toevoegen in de trant van:

Ik zeg niet dat er zoiets is als oorzaak, ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat er zoiets is als zijndheid; ik zeg ook niet van niet.

Je snapt de bedoeling dus ik zal je de moeite van het lezen en mezelf de moeite van het schrijven besparen.

Ik hoop dat ik met deze demonstratie (transformatie, deconstructie) het verschil tussen een negatief theologische tekst en een dwaaltekst een beetje duidelijk heb kunnen maken.

Uitspreken of uitgesproken zijn, daar komt het op neer.

‘Hé, moet je horen!’ of ‘Stil eens.’ ‘Pst’ of ‘Sst’.

X: Wat is volgens jou de relatie tussen negatieve theologie, mystiek en niet-weten?

H: Een zuiver negatieve theologie kan nooit mystiek zijn, precies omdat ze zich zo compleet mogelijk uitspreekt over god, al is het dan maar apofatisch.

Een zuivere dwaaltekst kan nooit theologisch zijn, precies omdat hij zich nergens over uitspreekt, ook niet over god.

In mijn beleving zijn dwaalteksten echter net zo mystiek als het leven zelf, in de zin van zonderling en wonderlijk, volledig ondoorgrondelijk.

Mystieker kan eigenlijk niet, omdat ze werkelijk alles te raden overlaten – net als de dingen en de levende wezens, net als het leven zelf.

Wat mij betreft is een radicaal niet-weten niets anders dan mystiek in de oorspronkelijke zin van het woord.

De mystiek van niet-weten of een mystiek niet-weten of een niet-wetende mystiek of gewoon een lege mystiek, Ø, zonder God, zonder niet-God en zelfs van leegte ontledigd.

Of dit een verrijking of een verarming is van mystiek in de conventionele zin van het woord, of van niet-weten in de conventionele zin van het woord, mag iedereen voor zichzelf uitmaken.

Als we de positieve, beschrijvende theologie (‘God is groot, God is goed, God is liefde’) er ook nog even bij halen, dan kan ik de verschillen bondig uitdrukken met drie triaden:

Positieve theologie : negatieve theologie : lege mystiek = ja : nee : tja = uitspreken : tegenspreken : vrijspreken = these : antithese : parenthese.

Lees: positieve theologie staat tot negatieve theologie staat tot lege mystiek als ja staat tot nee staat tot tja of als uitspreken staat tot tegenspreken staat tot vrijspreken of als these staat tot antithese staat tot parenthese (de wereld tussen haakjes).

X: Jemineetje zeg. Moet alles dan echt helemaal uitgeschreven worden? Is dit wat je onder stilte verstaat?

H: Geen enkele uitspraak doen met alle woorden die nou eenmaal nodig zijn om een voorafgaande gedachte, uitspraak of tekst compleet te ontmantelen – dat is wat ik onder stilte versta.

Op die manier het vanzelfsprekende weer vanzelfzwijgend maken.

Herraadselen.

Daarbij geldt: hoe woordiger het origineel, hoe woordiger de weerspraak.

Had je maar niet over Pseudo-Dionysius moeten beginnen.

En dan kom je nog goed weg; als zenboeddhist had je van jezelf misschien mijn Diamantsoetra moeten lezen.

X: Ik héb je Diamantsoetra gelezen. Als het je bedoeling was te overtuigen of te overdonderen dan is het niet gelukt.

H: Alles helemaal uitschrijven doe ik niet om te overtuigen of te overdonderden, maar om iets van de kick, de roes, de trance, de vreugde, de gelukzaligheid, de zielsverrukking – iets van het gevoel van oneindige ruimte en lichtheid en luchtigheid en vrijheid en vrede op te wekken waarmee een almaar niet uitspreken als uitdrukking van een almaar niet weten gepaard gaat.

In mijn beleving bestaat de wolk van niet-weten uit lachgas.

Heb je er ten minste een vleugje van opgesnoven of was het voor jou allemaal even slaapverwekkend?

In het laatste geval is het nog altijd goede bedlectuur, troost ik mezelf.

Slaap zacht.

-130-

Verder van huis is waar Hij woont

‘Hoe kan ik de Onkenbare vinden?’

‘Door niet vinden.’

‘Ik bedoel, hoe kan ik Hem leren kennen?’

‘Door niet kennen.’

‘Maar hoe weet ik dan dat Hij het is?’

‘Door niet weten.’

‘Nou ben ik nog verder van huis.’

‘Dat is waar Hij woont.’

-131-

Het enige universele geloof is het geloof in onze gedachten

X: Geloof jij in een universele religie?

H: Och.

X: Of ten minste in een gemeenschappelijke kern?

H: Een gemeenschappelijke kern weet ik niet, maar wellicht een gemeenschappelijke basis.

X: Wat is het dat alle religies volgens jou gemeen hebben?

H: Alle religies weet ik niet, maar wellicht alle gelovigen.

X: Wat is het dat alle gelovigen gemeen hebben?

H: Vergeet de ongelovigen niet.

X: Wat is het dat wij allen gemeen hebben?

H: Het geloof in onze gedachten.

X: Ik had gehoopt op een universeel dogma.

H: Dit gaat dieper.

X: Hoezo?

H: Het geloof in onze gedachten is de grondslag van ieder dogma.

X: En van iedere religie, neem ik aan.

H: En van iedere filosofie.

X: En van iedere theorie.

H: En van ieder oordeel.

X: En van iedere mening.

H: En ga zo maar door.

X: Dus het geloof in onze gedachten gaat overal aan vooraf.

