NietWeten.nl


Wit wat je weet met...

Het WITBOEK MYSTIEK

Zalig zijn de armen van geest

Religie zonder dogma's

'God is een poort, een pad uit het woord.' Dwaalteksten over agnose, de mystiek van alledag, de stilte van God en de stilte van niet-weten.

Colofon

Woord: Hans van Dam

Beeld: Lucienne van Dam

Status: in opbouw

Deel 8 van de Agnosereeks

Laatst bijgewerkt op dinsdag 7 februari 2023 om 16:07

Cover van het Witboek Mystiek.

Korte inhoudsopgave

1. Wat je minstens moet weten van God

De lege geloofsbrief.

'Wat weet jij eigenlijk van God, Hans?'

'Minder dan wie ook.'

'Dat lijkt me geen aanbeveling.'

'Integendeel.'

2. Boven alle weten uit – loflied op niet-weten

De lege geest.

Ik drong door waar ik niet wist
en ontdekte het niet-weten
boven alle weten uit.

Ik wist niet waarlangs ik inging,
wie of wat of waar ik was en
wat het was dat ik daar zag, maar
wel dat ik nog nooit gezíen had,
enkel wat ik dácht te zien en
dus van oudsher op de hoogte
boven alle weten uit.

Deemoed, weemoed bracht het mede,
wat een onverwachte wending
van de allergrootste eenvoud
zonder inzet of besluit;
en het was iets zo natuurlijks,
dat de woorden me ontschoten
boven alle weten uit.

Zozeer was ik opgetogen,
zo verdiept en zonder zinnen
dat mijn ikbesef ontdaan
achterbleef bij elk verstaan
en mijn geest zichzelf vervulde
met de leegte van niet-weten
boven alle weten uit.

Wie op die manier geraakt wordt
heeft zich niet meer in de hand,
wat tot dan hij heeft geweten
komt hem voor als dromenland;
en zo luchtig groeit zijn geest nu
dat hij oprijst in niet-weten
boven alle weten uit.

Stijg je hoger, des te minder
kan je er begrip van krijgen
wat het is, de wolkentoren
die de nacht nog holler maakt;
wie er eenmaal in verdiept raakt
blijft voor eeuwig in niet-weten
boven alle weten uit.

En die broze kenneloosheid
is zo onvermogend dat juist
wijzen met hun denkkracht
er niet binnen kunnen gaan;
nooit bereikt hun willen weten
dit niet weten van niet weten
boven alle weten uit.

Van zo hoge onbepaaldheid
is het mateloos niet-weten
dat techniek of wetenschap het
met geen kunstgreep vatten kan;
wie zichzelf ertoe kan zetten
op te houden met begrijpen
die weet spoedig nergens van.

Als het u belieft te horen
die dit met verbazing leest
over 't zogenaamd doorvorsen
van de zogenaamde geest:
't is een kwestie van vergeten
dat zij ons verkrampte weten
in niet-weten overstijgt
omdat hoe-het-ook-mag-heten
van verbazing liever zwijgt.

(Vrij naar het gedicht 'Alle weten overstijgend' van Johannes van het Kruis.)

Alle weten overstijgend – Johannes van het Kruis

Voor wie vergelijken wil volgt nu het oorspronkelijke gedicht van de Spaanse priester Juan de la Cruz. Bron: Johannes van het Kruis, Mystieke Werken, 1963.

Ik drong binnen, waar ik niet wist,
en bevond me in een niet-weten,
alle weten overstijgend.

Ik wist niet waarlangs ik inging,
maar toen ik zag dat ik daar was,
zonder dat ik wist waar ergens,
kreeg ik zicht op grote dingen;
toch weet ik niet wat ik zag;
want ik bleef in een niet-weten,
alle weten overstijgend.

Vrede en vroomheid ging ze aan,
deze zeer volkomen kennis,
in de diepste eenzaamheid
zonder middel aangeworven;
en het was iets zo verborgens,
dat ik er slechts van kan staam'len,
alle weten overstijgend.

Zo zeer was ik opgetogen,
zo verdiept en zo van zinnen,
dat mijn zelfbesef ontledigd
achterbleef van alle ervaren
en de geest verrijkt werd met een
door-niet-te-verstaan begrijpen,
alle weten overstijgend.

Wie daartoe geraakt – ja waarlijk -
houdt zichzelf niet meer in handen;
wat tot dan hij heeft geweten
komt hem voor als zeer onedel;
en zo machtig groeit zijn kennis,
dat hij blijft in een niet-weten,
alle weten overstijgend.

Stijgt men hoger, des te minder
kan men er begrip van krijgen,
wat het is: die duist're wolkzuil
die de donk're nacht verheldert;
wie eens van dit weten weet had,
blijft dan ook in een niet-weten,
alle weten overstijgend.

En dit niet-wetende weten
is van een zo hoog vermogen,
dat de wijzen met hun denkkracht
het nooit kunnen overtreffen;
nooit bereikt hun weten dit
door-niet-te-verstaan begrijpen,
alle weten overstijgend.

Van zo hoge uitnemendheid ook
is dit allerhoogste weten,
dat er wetenschap noch geestkracht
is, die dit bewerken kan;
wie zichzelf ertoe kan brengen
door-niet-te-verstaan te weten,
zal steeds meer hierin doordringen.

En als 't u belieft te horen:
d'aard van deze hoge kennis
is een allerhoogst besef
van het Wezen van de Godheid;
't is het werk van haar erbarmen
als Zij alle weten in dit
niet-weten doet overstijgen

3. God is een boek met zeven zegels

De lege openbaring.

Zeven zegels

1. Toen zag ik dit: degene die op de troon zat had in zijn rechterhand een boekrol die aan beide kanten beschreven was en met zeven zegels was verzegeld.

2. Ik zag een machtige engel die met luide stem uitriep: 'Wie komt het toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?'

3. Maar er was niemand in de hemel of op aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen en inzien.

(Openbaringen 5:1-3)

De uitdrukking 'een boek met zeven zegels', ontleend aan het boek Openbaringen, staat voor een groot geheim, een zaak waarvan niets bekend is.

God is een boek met zeven zegels. Er is niemand in de hemel of op aarde die het lezen kan. Is dat een openbaring of niet?

Zeven vragen

Een week heeft zeven dagen. Volgens Genesis is zeven het aantal dagen dat nodig was voor de schepping. Zes daarvan waren scheppingsdagen, de zevende was een rustdag.

Op die dag, de zevende, kwamen de vragen, want de schepper is zo mogelijk nog moeilijker te bevatten dan de schepping, en ledigheid is des denkers oorkussen.

1. Wie schiep de schepper?

2. Waarom schiep hij de schepping?

3. Waarom had hij een rustdag nodig?

4. Was hij in de eeuwigheid voor de schepping ook al aan het uitrusten, en zo ja, waarvan?

5. Is hij nu nog steeds aan het uitrusten, en zo ja, hoelang?

6. Is de schepping zelf goddelijk of alleen de schepper?

7. Is de schepper zelf de schepping of alleen in de schepping?

Zodra je ophoudt verhalen voor lief te nemen worden antwoorden vragen. Vragen zijn zegels, ze verzegelen openbaringen. Er zijn evenveel zegels als zaken die je niet vat.

Zaken die je niet vat zijn zegels doordat je ze wilt vatten. Voor wie ze niet verbreken wil zijn zegels was. Voor wie zegels was zijn is het boek met zeven zegels nooit geweest.

Zeven vreugden

Wie ze nog denkt te kunnen verbreken zal de Zeven Zegels liever de Zeven Heuvels noemen.

Wie ze vergeefs heeft beklommen zal de Zeven Heuvels liever de Zeven Smarten noemen.

Wie berust in zijn verlies zal de Zeven Smarten liever de Zeven Zuchten noemen.

Wie ontspant in zijn berusting, zoals ik, zal de Zeven Zuchten liever de Zeven Vreugden noemen. Erover zwijgen zonder woorden te versmaden. Erover zingen zonder de stilte te verbreken.

Een hele kunst, zou je denken, maar stilte is het wezen van de ruimte.

Ruimte is het wezen van mystiek.

Zeven minstrelen in de ruimte.
^ De Zeven Vreugden.

4. Vader, waarom kan ik u niet horen?

De lege vader.

'Vader, waarom kan ik u zien?'

Vader legt zijn hand op mijn ogen.

'Komt het door mij?'

Vader gaat achter het kamerscherm staan.

'Komt het door de leegte tussen ons?'

Vader doet het licht uit.

'Komt het door de lamp?'

Vader verlaat de kamer.

'Komt het door u?'

'Vader?'

'Vader, waarom kan ik u niet zien?'

Ik leg mijn hand op mijn ogen.

Ik ga achter het kamerscherm staan.

Ik doe het licht aan.

Ik verlaat de kamer.

Daar staat vader.

'Vader, waarom kan ik u zien?
Komt het door Edison?
Komt het door het lichtnet?
Komt het door de krachtcentrales?
Komt het door de materie?
Komt het door mijn hersenen?
Komt het door opa en oma?
Komt het door de voortplanting?
Komt het door de evolutie?
Komt het door de aarde?
Komt het door de zon?
Komt het door God?
Komt het door alles?
Komt het door niets?'

Ik pak zijn hand.

Waarom kan ik hem voelen?

'Vader, waarom kan ik u niet horen?'

5. Dichter van God

De lege taal.

God zwijgt in alle talen
Ik zwijg in alle talen
Hij peilt de stilte in mij

Ik zwijg in alle talen
God zwijgt in alle talen
Zo blijft hij dichter bij mij

6. Niet-weten als geboortegrond van God

De lege metafoor.

Monnik: Is God een metafoor voor stilte?

Meester: Wie weet.

Monnik: Of is stilte een metafoor voor God?

Meester: Wie weet.

Monnik: Het is het een of het ander, lijkt mij.

Meester: Of beide of geen van beide.

Monnik: Maar wat staat hier voor wat?

Meester: Een leegte voor een gat?

Monnik: Waar staat dat gat dan voor?

Meester: Ik denk een metafoor.

Monnik: Ik sta hier voor Piet Snot.

Meester: Geboortegrond van God.

7. Wat in geen godsdienst past

De lege vraag.

Beste Hans,

Als Veronica Peters na twaalf jaar uit het klooster treedt, vraagt iemand:

'Hoe sta je nu tegenover godsdienst?'

'Na tien jaar nadenken weet ik gewoon niets.'

'De vraag blijft open?'

'Dat in elk geval.'

(bron: Wat in twee koffers past, pagina 232)

Hoe sta jij nu tegenover godsdienst?

Beste Petra,

Na vijftig jaar nadenken weet ik gewoon niets.

Petra: De vraag blijft open?

Hans: Na vijftig jaar nadenken vraag ik gewoon niets.

Petra: Hoe is het om na vijftig jaar nadenken niets meer te weten of te vragen?

Hans: Hemels gewoon.

Alternatieve titels

1. Wat in geen klooster past

2. Wat in geen wereld past

3. Wat in geen hemel past

4. Wat in geen geest past

5. Wat in geen tekst past

6. Wat in geen titel past

7. Wat in geen god past

8. Het vragenvuur als purgatorium

De lege ontvangenis.

Monnik: Waarom verbreekt God nooit het stilzwijgen?

Meester: Omdat God stilzwijgen is?

Monnik: Waarin onderscheidt het goddelijk stilzwijgen zich van andere vormen van stilzwijgen?

Meester: In dat het nooit verbroken wordt?

Monnik: Hoe wek ik het goddelijk stilzwijgen op in mezelf?

Meester: Door vragen te stellen.

Monnik: Aan wie?

Meester: Aan wie dan ook.

Monnik: Aan God? Aan mezelf? Aan een leraar?

Meester: Allemaal goed.

Monnik: Wat voor vragen?

Meester: Levensbeschouwelijke vragen. Spirituele vragen. Religieuze vragen. Filosofische vragen. Psychologische vragen. Metafysische vragen. Existentiële vragen. Ethische vragen. Wat er maar in je opkomt.

Monnik: Leiden vragen niet tot antwoorden?

Meester: Talrijk als de sterren.

Monnik: Hoe moet ik daarmee omgaan?

Meester: Inventariseren. Onderzoeken. Omarmen. Verwerpen. Negeren. Wat er maar in je opkomt.

Monnik: Hoelang moet ik doorgaan met vragen stellen?

Meester: Tot de antwoorden uitblijven.

Monnik: Bij wie?

Meester: Bij wie dan ook.

Monnik: En dan?

Meester: Doorgaan met vragen stellen.

Monnik: Aan wie?

Meester: Aan wie dan ook.

Monnik: Hoe lang?

Meester: Tot de vragen uitblijven.

Monnik: En dan?

Meester: ...

Monnik: Nou?

Meester: ...

Monnik: ...

Meester: ...

Monnik: Is dit nou het stilzwijgen van God?

Meester: Vraag het dan maar aan God.

9. De schepping van het lijden

Acht voorspellingen.

Meester Nebbisj zegt:

Wie gelooft schept heidenen en brengt lijden onder de mensen.

Wie oordeelt schept zonden en brengt lijden onder de mensen.

Wie verbiedt schept ongehoorzaamheid en brengt lijden onder de mensen.

Wie heerst schept weerstand en brengt lijden onder de mensen.

Wie voorgaat schept volgers en brengt lijden onder de mensen.

Wie verenigt schept verdeeldheid en brengt lijden onder de mensen.

Wie spreekt schept betekenis en brengt lijden onder de mensen.

Wie zwijgt schept geheimen en brengt lijden onder de mensen.

Wie niet weet -

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

10. Als godsbeelden konden spreken

Reflecties van een diep, verblindend duister.

'Hans, wat is God voor jou?'

'Beeldspraak.'

'Waarvoor?'

'Een diep, verblindend duister.'

'Wat is een diep, verblindend duister voor jou?'

'Beeldspraak.'

'Waarvoor?'

'Niet-weten.'

'Wat is niet-weten voor jou?'

'Beeldspraak.'

'Waarvoor?'

'God mag het weten.'

'Wat is God voor jou?'

11. Ken jezelf (maar niet te goed)

Onpersoonlijke voornaamwoorden.

Ik ken God als mijn lief.

Ik ken mijn lief als mezelf.

Ik ken mezelf als geen ander.

Er is geen ander die ik ken.

Zo goed ken ik jou nog wel.

Zo goed ken ik mij nog wel.

Zo goed ken ik haar nog wel.

Zo goed ken ik Hem nog wel.

Als wie ken jij jou?

12. De hoogmoed van Rumi

Agnose als het uiterste van zelfmindering.

Beste Hans,

"Verlichting is je kleinheid realiseren", lees ik in het Witboek Verlichting, en in het Witboek Taoïsme: "Groot is wie zijn kleinheid kent".

Rumi schreef:

"Wie zegt 'Ik ben de knecht van God', suggereert dat er twee bestaanswijzen zijn, die van hemzelf en die van God, maar wie zegt, 'Ik ben God', heeft zichzelf niet-bestaand gemaakt, zichzelf opgegeven en zegt eigenlijk 'Ik ben niets, Hij is alles: er is geen zijn dan Gods zijn.' Dit is het uiterste van deemoed en zelfmindering."

Beste Joris,

Wie zichzelf opgeeft, niet-bestaand maakt, zegt eigenlijk: 'Hij is alles, er is geen zijn dan Gods zijn, ik ben Hij.' Dit is het uiterste van hoogmoed en zelfmeerdering.

Wie naar waarheid zegt 'Ik weet het niet', laat alles open. Dat is het uiterste van deemoed en zelfmindering.

Lees ook: Rumi en het pad van de verbijstering (in het Witboek Soefisme).

13. Wat ik aan God offerde, en aan Nasruddin

De yogi, de priester en de agnost.

Beste Hans,

In Where are you going (1994, pagina 157) vertelt swami Muktananda het volgende verhaal:

"Een yogi, een priester en Nasruddin vertelden elkaar wat ze voor God over hadden.

De yogi trok een cirkel op de grond en zei: alles wat ik krijg gooi ik in de lucht. Wat binnen de cirkel valt is voor God, wat erbuiten valt is voor mij.

De priester trok een cirkel op de grond en zei: alles wat ik krijg gooi ik in de lucht. Wat buiten de cirkel valt is voor God, wat erbinnen valt is voor mij.

Nasruddin zei: ik doe niet aan cirkels. Alles wat ik krijg gooi ik in de lucht. God neemt wat hij hebben wil, wat op de grond valt is voor mij."

Waar ik nou zo benieuwd naar ben: wat zei Hans?

Beste Yaël,

Hans zei: Ik sprong een gat in de lucht en viel een gat in de grond maar niemand wou me hebben.

Yaël: Mijn vraag is eigenlijk, wat offert een agnost aan God?

Hans: God.

Yaël: Jij hebt God aan God geofferd?

Hans: Iets groters had ik niet.

Yaël: Behalve het niet-weten natuurlijk.

Hans: Ook opgeofferd.

Yaël: Maar?

Hans: Niemand wil het hebben.

14. Op de weg naar het rijk staat een rijk in de weg

Wat doe je eraan?

Meester Nebbisj zegt:

Het rijk staat op de weg naar het rijk.

Alleen door het rijk te vernietigen, maakt u de weg vrij.

Maar waar is dan het rijk?

Waarheen gaat dan de weg?

Wie zal hem dan nog gaan?

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

15. Hoe Agnostinus de Inquisitie te dom af was

Summa tetralogica.

Inquisiteur: Denkt u dat God bestaat, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat God bestaat, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Denkt u dan dat God niet bestaat, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat God niet bestaat, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Denkt u dan dat God zowel bestaat als niet bestaat, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat God zowel bestaat als niet bestaat, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Denkt u dan dat God noch bestaat noch niet bestaat, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat God noch bestaat noch niet bestaat, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Wat denkt u wel?

Agnostinus: Ik weet het niet.

Inquisiteur: Hoe denkt u dan?

Agnostinus: Zoals u ziet.

Inquisiteur: Denkt u soms dat God vooraf gaat aan bestaan en niet-bestaan, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat God vooraf gaat aan bestaan en niet-bestaan, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Denkt u dan dat God voorbij gaat aan bestaan en niet-bestaan, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat God voorbij gaat aan bestaan en niet-bestaan, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Denkt u dan dat bestaan en niet-bestaan in God verschijnen, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat bestaan en niet-bestaan in God verschijnen, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Denkt u dan dat we nooit kunnen weten of God bestaat of niet-bestaat of zowel bestaat als niet-bestaat of noch bestaat noch niet-bestaat, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat we nooit kunnen weten of God bestaat of niet-bestaat of zowel bestaat als niet-bestaat of noch bestaat noch niet-bestaat, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Wat denkt u wel?

Agnostinus: Ik weet het niet.

Inquisiteur: Hoe denkt u dan?

Agnostinus: Zoals u ziet.

Inquisiteur: Denkt u dat er een juiste visie is op het bestaan van God, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat er een juiste visie is op het bestaan van God, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Denkt u dan dat er geen juiste visie is op het bestaan van God, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat er geen juiste visie is op het bestaan van God, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Denkt u dan dat visies op het bestaan van God zowel juist als onjuist zijn, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat visies op het bestaan van God zowel juist als onjuist zijn, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Denkt u dan dat visies op het bestaan van God noch juist noch onjuist zijn, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat visies op het bestaan van God noch juist noch onjuist zijn, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Wat denkt u wel?

Agnostinus: Ik weet het niet.

Inquisiteur: Hoe denkt u dan?

Agnostinus: Zoals u ziet.

Inquisiteur: Denkt u dat u het zelf bent die denkt, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat ik het zelf ben die denkt, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Denkt u dan dat u het niet zelf bent die denkt, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat ik het niet zelf ben die denkt, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Denkt u dan dat u het zowel zelf bent als niet zelf bent die denkt, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat ik het zowel zelf ben als niet zelf ben die denkt, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Denkt u dan dat u het noch zelf bent noch niet zelf bent die denkt, en dat dit de enige juiste visie is?

Agnostinus: Nee, ik denk niet dat ik het noch zelf ben noch niet zelf ben die denkt, en dat dit de enige juiste visie is.

Inquisiteur: Wat denkt u wel?

Agnostinus: Ik weet het niet.

Inquisiteur: Wat ziet u dan?

Agnostinus: Wat u niet ziet.

16. Ontkennen of ont-kennen? Katafatisch versus apofatisch spreken

Eerste van vijf teksten over negatieve theologie.

Etymologie en definitie van apofatisch en katafatisch

Het woord apofatisch is afgeleid van het Griekse apo, omhoog, weg van, en phanai, spreken.

Etymologisch betekent het ontkennend sprekend, maar in het Nederlands betekent het gewoon ontkennend.

Apofatisch spreken is dus ontkennend spreken, niet ontkennend sprekend spreken. Dat laatste is niet onjuist maar dubbelop.

Het tegenovergestelde van apofatisch is katafatisch.

Het is afgeleid van het Griekse kata, omlaag, erheen, en betekent bevestigend.

Ik ga niet uitleggen waarom katafatisch spreken geen pleonasme is, dat is dubbelop.

Apofatisch spreken

Een apofatische manier van spreken gebruik je om iets te beschrijven waarvan je wel weet wat het niet is maar niet wat het wel is, zoals bovennatuurlijke wezens of werkelijkheden.

Natuurlijke taal is per definitie niet van toepassing op het bovennatuurlijke; kun je niet zwijgen of liegen dan moet je ontkennen.

De allerhoogste is niet bestaand en niet onbestaand, zeg je dan. Hij gaat vooraf aan onderscheid en eenheid. Zij is voorbij goed en kwaad. Het is geestelijk noch stoffelijk.

Alleen apofatisch kun je recht doen aan de of het totaal andere (zie onder), aan degene die of datgene wat boven alles uitstijgt en daarom van zichzelf ondenkbaar is, onbenoembaar, ondefinieerbaar, ongrijpbaar, onuitsprekelijk.

Ook van een methodiek of filosofie kun je zeggen dat ze apofatisch is, geschikt om ontkennenderwijs of tenminste vragenderwijs te spreken. Denk aan de Indiase tetralogica, het hindoeïstische neti neti, de socratische methode (elenchus) en de postmoderne deconstructie.

De apofatische beschrijving van God wordt negatieve theologie genoemd, de apofatische benadering van de of het hogere de negatieve weg, de via negativa.

Katafatisch spreken

De katafatische beschrijving van God wordt positieve theologie genoemd, de katafatische benadering van de of het hogere de positieve weg, de via positiva.

De katafatische manier van spreken is vooral geschikt voor antropomorfe goden en godsbeelden. God is een brandende braamstruik, Jezus de zoon van een maagd. Misschien niet waar maar wel voorstelbaar.

De apofatische manier van spreken is misschien niet onwaar maar wel onvoorstelbaar. Kies zelf maar.

Totaal terzijde: de totaal andere

Zo definieerde de Duitse theoloog Karl Barth God: Gott ist der ganz andere.

Van wie hij dat gehoord heeft is nooit opgehelderd. Niet van der ganz andere, lijkt mij.

Je vraagt je onwillekeurig af hoe God Karl Barth definieert. Als der ganz andere? En hoe Hij hem noemt. Gott? Spreekt der ganz andere überhaupt Deutsch?

Ik verdenk der Karl ervan dat hij met zijn onweerlegbare stelling heeft willen verklaren waarom hij persoonlijk nooit ook maar iets van Hem gezien of gehoord heeft: God is te anders.

Of Barth is gewoon niet anders genoeg, dat kan ook nog. Hoe dan ook, een onoverbrugbare kloof.

Of God is de kloof, of Barth, dat is al anders genoeg en dan hoeven we ons niet over die kloof te buigen.

Er zijn er die zeggen: God is de totaal eendere, de volstrekt eigene. Wat ze dan wel van zichzelf gehoord zullen hebben, ja, van wie anders.

Ik verdenk hen ervan dat ze met hun onweerlegbare stelling willen verklaren waarom ze persoonlijk nooit iets van God gezien of gehoord hebben: ze zijn het Zelf.

Wat mensen zoal geloven komt later in dit Witboek Mystiek nog aan de orde, in het overzichtsartikel Iedereen gelooft. En daar is maar één woord voor – ongelooflijk.

17. Ontkennen en ont-kennen in het christendom: de via negativa

Tweede van vijf teksten over negatieve theologie: Pseudo-Dionysius, Meester Eckhart en Johannes van het Kruis.

Pseudo-Dionysius

Pseudo-Dionysius de Areopagiet is een christelijke theoloog en neoplatonist uit de vijfde eeuw die zich omwille van zijn geloofwaardigheid voordeed als Dionysius de Areopagiet, een Atheense rechter uit de eerste eeuw. Een katafatische leugen voor een goede zaak of een goede leugen voor een apofatische zaak of beide of geen van beide.

Dionysius van Athene werd op zijn beurt verward met Dionysius van Korinthe uit de tweede eeuw en Dionysius van Parijs uit de derde eeuw, historici werden er gek van en daar zijn ze gek op. Over Pseudo-Dionysius zelf is niets bekend, behalve zijn of haar werk, dat scheelt.

Een van de beroemdste voorbeelden van de via negativa is Pseudo-Dionysius' traktaatje Over mystieke theologie. Dat is een ultrakorte verhandeling met ellenlange zinnen zonder komma's, puntkomma's of minuskels, want die gebruikten ze toen nog niet. Ze zijn pas later door toegevoegd door niet-Pseudo-Dionysius.

In de eerste alinea van hoofdstuk I probeert Pseudo-Dionysius zijn negatieve theologie nog te presenteren als een soort pseudo-katafatisch brouwsel:

"O drieheid die meer dan zijndheid is en meer dan god en meer dan goed, [...] die meer dan onkenbaar is en meer dan licht en het allerhoogst, waar de enkelvoudige en vrijgemaakte en onveranderlijke mysteriën van de theologie omhuld zijn door het duister dat meer dan licht is, van het mystiek verborgen zwijgen, en zij in het diepste duister het meest meer dan licht meer dan stralen en zij in het volmaakt onaanraakbare en onzichtbare met glans die meer dan schoonheid is meer dan vervullen de ogenloze geesten."

"Zo moet ik nu bidden", voegt hij er aan het begin van de volgende alinea zelfbewust aan toe.

Enkele pagina's later, in hoofdstuk IV, is Pseudo-Dionysius al schaamteloos apofatisch:

"En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; en niet op een plaats is; en niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; en ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; en ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; en dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; en niet licht ontbeert; en zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit."*

Zo'n negatieve beschrijving is weinig informatief en laat zich onbeperkt uitbreiden. Bijvoorbeeld door de miljoenen dier- en plantensoorten op te sommen die niet de oorzaak van alles zijn. Of alle honderd miljard tiencijferige telefoonnummers waarmee je die oorzaak niet kunt bellen. Maar Pseudo-Dionysius was zijn tijd slechts vier eeuwen vooruit, geen twintig, en beperkte zich noodgedwongen tot het ontkennen van het toenmalige katafatische gedachtegoed.

We zullen der ganz andere Dionysius nog herhaaldelijk terugzien in dit boek, in drie koekoeksteksten en twee correspondenties, waarin ik op zoek ga naar het verschil tussen christelijke mystiek en agnostische mystiek – driemaal raden.

* Alle citaten van Pseudo-Dionysios in het Witboek Mystiek komen uit Over mystieke theologie / Pseudo-Dionysius de Areopagiet, Ben Schomakers 2002, pagina's 15 - 21.

Meester Eckhart

Iemand die ook wel raad wist met ontkenningen was de neoplatoonse theoloog Meester Eckhart (Eckhart von Hochheim, niet te verwarren met Eckhart Tolle), die leefde van ongeveer 1260 tot 1328.

Der etwas andere Meister verving de Drie-eenheid door de Ene, de goede God door de lege Godheid, alias de Afgrond van het Niets.

Als je hem vroeg: 'Maar hoe moet ik van hem houden?' zei Meester Eckhart: 'Gij zult van hem houden zoals hij een niet-god is, een niet-geest, een niet-persoon, een niet-beeld.'

In preek 23 spreekt Eckhart over "het verborgen duister van de eeuwige godheid, dat onbekend is en nooit bekend zal worden". Zelfs het ene kan zich volgens Eckhart niet in zichzelf kennen.

In preek 42 stelt de Meester dat God "boven elke kennis verheven" is, en in preken 57 en 58 dat "ons hele heil in het niet-kennen, niet-weten" ligt.

In preek 18 zegt hij: "Je moet geheel loskomen van je eigenheid en versmelten in zijn eigenheid en het jouwe moet in zijn mijn één mijn worden, zo volledig dat je eeuwig overeenstemt met zijn ongeworden zijn en zijn ongenoemde niet-zijn."

In preek 5a: "Indien je God op een goddelijke manier wilt kennen, dan moet je kennis een puur niet-kennen en een vergeten van je zelf en alle schepsels worden en niets, dat door de zintuigen ingebracht wordt, kan dat bewerkstelligen."

Kan het nog negatiever? Ja hoor.

Johannes van het Kruis

Johannes van het Kruis is een Spaanse kerkleraar die leefde van 1542 tot 1591. In het begin van dit boek vind je zijn apofatische gedicht Alle weten overstijgend.

In zijn beroemde Schets van de Berg Karmel schrijft Johannes:

"Om te geraken tot het smaken van alles, heb smaak in niets.

Om te geraken tot het weten van alles, wil niets weten.

Om te geraken tot het bezit van alles, wil niets bezitten.

Om te geraken tot alles zijn, wees niets.

Om te geraken tot wat ge nog niet smaakt, moet ge gaan langs de weg van het niet-smaken.

Om te geraken tot wat ge nog niet weet, moet ge gaan langs de weg van het niet-weten.

Om te geraken tot het bezit van wat ge nog niet hebt, moet ge gaan langs de weg van het niet-bezitten.

Om te geraken tot wat ge nog niet zijt, moet ge gaan langs de weg van het niet-zijn.

Weg van de onvolmaakte geest: naar de hemel – dat niet; eer – dat niet; vreugde – dat niet; weten – dat niet; troost – dat niet; rust – dat niet. Hoe meer ik dit wilde hebben, des te minder hield ik in de hand.

Weg van de onvolmaakte geest: naar deze aarde – ook dat niet; bezitten – ook dat niet; vreugde – ook dat niet; weten – ook dat niet; troost – ook dat niet; rust – ook dat niet. Hoe meer ik dit wilde zoeken, des te minder hield ik in de hand.

Pad naar de berg Karmel van de volmaakte geest: niets, niets, niets, niets, niets, niets en ook boven op de berg niets."

Aldus Jan. Ik heb er niets aan toe te voegen.

Lees ook het lemma En dat ook niet (in het Witboek Niet-Weten).

18. Ontkennen en ont-kennen in het hindoeïsme: neti neti

Derde van vijf teksten over negatieve theologie.

Etymologie en definitie van neti neti

Neti (zeg 'nee-tie') is een samentrekking van de Sanskriet termen na, niet, en iti, zo. Na iti: niet zo.

Neti is makkelijk te onthouden vanwege de klankverwantschap met de Nederlandse ontkenning 'nee'.

Letterlijk betekent neti neti niet zo niet zo. Hoe dan wel? Zoals Brahman. Ongedifferentieerd, onveranderlijk, onuitsprekelijk, alomvattend.

Brahman is alles, alles is Brahman – niet zus en niet zo, neti neti.

Snappie?

Neti neti meditatie

Bij het mediteren gebruik je de term neti neti als bezweringsformule om afstand te nemen van je gedachten.

Iedere keer dat er een gedachte opkomt, denk je: 'neti neti', ik ben niet deze gedachte. Net zolang tot je geest helder is en het onveranderlijke zich manifesteert doorheen het veranderlijke.

Een variatie op deze meditatievorm werkt met drie neti's: 'neti neti neti', waarbij de eerste betekent, 'ik ben niet deze gedachte', de tweede 'ik ben niet de gedachte die deze gedachte denkt' (mocht je dat ooit denken) en de derde 'ik ben niet mijn gedachten'.

In plaats van neti neti zou je net zo goed 'sst' kunnen denken, 'tja', 'basta', 'zal best', 'schei toch uit', 'nou dat weer' – alles wat je zo makkelijk tegen andermans gedachten zegt en zo moeilijk tegen je eigen. Maar daarin ontbreekt de verwijzing naar Brahman, waar het toch om begonnen is; neti neti meditatie heeft niet tot doel je geest tot rust te brengen maar je ware aard te realiseren.

Paradoxen bij neti neti meditatie

Neti neti zeggen tegen je gedachten leidt tot tegenstrijdigheden. Als je je niet langer met een gedachte identificeert heb je er namelijk geen boodschap meer aan. Het is maar een voorbijgaand verschijnsel in Brahman.

Je hebt dus ook geen boodschap meer aan de gedachte dat je niet deze gedachte bent.

Je hebt geen boodschap aan de gedachte dat je niet de gedachte bent die deze gedachten denkt.

Je hebt geen boodschap aan de gedachte dat je niet je gedachten bent.

Je hebt geen boodschap aan de gedachte dat je steeds neti neti moet zeggen.

Je hebt geen boodschap aan de gedachte dat gedachten het ongedifferentieerd aan het zicht onttrekken.

Je hebt geen boodschap aan de gedachte dat er zoiets is als het ongedifferentieerde.

Je hebt geen boodschap aan de gedachte dat jij het ongedifferentieerde bent.

Als je geen boodschap hebt aan je gedachten ondermijn je daarmee niet alleen je neti neti meditatie maar de hele filosofie van jnana yoga (zie onder).

Als je deze gedachten daarom vrijstelt van ontkenning, blijf je al mediterende onderscheid maken tussen gedachten waarmee je je wel identificeert en gedachten waarmee je je niet identificeert, en ben je nog verder van Brahman.

Verder lezen: Advaita maakt deel uit van de illusie (in het Witboek Advaita).

Neti neti als methode van zelfonderzoek

Behalve een bezweringsformule is neti neti ook een methode van zelfonderzoek die deel uitmaakt van jnana yoga – het inzichtspad, de denkweg.

Jnana yoga is een van de zes filosofische scholen van het hindoeïsme. Alle scholen streven naar vereniging met Brahman, elk op zijn eigen manier. Wie het inzichtspad gaat streeft naar vereniging met Brahman door te denken, zijn verstand te gebruiken, kennis op te doen, inzicht te verwerven.

Het idee achter zelfonderzoek met behulp van neti neti is vergelijkbaar met het idee achter neti neti meditatie, maar dan algemener: door álle vormen en verschijnselen een voor een te ontkennen, valt alles weg wat niet-zelf is en blijft er iets ongedifferentieerds over dat zich niet laat ontkennen: het ware zelf, Brahman. Dat gaat ongeveer zo:

Ik heb dit lichaam maar ik ben niet dit lichaam, want mijn lichaam verandert terwijl ik mezelf blijf.

Ik heb deze ziekte maar ik ben niet deze ziekte, want mijn gezondheidstoestand verandert terwijl ik mezelf blijf.

Ik heb deze eigenschappen maar ik ben niet deze eigenschappen, want mijn eigenschappen veranderen terwijl ik mezelf blijf.

Ik heb dit verleden maar ik ben niet dit verleden, want mijn verleden verandert terwijl ik mezelf blijf.

Ik heb bezit maar ik ben niet mijn bezit, want mijn bezit verandert terwijl ik mezelf blijf.

Ik heb een opleiding maar ik ben niet mijn opleiding, want mijn opleiding verandert terwijl ik mezelf blijf.

Ik heb een baan maar ik ben niet mijn baan, want mijn baan verandert terwijl ik mezelf blijf.

Ik heb familie maar ik ben niet mijn familie, want mijn familie verandert terwijl ik mezelf blijf.

Ik heb gedachten maar ik ben niet mijn gedachten, want mijn gedachten veranderen terwijl ik mezelf blijf.

Ik heb herinneringen maar ik ben niet mijn herinneringen, want mijn herinneringen veranderen terwijl ik mezelf blijf.

Ik heb intenties maar ik ben niet mijn intenties, want mijn intenties veranderen terwijl ik mezelf blijf.

Ik heb gevoelens maar ik ben niet mijn gevoelens, want mijn gevoelens veranderen terwijl ik mezelf blijf.

Ik heb gewaarwordingen maar ik ben niet mijn gewaarwordingen, want mijn gewaarwordingen veranderen terwijl ik mezelf blijf. Enzovoort.

Aan het eind van je zelfonderzoek heb je niets over om je mee te identificeren, behalve het ongedifferentieerde, onveranderlijke, onuitsprekelijke, alomvattende Brahman. En jij bent Dat.

Het rare van deze methode van zelfonderzoek is dat de uitkomst van tevoren vastligt. Het heeft meer weg van een schijnproces dan van oprecht onderzoek. Dat zit hem in het zinnetje 'terwijl ik mezelf blijf'. Is dat wel zo?

In het hindoeïsme wel. Daarin leiden alle wegen naar Brahman. Een hindoe zou zeggen: Brahman is alle wegen en allerwegen.*

Neti neti neti als methode van zelfonderzoek

De neti neti methode van zelfonderzoek wijst volgens hindoes de weg naar het alomvattende, maar daarvoor moeten de neti's zelf ook nog ontkend worden, neti neti neti, anders zou Brahman geen vormen bevatten en niet alomvattend zijn.

In een tweewaardige logica is een dubbele ontkenning een bevestiging, niet (niet zo niet zo) = ook zo ook zo, en zo ontstaat er een uitputtende apokatafatische omschrijving van Brahman in de volgende trant:

Ik ben ook dit lichaam maar niet alleen dit lichaam.

Ik ben ook jouw lichaam maar niet alleen jouw lichaam.

Ik ben ook ieders lichaam maar niet alleen ieders lichaam.

Ik ben ook deze gedachte maar niet alleen deze gedachte.

Ik ben ook mijn gedachten maar niet alleen mijn gedachten.

Ik ben ook jouw gedachten maar niet alleen jouw gedachten.

Ik ben ook ieders gedachten maar niet alleen ieders gedachten.

Ik ben ook dit gevoel maar niet alleen dit gevoel.

Ik ben ook mijn gevoelens maar niet alleen mijn gevoelens.

Ik ben ook jouw gevoelens maar niet alleen jouw gevoelens.

Ik ben ook ieders gevoelens maar niet alleen ieders gevoelens.

Ik ben ook mezelf maar niet alleen mezelf.

Ik ben ook mijn familie maar niet alleen mijn familie.

Ik ben ook jouw familie maar niet alleen jouw familie.

Ik ben ook ieders familie maar niet alleen ieders familie.

Enzovoort.

Zelfonderzoek in het boeddhisme

De boeddhistische tegenhanger van neti neti is de skandhaleer. Leidt zelfonderzoek in het hindoeïsme uiteindelijk naar Brahman, in het boeddhisme leidt het aanvankelijk naar anatman, niet-zelf. Ook daar is de uitkomst dus van tevoren bekend.

Daarna kun je in de meeste boeddhistische scholen alsnog je ware aard of identiteit ontdekken, alleen heet die geen Brahman maar, bijvoorbeeld, de Boeddhanatuur (zen), gzhi (dzogchen), de leegte, het niets, het Zelf.

Afgezien van de naam is het boeddhistische Zelf in geen enkel opzicht te onderscheiden van het hindoeïstische Brahman. Alle bekende apofatische en katafatische superlatieven zijn erop van toepassing, noem het Eeuwige Wijsheid, noem het Eeuwige Dwaasheid.

Metafysisch gezien is het boeddhisme grotendeels teruggekeerd naar zijn mystieke hindoeïstische roots, als het er al ooit is weggeweest.

Boeddhisten zijn hindoes, Boeddha is Brahman en Brahman is niet zo niet zo.

Verder lezen: Dick Verstegen en de teloorgang van anatman en daaronder De dubbelzennigheid van het zelfboeddhisme (beide in het Witboek Zen).

19. Ontkennen en ont-kennen in het boeddhisme: tetralemma's en paradoxen

Vierde van vijf teksten over negatieve theologie.

Wat is een tetralemma?

Het hindoeïstische neti neti heeft een viervoudige tegenhanger die je in het boeddhisme veel tegenkomt: het tetralemma, en dan vooral de negatieve variant ervan.

Het tetralemma voor een willekeurige stelling S heeft de volgende vorm:

1. Ik zeg niet dat S waar is.

2. Ik zeg niet dat S onwaar is.

3. Ik zeg niet dat S zowel waar als onwaar is.

4. Ik zeg niet dat S noch waar noch onwaar is.

Bijvoorbeeld:

1. Ik zeg niet dat dharma's afhankelijk bestaan.

2. Ik zeg niet dat dharma's onafhankelijk bestaan.

3. Ik zeg niet dat dharma's zowel afhankelijk als onafhankelijk bestaan.

4. Ik zeg niet dat dharma's noch afhankelijk noch onafhankelijk bestaan.

Of:

1. Ik zeg niet dat de wereld een illusie is.

2. Ik zeg niet dat de wereld geen illusie is.

3. Ik zeg niet dat de wereld zowel een illusie als geen illusie is.

4. Ik zeg niet dat de wereld noch een illusie noch geen illusie is.

We zagen het tetralemma eerder in dit boek al langskomen in het dwaalgesprek Hoe Agnostinus de Inquisitie te dom af was.

Nagarjuna

Nagarjuna is een boeddhistische filosoof die leefde rond 200 en graag apofatische uitspraken deed.

Het negende van de Zeventig verzen over de leegte van Nagarjuna begint met vier negatieve dilemma's:

"Vergankelijk bestaat niet, onvergankelijk bestaat niet, niet-zelf bestaat niet, zelf bestaat niet, onzuiverheid bestaat niet, zuiverheid bestaat niet, geluk bestaat niet en lijden bestaat niet. Daarom bestaan er ook geen onjuiste zienswijzen."

Een sleuteltekst van Nagarjuna's hand over de Middenweg, die het midden houdt tussen de uitersten van nihilisme en essentialisme, begint zo:

"Ik groet de Volledig Verlichte, de beste van de redenaars, die de leer van het afhankelijke ontstaan onderwees, volgens welke er noch ophouden noch ontstaan is, noch vernietiging noch het eeuwige, noch singulariteit noch pluraliteit, noch komen noch gaan.

In dat werk, de Mulamadhyamakakarika, vind je hele compacte tetralemma's, hoor maar:

"Niet uit zichzelf, niet uit iets anders, niet uit beide, niet zonder oorzaak, ontstaat wat dan ook waar dan ook." (1:1)

"Beweren dat iets bestaat is essentialistisch. Beweren dat niets bestaat is nihilistisch. Daarom zegt de wijze noch 'het is', noch 'het is niet'." (15:10)

"Niet zeggen dat iets leeg is, niet dat het niet-leeg is, niet beide, niet geen van beide, het zijn maar woorden." (22:11)

"Als alle dingen leeg zijn, wat is er dan vergankelijk? Wat is er onvergankelijk? Wat is er zowel vergankelijk als onvergankelijk? Wat is er noch vergankelijk noch onvergankelijk?" (25:22)

Ondanks de overprezen Middenweg van Nagarjuna is het mahayanaboeddhisme overwegend katafatisch en essentialistisch.

De Diamantsoetra

In de Diamantsoetra staan veel ontkenningen in de vorm van oxymorons en paradoxen. Bijvoorbeeld in hoofdstuk 5:

'Subhuti, denk je dat het mogelijk is een Tathagata te herkennen aan de lichamelijke kenmerken?'

'Nee, O alomgeëerde. En waarom niet? omdat wanneer de Tathagata over lichamelijke kenmerken spreekt, hij spreekt over het niet-bezitten van niet-kenmerken.'

En in hoofdstuk 7:

'Wat denk je, Subhuti, heeft de Tathagata de hoogste verlichting bereikt? Heeft hij iets dat hij kan verkondigen?'

Subhuti zei: 'O Alomgeëerde, als ik de leringen van de Boeddha goed begrepen heb, heeft de Boeddha geen leer over te dragen. De waarheid is niet te bevatten en gaat alle beschrijving te boven. Het is noch een dharma, noch een niet-dharma.'

In mijn deconstructie van de Diamantsoetra, te vinden in het Witboek Zen, worden uitspraken ontkend volgens een vast stramien:

Subhuti: 'Klopt het dat bodhisattva's alle voelende wezens moeten bevrijden?'

Boeddha: 'Ik heb geen idee of bodhisattva's alle voelende wezens moeten bevrijden. Misschien denken we dat alleen maar.

Ik weet niet eens of er werkelijk bodhisattva's zijn, voelende wezens of bevrijding daarvan. Misschien denken we dat ook alleen maar.

Wie weet zijn al die gedachten en woorden wel leeg. Of denken we dat ook alleen maar?'

Linji

Een hoogtepunt van ontkenning in het boeddhisme is De gelijkenis van het vlot in de Alagaddupama-Sutta, waarin de boeddhistische leer wordt vergeleken met een vlot om mee over te steken, niet om de rest van je leven achter je aan te slepen.

Maar het toppunt van ontkenning in het boeddhisme is toch wel Linji's leus: Dood de Boeddha!

Probeer je dat maar eens voor te stellen in het christendom. Dood God! Dood Jezus! Dood de paus! Of in het hindoeïsme: Dood Brahman! Dood het Zelf! Dood je goeroe! Dat klinkt meteen als heiligschennis. Voor je het weet wordt de spreker ter dood veroordeeld: Dood de duivel!

Zo niet in zen. Het anarchistische 'Dood de Boeddha!' is afkomstig uit Preek 34 van de Linji Lu, en die eindigt zo:

"Thuisverlaters, als je de leer wil doorzien, laat je dan niet misleiden. Geloof niemand. Wie je ook maar tegenkomt, dood hem.

Kom je de Boeddha tegen, dood de Boeddha. Kom je een patriarch tegen, dood de patriarch. Kom je een arhat tegen, dood de arhat. Kom je je ouders tegen, dood je ouders. Kom je familie tegen, dood je familie. Kom je jezelf tegen, dood jezelf.

Pas als er niemand meer over je schouders meekijkt, kun je de zaken helder zien. Alleen door je van iedereen onafhankelijk te maken, zul je bevrijding vinden."

Negatieve begrippen

Ontkennen is zo wezenlijk voor het boeddhisme dat het is ingebouwd in de kernbegrippen.

Pratitya samutpada (afhankelijk ontstaan) bijvoorbeeld, is een pancausaliteitsprincipe – de ontkenning van het gangbare idee dat bij ieder gevolg één oorzaak hoort.

Anutpada (ongeborenheid, doodloosheid) is de ontkenning van het gangbare idee dat wezens geboren worden en doodgaan, dat dingen ontstaan en vergaan.

Sunyata (leegte) is de ontkenning van het gangbare idee dat mensen, dieren en dingen een eigen ziel, kern, essentie of werkzaamheid hebben en uit zichzelf kunnen worden begrepen.

Anitya (vergankelijkheid) is de ontkenning van het gangbare idee dat wezens en dingen permanent zijn.

Andere voorbeelden van negatieve begrippen in het boeddhisme zijn svabhava-sunya (wezenloosheid), anatman (zelfloosheid), wu zhi (niet-weten) en wu wei (niet-doen).

Verder lezen: Wat is wederzijds afhankelijk ontstaan? Causaliteitsbeginsels in oost en west en Tien kernbegrippen van het leegteboeddhisme (beide in het Witboek Zen).

20. Ontkennen en ont-kennen in het niet-weten

Laatste van vijf teksten over negatieve theologie.

Dwaalteksten

Teksten over niet-weten (ik noem ze dwaalteksten) zijn zelden katafatisch. De lege leer heeft geen inhoud en is geen leer, wat valt er te bevestigen?

De meeste dwaalteksten zijn apofatisch. Ze hebben de vorm van een reeks of hiërarchie van ontkenningen van, alternatieven voor, tegenwerpingen op of vragen bij een beginstelling, de onuitgesproken aannames daarvan of de begrippen daarin.

Iedere gedachte kan als aanleiding fungeren, van de meest alledaagse tot de meest abstracte. Op deze site is de aanleiding vaak een wijsgerige of een religieuze; thuis is de aanleiding vaker een aardse, praktische, maar dat maakt geen verschil. Niet-weten is niet-weten, ongeacht het onderwerp. Of het nou over God gaat of over geld, je weet het of je weet het niet.

Een complete dwaaltekst ontkent zelfs het ontkennen, en het ontkennen daar weer van et cetera, want negatieve kennis is nog steeds kennis en een negatieve bewering is nog steeds een bewering. De lege leer heeft geen inhoud en is geen leer, wat valt er te ontkennen?

Zwijgen met woorden

In monotheïstische godsdiensten zoals het christendom, de islam en het jodendom, wordt het apofatische spreken gebruikt om de hoogste God of de nog hogere godheid te beschrijven, of tenminste om Hem te behoeden voor ordinaire katafatische beschrijvingen.

De hoogste moet en zal in alle opzichten superieur zijn aan alle mindere goden en aan zijn schepping. Niemand wil zoenoffers verkwisten aan onderdeurtjes en daarvoor op zijn kop krijgen van de oppergod.

In transtheïstische religies zoals het hindoeïsme, het boeddhisme en het taoïsme wordt het apofatische spreken aangewend om de transcendente werkelijkheid te beschrijven of te behoeden voor katafatische beschrijvingen.

De hoogste werkelijkheid moet en zal in alle opzichten superieur zijn aan de aardse, want dit is geen leven, zeg nou zelf.

In mystieke tradities wordt het apofatisch spreken ingezet om je te bevrijden van je zelfbeelden en godsbeelden, en je goddelijke identiteit te ontdekken of God de gelegenheid te geven zich in je ziel te vestigen. Want wie wil er nou een mens zijn, of zichzelf.

Alleen in een radicaal niet-weten dient het apofatisch spreken geen hoger doel. Daar is het geen instrument om het onuitsprekelijke te beschrijven, niet om je hogere zelf te vinden, niet om je ware natuur te realiseren.

Ik spreek ontkennend en dubbel ontkennend omdat ik geen betere manier weet om mijn niet-weten onder woorden te brengen, dat is alles.

Ik bedien me vrijelijk van apofatische vormen, zoals het oxymoron, de paradox, de accumulatio of dubitatio, het tetralemma – wat er maar nodig is om niets te zeggen zonder mijn mond te hoeven houden.

Mijn spreken is zwijgen met woorden. Het is aan jou om er niet mee aan de haal te gaan zonder ze in de wind te slaan.

De dans ontsprongen

Het volgende couplet komt uit de dwaaltekst De dans ontsprongen in het Witboek Soefisme:

Niet het ego, niet het zelf
Niet het ego én het zelf
Niet het ego noch het zelf
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Wat wordt hier bevestigd? Niets.

Wat wordt hier ontkend? Niets.

De dans ontsprongen is een lyrische litanie over mijn ontsnapping uit het eeuwige denken in termen van dit tegenover dat: stof tegenover geest, subject tegenover object, goed tegenover kwaad, immanentie tegenover transcendentie enzovoort.

Ieder couplet bevat tien ontkenningen. Je kunt ook zeggen: vijf neti neti's. Je kunt ook zeggen: één ontkennende accumulatio.

In de eerste drie regels zie je een negatief tetralemma. De volgende twee regels bevatten nog eens vier ontkenningen, gericht tegen essentialistische tendenzen (iets hogers, iets diepers, het niets) en tegen welk alternatief je ook maar bedenkt (iets anders).

De slotregel is de clou. Die is noch katafatisch noch apofatisch, wat we van deze zin niet kunnen zeggen, maar wel ingetogen opgetogen. Net als ik. Opgetogen ingetogen.

Afatisch

Als je goed leest zie je dat ik niets bevestig en niets ontken. Ik spreek niet katafatisch of apofatisch maar afatisch. Ik zeg geen ja, ik zeg geen nee, ik zeg tja. Ik zegt het steeds opnieuw. Tja! Tja! Tja!

Ik sla je met stomheid. Ik kan niet anders, ik ben zelf met stomheid geslagen. En ervaar dat als een bevrijding. Ik ben de dans ontsprongen en ontspring hem telkens weer.

