Top

Witboek niet-weten

Leven in de paradox

Spiritualiteit zonder dogma’s

Door Hans van Dam

Deel 11 van de Agnosereeks

Omslag van deel 11 van de Agnosereeks.

(hier wordt gewerkt)

Alles wat je altijd al wilde weten over niet-weten maar nooit durfde vragen.

Lichte inleiding in een duistere zaak. Kennismaking met wat geen kennismaking verdraagt. Voor beginners, gevorderden en gesjeesden.

1 - De witte wereld van de weetniet

Terra incognita

Terra incognita is Latijn voor onbekend gebied. Het is een term uit de cartografie waarmee je een oord aanduidt waarover niets bekend is.

Op globes en kaarten werd terra incognita vroeger aangegeven met witte vlekken. Een enkele keer stond daarin iets geschreven, ‘Hier zijn draken’ of ‘Hier zijn leeuwen’, want het onbekende werd en wordt als vreeswekkend ervaren.

Toch of juist daarom zijn er vanaf de vijftiende eeuw veel ontdekkingsreizen georganiseerd om de witte vlekken op de kaarten in te vullen en het areaal van het terra incognita te verkleinen.

Het spirituele pad

Het spirituele pad kun je opvatten als een uitnodiging om het bekende terrein – jijzelf, je gedachten, je medemens en de wereld waarin je leeft, diepgaand te onderzoeken.

Je weet nooit wat je daarbij zult vinden of kwijtraken, al denk je van wel, anders zou je er niet aan beginnen.

Zelf moest ik tot mijn ontsteltenis keer op keer constateren dat het oppervlakkig bekende ten diepste onbekend was.

Mijn weg werd geen ontdekkingsreis waarbij onbekende gebieden ontsloten werden, maar een toedekkingsreis waarbij ik met een witkwast in mijn hand – en met pijn in mijn hart – mijn terra cognita stukje bij beetje prijsgaf aan het onbekende.

Waarvan het natuurlijk al die tijd deel was blijven uitmaken, zeg ik achteraf.

Naarmate ikzelf, mijn gedachten, mijn medemens en mijn wereld witter werden, kon ik alles steeds moeilijker uit elkaar houden en ten slotte heb ik het maar opgegeven.

Het weten witten

In de beeldspraak van het terra incognita is wit de kleur van agnose*.

* Agnose is een ander woord voor niet-weten.

Het weten witten is het uitgummen van vastgeroeste ideeën: over wie en wat je bent, over de zin van het leven, over de liefde, over de dood, over ethiek, over God, over de weg, over verlichting, lijden, waarheid, waarneming, metafysica, de vrije wil, en noem maar op.

Wit noem je iemand die het allemaal niet meer weet.

Na het witten rest de witte alleen nog het witten van het witten zelf:

Pas als hij ook zijn witte bril heeft afgezet, is hij werkelijk wit, dat wil zeggen, niet.

Want werkelijk wit bevat alle kleuren van de regenboog, leerde Isaac Newton al.

Kleurrijk is de geest van de weetniet.

Witboek niet-weten

Ziezo, nu snap je hoe het Witboek niet-weten aan zijn naam komt.

Het gaat over het witten van je zelfbedachte wereldje, je wereldbééld* – je terra cognita.

* Wereldbeeld in de ruimste zin van het woord, inclusief zelfbeelden, mensbeelden, godsbeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden en andere denkbeelden.

Het Witboek niet-weten heet ook een witboek omdat het opkomt voor niet-weten.

Je eigen onwetendheid en die van iedereen onder ogen zien, is in het begin geweldig bedreigend. Aan het eind is het een geweldige opluchting.

Als je die angst en die opluchting eenmaal hebt doorgemaakt, net als ik, als je het diep hebt doorleefd en iedere dag herbeleeft, dan kun je er maar niet over uit.

Dan hou je er maar niet over op.

Dan gun je het iedereen.

Vandaar.

Wereldkaart met louter wit land in een blauwe zee van kleine wervelende figuurtjes.
Terra incognita – de witte wereld van de weetniet.

2 - Verlos ons van het weten

Ik heb een zilversmid gekend
die zonder zilver kwam te zitten.

Ik ril bij de gedachte dat
ik al mijn weten niet kan witten.

Vrij naar Hugo Pos.

3 - Verlos ons van niet-weten

Ik heb een ankersmid gekend
die aan een ketting kwam te zitten.

Ik ril bij de gedachte dat
ik al mijn weten steeds moet witten.

Vrij naar Hans van Dam.

4 - Voor beginners, gevorderden en gesjeesden

Welkom lezer, wat goed dat je het begin hebt gevonden van iets waar geen beginnen aan is.

Het Witboek niet-weten is een inleiding in niet-weten.

Geschikt voor beginners, gevorderden en gesjeesden.

Voor iedereen dus.

Ook voor jou.

Ook voor mij – ik ben niet verheven boven wat ik heb geschreven.

Dat een inleiding geschikt is voor beginners spreekt vanzelf.

Dat ze geschikt is voor gevorderden snap je ook wel.

Als je al een tijdje ergens mee bezig bent, vergeet je de basis en is het goed om op je schreden terug te keren.

Maar wat moeten mensen die er klaar mee zijn nou met een inleiding?

En waarom noem ik ze gesjeesden in plaats van, hoe zeggen ze dat ook alweer, arrivés of ontwaakten of verlichten of zelfgerealiseerden of wijzen of mystici of heiligen of boeddha’s of verhevenen of zo?

Omdat iedere weetniet een beginner is.

Een gevorderde is gewoon iemand die inziet dat hij altijd een beginner zal blijven.

Een gesjeesde is iemand die zelfs onder het niveau van de gewone beginner is gezakt – onder het niveau van het denken in niveaus.

Die niet meer van beginnen weet en niet meer van ophouden.

Die niet meer van slagen weet en niet meer van falen.

Die zelfs niet meer weet van niet-weten.

Die al die onzin is vergeten.

Ik noem hem gesjeesd omdat hij voorgoed is gezakt.

Dat is meteen het gevaar van een inleiding in niet-weten:

Misschien kom je er best in, maar kom je er ooit nog uit?

Je bent gewaarschuwd.

5 - Wat je moet weten van niet-weten

‘Wat weet jij eigenlijk van niet-weten, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

6 - Vallen is de weg

Een weetniet is gezakt voor het leven.

Zijn wijsheid is een maanlandschap.

Zijn mijter is een een narrenkap

Zijn rakusu is een broddellap.

Er is dus geen enkele reden om hem achterna te lopen.

Zoals er ook geen enkele reden is om hem verlicht of gerealiseerd of ontwaakt of heilig of wijs te noemen.

Natuurlijk, je mag hem in plaats van een dummy of een nitwit best eens een dwijze noemen, of – heel chic – een agnost.

Doe ik ook weleens.

Gewoon voor de variatie.

Als je maar niet vergeet dat het allemaal op hetzelfde neerkomt.

We zijn en blijven beginners in dit leven.

Eeuwige baby’s voor wie iedere stap de eerste is.

Welk pad we ook menen te bewandelen,

Wat we ook menen te weten,

Hoe we ook menen te heten –

Vallen is de weg.

vallend figuur samengesteld uit vallende figuurtjes.
Vallen is de weg.

7 - Wie niet weet die niet dweept

Een weetniet is iemand die eindelijk doorheeft dat hij uiteindelijk niets van het leven snapt, en daar open over is.

Omdat hij er nou eenmaal niets van snapt, is hij zelf onbekwaam om te beoordelen of anderen er wel iets van snappen.

Alleen al daarom zal hij niemand meer op handen dragen.

Hoe zou je ook iemand op handen kunnen dragen als je zelf geen vaste grond onder de voeten hebt?

Je zult eerst van alles moeten wéten over mensen voordat je ze ongeremd kunt bewonderen.

Dat ze ervoor hebben gekozen om te doen wat ze doen, bijvoorbeeld.

Dat ze het ook niet hadden kunnen doen.

Dat ze volledig toerekeningsvatbaar zijn.

Dat hun wil vrij is.

Hébben wij een vrije wil?

Zíjn wij volledig toerekeningsvatbaar?

Hebben wij zelfs maar een gedééltelijk vrije wil, zijn we zelfs maar gedééltelijk toerekeningsvatbaar?

De een zegt van wel, de ander van niet.

Wetenschappers zijn het er niet over eens.

Filosofen zijn het er niet over eens.

Priesters zijn het er niet over eens.

Wijzen zijn het er niet over eens.

Leken zijn het er niet over eens.

Niemand is het erover eens.

En de weetniet?

Die weet alleen maar niet.

Die heeft geen vaste grond onder de voeten.

Die verkeert in een vrije val.

Zolang hij zelf valt, valt iedereen mee.

Zolang we met zijn allen vrij vallen, hoeft niemand iemand op handen te dragen.

Wie niet weet die niet dweept.

Droste-effect van een figuur dat op handen gedragen wordt door een figuur dat op handen gedragen wordt …
‘Hoe zou je ook iemand op handen kunnen dragen als je zelf geen vaste grond onder de voeten hebt?’

En als hij toch met iemand dweept?

Kan hij het zichzelf dan aanrekenen?

Wat denk jij?

8 - Wie niet weet laat niet met zich dwepen

Een weetniet is iemand die eindelijk doorheeft dat hij uiteindelijk niets van het leven snapt, en daar open over is, zei ik.

In die mindset is het onmogelijk om anderen nog op handen te dragen, zagen we.

In die mindset is het ook onmogelijk om je nog op handen te láten dragen.

In die mindset is het ook onmogelijk om jezélf nog op handen te dragen.

Dat zou een onverdraaglijke leugen zijn.

Je hebt immers niets bereikt.

Juist níet.

Laat staan dat je daarvoor de verantwoordelijkheid opeist.

Vallen doe je niet, dat overkomt je.

Wie niet weet, laat niet met zich dwepen.

Ook niet door zichzelf.

Dat is geen prestatie hoor; het lukt je gewoon niet meer.

Het werkt op je lachspieren.

Bewondering bindt, lachen maakt vrij –

Je lacht je vrij van dweperij.

9 - Niet-weten betekent dat je het niet meer weet

Wat is niet-weten?

Een domme vraag verdient een dom antwoord:

Niet-weten is gewoon niet weten.

Dat wil zeggen, niet-weten met een koppelteken is niet weten zonder koppelteken.

Wat niet weten zonder koppelteken is, hoef ik je vast niet uit te leggen.

Je weet wel: dat je iets niet weet.

De vraag is dus niet wat niet-weten is.

De vraag is wát het is dat je niet weet.

Nou, daar kan ik kort over zijn:

Niets.

Helemaal niets.

Echt niet?

Niet echt.

Niet wie je bent, niet wat je bent, niet dat je bent.

Niet waar je bent, niet waar je vandaan komt, niet waar je heen gaat.

Niet wat je moet doen, niet wat je moet laten, niet of je kunt kiezen.

Niet wat de wereld is, niet dat de wereld is, niet dat de wereld niet is.

Niet dat je in de wereld bent, niet dat je zelf de wereld bent, niet dat je van de wereld bent.

Niet wie er gelijk heeft, niet dat er iemand gelijk heeft, niet dat er niemand gelijk heeft.

Niet naar wie je moet luisteren, niet dat je naar iemand moet luisteren, niet dat je naar niemand moet luisteren.

Niet … niet … niet …

Niet-weten mét een koppelteken is niet weten zónder koppelteken.

Dat je het niet meer weet – maar dan ook helemáál niet meer.

Niet-weten is niet weten.

‘Makkie’, zou Meester Makkie zeggen.*

* Meester Makkie is een meester in niet-weten. Hij is een leerling van Meester Tja, van wie hij niets wezenlijks heeft geleerd, en een leraar van Meester Loos, die werkelijk niets van hem heeft opgestoken.

10 - Het leven is een paling

Terug het zwarte water in

Het leven is een paling.

Glad als een aal.

Zodra je het probeert te pakken, glipt het uit je vingers.

Kronkelend als een slang.

Draaiend als een derwisj.

Terug het zwarte water in – waar het vandaan komt.

Waar het thuishoort.

Net als jij.

Net als ik.

Net als alle organismen.

Vraagteken in de vorm van een paling; de punt is een kleine paling die zichzelf in de staart bijt.
‘Het leven is een paling; zodra je het probeert te pakken, glipt het uit je vingers.’

De vanger gevangen

Steeds wanneer je het leven in woorden probeert te vangen, kom je in tegenspraken terecht.

Ongerijmdheden waarin je hopeloos verstrikt raakt.

Dilemma’s waar je nooit uitkomt.

Een spiegelzaal waarin werkelijk alles werkelijk lijkt, en niets.

Niet het leven heb je dan gevangen, maar jezelf.

Eén worden met de veelheid

Niet-weten is de paling loslaten.

De slang in de staart bijten.

De derwisj laten dansen.

De woorden hun gang laten gaan.

De meerduidigheid omarmen.

Eén worden met de veelheid.

De tegenstrijdigheid van het leven onder ogen zien.

Je eraan overgeven.

Erin opgaan.

Leven in de paradox

Niet-weten is leven in de paradox.

Rust vinden in je onrust.

Vrede hebben met je onvrede.

Raar is de rust die onrust aanvaardt.

Vreemd is de vrede die onvrede verdraagt.

Paradoxaal is het leven van de weetniet.

11 - Zwammen of verzuipen

Het leven is net een paling, zei ik.

Een paling is net een zwemmend vraagteken.

Zwemmende zijn we.

Zwemmende en zwammende.

Kruipende en zuipende.

Wadende en radende.

Reppende en roepende.

Flippende en floepende.

Levend in het teken van de vraag.

Het vraagteken staat symbool voor niet-weten.

Gouden vraagteken in de vorm van een onmogelijk figuur.
Onmogelijk vraagteken als symbool voor niet-weten.

Het is daarom heel geschikt als logo voor deze inleiding in niet-weten, voor het Witboek niet-weten, voor NietWeten.nl en voor de Agnosereeks.

Om het paradoxale van niet-weten te benadrukken hebben we het vraagteken vormgegeven als een onmogelijk figuur.

De geest van niet-weten is als een onbeschreven blad.

Vandaar dat we het onmogelijke vraagteken hebben uitgevoerd in onbeschreven bladgoud.

Wat eronder zit laat zich raden.

Nou?

12 - Leven in het Teken van de Vraag

Het vraagteken van niet-weten vraagt niet om een antwoord, het is het antwoord.

Het vraagteken van niet-weten wil geen uitroepteken worden, het wil zichzelf blijven.

Het vraagteken van niet-weten staat symbool voor een leven in het teken van de vraag.

Als we daar nou eens een sterrenbeeld bij tekenen, dan kunnen we het voortaan met hoofdletters schrijven:

Het Teken van de Vraag.

Laten we onze boreling meteen maar aangeven bij de burgelijke stand:

Geslacht: onbekend.

Naam: Questia.

Omschrijving: sterrenbeeld op het innerlijk halfrond*.

* Wat in de Griekse mythologie de Hersenpan werd genoemd.

Sterrenbeeld in de vorm van een vraagteken.
Questia: het Teken van de Vraag – sterrenbeeld op het innerlijk halfrond.

Wie leeft in het Teken van de Vraag is niet bezeten van het antwoord.

Wie leeft in het Teken van de Vraag is ook niet bezeten van de vraag.

Wie leeft in het Teken van de Vraag laat het antwoord het antwoord en de vraag de vraag.

Het antwoord het antwoord laten en de vraag de vraag laten geeft vrede.

Onbegrijpelijke vrede.

Paradoxale vrede.

De vreemde vrede van niet-weten.

13 - De vreemde vrede van niet-weten

Niet-weten is niet weten hoe of wat of waarom.

Je weet het allemaal niet meer en je hoeft het allemaal niet meer te weten.

Het houd je niet meer bezig, het is goed zo.

Je hebt er vrede mee.

Heb je er eens een keertje geen vrede mee, dan heb je dáár wel vrede mee.

Heb je er eens een keertje geen vrede dat je er geen vrede mee hebt, dan heb je dáár wel vrede mee.

Is het oorlog in je kop – kan gebeuren – dan heb je dáár wel vrede mee.

Ben je die vrede helemaal zat – kan gebeuren – dan heb je dáár wel vrede mee.

Door het grenzeloze besef van je grenzeloze onwetendheid wordt je leven niet moeilijker, zoals veel mensen denken, maar makkelijker.

Veel makkelijker.

Keuzes maken zichzelf, je kunt erop wachten – hoe lang het ook duurt.

Je ziet het aan, je werkt eens mee, je laat eens gaan.

Je doet maar wat, je zegt maar wat, en dat is dat.

En hebt er vrede mee.

Vrede met je onvrede.

14 - Elf misverstanden over innerlijke vrede

Over de vrede van spiritueel niet-weten bestaan veel misverstanden.

1. Dat je er letterlijk onverstoorbaar van wordt.

2. Dat je er letterlijk onbewogen van wordt.

3. Dat je er letterlijk neutraal van wordt.

4. Dat je er letterlijk gelaten van wordt.

5. Dat je er letterlijk stil van wordt.

6. Dat je er letterlijk deemoedig van wordt.

7. Dat je er letterlijk gelukzalig van wordt.

8. Dat je er letterlijk onthecht van wordt.

9. Dat je er letterlijk sterk van wordt.

10. Dat je er letterlijk rustig van wordt.

11. Dat je er letterlijk vredig van wordt.

Je zou er een modelmens van worden die een modelleven leidt – een heilige.

Een vlam die nooit oplaait of uitwaait – een waakvlam.

Voorgoed ontwaakt, immer mindful.

Nirwana!

Ja, dat zou je wel willen, hè?

Ik ook hoor.

Maar daarom is het nog niet zo.

15 - Elf vormen van vrede zonder vrede

De vrede van niet-weten is een vreemde vrede.

Een paradoxale vrede.

De vrede van niet-weten is het soort vrede waarin alle ruimte is voor onvrede.

Waarin alle ruimte is voor wat dan ook.

Zelfs voor ruimtegebrek, lachte de gek in z'n dwangbuis.

Alles wordt je ooit hebt gehoord of gelezen over gemoedsrust kun je vergeten.

Helemaal.

Radicaal.

Zet af die roze bril!

Laat je niets wijsmaken!

Laat je niet gek maken!

Dit is hoe het zit:

1. De vreemde vrede van niet-weten is geen onverstoorbaarheid, maar vrede hebben met je verstoorbaarheid.

2. De vreemde vrede van niet-weten is geen onbewogenheid, maar vrede hebben met je bewogenheid.

3. De vreemde vrede van niet-weten is geen neutraliteit, maar vrede hebben met je partijdigheid.

4. De vreemde vrede van niet-weten is geen overgave, maar vrede hebben met je rebellie.

5. De vreemde vrede van niet-weten is geen gedachtestilte, maar vrede hebben met je gedachtejacht.

6. De vreemde vrede van niet-weten is geen deemoed, maar vrede hebben met je hoogmoed.

7. De vreemde vrede van niet-weten is geen gelukzaligheid, maar vrede hebben met je stemmingen.

8. De vreemde vrede van niet-weten is geen onthechting, maar vrede hebben met je gehechtheid.

9. De vreemde vrede van niet-weten is geen kracht, maar vrede hebben met je zwakheid.

10. De vreemde vrede van niet-weten is geen vrede, maar vrede hebben met je onvrede.

11. De vreemde vrede van niet-weten is geen rust, maar vrede hebben met je onrust.

De rust van niet-weten is berusting.

Misschien ben je daar nog lang niet aan toe.

Misschien wel nooit.

Ik heb daar vrede mee.

Ik heb vrede met jouw onvrede.

Jij?

16 - Gekke vrede of de vrede van een gek?

Wat hebben de 11 misverstanden over innerlijke vrede en de 11 vormen van vrede zonder vrede met elkaar gemeen?

Het zijn er 11.

Dat is natuurlijk geen toeval; 11 is het gekkengetal.

Twee keer 11 is dubbelgek.

Dubbelgek is 22 – het kengetal van het begrip ‘catch 22’.

Een catch 22 is een onmogelijke situatie.

Een toestand waar je in zit en niet uitkomt.

Een dilemma.

Een vicieuze cirkel.

Een eindeloze regressie.

Een paradox.

Een tegenstrijdigheid.

Een fuik in een fuik.

En jij bent de fuik.

Vis met een fuik als lichaam.
Een fuik in een fuik – en jij bent de fuik.

Catch 22, dat is mijn favoriete metafoor voor spirituele verlichting.

Het is ook mijn favoriete metafoor voor niet-weten.

In dit Witboek is ieder meervoud van 11 ook een gekkengetal: 22, 33, 44, 55, 66, 77, 88, 99 …

Je zult ze nog vaak tegenkomen, veelvouden van 11.

Een keer of 33.

De wet van de weteloosheid

De een houdt van tellen, de ander van noemen.

Wéten is afgemeten logica.

Niet-weten is leven in de paradox.

Daar heersen andere wetten.

Daar heerst de wet van de weteloosheid.

De vreemde vrede van niet-weten is ongevoelig voor elk gevoel van onvrede, hoe groot ook.

Ze kunnen gewoon naast elkaar bestaan.

Op dezelfde plaats!

Op dezelfde tijd!

In dezelfde mens!

Je snapt het niet!

Beter van niet.

De enige manier om de onuitputtelijke vrede van niet-weten uit te putten is proberen het te snappen.

Ik ben daar gek!

Niet-weten is ont-snappen.

Ontsnappen aan het snappen.

17 - Therapeutisch scepticisme is geen niet-weten

Wat is therapeutisch scepticisme?

Scepticisme is methodische twijfel.

Een leer die methodische twijfel voorschrijft heet een twijfelleer.

Aan de boom van het scepticisme hangen veel loten, en een daarvan is het therapeutisch scepticisme.

Volgens deze twijfelleer is het doel van de sceptische levenshouding ataraxie.

Ataraxie is Grieks voor gemoedsrust, helderheid van geest.

De eerste westerse exponent van deze visie is dacht ik Pyrrho van Elis (360 - 275 voor Christus).

Volgens Pyrrho berust ieder bewijs op onbewezen premissen.

Ataraxie is te bereiken door in te zien dat wij niets kunnen weten.

De wijze schort ieder oordeel op voor onbepaalde tijd.

Dit consequent doorgevoerde uitstel heet in het Grieks epoche.

Zodra je begrijpt dat ieder oordeel een slag in de lucht is, komt het streven naar kennis en waarheid vanzelf tot rust.

Aannames van het therapeutisch scepticisme

Wat ik zo gek vind aan het therapeutisch scepticisme is dat het zelf bol staat van ideeën die kennelijk zijn vrijgesteld van kritisch onderzoek.

Om te beginnen is er het wéten dat wij niets kunnen weten.

Is dat wel zo?

Ten tweede is er het wéten dat dit blote besef een voorspelbaar en wenselijk effect op onze gemoedstoestand zal hebben, namelijk gemoedsrust. En niet, bijvoorbeeld, depressiviteit, apathie, agitatie, wanhoop, alles door elkaar of helemaal niets, wel dan niet afhankelijk van karakter, opvoeding en omstandigheden.

Is dat wel zo?

Ten derde is er het wéten dat je pas een oordeel mag vellen als er een sluitend bewijs voor is.

Is dat wel zo?

Ten vierde is er het wéten dat wij meester zijn over ons lot en er zelf voor kunnen kiezen om ons diepgaand met het scepticisme bezig te houden om uiteindelijk tot het gewenste besef te komen.

Is dat wel zo?

Ten vijfde is er het geloof in de suprematie van de rede, die ervoor zal zorgen dat wij onze huidige overtuigingen zonder meer overboord zullen zetten en onze oordelen zonder meer zullen opschorten zodra we kennis hebben genomen van de onweerlegbare argumenten van het therapeutisch scepticisme.

Is dat wel zo?

Waar ik zelf rustig van word

Vijf aannames is niet gering.

Eerst bewijzen zou ik zeggen, maar zonder terug te vallen op onbewezen premissen, anders blijven we aan de gang.

En terwijl de therapeutisch sceptici massaal de handschoen opnemen en boek na boek vullen met nieuwe bewijzen en verfijnde raadgevingen, ga ik lekker een stukje over niet-weten schrijven.

Daar word ik nou rustig van.

18 - Hoe heet het – de bodemloze bucket van Samuel Beckett

‘Want niets weten is niets, niets willen weten is evenmin iets, maar niets kunnen weten, weten niets te kunnen weten, zo treedt de vrede binnen in de ziel.’

Samuel Beckett

Een sluier die verscheurd moet worden

Samuel Beckett is de twintigste-eeuwse auteur van ontstellende toneelstukken als Wachten op Godot en dito boeken als de trilogie Molloy, Malone sterft en Naamloos.

Hij schrijft niet over niet-weten in spirituele zin, maar wel vanuit dezelfde vervreemding en verbijstering waarvan een spiritueel niet-weten een van de mogelijke resultaten lijkt te zijn.

In 1937, op 32-jarige leeftijd, helemaal aan het begin van zijn carrière, schrijft Samuel Beckett in een brief:

‘Het wordt voor mij werkelijk steeds moeilijker, en zinlozer ook, om fatsoenlijk Engels te schrijven. En steeds meer komt mijn taal me voor als een sluier die verscheurd moet worden om de daarachter liggende dingen (of het daarachter liggende niets) te bereiken. Grammatica en stijl. Ze lijken me net zo aftands geworden als een biedermeier badpak of de onverstoorbaarheid van een gentleman. Een vermomming.

Hopelijk komt er een tijd, en godzijdank is die in zekere kringen al gekomen, waarin de taal juist daar het beste wordt gebruikt, waar ze flink wordt misbruikt. Aangezien wij haar niet op slag kunnen uitschakelen, dienen we in ieder geval niets na te laten dat haar in diskrediet kan brengen. Het ene gat na het andere boren, tot wat zich achter haar verschuilt, iets dan wel niets, begint door te sijpelen - ik kan me voor de tegenwoordige schrijver geen verhevener doel voorstellen.’

(Bzzlletin 193, p35)

Geen antwoord

In 1961, als vijfenvijftigjarige, schrijft Beckett een monoloog zonder interpunctie, Comment c’est.

Aan het eind daarvan noemt de ik-figuur zijn relaas een …

‘niet te kwalificeren gemompel waarvan hier eindelijk de laatste flarden de allerlaatste in de vertrouwde vorm van vragen die ik me stellen zou en van antwoorden die ik me geven zou hoe onwaarschijnlijk dat ook mag lijken mag laatste flarden allerlaatste als het hijgen ophoudt laatste gemompel allerlaatste hoe vreemd dat ook lijken mag

of dat alles dat alles ja of dat alles niet hoe zal ik het zeggen geen antwoord of dat alles niet onwaar is ja

al die berekeningen je verklaringen ja het hele verhaal van het begin tot het eind ja volkomen onwaar ja

dat is anders gebeurd ja heel anders ja maar hoe geen antwoord hoe is het dan gebeurd geen antwoord wat is er dan gebeurd geen antwoord WAT IS ER DAN GEBEURD gebrul goed’

(Hoe het is, De Bezige Bij 1968, pagina 187)

Waanzin

Wanneer we Beckett’s brief uit 1937 als een intentieverklaring van zijn kunstenaarschap opvatten, rijst de vraag of hij er inderdaad in geslaagd is de taalsluier te verscheuren, en zo ja, wat hij erachter heeft aangetroffen.

Voor een antwoord gaan we te rade bij de laatste tekst die Beckett ruim een halve eeuw later, in 1988, op 83-jarige leeftijd op schrift zal stellen, zowel in het Frans als in het Engels, getiteld Comment dire respectievelijk What is the word, door mij vertaald als Hoe heet het.

‘Waanzin’, verklaart de meesterstamelaar aan het eind van deze tekst aan het eind van zijn Latijn aan het eind van zijn leven, ‘om ver weg daarginds een glimp op te schijnen willen vangen van wat nauwelijks … wat … hoe heet het … hoe heet het.’

Hoe heet het

waanzin …
waanzin om te …
om te …
hoe heet het …
waanzin om hieruit …
al dit …
waanzin om uit dit alles …
gegeven …
waanzin om gegeven dit alles …
gezien …
waanzin om gezien dit alles …
dit …
hoe heet het …
dit dit …
dit dit hier …
al dit dit hier …
waanzin om gegeven dit alles …
gezien …
waanzin om gezien dit dit alles hier …
om te …
hoe heet het …
zien …
een glimp opvangen …
op schijnen te vangen …
op te schijnen willen vangen …
waanzin om een glimp op te schijnen willen vangen …
van wat …
hoe zeg je dat nou …
en waar …
waanzin om een glimp op te schijnen willen vangen van wat en waar …
waar …
hoe heet het …
daar …
daarginds …
daar daarginds …
ver weg …
ver weg helemaal daarginds …
ver weg helemaal daarginds nauwelijks …
wat …
hoe heet het …
gezien dit alles …
al dit dit …
al dit dit hier …
waanzin om te zien wat …
een glimp opvangen …
op schijnen te vangen …
op te schijnen willen vangen …
ver weg helemaal daarginds van wat nauwelijks …
waanzin om ver weg daarginds een glimp op te schijnen willen vangen van wat nauwelijks …
wat …
hoe heet het …

hoe heet het

(Comment dire / What is the word, Samuel Beckett, Bzzlletin 193, vertaling: Hans van Dam)

Nog steeds betoverd door de taal

Of het werkelijk waanzin was om een glimp op te willen vangen van hoe-heet-het durf ik niet te zeggen.

Wat mij verbaast is dit: waarom ging de grote Ierse absurdist er, voor zover ik kan nagaan tenminste, zijn hele leven vanuit dat zijn speurtocht hem iets dan wel het niets zou opleveren?

Was hij ondanks alles nog steeds betoverd door de taal met haar overwegend tweewaardige logica – ja of nee, waar of onwaar, aards of heilig, dwaas of wijs, iets of niets, heten of niet heten?

Waarom geen iets of niets of iets-en-niets of iets-noch-niets bijvoorbeeld, om er eens een vierwaardige logica tegenaan te gooien?

Ja of nee of ja-en-nee of ja-noch-nee?

Waar of onwaar of waar-en-onwaar of waar-noch-onwaar?

Aards of heilig of aards-en-heilig of aards-noch-heilig?

Dwaas of wijs of dwaas-en-wijs of dwaas-noch-wijs?

Heten, niet-heten, heten en niet heten of heten noch niet heten – logica blijft logica, hoe waardig ook.

Onderscheidingen blijven onderscheidingen, grenzen blijven grenzen, hokjes blijven hokjes.

Wat te denken van een vijfde optie, buiten iedere logica om en zo mogelijk nog onvoorstelbaarder, nog onbeschrijflijker dan Beckett’s Hoe heet het?

Een mateloos niet-weten

Ik doel op een mateloos niet-weten.

Totale agnose.

Waarin de verbijstering niet blijft kwellen en ook niet tot een oplossing komt, maar tot een climax, een toppunt, een plafond.

En in dat maximum, bij gebrek aan fluctuaties, tot rust.

Een zielenrust in het oog van de verbijstering zelf.

Paradoxale vrede in een grenzenloos niemandsland waar iedereen kan komen, maar niemand beslag op kan leggen.

Een geestelijke ontspanning die dieper en bestendiger is dan je ooit voor mogelijk had gehouden.

In een mateloos niet-weten dienen de gaten die je in de taal boort – of de taal in jou – niet om ‘iets’ of ‘niets’ of ‘iets én niets’ of ‘iets noch niets’ of welk ‘weten’ of ‘niet-weten’, hoe ‘gematigd’ of ‘mateloos’ ook, binnen te laten sijpelen.

Ze dienen om al je gedachten, begrippen, grenzen, hokjes, verklaringen, duidingen, antwoorden en vragen onophoudelijk weg te laten sijpelen.

Als vanzelf.

Zonder uitzondering.

Deze ook.

Ik kan me voor de tegenwoordige schrijver geen mooier tijdverdrijf voorstellen.

19 - Niet-weten is je Waterloo

‘Wat is weten?’

‘Van zinkend schip naar zinkend schip.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Verzuipen.’

20 - De plaats van niet-weten – tips van een gesluierde

Dit is de plaats

Waar verdeeldheid is verdwenen
En eenheid is doorzien

Waar verschillen zijn verdwenen
En gelijkheid is doorzien

Waar de kennis is verdwenen
En de kenner is doorzien

Waar illusies zijn verdwenen
En de werkelijkheid is doorzien

Waar de leerling is verdwenen
En de meester is doorzien

Waar gehechtheid is verdwenen
En onthechting is doorzien

Waar het ego is verdwenen
En het zelf is doorzien

Waar de dharma is verdwenen
En de boeddha is doorzien

Waar het duister is verdwenen
En verlichting is doorzien

Waar de tijd is verdwenen
En het heden is doorzien

Waar het doel is verdwenen
En de weg is doorzien

Waar dwaasheid is verdwenen
En wijsheid is doorzien

Waar de leugen is verdwenen
En de waarheid is doorzien

Waar het hoofd is verdwenen
En het hart is doorzien

Waar de woorden zijn verdwenen
En de antwoorden zijn doorzien

Waar de twijfel is verdwenen
En zekerheid is doorzien

Waar het weten is vergeten
En niet-weten is gezien

Dit was de plaats

21 - ‘En dat ook niet!’ – Woorden in de wind

Toen ik net tot niet-weten was gekomen, kon ik alleen maar stamelen:

‘En dat ook niet! En dat ook niet! En dat ook niet!’

Dit in reactie op gedachten die tevergeefs kaas probeerden te maken van wat ik destijds zelfs geen niet-weten wist te noemen, maar wat neerkomt op gehakt maken van je gedachten, ook die over niet-weten.

Die term, niet-weten, heb ik pas later ontdekt, toen ik in de literatuur dook op zoek naar mensen die iets soortgelijks hadden meegemaakt. Ik moet hem al eerder onder ogen hebben gehad, maar toen was ik er kennelijk niet ontvankelijk voor.

De proza van het stamelen

Jaren ben ik bezig geweest om woorden en uitdrukkingen te verzinnen en te verzamelen en aan elkaar te rijgen tot iets dat enigszins op proza lijkt.

De proza van het stamelen, de proza van het herroepen, de proza van het sprekend niet spreken over denkend niet denken – de proza van agnose.

Tegenwoordig kijk ik vol verbazing terug op die begintijd.

Een woordenlijst heb ik sinds ik hem heb niet meer nodig, en de metaforen fladderen ’s zomers en ’s winters als vlinders door de dwaaltuin van mijn geest.

Makkelijke woorden, moeilijke woorden, sommige lovend, andere neutraal, schertsend of spottend, net wat de situatie vraagt.

Het zijn ook allang geen losse woorden meer, maar hele woordvelden, sjablonen, formules, denkwijzen.

Spielerei

Al die woorden en uitdrukkingen – ei ei, spielerei.

Holle klanken voor een lege leer.

Condensstrepen in de lucht.

Woorden in de wind.

Wervelingen van een hemelskind.

Zondagskindjes van een zwerveling.

Weg ermee.

En weg ook met het ‘weg ermee’.

Voor niet-weten heb je geen speciale woorden nodig.

Niet-weten is het hoofd bieden aan je woorden.

De woorden de woorden laten.

Er niet mee aan de haal gaan.

Ze niet met jou aan de haal laten gaan.

De woorden ‘niet-weten’, ‘agnose’, ‘dwijsheid’, ‘de lege leer’ en ‘verduisterd’ weergegeven als condensstrepen aan de hemel.
‘En dat ook niet!’ – Woorden in de wind.

22 - De mantra van niet-weten

Je weet niet wat je overkomt

Niet-weten – als het je overkomt weet je niet wat je overkomt.

Het neemt je hele denken over.

Of je wil of niet.

Niet alleen het levensbeschouwelijke denken, maar ook het denken van alledag, en daarmee het leven van alledag.

Of het nou over liefde gaat of over lijden, over leven of over sterven, over goden of over duivels, over hebben of over zijn, over vasthouden of over loslaten, over zingeving of over zinloosheid, over fundamentalisme of over twijfel – overal dringt het niet-weten in door.

De afgelopen elf jaar heb ik over al deze onderwerpen geschreven vanuit het non-perspectief van agnose*.

* Agnose is een mooi woord voor niet-weten.

Nergens vanuit dus.

Zonder perspectief.

Dat heeft duizenden dwaalteksten* opgeleverd, die je terug kunt vinden in de elfdelige Agnosereeks.

Een dwaaltekst is een tekst die het niet-weten beschrijft of demonstreert.

Steeds hetzelfde liedje

Hoewel niet-weten precies even gevarieerd, betoverend, raadselachtig en overweldigend is als het leven zelf, zijn teksten over niet-weten dat niet.

Teksten over niet-weten zijn precies even repetitief als het leven zelf.

Even repetitief als eten, drinken, plassen, poepen, slapen, denken, voelen, lachen, huilen, spreken en zwijgen.

Even repetitief als het kloppen van je hart.

De elfdelige Agnosereeks is één boek elf keer herhaald.

De ‘elf’ hoofdstukken van dat ene boek zijn één hoofdstuk elf keer herhaald.

De ‘elf maal elf’ dwaalteksten van dat ene hoofdstuk van dat ene boek zijn één tekst elf maal elf keer herhaald.

Ze komen allemaal op hetzelfde neer.

Een simpel lied – de mantra van niet-weten.

En internationaal, universumtaal.

In het Sanskriet:

In het Grieks:

In het Cyrillisch:

In het Chinees:

In het Japans:

Je ziet, de mantra van niet-weten is maar vier woorden lang.

Iedereen kent hem, jij ook.

Het is een van de eerste dingen die je leert zeggen:

‘Kwenie.’

Het is een van de eerste dingen die je leert verbloemen.

23 - Niet-weten als lege canon

Overbodig

Teksten over niet-weten gaan nergens over, deze ook niet.