H: Geloof je dat?

X: Verdraaid.

H: Geeft niks.

X: Maar we zouden wat minder geloof aan onze gedachten moeten hechten.

H: Geloof je dat?

X: Verdraaid.

H: Geeft niks.

X: Maar jij gelooft je gedachten niet meer.

H: Geloof je dat?

X: Verdraaid.

H: Geeft niks.

X: Dan weet ik het ook niet meer.

H: Geloof je dat?

X: Verdraaid.

H: Geeft niks.

-132-

Geen groter geloof dan Groot Ongeloof

Wie zijn gedachten niet gelooft, deze ook niet, is geen theïst, geen atheïst en geen agnosticus.

Hij is niet in God en hij is niet buiten God.

Zelfs als hij kleur bekent, zoals ik nu, bekent hij geen kleur, want wie zijn gedachten niet gelooft, deze ook niet, is zo kleurloos als de lege geest, Ø, en zo leeg als de lege leer, Ø.

Zijn God is ruimer dan het ruimste godsbeeld.

Zijn Boeddha is ruimer dan het ruimste boeddhabeeld.

Hijzelf is ruimer dan het ruimste zelfbeeld.

Zijn God en zijn Boeddha en hijzelf zijn ruimer dan het ruimste denkbeeld, ruimer dan het ruimste mensbeeld, ruimer dan het ruimste wereldbeeld, ruimer dan het ruimste zinnebeeld en ruimer dan het ruimste wensbeeld.

Dat kan niet anders, want een Groot Ongelovige is, zolang zijn ongeloof voortduurt, niet in staat die ruimte in te vullen met welk beeld ook, anders dan het lege denkbeeld, Ø, of er zelfs maar een naam aan te geven, anders dan de lege naam, Ø.

Voor een Groot Ongelovige is er geen groter god dan de lege god van niet-weten, Ø.

Voor een Groot Ongelovige is er geen groter boeddha dan de lege boeddha van niet-weten, Ø.

Voor een Groot Ongelovige is er geen groter atman dan de lege atman van niet-weten, Ø.

Voor een Groot Ongelovige is er geen groter zelf dan het lege zelf van niet-weten, Ø.

Voor een Groot Ongelovige is er geen groter tao dan de lege tao van niet-weten, Ø.

Voor een Groot Ongelovige is er geen groter leegte dan de leegte van niet-weten.

Voor een Groot Ongelovige is er geen groot ongeloof, geen leegte en geen niet-weten.

Want alleen zonder groot ongeloof, zonder leegte en zonder niet-weten blijft zijn God ruimer dan het ruimste godsbeeld, zijn Boeddha ruimer dan het ruimste boeddhabeeld en hijzelf ruimer dan het ruimste zelfbeeld.

Alleen zo blijft zijn denkruimte leeg.

Alleen zo blijft zijn ongeloof groot.

Vandaar dat ik zeg: wie zijn gedachten niet gelooft, deze ook niet, is geen theïst, geen atheïst en geen agnosticus.

Hij is niet in God en hij is niet buiten God.

Zelfs als hij kleur bekent, zoals ik nu, bekent hij geen kleur, want wie zijn gedachten niet gelooft, deze ook niet, is zo kleurloos als de lege geest, Ø en zo leeg als de lege leer, Ø.

Geloof je dat?

-133-

God zoeken in niet-zoeken

Beste Hans,

Volgens Meister Eckhart woont God op de bodem van je ziel. Om Hem te vinden hoef je alleen maar je ziel leeg te maken. Is dat ook jouw ervaring?

Beste X,

Tot nog toe niet.

X: Hoe komt dat?

H: Doordat ik de bodem van mijn ziel niet kan vinden.

X: Misschien zit er wel iets voor.

H: Hoe kom ik daarachter?

X: Heb je je ziel al leeggemaakt?

H: Dat is het hem nou juist.

X: Wat is het hem nou juist?

H: Die kan ik ook al niet vinden.

X: Waar moeten we God dan zoeken?

H: Misschien wel in niet-zoeken.

X: Of misschien wel in niet-weten.

H: Dan wordt het nooit bekend.

-134-

Rozen zonder waarom

Beste Hans,

Ben jij bekend met het prachtige gedicht De roos zonder waarom van de mystieke Duitse dichter Angelus Silesius (1624-1677)?

‘Die Ros ist ohn warum;
sie blühet, weil sie blühet,
Sie acht nicht ihrer selbst,
fragt nicht, ob sie siehet.’

Volgens mij drukt dit gedicht precies de houding van niet-weten uit waar jij over schrijft. Een ‘leven zonder waarom’ (Meister Eckhart, 1260-1327). Een leven waarin het impertinente denken, dat zo graag grenzen trekt, maar zijn eigen grenzen niet kent, voorgoed op zijn plaats is gezet. Want, om Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) te parafraseren: niet hóe de dingen zijn is het wonder maar dát ze zijn.

Beste X,

‘Waarom’ kent geen waarom;
het bloeit omdat het bloeit.
Het gaat gewoon zijn gang,
en weet zich niet geboeid.

-135-

Leegmaken is wat mij vervuld

X: Volgens Jan van het Kruis is het voertuig dat mij naar God zal brengen een soort tweetrapsraket.

H: Dan was hij zijn tijd ver vooruit.

X: Wil God ingaan, meende Jan van het Kruis, dan moet ik eerst uitgaan. Wil Hij mij opvullen dan moet ik mij eerst leegmaken. Wil ik Hem worden dan moet ik eerst ontworden.

H: Die Jan.

X: Wat?