Voor mij is niet-weten geen zelfstandig naamwoord, het is een werkwoord. Ik ben niet geïnteresseerd in het onkenbare maar in niet-kennen. Niet in het ongrijpbare maar in niet-grijpen. Niet in het onduidbare maar in niet-duiden. Niet in het onzegbare maar in niet-zeggen.

Want wie het onkenbare wil vangen in gedachten, raakt gevangen in gedachten over het onkenbare en zal het ont-kennen niet kennen.

Ook dit zijn maar gedachtengangen, raak er maar niet in gevangen.

21. Gedachten zijn oneindige afgronden

En iedereen loopt erin.

Pascal: In ieder mens is er een oneindige afgrond die je alleen met God kan vullen.*

Hans: In iedere God is er een oneindige afgrond die Hij alleen met mensen kan vullen.

Pascal: Dat is heel wat anders.

Hans: Dat zegt u.

Pascal: We hebben het nu over de mens.

Hans: In ieder mens is er een oneindige afgrond die je alleen met gedachten kan vullen.

Pascal: Wou u beweren dat God een gedachte van de mens is?

Hans: Tenzij dat ook een gedachte van de mens is.

Pascal: Dus volgens u is er in ieder mens een oneindige afgrond die je alleen met gedachten kan vullen.

Hans: Volgens mij is er in ieder mens een oneindige afgrond die je nergens mee kan vullen.

Pascal: Waarom zou je die oneindige afgrond niet met God kunnen vullen?

Hans: Geen afgrond laat zich met een afgrond vullen.

Pascal: Wou u beweren dat God zelf een oneindige afgrond is?

Hans: Er hebben zich al heel wat mensen in gestort.

Pascal: Als we de oneindige afgrond in de mens nergens mee kunnen vullen, wat moeten we er dan mee doen?

Hans: Lekker laten gapen.

Pascal: Wat als je die gapende afgrond in je binnenste niet verdraagt?

Hans: Dan probeer je hem met wiskunde te vullen, bijvoorbeeld.

Pascal: Dat heb ik inderdaad geprobeerd.

Hans: Maar?

Pascal: Met heel mijn wiskundig vernuft ben ik er niet in geslaagd de gapende afgrond in mijn binnenste te vullen.

Hans: En toen?

Pascal: Probeerde ik hem met gedachten te vullen.

Hans: De Pensées.

Pascal: Inderdaad.

Hans: En met heel uw filosofisch vernuft...

Pascal: Ben ik er niet in geslaagd de gapende afgrond in mijn binnenste te vullen.

Hans: En toen?

Pascal: Probeerde ik hem met godsdienst te vullen.

Hans: En met heel uw theologisch vernuft...

Pascal: U mag nooit meer raden.

Hans: Misschien is die gapende afgrond in uw binnenste ook maar een gedachte.

Pascal: Dat is een vernuftige gedachte.

Hans: Misschien zijn gedachten wel oneindige afgronden.

Pascal: Die zich dan natuurlijk met geen enkele gedachte laten vullen.

Hans: Geen afgrond laat zich met een afgrond vullen.

Pascal: Al hebben zich er al heel wat mensen in gestort.

Hans: Of zijn dit ook maar weer gedachten?

Pascal: In ieder mens is er een oneindige afgrond die je alleen met God kan vullen.*

* Uitspraak van de Franse wiskundige, filosoof en theoloog Blaise Pascal (1623-1662). Deze geniale uitvinder van de kansberekening dacht dat je maar beter in God kon geloven, want als Hij niet bestaat is er weinig verloren en als Hij wel bestaat is er veel gewonnen.

22. De ene afgrond roept de andere

Opwellingen uit een opgedroogde bron.

'Wat is volgens jou de relatie tussen mens en God, Hans?'

'Abyssus abyssum invocat.'

'Wat betekent dat?'

'De ene afgrond roept de andere.'

'Wat hoor je in de eerste?'

'Een echo van de tweede.'

'Wat hoor je in de tweede?'

'Een echo van de eerste.'

'Waar is die echo ontstaan?'

'Het is maar net aan wie je het vraagt.'

'Welke afgrond is het diepst?'

'Het is maar net waar je naar luistert.'

'Noem dat maar een relatie.'

'Noem het dan maar een afgrond.'

23. Uw lof, o God, stamelen wij in ons lied

Over de beperkingen van echolocatie.

Roept de ene afgrond: HOOR JE MIJ?
Roept de andere: Hoor Je Mij?
Roept de ene: Hoor je mij?
Roept de andere: Hoor je mij?

Roept de ene: IS HET NOU UIT?
Roept de andere: Is Het Nou Uit?
Roept de ene: Is het nou uit?
Roept de andere: Is het nou uit?

Roept de ene: JIJ BENT BEGONNEN.
Roept de andere: Jij Bent Begonnen.
Roept de ene: Jij bent begonnen.
Roept de andere: Jij bent begonnen.

Roept de ene: ZULLEN WE BEGINNEN?
Roept de andere: Zullen We Beginnen?
Roept de ene: Zullen we beginnen?
Roept de andere: Zullen we beginnen?

Roept de ene afgrond: HOOR JE MIJ?
Roept de andere: Hoor Je Mij?
Roept de ene: Hoor je mij?
Roept de andere: Hoor je mij?

24. Onze goddelijke grond is een bodemloze afgrond

Een kwestie van perspectief.

'Wat is volgens jou onze goddelijke grond, Hans?'

'Uh...'

'Eerlijk zeggen.'

'Dat zeg ik.'

'Uh...?'

'Nee, uh.'

'Zonder vraagteken.'

'En zonder uitroepteken.'

'En in normaal Nederlands?'

'Een bodemloze afgrond dan maar.'

'Een afgrond?'

'Neem me niet kwalijk.'

'Toch wel een goddelijke, mag ik hopen?'

'Alleen vanaf de grond gezien.'

'En vanuit de afgrond gezien?'

'Uh...'

25. Agnosticisme en agnose: het kleine tja en het grote tja

Wat hebben Protagoras, Huxley, de Rig Veda en Sanjaya Belatthaputta gemeen?

Agnosticisme of het kleine tja

Theïsme leert dat God bestaat. Atheïsme leert dat God niet bestaat. Agnosticisme leert niets. Het doet geen uitspraak over het al dan niet bestaan van God. Het houdt het midden tussen theïsme en atheïsme.

Een agnosticus zegt geen ja, hij zegt geen nee, hij zegt tja. Ik noem dit tja het kleine tja omdat het zich beperkt tot de kwestie van het bestaan van een bovennatuurlijk wezen of principe in het religieuze domein.

Dit in tegenstelling tot het grote tja van agnose, het Tja, dat zich niet beperkt tot een bepaalde kwestie of een afgebakend terrein.

Protagoras

In het westen komt het idee van agnosticisme al voor bij de klassieke Griekse filosoof Protagoras (480-410 voor onze jaartelling). Die zei:

"Van de goden weet ik niets: niet dat ze bestaan en evenmin dat ze niet bestaan."

Het woord agnosticisme werd voor het eerst gebruikt tijdens door de bioloog en evolutionist Thomas Henry Huxley tijdens een bijeenkomst van de Metaphysical Society in 1869.

Agnosticisme is net als agnose afgeleid van het Griekse a, niet en gnosis, weten. Daarom is het etymologisch gezien ook bruikbaar voor andere kwesties dan de bewijsbaarheid van god. (1)

De Rig Veda

Afgaande op de overlevering waren ze er in India vroeg bij. Zo is de hindoeïstische Rig Veda (circa 1500 - 1000 voor onze jaartelling) agnostisch over de oorsprong van het universum en de goden. In de scheppingshymne staat:

"Maar wie weet het nou echt, wie kan zeggen,
Waar alles vandaan komt, hoe alles geschapen is?
De goden zelf zijn van na de schepping,
Dus wie weet waarlijk hoe alles is ontstaan?

Waar de schepping haar oorsprong heeft,
Hij, of hij het nou geschapen heeft of niet,
Die erop neerziet vanuit de hoogste hemel,
Hij zal het wel weten – maar misschien ook niet. (2)

Sanjaya Belatthaputta

Ook het standpunt van de Indiase filosoof Sanjaya (circa 700 voor onze jaartelling) over het leven na de dood en het bestaan van andere werelden kun je agnostisch noemen.

In de tweede alinea van de paragraaf over ontwijken (Evasion) in de Samannaphala Sutta staat het volgende aan Sanjaya toegeschreven citaat.

"Als je me vraagt of er een andere wereld bestaat [na de dood], als ik denk dat er een andere wereld bestaat, zou ik het dan zeggen? Ik denk het niet. Zo denk ik niet. Ik denk niet anders. Ik denk niet niet. Ik denk niet niet niet.

Als je me vraagt of er geen andere wereld bestaat, of dat hij zowel bestaat als niet bestaat, of noch bestaat noch niet bestaat; of er wezens zijn die overgaan, of dat die er niet zijn, of zowel zijn als niet zijn, of zijn noch niet zijn; of de Tathagata voortleeft na de dood, of niet, of beide, of geen van beide – zou ik het dan zeggen? Ik denk het niet. Zo denk ik niet. Ik denk niet anders. Ik denk niet niet. Ik denk niet niet niet." (3)

Agnose of het grote tja

Omdat agnosticisme nog steeds geassocieerd wordt met het vraagstuk van het bestaan van god, moeten we er een bijvoeglijk naamwoord voor zetten om de betekenis te verruimen tot die van niet-weten. Dan krijg je radicaal agnosticisme of universeel agnosticisme of zo.

Liever noem ik niet-weten agnose. (4) Dat woord is in het Nederlands nog maagdelijk, vrij van wijsgerige en theologische boventonen, en het eindigt tenminste niet op het academisch aandoende '-isme'.

Wel lastig dat agnose niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal staat. Ook lastig dat de bijvoeglijke vervoeging van agnose dezelfde is als dat van agnosticisme: agnostisch. En lastig dat een agnosticus, iemand die het agnosticisme in theologische zin aanhangt, ook weleens een agnost wordt genoemd.

Zelf doe ik dat niet. In dit boek en in de hele Agnosereeks staat agnose voor niet-weten, agnost voor iemand die niet weet en agnostisch voor niet-wetend (tenzij anders vermeld).

Om verwarring te voorkomen gebruik ik de woorden agnosticisme en agnosticus zo min mogelijk en altijd in theologische zin (tenzij anders vermeld).

Voetnoten

1. In het Engels wordt het bijvoeglijke naamwoord agnostic al volop in algemene zin gebruikt: "I'm agnostic about violence", "A key decision was to become brand agnostic", "The list of things which we strictly have to be agnostic about doesn't stop at tooth fairies and teapots; it's infinite."

2. Hymne nummer 129 mandala 10, de zogeheten Nasadiya Sukta.

3. In de Engelse vertaling van Thanissaro Bhikkhu waarop ik me heb gebaseerd:

"If you ask me if there exists another world (after death), if I thought that there exists another world, would I declare that to you? I don’t think so. I don’t think in that way. I don’t think otherwise. I don’t think not. I don’t think not not. If you asked me if there isn’t another world… both is and isn’t… neither is nor isn’t… if there are beings who transmigrate… if there aren’t… both are and aren’t… neither are nor aren’t… if the Tathāgata exists after death… doesn’t… both… neither exists nor exists after death, would I declare that to you? I don’t think so. I don’t think in that way. I don’t think otherwise. I don’t think not. I don’t think not not."

4. Lees ook het lemma over agnose en agnosticisme in het Witboek Niet-Weten.

26. Sanjaya en de kunst van het ontsnappen

En dan barst ik uit elkaar van vreugde.

"Als je me vraagt of er geen andere wereld bestaat, of dat hij zowel bestaat als niet bestaat, of noch bestaat noch niet bestaat; of er wezens zijn die overgaan, of dat die er niet zijn, of zowel zijn als niet zijn, of zijn noch niet zijn; of de Tathagata voortleeft na de dood, of niet, of beide, of geen van beide – zou ik het dan zeggen? Ik denk het niet. Zo denk ik niet. Ik denk niet anders. Ik denk niet niet. Ik denk niet niet niet."

Deze ontwijkende zinnen van de radicale Indiase scepticus Sanjaya vind je halverwege de Samannaphala Sutta, in de paragraaf getiteld Evasion.

Zoals we zo meteen zullen zien, doen de standaardzinnen van Sanjaya het ook goed in de context van een radicaal niet-weten. Best raar. Niet-weten is toch zeker geen scepticisme?

Wat is scepticisme?

Scepticisme is de niet-lege kenleer dat we niets weten en niets kunnen weten. Het is ook een wijsgerige methode, namelijk die van de systematische twijfel en de principiële, eenzijdige opschorting van ieder oordeel.

Door hun oordelen voor onbepaalde tijd uit te stellen (epochè, in het Grieks), menen sceptici bepaalde pragmatische, morele en spirituele doelen te kunnen bereiken. Het vermijden van eenzijdigheid en vooringenomenheid. Het vermijden van ruzie, strijd, oorlog. Het vermijden van geestelijke verwarring en innerlijke onrust.

Scepticisme is de kunst van het ontwijken, ontduiken, ontlopen, ontglippen, ontvluchten, ontkomen. Uit de greep van de stelligheid blijven. Sceptici zijn ontsnappingskunstenaars, al is hun ontsnappingsnelheid meestal te gering om aan de zwaartekracht van het scepticisme te ontsnappen.

Aanvankelijk wekte hun draaikonterij ergernis onder boeddhisten. In de Pali-canon worden sceptici nog vergeleken met kronkelende palingen, en dat was niet bedoeld als compliment.

Later, in de tweede eeuw van onze jaartelling, zou de mahayanaboeddhist Nagarjuna, de filosoof van de leegte en een meester in de tetralogica, het kronkelen perfectioneren en aanprijzen als de Madhyamaka: de Weg van het Midden.

Zoals de aartsscepticus Pyrrho van Elis al leerde, die het mogelijk van de Indiërs had, schiet het scepticisme zichzelf in de rug. Als alles betwijfeld moet worden dan ook de twijfel. Als er geen kennis mogelijk is, dan ook niet over de vraag of er kennis mogelijk is.

Ik kan de verleiding niet weerstaan om het in de woorden van de aartsscepticus Sanjaya te zeggen. Daarvoor moeten we het scepticisme wel eerst reduceren tot de uitspraak dat kennis niet bestaat. Dan krijg je dit:

"Als je me vraagt of kennis bestaat, als ik denk dat kennis bestaat, of niet bestaat, of zowel bestaat als niet bestaat, of noch bestaat noch niet bestaat – zou ik het dan zeggen? Ik denk het niet. Zo denk ik niet. Ik denk niet anders. Ik denk niet niet. Ik denk niet niet niet."

Inderdaad, dan ben je wel uitgepraat.

Wat is niet-weten?

Niet-weten is geen scepticisme. Het is geen leer. Het is geen methode. Het is geen ontsnappingskunst. Het is geen principiële, eenzijdig opschorting van ieder oordeel.

Niet-weten heeft geen oogmerk, noch pragmatisch, noch moreel noch spiritueel. Het stelt niets voor, in iedere zin van het woord.

Niet-weten betekent alleen maar dat je nu, op dit moment, constateert dat je iets niet weet. Dat je niet bereid bent er je hoofd onder te verwedden dat iets dit is of juist dat, zus maar niet zo.

En, op de achtergrond, dat het al best lang geleden lijkt dat je bereid was ergens je hoofd onder te verwedden. Jeetje, wanneer was dat ook alweer, waar ging dat over?

En, op de achtergrond van de achtergrond, dat het al verdomd lang geleden lijkt dat je koortsachtig op zoek was naar iets om je hoofd onder te verwedden. Waarom ook alweer, wat deed er zo zeer?

Een agnost zegt nu niets, met woorden of zonder, omdat hij nu niets te zeggen weet. Of dat straks nog steeds het geval is zien we dan wel weer.

Tegen minder weten in

De sceptische slotzinnetjes van Sanjaya zijn in de context van agnose niet te verbeteren, nou ja, nauwelijks.

Ze moeten natuurlijk wel uitdrukking geven aan de ontsteltenis van de agnost over de stelligheden die hem de hele dag ongevraagd invallen, onder ogen en ter ore komen.

Daarvoor zijn een paar kleine aanpassingen nodig, en, dachterlijk als ik ben, maak ik er meteen een gedacht van, getiteld...

Ik dacht het niet

Soms denk ik dit, dan weer dat.
Moet ik het daarom zeggen?
Ik dacht het niet.
Zo denk ik niet.
Ik denk ook niet anders.
Ik denk ook niet niet.
Denk ik nu eventjes.
Maar ja.
Moet ik dát dan zeggen?
Ik dacht het niet.
Zo denk ik niet.
Ik denk ook niet anders.
Ik denk ook niet niet.
Denk ik nu eventjes.
Haha.

Zoiets hoor ik mezelf keer op keer zeggen en ik hoor mezelf keer op keer lachen omdat ik tegen minder weten in toch weer probeerde iets te zeggen...

En dan barst ik opnieuw uit elkaar van vreugde, uitdijend als een supernova in de ont-stellende ruimte van niet-weten.

(Of hoe het hier ook mag heten.)

27. God vergeten is de weg naar God

Vier variaties op een harmonicatekst.

God.

God vergeten.

God vergeten is de weg.

God vergeten is de weg naar God.

God vergeten is de weg naar God vergeten.

Godvergeten is de weg naar God.

Vergeten is de weg naar God.

Vergeten is de weg.

Vergeten.

Weg.

Omkering

Als je liever met God eindigt kun je deze tekst achterstevoren lezen:

Weg.

Vergeten.

Vergeten is de weg.

Vergeten is de weg naar God.

Godvergeten is de weg naar God.

God vergeten is de weg naar God vergeten.

God vergeten is de weg naar God.

God vergeten is de weg.

God vergeten.

God.

Verlaten

In plaats van 'vergeten' kun je ook 'verlaten' zeggen:

God.

God verlaten.

God verlaten is de weg.

God verlaten is de weg naar God.

God verlaten is de weg naar God verlaten.

Godverlaten is de weg naar God.

Verlaten is de weg naar God.

Verlaten is de weg.

Verlaten.

Weg.

Omkering

Weg.

Verlaten.

Verlaten is de weg.

Verlaten is de weg naar God.

Godverlaten is de weg naar God.

God verlaten is de weg naar God verlaten.

God verlaten is de weg naar God.

God verlaten is de weg.

God verlaten.

God.

28. Welkom in de lege hemel

Negen stappen en een sprong.

'Wat is de weg naar God?'

'Vergeten waar God is.'

'En dan?'

'Vergeten wie God is.'

'En dan?'

'Vergeten wat God is.'

'En dan?'

'Vergeten dat God is.'

'En dan?'

'Vergeten waar je bent.'

'En dan?'

'Vergeten wie je bent.'

'En dan?'

'Vergeten wat je bent.'

'En dan?'

'Vergeten dat je bent.'

'En dan?'

'Vergeten wat je bent vergeten.'

'Hè?'

'Maar niet noodzakelijk in die volgorde.'

'En dat zou de weg naar God zijn?'

'Wat?'

Afbeelding: tekening uit 1 lijn voorstellende een trap van 9 treden en het stootbord van de 10e dat een gebogen figuurtje voorstelt halverwege een sprong of duik. Bijschrift: De tiende hemel.

29. God alleen – het gewaagde gebed van de mystica Rabia

Laat de Geliefde het maar niet horen.

1

Yoni: Ken jij de soefimystica Rabia?

Hans: Kent zij mij?

Yoni: Ik las ergens dat ze al haar levensomstandigheden zag als een directe uitdrukking van wat de Geliefde goed voor haar vond.

Hans: Dan zal ze niet veel initiatief hebben getoond.

Yoni: Ze vastte wanneer ze niets te eten had, ze sliep onder een boom wanneer ze geen onderkomen had.

Hans: Net als een miljard van onze tijdgenoten.

Yoni: Waarvan zijn al jouw levensomstandigheden een uitdrukking?

Hans: Ik weet het niet.

Yoni: Wat niet?

Hans: Waarvan al mijn levensomstandigheden een uitdrukking zijn. Of ze ergens een uitdrukking van zijn. Of je dat kunt weten.

Yoni: Bedoel je dat ze nergens een uitdrukking van zijn?

Hans: Ik weet het niet.

Yoni: Of overal van?

Hans: Ik weet het niet.

Yoni: Bedoel je dat we dat niet kunnen weten?

Hans: Ik kan alleen maar voor mezelf spreken.

Yoni: Spreek maar voor jezelf dan.

Hans: Ik weet het niet.

2

Yoni: 'God alleen' was Rabia's gewaagde gebed. Heb jij een gewaagd gebed?

Hans: Ik weet het niet.

Yoni: Is dat jouw gewaagde gebed of weet je het niet?

Hans: Ik had het niet beter kunnen zeggen.

Yoni: Wat zou jij doen als je geen eten of onderkomen kon vinden?

Hans: Vloeken?

Yoni: Zou je je erbij neerleggen?

Hans: Misschien.

Yoni: En als je dat niet kon?

Hans: Dan zou ik me dáár misschien bij neerleggen.

Yoni: En als je dat niet kon?

Hans: Dan zou ik me er misschien bij neerleggen dat ik me daar ook niet bij kon neerleggen.

Yoni: Doe mij maar Rabia's 'God alleen'.

Hans: Misschien is vloeken of me erbij neerleggen dat ik me er niet bij kan neerleggen wel een directe uitdrukking van wat de Geliefde goed voor mij vindt.

Yoni: Jij zegt misschien. Rabia ervoer haar levensomstandigheden als een directe uitdrukking van wat de Geliefde goed voor haar vond.

Hans: Dat denk jij.

Yoni: Maar als je het nou erváárt.

Hans: Je wil niet weten wat mensen allemaal ervaren.

Yoni: Dat is waar.

Hans: Of zeggen te ervaren.

Yoni: Jij denkt dat Rabia maar wat zei.

Hans: Ik weet het niet.

3

Yoni: Je zegt wel erg vaak ik weet het niet.

Hans: Misschien.

Yoni: Je zegt ook vaak misschien.

Hans: Misschien is misschien wel een directe uitdrukking van wat de Geliefde goed voor mij vindt.

Yoni: Zo kun je het ook bekijken.

Hans: Of misschien vindt de Geliefde helemaal niets goed voor mij.

Yoni: Nou...

Hans: Misschien vindt de Geliefde helemaal niets goed.

Yoni: Ik geloof...

Hans: Misschien vindt de Geliefde helemaal niets.

Yoni: Ik hoop...

Hans: En is dat het wezen van haar liefde.

Yoni: Aha, niet oordelen.

Hans: Of misschien weet de Geliefde het ook niet.

Yoni: Ik wil het niet weten.

Hans: Of misschien ben ik zelf de Geliefde.

Yoni: Maar niet de mijne.

Hans: Misschien zijn wij allemaal de Geliefde.

Yoni: Al is het maar van de Geliefde.

Hans: Of misschien is er helemaal geen Geliefde.

Yoni: Laat de Geliefde het niet horen.

Hans: Misschien zei Rabia 'God alleen' om zich minder verloren te voelen.

Yoni: Rabia alleen.

Hans: Weet jij veel.

Yoni: Je houdt alle mogelijkheden open, hè?

Hans: Nee hoor, ik kijk of ze voor mij open staan.

Yoni: Maar jij denkt na over elk facet.

Hans: Zo krijg je een gewaagd gebed.

Rabia in het Witboek Soefisme

30. Of ik wonderen kan verrichten

Niemand kan het niet.

Meester Nebbisj zegt:

1

Mensen vragen mij of ik wonderen kan verrichten.

Verrichten is een groot woord.

Wel kan ik overal het wonder van inzien.

Vlees is een wonder, als je het eenmaal ziet.

Geest is een wonder, als je het eenmaal ziet.

Woord is een wonder, als je het eenmaal ziet.

Geest uit vlees is een wonder, als je het eenmaal ziet.

Vlees in geest is een wonder, als je het eenmaal ziet.

Woord uit geest is een wonder, als je het eenmaal ziet.

Geest uit woord is een wonder, als je het eenmaal ziet.

Wonderen zien is een wonder, als je het eenmaal ziet.

2

Mensen vragen me wat er nodig is om overal het wonder van in te zien.

Waarvoor is het nodig om overal het wonder van in te zien, vraag ik me af.

Niet overal het wonder van inzien is een wonder, als je het eenmaal ziet.

Niet steeds het wonder van iets inzien is een wonder, als je het eenmaal ziet.

En niemand kan het niet.

3

Mensen vragen me wat.

Het is een wonder.

4

Mensen.

Een wonder.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

31. Waar niets gewoon is doen wonderen zich niet voor

Hoe je aan het heen en weer ontsnapt.

Meester Nebbisj zegt:

Wonderlijk is gewoon een woord.

Gewoon is een wonderlijk woord.

Waar niets gewoon is doen wonderen zich niet voor.

Waar niets wonderlijk is doet het gewone zich niet voor.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

32. Is er een diepere werkelijkheid?

Deel 1 van een 5-delig dwaalgesprek over de mystiek van alledag.

O, dat is, dat is...
geen woord meer... de bloeiende
Yoshinobergen!

(Teishitsu in Haiku, Een jonge maan, J. van Tooren, 1983, pagina 117)

Vera: Zou jij jezelf een mysticus noemen?

Hans: Wat versta jij onder een mysticus?

Vera: Iemand die een ervaring heeft gehad.

Hans: Dan is iedereen een mysticus.

Vera: Ik bedoel een diepe ervaring. De unio mystica, exaltatie, extase, ananda, jhana, moksha, samadhi, epectase, kensho, satori.

Hans: Kirin, Asahi, Tsingtao...

Vera: Wat?

Hans: Dat zijn Aziatische biermerken.

Vera: Bier?

Hans: Daar word je heel diep van.

Vera: Ik doel op een rechtstreekse ervaring van een diepere werkelijkheid.

Hans: Wat zeg je me daar? Een diepere werkelijkheid? Is die er dan? Mijn God. Ik schrik me dood. Ik heb mijn handen vol aan de gewone werkelijkheid. Is die niet diep genoeg? Hoe zou het onvoorstelbare nog onvoorstelbaarder kunnen zijn dan het al is? Ik kan me er niets bij voorstellen.

Vera: Zo te horen heb jij geen rechtstreekse ervaring van een diepere werkelijkheid gehad.

Hans: Een diepere werkelijkheid! Bedoel je dat er nog meer zijn? Hoeveel diepere werkelijkheden zijn er in jouw ervaring? Is er een diepste werkelijkheid of worden ze almaar dieper?

Wacht eens even... Heb jij soms een rechtstreekse ervaring gehad van een ondiepere werkelijkheid? En daaruit je conclusies getrokken?

Een ondiepere werkelijkheid! Zouden er nog meer zijn? Hoeveel ondiepere werkelijkheden zijn er wel niet? Is er een ondiepste werkelijkheid of worden ze almaar ondieper?

Is het universum gelaagd als een taart of als een ui, wat denk jij? Als het een ui is, zijn de diepere werkelijkheden dan vervat in de ondiepere of omgekeerd? Moeten we ons een weg naar buiten breken of naar binnen boren?

Of is het universum een matroesjka en is God, ben ik, ben jij, zijn wij dan het binnenste poppetje, of het buitenste? Of is er geen binnenste poppetje, gaat het almaar door; of geen buitenste poppetje; of geen binnenste en geen buitenste, alleen maar tussenpoppetjes?

Of zijn er helemaal geen poppetjes, alleen maar gedachten over poppetjes, zonder tegenhanger in een of de werkelijkheid? Of zijn er alleen maar gedachten over meervoudige werkelijkheden, zonder tegenhanger in de, eh..., nou? Of zijn er alleen maar werkelijkheden zonder tegenhanger in mijn, jouw, onze, gods gedachten, geest, ziel, bewustzijn?

Nu we het er toch over hebben: zijn er misschien meerdere universa of oneindig veel, zoals sommige kwantumfysici denken? Zijn dat dan parallelle universa of seriële of beide? Hebben ze elk een eigen gelaagdheid of een gemeenschappelijke structuur of iets ertussenin?

Vormen die universa samen een multiversum, en zo ja, is er dan één multiversum of zijn er meerdere, vele of oneindig veel, en hoe hangen die dan weer samen?

Hebben universa en multiversa elk hun eigen dimensie(s) of delen ze die? Hun eigen tijd(en)? Hun eigen god(en)?

God, Vera (of omgekeerd), tot nog toe had ik maar één werkelijkheid om te ervaren, zalig zijn de armen van geest, maar nu is het hek van de dam, de beer los en de geest met duizend armen uit de fles.

Kan ik me voortaan bij iedere ervaring gaan zitten afvragen tot welke werkelijkheid of -heden ze behoort, als ze al tot een of meer werkelijkheden behoort, en welke ervaringen, natuurlijke of bovennatuurlijke, reële of ingebeelde, ik intussen allemaal misloop.

Je wordt bedankt.

33. De onmetelijke diepte van de oppervlakkige werkelijkheid

Deel 2 van een 5-delig dwaalgesprek over de mystiek van alledag.

Vera: Ja, ik weet het ook niet, hoor, misschien is deze werkelijkheid al de diepere werkelijkheid. In de zin van, hoe zeggen ze dat in het non-dualisme, 'Alleen maar Dit' of 'Ik ben Dat'.

Hans: Ben jij Ditman, ben ik Datman. Zijn we samen dit en dat, man.

Vera: Of zoals ze in zen zeggen: 'Vorm is Leegte'. Of in Exodus 3:14: 'Ik ben die Ik ben'. In het pantheïsme: 'God is dit'. In het panentheïsme: 'God is ook dit'.

Hans: Aha, een meerkeuzevraag. Doorhalen wat niet van toepassing is. Alles dan maar, wat maakt het uit. Of niets, als het toch niet uitmaakt.

Maar eigenlijk bedoelde ik: is de werkelijkheid al niet diep genoeg? Voor een mysticus niet, begrijp ik nu, die reikt hoger en graaft dieper. Dan zal ik wel geen mysticus zijn.

Vera: Ach.

Hans: Daar staat tegenover dat ik een massa rechtstreekse ervaringen heb van de onmetelijke hoogte en diepte van wat nu plotseling een of de oppervlakkige werkelijkheid lijkt te zijn. Die zich keer op keer aan mij komt voorstellen als onvoorstelbaar. Heeft ze zich aan jou nog niet voorgesteld?

Vera: Niet als onvoorstelbaar.

Hans: Onvoorstelbaar. Heb ik me eigenlijk al aan jou voorgesteld? Kennismaken gaat helaas niet omdat ik geen kennis kan maken. Kennisbreken gaat me beter af, maar daar maak je geen vrienden mee, pas maar op.

Ik kan je wel verklappen dat ik deel uitmaak van voornoemde onvoorstelbaarheid, die daardoor zelf op klappen staat. Vraag me dus maar niet wie ik ben, wat ik ben, of ik ben, waar ik ophoud en jij begint, waar jij ophoudt en de wereld begint, of uit hoeveel werkelijkheden de werkelijkheid bestaat, want ik sta toch al voor joker.

Vera: Hoe ervaar jij de gewone werkelijkheid dan?

Hans: Net als iedereen, aanvankelijk, zou ik denken.

Ik kan mijn ogen niet geloven.

Ik kan mijn oren niet geloven.

Ik kan mijn neus niet geloven.

Ik kan mijn tong niet geloven.

Ik kan mijn gevoel niet geloven.

Ik kan mijn gedachten niet geloven.

Ik kan mijn ongeloof niet geloven.

Begrijp je wat ik bedoel?

34. Waar niets vanzelfsprekend is begint de mystiek

Deel 3 van een 5-delig dwaalgesprek over de mystiek van alledag.

Vera: Jij kan niet geloven wat je waarneemt en denkt?

Hans: Niets.

Vera: Echt niet?

Hans: Niet echt.

Vera: Wat heeft dat met mystiek te maken?

Hans: Alles.

Vera: Hoe dan?

Hans: Waar niets vanzelfsprekend is, begint de mystiek. Waar vanzelfsprekendheid heerst, eindigt de mystiek. Ongeloof is de wortel van de mystiek. Mystiek is de erkenning van niet-weten.

Vera: Ongeloof is de wortel van de mystiek?

Hans: Groot ongeloof, ja.

Vera: Wat versta jij onder groot ongeloof?

Hans: Groot ongeloof is het onvermogen om heilig in je eigen gedachten en begrippen te geloven, welke dan ook.

Vera: Prettig vooruitzicht.

Hans: Terugkeren naar je mystieke roots kan nu eenmaal niet zonder denkbeeldenstorm. Tot die tijd blijft alles schijnbaar bekend en vertrouwd. Schijnbaar, want het zijn alleen de denkbeelden waarmee je vertrouwd bent, niet de werkelijkheid die ze volgens jou vertegenwoordigen.

Vera: Wat voor denkbeelden moet je bestormen?

Hans: Al je denkbeelden moet je bestormen. Zelfbeelden, mensbeelden, godsbeelden, boeddhabeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden, angstbeelden, lichaamsbeelden, wereldbeelden – de hele rataplan.

Vera: Waarom dan?

Hans: Denkbeelden zijn monolieten waarop alle mystiek te hoop loopt. Beverdammen in een vrij stromende realiteit. Onveranderlijkheden die tevergeefs een veranderlijk heden simuleren. Poortloze-poortwachters die je weghouden uit VerWonderland.

Dat geldt ook voor denkbeelden als de Vrij Stromende Realiteit en VerWonderland, het denkbeeld dat je je denkbeelden kunt en moet bestormen enzovoort.

Vera: Weg met alle denkbeelden.

Hans: Nee, dat nu ook weer niet.

Vera: Wat dan wel?

Hans: Je DenkBeelden moeten weer denkbeelden worden, efemeer als het leven zelf.

Vera: Zonder hoofdletters.

Hans: Hoe minder DenkBeelden, hoe meer denkbeelden. Hoe meer denkbeelden, hoe flexibeler je geest. Hoe flexibeler je geest, hoe ongrijpbaarder je gedachten, ook voor jezelf. Hoe ongrijpbaarder je gedachten, hoe ongrijpbaarder jijzelf, de ander, de dingen, God, wat dan ook.

Zo wordt alles vanzelf weer vluchtig, geheimzinnig, ondoorgrondelijk, onbeheersbaar – oermystiek. Wat het al die tijd is geweest.

Vera: Oermystiek?

Hans: Voormystiek. Premystiek. Protomystiek. Als in prototype, protozoa, protoreligie.

Vera: De oervorm van mystiek.

Hans: De mystiek die voorafgaat aan alle mystiek.

Vera: Mystiek zonder denkbeelden.

Hans: Is dat een mooi denkbeeld of niet?

35. Het mysterium tremendum et fascinosum van Rudolf Otto

Deel 4 van een 5-delig dwaalgesprek over de mystiek van alledag.

Vera: Begrijp ik het goed dat jij de werkelijkheid ervaart als een 'mysterium tremendum et fascinosum'?

Hans: Vroeg de jonge vader aan zijn brullende baby.

Vera: Die term is van Rudolf Otto. Een ander woord voor God.

Hans: God lijkt mij niet het mysterium tremendum et fascinosum zelf maar de invulling en oplossing ervan. Je geeft het een naam en je maakt er iets van: God. Een wezen, een vader, een moeder, een bewustzijn, een zijn, een bovenzijnde, een macht, een deugd, een alomtegenwoordigheid of vul maar in. Opeens is het mysterie benoemd en vertrouwd. Voortaan kan je bidden in plaats van bibberen, want Hij is overal.

Het 'mysterium tremendum et fascinosum' is trouwens zelf al een drievoudige invulling, met een dito ontraadselend effect.

Vera: Ik zie het verschil tussen jou en Otto niet zo.

Hans: Bij Rudolf is het mysterium tremendum et fascinosum een verwijzing naar het ongrijpbare, het numineuze, het heilige, het goddelijke, het onbereikbare. Het mysterie dat mij fascineert en doet beven is helemaal niet ver weg maar dichtbij, in mij, als mij, om mij heen, overal, altijd.

Het is mijn lichaam dat mij fascineert en doet beven. Water en bloed, spuug en plas, kak en as, zaad en gas.

Het is mijn verbeelding die mij fascineert en doet beven. De wilde en onvoorspelbare, mateloze en grenzeloze fantasie die mij dag en nacht bewegende beelden voortovert en beladen woorden influistert.

Het zijn mijn gevoelens die mij fascineren en doen beven. Mijn lust, mijn woede, mijn heerszucht, mijn gezeglijkheid, mijn tederheid, mijn grofheid, mijn hulpvaardigheid, mijn onverschilligheid.

Het is mijn aftakeling die mij fascineert en doet beven. Het verval van mijn huid en haar, mijn gewrichten en organen, mijn ogen en oren, mijn conditie en veerkracht, mijn denkkracht en geheugen.

Het is een regenworm die mij fascineert en doet beven, een klok, een herfstblad, een lamp, de zee, een moederkoek, een kadaver, een kachel, een tepel, een paard, een bromvlieg. Moet ik doorgaan?

Vera: Dit lijkt mij niet bepaald het mysterie Gods.

Hans: Als je een mystieke ervaring definieert als een rechtstreeks ervaring van het mysterie Gods, nog grotendeels mysterieus dus, maar al wel herkenbaar als goddelijk, dan heb ik nooit een mystieke ervaring gehad.

Als je een mystieke ervaring definieert als een rechtstreekse ervaring van het mysterieuze karakter van wat dan ook, zo mysterieus dat het niet eens herkenbaar is als goddelijk of goddeloos, dan zijn mijn ervaringen zo mystiek als maar kan.

Vera: In de godsmystiek draait het om God, in de bruidsmystiek, liefdesmystiek, minnemystiek om Jezus, in de soefimystiek om de Vriend, in het chassidisme om JWHW, in zen om de Boeddhanatuur, het Ware Zelf, in de advaita vedanta om Atman, Brahman, Bewustzijn, in het taoïsme om de Tao. Ik bedoel maar.

Hans: Het gewone is te gewoon voor je, hè? Je wilt weg van hier. Hogerop. De diepte in.

36. Bestaansmystiek, seculiere mystiek of de mystiek van alledag?

Slot van een 5-delig dwaalgesprek over de mystiek van alledag.

Vera: De essentie van jouw mystiek is het mysterie, niet het goddelijke, begrijp ik dat goed?

Hans: Of er iets goddelijks is aan het mysterie maakt deel uit van het mysterie. Ik weet dat niet.

Vera: Niet-weten is door en door mystiek.

Hans: Niet-weten is kinderlijke verwondering over het bestaan. Te beginnen met het alledaagse, de wereld in en om je heen. Later komen daar steeds meer raadsels bij, vaak vermomd als kennis, waaronder religieuze.

Vera: 'Wie niet wordt als een kind...'

Hans: Alleen weet een kind nog niet wat het ziet, en ik niet meer. Bij een kind moet de kennis nog toeslaan, bij mij heeft hij grotendeels afgedaan.

Vera: Een kind wil nog weten wat het ziet, jij gelooft het allemaal wel.

Hans: Een kind gelooft het allemaal graag. Ik verbaas me alleen nog maar.

Vera: Dat bedoel ik.

Hans: Nieuwsgierigheid wil bevredigd worden, verwondering wil niets.

Vera: Verwondering heeft genoeg aan zichzelf.

Hans: Verwondering is geen motief, het is een gemoedstoestand. In mijn geval een mengeling van onbegrip, ontzag, deemoed en gelatenheid.

Vera: Je wordt er geen ontdekkingsreiziger van.

Hans: Nee, die tijd is voorbij. Maar je blijft er klein van en je kan er oud mee worden.

Vera: Misschien moet je dit existentiële mystiek gaan noemen.

Hans: Ik dacht zelf aan de mystiek van alledag.

Vera: Is wel een mond vol.

Hans: Bestaansmystiek dan?

Vera: Niet slecht.

Hans: Ik vond het in de veertiende editie van de Van Dale op cd. Een vergeten woord. Ik kan het in de Wikipedia en op het internet tenminste nergens terugvinden.

Vera: Hoe definiëren ze dat?

Hans: Als een mystiek aspect van de dingen, waardoor zij tegelijk 'volkomen open en volkomen toegesloten zijn' (A. Roland Holst).'

Vera: Mooi.

Hans: Zeker als we onder dingen ook wezens mogen verstaan.

Vera: Totaalmystiek, is dat wat?

Hans: Alsof je de oorlog verklaart. Wereldmystiek?

Vera: Klinkt als wereldmuziek.

Hans: Wereldse mystiek?

Vera: Seculiere mystiek?

Hans: Maar dan de agnostische variant, niet de atheïstische.

Vera: Vrije mystiek?

Hans: Lege mystiek?

Vera: Best moeilijk om een goed woord te vinden.

Hans: Weetnietmystiek?

Vera: Agnostische mystiek?

Hans: Agnostiek?

Het wonder van de woorden

O, dat is, dat was...
Het wonder van de woorden –
Een spraakwaterval!

37. De mystiek van niet-weten: woordenlijst

Bestaansmystiek, existentiële mystiek, de mystiek van alledag, weetnietmystiek, agnostische mystiek, agnostiek, oermystiek, protomystiek, vrije mystiek en lege mystiek.

Wat is mystiek?

Het woord 'mystiek' is net als het woord 'mysterie' afgeleid van het Griekse werkwoord 'myein', dichtdoen of sluiten.

Als bijvoeglijk naamwoord betekent 'mystiek' mysterieus, onbekend, vreemd, raadselachtig, verborgen, geheimzinnig, ontoegankelijk.

'Het mystieke' is datgene wat mysterieus is.

Het zelfstandig naamwoord 'mystiek' betekent oog hebben voor het mystieke. Erbij stilstaan. Je erdoor laten leiden. Erin opgaan.

Alleen het hogere als onderwerp van mystiek

Het onderwerp van mystiek, datgene wat als mysterieus gezien of ervaren wordt, varieert per traditie en per persoon, maar bijna alle mystieke tradities en mystici maken onderscheid tussen het natuurlijke en het bovennatuurlijke: tussen het menselijke en het goddelijke, het relatieve en het absolute, het duale en het non-duale.

Het natuurlijke is gewoon, het bovennatuurlijke buitengewoon. Het buitengewone is onkenbaar en onbeschrijflijk, het gewone is kenbaar en beschrijflijk.

Het hele leven als onderwerp van mystiek

Wat als je geen onderscheid weet te maken tussen het natuurlijke en het bovennatuurlijke? Als je niet eens weet of er wel zoiets is als het natuurlijke en het bovennatuurlijke, laat staan wat de overeenkomsten, verschillen en verbanden daartussen zijn?

Wat als alle verschijnselen voor jou even mysterieus, onbekend, vreemd, raadselachtig, verborgen, geheimzinnig, ontoegankelijk zijn? Als je jezelf, andere mensen, dieren, planten, dingen, woorden, verhalen, allemaal even wonderlijk, verbazingwekkend, verbijsterend vindt?

Wat als je geen idee hebt wat het is dat je allemaal ziet, hoort, denkt; of teveel ideeën, waaruit je niet kan kiezen?

Dan ben je net als ik. Dan ga je hoofdschuddend en schouderophalend door het leven. Dan ben je weteloos.

Voor een agnost betekent mystiek dat het leven hem in alle geledingen ver boven de pet gaat. Dat al zijn kennis op de punt van een speld past. Niet God in het bijzonder is het mysterie maar het hele bestaan. Niet de hemel is het mysterie maar de hele kosmos.

Onder ogen zien dat je het niet weet, nooit geweten hebt, en je daarbij neerleggen – dat is mystiek. Je eraan overgeven – dat is mystiek. Het tot uitgangspunt van je leven maken – dat is mystiek. De mystiek van niet-weten.

Feitelijk is de mystiek van niet-weten een pleonasme. Mystiek is wat je niet weet. Niet-weten is per definitie mystiek. Radicaal niet-weten = grenzeloze mystiek.

Klassieke vormen van mystiek, en hoe je ze noemt

Klassieke vormen van mystiek richten zich op het bovennatuurlijke.

Ze hebben klinkende eigennamen als chassidisme (Joodse mystiek), soefisme (islamitische mystiek), taoïsme (Chinese mystiek).

Ze ontlenen hun namen aan de traditie waarin ze ingebed liggen: christenmystiek, zenmystiek, hindoemystiek.

Ze ontlenen hun naam aan hun onderwerp: godsmystiek, brahmanmystiek, bewustzijnsmystiek, geloofsmystiek, jezusmystiek, liefdesmystiek, minnemystiek, bruidsmystiek, getalsmystiek, natuurmystiek.

Ze ontlenen hun naam aan hun idee over de relatie tussen het natuurlijke en het bovennatuurlijke: theïsme (alles uit god, god boven alles), pantheïsme (alles is god, god is alles), panentheïsme (alles is god, god is meer dan alles).

De mystiek van niet-weten, en hoe je het noemt

Een radicaal niet-weten maakt geen onderscheid tussen natuurlijk en bovennatuurlijk. De mystiek van niet-weten gaat niet over het bovennatuurlijke maar over het hele bestaan, met alles erop eraan. Welk etiket je het best kunt gebruiken voor de mystiek van niet-weten hangt af van je doel.

Als je het aandachtsveld wilt aangeven, kun je spreken van bestaansmystiek, existentiële mystiek of de mystiek van alledag.

Bruikbare alternatieven zijn seculiere mystiek, wereldse mystiek of wereldmystiek noemen, zolang je voor ogen houdt dat een radicaal niet-weten agnostisch is, niet atheïstisch.

Natuurmystiek is geen goed idee, want dat is een bestaande vorm van pantheïstische mystiek die het goddelijke in de natuur zoekt.

Als je je weteloosheid wilt benadrukken: weetnietmystiek, agnostische mystiek of agnostiek. Of gewoon de mystiek van niet-weten natuurlijk.

Als je uitdrukking wil geven aan je gevoel en af wilt zien van iedere religieuze invulling: oermystiek, protomystiek of (alleen als bijvoeglijk naamwoord) voormystiek of premystiek.

Als je wilt benadrukken dat de mystiek van niet-weten vrij is van vaste denkbeelden over de weg, de waarheid, de werkelijkheid, waarden, wijsheid of wat dan ook: vrije mystiek.

Als je wilt benadrukken dat de mystiek van niet-weten (net als de lege leer die niet-weten is) geen enkele inhoud heeft: lege mystiek, Ø.

Als je niets wilt benadrukken hou je gewoon je mond. Voor het niet-weten van alledag heb je echt geen moeilijke woorden nodig.

Alfabetische lijst van synoniemen voor de mystiek van niet-weten

Zelfstandige naamwoorden: agnostiek, agnostische mystiek, bestaansmystiek, existentiële mystiek, lege mystiek, mystiek van alledag, oermystiek, protomystiek, seculiere mystiek, vrije mystiek, weetnietmystiek, wereldmystiek, wereldse mystiek.

Bijvoeglijke naamwoorden: agnostiek, agnostisch mystiek, bestaansmystiek, oermystiek, premystiek, protomystiek, seculier mystiek, voormystiek, weetnietmystiek, wereldmystiek.

Personen: agnostisch mysticus, bestaansmysticus, lege mysticus, mysticus van alledag, oermysticus, protomysticus, seculier mysticus, vrije mysticus.

Deze woordenlijst maakt deel uit van het Woordenboek niet-weten (in het Witboek Niet-Weten).

38. Niet-weten voor beginners, gevorderden en gesjeesden

Over de relatie tussen geloven en niet-weten.

Niet-weten voor beginners: anderen niet geloven.

Niet-weten voor gevorderden: jezelf niet geloven.

Niet-weten voor gesjeesden: zelfs niet geloven in niet-geloven.

39. Is niet-weten goddelijke wijsheid?

Rookgordijnen om doorheen te kijken.

Beste Hans,

Osho zei:

'Als het gordijn van kennis wordt opengeschoven is er de realisatie van een goddelijk niet-weten dat de hoogste wijsheid is.'

Is dat ook jouw ervaring?

(Osho geciteerd door Jan Foudraine in De man die uit zijn hersenen zakte; vingerwijzingen van een mysticus.)

Beste Rosie,

Niet-weten is goddelijk noch goddeloos, niet dat ik weet.

Rosie: Oké. 'Als het gordijn van kennis wordt opengeschoven is er de realisatie van een niet-weten dat de hoogste wijsheid is.' Kan je je daar wel in vinden?

Hans: Niet-weten wijsheid noemen is er een gordijn van kennis voor schuiven.

Rosie: 'Als het gordijn van kennis wordt opengeschoven is er de realisatie van niet-weten', nou goed?

Hans: Alsof niet-weten iets is dat gerealiseerd moet worden.

Rosie: 'Als het gordijn van kennis wordt opengeschoven is er niet-weten.'

Hans: Alsof je zomaar het gordijn van kennis open kunt schuiven.

Rosie: Dan weet ik het ook niet meer.

Hans: Dat lijkt er meer op.

40. God is een poort

Meester Sst zegt:

God is een poort.

Je moet er even doorheen.

41. Een verwaarloosbaar verschil

Meester Nebbisj sprak: 'Degenen die door de poort gingen zijn nog steeds onder ons.'

Zijn discipelen vroegen: 'Waarin onderscheiden zij zich van anderen?'

Meester Nebbisj zei: 'Ze staan niet langer aan de poort.'

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

42. Wonen in weteloosheid

Meester Nebbisj zegt:

U beschouwt uw weten als een huis, uw weteloosheid als een venster waardoor u zondags naar de hemel kijkt.

In werkelijkheid bewoont u de weteloosheid en beziet u de wereld door de kier van uw weten.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

43. Navigeren naar hogere sferen

Spoedcursus voor hemelbestormers.

'Weet je wat er boven de hellepoort staat geschreven, Hans?'

'Nou?'

'Gij die hier binnentreedt, laat alle hoop varen.'

'Ah ja, de Goddelijke Komedie.'

'Dante, 1481.'

'Weet je wat er boven de hemelpoort staat geschreven?'

'Nou?'

'Gij die hier binnentreedt, laat alle hoop varen.'

44. De hemel is een poort

'Weet jij wat er boven de hemelpoort staat geschreven, Hans?'

'Gij die hier wilt binnentreden, laat alle hoop varen.'

'Hoe weet jij dat?'

'Omdat ik ervoor heb gestaan.'

'Ben je erdoorheen gegaan?'

'En niemand hield me tegen.'

'Wat was het eerste dat je zag?'

'Een bordje.'

'Wat stond erop?'

'U verlaat nu de hemel.'

'Hè?'

'Dat dacht ik ook.'

'En toen?'

'Ben ik meteen omgekeerd.'

'Heel verstandig.'

'En niemand hield me tegen.'

'Wat was het eerste dat je zag?'

'Een bordje.'

'Wat stond erop?'

'U verlaat nu de hemel.'

'Nou moe.'

'Dat dacht ik ook.'

'Noem dat maar een hemel.'

'Noem het dan maar een poort.'

45. Op de drempel van de hemelpoort

Welkom in het petruscomplex.

Heb ik na een eeuwenlange absence eindelijk de moed vergaard om weer eens een bezoekje te brengen aan de hemel, staat daar pal op de drempel van de hemelpoort een geharnast figuur met een ruimvallende maliënkolder en een nog ruimer vallend petruscomplex.

'Wacht', roept Petrus Simplex met gemoffelde stem vanachter zijn vizier, en spreidt met veel geraas zijn armen. 'Wat is waar?'

'Hier of daar?'

'Wat?'

'Voor je of achter je?'

'Ik vraag naar de waarheid, goochemerd. Dat is het wachtwoord, anders kom je er niet in. Laatste kans, wat is waar?'

'Het ligt eraan waar je bent, goochemerd, vóór de hemelpoort of erachter. Laatste kans, waar ben je?'

De wachter buigt knarsend voorover, staart door de spleten van zijn vizier naar zijn roestige puntvoeten op de drempel van de hemelpoort, zolen erbovenop, toten ervoor, hielsporen erachter. Piepend komt hij overeind en zegt vertwijfeld: 'Wat is waar?'

Ik knik: 'Dat is waar.'

46. Zemelen over het rijk der hemelen

Tegen sommigen zegt Meester Nebbisj:

Alle graan heeft zemelen, ook in het rijk der hemelen.