Daarom is iedere dwaaltekst er één teveel.

Een mooi woord voor teveel is ‘redundant’.

Iets is redundant als het best gemist kan worden.

Zo kan het woord redundant best gemist worden.

Zo kan deze tekst ook best gemist worden.

Zo kunnen al mijn teksten ook best gemist worden.

Zo kan hun schrijver ook best gemist worden.

Ik heb hem tenminste nog geen dag gemist sinds hij opging in de mist van niet-weten.

Daar ís hij, of niet, zonder het te weten of niet te weten of te niet-weten, of toch?

Ont-stellend

Over niet-weten valt niets stelligs te zeggen, bevestigend noch ontkennend.

Niet-weten is alleen maar ont-stellend.

Ontstellend ont-stellend.

Daarom kent het geen essentiële teksten – niet één.

Alle dwaalteksten, hoe puntig of wollig ook, zijn overbodig.

Het enige wat ze vastleggen is het niet-vastleggen.

Bij wijze van loslaten.

Mijn laatste verhaal

Zou je niet-weten canoniseren dan kreeg je een lege canon.

Dé lege canon, Ø, want waarin zou de ene lege canon, Ø1, moeten verschillen van de andere lege canon, Ø2?

Da’s niet zo best voor een schrijver over niet-weten.

Aan de andere kant: zonder woorden gaat het helemaal niet.

Mensentaal, metataal, oertaal, dierentaal, toontaal, lichaamstaal, gebarentaal, stameltaal, wartaal, wantaal – ik gebruik ze allemaal.

Zo vertel ik mijn laatste verhaal.

24 - Niet-weten als leeg kanon

Niet-weten is een leeg kanon.

Ik laad het met losse flodders en schiet er saluutschoten mee af.

Ze klinken allemaal hetzelfde:

Een simpele beat, de canon van niet-weten.

Intergalactisch, het ritme van de kosmos.

In het Sanskriet:

In het Grieks:

In het Cyrillisch:

In het Chinees:

In het Japans:

Zo slaat het hart van niet-weten:

Boem, boem, boem, ad libitum!

Met een knal eindigt iedere pretentie iets te wéten.

Al was het maar van níet-weten.

Met een knal eindigt iedere pretentie, punt.

Saluut!

25 - Niet-weten als oneindige lus

Het laatste verhaal van het verhaal dat Hans van Dam heet is een doorlopend verhaal over het verhaal dat niet-weten heet.

Dat helemaal geen verhaal is, maar het einde van alle verhalen, groot en klein.

Wat gewoon het volgende verhaal is, en wat doe je eraan.

Een verhaal dat helemaal niet door loopt maar steeds opnieuw dood loopt.

Of positief geformuleerd, steeds opnieuw begint.

Een oneindige lus, een fractaal, een perpetuum mobile, een gemaal.

Draaiend als een derwisj om zijn eigen as.

Net als het denken zelf – of denk jij daar anders over?

Vandaar natuurlijk dat het nergens heen gaat.

Vandaar natuurlijk dat het almaar door gaat.

Net als het vertellen van ‘laatste’ verhalen – dat houdt ook nooit op.

Er is zelfs een woord voor:

De al te menselijke neiging om het laatste verhaal te willen vertellen, wordt endisme genoemd.

Niet te verwarren met eschatologie, de leer van de laatste dingen of van het einde der tijden.

Ook dat soort geleerdheid houdt nooit op.

Leer mij de mensen kennen.

Leer mij het denken kennen.

26 - Wat er achter niet-weten zit

Wat er achter niet-weten zit laat zich raden, schreef ik bij de introductie van het onmogelijke vraagteken.

Heb je het inmiddels geraden?

Ik zal het je laten zien.

Hier heb je het onmogelijke vraagteken nog een keer:

Als we de naden uitvergroten zie je dit:

Bij nader inzien blijkt het ‘onmogelijke vraagteken’ een mozaïek van veelhoeken te zijn:

Je kunt ze zo rangschikken als je wil:

Er is helemaal geen onmogelijk vraagteken!

Dat is een illusie van het oog.

Zoals niet-weten een illusie van de geest is.

Zoals wéten een illusie van de geest is.

Zoals de géést een illusie van de weetikveel is.

Zoals de illusie … een eh … van de …

Je ziet, iedere pretentie iets te weten of niets te weten eindigt met een knal.

Of wist je dat al?

27 - Van niet-weten wil ik zingen!

Een onmogelijk uitroepteken.

Het is je misschien niet ontgaan dat mijn dwaalteksten bol staan van de vraagtekens.*

* Op het moment van schrijven 22.530 stuks.

Het vraagteken staat symbool voor een radicaal niet-weten – het enige niet-weten dat ik ken.

Maar niet-weten heeft nog een kant, waaraan ik in het openbaar minder makkelijk uitdrukking geef.

Dat is de kant van het uitroepteken.

Een onmogelijk uitroepteken uiteraard, want het is onmogelijk te begrijpen dat iets onmogelijks als niet-weten iets werkelijks als hartstocht op kan roepen.

Dat je het wel uit kunt roepen van blijdschap!

Het onmogelijke uitroepteken van niet-weten, uitgevoerd in geborsteld staal.

Toch is het zo.

Hoe leeg het van zichzelf ook is,

Niet-weten vervult mij!

Ik ben ervan doortrokken!

Ik stroom ervan over!

Van niet-weten wil ik zingen!

Dat was het alweer.

Viel best mee, toch?

Niet-weten als sunyata

‘Wat is weten?’

‘Overal wat in zien.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Overal een gat in zien.’

Niet-weten is passen zonder meten

‘Wat is weten?’

‘Alles in een hokje stoppen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Alles in de gaten krijgen.’

28 - Niet-weten voor voyeurs

‘Wat is weten?’

‘Alles dichttimmeren.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Overal kieren zien.’

29 - Niet-weten is verder kijken

‘Wat is weten?’

‘Overal kieren zien.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Door de kieren kijken.’

‘Wat is daar te zien?’

‘Een gapend gat.’

‘Wát?’

‘Noem het dan maar eindeloze vergezichten.’

‘Wauw!’

30 - Niet-weten is geen traditie maar geen-traditie

Oude friet in nieuwe zakken

Niet-weten lijkt nergens op, maar teksten over niet-weten lijken sprekend op elkaar, deze ook.

Een agnost serveert altijd aardappels.

Oude friet in nieuwe zakken.

Eén van die zakken ben ik.

Vol vlekken van buiten, vol botten van binnen.

Vergane glorie, zeg dat wel.

Dat riekt naar traditie, zou je denken, maar zo lang timmer ik nog niet aan de kist.

Bovendien is niet-weten geen traditie.

Nooit geweest ook.

Niet-weten is nooit meer geweest dan een vergeet-me-nietje in bestaande tradities met een heel eigen signatuur – met name zen en mystiek.

Zo van: ‘Amai! Niet-weten is het meest nabai.’*

* Pointe van koan 20 van het Boek van sereniteit. Ik kom er later op terug.

En dan weer gauw over tot de waan van de dag

Niet-weten is geen traditie; niet-weten is geen-traditie.

Geen-traditie is van alle tijden en plaatsen.

Ze vindt zonder bemoeienis van doorgezeten interpreten en obsolete exegeten spontaan haar weg in iedere taal.

In het Nederlands:

In het Sanskriet:

In het Grieks:

In het Cyrillisch:

In het Chinees:

In het Japans:

Iedereen geeft het toe, hoor je dat?

En dan weer gauw over tot de waan van de dag, de orde van de eeuw en de regel van het millennium.

Heb je toch nog een béétje houvast.

31 - Eeuwige leerlingen die eeuwig de leraar uithangen

Als er íets traditioneel is aan niet-weten, dan is het wel het verbloemen ervan.

Verstoppertje spelen.

Voor anderen en voor jezelf.

De hele dag doen alsof je het allemaal wel doorhebt, terwijl je er in werkelijkheid geen zak van snapt (weer die zak) – daar zijn wij mensen meesters in.

Eeuwige leerlingen die eeuwig de leraar uithangen.

Ecce homo, zei Pontius Pilatus, zie de mens, en sloeg een kruis.

Lendendoeken!

Tunica’s!

Toga’s!

Lakenhal!

Lekenbal!

Carnaval!

Scepters!

Slippen!

Sjerpen!

Hoorngeschal!

Hengstenbal!

Carnaval!

Hans van Dam uitgedost als zenmeester.

Alle dagen carnaval.

Behalve met carnaval.

Dan zijn we écht nep.

32 - Oeddha de Neanderlander, onze innerlijke goeroe

De hele dag doen alsof je het allemaal wel doorhebt, daar zijn wij mensen meesters in.

Vraag niet op wie het teruggaat, al die bluf, ik weet het ook niet.

Ik vermoed op Oeddha de Neanderlander (soort uit het geslacht homo), een miljoen jaar voor de Doornenkoning, om en nabij.

Volgens evolutionisten kun je er nog een paar miljard jaar bij doen en hebben we alles wat ons drijft te wijten aan onze verste voorouder, de microbe (Bacteria sapiens sapiens):

Catch 22

1. Ikzucht!

2. Eerzucht!

3. Hebzucht!

4. Baatzucht!

5. Kwelzucht!

6. Spilzucht!

7. Volgzucht!

8. Vleizucht!

9. Weetzucht!

10. Zelfzucht!

11. Bemoeizucht!

12. Dweepzucht!

13. Gemakzucht!

14. Genotzucht!

15. Heerszucht!

16. Moordzucht!

17. Pronkzucht!

18. Slaapzucht!

19. Twistzucht!

20. Wraakzucht!

21. Babbelzucht!

22. Behoudzucht!

Protoreligie op protozoïsche grondslag.

Het zit er diep in, soortgenoten, of je wil of niet.

Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om, zoveel is zeker.

Je hoeft er echt niet voor naar school.

Hardgebakken biologie onder een neocorticale commentator.

En dit is het soort commentaar dat hij ongevraagd produceert.

33 - Was niet-weten een vogel, dan was hij gevlogen

Tweeëntwintig omtrekkende bewegingen.

1. Was niet-weten boeddha, dan doodde hij zichzelf.

2. Was niet-weten god, dan kruisigde hij zichzelf.

3. Was niet-weten leegte, dan zoog ze zich vol.

4. Was niet-weten eenheid, dan verdeelde ze zich.

5. Was niet-weten veelheid, dan telde ze niet mee.

6. Was niet-weten scepticisme, dan betwijfelde hij dat.

7. Was niet-weten zoeken, dan ging het verloren.

8. Was niet-weten vinden, dan zocht het naar niets.

9. Was niet-weten doen, dan liet het dat na.

10. Was niet-weten overgave, dan verzette ze zich.

11. Was niet-weten liefde, dan hield ze van haat.

12. Was niet-weten afwijzing, dan verwierp ze zichzelf.

13. Was niet-weten een standpunt, dan liep het ervan weg.

14. Was niet-weten een bewering, dan nam ze die terug.

15. Was niet-weten een leer, dan trok het van leer.

16. Was niet-weten een conclusie, dan trok ze die niet.

17. Was niet-weten een aanname, dan stootte ze die af.

18. Was niet-weten transmissie, dan gaf ze niets door.

19. Was niet-weten transcendentie, dan dook ze onder.

20. Was niet-weten een woord, dan hield het zijn mond.

21. Was niet-weten niet-weten, dan wist het dat niet.

22. Was niet-weten een vogel, dan was hij gevlogen.

34 - Stijlfiguren niet-weten: overzicht

Welsprekend niet-spreken over denkend niet-denken en wetend-niet-weten zou ik niet kunnen zonder de stijlfiguren antithese, paradox, oxymoron, accumulatio en dubitatio.

Ook de tautologie en de verschillende vormen van ironie, zoals het understatement, de overdrijving en de omkering, zijn handig.

Van de Indiase logica gebruik ik de klassieke stel- en stijlfiguur die het tetralemma wordt genoemd.

De grondvorm van al mijn teksten is de dwaaltekst, een monoloog of dialoog waarin de verschillende stijlfiguren onderdak vinden. Een dwaaltekst kun je opvatten als een overkoepelende stijlfiguur, een metavorm die tot doel heeft het niet-weten niet (alleen) te beschrijven, maar te demonstreren.

Twee stijlfiguren van eigen makelij zijn de regressievraag en de koekoekstekst.

Daarnaast heb ik een persoonlijke voorkeur voor alliteratie, dubbelzinnigheid, herhaling, nieuwvorming, rijm, en woordspeling. Dat zijn bij mij niet zozeer stijlfiguren als stijltics. Ze verdienen geen navolging, vandaar dat ik ze niet in het Witboek niet-weten heb opgenomen.

Stijlfiguren niet-weten

35 - Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om

Hangen aan de hoogste boom

‘Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om’ – ken je die uitdrukking?

Het is een gevleugeld woord uit de zentraditie.

Evenals zowat iedere boeddhistische school werpt de zenschool zich op als de houder en hoeder van het enige ware boeddhisme, dat ‘voorbij de woorden’ zou zijn en daarom alleen overgedragen kan worden ‘van hart op hart’, van generatie op generatie, lees: van zenboeddhist op zenboeddhist.

Ziedaar de rationale voor de voorouderverering en de stamboomcultus die karakteristiek zijn voor zen en waar ook de zogenaamd nuchtere Hollanders zich aan overgeven.

Je kan het niemand kwalijk nemen.

Wie wil er nou een bonsai blijven als hij aan de hoogste boom kan hangen?

Transmissie en transcendentie meneertje, dan ben je het heertje!

En dan nog effe alle voelende wezens bevrijden – de mahakarunaval.*

* Maha karuna is Sanskriet voor Groot Mededogen. Mahayanaboeddhisten leggen de zogeheten bodhisattvagelofte af, die erop neerkomt dat ze alle mensen en dieren uit hun lijden zullen verlossen.

Doe mij maar carnaval.

Boeddholoog of bioloog?

‘Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om’ – verwijst dat zenwoord naar ons boeddhistisch erfgoed of naar onze biologische roots?

Naar de Boeddha of naar de Bacterie?

Wie is onze oudste stamoudste?

Wie voert hier het Hoogste Woord?

Het is maar net aan wie je het vraagt.

Een boeddholoog is nou eenmaal geen bioloog, uitzonderingen daargelaten.

En als je het mij vraagt?

Dan verwijst het naar geen van beide.

Niet naar de Boeddha, niet naar de Bacterie.

Als je het mij vraag verwijst de uitdrukking ‘een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om’ naar …

Niet-weten!

Tja.

Je had het kunnen weten.

36 - De enige gelofte die ik dagelijks afleg is de lege

Beloften doe ik niet lichtvaardig.

Contracten afsluiten nog minder.

Geloften afleggen helemaal niet.

Lekengeloften, kloostergeloften, zwijggeloften, bodhisattvageloften – ik moet er niet aan denken.

Het is niet dat ik principieel iets tegen het afleggen van geloften heb, ik betwijfel alleen of aan alle voorwaarden is voldaan die mijn geloften mogelijk, geloofwaardig en haalbaar maken, of aan zelfs maar één zo’n voorwaarde enigszins.

Naar mijn gevoel kun je pas iets beloven als je zeker weet dat je de touwtjes in handen hebt.

Heb ik dat?

Ik mag dan misschien een wil hebben, maar is die wil van mij?

Hij mag dan misschien van mij zijn, maar is hij daarom vrij?

Kun je zelf bepalen wat je wilt?

Ik weet het niet.

Niet altijd of misschien wel altijd niet.

Zo wil ik bijvoorbeeld best beloften willen doen, contracten willen afsluiten en geloften willen afleggen, maar willen willen is geen willen.

Ik wil het niet, ik heb het nooit gewild, en ik zou niet weten wat ik moest doen om het toch te willen.

Wat ik wil onttrekt zich aan mijn wil.

Waarom zou ik hem dan de mijne noemen?

Zelfs als mijn wil werkelijk van mij was, als ik helemaal zelf kon bepalen wat ik wil, hoe groot is dan mijn zeggenschap over de myriaden omstandigheden die de uitslag van mijn doen en laten mede bepalen?

Ik weet het niet.

Nihil, in veel gevallen.

Zelfs als mijn aandeel groot genoeg zou zijn om ergens voor te gaan, hoe moet ik dan zonder kristallen bol om in de toekomst te kunnen kijken op voorhand weten wat goed of slecht is, in welk opzicht en voor wie en op welke termijn?

Of zelfs maar achteraf?

Zelfs als ik alles vooraf wist, hoe moet ik dan alle verschillende belangen en alle verschillende belanghebbenden en alle verschillende invalshoeken en termijnen, kort, middel, lang, tegen elkaar afwegen en met elkaar in overeenstemming brengen?

Ik weet het niet.

Je kunt erover bomen tot ze de hemel in groeien, naar boven klimmen en het aan God of de Duivel vragen of aan hun stoelpoten zagen tot ze op hun gat vallen en dan weet je nog niks.

Zelf ben ik tegenwoordig minder van het snappen dan van het schrappen.

Meer van het snoeien en het kappen.

Het kan me niet meer boeien of ik laat me niet meer boeien, wat jij wil.

De enige gelofte die ik dagelijks afleg is de lege.

37 - De ene ezel leidt de andere

Raad van elf.

Nasroeddin rijdt achterstevoren op zijn ezel door het dorp …

De eerste dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Welnee, mijn ezel loopt de verkeerde kant op.’

De tweede dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Wat is er verkeerd aan die kant?’

De derde dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Als niemand keek waar hij heen ging zouden er heel wat minder ongelukken gebeuren.’

De vierde dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Als mijn ezel maar de goede kant op kijkt.’

De vijfde dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Ik hoef niet te zien waar ik heen ga.’

De zesde dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Maar als mijn ezel achteruit gaat lopen, zit ik goed.’

De zevende dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Wil ik weten waar een ezel heen gaat?’

De achtste dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Zo denkt mijn ezel dat hij me dwars zit en brengt me toch waar ik wezen moet.’

De negende dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Het is eenvoudiger voor een man om terug te kijken dan voor een ezel om achteruit te lopen.’

De tiende dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Je kijkt zelf de verkeerde kant op.’

De elfde dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘De ene ezel leidt de andere.’

een ezel met aan twee staarten, één aan zijn kont en één aan zijn staart

38 - Het masker van je ware gezicht

Dwaasheid is wat mij het meest bekoort

Het enige dat bij mijn weten rechtstreeks van hart op hart wordt overgedragen buiten de geschriften om is niet-weten.

De ‘wijsheid voorbij alle wijsheid’, met een al te mooi woord.

De ‘wijsheid zonder wijsheid’, met een minder mooi woord.

‘Dwaze wijsheid’, heb ik ook weleens gehoord.

‘Dwaasheid’ is wat mij het meest bekoort.

Daar zijn heus geen hoeders voor nodig, broeders.

Daar zijn heus geen dusters* voor nodig, zusters.

* Een duster is een pij of peignoir voor broeders* van het andere geslacht.

* Een broeder is iemand die op eieren of kussens zit.

Daar is heus geen stamboom voor nodig, of stamhouders.

Daar is heus geen traditie voor nodig.

Daar is heus geen overdracht voor nodig.

Het is er overal en altijd.

Dichterbij dan je oude gewicht.

Dichterbij dan de neus op je gezicht.

Maar alleen voor wie er een neus voor heeft.

Wetologie voor labelaars

Niet-weten is een groot geschenk waar moderne mensen massaal hun neus voor ophalen.

Met moderne mensen bedoel ik mensen waarvan de neuzen allemaal dezelfde kant op wijzen.

Mensen die niet meer weten hoe ze hun neus achterna moeten lopen.

Dat vermogen is herontdekt door postmodernisten en ten top gevoerd door postpostmodernisten – al moet je die laatste met een kaarslichtje zoeken opdat je ze niet verblindt.

Met postpostmodernisten bedoel ik mensen die ook het grote verhaal van het postmodernisme achter zich hebben gelaten. Zij weten het helemáál niet meer.

Postpostpostmodernisten zijn mensen die ook het grote verhaal van het achterlaten van alle grote verhalen achter zich gelaten hebben.

Zij staan wéér een stapje dichter bij niet-weten, lijkt het.

Helaas; het blijft wetologie voor labelaars.*

* Dat geldt voor alle labels van het type (post)imodern voor 0 ≤ i ≤ ∞.

Allemaal voor niets

Omdat er bij en in niet-weten niets over te dragen valt, hoef je voor een inleiding niet-weten nergens heen.

Niet naar school, niet naar een meester, niet naar een priester, niet naar een heilige en niet naar een goeroe.

Je kunt hem hier en nu lezen, gratis en voor niets.

Je kunt voor hetzelfde geld in de spiegel kijken.

Maar dan moet je wel eerst je masker afzetten.

En je ware gezicht natuurlijk, anders zie je nog alleen maar je zelf.

Wat je dan te zien krijgt?

Dat wil je niet weten!

Mannetje dat in de spiegel kijkt en daar een ezelskop ziet.
Ken jEZELf.

39 - Weg van alle antwoorden

En weg van alle vragen.

Nasroeddin raast op zijn ezel door het dorp …

De eerste dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Naar een plek waar mijn ezel stil wil blijven staan.’

De tweede dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Hé mensen, waar blijven jullie nou?’

De derde dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Dat moet je mijn ezel vragen.’

De vierde dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Het is de aarde die onder mij door draait.’

De vijfde dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Hoe hard ik ook ga, ik zit steeds op mijn ezel.’

De zesde dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Rennende ezels balken niet.’

De zevende dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Dat weet ik pas als ik er ben.’

De achtste dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Ik probeer aan mijn ezel te ontkomen.’

De negende dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Als ik maar onderweg ben.’

De tiende dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘De weg is te heet om stil te blijven staan.’

De elfde dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Als ik dat wist, zou ik dan nog haast maken?’

De twaalfde dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Als ik dat wist, ging ik wel de andere kant op.’

De dertiende dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Dat vraag ik me mijn hele leven al af.’

De veertiende dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Wie zegt dat ik ergens heen moet?’

De vijftiende dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Wie snel gaat, is snel nergens.’

De zestiende dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Naar iemand die me dat kan vertellen.’

De zeventiende dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Weg van alle antwoorden.’

De achttiende dorpeling roept:

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Weg van alle vragen.’

40 - Niet-weten is ruimte

‘Wat is niet-weten?’

‘Ruimte.’

‘Waarvoor?’

‘Overal voor.’

‘Zonder onderscheid?’

‘Met, zonder, maakt niet uit.’

‘Dus ook voor weten?’

‘Zeker weten.’

41 - Niet-weten is de tussenruimte zien

‘Waarmee kun je weten vergelijken?’

‘Dingen zien.’

‘Waarmee kun je niet-weten vergelijken?’

‘Tussenruimte zien.’

‘Welke tussenruimte?’

‘De ruimte tussen de dingen.’

‘Maar die kun je toch niet zien?’

‘Daardoor kun je dingen zien.’

42 - De eerste hoofdwet van de psychodynamica

Blurb

Dit is mijn blurb voor deze intro, die trouwens al aardig opschiet:

Wat is spiritueel niet-weten? Lichte inleiding in een duistere zaak. Kennismaking met wat geen kennismaking verdraagt. Voor beginners, gevorderden en gesjeesden.

Een flap van een tekst voor een doelgroep van jewelste. Wie hoort daar nou niet bij?

Monologen afgewisseld met dialogen, dat is het plan.

Maar eerlijk gezegd is het een bijeengeraapt zootje (een ‘bijeengerooid zaapje’ zegt mijn lief lief) en dat kenmerkt mijn schrijverij en mijn bestaan of van wie het ook mag wezen.*

* Niet van mij, denk ik blij, al ben ik vaak herrezen.

Consequent wanordenen

Vergis je niet: bijeenrooien is tegennatuurlijk en zaapjes staan al jaren op de rode lijst van met uitsterven bedreigde tekstsoorten.

Hoewel de tweede hoofdwet van de thermodynamica anders doet vermoeden, is consequent wanordenen voor een mens het moeilijkste wat er is.

In een normaal verstand neemt de entropie* langzaam maar zeker af tot het absolute nulpunt is bereikt.

* Entropie is chaos, het tegenovergestelde van orde.

Zo’n heldere gedachte mag gerust de eerste hoofdwet van de psychodynamica heten, en zo heet hij dan ook.

Eerste hoofdwet van de psychodynamica

In een normaal verstand neemt de entropie langzaam maar zeker af, tot het absolute nulpunt is bereikt.

In niet-weten neemt de entropie juist voortdurend toe tot het toppunt is bereikt.

Dat is de tweede hoofdwet van de psychodynamica, maar dat gaan we het een andere keer over hebben.

En wat mag psychodynamica dan wel wezen?

Psychodynamica, ook wel entropologie genoemd, is psychologie op entropische grondslag – een recente pseudowetenschappelijke doorbraak in de zielkunde gebaseerd op het pionierswerk van de cryptoloog drs. J.N. van Dam.

43 - Drie hulpmiddelen waarmee je de Waarheid kunt zien

X: Waarmee kan ik de Waarheid zien?

H: Met oogkleppen.

X: Ik bedoel, hoe kan ik de Waarheid in het vizier krijgen?

H: Door een helm op te zetten.

X: Laat ik het zo zeggen, waarvan getuigt de Waarheid?

H: Van kokervisie.

44 - Welke visie het dichtst bij niet-weten komt

X: Wat is jouw visie op het leven?

H: Ik zie alles perifeer.

X: Welke visie komt volgens jou het dichtst bij niet-weten?

H: Helikoptervisie.

X: Hè?

H: Doe dan maar staar.

X: Groene staar of grijze staar?

H: Ik zie het verschil niet.

45 - Je zal het maar hebben – kokervisie en megafonie

Kokervisie noemen we de beperkte blik van de weetal die door een rietje kijkt en meent dat hij de hele wereld ziet.

Kokervisie gaat veelal gepaard met megafonie.

Megafonie is luidkeels verkondigen hoe het allemaal zit, of iemand het nou wil horen of niet.

Het is een van de tweeënvijftig kenmerken van de weetal en een van de vijfhonderdtwintig gevolgen van kokervisie.

46 - Hoe je kokervisie voorkomt

X: Hoe voorkom ik kokervisie?

H: Door je ogen te sluiten.

X: Dan zie je niks meer.

H: Dan zie je alles.

X: Alleen de waarheid niet.

H: Alleen niet als waarheid.

47 - Wéten is kijken naar een rietje door een rietje

X: Elke visie is een kokervisie!

H: Deze ook.

X: Wát?

H: Wat?

X: Maar dat kan toch helemaal niet!

H: Die ook.

X: Waanzin!

H: Die ook.

48 - Alleen binnen een kokervisie is een eenduidig ja of nee mogelijk

Kokervisie is de bestaansvoorwaarde voor je heilige gelijk.

Kijken vanuit een standpunt betekent iets zien en de rest niet zien. Wat vanuit jouw standpunt niet te zien is, bestaat niet.

Je bekijkt iets als christen maar niet als moslim.
En gelijk dat je hebt!

Als moslim maar niet als christen.
En gelijk dat je hebt!

Als Tibetaan maar niet als Chinees.
En gelijk dat je hebt!

Als Chinees maar niet als Tibetaan.
En gelijk dat je hebt!

Als Roodhoed maar niet als Geelhoed.
En gelijk dat je hebt!

Als Geelhoed maar niet als Roodhoed.
En gelijk dat je hebt!

Als aanrander maar niet als slachtoffer.
En gelijk dat je hebt!

Als slachtoffer maar niet als aanrander.
En gelijk dat je hebt!

Als ouder maar niet als pedofiel.
En gelijk dat je hebt!

Als pedofiel maar niet als ouder.
En gelijk dat je hebt!

Als autochtoon maar niet als vluchteling.
En gelijk dat je hebt!

Als vluchteling maar niet als autochtoon.
En gelijk dat je hebt!

Als multinational maar niet als punker.
En gelijk dat je hebt!

Als punker maar niet als multinational.
En gelijk dat je hebt!

Als boeddhist maar niet als non-dualist.
En gelijk dat je hebt!

Als non-dualist maar niet als boeddhist.
En gelijk dat je hebt!

Als boeddha maar niet als mens.
En gelijk dat je hebt!

Als mens maar niet als boeddha.
En gelijk dat je hebt!

Als jood maar niet als nazi.
En gelijk dat je hebt!

Als nazi maar niet als jood.
En gelijk dat je hebt!

Als bontdrager maar niet als dierenbeschermer.
En gelijk dat je hebt!

Als dierenbeschermer maar niet als bontdrager.
En gelijk dat je hebt!

Als ooievaar maar niet als kikker.
En gelijk dat je hebt!

Als kikker maar niet als ooievaar.
En gelijk dat je hebt!

Maar je gelijk dank je helemaal aan je beperkte blik. Gelijk heb je doordat je oogkleppen draagt. Je kijkt door een koker die je gezichtsveld beperkt. Je visie is een kokervisie. Alleen binnen een kokervisie is een eenduidig ja of nee mogelijk. Zonder dat je het doorhebt, is het de koker zelf die je bevestigt. Het is de bestaansvoorwaarde voor je heilige gelijk.

Dat geldt niet alleen voor controversiële onderwerpen. Een mooi voorbeeld van academische kokervisie is de Euclidische meetkunde. Dit mathematische bouwwerk is ruim twee millennia lang onaantastbaar geweest. Zelfs de grootste wiskundigen meenden dat de Euclidische meetkunde algemeengeldig was. Pas in de negentiende eeuw besefte men dat er vele meetkundes mogelijk zijn, waarvan sommige beperkt toepasbaar zijn op geïdealiseerde objecten zoals platte vlakken, boloppervlakken of zadeloppervlakken, en andere (voorlopig) zonder toepassing blijven.

Misschien kom je nu in de verleiding om een algemene filosofie te formuleren met als centrale leerstelling dat elke visie een kokervisie is. Een leer van die strekking bestaat al, onder de naam perspectivisme. Mocht het perspectivisme in algemene zin al waar zijn dan is de visie dat elke visie een kokervisie is, op haar beurt een kokervisie – een beperkte en beperkende zienswijze die alleen maar waar lijkt zolang je de wereld door de koker van het perspectivisme bekijkt. Dus waarom zou je?

49 - Niet-weten als lege blik

Niet-weten is kijken met een lege blik.

Kijken met een lege blik, dat is kijken zonder ideeën of idealen.

Nauwkeuriger gezegd: dwars door je ideeën en idealen héén kijken.

Eenvoudiger gezegd: kijken zonder denken.

Dus ook zonder te denken dat je ergens naar kunt kijken zonder denken.

Of dat je nérgens naar kunt kijken zonder denken.

Of dat je dat helemaal niet kunt weten.

Dus ook zonder te denken dat je door te kijken zonder denken toegang krijgt tot, hoe zegt men dat, ‘de onbemiddelde werkelijkheid’ of het ‘Ding-an-sich’ of zo.

Of dat je daar géén toegang toe kunt krijgen.

Of dat er helemaal niet zoiets ís als de onbemiddelde werkelijkheid of het Ding-an-sich of zo.

Of dat je dat helemaal niet kunt weten.

Dus ook zonder te denken dat het aan jou is om te bepalen hoe je kijkt.

Of dat het niet aan jou is om dat te bepalen.

Of dat je dat helemaal niet kunt weten.

Dus ook zonder te denken dat je zomaar dwars door je ideeën en idealen heen zou kunnen kijken.

Of dat je daar nooit doorheen kunt kijken.

Of dat je dat helemaal niet kunt weten.

Dus ook zonder te denken dat er een je is.

Of dat er geen je is.

Of dat hij er wel én niet is.

Of dat hij er wel noch niet is.

Of dat je dat helemaal niet kunt weten.

Wat ik me zo langzamerhand wel begin af te vragen:

Hoe leeg kan een blik zijn zonder verblind te raken door zijn eigen leegte?

Hoe zie jij dat?

collage van geblindeerde hoofdjes door blinddoek en conservenblik voor de ogen
Lege blikken

50 - Het lege gelijk

In niet-weten heeft iedereen gelijk.

Maar in niet-weten heeft niemand gelijker dan wie ook.

Behalve wie dat vindt voor zolang hij het vindt – bijna iedereen dus.

Als iedereen gelijk heeft en als niemand gelijker heeft dan wie ook, wie heeft er dan gelijk?

Niemand natuurlijk.

Ik ook niet.

In niet-weten heeft niemand gelijk of ongelijk.

Niet-weten gaat voorbij gelijk en ongelijk.

Je kunt ook zeggen: gelijk en ongelijk gaan voorbij niet-weten.

Je kunt ook zeggen: niet-weten is het lege gelijk, Ø.

Je kunt ook zeggen: niet-weten is onvergelijkelijk.

Het is maar net hoe je het bekijkt.

Hoe je het ook bekijkt, je blijft kijken.

Juist wie het niet bekijkt, heeft het goed bekeken.

51 - Niet-weten is geen perspectivisme maar je perspectieven doorzien

‘Wat is weten?’

‘Een perspectief op de wereld aanzien voor de wereld zelf.’

‘Hoe kan ik de wereld zelf zien?’

‘Dat je de wereld zelf zou kunnen zien is opnieuw een perspectief.’

‘Bedoel je dat je de wereld zelf niet kan zien?’

‘Dat is opnieuw een perspectief.’

‘Bedoel je dat er niet zoiets is als de wereld zelf?’

‘Dat is opnieuw een perspectief.’

‘Er zijn alleen maar perspectieven, wou je zeggen.’

‘Dat is opnieuw een perspectief.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Geen perspectief.’

‘Daar kan ik me niets bij voorstellen.’

‘Doe dan maar elk perspectief.’

‘Is dat de waarheid of opnieuw een perspectief?’

‘Dat heb je goed gezien.’

52 - Voor alle duizeligheid

‘Heb jij soms iets tegen weten, Hans?’

‘Ik zou niet weten wat.’

53 - Lied van een eerlijke verliezer

De geest van niet-weten

Ik ben niet gek! Ik ben niet dom!

Ik ben alleen maar eerlijk!

Ik weet het niet! Ik weet het niet!

Geloof me, dat is heerlijk!

Bis

Kettinggebed

De geest van niet-weten of Het lied van een eerlijke verliezer is mijn persoonlijke getuigenis in de vorm van een vierregelig lied.

Vier regels met twee titels, dat dan weer wel.

Ik kan zo’n kwatrijn makkelijk 108 keer herhalen zonder me te vervelen.

Ik heb er niet eens een gebedsketting bij nodig, misschien omdat er dagen en maanden tussen zitten.

Het is zo kort dat zelfs ik het kan onthouden.

Nog net.

Jij?

Wacht, ik souffleer het wel even …

54 - Ode aan de deerlijke verliezer

Het spook van niet-weten.

Je bent niet gek! Je bent niet dom!

Ik zeg het je maar eerlijk!

Je weet het niet! Je weet het niet!

Geloof me, dat is heerlijk!*

Bis

* Op den duur.

55 - Leven op de tast

Achterhouden is hun geheim

Veel mensen vragen zich af wat dat toch is, dat niet-weten.

Ze denken aan iets wonderbaarlijks – een wormgat naar een hogere waarheid, werkelijkheid of wezenlijkheid, een tijdloos paradijs voorbij het lijden, alleen toegankelijk voor ingewijden.

Ja joh, kan best wezen, maar niet in mijn woordenboek.

Voor mij is wélweten een wormgat naar een hoger weetikveel enzovoort.

Niet zomaar iets weten, dat je geen poep moet eten, maar een esoterisch weten, gnosis geheten, voorbehouden aan ingewijden die op hun Geheim zitten als nestblijvers op fopeieren.

En wat is het geheim dat is voorbehouden aan ingewijden?

(Tromgeroffel, kanongebulder, BOEM! BOEM! BOEM!)

Achterhouden is hun geheim.

Het doet er niet toe wát, al was het niks – maar wee je segmenten* als je het verklapt!

* Een aardworm heeft er zo’n 150, zeggen ze, waarvan 30 bij zijn gat, maar dat kan ik niet bevestigen, ik raak steeds de tel kwijt.

Een uitgewijde aan deze zijde

Mocht je soms denken dat ik een geheim meedraag dat jij nog niet kent, dan heb ik goed nieuws, of slecht, het is maar net hoe je het bekijkt:

Ik ben nergens in ingewijd.

Integendeel, ik ben overal in uitgewijd, of van uitgewijd, of uit uitgewijd – het werkwoord uitwijden met een lange ij bestaat nog niet, dus ik mag zelf het voorzetsel bepalen en kies blind voor alle drie.

Dat is mijn geheim en wee mijn segmenten als ik het achterhoud.

Ik ben een uitgewijde of een uitgeleide of een ongeleide of een vrijgeleide of hoe zeg je dat – niet zó.

Misschien zo: ik bevind me nog altijd aan deze zijde, aangenomen dat er ergens aan gene zijde een gene zijde is.*

* Dat van ons uit gezien natuurlijk deze zijde is, maar vanuit gene zijde gene zijde, met alle verlangen van dien.

Of zeg maar gerust aan lager wal.

Niet alleen onder de hémel maar ook onder de áárde, zoals het een worm in zijn gat betaamt, in een of andere lagere orde van de categorie wanorde.

Hans van Dam: blindganger levend op de tast.

Meer dan óóit, ben ik bang.

Maar bang ben ik er niet meer voor.

Minder dan ooit.

Worm in de vorm van een vraagteken; een tweede worm die in de knoop zit vormt de punt van het vraagteken.
Blindganger, levend op de tast.

Omdat je nergens in zit!

In het niet-weten waarover ik spreek kun je niet ingewijd worden.

Hoef je niet ingewijd te worden.

Waarom niet?

Omdat je er al in zit.

Tot over je oren.

Tot over je kruin.

Je hoeft het van niemand te horen, behalve van jezelf.