H: Die God.

X: Wat was jouw voertuig?

H: Waarheen?

X: Toe nou.

H: Een eentrapsraket dan maar.

X: Hoe bedoel je?

H: Het is niet dat er na mijn uitgaan nog iets stond te gebeuren. Uitgaan is wat er gebeurde. Het is niet dat ik na mijn leegmaking weer opgevuld werd. Leegte is waarmee ik werd opgevuld. Het is niet dat ik na mijn ontwording iets anders werd. Ontwording is wat ik werd.

X: Klinkt niet direct als een hemelvaart.

H: Meer als een vallende ster.

X: Wat kan ik volgens jou verwachten na mijn uitgaan?

H: Tja.

X: Toe nou.

H: Niet verwachten dan maar.

X: Niet verwachten?

H: Zelfs niet dat je niets meer zult verwachten.

X: Het enige wat er zal gebeuren is mijn uitgaan?

H: Daar zou ik maar niet van uitgaan.

X: Waar moet ik dan wel van uitgaan?

H: Misschien wel nergens van.

X: Hè?

H: Zelfs niet dat je nergens van uit moet gaan.

X: En die leegmaking dan?

H: Die is al net zo leeg.

X: En die ontwording?

H: Ook ontworden.

X: En dat noem jij God?

H: En dat noem jij God?

X: Wat zou jij zeggen?

H: Zalig zijn de armen van geest.

-136-

Een dwaalweg is geen zonde en een omweg geen rotonde

‘Gooi alles weg, Hans, en wat je overhoudt is God.’

‘Zolang je nog wat overhoudt heb je niet alles weggegooid.’

‘Gooi alles weg en je vindt het niets?’

‘Gooi het niets weg, wat hou je over?’

‘Een onzinnige vraag, als je het mij vraagt.’

‘Het weggooien natuurlijk.’

‘Weggooien is het enige wat overblijft?’

‘Weggooien is het laatste dat je weggooit.’

‘En dan ben je eindelijk alles kwijt?’

‘En dan heb je eindelijk alles terug.’

-137-

Op de vleugels van de wind

X: Gods wegen zijn wonderbaarlijk.

H: Ik weet zelfs niet waar ze liggen.

X: Wie kan het oneindige bevatten?

H: Wiskundigen zijn daar heel goed in.

X: Ik heb het over het numineuze.

H: Even mijn woordenboek pakken.

X: Het leven is één groot mysterie.

H: Dan zou je dat ook niet weten.

X: ‘Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen.’

H: Hè?

X: Wat?

H: Dat is de langste zin die ik je ooit heb horen spreken.

X: Romeinen 11:33.

H: Die wisten wel waar Abraham de mosterd haalt.

X: ‘De wind is heel snel en behendig: je weet niet vanwaar hij komt en waar hij heen wil. Deze wind is de allerinnerlijkste mens, de verborgen, hoogste mens, naar Gods beeld en godsvormig. Die gaat ver boven alle begrip uit en boven alles wat we met ons werkende verstand kunnen bedenken. Op de vleugels van de wind wiekt de geest steeds boven zichzelf uit, hoger dan ooit een adelaar opvloog in de richting van de liefelijke zon of het vuur opsteeg naar de hemel: zo wiekt de geest op naar de goddelijke duisternis, zoals Job zei: Zo is voor de mens de weg verborgen en is gehuld in duisternis; op naar de duisternis van de onbekendheid van God, daar waar Hij is boven alles wat men Hem kan toeschrijven, daar waar Hij naamloos, vormloos, beeldloos is boven alle zijnswijzen en boven al het zijn uit.’

H: Amen.

X: Aldus sprak de veertiende-eeuwse Rijnlandse mysticus Johannes Tauber.

H: En dat ken jij uit je hoofd?

X: Voor mij zijn het tijdloze woorden.

H: Andermans woorden.

X: Woorden zijn woorden.

H: En wat zegt de veertiende-eeuwse Rijnlandse mysticus Johannes Tauber volgens jou?

X: Ik… het leven… hoe onbegrijpelijk… bescheidenheid siert de mens die… in het aangezicht van… hier past alleen… tjemig.

H: Volgens mij bedoel je gewoon dat je niks van het leven snapt.

X: …

H: Of niet soms.

X: Daar kon je weleens gelijk in hebben.

H: Zeg dat dan meteen.

-138-

De negatieve weg gaat nergens heen

H: Waartoe zijn wij volgens jou op aarde?

X: Om het goddelijke in onszelf te ontdekken.

H: Hoe moeten wij volgens jou het goddelijke benaderen?

X: Het goddelijke laat zich alleen langs de via negativa benaderen.

H: Langs de wat?

X: De negatieve weg. ‘Niet dit, niet dat.’ Neti neti.

H: Wat moet ik me daarbij voorstellen?

X: Je geeft een opsomming van allerlei begrippen of tegenstellingen waaraan het onzegbare ongelijk is.

H: Geef eens een voorbeeld.

X: God is liefde noch haat, één noch veel, begrensd noch onbegrensd, persoonlijk noch onpersoonlijk, menselijk noch onmenselijk, bestaand noch onbestaand.

H: Wat is god dan wel?

X: Tja.

H: Is dat wat hij is of weet je het niet?

X: Als ik het wist zou ik de via negativa niet bewandelen.

H: Dus eigenlijk is de via negativa een stijlfiguur om duidelijk te maken dat je iets niet weet?

X: Het is een methode om boven het bekende uit te stijgen.