Tegen anderen zegt hij:

Alle zemelen hebben graan, ook in een aards bestaan.

Tegen weer anderen zegt hij:

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

47. Gebakken lucht is nog geen wind

Meester Nebbisj zegt:

Gemalen graan is nog geen brood en twaalf discipelen maken nog geen meester.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

48. Wee die mijn discipel wordt

Over de taak van de leraar en de leerling.

Meester Nebbisj zegt:

Alleen wie mij van zich afschudt kan mijn discipel worden.

Iedereen die mijn discipel wordt zal ik van me afschudden.

Mensen die zowel -

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

49. Tempels hebben drempels

Voorportalen waar alle mensen doorheen moeten.

1

Geestelijke: Twijfel is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen betreden.

Agnost: Wijsheid is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Twijfel kunnen betreden.

2

Geestelijke: Twijfel is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen betreden.

Agnost: Wijsheid is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Dwaasheid kunnen betreden.

3

Geestelijke: Twijfel is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen betreden.*

Agnost: Zekerheid is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen verlaten.

(* Uitspraak van Charles Caleb Colton.)

50. Een tempeldak is een hellend vlak

Nok

Filosoof: Wijsheid begint met verwondering.

Agnost: Wijsheid eindigt met bewondering.

Dak

Filosoof: Wijsheid begint met verwondering.

Agnost: Wijsheid eindigt met verkondiging.

Goot

Filosoof: Wijsheid begint met verwondering.*

Agnost: Wijsheid eindigt met verbijstering.

(* Uitspraak van Socrates.)

51. De tempel van niet-weten heeft geen hoogte en geen breedte

Een vrijplaats zonder uitgang.

'Hoe kom ik in de tempel van niet-weten, Hans?'

'Je hoeft er niet in.'

'Waarom niet?'

'Omdat hij overal is.'

'Waarom weet ik dat dan niet?'

'Omdat je er al in zit.'

'Hoe weet je of je in de tempel van niet-weten bent?'

'Daar staan geen muren omheen.'

'Aha.'

'En er zit geen dak op.'

'Dat haal je de koekoek.'

'Er ligt geen vloer in.'

'Waarom ook.'

'Het stinkt er nooit naar zweetvoeten.'

'Leve de open lucht.'

'Zo weet je of je in de tempel van niet-weten bent.'

'Geen vloer, geen muren, geen dak.'

'Kan niet missen.'

'Heb je daar onbegrensd inzicht?'

'Daar heb je onbegrensd uitzicht.'

'Mag zoiets nog wel een tempel heten?'

'Dat heb je goed gezien.'

52. God is overal en voor iedereen gratis toegankelijk

Woekergeesten.

Beste Hans,

Ik schrijf vanaf mijn balkon in Oostenrijk om je te bedanken voor je gratis website.

Uitkijkend over de machtige Alpen denk ik steeds: God is overal en voor iedereen vrij toegankelijk. Waarom worden er dan woekerprijzen voor gevraagd?

Beste Wilfried,

Omdat Hij toch niet overal is?

Omdat Hij toch niet voor iedereen is?

Omdat Hij toch niet gratis is?

Omdat Hij toch niet toegankelijk is?

Omdat Hij ook in de woekerprijzen is?

Omdat Hij ook in je ergernis is?

Ik zou het anders ook niet weten.

Grüss,

Gott

53. Leegmaken is wat mij vervuld

Anouk: Volgens Jan van het Kruis is het voertuig dat mij naar God zal brengen een soort tweetrapsraket.

Hans: Dan was hij zijn tijd ver vooruit.

Anouk: Wil God ingaan, meende Jan van het Kruis, dan moet ik eerst uitgaan. Wil Hij mij opvullen dan moet ik mij eerst leegmaken. Wil ik Hem worden dan moet ik eerst ontworden.

Hans: Die Jan.

Anouk: Wat?

Hans: Die God.

Anouk: Wat was jouw voertuig?

Hans: Waarheen?

Anouk: Toe nou.

Hans: Een eentrapsraket dan maar.

Anouk: Hoe bedoel je?

Hans: Het is niet dat er na mijn uitgaan nog iets stond te gebeuren. Uitgaan is wat er gebeurde. Het is niet dat ik na mijn leegmaking weer opgevuld werd. Leegte is waarmee ik werd opgevuld. Het is niet dat ik na mijn ontwording iets anders werd. Ontwording is wat ik werd.

Anouk: Klinkt niet direct als een hemelvaart.

Hans: Meer als een vallende ster.

Anouk: Wat kan ik volgens jou verwachten na mijn uitgaan?

Hans: Tja.

Anouk: Toe nou.

Hans: Niet verwachten dan maar.

Anouk: Niet verwachten?

Hans: Zelfs niet dat je niets meer zult verwachten.

Anouk: Het enige wat er zal gebeuren is mijn uitgaan?

Hans: Daar zou ik maar niet van uitgaan.

Anouk: Waar moet ik dan wel van uitgaan?

Hans: Misschien wel nergens van.

Anouk: Hè?

Hans: Zelfs niet dat je nergens van uit moet gaan.

Anouk: En die leegmaking dan?

Hans: Die is al net zo leeg.

Anouk: En die ontwording?

Hans: Ook ontworden.

Anouk: En dat noem jij God?

Hans: En dat noem jij God?

Anouk: Wat zou jij zeggen?

Hans: Zalig zijn de armen van geest.

54. Zalig zijn de armen van geest

'Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.' Negen klassieke en tweeënvijftig postmoderne zaligsprekingen – belijdenis van een onnozelaar.

(Deel 1 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

De Bergrede van Jezus

Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

Dit beroemde vers, het derde uit het vijfde hoofdstuk van het Evangelie volgens Mattheüs, is de eerste van de zogeheten zaligsprekingen of zaligheden in de Bergrede van Jezus.

In het Latijn klinkt het nog geheimzinniger:

Beati pauperes spiritu, quoniam ipsorum est regnum caelorum.

Het lijkt wel een magisch woord uit Harry Potter, een toverspreuk voor de armen van geest.

Zoals gauw genoeg zal blijken is het eerder een onttoverspreuk voor de rijken van geest.

Daar komt nog bij dat Harry Potter wel in de tijd kon reizen, met een tijdverdrijver, maar dat Jezus geen Latijn sprak, ook geen potjeslatijn, zelfs niet met een taalverdraaier.

Wat hij wel sprak is niet zeker; Aramees, Hebreeuws, een potje Grieks misschien?

Wat hij gezegd heeft, schijnt dan weer wél zeker te zijn. Wat ik echt niet met elkaar kan rijmen, vandaar dat ik het bij dichten houd.

De klassieke zaligsprekingen

Hier heb je de zaligsprekingen van Jezus volgens Mattheüs, hoofdstuk 5 vers 3-11 in het Nederlands:

1. Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

2. Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.

3. Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.

4. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

5. Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.

6. Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.

7. Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.

8. Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

9. Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.

De eerste zaligheid de beste

De eerste van de 9 zaligheden is naar mijn mening meteen de beste, omdat hij in zijn eentje voldoende voorwaarde is voor de andere, en bovendien...

Vergeef me, ik wil weer eens sneller dan mijn ezel.

Hieronder 52 postmoderne variaties op de eerste zaligspreking uit de Bergrede van Jezus.

Uitgesmeerd over 15 artikelen, want het moet wel leuk blijven.

Allemaal zonder taalverdraaier, want ik heb ze zelf bedacht, in mijn eigenste potjesnederlands.

Een voor elke dag tussen Pasen en Pinksteren (zolang ze niet op één dag vallen) of een voor elke week van het jaar, aan elkaar gebroddeld door uw vertrouwde dwaalgids.

Ze volgen een bochtig traject door de krochten van mijn geest, dat net als elke geest en net als al mijn dwaalteksten vanzelf ten stilte meandert.

De zaligsprekingen zijn op te vatten als de aanloop tot het Stilte-evangelie, of als de afloop ervan, dat is aan u.

Dit is alvast de eerste, of de laatste, daar wil ik vanaf zijn:

Zalig zijn de armen van geest, want zij belijden slechts de stilte.

Ach, kon ik het hier maar bij laten.

55. Mijn denken staat schaak noch mat

(Deel 2 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: wat betekent eigenlijk de uitdrukking 'de armen van geest'?

Daarover wordt nu al tweeduizend jaar geredetwist.

Maar niet door de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen.

Zalig zijn de armen van geest, zij kennen geen armen van geest.

En wat is eigenlijk 'het koninkrijk der hemelen'?

Ook daarover wordt eindeloos gedebatteerd.

Maar niet door de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen.

Zalig zijn de armen van geest, zij kennen geen koninkrijk der hemelen.

En wat moeten we ons eigenlijk voorstellen bij 'zalig'?

Ook daarover wordt nog altijd gebakkeleid.*

* In de Nieuwe Bijbelvertaling lezen we 'gelukkig' in plaats van 'zalig'; volgens critici een ongelukkige of zelfs onzalige keus omdat het egocentrisch zou zijn in plaats van theocentrisch en de associatie met de Eeuwige mist (niet te verwarren met de Eeuwige Mist.)

Maar niet door de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen.

Zalig zijn de armen van geest, zij kennen geen zaligheid.

De armen van geest kennen geen armen van geest en zij kennen geen rijken van geest.

Zij kennen geen hemelen en zij kennen geen hellen.

Zij kennen geen zaligheid en zij kennen geen onzaligheid.

Zalig zijn de armen van geest, zij kennen geen dit en geen dat.

Zij kennen geen dit en geen dat, ze kennen geen niet-dit en niet-dat, zij dansen van pat naar pat, hun kennis gelijkt een gat.

Zalig zijn de armen van geest, hun denken staat schaak noch mat.

56. Zalig zijn de schelen – zij zien het verschil niet tussen links en rechts

(Deel 3 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

Kun je kiezen voor keuzeloosheid?

Volgens de spirituele leraar Jiddu Krishnamurti is verlichting keuzeloos gewaarzijn.

Dat zal best, maar het is verdraaid moeilijk om keuzeloos gewaar te zijn, en ik prijs me gelukkig dat ik niet gekozen heb voor keuzeloosheid.

Volgens de spirituele leider Gautama Boeddha is nirwana uitdoving, onthechting.

Dat zal best, maar het is verdraaid moeilijk om overal van te onthechten, behalve voor doden, en ik prijs me gelukkig dat ik niet gehecht ben aan onthechting.

Volgens de derde zenpatriarch, Sengtsan, is de grote weg niet moeilijk voor wie geen voorkeuren heeft.

Dat zal best, maar het is verdraaid moeilijk om geen voorkeuren te hebben, en ik prijs me gelukkig dat ik geen voorkeur heb voor een leven zonder voorkeur.

Wie geen verschil ziet kan niet kiezen

Gelukkig is er iets waarvoor we ons allemaal gelukkig mogen prijzen: wie geen onderscheid maakt kan niet kiezen.

Om Sengtsan te parafraseren:

Geen voorkeuren hebben is niet moeilijk voor wie geen onderscheid maakt.

Nu lijkt ál het leven onderscheid te maken, van schimmel tot paard, van virus tot paus en van bacterie tot boeddha, zodat we misschien meer hebben aan een voorwaardelijke bewering:

Geen voorkeuren hebben is niet moeilijk voor zover je geen onderscheid maakt.

Maar ja, wie maakt er nou geen onderscheid?

Wie geen onderscheid wéét te maken natuurlijk.

Wie niet weet, die niet scheidt.

Maar wie scheidt, die weet of meent te weten – of hij nou wil of niet.

En wie weet of meent te weten, die scheidt – of hij nou wil of niet.

Kortom:

Geen voorkeuren hebben is niet moeilijk voor zover je geen onderscheid weet te maken.

Ook de uitspraak van Sengtsan wint aan relevantie in de voorwaardelijke vorm:

De grote weg is niet moeilijk voor zover je geen voorkeuren hebt.

Combineren we deze uitspraak met de vorige dan krijgen we:

De grote weg is niet moeilijk voor zover je geen onderscheid weet te maken.

Verliezen is vinden

Niet iedereen weet in dezelfde mate onderscheid te maken.

Zo is het conceptuele onderscheidingsvermogen van een kind geringer dan dat van een volwassene.

Het conceptuele onderscheidingsvermogen van een baby is geringer dan dat van een kind.

Wie is het onder de mensen die het minste onderscheid weet te maken?

Geen idee, het is ook geen wedstrijd, maar ik weet hoe hij heet:

De arme van geest.

Zalig zijn de armen van geest, zij weten nauwelijks onderscheid te maken.

Zo gering als hun onderscheidingsvermogen is, zo groot is hun onderscheidingsonvermogen, dat heeft het leven mooi geregeld.

Combineren we de vorige zaligspreking met het jargon van Sengtsan dan krijgen we:

De grote weg is niet moeilijk voor de armen van geest.

En in het jargon van Krishnamurti:

Keuzeloos gewaarzijn is niet moeilijk voor de armen van geest.

En in het jargon van de Boeddha:

Onthechting is niet moeilijk voor de armen van geest.

Ik kan me best vinden in deze formuleringen.

Ja, ik kan me er best in vinden, maar ik kan me er niet best in verliezen, dus we zijn er nog – niet.

En hoewel de lege mens zich alleen ten volle kan verliezen in de lege formulering komt de volgende uitspraak toch aardig in de buurt:

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

57. Lucht en leegte en wat ik ervan vind

(Deel 4 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is, zei ik.

Zo heb ik geen voorkeur voor geestelijke armoede en ben ik er niet aan gehecht en niet van onthecht, omdat ik als het erop aankomt geen idee heb wat armoede van geest inhoudt, of er wel armen van geest zijn, of er wel een geest is, of er ook rijken van geest zijn, wie beter af is en tot welke groep of groepen ik behoor, gesteld dat ik ergens toe behoor, gesteld dat ik ben.

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

Zo heb ik ook geen voorkeur voor het koninkrijk der hemelen en ben ik er niet aan gehecht en niet van onthecht, omdat ik als het erop aankomt geen idee heb wat dat is, hoeveel koninkrijken er zijn, of er wel koninkrijken zijn, of er wel een koninkrijk der hemelen is, en in welk koninkrijk of in welke koninkrijken ik mij bevind, gesteld dat ik mij in een of meer koninkrijken bevind, gesteld dat ik mij ergens bevind, gesteld dat ik ben.

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

Zo heb ik ook geen voorkeur voor zaligheid en ben ik er niet aan gehecht en niet van onthecht, omdat ik als het erop aankomt geen idee heb wat dat inhoudt, of er wel zoiets is als zaligheid, of er ook onzaligheid is, of het mogelijk is gelijktijdig of afwisselend zalig en onzalig te zijn en hoe dat bij mij zit, gesteld dat het bij mij zit, gesteld dat ik ben.

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

Zo heb ik ook geen voorkeur voor de grote weg en ben ik er niet aan gehecht of van onthecht, omdat ik als het erop aankomt het verschil niet zie tussen de grote weg, de kleine weg, de berm, het wildpad en het vrije veld, evenmin als het verschil tussen thuis en onderweg of vertrekpunt en bestemming, dus wat zal ik me druk maken over de vraag hoe ik van mijn voorkeuren af kan komen, gesteld dat ze van mij zijn, gesteld dat je er inderdaad van af kunt komen, gesteld dat er een ik is en aangenomen dat je zonder voorkeuren inderdaad minder moeite zou hebben op een of andere al dan niet denkbeeldige grote weg.

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

Zo heb ik ook geen voorkeur voor nirwana of samsara en ben ik aan geen van beide gehecht en van geen van beide onthecht, omdat ik als het erop aankomt geen idee heb wat het verschil is, als ze al niet identiek zijn, en geen idee of ik mij in nirwana of in samsara bevind, of in beide of in geen van beide, of nu eens in het een en dan weer in het ander, als dat al zou kunnen, gesteld dat ik mij ergens bevind, gesteld dat ik ben.

De grote weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

Zo heb ik ook geen voorkeur voor keuzeloos gewaarzijn boven selectief gewaarzijn, of keuzeloos blind zijn, of selectief blind zijn, en ben ik niet gehecht aan of onthecht van... enzovoort, net zomin als ik gehecht ben aan of onthecht ben van gehechtheid of onthechting, omdat ik als het erop aankomt geen idee heb of we daar wel een keuze hebben, en of er wel een ik is die kan kiezen et cetera ad infinitum.

Lucht en leegte, zegt Prediker, lucht en leegte, alles is leegte.

(Prediker 1:2)

58. Uitleggen wat ik niet kan uitleggen – woorden in de wind

(Deel 5 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

Doorzichtig is mijn geest inzake alle levensbeschouwelijke kwesties.

Leeg en licht en luchtig.

Blanco sta ik in het leven.

Zonder plan of doel.

Wat zou ik moeten doen?

Zelfs het niet-doen doe ik niet.

Wat zou ik moeten oefenen?

Zelfs het niet-oefenen praktiseer ik niet.

Wat zou ik moeten preken?

Zelfs het niet-preken predik ik niet.

Noch het niet-oefenen

Noch het niet-doen.

Noch het niet-weten.

Voor zover ik het niet ken, sta ik blanco in het leven.

Voor zover ik er niet ben, is mij alles om het even.

Over rust gesproken:

Zalig zijn de armen van geest, zij begeren niet wat zij niet kennen.

En over hartstocht:

Zalig zijn de armen van geest, zij kennen niet wat zij begeren.

Noch begeren zij te kennen wat zij begeren zonder kennen.

Onbestemd en onvervuld blijft in deze zin hun minne.

Dat is haar bestemming, haar vervulling en haar zinne.

Uitleggen kan ik dit verder niet, en waarom ook.

Als je het ooit mag ondervinden, valt er niets meer te zeggen.

Tot die tijd zijn dit woorden in de wind.

59. Als kinderen – zalig zonder rede

(Deel 6 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

De kleinsten zullen de grootsten zijn

De armen van geest in Mattheüs 5:3 doen me altijd denken aan de kinderen in Mattheüs 18:1-4:

1. Op dat moment kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: Wie zal de grootste zijn in het Koninkrijk der hemelen?

2. En Jezus riep een kind bij zich en zette dat in hun midden.

3. En Hij zei: Wie niet wordt als een kind zal het Koninkrijk der hemelen niet binnengaan.

4. Maar wie zich zo klein maakt als dit kind zal de grootste zijn in het Koninkrijk der hemelen.

Deze passage heeft de mystieke katholieke dichter Angelus Silesius tot prachtige kwatrijnen geïnspireerd, bijvoorbeeld:

Mensch, wordt gij niet een kind
zoo kunt gij nimmer zijn
daar, waar Gods kind'ren zijn –
de poort is u te klein.

en

Wenscht gij Gods kind te zijn
en smeekt g'om kinderzin
dan was God u reeds voor
en gaf dien wensch u in.

(Bron: Angelus Silesius: de hemelse zwerver, ingeleid en vertaald door Hilbrandt Boschma, tweede druk, Kluwer, Deventer 1945.)

En:

De wijsheid toeft graag daar
waar zij haar kinderen vindt.
Waarom? Het antwoord luidt:
zij zelve is een kind.

(Bron: Angelus Silesius, zwerver tussen hemel en aarde, een bloemlezing uit de Cherubinische Wandersmann, ingeleid en vertaald door Jacques Benoit, Kluwer, Deventer 1971.)

Kinderen van geest

Over de interpretatie van de frase 'wie niet wordt als een kind' in Mattheüs 5:3 is minstens zoveel geschreven als over de armen van geest.

Zelf wil ik er alleen dit over kwijt, dat er niet staat 'wie geen kind is' of 'wie geen kind wordt'.

Er staat: 'wie niet wordt als een kind'.

Kinderen weten nog niet.

Zij die als kinderen zijn geworden weten niet meer.


^ Hans op de lagere school.

Kinderen zijn kinderen; volwassenen die als kind zijn geworden, zou je kinderlijk of kindgelijk kunnen noemen (maar niet kinderachtig of kinds).

Kinderen moeten nog verstandskiezen krijgen; die van kindgelijken zijn al weggerot.

Het niet-weten van volwassenen is verworven, of liever verloren, want het is verlies van weten.

Het niet-weten van kinderen is aangeboren; het moet eerst nog weten worden eer het verloren kan gaan.

('Gij moet nog kind worden en zonder schaamte. De trots der jeugd is nog in u, laat zijt gij jong geworden.' Zegt Friedrich Nietzsche in Aldus sprak Zarathoestra, Wereldbibliotheek 2007/1941, laatste pagina van deel 2.)

Vandaar mijn volgende zaligspreking:

Zalig zijn de armen van geest, want zij zijn als kinderen.

Of simpelweg:

Zalig zijn de kinderen van geest.

Grote kinderen blijven klein

Voor zover zaligheid berust op het onvermogen conceptueel onderscheid te maken, hebben kinderen minder goede vooruitzichten dan kindgelijken, want hun onderscheidingsvermogen wordt snel groter.

Voor zover zaligheid berust op kleinheid hebben kinderen eveneens minder goede vooruitzichten dan kindgelijken, want kleine kinderen worden snel groot.

Kinderen willen volwassenen worden, volwassenen willen als kinderen worden. Hoe zit het met degenen die als kinderen zijn?

Zalig zijn de armen van geest, zij willen niets meer worden.

60. Van armen zonder karretje en ezels zonder Eden

(Deel 7 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

Wachten op Zijn Wederkomst

Waarvoor staat 'geest' in 'de armen van geest'?

Geen idee.

We zouden het Jezus kunnen vragen als Hij terugkomt, áls Hij terugkomt, vraag niet wanneer, nadat Zijn identiteit onomstotelijk is vastgesteld, vraag niet hoe.

Maar dat kan nog wel even duren, aangezien de vele Jezussen die zich sinds de allereerste hebben aangediend zonder uitzondering te licht zijn bevonden of niet eens zijn gewogen, al dan niet terecht.

In plaats van Jezus zelf zouden we Zijn geschriften kunnen raadplegen.

Maar Jezus Christus heeft net als Gautama Boeddha zelf nooit iets geschreven.

Of het is nooit bekend geworden dat Hij van een van Zijn werken de schrijver is geweest.

Of het is slechts in beperkte kring bekend geweest en in vergetelheid geraakt, of toch in elk geval buiten mijn, toegegeven, zeer beperkte gezichtsveld gehouden of gebleven.

Leve de overlevering

In plaats van de geschriften van Jezus zelf zouden we de geschriften kunnen raadplegen van mensen die óver Jezus geschreven hebben toen Hij nog leefde (waarschijnlijk niemand) of daarna (alle anderen).

De eerder vermelde Bergrede uit het Evangelie volgens Mattheüs bijvoorbeeld, al worden daarin de begrippen 'arm' en 'geest' en 'arm van geest' niet nader verklaard.

Of anders de veldrede uit het Evangelie naar Lucas; een variatie op de Bergrede (of omgekeerd) waarin het woord 'geest' helemaal niet wordt gebruikt:

En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.

(Lukas 6:20)

Gewetensvraag: hoe nauwkeurig is de nieuwtestamentische overlevering, die waarschijnlijk pas decennia na het overlijden van Christus tot stand kwam?

Niemand die het weet, maar velen die het menen te weten.

Nog erger is de situatie in het boeddhisme, dat blind vaart op soetra's en shastra's die niet 'slechts' decennia, maar eeuwen tot millennia na de dood van de historische Boeddha op schrift zijn gesteld.

Spannen of ontspannen?

Zowel christenen als boeddhisten zijn dus helemaal aangewezen op vertellers, navertellers, geheugenkunstenaars, verdichters, dichters, vertalers, hertalers, apologeten, exegeten, interpreten, filosofen, filologen, pedagogen, theologen, theocraten, boeddhologen en boeddhocraten uit heden en verleden.

Mensen die ervoor geleerd hebben, dat is het probleem niet.

Mensen die, zo zijn wij nou eenmaal, ik net zo goed, iemand met de statuur van een hemelse ezelrijder maar wat graag voor hun karretje spannen.

Zalig zijn de armen van geest, zij spannen niemand voor hun karretje.

Niet omdat de armen van geest bovenmensen zijn of met bovenmenselijke inspanning hun menselijkheid onderdrukken, maar omdat zij geen karretje meer hebben, geen bestemming, en niets om te vervoeren.

Zalig zijn de armen van geest, zij hoeven nergens heen.

61. Middenspel – scherp zonder snede

(Deel 8 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

Ik ben toch niet gek?

Misschien ben je al lezende ten prooi gevallen aan hevige twijfel.

Zijn die armen van geest soms zwak-, waan- of krankzinnig?

Hebben ze een cognitieve stoornis?

Lijden ze aan Alzheimer, Korsakov of een andere vorm van dementie?

Hebben ze ADD, ADHD, ASS of, God verhoede, HVD?

Ontbreekt het hun aan in- of uitlevingsvermogen, woorden of daden?

Is er iets, wat dan ook, mis met hun geest, ziel, psyche, bewustzijn, onderbewustzijn, brein?

Nee, nee, nee, nee, nee en nee.

Er is alleen iets veranderd in hun houding ten opzichte van hun geest.

Zalig zijn de armen van geest, zij laten zich niet langer leiden door hun geest.

Schouderophaaldienst

Waardoor laten de armen van geest zich dan wel leiden?

Door het hart?

Door de rede?

Door het heden?

Door de materie?

Door de wet?

Door de groep?

Door de omgeving?

Door het id?

Door het ego?

Door het superego?

Door de sterren?

Door de wetenschap?

Door het geheel?

Of laten ze zich alleen nog leiden door de Geest, met een hoofdletter, door God de Vader, Allah, het Zelf, het Absolute, het Goede, het Ene, Atman, Brahman, Zeus, de Bron, Bewustzijn, Tao, Eros, het Leven, de Kosmos, het Al?

Vraag maar aan een arme van geest.

Vraag maar, toe dan, hij bijt niet, buiten etenstijd.

En zie, hij haalt zijn schouders voor je op.

Hij haalt zijn schouders voor je op zolang je het zelf nog niet kan.

Zalig zijn de armen van geest, zij halen hun schouders voor ons op.

Het grote middenspel

Zalig zijn de armen van geest, zij halen hun schouders voor ons op.

Zo geven zij toe dat ze het ook niet weten.

Zo geven zij aan dat het helemaal niet erg is om iets niet te weten.

Zo helpen zij ons om alles waar we niets vanaf weten in het midden te laten.

Zalig zijn de armen van geest, zij laten alles in het midden.

Met 'het midden' pleit ik niet voor of tegen een of andere middenweg, gulden, christelijk, humanistisch, boeddhistisch, non-dualistisch, taoïstisch, moralistisch of anderszins.

Met 'het midden' pleit ik niet voor of tegen een of andere levenshouding zoals openheid, onbevangenheid, neutraliteit, onpartijdigheid, agnose, keuzeloos gewaarzijn, epoche, scepsis, ataraxie, niet-weten of niet-oordelen.

Met 'het midden' pleit ik niet voor of tegen een of andere gemoedstoestand zoals gelukzaligheid, onverstoorbaarheid, onbewogenheid, gelijkmoedigheid, gemoedsrust, aanvaarding, gelatenheid, lijdzaamheid, overgave, sereniteit en noem maar op.

Met 'het midden' pleit ik niet voor of tegen pleiten of niet-pleiten.

Spel is slechts het midden.

Het grote middenspel:

Een kleine oase in het hart van de hokjesgeest.

Zalig zijn de armen van geest, er is een oog in hun orkaan.

62. Groot ongeloof – een trap zonder treden

(Deel 9 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

Geest is een ander woord voor je gedachten

En zo mijmeren we op de plaats verder, van niemendal naar niemendal.

Onbegrensd is het koninkrijk der zwervelingen – het is overal hier en nergens niet.

Om terug te komen op de vraag die nog steeds open staat:

Wat is nou toch die geest die, volgens Jezus volgens Mattheüs volgens bijbelvertalers, bij de armen van geest zozeer door armoede is getekend dat hen zonder meer het koninkrijk der hemelen toekomt?

Sta mij toe een balletje op te gooien, niet te hoog, zonder boog, zodat je het eenvoudiger weg kunt slaan, want wegslaan is het wezen van niet-weten.

'Geest' is hier volgens mij niet een of andere metafysische, kosmische, biologische, esoterische, theologische, spirituele, filosofische of psychologische entiteit, maar gewoon een ander woord voor je gedachten.

Laten we er meteen maar weer een zaligheid tegenaan gooien:

Zalig zijn de armen van geest, zij laten zich niet langer leiden door hun gedachten.

Meisje met een vlindernetje dat een prachtvlinder achternazit en op het punt staat over de rand van een afgrond te rennen.
^ Zij laten zich niet langer leiden door hun gedachten.

Lachen om je wijsdom

Wanneer laat iemand zich niet langer leiden door zijn gedachten, zelfs niet door de gedachte dat hij zich niet langer laat leiden door zijn gedachten?

Als hij het heilige geloof in zijn innerlijke stem is kwijtgeraakt – in het vertoog, in die onophoudelijke stroom van woorden, gelezen, gehoord, zelfbedacht, herinnerd gehallucineerd, gedroomd, inclusief deze.

Als hij zijn innerlijke stem niet meer als de zijne beschouwd, en niet meer als de Zijne, en niet meer als vertolker van de Waarheid of zelfs maar van de waarheid.

Als hij eindelijk kan lachen om zijn innerlijke stem, zijn innerlijke wijsheid, zijn innerlijke goeroe, zijn innerlijke ouwehoeroe, als om een dronken lorre, een jonge hond, een borrelende buik, een oude kont.

Zalig zijn de armen van geest, zij lachen om hun wijsdom.

En wat is wijsdom?

Wijsdom is zelfgekakte dwaasheid aangezien voor hardgebakken wijsheid.

Voorbij geloof en ongeloof

Iemand die zich niet langer laat leiden door zijn gedachten, zelfs niet door deze, bejegent meningen, oordelen, onderscheidingen, overtuigingen, manifesten, pleidooien, ideeën en idealen ongeacht hun bron met Groot ongeloof – deze ook.

Niet moedwillig, niet methodisch, niet met een bepaald doel voor ogen; niet met het oog op doelloosheid, grilligheid of spontaniteit; maar blindelings, vanuit een onwankelbaar vertrouwen.

Zalig zijn de armen van geest, zij vertrouwen op hun wantrouwen.

Groot Ongeloof betekent natuurlijk niet dat je niet in God gelooft.

Het betekent niet dat je niet in de Boeddha gelooft.

Het betekent niet dat je in atheïsme gelooft, in agnosticisme, anatman, nihilisme, sunyata, scepticisme, fatalisme.

Groot ongeloof betekent niet dat je in groot ongeloof gelooft.

Groot ongeloof betekent alleen maar dat je niet meer in je gedachten gelooft.

Ook niet in deze.

Zalig zijn de armen van geest, zij zijn voorbij geloof en ongeloof.

63. Yabba dabba doo – zalig zonder bede

(Deel 10 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

Niet-weten maakt nederig

De uitdrukking 'de armen van geest', is afkomstig uit de Statenbijbel.

In de Nieuwe Bijbelvertaling heet het:

Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.

Wie arm van geest is ontkomt er niet aan naar de maat van zijn armoede van geest nederig van hart te zijn, want hij is zich voortdurend bewust van zijn geestelijke armoede, zijn peilloze onbegrip, zijn ontoereikendheid, zijn kleinheid, waarin hij zich verheugt.

Ook ontkomt de arme van geest er niet aan naar de maat van zijn armoede van geest zachtmoedig (zaligspreking 3), barmhartig (5), rein van hart (6), vreedzaam (7) en gerechtig (4,8) te zijn.

Niet als verdienste, maar per ongeluk, als bijverschijnsel van zijn armoede van geest, die zich na het overschrijden van een kritieke maar onbepaalde grens door geen enkele geestelijke of morele praktijk, door geen enkele studie, meditatie of onthouding meer laat lenigen.

Zalig zijn de armen van geest, zij zijn reddeloos verloren.

Nederigheid maakt geen niet-weten

Wie nederig van hart is, hoeft omgekeerd niet arm van geest of reddeloos verloren te zijn, al zou dat zijn nederigheid allicht ten goede komen.

En wie gelooft dat hij de wijsheid in pacht heeft, kan alleen maar hoog van hart zijn, en alléén, verontwaardigd, onbarmhartig, onbuigzaam, hardvochtig en oorlogszuchtig naar de maat van zijn gelijk – maar weet of waant zich de rijkste van geest.

Zalig zijn de rijksten van geest, hunner is het koninkrijk der dromen.

Was ik evangelist geweest dan had ik dit statige vers graag voor mijn rekening genomen, en alle andere, en al mijn meanderen op de koop toe.

Dan had ik zelf de wijsheid in pacht gehad, daarboven op de hoogste troon in het koninkrijk mijner dromen, stel je voor.

Een mantra uit het stenen tijdperk

Een avangelist, als ik mezelf zo mag noemen, belijdt slechts de stilte, met of zonder woorden, recht zo die gaat.

(Avangelist, a-, niet + angelist, boodschapper: boodschapper zonder boodschap.)

Een innerlijke stilte, die zich door geen enkele gedachte of Gedachte van geen enkele geest of Geest, meer laat overschreeuwen.

Zalig zijn de armen van geest, zij belijden slechts de stilte.

YABBA DABBA DOO!

Kleurplaat van Fred Flintstone waarin wild over de lijntjes is gekleurd.
^ YABBA DABBA DOO!

O, pardon.

Yabba dabba doo.

64. De stille stem – zalig zonder rede

(Deel 11 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

Wat voor meester is de arme van geest?
Een stille, die alle leerlingen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor priester is de arme van geest?
Een stille, die alle goden voor zichzelf laat spreken.

Wat voor mysticus is de arme van geest?
Een stille, die alle ervaringen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor boeddha is de arme van geest?
Een stille, die alle dharma's voor zichzelf laat spreken.

Wat voor minnaar is de arme van geest?
Een stille, die alle geliefden voor zichzelf laat spreken.

Wat voor moralist is de arme van geest?
Een stille, die alle zeden voor zichzelf laat preken.

Wat voor politicus is de arme van geest?
Een stille, die alle partijen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor staatshoofd is de arme van geest?
Een stille, die alle mensen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor wetenschapper is de arme van geest?
Een stille, die alle feiten voor zichzelf laat spreken.

Wat voor fysicus is de arme van geest?
Een stille, die alle dingen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor musicus is de arme van geest?
Een stille, die alle instrumenten voor zichzelf laat spelen.

Wat voor wijsgeer is de arme van geest?
Een stille, die alle filosofen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor denker is de arme van geest?
Een stille, die alle gedachten voor zichzelf laat spreken.

Wat voor duider is de arme van geest?
Een stille, die alle tekens voor zichzelf laat spreken.

Wat voor arts is de arme van geest?
Een stille, die alle symptomen voor zichzelf laat spreken.

Wat voor spreker is de arme van geest?
Een stille, die alle woorden voor iedereen laat zwijgen.

65. De lege moraal – zalig zonder zeden

(Deel 12 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

Ziektewinst

Zachtmoedigheid, barmhartigheid, reinheid van hart, vreedzaamheid en gerechtigheid zijn voor mij geen deugden, waarden of idealen.

Voor dat soort zaken moet je in de wetende religies zijn: het christendom, het boeddhisme, het jodendom, de islam, het hindoeïsme, het humanisme, het socialisme.

Voor mij, voor een agnost, zijn zachtmoedigheid, barmhartigheid, reinheid van hart, vreedzaamheid, gerechtigheid en dergelijke symptomen van een radicaal niet-weten.

Noem het ziektewinst.

Noem het bijvangst.

Noem het complicaties.

Noem het simplificaties.

Moraal zonder mores

Juist waar het fundament onder het denken volledig is weggeslagen, ontstaat een handelswijze die wel wat weg heeft van de moraal die de mensheid zichzelf al sinds mensenheugenis probeert op te leggen.

Zonder forceren, zonder geloften, zonder geboden, zonder stenen tafelen, zonder stenigen, zonder inquisitie.

Voorbij goed en kwaad, voorbij juist en onjuist, voorbij heilig en zondig, voorbij recht en plicht, voorbij rechtzinnig en vrijzinnig, voorbij beloning en straf, voorbij hemel en hel.

Deze moraal is niet in regels te vangen, want regels behoren tot het domein van het weten, de wetten, het streven, het hebben en het heersen.

De moraal van niet-weten is een moraal zonder mores.

Een lege moraal, zo leeg als de lege leer, maar toch – een moraal.

Of zeg maar gerust dé lege moraal, want waarin zou de ene lege moraal moeten verschillen van de andere? De lege moraal is universeel

Emergente ethiek

De arme van geest is naar de maat van zijn geestelijke armoede overwegend maar niet principieel zachtmoedig, barmhartig, rein van hart, vreedzaam en gerechtig.

Zijn ethiek is emergent, zij blijft hem onbekend.

Zij is de zijne niet, gaat buiten hem om, net als hijzelf, net als het leven dat hij leeft terwijl het hem leeft.

Hij heeft er geen omkijken naar, en als hij toch eens omkijkt, ziet hij – niets.

De ethiek van de arme van geest is niet verankerd in zijn wijsheid, die hij niet heeft, niet in zijn god, die hij niet kent, niet in zijn leegte, die (hij) niet is.

Vandaar dat de arme van geest niemand tot voorbeeld kan zijn – wat mensen er niet van weerhoudt het toch te proberen.

Vandaar ook dat de arme van geest nergens op aangesproken kan worden – wat mensen er niet van weerhoudt het toch te proberen.

Vandaar ook dat de arme van geest zichzelf nergens op aan kan spreken – wat hem er niet van weerhoudt het toch te proberen.

Dus pas maar op, beste mensen: met die armen van geest weet je het maar nooit.

De heilige Franciscus van Assisi met een tortelduif op zijn hoofd en een geplukte kip in zijn hand; hij kijkt een beetje bedremmeld.
^ Met die armen van geest weet je het maar nooit.

Wat is emergentie?

Emergentie ('plotseling opduiken'), lijkt in de wetenschappelijke verklaringspraktijk een eufemisme voor niet-weten, een mom voor het echec van het reductionisme.

De emergente meme emergentie is etymologisch verwant met het Engelse emergency en verscheen uit het niets toen de behoefte aan noodverklaringen onder doordenkers te groot werd.

Zo wordt bewustzijn door systeemtheoretici verklaard als een emergente eigenschap van complexe interacties tussen zenuwcellen, leven als een emergente eigenschap van complexe interacties tussen organische moleculen, zwaartekracht als een emergente eigenschap van informatieverschillen tussen massa's.

De vloeibaarheid van water heet emergent omdat deze eigenschap niet te voorspellen is uit de eigenschappen van de individuele watermoleculen, lees ik in de Wikipedia. Als dat waar is, betekent emergent (althans op die plek) inderdaad niet meer dan onvoorzien en onherleidbaar.

Maar dan is zowat het hele leven emergent, inclusief deze dwaaltekst. Of had je hem soms aan zien komen?

Mijn ethiek emergent noemen, verklaart niets. Ik druk er alleen maar mijn verbazing mee uit dat een mens zonder fundament niet noodzakelijk in barbarij vervalt.

Net zomin als een mens mét een fundament – christelijk, islamitisch, hindoeïstisch, boeddhistisch, communistisch, kapitalistisch, democratisch, racistisch, fascistisch en noem maar op – noodzakelijk beschaafd is. Behalve in zijn eigen ogen.

66. De lege wet – geen Perzen en geen Meden

(Deel 13 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

Zalig zijn de zachtmoedigen, zij maken zich nergens hard voor.

Zalig zijn de overwonnenen, zij hebben niets te verdedigen.

Zalig zijn de rechtelozen, zij hebben niets te claimen.

Zalig zijn de machtelozen, zij hebben geen ellebogenwerk.

Zalig zijn de vreedzamen, zij vechten niet tegen oorlog.

Zalig zijn de nederigen, zij kunnen niet dieper vallen.

Zalig zijn de christenen, zij hebben hun eigen kruis.

Zalig zijn de boeddhisten, zij hebben genoeg aan een vlot.

Zalig zijn de schipbreukelingen, zij hebben genoeg wrakhout.

Zalig zijn de drenkelingen, zij hebben genoeg water.

Zalig zijn de doden, hun laat alles koud.

Zalig zijn de stervenden, zij hebben niets meer te verliezen.

Zalig zijn de pasgeborenen, zij weten van toeten noch blazen.

Zalig zijn de naaktlopers, zij hebben niets om het lijf.

Zalig zijn de zwervers, zij dolen zonder doelen.

Zalig zijn de vrijzinnigen, zij bidden zonder richting.

Zalig zijn de thuisblijvers, zij hoeven nergens heen.

Zalig zijn de twijfelaars, zij hebben niets te bewijzen.

Zalig zijn de narren, zij lachen om het rijk.

Zalig zijn de armen, zij lopen op eigen benen.

Zalig zijn de dwazen, zij wijzen niemand de weg.

Zalig zijn de slapelozen, zij hebben geen nachtmerries.

Zalig zijn de dromers, zij slapen overal doorheen.

Zalig zijn de blinden, zij zien het verschil niet.

Zalig zijn de doven, zij verstaan geen woord.

Zalig zijn de analfabeten, zij kunnen dit niet lezen.

67. Zalig is mijn heden

(Deel 14 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

Zalig is mijn heden!

Zalig zonder reden!

Zalig zonder beden!

Zalig zonder zeden!

Zalig zonder Eden!

Zalig is mijn heden –

Zonder zaligheden!

68. Belijdenis van een onnozelaar

(Deel 15 van een serie van 15 artikelen over geestelijke armoede.)

Hieronder mijn eigen bergrede, geïnspireerd door de zaligsprekingen volgens Mattheüs, hoofdstuk 5, vers 3-11.

Ik heb haar vormgegeven als een wisselgebed voor een voorganger (ik) en een koor (ikkes). Dan voel ik me niet zo alleen.

Kop van een zwakzinnige met microcefalie.
^ Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van hemel noch aarde.

Voorzanger: Zalig zijn de armen van geest.

Koor: Zalig zijn de armen van geest.

Voorzanger: Zalig zijn de armen van geest, want zij weten niet beter.

Koor: Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van hemel noch aarde.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van zachtmoedigheid noch hardvochtigheid.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van barmhartigheid noch onbarmhartigheid.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van reinheid noch onreinheid.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van vreedzaamheid noch oorlogszucht.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van gerechtigheid noch ongerechtigheid.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van onderscheid noch eenheid.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van gehechtheid noch onthechting.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van oordelen noch niet-oordelen.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van zaligheid noch onzaligheid.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten van rijkdom noch armoe.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten niet beter.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest als de mensen hen smaden en vervolgen en negeren en liegende alle kwaad tegen hen spreken omdat ze niet beter weten.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de mensen die de armen van geest smaden en vervolgen en negeren en liegende alle kwaad tegen hen spreken omdat ze niet beter weten, want zij weten niet beter.

Zalig zijn de armen van geest.

Zalig zijn de armen van geest, want zij weten niet beter.

Zalig zijn de armen van geest.

Amen.

Allemaal koppen van onnozelaars die samen ook weer de kop van een onnozelaar vormen.
^ Zalig zijn de armen van geest, want zij weten niet beter.

69. Wie niet wordt als een kind...

Monnik: Rozenkrans of mala?

Meester: Snoepketting.

70. Het Kinderevangelie

Je begint met een woord
En het woord is uh

En het zingt maar rond
Tot je laatste huh

(Geïnspireerd door Johannes 1:1: In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.)

71. Kleur bekennen

'Ben jij nou een theïst, een atheïst of een agnosticus, Hans?'

'Ik geloof het niet.'

72. De lege belijdenis, Ø

Geloof jij in niet geloven?

'Hoe denk jij over religie, Hans?'

'Tja.'

'Ben jij een agnosticus?'

'Agnosticisme is een geloof.'

'Ben je dan een gnosticus?'

'Gnosticisme is een geloof.'

'Ben je dan een atheïst?'

'Atheïsme is een geloof.'

'Ben jij dan een theïst?'

'Theïsme is een geloof.'

'Ben je dan een scepticus?'

'Scepticisme is een geloof.'

'Ben je dan een cynicus?'

'Cynisme is een geloof.'

'Ben je dan een nihilist?'

'Nihilisme is een geloof.'

'Wat ben je dan wel?'

'Wie zegt dat ik iets ben?'

'Zijn is iets zijn.'

'Daar zeg je wel wat bij.'

'Dan ben je zeker niemand.'

'Ik geloof het niet.'

'Geloof jij in niet geloven?'

'Niet dat ik weet.'

'In niet weten dan?'

'Ik durf het niet te zeggen.'

'In niet zeggen?'

'Ik denk het niet.'

'In niet denken?'

'Ik zou niet weten hoe.'

'Nou weet ik nog niet hoe je over religie denkt.'

'Geloof je dat nou echt?'

73. Religie in het badhuis

Theïsme, atheïsme of agnose, waar stroom jij van over?

'Waarmee zou jij het geloof vergelijken, Hans?'

'Een calidarium.'

'Want?'

'Hoe langer je erin zit, hoe heter je het krijgt.'

'Waarmee zou jij ongeloof vergelijken?'

'Een frigidarium.'

'Want?'

'Hoe langer je erin zit, hoe kouder je het krijgt.'

'Waarmee zou jij het niet-weten vergelijken?'

'Een tepidarium.'

'Want?'

'Hoe lang je er ook in zit, je word er niet warm of koud van.'

Woordenlijstje

frigidarium: Romeins koudwaterbad

calidarium: Romeins heetwaterbad

tepidarium: Romeins lauwwaterbad

74. Tot wie gaapt de vis op het droge?

Een discipel roept: Vierentwintig profeten hebben door u gesproken!

Meester Nebbisj zegt:

Tot wie babbelt de bergbeek?

Tot wie druist de marktplaats?

Tot wie dondert het onweer?

Tot wie mekkert de geit?

Tot wie gaapt de vis op het droge?

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

75. Waarom de zon nooit 's nachts schijnt

Een oogverblindend inzicht.

Beste Hans,

Graag wil ik u een veelgestelde vraag stellen waarop ik nog nooit een bevredigend antwoord heb gehoord. Waarom schijnt de zon overdag, als het toch al licht is, en niet 's nachts, als het donker is? Wat is de logica of de fysica daarvan?

Beste Luna,

In het verleden hebben geavanceerdere culturen dan de onze bij herhaling de zon naar de nacht gebracht. Dat werkte perfect, alleen bleef het overdag pikdonker.

Het duurde nooit lang voordat mensen de dag nacht gingen noemen en de nacht dag, al waren beide twaalf uur verschoven vergeleken met vroeger – naar voren of naar achteren, afhankelijk van de vraag of de beschaving in kwestie liever tijd verloor of won, meestal dat laatste.

Uiteindelijk kregen de wijzen door dat het niet de zon is die het verschil maakt tussen dag en nacht, maar het woord. Iets nacht noemen is verduisteren, iets dag noemen verlichten. Het woord gaat voor de zaak uit.

Nu begrijp je ook waarom Johannes zijn evangelie begon met de gevleugelde woorden: in den beginne was het woord en het woord werd god en het Woord is god.

76. The dream is over

What can I say?

God is a concept
By which we measure our pain
But then again
Word is a concept
By which we measure our brain

I don't believe in magic
I don't believe in I-ching
I don't believe in Bible
I don't believe in tarot
I don't believe in Hitler
I don't believe in Jesus
I don't believe in kings
I don't believe in Buddha
I don't believe in mantra
I don't believe in Gita
I don't believe in tantra
I don't believe in yoga
I don't believe in oneness
I don't believe in emptiness
I don't believe in you
I don't believe in me
I don't believe in disbelief
And that's reality

Reality is over
That's the dream
The dream is over
This is the end
The end is past
What can I say?
Yesterday
I was Hans
Is a concept
By which we measured
But now, dear friends...

John Lennon

Het lied hierboven is geïnspireerd door het nummer God van John Lennon / Plastic Ono Band, het eerste album dat Lennon maakte zonder de Beatles:

God is a concept by which we measure our pain
I'll say it again
God is a concept by which we measure our pain, yeah
Pain, yeah

I don't believe in magic
I don't believe in I-Ching
I don't believe in Bible
I don't believe in tarot
I don't believe in Hitler
I don't believe in Jesus
I don't believe in Kennedy
I don't believe in Buddha
I don't believe in mantra
I don't believe in Gita
I don't believe in yoga
I don't believe in kings
I don't believe in Elvis
I don't believe in Zimmerman
I don't believe in Beatles
I just believe in me
Yoko and me
And that's reality

The dream is over
What can I say?
The dream is over
Yesterday
I was the dream weaver, but now I'm reborn
I was the Walrus, but now I'm John
And so dear friends, you'll just have to carry on
The dream is over

77. Iedereen gelooft

Wat geloof jij?

Meester Goh zegt:

Volgens het theïsme zijn er een of meer goden.

Geloof jij het?

Volgens het monotheïsme is er maar één god.

Geloof jij het?

Volgens het polytheïsme zijn er meerdere goden.

Geloof jij het?

Volgens het pantheïsme is alles en iedereen goddelijk.

Geloof jij het?

Volgens het panentheïsme is alles en iedereen goddelijk, maar is god meer dan alles en iedereen.

Geloof jij het?

Volgens het non-theïsme (transtheïsme) is het hogere geen wezen, maar een werkelijkheid, principe of kracht, zoals de Tao, het Zelf, de Boeddhanatuur of Bewustzijn.

Geloof jij het?

Volgens het ietsisime is er meer tussen hemel en aarde dan het oog kan zien, maar slaan bestaande religies de plank mis.

Geloof jij het?

Volgens het atheïsme bestaat god niet.

Geloof jij het?

Volgens het antitheïsme (sterk atheïsme, negatief atheïsme, nieuw atheïsme, antireligie, atheologie) is theïsme schadelijk en moet het actief bestreden worden.

Geloof jij het?

Volgens het theïstisch atheïsme bestaat God wel maar heeft godsdienst geen bestaansrecht.

Geloof jij het?

Volgens het syntheïsme (zwak atheïsme, positief atheïsme) bestaat God niet als opperwezen maar wel als een waardevolle menselijke schepping.

Geloof jij het?

Volgens het filosofisch atheïsme is het geloof in God niet te rijmen met met het materialisme, het naturalisme, het fysicalisme, de energetica en zo.

Geloof jij het?

Volgens het ideologisch atheïsme is het bestaan van God niet te rijmen met het communisme, het socialisme, het anarchisme en zo.

Geloof jij het?

Volgens het pragmatisch atheïsme (praktisch atheïsme, apatheïsme) is de vraag of God bestaat niet relevant voor de praktijk van alledag en voor het maken van wereldse keuzes.

Geloof jij het?

Volgens de vrijdenkerij en het posttheïsme is iedere vorm van theïsme achterhaald door het moderne, verlichte, wetenschappelijke denken.

Geloof jij het?

Volgens het agnosticisme is het al dan niet bestaan van iets hogers onbewijsbaar of nog onbewezen.

Geloof jij het?

Volgens het sterk agnosticisme is het al dan niet bestaan van iets hogers onbewijsbaar.

Geloof jij het?

Volgens het zwak agnosticisme is het al dan niet bestaan van iets hogers nog onbewezen.

Geloof jij het?

Volgens het apathisch agnosticisme is het al dan niet bestaan van iets hogers onbewijsbaar en onbelangrijk.

Geloof jij het?

Volgens het theïstisch agnosticisme bestaat er iets hogers, maar is dat onbewijsbaar of nog onbewezen.

Geloof jij het?

Volgens het atheïstisch agnosticisme bestaat er niets hogers, maar is dat onbewijsbaar of nog onbewezen.

Geloof jij het?

Volgens het ignosticisme (igtheïsme, theologisch non-cognitivisme) is de vraag of God bestaat betekenisloos, omdat er nog geen overeenstemming is of nooit overeenstemming zal zijn over de definitie van 'God'.

Geloof jij het?

Volgens het indifferentisme (religieus pluralisme) zijn alle religieuze leerstelsels gelijkwaardig.

Geloof jij het?