Omdat je wáár in zit?

Omdat je nergens in zit.

Omdat je het van jezelf moet horen, schreeuw ik het in je oren:

Omdat je nergens in zit!

Logisch dat je er niet uit kunt.

Zonde van de moeite, man.

Kijk, dáárin ben ik uitgewijd.

Dit is nu mijn vredestijd.

Mijn geestelijke lenigheid is loos.

56 - Niet-weten is zien dat je denkt dat je de wereld ziet

‘Wat is weten?’

‘Door een raam naar buiten kijken en denken dat je de wereld ziet.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Zien dat je door een raam naar buiten kijkt en denkt dat je de wereld ziet.’

‘Ik geloof dat ik het zie.’

‘Dan is dat je raam.’

‘Zien dat je door een raam naar buiten kijkt en denkt dat je de wereld ziet is ook een raam?’

‘En zien dat door een raam naar buiten kijken en denken dat je de wereld ziet ook een raam is ook.’

57 - Belijdenis van een agnost

Wat is een belijdenis?

Veel religies doen aan een of andere vorm van belijdenis – openlijk getuigen van je geloof.

Meestal is die belijdenis geritualiseerd. Je moet dan in een standaard setting standaard antwoorden geven op standaard vragen in een standaard volgorde ten overstaan van standaard geloofsgenoten.

De tekst van zo’n gestandaardiseerde belijdenis is vaak afgeleid van een catechismus – een opsomming met eenvoudige uitleg van de dogma’s van het geloof in kwestie, ook weer in de vorm van vraag-en-antwoord.

Wat wil ik belijden?

In niet-weten kan er van standaardisatie natuurlijk geen sprake zijn.

Die catechismus kan je ook wel op je buik schrijven, wat zeg ik, in je navel, het ene gat met het andere.

Maar als ik me afvraag hoe ik zo eenvoudig mogelijk duidelijk kan maken wat ik bedoel met een radicaal, grenzeloos en grenzenloos niet-weten, dan denk ik onwillekeurig aan een belijdenis. Het zal mijn stichtelijke opvoeding wel zijn.

Niet mijn lijden wil ik belijden.

Niet mijn weten wil ik belijden.

Mijn niet-weten wil ik belijden

Anders niet.

Groot ongeloof

Wil ik mijn niet-weten belijden, dan moet ik opsommen waar ik als agnost allemaal wel en niet in geloof.

Daarin zit hem de kneep, want dat weet ik juist niet.

Dat moet ik nuanceren.

Het is niet dat ik niks geloof, het is meer dat ik mijn geloof in dit en dat met ongeloof aanzie.

Groot ongeloof.

Ik sta er met één been in (het speelbeen) en met het andere buiten (het standbeen).

En het is niet dat ik zonder ongeloof ben, maar dat ik mijn ongeloof met ongeloof aanzie.

Groot ongeloof.

Ik sta er met één been buiten (het standbeen) en met het andere in (het speelbeen).

Belijden door niet-belijden

Voor mij doet het er niet meer toe waarin ik geloof, want ik geloof het toch niet.

Het doet er niet meer toe waarin ik niet geloof, want dat geloof ik ook niet – en geloof dat ook maar niet.

Opsommen waarin ik wel en niet geloof heeft dus helemaal geen zin.

De belijdenis van een agnost is een lege belijdenis.

Zeg maar gerust dé lege belijdenis, Ø, want waarin zou de ene lege belijdenis van de andere moeten verschillen?

Hoe belijd je een lege belijdenis?

Door niet-belijden natuurlijk.

Niet-weten kun je alleen maar niet-belijden.

Bij dezen.

58 - De theïst, de atheïst en de agnost

Theïst: Er is iets waaraan alles ondergeschikt is!

Atheïst: Er is niets waaraan alles ondergeschikt is!

Theïst: Dat is er wel!

Atheïst: Dat is er niet!

Theïst: Welles!

Atheïst: Nietes!

Theïst: Zeg jij ook eens wat!

Atheïst: Ja joh, zeg jij ook eens wat!

Agnost: Is er iets?

Theïst: Er is iets waaraan alles ondergeschikt is!

Atheïst: Er is niets waaraan alles ondergeschikt is!

59 - De theïst, de atheïst, de agnosticus en de agnost

Theïst: Er is iets waaraan alles ondergeschikt is!

Agnosticus: Dat is niet te bewijzen!

Theïst: Dat het niet te bewijzen is ook niet!

Atheïst: Er is niets waaraan alles ondergeschikt is!

Agnosticus: Dat is ook niet te bewijzen!

Atheïst: Dat het ook niet te bewijzen is ook niet!

Theïst: Welles!

Agnosticus: Nietes!

Atheïst: Welles!

Agnosticus: Nietes!

Theïst: Zeg jij ook eens wat!

Atheïst: Ja joh, zeg jij ook eens wat!

Agnosticus: Nou, komt er nog wat van!

Agnost: Is er iets?

Theïst: Er is iets waaraan alles ondergeschikt is!

Agnosticus: Dat is niet te bewijzen!

Theïst: Dat het niet te bewijzen is ook niet!

Atheïst: Er is niets waaraan alles ondergeschikt is!

Agnosticus: Dat is ook niet te bewijzen!

Atheïst: Dat het ook niet te bewijzen is ook niet!

60 - Niet-weten is geen fideïsme

De fideïst en de agnost.

Fideïst: Ieder weten is uiteindelijk een kwestie van menen te weten.

Agnost: Meent u dat?

Fideïst: Van geloven, bedoel ik. Ieder weten is een kwestie van geloven.

Agnost: Gelooft u dat?

Fideïst: Niet alleen het religieuze weten, maar ook het wetenschappelijke weten en zelfs het wiskundige weten.

Agnost: Zeker weten?

Fideïst: Zonder geloof blijft er niets van over.

Agnost: Dat moet ik van u aannemen.

Fideïst: Ik heb het over wijsgerig fideïsme.*

* Afgeleid van het Latijnse fides, geloof.

Agnost: Aha, u ziet uzelf als een fideïst.

Fideïst: Zeker weten.

Agnost: U bent ervan overtuigd dat ieder weten een kwestie is van geloven.

Fideïst: Dat zeg ik

Agnost: Dan geldt dat ook voor het fideïsme.

Fideïst: Wat zegt u me daar?

Agnost: Als ieder weten een kwestie van geloven is, dan geldt dat ook voor het fideïsme.

Fideïst: Fideïsme is ook maar een geloof?

Agnost: Als het waar is wel.

Fideïst: Dan is het dus niet waar.

Agnost: Als het waar is niet.

Fideïst: En niet-weten dan?

Agnost: Dat is geen geloof.

Fideïst: Wat is het dan wel?

Agnost: Je gedachten niet geloven.

Fideïst: Iedereen gelooft zijn gedachten.

Agnost: Geloof je dat?

Fideïst: Dus niet-weten is geen fideïsme?

Agnost: Ik geloof het niet.

61 - Niet-weten is geen fatalisme en geen activisme

Fatalisme is de neiging alles aan het lot over te laten in de overtuiging dat het leven van begin tot eind vastligt.

Voor de fatalist is de vrije wil een illusie.

Filosofisch gezien is het fatalisme verwant met het determinisme en het stoïcisme.

De fatalistische houding is ook kenmerkend voor orthodoxe varianten van monotheïstische godsdiensten en voor spirituele tradities die het individu voor een illusie houden, zoals de advaita vedanta en sommige boeddhistische scholen.

Het tegenovergestelde van fatalisme is activisme, de overtuiging dat we zelf ons lot bepalen en in actie kunnen en moeten komen om het leven naar onze hand te zetten.

Midden tussen de polen van fatalisme en activisme vinden we de agnost.

De agnost gelooft niet dat alles van te voren vastligt in de onverbiddelijke bewegingen van de kleinste deeltjes, niet dat alles is voorbestemd door een hogere intelligentie of een oppermachtige god, en niet dat de persoon en de vrije wil een illusie zijn.

Hij gelooft niet dat we ons lot geheel of mede zelf bepalen, niet dat de persoon en de vrije wil toch reëel zijn, niet dat een hogere intelligentie of een oppermachtige god ons doelbewust de nodige armslag geeft.

Hij gelooft niet dat we dit soort zaken ooit met zekerheid vast zullen stellen, ook niet dat we het nooit zullen weten.

Zelfs in niet-weten gelooft de agnost niet, want niet-weten is geen geloof.

Niet-weten is niet weten wat je moet geloven, en daar vrede mee hebben.

Vrede hebben met je activisme.

Vrede hebben met je fatalisme.

Vrede hebben met niet-weten.

62 - Niet-weten is geen cynisme of naïviteit

Cynisme is de overtuiging dat je niets en niemand kunt vertrouwen.

Het mateloze wantrouwen van de cynicus komt tot uitdrukking in spot, sarcasme en negativiteit.

Cynisme is het tegenovergestelde van naïviteit en goedgelovigheid, een onvoorwaardelijk vertrouwen in alles en iedereen.

Ik geef toe dat er in niet-weten sprake is van groot wantrouwen, maar dan jegens je eigen gedachten, welke dan ook.

Inclusief de cynische en de naïeve.

Een agnost gelooft niet dat je niets en niemand kunt vertrouwen.

Niet-weten is geen cynisme.

Een agnost gelooft ook niet dat je alles en iedereen kunt vertrouwen.

Niet-weten is geen naïviteit.

Een agnost gelooft trouwens ook niet in groot wantrouwen jegens je eigen gedachten.

Jij?

63 - Geloof jij in toeval?

X: Geloof jij in toeval?

H: Alles is toeval. Niet alles is toeval. Niets is toeval.

X: Hoe bedoel je?

H: Er is geen enkele samenhang tussen de dingen. Er is weinig samenhang tussen de dingen. Er is zeker samenhang tussen de dingen. De meeste dingen hangen samen. Alles hangt samen. Alles is één, dus wat zou er samen moeten hangen?

X: Maar wat is jouw standpunt?

H: Ik heb geen standpunt. Ik heb één vast standpunt. Ik heb nu eens dit standpunt, dan weer dat. Ik heb meerdere standpunten tegelijk. Ik huldig alle standpunten. Geen enkel standpunt is mij vreemd, geen enkel standpunt is mij eigen.

X: Wat heb je nou aan die stomme rijtjes!

H: Alles heeft een doel. Niet alles heeft een doel. Niets heeft een doel.

64 - Negenennegentig bekentenissen van een weetniet

Wat is het precies dat de weetniet allemaal niet weet?

Alles wat ertoe doet.

Ik bedoel, alles waarvan mensen denken dat het ertoe doet.

Zozeer dat ze hun hand ervoor in het vuur steken.

Beter nog, andermans hand.

Andermans hand in het vuur steken heet Inquisitie – net als de belijdenis en de catechismus een uitgekookt vraag- en antwoordspel.

Schrijfwijsheid: de grens tussen belijden en lijden is maar twee letters dun.

Zelf vind ik vooral vreugde in het lege belijden, de loze lyriek.

Ik raak ervan in vuur en vlam zonder mijn handen te verbranden of die van anderen.

Niets hoeft te veranderen of hetzelfde te blijven, ik zou niet weten waarom.

Terwijl mijn vleugels zich spreiden, stijg ik op in mijn eigen thermiek …

1. Ik weet niet wie ik ben.

2. Ik weet niet wat ik ben.

3. Ik weet niet of ik ben.

4. Ik weet niet wie jij bent.

5. Ik weet niet wie mijn lief is.

6. Ik weet niet wat liefde is, niet meer.

7. Ik weet niet wat vriendschap is, niet meer.

8. Ik weet niet waar ik vandaan kom.

9. Ik weet niet waar ik ben.

10. Ik weet niet wat ik hier doe.

11. Ik weet niet waar ik heen moet.

12. Ik weet niet waar ik heen ga.

13. Ik weet niet waar mijn geest ophoudt en mijn lichaam begint.

14. Ik weet niet waar mijn lichaam ophoudt en de wereld begint.

15. Ik weet niet waar ik ophoud en jij begint.

16. Ik weet wat de mens is.

17. Ik weet niet of de mens in wezen goed is.

18. Ik weet niet of de mens in wezen slecht is.

19. Ik weet niet wat goed is.

20. Ik weet niet wat slecht is.

21. Ik weet niet wat leven is.

22. Ik weet niet wat sterven is.

23. Ik weet niet wat er na de dood is.

24. Ik weet niet of er een hemel is.

25. Ik weet niet of er een vagevuur is.

26. Ik weet niet of er een hel is.

27. Ik weet niet of er een bardo is.

28. Ik weet niet of er iets is na de dood.

29. Ik weet niet of ik doodga.

30. Ik weet niet wanneer ik doodga.

31. Ik weet niet hoe ik doodga.

32. Ik weet niet of ik hier al eerder ben geweest.

33. Ik weet niet of ik terugkom.

34. Ik weet niet of alles echt is.

35. Ik weet niet of alles een illusie is.

36. Ik weet niet of alles energie is.

37. Ik weet niet of alles liefde is.

38. Ik weet niet of alles bewustzijn is.

39. Ik weet niet of alles mogelijk is.

40. Ik weet niet of alles spel is.

41. Ik weet niet of alles toeval is.

42. Ik weet niet of alles uniek is.

43. Ik weet niet of alles één is.

44. Ik weet niet of alles geschapen is.

45. Ik weet niet of alles geëvolueerd is.

46. Ik weet niet of alles leeg is.

47. Ik weet niet of alles afhankelijk ontstaat.

48. Ik weet niet of alles veranderlijk is.

49. Ik weet niet of alles vergankelijk is.

50. Ik snap de dieren niet

51. Ik snap de bomen niet.

52. Ik snap de planten niet.

53. Ik snap de dingen niet.

54. Ik snap de zeeën niet.

55. Ik snap het leven niet.

56. Ik snap de aarde niet.

57. Ik snap de maan niet.

58. Ik snap de zon niet.

59. Ik snap het zonnestelsel niet.

60. Ik snap de melkweg niet.

61. Ik snap het heelal niet.

62. Ik snap de moleculen niet.

63. Ik kan mijn gedachten niet doorgronden.

64. Ik kan mijn ideeën niet doorgronden.

65. Ik kan mijn woorden niet doorgronden.

66. Ik kan mijn fantasieën niet doorgronden.

67. Ik kan mijn gedrag niet doorgronden.

68. Ik kan mijn motieven niet doorgronden.

69. Ik kan mijn gevoelens niet doorgronden.

70. Ik kan mijn angsten niet doorgronden.

71. Ik kan mijn verlangens niet doorgronden.

72. Ik kan mijn karakter niet doorgronden.

73. Ik kan mijn dromen niet doorgronden.

74. Ik kan mijn geest niet vinden.

75. Ik kan mijn verstand niet vinden.

76. Ik kan mijn ziel niet vinden.

77. Ik kan mijn hart niet vinden.

78. Ik kan mijn wezen niet vinden.

79. Ik kan mijn essentie niet vinden.

80. Ik kan mijn karakter niet vinden.

81. Ik kan mijn wil niet vinden.

82. Ik kan mijn intuïtie niet vinden.

83. Ik kan mijn instinct niet vinden.

84. Ik kan mijn geweten niet vinden.

85. Ik kan mijn bewustzijn niet vinden.

86. Ik kan mijn onderbewustzijn niet vinden.

87. Ik kan mijn zijn niet vinden.

88. Ik kan mijn persoon niet vinden.

89. Ik kan mijn ego niet vinden.

90. Ik kan mijn zelf niet vinden.

91. Ik kan het Zelf niet vinden.

92. Ik kan het niet-zelf niet vinden.

93. Ik kan mijn wil niet vinden.

94. Ik kan het Absolute niet vinden.

95. Ik kan het relatieve niet vinden.

96. Ik kan God niet vinden.

97. Ik kan de duivel niet vinden.

98. Ik kan de Boeddha niet vinden.

99. Ik kan de Tao niet vinden.

Je ziet, ik kan van alles niet.

Wat ik wel kan is deze bekentenis van wat mij niet bekend is eindeloos uitbreiden, maar je snapt het idee:

In wezen heb ik geen idee.

Maak je daar weer een idee van, dan vervliegen je vleugels en word je zonder mededogen teruggezogen in je eigen zog.

Een nieuwe vorm van zelfbedrog, weer ouderwets blazé.

65 - Niet-weten is steeds door een ander raam kijken

‘Wat is weten?’

‘Steeds door hetzelfde raam kijken.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Steeds door een ander raam kijken.’

‘Kies je daarvoor of overkomt het je?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Wat is de weg naar niet-weten?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Bedoel je dat er vele wegen naar niet-weten zijn?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Is er eigenlijk wel een weg naar niet-weten?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Is er eigenlijk wel zoiets als niet-weten?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Volgens mij kijk jij steeds door hetzelfde raam, Hans.’

‘Volgens mij zie jij mij steeds door hetzelfde raam kijken.’

‘En niet-weten is steeds door een ander raam kijken?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

66 - Wat is niet-weten niet?

Niet-weten is een vrij woord.

Iedereen mag het gebruiken zoals hij wil of moet het gebruiken zoals hij moet wanneer de wil onvrij is.

Dat geldt voor niet-weten zoals het geldt voor alle woorden: zen, mindfulness, verlichting, religie, god, vrijheid, liefje, snoepje, poepje en noem maar opje.

Wat niet-weten voor jou betekent weet ik niet, maar wat het voor mij niet betekent weet ik wel.

Om te voorkomen dat we langs elkaar heen praten heb ik een lijstje van negatieve definities opgesteld. Het is gebaseerd op betekenissen die ik in de loop van de jaren ben tegengekomen in de literatuur, in brieven en in gesprekken over niet-weten.

1. Niet-weten is geen altruïsme.

2. Niet-weten is geen egoïsme.

3. Niet-weten is geen escapisme.

4. Niet-weten is geen onverantwoordelijkheid.

5. Niet-weten is geen zedeloosheid.

6. Niet-weten is geen bezit.

7. Niet-weten is geen bruid.

8. Niet-weten is geen doel.

9. Niet-weten is geen punt.

10. Niet-weten is geen dwaasheid.

11. Niet-weten is geen wijsheid.

12. Niet-weten is geen feit.

13. Niet-weten is geen theorie.

14. Niet-weten is geen leer.

15. Niet-weten is geen geest.

16. Niet-weten is geen openheid.

17. Niet-weten is geen levenshouding.

18. Niet-weten is geen liefde.

19. Niet-weten is geen vriendelijkheid.

20. Niet-weten is geen mededogen

21. Niet-weten is geen onverstoorbaarheid.

22. Niet-weten is geen gemoedstoestand.

23. Niet-weten is geen bewustzijnstoestand.

24. Niet-weten is geen oplettendheid.

25. Niet-weten is geen stilte.

26. Niet-weten is geen gedachteloosheid.

27. Niet-weten is geen therapie.

28. Niet-weten is geen mindfulness.

29. Niet-weten is geen verdienste.

30. Niet-weten is geen god.

31. Niet-weten is geen grond.

32. Niet-weten is geen ideaal.

33. Niet-weten is geen idee.

34. Niet-weten is geen ideologie.

35. Niet-weten is geen traditie.

36. Niet-weten is geen keuze.

37. Niet-weten is geen kompas.

38. Niet-weten is geen rol.

39. Niet-weten is geen kunst.

40. Niet-weten is geen kunstje.

41. Niet-weten is geen praktijk.

42. Niet-weten is geen methode.

43. Niet-weten is geen managementstijl.

44. Niet-weten is geen middel.

45. Niet-weten is geen wachtkamer.

46. Niet-weten is geen donkere nacht van de ziel.

47. Niet-weten is geen transcendentie.

48. Niet-weten is geen minderwaardigheidscomplex.

49. Niet-weten is geen mystagogiek.

50. Niet-weten is geen mysterie.

51. Niet-weten is geen mystieke eenwording.

52. Niet-weten is geen plek.

53. Niet-weten is geen realiteit.

54. Niet-weten is geen reden.

55. Niet-weten is geen spontaniteit.

56. Niet-weten is geen staat.

57. Niet-weten is geen boek.

58. Niet-weten is geen handelswaar.

59. Niet-weten is geen twijfel.

60. Niet-weten is geen verlosser.

61. Niet-weten is geen verwondering.

62. Niet-weten is geen vinden.

63. Niet-weten is geen weg.

64. Niet-weten is geen wondermiddel.

65. Niet-weten is geen zekerheid.

66. Niet-weten is geen aandoening.

Misschien is niet-weten voor jou juist wel een van deze 66 dingen.

Geeft niks – op het punt van definities heeft niemand gelijk of ongelijk.

Zelfs niet in Pedantenland.

Alleen hebben we het dan niet over hetzelfde.

67 - Niet-weten is de puzzel doorzien

‘Wat is weten?’

‘Eindeloos puzzelen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Stukjes zien.’

68 - Niet-weten is het hele plaatje doorzien

‘Wat is weten?’

‘Stukjes zien.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Het hele plaatje zien.’

puzzel van vraagteken
Niet-weten is het hele plaatje zien

69 - De weg is het doel – wat betekent dat nou helemaal

X: De weg is het doel.

H: Wat?

X: De weg heeft geen doel. Het doel is het gaan van de weg.

H: Waarom zou het gaan van de weg een doel zijn?

X: Omdat de weg nergens heen gaat.

H: Hoe weet je dat de weg nergens heen gaat?

X: Wablief?

H: Heb je dat persoonlijk vastgesteld?

X: Omdat … het komt mij voor … ze zeggen … het is toch logisch … wat zou er …

H: Welke weg eigenlijk?

X: Iedere weg, volgens mij.

H: Heb jij iedere denkbare weg helemaal tot het einde toe afgelopen?

X: Natuurlijk niet.

H: Waarom niet?

X: Dat kan nooit.

H: Heb je je eigen weg helemaal tot het einde toe afgelopen?

X: Natuurlijk niet.

H: Waarom niet?

X: Omdat ik niet weet waar het einde is.

H: Waar heb je het dan over?

X: Maar stel nou dat er inderdaad geen eindbestemming is …

H: Maar dat weet je toch niet?

X: … Wat kan het doel dan anders zijn dan de weg zelf?

H: Wat betekent dat nou helemaal.

X: Dat een weg zonder eindbestemming zichzelf rechtvaardigt?

H: In welk opzicht?

X: Eh …

H: Wat is volgens jou het verschil tussen een weg die zichzelf rechtvaardigt en een weg zonder doel?

X: Dat weet ik eerlijk gezegd niet.

H: Nou, ik ook niet.

X: Ik weet niet waar mijn weg heen gaat.

H: Ik ook niet.

X: Ik weet niet eens of hij wel ergens heen gaat.

H: Ik ook niet.

X: Ik weet niet eens of ik wel een weg ga.

H: Ik weet niet eens of er wel een weg is.

X: Ik weet het allemaal niet meer.

H: En dat is wat je bedoelt met ‘de weg is het doel’?

X: Ik ben bang van wel.

H: Zeg dat dan meteen.

70 - De Grote Weg is niet moeilijk

De Grote Weg is niet moeilijk …

Weg in de vorm van twee vraagtekens.

… voor wie hem kwijt is.*

* Variatie op ‘De Grote Weg is niet moeilijk voor wie geen voorkeuren heeft’ van Sengtsan, de tweede chanpatriarch.

71 - De vermoorde onschuld

Volgens het boek Genesis van het Oude Testament waren de eerste mensen, Adam en Eva, ook de eersten die zich schaamden voor hun geslacht en het verstopten achter een vijgenblad.

Ze verloren hun onschuld nadat ze stiekem een appeltje van de verboden boom der kennis hadden gegeten.

Zoals Adam en Eva hun lichamelijke naaktheid voor elkaar verborgen, zo verbergen wij onze geestelijke naaktheid voor elkaar.

Zoals zij zich van vijgenbladen bedienden, zo bedienen wij ons van boekbladen.

Zoals zij toevlucht namen tot de Heer, zo nemen wij toevlucht tot de Leer.

Alles om te verbergen dat wij niet van de boom der kennis hebben gegeten.

Het kan verkeren …

72 - Niet-weten is een boom zonder kennis

‘Wat is weten?’

‘Een boom in een potje.’

vrolijke boom in een glazen pot

‘Wat is niet-weten?’

‘Een boom in de vrije natuur.’

vrijstaande verschrikt kijkende boom

‘Nou, dan zou ik het wel weten.’

‘Nou, ik niet.’

73 - Niet-weten is de ongrond waarin de boom der kennis wortelt

‘Wat is weten?’

‘De boom der kennis.’

‘Wat is niet-weten?’

‘De ongrond waarin de boom der kennis wortelt.’

74 - Niet-weten is het weten terugsnoeien

Onkruid vergaat niet.

H: Wat is niet-weten?

X: Het weten met wortel en al uitrukken.

H: Toe maar.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Het weten terugsnoeien tot de grond.

X: En dan?

H: Kijken hoe het weer opkomt.

X: Waarom zou je het weten niet met wortel en al uitrukken?

H: Omdat het geen wortels heeft?

X: Is dat een antwoord of een vraag?

H: Wat jij wil.

X: Doe dan maar een antwoord.

H: Dan snoei ik het vast terug.

X: En dan?

H: Kijken hoe het weer opkomt.

75 - Niet-weten is de rode draad van ons bestaan

Niet-weten wordt zelden openlijk beleden.

Veel vaker is het verstopt.

Verhuld in welsprekendheid.

Alleen herkenbaar voor de goede verstaander.

Je moet het dan tussen de regels door lezen.

Een aforisme hier, een eufemisme daar – luister maar.

Catch 33

1. Gods wegen zijn wonderbaarlijk.

2. De mens wikt, God beschikt.

3. De tijd zal het leren.

4. De wind waait waarheen hij wil.

5. Lucht en leegte, alles is lucht en leegte.

6. Ik ben die ik ben.

7. Het gaat zoals het gaat.

8. We doen wat we doen.

9. Wij zijn het leven zelf.

10. Het leven is een droom.

11. Het leven is er niet om begrepen te worden maar om geleefd te worden.

12. De zin van het leven is de zin in het leven.

13. De zin van het leven is de zin die we eraan geven.

14. Het ware zelf is slechts gewaar.

15. Wij zijn de kenner, niet de doener.

16. We moeten ons volledig overgeven.

17. Vrije wil bestaat niet.

18. Kome wat komen moet.

19. De weg is het doel.

20. Van het concert des levens krijgt niemand het program.

21. Er is alleen maar dit.

22. Een object is nooit restloos te bepalen.

23. De waarheid is onuitsprekelijk.

24. Eén gek kan meer vragen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden.

25. De hoogste wijsheid is voorbij alle wijsheid.

26. Alles ontstaat afhankelijk.

27. Alles is een illusie.

28. Alles is subjectief.

29. Alles is relatief.

30. Alles is energie.

31. Alles is toeval.

32. Alles is uniek.

33. Alles is zijn.

Zo zijn er duizenden eufemismen om je onbegrip te verhullen.

Alsof het eigenlijk een schande is om niet te weten.

Maar dat is het helemaal niet, integendeel.

Niet-weten is de rode draad van ons bestaan.

76 - Stijlfiguren niet-weten: tautologie

Een tautologie is een waarheid als een koe.

In de logica is een tautologie is een logisch noodzakelijke waarheid in de vorm van een identiteit.

In de retorica is het een stijlfiguur die logisch of semantisch noodzakelijk is:

Ik ben die ik ben.

Ik denk wat ik denk.

Ik doe wat ik doe.

Ik voel wat ik voel.

Het is wat het is.

Het gaat zoals het gaat.

De termen kunnen ook synoniemen zijn:

God is de allerhoogste.

Het Ene is uniek.

Tautologieën fungeren vaak als als quasi-filosofisch eufemisme of als quasi-spirituele dooddoener. Daarom probeer ik ze zoveel mogelijk te vermijden.

77 - De mantel der wijsheid is een weefsel van niet-weten

Niet-weten wordt zelden openlijk beleden.

Veel vaker is het verstopt.

Een goed bewaard geheim toegedekt met de mantel der wijsheid.

Zoveel mensen, zoveel mantels – de ene nog dikker dan de andere!

Catch 55

1. Absurdisme!

2. Advaita!

3. Agnosticisme!

4. Atheïsme!

5. Boeddhisme!

6. Chassidisme!

7. Christendom!

8. Conceptualisme!

9. Consensualisme!

10. Constructivisme!

11 Contextualisme!

12. Cynisme!

13. Dadaïsme!

14. Deconstructivisme!

15. Dzogchen!

16. Eclecticisme!

17. Empirisme!

18. Existentialisme!

19. Externalisme!

20. Fallibilisme!

21. Falsificationisme!

22. Fatalisme!

23. Fideïsme!

24. Fluxus!

25. Holisme!

26. Idealisme!

27. Indeterminisme!

28. Irrationalisme!

29. Kabbalisme!

30. Laxisme!

31. Minimalisme!

32. Monisme!

33. Mystiek!

34. Nihilisme!

35. Nominalisme!

36. Non-dualisme!

37. Obscurantisme!

38. Perspectivisme!

39. Pluralisme!

40. Postmodernisme!

41. Poststructuralisme!

42. Pragmatisme!

43. Pyrronisme!

44. Quiëtisme!

45. Relativisme!

46. Scepticisme!

47. Soefisme!

48. Solipsisme!

49. Stoïcisme!

50. Structuralisme!

51. Subjectivisme!

52. Surrealisme!

53. Taoïsme!

54. Vedanta!

55. Zen!

De mantel der wijsheid is geweven van niet-weten.

Niet-weten is de rode draad van ons bestaan.

De grootste gemene deler van ons gedachtegoed.

Ouder dan de weg naar Rome.

Actueler dan het laatste nieuws.

Paus met clownsneus en bolletje rode wol.
De mantel der wijsheid is geweven van niet-weten. Niet-weten is de rode draad van ons bestaan.

Lees ook de Intergalactische Waarheidsconferentie.

78 - Niet-weten stelt niets voor

We noemen het niet-weten!

We zingen het in koor!

Totdat we het vergeten!

Dan hebben we het door!

Bis

79 - Niet-weten is alles loslaten, ook het loslaten

Al die eufemismen voor niet-weten, je ziet door het bos de bomen niet meer.

Al die mantels der wijsheid, je ziet door de kleren de keizer niet meer.

Om het beter voor het voetlicht te kunnen brengen, heb ik het niet-weten uit de tradities gelicht.

Vrijgeprepareerd van filosofie, religie, mythologie, kosmologie, moraal, ideaal en couleur locale.

Ontdaan van lofspraak, grootspraak, kromspraak en kwaakspraak.

Vergeet Meister Eckhart, vergeet Jan van het Kruis, vergeet Phyrro van Elis.

Vergeet zen, vergeet advaita, vergeet mystiek.

Waar het zo’n beetje op neerkomt?

Alles betwijfelen.

Ook de twijfel.

Alles loslaten.

Ook het loslaten.

Alles tussen aanhalingstekens zetten.

Ook de aanhalingstekens.

Niet oordelen.

Ook niet over het oordelen.

Niets geloven.

Ook dit niet.

Daar komt niet-weten zo’n beetje op neer.

80 - Agnose is een mooi woord voor niet-weten

Een idioot is niks zonder idioticon.

Voordat we verder gaan wil ik daarom een nieuw woord introduceren.

Zes woorden om precies te zijn: agnose, Agnosereeks, agnost, agnostisch, agnostiek en agnosticon.

Niet-weten is een prima woord hoor, daar niet van.

Eenvoudig en zelfverklarend, beter kun je het haast niet zeggen.

Mooier wel.

Daarom heb ik het woord ‘agnose’ bedacht.

Nou, bedacht … het lag al voor me klaar.

Al eeuwen, om precies te zijn.

Agnose

Agnose is samengesteld uit het Griekse a-, niet (als in apathisch en apolitiek) en gnosis, kennis, weten (als in diagnose en prognose).

Agnose betekent letterlijk niet-kennis of niet-weten.

De ontkenning, niet-, zit alleen een beetje verstopt, waardoor het minder negatief klinkt en minder uitgesproken is dan in niet-weten.

Agnose is daarom heel geschikt als eufemisme voor niet-weten.*

* En niet-weten is heel geschikt als dysfemisme voor agnose.

Voorbeeldzin:

In agnose is er geen wezenlijk onderscheid tussen vorm en leegte, aards en heilig, onderscheid een eenheid, weten en niet-weten.

Agnosereeks

Het woord agnose vormt de stam van de samenstelling Agnosereeks.

De Agnosereeks is de naam die ik heb gegeven aan een reeks boeken over niet-weten. Je vind ze op NietWeten.nl en in het Boeddhistisch Dagblad.

Agnosie

Voor zover ik weet wordt het woord agnose in het Nederlands behalve door mij nog helemaal niet gebruikt.

Wel gebruikt wordt het woord agnosie, met de klemtoon op de laatste lettergreep.

Agnosie is een herkenningsstoornis waarbij de waarneming zelf nog intact is.

Een beroemd geval van agnosie is de man die zijn vrouw voor een hoed aanzag, het titelverhaal van het gelijknamige boek van Oliver Sacks.

Agnose is geen agnosie.

Agnosticisme

Ook in gebruik is het woord agnosticisme, de opvatting dat het wel of niet bestaan van God onbewijsbaar is.

Het agnosticisme kun je aanhangen, agnose niet.

Iemand die het agnosticisme aanhangt, heet een agnosticus of een agnost.

Agnost

Bij mij is een agnost geen agnosticus maar een weetniet – iemand die niet weet.

Wat niet weet?

Niks niet weet.

Niet of God bestaat, niet of Zijn wel of niet bestaan wel of niet bewijsbaar is, niets anders over God en niets anders over wat dan ook.

Voorbeeldzin:

Nu eens noem ik mezelf een agnost, dan weer een dummy of een dwijze.

Agnostisch

Het bijvoeglijk naamwoord agnostisch betekent niet-wetend, dwijs.

Voorbeeldzin:

Echt agnostische literatuur is er weinig, het managementsegment daargelaten.

Agnosticon

Het symbool van niet-weten en van de Agnosereeks, Ø, heet officieel het agnosticon.

Het agnosticon als onmogelijk figuur.

Als je ‘agnosticon’ te moeilijk vindt, kan je het ook gewoon het lege symbool of de ‘eh’ noemen.

Alle agnosewoorden op een rijtje

1. agnose: het niet-weten.

2. Agnosereeks: boekenserie over niet-weten.

3. agnost: iemand die niet weet.

4. agnostisch: niet-wetend.

5. agnostiek: weetnietkunde.

6. agnosticon: Ø.

Om de figuurlijke stilte van niet-weten te benadrukken, kun je de woorden met st erin ook met Sst schrijven: agnoSst, agnoSstisch, agnoSstiek, agnoSsticon.*

Mijn spellingcorrector vindt het maar niks, maar die leg ik gewoon het zwijgen op.

81 - Niet-weten is je gedachten niet geloven

In de Agnosereeks vind je honderden definities van niet-weten.

Laten we eens inzoomen op één ervan:

Niet-weten is je gedachten* niet geloven – deze ook niet.

* Onder gedachten versta ik in deze inleiding niet-weten alle mogelijk bewustzijnsverschijnselen, zowel talig als ontalig, met inbegrip van waarnemingen, gevoelens, gemoedstoestanden, verlangens, oordelen, herinneringen, plannen, verwachtingen, ideeën, wanen, dromen, sluimerbeelden en visioenen.

Het tegenovergestelde van niet-weten is weten.

Weten is je gedachten geloven – deze bijvoorbeeld.

Wat als je je gedachten niet gelooft – deze ook niet?

Dan heb je geen antwoorden meer op de grote levensvragen.

Ook niet – laat ik er maar geen doekjes om winden – op de kleine.

Zelfs niet – dan hebben we het ergste meteen maar gehad – op de allerkleinste.

Wie zijn gedachten niet gelooft, heeft geen antwoorden meer.

Ook zijn dualistische gedachten storten in, en daarmee zijn dilemma’s.

1. Hij heeft geen doel meer.

En geen weg.

2. Hij heeft geen ik meer.

En geen zelf.

3. Hij heeft geen vorm meer.

En geen leegte.

4. Hij heeft geen lichaam meer.

En geen geest.

5. Hij heeft geen illusies meer.

En geen werkelijkheid.

6. Hij heeft geen hel meer.

En geen hemel.

7. Hij heeft geen zekerheden meer.

En geen twijfels.

8. Hij heeft geen antwoorden meer.

En geen vragen.

9. Hij heeft geen gelijk meer.

En geen ongelijk.

10. Hij heeft geen woorden meer.

En geen stilte.

11. Hij heeft geen weten meer.

En geen niet-weten.

Geloof je dat?

Wie zijn gedachten niet gelooft, deze ook niet, heeft niets meer.

Hij heeft zelfs niet niets meer.

Dat is alles.

82 - Niet-weten is zelfbezwerend

X: Met welke toverspreuk bezweer jij het weten?

H: Ik hoef het niet te bezweren.

X: Waarom niet?

H: Omdat het zelfbezwerend is.

X: Hoe lang duurt dat ongeveer?

H: Zo lang als een gedachte ongeveer.

X: Geef eens een voorbeeld.

H: ‘Omdat het zelfbezwerend is’ bijvoorbeeld.

83 - Niet meer doen alsof je niet meer doet alsóf

Hoewel niet-weten te simpel is voor woorden, nee … doordát niet-weten te simpel is voor woorden, kan ik niet beloven dat je het zult begrijpen.

Begrijpen is hier sowieso een raar woord.

Wat valt er te begrijpen aan een leeg begrip?

Wat valt er te leren aan een lege leer?

Wat valt er te lezen in een leeg boek?

Wat valt er te weten aan niet-weten?

Niet-weten is geen kwestie van weten.

Niet-weten is een kwestie van niet meer doen alsóf.