H: Is ‘een methode om boven het bekende uit te stijgen’ niet gewoon het volgende eufemisme voor ‘ik weet het eigenlijk niet’?

X: Ik weet het eigenlijk niet.

H: Dat ook al niet?

X: Ik ben bang van wel.

H: Zeg dat dan meteen.

-139-

Laat je niet aan de haak slaan

Visserslatijn.

Beste Hans,

Ik heb al heel wat ‘dwaalteksten’ gelezen, maar ik snap nog altijd niet waar je op uit bent. Vaak zeg je dat je niets te zeggen hebt. Dat wil er bij mij niet in. Je schrijft toch niet voor niets? Bovendien zeg je ook weleens dat je zelfs niet niets te zeggen hebt. Zelfs niet niets is gewoon weer iets, of niet soms. Welk iets?

Bij jou vang je altijd bot. Je zegt jezelf niet als iemand te zien en niet als niemand, niet als iets en niet als niets. Ik kan niet uit de voeten met alleen maar negatieve aanduidingen. Toe nou, zeg eens iets!

Beste X,

Een mysticus gebruikt negatieve uitspraken om het onzegbare te zeggen of het onduidbare te duiden, maar dat is niet het enige wat je ermee doen kan.

Ikzelf gebruik ze om het denken aan de kaak te stellen. De ongelooflijke goedgelovigheid waarmee we voortdurend onze eigen en toegeëigende gedachten bejegenen. Gedachten, zowel bevestigende als ontkennende, over onze persoon, over onze ware aard, over god, over ethiek, over de weg, over de zin van het leven, over het denken, over liefde, mededogen, lijden, geluk, bejegening en goedgelovigheid – over wat dan ook. Nu deze weer.

Als ik zeg dat ik niet iemand en niet niemand ben dan bedoel ik daarmee niet dat ‘ik’ een illusie is die gekend wordt door het ware zelf of zo, maar dat de persoon Hans van Dam, ooit een vast uitgangspunt van mijn denken, voor mij op losse schroeven is komen te staan, zonder dat er iets voor in de plaats is gekomen.

Ik kan niet heilig geloven in Hans, vorm, ziel, atman, brahman god of zelf, maar ook niet in niet-Hans, leegte, geen-ziel, anatman, parabrahman, niet-zelf of niet-geloven. Ik heb geen idee of dat alleen maar ideeën zijn of namen van realiteiten, terwijl ook het onderscheid tussen idee en realiteit mij bij nader inzien ontglipt.

Laat ik het zo zeggen: hoe groot is volgens jou de kans dat je een vis vangt als je in een pot met pieren zit te hengelen?

X: De geest is een pot met pieren?

H: Dan is dit een van die pieren.

X: We moeten ons niet aan de haak laten slaan.

H: Ook niet door deze gedachte.

X: Niet-weten is knabbelen, niet bijten.

H: Klinkt meer als niet-eten.

X: Hoe zou jij het zeggen?

H: Je zit nog steeds te hengelen.

X: Ik denk dat ik maar ga vissen.

H: Niet tegen de wind in pissen.

-140-

Ontkennen of ont-kennen? Apofase, via negativa, neti neti en sunyata

‘Apofatisch’ betekent ontkennend, in tegenstelling tot ‘katafatisch’, bevestigend.

Een apofatische manier van spreken of schrijven gebruik je om iets aan te duiden, bijvoorbeeld God of het Mysterie of de Tao, dat je alleen maar weet te omschrijven door te zeggen wat het niet is.

Alles wat je erover zegt zou teveel zijn omdat het apofatische van zichzelf onzegbaar is, ondenkbaar, onbenoembaar, onuitsprekelijk, ondefinieerbaar, ongrijpbaar.

Ook van een methodiek of een filosofie kan je zeggen dat zij apofatisch is

Hierbij kan je denken aan de socratische vraagmethode in de Dialogen van Plato of aan de postmoderne deconstructie.

Het zelfstandig naamwoord ‘apofase’ is afgeleid van het Griekse apophasis, ‘ontkenning’, en wordt in het Nederlands weinig gebruikt.

Apofatische benadering van God

De apofatische benadering van God heet in de mystiek de via negativa, en in het hindoeïsme neti neti – niet dit, niet dat.

De apofatische benadering staat tegenover de katafatische benadering of via positiva, waarin het subject op stellige, stellende wijze wordt beschrijven.

Een van de beroemdste voorbeelden van de via negativa is het traktaatje Over mystieke theologie van Pseudo-Dionysius de Areopagiet.

Hoofdstuk IV gaat zo:

En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; en niet op een plaats is; en niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; en ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; en ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; en dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; en niet licht ontbeert; en zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

Apofase in het boeddhisme

In het boeddhisme heeft de apofase drie gedaantes aangenomen:

1. de gedaante van leegte (Sanskriet: sunyata, Pali: sunnata),

2. de gedaante van niet-zelf (anatman, anatta) en

3. de gedaante van afhankelijk ontstaan (pratītya-samutpāda, paticca samuppada), ook wel afhankelijk bestaan en interzijn genoemd.

Sommige boeddhisten vatten leegte op als een transcendente werkelijkheid: dé leegte.

Andere boeddhisten vatten leegte op als een kenmerk van de alledaagse werkelijkheid: het leeg zijn daarvan, dat wil zeggen, zonder ziel, wezen, essentie, substantie, vastigheid of eigenheid zijn.

Een schoolvoorbeeld van een apofatische boeddhistische tekst is de Diamantsoetra.