Volgens het possibilianisme (possibilitarisme) weten we inmiddels teveel om bestaande religies te omarmen, maar te weinig om de mogelijkheid van iets hogers uit te sluiten.

Wat geloof jij?

Lees ook de Intergalactische Waarheidsconferentie (in het Witboek voor Zoekers.

78. Woord is een god

De god van de schijn

Woord is een god
De god van de schijn
Taal is de heer
Die heerst in ons brein

GOD is een woord
DUIVEL is een woord
ENGEL is een woord
HEMEL is een woord
HEL is een woord
ZONDE is een woord
SCHULD is een woord
BIECHT is een woord
BOETE is een woord
AFLAAT is een woord
GENADE is een woord

JEZUS is een woord
MARIA is een woord
APOSTEL is een woord
PROFEET is een woord
DISCIPEL is een woord
PAUS is een woord
KARDINAAL is een woord
BISSCHOP is een woord
PRIESTER is een woord
PASTOOR is een woord
BROEDER is een woord

KLOOSTER is een woord
KERK is een woord
KAPEL is een woord
PAROCHIE is een woord
DOOP is een woord
BEKERING is een woord
BELIJDENIS is een woord
COMMUNIE is een woord
INQUISITIE is een woord
MISSIE is een woord
HEILIG is een woord
ZEGEN is een woord

BIJBEL is een woord
TESTAMENT is een woord
PSALM is een woord
GEBED is een woord
MEDITATIE is een woord
CONTEMPLATIE is een woord
MIS is een woord
HOOGLIED is een woord
KRUIS is een woord
ROZENKRANS is een woord
WOORD is een woord

Woord is een god
De god van de schijn
Die maakt dat begrippen
Verzoekingen zijn

Uitgebleekte pagina uit de bijbel met zwarte tekst in de vorm van een kruis.
^ Woord is een god.

79. Een pad uit het woord

God is een zucht
Een naam voor de pijn

God is een woord
De vloek van ons brein

Brein is de hoop
De trots van de soort

Brein is een vloek
De god van het woord

God is een poort
Een pad uit het woord

Poort is het brein
Dat niemand behoort

God is het brein
Dat dit heeft verwoord

Brein is de god
Die god heeft vermoord

Pagina uit de bijbel met uitgebleekte tekst in de vorm van een kruis.
^ Een pad uit het woord.

80. Aan de vruchten kent men de boom

'Wat is de vrucht van jouw contemplatieve leven?'

'Rusten in God, Hans.'

'Wie is God?'

'Een groot mysterie. De afgrond van het bestaan.'

'Wie rust er in God?'

'Ik.'

'Wie ben jij?'

'Een klein mysterie. De afgrond van mijn bestaan.'

'Dus met rusten in God bedoel je dat het onoplosbare mysterie dat je zelf bent, verblijft in het onoplosbare mysterie dat God heet?'

'Precies.'

'Dus jij maakt deel uit van God?'

'Nou...'

'Niet?'

'Dat maakt deel uit van het mysterie.'

'Want?'

'Misschien zijn God en ik wel identiek.'

'Op die manier.'

'Of misschien maakt God wel deel uit van mij.'

'Dat kan ook nog.'

'Vandaar.'

'Wat een raadselen allemaal.'

'Zeg dat wel.'

'En wie is eigenlijk die God?'

'Dat zeg ik.'

'Wat?'

'Een mysterie.'

'Wat betekent het voor jou dat God een mysterie is?'

'Dat ik geen idee heb wie of wat Hij is.'

'Of dat Hij is?'

'Hm.'

'Wat betekent het dat jij een mysterie bent?'

'Dat ik geen idee heb wie of wat ik ben.'

'Of dat je bent?'

'Hm.'

'En dat zou de vrucht van jouw contemplatieve leven zijn?'

'Wat?'

'Dat iemand die niet weet wie of wat of dat hij is, verblijft in, of identiek is met, of als verblijfplaats dient voor, iets of iemand waarvan hij niet weet wie of wat of dat het is?'

'Ik zou het anders ook niet weten.'

'Misschien had je dat moeten zeggen.'

'Wat moeten zeggen?'

'De vrucht van mijn contemplatieve leven is rusten in niet-weten.'

'Misschien wel.'

'Maar ja.'

'Wat?'

'Dat zou je dan ook niet weten.'

'Verdraaid.'

'En om dat nou rusten te noemen?'

81. Een holte in de leegte van de ruimte

Meester Nebbisj zegt:

Discipelen zijn als gauwdieven die mij het geheim komen ontfutselen dat ze me zelf hebben toegedicht.

Ze zijn als oude maagden op zoek naar een verkrachter om hun kuisheid te verdedigen.

Ze zijn als bouwlieden die bij wijze van huis een lange rechte muur hebben gebouwd met ramen en een deur erin, en eindeloos redetwisten over de vraag wat binnen is en buiten.

Ikzelf ben als een holte in de leegte van de ruimte. De toegang is vrij en vinden zult u niets.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

82. De 8 best bewaarde geheimen van het universum

1

'Wat is het best bewaarde geheim van het universum?'

'Of er een geheim is.'

2

'Wat is het best bewaarde geheim van het universum?'

'Of er een bewaarder is.'

3

'Wat is het best bewaarde geheim van het universum?'

'Of er een universum is.'

4

'Wat is het best bewaarde geheim van het universum?'

'Het vanzelfsprekende.'

5

'Wat is het best bewaarde geheim van het universum?'

'God, zei de mens.'

6

'Wat is het best bewaarde geheim van het universum?'

'De mens, zei God.'

7

'Wat is het best bewaarde geheim van het universum?'

'Jij, zei de psychiater.'

8

'Wat is het best bewaarde geheim van het universum?'

'Ik, zei de gek.'

83. Doe maar alsof je een kind voor je hebt

'Hoi, uh...'

'Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook de daden niet van God, die alles maakt.'

'Pardon?'

'Prediker 11:5, Hans.'

'En?'

'Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman?'

'Om over je eigen gedachten nog maar te zwijgen.'

'Romeinen 11:34.'

'Wat wil je nou eigenlijk zeggen?'

'Dat het numineuze mij voor onoplosbare raadselen stelt.'

'Het wat?'

'Het leven, zeg maar. Dat het leven een mysterie is, bedoel ik.'

'Het leven is een woord.'

'Ik doel op het grote onbekende waarin... waarvan...'

'Probeer het eens zo eenvoudig mogelijk te zeggen.'

'Dan komt er niks.'

'Dat lijkt me niet onjuist, maar ook niet erg precies.'

'In de diepte der diepten... daar waar niets of niemand...'

'Doe maar of je een kind voor je hebt.'

'Hoi, uh...'

'Zie je wel.'

'Wat?'

'Dat je het best in je eigen woorden kon zeggen.'

'Huh?'

'Zie je wel.'

84. Uw twijfel is in mij tot zekerheid geworden

Meester Nebbisj zegt:

Wat u aanziet voor mijn almacht is slechts mijn almachteloosheid.

Wat u aanziet voor mijn alwetendheid is slechts mijn alonwetendheid.

Uw zekerheid is in mij aan stukken geslagen.

Uw twijfel is in mij tot zekerheid geworden.

Is dat dan wat u zoekt?

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

85. Niet-weten als leeg geloof

Wie niet weet is geen priester.

Was hij toch een priester dan was hij geen hogepriester maar een lage die alles boven de pet ging, nergens hoogte van kreeg en nergens boven stond.

Nee, geen lage priester maar een lege priester van een leeg geloof.

Nu kan er maar één leeg geloof zijn, want waarin zou het ene lege geloof verschillen van het andere lege geloof?

We kunnen dus beter spreken van hét lege geloof.

Als religie is het lege geloof, gespeend van gebruikelijke infernalia als goden, engelen, duivelen, hemelen, vagevuren, hellen, geschriften, gebeden, voorschriften, gewaden, ornamenten, relikwieën, rituelen en andere licht ontvlambare materialen.

Het lege geloof kent geen gelovigen en geen ongelovigen.

Het kent geen canonieke werken en geen apocriefe.

Het kent geen rechtzinnigen en geen vrijzinnigen.

Het kent geen inquisiteurs en geen martelaren.

Het kent geen openbaringen en geen crypten.

Het kent geen biechthokjes en geen aflaten.

Het kent geen kruis en geen kruisvaarders.

Het kent geen kloosters en geen roosters.

Het kent geen heiligen en geen heidenen.

Het kent geen kerken en geen kerkers.

Omdat het lege geloof geen enkele vorm van afleiding of voorstelling biedt, is het wellicht de meest geconcentreerde religie onder de zon, maar waarop concentreert het zich?

Niet op de zon.

Ook niet op de hemel of de aarde.

Wat er dan nog overblijft?

De tussenruimte natuurlijk.

Zijn het niet de uitsparingen die de letters, de spaties die de woorden, de interlinies die de regels, de marges die de boeken maken?

Is het niet de tussenruimte die beweging mogelijk maakt?

Het lege geloof aanhangen, dat is rondzweven in het onbegrensde.

En wat mag dat onbegrensde dan wel wezen?

Waarin zweeft men dan rond en wat hangt men dan aan?

Geen idee!

Geen idee is waarin men dan rondzweeft.

Geen idee is wat men dan aanhangt.

Het lege geloof, Ø, koestert geen enkele overtuiging, positief, negatief of neutraal, over willekeurig wat.

Dus ook niet over de gevestigde godsdiensten, het lege geloof of het koesteren van overtuigingen, positief, negatief of neutraal, over willekeurig wat.

Van ons heeft niemand iets te vrezen, behalve die de ruimte vrezen, en dan nóg.

Zwart vlak met doorzichtige regenbooglijnen in de vorm van een vrouw met een cape met kap.
^ De lege moeder van het lege geloof.

86. Waarom je je best mag afvragen hoe God eruitziet

Over de onbewijsbaarheid van de onbewijsbaarheid van het bestaan van God

Kris: De vraag of God bestaat valt niet te beantwoorden.

Hans: O nee?

Kris: Waarom zou je je dan druk maken over de vraag hoe God eruitziet?

Hans: Hoe weet je dat de vraag of God bestaat niet valt te beantwoorden?

Kris: Omdat niemand het antwoord heeft gevonden.

Hans: Miljarden hebben het antwoord gevonden.

Kris: Niemand heeft bewezen dat God bestaat.

Hans: Velen hebben bewezen dat God bestaat.

Kris: Niet één bewijs heeft iedereen kunnen overtuigen.

Hans: Dat bewijst niet dat alle bewijzen incorrect zijn. Het bewijst niet dat er nooit een bewijs gevonden zal worden dat iedereen zal overtuigen.

Kris: Laat ik het dan zo zeggen, geen enkel bewijs heeft mij kunnen overtuigen.

Hans: Misschien ben je gewoon te koppig of te dom.

Kris: Ja, als we zo gaan beginnen.

Hans: Volgens sommigen moet het bestaan van God niet bewezen maar ervaren worden.

Kris: Ik heb het bestaan van God nooit ervaren.

Hans: Dat bewijst niet dat niemand het ooit ervaren heeft of dat niemand het ooit zal ervaren.

Kris: Niemand heeft mij kunnen overtuigen dat zijn ervaring werkelijk op God terug te voeren was.

Hans: Heb jij ooit iemand kunnen overtuigen van niet?

Kris: Eh, nee.

Hans: Volgens sommigen moet het bestaan van God niet bewezen of ervaren maar geloofd worden.

Kris: Volgens mij is geloven de laagste vorm van kennis, lager dan ervaren of bewijzen.

Hans: Volgens hen is geloven de hoogste blijk van vertrouwen, hoger dan bewijzen of ervaren.

Kris: Akkoord, de vraag of de vraag of god bestaat te beantwoorden is, valt niet te beantwoorden.

Hans: O nee?

87. De theïst, de atheïst en de agnost

Theïst: Er is iets waaraan alles ondergeschikt is!

Atheïst: Er is niets waaraan alles ondergeschikt is!

Theïst: Dat is er wel!

Atheïst: Dat is er niet!

Theïst: Welles!

Atheïst: Nietes!

Theïst: Zeg jij ook eens wat!

Atheïst: Ja joh, zeg jij ook eens wat!

Agnost: Is er iets?

Theïst: Er is iets waaraan alles ondergeschikt is!

Atheïst: Er is niets waaraan alles ondergeschikt is!

88. De theïst, de atheïst, de agnosticus en de agnost

Theïst: Er is iets waaraan alles ondergeschikt is!

Agnosticus: Dat valt niet te bewijzen!

Theïst: Dat het niet te bewijzen valt ook niet!

Atheïst: Er is niets waaraan alles ondergeschikt is!

Agnosticus: Dat valt ook niet te bewijzen!

Atheïst: Dat het ook niet te bewijzen valt ook niet!

Theïst: Welles!

Agnosticus: Nietes!

Atheïst: Welles!

Agnosticus: Nietes!

Theïst: Zeg jij ook eens wat!

Atheïst: Ja joh, zeg jij ook eens wat!

Agnosticus: Hé daar, ben je doof?

Agnost: Is er iets?

Theïst: Er is iets waaraan alles ondergeschikt is!

Atheïst: Er is niets waaraan alles ondergeschikt is!

Agnosticus: Dat valt niet te bewijzen!

89. De profetie van de kruisiging

Meester Nebbisj zegt:

De waarheid zoeken in gelijkenissen is uzelf vangen in gelijkenissen.

De waarheid zoeken is uzelf vangen.

Streven naar bevrijding is uzelf gevangen houden in uw hang naar vrijheid.

Mij vertrouwen is uzelf ophangen aan uw geloof in mij.

Mij ophangen lost ook niets op, maar wie zal dat geloven.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

90. Waarom ik beslist (g)een mysticus ben

Mystiek zonder grondslag, kan dat wel?

1

Ilse: Zou je me iets kunnen vertellen over jouw mystieke ervaringen? Ik ben benieuwd hoe een agnost tegen het goddelijke aankijkt.

Hans: Daar kan ik kort over zijn. Ik heb geen mystieke ervaringen. Ik heb ook geen gewone ervaringen. Of laat ik het zo zeggen: al mijn gewone ervaringen zijn mystiek en al mijn mystieke ervaringen zijn gewoon.

Ilse: Wanneer noem jij een ervaring mystiek?

Hans: Als hij doordrenkt is van niet-weten. Mystiek betekent geheim, verborgen, raadselachtig. Zo ervaar ik het hele bestaan. Daarom noem ik agnostische mystiek ook wel bestaansmystiek.

Het is dus niet zo dat ik ooit, jaren of decennia geleden, een mystieke ervaring heb gehad waar ik nog steeds op teer.

Het is niet zo dat ik af en toe mystieke ervaringen heb op een meditatiekussen of in een kerk of in de natuur die mij fascineren en doen beven en van waaruit ik wil leven.

Het is niet zo dat ik uren per dag 'in eenheid verblijf', zoals een fanatieke meditator uit Vlaanderen mij ooit verzekerde – en er dan nondeju 'toch steeds weer uitval'.

Ik val nergens uit, niet dat ik weet.

Ilse: Hoe kan dat?

Hans: Doordat ik nergens in zit.

2

Ilse: Dit klinkt niet erg verheven, als ik het zeggen mag. Heb jij wel ruimte voor God?

Hans: Of ik ruimte heb voor God zal blijken op het moment dat Hij zich in zijn goddelijke hoedanigheid aan mij openbaart en Hij me ervan kan overtuigen dat ik niet hallucineer, of ik mezelf, mocht ik Hem zijn, wat nog niet eenvoudig is.

Intussen heb ik ruimte voor willekeurig welk raadsel in zijn hoedanigheid van raadsel, en gelukkig maar. Niet alleen God is mij een raadsel, jij bent mij een raadsel, ik ben mij een raadsel, de hele wereld is mij een raadsel.

Voor al die raadsels heb ik ruimte, of ze maken ruimte voor zichzelf in mij, of ruimte is het wezen van het raadsel.

Zijn God, jij, ikzelf en de hele wereld hetzelfde raadsel of verschillende raadsels?

Is alles raadselachtig of ben ik het die alles raadselachtig maakt?

Is er wel een raadsel?

Is er wel een wereld?

Is er wel een ik?

Is er wel een jij?

Is er wel een God?

Allemaal raadsels.

3

Ilse: Kan iemand die zich afvraagt of er wel een God is, wel een mysticus zijn?

Hans: Ik heb geen rechtstreekse ervaringen van God zelf, of ik heb mijn ervaringen niet als zodanig herkend. In die zin ben ik beslist geen mysticus.

Ben ik het toch, dan behoor ik niet tot de mystici die al weten wat het onbegrijpelijke is dat ze ervaren en die al weten hoe ze het moeten benoemen, benaderen en bejegenen.

Tijdens mijn doorlopende ervaringen van de onbekendheid van het bekende heeft het onbekende nooit zijn identiteit prijsgegeven.

Ik ken het niet, zelfs niet als het onbekende, het onbepaalde, het ondoorgrondelijke, het geheimzinnige, het mysterie, het verborgene, het mystieke, het wezenloze of het identiteitsloze.

Laat staan als god, de duivel, de geest, het zelf, het al, het iets, het niets, het relatieve, het absolute, een illusie, de werkelijkheid of wat dan ook.

Ik ken het niet en ik weet niet of er wat te kennen valt, ook niet dat er niets te kennen valt.

Ilse: Geen mysticus dus.

Hans: Mij is niets geopenbaard of dat moest de openbaring zijn. Mystieker kan niet, in de oorspronkelijke zin van het woord. Openbaring is het einde van de mystiek. Ik ben dus beslist een mysticus.

Ilse: Met jou kun je alle kanten op.

Hans: Een kwestie van niet-weten.

4

Ilse: Jij verwondert je erg over het bestaan en die verwondering is de grondslag van jouw niet-weten. Begrijp ik dat goed?

Hans: Dat begrijp je verkeerd. Niet-weten heeft geen grondslag. Niet-weten is een kaakslag, een bijlslag, een zweepslag, een aanslag, een inslag, een nekslag.

Doodslag, kaalslag, een donderslag bij wijze van hemel – wat het ook is, in ieder geval geen filosofie. Wat valt er dan te funderen?

Ilse: Een leer zonder grondslag, kan dat wel?

Hans: Zonder grondslag valt de bodem uit een leer, dan hangt hij in de lucht. Maar niet-weten is een lege leer. Daar heeft nooit een bodem ingezeten, dus kan hij er ook niet uit vallen, en de inhoud al helemaal niet, want die is er nooit geweest. Een lege leer behoeft en verdraagt geen grondslag.

Ilse: Maar verwondering is toch een bevestiging van het niet-weten?

Hans: Wat valt er in Nescio's naam te bevestigen aan niet-weten? Ik wil best toegeven dat mijn chronische verwondering congruent is met niet-weten, als ik je daar een plezier mee kan doen. Maar mijn verwondering heeft het een halve eeuw uitgezongen zonder niet-weten, en niet-weten beroept zich nooit op mijn verwondering of op wat dan ook.

5

Ilse: Is er dan geen enkel verband?

Hans: Laat ik het zo zeggen. Mijn verwondering, zeg maar gerust verbijstering, die niets bewijst of bevestigt, heeft uiteindelijk, zeer tegen mijn zin, beslag gekregen in een radicaal niet-weten, dat niets beweert of ontkent.

Ilse: Zeer tegen je zin?

Hans: Duizendmaal liever had ik mijn verbijstering verbrijzeld op een van de monolithische waarden, waarheden, werkelijkheden en wijsheden waarin de mens grossiert.

Ilse: Je zocht een houvast.

Hans: Een rots in de branding wou ik vinden. Een rots in de branding wou ik maken. Een rots in de branding wou ik worden. De branding is wat ik werd.

Ilse: Een drenkeling zonder reddingsboei.

Hans: Een drenkeling zonder vlot of gebod, drijvend op de zee van niet-weten. Een île flottant, de zee een hand – ben ik daar nou al die tijd zo bang voor geweest?

91. De fideïst en de agnost

Fideïst: Volgens mij is ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven.

Agnost: Gelooft u dat?

Fideïst: Niet alleen het religieuze weten, maar ook het wetenschappelijke weten en zelfs het wiskundige weten.

Agnost: Zeker weten?

Fideïst: Zonder geloof blijft er niets van over.

Agnost: Dat wil ik best geloven.

Fideïst: Ik heb het over wijsgerig fideïsme.*

Agnost: U ziet uzelf als fideïst?

Fideïst: Zeker weten.

Agnost: U bent ervan overtuigd dat ieder weten een kwestie van geloven is?

Fideïst: Dat zeg ik.

Agnost: Geldt dat ook voor het fideïsme?

Fideïst: Wat?

Agnost: Of maakt u daar een uitzondering voor?

Fideïst: Wou u beweren dat het fideïsme ook maar een geloof is?

Agnost: Als het waar is wel.

Fideïst: Dan is het dus niet waar.

Agnost: Als het waar is niet.

Fideïst: En niet-weten dan?

Agnost: Dat is geen geloof.

Fideïst: Wat is het dan wel?

Agnost: Je gedachten niet geloven?

Fideïst: Iedereen gelooft zijn gedachten.

Agnost: Gelooft u dat?

Fideïst: Dus niet-weten is geen fideïsme?

Agnost: Ik geloof het niet.

Fideïst: Volgens mij is ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven.

* Fideïsme is afgeleid van het Latijnse fides, geloof.

92. Het ontkennen verkennen

Meester Nebbisj zegt:

Voorbij Waarheid en Leugen,

Voorbij Vader en Zoon,

Voorbij Heilig en Geest:

Zij zijn het die hun kennen ontkennen,

Het ontkennen verkennen

En dat als hun vader erkennen.

Amen.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

93. Niet-weten is geen gebod

'Wat is weten?'

'Een gebod zonder end.'

'Wat is niet-weten?'

'Een gebed zonder end.'

94. Numinisme is een eufemisme voor niet-weten

Soms voel je je ineens overgeleverd aan 'het grote onbekende', ken je dat?

Dan ervaar je het bestaan eventjes als een mysterie dat fascineert en doet beven.

Het mysterium tremendum et fascinans noemt de Duitse theoloog Rudolf Otto dat.

Bij hem is het mysterie dat fascineert en doet beven niet zomaar een mysterie, zoals bij mij, maar een goddelijk mysterie.

En waarom ook niet, bij ervaringen heb je het niet voor het zeggen.

Jij zal het allicht eerder als een duivels mysterie ervaren of als een regelrechte nachtmerrie.

Nu is het één ding om het bestaan kortstondig te ervaren als een goddelijk mysterie; het bestaan opvatten als een goddelijk mysterie is iets heel anders.

In het laatste geval is er sprake van de niet-lege leer dat de werkelijkheid zelf, in de woorden van Otto, numineus is – een manifestatie van het numineuze.

(Das Numinose, afgeleid van het Latijnse numen, goddelijke openbaring.)

Deze naamloze leer, die sinds het begin van de twintigste eeuw als een wolkenstraat boven de christelijke theologie hangt, kwam ik tijdens mijn zoektocht door de mystieke literatuur zo vaak tegen dat ik hem spontaan numinisme ben gaan noemen.

Deze toevoeging aan onze wondere taal heeft voor mij weinig zin, behalve dat ik nu in vier niet mis te verstane woorden kan zeggen: niet-weten is geen numinisme.

En in nog zes niet mis te verstane woorden: numinisme is een eufemisme voor niet-weten.

Dat deze tien woorden niet mis te verstaan zijn is natuurlijk ijdele hoop, maar gelukkig geloofde ik het toch al niet.

95. Weten is een waaiboom met luchtwortels

Hang je er niet aan op.

'Wat is weten?'

'De boom der kennis.'

'Wat is niet-weten?'

'De ongrond waarin de boom der kennis wortelt.'

96. De zondeval en het onhaalbare ideaal van de onschuld

De boom van de kennis van goed en kwaad

Een van de oudste christelijke teksten die in verband kan worden gebracht met niet-weten staat in het boek Genesis van het Oude Testament. Hij gaat over Adam en Eva in het paradijs, die zich op een goede of kwade dag door een slang laten verleiden om te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. De slang stelt hen wijsheid in het vooruitzicht: hun ogen zullen worden geopend.

En inderdaad, na het eten van de verboden vruchten zijn hun ogen geopend. Adam en Eva zien elkaar aan en beseffen voor het eerst van hun leven dat ze naakt zijn. Hun schaamte bedekken ze met een vijgenblad en ze trekken zich terug in de bosjes. De kennis van goed en kwaad heeft voorgoed een einde gemaakt aan hun onschuld.

Onschuldig

Inmiddels is God woedend omdat Adam en Eva de enige verboden vrucht in de Hof van Eden niet konden laten hangen. In zijn ogen hebben ze iets verschrikkelijks gedaan, maar hoe moesten zij dat weten? Ze hadden immers nog niet gegeten van de boom van de kennis van goed en kwaad.

God wel. Die heeft die boom verdorie zelf geschapen en meteen na de eerste vruchtzetting zijn buikje rond gegeten. Dat moet haast wel. Voor hem was er immers al een verschil tussen verboden en toegestaan, tussen juist handelen en onjuist handelen, tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, tussen moreel en immoreel, tussen goed en kwaad, maar Adam en Eva leefden op dat moment nog in zalige onwetendheid.

De catch 22 van Genesis: om de zondeval te voorkomen moesten de eerste mensen eerst hun eerste zonde begaan, en toen was het al te laat.

Erfzonde

Gods oordeel is hard, zijn straf meedogenloos. Zonder pardon stuurt hij Adam en Eva het paradijs uit, en met hen de hele mensheid. Want hun zonde is niet zomaar een zonde. Het is een erfzonde, die samen met de kennis van goed en kwaad tot op de dag van vandaag van generatie op generatie wordt overgedragen. Nooit kan de erfzonde meer goedgemaakt worden. Eeuwig zal de mensheid lijden onder de misdaad van twee mensen die nog niets van misdadigheid wisten.

Zalig zijn de armen van geest

Interpreteren we dit antieke verhaal conform de tijdgeest in non-dualistische zin dan staat de boom van de kennis van goed en kwaad voor het maken van onderscheid, voor het vellen van oordelen, voor afgescheidenheid. Het paradijs staat voor kinderlijke onschuld, zorgeloosheid, niet-oordelen, gewoon maar zijn en doen. De zaligheid van de armoede van geest.

Voor wie is eigenlijk het paradijs?

Een van de vele vragen over Genesis waarop ik geen antwoord heb, is deze: voor wie is nou eigenlijk het paradijs? Niet voor degene die weet van goed en kwaad. Die mag er niet in. Ook niet voor degene die geen weet heeft van goed en kwaad. Voor hem bestaat het paradijs niet, evenmin als de hel. Aan hem is het paradijs niet besteed; hij zou het verschil niet weten. Adam en Eva mogen er dan wel een blauwe maandag hebben gewoond, zodra ze het beseften lagen ze eruit. Sindsdien zijn alle dagen blauw.

Waar verblijft degene die niet weet van goed en kwaad?

Volgens mij staat het goddelijke paradijs voor eeuwig leeg – is het althans nooit bewust bewoond geweest en zal het ook nooit bewust bewoond worden. Waar verblijft degene die nog niet of niet meer weet van goed en kwaad dan wel? Hoe zullen we die plek eens noemen?

Niet de hemel natuurlijk.

Niet de hel.

Niet het voorgeborchte.

Niet het vagevuur.

Het vage dan maar?

Of zullen we gewoon 'tja' zeggen als iemand ons vraagt waar we zijn?

97. Niet-weten als de vermoorde onschuld

Volgens het boek Genesis van het Oude Testament waren de eerste mensen, Adam en Eva, ook de eersten die zich schaamden voor hun voortplantingsorgaan en het verstopten achter een vijgenblad.

Ze verloren hun onschuld nadat ze stiekem een appeltje van de verboden boom der kennis hadden gegeten.

Zoals Adam en Eva hun lichamelijke naaktheid voor elkaar verborgen, zo verbergen wij onze geestelijke naaktheid voor elkaar.

Zoals zij zich van vijgenbladen bedienden, zo bedienen wij ons van boekbladen.

Zoals zij toevlucht namen tot een soevereine heer, zo nemen wij toevlucht tot een soevereine leer – welke dan ook.

Alles om te verbergen dat wij niet van de boom der kennis hebben gegeten.

Het kan verkeren...

98. Waarom God niet voor één gat te vangen is (en ik ook niet)

De hoogste waarheid.

Theïst: God liegt nooit.

Agnost: Zeker weten?

Theïst: U gaat me toch niet vertellen dat Hij liegt?

Agnost: Kent u het verhaal van de erfzonde?

Theïst: Adam en Eva eten van de boom van de kennis van goed en kwaad, ook al heeft God het hen uitdrukkelijk verboden.

Agnost: Wat heeft God gezegd dat er zou gebeuren als ze zijn gebod zouden overtreden?

Theïst: Dat ze onherroepelijk zouden sterven.

Agnost: Wat gebeurde er uiteindelijk?

Theïst: Ze werden uit het paradijs verdreven.

Agnost: Wat heeft de slang gezegd toen hij Eva tot het eten van de verboden vrucht verleidde?

Theïst: Dat hun ogen zouden opengaan. Ze zouden als Goden worden en kennis van goed en kwaad krijgen.

Agnost: En, kregen ze kennis van goed en kwaad?

Theïst: Toegegeven...

Agnost: Wie sprak er dus de waarheid?

Theïst: De slang.

Agnost: Wie heeft er dus gelogen?

Theïst: God.

Agnost: Zeker weten?

Theïst: Dit kan toch helemaal niet!

Agnost: Misschien niet nee.

Theïst: Hoe bedoelt u?

Agnost: Misschien heeft God zich alleen maar bedacht.

Theïst: Ik hoop het maar.

Agnost: Hoezo?

Theïst: Dan zou Hij tenminste niet gelogen hebben.

Agnost: Of misschien bedoelde hij het alleen maar figuurlijk. Uit het paradijs gezet worden is toch een beetje doodgaan.

Theïst: Dat zal het zijn!

Agnost: Of misschien kon hij het, toen puntje bij paaltje kwam, gewoon niet over zijn hart verkrijgen om hen te doden.

Theïst: Ja, zo is Hij wel.

Agnost: Of misschien kon hij in dat stadium al wel scheppen maar nog niet vernietigen.

Theïst: Hm.

Agnost: Of misschien wilde God laten zien dat hij zich niet gehouden voelt aan zijn eigen beloftes en voorspellingen.

Theïst: Wie weet.

Agnost: Of misschien hadden Adam en Eva het gewoon verkeerd begrepen.

Theïst: Dat is niet uitgesloten.

Agnost: Of misschien is het verhaal wel allegorisch bedoeld.

Theïst: Tja.

Agnost: Of misschien heeft de schrijver van Genesis zich wel vergist.

Theïst: Die mogelijkheid was nog niet bij me opgekomen.

Agnost: Of misschien heeft de schrijver het verhaal niet uit eerste hand.

Theïst: Ik denk...

Agnost: Of misschien heeft hij het gewoon uit zijn duim gezogen.

Theïst: Nu gaat u te ver!

Agnost: Als er al een schrijver was.

Theïst: Wou u beweren...

Agnost: Misschien was het wel een schrijverscollectief.

Theïst: Ja, als we zo gaan beginnen...

Agnost: Misschien is het verhaal in de loop der tijd wel een aantal keer foutief doorverteld en toen pas opgeschreven.

Theïst: Misschien, misschien...

Agnost: Misschien is het verhaal in de loop der tijd wel een aantal keer herschreven naar de laatste godsdienstige inzichten.

Theïst: Kom nou.

Agnost: Of misschien is het de lezer zelf wel die...

Theïst: Hou nou eendelijk eens uw waffel!

Agnost: Kwak.

Theïst: Eindelijk, bedoelde ik.

Agnost: Of misschien is dit alleen maar een droom waarin we...

Theïst: STOP!

Agnost: Ik ben net zo lekker aan het snateren.

Theïst: Ik wil alleen de waarheid horen.

Agnost: Welke waarheid?

Theïst: De waarheid over God.

Agnost: Waar hebben we het anders over?

Theïst: Hoe luidt de waarheid over God dan wel?

Agnost: Eh...

Theïst: Nou?

Agnost: Dat Hij niet voor één gat te vangen is?

99. Gatsdienst voor gatsgeleerden

Atheïst: Ze zeggen dat God niet voor één gat te vangen is.

Boeddhist: Gelooft u dat?

Atheïst: Ik vraag me af waarom.

Boeddhist: Omdat hij dat gat is?

Atheïst: God is een gat?

Boeddhist: Bij wijze van spreken.

Atheïst: Niet letterlijk?

Boeddhist: Ik mag bidden van niet.

Atheïst: Hoezo?

Boeddhist: Voor je het weet bouwt iemand er weer een religie omheen.

Atheïst: Gatsdienst.

Boeddhist: En gaan de academici er weer mee aan de haal.

Atheïst: Gatsgeleerdheid.

Boeddhist: En anders de grapjassen wel.

100. Geen poot om op te staan

Beste Hans,

Ken je die van de rabbi aan wie gevraagd werd of hij de betekenis van de Thora kon uitleggen terwijl hij op één been stond? 'Ja hoor', zei die rabbi, ging op één been staan en verklaarde: 'Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden.'

Beste Aaron,

Geldt dat ook voor masochisten?

Aaron: De uitzondering bevestigt de regel.

Hans: Laatst vroeg iemand of ik de betekenis van de Bijbel kon uitleggen terwijl ik op één been stond. 'Ja hoor', zei ik, en ging op één been staan.

Aaron: Doet me denken aan koan 40 van de Poortloze Poort:

Baizhang zocht een abt voor een nieuw klooster op de berg Dawei. Hij riep de monniken bijeen, zette een pispot op de grond en vroeg: 'Hoe noem je dit als je het geen pispot mag noemen?' De hoofdmonnik zei: 'Geen boomstronk.' 'En jij?' vroeg Baizhang aan de keukenmeester. Guishan trapte de pot omver en liep naar buiten. Baizhang zei lachend: 'De keukenmeester heeft gewonnen.' Daarop benoemde hij Guishan tot abt.

Hans: Laatst vroeg mijn neuroloog of ik op één been kon staan, waarop ik spontaan uit diverse heilige geschriften begon te citeren.

Aaron: Zonder eerst op één been te gaan staan?

Hans: En toch raakte ik meteen uit balans.

101. Ende hier omme seghic sachte

1

Beste Hans,

Vergeleken met de bruidsmystiek van een Hadewijch of een Ruusbroec is NietWeten.nl wel een beetje, hoe zal ik het zeggen, onderkoeld.

Vergelijk jouw eigen teksten maar eens met onderstaand fragment van Hadewijch uit haar achtentwintigste brief:

"Tussen
God
en de zalige ziel
die God geworden is met God,
is een geestelijke liefde.
En wanneer God
deze geestelijke liefde openbaart in de ziel,
zo rijst in haar
een innige vriendschap.
Dat betekent:
zij voelt in zich
hoe God haar een vriend is
voor alle smart
en in alle smart
en boven alle smart,
ja, boven alle smart
tot in de trouw aan Zijn Vader.
In deze innige vriendschap
rijst
een groot vertrouwen.
In dit hoog vertrouwen
rijst
een oprechte zoetheid.
In deze gerechte zoetheid
rijst
een waarachtige blijdschap.
In deze waarachtige blijdschap
rijst
een goddelijke klaarheid."

(Bron: Ende hier omme swighic sachte, Hadewijch, vertaling: Ellen Hennink, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen 2002.)

Mooi hè?

2

Beste Guy,

In haar negenendertigste lied, couplet 6, zingt Hadewijch:

"Wat mij betreft, ik laat de minne wezen
wat ze van haar kant wezen wil.
Deze of gene waant in haar zijn vonnissen te lezen,
maar door haar toedoen valt zijn ijver spoedig stil,
en even vlug zijn lofgezang,
waaraan hij zich had opgetild.
Als ze dat wil, kan ze
goed strijden onder 't schild;
al wordt niemand daar beter van."

(Bron: Het boek der liederen I, Hadewijch, tekst en vertaling: Herman Vekeman, Uitgeverij DAMON, Budel 2005.)

3

In dezelfde brief waaruit jij citeert (al dan niet toevallig net een brief waarvan de authenticiteit omstreden is; zie De beeldspraak van Hadewijch, J. Reynaert, 1981, pagina 425), schrijft Hadewijch of wie dan ook:

"Sinds de heiligheid van God mij zwijgen deed,
sindsdien heb ik veel gehoord.
En sinds ik veel gehoord heb,
waarom hield ik het dan in?
Ik hield niet zonder reden in
wat ik inhield.
Ik hield alles in, ervoor en erna.
Zo zwijg ik dan
en rust ik
met God
tot de tijd
dat God mij spreken doet.
Ik heb
al mijn verdeeldheid geheeld,
en ik heb mij
al mijn heelheid eigen gemaakt,
en ik heb
al mijn eigenheid besloten gehouden in God
tot de tijd dat er iemand komt
met een onderscheid makende geest,
die mij vraagt
wat het is dat ik bedoel,
en hoe ik dit voel
met God in God.
Ik ben des te meer onderscheiden
als ik moet spreken.
En hierom zwijg ik zacht."

(Bron: Ende hier omme swighic sachte, Hadewijch, vertaling: Ellen Hennink, 2002)

4

Zelf heb ik jarenlang gezocht naar een manier om 'alles in te houden' zónder 'zacht te zwijgen'. Of ik die gevonden heb mag iedereen voor zichzelf uitmaken.

Los van die vraag, en afgezien van al hun tekortkomingen, vind ik mijn dwaalteksten prachtig. Zoiets hoor je niet te zeggen, nee, naar ik ga er ook niet om liegen.

Omdat ze op mijn eigenfrequentie zijn afgestemd, resoneer ik mee met mijn dwaalteksten, of zij met mij. Zelfs na de honderdste lezing.

Ik min ze zoals ik mijn agnose min en ik min mijn agnose zoals Hadewijch de Minne mint.

Niet vanwege hun literaire waarde, die hebben ze niet.

Ook niet omdat ze het niet-weten zo treffend omschrijven, dat kunnen anderen beter dan ik.

Wel omdat ze het zo duidelijk demonstreren; je ziet het voor je ogen gebeuren.

Steeds wanneer niet-weten zélf het woord neemt, zit ik op het puntje van mijn stoel, inwendig jubelend.

Voor jou is NietWeten.nl onderkoeld, voor mij is het de hoogste lyriek. Hoger hoeft niet en hoger zal het wel niet worden. Daarvoor is een radicaal niet-weten als het mijne simpelweg te paradoxaal en te subversief.

Begrijp je wat ik bedoel?

Guy: Niet echt.

5

Hans: Laat ik het zo zeggen,

Wat mij betreft, ik laat niet-weten wezen
wat het van zijn kant wezen wil.
Deze of gene waant in hem haar vonnissen te lezen,
maar door zijn toedoen valt haar ijver spoedig stil,
en even vlug haar lofgezang,
waaraan zij zich had opgetild.
Als het dat wil, kan het
goed strijden onder 't schild;
al wordt niemand daar beter van.

Guy: Ai.

Hans: Of anders zo,

Sinds niet-weten mij zwijgen deed
heb ik veel gehoord
en sinds ik veel gehoord heb
waarom hield ik het dan in?
Ik hield niet zonder reden in
wat ik inhield.
Ik hield alles in, ervoor en erna.
Zo zweeg ik dan
en rustte ik
met niet-weten
tot de tijd
dat het mij spreken deed.
Ik heb al mijn verdeeldheid
ondermijnd
en ik heb de eenheid
afgezworen
en ik heb mijn eigenheid
besloten gehouden
in niet-weten
tot de tijd dat er iemand kwam
met een wetende geest
die mij vroeg
wat het is dat ik bedoel
en hoe ik dit voel
met niet-weten in niet-weten.
Ik ben alleen maar meer onderscheiden
als ik moet zwijgen
en hierom spreek ik zacht.

6

Guy: Mag ik hieruit concluderen dat jij jezelf als een mysticus ziet?

Hans: Als Hadewijch zacht had gezwegen, zou ze zich zelfs niet bediend hebben van woorden als 'God', 'ik', 'verdeeldheid' en 'heelheid'. En ze zou zichzelf ook geen mystica genoemd hebben.

Guy: Waarom niet?

Hans: Omdat ook die woorden haar 'onderscheiden' zouden hebben gemaakt. En natuurlijk zou ze dat ook niet meer hebben willen zeggen. Hebben kunnen zeggen. Wat valt er nog te zeggen zonder woorden?

Guy: Dus jij ziet jezelf niet als een mysticus?

Hans: Ik zie mezelf niet als een mysticus en niet als een niet-mysticus, en dat is mijn mystiek.

Guy: Ik meen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te kunnen stellen dat Hadewijch het woord 'God' nooit opgegeven zou hebben.

Hans: In haar twintigste brief beschrijft Hadewijch 'de twaalf uren van de opgang in minne'. In het elfde uur maakt de Minne

"zijn memorie zo enig, dat hij niet vermag te denken aan heiligen of mensen, niet aan hemel of aarde, niet aan engelen, niet aan zichzelf, niet aan God, maar alleen aan de Minne die hem in bezit heeft genomen in steeds nieuwe tegenwoordigheid."

In het twaalfde onnoembare uur ten slotte, zinkt Minne

"terug in Haarzelf. Zij vindt alle voldoening in haar eigen natuur. Zo is Zij zelfgenoegzaam: al minde niemand de Minne, haar naam zou Haar beminnenswaardigheid genoeg geven in haar zelfheerlijke eigen natuur."

(Bron: Hadewijch Brieven, F. van Bladel en B. Spaapen, Lannoo Tielt / Den Haag 1954, pagina 157)

Meester Eckhart zegt in dit verband:

"Hij bezit dan zonder gehechtheid, zonder bezitsdrang, zonder bezetenheid, doet geen enkele aanspraak gelden – noch op het eigen ik, noch op dat wat buiten hem is, zelfs niet op God."

7

Guy: Wat is in jouw visie het verband tussen agnose en mystiek?

Hans: Wie niet weet, staat inzake alle wezenlijke vragen – filosofische, existentiële, ethische, religieuze en spirituele – met lege handen. Hij heeft geen enkel antwoord.

Zelfs niet het antwoord dat er geen antwoorden zijn.

Zelfs niet het antwoord dat je niets kunt weten.

Zelfs niet het antwoord dat je dat ook niet kunt weten.

Wie niet weet heeft ook geen vragen meer.

Zelfs de termen waarin de antwoorden en de vragen werden gesteld, zijn in rook opgegaan.

'Dit is het twaalfde onnoembare uur.'

Guy: Geen antwoorden meer en geen vragen meer.

Hans: Wie niet weet, is – in alle rust – aan het eind van zijn Latijn.

Aan het eind van zijn moedertaal, zijn lichaamstaal, zijn orakeltaal.

Wie niet weet, is sprakeloos.

Hij heeft werkelijk niets meer te zeggen.

Zelfs niet dat hij niets te zeggen heeft.

8

Guy: Omdat de waarheid voorbij de woorden is.

Hans: Nee, niet omdat de waarheid voorbij de woorden is. Dat zijn opnieuw woorden.

Niet omdat alles een uitdrukking van het ene is. Dat zijn opnieuw woorden.

Niet omdat alleen stilte recht doet aan de wijsheid voorbij alle wijsheid. Dat zijn opnieuw woorden.

Niet omdat de hoogste werkelijkheid geen verschil kent. Dat zijn opnieuw woorden.

Niet om een andere zegbare of onzegbare reden. Dat zijn opnieuw woorden.

Wie niet weet, is alleen maar sprakeloos.

Sprakeloos zonder reden.

Redeloos sprakeloos.

Inderdaad, dit zijn nog steeds woorden.

Leugenachtig woorden want intussen spreek ik ongehinderd verder.

Weg ermee dus.

En weg ook met het 'weg ermee'.

'Dit is het twaalfde onnoembare uur.'

Guy: Agnose is simpelweg einde verhaal.

Hans: Dat geldt niet alleen voor het verhaal van God maar ook voor het verhaal van niet-God.

Het geldt voor het verhaal van ik maar ook voor het verhaal van niet-ik.

Het geldt voor het verhaal van verdeeldheid maar ook voor het verhaal van heelheid.

Het geldt voor het verhaal van onderscheid maar ook voor het verhaal van eenheid.

Het geldt voor het verhaal van weten maar ook voor het verhaal van niet-weten.

Het geldt ook voor het verhaal van de twaalf uren van de opgang in minne.

Het geldt zelfs voor het verhaal getiteld 'Einde verhaal'.

Guy: 'Ende hier omme swighic sachte.'

Hans: Ende hier omme seghic sachte.

102. Wijsheid, inzicht, plannen, niets houdt stand

'Wijsheid, inzicht, plannen, niets houdt stand tegen de Heer.'

'Jij zegt het.'

'Spreuken 21:30, Hans.'

'Aha, jij zegt het na.'

'Wat zeg jij?'

'Wijsheid, inzicht, plannen, niets houdt stand.'

'Lekker kort.'

'Maar of het stand houdt?'

'Geloof jij niet in de Heer?'

'Daar gaat het niet om.'

'Waar gaat het wel om?'

'Dat ik hem liever niet in een hokje stop.'

'In welk hokje?'

'Dat van een mannelijk lid van de heersende klasse der mensheid.'

'Heer.'

'Onder meer.'

'Geloof jij wel in het Onbenoembare?'

'Het onbenoembare of de onbenoembare?'

'Daar vraag je me wat.'

'Geloof ik eigenlijk wel in mezelf?'

'Wat?'

'Als ik niet ben, kan ik ook nergens in geloven.'

'Dus jij gelooft niet?'

'Als ik niet ben, kan ik ook niet ongelovig zijn.'

'Zijn of niet-zijn, is dat dan de vraag?'

'Voor mij niet.'

'Omdat je hem al beantwoord hebt?'

'Omdat ik hem niet meer stel.'

'Dus als ik het goed heb, geloof je noch geloof je niet in jezelf noch in de of het Onbenoembare?'

'Gesteld dat daar verschil tussen is.'

'Waartussen?'

'Tussen geloven en niet geloven. Tussen mezelf en de of het onbenoembare. Tussen de en het onbenoembare. Tussen mezelf en geloven of niet geloven.'

'Wou jij beweren dat je de of het onbenoembare zelf bent?'

'Hoe kan ik nou de identiteit bevestigen van zaken waarvan ik niet eens het bestaan of niet-bestaan weet vast te stellen?'

'Bedoel je dat... begrijp ik het goed dat... zou je kunnen zeggen dat...'

'Wijsheid, inzicht, plannen, niets houdt stand.'

103. Het laatste woord van Meester Sst

Monnik: Is de stilte echt of fictief?

Meester: Sst.

Monnik: Is de stilte voorbij bestaan en niet-bestaan?

Meester: Sst.

Monnik: Is de stilte de oorsprong en bestemming van alle dingen en wezens?

Meester: Sst.

Monnik: Is de stilte absoluut, eeuwig en oneindig?

Meester: Sst.

Monnik: Is de stilte God of goddelijk of menselijk?

Meester: Sst.

Monnik: Is de stilte ongeboren en doodloos?

Meester: Sst.

Monnik: Is de stilte Leegte of het Niets of gewoon niets?

Meester: Sst.

Monnik: Is de stilte ons Ware Zelf of onze Ware Natuur?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn wij allen één en dezelfde stilte?

Meester: Sst.

Monnik: Is de stilte Waarheid of Wijsheid?

Meester: Sst.

Monnik: Hoe vind je de stilte in jezelf?

Meester: Sst.

Monnik: Is Stilte hetzelfde als niet-weten?

Meester: Sst.

Monnik: Bent u voorgoed de stilte ingegaan?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn wij zelf de stilte?

Meester: Sst.

Monnik: Waarom zegt u alleen maar sst?

Meester: Sst.

Monnik: Van u word je ook niks wijzer.

Meester: Vraag het dan maar aan de stilte.

Monnik: Wat als je alles aan de stilte vraagt?

Meester: Dan val je vanzelf een keer stil.

Monnik: ...

Meester: Hè hè.

Monnik: Sst.

104. God, begin je nou weer?

Monnik: Wie is God?

Meester: Sst.

Monnik: Wat is God?

Meester: Sst.

Monnik: Is God?

Meester: Sst.

Monnik: Is God in mij?

Meester: Sst.

Monnik: Ben ik in God?

Meester: Sst.

Monnik: Ben ik?

Meester: Sst.

Monnik: Wie ben ik?

Meester: Sst.

Monnik: Wat ben ik?

Meester: Sst.

Monnik: Ben ik een woord?

Meester: Sst.

Monnik: Ben ik een ding?

Meester: Sst.

Monnik: Ben ik de dingen?

Meester: Sst.

Monnik: Ben ik in de dingen?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn de dingen in mij?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn de dingen?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn de dingen woorden?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn de dingen God?

Meester: Sst.

Monnik: Zijn de dingen in God?

Meester: Sst.

Monnik: Is God in de dingen?

Meester: Sst.

Monnik: Is God in de woorden?

Meester: Sst.

Monnik: Is God een woord?

Meester: Sst.

Monnik: Is God het Woord?

Meester: Sst.

Monnik: Wat is het Woord Gods?

Meester: Sst.

Monnik: Is God stilte?

Meester: Sst.

Monnik: Is God in de stilte?

Meester: Sst.

Monnik: Is de stilte in God?

Meester: Sst.

Monnik: Is Stilte het Woord?

Meester: Sst.

Monnik: Is het Woord?

Meester: Sst.

Monnik: Is stilte?

Meester: Sst.

Monnik: Wat is?

Meester: Sst.

Monnik: Sst?

Meester: ...

Monnik: Is er wat?

Meester: God, begin je nou weer?

105. Een stille aanbidder

Monnik: Hoe heet uw God?

Meester: Sst.

Monnik: Gelooft u in Sst?

Meester: Sst.

106. Wie ook maar één deur opent, gooit alle andere dicht

Monnik: Hoeveel vragen hebt u God gesteld?

Meester: Wel tienduizend.

Monnik: Welke vragen waren dat?

Meester: Alle vragen die ik kon bedenken.

Monnik: Jemig.

Meester: En dat vele malen.

Monnik: Hoeveel van die vragen heeft Hij beantwoord?

Meester: Hij heeft ze allemaal beantwoord.

Monnik: Allemaal?

Meester: Zonder uitzondering.

Monnik: Kon u al die informatie wel verwerken?

Meester: Daar heb ik nooit moeite mee gehad.

Monnik: Bent u zo briljant?

Meester: Dat was helemaal niet nodig.

Monnik: Waarom niet?

Meester: Omdat ik steeds hetzelfde antwoord kreeg.

Monnik: Namelijk?

Meester: Een onverbiddelijk stilzwijgen.

Monnik: Hm.

Meester: Zelfs dat was er niet bij.

Monnik: Op alle vragen?

Meester: Zonder uitzondering.

Monnik: Dus eigenlijk heeft Hij geen enkele vraag beantwoord.

Meester: Zo heb ik dat lange tijd gezien.

Monnik: Maar nu niet meer?

Meester: Nee.

Monnik: Hoe was het om steeds hetzelfde antwoord te krijgen?

Meester: Om gek van te worden.

Monnik: U klinkt nog steeds boos.

Meester: Integendeel.

Monnik: Hoezo?

Meester: Ik ben Hem eeuwig dankbaar dat Hij niet één keer is gezwicht.

Monnik: Waarvoor?

Meester: Voor de verleiding om mij een waarheid op de mouw te spelden.

Monnik: Op de mouw te spelden?

Meester: Ik was zonder meer bereid de laagste leugen te aanvaarden als de hoogste waarheid.

Monnik: Maar Hij was niet zonder meer bereid er een te verkopen.

Meester: Zonder meer niet.

Monnik: Waarom bent u daar dankbaar voor?

Meester: Wie ook maar één deur opent, gooit alle andere dicht.

Monnik: Zijn onafgebroken stilzwijgen betekent toch alleen maar dat er geen enkele deur is opengegaan?