1. Niet meer doen alsof je het allemaal wel doorhebt.

2. Niet meer doen alsof je alles al gezien hebt.

3. Niet meer doen alsof je overal geweest bent.

4. Niet meer doen alsof je nergens bang voor bent.

5. Niet meer doen alsof je alles kan.

En niet op de laatste plaats:

6. Niet meer doen alsof je niet meer doet alsof.

Alsof je daarvoor kunt kiezen.

Alsof je de baas bent over het doen alsof.

Alsof je de baas bent over de onnavolgbare omstandigheden die ervoor zorgen dat je steeds weer doet alsof.

Alsof het onder alle omstandigheden de voorkeur verdient om niet meer te doen alsof.

En dat zou ik weten?

Die is gek!

84 - Ontspan je in de lege leer

Kom, laat voorgoed je masker neer!

Verlies je in de lege leer!

Geen welles en geen nietes meer!

Verlaat je op de lege leer!

Je bent geen haan van een geweer!

Verschuil je in de lege leer!

En doet je denken toch eens zeer?

Ontspan je in de lege leer!

Dan neemt dit lied ineens een keer.

Het doet misschien een beetje zeer –

Word lichter dan een donzen veer!

Ontdoe je van de lege leer!

(Afijn, dat zien we dan wel weer.)

85 - Niet-weten is geen welles en geen nietes

‘Wat is weten?’

‘Altijd gelijk hebben.’

‘Dat is mooi.’

‘En altijd ongelijk hebben.’

‘Hè?’

‘Zeg dat wel.’

‘Op hetzelfde moment?’

‘In verschillende opzichten.’

‘Of op verschillende momenten?’

‘In hetzelfde opzicht.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Nooit gelijk of ongelijk hebben.’

‘Hè?’

‘Zeg dat wel.’

‘Op welk moment?’

‘Wanneer dan ook.’

‘In welk opzicht?’

‘In welk opzicht dan ook.’

‘Dat is niet zo mooi.’

‘Dat is weer weten.’

86 - Is niet-weten de sleutel?

Als niet-weten al een sleutel is, dan een zonder slot.

De gedachte dat je er een poort mee opent naar …

Catch 22

God!
Realisatie!
Het absolute!
Non-dualiteit!
Het onzegbare!
Onsterfelijkheid!
Groot Mededogen!
De Werkelijkheid!
Transcendentie!
Alwetendheid!
De Waarheid!
Eenwording!
Openheid!
Perfectie!
Het Zelf!
Nirwana!
Spontaniteit!
Authenticiteit!
Gelukzaligheid!
Innerlijke vrede!
Onverstoorbaarheid!
Onbegrensde Vrijheid!
Een einde aan het lijden!
Onvoorwaardelijke Liefde!
Wijsheid voorbij alle wijsheid!

… is precies dát: een gedachte.

In niet-weten geloof je je gedachten niet.

Ook niet de gedachte dat je je gedachten niet gelooft.

Ook niet de gedachte dat niet-weten een sleutel zonder slot is.

Of de gedachte dat je van je verwachtingen af moet.

Dat je er vanaf kúnt.

Dat dat ergens goed voor zou zijn.

Of dat het nergens goed voor zou zijn.

Ook dat geloof je niet.

En geloof dat ook maar niet.

Niet-weten is een sleutel …

Twee sleutels met een gemeenschappelijke baard (die dus op geen enkel slot past).

… zonder slot.

87 - De elf facetten van niet-weten

De schat van niet-weten is helemaal leeg.

Zo leeg, dat is gewoonweg niet te vatten.

Zelfs niet door niet-vatten.

Bij niet-weten valt niets te halen.

Er valt hooguit iets achter te laten.

Alles wat je meent te weten bijvoorbeeld.

Maar ook alles wat je niet meent te weten.

Ik bedoel, wat je meent niet te weten.

Alles wat je meent dus.

Wat er dan nog overblijft?

Nou eh …

1. Niet weten te onderscheiden.

2. Niet weten te onderbouwen.

3. Niet weten te bevestigen.

4. Niet weten te ontkennen.

5. Niet weten te oordelen.

6. Niet weten te zwijgen.

7. Niet weten te zeggen.

8. Niet weten te kiezen.

9. Niet weten te doen.

10. Niet weten te laten.

En bovenal …

11. Niet weten van niet-weten.

Elf facetten van geen-diamant –

De schat van niet-weten is werkelijk leeg!

Zo leeg, dat is gewoonweg niet te vatten.

Zelfs niet door niet-vatten.

88 - Lezen is geen weten

Stel dat je vastzit in een bibliotheek.

Dat je alleen maar kunt lezen.

Dat alles wat je weet uit boeken komt.

Ook alles wat je weet van de relatie tussen boek en werkelijkheid.

1. Soms lees je dat boeken de werkelijkheid weerspiegelen.

2. Soms lees je dat de werkelijkheid heel anders is.

3. Soms lees je dat de werkelijkheid onkenbaar is.

4. Soms lees je dat boeken de enige werkelijkheid zijn.

Je leest van alles en nog wat.

Maar als je nou alleen maar kunt lezen, hoe moet je dan weten wat echt is?

Lezen is tenslotte geen weten.

Of wou jij beweren dat alles wat je ooit gelezen hebt waar was?

89 - Dromen is geen weten

Stel dat je aan bed gekluisterd bent.

Dat je alleen maar kunt dromen.

Dat alles wat je weet uit dromen komt.

Ook alles wat je weet van de relatie tussen droom en werkelijkheid.

1. Soms droom je dat dromen de werkelijkheid weerspiegelen.

2. Soms droom je dat de werkelijkheid heel anders is.

3. Soms droom je dat de werkelijkheid onkenbaar is.

4. Soms droom je dat dromen de enige werkelijkheid zijn.

Je droomt van alles en nog wat.

Maar als je nou alleen maar kunt dromen, hoe moet je dan weten wat echt is?

Dromen is tenslotte geen weten.

Of wou jij beweren dat alles wat je ooit gedroomd hebt waar was?

90 - Denken is geen weten

Stel dat je opgesloten bent in je geest.

Dat je alleen maar kunt denken.

Dat alles wat je weet uit je hoofd komt.

Ook alles wat je weet van de relatie tussen gedachte en werkelijkheid.

1. Soms denk je dat gedachten de werkelijkheid weerspiegelen.

2. Soms denk je dat de werkelijkheid heel anders is.

3. Soms denk je dat de werkelijkheid onkenbaar is.

4. Soms denk je dat gedachten de enige werkelijkheid zijn.

Je denkt van alles en nog wat.

Maar als je nou alleen maar kunt denken, hoe moet je dan weten wat echt is?

Denken is tenslotte geen weten.

Of wou jij beweren dat alles wat je ooit gedacht hebt waar was?

91 - De metamind is tweedimensionaal

Het droste-effect

Denken is net zoiets als dromen of lezen.

Denken over denken is net zoiets als dromen over dromen of lezen over lezen.

Denken over denken over denken is net zoiets als dromen over dromen over dromen of lezen over lezen over lezen.

Het is net zoiets als een foto van een foto van een foto.

Onder illustrators heet dit het droste-effect, onder filosofen regressie, onder wiskundigen recursie.

Het lijkt eindeloos diep maar het is eindeloos oppervlakkig.

De metamind is tweedimensionaal.

mind: datgene wat verondersteld wordt het denken te doen.

metamind: 1. mind voor zover zij nadenkt over zichzelf; 2. hogere mind die nadenkt over het denken van de lagere.

Dat er werkelijk zoiets is als een mind of metamind (of geest of ziel of verstand of rede of faculteit of ego of zelf of persoon of ik of niet-ik of homunculus) durf ik niet te bevestigen of te ontkennen, al denk ‘ik’ er het ‘mijne’ van.

‘Jij’?

Luchtwortels

Denken lijkt eindeloos diep maar het steunt nergens op, deze gedachte ook niet.

Misschien zul je tegenwerpen dat het denken is geworteld in de waarneming.

Dan zeg ik: Wie weet waar het denken ophoudt en de waarneming begint?

Dan zeg jij: En de waarneming is geworteld in de zintuigen.

Ik: Wie weet waar de waarneming ophoudt en de zintuigen beginnen?

Jij: En de zintuigen zijn geworteld in het lichaam.

Ik: Wie weet waar de zintuigen ophouden en het lichaam begint?

Jij: En het lichaam is geworteld in de werkelijkheid.

Ik: Wie weet waar het lichaam ophoudt en de werkelijkheid begint?

Jij: Dus het denken is geworteld in de werkelijkheid.

Ik:

Of is de werkelijkheid geworteld in het denken?

Of is er geen verschil tussen werkelijkheid en denken?

Of is er geen overeenkomst tussen werkelijkheid en denken?

En is er werkelijk zoiets als ‘hét denken’ en ‘dé werkelijkheid’ of zijn dat ook maar gedachten?

En als werkelijkheid en gedachten onwerkelijk zijn als gedachten, wat zegt dat dan over hun overeenkomsten en verschillen?

Vervolgens begin jij een oeverloos wijsgerig betoog waar pas vier jaar later een eind aan komt met je promotie summa cum laude.

Je stuurt me een presentexemplaar van je proefschrift en belt me een maand later op.

Je zegt: Begrijp je nou wat ik bedoel?

Ik zeg: Begrijp je nou wat ik bedoel?

Het Lege Boek – sneak preview

Wat ben ik toch een sukkel. Ik had haar als antwoord op haar proefschrift natuurlijk een presentexemplaar van Het Lege Boek moeten opsturen, bedenk ik nu het te laat is.

Wat ben ik toch een nitwit. Ik bedenk nu het te vroeg is dat ik de gimmick van het Lege Boek nog niet geïntroduceerd heb.

Nou ja, je hoeft niet briljant te zijn om te begrijpen wat ik ermee bedoel. Je hoeft er zelfs niet dom voor te zijn. Mocht je toch briljant en/of dom zijn:

Het Lege Boek is het boek dat de lege leer bevat.

De lege leer is een ander woord voor niet-weten.

Niet-weten is een wassen neus die ik vergeefs in een bepaalde vorm proberen te kneden.

Een vorm die voorkómt dat iemand hem achterna loopt.

Waar hij ook naar lijkt te wijzen, het is en blijft een fopneus.

92 - Gedachten zijn gedachtewerelden

De meeste mensen nemen zonder meer aan dat hun gedachten waar zijn.

Ze geloven erin.

Blindelings!

Ze laten zich er volledig door leiden.

Blinden in ganzenpas.
De parabel van de blinden.

Maar zijn gedachten wel waar?

Als je probeert te bewijzen dat een gedachte waar is, doen zich … nieuwe gedachten voor.

Die op hun beurt bewezen moeten worden.

Enzovoort, zonder eind.

Het zingt maar rond!

Gedachten bewijzen met andere gedachten is net zoiets als een marionet die aan zijn eigen touwtjes trekt:

Dat kan alleen maar in een tekening.

Gedachten zijn gedachtewerelden.

93 - Blindweg

‘Mijn derde oog is geloof ik blind.’

‘Dan loop je je neus maar achterna.’

Bewerkte foto van de auteur met drie ooglapjes.

94 - Woorden zijn woordenboeken

De meeste mensen nemen zonder meer aan dat woorden werkelijkheden zijn.

Ze stinken erin.

Met open ogen!

Ze laten zich er volledig door leiden.

Maar zijn woorden wel werkelijk?

Als je wilt uitleggen wat een woord betekent, komen er nieuwe woorden in je op.

Die je op hun beurt moet uitleggen.

Enzovoort, zonder eind.

Het zingt maar rond!

Woorden duiden met andere woorden is net zoiets als een wereld die zijn eigen gewicht draagt:

Droste-effect van Atlas op Atlas op Atlas …

Dat kan alleen maar in de ruimte.

Woorden zijn woordenboeken.

95 - Wie schiep de wereld?

De ongeschapen schepper

Wie schiep de schepper?

Deze vraag veronderstelt dat de wereld onafhankelijk van ons bestaat en dat hij geschapen is.

Volgens het Oude Testament was het de Schepper die de wereld schiep, maar wie schiep dan de Schepper?

Deze vraag veronderstelt dat de Schepper onafhankelijk van ons bestaat en dat hij geschapen is.

Volgens gelovigen staat het buiten kijf dat de Schepper bestaat, want dat heeft Hij geopenbaard in de bijbel.

Dat het Zijn openbaring is en niet die van de menselijke auteurs van de bijbel staat buiten kijf, want dat heeft Hij in diezelfde bijbel geopenbaard.

Genesis* maakt bij mijn weten geen woorden vuil aan de genese van de Schepper zelf, maar theologen zijn niet voor één gat te vangen: ze verklaren simpelweg dat de Schepper zelfscheppend is.

* Boek I van het Oude Testament, waarin de schepping wordt beschreven.

Of ze verklaren dat de Schepper zelf ongeschapen is en altijd al bestaan heeft.

Of ze verklaren dat de Schepper geschapen noch ongeschapen is, of geschapen én ongeschapen, of voorbij geschapenheid en ongeschapenheid, al naar gelang hun overtuiging dat Hij bestaat noch niet-bestaat of bestaat én niet bestaat of voorbij bestaan en niet-bestaan is.

Atheologen stellen simpelweg dat de Schepper ongeschapen is omdat hij nooit bestaan heeft.

De zelfscheppende wereld

Wat hebben theologen en atheologen gemeen? Dat ze zeker van hun zaak zijn. Hoe dat kan is mij een raadsel, maar dat is het punt niet. Het punt is dit:

God zou best zelfscheppend of ongeschapen of beide of geen van beide kunnen zijn, maar dat geldt net zo goed voor de wereld als geheel.

Mocht de wereld inderdaad zelfscheppend of ongeschapen of beide of geen van beide blijken te zijn, moeten we haar dan voortaan God noemen en met een hoofdletter schrijven?

God zou best de Schepper van de schepping kunnen zijn, maar hij zou net zo goed een schepping kunnen zijn van Zijn schepping.

Mocht God inderdaad een schepping van Zijn schepping zijn, moeten we hem dan nog wel God noemen en met een hoofdletter schrijven?

Of zou er toch een schepper van de Schepper zijn, een Superschepper?

Zou er dan ook een schepper van de Superschepper zijn, een Supersuperschepper?

Houdt dit een keer op of gaat het door tot in het oneindige?

In het laatste geval, verdient dit oneindige dan een eigen naam of Naam, en is het zelf of Zelf zelfscheppend of hoe zit het?

Het regressieprobleem

De theologische kwestie van de schepping van de schepper is een schoolvoorbeeld van het zogeheten regressieprobleem, dat overal in het denken opduikt.

Een nagel aan de doodskist van filosofen, godsgeleerden, wiskundigen, logici en andere liefhebbers van sluitende systemen en totaalverklaringen.

Koren op de molen van de agnost.

96 - Het regressieprobleem

Op je schreden terugkeren – kan dat?

Steeds wanneer de betrouwbaarheid van onze kennis in het geding is, doen zich vicieuze cirkels en regressies voor.

In de filosofie wordt dit het regressieprobleem genoemd.

Het regressieprobleem kan optreden bij allerlei gedachten, waaronder stellingen, theorema’s, theorieën, oorzaken, redenen, motieven, opvattingen, overtuigingen, (on)geloof, normen, waarden, idealen, motto’s, principes, voorschriften, verboden, begrippen, woorden, doelen, functies, logica, toetsingscriteria en autoriteiten.

Catch 22

1. Om een gedachte te rechtvaardigen moet je terugvallen op andere gedachten die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

2. Om een filosofische stelling te rechtvaardigen moet je terugvallen op andere stellingen die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

3. Om een wetenschappelijke theorie te rechtvaardigen moet je terugvallen op algemenere theorieën die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

4. Om een gebeurtenis te verklaren moet je terugvallen op oorzaken die je ook weer moet verklaren.

Daar is geen einde aan.

5. Om een handeling te verklaren moet je terugvallen op redenen die je ook weer moet verklaren.

Daar is geen einde aan.

6. Om een daad te rechtvaardigen moet je terugvallen op motieven die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

7. Om een opvatting te rechtvaardigen moet je terugvallen op fundamentelere opvattingen die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

8. Om een geloof of ongeloof te rechtvaardigen moet je terugvallen op een dieper geloof of ongeloof dat je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

9. Om een norm, waarde of ideaal te rechtvaardigen moet je terugvallen op algemenere normen, waarden en idealen die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

10. Om een juridische wet te rechtvaardigen moet je terugvallen op algemenere wetten die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

11. Om een motto of principe te rechtvaardigen moet je terugvallen op hogere motto’s en principes die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

12. Om een voorschrift of verbod te rechtvaardigen moet je terugvallen op algemenere voorschriften en verboden die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

13. Om een begrip te verklaren moet je terugvallen op andere begrippen die je ook weer moet verklaren.

Daar is geen einde aan.

14. Om een woord te definiëren moet je het beschrijven in woorden die je ook weer moet definiëren.

Daar is geen einde aan.

15. Om het gebruik van natuurlijke taal voor het uitdrukken van kennis te rechtvaardigen moet je opnieuw gebruik maken van natuurlijke taal.

Daar is geen einde aan.

16. Om het gebruik van symbolische taal voor het uitdrukken van kennis te rechtvaardigen moet je gebruik maken van een hogere symbolische taal of van natuurlijke taal.

Daar is geen einde aan.

17. Om een algemeenheid te verklaren (‘de wereld’, ‘het leven’, ‘de mens’, ‘het denken’, ‘een organisatie’, ‘een organisme’, ‘een orgaan’, ‘een organel’ enzovoort, om nog maar te zwijgen over ‘een doel’, ‘een functie’ en ‘een verklaring’) moet je terugvallen op algemeenheden die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

18. Om een wiskundig theorema te rechtvaardigen moet je terugvallen op andere theorema’s die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

19. Om een redenering te rechtvaardigen moet je terugvallen op een logica (tweewaardig, driewaardig, meerwaardig, discreet, fuzzy, intuïtionistisch, modaal, dialogisch, paraconsistent) die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

20. Om een hypothese te toetsen moet je terugvallen op een toetsingscriterium (verifieerbaarheid, falsifieerbaarheid, meetbaarheid, nut, consistentie, coherentie, consensus) dat je ook weer moet toetsen.

Daar is geen einde aan.

21. Om een autoriteit (staat, kerk, bijbel, god, ratio, gezond verstand, empirie, wetenschap, opleiding, ervaring, hoofd, hart, buik, onderbuik, gevoel, intuïtie, instinct) te rechtvaardigen moet je terugvallen op hogere autoriteiten die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

22. Om je kenvermogen (verstand, geest, intellect, geheugen, zintuigen) te begrijpen moet je gebruik maken van datzelfde kenvermogen.

Daar is geen beginnen aan.

Droste-effect van een vis die een kleinere vis opslokt die een kleinere vis opslokt …
Daar is geen einde aan …

97 - Verklaren is het onbekende herleiden tot het onbekendere

De Latijnse uitdrukking ignotum per ignotius betekent: ‘het onbekende herleiden tot het onbekendere’.

Een verwante uitdrukking is obscurum per obscurius – het herleiden van het duistere tot het meer duistere.

Beide uitdrukkingen geven ironisch commentaar op de verklarende waarde van al te duistere theorieën, maar ze kunnen ook opgevat worden als een generaliserend commentaar op de hele verklaringspraktijk.

Als een kind vraagt waarom alles naar beneden valt en je antwoordt dat het door de zwaartekracht komt, heb je dan iets verklaard?

Zeg ja en ik vraag je: wat is zwaartekracht?

Daarvoor moet je bij de natuurkunde wezen, zeg jij dan.

Ik naar een natuurkundige, komt hij met een volstrekt onbegrijpelijk relativistisch verhaal over massa en tijdruimte.

Of met een ander volstrekt onbegrijpelijk quantumfysisch verhaal over gravitonen.

Die op hun beurt verklaard worden in termen van kwantumvelden.

Die op hun beurt verklaart worden in termen van snaren.

Die voor iedereen iets anders lijken te betekenen, en onmogelijk zijn door te rekenen.

Dit heet: van kwaad tot erger.

Ignotum per ignotius.

Weliswaar heeft de natuurkunde voorspellende waarde, maar daarom maakt ze de wereld nog niet begrijpelijk.

Integendeel, de natuurkunde voegt alleen maar raadsels toe.

Raadsels als zwaartekracht, relativiteit, massa, tijdruimte, quanta, gravitonen en higgsvelden.

Bestaat dat allemaal echt of zijn het denk- en rekenhulpjes?

Daarvoor moet je bij een metafysicus wezen, zeg je.

Ik op zoek naar zo’n wezen, nergens te vinden.

Blijkt de hele filosofie op zijn gat te liggen.

En wat voor gat.

Zo zwart als wat.

Om nog maar te zwijgen over het feit dat zowel de doorijlende fysica zelf als wijlen de na-ijlende metafysica ongeacht hun resultaten, als ver schijnsel, als bezigheid, als bedrijf op zich, volstrekt onbegrijpelijk en onverklaarbaar zijn.

Helemaal in termen van hun eigen verklaringsmodellen.

Wat denk je, zullen we er een socioloog bij halen, of liever een epistemoloog – of zullen we meteen naar de psychiater stappen?

98 - Stijlfiguren niet-weten: regressievraag

Een regressievraag is een stijlfiguur in de vorm van een vraag die zo is geformuleerd dat het regressieve karakter ervan expliciet wordt.

Voorbeelden van regressievragen:

Wat is het doel van het doel?

Wat is de reden van de reden?

Wat is de functie van de functie?

Wat is het nut van het nut?

Wat is de waarde van de waarde?

Wat is de betekenis van de betekenis?

Wat is de oorzaak van de oorzaak?

Wat is de verklaring van de verklaring?

Wat is de zin van de zin (van het leven)?

Wie autoriseert de autoriteit?

Wie schiep de schepper?

Wie controleert de controleur?

Welke wet verklaart de wet?

Waaraan toetsen we de toetsingscriteria?

Welke premissen rechtvaardigen de premissen?

Wat is de logica van de logica?

Wat is de gedachte achter de achterliggende gedachte?

Regressievragen zijn een van de belangrijke stijlfiguren in het arsenaal van de agnost.

99 - Niet-weten is een vragenvuur

‘Wat is weten?’

‘Op iedere vraag een antwoord.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Op ieder antwoord een vraag.’

Vraagteken in de vorm van een lucifer.

100 - Niet-weten is opgebrand zijn

‘Wat is weten?’

‘Op ieder antwoord een vraag, op iedere vraag een antwoord.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Geen antwoorden meer en geen vragen meer.’

Vraagteken in de vorm van een verbrande lucifer; de top brandt nog een beetje na en er komt een rooksliertje uit de vlam in de vorm van een vraagteken.

101 - Vragen naar de onbekende weg

‘Wat is spiritualiteit, Hans?’

‘Vragen stellen.’

‘En dan?’

‘Je vragen bevragen.’

‘En dan?’

‘De woorden in je vragen bevragen.’

‘En dan?’

‘De veronderstellingen in je vragen bevragen.’

‘En dan?’

‘Het vragen bevragen.’

‘Net zolang tot je antwoord hebt gekregen?’

‘Tenzij je voor die tijd bent uitgevraagd.’

‘Ik hoop toch echt dat eerste.’

‘In mijn geval dat laatste.’

‘En dat wou jij spiritualiteit noemen?’

‘En dat zou ik niet-weten noemen.’

102 - Niet-weten is wat ik niet zeg

‘Wat is niet-weten?’

‘Wat ik niet zeg.’

‘Wat is het wel?’

‘Moet je een lel?’

‘Waarom geef je geen antwoord?’

‘Antwoorden is geen niet-weten.’

‘Wat is wel niet-weten?’

‘Moet je dat nog vragen?’

‘Vragen zonder antwoorden?’

‘Dat zeg jij.’

‘En wat zeg jij?’

‘Wat ik niet zeg.’

103 - Het regressieargument

Zoeken naar het einde van het zoeken

Afgaand op de overlevering zijn wij mensen al zolang we schrijven, en misschien al zolang we spreken, en misschien al zolang we denken, zolang als we zijn dus, gretig op zoek naar houvast.

Catch 22

1. We zoeken naar grondbegrippen!

2. We zoeken naar archetypen!

3. We zoeken naar oerprincipes!

4. We zoeken naar vaststaande feiten!

5. We zoeken naar evidente axioma’s!

6. We zoeken naar fundamentele stellingen!

7. We zoeken naar eeuwige wetten!

8. We zoeken naar absolute waarden!

9. We zoeken naar universele rechten!

10. We zoeken naar een steen der wijzen!

11. We zoeken naar een onweerlegbare logica!

12. We zoeken naar een archimedisch punt!

13. We zoeken naar een laatste instantie!

14. We zoeken naar een transcendente god!

15. We zoeken naar de hoogste autoriteit!

16. We zoeken naar de eerste oorzaak!

17. We zoeken naar het laatste woord!

18. We zoeken naar de echte reden!

19. We zoeken naar de ware toedracht!

20. We zoeken naar de uiteindelijke betekenis!

21. We zoeken naar het hoogste doel!

22. We zoeken naar de diepste zin!

We zoeken naar het einde van het zoeken.

We willen eindelijk weleens zekerheid.

Duiken naar de bodem van het denken

Zoeken naar fundamentele zaken – ons diepste wezen, de enige waarheid, het ultieme principe – is net zoiets als zoeken naar de bouwstenen van de kosmos.

Natuurkundigen vinden weliswaar steeds meer deeltjes, maar elementaire, ho maar.

En is het nog wel vinden?

En zijn het nog wel deeltjes, die rare dingetjes die …

● geen massa hebben

● geen ruimte innemen

● op meerdere plaatsen tegelijk verschijnen

● elkaar sneller dan het licht beïnvloeden

● zich dikwijls voordoen als golven

● zich alleen laten beschrijven als waarschijnlijkheidsfuncties

● zich uitsluitend vertonen aan geschoolde waarnemers onder gekunstelde omstandigheden

● zomaar verschijnen en verdwijnen in het ziedende niets dat kwantumvacuüm heet?

Als we al geen elementaire deeltjes kunnen vinden, hoe groot is dan de kans op elementaire gedachten?

Laten we deze redenering het regressieargument noemen.

104 - Het illusieprobleem en het illusieargument

Stel dat ik er ondanks alle vicieuze cirkels en regressies in mijn denken toch in zou slagen mijn kennis van de werkelijkheid zeker te stellen.

Hoe weet ik dan of die werkelijkheid echt is?

Hoe weet ik of mijn leven meer is dan een idee of een droom of een waan of een hallucinatie of een visioen of zelfsuggestie of hypnose of een goddelijke of duivelse illusie?

Dat weet ik niet.

Catch 11

1. Misschien ben ik alleen maar een databestand op een geheugenchip (Total Recall).

2. Misschien ben ik alleen maar een computergestuurd lichaam drijvend in een lauwwarm vruchtwaterbad (The Matrix).

3. Misschien ben ik alleen maar een lichaamloos brein in een vat (William and Mary).

4. Misschien ben ik alleen maar een toeschouwer van andermans leven (Being John Malkovich).

5. Misschien ben ik alleen maar Zhuang Zi die droomt dat hij een vlinder is die droomt dat hij Zhuang Zi is.

6. Misschien speelt de wereld zich helemaal af in mijn bewustzijn (solipsisme).

7. Misschien is de wereld geen andere dan mijn ervaring van de wereld (externalisme)

8. Misschien lig ik op dit moment wel in coma en verbeeld ik me dat ik dit schrijf.

9. Misschien lig jij op dit moment wel in coma en verbeeld je je dat je dit leest.

10. Misschien zijn we Joost weet wie, wat of waar en verbeelden we ons dat we ons dit alleen maar verbeelden.

11. Misschien zijn we allemaal het slachtoffer van de Grote Bedrieger, le malin génie die Descartes liet denken dat hij wás omdat hij twijfelde (‘dubito ergo sum’) en die ons laat denken wat het ook maar is dat we denken.

Vlinder met een lijfje dat de Chinees Zhuang Zi voorstelt.
Vlinder die droomt dat hij Zhuang Zi is die droomt dat hij een vlinder is.

De vraag hoe je vast moet stellen wat werkelijk is, noem ik het illusieprobleem.

De redenering dat we dat nooit zullen kunnen vanwege bovenstaande gedachte-experimenten noem ik het illusieargument.

105 - Het onzekerheidsprincipe

Even samenvatten.

Het regressieargument:

Wat ik ook meen te weten, bewijzen kan ik niets. Al mijn kennis hangt in de lucht.

Het illusieargument:

Wat ik ook kan bewijzen, misschien is het maar een droom. Al mijn bewijzen hangen in de lucht.

De combinatie van het regressieargument en het illusieargument noem ik het onzekerheidsbewijs.

Wat volgt uit het onzekerheidsbewijs noem ik het onzekerheidsprincipe*:

Eigenlijk weet ik niets.

* Vrij naar het gelijknamige principe van de natuurkundige Werner Heisenberg.

Mannetje dat ondersteboven in de lucht hangt.
Al mijn kennis hangt in de lucht: eigenlijk weet ik niets.

106 - Het ononzekerheidsprincipe

Het onzekerheidsprincipe (‘eigenlijk weet ik niets’) volgt uit het onzekerheidsbewijs (regressieargument plus illusieargument), zei ik. Maar is dat wel zo?

Natuurlijk niet!

En waarom dan wel niet?

Omdat het ‘onzekerheidsbewijs’ zichzelf ontkracht.

Ga maar na:

1. Het maakt zonder enige rechtvaardiging gebruik van ongedefinieerde termen als ‘regressie’, ‘illusie’ en ‘bewijs’.

2. Het veronderstelt zonder enige rechtvaardiging dat een gedachte pas waar of waardevol kan zijn als ze bewezen is.

3. Het beroept zich zonder enige rechtvaardiging op een tweewaardige logica.

En zo verder langs onze lijst met vicieuze cirkels en regressies.

Omdat het regressieargument en het illusieargument in hun huidige vorm geen beperkingen kennen, zijn ze overal op van toepassing. Dus ook op zichzelf.

Het onzekerheidsbewijs dat onze bewijzen ongegrond zijn, is zélf ongegrond.

Waardoor ook het onzekerheidsprincipe op losse schroeven komt te staan:

Eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niets weet.

Zelfs mijn kennis dat al mijn kennis in de lucht hangt, hangt in de lucht.

Allemachtig.

Hoe zal ik dit eens noemen …

Het ononzekerheidsprincipe?

Twee mannetjes die onder elkaar in de lucht hangen.
Al mijn kennis hangt in de lucht: eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niets weet.

107 - Het onononzekerheidsprincipe

‘Eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niets weet’, zei ik, en vroeg me af of ik dit het ononzekerheidsprincipe moest noemen.

Maar de vraag is niet hoe we het moeten noemen; de vraag is of we dit dan wel kunnen bewijzen. Nou?

Natuurlijk niet!

Opnieuw vanwege het regressieargument en het illusieargument.

Kunnen we dan misschien bewijzen dat het ononzekerheidsprincipe onwaar is?

Natuurlijk niet!

Nog steeds vanwege het regressieargument en het illusieargument.

Zodat ik hooguit kan zeggen:

Eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niet eens weet dat ik eigenlijk niets weet.

Tjeempie.

En dan moeten we dit zeker het onononzekerheidsprincipe noemen?

Dat is geen spreken meer.

Dat is stotteren.

Drie mannetjes die onder elkaar in de lucht hangen.
Al mijn kennis hangt in de lucht: eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niet eens weet dat ik eigenlijk niets weet.

108 - Het on-on-on-…

‘Eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niet eens weet dat ik eigenlijk niets weet’, zei ik, en stelde voor om dit het onononzekerheidsprincipe te noemen.

Is dat dan tenminste wel waar – of onwaar desnoods?

Natuurlijk niet!

Zodat ik hooguit kan zeggen:

Eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niet eens weet dat ik eigenlijk niet eens weet dat ik eigenlijk niets weet.

En zo kunnen we maar doorgaan. Tot het Koninkrijk kome. Tot Pasen en Pinksteren op één dag vallen. Tot het einde der tijden niet meer valt te onderscheiden van het eeuwige heden of het toekomstige verleden.

Want het ligt nou eenmaal in de aard van een bewering dat ze steeds een of ander wéten uitdrukt.

Een oneindige bewering net zo goed.

Hoe we dit nog moeten noemen?

Gewoon.

Het on-on-on-on-on-on-on-on-on-on-on-…*

* Als je dat te lang vindt, noem je het gewoon het ‘O no!

Zes mannetjes die onder elkaar in de lucht hangen.
Al mijn kennis hangt in de lucht: eigenlijk weet ik niet eens (dat ik eigenlijk niet eens weet) dat ik eigenlijk niets weet.

109 - Niet-weten is weten tussen aanhalingstekens

Wat is het dat zich in geen enkele bewering laat vangen? Zelfs niet in een oneindige? Zelfs niet in een eeuwig stamelen?

Inderdaad: niet-weten.

Precies dit onbewijsbare, zelfvernietigende van-niets-weten.

Dat dus eigenlijk een niet-weten tussen aanhalingstekens is.

Een ‘niet-weten’.

Zelfs van niet-weten weet het niet, en daarmee keert het weten als een boemerang terug.

Maar niet het voormalige, het vanzelfsprekende, het verleidelijke, het grootste, het meeslepende WETEN.

Slechts de schaduw daarvan.

Mannetje met zijn armen omhoog dat onder schot wordt genomen door zijn schaduw.
Slechts de schaduw daarvan.

Een weten tussen aanhalingstekens.

Een ‘weten’.

Voorgoed gegijzeld door niet-weten.

Dat zelf ook al tussen aanhalingstekens stond.

110 - Niet-weten is geen punt

Niet-weten is geen onwetendheid.

Het is geen hoger weten.

Het is ‘weten’ en ‘niet weten’ tegelijk.

Het is het smeltpunt van ‘weten’ en ‘niet weten’.

1. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iets te weten en niet langer meent niets te weten.

Zhi wu zhi heet dit in hoofdstuk 71 van de Daodejing, ‘weten niet weten’ ofwel weten zonder weten, wetend niet weten.

Zhī wùzhī (klassiek Chinees, zhī, weten, kennis + wu, niet + zhi): weten (van) niet weten. Eerste drie tekens van hoofdstuk 71 van de Daodejing.

2. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iets te doen en niet langer meent niets te doen.

Wei wu wei heet dit in hoofdstuk 37 van de Daodejing, ‘doen niet doen’ ofwel doen zonder doen, doende niet doen.*

* Paradoxale uitdrukkingen van deze vorm – duiden zonder duiden, gevend niet geven – worden oxymorons genoemd. Paradoxen in het algemeen en oxymorons in het bijzonder behoren tot de belangrijkste stijlfiguren van de agnost.

3. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iemand te zijn en niet langer meent niemand te zijn.

Zijn zonder zijn kun je dit noemen, zijnde niet zijn.

En zo kunnen we maar doorgaan:

4. Niet-weten is geloven zonder geloven, gelovend niet geloven.

5. Niet-weten is denken zonder denken, denkend niet denken.

6. Niet-weten is oordelen zonder oordelen, oordelend niet oordelen.

7. Niet-weten is spreken zonder spreken, sprekend niet spreken.

8. Niet-weten is voelen zonder voelen, voelend niet voelen.

9. Niet-weten is hechten zonder hechten, hechtend niet hechten.

10. Niet-weten is hebben zonder hebben, hebbend niet hebben.

11. Niet-weten is willen zonder willen, willend niet willen.

Het komt allemaal op hetzelfde neer:

Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent op een of ander punt te zijn.

111 - Stijlfiguren niet-weten: oxymoron

Een oxymoron is een stijlfiguur in de vorm van een verbinding van twee tegengestelde begrippen, bijvoorbeeld:

wetend niet-weten

wissend schrijven

de wijsheid zonder wijsheid

Kenmerkend voor het oxymoron is de bevestigende of ontkennende verbinding van twee tegengestelde begrippen, bijvoorbeeld ‘van een hemelse platvloersheid’ of ‘een levende dode’ of ‘een oorverdovende stilte’. Vaak is de eerste term een bijvoeglijk, de tweede een zelfstandig naamwoord.

‘Oxymoron’ is zelf een oxymoron, samengesteld uit de Griekse woorden oxys (slim) en moros (dom).

Twee voorbeelden van oxymorons met betrekking tot niet-weten:

Mijn spreken is even nietszeggend als mijn zwijgen welsprekend.

Wat goed is in het ene opzicht is verkeerd in het andere.

Een van de meest bekende spirituele oxymorons komt voort uit de traditie van het zenboeddhisme. Ik doel op de poortloze poort, een gevleugeld woord sinds de Chinese zenboeddhist Wumen het als titel voor zijn koancollectie gebruikte.

Een andere is afkomstig uit de Daodejing: wei wu wei oftewel doende niet doen.

Ook in de neoplatoonse filosofie, in de negatieve theologie en in de oosterse filosofie is het oxymoron gemeengoed.

Veel voorkomende formats van het oxymoron

Veel voorkomende formules van het oxymoron zijn A en niet-A, A noch niet-A en voorbij A en niet-A. Bijvoorbeeld goed én kwaad, goed noch kwaad, voorbij goed en kwaad.

Door in de tweede formule, A en niet-A de tweede term, niet-A, te vervangen door zonder A verkrijgen we een vijfde formule: A-zonder-A, in ons voorbeeld goed-zonder-goed of kwaad-zonder-kwaad.

Knoflookkruid, dat wel naar knoflook ruikt maar geen knollen vormt, dankt aan dit verschil zijn naam: look-zonder-look.