Een ander schoolvoorbeeld is Zeventig verzen over de leegte van Nagarjuna. Verzen 9 en 10 klinken zo:

Vergankelijk bestaat niet, onvergankelijk bestaat niet, niet-zelf bestaat niet, zelf bestaat niet, onzuiverheid bestaat niet, zuiverheid bestaat niet, geluk bestaat niet en lijden bestaat niet. Daarom bestaan er ook geen onjuiste zienswijzen. Derhalve bestaat er geen onwetendheid gebaseerd op onjuiste zienswijzen. Zonder onwetendheid ontstaat er geen karma. Zo ook voor de andere tien oorzaken van het lijden.

Apofase in niet-weten

Teksten over niet-weten zijn bijna altijd apofatisch, ontkennend.

Wat zou een weetniet ook moeten bevestigen?

Dwaalteksten zijn soms niet meer dan een reeks of hiërarchie van ontkenningen of tegenwerpingen op een beginstelling.

In mijn woordenboek is niet-weten een werkwoord.

Als schrijver ben ik niet geïnteresseerd in het ongrijpbare maar in niet-grijpen.

Ik ben niet geïnteresseerd in het onkenbare maar in niet-kennen.

Ik ben niet geïnteresseerd in het onduidbare maar in niet-duiden.

Ik ben niet geïnteresseerd in het onzegbare maar in niet-zeggen.

Dwaalteksten zijn van dat niet-grijpen, niet-kennen, niet-duiden en niet-zeggen een demonstratie.

Dáárin zit voor mij de bevrijding.

De rest is kosmologie.

Kosmologie heeft tot doel de werkelijkheid te vangen in een gedachte.

In werkelijkheid vangt het de denker in zijn gedachten over de kosmos.

Of is dat ook maar een gedachte?

Niet apofatisch maar afatisch – met stomheid geslagen

Dwaalteksten verwijzen dus niet naar een of andere onkenbare immanentie of transcendentie, zoals het ware zelf of je oorspronkelijke gezicht of het eeuwige heden of het absolute of de leegte of de boeddhanatuur of het numineuze of het mysterie of het ene of de non-dualiteit of de oorspronkelijke geest of de godheid of het bewustzijn of het zijn.

Omdat ik het allemaal niet meer weet, maar dan ook helemaal niet meer, ben ik niet in staat om zelfs maar één zinvolle uitspraak over deze kwestie te doen, apofatisch, katafatisch of anderszins, of over welke filosofische, religieuze of spirituele kwestie ook.

Afatisch is wat ik ben – met stomheid geslagen.

Al zou je het soms niet zeggen.

-141-

Nada! Nada! Nada! Lege mystiek voor een vol hart

Wat zag Jan van het Kruis op de hoogste piek van de berg Karmel? Wat zagen Meister Eckhart, Rumi, Hafiz, Wumen Huikai en Angelus Silesius? ‘Nada! Nada! Nada!’ Dwaalgesprek in 8 delen over de negatieve weg, de directe weg, de sprekende stilte en de leegte van de leegte.

‘Het hoogste en uiterste wat een mens omwille van God kan loslaten, is God zelf.’

God, daar vraag je me wat

Nadia: Mag ik je iets vragen over religie?

Hans: Weet wel aan wie je het vraagt.

Nadia: Hoezo?

Hans: Johannes Nicolaas van Dam, exegeet van het lege geloof.

Nadia: Iets over Meister Eckhart.

Hans: Weet wel over wie je wat vraagt.

Nadia: Is Meister Eckhart volgens jou op de top van de berg geweest?

Hans: Volgens mij hield Meister Eckhart zich liever op de vlakte.

Nadia: Ik bedoel, figuurlijk gesproken.

Hans: Als ik nee zeg kun je niet verder, hè?

Nadia: Nee.

Hans: Nou, laten we dan maar even veronderstellen dat hij er geweest is.

Nadia: Wat heeft hij daar aanschouwd volgens jou?

Hans: God, daar vraag je me wat.

Nadia: Je hebt zijn teksten toch onder ogen gehad?

Hans: Jij toch ook?

Nadia: Denk je dat Meister Eckhart daar net als jij de leegte heeft aanschouwd?

Hans: Eerst maar eens vaststellen of ik wel op de top ben geweest en daar de leegte heb aanschouwd.

Nadia: Ben jij op de top geweest en heb je daar de leegte aanschouwd?

Hans: Misschien dat ik, of wie het ook is, als het al iemand is, daarboven, of hier beneden, of waar het ook is, de leegte heb aanschouwd, of aanschouw, of erdoor aanschouwd wordt, of wat het ook is – de lege leer, het lege boek, de lege boodschap, niet-weten – geen idee. Verder kan ik echt niet gaan.

Nadia: En Meister Eckhart?

Hans: Over Meister Eckhart wil ik zwijgen.

Dichter bij God door niets te bevestigen: de via negativa

Nadia: Volgens Meister Eckhart is God de allerhoogste. Hij zegt:

‘Hij is boven alle zijn en niet zijn verheven. Hij is boven alle kennis verheven. Hij is boven alle liefde en beminnenswaardigheid verheven. Hij is een leven boven alle leven, een licht boven alle licht, ja, God is boven alle definities verheven.’

Hans: Allemachtig.

Nadia: Nou jij weer.

Hans: Hij is boven alle zijn en niet zijn verheven. Wat betekent dat?

Nadia: Dat Hij het zijn en het niet zijn in zich verenigt?

Hans: Niet dat hij is noch niet is?

Nadia: Zou best kunnen, maar wat moet ik me daarbij voorstellen?