Meester: Zijn onafgebroken stilzwijgen betekent tevens dat er geen enkele deur is dichtgegaan.

Monnik: Niet open en niet dicht.

Meester: Voilà.

Monnik: Mooi.

Meester: Och.

Monnik: Lelijk dan?

Meester: Zeg mooi en alle andere deuren gaan dicht. Zeg lelijk en alle andere deuren gaan dicht.

Monnik: Moet ik dit verhaal over God nou letterlijk nemen of figuurlijk?

Meester: Zeg letterlijk en alle andere deuren gaan dicht. Zeg figuurlijk en alle andere deuren gaan dicht.

Monnik: U houdt alles liever open?

Meester: Zeg open en alle andere deuren gaan dicht.

107. Mystiek is argwaan

Maar alleen voor wie dat niet gelooft.

Monnik: Wat is geloof?

Meester: Een waan.

Monnik: Wat is mystiek?

Meester: Argwaan.

Monnik: Jegens?

Meester: Je gedachten.

Monnik: Welke gedachten?

Meester: Al je gedachten.

Monnik: Zoals?

Meester: Dat God de Schepper is.

Monnik: Welke gedachten nog meer?

Meester: Dat God de schepping is.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat God zelfscheppend is.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat de schepping in God is.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat God onze schepping is.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat God buiten ons bestaat.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat God in ons bestaat.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat God als ons bestaat.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat God bestaat.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat God niet bestaat.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat God vooraf gaat aan bestaan en niet-bestaan.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat God voorbij gaat aan bestaan en niet-bestaan.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat gedachten goddelijk zijn.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat God een gedachte is.

Monnik: Et cetera.

Meester: Enzovoort.

Monnik: Dus geloof is een waan?

Meester: Alleen voor wie dat gelooft.

Monnik: En mystiek is argwaan?

Meester: Zou het?

Monnik: En wat is daar mystiek aan?

Meester: Niets zo groot als argwaan.

Monnik: Tja.

Meester: Maar alleen voor wie dat niet gelooft.

108. Wie kent het verschil tussen het ene zwijgen en het andere?

Monnik: Wat is het verschil tussen God en diens stilzwijgen?

Meester: Uiteindelijk?

Monnik: Nou?

Meester: Ik zou het echt niet weten.

Monnik: Wat is het verschil tussen Gods stilzwijgen en het uwe?

Meester: Uiteindelijk?

Monnik: Nou?

Meester: Ik zou het echt niet weten.

Monnik: Wat is het verschil tussen uw stilzwijgen en uzelf?

Meester: Uiteindelijk?

Monnik: Nou?

Meester: Ik zou het echt niet weten.

Monnik: Als er geen verschil is tussen God, diens stilzwijgen, uw stilzwijgen en uzelf, zijn ze dan niet identiek?

Meester: Uiteindelijk?

Monnik: Nou?

Meester: Ik zou het echt niet weten.

Klein paaseilandbeeld dat opziet tegen een groot paaseilandbeeld.

109. Als Zijn stem de jouwe is

Meester: Waar is al die stilte goed voor?

Monnik: Wil God in mij spreken, dan moet ik zwijgen.

Meester: En als zijn stem de jouwe is?

110. Als Hij in jou wil zwijgen

Meester: Waar is al die stilte goed voor?

Monnik: Wil God in mij spreken dan moet ik zwijgen.

Meester: En als hij in jou wil zwijgen?

111. Als Hij niets te zeggen heeft

Meester: Waar is al die stilte goed voor?

Monnik: Wil God in mij spreken dan moet ik zwijgen.

Meester: En als hij niets te zeggen heeft?

Monnik: Ik denk dat u Hem ernstig onderschat.

Meester: Ik denk dat jij hem ernstig onderschat.

112. Voorbij gelijk en ongelijk en daar nog weer voorbij

WereldWijdeWaanzin.

'Hoe klinkt het Woord van God?'

'Als acht miljard mensen die ieder hun gelijk willen halen.'

'Hoe komt het dat we daarin het Woord van God niet herkennen?'

'Omdat we nog steeds denken dat er maar één gelijk kan hebben.'

'Wou jij zeggen dat de Waarheid een wereldwijde kakofonie is?'

'Je denkt nog steeds dat er maar één gelijk kan hebben.'

'Volgens mij heeft iedereen gelijk.'

'Je denkt nog steeds dat er maar één gelijk kan hebben.'

'Ik bedoel, volgens mij heeft niemand gelijk.'

'Je denkt nog steeds dat er maar één gelijk kan hebben.'

'Zo te horen heb ik geen gelijk.'

'Je denkt nog steeds dat je ongelijk kan hebben.'

'Bedoel je dat het Woord van God voorbij gelijk en ongelijk is?'

'Je denkt nog steeds dat je gelijk kan hebben.'

'Wat als je dat allemaal niet meer denkt?'

'Dan klinkt het woord van god.'

'Hoe klinkt het Woord van God?'

113. Omdat iedereen zo nodig het Hoogste Woord moet voeren

'Wat is het Hoogste Woord?'

'Het Diepste Stilzwijgen.'

'Hoe komt het dat wij het Diepste Stilzwijgen niet herkennen?'

'Door de wijze waarop het zich manifesteert.'

'Hoe manifesteert het Diepste Stilzwijgen zich?'

'Als een Babylonische Spraakverwarring.'

'Waarom manifesteert het Diepste Stilzwijgen zich als een Babylonische Spraakverwarring?'

'Omdat iedereen zo nodig het Hoogste Woord moet voeren.'

'Wat is het Hoogste Woord?'

114. Oost-Indische wijsheid

'Is het letterlijk stil in jou, Hans?'

'Natuurlijk niet.'

'Wat hoor jij zoal?'

'Hetzelfde gekakel en gekrakeel als altijd.'

'Dezelfde vragen en dezelfde antwoorden?'

'Onder meer.'

'Het is niet dat je niets meer hoort.'

'Het is meer dat ik niet meer luister.'

'Dat lijkt mij een prima idee.'

'Dat komt doordat jij nog luistert.'

115. De leegte beminnen is de waarheid bevragen

Mystica: De waarheid beminnen is de leegte verdragen.

(Uitspraak van Simone Weil.)

Agnost: De leegte beminnen is de waarheid bevragen.

Mystica: Hoe dat zo?

Agnost: De leegte verdraagt geen waarheid.

Mystica: Waarom niet?

Agnost: Anders is ze niet leeg meer.

Mystica: De leegte verdraagt alleen maar leegte?

Agnost: Ook niet.

Mystica: Waarom niet?

Agnost: Anders is ze niet leeg meer.

Mystica: De leegte verdraagt alleen maar een naam?

Agnost: Ook niet.

Mystica: Waarom niet?

Agnost: Anders is ze niet leeg meer.

Mystica: Wat verdraagt ze eigenlijk wel?

Agnost: Bevraagd te worden.

116. Wie vol is van de leegte verzake het verzaken

Meester Nebbisj zegt:

Wie vol is van de wereld verzake de wereld.

Wie vol is van zichzelf verzake zichzelf.

Wie vol is van het rijk Gods verzake het rijk Gods.

Wie vol is van de leegte verzake het verzaken.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

117. Opklaringen in de wolk van niet-weten

Monnik: God benader je via de wolk van niet-weten.

Meester: Heb je dat ondervonden of gelezen?

Monnik: Gelezen in De Wolk van niet-weten.*

Meester: Dus eigenlijk weet je het niet.

Monnik: Eigenlijk niet.

Meester: Maakt de benaderingswijze van God dan geen deel uit van de wolk van niet-weten?

Monnik: Daar had ik nog niet bij stil gestaan.

Meester: Waar is die wolk van niet-weten?

Monnik: Ik zou het ook niet weten.

Meester: Ben jij het die God vindt in de wolk van niet-weten, of is het God die jou vindt in de wolk van niet-weten, of vinden jullie elkaar in de wolk van niet-weten, of wat?

Monnik: Het schijnt dat God jou vindt in de wolk van niet-weten.

Meester: Zou het niet eerder een kwestie zijn van verliezen in de wolk van niet-weten dan van vinden in de wolk van niet-weten?

Monnik: Wat verliezen in de wolk van niet-weten?

Meester: God verliezen in de wolk van niet-weten. Jezelf verliezen in de wolk van niet-weten. Al je ideeën verliezen in de wolk van niet-weten. Het verliezen verliezen in de wolk van niet-weten.

Monnik: Daar is het een wolk van niet-weten voor, wou u zeggen.

Meester: Is er wel een wolk van niet-weten, zou ik zeggen.

Monnik: Niet in de wolk van niet-weten, zou u zeggen.

Meester: Of zitten we er al middenin?

Monnik: Is er dan helemaal niets over God te zeggen?

Meester: Sommigen schijnen zijn naam te weten.

Monnik: Is er dan helemaal niets over te zeggen?

Meester: Waarover?

Monnik: Is er dan helemaal niets te zeggen?

Meester: Wie zal het zeggen.

Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Dan weet ik het ook niet meer.

Monnik: ...

Meester: God, wat ben je stil.

* Wees jij nu maar blind, en geef alle verlangen om het te begrijpen op, want dit zou je meer hinderen dan helpen.

(bron: De Wolk van niet-weten, Sint-Adelbertabdij, Egmond, 1994; vertaling van The cloud of unknowing, auteur onbekend, circa 1380, hoofdstuk 34, pagina 102)

118. Niet-weten is geen quiëtisme

Het quiëtisme is een mystieke beweging die passiviteit, gelatenheid, zwijgzaamheid, meditatie, niet-denken, niet-willen, niet-weten, onthechting en overgave predikt met als oogmerk gemoedsrust, zaligheid, volmaaktheid of de eenwording met God.

Quiëtisme is van alle tijden en plaatsen.

We vinden het onder meer in de vorm van het boeddhistische streven naar nirwana (uitdoving), in de meditatievorm shikantaza (alleen maar zitten) van sotozen, in het woordloos biddend navelstaren van de hesichasten, in het doende niet-doen van de taoïsten, in de Griekse idealen van apatheia en ataraxia en in het indifferentisme (de onverschilligheid ten aanzien van de eigen zaligheid) van Meester Eckhart.

Wie niet weet kent als gevolg van zijn agnose misschien een zekere of onzekere gemoedsrust, maar streeft er niet naar en predikt niets.

Behalve, bij wijze van tijdverdrijf, de lege leer, die toch niet bestaat en daarom rustig gepredikt kan worden zonder meteen een predikant voor het leven te zijn, of een predikant tegen het leven.

Passiviteit of activiteit, gelatenheid of verzet, zwijgzaamheid of spraakzaamheid, denken of mediteren, doen of laten, hechten of onthechten, het is de agnost allemaal om het even.

Mocht het hem onverwacht toch een keertje uitmaken dan is dát hem om het even, et cetera.

Niet-weten is geen quiëtisme, en dat vind ik wel zo rustig.

119. Waarom je God niet kan vinden

'Waarom kan ik God niet vinden, Hans?'

'Omdat God niet-vinden is?'

'Waarom spreekt Hij niet tegen mij?'

'Omdat God niet-spreken is?'

'Waarom weet ik niet wie Hij is?'

'Omdat God niet-weten is?'

'Als God niet-vinden, niet-spreken en niet-weten is, waarom noemen we Hem dan nog God?'

'Hem?'

'Het?'

'Substantialist.'

'Leegte?'

'Boeddhist.'

'Het oerprincipe?'

'Taoïst.'

'De matrix?'

'Non-dualist.'

'Bewustzijn?'

'Idealist.'

'Het ene?'

'Monist.'

'Energie?'

'Materialist.'

'Intelligentie?'

'Nieuwetijdskind.'

'Puntje puntje puntje dan maar?'

'Vooruit dan maar.'

'Waarom noemen wij puntje puntje puntje nog God?'

'God?'

'Waarom noemen wij puntje puntje puntje nog puntje puntje puntje?'

'Wij?'

'Waarom noemt puntje puntje puntje, puntje puntje puntje nog puntje puntje puntje?'

'Daarom.'

120. Die geen hout snijdt

Meester Nebbisj zegt:

Snij het hout, ik ben daar niet. Hef de steen, daaronder zult u mij niet vinden. In mijn vlees geen ik of mijn, van wie zou al dat vlees dan zijn?

De steen bevat geen beeld dan steen. Die geen hout snijdt is wie ik ben.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

121. Steeds dieper in de afgrond zinken

De weg der geleidelijkheid.

1

Meester: Wat is de weg naar God?

Monnik: Steeds dieper in de afgrond van je ziel zinken tot al het geroezemoes verstomd is en in de stilte eindelijk het Woord Gods verstaanbaar wordt.

Meester: Jij zegt het.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Steeds dieper in de afgrond van je ziel zinken, tot al het geroezemoes verstomd is.

Monnik: En het Woord Gods dan?

Meester: Dat is gewoon die stilte.

2

Meester: Wat is de weg naar God?

Monnik: Steeds dieper in de afgrond van je ziel zinken tot al het geroezemoes verstomd is.

Meester: Jij zegt het.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Steeds dieper in de afgrond van je ziel zinken.

Monnik: En de stilte dan?

Meester: Dat is gewoon het geroezemoes.

3

Meester: Wat is de weg naar God?

Monnik: Steeds dieper in de afgrond van je ziel zinken.

Meester: Jij zegt het.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Steeds dieper in de afgrond zinken.

Monnik: En je ziel dan?

Meester: Dat is gewoon die afgrond.

4

Meester: Wat is de weg naar God?

Monnik: Steeds dieper in de afgrond zinken.

Meester: Jij zegt het.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Sst.

Monnik: En die afgrond dan?

Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

5

Meester: Wat is de weg naar God?

Monnik: Sst.

Meester: Jij zegt het.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: ...

Monnik: En God dan?

Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

6

Meester: Wat is de weg naar God?

Monnik: ...

Meester: ...

Monnik: ...

Meester: ...

Monnik: ...

Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

122. God zwijgt in de mislukking van ons denken

'God spreekt in de mislukking van het denken, Hans.'

'Hier spreekt nog steeds het denken.'

'Het was anders een uitspraak van de grote Duitse filosoof Immanuel Kant.'

'Kant sprak over de mislukking van zijn denken.'

'Wat zou jij zeggen?'

'God zwijgt in de mislukking van ons denken.'

'God zwijgt in de mislukking van ons denken?'

'En dat is ons geluk.'

123. Piekervaringen zijn zo voorbij

1

Beste Hans,

Ken jij het boek Naar het hart van mijn ziel van Miek Pot? Daarin beschrijft de auteur hoe ze na twaalf jaar in een kluizenaarsklooster eindelijk de felbegeerde Grote Ervaring krijgt, een piekervaring, een ultieme, mystieke eenheidservaring. Ze schrijft daarover (p95):

Naast alle moeilijkheden die mijn ervaring met zich meebracht, werd er een sterk oervertrouwen geboren in het diepst van mijn ziel. Een innerlijk weten dat het altijd weer goed zal komen, dat je het geheel bent, 'dat ze wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel' (Mat. 10:28). Dat is fundamenteel en wezenlijk en verandert echt iets aan je leven. Zo'n ervaring geeft daarmee een sterk intern referentiekader. Oude, van buitenaf opgelegde overtuigingen maken langzaamaan plaats voor een nieuw, aan de eigen ervaring getoetst referentiekader.

Herken je dit? Hoe verliep jouw doorbraak?

2

Beste Simone,

Niet-weten is voor mij geen oervertrouwen in het diepst van mijn ziel, maar een oerwantrouwen ten opzichte van alle ervaringen, gedachten en concepten, niet alleen die van 'oervertrouwen' en 'het diepst van mijn ziel', maar ook die van 'oerwantrouwen', 'ervaringen', 'gedachten', en 'concepten'.

Van 'een innerlijk weten dat het altijd weer goed zal komen' is bij mij geen sprake, al was het maar omdat ook het begrip 'goed' op z'n 'gat' ligt.

Van 'een innerlijk weten dat je het geheel bent' is bij mij evenmin sprake, al was het maar omdat ook de begrippen 'je' en 'het geheel' op hun gat liggen, om nog maar te zwijgen over hun eventuele identiteit.

Van 'een innerlijk weten dat ze wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel' is bij mij evenmin sprake, al was het maar omdat ook de begrippen ze en me, lichaam en ziel, levend en dood op hun gat liggen. Laat staan dat zo'n ervaring 'een sterk intern referentiekader' geeft.

Simone: Wat geven bijzondere ervaringen jouw wel?

Hans: Behalve zichzelf, geven ervaringen mij helemaal niets. Gelukkig maar, want ik heb (of krijg of onderga) er, net als iedereen neem ik aan, talloze. Grote en kleine, goddelijke en duivelse, mooie en lelijke, bijzondere en banale, dagelijkse en nachtelijke – het gaat maar door.

Simone: Bijzondere ervaringen geven jou niets?

Hans: Ze geven me niets, en geven ze me toch iets dan geef ik het meteen weer terug. Anders leren ze het nooit.

3

Simone: Is er iets wat je wél herkent in het verhaal van Miek Pot?

Hans: Het enige dat ik een beetje herken, is dat 'oude, van buitenaf opgelegde overtuigingen langzaamaan plaats maken'. In mijn geval weliswaar niet langzaamaan, en al helemaal niet voor 'een nieuw, aan de eigen ervaring getoetst referentiekader', of voor welk referentiekader dan ook, maar toch.

Simone: Waarvoor dan wel?

Hans: Geen idee. Misschien maken ze alleen maar plaats.

Simone: Plaats waarvoor?

Hans: Plaats voor plaats?

Simone: Hoe verliep jouw doorbraak?

Hans: Er was en er is bij mij geen sprake van een doorbraak. Doorbreken doe je wanneer je van het ene naar het andere gaat. Bijvoorbeeld van oude, van buitenaf opgelegde overtuigingen naar een nieuw, aan de eigen ervaring getoetst referentiekader, ik noem maar wat.

In mijn geval kun je denk ik beter van een uitbraak spreken. Ik ben uit de oude, van buitenaf (of binnenuit) opgelegde overtuigingen gebroken. Hoewel... zo klinkt het net alsof ik mijn hele leven ergens in vast heb gezeten. Heb ik dat werkelijk of is dat ook maar een gedachte?

Terugdenkend aan de maanden, of jaren, of decennia, of levens, voordat ik 'uitbrak', komt het mij voor dat ik niet zozeer probeerde uit te breken, als wel in te breken. In te breken in een of andere leer of overtuiging of traditie, in een of andere gemeenschap of parochie of sangha, in een of ander heiligdom of asiel of paradijs, in een of ander gat of wat dan ook.

Maar hoezeer ik mijn best ook deed, ik kwam nergens binnen, niet echt. Misschien mijn blik, maar nooit mijn ik. Slik.

Uiteindelijk is het inbreken mij opgebroken. Gebroken ben ik echter niet. Alleen al omdat ik nooit heel ben geweest. Niet dat ik weet. Heel noch part noch deel.

4

Simone: Geen doorbraak, geen uitbraak, geen inbraak – wat dan wel?

Hans: Afbraak, zou ik zeggen. Niet-weten is alles afbreken. Zelfs de afbraak. Of als je dat te activistisch vindt, alles zien afbrokkelen. Zelfs het afbrokkelen. Wat ik aanraak vergaat tot stof, doet mij tot stof vergaan.

Dat geldt niet alleen voor mijn oude, van buitenaf opgelegde overtuigingen, maar ook voor mijn nieuwe, aan de eigen ervaring getoetste referentiekaders. Het geldt niet alleen voor mijn ego, maar ook voor mijn zelf. Niet alleen voor mijn ziel, maar ook voor mijn hart. Niet alleen voor mijn God, maar ook voor mijn niet-God. Niet alleen voor mijn weten, maar ook voor mijn niet-weten. Alle hebben plaatsgemaakt. Plaatsgemaakt voor plaats.

Herken je dit?

Simone: Volgens mij heb jij gewoon nog nooit een eenheidservaring gehad.

Hans: Geenheidservaringen, eenheidservaringen, niet-eenheidservaringen, tweeheidservaringen, niet-tweeheidservaringen, veelheidservaringen, je wilt niet weten wat ik allemaal al heb meegemaakt. Het is nauwelijks te benoemen en niet te bevatten.

Wat dacht je van een innerlijk weten dat het altijd weer goed zal komen, dat ze wel mijn lichaam kunnen doden maar niet mijn ziel? Wat dacht je van een innerlijk weten dat het nooit meer goed zal komen, dat mijn ziel al dood is maar niet mijn lichaam? Zelfs de scheppersroes is mij niet vreemd.

Maar het allermooiste dat ik ooit gezien heb is toch wel een opkrullend platanenblad dat spiraalsgewijs ter aarde viel. Daarnet nog! Of de blik van mijn lief, nu, terwijl ik dit tik! Piekervaringen, zonder meer, maar wat ik ervan leer? Kijk toch eens, mijn wijsvinger beweegt! Op het beeldscherm verschijnt een letter! Dit vettige uitsteeksel hier met die vochtige gaten, hoe komt dat op mijn gezicht? Jeminee, ik maak wat mee.

5

Simone: Het gaat er niet om wat je meemaakt, het gaat erom wat het betekent.

Hans: Ik heb eerlijk gezegd geen idee meer wat het allemaal te betekenen heeft. Natuurlijk komen er nog steeds betekenissen in me op. Talloze, dat is nou net het probleem. Hoe kies je de juiste eruit? Of zijn ze allemaal even juist? Of zijn ze allemaal even onjuist?

Nee, behalve als uitdrukking van zichzelf, zeggen ervaringen mij niets meer. Zeggen ze toch iets dan versta ik ze niet. Versta ik ze toch dan schreeuw ik er gewoon keihard doorheen. Net zolang tot ze eindelijk hun grote waffel houden.

Hebben ervaringen eindelijk geleerd hun grote waffel te houden, zoals ikzelf eindelijk heb geleerd mijn grote waffel te houden, al is het maar sprekenderwijs, dan kunnen we eindelijk horen wat ze ons nooit hebben kunnen zeggen doordat we er zo nodig de hele tijd doorheen moesten tetteren. Nu ook weer.

Simone: Wat zal ik horen als er niemand meer doorheen zit te tetteren?

Hans: Dat er niemand meer doorheen zit te tetteren.

Simone: Ik bedoel, waardoorheen?

Hans: Die vraag behoort nog tot het tetteren.

Simone: Shit.

Hans: Een ander woord voor sst.

Simone: Weer een inbraakpoging mislukt.

Hans: Kop op, dat scheelt straks weer een uitbraak.

Simone: Toch bedankt.

Hans: De nada.

124. Het rijkst is wie het rijk verliest

Meester Nebbisj zegt:

Wie zijn hoofd verliest, verliest zichzelf.

Wie zichzelf verliest, verliest de wereld.

Wat er dan nog overblijft, noem dat desnoods het rijk.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

125. Een diep verblindend duister waarin ik tastend leven mag

Beste Hans,

Niet lang geleden heb ik je dwaalgesprek Ik ben niet verlicht, ik ben verduisterd in het Witboek Verlichting gelezen. Grasduinend in de Encyclopedie van de Mystiek en de Mysteriegodsdiensten van John Ferguson (Het Wereldvenster, Baarn, 1979, pagina 296) vond ik vanmorgen een gedicht van Henry Vaughan dat je vast wel mooi zult vinden:

"Er is in God, zegt men,
Een diep verblindend duister; zoals men hier
Zegt het is laat en schemerig, omdat zij
Niet alles helder zien.
O om die nacht! waar ik in Hem
Zou mogen leven onzichtbaar en zwak!"

Beste Leah,

Dank voor het gedicht, ik kende het niet. De beeldspraak is mij uit het hart gegrepen. Of er om dat diep verblindend duister heen inderdaad een God is, kun je van daaruit natuurlijk niet zien, kan ik van hieruit natuurlijk niet zien:

Er is een diep verblindend duister!
Waarin ik tastend leven mag!
Onzichtbaar zelf en zwak!
Een eindeloze nacht!

Leah: Waarom 'onzichtbaar zelf en zwak'?

Hans: Vanwege dat diep verblindend duister natuurlijk. In agnose kun je niet anders zijn dan onzichtbaar en zwak. Onderdeel van de achtergrond als een wandelende tak in het lover. Sprekend noch zwijgend.

Leah: Hoezo sprekend noch zwijgend?

Hans: In het diep verblindend duister kun je niet zeggen dat God er is, je kunt niet zeggen dat Hij er niet is.

Je kunt niet zeggen dat Hij in jou is, je kunt niet zeggen dat Hij niet in jou is.

Je kunt niet zeggen dat je in Hem bent, je kunt niet zeggen dat je niet in Hem bent.

Je kunt niet zeggen dat je Hem bent, je kunt niet zeggen dat je Hem niet bent.

Je kunt niet zeggen dat je bent, je kunt niet zeggen dat je niet bent.

Je kunt niet zeggen dat je spreekt, je kunt niet zeggen dat je zwijgt.

Leah: Vanwaar dan die uitroeptekens in je gedicht?

Hans: Je kunt niet zeggen, en je hoeft niet te zeggen! Dat mag je zeggen en het maakt je gelukkig (geen fluit)!

126. Een deemoedig niet-weten

Beste meneer Van Dam,

Dank voor uw website, waarin ik mij volledig herken. Levend in een onoverzichtelijke, jachtige en overvolle wereld heeft de mens de neiging de soevereine werkelijkheid te reduceren tot een aantal simplistische categorieën, principes en verklaringen. Deze verschaffen zijn overspannen geest de broodnodige rust maar de werkelijkheid laat zich niets aan zijn sjablonen gelegen liggen en breekt keer op keer door de kieren van zijn kunstmatige orde heen. Weten is een ongelijke strijd. Het leven is een mysterie en zelfs onze grootste intellectuele inspanningen zullen – alledaagse, wetenschappelijke en technologische knowhow daargelaten – onverbiddelijk op het numineuze te hoop lopen. In het aangezicht van het totaal andere is een deemoedig niet-weten de enige houding die soelaas biedt.

Beste meneer Oelen,

Dank voor uw eloquente reactie, waarop ik wil antwoorden met enkele vragen.

Vertolkt u naar uw mening de waarheid of is dit úw poging om de soevereine werkelijkheid te reduceren tot een aantal simplistische categorieën, principes en verklaringen?

Behoort uw schrijven en denken reeds tot het deemoedige niet-weten of maakt het nog deel uit van de ongelijke strijd?

In het laatste geval: is de werkelijkheid al vaker door de kieren van deze kunstmatige orde heen gebroken of is dit de eerste keer?

Vriendelijke groeten,

Het totaal andere

127. Wie niet twijfelt zal de duisternis nooit aanschouwen

Allicht.

Meester Nebbisj zegt:

Wie meent dat zijn goden en zijn koningen en de groten der aarde boven twijfel zijn verheven, heeft zichzelf boven twijfel verheven en zal de duisternis nooit aanschouwen.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

128. Ieders duisternis

Meester Nebbisj zegt:

Mijn licht is niet het uwe, uw licht niet het mijne maar onze duisternis is ieders duisternis.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

129. Een nachtkaars ontsteken om het duister te aanschouwen

Meester Nebbisj zegt:

Er is duisternis binnen een verduisterd wezen en die verduistert de ganse wereld. Maar u ontsteekt een kaars om het duister te aanschouwen.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

130. Wie mij tegemoetkomt nadert zijn eclips

Linksom of rechtsom.

Meester Nebbisj zegt:

Wie mij tegemoetkomt nadert zijn eclips, en zijn duisternis zal zich over het ganse universum uitstrekken.

Hij zegt ook:

Wie zich van mij afkeert nadert de zuiderzon met vleugels van was, en zijn val zal vrij zijn, en eindeloos.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

131. Tussen sst en sst

Meester Eckhart heeft met zijn mystieke preken zijn best gedaan om de christelijke godsdienst uit te hollen maar hij rende niet hard genoeg en is erin gebleven. De brave man wist alleen uit handen van de Inquisitie te blijven door bijtijds dood te gaan en stak daarmee Christus toch nog naar de kroon.

Ikzelf doe met mijn dwaalteksten mijn best om de wijsheidstradities uit te hollen en in het voorbijgaan iets van de roes van lege mystiek over te brengen. Uit te hollen door stil te staan en en passant anderen voorbij te laten gaan. Want wie niet weet steekt niemand naar de kroon, al doet hij nog zo zijn best.

1

Beste Hans,

Hoe denk jij als beroepsstamelaar over het Onuitsprekelijke?

Hans: Sst.

Franca: Dat kun je zelfs geen stamelen meer noemen.

Hans: Over het Onuitsprekelijke wil ik zwijgen.

Franca: 'Zwijgen doe je het best met woorden', schrijf je ergens. Hoe zwijg je met woorden over het Onuitsprekelijke?

Hans: Zo.

Franca: Haha.

Hans: Of anders zo.

Ik zeg niet dat het onuitsprekelijke bestaat. Ik zeg niet dat het niet bestaat. Ik zeg niet dat het bestaat en niet bestaat. Ik zeg niet dat het bestaat noch niet bestaat. Ik zeg niet dat het voorbij bestaan en niet bestaan is. Ik zeg niet dat het eraan voorafgaat.

Ik zeg niet dat het onuitsprekelijke onuitsprekelijk is. Ik zeg niet dat het uitsprekelijk is. Ik zeg niet dat het uitsprekelijk en onuitsprekelijk is. Ik zeg niet dat het uitsprekelijk noch uitsprekelijk is. Ik zeg niet dat het voorbij uitsprekelijk en onuitsprekelijk is. Ik zeg niet dat het eraan voorafgaat.

Ik zeg niet dat het het Onuitsprekelijke is. Ik zeg niet dat het het onuitsprekelijke is. Ik zeg niet dat het hét onuitsprekelijke is. Ik zeg niet dat het dé onuitsprekelijke is.

Dat is alles.

2

Franca: Waarom zo krampachtig?

Hans: Dat voel je niet goed aan. Ik zeg dit met een totaal ontspannen geest en ik hoop iets van die totale ontspanning over te dragen door deze manier van zwijgen.

Franca: Waarin zit die ontspanning voor jou?

Hans: Ik leg het onuitsprekelijke niets op, zelfs geen zijn of niet-zijn of zijnde niet-zijn. Ik leg mezelf niets op, zelfs geen weten of niet-weten of wetend niet-weten. Ik speculeer niet over een eventuele relatie tussen een eventuele ik of geest of ziel en het eventuele onuitsprekelijke. Ik wil met deze manier van denken, spreken en schrijven geen voorbeeld stellen.

Is dat relaxed of niet?

Franca: Als jij het zegt.

Hans: Een en ander geldt niet alleen voor het onuitsprekelijke, al komt dat voor jou misschien op de eerste plaats. Voor zover ik kan nagaan is mijn denken helemaal vrij van vaste zelfbeelden, mensbeelden, wereldbeelden, godsbeelden, ideaalbeelden en schrikbeelden. Ik ben zo leeg als een katholieke kerk na de Beeldenstorm.

Franca: Jij hebt niets te bevestigen of te ontkennen.

Hans: En niets te bewijzen, niets te ontkrachten, niets vast te houden, niets los te laten, niets aan te prijzen en niets af te raden, dit ook niet.

3

Franca: Jouw weg is niet de via positiva want je bevestigt niets. Het is niet de via negativa want je ontkent niets. Wat is het dan wel?

Hans: Geen idee. De via via? De via mia? De via invia? De via diluvia?

Franca: Pardon?

Hans: Potjeslatijn van een pottenbreker. Via via: de omweg. Via mia: my way. Via invia: onbegaanbare weg. Via diluvia: hersenspoeling voor licht-gelovigen. Of zal ik het gewoon de denkweg noemen? De denk-wég? De wegdenkweg?

Franca: Maar hoe kom je dan van hier naar daar? Of in de mystieke beeldtaal, hoe kom je van beneden naar boven?

Hans: Zeker weten dat er een boven is? Zeker weten dat er een weg naar boven is? Zeker weten dat jij die weg kunt gaan? Zeker weten dat het boven beter is dan beneden? Zeker weten dat je niet al boven bent? Zeker weten dat er een beneden is? Zeker weten dat je bent?

Franca: Toe nou.

Hans: Waarom zou je hier weg willen?

Franca: Jij hebt het hier prima naar je zin.

Hans: Als een meer zonder min.

Franca: Dat klinkt bijna als een piekervaring – of ten minste een warm bad.

Hans: Als een bad zonder stop. Als een piek zonder top. Als een grap zonder mop. Van een kip zonder kop.

4

Franca: Zie jij jezelf als een mysticus?

Hans: Ik kan me niet voorstellen dat ik een mysticus zou zijn.

Franca: Want je wilt jezelf niets opleggen.

Hans: Ik kan me niet voorstellen dat ik geen mysticus zou zijn.

Franca: Want je wilt jezelf niets opleggen.

Hans: Wilniet, doeniet, gaatniet, weetniet, zei de zegniet.

Franca: Maar heb jij nou een rechtstreekse ervaring gehad van de of het Onuitsprekelijke of niet? Dat is namelijk de gebruikelijke definitie van mystiek.

Hans: Nooit heb ik de of het onuitsprekelijke rechtstreeks ervaren, niet dat ik weet. Nooit heb ik de of het onuitsprekelijke niet rechtstreeks ervaren, niet dat ik weet. Waar een en ander de definitie van is, weet ik niet.

Franca: Ik doel op de eenheidservaring.

Hans: Soms voel ik me één, dan weer geen of twee of veel, maar de meeste van mijn ervaringen zijn zonder tal. Ze komen allemaal even echt en onecht over. Waarom zou ik de ene ervaring verkiezen boven de andere?

Trouwens, waarom zou de of het onuitsprekelijke enkelvoudig zijn of maar op één manier ervaren kunnen worden?

Wie zegt dat de of het onuitsprekelijke überhaupt ervaren kan worden of zelfs maar bestaat?

Wie zegt dat concrete ervaringen van de of het onuitsprekelijke werkelijk ingegeven worden door de of het onuitsprekelijke en niet door, bijvoorbeeld, een onderprikkeld, oververmoeid, ischemisch of anorectisch brein of door een duivelse bedrieger?

Omgekeerd, wie zegt dat er ooit iets anders ervaren kan worden dan de of het onuitsprekelijke?

5

Franca: Toch voel je je soms twee en soms één, zeg je.

Hans: Eigenlijk is dat meer iets van vroeger. Tegenwoordig voel ik me nooit meer twee (in de zin van afgescheiden) en nooit meer één.

Franca: Niet twee en niet één.

Hans: Waarmee ik niet verwijs naar een non-dualistisch niet-twee of naar een non-monistisch niet-één of naar een overstijgend niet-twee-en-niet-één, maar naar de totale irrelevantie van dit soort metafysische rekenarij voor mijn dagelijks leven en welzijn.

Franca: Een ervaring is een ervaring, ook een herinnerde ervaring.

Hans: Een ervaring is een ervaring, maar wat is een ervaring? Illusies zijn ook ervaringen. Dromen zijn ook ervaringen. Hallucinaties zijn ook ervaringen.

Ervaringen bewijzen op zichzelf genomen niets. Het ontbreken van ervaringen ook niet, doe je ogen maar eens dicht.

Sowieso weiger ik me nog te identificeren met bepaalde ervaringen ten koste van andere. Waarom zou ik en op grond waarvan? Laat maar komen allemaal, laat maar gaan. Zoals ik weiger me nog te distantiëren van bepaalde ervaringen ten koste van andere. Zoals ik weiger me te identificeren met distantiëren of te distantiëren van identificeren.

6

Franca: Ik heb het over ervaringen van het uiteindelijke.

Hans: Ervaringen van het uiteindelijke, bewijzen uiteindelijk niets over het uiteindelijke, voor mij tenminste niet. Net zomin als redeneringen over het uiteindelijke, die uiteindelijk allemaal op onberedeneerde postulaten en ongedefinieerde begrippen en een ongefundeerde logica berusten.

Bovendien heb ik niets meer dat bewezen of ontkracht wil worden. Niet over het eindelijke en niet over het uiteindelijke. Niet over weten en niet over niet-weten of over wat dan ook.

Franca: Dat is dan drie keer niks.

Hans: Nada, nada, nada. Is dat relaxed of niet?

Franca: Het is wel erg relaxed.

Hans: Mijn hersenen klotsen in laxatief in plaats van liquor. Gedachten racen ongehinderd door mijn brein als diarree door mijn darmen. Ze krijgen geen tijd om in te dikken, ikke geen tijd om in te kakken. Deze gedachten ook niet. Spetter, pieter, pater, het wonder van het water.

Franca: Aldus sprak de beroepsstamelaar over het Onuitsprekelijke.

Hans: God ja, het onuitsprekelijke.

Franca: Wou je daar misschien nog iets over zeggen?

Hans: Wis en zeker.

Franca: Ga je gang.

Hans: Sst.

Hoofd met een koptelefoon waarin sterren zitten.
^ Tussen sst en sst.

132. Nooit meer opstaan

Een meevaller voor tegenvallers.

Beste Hans,

In Leven met de Beminde schrijft Agnes Holvast op pagina 159:

"Op de vraag: 'Wat doen jullie in het klooster?' antwoordde een woestijnvader: 'Wij vallen en staan weer op, wij vallen en staan weer op, wij vallen en staan weer op.' Ikzelf doe niet anders. Ik val en sta weer op. Met andere woorden: ik ga de weg."

Herken jij jezelf hierin?

Beste Elke,

Voor de helft.

Elke: Welke helft?

Hans: Ik val alleen nog maar.

133. Ik weet niet wat ik moet geloven – dat is een groot geluk

Weerstand kan heel mooi zijn.

'Ik begrijp dat jij moeite hebt met het geloof, Hans.'

'Hoe kom je daar nou bij?'

'Jij hebt er niets op tegen?'

'Geloof kan heel mooi zijn.'

'En ook niet tegen gelovigen?'

'Ik wens ze veel geluk.'

'Mag ik hieruit concluderen dat jij moeite hebt met ongeloof?'

'Ongeloof kan heel mooi zijn.'

'En ongelovigen?'

'Ik wens ze veel geluk.'

'Heb jij dan misschien moeite met twijfel?'

'Twijfel kan heel mooi zijn.'

'En twijfelaars?'

'Ik wens ze veel geluk.'

'Niet te geloven.'

'Heb jij daar moeite mee?'

'Ergens wel.'

'Weerstand kan heel mooi zijn.'

'Maar in de grond van mijn hart niet.'

'Dat is een groot geluk.'

134. Kan je zelf bepalen wat je gelooft?

Lakmoesproeven voor vrijwillenden.

1

Theïst: Dood aan alle atheïsten!

Agnost: Omdat ze in niet in God geloven?

Theïst: Je kiest zelf wat je gelooft.

Agnost: Geloof dan zelf maar eens dat God niet bestaat.

Theïst: Mij niet gezien.

Agnost: Eén minuutje maar.

Theïst: Ik dacht het niet.

Agnost: Geloof dan maar eens dat je niet zelf kiest wat je gelooft.

Theïst: Wacht even...

Agnost: En?

Theïst: Het lukt niet.

Agnost: Nou dan.

2

Atheïst: Dood aan alle theïsten!

Agnost: Omdat ze in God geloven?

Atheïst: Je kiest zelf wat je gelooft.

Agnost: Geloof dan zelf maar eens dat God bestaat.

Atheïst: Mij niet gezien.

Agnost: Eén minuutje maar.

Atheïst: Ik dacht het niet.

Agnost: Geloof dan maar eens dat je niet zelf kiest wat je gelooft.

Atheïst: ...

Agnost: En?

Atheïst: Het lukt niet.

Agnost: Nou dan.

135. Agnose is geen kennis

Agnose is een vriend.

'Wat is het verschil tussen agnosticisme en agnose, Hans?'

'Agnosticisme is de leer dat je geen kennis kunt hebben van een boven de ervaring uitgaande orde.'

'En agnose?'

'Agnose is geen leer.'

'Agnose betekent toch dat je geen kennis kunt hebben van wat dan ook?'

'Agnose is geen kennis.'

'Wat is agnose dan wel?'

'Een vriend.'

136. Extase is: buiten alle denkbeelden staan

'Hier sta ik buiten alle denkbeelden, extatisch in mijn ek-stase, verrückt en verrukt.' Dwaalgesprek over de mystiek van niet-weten en niet weten van mystiek.

Proloog: de geest verlaten om hem te vinden

Mystiek is geen heilsweg naar de geest.

Mystiek is een ijlweg uit je geest.

Dan krijg je vanzelf de geest.

Leeg is mijn lyriek, zo leeg als mijn mystiek

Lukas: Heb jij weleens mystieke ervaringen gehad?

Hans: Jazeker, vorige week nog, je moet de groeten hebben van het Ware Zelf en van Onze Lieve Heer.

Lukas: Ik bedoel het algemener, meer in de zin van William James: een voorbijgaande, onuitsprekelijke ervaring die diepe indruk maakt en je leven voorgoed verandert.

Hans: O, zo. Nou, mijn hele leven is een voorbijgaande, onuitsprekelijke ervaring die diepe indruk maakt en mijn leven voorgoed verandert.

Lukas: Is er iets in jouw spiritualiteit dat je op eigen gezag een mystieke ervaring zou durven noemen?

Hans: Volgens mijn woordenboek betekent mystiek raadselachtig, geheimzinnig, verborgen, transcendent. Wat is het in ons leven dat aan deze kwalificaties voldoet?

Lukas: Zeg jij het maar.

Hans: Het is maar net aan wie je het vraagt. Voor de metafysicus is het de eerste oorzaak. Voor de christen is het Jezus. Voor de chassidiem is het JWHW. Voor de soefi is het Allah. Voor de hindoe is het Brahman. Voor de zenboeddhist is het de boeddhanatuur. Voor de non-dualist is het de kenner. Voor de taoïst is het de Tao. Voor Rudolf Otto is het het numineuze. Voor Karl Barth is het der ganz andere. Voor Emmanuel Levinas is het de ander.

De eerste oorzaak, Jezus, JWHW, Allah, Brahman, de boeddhanatuur, de kenner, de Tao, het numineuze, het Ganz Andere, de Ander – ze laten zich naar men zegt ofwel helemaal niet kennen, ofwel alleen op mystieke wijze, dat wil zeggen indirect en incompleet, door niet-kennen of door onbegrippelijke liefde.

Voor mij staat mystiek voor agnose, a-gnosis – een radicaal niet-weten. Niet alleen de eerste oorzaak, god, de boeddhanatuur et cetera blijven voor mij verborgen, ook de wezens en de dingen en hun wezen onttrekken zich voortdurend aan mijn begrip, net als ikzelf.

Niets kan ik pakken, niets laat zich door mij bepalen of betrappen, behalve op de meest oppervlakkige, vluchtige manier. Alles vind ik raadselachtig, geheimzinnig, verborgen – ten diepste onbegrijpelijk.

Vandaar dat ik niets wezenlijks over het leven heb te zeggen, en niets over god. Maar dat doe ik wel zo goed mogelijk. Het is mijn manier van jubelen.

Lukas: Waar heb je het over? Waar gaat dit over?

Hans: Dit gaat nergens over. Juist niet. Leeg is mijn lyriek – zo leeg als mijn mystiek. Hoera!

Agnose is een radicaal andere manier van denken

Lukas: Ik vraag niet naar een definitie van mystiek, ik vraag of je mystieke ervaringen hebt of hebt gehad.

Hans: Niet-weten gaat de hele dag door, dus een in de tijd begrensde ervaring die diepe indruk heeft gemaakt en mijn leven voorgoed heeft veranderd, kan ik het niet noemen.

Niet-weten is geen uitzonderlijke ervaring die een verandering tot gevolg heeft; niet-weten is zelf die verandering. En het went nooit. Niet-weten maakt voortdurend indruk.

Stel je voor, iets dat voortdurend indruk maakt. Toe maar, neem de tijd ... Hebbes?

Wat je je ook voorstelt, dat is het niet. Agnose is een radicaal andere manier van denken, van voelen, van in het leven staan, van zijn.

Lukas: Hoe anders?

Hans: Niet langer grijpend, selecterend, concluderend, onderbouwend en stellend, maar tastend, inventariserend, relativerend, ondermijnend en ontstellend.

Lukas: Waartoe?

Hans: Weet ik niet. Overal toe. Nergens toe. Om zichzelf.

Lukas: Is tasten niet het voorstadium van grijpen?

Hans: Voor mij is tasten het voorstadium van strelen. Strelen om te koesteren.

Lukas: Wat koesteren?

Hans: Geen idee.

Lukas: Kom nou.

Hans: Geen idee koesteren. Baden in onbegrippelijkheid. Mijmeren in mindlesness.

Lukas: Waarover?

Hans: Over alles en niets. Niets niets, of niets in de vorm van de vragen achter de antwoorden, de leegte achter de woorden, de problemen achter de oplossingen, de wegen voorbij de doelen, de keerzijden van de zijden, de ongrond onder de grond.

Lukas: Het is dus niet zo dat je weigert te denken of je gedachten krampachtig afknijpt zodat denkbeelden niet tot ontwikkeling kunnen komen?

Hans: Natuurlijk niet. Ik zou ook niet weten hoe. Integendeel, ik denk er vrolijk op los, of ik word er vrolijk op los gedacht.

Denken is een heerlijk spel voor iemand als ik, met meer smaakpapillen op zijn cortex dan een kok op zijn tong, en meer scherpte in zijn tong dan een kok in zijn snede. Alles mag (en moet) gedacht en gezegd worden en aan dooddoeners heb ik een broertje dood.

Maar zodra denkbeelden DenkBeelden dreigen te worden en op zoek gaan naar een voetstuk in mijn dwaaltuin, grijpt de iconoclast in mij in en slaat ze goed stuk. Met sokkel en al. Een dwaalgast heeft geen voetstuk. Een dwaaltuin is geen beeldentuin.

Lukas: En dan?

Hans: Dan is een denkbeeld.

Lukas: Wat heeft dat iconoclasme voor zin, bedoel ik?

Hans: Zin is een denkbeeld.

Lukas: Alles is onzin.

Hans: Onzin is een denkbeeld.

Verrukt en verrückt in het absolute nulpunt van mijn denken

Lukas: Wat is hier in godsnaam mystiek aan?

Hans: Met het verbrijzelen van mijn denkbeelden zet ik mijn denken van z'n vooruit of z'n achteruit weer in z'n vrij, keer ik terug van nooit weggeweest naar ground zero, voegt mijn loopbeen zich weer bij mijn standbeen in het absolute nulpunt van mijn denken – de leegte van niet-weten, agnose, de lege leer, Ø.

Daar, of liever hier, sta ik voor zolang het duurt in een radicale extase (ek-stase) buiten alle denkbeelden, verrückt, verrukt

Lukas: Je houdt ineens op.

Hans: Dat heb je met die ek-stasen.

Lukas: En als je daaruit terugkeert?

Hans: Waaruit?

Lukas: Uit die ek-stasen.

Hans: Hier zijn geen ek-stasen.

Lukas: 'Hier sta ik voor zolang het duurt in een radicale extase (ek-stase) buiten alle denkbeelden, verrückt, verrukt...'

Hans: ... met mijn hoofd en mijn hart in de wolk van niet-weten, of een wolk van niet-weten in mijn hoofd en hart. Vol van

Lukas: 'Vol van...'

Hans: ... de grote open ruimte waarin alles een plaatsje heeft en overal plaats voor is.

Lukas: Overal voor?

Hans: Zelfs voor ruimtevrees.

Lukas: Zelfs voor bekrompenheid?

Hans: Zelfs voor kleinburgelijkheid, kleindenkendheid, kleingeestigheid, kleinmenselijkheid, kleinmoedigheid, kleinzerigheid en kleinzieligheid, zowel van anderen als van mezelf. Zelfs voor kleinheid jegens iedere vorm van kleinheid, zowel van anderen als van mezelf.

Het hart van de mystiek is een grote open ruimte

Lukas: Mooi. Maar wat is er mystiek aan een grote open ruimte?

Hans: Misschien is die grote open ruimte wel het hart van de christelijke mystiek. Datgene waar Meester Eckhart naar verwijst als hij spreekt over God als de eeuwige afgrond van het goddelijke zijn:

"Het hoogste en uiterste wat een mens omwille van God kan loslaten, is God zelf. In de grond van de godheid ontwordt zelfs God. God is de eeuwige afgrond van het goddelijke zijn."

En eeuwen later Angelus Silesius in zijn kwatrijn:

"De afgrond van mijn geest
roept aldoor met geschrei
de afgrond aan van God:
welk is het diepst van bei?"

Misschien is de grote open ruimte wel waar Johannes van het Kruis op doelt als hij onder woorden brengt wat hij heeft aangetroffen op de top van de heilige berg Karmel:

"nada, nada, nada
nada, nada, nada
aún en el monte
nada"

Misschien is de grote open ruimte wel het hart van de islamitische mystiek waar Hafiz naar verwijst als hij spreekt over de plaats...

"waar de adem stokt
ergens waar de geest
zachtjes wiegt
waar het laatste restje verstand
struikelt en bloost
terwijl het tracht te spreken
in een taal
die nog moet worden
uitgevonden."

Misschien is de grote open ruimte wel het hart van de oosterse mystiek, waar zenboeddhisten naar verwijzen met termen als de gewone geest (ordinary mind), de grote geest (big mind), de oorspronkelijke geest (original mind), de weetnietgeest (don't-know mind), de lege geest (empty mind) en geen-geest (no mind).

Lukas: Misschien.

Hans: En misschien ook niet. Ongetwijfeld is de grote open ruimte het zoveelste denkbeeld dat ervan droomt een DenkBeeld te worden. Net als de wolk van niet-weten, de gewone geest, de oorspronkelijke geest, de lege geest enzovoort.

Veel mensen nemen dit soort uitdrukkingen letterlijk, substantialisme en eternalisme liggen voortdurend op de loer, maar voor vrijdenkers is het allemaal beeldspraak. Die zoals alle beeldspraak maar al te snel ontaardt in grootspraak. Grootspraak die de grote open ruimte sneller opvult dan een weetniet hem kan uitruimen, of althans zou opvullen als die grote open ruimte zelf geen grootspraak was geweest.

Lukas: Vrijdenkers?

Hans: Vrijdenkers denken zich vrij, zelfs van vrijdenkerij.

Een raadsel onder raadselen

Lukas: Dus een mystieke ervaring is voor jou een radicale ek-stase buiten alle denkbeelden.

Hans: Waarin ik weer een raadsel onder raadselen word die zich door mij niet laten scheiden, verenigen of oplossen.

Dat is dan meteen ook het belangrijkste verschil met de archetypische mystieke ervaring waarin sprake is van een aanschouwen of beminnen van of versmelten met een immanentie of een transcendentie of een immanente transcendentie.

Agnose is geen toewenden tot, oprukken naar of bereiken van een hogere of diepere werkelijkheid of een al dan niet goddelijke intelligentie, maar een retraite waar geen eind aan komt.

Lukas: Retraite?

Hans: Een voortdurend terugtrekken uit mijn eigen intelligentie en uit iedere vermeende werkelijkheid – uit de verBeelding van mijn verbeelding.

Lukas: Weg uit de denkbeelden.

Hans: Ik trek mij niet alleen terug uit de denkbeelden van immanentie en transcendentie, maar ook uit het denkbeeld dat immanentie en transcendentie slechts denkbeelden zijn. En ook uit het denkbeeld van agnose als een retraite uit mijn verbeelding. En ook uit het denkbeeld van 'een radicale ek-stase buiten alle denkbeelden waarin ik weer een raadsel onder raadselen wordt die zich door mij niet laten scheiden, verenigen of oplossen'.

De mystiek van niet-weten is een mystiek zonder denkbeelden. Zonder iconen, idolen, heilige boeken en heilige huisjes. Zonder verzet tegen andermans denkbeelden, iconen, idolen, heilige boeken en heilige huisjes. En zonder verzet tegen andermans verzet tegen denkbeelden, iconen, idolen, heilige boeken en heilige huisjes.

Ben je er nog?

Is mystiek zonder inhoud wel mystiek?