Toegepast op niet-weten levert het oxymoron ons zes equivalente uitdrukkingen op:

1. wetend niet-weten

2. weten én niet-weten

3. weten noch niet-weten

4. voorbij weten en niet-weten

5. weten zonder weten

6. niet-weten zonder niet-weten

De laatste is misschien wat zonderling, maar toch een goede waarschuwing tegen de onweerstaanbare neiging niet-weten te verabsoluteren tot een zaak, toestand, persoon, waarheid of god. personificatie, reïficatie, deïficatie – mensen zijn er verzot op. Fabriceren, mummificeren, pontificeren. Essentialisme, heet dat, en eternalisme. Maar dit terzijde.

Voor niet zeggen verkrijgen we op analoge wijze de volgende zes oxymorons:

1. zeggend niet zeggen

2. zeggen én niet zeggen

3. zeggen noch niet zeggen

4. voorbij zeggen en niet zeggen

5. zeggen zonder zeggen

6. niet zeggen zonder niet zeggen

En voor niet doen:

1. doende niet doen

2. doen én niet doen

3. doen noch niet doen

4. voorbij doen en niet doen

5. doen zonder doen

6. niet doen zonder niet doen

Zes formules en hun namen

Hieronder de zes formules van het oxymoron nog even op een rijtje. Ik heb ze voor de herkenbaarheid een naam gegeven, die je meteen weer mag vergeten.

1. bijvoeglijke ontkenning: A’ niet-A

2. dubbele bevestiging: A én niet-A

3. dubbele ontkenning: A noch niet-A

4. overstijging: voorbij A en niet-A

5. positieve herroeping: A-zonder-A

6. negatieve herroeping: niet-A zonder niet-A

In 1 staat A’ voor het van A afgeleide bijvoeglijk naamwoord.

Oxymorons in de Poortloze Poort

In mijn boek Niet om door te komen! De Poortloze Poort gebruik ik oxymorons van het type positieve herroeping (A zonder A): boeddha zonder boeddha (een ‘boeddha’, een lege boeddha), doen zonder doen (‘doen’, niet-doen), ik zonder ik (‘ik’), een leer zonder leer (een ‘leer’, de lege leer), de waarheid zonder waarheid (de ‘waarheid’), weten zonder weten (niet-weten), ‘willen zonder willen’, de wijsheid zonder wijsheid (lege wijsheid). De poort zonder poort, dat is zen zonder zen.

Er staan ook oxymorons van het type A zonder B in: begin zonder einde, deugd zonder regels (‘deugd’, de lege deugd), een leer zonder inhoud, een leraar zonder kennis (een lege leraar), mystiek zonder mysterie (‘mystiek’), een oordeel zonder gelijk (een ‘oordeel’), een sleutel zonder slot (een ‘sleutel’), een traditie zonder verleden (een ‘traditie’),

Daarnaast bevat de Poort elliptische (verkorte) oxymorons van de typen ‘A zonder A’ en ‘A en niet-A’: niet-bereiken (bereiken zonder bereiken, bereiken én niet bereiken, het niet bereiken bereiken), niet-bestaan, niet begrijpen, niet-denken (denken zonder denken, denkend niet denken), niet-doen (doen zonder doen, doende niet doen), niet-geloven (geloven zonder geloven, geloven én niet geloven), niet-grijpen, niet-hebben (hebben zonder hebben), niet-hechten (hechten zonder hechten), niet-mediteren (mediteren zonder mediteren), niet-oordelen (oordelen zonder oordelen), niet-zijn, niet-zoeken.

9.1 De oxymoronautomaat

De oxymoronautomaat is een rijtje taalformules waarmee je paradoxale uitdrukkingen genereert.

Je kunt er je eigen formules aan toevoegen en je kunt de formules toepassen op werkwoorden en zelfstandig naamwoorden naar keuze.

Formules die vaak goede resultaten leveren met spirituele terminologie:

1. on-

2. non-

3. niet-

4. lege x

5. x-loosheid

6. x-loze x

7. x-end niet x-en

8. x én niet-x

9. x noch niet x

10. x zonder x

11. x voorbij

12. x voorbij alle x

13. x voorbij alle x voorbij

14. zelfs niet …

Per term x leveren deze formules gemiddeld vijf tot tien werkbare oxymorons op, afhankelijk van je taalgevoel en je tolerantie voor neologismen.

Ik gebruik de oxymoronautomaat hieronder om synoniemen en hyponiemen van ‘niet-weten’ en ‘weetniet’ te genereren, maar je kunt de oxymorons iedere betekenis geven die je aanspreekt.

Antwoord

Een non-antwoord, een niet-antwoord, het lege antwoord, antwoordloosheid, het antwoordloze antwoord, het antwoord zonder antwoord, de antwoorden voorbij, het antwoord voorbij alle antwoorden, het antwoord voorbij alle antwoorden voorbij.

Begrijpen, begrip

Niet-begrijpen, begriploos begrip, begrijpend niet begrijpen, begrijpen én niet begrijpen, begrijpen noch niet-begrijpen, begrijpen zonder begrip, het begrip voorbij, het begrip voorbij alle begrip(pen), het begrip voorbij alle begrip(pen) voorbij.

Boodschap

Een onboodschap, een non-boodschap, een niet-boodschap, de lege boodschap, de boodschap zonder boodschap, de boodschap voorbij, de boodschap voorbij alle boodschappen, de boodschap voorbij alle booddschappen voorbij, zelfs niet de boodschap dat er geen boodschap is.

Tao(ïsme)

Non-taoïsme, leeg taoïsme, taoloze Tao (dat wil zeggen, de wegloze weg), de Tao zonder Tao (de weg zonder weg), taoïsme zonder Tao, taoïsme zonder taoïsme, de Tao voorbij, het taoïsme voorbij, taoïsme voorbij de Tao.

Denken

Denkend niet denken, denken én niet-denken, denken noch niet-denken, niet-denken, denken zonder denken, het denken voorbij, het denken voorbij het denken, het denken voorbij het denken voorbij.

(Je kunt niet-weten ook omschrijven als een denken dat zich leeg denkt, vrij denkt, dood denkt, als een zich leegdenken, vrijdenken, dooddenken.)

Deugd

De lege deugd, deugdloze deugd, deugd zonder deugd, de deugd voorbij, de deugd voorbij alle deugd, de deugd voorbij alle deugd voorbij, voorbij deugd en ondeugd.

Doen

Niet-doen, doeloos doen, doeloosheid, doende niet doen, doen én niet-doen, doen noch niet-doen, niet-doen, doen zonder doen, het doen voorbij, het niet-doen voorbij, voorbij doen en niet-doen, het doen voorbij het doen, het doen voorbij het doen voorbij, zelfs niet doen aan niet-doen.

Dharma

De lege dharma, de dharma zonder dharma, de dharma voorbij, de dharma voorbij alle dharma’s, de dharma voorbij alle dharma’s voorbij.

Filosofie

Non-filosofie, lege filosofie, (de) filosofie zonder filosofie, de filosofie voorbij, de filosofie voorbij alle filosofie, de filosofie voorbij alle filosofie voorbij.

ik noem niet-weten ook wel dwijsbegeerte, de weetniet een dwijsgeer.

Gelofte

De non-gelofte, de lege gelofte, de gelofte zonder gelofte, de gelofte voorbij, de gelofte voorbij alle geloften, de gelofte voorbij alle geloften voorbij.

Geloof

Een non-geloof, het lege geloof, het geloof zonder geloof, geloven zonder geloven, geloven zonder geloof, het geloof voorbij, het geloof voorbij ieder geloof, het geloof voorbij ieder geloof voorbij, voorbij geloof en ongeloof, het ongeloof voorbij, zelfs niet geloven in niet-geloven.

Hechten

Hechtend niet-hechten, hechten én niet-hechten, hechten noch niet-hechten, niet-hechten, hechten zonder hechten, het hechten voorbij, de onthechting voorbij, voorbij hechten en onthechten, voorbij gehechtheid en onthechting, zelfs van onthechting onthecht, zelfs niet hechten aan niet-hechten.

Inzicht

Het lege inzicht, het inzichtloze inzicht, het inzicht zonder inzicht, het inzicht voorbij, het inzicht voorbij ieder inzicht, het inzicht voorbij ieder inzicht voorbij.

in plaats van een inzicht noem ik niet-weten ook weleens een uitzicht of uitzicht zonder inzicht of Groot Uitzicht.

Kennen

Het lege kennen, de lege kennis, kenneloosheid, kennisloosheid, kenneloos kennen, kennisloze kennis, kennend niet kennen, kennen én niet-kennen, kennen noch niet-kennen, kennen zonder kennen, de kennis zonder kennis, het kennen voorbij, de kennis voorbij, het kennen voorbij ieder kennen, de kennis voorbij alle kennis, het kennen voorbij ieder kennen voorbij, de kennis voorbij alle kennis voorbij.

Leer

De onleer, de non-leer, de niet-leer, de lege leer, de leer zonder leer, de leerloze leer, de leer voorbij, de leer voorbij elke leer, de leer voorbij elke leer voorbij.

Dat kun je natuurlijk ook doen met exotische namen voor de leer, zoals het boeddhistische dharma: de dharma zonder dharma, de dharmaloze dharma, de dharma voorbij, de dharma voorbij elke dharma, de dharma voorbij elke dharma voorbij.

Leraar, leerling

Een onleraar, onleerling, een non-leraar, non-leerling, een niet-leraar, niet-leerling, een afleraar, afleerling, een leraar/leerling zonder lering/leer, een lege leraar, lege leerling, een leraar zonder leraren, een leraar zonder leerlingen, een leerling zonder leraren, de leraren voorbij, de leerlingen voorbij.

Meditatie

Non-meditatie, mediterend niet-mediteren, mediteren én niet-mediteren, meditatie én niet-meditatie, mediteren noch niet-mediteren, meditatie noch niet-meditatie, niet-meditatie, niet-mediteren, mediteren zonder mediteren, meditatie zonder meditatie, het mediteren voorbij, de meditatie voorbij, meditatie voorbij alle meditatie, de meditatie voorbij alle meditatie voorbij.

Meester

Een onmeester, een non-meester, een niet-meester, een lege meester, een meesterloze meester, een meester zonder meester, het meesterschap voorbij.

Mystiek

Lege mystiek, mystiekloze mystiek, mystiek zonder mystiek, de mystiek voorbij, de mystiek voorbij alle mystiek, de mystiek voorbij alle mystiek voorbij.

(De mystiek van niet-weten noem ik graag weetnietmystiek of de mystiek van alledag.)

Onderricht

Het lege onderricht, het onderricht zonder onderricht, het onderricht voorbij, het onderricht voorbij alle onderricht, het onderricht voorbij alle onderricht voorbij.

Paradigma

Een non-paradigma, het lege paradigma, het paradigmaloze paradigma, het paradigma zonder paradigma, het paradigma voorbij, het paradigma voorbij alle paradigma’s, het paradigma voorbij alle paradigma’s voorbij.

Religie

Een non-religie, de lege religie, religieloze religie, religie zonder religie, de religie voorbij, de religie voorbij alle religie, de religie voorbij alle religie voorbij.

Spiritualiteit

Lege spiritualiteit, spiritualiteit zonder spiritualiteit, de spiritualiteit voorbij, de spiritualiteit voorbij alle spiritualiteit, de spiritualiteit voorbij alle spiritualiteit voorbij.

Stelling

De lege stelling, de stelling zonder stelling, de stellingen voorbij, de stelling voorbij alle stellingen, de stelling voorbij alle stellingen voorbij.

(zo ook met conclusie, principe, motto …)

Waarheid

Een non-waarheid, de lege waarheid, de waarheid zonder waarheid, de waarheid voorbij, de waarheid voorbij alle waarheden, de waarheid voorbij alle waarheden voorbij.

Weg

De onweg, de non-weg, de niet-weg, de wegloze weg, de weg zonder weg, de weg voorbij, de weg voorbij alle wegen, de weg voorbij alle wegen voorbij.

Het lege weten, weteloosheid, weteloos weten, wetend niet weten, weten én niet-weten, weten noch niet-weten, weten zonder weten, het weten voorbij, het weten voorbij ieder weten, het weten voorbij ieder weten voorbij, zelfs niet weten van niet-weten.

Wijsheid

Non-wijsheid, de lege wijsheid, de wijsheid zonder wijsheid, de wijsheid voorbij, de wijsheid voorbij alle wijsheid, de wijsheid voorbij alle wijsheid voorbij.

Woord

Het lege woord, het woordloze woord, het woord zonder woord, de woorden voorbij, het woord voorbij alle woorden, het woord voorbij alle woorden voorbij.

Zen

Non-zen, lege zen, onzen (titel van een boek van Jan Bor: OnZen), zenloze zen, zen zonder zen.

De zen van niet-weten noem ik ook graag weetnietzen.

Hoe je het allemaal ook noemt, het blijft een wassen neus. Wat je ook over niet-weten zegt, uiteindelijk zeg je niks.

En dat met zoveel woorden.

112 - Niet-weten is een gedachtegang zonder uitgang

‘Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent op een of ander punt te zijn’, zei ik.

Dat geen punt meer … dat is geen-punt.

Dat zijn drie puntjes.

Dat is een beletselteken:

Een beletselteken gebruik je als …

– Iemand met stomheid geslagen is.

– Niet bekend is hoe het verhaal verdergaat.

– Het verhaal niet tot een besluit komt.

Of is niet-weten eerder een vraagteken?

?

Nee, een uitroepteken, dat zal het zijn!

!

Als je het mij vraagt is niet-weten beletselteken, vraagteken en uitroepteken in één:

Toch liever uitgeschreven?

?!?

Je kunt het ook op z’n Spaans schrijven:

¿!?

maar dan valt het beletselteken uit elkaar. Dan liever een gespiegeld vraagteken:

⸮!?

Dit is de ingetogen variant, een hoofd met twee oren, die past bij mijn eerste jaren als weetniet.

Er is ook een opgetogen variant die inmiddels beter bij me past:

!?!

En een socratische variant met twee naar buiten gerichte vraagtekens die nog beter bij me past:

?!⸮

Afijn, die vier leestekens (de vierde is het beletselteken ingebed in de andere drie) in een of andere combinatie staan hier symbool voor niet-weten.

Ze staan ook symbool voor de paradox – gedachtegang zonder uitgang.

Dat is geen toeval, want niet-weten is leven in de paradox.

Metamorfose van een stip in een vraagteken in een uitroepteken in een vraagteken in een stip.
Levensloop van een agnost.

113 - Niet-weten is een paradox

‘Wat is de crux van niet-weten?’

‘Zelfs niet weten van niet-weten.’

‘Ai, een dubbele ontkenning.’

‘Ja ja.’

‘Ai, een dubbele bevestiging.’

‘Je had commentator moeten worden.’

‘Bedoel je met ‘zelfs niet weten van niet-weten’ dat je toch kunt weten?’

‘Als ik dat eens wist.’

‘Is dat een bevestiging of een ontkenning?’

‘Ai, een paradox.’

114 - Niet weten is dubbel of quitte

Niet-weten is alles afbreken.

Ook het afbreken.

Niet-weten is alles verliezen.

Ook het verliezen.

Niet-weten is alles ontkennen.

Ook het ontkennen.

Niet-weten is alles weerspreken.

Ook het weerspreken.

Niet-weten is alles relativeren.

Ook het relativeren.

Niet-weten is niets geloven.

Ook je ongeloof niet.

Niet-weten is niets afwijzen.

Ook niet het afwijzen.

Niet-weten is overal aan twijfelen.

Ook aan het twijfelen.

Niet-weten is ruimte voor alles.

Ook voor ruimtegebrek.

Niet-weten is overal voorbijgaan.

Ook aan het voorbijgaan.

Niet-weten is bevrijding.

Ook van de vrijheid.

Niet-weten is loslaten.

Ook het loslaten.

Niet-weten is onthechting.

Ook van onthechting.

Niet-weten is nergens over oordelen.

Ook niet over oordelen.

Niet-weten is geen standpunten hebben.

Ook niet over standpunten.

Niet-weten is van niets weten.

Ook niet van niet-weten.

115 - Niet-weten is overleven in de paradox

De werkelijkheid is een wijd opengesperde muil die oorverdovend zwijgt. Of rochelt. Of schreeuwt, net hoe zijn pet staat. Met miljarden stemmen door elkaar. Maar gewoon antwoord geven is er niet bij. Tenzij ik zijn taal niet versta. Zijn kakofonie niet als taal herken.

Misschien spreekt hij perfect Rochels, wie zal het zeggen. Snateren eenden maar wat, of kwekken ze over heer en sint? Maar ik hoor er niks in, in die muil. Zelfs dat hij geen antwoord geeft, hoor ik hem niet zeggen. Zelfs dat er geen antwoorden zijn, hoor ik hem niet zeggen. Een nihilist is hij ook al niet.

Niet-weten betekent onverschrokken in de gapende muil van de werkelijkheid kijken. Of verschrokken, dat mag ook. Maar niet wegkijken. Nooit. Nou ja, bij wijze van spreken dan. Zoals alles wat ik zeg.

Want wegkijken maakt deel uit van de werkelijkheid. Niet willen wegkijken ook. Niet willen weten dat je wegkijkt ook. Niet willen weten dat je niet wilt weten dat je wegkijkt ook. En die muil is ook maar beeldspraak. Om nog maar te zwijgen over de werkelijkheid. Dus waar hebben we het over?

Niet-weten is leven in onduidelijkheid, dubbelzinnigheid en tegenspraak.

Je weet niet waar jij ophoudt en de wereld begint.

Je weet niet of je het voor het zeggen hebt of dat het alleen maar zo lijkt.

Je weet niet of je iemand bent of niemand, deelnemer of toeschouwer, alles of niets of beide of geen van beide of wat dan ook.

Je weet niet wie, wat of waar god is, en ook niet of hij bestaat of niet bestaat, of bestaat én niet bestaat, of bestaat noch niet bestaat, of voorbij bestaan en niet bestaan is, of wat dan ook.

Je weet niet of jij het bent die straks dood gaat of alleen je lichaam of je ziel of je geest of je hart, gesteld dat daar een verschil of een verband tussen is, gesteld dat er zoiets is, gesteld dat je op dit moment leeft, gesteld dat er een nu is en een straks.

Je weet niet waar lijden goed voor is en of het wel ergens goed voor is, maar ook niet dat het nergens goed voor is, als het al geen nare droom is, of een gedachte nu.

Je weet niet wat het leven is, als het al meer is dan een woord, laat staan wat de zin ervan is of de zin daar weer van of de zin daar weer van, wat niet betekent dat het allemaal geen zin heeft, als deze zin al zin heeft.

Je vat het niet en je krijgt er geen vat op. Zelfs niet door niet-vatten. Er is geen rust zo diep of hij maakt plaats voor onrust en omgekeerd. Als ze al niet samen optrekken.

Zo is het ook met zin en onzin.

Zo is het ook met pijn en genot.

Zo is het ook met haat en liefde.

Zo is het ook met goed en kwaad.

Zo is het ook met vrede en oorlog.

Zo is het ook met verlies en winst.

Zo is het ook met orde en wanorde.

Zo is het ook met lijden en vreugde.

Zo is het ook met nadeel en voordeel.

Zo is het ook met gulheid en hebzucht.

Zo is het ook met ziekte en gezondheid.

Zo is het ook met wijsheid en dwaasheid.

Zo is het ook met voorspoed en tegenslag.

Zo is het ook met schoonheid en lelijkheid.

Zo is het ook met wreedheid en mededogen.

Alles heeft zijn keerzijden, lijkt het wel, en voor je het weet slaat iets om in zijn tegendeel. En nog eens. En weer.

Niet-weten betekent alles verliezen. Je zekerheden. Je onzekerheden. Zelfs het verliezen.

Niet-weten betekent de paradox in je leven toelaten. De strijd tegen de strijdigheid opgeven. In de paradox verblijven. Erin blijven. Jezelf in de paradox verliezen. De paradox in jezelf verliezen. Jezelf en de paradox verliezen.

Niet-weten is overleven in de paradox.

116 - Niet-weten is overal de keerzijden van zien

‘Wat is niet-weten?’

‘Overal de keerzijden van zien.’

‘Maar dan ben je nooit meer ergens helemaal vóór!’

‘Ook van de keerzijden.’

‘Maar dan ben je nooit meer ergens helemaal tegen!’

‘En nooit meer helemaal neutraal.’

‘Maar dan hoor je nooit meer ergens helemaal bij!’

‘Dan sta je nooit meer ergens helemaal buiten.’

‘Veelzijdig hoor.’

‘En wat is daarvan de keerzijde?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Veelzijdigheid is best eenzijdig.’

117 - Niet-weten heeft geen keerzijden

X: Wat zijn de keerzijden van niet-weten?

H: Niet-weten heeft geen keerzijden.

X: Hoe kan dat nou!

H: Niet-weten heeft geen zijden.

X: Onzijdig hoor.

H: Zelf noem ik het alzijdig.

X: En wat is het verschil?

H: Onzijdig klinkt zo eenzijdig.

118 - Niet-weten is sterven aan de paradox

22 Koans zonder catch.

1. Ik heb verlichting gevonden … in de duisternis!

2. Ik heb eenheid gevonden … in de delen!

3. Ik heb rust gevonden … in mijn onrust!

4. Ik heb vrede gevonden … in tegenstrijdigheid!

5. Ik heb de stilte gevonden … in de storm!

6. Ik heb zekerheid gevonden … in dubio!

7. Ik heb vaste grond gevonden … in de vrije val!

8. Ik heb mijn draai gevonden … in stuurloosheid!

9. Ik heb het antwoord gevonden … in de vraag!

10. Ik heb de oplossing gevonden … in het raadsel!

11. Ik heb de waarheid gevonden … in de glimlach!

12. Ik heb wijsheid gevonden … in agnose!

13. Ik heb de werkelijkheid gevonden … in de illusie!

14. Ik heb rijkdom gevonden … in armoede!

15. Ik heb het grote gevonden … in het kleine!

16. Ik heb vervulling gevonden … in de leegte!

17. Ik heb de maan gevonden … in mijn vinger!

18. Ik heb de ruimte gevonden … in mijn geest!

19. Ik heb mezelf gevonden … in een ander!

20. Ik heb vrijheid gevonden … in overgave!

21. Ik heb alles gevonden … in niet vinden!

22. Ik ben thuisgekomen … in den vreemde!

119 - De macht van niet-weten is de onmacht van het weten

De crux van niet-weten is niet dat je niks weet.

De crux van niet-weten is dat je dat óók niet weet.

De crux van niet-weten is:

Zelfs niet weten van niet-weten.

Dat wil zeggen:

Niet-weten in het kwadraat.

Ofwel:

Niet-wetenniet-weten

En als we een vraagteken schrijven voor ‘niet-weten’:

Groot vraagteken met rechtsboven een kleiner vraagteken.

En als we een agnosticon schrijven voor niet-weten:

ØØ

En als we ‘eh’ schrijven voor niet-weten:

eh tot de macht eh

Ofwel:

eheh

Ofwel:

eh2

En voor boeddhisten:

de leegte van de leegte

Ofwel:

leegteleegte

Ofwel:

sunyata-sunyata

Ofwel:

sunyatasunyata

En voor non-dualisten:

de illusie van de illusie

Ofwel:

maya-maya

Ofwel:

mayamaya

Kortom:

De macht van niet-weten.

Leuk hè?

Laat je niet misleiden.

De macht van niet-weten is een eufemisme.

Een naam ontleend aan een wiskundige vorm.

De macht van niet-weten is niets anders dan de onmacht van het weten.

En de wiskunde van niet-weten is niets anders dan wis-kunde.

120 - Niet-weten is een weg die in zichzelf doodloopt

X: Is er een weg naar niet weten?

H: Niet weten loopt dood in zichzelf.

X: En?

H: Hoe zou er dan een weg naartoe kunnen zijn?

X: En hoe mag het punt heten waarop niet weten doodloopt?

H: Niet weten van niet weten.

X: Is er een weg naar niet weten van niet weten?

H: Niet weten van niet weten loopt dood in zichzelf.

X: Ook al?

H: Hoe zou er dan een weg naartoe kunnen zijn?

X: En hoe mag het punt heten waar niet weten van niet weten doodloopt?

H: Niet weten van niet weten van niet weten.

X: Is er een weg die niet aan zichzelf ten gronde gaat?

H: Ik zou het ook niet weten.

121 - Niet-weten is een vrije val

Misschien lees je dit verhaal over niet-weten, en denk je bij jezelf: wat een theoretisch gedoe, daar heb ik geen boodschap aan.

Klopt als je hart: niet-weten is geen-boodschap.

Maar het doet me ook denken aan mijn favoriete tekenfilms waarin de held onbekommerd over de rand van de afgrond stapt, recht zo die gaat, dwars door de lucht, niets aan de hand – totdat hij naar beneden kijkt.

Zelf heb je vast weleens in de afgrond gekeken.

Misschien al zo vaak.

In redeloze verliefdheid.

In diepe rouw.

In totale ontreddering.

Verbijsterd door de gebeurtenissen.

In de greep van je onbegrip.

Het niet-weten voor het grijpen!

Maar je dacht diepzinnig:

Leven is lijden.

Of:

Het leven is een mysterie.

Of:

Ik moet in overgave leven.

Of:

Het is zoals het is.

Of:

Ik ben die ik ben.

Of:

Ik moet in mijn kracht gaan staan.

Of:

Ik ben het doek, niet de film.

Of:

Het is allemaal karma uit mijn vorige levens.

Of:

Alles is een illusie.

Of:

Alles is de weg.

Of iets anders, wat dan ook.

En je geloofde het.

Of je geloofde het juist niet.

Je geloofde het tegendeel.

Wat op hetzelfde neerkomt:

Je gedachten grepen jou weer.

Wie weet kijk je op een dag opnieuw naar beneden.

Misschien wel vandaag.

Misschien wel nu.

En je denkt:

Tja …

Je denkt:

Wat zal ik er eens van zeggen …

Je haalt je schouders op en HOP, daar ga je.

Je valt!

En valt!

En valt!

Een eindeloze vrije val …

Zonder teken of beletsel.

122 - Omdat het zo prachtig kraakt – agnose zonder apeiron

Apeiron is Grieks voor het onzegbare, het mysterie, dat wat alleen negatief (apofatisch) aangeduid kan worden als noch dit noch dat.

Het apeiron, dat is het onbepaalde en onbepaalbare, het nog niet of niet langer bepaalde of datgene wat al het bepaalde in zich verenigt.

In het algemeen lijkt dit woord te verwijzen naar een of andere grondslag van de alledaagse werkelijkheid, de onvergankelijke bron en bestemming van het vergankelijke.

Reductionisme

Reductionisme is de neiging om heel de verontrustende veelheid aan verschijnselen in deze wereld terug te voeren op één onderliggende principe dat zelf niet tot de verschijnselen hoort.

Denk hierbij aan de Liefde, de Tao, de Boeddhanatuur, Bewustzijn, God.

Of het daarbij om de hoogste waarheid gaat of om een fopspeen voor de geest of beide, weet niemand.

Reductionisten heb je in alle soorten en maten.

Helaas is er na duizenden debatten nog altijd geen consensus bereikt over het onderliggende principe, maar dat is nog slechts een kwestie van tijd, verzekeren universalisten mij stralend.

Sommige claimen zelfs dat het allang zover is en spannen ongegeneerd alle wijzen en tradities voor hun eenwieler, van Boeddha tot Blavatsky, van Lou de Palingboer tot Anton Heyboer – kijk ze eens kruien, de dode zielen.

Eeuwige Wijsheid noemen ze dat.

Reductionisme is alvast van alle tijden, dus wie weet.

Principia metabletica

Een kleine greep uit een onbeperkt aanbod.

Bij de presocratische filosoof Anaximander is het apeiron de oer, de onuitputtelijke, onvergankelijke en onbegrensde bron van alle dingen, datgene waaruit alles voortkomt en waarin alles terugkeert – de westerse tegenhanger van het hindoeïstische atman of brahman.

Bij Parmenides is het apeiron het zijn zelf, het plenum.

Bij Aristoteles is het apeiron de stof voordat deze vorm of eigenschappen heeft aangenomen.

Bij Pseudo-Dionysius is het apeiron de transcendente ene, de goede oorzaak van alles.

In de mystiek is het apeiron de immanente godheid, het mysterie, het numineuze.

In de advaita vedanta is het apeiron het bewustzijn, de aandacht, het kennen (tegenover het gekende), dat zelf uiteraard onkenbaar is (of beter: kenbaar noch onkenbaar).

In het zenboeddhisme is het apeiron het ware zelf of de boeddhanatuur, bij Immanuel Kant het Ding-an-sich, bij Heidegger het onverborgen zijn (het aletheia).

Bij Cornelis Verhoeven en T. Norretranders is het apeiron de onuitputtelijke werkelijkheid zelf, die zich nooit door het beperkte bewustzijn, nooit in gedachten of woorden laat vangen en altijd tegenover ons blijft staan als het onherleidbare, de niet-identiteit.

grote boom met als blaadjes boeken

Neoreductionisme

Met Verhoeven zijn we middenin de twintigste eeuw beland, middenin het jargon van het postmodernisme,

Daar spreken ze in plaats van het apeiron van het andere, ook wel het onbeslisbare, het ongrijpbare, het ondefinieerbare, het onzegbare, het onuitsprekelijke, het onherleidbare – tegenover zijn tegendeel, het eendere, het beslisbare, het grijpbare et cetera.

Geen enkele tekst, geen enkel begrip, geen enkele gebeurtenis, geen enkel object is volgens de postmodernist ‘restloos te bepalen’.

Steeds zijn er nieuwe interpretaties mogelijk en niemand heeft het laatste woord, niet in de wetenschap, niet in de metafysica, niet in de ethiek, niet in de politiek, niet in de hermeneutiek, niet in de religie.

Niemand heeft het laatste woord, claimt het postmodernisme, bij wijze van laatste woord.

Van een apeiron weet ik niets

Niet-weten wordt regelmatig verward met postmodernisme, maar dat is onzin.

Zo neemt de agnost geen enkel standpunt in over bepaalbaarheid en onbepaalbaarheid of over welke postmoderne kwestie ook.

Hij erkent noch ontkent de werkelijkheid, laat staan dat hij deze probeert te scheiden in een kenbaar deel en een onkenbaar deel, of in een werkelijk deel en een illusoir deel. Laat staan dat hij gaat speculeren over de relatie tussen die twee delen.

Zoals een andere prescocraat, Protagoras, het zei: ‘Van de goden weet ik niets: niet dat ze bestaan en evenmin dat ze niet bestaan.’

Van een apeiron weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van een enkelvoudig onderliggend principe is in agnose sprake noch geen sprake.

Is niet-weten dan misschien het apeiron zelf?

Hooguit per definitie.

Voor dzogchenboeddhisten en voor non-dualisten als Philip Renard, Jan van Delden en Jan van den Oever is niet-weten een ander woord voor het onkenbare kennen dat wij zijn.

Voor mij niet.

Al was het maar omdat het onkenbare kennen zich nog altijd niet aan mij kenbaar gemaakt heeft.

Omdat het zo prachtig kraakt

Voor mij is agnose niet het onbepaalde, opgevat als substantief, als realiteit of als bron,

Voor mij is agnose het niet bepalen zelf – de spontane, onophoudelijke mentale deconstructie van de mentale constructies die zich al even spontaan en onophoudelijk aandienen en opdringen.

Niet-weten is geen ijsbreker die zich met donderend geweld een weg naar het apeiron baant.

Niet-weten is het breken van het ijs zelf, zonder hoger doel, zonder achterliggend motief, zonder wijsgerige pretentie.

Gewoon, omdat het zo prachtig kraakt.

123 - Niet-weten is geen numinisme

Het bestaan af en toe ervaren als een ‘goddelijk mysterie dat fascineert en doet beven’ omdat men zich overgeleverd voelt aan ‘het grote onbekende’, is één ding.

Het bestaan opvatten als een goddelijk mysterie is iets heel anders.

In het laatste geval is er sprake van een niet-lege leer omtrent de ware aard van de werkelijkheid, waarvoor ik hier maar even de term numinisme gebruik (Latijn, numen, goddelijke openbaring; Duits, das Numinose (Rudolf Otto); Nederlands, het numineuze, het goddelijke mysterie).

Een aanhanger van het numinisme heet dan een numinist.

Deze toevoeging aan onze wondere taal heeft weinig zin, behalve dat ik nu in vier niet mis te verstane woorden kan zeggen: niet-weten is geen numinisme.

Dat deze vier woorden niet mis te verstaan zijn is natuurlijk ijdele hoop, maar ik geloofde het toch al niet.

124 - Niet-weten is geen nu-isme

Als je iemand met belangstelling voor spiritualiteit vraagt hoe laat het is, moet je niet gek opkijken als hij zegt: ‘Nu.’

Dan weet je meteen dat je te maken hebt met een aanhanger van de leer van het eeuwige heden.

Volgens deze leer is het altijd nu.

Het verleden is een herinnering nu.

De toekomst is een verwachting nu.

Tijd is een illusie nu.

Alleen het huidige moment is reëel.

Met je mind full en mond vol vandaag ben je voorgoed verlost van de zorgen van morgen en het sinistere gisteren.

De leer van het eeuwige heden is in het huidige heden zo populair dat ik er maar een naam voor heb bedacht:

Nu-isme.

Nu-isme is het truïsme dat het altijd nu is.

Iemand die het nu-isme aanhangt is een nu-ist.

De nu-ist leeft naar zijn idee buiten de tijd in een heden zonder begin of einde.

Daarbinnen verschijnen de lineaire tijd en de cyclische, de logische en de psychologische, de relatieve en de absolute, de omkeerbare en de onomkeerbare zo nu en dan als droom.

Nou, als je dat eenmaal doorhebt ben je wel wakker hoor.

Of is het een droom in een droom over de werkelijkheid?

Het is hoe dan ook een van de vele onweerlegbare ideeën over tijd waarmee de mensheid zich de afgelopen millennia verrijkt heeft.

Nu nog even vaststellen wat waar is.

Tot die tijd mag je helemaal zelf uitmaken of het altijd nu is.

Je mag het ook helemaal door een ander laten uitmaken, zoals bijna alles wat je meent te weten, ga maar na.

Mij is het helaas niet gelukt.

Ik ben er niet uitgekomen, bedoel ik, en toch, juist daarom, zit ik er niet meer in.

Ik weet mij niet in een eeuwig heden en ook niet erbuiten.

Ik weet mij niet in de tijd en de tijd niet in mezelf.

Ik ben ontsnapt aan alle ideeën over tijd.

Ook aan het idee dat ik ontsnapt ben aan alle ideeën over tijd.

Dat dat zou kunnen.

Dat het zou moeten.

Dat ik iedereen moet helpen ontsnappen aan zijn of haar ideeën over tijd.

Man, daar heb ik helemaal geen tijd voor.

Ik heb wel wat slechters te doen.

En wel onmiddellijk.

Proost.

125 - In de wolk van niet-weten hangt alles in de lucht

In de wolk van niet-weten hangt alles in de lucht.

Geen hel meer onder je grond!

Geen grond meer onder je voeten!

Geen voeten meer onder je benen!

Geen benen meer onder je kont!

Geen kont meer onder je romp!

Geen romp meer onder je hoofd!

Geen hoofd meer onder je dak!

Geen dak meer boven je hoofd!

Geen hemel meer boven je dak!

Onder noch boven, hel noch heil!

In de wolk van niet-weten hangt alles in de lucht.

Voor jou misschien een schrikbeeld, maar dan heb je nog nooit een ruimtewandeling gemaakt.

Niets zo genoeglijk als een vrije val.

Je dieptevrees overwin je onderweg wel.

Bed zonder grenzen.

126 - Niet-weten is een parachute

‘Wat is weten?’

‘Een luchtballon voor zwevers.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een parachute voor vallers.’

127 - Niet-weten is een vrije val

‘Wat is weten?’

‘Vastklampen aan de neus van een vliegtuig …’

verschrikte vogel klemt zich vast aan de neus van een vliegtuig
Vastklampen aan de neus van een vliegtuig

‘Terwijl je gewoon kan vliegen!’

‘Terwijl je gewoon kan vallen.’

128 - Niet-weten is leven tussen aanhalingstekens

Als je niets meer aanneemt over je gedachten, is het alsof ze hun uitroeptekens kwijtraken.

Alsof ze in een kleinere letter staan.

Alsof ze minder nadruk hebben.

Alsof ze tussen haakjes staan.

Tussen vraagtekens.

Tussen aanhalingstekens.

Niet GEDACHTEN!

Maar gedachten

Of gedachten

Of (gedachten)

Of ¿gedachten?

Of ‘gedachten’.

1. Niet WETEN! maar ‘weten’.

2. Niet DOEN! maar ‘doen’.

3. Niet DENKEN! maar ‘denken’.

4. Niet DUIDEN! maar ‘duiden’.

5. Niet OORDELEN! maar ‘oordelen’.

6. Niet SPREKEN! maar ‘spreken’.

7. Niet VOELEN! maar ‘voelen’.

8. Niet HECHTEN! maar ‘hechten’.

9. Niet HEBBEN! maar ‘hebben’.

10. Niet WILLEN! maar ‘willen’.

11. Niet ZIJN! maar ‘zijn’.

12. Niet ZIJ! maar ‘zij’.

13. Niet WIJ! maar ‘wij’.

14. Niet IK! maar ‘ik’.

15. Niet JIJ! maar ‘jij’.

16. Niet GOD! maar ‘god’.

17. Niet TAO! maar ‘tao’.

18. Niet BOEDDHA! maar ‘boeddha’.

19. Niet BEWUSTZIJN! maar ‘bewustzijn’.

20. Niet WAARHEID! maar ‘waarheid’.

21. Niet WIJSHEID! maar ‘wijsheid’.

22. Niet LEEGTE! maar ‘leegte’.

Misschien denk je nu dat je met je gedachten tussen aanhalingstekens wel de onverstoorbaarheid zelve zult zijn.