Hans: Hij is boven alle kennis verheven. Wat betekent dat?

Nadia: Dat Hij alle kennis en onkunde in zich draagt?

Hans: Niet dat hij kenbaar noch onkenbaar is?

Nadia: Zou best kunnen, maar waar hebben we het dan nog over?

Hans: Hij is boven liefde en beminnenswaardigheid. Wat betekent dat?

Nadia: Dat Hij niet de liefde is? Dat Hij niet beminnenswaardig is? Dat Hij de liefde en haar tegenpool in zich verenigt?

Hans: Niet dat hij niet langs de weg van de liefde benaderd kan worden?

Nadia: Zou best kunnen, maar hoe dan wel?

Hans: Hij is een leven boven alle leven, wat betekent dat?

Nadia: Dat Hij boven leven en dood staat?

Hans: Niet dat hij nergens bij in te delen valt?

Nadia: Zou best kunnen, maar wat is hij dan wel?

Hans: Hij is een licht boven alle licht, wat betekent dat?

Nadia: Dat Hij oogverblindend is?

Hans: Dat wil zeggen, onzichtbaar?

Nadia: Zou best kunnen, maar hoe manifesteert hij zich dan wel?

Hans: Hij is boven alle definities verheven, wat betekent dat?

Nadia: Dat Hij… dat Hij…

Hans: Dat er niets maar dan ook niets over hem te zeggen valt?

Nadia: Jij maakt overal iets negatiefs van!

Hans: Nietes.

Nadia: Welles.

Hans: Ik stel alleen maar vragen.

Nadia: Maar dat staat er toch niet?

Hans: Wat staat er dan wel?

Nadia: Dat Hij hoger is dan alles wat men van Hem kan zeggen. Dat is iets positiefs.

Hans: Is hij dan niet verheven boven positief en negatief? Boven hoog en laag? Boven aards en verheven?

Nadia: Dat… zal haast wel.

Hans: Nou dan.

Unwissen, nichtwissen, vergezzen

Nadia: Oké, ik snap het. Eens kijken wat je hierop te zeggen hebt. Volgens Meister Eckhart is God eeuwig en ongeworden. Hij is de eerste oorzaak van al het geschapene. Hij is puur, helder, onverdeeld één.

Hans: Is hij dan niet verheven boven tijdelijk en eeuwig? Boven ongeworden en geworden? Boven oorzaak en gevolg? Boven helder en troebel? Boven verdeeld en onverdeeld? Boven één, twee, veel, geen?

Nadia: Meister Eckhart zegt ook,

‘Hij is een levend, werkelijk bestaand verstand dat zichzelf begrijpt. Hij leeft en is blij dat Hij is – dat is de vreugde van de Heer.’

Hans: Is hij dan niet verheven boven werkelijk en onwerkelijk? Boven begrip en onbegrip? Boven blij en droevig? Boven vreugde en verdriet? Boven Hij, Zij en Het?

Nadia: Wat ben jij eenzijdig zeg, met al dat ontkennen.

Hans: En Meester Eckhart eet van twee walletjes.

Nadia: Hoezo?

Hans: Hij duidt Hem en hij duidt Hem niet.

Nadia: Als je dat maar weet.

Hans: Maar in de meeste gevallen duidt hij Hem niet.

Nadia: Het is maar net waar je de nadruk op legt.

Hans: Ik kan ook citeren hoor.

‘God is naamloos, want niemand kan iets over hem zeggen of weten. Als ik dus zeg: God is goed, dan is dat niet waar. Als ik zeg: God is wijs – het is niet waar. Als ik zeg: God is zijn – het is niet waar. Als ik zeg: God is niet zijn, het is niet waar. Over God kan men alleen maar zwijgen. Je moet niets over hem willen weten. Als er iets is wat je van hem denkt te kennen, dan is Hij dat niet. Hij is niet hier of daar. Hij is niet dit of dat. Hij is niet beminnenswaardig. Hij is geen geest. Hij is geen persoon. Hij is geen Hij. Hij is geen Het. Hij is op geen enkele wijze begrippelijk. Hij is ook niet nuttig. Wie Hem zoekt voor uiterlijke rijkdom of innerlijke troost zal hem niet vinden. Het hoogste en uiterste wat een mens omwille van God kan loslaten, is God zelf. In de grond van de godheid ontwordt zelfs God. God is de eeuwige afgrond van het goddelijke zijn.’

Nou jij weer.

Nadia: Zegt Meister Eckhart?

Hans: Zegt Meister Eckhart.

Nadia: Niet te geloven.

Hans: Zowel de weg naar God als de goddelijke ervaring zelf worden door hem aangeduid met de termen unwissen, nichtwissen en vergezzen.

Nadia: Jezus.

Hans: Volgens Eckhart mag Hij geen naam hebben.

Nadia: Als ik niet beter wist, zou ik zeggen dat hij God hier volledig ontkent.

Hans: Dat zou hij vast ontkennen.

Nadia: Zelfs dát zou hij ontkennen?

Hans: Als ik hem juist inschat.

Nadia: Ik had hem heel anders ingeschat.

Hans: Zo leeg is nou zijn god.

Nadia: Maar waarom noemt hij God dan één, eeuwig en ongeworden?

Hans: Omdat hij in de ban was van het monistische idealisme van Pseudo-Dionysius? Omdat hij mooie eenheidservaringen had? Omdat hij een kind van zijn tijd was? Als concessie aan zijn christelijke gehoor? Om de inquisitie om de tuin te leiden? Omdat hij, net als ik, niks beters wist te verzinnen dan zichzelf voortdurend tegen te spreken? Omdat hij niet anders kon?