Lukas: Me dunkt dat je dit bij gebrek aan inhoud geen natuurmystiek kunt noemen. Ook geen eenheidsmystiek of bestaansmystiek of nachtmystiek of christusmystiek of wezensmystiek (Eckhart) of bruidsmystiek (Hadewijch) of een andere bestaande en benoemde vorm van mystiek.

Hans: Wat dacht je van bevrijdingsmystiek? Verlossingsmystiek?

Lukas: Is mystiek zonder inhoud wel mystiek?

Hans: Lege mystiek dan maar?

Lukas: Ik weet het niet, hoor.

Hans: Ik weet het ook niet, hoor. Wat maakt het ook uit. In agnose is geen mystiek of niet-mystiek te vinden. Geen hokjes, geen labels, geen verschillen, geen overeenkomsten, geen eenheid, geen veelheid, geen volheid, geen leegte, geen wijsheid, geen dwaasheid, geen waarheid en geen leugen.

Lukas: Het lijkt wel non-dualisme of non-dualiteit of hoe heet het.

Hans: In agnose is geen dualisme, geen non-dualisme, geen dualiteit en geen non-dualiteit.

Lukas: Geen, geen, geen.

Hans: Waar wou je nog heen.

Lukas: Ik wil weten wat mystiek wel is, niet wat het niet is.

Hans: Dan moet je je kop in de wolk van niet-weten steken. Zie je beeldentuin verdwijnen in een white-out zonder einder.

Lukas: Ja, en?

Hans: En weg is je weten, weg je niet-weten. Weg zijn je antwoorden, weg je vragen. Weg is je doel, weg is je weg.

Lukas: Weg, weg, weg.

Hans: De Grote Weg is het grote weg.

Lukas: Hoelang duurt zo'n extatische ek-stase eigenlijk?

Hans: Tot de aanvang van de volgende.

Lukas: Jij staat permanent overal buiten?

Hans: In elk geval met mijn standbeen. Het buitenbeentje wil nog weleens een uitstapje maken.

Mystiek als schietstoel uit de mind

Lukas: Zou je kunnen zeggen dat jouw mystieke ervaringen de leegte, het niets, het bewustzijn tot object hebben?

Hans: Zie je wat je doet? Je probeert van een gebrek aan inhoud meteen weer een hogere inhoud maken. Iconoplast.

Lukas: Wat?

Hans: Beeldenbakker.

Lukas: Iconoclast. Beeldenkrakker.

Hans: Dé leegte, hét niets, hét bewustzijn – ik ken ze niet en ik ervaar ze niet. Ze zijn evenmin het object van mijn mystieke ervaringen als ik het subject.

Lukas: En als ik nou zeg dat de leegte, het niets, het subject van jouw mystieke ervaringen is?

Hans: Zie je wat je doet?

Lukas: Slim hè?

Hans: Subject, object, leegte, niets, bewustzijn, mystieke ervaringen; zet ze maar in je eigen beeldentuin. En dan de rest van je leven op je knieën onkruid wieden en buigen voor je denkbeelden tot je barst.

Lukas: Hoe moet ik het dan zien?

Hans: Kom, laten we het niet moeilijker maken dan het is. Er gaat een denkbeeld aan gruzelementen en er is een hoeragevoel dat rustig blijft rondzingen terwijl het denken zijn loop hervat.

Lukas: Zo blijf je aan de gang.

Hans: Weten, niet-weten, weten, niet-weten. Mystiek als schietstoel uit de mind. BOEM!

En weggedacht zijn ook de schietstoel en de mind.

Hoera!

Een doorlopend gebed

Lukas: En dat wou jij een mystieke ervaring noemen?

Hans: En dat wou jij een mystieke ervaring noemen.

Lukas: Jij noemt het agnose.

Hans: Noemen is weten. Wat mij betreft hoeft er niets benoemd te worden.

Lukas: BOEM!

Hans: Hoera!

Lukas: Hoelang ijlt zo'n hoera na?

Hans: Tot de aanvang van de volgende, die nooit lang op zich laat wachten.

Lukas: Jij leeft van hoera naar hoera.

Hans: In spiritueel opzicht, ja. Ik heb altijd een lijntje lopen. Daar kan geen coke tegenop.

Lukas: Leve de leegte.

Hans: Zie je wat je doet?

Lukas: Hardnekkig, hè?

Hans: Weetal staat op zelfstandige naamwoorden. Weetniet loopt op werkwoorden.

Lukas: Ik wil niet meer werken, ik wil met pensioen. Nog voor mijn vijfenzestigste. Met spiritueel pensioen.

Hans: Pensioen moet je doen. Agnose is bidden en werken ineen. Ora et labora. Een doorlopend gebed. Werk in uitvoering.

Lukas: Hoe klassiek.

Hans: Behalve dat het werk zichzelf uitvoert.

Lukas: Werken zonder werken.

Hans: Bidden zonder bidden en werken zonder werken door weten zonder weten. Dat noem ik mystiek.

Spreken zonder spreken en zingen zonder zingen over denken zonder denken. Dat noem ik lyriek.

Epiloog: de geest vinden om hem te verlaten

Niet de leegte maar het legen.

Niet de stilte maar het verstillen.

Niet de openheid maar het openen.

Niet de vrijheid maar het bevrijden.

Niet de ruimte maar het ontruimen.

Niet het niet-zijn maar het vernieten.

Niet het doorzicht maar het doorzien.

Niet de verlossing maar het verlossen.

Niet de zaligheid maar de zaligwording.

Niet het onzegbare maar het ontzeggen.

Niet het thuis zijn maar het thuiskomen.

Niet het ondenkbare maar het ontdenken.

Niet de grote dood maar het grote sterven.

Niet het onherroepelijke maar het herroepen.

Telkens weer, keer op keer.

137. Rijk zonder rijk

Meester Nebbisj zegt:

Als uw priesters beweren dat het rijk in de hemel is, veronderstellen ze een rijk.

Als uw priesters beweren dat het rijk op aarde is, veronderstellen ze een rijk.

Zolang u zich laat leiden door priesters die een rijk veronderstellen, zult u een rijk veronderstellen en blijven zoeken.

Als u noch het een noch het ander veronderstelt, en zich niet laat leiden door een ander of uzelf, en het zoeken staakt noch voortzet -

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

138. Verlos ons van het malen

Het Onze Vader voor zoekers.

Onze Vader die in de hemel is

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij dromen

Help ons uit de droom dat wij wakker moeten worden

Help ons uit de droom dat wij ontwaakt zijn

Help ons uit onze dromen

En verlos ons van het malen

Amen

Variaties op het Onze Vader voor zoekers

Je kan dit gebed aanpassen aan je eigen behoeften door de eerste regel te veranderen. Voorbeelden:

Onze Boeddha die in nirwana is.

Onze Moeder die in de bonen is.

Onze Atman die bewustzijn is.

139. Onze Vader die in de hemel is

Tweestemmig wisselgebed geïnspireerd door het Onze Vader, een van de oudste en meest verbreide christelijke gebeden.

De oneven regels komen voor rekening van de eerste stem, de even regels voor de tweede of het koor of allen.

Je kan ook in je eentje alle stemmen voor je rekening nemen, of met zijn allen alle stemmen. In het eerste geval kan je 'ons' en 'onze' eventueel vervangen door 'mij' (of 'me') en 'mijn'.

1

Onze Vader die in de hemel is

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Laat ons dromen

2

Help ons uit de droom dat u in de hemel bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat u niet in de hemel bent

Help ons uit de droom

3

Help ons uit de droom dat er een hemel is

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat er geen hemel is

Help ons uit de droom

4

Help ons uit de droom dat u onze Vader bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat u niet onze Vader bent

Help ons uit de droom

5

Help ons uit de droom dat u bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat u niet bent

Help ons uit de droom

6

Help ons uit de droom dat wij u zijn

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij u niet zijn

Help ons uit de droom

7

Help ons uit de droom dat wij zijn

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij niet zijn

Help ons uit de droom

8

Help ons uit de droom dat wij dromen

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij wakker zijn

Help ons uit de droom

9

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Zoals wij u de uwe laten

En anderen de hunne

En onszelf de onze

Laat ons onze dromen

10

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Laat ons nu maar dromen

Amen

140. Onze Boeddha die in nirwana is

1

Onze Boeddha die in nirwana is

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Laat ons dromen

2

Help ons uit de droom dat u in nirwana bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat u niet in nirwana bent

Help ons uit de droom

3

Help ons uit de droom dat er een nirwana is

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat er geen nirwana is

Help ons uit de droom

4

Help ons uit de droom dat u een boeddha bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat u geen boeddha bent

Help ons uit de droom

5

Help ons uit de droom dat u bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat u niet bent

Help ons uit de droom

6

Help ons uit de droom dat wij boeddha's zijn

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij geen boeddha's zijn

Help ons uit de droom

7

Help ons uit de droom dat wij zijn

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij niet zijn

Help ons uit de droom

8

Help ons uit de droom dat wij dromen

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij wakker zijn

Help ons uit de droom

9

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Zoals wij u de uwe laten

En anderen de hunne

En onszelf de onze

Laat ons onze dromen

10

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Laat ons nu maar dromen

Ohm

141. Onze Atman die bewustzijn is

1

Onze Atman, die universeel bewustzijn is

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Laat ons dromen

2

Help ons uit de droom dat u bewustzijn bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat u geen bewustzijn bent

Help ons uit de droom

3

Help ons uit de droom dat er bewustzijn is

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat er geen bewustzijn is

Help ons uit de droom

4

Help ons uit de droom dat u universeel bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat u niet universeel bent

Help ons uit de droom

5

Help ons uit de droom dat u bent

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat u niet bent

Help ons uit de droom

6

Help ons uit de droom dat wij u zijn

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij u niet zijn

Help ons uit de droom

7

Help ons uit de droom dat wij zijn

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij niet zijn

Help ons uit de droom

8

Help ons uit de droom dat wij dromen

Help ons uit de droom

Help ons uit de droom dat wij wakker zijn

Help ons uit de droom

9

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Zoals wij u de uwe laten

En anderen de hunne

En onszelf de onze

Laat ons onze dromen

10

Help ons uit de droom

Maar laat ons onze dromen

Laat ons nu maar dromen

Ohm

(Opmerking: omdat het individuele zelf, Atman, volgens de advaita vedanta gelijk is aan het universele zelf, Brahman, kun je in plaats van Onze Atman ook Onze Brahman zeggen.)

142. Verlos ons van het geloof in onze gedachten

Gebed voor voorganger en koor.

Verlos ons

Verlos ons

Verlos ons van het geloof

Van het geloof

Verlos ons van het geloof in onze gedachten

In onze gedachten

Verlos ons van het geloof in onze gedachten over verlossing

Over verlossing

Verlos ons van het geloof in onze gedachten over verlossing maar laat ons

Maar laat ons

Verlos ons van het geloof in onze gedachten over verlossing maar laat ons onze gedachten

Onze gedachten

Verlos ons van het geloof in onze gedachten over verlossing maar laat ons onze gedachten zoals wij anderen de hunne laten

Zoals wij anderen de hunne laten

Amen

143. Ohm sjalom, vrede is geen droom

Wisselgebed voor innerlijke vrede.

Help mij uit mijn droom van het ego.
Help mij uit mijn droom van het zelf.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van het lichaam.
Help mij uit mijn droom van de geest.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van het vele.
Help mij uit mijn droom van het ene.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van de hel.
Help mij uit mijn droom van de hemel.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van het kwade.
Help mij uit mijn droom van het goede.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van de haat.
Help mij uit mijn droom van de liefde.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van de tijd.
Help mij uit mijn droom van het heden.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van het woord.
Help mij uit mijn droom van de stilte.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van de vorm.
Help mij uit mijn droom van de leegte.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van het hoofd.
Help mij uit mijn droom van het hart.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van het worden.
Help mij uit mijn droom van het zijn.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van de dualiteit.
Help mij uit mijn droom van non-dualiteit.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van het relatieve.
Help mij uit mijn droom van het absolute.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van het weten.
Help mij uit mijn droom van niet-weten.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

Help mij uit mijn droom van ontwaken.
Help mij uit mijn droom van de droom.

Ohm, sjalom, help mij uit mijn droom.

144. Dromen van het einde van het dromen

Zegt de ene dromer: Het leven is een droom.

Zegt de andere: Of is dat ook maar een droom?

Zegt de ene: Of is dat ook maar een droom?

Zegt de andere: Of is dat ook maar een droom?

Zegt de ene: Is hier een einde aan?

Zegt de andere: Dat had je gedroomd.

Zegt de ene: Dat had je gedroomd.

Zegt de andere: Dat had je gedroomd.

Zegt de ene: Zie je nou wel dat het leven een droom is?

Zegt de andere: Of is dat ook maar een droom?

Zegt de ene: Of is dat ook maar een droom?

Zegt de andere: Of is dat ook maar een droom?

145. De mystieke atheologie van Georges Bataille

Wil een historicus recht doen aan de herkomst van het boeddhisme dan kan hij een boeddhist omschrijven als een hindoe zonder Atman.

Wil een biograaf recht doen aan de bestemming van schrijver, dichter, filosoof en surrealist Georges Bataille dan kan hij hem omschrijven als een moralist zonder moraal, een boeddhist zonder Boeddha of een mysticus zonder God.

Hoewel Bataille weinig ophad met het woord mystiek en liever sprak van een innerlijke ervaring, zag hij zichzelf toch als een erfgenaam van de mystieke theologie, die echter "afgesneden was van een God en schoon schip maakt".

Een mysticus in christelijke zin was hij niet, en ook geen theoloog, orthodox of anderszins, maar wel, zoals hij zelf graag zei, een atheoloog.

De atheologie heeft "alleen het onbekende als object".

Volgens Bataille, die zich liet inspireren door Maurice Blanchot, is de grondslag van elk spiritueel leven dat het "slechts:

- zijn beginsel en doel kan hebben in de afwezigheid van heil, in het afzien van elke hoop,

- de innerlijke ervaring kan affirmeren als autoriteit (maar elke autoriteit moet voor zichzelf boeten),

- aanvechting van zichzelf en niet-weten kan zijn."

Deze 'grondslag' doet denken aan de 'grondslag' van het zenboeddhisme, met name soto, waarin volgens zenleraar Nico Tydeman iedere spirituele ambitie "tot op de draad versleten moet raken".

Hij doet ook denken aan de grondslag, dat wil zeggen, de mokerslag van niet-weten, dat zelfs geen afgrond wil heten.

Om die reden zou je zowel zen als niet-weten atheologie kunnen noemen.

Maar een radicaal niet-weten heeft, in tegenstelling tot de innerlijke ervaring die het toch ook is, geen object, dus ook niet het onbekende; geen autoriteit, dus ook niet zichzelf; en geen beginsel of doel, dus ook niet de afwezigheid van heil en het afzien van hoop.

Daarom spreek ik liever van lege mystiek, Ø (leeg van God maar ook leeg van niet-God en zelfs van leegte ontledigd) of van mySstiek of van de lege leer of van Groot Ongeloof.

Nog liever zeg ik niets.

146. Als U bestaat

Acht veelgestelde vragen.

1. Gebed van een ongelovige

Lieve God in de hemel

Als U bestaat

Waarom laat u me dan denken

Van niet

2. Gebed van een gelovige

Lieve God in de hemel

Als U niet bestaat

Waarom laat u me dan denken

Van wel

3. Gebed van een twijfelaar

Lieve God in de hemel

Als U bestaat

Waarom laat u me dan denken

4. Gebed van een zoutpilaar

Lieve God in de hemel

Als U bestaat

Waarom laat u me dan niet denken

5. Gebed van een profeet

Lieve God in de hemel

Als U bestaat

Waarom laat u me dan niet met rust

6. Gebed van een grijsaard

Lieve God in de hemel

Als U bestaat

Waarom laat u me dan niet

7. Gebed van een stervende

Lieve God in de hemel

Als U bestaat

Waarom laat u me dan

8. Gebed van een dode

Lieve God in de hemel

Als U bestaat

Waarom

147. De mystieke roos: wat is het diepste geheim van de kosmos?

Deel 1 van een 5-delig dwaalgesprek over de mystieke roos.

Misha: Heb jij weleens van de mystieke roos gehoord?

Hans: Je zal het maar hebben.

Misha: Niet mystieke roos. Dé mystieke roos.

Hans: Dat is een eretitel voor Onze Lieve Vrouwe.

Misha: Ben jij katholiek dan?

Hans: Maria Santissima Rosa Mystica bid voor ons.

Misha: Voor gnostici is de mystieke roos het diepste geheim van de kosmos.

Hans: Op de zwarte tulp na.

Misha: Dat was windhandel.

Hans: Wat is volgens jou het diepste geheim van de kosmos?

Misha: Ik ben geen gnosticus, hè.

Hans: Nee, wie wel.

Misha: God.

Hans: God is een gnosticus?

Misha: Nee, God is het diepste geheim van de kosmos.

Hans: Dieper wordt het niet. Turtles all the way down.

Misha: Wat is volgens jou het diepste geheim van de kosmos?

Hans: De kosmos.

Misha: Hè?

Hans: En wat is volgens jou het op een na diepste geheim van de kosmos?

Misha: Nou?

Hans: Dat de kosmos het diepste geheim van de kosmos is.

Misha: Maar het diepste geheim van de kosmos is de kosmos?

Hans: Voor mij wel. Ik vind alles even mysterieus. Niet alleen de aarde, niet alleen de appelboom, niet alleen de appel, niet alleen de val van de appel, niet alleen de zwaartekracht, niet alleen de theorie van de zwaartekracht, niet alleen de natuurkunde, niet alleen de natuurkundige, niet alleen de natuur, niet alleen het bovennatuurlijke.

Misha: Het bestaan zelf is de mystieke roos.

Hans: Daarom hoef ik de mystieke roos nergens te zoeken en kan ik hem nooit kwijtraken. Ik ken dit geheim der geheimen niet, behalve als geheim, en ik koester het als geheim, als dat is wat het is, want zelfs dat is geheim.

Misha: Klinkt als het einde van de weg.

Hans: Wat je zegt. Ik hoef het geheim der geheimen aan niemand te ontfutselen. Ik hoef het voor niemand verborgen te houden. Ik hoef het voor niemand te bewaren. Ik hoef het aan niemand te onthullen. Want het is overal en ik ben het ook. Nou jij weer.

Misha: Ik vind het wel een beetje banaal.

Hans: Jij houdt meer van transcendentaal?

Misha: Iets om je aan op te trekken.

Hans: Je zoekt het hogerop.

Misha: Of het hogere hier.

Hans: Het lagere hier bevalt je niet?

Misha: 'Het is overal en ik ben het ook', zei je net. Was dat geen verwijzing naar het hogere? Wat is het Het dat jij bent?

Hans: Wat is het het in het sneeuwt?

Misha: Watte?

Hans: Alleen als het watten sneeuwt.

Misha: Ik kan je even niet volgen.

Hans: Weet ik veel wat of Wat het is dat ik ben, gesteld dat ik wat ben. Het hogere laat ik graag over aan mensen zoals jij die al op de hoogte zijn. Van nature ben ik heel laag-bij-de-gronds, struikel niet.

Misha: Jij ziet jezelf niet als goddelijk of god?

Hans: Ik ben geen god, ik ben een zot, die uit ontzag met alles spot.

Misha: En dat is jouw geheim?

Hans: En wat is jouw geheim?

148. Wat zijn dat voor dingen aan het eind van mijn polsen?

Deel 2 van een 5-delig dwaalgesprek over de mystieke roos.

Misha: Volgens de literatuur is een mystieke ervaring een rechtstreekse ervaring van het mysterie Gods.

Hans: Nou, het kan best zijn dat er achter het mysterie van de verschijnselen een ander, dieper mysterie schuilgaat, bijvoorbeeld het mysterie Gods, maar dat heeft zich dan nog niet als zodanig aan mij kenbaar gemaakt.

Voor mij is het concrete, ik bedoel daarmee wezens, dingen, gedachten, gevoelens en zo, zelf ondoorgrondelijk, onuitputtelijk, onbevattelijk, mysterieus – mystiek. Zo niet op het eerste gezicht dan toch bij nader inzien.

Misha: Voor een kind is het concrete nieuw en wonderlijk, maar na een poosje gaat het bijzondere er toch wel af.

Hans: Voor een volwassene is het concrete oud en vanzelfsprekend, maar als je goed nadenkt, ik bedoel schurend, niet polijstend, gaat het gewone er laagje voor laagje vanaf. Net zolang tot je niet meer weet wat je ziet.

Misha: Dan denk ik zeker niet goed na.

Hans: En als je niet goed nadenkt ook. Want het onbekende mag dan tot bekendheid neigen, het bekende neigt net zo hardnekkig tot onbekendheid, vaak op het moment dat je er het minst op bedacht bent.

Misha: O ja?

Hans: Zoals je jezelf keer op keer verrast met rare fratsen die je nooit achter jezelf had gezocht. Zoals je lichaam je ineens in de steek laat terwijl je er altijd op kon rekenen. Zoals je in de spiegel ineens een vreemde ziet met precies dezelfde gelaatstrekken.

Zoals een woord na een aantal herhalingen ineens zijn betekenis verliest. Zoals je je naast een slimmerik ineens een dommerik voelt, naast een krachtpatser een slungel, naast een jongere oud.

Misha: Op die manier.

Hans: Zoals een lelijk eendje een mooie zwaan blijkt, een vriend een vijand, een tegenstrever een medestander, een vertrouweling een bedrieger, een koopje een miskoop.

Misha: Ja, dat herken ik wel.

Hans: Zelfs het overbekende wekt in mij telkens weer een gevoel van bevreemding op. Al mijn hele leven kijk ik als een baby in de wieg naar de spontane bewegingen van mijn handen – die rare dingen aan het uiteinde van andere rare dingen die ik de mijne moet noemen terwijl ze rustig hun eigen gang gaan.

Een pleepot, een kwal, het anker voor het scheepvaartmuseum – overbekende dingen, ik heb ze ontelbare keren gezien maar ik kan er nog steeds in verdwijnen.

Misha: Goh, nou, ik heb altijd al eens in een pleepot willen verdwijnen.

Hans: Elke dag verdwijn je in een pleepot, drie keer je eigen lichaamsgewicht per jaar, alleen al aan uitwerpselen. Wat dacht je dan dat je daar deed?

Misha: Ah ja, ontlediging.

Hans: Ontwording.

Misha: Nietiging.

Hans: Heel mystiek.

Misha: Maar hoe je nou in een anker verdwijnt?

149. Hoe je in een anker verdwijnt

Deel 3 van een 5-delig dwaalgesprek over de mystieke roos.

Een ding is geen woord

Heb je dat stokanker op het Kattenburgerplein in Amsterdam weleens gezien? In mijn herinnering is het zwart, zwaar en manshoog. Normale gang van zaken: je kijkt ernaar, je denkt 'anker' en je kijkt alweer naar wat anders.

Maar op een dag loop je erlangs en je denkt: wat zou dit zijn als ik niet wist wat een anker was? Als ik nog nooit een schip had gezien of van scheepvaart had gehoord? Dan ligt daar ineens een raadselachtig geval, een stang met een oog erop, een dwarsstang en onderaan, haaks daarop, een reusachtige gebogen weerhaak.

Wat is zwaarte, wat is zwart?

Wat doet dat ding hier? Hoe hebben ze hier gekregen? Is het kunst? Is het een symbool? Waar is het voor bedoeld? Wat zou je er nog meer mee kunnen?

Waarom is het zo zwaar? Wat is zwaar? Zit de zwaarte in het ding, in het materiaal, in mijn beperkte spierkracht, in de zwaartekracht, in de aarde, in de kromming van de ruimte, in de zwaartekrachtdeeltjes, wijs eens aan?

Waarom is het zo zwart? Is dat het materiaal zelf of zit er iets overheen, spul? Wie heeft dat spul gemaakt, hoe en waarvan? Hoe is het erop aangebracht, waarom spoelt de regen het er niet af? Zit het zwart in de stof of in het oog, in het ding of in het licht, in het brein of in het bewustzijn, hoe stel je zoiets vast?

Hoe maken ze dat, en waarvan?

Waar is het ding van gemaakt? Waar hebben ze dat spul vandaan? Kun je dat zelf fabriceren of moet je het opgraven? Is het een soort klei waarmee je kunt boetseren, een soort steen dat je af kunt bikken, een soort metaal dat je kunt smeden of walsen?

Wat is klei? Wat is steen? Wat is metaal? Wat is het verschil? Wat is de overeenkomst? Waar zijn die materialen van gemaakt? Waarom behouden ze hun vorm bij lage temperaturen en niet bij hoge? Waarom vallen stoffen niet spontaan uiteen, wat houdt ze bij elkaar?

Wie kan zoiets groots maken en vervoeren? Wat voor gereedschappen en apparaten zijn daarvoor nodig? Wie heeft die gereedschappen en apparaten gemaakt en welke gereedschappen en apparaten waren dáár weer voor nodig?

Wat moet je met een anker?

Zelfs als je 'weet' dat het een anker 'is' en wat de 'functie' ervan is, rijzen er onmiddellijk allerlei vragen. Hoe hijs je zo'n gevaarte op zonder de scheepsromp te beschadigen, hoe laat je het naar de zeebodem zakken, wie heeft die kracht, welke hulpmiddelen zijn daarvoor nodig?

Hoe zorg je ervoor dat een anker op de bodem aangekomen zijn werk doet en niet gaat krabben als een sleepnet? Onder welke hoek van het ankertouw of de ankerketting werkt het anker optimaal? Voor welk bodemtype is deze ankervorm geschikt? Wat als het anker bij het ophijsen ergens achter blijft haken?

Hoe maak je een ketting of touw dat sterk genoeg is om het anker op te hijsen bij vertrek, tegen de boeg te dragen tijdens de vaart en het schip op zijn plek te houden tijdens een storm?

Hoe groot moet een schip wel niet zijn om zo'n enorm anker te voeren zonder uit balans te raken? Zijn er ook schepen waarvoor zo'n groot anker nog te klein is? Wat is de relatie tussen de grootte van een schip en de grootte van zijn anker? Heeft een schip genoeg aan één anker?

Welke ankervormen zijn er nog meer? Wanneer is iets een anker? Is een muuranker een anker? Is een sieranker een anker? Is een drijfanker een anker? Is een schroefanker een anker? Is een schroef een anker?

Is een bolder een anker? Is een tentharing een anker? Is een fundering een anker? Is een penwortel een anker? Is liefde een anker? Is een eigennaam een anker? Is god een anker? Kan een anker een anker zijn voor zichzelf?

Wat zien andere mensen en dieren erin?

Wat is een anker voor een vogel, een hond, een kat, een rups, een slak, een bij?

Wat betekent een anker voor een haai, een inktvis, een zeester?

Wat maakt een vleermuis ervan, een mol, een aardworm, een alien?

Hoe kijkt een kind ernaar, een dichter, een kapitein, een kraandrijver, een plantsoenmedewerker?

Wat ziet een historicus erin, een chemicus, een staalfabrikant, een ijzerdief, een magnetiseur?

Wat maakt een blinde ervan die er net over gestruikeld is en nu op de tast de oorzaak verkent?

Wie van deze wezens ziet het anker zoals het ís? Wat is een anker nou echt? Is een anker van zichzelf wel iets?

Je weet niet wat je ziet

Als je maar genoeg vragen stelt, krijg je vanzelf een keer in de gaten dat je op de meeste vragen het antwoord niet paraat hebt, al is het misschien ergens op te zoeken.

Je krijgt door dat op een aantal vragen, met name de filosofische, meerdere of vele antwoorden bestaan.

Je krijgt door dat op een aantal vragen helemaal geen antwoord bestaat, bijvoorbeeld die over de beleving van andere mensen en niet-menselijke wezens. Je kunt je inleven maar je kunt het niet beleven.

Je krijgt door dat iedere vraag vele nieuwe vragen oproept die lang niet allemaal beantwoord kunnen worden en waarvan de antwoorden verdere vragen oproepen.

Je krijgt door dat het aantal manieren om naar dingen te kijken oneindig is en nooit in kaart gebracht kan worden, laat staan onthouden, begrepen en geleefd.

Je krijgt door dat ieder ding, ieder wezen, iedere gebeurtenis zich vrijwel volledig aan je greep onttrekt, en aan ieders greep. Of je nou weet hoe het heet of niet, je weet niet wat je ziet – niet echt.

Lees ook: Woorden zijn woordenboeken en verder (in het Witboek Verlichting).

150. Van tetterende theologen en wauwelende wijzen

Deel 4 van een 5-delig dwaalgesprek over de mystieke roos.

Misha: Je kan naar het concrete kijken tot je scheel ziet, maar is het niet juist het ongrijpbare, het heilige, het goddelijke, het numineuze dat voortdurend door de kieren van het concrete piept?

Hans: Voor gepiep moet je bij de Oppermuis wezen.

Misha: Volgens mij verwar jij de vinger met de maan.

Hans: Wanneer heb jij voor het laatst naar je vinger gekeken?

Misha: Je zet veel te laag in.

Hans: Zeker weten? Het ongrijpbare, het heilige, het goddelijke, het numineuze – zijn het wel meer dan kletskoekjes bij de koffie, woorden bij de wijn? Chique manieren om te zeggen dat je geen zak van het leven snapt, zonder dat een ander het doorheeft, of jijzelf?

Misha: Nou nou.

Hans: Mijn achterdocht mag onterecht zijn, hij komt niet uit de lucht vallen. Hoeveel tetterende theologen, wauwelende wijzen en naamloze napraters heb ik al niet moeten aanhoren sinds ik van de moederkoek gescheiden werd; hoeveel meer sinds ik op eigen woorden kwam te staan.

Misha: Net zoveel als iedereen, vrees ik.

Hans: Nergens zijn ze het over eens en overal staan ze de weg te wijzen, naar het oosten of juist naar het westen, naar het zuiden of juist naar het noorden, naar het midden of juist naar de rand, naar de hemel of juist naar de aarde, alsof hun weg dé weg is, de waarheid en het leven.

Misha: Tja, het aanbod is groot.

Hans: De wereld zit vol met leraren, sjamanen, mystagogen, meesters, levenskunstenaars, priesters, broeders, goeroes, verlossers, wijsgeren, verlichten. Hun uitlegkunde riekt naar inlegkunde, oplegkunde, aflegkunde. Van de goeden niets dan doods. Alles wordt ingepast in hun denkschema's.

Misha: Eindelijk duidelijkheid.

Hans: Wat niet past wordt alchemistisch omgevormd in het klatergoud van de Waarheid voorbij de woorden, het Ongrijpbare, het Heilige, het Goddelijke, het Numineuze, de Drie-eenheid, de Vier-eenheid, de Tao.

Misha: De Bron, Bewustzijn, de Boeddhanatuur, het Zelf, het Zijn, Non-dualiteit, het Absolute, Eeuwige Wijsheid, de Gezegende, Zijne Heiligheid, Hare Krishna.

Hans: En dan de rest van je leven op je knieën liggen. Zalig zijn de stratenmakers.

151. Waarheen wijst de vinger van de xenomaan?

Slot van een 5-delig dwaalgesprek over de mystieke roos.

Misha: Jij schrijft er anders ook op los.

Hans: Ik schrijf alles wat vast zit los. Ik wijs niemand de weg, wijs zelfs niet naar loslaten of niet-wijzen. Ik ben ten einde raad en hoop dat nog lang te blijven.

Misha: Jij zegt toch ook hoe het zit.

Hans: Ik zeg niet hoe het zit, ik zeg dat ik niet weet hoe het zit. Mijn kop gebruik ik om te inventariseren waar ik met mijn kop niet bij kan.

Misha: En waar kan jij met je kop niet bij, behalve toiletpotten en scheepsankers?

Hans: Dat ik er bén. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat ik belichaamd ben. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Zien, eten, lezen, praten, lachen, zoenen, bloeden, slapen. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat er behalve mij talloze andere dingen en wezens zijn. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat bijna iedereen bijna alles vanzelfsprekend vindt of doet alsof. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat er dingen en wezens van vroeger niet meer zijn en dat er dingen en wezens van later nog niet zijn. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat de dingen en wezens die er ook hadden kunnen zijn, er niet zijn en misschien nooit zullen zijn, behalve in mijn verbeelding, als dat is wat het is, en in mijn dromen, als dat is wat ze zijn. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat al deze gedachten verbeelding zijn, als dat is wat ze zijn, dat zelfs mijn kop verbeelding is, als dat is wat het is. Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Deze hartverscheurende, hersenschuddende, met stomheid slaande ontsteltenis laat zich niet loochenen. Alle woorden, stellingen, oordelen, theorieën, verklaringen, interpretaties, duidingen, verhalen, gedachten verdwijnen spoorloos in dat zwarte gat. Deze ook.

Lang heb ik me verzet, tot ik niet meer kon. Tot er iets brak. Doorbrak. Openbrak. Uitbrak. Nu is de nagloed uit dat gat het dwaallicht waarop ik me oriënteer. Het spotlicht dat mij overal volgt zodat ik om mezelf blijf lachen. Het nachtlicht dat mij ondanks alles geruststelt.

Misha: Jij liever dan ik.

Hans: Alles went, al blijft het onbekend. Het gewone mag dan ongewoon zijn, het ongewone is voor mij nu de gewoonste zaak van de wereld. Zo blijft de boel in balans.

Agnose is toch een soort thuiskomen, al is het dan in den vreemde, dat daarmee eigen wordt zonder een jota aan eigenaardigheid in te boeten.

Het Fremdkörper is ingelijfd, het wezensvreemde blijkt mijn wezen te wezen. De xenofoob is xenoloog geworden, xenofiel, xenomaan.

Misha: Waarheen wijst de vinger van de xenomaan?

Hans: Naar hemzelf, zijn laatste waan. Uit zijn ogen schijnt mijn duisternis.

Woordenlijstje xenofilie

Xenos is Grieks voor 'vreemd'. In de context van niet-weten verwijst het naar de verborgen vreemdheid van het schijnbaar bekende.

Xenofobie: angst voor de vreemdheid van het schijnbaar bekende.

Xenofoob: iemand met xenofobie.

Xenologie: onderzoek naar en beschrijving van de vreemdheid van het schijnbaar bekende.

Xenoloog: iemand die xenologie bedrijft.

Xenofilie: liefde voor de vreemdheid van het schijnbaar bekende.

Xenofiel: iemand met xenofilie.

Xenomanie: fascinatie voor de vreemdheid van het schijnbaar bekende.

Xenomaan: iemand met xenomanie.

152. Verdorie kraaien

Meester Nebbisj zegt:

Niet de duivel in u wil ik verdrijven, maar uw geloof in de gedachte aan de duivel.

Maar u bedenkt een denker, slaat hem in de boeien en kraait meteen victorie.

U tracht gedachten uit te drijven, en kraait keer op keer verdorie.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

153. O lord

(Just in case He speaks English.)

o lord

help me

to keep my big mouth shut

until I know what I am talking about

I mean

until I know

that I don't know

what I am talking about

I mean

until I know

that I don't even know

that I don't know what I am talking about

I mean

until I know

that I don't know

what I am

I mean

what am I

I mean

what am I talking about

oh lord

help me

I mean

if you are

help me

to keep my big mouth shut

I mean

if you can

I mean

if I am

I mean

if it is mine

or is it yours

and is it you

asking me

to help you

to keep your big mouth shut

or what

o lord

154. Bevat de Bijbel werkelijk Gods woord?

Christen: De bijbel is geschreven door God.

Agnost: Wie zal het zeggen.

Christen: De Schrift is een betrouwbare weergave van de geopenbaarde waarheid.

Agnost: Was u erbij dan?

Christen: Nee, dat niet, maar...

Agnost: Kent u iemand die erbij was?

Christen: Nee, dat niet, maar...

Agnost: Hebt u het ergens gelezen?

Christen: Nee, dat niet, maar...

Agnost: Waarom beweert u het dan zo stellig?

Christen: Ik heb het heus niet van mezelf.

Agnost: Van wie hebt u het dan wel?

Christen: Van meneer pastoor.

Agnost: Was die erbij?

Christen: Nee, dat niet, maar...

Agnost: Kende hij iemand die erbij was?

Christen: Dat lijkt me niet waarschijnlijk, maar...

Agnost: Heeft hij het ergens gelezen?

Christen: Dat weet ik eigenlijk niet, maar...

Agnost: Waarom beweert hij het dan zo stellig?

Christen: Ik denk dat hij het van de priester heeft.

Agnost: Denkt u dat of weet u dat?

Christen: En de priester zal het van de bisschop hebben.

Agnost: En die?

Christen: Van de kardinaal?

Agnost: En die?

Christen: Van de paus?

Agnost: En die?

Christen: Ik denk...

Agnost: Zeker weer uit de bijbel.

Christen: De bijbel is geschreven door God.

Agnost: Wie zal het zeggen.

155. De feilbaarheid van het Vaticaans Concilie

Katholiek: Volgens de paus bevat de bijbel het Woord van God.

Agnost: De paus kan wel zoveel zeggen.

Katholiek: Niet volgens het dogma van de Pauselijke Onfeilbaarheid.

Agnost: Wie heeft dat vastgesteld?

Katholiek: Dat is vastgesteld tijdens het eerste Vaticaans Concilie.

Agnost: Wanneer?

Katholiek: In 1870.

Agnost: Toen pas?

Katholiek: Dat is al lang geleden hoor.

Agnost: Geldt het met terugwerkende kracht voor alle voorgaande pausen?

Katholiek: Dat weet ik eigenlijk niet.

Agnost: Wie waren er aanwezig bij die vergadering?

Katholiek: De vroomste hoogwaardigheidsbekleders van de katholieke kerk.

Agnost: Allemaal mensen.

Katholiek: Kardinalen en zo.

Agnost: Mensen dus.

Katholiek: Toegegeven...

Agnost: En God zelf?

Katholiek: Wat is daarmee?

Agnost: Was die er ook bij?

Katholiek: Natuurlijk niet.

Agnost: De belangrijkste autoriteit ontbrak?

Katholiek: God is overal maar nooit in persoon.

Agnost: Het concilie zou er dus best eens naast kunnen zitten?

Katholiek: Dat lijkt me hoogst onwaarschijnlijk.

Agnost: Het blijft mensenwerk.

Katholiek: Maar niet van de eersten de besten.

Agnost: Bestaat er een dogma over de onfeilbaarheid van het Vaticaan?

Katholiek: Eh... niet dat ik weet.

Agnost: Dan is de pauselijke onfeilbaarheid vastgesteld door een feilbaar concilie.

156. Pseudoniemen van God

Christen: God heeft zich uitgesproken in de bijbel.

Agnost: De bijbel is geschreven door de mens.

Christen: Uit naam van God.

Agnost: Hoe weet u dat?

Christen: Dat staat in de bijbel.

Agnost: Die is geschreven door de mens.

Christen: Hoe weet u dat?

Agnost: Dat staat in de Wikipedia.

Christen: Die is geschreven door de mens.

Agnost: Geleid door de hand van God.

Christen: Hoe weet u dat?

Agnost: Hoe weet u van niet?

Christen: Ik heb in de Wikipedia nog nooit een artikel van Zijn Hand gezien.

Agnost: Misschien hebt u in de Wikipedia nog nooit een artikel van andermans hand gezien.

Christen: Het komt mij voor...

Agnost: En schrijft Hij alles onder pseudoniem.

Christen: Meent u dat nou?

Agnost: Misschien spreekt Hij wel door mij.

Christen: U maakt zeker een grapje?

Agnost: Ik zou het bij God niet weten.

157. En dan bevrijd hij zich ook van de kennisloosheid

Eerste van drie koekoeksteksten* geïnspireerd door het traktaatje 'Over Mystieke Theologie' van de christelijke theoloog en neoplatonische filosoof Pseudo-Dionysius de Areopagiet.

Pseudo-Dionysius:

En dan bevrijdt hij zich ook daarvan, van de dingen die gezien worden en van degenen die zien, en gaat het duister van de kennisloosheid in, het werkelijk mystieke, waar hij zijn kennend grijpen laat zwijgen, en belandt hij in het volledig onaanraakbare en onzichtbare, wanneer hij geheel en al behoort aan degene die aan alles voorbij is.

(Bron: Over mystieke theologie / Pseudo-Dionysius de Areopagiet, Ben Schomakers 2002, pagina 15-21.)

Een agnost zou zeggen:

En dan bevrijdt hij zich ook daar nog van – van het duister en de kennisloosheid, van het werkelijk mystieke, van het tot zwijgen brengen van zijn kennend grijpen, van het volledig onaanraakbare en onzichtbare en van degene die aan alles voorbij is en waaraan hij geheel en al zou toebehoren.

* Een koekoekstekst is een tekst van iemand anders aangepast voor eigen gebruik.

158. Veelwoordig is niet-weten en woordloos tegelijk

Tweede van drie koekoeksteksten geïnspireerd door het traktaatje 'Over Mystieke Theologie' van de christelijke theoloog en neoplatonische filosoof Pseudo-Dionysius de Areopagiet.

Veelwoordig is de goede oorzaak van alles en minbespraakt en woordloos tegelijk, aangezien er geen woorden zijn en geen begrip van haar; want ze bevindt zich boven alles, als meer dan zijndheid, en verschijnt alleen onverhuld en naar waarheid voor wie al het geheiligde en al het loutere doorloopt en boven de hele bestijging van al de heilige toppen uitgaat en alle goddelijke lichten en hemelse klanken en woorden achter zich laat en ingaat in het duister waar werkelijk is, zoals de geschriften zeggen, degene die aan alles voorbij is.

(ibid)

Een agnost zou zeggen:

Veelwoordig is niet-weten en minbespraakt en woordloos tegelijk, aangezien er geen woorden van zijn en geen begrip; want het verschijnt alleen onverhuld en naar waarheid voor wie al het geheiligde en al het loutere doorloopt en boven de hele bestijging van al de heilige toppen uitgaat en alle goddelijke lichten en hemelse klanken en woorden achter zich laat en ingaat in het duister waar werkelijk zijn degenen die aan alles voorbij zijn.

159. Eine kleine Nachtmystik

Laatste van drie koekoeksteksten geïnspireerd door het traktaatje 'Over Mystieke Theologie' van de christelijke theoloog en neoplatonische filosoof Pseudo-Dionysius de Areopagiet.

In dat duister, dat meer dan licht is, te belanden, daarom bidden wij, en om door blikloosheid en kennisloosheid te zien en te kennen wat boven aanschouwing is en boven kennis, juist door het niet zien en het niet kennen. (Zo nemen we) alles weg, om onverhuld die kennisloosheid te kennen die door al het kenbare in alle zijnden omhuld is, en om dat duister te zien dat meer dan zijndheid is en dat door al het licht in de zijnden verborgen is.)

(ibid)

Een agnost zou zeggen:

In dat duister, dat meer dan licht is, te belanden, daarom bidden wij, en om door blikloosheid en kennisloosheid te zien en te kennen wat voorbij aanschouwing is en voorbij kennis, juist door het niet zien en het niet kennen. Alles nemen we weg, om onverhuld die kennisloosheid te kennen die door al het kenbare in alle zijnden omhuld is, en om dat duister te zien dat door al het licht in de zijnden verborgen is.

160. De wolk van niet-weten – een goddelijk lege mystiek

Briefwisseling over de verschillen tussen een mystiek niet-weten en een radicaal niet-weten, een relatief niet-weten en een absoluut niet-weten, een instrumenteel niet-weten en een accidenteel niet-weten, een goddelijke mystiek en een lege mystiek, Ø.

1

Beste Hans,

In paragraaf 3 van hoofdstuk I van het traktaatje Over Mystieke Theologie zegt Pseudo-Dionysius de Areopagiet:

"En dan bevrijdt hij zich ook daarvan, van de dingen die gezien worden en van degenen die zien, en gaat hij het duister van de kennisloosheid in, het werkelijk mystieke, waar hij zijn kennend grijpen laat zwijgen, en belandt hij in het volledig onaanraakbare en onzichtbare, wanneer hij geheel en al behoort aan degene die aan alles voorbij is, en aan niets, niet aan zichzelf en niet aan iets anders, en wanneer hij zich met het volledig onkenbare door de onwerkzaamheid van al zijn kennen op de hoogste wijze vereent en door niets te kennen boven geest kent."

En een stukje verderop:

"In dat duister, dat meer dan licht is, te belanden, daarom bidden wij, en om door blikloosheid en kennisloosheid te zien en te kennen wat boven aanschouwing is en boven kennis, juist door het niet zien en het niet kennen. Want dat is het werkelijk zien en kennen en het bezingen van degene die boven zijndheid is als boven zijndheid; door middel van wegneming van alles wat de zijnden toekomt, zoals degenen doen die een van nature aanwezig beeld tot stand brengen, wanneer ze al het belemmerende dat het zuiver aanschouwen van het verborgene in de weg staat wegnemen en door wegneming alleen de verborgen schoonheid laten verschijnen zoals die op zichzelf is."

Op NietWeten.nl is duisternis een regelmatig terugkerende metafoor voor niet-weten. Zo noem je jezelf onder meer 'een duisterling' en 'verduisterd', en uitdrukkelijk niet verlicht. Doel je daarmee op hetzelfde als Pseudo-Dionysius de Areopagiet met 'het duister dat meer dan licht is'? Wat is volgens jou het verschil tussen de duisternis van de mysticus en de duisternis van de agnost, of komen ze op hetzelfde neer?

2

Beste Jakob,

De beeldspraak van de duisternis loopt als een, um... zwarte draad door de geschiedenis van de christelijke mystiek en komt in meer of minder uitgewerkte vorm voor bij onder meer Gregorius van Nyssa, Pseudo-Dionysius de Areopagiet, Meester Eckhart en Johannes van het Kruis.

Simpel gezegd staat de duisternis bij hen voor een gezochte staat van begrippenloosheid, kennisloosheid, beeldloosheid ten aanzien van zelf en god, die ik hier maar even een mystiek niet-weten zal noemen; dit ter onderscheiding van een radicaal niet-weten, waarvan ik zelf slachtoffer ben en waaraan mijn website is gewijd.

In de mystieke opgang is niet-weten eerst een doel op zich, en vervolgens een middel tot het hoogste doel dat, afhankelijk van de mysticus, neerkomt op het schouwen van god, of, inniger, de vereniging met god of, voorbij schouwen en innigheid, de verening met, het opgaan in god. Het mystieke niet-weten is dus een instrumenteel niet-weten.

3

Daarmee hebben we meteen het belangrijkste verschil met mijn eigen niet-weten te pakken, dat voor mij nooit een doel op zich is geweest, en nooit een middel tot een hoger of het hoogste doel. Ik ben er geen moment op uit geweest tot niet-weten te komen, had er zelfs nog nooit van gehoord toen het me op een dag domweg overkwam.

Gewoontegetrouw naar strohalmen grijpend, viel ik pardoes in de dode zee van niet-weten, en daar dobber ik nog altijd rond. Het hoge zoutgehalte houdt mij drijvende. Niet-weten heeft mijn leven wel volledig op zijn kop gezet, maar daar is het me nooit om te doen geweest.

Het mijne is een ongezocht, onvoorzien en, in het begin, ongewenst niet-weten – een ongeluk of (bij nader inzien) een geluk bij een ongeluk, een subliem geval van serendipiteit. Om het te onderscheiden van het instrumentele niet-weten van de mysticus zal ik het hier maar even een accidenteel niet-weten noemen.

4

De christelijke mysticus gaat de duisternis dus aan en in met een reden: hij hoopt op die manier toegang te krijgen tot (in termen van Pseudo-Dionysius de Areopagiet) 'de volmaakte en enige oorzaak van alles die boven alle bepaling is', 'de drieheid die meer dan zijndheid is en meer dan god en meer dan goed'.

Aangezien de god die de mysticus wil leren kennen boven alle bepaling is, laat hij zich niet kennen met de middelen waarmee we onszelf en de schepselen om ons heen leren kennen: de zintuigen, de rede en de verbeelding. Juist niet; om god te leren kennen moet de mysticus zich, als eerste benadering, van al zijn godsbeelden ontdoen, zintuiglijke zowel als rationele en fantastische. Daarna kan hij de onkenbare alleen nog maar van binnenuit leren kennen door zich zoveel mogelijk aan hem gelijk maken.

Hoe maakt de mysticus zich gelijk aan de god die boven alle bepaling is? Door zichzelf boven bepaling te stellen, in concreto door zich van alle zelfbeelden te ontdoen, net zoals hij zich van al zijn godsbeelden heeft ontdaan. Door zichzelf te ont-kennen, leert hij de onkenbare kennen als zichzelf. Laat ik hier maar meteen bekennen dat ik niet uit ervaring spreek; ik heb de onkenbare niet leren kennen als mezelf, maar mezelf wel als onkenbaar.

Met deze beschrijving hebben we meteen het tweede verschil tussen een mystiek niet-weten en een radicaal niet-weten te pakken: het eerste is relatief in de zin van begrensd, ingebed in een context van kennis die niet ter discussie staat, het tweede absoluut in de zin van onbegrensd, zonder inbedding of context, zonder uitzondering.

Het relatieve niet-weten van de mysticus blijft immers beperkt tot het ik en de allerhoogste; hij hoeft zich 'alleen maar' te ontdoen van zijn zelfbeelden en godsbeelden. Alle andere denkbeelden in de beeldentuin van zijn geest, zoals mensbeelden, wereldbeelden en ideaalbeelden blijven in principe (en voor zover ik kan nagaan ook in de praktijk) ongemoeid.

5

Relatief niet-weten, waarvan mystiek niet-weten een instantie is, laat zich omschrijven als 'dít niet weten of dát niet weten'; absoluut niet-weten, dat geen andere instanties kent dan zichzelf, laat zich zelfs niet omschrijven als 'niets weten, dit ook niet'. Het is een toestand van totale agnose.

In de praktijk blijkt de mysticus zich zelfs niet van zijn zelfbeelden en godsbeelden te ontdoen; er blijft steeds iets over, er wordt altijd iets voor in de plaats gesteld. God mag dan wel voorbij alle bepaling zijn, en zelfs voorbij zijn en niet-zijn, maar zijn bestaan-voorbij-alle-bepaling-en-zelfs-voorbij-zijn-en-niet-zijn is boven alle twijfel verheven.

Dit onwrikbare uitgangspunt valt buiten het oculair van het mystieke niet-weten. Dat kan ook niet anders, want zonder god kan er ook geen weg naar god zijn, waardoor de hele mystieke opgang in het water zou vallen, of God verhoede, in de zee van niet weten.

Niet alleen staat Zijn bestaan buiten kijf, de Onkenbare blijkt bij nader inzien nog heel wat kenmerken te hebben. Ik ken tenminste geen enkele beschrijving van een christelijke mystieke ervaring waarin god geen eigenschappen toegedicht krijgt. Zo blijft hij voor de meeste mystici zelfs in de peilloze diepten van de rechtstreekse ervaring de schepper, de eerste oorzaak, de ene, de allerhoogste, de oneindige, de alomtegenwoordige, de almachtige, de alwetende, de alziende, de onveranderlijke, de drieheid, de Christus, het Goede (Pseudo-Dionysius), het Zijn (Eckhart), de minne (Hadewijch) et cetera.

Ik ken ook geen enkele zelfbeschrijving van een mysticus waarin deze zich van alle zelfbeelden heeft ontdaan. De godzoeker blijkt keer op keer uit een keur van onderdelen en vermogens te bestaan, meestal de wil, het verstand, het geheugen, geest, ziel en lichaam, die op verschillende manieren worden ingezet en opgevoerd en omgeleid en uitgeschakeld omwille van de mystieke opgang.

6

Jakob: Als ik je goed lees is het mystieke niet-weten voor jou een gemankeerd niet-weten.

Hans: Voor de agnost is de nachtmysticus een gestrande pelgrim die de hypostase van de onkenbare god aanziet voor niet-weten. Voor de mysticus is de agnost een gestrande pelgrim die de wachtkamer van niet-weten aanziet voor de hemel.

Jakob: En die agnost, dat ben jij.

Hans: Ik zou het echt niet weten.

Jakob: Het is anders je eigen woord.