Een heerlijke gedachte, nietwaar?

Zo zonder aanhalingstekens.

Maar tussen aanhalingstekens?

Hm.

129 - Nou niet meteen weer conclusies gaan trekken, hè?

Recapit(ul)atie en decapit(ul)atie van het ‘verschil’ tussen ‘weten’ en ‘niet-weten’.

X: Op wat voor gronden berust onze kennis?

H: Op gronden tussen aanhalingstekens.

X: Wat als onze gronden inderdaad ‘gronden’ zijn?

H: Dan zijn onze bewijzen ‘bewijzen’, onze waarheden ‘waarheden’, onze zekerheden ‘zekerheden’, onze oordelen ‘oordelen’, onze standpunten ‘standpunten’, onze meningen ‘meningen’, onze normen ‘normen’, onze waarden ‘waarden’ en onze principes ‘principes’.

X: Zijn onze gronden ‘gronden’?

H: Dat valt niet te bewijzen.

X: Waarom niet?

H: Omdat bewijzen dan ‘bewijzen’ zouden zijn.

X: Bedoel je dat er wel degelijk gronden zijn?

H: Dat valt niet te bewijzen.

X: Waarom niet?

H: Als ze bewijsbaar waren zouden ze geen gronden zijn maar afgeleiden.

X: Wat betekent dit voor ons weten?

H: Dat het alleen maar ‘weten’ is.

X: En voor ons niet-weten?

H: Dat het alleen maar ‘niet-weten’ is.

X: En voor die aanhalingstekens?

H: Dat het alleen maar ‘aanhalingstekens’ zijn.

X: Wat is dan nog het verschil tussen ‘weten’ en ‘niet-weten’?

H: Een verschil tussen aanhalingstekens.

X: Een ‘verschil’.

H: Bij wijze van spreken.

X: Weten is ‘weten’ en niet-weten is ‘niet-weten’ en het verschil tussen ‘weten’ en ‘niet-weten’ is een ‘verschil’, bij wijze van spreken?

H: Jij zegt het.

X: Betekent dit niet dat ze identiek zijn?

H: Hoogstens tussen aanhalingstekens.

X: En minstens?

H: Helemaal.

X: Nou weet ik nog niks.

H: Nou niet meteen weer conclusies gaan trekken, hè?

130 - De koning is dood, leve de ‘koning’!

Het Grote Onttroningslied in 7 coupletten van 7 strofen.

Ik ‘denk’ nog wel maar ik DENK niet meer.
Ik ‘weet’ nog wel maar ik WEET niet meer.
Ik ‘meen’ nog wel maar ik MEEN niet meer.
Ik ‘geloof’ nog wel maar ik GELOOF niet meer.
Ik ‘veronderstel’ nog wel maar ik VERONDERSTEL niet meer.
Ik ‘verklaar’ nog wel maar ik VERKLAAR niet meer.
Ik ‘duid’ nog wel maar ik DUID niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

Ik ‘scheid’ nog wel maar ik SCHEID niet meer.
Ik ‘weeg’ nog wel maar ik WEEG niet meer.
Ik ‘oordeel’ nog wel maar ik OORDEEL niet meer.
Ik ‘aanvaard’ nog wel maar ik AANVAARD niet meer.
Ik ‘verwerp’ nog wel maar ik VERWERP niet meer.
Ik ‘bewonder’ nog wel maar ik BEWONDER niet meer.
Ik ‘minacht’ nog wel maar ik MINACHT niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

Ik ‘spreek’ nog wel maar ik SPREEK niet meer.
Ik ‘vloek’ nog wel maar ik VLOEK niet meer.
Ik ‘schreeuw’ nog wel maar ik SCHREEUW niet meer.
Ik ‘antwoord’ nog wel maar ik ANTWOORD niet meer.
Ik ‘vraag’ nog wel maar ik VRAAG niet meer.
Ik ‘luister’ nog wel maar ik LUISTER niet meer.
Ik ‘zwijg’ nog wel maar ik ZWIJG niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

Ik ‘pieker’ nog wel maar ik PIEKER niet meer.
Ik ‘verheug me’ nog wel maar ik VERHEUG me niet meer.
Ik ‘schaam me’ nog wel maar ik SCHAAM me niet meer.
Ik ‘koester’ nog wel maar ik KOESTER niet meer.
Ik ‘haat’ nog wel maar ik HAAT niet meer.
Ik ‘vier’ nog wel maar ik VIER niet meer.
Ik ‘rouw’ nog wel maar ik ROUW niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

Ik ‘heb’ nog wel maar ik HEB niet meer.
Ik ‘hecht’ nog wel maar ik HECHT niet meer.
Ik ‘begeer’ nog wel maar ik BEGEER niet meer.
Ik ‘neem’ nog wel maar ik NEEM niet meer.
Ik ‘geef’ nog wel maar ik GEEF niet meer.
Ik ‘win’ nog wel maar ik WIN niet meer.
Ik ‘verlies’ nog wel maar ik VERLIES niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

Ik ‘wil’ nog wel maar ik WIL niet meer.
Ik ‘streef’ nog wel maar ik STREEF niet meer.
Ik ‘plan’ nog wel maar ik PLAN niet meer.
Ik ‘pleit’ nog wel maar ik PLEIT niet meer.
Ik ‘bid’ nog wel maar ik BID niet meer.
Ik ‘hoop’ nog wel maar ik HOOP niet meer.
Ik ‘wanhoop’ nog wel maar ik WANHOOP niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

Ik ‘doe’ nog wel maar ik DOE niet meer.
Ik ‘laat’ nog wel maar ik LAAT niet meer.
Ik ‘werk’ nog wel maar ik WERK niet meer.
Ik ‘speel’ nog wel maar ik SPEEL niet meer.
Ik ‘leef’ nog wel maar ik LEEF niet meer.
Ik ‘sterf’ nog wel maar ik STERF niet meer.
Want ik ‘ben’ nog wel maar ik BEN niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

131 - Mijn koninkrijk voor een leven zonder koninkrijk

Geheim is wat je niet weet, maar niet-weten is geen geheim.

Beste Hans,

In je inleiding heb je het over ‘de schat van niet-weten’. Is agnose werkelijk een schat? Is het jouw grootste schat? Waarom kan ik het niet als schat herkennen?

Beste X,

Een glimlach kun je van me krijgen. Een knipoog doe ik er gratis bij. Verder heb ik niets te zeggen. Niets om uit te leggen. Dát is mijn schat.

X: Dat snap ik niet.

H: Ik heb geen schat, niet dat ik weet. Ik ben geen schat, niet dat ik weet. Ik hoef geen schat, niet dat ik weet. Dát is mijn schat, voor zover ik weet.

X: Noem dat maar een schat.

H: Een schat zonder schat.

X: Bedoel je dat er geen schat ís?

H: Dat weet ik niet. Ook dat is mijn schat.

X: Dat er geen geheim is, bedoel ik. Anders dan het leven zelf.

H: Geen idee. Ook dat blijft voor mij geheim.

X: Jij weet alleen maar niet.

H: Alles is mij duister.

X: Zou je niet liever verlicht zijn?

H: Wie zegt dat ik niet verlicht ben?

X: Denk jij dat je verlicht bent?

H: Geen idee. Ook dat blijft voor mij geheim.

X: Kan het je dan niks schelen?

H: Zolang het je kan schelen ben je het niet.

X: En als het je niks kan schelen?

H: Dan doet het er niet toe.

X: Het maakt deel uit van het geheim.

H: Geheim is wat je niet weet.

X: Is niet-weten je grote liefde?

H: Niet-weten is gewoon een feit. Het is er of ik ervan hou of niet. Aanvankelijk was ik misschien flink in de rouw, maar ik ben er steeds meer van gaan houden.

X: Zou je er je leven voor geven?

H: Wat heeft dat voor zin? Zonder leven geen weten, zonder weten geen niet-weten. Een martelaar voor niet-weten is een contradictio in terminis.

X: Ik probeer erachter te komen hoe belangrijk agnose voor jou is vergeleken met aardse zaken.

H: Agnose is heel aards hoor.

X: Wat zou je ervoor over hebben?

H: Stel dat ik moest kiezen tussen de schat van agnose en de schat die Lucienne heet. Of tussen agnose en mijn tong, waarmee ik proef en eet en drink en klets. Of tussen agnose en mijn huis of mijn voeten of mijn schoenen. Of tussen agnose en een goede stoelgang of een kussen onder mijn kont. Ik zou niet weten wat ik moest kiezen.

X: En als je toch moest kiezen?

H: Dan koos ik alles. Niet-weten én Lucienne én mijn tong én mijn huis én mijn voeten én mijn schoenen én een goede stoelgang én een kussen onder mijn kont.

X: En als je maar één ding mocht kiezen?

H: Dan koos ik voor niet-kiezen.

X: Je koninkrijk voor …

H: Een goed gevulde supermarkt.

X: Hè?

H: Een leven zonder koninkrijk dan maar.

X: Je koninkrijk voor een leven zonder koninkrijk?

H: Ik stel mijn lege schat aan iedereen gratis ter beschikking. Hebben?

X: Mij te leeg.

H: Dat zeggen ze allemaal. Dus waarom zou ik kiezen?

132 - Niet-weten is uit de boot vallen

Elf keer ik, zei de gek.

ik
ik ben
ik ben ‘ik’
‘ik’ ben ‘‘ik’’
‘‘ik’’ ben ‘‘‘ik’’’
‘‘‘ik’’’ ben ‘‘‘‘ik’’’’
‘‘‘‘ik’’’’ ben ‘‘‘‘‘ik’’’’’
‘‘‘‘‘ik’’’’’ ben ‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’
‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’ ben ‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’
‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’ ben ‘‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’’
‘‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’’ ben ‘‘‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’’’
wie dat ook moge wezen
wat dat ook moge zijn

133 - In agnose ben je niet gedachtevrij

Dat had je gedacht!

In agnose ben je niet vrij van gedachten.

Het is niet stil van binnen.

Je geest is niet leeg.

Er zijn niet alleen maar goede gedachten.

Of mooie.

Of diepe.

Zijn er gedachten dan zijn er gedachten.

Zijn ze er even niet dan zijn ze er even niet.

Zijn ze er helemaal niet meer dan ben je dood.

Maar welke gedachte er ook in je opkomt, je neemt niet aan dat hij waar is.

Je neemt niet aan dat hij onwaar is.

Niets neem je erover aan.

Ook dit niet.

134 - Niet-weten is een gedachtengum

Agnose betekent niet dat je geen gedachten meer hebt.

Het betekent dat ze jou niet meer hebben.

Je wordt een soort gedachtengum.

Voortaan lach je om je gedachten!

Ook om de gedachte dat je voortaan om je gedachten zult lachen!

Dat dat wáár zou zijn!

Dat je de rest van je leven een vrolijke Frans zult zijn!

Dat dát niet-weten is!

Je lacht om de gedachte dat je gedachten jou niet meer hebben!

Je lacht om de gedachte dat er een jou is om te hebben!

Je lacht om de gedachte dat er geen jou zou zijn om te hebben!

Je lacht om de gedachte van een gedachtengum!

Je lacht om de gedachte hoe jammer het is om die gedachte te moeten lachen!

Je lacht om het idee van niet-weten!

’t Idee!

Om je dood te lachen!

Hè hè.

Is me dat lachen.

Tekening van een potlood dat een gum tekent dat een tekening van een gum uitgumt.

135 - Stijlfiguren niet-weten: ironie

Ironie is een vorm van (zelf)spot waarbij je niet zegt wat je bedoelt, bijvoorbeeld een understatement, overdrijving of omkering. Het is een manier van spreken die alles tussen haakjes zet, en daarom heel geschikt als stijlfiguur voor niet-weten.

Omkering

Een omkering of inversie is een vorm van ironie waarbij je het tegenovergestelde zegt van wat je bedoelt.

Niet-weten is de grootste intellectuele uitdaging van onze tijd.

Overdrijving

Een overdrijving of hyperbool is een vorm van ironie waarbij je iets sterker uitdrukt dan je het bedoelt.

Zen is zitten tot je een ons weegt.

Understatement

Een understatement of parabool is een vorm van ironie waarbij je iets zwakker uitdrukt dan je het bedoelt.

Inshallah’ duidt nou niet direct op een heilig geloof in de vrije wil.

136 - Sterven aan het bekende

Leerling: Je moet sterven aan het bekende.

Meester: Zelf bedacht?

Leerling: Eh … nee.

Meester: Dan ben je nog niet gestorven aan het bekende.

137 - Hangen aan het bekende

Hangen en wurgen.

Leerling: Je moet sterven aan het bekende.

Meester: En dan?

Leerling: Zie je de waarheid.

Meester: Welke waarheid?

Leerling: Dat weet ik nog niet.

Meester: Nou, ik wel.

Leerling: Wat dan?

Meester: Dat je sterft aan het bekende.

Leerling: En dan?

Meester: Niks dan.

Leerling: Dat is het al?

Meester: Je wou toch de waarheid?

Leerling: Jawel.

Meester: En je hebt er niet eens voor hoeven sterven.

Leerling: Er is alleen maar sterven aan het bekende?

Meester: Ik mag hangen.

138 - Geboren worden in het bekende

Leerling: Wat als je aan het bekende gestorven bent?

Meester: Dan word je er weer in geboren.

Leerling: Waarin?

Meester: In het bekende.

Leerling: En dan?

Meester: Sterf je er weer aan.

Leerling: En dan?

Meester: Word je er weer in geboren.

Leerling: Komt daar ooit een eind aan?

Meester: Tot nog toe niet.

Leerling: Maar het zou kunnen?

Meester: Als je het loodje legt?

Cirkelvormige asfaltweg.

139 - Leven met het bekende

Leerling: Je moet sterven aan het bekende.

Meester: En dan?

Leerling: Daar vraagt u me wat.

Meester: Niet slecht.

Leerling: Wat zou u zeggen?

Meester: Je blijft maar sterven aan het bekende.

Leerling: Hoe kan dat nou?

Meester: Omdat het je maar blijft belagen.

140 - Sterven aan het onbekende

Leerling: Wat betekent sterven aan het bekende?

Meester: Geboren worden in het onbekende.

Leerling: En dan?

Meester: Moet je sterven aan het onbekende.

Leerling: Hè?

Meester: Had je niet gedacht hè?

Leerling: Wat is sterven aan het onbekende?

Meester: Geboren worden in het bekende.

Leerling: En dan?

Meester: Enzovoort.

Leerling: Ik bedoel, wat heb je dan gewonnen?

Meester: Wie zegt dat je er iets bij zult winnen?

Leerling: Waarom zou je het anders doen?

Meester: Wie zegt dat je het doet?

Leerling: Bedoelt u dat je het ondergaat?

Meester: Wie?

Leerling: Bedoelt u dat de persoon een illusie is?

Meester: Tenzij dat ook een illusie is.

Leerling: Is het dat ook?

Meester: Tenzij dat ook een illusie is.

Leerling: Toe nou.

Meester: Ja joh, je treft het niet.

Leerling: Hoezo?

Meester: Ik zit net weer in het onbekende.

141 - Liefde voor de ruimte van niet-weten

Agorafobie is een moeilijk woord voor pleinvrees of ruimtevrees.

Het is afgeleid van het Griekse agora, plein, markt, vergaderplaats, open ruimte, en fobia, angst.

Het tegenovergestelde van agorafobie is agorafilie: voorliefde (filie) voor ruimtes.

Omdat dit woord in het Nederlands nog niet bestaat, kan ik het ondubbelzinnig definiëren als oneindige liefde voor de oneindige ruimte van een grenzeloos niet-weten.

We hebben het dan natuurlijk niet over natuurkundige ruimte maar over geestelijke ruimte.

Agorafobie krijgt in deze context de betekenis van angst voor niet-weten, vluchten in het weten.

Het bijvoeglijk naamwoord van agorafilie is agorafiel.

De Nederlandse vertaling van agorafiel is ruimteminnend (weer een neologisme): ruim van geest – agnostisch.

Een agorafiel is gewoon iemand die agorafiel is.

142 - Wie is hier de belangrijkste?

Baas boven baas.

Reder: Ik ben de belangrijkste want ik bepaal de vracht!

Kapitein: Ik ben de belangrijkste want ik bepaal de belading!

Stuurman: Ik ben de belangrijkste want ik bepaal de route!

Machinist: Ik ben de belangrijkste want ik hou de machines draaiende!

Kok: Ik ben de belangrijkste want ik hou de mensen draaiende!

Matroos: Ik ben de belangrijkste want ik hou het dek begaanbaar!

Werf: Ik ben de belangrijkste want ik onderhoud het schip!

Fabriek: Ik ben de belangrijkste want ik lever het staal!

Zee: Ik ben de belangrijkste want ik hou het schip drijvende!

Bodem: Ik ben de belangrijkste want ik hou de zee drijvende!

Hans: Ik ben de belangrijkste want ik schrijf deze tekst!

Lezer:

143 - Het baasje en de hond

Baasje: Ik heb mijn hond leren apporteren!

Hond: Ik heb mijn baasje leren gooien!

144 - Twee knuppels

De slagman en de jongleur.

X: Wat is niet-weten?

H: De weetniet gooit een balletje op, de weetniet slaat een balletje weg.

X: Jij bent een soort slagman.

H: Zeg maar gerust een knuppel.

X: En ik?

H: Een jongleur, zou ik denken.

X: Hoe bedoel je?

H: Jij probeert je ballen allemaal tegelijk in de lucht te houden.

honkbalknuppel met het woord niet-weten erin
Niet-weten is een knuppel om gedachten weg te slaan

145 - Een weetniet is een ontsnappingskunstenaar

Een fraaie metafoor voor agnose is die van het echappement of escapement – een taalpurist zou zeggen de ontsnapper.

Het echappement van een uurwerk is dat deel van het mechaniek dat ervoor zorgt dat het loopt en dat het gelijk loopt.

Het echappement bestaat uit verschillende onderdelen, waaronder twee wieltjes: de onrust en de rust.

De onrust is een tandloos wieltje in de vorm van een autostuur op een asje verbonden met een opwindveer.

De onrust slingert almaar heen en weer en drijft via een vorkje een tweede wieltje aan, de rust.

De rust heeft asymmetrische tandjes, aan één kant hol, aan de andere kant bol, die bij de heengaande beweging van de vork vooruit geduwd worden en bij de teruggaande beweging afglijden – ontsnappen.

Vandaar dat de rust gewoonlijk het echappementswiel (ontsnappingswiel), ook wel het ankerrad wordt genoemd.

Door het aandrijven en afglijden wordt het heen-en-weer van de onrust omgezet in het gaan-en-staan van de rust, die na iedere tik de geest geeft – hè hè, even bijkomen.

Dit als opmaat voor onderstaande beeldspraak, want we bedrijven hier geen klokkunde, wat jij.

Denken is als het slingeren van de onrust, die niet van ophouden weet.

Weten is als het gáán van de rust.

Niet-weten is als het staan van de rust.

Gaan, staan, gaan, staan, gaan, staan …

Weten, niet-weten, weten, niet-weten, weten, niet-weten …

TIK! Pff. TIK! Pff. TIK! Pff …

Een agnost is een ontsnappingskunstenaar, zijn denken een echappement.

Dit alles bij wijze van spreken.

Een geest is nou eenmaal geen uurwerk – maar wel zo getikt.

Pff.

146 - Niet-weten is een surplace van de denker

‘Wat is niet-weten?’

‘Een surplace van de denker.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Je gedachten gaan nog steeds overal heen …’

‘Maar jijzelf gaat niet meer mee?’

‘Zoiets.’

‘Prachtig.’

‘Maar ja.’

‘Wat?’

‘Dat is ook maar een gedachte.’

147 - Niet-weten is een surplace van je gedachten

‘Wat is niet-weten?’

‘Een surplace van je gedachten.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Jij gaat nog steeds overal heen …’

‘Maar je gedachten gaan niet meer mee?’

‘Zoiets.’

‘Prachtig.’

‘Maar ja.’

‘Wat?’

‘Dat is ook maar een gedachte.’

148 - Dwijs is wie niet dwaas is en niet wijs

Laten we onze woordenschat een beetje uitbreiden.

Wijs is wie het bij het rechte eind heeft – of bij het langste.

Dwaas is wie het bij het verkeerde eind heeft – of bij het kortste.

Wie niet weet, kent het rechte eind niet van het kromme, het langste eind niet van het kortste.

Wie niet weet is wijs noch dwaas.

Daarom noem ik hem maar dwijs.

Niet-weten heet dan dwijsheid,

wie niet weet een dwijze

of een dwijsneus

of een dwijsgeer

die dwijsbegeerte bedrijft

(of erdoor bedreven wordt)

en dwijselijk zijn gang gaat.

149 - Van wijsbegeerte naar dwijsbegeerte

Wijsbegeerte is het construeren van onderscheidingen, met name de allerhoogste,.

Dwijsbegeerte is het deconstrueren van onderscheidingen, met name de allerhoogste.

Onderscheidingen zoals: vrijheid - gebondenheid, macht - overmacht, hemel - aarde, eenheid - veelheid, vorm - leegte, het eendere - het andere, eenheid - tweeheid - veelheid, ik - gij, heilig - profaan, hoger - lager, afgescheiden - verbonden, immanent - transcendent, subject - object, buitenwereld - binnenwereld, geest - lichaam, teken - betekende, absoluut - relatief, verlicht - onverlicht, lijden - vreugde, waarheid - leugen, echt - vals, spontaan - berekenend, weg - doel, leven - dood, geboren - ongeboren, vergankelijk - onvergankelijk, in de tijd - buiten de tijd, bestaand - onbestaand, reëel - illusoir, gegrond - grondeloos, weten - niet-weten, dualiteit - non-dualiteit, constructie - deconstructie, verlicht - onverlicht, wijsheid - dwaasheid, en niet te vergeten wijsbegeerte - dwijsbegeerte.

Systematische deconstructie heeft bij mij niet geleid tot ‘realisatie van non-dualiteit’ of tot een ‘hoger inzicht’ in de ‘transcendente eenheid van schijnbare tegenstellingen’, zoals ik pas weer ergens mocht lezen.

Het heeft alleen maar geleid tot een toestand van – ja, wat?

Kalme verwondering.

Maar mag het eigenlijk wel een toestand heten als je niet voortdurend kalm bent en niet voortdurend verwonderd en niet voortdurend je?

Ik weet het niet.

Dáár heeft het toe geleid.

150 - Van wijsbegeerte naar dwaasbegeerte

Onder wijsbegeerte versta ik het verlangen naar vaste grond onder je voeten.

Willen weten wie je bent, wat de wereld is, wat waar is, wie er gelijk heeft, wat je moet, hoe het hoort, hoe het zit.

Wijsbegeerte is een verlangen naar zekerheid.

Onder dwaasbegeerte versta ik het verlangen om de grond onder je voeten weg te zien vallen, om te vallen, om te vliegen.

Niet langer iets of iemand te hoeven zijn, niet langer te hoeven doen alsof je het allemaal wel doorhebt.

Dwaasbegeerte is het verlangen naar vrijheid.

Een dwaasgeer is een dwaasgerig mens met een sterke dwaasbegeerte.

151 - Niet-weten als filasofie

Van filosofie naar filasofie

Wijsbegeerte is een vertalende ontlening aan het Griekse philosophia (philos: vriend + sophia: wijsheid).

Bewandelen we deze weg in omgekeerde richting vanuit de nieuwvorming dwijsbegeerte, dan komen we als vanzelf tot filasofie (a-: niet-).

Filasofie, dat is de liefde voor niet-wijsheid.

De liefde voor niet-weten.

Een dwijsgeer, iemand die filasofie bedrijft, heet dan een filasoof.

Het bedrijven van filasofie heet filasoferen.

Iets filasofie-achtigs heet filasofisch.

Een filasofeem is een filasofische stelling of uitspraak.

Een filasofaster is iemand die voorwendt filasoof te zijn, oftewel een nepdwijze.

Van filasofie naar asofie

Het grootste nadeel van het woord filasofie is dat het woordbeeld zo op filosofie lijkt. Je denkt meteen dat de schrijver een spelfout heeft gemaakt.

Die associatie met filosofie kunnen we verbreken door het voorvoegsel philos te amputeren zodat alleen de staart overblijft.

Asofie: niet-wijsheid, niet-weten.

Asofie laat zich net zo vervoegen als filosofie en filasofie.

Een asoof is iemand die niet weet, een dwijze.

Asofisch betekent niet-wetend, dwijs.

Asoferen is dwijsheid beoefenen (of ondergaan; het is maar net hoe je het beleeft).

Een asofeem is een stelling of uitspraak die getuigt van niet-weten.

Een asofaster is iemand die voorwendt niet-wetend te zijn.

Een asofisme is een dwaaltekst.

Een asofist is iemand die dwaalteksten schrijft (of spreekt, of denkt).

Asofia is de naam van de beschermheilige van niet-weten en van de weetniet.

Zoals alle heiligen, bestaat ze niet meer of heeft ze nooit bestaan.

Juist dit is wat haar in staat stelt ons tegen het weten te beschermen, en niet-weten tegen ons.

152 - Zeg maar Tja tegen het leven

Korte woorden zijn krachtig.

Hoe korter hoe krachtiger.

Dada!

Nada!

Niks!

Tao!

Zero!

Zen!

God!

Kut!

Oei!

Wat kan daar tegenop?

Hadden we maar zo’n ultrakort woord voor niet-weten.

Hadden we in het Nederlands maar een woord dat …

Maar wacht eens even, dat hebben we.

Ziehier agnose in drie letters:

Tja

Drie letters!

Korter kan écht niet.

Als iemand je dus weer eens vraagt wat niet-weten is, dan weet je wat je moet zeggen …

Twee mannetjes, de linker kijkt vragend, de rechter zegt ‘Eh …’.

Verdraaid!

Kon het toch korter!

153 - Zeg maar ja, nee, tja tegen het leven

Ja

Doen!

Hechten!

Weten!

Nee

Niet doen!

Niet hechten!

Niet weten!

Tja

Niet doen aan niet doen.

Niet hechten aan niet hechten.

Niet weten van niet-weten.

154 - Wijsheid is een hond

Volgens de overlevering brak chanmeester Wumen Huikai* zich maar liefst zes jaar lang het hoofd over de koan ‘Heeft een hond de boeddhanatuur?’ voor hij eindelijk brak.

* 1183-1260, samensteller van de koancollectie De Poortloze Poort, waarvan dit de eerste koan is.

De dag na zijn uitbraak blafte hij het volgende gedicht:

wu wu wu wu wu
wu wu wu wu wu
wu wu wu wu wu

Zelf zeg ik het zo:

tja tja tja tja tja
tja tja tja tja tja
tja tja tja tja tja

En als ik het moe ben:

bla bla bla bla bla
bla bla bla bla bla
bla bla bla bla bla

en tegen baby’s en andere dadaïsten:

da da da da da
da da da da da
da da da da da

en als ik er de lol van inzie:

ha ha ha ha ha
ha ha ha ha ha
ha ha ha ha ha

Niet-weten – je hoeft er echt niet voor geleerd te hebben.

Hond met boeddhakop.
Wijsheid is een hond.

155 - Weergaloze agnose!

Agnose in 33 adjectieven.

1. Ademloze agnose!

2. Argeloze agnose!

3. Belangeloze agnose!

4. Bodemloze agnose!

5. Doelloze agnose!

6. Feilloze agnose!

7. Gedachteloze agnose!

8. Genadeloze agnose!

9. Gewichtloze agnose!

10. Gezichtloze agnose!

11. Grondeloze agnose!

12. Hoofdloze agnose!

13. Inhoudsloze agnose!

14. Keuzeloze agnose!

15. Kosteloze agnose!

16. Mateloze agnose!

17. Moeiteloze agnose!

18. Nameloze agnose!

19. Poortloze agnose!

20. Pretentieloze agnose!

21. Redeloze agnose!

22. Restloze agnose!

23. Roekeloze agnose!

24. Roemloze agnose!

25. Schaamteloze agnose!

26. Sprakeloze agnose!

27. Thuisloze agnose!

28. Vorm(e)loze agnose!

29. Vrageloze agnose!

30. Waaromloze agnose!

31. Weerloze agnose!

32. Wezenloze agnose!

33. Willoze agnose!

Hè hè.

Effe ademhalen.

156 - Geen inzicht, maar wat een uitzicht!

De Spaanse christenmysticus Jan van het Kruis (1542-1591) vergeleek het spirituele pad met de bestijging van een berg.

Bergbeklimmen is een moeilijke, vermoeiende en riskante onderneming, dus de vraag is gerechtvaardigd waar het goed voor is. Wat levert het op?

Monnik op één been wankelend op een bergtop.
Geen inzicht, maar wat een uitzicht!

Jan van het Kruis zegt het zo:

nada, nada, nada
nada, nada, nada
aún en el monte
nada

Vrij vertaald:

nop, nop, nop
nop, nop, nop
en ook op de top
nop

Niet-weten – je hoeft er echt niet voor geleerd te hebben.

157 - Stijlfiguren niet-weten: ellips

Een stijlfiguur die de dwijze goed van pas komt is de ellips: het weglaten van woorden die er makkelijk bij gedacht kunnen worden. De paradox niet-weten, zelfs niet van niet-weten kan bijvoorbeeld worden ingekort tot zelfs niet van niets weten. Andere voorbeelden van ellipsen:

Zelfs niet zonder principes zijn.

Zelfs het opgeven opgeven.

Zelfs van onthechting onthecht.

Passen we de ellips toe op de beginterm van het oxymoron wetend niet weten dan verkrijgen we niet weten.

Doende niet doen wordt niet doen.

Zeggend niet zeggenwordt niet zeggen.

Langs elliptische weg is het niet alleen mogelijk langdradige paradoxen weer te geven met een enkel woord, maar ook om paradoxen aan te duiden die zich anders maar lastig laten formuleren: niet duiden, niet interpreteren, niet vragen, niet antwoorden.

In plaats van de beginterm kunnen we ook de eindterm van een oxymoron laten vallen. Wetend niet-weten wordt dan ‘weten’. Dat werkt goed, op voorwaarde dat we het overblijvende woord tussen aanhalingstekens zetten, want anders is het niet meer te herkennen als een elliptisch oxymoron.

Ook de ellips niet-weten kunnen we tussen aanhalingstekens zetten, om te benadrukken dat het niet om een letterlijk niet weten gaat – alsof ik kan weten dat ik niets weet – maar om een wetend niet-weten, een niet-weten tussen aanhalingstekens, een ‘niet-weten’.

Het gebruik van aanhalingstekens is doeltreffend en vanzelfsprekend. Zelfs zonder bovenstaande uitleg weet je intuïtief wat ik bedoel als ik ‘ik’ schrijf of spreek over ‘de wereld’. Zou ik steeds helemaal moeten uitleggen dat ik niet weet wat of dat wereld is en wie of wat of dat ik ben en dat ik zelfs dat niet weet, dan zouden mijn teksten, net als deze zin, nog complexer en langdradiger worden dan ze al zijn.

Toegepast op de paradox niet-weten, zelfs niet dat je niets weet, levert de ellips ons dus nog eens vier equivalente figuren op:

1. zelfs niet van niets weten

2. niet-weten

3. ‘weten’

4. ‘niet-weten’

Hieronder de vier formules van de ellips op een rijtje, met een zelfbedachte naam die je meteen weer mag vergeten.

1. halfparadox: zelfs niet-A niet

2. rechterterm: niet-A

3. linkerterm tussen aanhalingstekens: ‘A’

4. rechterterm tussen aanhalingstekens: ‘niet-A’

Laten we uit formule 1 de specificatie niet-A weg, dan ontstaat de generieke spreuk ‘zelfs dat niet’ of ‘en dat ook niet’. Dit laatste zinnetje was de spontane mantra waarmee ik in oktober 2007, de eerste maand van mijn niet-weten toen ik er nog nauwelijks woorden voor had, zelfs niet de term niet-weten, ‘iedere’ gedachte begroette.

Om zonder gebaren in gesproken tekst aan te geven dat een woord tussen aanhalingstekens staat, kun je woorden als quasi en verondersteld gebruiken: quasi-ik of de veronderstelde wereld, maar dat is wel link omdat ze al snel als ontkenning gaan fungeren.

Ook termen als de zogenaamde wereld en de hypothetische god wekken de indruk dat volgens de spreker de wereld een illusie is en god niet bestaat. Daarmee zijn we in het domein van het weten beland, en dat was nou net niet de bedoeling.

158 - Niet-weten is uit de kunst

‘Wat is niet-weten?’

‘De kunst van het weglaten.’

‘Wat blijft er over na een leven lang weglaten?’

‘Tja.’

‘Dat is ook niet veel.’

‘Och.’

‘Het enige wat rest is de kunst van het weglaten?’

‘Ook afgedankt.’

159 - Niet-weten als leeg boek

Als je niets weet, heb je niets te zeggen.

Je boek met levenswijsheid is helemaal leeg.

Zo leeg als een dummy.*

* Een dummy is een onbedrukt boek voor in de etalage.

Niets staat erin.

1. Niet wie je bent.

2. Niet wat je bent.

3. Niet dat je bent.

4. Niet dat je niet bent.

5. Niet wat je moet doen.

6. Niet wat je moet laten.

7. Niet of je kunt kiezen.

8. Niet wat de wereld is.

9. Niet dat de wereld is.

10. Niet dat de wereld niet is.

11. Niet wie god is.

12. Niet wat god is.

13. Niet dat god is.

14. Niet wat goed is.

15. Niet wat slecht is.

16. Niet dat alles goed is.

17. Niet dat alles goed noch slecht is.

18. Niet wat het leven is.

19. Niet wat de zin van het leven is.

20. Niet dat het leven geen zin heeft.

21. Niet dat je niets kan weten.

22. Niet dat je dat ook niet kan weten.

Niets staat er in het lege boek.

Tafeltje met daarop een uitgehold boek en een kapotte leesbril.
Het lege boek.

De vraag is nu:

Wat moet je met zo’n boek?

Maar ja.

Dat staat er ook niet in.

Is jouw boek leeg?

Niet bijna leeg maar helemaal?

Zelfs van leegte ontdaan?

Hyperleeg zogezegd?

Heb je echt niets meer te zeggen?

Zelfs niet dat de waarheid niet bestaat?

Zelfs niet dat er geen antwoorden zijn?

Zelfs niet dat er niets te zeggen valt?

Zelfs niet dat … (beletselteken).

Ben jij voorgoed uitgepraat?

Zeker weten?

Nee?

Dan mag je jezelf een dummy noemen.

Als je het maar niet opschrijft natuurlijk.

Waarom niet, vraag je nog?

Omdat het dan niet meer leeg zou zijn …

Dummy!

* Dummy: 1. iemand die nog niet weet; 2. iemand die niet meer weet.

160 - Monnikenwerk van een meesterschrapper

‘Jij bent een schrijver van niks, Hans.’

‘Vertel mij wat.’

‘Jouw boek is helemaal leeg!’

‘Ik heb er jaren aan gegumd.’

161 - Witboek voor dummy’s

‘Waarheen leidt de weg van niet-weten, Hans?’

‘Sla je dummy er maar op na.’

‘Daar staat toch niks in, dummy!’

‘Sla jezelf er dan op na, dummy!’

‘Daar word ik ook al niet wijzer van, dummy!’

‘Nou dan.’

162 - Een agnost is geen obscurantist

‘Volgens mij leidt niet-weten alleen maar tot obscurantisme, Hans.’

‘Volgens mij leidt niet-weten tot niets.’

‘Maar het ziet kennis toch als iets slechts?’

‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Omdat weten … omdat niet-weten …’

‘Sla het Lege Boek er dan op na, dummy.’

163 - Een agnost is geen anti-intellectualist

‘Volgens mij leidt niet-weten alleen maar tot anti-intellectualisme, Hans.’

‘Volgens mij leidt niet-weten tot niets.’

‘Maar het verzet zich toch tegen de rede?’

‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Omdat weten … omdat niet-weten …’

‘Sla het Lege Boek er dan op na, dummy.’

164 - Een agnost is geen non-dualist

‘Volgens mij leidt niet-weten alleen maar tot non-dualisme, Hans.’

‘Volgens mij leidt niet-weten tot niets.’

‘Maar het ontkent toch alle onderscheidingen?’

‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Omdat weten … omdat niet-weten …’

‘Sla het Lege Boek er dan op na, dummy.’

165 - Een agnost is geen nihilist

‘Volgens mij leidt niet-weten alleen maar tot nihilisme, Hans.’

‘Volgens mij leidt niet-weten tot niets.’

‘Maar het betwist toch alle grondwaarden en grondwaarheden?’

‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Omdat weten … omdat niet-weten …’

‘Sla het Lege Boek er dan op na, dummy.’

166 - Het Boek zonder Antwoorden

Eerste, Laatste en Enige Editie!

Bibliografie

999 Pagina’s blanco papier (999 g/m2), geschept, A2, goud-op-snee, NIX Uitgevers, Hans van Dam, Amsterdam, 2020.

Omslag van het Boek zonder Antwoorden

Hoe gebruik je Het Boek zonder Antwoorden?

1. Houd Het Boek gesloten in de hand op schoot of leg het op tafel.

2. Bedenk een vraag, welke dan ook.

3. Je mag alle vragen stellen. Bijvoorbeeld: ‘Wat is de zin van het leven?’ ‘Heeft een hond de boeddhanatuur?’ ‘Hoe maak ik mijn kat veganistisch?’ ‘Welke vraag moet ik stellen?'

4. Stel niet meer dan één vraag tegelijk.

5. Concentreer je tien tot vijftien seconden op je vraag.

6. Terwijl je je vraag formuleert, in gedachten of hardop, leg je één hand op het boek en strijk je met de vingers van de andere hand van onder naar boven langs de zijkant van de bladzijden.