Nadia: Tja.

Hans: Ik dacht dat je het nooit zou zeggen.

Recht naar het hart door leeg te worden: de via recta

Nadia: Als je God op geen enkele wijze kunt kennen en als Hij zich ook niet laat beminnen, hoe moet je Hem dan benaderen?

Hans: Volgens Eckhart door jezelf zoveel mogelijk aan hem gelijk te maken. Door hem ‘niet-geestelijk’ lief te hebben.

Nadia: Hoe doe je dat?

Hans: Zo dat je ziel niet-geestelijk is. Je ziel moet zich losmaken van alle beelden en begrippen. Helemaal leeg worden. Je moet Hem liefhebben zoals hij is.

Nadia: Maar hoe is Hij dan? Wie is Hij dan? Wat is Hij dan?

Hans: Hij is wat jij bent, zegt Eckhart.

Nadia: Wat ben ik dan?

Hans: Het volstrekt onbekende. Niet-god. Niet-geest. Niet-persoon. Niet-beeld. Niet-weten. Leegte.

Nadia: Hoe kom ik tot mezelf?

Hans: Zoals je tot de wereld komt.

Nadia: Hoe kom ik tot de wereld?

Hans: Zoals je tot god komt.

Nadia: Hoe komt ik tot God?

Hans: Zoals je tot jezelf komt.

Nadia: Nou weet ik weer niks.

Hans: Zo kom je tot jezelf.

Nadia: Maar wat betekent dat dan?

Hans: Tot jezelf komen betekent ieder zelfbeeld wissen. Tot de wereld komen betekent ieder wereldbeeld wissen. Tot god komen betekent ieder godsbeeld wissen.

Nadia: Maar waartoe kom je dan nog?

Hans: Nou?

Nadia: Tot het ene, zou ik zeggen. Tot eenheid.

Hans: Alleen als je nog niet alle beelden bent kwijtgeraakt.

Nadia: Dat snap ik niet. Hoe zou er zonder beelden nog onderscheid kunnen zijn?

Hans: Dat snap ik niet. Hoe zou er zonder beelden nog eenheid kunnen zijn?

Nadia: Want eenheid is een beeld?

Hans: Wat anders?

De hoogste poëzie

Nadia: Waarom zegt Meister Eckhart dan: “Je moet aan jouw jij-zijn ontzinken en in zijn hij-zijn wegvloeien, en jouw ‘jij’ moet in zijn ‘hij’ een ‘mijn’ worden”?

Hans: Wat zegt hij daar volgens jou?

Nadia: Dat ik Hem moet worden?

Hans: En wat is Hij?

Nadia: Het volstrekt onbekende?

Hans: En wat ben jij?

Nadia: Het volstrekt onbekende?

Hans: En wat is het verschil tussen het volstrekt onbekende en het volstrekt onbekende?

Nadia: Ja, hoe weet ik dat nou!

Hans: En wat is de overeenkomst tussen het volstrekt onbekende en het volstrekt onbekende?

Nadia: Het volstrekt onbekende.

Hans: Niet slecht.

Nadia: Maar ook niet goed?

Hans: Het is nog steeds teveel gezegd.

Nadia: Ga weg.

Hans: Als je spreekt van het volstrekt onbekende dan heb je het nog altijd over een object, over iets met eigenschappen. Om nog maar te zwijgen over het subject dat het object in kwestie niet zou kunnen kennen.

Nadia: Welke eigenschappen bedoel je? Ik zie ze niet.

Hans: Zijn en onkenbaarheid.

Nadia: Dat is nog steeds teveel gezegd?

Hans: Snap je?

Nadia: Want er is geen God en er is geen ik?

Hans: Dat is nog steeds teveel gezegd.

Nadia: Wat moet ik dan zeggen?

Hans: Waarom zou je iets zeggen?

Nadia: Bedoel je dat je niets moet zeggen?

Hans: Dat is ook zo nietszeggend.

Nadia: Wat zou jij zeggen?

Hans: Tja.

Nadia: Een nederig tussenwerpsel.

Hans: Voor mij is het de hoogste poëzie.

Nadia: Het kortste gedicht.

Hans: Het enige.

Nadia: En wat betekent het?

Hans: Dat ik niet weet.

Nadia: En dat is niet teveel gezegd?

Hans: Jawel.

Nadia: Waarom?

Hans: Omdat ik dat ook niet weet.

Nadia: Wat niet?

Hans: Dat ik niet weet. Maar dat is al verdisconteerd in mijn ‘tja’.

Nadia: Tja betekent dat je niet weet en dat ook niet.

Hans: En dat ook niet, en dat ook niet, en dat ook niet.

Stilte en duisternis

Nadia: Ik kan me nauwelijks voorstellen dat dit het is wat Meister Eckhart wilde zeggen.

Hans: Ik ook niet. Toch deed hij onmiskenbaar zijn best om zo min mogelijk over God te zeggen. Net als Pseudo-Dionysius, Gregorius van Nyssa en Plotinus vóór hem. Net als talloze mystici na hem.

Nadia: Volgens mij overdrijf je het negatieve aspect.

Hans: Eckharts verregaande ontkenningen zijn ook het pauselijk gezag destijds niet ontgaan.

Nadia: O?

Hans: Kort na Eckharts dood heeft paus Johannes XXII zeventien van zijn stellingen beoordeeld als ketters en er nog eens elf bekritiseerd.

Nadia: Dat geeft wel aan dat Meister Eckhart er niet in geslaagd is niets te zeggen.