Hans: Misschien ben ik wel een agnostische mysticus.

Jakob: Wat is dat nou weer.

Hans: Voor veel christelijke mystici loopt de weg naar god door de wolk van niet-weten, wat niet voor niets de titel is van een mystiek traktaatje van een anonieme Engelse auteur uit de middeleeuwen. De mysticus gaat de wolk van niet-weten in door alles wat hij over zichzelf en over god meent te weten overboord te zetten.

Nou, dat heb ik ook gedaan of ondergaan. Ik heb mijzelf en god volledig uitgehold, kon tenminste ten aanzien van de een noch de ander bij nader inzien ook maar iets vinden waarvoor ik mijn hand in het vuur durfde steken, zelfs niet ons niet-zijn.

Ik heb dus precies gedaan of ondergaan wat christelijke mystici al tweeduizend jaar van harte aanbevelen. Alleen niet vanwege hun aanbevelingen, want ik wist in de tijd waarover ik nu spreek bijna niets van mystiek. Onbedoeld heb ik gedaan of ondergaan wat zij aanbevelen, en ben daarbij tot het gaatje gegaan, en erdoorheen, want mijn beeldenstorm beperkte zich niet tot mezelf en god, maar hield meedogenloos huis (en blijft maar huishouden) onder ál mijn denkbeelden.

7

Weet je wat nou zo gek is? Als je werkelijk de wolk van niet-weten binnengaat en daarbij werkelijk al je denkbeelden over jezelf en over god achterlaat, vind je jezelf helemaal niet terug in de wachtkamer voor de hemel, duimend en duimen draaiend tot de onkenbare god zich eindelijk een keer laat kennen. Ik tenminste niet.

Daar, in die wolk van niet-weten, blijkt helemaal geen wachtkamer te zijn. Er blijken bij gebrek aan denkbeelden om ze te wekken ook helemaal geen verwachtingen te zijn. Er is daar geen hans meer om ze te koesteren en geen god meer om op te wachten. Die denkbeelden (wachtkamer, verwachtingen, hans, god) vallen allemaal weg bij het binnengaan van de wolk van niet-weten.

Waar geen hans is en geen god, is ook geen afstand tussen hans en god en ook geen overbruggen van de afstand tussen hans en god en ook geen schouwen door hans van god en ook geen innige vereniging van hans en god tot hansgod en ook geen opgaan van hans in god of een opgaan van god in hans.

In de wolk van niet-weten is geen god en geen eenheid en geen liefde en geen zijn en geen schepping, dus ook geen god die eenheid is en ook geen god die liefde is en ook geen god die zijn is en ook geen god de schepper.

In de wolk van niet-weten is geen god, dus ook geen weg naar god, dus ook geen instrumenteel niet-weten – maar ook geen accidenteel niet-weten en geen mystiek niet-weten en geen relatief niet-weten en geen absoluut niet-weten of welk niet-weten of wel-weten dan ook.

In de wolk van niet-weten is geen ziel en geen aangeraakt worden in de ziel en geen donkere nacht van de ziel en geen einde van de donkere nacht van de ziel.

In de wolk van niet-weten is zelfs geen wolk van niet-weten, dus ook geen binnengaan van de wolk van niet-weten en geen verblijven in de wolk van niet-weten en geen verlaten van de wolk van niet-weten.

In de wolk van niet-weten ben je buutvrij en is er niets meer te doen of na te laten. Dat noem ik agnose.

8

Jakob: Dit lijken mij eerder de woorden van een atheïst dan van een mysticus. Of van een agnosticus, een nihilist, een non-dualist misschien?

Hans: In de wolk van niet-weten is geen theïsme, geen atheïsme, geen agnosticisme, geen nihilisme en geen agnose.

Daar is geen god, geen niet-god en geen goddeloosheid.

Er is geen waarheid en geen ontbreken van waarheid, geen zekerheid, geen twijfel en geen onzekerheid, geen geloof en geen ongeloof.

Er is geen dualisme, geen non-dualisme, geen dualiteit, geen non-dualiteit, geen pluraliteit, geen eenheid en geen leegte.

Moet ik doorgaan? Welke begrippen, welke postulaten, welke afleidingen, welke redeneringen, welke logica, welke rede, welk verstand, welke meningen, welke overtuigingen, welke voorstellingen, welke gedachten, welke wegen, welke doelen, wou je op welke wijze meesmokkelen de wolk van niet-weten in?

Jakob: Geen atheïsme of non-dualisme dan, en ook niks anders. Maar het lijdt geen twijfel dat jij god weggooit. Dat lijkt me een essentieel, om niet te zeggen fataal verschil met Dionysius. Die is er niet op uit zich van god te ontdoen, hij is eropuit zich van alle bepalingen van god te ontdoen om hem volledig recht te doen.

Hans: De wolk van niet-weten ingaan is geen kwestie van god weggooien. Het is een kwestie van godsbeelden weggooien, zonder uitzondering. Nogmaals, dat is niet mijn idee; het is het dringende advies van een heleboel (christelijke) mystici, waaronder Pseudo-Dionysius.

Wie na het weggooien een transcendente god overhoudt, heeft zijn werk niet goed gedaan.

Hij heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid.

Wie na het weggooien een immanente god overhoudt, heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid.

Wie na het weggooien een beeldloze god overhoudt, heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid.

Wie na het weggooien een beeld van niet-god overhoudt, heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid.

Zelfs het weggooien van alle godsbeelden impliceert, als weg naar god, nog steeds een beeld van God, die zich immers laat bepalen als degene die langs deze weg benaderd kan worden. Weg ermee.

9

Jakob: Sorry dat ik zo aandring, maar wat is hier in godsnaam nog mystiek aan? Is de wolk van niet-weten niet gewoon leeg? Of moet ik niet-weten soms zien als de mystiek van de lege god? Of leger nog, als een mystiek van de leegte?

Hans: Nee, geen mystiek van de lege god. De lege god is nog steeds een godsbeeld. Ook geen mystiek van de leegte. De leegte is nog steeds een godsbeeld.

Jakob: Wat dan wel.

Hans: Wat dacht je van lege mystiek?

Jakob: Dat zou jou een lege mysticus maken.

Hans: Alleen maar bij wijze van spreken.

Jakob: Niet in werkelijkheid?

Hans: Niet in de wolk van niet-weten.

Jakob: Die ook al niet bestaat.

Hans: Niet in de wolk van niet-weten.

Jakob: Sorry dat ik zo aandring...

Hans: 'Maar wat is hier in godsnaam nog mystiek aan?'

Jakob: Ik wou het niet nogmaals vragen.

Hans: 'Mystiek' is afgeleid van het Griekse mustikos: geheimzinnig. De donkere wolk van niet-weten onttrekt alles aan het zicht. Niet alleen god maar ook niet-god en de dingen en mijzelf en zichzelf. Ik tast volledig in het duister en niets laat zich raden. Kan het geheimzinniger?

161. De keerzijde van de unio mystica

Monnik: Hoe heet de mystieke vereniging met de Onveranderlijke ook alweer?

Meester: De mystieke vereniging met de Onveranderlijke, dacht ik.

Monnik: In het Latijn, bedoel ik.

Meester: Rigor Mortis.

162. Twee manieren om stralend wit te worden

Monnik: Wat staat degene te wachten die erin slaagt de Allerhoogste te aanschouwen?

Meester: Een transfiguratie, dacht ik.

Monnik: Een hoopvolle gedachte. Waarin eigenlijk?

Meester: Een zoutpilaar.

163. Deconstructie van het negatieve godsbeeld van Pseudo-Dionysius de Areopagiet

1

Beste Hans,

Het is alweer even geleden dat ik iets van me heb laten horen.

Een van de dingen die is blijven hangen uit onze vorige correspondentie is jouw suggestie dat christelijke mystici misschien niet ver genoeg gingen in het uithollen van hun God.

Ik vermoed dat je na zorgvuldige lezing van capita IV en V van Over Mystieke Theologie van Pseudo-Dionysius de Areopagiet (Ben Schomakers 2002, pagina 19-21) wel anders zult piepen:

IV

"En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; en niet op een plaats is; en niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; en ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; en ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; en dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; en niet licht ontbeert; en zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit."

V

"En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat zij niet ziel is en niet geest, en zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft, en zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; en zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; en ook niet dat zij vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; en dat zij niet leeft en niet leven is; en zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; en dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis, en zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid, en niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; en dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; en zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; en dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al."

Ik zie niet in hoe je dit nog zou kunnen overtreffen, Hans. Bovendien lijkt deze tekst in stilistisch opzicht sprekend op een dwaaltekst.

Hans: Piep.

Jakob: Zei ik het niet?

2

Hans: Ja, dit is een schoolvoorbeeld van negatieve theologie, maar een dwaaltekst is het niet. Ik zal uitleggen waarom.

Kenmerkend voor een dwaaltekst is dat hij zich niet uitspreekt, tenzij om tegenwicht te bieden.

Om te voorkomen dat een dwaaltekst bezwijkt onder zijn eigen tegenwicht biedt hij ook daaraan tegenwicht tot de zaak weer in balans is en er per saldo niets uitgesproken blijft.

Mijn dwaalteksten lijken daarom hoogstens zwijgend maar zeker niet sprekend op de negatieve theologie van Dionysius.

Om te kunnen zien wat de negatieve theologie van Dionysius inhoudt, moet je vooral op de beginregels van hoofdstuk IV en V letten.

Daar staat: 'En zo spreken wij uit dat...' respectievelijk 'En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat...' Dionysius is zich aan het uitspreken over 'de oorzaak van alles'.

Om dit uitspreken te benadrukken, zal ik het inlassen na iedere puntkomma. Ook zal ik voor de leesbaarheid na iedere puntkomma een nieuwe alinea beginnen.

IV'

En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is;

We spreken uit dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft.

We spreken uit dat zij niet op een plaats is.

We spreken uit dat zij niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat.

We spreken uit dat zij ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is.

We spreken uit dat zij ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële.

We spreken uit dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke.

We spreken uit dat zij niet licht ontbeert.

We spreken uit dat zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

V'

En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat zij niet ziel is en niet geest.

We spreken uit dat zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft.

We spreken uit dat zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken.

We spreken uit dat zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid.

We spreken uit dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert.

We spreken uit dat zij ook niet vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht.

We spreken uit dat zij niet leeft en niet leven is.

We spreken uit dat zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd.

We spreken uit dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis.

We spreken uit dat zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid.

We spreken uit dat zij niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent.

We spreken uit dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis.

We spreken uit dat zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid.

We spreken uit dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen.

Want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.

Zie je nu hoeveel er uitgesproken wordt door Dionysius?

3

Jakob: Maar hij spreekt toch ontkenningen uit? Hij neemt bepalingen weg. Uiteindelijk beweert hij niets behalve dat de volmaakte en enige oorzaak boven alle bepaling en zelfs boven alle wegneming is.

Hans: Ontkenningen zijn net zo goed bepalingen. Ze drukken nog altijd een weten uit.

Als ik zeg 'Mijn haarkleur is boven alle bepaling', zeg ik misschien niet veel maar toch wel iets, bijvoorbeeld dat mijn haar niet duidelijk zwart of bruin of rood of blond is.

Als ik zeg 'Mijn haar is niet zwart', zeg ik zo mogelijk nog minder, maar nog altijd meer dan niets. In ieder geval meer dan wanneer ik zeg 'Ik spreek niet uit welke kleur mijn haar heeft'.

Ook deze laatste zin is informatiever dan je op het eerste gezicht zou denken. Zo suggereert hij dat er een bestendige ik is die haar heeft met een kleur waarover voornoemde ik om niet nader genoemde redenen weigert te spreken.

Om van hoofdstuk IV en V een dwaaltekst te maken moeten we om te beginnen de mantra 'We spreken uit dat...' vervangen door 'We spreken niet uit dat...'

Omdat ik niet voor anderen wil spreken, maak ik ervan: 'Ik spreek niet uit dat...'

Omdat ik dat wat omstandig vind, maak ik ervan: 'Ik zeg niet dat...'

Waarom zeg ik niet? Omdat ik niet weet.

Wanneer weet ik niet? Op het moment van zeggen (in dit geval schrijven) niet.

Hoe stel ik dat vast? Eerlijk gezegd stel ik het helemaal niet vast, dat gebeurt vanzelf. Maar hoe dan?

Stel je voor dat je je telkens wanneer je wat denkt of hoort of leest of zegt, afvraagt of je daarvoor je hand in het vuur zou steken.

Of je er vergif op zou innemen.

Of je je leven ervoor zou geven of alles wat je dierbaar is.

En dat je dan zonder eerst allerlei boeken of autoriteiten of vrienden of je innerlijke goeroe of je geweten of je hart te raadplegen, spontaan 'Nee!' roept.

Zonder meer, keer op keer.

Maar niet met zoveel woorden, ook niet met minder woorden, helemaal niet met woorden maar voorbewust, impliciet, zonder enige inspanning, intentie of regie jouwerzijds, net als spijs verteren of menstrueren of (re)laxeren of het circuleren van het bloed dat jou in leven houdt maar niet door jou in leven gehouden hoeft te worden.

Zoiets moet je je voorstellen bij het levende niet-weten dat ten grondslag ligt aan het levende niet-spreken dat niets inhoudt en niets achterhoudt.

Waar was ik. O ja:

IV''

En zo zeg ik niet dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is.

Ik zeg niet dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft.

Ik zeg niet dat zij niet op een plaats is.

Ik zeg niet dat zij niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat.

Ik zeg niet dat zij ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is.

Ik zeg niet dat zij ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële.

Ik zeg niet dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke.

Ik zeg niet dat zij niet licht ontbeert.

Ik zeg niet dat zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

V''

En wanneer ik dan verder stijg, zeg ik niet dat zij niet ziel is en niet geest.

Ik zeg niet dat zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft.

Ik zeg niet dat zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken.

Ik zeg niet dat zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid.

Ik zeg niet dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert.

Ik zeg niet dat zij ook niet vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht.

Ik zeg niet dat zij niet leeft en niet leven is.

Ik zeg niet dat zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd.

Ik zeg niet dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis.

Ik zeg niet dat zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid.

Ik zeg niet dat zij niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent.

Ik zeg niet dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis.

Ik zeg niet dat zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid.

Ik zeg niet dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen.

Want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.

4

Je ziet, ik beweer hier al heel wat minder dan Dionysius met zijn negatieve theologie ooit zou kunnen of willen.

Het wordt steeds negatiever en steeds minder theo-logisch.

Of met een toespeling op de titel van Dionysius' traktaatje: het wordt steeds mystieker (in de etymologische zin van geheimzinniger, verborgener) en steeds minder theologisch.

Maar een dwaaltekst is het nog niet.

Om te beginnen bevalt het me niks dat ik door het parafraseren van Dionysius gedwongen wordt halve uitspraken te doen.

De zin 'Ik zeg niet dat mijn haar zwart is' wekt bij de lezer wellicht het vermoeden dat mijn haar niet zwart is.

Om die gedachte in de kiem te smoren, maak ik ervan: 'Ik zeg niet dat mijn haar zwart is; ik zeg ook niet van niet.'

Verder eindigt de ene zin van hoofdstuk V met de verklaring 'want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.'

Deze verklaring valt buiten het bereik van Dionysius' 'spreken wij uit dat...' uit de beginregel van V, dus ook buiten het bereik van mijn parafrase 'ik zeg niet dat...', en moet daarin expliciet opgenomen worden.

Ziehier het resultaat van deze twee ingrepen:

IV'''

En zo zeg ik niet dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet op een plaats is; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet licht ontbeert; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit; ik zeg ook niet van niet.

V'''

En wanneer ik dan verder stijg, zeg ik niet dat zij niet ziel is en niet geest; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij ook niet vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet leeft en niet leven is; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat de volmaakte en enige oorzaak van alles boven alle bepaling is; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al boven alle wegneming is; ik zeg ook niet van niet.

5

Is het nu eindelijk een dwaaltekst? Op zinsniveau wel, op woordniveau nog niet.

Op zinsniveau al wel omdat mijn laatste parafrase geen stellingen meer bevat (anders dan het ont-stellende performatief 'Ik zeg niet dat...').

Op woordniveau nog niet, omdat door de woordkeus aan het begin van IV en het eind van V de indruk wordt gewekt dat er wel degelijk zoiets is als 'de oorzaak van alles, die boven alles is' (eerste regel van IV), oftewel 'de volmaakte en enige oorzaak van alles' en 'dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al' (eerste regel van V).

Zou ik daarvoor mijn hand in het vuur steken? Ik kijk wel linker uit.

Of voor het tegendeel? Mij niet gezien.

Daarom moet ik ten minste aan het eind van V nog een ontzegging toevoegen van de volgende strekking:

Ik zeg niet dat er zoiets is als de oorzaak van alles die boven alles is, of de volmaakte en enige oorzaak van alles; ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat er iets is dat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al; ik zeg ook niet van niet.

Dan nóg ben ik niet tevreden, want mijn laatste parafrase zit tjokvol Dionysische hypostasen – denkbeelden waarvan het bestaan en de aard voor mij helemaal niet vaststaan, zoals oorzaak, zijndheid, lichaam, geest, houding, vorm, kwaliteit, kwantiteit, massa, plaats, zintuig, ordeloosheid, aandoening, licht, verandering, vergaan, deling, beroving, vervloeiing, ziel, voorstelling, mening, woord, begrip, aantal, ordening, grootte, kleinheid, gelijkheid, ongelijkheid, gelijkendheid, ongelijkendheid, rust, beweging, vermogen, leven, eeuwigheid, tijd, kennis, waarheid, majesteit, wijsheid, eenheid, godheid, goedheid, Geest, zoonschap, vaderschap, zijnde, dwaling, bepaling, en wegneming.

Misschien vind je dit wat overdreven, maar de vraag of woorden corresponderen met iets werkelijks is een fundamentele, die in het boeddhisme inspireerde tot de sleutelbegrippen leegte (sunyata) en afhankelijk ontstaan (pratitya samutpada), in de scholastiek tot het nominalisme en in de twintigste eeuw tot de analytische wijsbegeerte en het postmodernisme.

Om de gevaren van ongefundeerd substantialistisch denken te bezweren, zou ik nog meer ontzeggingen aan mijn parafrase moeten toevoegen in de trant van:

Ik zeg niet dat er zoiets is als oorzaak, ik zeg ook niet van niet.

Ik zeg niet dat er zoiets is als zijndheid; ik zeg ook niet van niet.

Je snapt de bedoeling dus ik zal je de moeite van het lezen en mezelf de moeite van het schrijven besparen.

Ik hoop dat ik met deze demonstratie (transformatie, deconstructie) het verschil tussen een negatief theologische tekst en een dwaaltekst een beetje duidelijk heb kunnen maken.

Uitspreken of uitgesproken zijn, daar komt het op neer.

'Hé, moet je horen!' of 'Stil eens.' 'Pst' of 'Sst'.

6

Jakob: Wat is volgens jou de relatie tussen negatieve theologie, mystiek en niet-weten?

Hans: Een zuiver negatieve theologie kan nooit mystiek zijn, precies omdat ze zich zo compleet mogelijk uitspreekt over god, al is het dan maar apofatisch.

Een zuivere dwaaltekst kan nooit theologisch zijn, precies omdat hij zich nergens over uitspreekt, ook niet over god.

In mijn beleving zijn dwaalteksten echter net zo mystiek als het leven zelf, in de zin van zonderling en wonderlijk, volkomen ondoorgrondelijk.

Mystieker kan eigenlijk niet, omdat ze werkelijk alles te raden overlaten – net als de dingen en de levende wezens, net als het leven zelf.

Wat mij betreft is een radicaal niet-weten niets anders dan mystiek in de oorspronkelijke zin van het woord.

De mystiek van niet-weten of een mystiek niet-weten of een niet-wetende mystiek of gewoon een lege mystiek, Ø, zonder God, zonder niet-God en zelfs van leegte ontledigd.

Of dit een verrijking of een verarming is van mystiek in de conventionele zin van het woord, of van niet-weten in de conventionele zin van het woord, mag iedereen voor zichzelf uitmaken.

Als we de positieve, beschrijvende theologie ('God is groot, God is goed, God is liefde') er ook nog even bij halen, dan kan ik de verschillen bondig uitdrukken met drie triaden:

Positieve theologie : negatieve theologie : lege mystiek ≈ ja : nee : tja ≈ uitspreken : tegenspreken : vrijspreken ≈ these : antithese : parenthese.

Lees: positieve theologie staat tot negatieve theologie staat tot lege mystiek als ja staat tot nee staat tot tja of als uitspreken staat tot tegenspreken staat tot vrijspreken of als these staat tot antithese staat tot parenthese (de wereld tussen haakjes). Het golvende is-teken betekent 'is ongeveer'.

Jakob: Jemineetje zeg. Moet alles dan echt helemaal uitgeschreven worden? Is dit wat je onder stilte verstaat?

Hans: Geen enkele uitspraak doen met alle woorden die nou eenmaal nodig zijn om een voorafgaande gedachte, uitspraak of tekst compleet te ontmantelen – dat is wat ik onder stilte versta. Op die manier het vanzelfsprekende weer vanzelfzwijgend maken. Herraadselen.

Daarbij geldt: hoe woordiger het origineel, hoe woordiger de weerspraak. Eigen schuld, dikke bult; had je maar niet over Pseudo-Dionysius moeten beginnen.

Jakob: Als het je bedoeling was te overtuigen of te overdonderen dan is het niet gelukt.

Hans: Alles helemaal uitschrijven doe ik niet om te overtuigen of te overdonderden, maar om iets van de kick, de roes, de trance, de vreugde, de gelukzaligheid, de zielsverrukking – iets van het gevoel van oneindige ruimte en lichtheid en luchtigheid en vrijheid en vrede op te wekken waarmee een almaar niet uitspreken als uitdrukking van een almaar niet weten gepaard gaat.

Voor mij bestaat de wolk van niet-weten uit lachgas. Heb je er ten minste een vleugje van opgesnoven of was het voor jou allemaal even slaapverwekkend? In het laatste geval is het nog altijd goede bedlectuur, troost ik mij.

Slaap zacht.

164. Verder van huis is waar Hij woont

'Hoe kan ik de Onkenbare vinden, Hans?'

'Door niet vinden?'

'Ik bedoel, hoe kan ik Hem leren kennen?'

'Door niet kennen?'

'Maar hoe weet ik dan dat Hij het is?'

'Door niet weten?'

'Je wordt bedankt.'

'Waarvoor?'

'Nou ben ik nog verder van huis.'

'Misschien is dat wel waar hij woont.'

'Hoe weet ik of Hij daar woont?'

'Doordat je hem daar niet kan vinden?'

165. Het enige universele geloof is het geloof in onze gedachten

Geloof je dat?

1

'Geloof jij in een universele religie, Hans?'

'Och.'

'Of ten minste in een gemeenschappelijke kern?'

'Een gemeenschappelijke kern weet ik niet, maar wellicht een gemeenschappelijke basis.'

'Wat is het dat alle religies volgens jou gemeen hebben?'

'Alle religies weet ik niet, maar wellicht alle gelovigen.'

'Wat is het dat alle gelovigen gemeen hebben?'

'Vergeet de ongelovigen niet.'

'Wat is het dat wij allen gemeen hebben?'

'Het geloof in onze gedachten.'

2

'Ik had gehoopt op een universeel dogma.'

'Dit gaat dieper.'

'Hoezo?'

'Het geloof in onze gedachten is de grondslag van ieder dogma.'

'En van iedere religie, neem ik aan.'

'En van iedere filosofie.'

'En van iedere theorie.'

'En van ieder oordeel.'

'En van iedere mening.'

'En ga zo maar door.'

3

'Dus het geloof in onze gedachten gaat overal aan vooraf.'

'Geloof je dat?'

'Verdraaid.'

'Geeft niks.'

'Maar we zouden wat minder geloof aan onze gedachten moeten hechten.'

'Geloof je dat?'

'Verdraaid.'

'Geeft niks.'

'Maar jij gelooft je gedachten niet meer.'

'Geloof je dat?'

'Verdraaid.'

'Geeft niks.'

'Dan weet ik het ook niet meer.'

'Geloof je dat?'

'Verdraaid.'

'Geeft niks.'

166. Geen groter geloof dan groot ongeloof

Hoe je je denkruimte ruim houdt

Wie zijn gedachten niet gelooft, deze ook niet, is geen theïst, geen atheïst en geen agnosticus.

Hij is niet in God en hij is niet buiten God.

Zelfs als hij kleur bekent, zoals ik nu, bekent hij geen kleur, want wie zijn gedachten niet gelooft, deze ook niet, is zo kleurloos als de lege geest, Ø, en zo leeg als de lege leer, Ø.

Zijn God is ruimer dan het ruimste godsbeeld.

Zijn Boeddha is ruimer dan het ruimste boeddhabeeld.

Hijzelf is ruimer dan het ruimste zelfbeeld.

Zijn God en zijn Boeddha en hijzelf zijn ruimer dan het ruimste denkbeeld, ruimer dan het ruimste mensbeeld, ruimer dan het ruimste wereldbeeld, ruimer dan het ruimste zinnebeeld en ruimer dan het ruimste wensbeeld.

Dat kan niet anders, want een Groot Ongelovige is, zolang zijn ongeloof voortduurt, niet in staat die ruimte in te vullen met welk beeld ook, anders dan het lege denkbeeld, Ø, of er zelfs maar een naam aan te geven, anders dan de lege naam, Ø.

Voor een groot ongelovige is er geen groter god dan de lege god van niet-weten, Ø.

Voor een groot ongelovige is er geen groter boeddha dan de lege boeddha van niet-weten, Ø.

Voor een groot ongelovige is er geen groter ziel dan de lege ziel van niet-weten, Ø.

Voor een groot ongelovige is er geen groter zelf dan het lege zelf van niet-weten, Ø.

Voor een groot ongelovige is er geen groter tao dan de lege tao van niet-weten, Ø.

Voor een groot ongelovige is er geen groter leegte dan de leegte van niet-weten.

Voor een groot ongelovige is er geen groot ongeloof, geen leegte en geen niet-weten.

Want alleen zonder groot ongeloof, zonder leegte en zonder niet-weten blijft zijn God ruimer dan het ruimste godsbeeld, zijn Boeddha ruimer dan het ruimste boeddhabeeld en hijzelf ruimer dan het ruimste zelfbeeld.

Alleen zo blijft zijn denkruimte leeg.

Alleen zo blijft zijn ongeloof groot.

Vandaar dat ik zeg: wie zijn gedachten niet gelooft, deze ook niet, is geen theïst, geen atheïst en geen agnosticus.

Hij is niet in God en hij is niet buiten God.

Zelfs als hij kleur bekent, zoals ik nu, bekent hij geen kleur, want wie zijn gedachten niet gelooft, deze ook niet, is zo kleurloos als de lege geest, Ø en zo leeg als de lege leer, Ø.

167. De wederkomst van Jezus

(Even geduld a.u.b.)

Afbeelding: houten kruis met een briefje erop met de tekst 'Zo terug'. Bijschrift: Het lege kruis.

168. Angelus Silesius en de rozen zonder waarom

Beste Hans,

Ben jij bekend met het prachtige kwatrijn De roos zonder waarom van de mystieke Duitse dichter Angelus Silesius?

Die Ros ist ohn warum,
sie blühet, weil sie blühet.
Sie acht nicht ihrer selbst,
fragt nicht, ob sie siehet.

(De roos kent geen waarom,
ze bloeit omdat ze bloeit.
Zij let niet op zichzelf
en vraagt niet of ze ziet.)

Volgens mij drukt dit gedicht precies de houding van niet-weten uit waar jij over schrijft. Een 'leven zonder waarom' (Meester Eckhart).

Een leven waarin het impertinente denken, dat zo graag grenzen trekt maar zijn eigen grenzen niet kent, voorgoed op zijn plaats is gezet.

Want, om Gottfried Wilhelm Leibniz te parafraseren: niet hóe de dingen zijn is het wonder maar dát ze zijn.

Beste Ludo,

'Waarom' kent geen waarom,
het bloeit omdat het bloeit.
Het gaat gewoon zijn gang
en weet zich niet geboeid.

169. Vuur met vuur bestrijden

'Wat is het dat we met onze metaforen proberen uit te drukken?'

'Klinkt als een retorische vraag.'

'Zo is het ook bedoeld, Hans.'

'Geef dan maar een retorisch antwoord.'

'God. De Bron. Het Ene. Het Onzegbare. Het Mysterie. Het Numineuze. Het Absolute. Het Oneindige.'

'Alsof dat geen metaforen zijn.'

'Wat proberen we dan uit te drukken?'

'Misschien wel onze metaforen.'

'Met onze metaforen proberen we onze metaforen uit te drukken?'

'Vuur met vuur bestrijden. Peuken met asbakken.'

'Stel je voor.'

'Wat?'

'Hoe stil het dan zou worden.'

'Was het maar zo simpel.'

'Misschien is dat wel wat we met onze metaforen proberen uit te drukken.'

'Wat?'

'De stilte.'

'Mislukt.'

170. Een dwaalweg is geen zonde en een omweg geen rotonde

'Gooi alles weg, Hans, en wat je overhoudt is God.'

'Zolang je nog wat overhoudt heb je niet alles weggegooid.'

'Gooi alles weg en je vindt het niets?'

'Gooi het niets weg, wat hou je over?'

'Een onzinnige vraag, als je het mij vraagt.'

'Het weggooien natuurlijk.'

'Weggooien is het enige wat overblijft?'

'Weggooien is het laatste dat je weggooit.'

'En dan ben je eindelijk alles kwijt?'

'En dan heb je eindelijk alles terug.'

171. Op de vleugels van de wind

'Gods wegen zijn wonderbaarlijk, Hans.'

'Ik weet zelfs niet waar ze liggen.'

'Wie kan het oneindige bevatten.'

'Wiskundigen zijn daar heel goed in.'

'Ik heb het over het numineuze.'

'Even mijn woordenboek pakken.'

'Het leven is één groot mysterie.'

'Dan zou je dat ook niet weten.'

'Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen.'

'Ik schrik me een hoedje.'

'Waarom?'

'Dat is de langste zin die ik je in tijden heb horen uitspreken.'

'Romeinen 11:33.'

'Ja, die wisten wel waar Abraham de mosterd haalt.'

'De wind is heel snel en behendig: je weet niet vanwaar hij komt en waar hij heen wil. Deze wind is de allerinnerlijkste mens, de verborgen, hoogste mens, naar Gods beeld en godvormig. Die gaat ver boven alle begrip uit en boven alles wat we met ons werkende verstand kunnen bedenken. Op de vleugels van de wind wiekt de geest steeds boven zichzelf uit, hoger dan ooit een adelaar opvloog in de richting van de liefelijke zon of het vuur opsteeg naar de hemel: zo wiekt de geest op naar de goddelijke duisternis, zoals Job zei: Zo is voor de mens de weg verborgen en is gehuld in duisternis; op naar de duisternis van de onbekendheid van God, daar waar Hij is boven alles wat men Hem kan toeschrijven, daar waar Hij naamloos, vormloos, beeldloos is boven alle zijnswijzen en boven al het zijn uit.'

'Amen.'

'Aldus de veertiende-eeuwse Rijnlandse mysticus Johannes Tauber.'

'En dat ken jij uit je hoofd?'

'Voor mij zijn het tijdloze woorden.'

'Andermans woorden.'

'Woorden zijn woorden.'

'En wat bedoelt de veertiende-eeuwse Rijnlandse mysticus Johannes Tauber daar volgens jou mee?'

'Ik...'

'Nou?'

'Het leven...'

'Ja?'

'Hoe onbegrijpelijk...'

'Wat?'

'Bescheidenheid siert de mens die...'

'Ga door.'

'In het aangezicht van...'

'Toe dan.'

'Hier past alleen...'

'Komt er nog wat van?

'Ik doe mijn best.'

'Volgens mij bedoel je gewoon dat je niks van het leven snapt.'

'Uh...'

'Of niet soms.'

'Daar kon je weleens gelijk in hebben.'

'Zeg dat dan meteen.'

172. De negatieve weg gaat nergens heen

'Waartoe zijn wij volgens jou op aarde?'

'Om het goddelijke in onszelf te ontdekken.'

'Hoe moeten wij volgens jou het goddelijke benaderen?'

'Het goddelijke laat zich alleen langs de via negativa benaderen.'

'Langs de wat?'

'De negatieve weg. Niet dit, niet dat. Neti neti.'

'Wat moet ik me daarbij voorstellen?'

'Je geeft een opsomming van allerlei begrippen of tegenstellingen waaraan het onzegbare ongelijk is.'

'Geef eens een voorbeeld.'

'God is liefde noch haat, één noch veel, begrensd noch onbegrensd, persoonlijk noch onpersoonlijk, menselijk noch onmenselijk, bestaand noch onbestaand.'

'Wat is god dan wel?'

'Tja.'

'Is dat wat hij is of weet je het niet?'

'Als ik het wist zou ik de via negativa niet bewandelen.'

'Dus eigenlijk is de via negativa een stijlfiguur om duidelijk te maken dat je iets niet weet?'

'Het is een methode om boven het bekende uit te stijgen.'

'Is "een methode om boven het bekende uit te stijgen" niet gewoon het volgende eufemisme voor "ik weet het eigenlijk niet"?'

'Ik weet het eigenlijk niet.'

'Dat ook al niet?'

'Ik ben bang van wel.'

'Zeg dat dan meteen.'

173. Laat je niet aan de haak slaan

Beste Hans,

Ik heb al heel wat 'dwaalteksten' gelezen, maar ik snap nog altijd niet waar je op uit bent. Vaak zeg je dat je niets te zeggen hebt. Dat wil er bij mij niet in. Je schrijft toch niet voor niets? Bovendien zeg je ook weleens dat je zelfs niet niets te zeggen hebt. Zelfs niet niets is gewoon weer iets, of niet soms. Welk iets?

Bij jou vang je altijd bot. Je zegt jezelf niet als iemand te zien en niet als niemand, niet als iets en niet als niets. Ik kan niet uit de voeten met alleen maar negatieve aanduidingen. Toe nou, zeg eens iets!

Beste Sietse,

Een mysticus gebruikt negatieve uitspraken om het onzegbare te zeggen of het onduidbare te duiden, maar dat is niet het enige wat je ermee doen kan.

Ikzelf gebruik ze om het denken aan de kaak te stellen. De ongelooflijke goedgelovigheid waarmee we voortdurend onze eigen en toegeëigende gedachten bejegenen. Gedachten, zowel bevestigende als ontkennende, over onze persoon, over onze ware aard, over god, over ethiek, over de weg, over de zin van het leven, over het denken, over liefde, mededogen, lijden, geluk, bejegening en goedgelovigheid – over wat dan ook. Nu deze weer.

Als ik zeg dat ik niet iemand en niet niemand ben dan bedoel ik daarmee niet dat 'ik' een illusie is die gekend wordt door het ware zelf of zo, maar dat de persoon Hans van Dam, ooit een vast uitgangspunt van mijn denken, voor mij op losse schroeven is komen te staan, zonder dat er iets voor in de plaats is gekomen.

Ik kan niet heilig geloven in Hans, vorm, ziel, atman, brahman god of zelf, maar ook niet in niet-Hans, leegte, geen-ziel, anatman, parabrahman, niet-zelf of niet-geloven. Ik heb geen idee of dat alleen maar ideeën zijn of namen van realiteiten, terwijl ook het onderscheid tussen idee en realiteit mij bij nader inzien ontglipt.

Laat ik het zo zeggen: hoe groot is volgens jou de kans dat je een vis vangt als je in een pot met pieren zit te hengelen?

Sietse: De geest is een pot met pieren?

Hans: Dan is dit een van die pieren.

Sietse: We moeten ons niet aan de haak laten slaan.

Hans: Ook niet door deze gedachte.

Sietse: Niet-weten is knabbelen, niet bijten.

Hans: Klinkt meer als niet-eten.

Sietse: Hoe zou jij het zeggen?

Hans: Je zit nog steeds te hengelen.

Sietse: Ik denk dat ik maar ga vissen.

Hans: Niet tegen de wind in pissen.

174. Nada! Nada! Nada! Lege mystiek voor een vol hart

Wat zag Jan van het Kruis op de hoogste piek van de berg Karmel? Wat zagen Meester Eckhart, Rumi, Hafiz, Wumen Huikai en Angelus Silesius? 'Nada! Nada! Nada!'

(Deel 1 van een dwaalgesprek in 8 delen over stilte en leegte.)

Nadia: Mag ik je iets vragen over religie?

Hans: Weet wel aan wie je het vraagt.

Nadia: Hoezo?

Hans: Johannes Nicolaas van Dam, exegeet van het lege geloof.

Nadia: Iets over Meester Eckhart.

Hans: Weet wel over wie je wat vraagt.

Nadia: Is Meester Eckhart volgens jou op de top van de berg geweest?

Hans: Volgens mij hield Meester Eckhart zich liever op de vlakte.

Nadia: Ik bedoel, figuurlijk gesproken.

Hans: Als ik nee zeg kun je niet verder, hè?

Nadia: Nee.

Hans: Nou, laten we dan maar even veronderstellen dat hij er geweest is.

Nadia: Wat heeft hij daar aanschouwd volgens jou?

Hans: God, daar vraag je me wat.

Nadia: Je hebt zijn teksten toch onder ogen gehad?

Hans: Jij toch ook?

Nadia: Denk je dat Meester Eckhart daar net als jij de leegte heeft aanschouwd?

Hans: Eerst maar eens vaststellen of ik wel op de top ben geweest en daar de leegte heb aanschouwd.

Nadia: Ben jij op de top geweest en heb je daar de leegte aanschouwd?

Hans: Misschien dat ik, of wie het ook is, als het al iemand is, daarboven, of hier beneden, of waar het ook is, de leegte heb aanschouwd, of aanschouw, of erdoor aanschouwd wordt, of wat het ook is – de lege leer, het lege boek, de lege boodschap, niet-weten – geen idee. Verder kan ik echt niet gaan.

Nadia: En Meester Eckhart?

Hans: Over Meester Eckhart wil ik zwijgen.

175. Dichter bij God door niets te bevestigen: de via negativa

(Deel 2 van een dwaalgesprek in 8 delen over stilte en leegte.)

Nadia: Volgens Meester Eckhart is God de allerhoogste. Hij zegt:

"Hij is boven alle zijn en niet zijn verheven. Hij is boven alle kennis verheven. Hij is boven alle liefde en beminnenswaardigheid verheven. Hij is een leven boven alle leven, een licht boven alle licht, ja, God is boven alle definities verheven."

Hans: Allemachtig.

Nadia: Nou jij weer.

Hans: Hij is boven alle zijn en niet zijn verheven. Wat betekent dat?

Nadia: Dat Hij het zijn en het niet zijn in zich verenigt?

Hans: Niet dat hij is noch niet is?

Nadia: Zou best kunnen, maar wat moet ik me daarbij voorstellen?

Hans: Hij is boven alle kennis verheven. Wat betekent dat?

Nadia: Dat Hij alle kennis en onkunde in zich draagt?

Hans: Niet dat hij kenbaar noch onkenbaar is?

Nadia: Zou best kunnen, maar waar hebben we het dan nog over?

Hans: Hij is boven liefde en beminnenswaardigheid. Wat betekent dat?

Nadia: Dat Hij niet de liefde is? Dat Hij niet beminnenswaardig is? Dat Hij de liefde en haar tegenpool in zich verenigt?

Hans: Niet dat hij niet langs de weg van de liefde benaderd kan worden?

Nadia: Zou best kunnen, maar hoe dan wel?

Hans: Hij is een leven boven alle leven, wat betekent dat?

Nadia: Dat Hij boven leven en dood staat?

Hans: Niet dat hij nergens bij in te delen valt?

Nadia: Zou best kunnen, maar wat is hij dan wel?

Hans: Hij is een licht boven alle licht, wat betekent dat?

Nadia: Dat Hij oogverblindend is?

Hans: Dat wil zeggen, onzichtbaar?

Nadia: Zou best kunnen, maar hoe manifesteert hij zich dan wel?

Hans: Hij is boven alle definities verheven, wat betekent dat?

Nadia: Dat Hij... dat Hij...

Hans: Dat er niets maar dan ook niets over hem te zeggen valt?

Nadia: Jij maakt overal iets negatiefs van!

Hans: Nietes.

Nadia: Welles.

Hans: Ik stel alleen maar vragen.

Nadia: Maar dat staat er toch niet?

Hans: Wat staat er dan wel?

Nadia: Dat Hij hoger is dan alles wat men van Hem kan zeggen. Dat is iets positiefs.

Hans: Is hij dan niet verheven boven positief en negatief? Boven hoog en laag? Boven aards en verheven?

Nadia: Dat... zal haast wel.

Hans: Nou dan.

176. Unwissen, nichtwissen, vergezzen

(Deel 3 van een dwaalgesprek in 8 delen over stilte en leegte.)

Nadia: Oké, ik snap het. Eens kijken wat je hierop te zeggen hebt. Volgens Meester Eckhart is God eeuwig en ongeworden. Hij is de eerste oorzaak van al het geschapene. Hij is puur, helder, onverdeeld één.

Hans: Is hij dan niet verheven boven tijdelijk en eeuwig? Boven ongeworden en geworden? Boven oorzaak en gevolg? Boven helder en troebel? Boven verdeeld en onverdeeld? Boven één, twee, veel, geen?

Nadia: Meester Eckhart zegt ook,

"Hij is een levend, werkelijk bestaand verstand dat zichzelf begrijpt. Hij leeft en is blij dat Hij is – dat is de vreugde van de Heer."

Hans: Is hij dan niet verheven boven werkelijk en onwerkelijk? Boven begrip en onbegrip? Boven blij en droevig? Boven vreugde en verdriet? Boven Hij, Zij en Het?

Nadia: Wat ben jij eenzijdig zeg, met al dat ontkennen.

Hans: En Meester Eckhart eet van twee walletjes.

Nadia: Hoezo?

Hans: Hij duidt Hem en hij duidt Hem niet.

Nadia: Als je dat maar weet.

Hans: Maar in de meeste gevallen duidt hij Hem niet.

Nadia: Het is maar net waar je de nadruk op legt.

Hans: Ik kan ook citeren hoor.

"God is naamloos, want niemand kan iets over hem zeggen of weten. Als ik dus zeg: God is goed, dan is dat niet waar. Als ik zeg: God is wijs – het is niet waar. Als ik zeg: God is zijn – het is niet waar. Als ik zeg: God is niet zijn, het is niet waar. Over God kan men alleen maar zwijgen. Je moet niets over hem willen weten. Als er iets is wat je van hem denkt te kennen, dan is Hij dat niet. Hij is niet hier of daar. Hij is niet dit of dat. Hij is niet beminnenswaardig. Hij is geen geest. Hij is geen persoon. Hij is geen Hij. Hij is geen Het. Hij is op geen enkele wijze begrippelijk. Hij is ook niet nuttig. Wie Hem zoekt voor uiterlijke rijkdom of innerlijke troost zal hem niet vinden. Het hoogste en uiterste wat een mens omwille van God kan loslaten, is God zelf. In de grond van de godheid ontwordt zelfs God. God is de eeuwige afgrond van het goddelijke zijn."

Nou jij weer.

Nadia: Zegt Meester Eckhart?

Hans: Zegt Meester Eckhart.

Nadia: Niet te geloven.

Hans: Zowel de weg naar God als de goddelijke ervaring zelf worden door hem aangeduid met de termen unwissen, nichtwissen en vergezzen.

Nadia: Jezus.

Hans: Volgens Eckhart mag Hij geen naam hebben.

Nadia: Als ik niet beter wist, zou ik zeggen dat hij God hier volledig ontkent.

Hans: Dat zou hij vast ontkennen.

Nadia: Zelfs dát zou hij ontkennen?

Hans: Als ik hem juist inschat.

Nadia: Ik had hem heel anders ingeschat.

Hans: Zo leeg is nou zijn god.

Nadia: Maar waarom noemt hij God dan één, eeuwig en ongeworden?

Hans: Omdat hij in de ban was van het monistische idealisme van Pseudo-Dionysius? Omdat hij mooie eenheidservaringen had? Omdat hij een kind van zijn tijd was? Als concessie aan zijn christelijke gehoor? Om de inquisitie om de tuin te leiden? Omdat hij, net als ik, niks beters wist te verzinnen dan zichzelf voortdurend tegen te spreken? Omdat hij niet anders kon?

Nadia: Tja.

Hans: Ik dacht dat je het nooit zou zeggen.

177. Recht naar het hart door leeg te worden: de via recta

(Deel 4 van een dwaalgesprek in 8 delen over stilte en leegte.)

Nadia: Als je God op geen enkele wijze kunt kennen en als Hij zich ook niet laat beminnen, hoe moet je Hem dan benaderen?

Hans: Volgens Eckhart door jezelf zoveel mogelijk aan hem gelijk te maken. Door hem 'niet-geestelijk' lief te hebben.

Nadia: Hoe doe je dat?

Hans: Zo dat je ziel niet-geestelijk is. Je ziel moet zich losmaken van alle beelden en begrippen. Helemaal leeg worden. Je moet Hem liefhebben zoals hij is.

Nadia: Maar hoe is Hij dan? Wie is Hij dan? Wat is Hij dan?

Hans: Hij is wat jij bent, zegt Eckhart.

Nadia: Wat ben ik dan?

Hans: Het volstrekt onbekende. Niet-god. Niet-geest. Niet-persoon. Niet-beeld. Niet-weten. Leegte.

Nadia: Hoe kom ik tot mezelf?

Hans: Zoals je tot de wereld komt.

Nadia: Hoe kom ik tot de wereld?

Hans: Zoals je tot god komt.

Nadia: Hoe komt ik tot God?

Hans: Zoals je tot jezelf komt.

Nadia: Nou weet ik weer niks.

Hans: Zo kom je tot jezelf.

Nadia: Maar wat betekent dat dan?

Hans: Tot jezelf komen betekent ieder zelfbeeld wissen. Tot de wereld komen betekent ieder wereldbeeld wissen. Tot god komen betekent ieder godsbeeld wissen.

Nadia: Maar waartoe kom je dan nog?

Hans: Nou?

Nadia: Tot het ene, zou ik zeggen. Tot eenheid.

Hans: Alleen als je nog niet alle beelden bent kwijtgeraakt.

Nadia: Dat snap ik niet. Hoe zou er zonder beelden nog onderscheid kunnen zijn?

Hans: Dat snap ik niet. Hoe zou er zonder beelden nog eenheid kunnen zijn?

Nadia: Want eenheid is een beeld?

Hans: Wat anders?

178. De hoogste poëzie

(Deel 5 van een dwaalgesprek in 8 delen over stilte en leegte.)

Nadia: Waarom zegt Meester Eckhart dan: "Je moet aan jouw jij-zijn ontzinken en in zijn hij-zijn wegvloeien, en jouw 'jij' moet in zijn 'hij' een 'mijn' worden"?

Hans: Wat zegt hij daar volgens jou?

Nadia: Dat ik Hem moet worden?

Hans: En wat is Hij?

Nadia: Het volstrekt onbekende?

Hans: En wat ben jij?

Nadia: Het volstrekt onbekende?

Hans: En wat is het verschil tussen het volstrekt onbekende en het volstrekt onbekende?

Nadia: Ja, hoe weet ik dat nou!

Hans: En wat is de overeenkomst tussen het volstrekt onbekende en het volstrekt onbekende?

Nadia: Het volstrekt onbekende.

Hans: Niet slecht.

Nadia: Maar ook niet goed?

Hans: Het is nog steeds teveel gezegd.

Nadia: Ga weg.

Hans: Als je spreekt van het volstrekt onbekende dan heb je het nog altijd over een object, over iets met eigenschappen. Om nog maar te zwijgen over het subject dat het object in kwestie niet zou kunnen kennen.

Nadia: Welke eigenschappen bedoel je? Ik zie ze niet.

Hans: Zijn en onkenbaarheid.

Nadia: Dat is nog steeds teveel gezegd?

Hans: Snap je?

Nadia: Want er is geen God en er is geen ik?

Hans: Dat is nog steeds teveel gezegd.

Nadia: Wat moet ik dan zeggen?

Hans: Waarom zou je iets zeggen?

Nadia: Bedoel je dat je niets moet zeggen?

Hans: Dat is ook zo nietszeggend.

Nadia: Wat zou jij zeggen?

Hans: Tja.

Nadia: Een nederig tussenwerpsel.

Hans: Voor mij is het de hoogste poëzie.

Nadia: Het kortste gedicht.

Hans: Het enige.

Nadia: En wat betekent het?

Hans: Dat ik niet weet.

Nadia: En dat is niet teveel gezegd?

Hans: Jawel.

Nadia: Waarom?

Hans: Omdat ik dat ook niet weet.

Nadia: Wat niet?

Hans: Dat ik niet weet. Maar dat is al verdisconteerd in mijn 'tja'.

Nadia: Tja betekent dat je niet weet en dat ook niet.

Hans: En dat ook niet, en dat ook niet, en dat ook niet.

179. Stilte en duisternis

(Deel 6 van een dwaalgesprek in 8 delen over stilte en leegte.)

Nadia: Ik kan me nauwelijks voorstellen dat dit het is wat Meester Eckhart wilde zeggen.

Hans: Ik ook niet. Toch deed hij onmiskenbaar zijn best om zo min mogelijk over God te zeggen. Net als Pseudo-Dionysius, Gregorius van Nyssa en Plotinus vóór hem. Net als talloze mystici na hem.

Nadia: Volgens mij overdrijf je het negatieve aspect.

Hans: Eckharts verregaande ontkenningen zijn ook het pauselijk gezag destijds niet ontgaan.

Nadia: O?

Hans: Kort na Eckharts dood heeft paus Johannes XXII zeventien van zijn stellingen beoordeeld als ketters en er nog eens elf bekritiseerd.

Nadia: Dat geeft wel aan dat Meester Eckhart er niet in geslaagd is niets te zeggen.

Hans: Tenzij niet-zeggen door de kerk werd opgevat als heterodoxie.

Nadia: Werd niet-zeggen door de kerk opgevat als heterodoxie?

Hans: Dat moet je aan de kerk vragen.

Nadia: Ik ben niet overtuigd.

Hans: De Duitse meester was heus niet de enige die zo dacht.

Nadia: Wie dan nog meer?

Hans: De soefimysticus Rumi zei bijvoorbeeld dingen als 'Gods wezen is Zijn verborgenheid'.

Nadia: Hm.

Hans: En de soefimysticus Hafiz spreekt over de plaats:

waar de adem stokt

ergens waar de geest
zachtjes wiegt
waar het laatste restje
verstand

struikelt en bloost
terwijl het tracht te spreken
in een taal
die nog moet worden
uitgevonden

stompend in een homp klei
op zoek naar het allereerste
ware
beeld
van
God

Nadia: Hm.

Hans: En de Duitse katholieke mysticus Angelus Silesius dichtte in de zeventiende eeuw:

De afgrond van mijn geest
roept aldoor met geschrei
de afgrond aan van God:
welk is het diepst van bei?

En:

Wij bidden: Vader, mij
geschiedde naar uw wil.
En zie: God heeft geen wil
voor eeuwig blijft hij stil.

En:

Gelatenheid vindt God:
God echter zelf te laten
is een gelatenheid
die men niet aan kan praten.

En:

Wat is de eeuwigheid?
Ze is noch dit noch dat.
Noch nu noch iets noch niets.
Ze is ik weet niet wat.

En:

Wie waarlijk arm is wil
met niets door 't leven gaan.
Bood God hem ook Zichzelf
hij nam 't geschenk niet aan.

Of om het met Plinius de Jongere te zeggen:

Silentio et tenebris animus alitur.

180. Alles voorbij

(Deel 7 van een dwaalgesprek in 8 delen over stilte en leegte.)

Nadia: En dat betekent?

Hans: Stilte en duisternis voeden de geest.

Nadia: Ondervoeden, zul je bedoelen.

Hans: Goeie definitie van agnose.

Nadia: Wat een armoe.