7. Wanneer je het gevoel hebt dat het juiste moment is aangebroken, sla je het boek open en krijg je onmiddellijk geen antwoord op je vraag.

8. Sluit het boek (pas op voor je vingers).

9. Geniet nog wat na van het wijdse uitzicht.

10. Herhaal deze procedure voor alle vragen die je hebt.

11. Herhaal deze procedure voor alle antwoorden die je hebt.

Reacties

1. ‘Eindelijk een boek dat je nooit uit krijgt!’

2. ‘Eindelijk een boek dat je meteen uit hebt!’

3. ‘Hier word je pas rustig van!’

4. ‘Hier word je pas gek van!’

5. ‘Je mist er niets aan!’

6. ‘Dit mag je niet missen!’

7. ‘Wijsheid zonder woorden!’

8. ‘Geen woorden maar daden!’

9. ‘Binnen een maand was mijn kat dood!’

10. ‘Meesterwerk van een leerlingschrapper!’

11. ‘Prima herbarium!’

Vaak samen gekocht met

Het Lege Boek

Witboek Niet-Weten

Dummy’s voor dummy’s

De Kolk van Niet-Weten

Websites

Nederland: nietweten.nl

Zuid-Afrika: nietsweten.za

Zweden: nietzweten.se

Groot-Brittanië: nosweat.uk.

Het lege boek als 11-delige serie

Het Boek zonder Antwoorden is deel 1 van de 11-delige serie Het Lege Boek.

Alle delen van het Lege Boek

Deel 1. Het Boek zonder Antwoorden

Deel 2. Het Boek zonder Oplossingen

Deel 3. Het Boek zonder Constateringen

Deel 4. Het Boek zonder Conclusies

Deel 5. Het Boek zonder Waarheden

Deel 6. Het Boek zonder Zekerheden

Deel 7. Het Boek zonder Raadgevingen

Deel 8. Het Boek zonder Lijfspreuken

Deel 9. Het Boek zonder Oefeningen

Deel 10. Het Boek zonder Methoden

Deel 11. Het Boek zonder Pad

Delen van het Lege Boek kunnen los van elkaar gelezen worden.

Het Boek zonder Antwoorden is geïnspireerd door de bestseller Het Boek met alle Antwoorden van Carol Bolt – ‘het Amerikaanse Antwoord op de Chinese I Tjing.’

167 - Woorden die beginnen met ‘weetniet’

Weetniet

In het dagelijks spraakgebruik is een weetniet een onwetende, een domoor.

Op NietWeten.nl en in de Agnosereeks is een weetniet iemand die het allemaal niet meer weet, maar dan ook helemaal niet meer, en daar vrede mee heeft.

Synoniemen: nitwit, dummy, dwijze, dwaalgeest en agnost.

Weetnietboek

Het weetnietboek is het boek dat de weetnietleer bevat.

Het weetnietboek is een dummy, net als degene die ernaar leeft.

Leven naar het weetnietboek kan niet mislukken, het is namelijk leeg.

Leven naar het weetnietboek kan ook niet lukken, het is immers leeg.

Het weetnietboek wordt ook wel het lege boek genoemd.

Weetnietbeest

Een weetnietbeest is een weetnietgeest die niet van ophouden weet.

Weetnietbeesten staan op de Rode Lijst van met uitsterven bedreigde diersoorten.

Je ziet ze nooit maar ze laten wel sporen na – net als de Verschrikkelijke Sneeuwman.

Weetnietboeddha

Een boeddha die niet weet heet een weetnietboeddha.

Een weetnietboeddha is een lege boeddha, dat wil zeggen, een boeddha wiens leer leeg is.

Hij heeft zijn traditie achter zich gelaten en zwerft vrij en blij rond.

De weetnietboeddha is postboeddhistisch.

Weetnietfeest

Het weetnietfeest is de zaligheid van de weetnietgeest.

Onder zaligheid versta ik berusting, gelatenheid, lauwheid.

Geen vreugdekreten, geen oorlogsgeschreeuw maar een zachte glimlach.

Een weetniet vindt rust in zijn onrust, vrede in zijn onvrede.

Hij blijft kalm ondanks de woelingen van zijn gemoed, en zo niet, dan toch.

Weetnietgeest

Een weetnietgeest is iemand die geen onderscheid weet te maken.

Hij neemt zijn begrippen en gedachten steeds met een korreltje zout.

Hij haalt zijn heilige huisjes vóór oplevering omver, maar laat die van anderen ongemoeid.

De weetnietgeest is de dans ontsprongen.

Synoniemen: vrijgeest, beginnersgeest, zengeest.

Weetnietes en weetnietis

Waaraan herken je de weetniet?

Hij lijdt niet meer aan gelijkhebberitis.

Wat het onderwerp ook is, een weetniet gaat niet in zijn gelijk staan en niet in zijn ongelijk.

Hij hopt vrijelijk van standpunt naar standpunt zonder ergens te blijven hangen.

Niet omdat vindt dat het zo hoort, maar omdat hij niet meer weet.

Het is dus geen verdienste; hij kan gewoon niet anders.

Daarin verschilt de weetniet radicaal van de weetnietes, die van niet-weten een mening maakt, een religie, een filosofie – meestal een of andere vorm van scepticisme.

Bij de weetnietes is niet-weten geen praktijk van alledag maar een identiteit; geen vorm van ontspanning maar een vorm van inspanning, geen laatlos maar een houvast; geen onkunde maar kennis.

De weetnietes, zou je kunnen zeggen, lijdt aan weetnietis, een bijzonder geval van eenpuntige gelijkhebberitis waarvoor bij mijn weten nog geen behandeling bestaat.

Zoals de weetwelles lijdt aan weetwellis, ook al onbehandelbaar.

De weetnietes en de weetwelles geschreven met een hoofdletter zijn allegorische figuren, als het al geen archetypes zijn: Weetnietes en Weetwelles.

Hoe je met ze om moet gaan? Ik groet ze altijd vriendelijk en geef ze zonder meer gelijk.

Weetnietjargon

Weetnietjargon is het taaltje waarvan de weetniet zich bedient als hij het weer eens over niet-weten wil hebben.

Weetnietkunde

Weetnietkunde is denken, praten en schrijven over niet-weten. Je kunt er professor in worden, maar weetnietkunde is geen niet-weten.

Weetnietkunst

Weetnietkunst is de kunst van niet-weten, alleen maar zo genoemd omdat het van buitenaf bekeken zo moeilijk lijkt.

Voor een agnost is niet-weten geen kunst, geen kunde, geen praktijk en geen methode, maar gewoon hoe hij denkt, spreekt en leeft.

Weetnietleer

De weetnietleer is een ander woord voor de lege leer.

Er is geen weetnietleer en er is geen lege leer, behalve bij wijze van spreken.

De weetnietleer is een ballon om door te prikken of op te laten.

Weetnietmystiek

Weetnietmystiek is de mystiek van een grenzeloos en grenzenloos niet-weten waarin alle ruimte is voor wat dan ook, inclusief goden, godzeggers en goddelozen.

Weetnietniet

Een weetnietniet is iemand die zelfs niet weet van niet-weten. Een gewone weetniet dus.

Weetnietpose

Een weetnietpose is een uiterlijk vertoon van niet-weten dat niet voorkomt uit innerlijke agnose. Schone schijn dus.

Zie verder bij weetnietes.

Weetnietsymbool

Het weetnietsymbool is het universele lege symbool, Ø, dat staat voor willekeurig welk weetnietwoord.

Synoniemen: het lege symbool, het agnosticon, de eh.

Weetniettekst

Een weetniettekst is een dwaaltekst, dat wil zeggen, een tekst over en vanuit niet-weten.

Weetnietwoord

Een weetnietwoord is een woord uit het weetnietjargon. Synoniem: dwaalwoord.

Weetnietzen

Weetnietzen is zen op basis van een radicaal niet-weten.

De dharma, de leegte, afhankelijke ontstaan, anatman, de boeddhanatuur, het zelf, de vier edele waarheden, het achtvoudige pad en de geloften zijn opgegaan in de wolk van niet-weten, de Boeddha is gedood en de boeddhadoder heeft de geest gegeven.

Weetnietzen is lege zen. Je vindt het onder andere in Niet te geloven! De Linji Lu en in Niet om door te komen! De Poortloze Poort.

168 - De man die alles wist

X: Hoe zou jij jezelf omschrijven?

H: Als de man die alles wist.

X: Wat wist je allemaal?

H: Dat is de vraag niet.

X: Wat is de vraag wel?

H: Wat ik allemaal wis.

X: O, zo.

H: O zo.

X: Wat wis je allemaal?

H: Wat niet.

X: Wat blijft er over als je alles wist?

H: Ik zou het ook niet weten.

X: Het enige wat overblijft is niet-weten?

H: Ook gewist.

X: Het enige wat overblijft is wissen?

H: Ook gewist.

169 - Niet-weten is wis-kunde

In de inleiding van dit Witboek niet-weten omschrijf ik niet-weten als het witten van het weten.

Je kunt het ook zo zeggen: weten is schrijven, niet-weten is wissen.

Omdat een weetniet voortdurend van standpunt wisselt en onophoudelijk zijn gedachten wist, kun je hem een wiskunstenaar noemen, zijn niet-weten wis-kunde of wiskunst, zijn levenshouding wis-wijs.*

* Wis-kunde en wis-wijs mét een streepje om duidelijk te maken dat het om het wissen gaat en niet om mathematica. Bij wiskunst en wiskunstenaar is dat niet nodig.

Mooie woorden, daar moet je mee uitkijken. Voor je het weet gaan mensen wis-kunde bedrijven en zich wis-wijs wanen en prijzen uitreiken aan en wierook branden voor en dwepen met de beste wiskunstenaars.

Alsof het wisselen van standpunt en het wissen van het weten het hoogste ideaal is, een intellectuele prestatie, een vaardigheid, een kunst en een kunde. Alsof we het hier hebben over mentale reinheid, een gezond verstand in een gezond lichaam en meer van dat fraais – in plaats van iets wat je ook maar overkomt, of je wilt of niet, of het ergens goed voor is of niet.

Alsof ik helemaal geen vaste standpunten heb en onophoudelijk van standpunt wissel en op het standpunt sta dat iedereen dat zou moeten doen.

Woorden zijn koorden – deze ook.

Daarom wis ik ze liever meteen.

170 - In niet-weten verliest het gezond verstand ieder gezag

Onder gezond verstand verstaat men de verzameling van opvattingen, normen en waarden waarover de meeste mensen in een gemeenschap het wel eens zijn.

Alle zaken dus die vanzelfsprekend zijn.

Nu is het ene gezond verstand is het andere niet, het Japanse niet dat van de Masai of de Eskimo, maar voor het gezond verstand van de gemiddelde westerling, of anders toch voor dat van de gemiddelde Hollander, of anders toch voor dat van de gemiddelde Amsterdammer, of in iedere geval voor het mijne, denk ik nu eventjes, is de wereld stoffelijk, bestendig, geordend, kenbaar, verklaarbaar, maakbaar en beheersbaar.

Een leerstelsel dat na het echec van vijfentwintig eeuwen westerse wijsgekte het gezond verstand, althans het Schotse uit de 18e eeuw, in ere wilde herstellen, was de common sense philosophy van Thomas Reid.

Een prof die zichzelf tot taak stelde om de filosofie van de gewone man te legitimeren – kan het gekker?

Nou en of.

Het gezond verstand waarop velen zich beroepen als was het een goddelijke openbaring, gaat in agnose niet verloren maar komt wel in de lucht te hangen en verliest daarmee vanzelfsprekend zijn (on)natuurlijke gezag.

Voor mij, wie dat ook moge wezen, is het in ieder geval alleen nog vanzelfsprekend dat de wereld, wat dat ook moge wezen, in raadselen spreekt, als dat al zo is, als ik die wereld zelf al niet ben, als die wereld mij al niet is, als dat al iets betekent.

Omgekeerd is het voor diezelfde mij, zo die al bestaat, al even raadselachtig dat diezelfde wereld, als er al zoiets is, desondanks vanzelf blijft spreken en zijn/mijn/onze/eenieders/niemands verbijstering onophoudelijk overschreeuwt met vanzelfsprekendheden.

Daardoor of desondanks verkeer ik niet langer in de ban van het gezond verstand maar des te meer in dat van het ongezond of laten we zeggen het kortgesloten verstand, dat zichzelf onophoudelijk bevraagt ook al stelt het geen enkel belang meer in de antwoorden, en zich nog steeds geroepen voelt de antwoorden die desondanks uit allerlei bronnen blijven opborrelen onophoudelijk te herroepen – nu deze weer.

Klits, klats, klandere, van de ene ban in de andere.

Kan het gekker?

171 - De wilde waaiweg

De waaiweg is de weg van niet-weten, die niet op aarde ligt en daar een onveranderlijk traject volgt, zoals het wereldse wegen betaamt, maar onzichtbaar in de lucht hangt en zich uitsluitend richt naar de wind.

Een waaiweg is iemand die de waaiweg volgt, of erdoor gevolgd wordt, wie zal het zeggen. Synoniem: weetniet.

Net als de waaiweg is een waaiweg niet te volgen, maar last heb je er niet van, hij is zo weer weg.

Wilde Waaiweg is de evenknie van Wijde Weetniet – een personificatie van niet-weten.

Wilde Waaiweg is eigenlijk alleen maar wild als het hard waait, en dan alleen nog maar ten opzichte van de omgeving, niet ten opzichte van de wind zelf, waarmee hij moeiteloos samenvalt, zelfs in een vliegende storm.

172 - De gulden uitweg

De gulden uitweg is een alternatief voor de gulden middenweg.

De gulden middenweg mijdt alle uitersten leidt volgens het boeddhisme van samsara naar nirwana, van lijden naar uitdoving.

De gulden uitweg daarentegen leidt overal uit weg

Niet alleen uit samsara maar ook uit nirwana.

Niet alleen uit de illusie maar ook uit de werkelijkheid.

Niet alleen uit het relatieve maar ook uit het absolute.

Niet alleen uit gehechtheid maar ook uit onthechting.

Niet alleen uit het ego maar ook uit het zelf.

Niet alleen uit de gulden middenweg maar ook uit de gulden uitweg.

De gulden uitweg is de weg naar niet-weten.

De weg naar niet-weten leidt overal uit weg.

Ook uit niet-weten.

Weg is weg.

173 - Niet-weten als lege leer

Als je niets weet, heb je geen leer. Heb je er toch een dan is het een lege.

Niet-weten is een lege leer.

Nu kan er maar één leer zonder inhoud bestaan. Waarin zou de ene lege leer, Ø1, van de andere lege leer, Ø2 moeten verschillen? Leeg is leeg, en daarmee basta.

Een gat is een gat.

Nul is nul.

Eh is eh.

Jouw niet-weten is mijn niet-weten.

Jouw duisternis is mijn duisternis.

Jouw lege leer is mijn lege leer.

Jouw tja is mijn tja.

Hoezeer we als mens ook verschillen, we zijn allemaal even dwijs.

Daarom noem ik niet-weten gewoon dé lege leer.

Want er is maar één lege leer:

Geen lege leer.

174 - De lege leer is knecht noch heer

De lege leer:

1. Je kunt haar niet aanleren. Je kunt haar niet afleren.

2. Je kunt haar niet onthouden. Je kunt haar niet vergeten.

3. Je kunt haar niet kennen. Je kunt haar niet ontkennen.

4. Je kunt haar niet verstaan. Je kunt haar niet misverstaan.

5. Je kunt haar niet bewijzen. Je kunt haar niet ontkrachten.

6. Je kunt haar niet aanvallen. Je kunt haar niet verdedigen.

7. Je kunt haar niet aanhangen. Je kunt haar niet afvallen.

8. Je kunt haar niet opleggen. Je kunt haar niet verbieden.

9. Je kunt haar niet ontvangen. Je kunt haar niet weggeven.

10. Je kunt haar niet overdragen. Je kunt haar niet achterhouden.

11. Je kunt haar niet hebben. Je kunt haar niet kwijtraken.

NIETS kun je met de lege leer.

KLAAR ben je ermee.

Ken jij ook maar één andere leer waarvoor dit geldt?

175 - De lege leer is geen partij

De lege leer:

Je kunt er NIETS mee rechtvaardigen.

Je kunt er NIETS mee veroordelen.

1. Geen enkele gedachte.

2. Geen enkel gevoel.

3. Geen enkel idee.

4. Geen enkele opvatting.

5. Geen enkele overtuiging.

6. Geen enkel geloof.

7. Geen enkel ongeloof.

8. Geen enkele norm.

9. Geen enkele waarde.

10. Geen enkel ideaal.

11. Geen enkel motto.

12. Geen enkel principe.

13. Geen enkel voorschrift.

14. Geen enkel verbod.

15. Geen enkele verklaring.

16. Geen enkele ingreep.

17. Geen enkel recht.

18. Geen enkele plicht.

19. Geen enkele wet.

20. Geen enkele filosofie.

21. Geen enkele anti-filosofie.

22. Geen enkele traditie.

NIETS kun je rechtvaardigen met de lege leer.

NIETS kun je veroordelen met de lege leer.

NIETS kun je met de lege leer.

KLAAR ben je ermee.

Ken jij ook maar één andere leer waarvoor dit geldt?

176 - De lege leer stelt enkel vrij

De lege leer:

1. Je kunt er niemand mee bevrijden. Je kunt er niemand mee vangen.

2. Je kunt er niemand mee verlichten. Je kunt er niemand mee oplichten.

3. Je kunt er niemand mee helpen. Je kunt er niemand mee hinderen.

4. Je kunt er niemand mee helen. Je kunt er niemand mee breken.

5. Je kunt er niemand mee bemoedigen. Je kunt er niemand mee ontmoedigen.

6. Je kunt er niemand mee versterken. Je kunt er niemand mee verzwakken.

7. Je kunt er niemand mee zegenen. Je kunt er niemand mee vervloeken.

8. Je kunt er niemand mee verrijken. Je kunt er niemand mee verarmen.

9. Je kunt er niemand mee vereren. Je kunt er niemand mee vernederen.

10. Je kunt er niemand mee winnen. Je kunt er niemand mee verliezen.

11. Je kunt er niemand mee aantrekken. Je kunt er niemand mee afstoten.

NIETS kun je met de lege leer.

KLAAR ben je ermee.

Ken jij ook maar één andere leer waarvoor dit geldt?

177 - De lege leer is puur wu wei

De lege leer hoeft nergens heen. De lege leer hoeft nergens weg.

De lege leer laat zich voor geen enkel karretje spannen. De lege leer wil niemand voor haar karretje spannen.

Met de lege leer kun je geen kant op, met de lege leer kun je alle kanten op.

Dat is nou net het mooie ervan, dat is nou net het vervelende ervan.

Ja, wat is het nou?

Het is maar net hoe je het bekijkt.

En als je het niet bekijkt?

En als je het van alle kanten bekijkt?

Hoe je het ook bekijkt, de lege leer is helemaal het einde.

Wat dan wel een nieuw begin zal zijn.

Maar waarvan?

Giraf met zebrastrepen, pantervlekken, slangenhuid en slobkousen, die met twee koppen tegelijk zichzelf staat te bekijken.
En als je het van alle kanten bekijkt?

178 - Het lege pak – de keizer in zijn hemd

‘Als je het mij vraagt is de lege leer gewoon een oud verhaal in een nieuw jasje, Hans.’

‘Als je het mij vraagt is de lege leer gewoon een oud verhaal zonder jasje.’

‘De lege leer is gewoon een oud verhaal zonder jasje?’

‘Welnee.’

‘Wat dan?’

‘De lege leer is gewoon een oud jasje.’

‘En dat verhaal dan?’

‘Ik ben al jaren de draad kwijt.’

‘En dit verhaal?’

‘Hetzelfde laken een pak.’

179 - Niet-weten is geen dooddoener

Beste Hans,

Laatst zei een vriendin tegen mij: ‘Ik ben er heilig van overtuigd dat wij een opdracht hebben te vervullen in dit leven.’

Daarop antwoordde ik naar waarheid: ‘Nou, ik niet.’

Einde gesprek.

Mijn vriendin was beledigd, ik voelde me opgelaten en het werd niet meer gezellig.

Is dit nou niet-weten?

Beste X,

Nee, dit is geen niet-weten, dit is een gebrek aan gesprekstechniek.

Of een gebrek aan belangstelling of zo, dat kan ik niet beoordelen.

Ikzelf ben er ook niet van overtuigd dat wij een opdracht hebben te vervullen in dit leven. Maar ik ben er ook niet van overtuigd dat het niet zo is. Ik weet het niet. Dát is niet-weten.

Niet-weten is een uitgangspunt.

Vertrekpunt voor een gesprek dat nog alle kanten op kan, juist vanwege dat niet-weten.

Dat steeds alle kanten op blijft kunnen, nog steeds vanwege dat niet-weten.

Weten bestaat uit onderscheidingen en grenzen, niet-weten bestaat in de opheffing daarvan.

Je kunt het ook zo zeggen: niet-weten is een onbegrensde ruimte waarin vrij gedacht en gesproken kan worden.

X: Wat had ik dan moeten zeggen?

H: Tja, gesprekken lopen vaak dood omdat mensen alleen maar dingen zeggen.

Misschien had je dingen moeten vragen.

In plaats van ‘Nou, ik niet’ te zeggen, had je bijvoorbeeld kunnen vragen:

Wat is jouw opdracht in dit leven?

Wat denk jij dat ik denk dat jouw opdracht is in dit leven?

Wat is volgens jou mijn opdracht in dit leven?

Wat denk jij dat ik denk dat mijn opdracht is in dit leven?

Waarop baseer je de overtuiging dat wij een opdracht hebben in dit leven?

Wie is volgens jou de opdrachtgever?

Wat als je niet weet wat jouw opdracht is in dit leven?

Kun je ook meerdere opdrachten hebben in dit leven?

Als ik jou 10 of 25 jaar geleden naar je opdracht had gevraagd, zou je dan hetzelfde hebben geantwoord als nu?

Hoe voelt het als je je voorstelt dat wij géén opdracht in dit leven zouden hebben?

Zou het mijn opdracht kunnen zijn om te leven zonder opdracht?

X: Vragen stellen is het devies.

H: Niet-weten is geen devies, dat is het mooie eraan.

In plaats van vragen stellen kun je ook, bijvoorbeeld, gedachte-experimenten doen: ‘Stel dat wij een opdracht zouden hebben in dit leven, wat zou dan de mijne kunnen zijn?’

Nadat je die opdracht of opdrachten hebt geformuleerd, kun je nog altijd zeggen dat je betwijfelt of wij een opdracht hebben in dit leven.

Dat kun je meedelen, ter afronding van het gesprek, of je kunt het als vertrekpunt nemen voor een volgende ronde waarin je samen onderzoekt hoe het voelt om zonder opdracht door het leven te moeten.

X: Jeetje, wat een mogelijkheden allemaal.

H: Je hoeft nergens in te geloven om met gelovigen te kunnen praten en je hoeft geen ongelovige te zijn om met ongelovigen te kunnen praten.

Je kunt gewoon samen onderzoeken hoe je ergens over denkt en wat je daarbij voelt. Daar moet je natuurlijk wel allebei zin in hebben, anders werkt het niet.

Je kunt als weetniet trouwens ook best ergens in geloven.

Ik geloof ook zo het een en ander wel en niet, al is er al dan toevallig niets meer waarin ik heilig geloof.

X: Wat geloof jij dan wel of niet?

H: Zoals ik al zei geloof ik niet dat wij een opdracht hebben te vervullen in dit leven. Maar weten doe ik het niet. En ik gedraag me zonder het mezelf ooit te hebben opgelegd of voorgenomen wél alsof ik een opdracht heb te vervullen.

X: Wat zou die opdracht kunnen zijn?

H: Niet-weten onder woorden brengen. Die woorden beschikbaar stellen voor wie ze lezen wil.

In deze correspondentie met jou lijkt het mijn opdracht te zijn duidelijk te maken dat niet-weten van zichzelf geen dooddoener is maar gesprekken nieuw leven in kan blazen.

Wat natuurlijk niet betekent dat ik ieder gesprek aan moet gaan of eindeloos voort moet zetten.

Hier wou ik het graag bij laten.

180 - Kennis boeit, niet-weten bevrijdt

Niet-weten is geen bestendige, statische toestand die je op enig moment voorgoed bereikt. Het is niet het einde van je gedachten, of een halstarrig ongeloof dat op voorhand iedere gedachte afwijst, of een denkfobie, of een dooddoener om anderen en jezelf de mond te snoeren of zo.

Integendeel, niet-weten is een bereidwillig, zelfverzekerd denken dat ieder woord, iedere gedachte, iedere zaak van zoveel mogelijk kanten bekijkt en daardoor nooit tot een vast uitgangspunt, een definitief onderscheid, een eensluidende conclusie, een onwrikbaar standpunt of een heilig geloof komt. Niet omdat dat verkeerd zou zijn, maar gewoon omdat het niet gebeurt.

Niet-weten is als een wijnproeverij. Alles wat zich in de bovenkamer aandient wordt rustig bekeken, tegen het licht gehouden, geroken, in de mond genomen, rondgewalst en weer uitgetuft.

Kennis is een machtsgreep en smaakt altijd naar meer. Het is boeiend en verslavend. Niet-weten is bevrijdend en smaakt naar niets. Je hoeft het niet eens uit te spugen want het heeft geen substantie.

Niet-weten is alleen maar verfrissend.

181 - Niet-weten is geen vetpot

‘Ik vind niet-weten onverteerbaar.’

‘Geen probleem.’

‘Hoezo?’

‘De voedingswaarde is nihil.’

182 - Denk je vast of denk je vrij

Heb ik gedachten
of hebben ze mij?

Heb ik ideeën
of hebben ze mij?

Heb ik idealen
of hebben ze mij?

Heb ik gevoelens
of hebben ze mij?

Heb ik wensen
of hebben het mij?

Heb ik herinneringen
of hebben ze mij?

Heb ik principes
of hebben ze mij?

Heb ik rechten
of hebben ze mij?

Heb ik plannen
of hebben ze mij?

Heb ik woorden
of hebben ze mij?

Heb ik kinderen
of hebben ze mij?

Heb ik een god
of heeft hij mij?

Heb ik een zelf
of heeft het mij?

Heb ik een leer
of heeft hij mij?

Heb ik een baas
of heeft hij mij?

Heb ik een hond
of heeft hij mij?

Heb ik een huis
of heeft het mij?

Heb ik een lul
of heeft hij mij?

Heb ik een wil
of heeft hij mij?

Heb ik een geest
of heeft hij mij?

Heb ik een lichaam
of heeft het mij?

Ben ik een kip
Of meer een ei?

Of is dit niets
dan zifterij?

183 - Ik is een paradox

Beste Hans,

Wat ik je nu opstuur zijn de stukken en brokken die overgebleven zijn na een etmaal van schrijven, wissen, niet verzenden, overwegen, snacken, dommelen en weer van voren af aan beginnen. Je ziet, er is bitter weinig van overgebleven.

Goeroes zeggen dat alles goed is zoals het is. Dat wil ik graag geloven. Maar als ik zie dat er iets niet goed is, dan is dat toch ook wat er is? Dan is dat toch ook goed?

Zo ontstaat er binnen twee gedachten een paradox waar ik hopeloos in vastloop. Is het nou wel goed dat iets niet goed is of juist niet?

Heel af en toe overkomt het me dat iets helemaal goed lijkt, een heerlijk gevoel, maar dan herinnert iets anders me er wel weer aan dat er toch iets niet goed aan is, en dan begint het lieve leven opnieuw.

Wat wil ik nou eigenlijk? Ik wil niet meer willen, denk ik. Dan ben je overal vanaf, lijkt mij. Maar dat lukt me niet, dus kan ik beter stoppen met te willen niet meer te willen, maar dan wil ik dát weer en dat wil ik óók niet. Allemaal paradoxen. Een en al perplexiteit.

Ik wil het leven omarmen! Helemaal! Ik wil niet meer willen! Helemaal niet!

Wat moet ik hiermee?

Beste X,

Denken dat iets niet goed is zoals het is, is ook wat er is, of je nou wil of niet.

Denken dat het niet goed is dat je denkt dat iets niet goed is zoals het is, is nog steeds wat er is, of je nou wilt of niet. Dus dat zit wel goed.

Of het zit wel fout, goed fout, als je dacht in deze formule de weg uit het denken te vinden. Als je dacht jezelf 1, 2, 3 uit het denken te kunnen denken.

Sommige mensen hopen rust te vinden door het leven onvoorwaardelijke te omarmen, met alles erop en eraan. Ze willen willoos worden als een doodgeboren lam.

Hoe gaat iemand die alles verwelkomt, om met innerlijk verzet, denk jij?

Het verzet omarmen? Dan blijft er verzet.

Het verzet bestrijden? Dan komt er nog meer verzet.

Dénken dat je alles moet omarmen is al een daad van verzet.

Rust zoeken is vechten tegen je onrust.

Rust zoeken in je onrust is nog steeds een vorm van onrust en nog altijd een daad van verzet.

X: Dat snap ik niet.

H: De Eerste Wereldoorlog werd door de beroemde historicus en science-fiction schrijver H.G. Wells (1866-1946) the war to end all wars genoemd. Nou, dat hebben we geweten.

Vier jaar lang de hel op aarde. Slechts 22 jaar later de Tweede Wereldoorlog. Die ook al geafficheerd werd als de laatste oorlog. Een paar jaar later de Koude Oorlog.

Spiritualiteit: the inner war to end all inner wars.

Zoeken naar the thought to end all thoughts.

Gejaagd door the will to end all willing.

Hoeveel jaar ben je hier nou al mee bezig?

X: Wat is perplexiteit?

H: Een weten dat is vastgelopen, maar nog altijd niet van ophouden weet.

X: Bingo.

H: Een denken dat doldraait, maar nog steeds tot rust hoopt te komen door een tandje bij te schakelen.

X: Maar wat moet ik dan?

H: Je denkt dat je wat moet.

X: Daar ben ik steeds van uitgegaan.

H: Dit is mijn ervaring:

Zolang je je perplexiteit probeert te vangen in je denken, zit je verstrikt in haar netten.

Zolang je haar probeert te vangen in woorden zul je haar wissen.

Zolang je haar probeert te vangen in stilte zul je het uitschreeuwen.

X: En jij dan?

H: Bij mij is er iets doorgebrand.

X: Het lijntje brak.

H: Het schip zonk en het land verdronk. Zo van:

Wat een gezeik.
Ik ben het zat.
Slijk is slijk.
Dan maar nat.
Vinger uit de dijk.
Water zonder bad.
Rijk zonder rijk.
Dood zonder lijk.
Mond zonder blad.

X: En dat was dat.

H: Einde verhaal.

X: Wat is eigenlijk een paradox?

H: Het oog van de orkaan waar jij omheen draait.

X: Bingo.

H: De bodem van de maalstroom waar jij tegenin zwemt.

X: Het gat in de dijk waar ik mijn vinger in steek.

H: Een paradox is een gat in het denken. Dat denken lijkt massief maar het is hartstikke poreus. Het zit vol gaten. Van het denken kun je geen kaas maken – behalve gatenkaas.

X: Denken is gatenkaas.

H: Al die gaten in het denken zijn met elkaar verbonden. Ze vormen de tussenruimte van je gedachten. Het interstitium. In feite is het één groot zwart gat.

X: En jij bent in dat gat gevallen.

H: Ik val ermee samen.

X: Jij bent het gat in het denken.

H: Ik is een paradox.

X: Waarom ben jij zo lekker aan het schrijven en ik alleen maar aan het wissen?

H: Schrijven is vaststellen, wissen is vrijstellen. Jij doet óf het een, óf het ander.

Ik doe beide tegelijk.

Vangen om te bevrijden.

Schrijvend wissen.

Aanzuigend uitblazen.

Als een didgeridoo:

The sound must go on.

184 - Stijlfiguren niet-weten: paradox

Een paradox is een stijlfiguur in de vorm van een uitdrukking of uitspraak die zichzelf tegenspreekt.

Voorbeelden:

Ik weet niets maar dat weet ik wel verdomd zeker.

Ik weet niets, dit ook niet.

Ik heb niets te zeggen, en dat zeg ik.

Ik heb zelfs niet niets te zeggen.

De twijfel betwijfeld.

Ook van onthechting onthecht.

Zelfs van leegte ontledigd.

Alles is een illusie, ook de illusie.

Een paradox is een oxymoron in de vorm van een zin, een oxymoron is een paradox in de vorm van een term. Beide stijlfiguren brengen een tegenspraak (strijdigheid, tegenstrijdigheid, contradictio, aporie, onverenigbaarheid) tot uitdrukking.

Agnostische paradoxen geven uitdrukking aan niet-weten

Een agnostische paradox of weetnietparadox is een paradox die voortkomt uit, en uitdrukking geeft aan agnose, aan niet-weten.

Niet iedere paradox is agnostisch. Je zou zelfs kunnen zeggen dat geen enkele paradox van zichzelf agnostisch is, maar het karakter van agnose ontleent aan de context en het gebruik. Paradoxen op deze website zijn bijna allemaal agnostisch, die in een boek over filosofie, wiskunde, logica of humor bijna nooit.

Vrijwel iedere tekst over niet-weten (dwaaltekst) bevat tegenspraken op woordniveau (oxymorons), op zinsniveau (paradoxen) of over meerdere zinnen of alinea’s uitgesmeerd (tetralemma of vrije vorm). In vrijwel ieder dwaalgesprek spreken de gesprekspartners elkaar of zichzelf herhaaldelijk tegen. Ook mijn dwaalspreuken bevatten veel tegenstrijdigheden, al zijn niet alle dwaalspreuken paradoxen.

Tegenspreken, herroepen, het terugnemen of in vraag stellen van eerdere woorden en uitspraken en verborgen veronderstellingen, het vermenigvuldigen van betekenissen, interpretaties en oordelen tot aan en in de agnostische verbijstering – paradoxie is de essentie van het dwijze denken en spreken. Bij herhaling uitspreken en weerspreken, in de mystiek wordt het stamelen genoemd, al stamelt men daar alleen over God. Een agnost stamelt over alles.

Iedere tekst over en vanuit niet-weten is intrinsiek paradoxaal. Paradoxen zijn de zuiverste uitdrukking van niet-weten, voor zover niet-weten zich überhaupt laat uitdrukken. Van meet af aan ben ik er verzot op geweest.

Als ik mijn hele niet-weten en al mijn dwaalteksten moest samenvatten op een postzegel dan zou ik een paradox gebruiken.

Sunyata-sunyata en maya-maya

Een voorbeeld van een boeddhistische paradox is sunyatasunyata, de leegte van de leegte – tegelijk bevestiging en ontkenning van de leegte, die ons niet terug naar de vorm voert maar, als het aan mij ligt, uit (het onderscheid tussen) leegte en vorm.

Op analoge wijze zou je uit het hindoeïstische begrip maya (illusie) de term mayamaya kunnen vormen: de illusie van de illusie, illusie in het kwadraat – een ontkenning van de illusie, die ons niet terug naar de realiteit voert, maar uit de tweespalt illusie versus realiteit.

Expliciete en impliciete paradoxen

Soms is de dubbele ontkenning die karakteristiek is voor de paradox expliciet aanwezig:

1. zelfs niet weten van niet-weten

2. zelfs niet geloven in niet-geloven

3. zelfs niet reiken naar niet-reiken

4. zelfs niet nestelen in niet-nestelen

5. zelfs niet hechten aan niet-hechten

6. zelfs niet oordelen over oordelen

Deze paradoxen staan toevallig allemaal in de gebiedende wijs, maar dat hoeft niet; ‘zelfs van het onthechten onthecht’ is net zo paradoxaal als ‘zelfs niet hechten aan niet-hechten’.

De dubbele ontkenning kan ook verstopt zitten in de werkwoorden en zelfstandige naamwoorden:

1. zelfs je weerstand niet weerstaan

2. zelfs geen principes tegen principes

3. zelfs het relativeren gerelativeerd

4. zelfs het twijfelen betwijfelen

5. zelfs het loslaten losgelaten

6. zelfs het opgeven opgeven

7. zelfs het afwijzen afgewezen

8. zelfs het weerspreken weerspreken

9. zelfs het ontkennen ontkend

10. zelfs het afbreken afbreken

11. zelfs de haakjes tussen haakjes

12. zelfs van leegte ontledigd

13. zelfs van de vrijheid bevrijd

14. zelfs aan het ontsnappen ontsnappen

Paradoxen in de vorm van oxymorons:

1. alles liefhebben, zelfs de haat

2. overal ruimte voor hebben, zelfs voor bekrompenheid

3. overal voor open staan, zelfs voor geslotenheid

4. rustig blijven onder je onrust

Paradoxen in de vorm van een filosofie

1. Een nihilisme dat zelfs het nihilisme en zichzelf nihil verklaart: een hypernihilisme

2. Een negativisme dat zelfs negatief staat tegenover het negativisme en tegenover zichzelf: een hypernegativisme

3. Een relativisme dat zelfs het relativisme en zichzelf relativeert: een hyperrelativisme

4. Een perspectivisme dat zelfs het perspectivisme en zichzelf als een perspectief ziet: een hyperperspectivisme

5. Een quiëtisme dat niet alleen de wereld maar ook het quiëtisme en zichzelf verzaakt: een hyperquiëtisme

6. Een scepticisme dat zelfs de twijfel en zichzelf betwijfelt: een hyperscepticisme*

7. Een escapisme dat zelfs aan het escapisme en aan zichzelf ontsnapt: een hyperescapisme

Het denken, de geest, de mind, het verstand, gesteld dat er iets is dat denkt, houdt niet van tegenspraken; het gezond verstand niet en het academisch verstand niet.