Hans: Tenzij niet-zeggen door de kerk werd opgevat als heterodoxie.

Nadia: Werd niet-zeggen door de kerk opgevat als heterodoxie?

Hans: Dat moet je aan de kerk vragen.

Nadia: Ik ben niet overtuigd.

Hans: De Duitse meester was heus niet de enige die zo dacht.

Nadia: Wie dan nog meer?

Hans: De soefi-mysticus Rumi zei bijvoorbeeld dingen als ‘Gods wezen is Zijn verborgenheid’.

Nadia: Hm.

Hans: En de soefi-mysticus Hafiz spreekt over de plaats:

waar de adem stokt

ergens waar de geest
zachtjes wiegt
waar het laatste restje
verstand

struikelt en bloost
terwijl het tracht te spreken
in een taal
die nog moet worden
uitgevonden

stompend in een homp klei
op zoek naar het allereerste
ware
beeld
van
God

Nadia: Hm.

Hans: En de Duitse katholieke mysticus Angelus Silesius dichtte in de zeventiende eeuw:

De afgrond van mijn geest
roept aldoor met geschrei
de afgrond aan van God:
welk is het diepst van bei?

En:

Wij bidden: Vader, mij
geschiedde naar uw wil.
En zie: God heeft geen wil
voor eeuwig blijft hij stil.

En:

Gelatenheid vindt God:
God echter zelf te laten
is een gelatenheid
die men niet aan kan praten.

En:

Wat is de eeuwigheid?
Ze is noch dit noch dat.
Noch nu noch iets noch niets.
Ze is ik weet niet wat.

En:

Wie waarlijk arm is wil
met niets door ’t leven gaan.
Bood God hem ook Zichzelf
hij nam ’t geschenk niet aan.

Of om het met Plinius de Jongere te zeggen:

Silentio et tenebris animus alitur.

Alles voorbij

Nadia: En dat betekent?

Hans: Stilte en duisternis voeden de geest.

Nadia: Ondervoeden, zul je bedoelen.

Hans: Goeie definitie van agnose.

Nadia: Wat een armoe.

Hans: Zalig zijn de armen van geest.

Nadia: Ik had me er meer van voorgesteld.

Hans: Niet-weten is geen voorstelling.

Nadia: Wat is het dan wel?

Hans: Geen-voorstelling.

Nadia: Je zou toch verwachten …

Hans: Agnose is vrij van verwachtingen.

Nadia: Wanneer ben je vrij van verwachtingen?

Hans: Wanneer je helemaal zonder zelfbeelden, zonder wereldbeelden en zonder godsbeelden bent.

Wanneer je jezelf, de wereld en God zelfs niet meer ziet als beeldloos of onkenbaar of leeg of identiek.

Wanneer je zelfs niet meer verwacht dat je ooit vrij van beelden en verwachtingen zult zijn.

Wanneer je je zelfs van je leegte hebt ontledigd.

Wanneer je zo ver bent gegaan als je maar gaan kon, en daar nog weer voorbij.

En daar nog weer voorbij.

En daar nog weer voorbij.

Nadia: Gate gate paragate parasamgate.*

* Verder verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij. Mantra uit de Hartsoetra.

Hans: Panta epekeina.*

* Alles voorbij; term van Pseudo-Dionysius de Areopagiet.

De leegte van de leegte

Nadia: Wat zie je dan?

Hans: Ken je het gedicht ‘wu’ dat ch’anmeester Wumen Huikai (Mumon) in de dertiende eeuw schreef na zijn ontwaken?

Nadia: Nee.

Hans: Het gaat zo:

wu wu wu wu wu
wu wu wu wu wu
wu wu wu wu wu

Nadia: Zegt me niets.

Hans: Precies.

Nadia: Hè?

Hans: Wu is Chinees voor nee of niet of leegte.

Nadia: O.

Hans: Zo kun je het ook zeggen.

Nadia: Jij bent zeker de leukste thuis.

Hans: Van de mysticus Johannes van het Kruis is een soortgelijke tekst overgeleverd uit de zestiende eeuw:

nada, nada, nada
nada, nada, nada
aún en el monte
nada
*

* Terug te vinden in de uitleg van Johannes van het Kruis bij de Schets van de Bestijging van de Berg Karmel: ‘Pad naar de berg Karmel - Geest van volmaaktheid: Niets, niets, niets, niets, niets, niets en ook boven op de berg niets.’

Nadia: Zegt me ook niets.

Hans: Nada is Spaans voor niets, leegte:

niets, niets, niets
niets, niets, niets
en ook op de top
niets

Nadia: Hm.

Hans: Waarom schreef Johannes van het Kruis dit? Hoe kom je tot zoiets? Wat denk jij dat hij gezien heeft bovenop die berg?

Nadia: Tja.

Hans: Het Niets dat god heet?

Het Niets dat Johannes van het Kruis heet?

Het Niets dat ziel heet?

Het Niets dat wereld heet?

Het Niets dat dwaasheid heet?

Het Niets dat niet-weten heet?

Niets?

Nadia: Eh …

Hans: Wat denk je dat Johannes van het Kruis bedoelde toen hij de hoogste kennis omschreef als ‘onbepaald’ en ‘zo licht en teer dat de ziel niet in staat is haar te zien of op te merken’?

Nadia: Ik pas.

Hans: ‘O’, ‘hm’, ‘tja’, ‘eh’, ‘ik pas’.

Nadia: En?

Hans: Voor iemand die het nog niet ziet, weet je het prima te verwoorden.