Hans: Zalig zijn de armen van geest.

Nadia: Ik had me er meer van voorgesteld.

Hans: Niet-weten is geen voorstelling.

Nadia: Wat is het dan wel?

Hans: Geen-voorstelling.

Nadia: Je zou toch verwachten...

Hans: Agnose is vrij van verwachtingen.

Nadia: Wanneer ben je vrij van verwachtingen?

Hans: Wanneer je helemaal zonder zelfbeelden, zonder wereldbeelden en zonder godsbeelden bent.

Wanneer je jezelf, de wereld en God zelfs niet meer ziet als beeldloos of onkenbaar of leeg of identiek.

Wanneer je zelfs niet meer verwacht dat je ooit vrij van beelden en verwachtingen zult zijn.

Wanneer je je zelfs van je leegte hebt ontledigd.

Wanneer je zo ver bent gegaan als je maar gaan kon, en daar nog weer voorbij.

En daar nog weer voorbij.

En daar nog weer voorbij.

Nadia: Gate gate paragate parasamgate.

('Verder verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij.' Mantra uit de Hartsoetra.)

Hans: Panta epekeina.

('Alles voorbij.' Term van Pseudo-Dionysius de Areopagiet.)

181. De leegte van de leegte

(Deel 8 en slot van een dwaalgesprek in 8 delen over stilte en leegte.)

Nadia: Wat zie je dan?

Hans: Ken je het gedicht 'wu' dat chanmeester Wumen Huikai (Mumon) in de dertiende eeuw schreef na zijn ontwaken?

Nadia: Nee.

Hans: Het gaat zo:

wu wu wu wu wu
wu wu wu wu wu
wu wu wu wu wu

Nadia: Zegt me niets.

Hans: Precies.

Nadia: Hè?

Hans: Wu is Chinees voor nee of niet of leegte.

Nadia: O.

Hans: Zo kun je het ook zeggen.

Nadia: Jij bent zeker de leukste thuis.

Hans: Van de mysticus Johannes van het Kruis is een soortgelijke tekst overgeleverd uit de zestiende eeuw:

Nada nada nada
nada nada nada
aún en el monte
nada.

(Terug te vinden in de uitleg van Johannes van het Kruis bij de Schets van de bestijging van de Berg Karmel.)

Nadia: Zegt me ook niets.

Hans: Nada is Spaans voor niets, leegte:

niets, niets, niets
niets, niets, niets
en ook op de top
niets

Nadia: Hm.

Hans: Waarom schreef Johannes van het Kruis dit? Hoe kom je tot zoiets? Wat denk jij dat hij gezien heeft bovenop die berg?

Nadia: Tja.

Hans: Het Niets dat god heet?

Het Niets dat Johannes van het Kruis heet?

Het Niets dat ziel heet?

Het Niets dat wereld heet?

Het Niets dat dwaasheid heet?

Het Niets dat niet-weten heet?

Niets?

Nadia: Eh...

Hans: Wat denk je dat Johannes van het Kruis bedoelde toen hij de hoogste kennis omschreef als 'onbepaald' en 'zo licht en teer dat de ziel niet in staat is haar te zien of op te merken'?

Nadia: Ik pas.

Hans: 'O', 'hm', 'tja', 'eh', 'ik pas'.

Nadia: En?

Hans: Voor iemand die het nog niet ziet, weet je het prima te verwoorden.

182. God zoeken in niet-zoeken

Een bodemloos vat.

'Volgens Meester Eckhart woont God op de bodem van je ziel. Om Hem te vinden hoef je alleen maar je ziel leeg te maken. Is dat ook jouw ervaring, Hans?'

'Tot nog toe niet.'

'Hoe komt dat?'

'Ik kan de bodem van mijn ziel niet kan vinden.'

'Misschien zit er wel iets voor.'

'Hoe kom ik daarachter?'

'Heb je je ziel al leeggemaakt?'

'Dat is het hem nou juist.'

'Wat?'

'Die kan ik ook niet vinden.'

'Ik eerlijk gezegd ook niet.'

'Je hoort het wel vaker tegenwoordig.'

'Waar moeten we God dan zoeken?'

'Misschien wel in niet-zoeken.'

'Misschien wel in niet-weten.'

'Dan wordt het nooit bekend.'

183. God is de grondeloosheid van de onvindbare ziel

Bij wijze van vragen.

'Wie of wat is God volgens jou?'

'De diepste grond van de ziel, Hans.'

'Bij wijze van spreken?'

'Letterlijk.'

'Hm.'

'Wie of wat is God volgens jou?'

'De grondeloosheid van de ziel?'

'Letterlijk?'

'Bij wijze van vragen.'

'Hoe kom ik bij de grondeloosheid van mijn ziel?'

'Door je ziel te onderzoeken?'

'Wat zal ik dan vinden?'

'Wie zegt dat je dan wat zult vinden?'

'Bedoel je dat we geen ziel hebben?'

'Dat behoort nog tot het vinden.'

'Bedoel je God niet bestaat?'

'Dat behoort nog tot het vinden.'

'Dus God is de grondeloosheid van de onvindbare ziel?'

'Ik zou het anders ook niet weten.'

184. Hoe heet de exegeet van het lege boek?

Een apologie is een verweerschrift waarin de orthodoxe leer wordt verdedigd, een apologeet is iemand die apologieën schrijft, maar hoe noem je iemand die de lege leer verdedigt?

Exegese is uitlegkunde, een exegeet is iemand die het heilige boek uitlegt, maar hoe noem je iemand die het lege boek uitlegt?

Het apostolaat is de activiteit ter verbreiding van de blijde boodschap, een apostel is iemand die zich daarvoor inspant, maar hoe noem je iemand die de lege boodschap verbreidt?

185. Als God alomvattend is, omvat hij ook het kwaad

en is hij niet algoed.

'God is goed en God is groot.'

'Hoe groot?'

'Alomvattend, Hans.'

'Dan omvat hij ook het kwaad.'

'Het kwaad is des duivels.'

'Dan is hij niet alomvattend.'

'Hij is wél alomvattend.'

'Dan is hij niet algoed.'

'Dat neem je terug!'

'Al goed.'

186. Als God alwetend is, weet hij ook van onwetendheid

'God weet alles, Hans.'

'Weet hij ook hoe het is om onwetend te zijn?'

'Uh... dat zal haast wel.'

'Dan is hij niet alwetend.'

'Ik bedoel, dat zal haast niet.'

'Dan is hij niet alwetend.'

187. Genesis 2.0 | de schepper geschept

Zeven werelden in zeven dagen. Welke vraag leef jij?

Maandag

Kan God een wereld maken waarin hij niet alomtegenwoordig is?

Hoe weet je dat hij dat niet al gedaan heeft?

Hoe weet je dat dat niet deze wereld is?

Dinsdag

Kan God een wereld maken waarin hij alomafwezig is?

Hoe weet je dat hij dat niet al gedaan heeft?

Hoe weet je dat dat niet deze wereld is?

Woensdag

Kan God een wereld maken waarin de dingen zich spontaan, zonder zijn inmenging, ontwikkelen?

Hoe weet je dat hij dat niet al gedaan heeft?

Hoe weet je dat dat niet deze wereld is?

Donderdag

Kan God een wereld maken, of een mens of brein, waarin hij ondanks zijn afwezigheid toch ervaren wordt?

Hoe weet je dat hij dat niet al gedaan heeft?

Hoe weet je dat dat niet deze wereld is?

Vrijdag

Kan God een wereld maken, of een mens of brein, waarin hij ondanks zijn aanwezigheid toch niet ervaren wordt?

Hoe weet je dat hij dat niet al gedaan heeft?

Hoe weet je dat dat niet deze wereld is?

Zaterdag

Kan God een wereld maken waarin hij niet almachtig of alwetend is?

Hoe weet je dat hij dat niet al gedaan heeft?

Hoe weet je dat dat niet deze wereld is?

Zondag

Kan God een wereld maken waarin mensen ten onrechte denken dat ze een vrije wil hebben en op eigen initiatief voor of tegen Hem kunnen kiezen?

Hoe weet je dat hij dat niet al gedaan heeft?

Hoe weet je dat dat niet deze wereld is?

188. Het ervaringsbewijs van Gods alomtegenwoordigheid

Stel dat iemand zegt: God is alomtegenwoordig, want ik ervaar hem overal. Bewijst dat Gods alomtegenwoordigheid?

Natuurlijk niet. Voor mensen is lucht alomtegenwoordig, maar voor maanmannetjes niet. Voor vissen is water alomtegenwoordig, maar voor vogels niet.

Een mens is zelf niet alomtegenwoordig: hij is steeds maar op één plek op één tijd. Fysiek tenminste. En met één plek bedoel ik natuurlijk niet op één punt maar in één ruimte, dat wil zeggen, op een heleboel punten tegelijk, die samen een continuüm vormen. Psychologische gezien. Je ervaart je lichaam als hier en nu.

Of het dat in feite ook is, staat niet op voorhand vast. Zo ervaren mensen fantoomledematen ook als hier en nu. Ze kunnen dingen voelen in lichaamsdelen die er niet zijn. Het lichaamsgevoel lijkt dus eerder een projectie van de geest in de ruimte, en die ruimte is misschien ook maar een projectie van de geest, maar waarin? In de ruimte van de verbeelding? Zo drijven we af richting idealisme, wat ook maar een idee is, of zou kunnen zijn, wie zal het zeggen.

Het omgekeerde geldt ook. Wie nooit en nergens God ervaart, bewijst daarmee niets over het bestaan en de aanwezigheid en ervaarbaarheid van God. Het kan best zijn dat God altijd overal is, maar voor jou niet ervaarbaar is. Of dat hij altijd overal is, behalve waar jij je bevindt op het moment dat jij je daar bevindt. In het laatste geval heeft God een gat in zijn aanwezigheid of tenminste in zijn voor jou ervaarbare aanwezigheid.

189. Kan God zichzelf van zijn almacht beroven?

Dan wordt hij almachteloos.

1

'God is almachtig, Hans.'

'Machtig genoeg om tegen zijn eigen wil in te gaan?'

'Nou...'

'Zo ja, dan is hij niet almachtig.'

'Nee.'

'En zo nee, dan is hij niet almachtig.'

'Ja.'

'Wat maakt het dan uit?'

2

'God is almachtig.'

'Zo machtig dat hij zichzelf van zijn macht zou kunnen beroven?'

'Uh... dat lijkt me niet.'

'Dan is hij niet almachtig.'

'Ik bedoel, dat lijkt me wel.'

'Hoe weet je dat hij dat niet allang gedaan heeft?'

'Wat?'

'Zichzelf van zijn macht beroven?'

'Allemachtig.'

190. Denk jij over God of denkt God in jou?

Of is het toch de duivel?

'Alles is de wil van God, Hans.'

'Zelf bedacht?'

'Wat?'

'Of verschijnt deze gedachte nu in jou door de wil van God?'

'Uh...'

'Zo ja, hoe weet je dan of hij waar is?'

'God zou mij nooit bedriegen.'

'Zelf bedacht?'

'Wat?'

'Of verschijnt deze gedachte nu in jou door de wil van God?'

'Eh...'

'Zo ja, hoe weet je dan of hij waar is?'

'Jij bent de duivel zelf!'

'Zelf bedacht?'

'Wat?'

'Of verschijnt deze gedachte nu in jou door de wil van God?'

'Eh...'

'Of door de wil van de duivel?'

'Nou...'

'Ik dacht al zoiets.'

191. Heeft God beschikt dat de mens wikt?

We vragen het de mysticus.

'De mens wikt maar God beschikt, Hans.'

'Waarover?'

'Overal over.'

'Beschikt hij ook dat de mens wikt?'

'Uh... ik denk... ik geloof niet...'

'Ben jij het die nu wikt of heeft God dat beschikt?'

'De mens wikt, maar God beschikt, zei ik toch.'

'Jij gelooft toch dat de mens in God is?'

'Jazeker.'

'Dan is het ook God die wikt.'

'Hm.'

'En jij gelooft toch ook dat God in de mens is?'

'Als mysticus...'

'Dan is het ook de mens die beschikt.'

'Verdraaid.'

192. Misschien is jouw idee van volmaaktheid wel incompleet

'God zou nooit tegen mij liegen, Hans.'

'Waarom niet?'

'Omdat Hij volmaakt is.'

'Is de volmaakte incompleet?'

'Natuurlijk niet.'

'Zonder leugens zijn, is dat niet incompleet?'

'In zekere zin.'

'Dan is hij niet zonder leugens.'

'En toch is Hij volmaakt.'

'Misschien is jouw idee van volmaaktheid wel incompleet.'

'En toch is Hij compleet.'

'Misschien is jouw idee van compleetheid wel onvolmaakt.'

193. Waarom ik in wonderen geloof

Beste Hans

Geloof jij in mirakels zoals de wonderen van Jezus en de zes bovennatuurlijke krachten van boeddha's? Op het water lopen, broodvermenigvuldiging, levitatie, telepathie?

Beste Jakob,

Nou en of. Jezus op het water is misschien een historisch feit, misschien maar een verhaal. Als feit zou het een wonder zijn, maar als verhaal net zo goed.

En wat te denken van jezelf in het water, water in jezelf, water, jezelf, mensen, meren, rivieren, oceanen, wolken, regen, sneeuw, hagel? Allemaal wonderen.

Vijfduizend mensen voeden met vijf broden is misschien een feit, misschien maar een verhaal. Als feit zou het een wonder zijn, maar als verhaal net zo goed.

En wat te denken van vijfduizend mensen, vijf broden, deeg, het kneden van het deeg, knedende handen, meel, maalstenen, dorsvlegels, sikkels, ijzer, erts, bomen, hout, graan, grond, zon? Allemaal wonderen.

Levitatie is misschien een feit, misschien maar een verhaal. Als feit zou het een wonder zijn, maar als verhaal net zo goed.

En wat te denken van vlinders, vogels, ballonnen, vliegtuigen, parachutisten, astronauten, de aardbol die in de ruimte zweeft, de maan die om de aarde draait, de zwaartekracht, de ruimte, de melkweg? Allemaal wonderen.

Telepathie is misschien een feit, misschien maar een verhaal. Als feit zou het een wonder zijn, maar als verhaal net zo goed.

En wat te denken van empathie, sympathie, antipathie, apathie, homeopathie, neuropathie en encefalopathie? Van telegrafie, telefonie, televisie, telescopie, telemetrie, telematica, teleseks, teleshoppen, telebankieren? Allemaal wonderen.

Voor een weetniet is alles miraculeus. Een paperclip vind ik al een wonder. Concreet, tastbaar, sterk, licht van gewicht, op duizend verschillende manieren te gebruiken, in de grond niet te doorgronden en op geen enkele manier zelf te maken, tenzij je toevallig over tangen en staaldraad beschikt.

Tangen, staaldraad, staal, ijzer, ijzererts. Iemand die alles miraculeus vindt; iemand die hem een vraag stelt. Al deze woorden geschreven zonder pen, met een druk op de knop verzonden en een paar tienden van seconden later een paar duizend kilometer verderop door de vragensteller ontvangen. Allemaal wonderen.

Hiermee vergeleken zijn de wonderwerken van Jezus en boeddha's een bagatel, vind je niet?

194. Waarom je in de Sint moet geloven

Piet: Waarom bedriegt u al die kindertjes?

Sint: Om ze in mij te laten geloven.

Piet: Waar is dat goed voor?

Sint: Om mij te kunnen ontmaskeren.

Piet: Waar is dat goed voor?

Sint: Om ze een lesje te leren.

Piet: Welk lesje?

Sint: Dat je niemand moet geloven.

Piet: Behalve jezelf zeker.

Sint: Vooral jezelf niet.

Piet: Waarom niet?

Sint: Zijn zij het niet zelf die in mij geloven?

Piet: Nou u het zegt.

Sint: Vandaar.

Piet: Goeie les.

Sint: Geloof je dat?

195. Thuis in de ruis

Ruis is pluis.

Wie de stilte niet verdraagt, zoals ik, stemt af op een zender. Sommigen willen hun leven lang dezelfde zender horen, anderen steeds een andere, maar dat dondert niet. Wij zijn ontvangers die zorgvuldig de stilte mijden.

Zelf voel ik me tegenwoordig het meeste thuis in de ruimte tussen de zenders. In de tussenruimte. Ik stem af op de ruis. Op het ruisen van de kosmos, het ruisen van de ether, het ruisen van de zee, het ruisen van de bomen, het ruisen van het verkeer, het ruisen van mijn hart, het ruisen van mijn bloed, het ruisen van mijn adem. Maar bovenal op het ruisen van mijn weetnietgeest. Agnose. Stiltesurrogaat, welluidender dan het origineel.

Komt er een zender bij die de ruis overstemt dan stem ik opnieuw af op de ruis. Ruis uit de onmetelijke tussenruimte die iedere nieuwe zender moeiteloos overstemt. Er komen steeds meer zenders bij, dus ik blijf afstemmen om de stemmen te overstemmen. Zender, ruis, zender, ruis, zender, ruis.

In de ruis hoor je natuurlijk ook stemmen, maar die zijn niet te verstaan. Als je veel naar ruis luistert leer je de stemmen niet te ontcijferen. Je begint terug te babbelen. Onverstaanbaar, zonder iets of niets te zeggen. Je gaat spontaan meeruisen, resonerend met jezelf.

Je wordt een zender, afgestemd op je eigenfrequentie. Een zender in de tussenruimte. Een zender van ruis. Woordgeworden ruis in mijn geval, maar – ruis. Stiltesurrogaat in de vorm van een dwaaltekst genaamd Thuis in de ruis, bijvoorbeeld. Stiltesurrogaat in de vorm van een website, een boek, stukjes in een tijdschrift of een krant, meanderende gesprekken zonder kop of staart, zonder premissen of conclusies. Ik geef ze prijs zonder spijt aan de vergetelheid. Ik ben een zender die ruis uitzendt.

De ene ruis is de andere niet, de mijne is de jouwe niet. Wie zelfruisend is geworden, klinkt alleen nog als zichzelf. Hij resoneert met zichzelf. Hij hoeft nergens meer op af te stemmen. Hij hoeft niemand meer te overstemmen. Hij babbelt zonder babbels als een beekje in een bos.

Stem voor de verandering ook eens af tussen de zenders, maakt niet uit waar. Ergens in die kakofonie van gelijkaardige onklanken sist je eigen ruis. Witte ruis, bruine ruis, roze ruis, ruis in alle kleuren van de regenboog, ruis in vijftig tinten gruis – het maakt niet uit. Ruis is ruis. Ruis is pluis. Ruis is thuis.

Sst.

Ontvang je mij?

196. De Heilige Geesst

Even afstemmen.

Wie de sstilte niet verdraagt, zoalsss ik, sssstemt af op een zender. Sssssommigen willen hun leven lang dezzzzzzelfde zzzzzzzender horen, anderen ssssssssteeds een andere, maar dat dondert niet. Wij zzzzzzzzzijn ontvangerssssssssss, die zzzzzzzzzzzorgvuldig de sssssssssssstilte mijden.

Zzzzzzzzzzzzzelf voel ik me tegenwoordig het meesssssssssssssste thuisssssssssssssss in de ruimte tussssssssssssssssen de zzzzzzzzzzzzzzzzzenderssssssssssssssssss. In de tusssssssssssssssssssenruimte. Ik sssssssssssssssssssstem af op de ruisssssssssssssssssssss. Op het ruissssssssssssssssssssssen van de kosssssssssssssssssssssssmossssssssssssssssssssssss, het ruisssssssssssssssssssssssen van de ether, het ruissssssssssssssssssssssssen van de zzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzee, het ruissssssssssssssssssssssssssen van de bomen, het ruisssssssssssssssssssssssssssen van het verkeer, het ruisssssssssssssssssssssssssssen van mijn hart, het ruissssssssssssssssssssssssssssen van mijn bloed, het ruisssssssssssssssssssssssssssssen van mijn adem. Maar bovenal op het ruissssssssssssssssssssssssssssssen van mijn weetnietgeessssssssssssss sssssssssssssssssssssssss sssssssssss ssssss sssssssssssssssssssss ssssssssssss ssssssss ssss ssssssssss sssssssssssssssssss ss ssssss sssssssssssss sssssssssssssssssssssss sssssssssssssss...

197. De stilte waarin men alle zaligheid hoort en kent

Koekoekstekst geïnspireerd door het boek 'De geestelijke bruiloft' van de mysticus Jan van Ruusbroec.)

Jan:

Want de hemelse Vader wil dat wij zien, hij is immers vader van het licht. En daarom spreekt hij altijd, ongehinderd en onophoudelijk, één enkel onuitputtelijk woord, en niet meer, in de verborgenheid van onze geest. Met dit woord spreekt hij zichzelf en alle dingen uit, en dit woord luidt niet anders dan: 'Zie.' Dit is de geboorte en de verschijning van de Zoon, van het eeuwige licht, het licht waarin men alle zaligheid ziet en kent.

(Vertaald uit het Middelnederlands door Jos van den Hoek, 2008, pagina 189.)

Een agnost zou zeggen:

Want de hemelse vader wil dat wij horen, hij is immers vader van de stilte. En daarom spreekt hij altijd, ongehinderd en onophoudelijk, één enkel onuitputtelijk woord, en niet meer, in de verborgenheid van onze geest. Met dit woord spreekt hij zichzelf en alle dingen uit, en dit woord luidt niet anders dan: 'Sst!' Dit is de kiem van het mysterie, van de eeuwige stilte, de stilte waarin men alle zaligheid hoort en kent.

198. Zoenoffer voor de lege geest

Waarom het lam gods moest sterven

Uitrustend langs de kant van de weg zagen zij een Samaritaan die, een lam dragend, naar Judea gaat. Meester Nebbisj wijst naar het lam en zegt likkebaardend: dat zou mij wel smaken!

De discipelen springen op, nemen het lam in beslag, snijden het de hals door, braden het boven het vuur en richten een feestmaal aan.

Nadat ze gegeten en gedronken hebben, neemt Meester Nebbisj het woord:

Vrienden, het lot van het lam was niet in handen van het lam, want tegen de Samaritaan kon het niets uitrichten.

Het lot van het lam was niet in handen van de Samaritaan, want tegen ons was hij niet opgewassen.

Het lot van het lam was niet in mijn handen, want ik ben niet van mijn plaats geweest.

Het lot van het lam was niet in uw handen, want zonder mij zou u niets begonnen zijn.

Het lot van het lam was niet in mensenhanden, want heeft het lam niet zelf mijn eetlust opgewekt?

Heeft het schaap niet zelf het lam gebaard?

Heeft het gras niet zelf het schaap gevoed?

Heeft het land niet zelf het gras gevoed?

Heeft de zon niet zelf het land verwarmd?

Het lot van het lam was niet in handen van de wereld, want de wereld heeft geen handen, al zou er zonder wereld ook geen lot zijn.

Het lot van het lam was niet in handen van het lot, want het lot is een woord, geen God.

Het lot van het lam was niet in handen van God, want God heeft zijn wil vrijwillig overgedragen aan de mens.

U dan, zoek voor uzelf een plaats in uw innerlijk vuur en richt een feestmaal aan.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

199. Woordenboek niet-weten: agnos dei

Een hemels niet-weten.

Etymologie en uitspraak

De term agnos dei is half Grieks, half Latijn.

Het Griekse gedeelte, agnos, bestaat uit de componenten a, niet + gnosis, kennis.

Het latijnse deel, dei betekent 'van god'.

Agnos spreek je uit als agnos of anjos, dei als dee-ie.

Ignos (ignos, injos) betekent hetzelfde als agnos, dus ignos dei is een synoniem van agnos dei.

Betekenis

Agnos dei en ignos dei staan voor een goddelijk niet-weten. Goddelijk in de zin van hemels. Hemels in de zin van heerlijk, zalig, want dat is hoe het voelt, het niet-weten 0p zichzelf beschouwd.

In overdrachtelijke zin kun je agnose daarom het koninkrijk der hemelen noemen, en het koninkrijk der hemelen het agnos dei. Als in:

Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het agnos dei.

Niet te verwarren met

Het agnos dei is heel wat anders dan het agnus dei: het lam gods, de katholieke term voor Jezus als godgegeven zoenoffer voor onze zonden.

Wel ervaar ik het niet-weten als een ongegeven zoenoffer van het leven voor zijn zonden. Een schrale troost natuurlijk, een lege leer heeft geen inhoud dan ruimte, maar toch.

Als diehard nitwit moet ik gauw wat leestekens toevoegen:

Wel ervaar 'ik' 'mijn' 'niet-weten' als een ongegegeven zoenoffer van 'het leven' voor 'zijn' 'zonden'.

Want misschien zijn het maar loze woorden, hè, God weet of er wat achter zit. Ik zou het vooral niet letterlijk nemen.

Meer woorden met de stam agnos (in het Witboek Niet-Weten)

Dit lemma maakt deel uit van het Woordenboek niet-weten (eveneens in het Witboek Niet-Weten).

200. Diep van binnen zit ik zachtjes te spinnen

Deel 1 van een correspondentie in 2 delen over het geluk van niet-weten.

1

Beste Hans,

In het Witboek Niet-Weten zeg je: "Wie niet twijfelt, zoals ik, is absoluut zeker. Absoluut zeker van absoluut niets."

Op een of andere manier is dat zinnetje, absoluut zeker van absoluut niets, in mijn hoofd blijven hangen. Het resoneert in mij, alsof je iets belangrijks zegt of raakt.

Maar nu ik het opschrijf begin ik toch te twijfelen. Is het wel zo bijzonder? Misschien bedoelde je alleen maar dat je nergens helemaal zeker van kunt zijn? Dat alles meer of minder waarschijnlijk is maar nooit zeker?

In dat geval komt het neer op een bestaande filosofie, het probabilisme. Dat maakt jou tot een filosoof, een probabilist, in plaats van de agnost, de filasoof, de dwijze die je zegt te zijn.

Beste Mees,

Met 'absoluut zeker van absoluut niets' bedoel ik niet dat ik ergens absoluut zeker van ben of overal absoluut zeker van.

Ik bedoel er niet mee dat ik absoluut zeker ben dat je nergens absoluut zeker van kunt zijn, wat inderdaad probabilistisch of sceptisch zou zijn.

Ik bedoelde ermee dat mijn absolute zekerheid geen inhoud of object heeft en geen rechtvaardiging kent, zoekt of behoeft. Hij is er gewoon. Ongezocht en ongevraagd. Onberedeneerd en onberedeneerbaar.

2

Mees: Wat is zekerheid zonder inhoud?

Hans: Dat is de zekerheid van iemand die niet meer zoekt. De zekerheid van iemand die niet meer bang is dat hij iets mist of over het hoofd ziet. De zekerheid van iemand zonder antwoorden. De zekerheid van iemand die niets meer te verdedigen of te verbergen heeft.

Mees: Wat hou je dan over?

Hans: Tja.

Mees: Geen God? Geen geloof? Geen wijsheid? Geen non-dualiteit? Geen eenheid? Geen verlichting?

Hans: In agnose is er geen god en geen goddeloosheid, geen geloof en geen ongeloof, geen wijsheid en geen dwaasheid, geen eenheid en geen veelheid, geen verlichting en geen onwetendheid.

Mees: Omdat die zaken niet bestaan?

Hans: Hoe moet ik dat weten? Ze hebben er gewoon niets te zoeken, zaken, in de wolk van niet-weten. Ik heb ze er tenminste nooit gezien. Zodra je ze ziet, zit je niet meer in de wolk van niet-weten.

Mees: Bedoel je met 'absoluut zeker van absoluut niets' soms dat je zelfverzekerd bent?

Hans: Nee joh, zelfverzekerdheid is heel wat anders. In de omgang met mijn medemens ben ik, behalve thuis, nog even onhandig en onzeker als vroeger. Schuw, verlegen, kwetsbaar, weerloos. Meer nog dan vroeger, omdat ik me er niet meer tegen verzet en het niet meer verberg of etaleer.

3

Mees: Als ik me een voorstelling probeer te maken van absolute zekerheid over absoluut niets, krijg ik een voorgevoel van absolute rust, absolute vrede, absoluut geluk.

Hans: Dat is niet hoe ik het beleef. Mijn gemoed is nooit vrij van woelingen. Soms ben ik rustig, soms druk, nu eens vredig, dan weer verstoord, het ene moment gelukkig, het andere verdrietig. Alles verandert en mijn gevoel verandert mee, en alles verandert mee met mijn gevoel. Maar wat er ook gebeurt, diep van binnen zit ik zachtjes te spinnen.

Mees: Ingewikkeld hoor.

Hans: Het probleem is juist dat het zo eenvoudig is. Het is net als met niet-weten: wat valt er uit te leggen aan de lege leer? Niets. Omdat hij leeg is. Wat valt er uit te leggen aan de lege zekerheid? Niets. Omdat hij leeg is.

Uitleg is overbodig. Je bent absoluut zeker of je bent het niet. En je zit erbij te spinnen of niet. Nu, op dit moment. En nu. En nu. Je merkt het direct. Het kacheltje snort. Als je vervuld bent, al is het van niets, hoeft niemand je dat te vertellen.

Mees: Jij hebt het.

Hans: Ik heb het, al weet ik niet wat. Ik ben er, al weet ik niet wie. Ik ben klaar, al weet ik niet waarmee. Ik heb niets meer te doen, al weet ik niet hoe. Zo formuleerde ik het in het Witboek Verlichting.

Mees: Klinkt als een voltooid leven.

Hans: Ja.

Mees: Zou je het erg vinden om dood te gaan?

Hans: Nee.

Mees: En als je het toch erg zou vinden?

Hans: Tja.

201. Wat is mystiek niet-weten? Geluk bij een ongeluk

Deel 2 van een correspondentie in 2 delen over het geluk van niet-weten; een jaar later.

1

Beste Hans,

Graag wou ik je een stukje voorleggen uit een interview met Eugène Ionesco, de absurdistische Franse toneelschrijver. Ik vond het in Wat is mystiek van Paul Mommaers, 1977, op bladzijde 36:

"Mij zijn momenten van zekerheid te beurt gevallen. Op dat stuk heb ik een ervaring gehad. Ik was zeventien jaar. Op een dag wandelde ik door een provinciestad, in de maand juni, 's morgens. Plots kwam de wereld mij voor als verheerlijkt, zó dat een overweldigende vreugde me aangreep en ik tot mezelf zei: wat er ook nog gebeurt, nu wéét ik. En ik zal me dat moment altijd blijven herinneren. Ik zal dan ook nooit meer helemáál wanhopig zijn.

Ik kan u niet vertellen wat het was omdat het echt niet te vertellen is. Er was zoiets als een verandering in de aanblik van de stad zelf, van de wereld, van de mensen. De hemel leek me dichterbij, bijna tastbaar. Het enige wat ik zeggen kan is: intensiteit, aanwezigheid, licht. Met die woorden kan men het min of meer weergeven. Maar een definitie is niet mogelijk.

In elk geval, op dat moment zei ik tot mezelf dat ik zeker was. Had men mij gevraagd: zeker waarvan, dan had ik het niet kunnen zeggen. Ik was vervuld van een zekerheid, en ik heb bij mezelf gezegd dat ik nooit meer ongelukkig zou zijn, dat ik me op de kwaadste momenten dit ogenblik zou herinneren.

Het heeft zich, twee of drie jaar later, herhaald, met minder kracht; en daarna nooit meer. Ik ben het vergeten. Het is niet meer iets levends."

Kun jij je een beetje vinden in deze omschrijving?

2

Beste Mees,

Het enige raakvlak tussen deze beschrijving van Ionesco en mijn beleving van niet-weten zit in de derde alinea. Ionesco is vervuld van zekerheid maar kan niet zeggen waarvan. Ik ben ook vervuld van zekerheid en ik kan ook niet zeggen waarvan.

Ionesco heeft in zijn momenten van zekerheid bij zichzelf gezegd dat hij nooit meer ongelukkig zou zijn, en nooit meer helemáál wanhopig. Ik heb dat nooit bij mezelf gezegd, zou het ook niet kunnen, niet-weten biedt geen garanties. Al ben ik als agnost nooit ongelukkig of wanhopig geweest. Wel heel verdrietig, maar dat is een ander verhaal.

Bij Ionesco doet het gevoel van redeloze zekerheid zich voor tijdens twee piekervaringen aan het begin van zijn levenspad, de tweede al minder krachtig dan de eerste. Bij mij is het er sinds ik op mijn negenenveertigste mijn roer verloor.

Ionesco spreekt van momenten van zekerheid; zelf spreek ik liever van een – ja, wat? Gemoedstoestand? Grondstemming? Hoe noem je iets wat altijd op de achtergrond aanwezig is?

3

Mees: Vorige jaar schreef ik je, 'Als ik me een voorstelling probeer te maken van absolute zekerheid over absoluut niets, krijg ik een voorgevoel van absolute rust, absolute vrede, absoluut geluk.' Dat heb ik nog steeds. Dat voorgevoel krijg ik ook als ik je dwaalteksten lees. Maar dat klopt dus niet?

Hans: Om het genoegen van niet-weten te kunnen benoemen heb ik weleens onderscheid gemaakt tussen werelds geluk en spiritueel geluk.

Werelds geluk is afhankelijk van omstandigheden. Je zou daarom ook kunnen spreken van voorwaardelijk geluk, relatief geluk, uiterlijk geluk of tijdelijk geluk.

Spiritueel geluk is dan het grondeloze, redeloze, objectloze geluk van niet-weten. 'Wat er ook gebeurt, diep van binnen zit ik zachtjes te spinnen', zei ik daarover, weet je nog?

Omdat spiritueel geluk niet afhangt van omstandigheden en erg robuust is, zou je het ook onvoorwaardelijk geluk, absoluut geluk, innerlijk geluk of blijvend geluk kunnen noemen. Je hoeft er niets voor te doen en je kan er niets tegen doen, ik tenminste niet. Het is er en het gaat maar door. Voor zolang het duurt natuurlijk, want dat moet je maar afwachten.

Zo kan het gebeuren dat ik me in de relatieve zin van het woord ongelukkig voel (bezorgd, angstig, verveeld enzovoort) terwijl ik in de absolute zin van het woord, in mijn agnose, domweg gelukkig ben. Zoals het weleens regent als de zon schijnt. Zoals de zon schijnt achter de wolken.

Het valt me op dat ik in de vorige alinea voor het relatieve geluk het werkwoord 'voelen' gebruikte en voor het absolute geluk van niet weten het werkwoord 'zijn'. Ik vóel me ongelukkig maar ik bén gelukkig. Zo kan je het verschil dus ook tot uitdrukking brengen.

Weer een andere formulering: soms ben ik oppervlakkig ongelukkig en tegelijkertijd diep gelukkig. Het diepe geluk verlaat me niet.

4

Mees: Je worstelt ermee, hè.

Hans: Het is een uh... gevoelig onderwerp. Een bron van misverstanden. Mensen willen gelukkig worden en gaan daarom iets spiritueels doen. Symptoombestrijding heet dat. Het paard achter de wagen spannen. De koe melken voor ze zwanger is. De kruik te water laten tot ze heelt.

Mij gaat het om het niet-weten. Dáár ben ik vol van. Tot barstens toe. Ik laat zien hoe het werkt. Daar houdt het voor mij op. Hoe je er komt weet ik niet, dat moet je zelf uitzoeken. Hoe het voelt merk je vanzelf als het zover is.

Mees: Ik heb wat woorden voor je op een rijtje gezet, misschien helpt dat. Dit zijn de tegenstellingen die je tot nog toe hebt gebruikt.

voorwaardelijk - onvoorwaardelijk
relatief - absoluut
oppervlakkig - diep
uiterlijk - innerlijk
werelds - spiritueel
tijdelijk - blijvend

Daar zou ik zelf graag de tegenstelling menselijk - goddelijk aan toevoegen.

In combinatie met geluk krijg je de volgende uitdrukkingen:

voorwaardelijk geluk - onvoorwaardelijk geluk
relatief geluk - absoluut geluk
oppervlakkig geluk - diep geluk
uiterlijk geluk - innerlijk geluk
werelds geluk - spiritueel geluk
tijdelijk geluk - blijvend geluk
menselijk geluk - goddelijk geluk

In combinatie met 'zekerheid':

voorwaardelijke zekerheid - onvoorwaardelijke zekerheid
relatieve zekerheid - absolute zekerheid
oppervlakkige zekerheid - diepe zekerheid
uiterlijke zekerheid - innerlijke zekerheid
wereldse zekerheid - spirituele zekerheid
tijdelijke zekerheid - blijvende zekerheid
menselijke zekerheid - goddelijke zekerheid

In combinatie met rust:

voorwaardelijke rust - onvoorwaardelijke rust
relatieve rust - absolute rust
oppervlakkige rust - diepe rust
uiterlijke rust - innerlijke rust
wereldse rust - spirituele rust
tijdelijke rust - blijvende rust

En in combinatie met vrede:
menselijke rust - goddelijk rust

voorwaardelijke vrede - onvoorwaardelijke vrede
relatieve vrede - absolute vrede
oppervlakkige vrede - diepe vrede
uiterlijke vrede - innerlijke vrede
wereldse vrede - spirituele vrede
tijdelijke vrede - blijvende vrede
menselijke vrede - goddelijk vrede

Mees: Keus genoeg, zou ik zeggen. En dan zeg jij...

5

Hans: Wat een brij.

Mees: Mooi toch?

Hans: 56 termen! En moet je kijken hoe geringschattend de bijvoeglijke naamwoorden aan de linkerkant zijn. Alsof het om minderwaardige vormen van geluk, zekerheid, rust, vrede gaat.

Alsof je alleen echt gelukkig kan zijn als je het 'absolute' geluk kent.

Alsof je nooit meer ongelukkig zult zijn als je het 'blijvende' geluk kent.

Alsof je nooit meer het voorwaardelijke geluk na zult jagen als je het 'onvoorwaardelijke' geluk kent.

Alsof werelds geluk altijd oppervlakkig is of innerlijk geluk goddelijk.

Alsof al die gevoelens en gemoedstoestanden helder onderscheiden zijn.

Alsof je ze vast kunt pakken en rubriceren.

Alsof ze zijn in plaats van gebeuren.

Mees: Niet dan?

Hans: Natuurlijk niet. Geluk, zekerheid, rust, vrede veranderen voortdurend van vorm. Ze bestaan rustig naast en door en ondanks elkaar. Je kan ook gelukkig zijn zonder 'spiritueel geluk'. Je kan ook verdrietig zijn in je 'spirituele geluk'.

Mees: Paradoxaal allemaal.

Hans: Dat is niet-weten.

Mees: Wat is niet-weten?

Hans: Leven in de paradox.

Mees: Qua geluk, bedoel ik.

Hans: Niet-weten is (een) geluk bij een ongeluk.

Mees: Wat is het ongeluk?

Hans: Dat je het niet meer weet.

Mees: En wat is (het) geluk?

Hans: Dat je het niet meer weet.

Mees: Ik was er al bang voor.

202. Schietgebed

Mijn God...

Ik...
Zal...
U...
Nu...

Ik zál U...

Ik zal U...

Ik zal u niet meer de mijne noemen...
Ik zal u geen God meer noemen...
Ik zal u geen U meer noemen...
Ik zal u geen mij meer noemen...

Ik zál mij...

Ik zal mij...

Ik zal mij niet meer de Uwe noemen...
Ik zal mij geen ik meer noemen...
Ik zal mij geen mij meer noemen...
Ik zal mij geen ons meer noemen...

Ik zál ons...

Ik zal ons...

Ik zal ons niet meer aanroepen...
Ik zal ons niet meer omroepen...
Ik zal ons niet meer herroepen...
Ik zal ons niet meer naroepen...

Ik niet

U niet

Niet ik...
Niet u...
Niet straks...

Wat nu?

203. Mystiek is helemaal het einde

Mystiek is geen kwestie van vertrouwen. Je hoeft je niet onvoorwaardelijk over te geven. Je hoeft je niet op gezag van je leermeester in het diepe te storten. Integendeel: mystiek is een kwestie van wantrouwen. Grenzeloos wantrouwen. Wantrouwen jegens alles en iedereen:

Jegens je leermeesters.

Jegens je boeken.

Jegens jezelf.

Jegens iedere gedachte en elk gevoel.

Jegens alles wat je meent te weten.

Jegens alles wat je meent niet te weten.

En niet in de laatste plaats jegens je wantrouwen.

Laat je nooit over de rand duwen.

Stribbel tegen zolang je nog in tegenstribbelen gelooft.

Zolang je nog gelooft dat er iemand is die kan tegenstribbelen.

Zolang je nog gelooft dat er niemand is die kan tegenstribbelen.

Zolang je nog iets gelooft.

Zolang je nog gelooft in niet geloven.

Zolang je nog niets gelooft.

Hou vast, zolang je maar kunt, waaraan je maar kunt.

Want vallen is geen kwestie van springen.

Vallen is niet wat je doet.

Vallen is wat je overkomt:

Als je niet meer kúnt.

Als je niet meer wilt.

Als je er niet meer in gelooft.

Als je alle hoop verloren hebt.

Als je alle wanhoop verloren hebt.

Vallen is het einde.

Het einde van de strijd.

Het einde van het einde.

En daar dan weer het einde van.

Mystiek is helemaal het einde.

204. De gelijkenis van de zaaier

Meester Nebbisj zegt:

De zaaier gaat uit. Hij vult zijn handpalm en werpt handenvol op de weg. Het zaad komt tussen de ezelshoeven en verspreidt zich met de dieren naar alle windstreken. De vogels eten hun kropjes rond.

Dan werpt de zaaier handenvol op de rotsgrond. Het zaad schiet geen wortel in de aarde. Het heft geen aren ten hemel maar valt uiteen en voedt de grassprietjes. Het is het begin van een vruchtbare bodem.

Andere graankorrels werpt hij tussen de doornen. De doornen verstikken het zaad. De wormen eten de resten en beluchten de grond. De vogels eten de wormen en schuilen tussen de doornen.

Weer andere graankorrels vallen op groeizame aarde. Ze zenden een goede vrucht naar de hemel en verstikken een keur aan kruiden. Er komen er zestig per maat en honderdtwintig per maat.

De vlinders blijven weg. Roestzwammen tieren welig. De halmwesp vermenigvuldigt zich, gevolgd door de graankever, gevolgd door de korenmot. De schuren worden leeggegeten door de ratten. De ratten verspreiden ziekten.

Er komt hongersnood. De mensen schrapen het halfverteerde zaad uit de spleten. De mensen eten wormen. De mensen eten vogels.

Op hun broodmagere ezels speuren broodmagere mensen in alle windstreken naar verspreide aren, en ontdekken nieuwe vergezichten.

(Bewaard gebleven fragment uit het grotendeels verloren gegane Leegte-evangelie)

205. Niet-weten is een heilloze weg

Geachte heer van Dam,

Hierbij wil ik u hartelijk danken voor uw immer uitdijende website die, duidelijker dan welk ander Nederlandstalig egodocument ook, aantoont dat niet-weten religieus gezien een heilloze weg is.

Geachte heer de Ruyter,

U heeft het niet helemaal begrepen, ben ik bang. Niet-weten is geen weg. Het rekent af met iedere heilsverwachting.

Geachte heer van Dam,

Precies wat ik bedoel. Niet-weten leidt regelrecht naar de verdoemenis.

Geachte heer de Ruyter,

U heeft het nog steeds niet helemaal begrepen, ben ik bang. Niet-weten is geen weg. Het rekent af met iedere onheilsverwachting.

206. Meester Ecksit – een uitgang zonder ingang

Compendium mystiek – vierenveertig tegenvallers voor meelopers.

Over mystiek kan je eeuwen preken zonder een stap dichterbij te komen.

Je kan het preken ook achterwege laten en meteen ter zake komen.

Meester Ecksit draait er liever niet omheen.

Waar zijn monniken ook heen willen, hij toont ze de weg terug.

Waar ze ook naar binnen willen, hij wijst ze de de weg naar buiten.

1

Monnik: U leidt me van de illusie naar de werkelijkheid.

Meester: Ik leid je uit de illusie en de werkelijkheid.

2

Monnik: U leidt me van de duisternis naar het licht.

Meester: Ik leid je uit de duisternis en het licht.

3

Monnik: U leidt me uit het verleden naar het heden.

Meester: Ik leid je uit het verleden en het heden.

4

Monnik: U leidt me uit de toekomst naar het heden.

Meester: Ik leid je uit de toekomst en het heden.

5

Monnik: U leidt me van sterfelijkheid naar onsterfelijkheid.

Meester: Ik leid je uit sterfelijkheid en onsterfelijkheid.

6

Monnik: U leidt me van het tijdelijke naar het eeuwige.

Meester: Ik leid je uit het tijdelijke en het eeuwige.

7

Monnik: U leidt me van het aardse naar het bovenaardse.

Meester: Ik leid je uit het aardse en het bovenaardse.

8

Monnik: U leidt me van samsara naar nirwana.

Meester: Ik leid je uit samsara en nirwana.

9

Monnik: U leidt me van karma naar dharma.

Meester: Ik leid je uit karma en dharma.

10

Monnik: U leidt me van daar naar hier.

Meester: Ik leid je uit daar en hier.

11

Monnik: U leidt me van het menselijke naar het goddelijke.

Meester: Ik leid je uit het menselijke en het goddelijke.

12

Monnik: U leidt me van het lagere naar het hogere.

Meester: Ik leid je uit het lagere en het hogere.

13

Monnik: U leidt me van het relatieve naar het absolute.

Meester: Ik leid je uit het relatieve en het absolute.

14

Monnik: U leidt me van de vorm naar de leegte.

Meester: Ik leid je uit de vorm en de leegte.

15

Monnik: U leidt me van afwijzen naar aanvaarden.

Meester: Ik leid je uit afwijzen en aanvaarden.

16

Monnik: U leidt me van oordelen naar niet-oordelen.

Meester: Ik leid je uit oordelen en niet-oordelen.

17

Monnik: U leidt me van de leugen naar de waarheid.

Meester: Ik leid je uit de leugen en de waarheid.

18

Monnik: U leidt me van het kwade naar het goede.

Meester: Ik leid je uit het kwade en het goede.

19

Monnik: U leidt me van onverschilligheid naar mededogen.

Meester: Ik leid je uit onverschilligheid en mededogen.

20

Monnik: U leidt me van reactiviteit naar dialoog.

Meester: Ik leid je uit reactiviteit en dialoog.

21

Monnik: U leidt me van het hoofd naar het hart.

Meester: Ik leid je uit het hoofd en het hart.

22

Monnik: U leidt me van haat naar liefde.

Meester: Ik leid je uit haat en liefde.

23

Monnik: U leidt me van gemaaktheid naar echtheid.

Meester: Ik leid je uit gemaaktheid en echtheid.

24

Monnik: U leidt me van verdeeldheid naar eenheid.

Meester: Ik leid je uit verdeeldheid en eenheid.

25

Monnik: U leidt me van vasthouden naar loslaten.

Meester: Ik leid je uit vasthouden en loslaten.

26

Monnik: U leidt me van schuld naar onschuld.

Meester: Ik leid je uit schuld en onschuld.

27

Monnik: U leidt me van praktiseren naar overgave.

Meester: Ik leid je uit praktiseren en overgave.

28

Monnik: U leidt me van worden naar zijn.

Meester: Ik leid je uit worden en zijn.

29

Monnik: U leidt me van de stroom naar de bron.

Meester: Ik leid je uit de stroom en de bron.

30

Monnik: U leidt me van verdeeldheid naar eenheid.

Meester: Ik leid je uit verdeeldheid en eenheid.

31

Monnik: U leidt me van dualiteit naar non-dualiteit.

Meester: Ik leid je uit dualiteit en non-dualiteit.

32

Monnik: U leidt me van het ego naar het zelf.

Meester: Ik leid je uit het ego en het zelf.

33

Monnik: U leidt me van eigenmacht naar anderkracht.

Meester: Ik leid je uit eigenmacht en anderkracht.

34

Monnik: U leidt me van doen naar niet-doen.

Meester: Ik leid je uit doen en niet-doen.

35

Monnik: U leidt me van gebondenheid naar vrijheid.

Meester: Ik leid je uit gebondenheid en vrijheid.

36

Monnik: U leidt me van gehechtheid naar onthechting.

Meester: Ik leid je uit gehechtheid en onthechting.

37

Monnik: U leidt me van monnikschap naar meesterschap.

Meester: Ik leid je uit monnikschap en meesterschap.

38

Monnik: U leidt me van dwaasheid naar wijsheid.

Meester: Ik leid je uit dwaasheid en wijsheid.

39

Monnik: U leidt me van weten naar niet weten.

Meester: Ik leid je uit weten en niet weten.

40

Monnik: U leidt me van spreken naar zwijgen.

Meester: Ik leid je uit spreken en zwijgen.

41

Monnik: U leidt me...

Meester: Uit leiden en volgen.

42

Monnik: U leidt me...

Meester: Uit u en ik.

43

Monnik: U leidt me...

Meester: Uit ingaan en uitgaan.

44

Monnik: U...

Meester: Is een uitgang die nergens toe leidt.

Wie is Meester Ecksit?

Volgens Japanners is Meester Ecksit het westerse pseudoniem van de beroemde Japanse zenmeester Masuta Ekisuto.

Volgens Duitsers is Masuta Ekisuto het Japanse pseudoniem van de beroemde Duitse mysticus Meester Eckhart.

Volgens Chinezen is Meester Eckhart het Duitse pseudoniem van de beroemde chanconfucianist Masu Baibai.

Volgens Indiërs is Masu Baibai het Chinese pseudoniem van de beroemde dvaitadvaitavadin Mala Baba.

Volgens ondergetekende is Mala Baba het pseudoniem van Malle Babbel, een pseudoniem van ondergetekende of omgekeerd.

Meester Ecksit kan er wel om lachen. Die hoeft nergens meer heen.

207. Wonderlijk gewoon!

Loflied van een bestaansmysticus.

Hoe wonderlijk
Hoe wonderlijk
Hoe wonderlijk
Gewoon!

't Gewone wordt
Een wonder en
Het wonder weer
Gewoon!

't Gewone wordt
Een wonder en
Het wonder weer
Gewoon!

't Gewone wordt
Een wonder en
Het wonder weer
Gewoon!

Hoe wonderlijk
Hoe wonderlijk
Hoe wonderlijk
Gewoon!

208. Smeekbede van een wijze

Lieve God,

Zwijg voor mij zolang ik het zelf nog niet kan.

Amen.

209. Smeekbede van een agnost

Lieve God,

Zwijg met mij zolang ik het zelf nog kan.

Amen.

210. Smeekbede van God

Lieve vriend,

Zwijg voor mij zolang de mensen nog voor mij spreken.

Amen.

211. Het Stilte-evangelie

Bij wijze van zwijgen.

In den beginne was het Woord

Lucifer is een samentrekking van het Latijnse 'lux' (licht) en 'ferre' (drager) en betekent lichtdrager.

Lucifer is ook de naam van de duivel.

De duivel verleidt mensen met woorden.

God verleidt mensen met stilte.

De duivel versus God, dat is het Woord versus de Stilte.

Bij wijze van spreken, zegt Lucifer erbij.

Bij wijze van zwijgen, denkt God erbij.

1. En het Woord was stil

In den beginne was het Woord
En het Woord was Stilte
En het was Stil

2. Onuitgesproken

Toen het woord was uitgesproken
Leek het woord al uitgesproken
En het bleef Stil

3. En de stilte is geen ding

In de stilte zijn de dingen
En de dingen zijn in stilte
En het blijft Stil

4. Als een oordeel

In de stilte schreeuwt het leven
En het overschreeuwt de stilte
En ze zwijgt Stil

5. Streel het woord, min de stilte

Maar het schepsel dat mij hoort
Wordt de minstreel van het woord
Stil

6. Speelzin

En het zinspeelt op het woord
Dat noch nimmer is gehoord
Stil

7. Wachtwoord zonder woord

Zonder kloppen, zonder poort
leeft het weerloos zonder woord
Stil

Ruimteminstreel met luit.

Lange inhoudsopgave


^ Simon de Stille.


NietWeten.nl