Wanneer een correcte redenering tot een tegenspraak leidt, concludeert het al dan niet zogenaamde verstand dat de aannames onjuist zijn. Dit heet een bewijs uit het ongerijmde, reductio ad absurdum. Door de aannames onjuist te verklaren, treedt het letterlijk uit het ongerijmde en wordt de intellectuele orde hersteld. Een vlucht uit de paradoxie in de orthodoxie.

Hegel noemde dit dialectiek: de filosofische methode die vooruitgang boekt via de weg van these - antithese - synthese. De laatste van de syntheses zou volgens Hegel uitmonden in het Absolute, dat alle tegenstellingen omvat en overstijgt.

In agnose leidt een paradox, hoewel tegenstrijdig, niet tot een conclusie omtrent de aannames waarop het is gebaseerd. Voor mij bewijst een paradox niets, zelfs niet dat er niets te bewijzen valt. Er wordt geen wiskundige orde, filosofische orde, politieke orde of welke orde dan ook mee hersteld.

Voor mij is een paradox simpelweg een puntige uitdrukking van en herinnering aan een grenze(n)loos niet-weten. Het is de hartenkreet die de val in het ongerijmde inleidt en begeleidt, bekrachtigt en ontkracht, betreurt en bezingt en verzacht.

* Het pyrronisme is in theorie een hyperscepticisme, maar wordt door zijn belangrijkste vertolker, Sextus Empiricus, uitgewerkt tot een tamelijk conservatieve en fatalistische levensbeschouwing.

185 - Niet-weten is een dwaalgesprek met jezelf

‘Wat is weten?’

‘Een leergesprek met jezelf.’

‘Komt daar ooit een eind aan?’

‘Voor de meeste mensen niet.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een dwaalgesprek met jezelf.’

‘Komt daar ooit een einde aan?’

‘Tot nu toe niet.’

186 - Wie niet weet staart zich nergens op blind

Niet-kleurenblinden zien hier een vraagteken van groene bolletjes in een cirkel van rode bolletjes.

Niet-weten is geen gedachtestilte. Het is geen trance of samadhi of absence of fugue of diepe slaap of een andere bewustzijnstoestand waarin niets meer gebeurt of niets meer wordt geregistreerd. Het denken gaat vrolijk verder. Bij mij in elk geval wel.

Niet-weten is geen gevoelsstilte. Je bent niet onverschillig, uitgedoofd, neutraal, onthecht of vlak. Het voelen gaat vrolijk verder. Bij mij in elk geval wel.

Niet-weten is geen methode of techniek om je gedachten, gevoelens, verlangens, woorden en daden in de door jou gewenste richting te sturen; het is een denken dat spontaan zijn eigen methoden, technieken tegen het licht houdt.

Niet-weten is geen discipline of praktijk om jezelf tijdelijk of voorgoed allerlei geestelijke, lichamelijke of principiële beperkingen op te leggen omdat ze heilzaam zouden zijn; het is een denken dat spontaan zijn eigen disciplines en praktijken tegen het licht houdt.

Niet-weten is geen maatstaf voor het beoordelen van je eigen of andermans doen en laten; het is een denken dat spontaan zijn eigen maatstaven en oordelen tegen het licht houdt.

Een weetniet verwerpt het weten niet op voorhand, maar staart zich nergens op blind.

Ook niet 0p niet-weten.

Cirkel van grijsgetinte bolletjes waarin een vraagteken van grijsgetinte bolletjes onzichtbaar is.
‘Een weetniet staart zich nergens op blind – ook niet op niet-weten.’

187 - Niet-weten is een zwart gat

‘Wat is de beste metafoor voor het verschil tussen weten en niet weten?’

‘Het achterwerk.’

‘Waarom?’

‘Je staart je blind op de billen, maar het venijn zit in de aars.’

‘Waarvoor staan de billen?’

‘Voor dit soort vragen.’

‘Waarvoor staat de aars?’

‘Voor dit soort antwoorden.’

‘Staan ze voor illusie en werkelijkheid?’

‘Proet.’

‘Voor verschijnsel en bewustzijn?’

‘Proet.’

‘Voor vorm en leegte?’

‘Proet.’

‘Voor ego en zelf?’

‘Proet.’

‘Voor dualiteit en non-dualiteit?’

‘Allemaal billen.’

‘Maar wat is dan die aars?’

‘Proet.’

188 - Niet-weten is een wormgat naar deze zijde

‘Wat is niet-weten?’

‘Een wormgat naar gene zijde.’

‘Wat is gene zijde?’

‘Wat is deze zijde?’

‘Waar is dat wormgat dan voor nodig?’

‘Welk wormgat?’

‘Dat weet je ook al niet?’

‘Wat is niet-weten?’

189 - Het lege lied – holle woorden voor holle geesten

Drieëndertig wormgaten om in te verdwijnen

1. Voorzanger: Hoe heet de waarheid van de lege leer?

Koor: De lege waarheid!

2. Hoe heet de werkelijkheid van de lege leer?

De lege werkelijkheid!

3. Hoe heet de weg van de lege leer?

De lege weg!

4. Hoe heet het idee van de lege leer?

Het lege idee!

5. Hoe heet de canon van de lege leer?

De lege canon!

6. Hoe heet de overtuiging van de lege leer?

De lege overtuiging!

7. Hoe heet de stelling van de lege leer?

De lege stelling!

8. Hoe heet de traditie van de lege leer?

De lege traditie!

9. Hoe heet het verhaal van de lege leer?

Het lege verhaal!

10. Hoe heet het boek van de lege leer?

Het lege boek!

11. Hoe heet het motto van de lege leer?

Het lege motto!

12. Hoe heet de boodschap van de lege leer?

De lege boodschap!

13. Hoe heet de missie van de lege leer?

De lege missie!

14. Hoe heet de filosofie van de lege leer?

De lege filosofie!

15. Hoe heet de religie van de lege leer?

De lege religie!

16. Hoe heet het geloof in de lege leer?

Het lege geloof!

17. Hoe heet de mystiek van de lege leer?

De lege mystiek!

18. Hoe heet de gelofte van de lege leer?

De lege gelofte!

19. Hoe heet de praktijk van de lege leer?

De lege praktijk!

20. Hoe heet het gebed van de lege leer?

Het lege gebed!

21. Hoe heet de mantra van de lege leer?

De lege mantra!

22. Hoe heet het voorschrift van de lege leer?

Het lege voorschrift!

23. Hoe heet het ideaal van de lege leer?

Het lege ideaal!

24. Hoe heet het onderricht van de lege leer?

Het lege onderricht!

25. Hoe heet de vraag van de lege leer?

Het lege antwoord!

26. Hoe heet het woord van de lege leer?

Het lege woord!

27. Hoe heet de geest van de lege leer?

De lege geest!

28. Hoe heet de boeddha van de lege leer?

De lege boeddha!

29. Hoe heet de profeet van de lege leer?

De lege profeet!

30. Hoe heet een meester van de lege leer?

Een lege meester!

31. Hoe heet een leerling van de lege leer?

Een lege leerling!

32. Hoe heet het lied van de lege leer?

Het lege lied!

33. Was dit dat lied?

Natuurlijk niet!

♪♪♪

190 - Hoe je de lege leer het best kunt onthouden

‘Hoe kan ik de lege leer het best onthouden, Hans?’

‘Onthoud dat er niets te vergeten valt en vergeet dat er niets te weten valt.’

‘Hè?’

‘Dat komt op hetzelfde neer.’

191 - Niet-weten als alomvattende leer

De lege leer is de hele leer

Geen waarheid verkondigen is net zoiets als alle waarheden verkondigen.

Geen filosofie aanhangen is net zoiets als alle filosofieën aanhangen.

Geen stelling verdedigen is net zoiets als alle stellingen verdedigen.

Geen verhaal vertellen is net zoiets als alle verhalen vertellen.

Geen antwoord geven is net zoiets als alle antwoorden geven.

Geen ideaal koesteren is net zoiets als alle idealen koesteren.

Geen geloof belijden is net zoiets als elk geloof belijden.

Geen idee hebben is net zoiets als alle ideeën hebben.

Geen vraag stellen is net zoiets als alle vragen stellen.

Want een leer van niets, Ø, is net zoiets als een leer van alles, ∞.

In de praktijk komen ze op hetzelfde neer.

De lege leer is de hele leer.

Ø = ∞.

Zwijgen in agnose is spreken in agnose.

De dikke en de Ddunne

De hele leer is de leer die alle denkbare leerstellingen bevat in alle denkbare combinaties, hoe tegenstrijdig ook.

Wiskundig gezien is de hele leer de machtsset van alle formuleerbare leerstellingen.

De hele leer is de grote broer van de lege leer. Samen vormen ze het duo de dikke en de dunne.

Niet-weten kun je definiëren als 1. de lege leer aanhangen of 2. de hele leer aanhangen.

Net als de lege leer kun je de hele leer niet verifiëren of falsifiëren, niet bewijzen of ontkrachten, niet aanhangen of verdedigen, niet kennen of ontkennen, niet onthouden of vergeten, niet aanhangen of afwijzen.

Geen wonder, de hele leer is al net zozeer een bedenksel als de lege leer.

Ja hoor, dat kun je gerust aan een weetniet overlaten:

Hoe groter het ruim, hoe groter de duim.

Volledige bevrijding

De lege leer en de hele leer zijn beide maar hulpmiddelen om iets duidelijk te maken over niet-weten.

Niet-weten is ook maar een hulpmiddel om iets duidelijk te maken.

Of onduidelijk, daar wil ik vanaf zijn.

Maar wat?

En aan wie?

Of een hulpmiddel om ergens vanaf te komen natuurlijk, dat kan ook nog.

Maar waarvan?

Of van wie?

Misschien wel om overal vanaf te komen.

Volledige bevrijding!

En dan?

Ik zeg niks.

Of alles.

Wat jij wil.

Enorm boek met piepkleine mannetjes eromheen.
Het hele boek.

192 - Niet-weten is al je denkketens verbreken

Aan de leiband van de vrijheid

X: Wat is vrijheid?

H: Al je denkketens verbreken.

X: Wat als je al je denkketens verbreekt?

H: Niet-weten.

X: Wat is niet-weten?

H: Het centrum waarmee alles gedachteloos in verbinding staat.

X: Wat als je overal gedachteloos mee in verbinding staat?

H: Vrijheid in verbondenheid.

X: Precies wat ik zoek!

H: Hoe vond je deze denkketen?

X: Inspirerend hoor.

H: Nou nog verbreken.

193 - Niet-weten als variologie

Gedachte-experimenten

Niet-weten is een vorm van denken die zich voortdurend losmaakt van zijn eigen inhoud.

Het denkt vrijuit en het denkt zich meteen weer vrij van zijn eigen denkerij.

Een denken dat werkelijk vrij is, laat zich natuurlijk niet vangen in een woord of omschrijving, ook niet in deze.

Hoewel niet-weten nergens mee te vergelijken is, moet ik vaak denken aan de tijd dat ik, als veertiger, letterlijk duizenden gedachte-experimenten deed.

Je kunt het zo gek niet verzinnen of ik onderzocht het.

Hoe het zou zijn als mijn lichaam een punt was, of een lijn, of een vlak, of een volmaakt ronde bol.

Hoe het zou zijn als ik in die hoedanigheid géén zintuigen had, of alleen maar kon zien of alleen maar kon horen et cetera.

Hoe het zou zijn als ik mijn waarnemingen met vertraging bewust zou worden, na een seconde, na een minuut, na een uur, na een dag of een jaar.

Hoe het zou zijn als de lichtsnelheid gelijk was aan de geluidssnelheid of aan wandelsnelheid of varieerde met de temperatuur of het seizoen.

Hoe het zou zijn als ik geen benen had of maar één of drie of tien, of als iedereen maar één been had en ik alleen twee.

Hoe het zou zijn als ik niet meer kon spreken maar nog wel verstaan of als ik nog wel kon spreken maar niet meer verstaan of als ik niet meer kon spreken en niet meer verstaan.

Hoe zou het zijn als alle ruimte die ik doorkruiste zou veranderen in steen.

Duizenden gedachte-experimenten deed ik, ruim zes jaar lang, en maakte er aantekeningen van in een dagboek dat Idios heette en algauw uit zijn voegen barstte.

Om te begrijpen waar ik in godsnaam mee bezig was, probeerde ik er woorden voor te vinden (net als voor niet-weten nu) en een van de termen die ik bedacht was variologie.

In onderstaande omschrijving, die ik maar een klein beetje heb hoeven redigeren, zie je het niet-weten dagen, al zou het nog bijna twee jaar duren voor het me bij de keel greep.

Wat is variologie?

Variologie is de inventarisatie van alle mogelijke vragen inzake een bepaalde kwestie zonder het oogmerk ze te beantwoorden, van alle mogelijke antwoorden zonder het oogmerk het juiste vast te stellen, en van alle verborgen aannames zonder het oogmerk ze te onderbouwen.

Variologie is niet gericht op de werkelijkheid maar op de mogelijkheid, niet op de details maar op de grote lijn, niet op het ene maar op het menigvuldige.

Liever dan een standpunt te bepalen inventariseert de varioloog alle mogelijke standpunten en alle mogelijke argumenten voor en tegen onder het motto:

Beter tien perspectieven aan de horizon dan één door mijn hart.

Zo bedrijft men natuurlijk geen politiek, maar wat dan wel?

Liever dan de werkelijkheid te doorgronden brengt de varioloog alle denkbare gronden en ongronden in kaart onder het motto:

Beter tien kuub beton in de molen dan één om mijn voeten.

Zo bedrijft men natuurlijk geen filosofie, maar wat dan wel?

Liever dan een hypothese te toetsen zet de varioloog alle mogelijke hypothesen op een rij onder het motto:

Beter tien verklaringen op papier dan één in mijn kop.

Zo bedrijft men natuurlijk geen wetenschap, maar wat dan wel?

Liever dan naar motto’s te leven gooit de varioloog ze weg zonder het motto:

Liever dan naar motto’s te leven gooit de varioloog ze weg zonder het motto: ‘liever dan naar motto's te leven gooit de varioloog ze weg zonder het motto ‘liever dan …

Zo bedrijft men natuurlijk geen variologie, maar wat dan nog?

194 - Niet-weten is leven zonder utopie of dystopie

Wat is een utopie?

Een ideaalbeeld van de wereld of van een staat of van de mens heet een utopie (Grieks, eu-, goed of ou, niet, nergens + topia, plaats).

Een van de bekendste utopieën is de socialistische heilstaat Utopia van Thomas Moore (1516).

De christelijke heilstaat is een staatsbestel op kerkelijke grond waarin iedere burger allereerst onderdaan van God is.

Het Derde Rijk was een fascistische heilstaat op eugenetische grondslag.

De boeddhistische heilstaat is die van een wereld zonder grenzen waarin het lijden is uitgebannen en iedereen verlicht is.

Het komt mij voor dat utopisten genieten van hun ideaalbeeld, maar eronder lijden dat ze het niet kunnen realiseren.

Wat is een dystopie?

Een schrikbeeld van de wereld of van een staat heet een dystopie (Grieks, dys-, moeilijk, slecht).

Totalitaire dystopieën vinden we onder meer terug in Brave new world van Aldous Huxley en 1984 van George Orwell.

Volgens sommigen is de huidige wereld al de ergst denkbare.

Volgens anderen, zoals Gottfried Leibniz, is de huidige wereld, hoe erg ook, juist de beste van alle mogelijke werelden.

Een hedendaagse verschijningsvorm van de dystopist is de zogeheten prepper, een Amerikaanse term voor mensen die bezocht worden door een heel specifiek schrikbeeld en die al het mogelijke doen om zich erop voor te bereiden.

Hierbij kun je denken aan een elektromagnetische puls van de zon of de omkering van de magnetische polen of een verschuiving van de golfstromen of een vloedgolf of een wateroorlog of een pandemie of een nucleaire winter of een bevolkingsexplosie.

Het merkwaardige aan preppers is dat ze zich vreselijk druk maken over één specifieke ramp en alle andere rampscenario's negeren.

Het komt mij voor dat dystopisten lijden onder hun schrikbeeld, maar ervan genieten om ervoor te waarschuwen en zich ertegen te weren.

Leven zonder ideaalbeeld of schrikbeeld

Wat voor de één een utopie is, is voor de ander een dystopie. Denk maar aan de socialistische heilstaat, de christelijke heilstaat en de boeddhistische heilstaat.

Wat voor de een een dystopie is, is voor de ander een utopie. Denk maar aan het Derde Rijk, het Ottomaanse rijk, het Romeinse rijk.

Het lijkt dus nogal subjectief of je een toekomstbeeld ervaart als hemel of als hel, en misschien hangt dat wel samen met de denkbeelden die je erop nahoudt, ik weet het niet.

Wie niet weet, zoals ik, houdt er geen vaste denkbeelden op na.

Zelfbeelden, mensbeelden, wereldbeelden, godsbeelden, ideaalbeelden of schrikbeelden krijgen geen vat op hem.

Dat komt, er is geen infrastructuur, er zijn geen sokkels, er is geen fundering voor de sokkels en geen zandplaat voor de fundering.

Alle beelden zinken door hun eigen gewicht onmiddellijk weg in het drijfzand van de weetnietgeest om nooit meer boven te komen.

Iedere vorm van utopisme, dystopisme, activisme, fatalisme, obscurantisme, anti-intellectualisme of quïetisme is hem vreemd, net als ieder ander isme.

Ook niet-weten is voor de agnost geen heilige graal.

De wereld hoeft niet van haar weterij bevrijd te worden, als dat al zou kunnen.

Van mij tenminste niet.

Mocht er toch een bevrijdingsbeweging ontstaan die streeft naar algehele agnose, dan hoeft de wereld niet zo nodig van deze bevrijdingsbeweging bevrijd te worden.

Van mij tenminste niet.

Mocht er vervolgens een nieuwe bevrijdingsbeweging ontstaan die de wereld van de oude bevrijdingsbeweging wil bevrijden – het zij zo.

Bevrijders zijn nou eenmaal gebonden aan hun eigen opvattingen over vrijheid.

Jij?

195 - Het hele lied – hele woorden voor hele geesten

Drieëndertig werelden om te bestormen

1. Voorzanger: hoe heet de waarheid van de hele leer?

Koor: De hele waarheid!

2. Hoe heet de werkelijkheid van de hele leer?

De hele werkelijkheid!

3. Hoe heet de weg van de hele leer?

De hele weg!

4. Hoe heet de canon van de hele leer?

De hele canon!

5. Hoe heet de traditie van de hele leer?

De hele traditie!

6. Hoe heet het verhaal van de hele leer?

Het hele verhaal!

7. Hoe heet het boek van de hele leer?

Het hele boek!

8. Hoe heet het motto van de hele leer?

Het hele motto!

9. Hoe heet de boodschap van de hele leer?

De hele boodschap!

10. Hoe heet de missie van de hele leer?

De hele missie!

11. Hoe heet de filosofie van de hele leer?

De hele filosofie!

12. Hoe heet de religie van de hele leer?

De hele religie!

13. Hoe heet het geloof in de hele leer?

Het hele geloof!

14. Hoe heet de mystiek van de hele leer?

De hele mystiek!

15. Hoe heet de gelofte van de hele leer?

De hele gelofte!

16. Hoe heet de praktijk van de hele leer?

De hele praktijk!

17. Hoe heet het gebed van de hele leer?

Het hele gebed!

18. Hoe heet de mantra van de hele leer?

De hele mantra!

19. Hoe heet het voorschrift van de hele leer?

Het hele voorschrift!

20. Hoe heet het ideaal van de hele leer?

Het hele ideaal!

21. Hoe heet het onderricht van de hele leer?

Het hele onderricht!

22. Hoe heet de vraag van de hele leer?

De hele vraag!

23. Hoe heet het antwoord van de hele leer?

Het hele antwoord!

24. Hoe heet het woord van de hele leer?

Het hele woord!

25. Hoe heet de geest van de hele leer?

De hele geest!

26. Hoe heet de boeddha van de hele leer?

De hele boeddha!

27. Hoe heet de profeet van de hele leer?

De hele profeet!

28. Hoe heet een meester van de hele leer?

Een hele meester!

29. Hoe heet een leerling van de hele leer?

Een hele leerling!

30. Hoe heet de tijd van de hele leer?

De hele tijd!

31. Hoe heet de mens van de hele leer?

De hele mens!

32. Hoe heet het leven van de hele leer?

Het hele leven!

33. Hoe heet het lied van de hele leer?

Het hele lied!

Was dit dat lied?

Natuurlijk niet!

♪♪♪

196 - Hoe je de hele leer het best kunt onthouden

‘Hoe kan ik de hele leer het best onthouden, Hans?’

‘Onthoud dat er niets buiten valt waardoor je niets hoeft te onthouden.’

‘Hè?’

‘Dat komt op hetzelfde neer.’

197 - Halve waarheden zijn halve leugens

De lege leer, Ø, is de leer die geen enkel idee bevat.

De hele leer, ∞, is de leer die alle alle ideeën bevat.

Het denken van iemand die voor niets en niemand staat is in de praktijk niet te onderscheiden van het denken van iemand die voor alles en iedereen staat.

De lege leer is de hele leer.

Iedere andere leer is een halve waarheid.

Iedere halve waarheid is een halve leugen.

En terwijl er maar één lege leer en maar één hele leer is, zijn er ontzettend veel halve leugens.

Die zich allemaal voordoen als de hele waarheid en niets dan de waarheid.

Neem alleen al dit verhaal.

198 - Het halve lied – halve woorden voor halve geesten

Tweeëntwintig benen om op te hinken

1. Voorzanger: hoe heet de waarheid van de halve leer?

Koor: De halve waarheid!

2. Hoe heet de werkelijkheid van de halve leer?

De halve werkelijkheid!

3. Hoe heet de weg van de halve leer?

De halve weg!

4. Hoe heet de canon van de halve leer?

De halve canon!

5. Hoe heet het verhaal van de halve leer?

Het halve verhaal!

6. Hoe heet het boek van de halve leer?

Het halve boek!

7. Hoe heet de boodschap van de halve leer?

De halve boodschap!

8. Hoe heet de filosofie van de halve leer?

De halve filosofie!

9. Hoe heet de religie van de halve leer?

De halve religie!

10.Hoe heet het geloof in de halve leer?

Het halve geloof!

11.Hoe heet de mystiek van de halve leer?

De halve mystiek!

12.Hoe heet de praktijk van de halve leer?

De halve praktijk!

13. Hoe heet het gebed van de halve leer?

Het halve gebed!

14. Hoe heet het onderricht van de halve leer?

Het halve onderricht!

15. Hoe heet de vraag van de halve leer?

De halve vraag!

16. Hoe heet het antwoord van de halve leer?

Het halve antwoord!

17. Hoe heet het woord van de halve leer?

Het halve woord!

18. Hoe heet de geest van de halve leer?

De halve geest!

19. Hoe heet de boeddha van de halve leer?

De halve boeddha!

20. Hoe heet een meester van de halve leer?

Een halve meester!

21. Hoe heet een leerling van de halve leer?

Een halve leerling!

22. Hoe heet het lied van de halve leer?

Het halve lied!

Was dit dat lied?

Voor wie het ziet!

♪♪♪

199 - Hoe je een halve leer het best kunt onthouden

‘Hoe kan ik een halve leer het best onthouden, Hans?’

‘Onthoud dat een halve leer gelijk is aan de hele leer plus de lege leer gedeeld door twee en vergeet de rest.’

‘Hè?’

‘Dat komt op hetzelfde neer.’

200 - De lege boodschap kost niets

X: Ik zoek de blijde boodschap.

H: Dan moet je niet bij mij zijn.

X: Waarvoor moet ik wel bij jou zijn?

H: De lege boodschap.

X: Heeft de lege boodschap iets met onvoorwaardelijke liefde, blijvend geluk, universele wijsheid, duurzame vrede en eeuwig leven te maken?

H: De lege boodschap heeft nergens mee te maken.

X: Waarom niet?

H: Omdat hij leeg is.

X: Wat kost hij?

H: Niets natuurlijk.

X: Waarom niet?

H: Omdat hij leeg is.

X: Waar kan ik terecht voor de blijde boodschap?

H: Waar niet.

X: Bijvoorbeeld?

H: Bij een of andere kerk.

X: Hoe weet ik dat het daar over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: En als ik dat niet wil?

H: Ga je naar een of andere sekte.

X: Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: En als ik dat niet wil?

H: Ga je naar een of andere therapeut.

X: Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: En als ik dat niet wil?

H: Ga je naar een of andere coach.

X: Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: En als ik dat niet wil?

H: Ga je naar een of andere sangha.

X: Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: En als ik dat niet wil?

H: Ga je naar een of andere goeroe.

X: Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: En als ik dat niet wil?

H: Koop je een of ander boek.

X: Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: Misschien moet ik toch de lege boodschap eens proberen.

H: Zie hem eerst maar eens te vinden.

X: Is hij dan niet te koop?

H: Natuurlijk niet.

X: Omdat er geen vraag naar is?

H: Omdat hij gratis is.

X: Dan kan het niet veel wezen.

H: Dat heb je goed gezien.

201 - Waar ik achter sta

‘Waar sta jij voor, Hans?’

‘Voor niet-weten.’

‘Waarvoor staat niet-weten?’

‘Voor niets.’

202 - Hoe niet weten vroeger heette: weteloosheid en kenneloosheid

Weteloosheid.nl

In den beginne heette nietweten.nl weteloosheid.nl, en later nog een poosje weteloos.nl.

Ik had voor weteloos(heid) gekozen omdat ik niet-weten eigenlijk maar een lelijk woord vond, met dat onhandige streepje en die negatieve niet. Bovendien werd de zoekterm niet-weten tien jaar terug door de zoekmachines automatisch vertaald in de zoekopdracht ‘niet’ OR ‘weten’, die veel te veel zoekresultaten opleverde, vooral ruis.

De zoekresultaten zijn inmiddels wel wat verbeterd, maar niet-veel, of je moet net op zoek zijn naar ‘ikke niet weten’ of ‘niet willen weten of je zwanger bent’ of ‘ik zou het ook niet weten’ en soortgelijke zinnetjes in talloze krantenartikeltjes, blogs, forums en reacties.

Ik had dus goed over nagedacht over mijn hoofdwoord, maar niet goed genoeg. Weteloos(heid) zou inderdaad een prima zoekterm zijn als het woord eenmaal was ingeburgerd, maar dat was het niet. Niemand zocht erop. Ik meende dat er een latente behoefte was aan een enkelvoudig trefwoord, en dat weteloos(heid) wel zou aanslaan, maar dat is natuurlijk nooit gebeurd. Het werd gedoogd op linkpagina’s, een enkele keer geciteerd, maar door niemand actief in gebruik genomen. Hoe naïef kun je zijn.

We zijn inmiddels tien jaar verder en niet-weten is nog altijd de enige ingeburgerde term, zowel in de mystiek als in het zenboeddhisme, om naar niet-weten te verwijzen. Ingeburgerd is een groot woord, voor de meeste mensen betekent niet-weten gewoon onwetendheid, maar toch. Wil je weten wat andere weetnietgeesten over dit onderwerp te melden hebben dan moet je zoeken op niet-weten. Wil je dat anderen lezen wat jij over dit onderwerp te melden hebt, dan moet je schrijven over niet-weten.

In de filosofie ben ik het woord niet-weten jammer genoeg nooit tegengekomen, behalve bij Georges Bataille, maar wie leest die nog? Andere wijsgeren spreken liever van scepticisme, pyrronisme, stoïcisme, relativisme, perspectivisme, nihilisme en zo. Moeilijke woorden met meer cachet, zeker, maar het blijft filosofie. Ze reiken naar niet-weten maar bereiken het niet. Iets wat trouwens ook van de meeste mystici en zenboeddhisten gezegd kan worden.

Weteloos, weteloosheid, weteloze

In het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) komt het woord weteloos niet voor. Vreemd eigenlijk, want in Nederlandse en Zuid-Afrikaanse geschriften wel, en ook in Nederlandse wordt het al sinds de middeleeuwen gebruikt, al is het sporadisch.

Zo meen ik me te herinneren dat er een vertaling bestaat van de preken van Meister Eckhart waarin deze, of tenminste zijn vertaler, zoiets zegt als ‘want hun weten is weteloos’, maar ik kan zo gauw niet terugvinden waar, dus de literatuurverwijzing hou je van me te goed. (Als jij het toevallig weet, stuur me dan even een mailtje).

In het gedicht Duc nos quo tendimus van Guido Gezelle komt het zeker voor:

Groot van oogen, grauw van velle,
lang van ooren, krom van been,
zitten nu de lieve, snelle
jongskes op mijn hand, getween,
weteloos of, weggedreven,
vader nog en moeder leven!

Het woord weteloos mag dan in het WNT ontbreken, het bevat wel de vormvarianten weetloos en wetenloos in de betekenis van onwetend, onkundig, onbekend, vergeten, onbewust. Beide zouden verouderd zijn. In de Van Dale ontbreken ze alle drie. Dat komt goed uit, want dan kunnen we ze zonder gevaar voor ambiguïteit hergebruiken. Niet als hoofdwoord natuurlijk, maar wel als synoniem – voor de variatie.

Hierbij definieer ik de termen weetloos, wetenloos en weteloos als niet-wetend, (agnostisch, dwijs).

Weetloosheid, wetenloosheid en weteloosheid betekenen niet-weten (agnose, dwijsheid).

Een weetloze, wetenloze of weteloze is een weetniet (agnost, dwijze).

Kenneloos, kenneloosheid, kenneloze

Wat niet ontbreekt in het WNT is het woord woord kenneloos (kennelôs, kinneloos), dat ik pas kort geleden ontdekte.

Volgens het woordenboek is kenneloos een antoniem (het tegenovergestelde) van kennelijk (kennelijc). In algemene zin betekent het ‘zonder kennis’. In de middeleeuwse mystiek werd het verstaan als ‘zonder kennis of bewustheid van het onzienlijke, het geestelijke’.

In het laatste geval zou het gaan om een soort onwetendheid en niet om de wolk van niet-weten van het gelijknamige Engelse traktaatje, of om de donkere nacht van de ziel van Johannes van het Kruis.

Net als weteloos is kenneloos een fraai synoniem van niet-wetend en kenneloosheid van niet-weten (zelfstandig naamwoord) alias agnose.

Een kenneloze is een weteloze, een weetniet, een dwijze, een agnost.

203 - Wel- en weemoed van een nablijver

IK BEN ER!
(al weet ik niet waar.)

IK HEB HET!
(al weet ik niet wat.)

IK BEN KLAAR!
(al weet ik niet waarmee.)

IK HEB NIETS MEER TE DOEN!
(al weet ik niet hoe.)

204 - Lettergrepen naar de onmacht

Tussenwerpsels voor wegwerpers.

X: Wat is de kern van jouw leer?

H: Ach.

X: Bedoel je dat je het niet weet?

H: Och.

X: Bedoel je dat jouw leer geen kern heeft?

H: Jeetje.

X: Of is dat juist de kern ervan?

H: Eh …

X: Bedoel je misschien dat jouw leer geen leer is?

H: Tja.

X: Dan weet ik het ook niet meer.

H: Je veronderstelt dat ik iets bedoel.

X: Ach.

H: Nou veronderstel je weer dat ik niets bedoel.

X: Och.

H: Nou veronderstel je weer dat ik tegen veronderstellingen ben.

X: Jeetje.

H: Zie je het patroon?

X: Eh …

H: Dat bedoel ik dus.

X: Tja.

H: Gesnopen?

X: Maar wat is nou de kern van jouw leer?

H: Ach.

205 - Zeven vormen van leegte

Om te laten zien wat de leegte van niet-weten, eh, inhoudt, vergelijk ik haar hieronder met zes andere soorten leegte. Ik kan er nog wel meer bedenken, en hele andere indelingen maken ook, maar daar gaat het niet om.

Ik ben geen filosoof of antifilosoof, niet gelovig of ongelovig, niet gnostisch of agnostisch en mijn gezond verstand laat het ook al jaren afweten, dus ik kan je niet zoals de meeste andere mensen vertellen hoe het allemaal zit en moet, of zelfs maar hoe het allemaal niet zit en niet moet.

Ik wil alleen wat misverstanden over de leegte van de lege leer uit de weg ruimen. Tip van de gesluierde: welke lege leer?

1. Een materieel niets: de ruimte

In realistische kringen, zowel filosofische als wetenschappelijke, wordt onder leegte vaak het niets of de ruimte verstaan waarin het iets, de materie, het zijnde, ís.

Sommige denkers zien deze ruimte als een object van een hogere of de hoogste of een lagere of de laagste orde, andere slechts als een bestaansvoorwaarde voor materiële objecten, weer andere als het product van diezelfde objecten, die naar hun mening de ruimte niet innemen maar produceren, projecteren of definiëren.

Immanuel Kant ziet ruimte als een categorie van het verstand, een manier om de werkelijkheid te ordenen die zelf niet als object in die werkelijkheid gegeven is.

2. Een ideëel niets: het lege bewustzijn

In idealistische kringen wordt leegte vaak opgevat als het bewustzijn zelf; een ongrijpbaar, tijdloos, plaatsloos, voor- of bovenzinnelijk medium, hetzij persoonlijk, hetzij universeel, waarin de ‘tienduizend verschijnselen’ zich kenbaar maken en waardoor ze gekend worden.

3. Een religieus niets: de lege godheid

In godsdienstige kringen verstaat men onder leegte dikwijls een kosmisch niets van goddelijke aard waarin de dingen ontstaan en vergaan; een niets dat als schepper en vernietiger van het iets fungeert; de eerste oorzaak en de laatste bestemming ervan, het alfa en omega.

De godheid van een Plotinus, een Pseudo-Dionysius de Areopagiet of een Meister Eckhart lijkt een leegte zonder substantie of eigenschappen waarop zelfs het gezegde ‘bestaat wel’ of ‘bestaat niet’ niet meer van toepassing is.

4. Een boeddhistisch niets: sunyata

In boeddhistische kringen verstaat men onder leegte het idee dat dingen en mensen bij nader inzien geen eigen wezen of werking hebben en volstrekt wederkerig zijn (interzijn, afhankelijk ontstaan).
Je zoekt de betekenis van een woord en je vindt andere woorden.
Je zoekt de auteur en je vindt het discours (en omgekeerd).
Je zoekt het subject en je vindt het object (en omgekeerd).
Je zoekt jezelf en je vindt de ander (en omgekeerd).
Je zoekt de essentie van een ding en je vindt andere dingen.
Je zoekt een oorzaak of aanleiding en je vindt de hele historie.
Je zoekt scherpe grenzen en je vindt vloeiende overgangen.
Alles wijst naar iets anders, alles sluit het andere in.

5. Een spiritueel niets: de lege geest

Voor veel zoekers is leegte hun idee over de geestestoestand van de ontwaakte: minimale mentale activiteit tegen de achtergrond van een ononderbroken oceanisch gevoel van liefde, vrede en geluk.

Persoonlijk moet ik de eerste mens wiens geest op die manier functioneert nog tegenkomen. Zelf heb ik een dynamisch verstand en een dito gemoed, misschien omdat ik er constant voor waak, of simpelweg niet meer in staat ben, wie dan ook op te sluiten in het hokje van de ontwaakte, het hokje van de slaper, het hokje van de hokjesgeest, het hokje van de vrijgeest of in welk hokje of niet-hokje dan ook.

Tamelijk lege geesten ben ik wel tegengekomen – op de afdeling dementie van verpleeghuis Tamarinde in Utrecht bijvoorbeeld – maar voor zover ik kon beoordelen was er bij deze alzheimerpatiënten, waaronder mijn beide ouders, van een ononderbroken oceanisch gevoel van liefde, vrede en geluk geen sprake.

6. Een ethisch niets: de lege moraal

Voor nihilisten, cynici, pessimisten, anarchisten, absurdisten, dadaïsten, defaitisten, fatalisten, existentialisten, relativisten, subjectivisten, pluralisten, postmoralisten en postmodernisten duidt het begrip leegte op het ontbreken van absolute, onbetwijfelbare, universele normen en waarden die als basis kunnen dienen voor individuele en maatschappelijke keuzes.

7. Een epistemologisch niets: de lege leer

In tegenstelling tot bovenstaande doctrines doet de lege leer die niet-weten heet geen uitspraak over het al dan niet bestaan van welke vorm van leegte of niet-leegte ook – materieel, ideëel, religieus, boeddhistisch, spiritueel, ethisch of anderszins.

De lege leer, Ø, is geen lege ruimte als in (1), geen leeg bewustzijn (2), geen lege god (3), geen leeg zelf (4), geen lege geest (5) en geen lege moraal (6).

Ook dat we niets kunnen weten staat niet in de lege leer, want dan zou het geen lege leer zijn maar een vorm van scepticisme.

Ook dat we maar beter kunnen zwijgen staat niet in de lege leer, want dan zou het geen lege leer zijn maar een vorm van quiëtisme of mutisme.

De lege leer is gewoon leeg.

Noem dat maar een leer.

206 - De wegwerpwoordenschat van niet-weten

Lege woorden voor lege geesten.

Vrij als een vogel
Licht als een veer
Vol van de leegte
Wat wil je nog meer.

Eerder in dit Witboek niet-weten introduceerde ik het idee van de lege leer als metafoor voor niet-weten. Ik wil dat idee in de loop van het Witboek verder ontwikkelen.

Daarbij zul je termen tegenkomen als de lege leerling, lege wijsheid, het lege weten, het lege denkbeeld, het lege lied, het lege symbool, het lege paradigma, de lege stelling, het lege inzicht, het lege woord, de lege zin, het lege gebaar, de lege mens, de lege geest, het lege lichaam, het lege nest, de lege filosofie, de lege spiritualiteit, de lege gelofte, de legepriester, de lege profeet, de lege verlosser, de lege verlossing, het lege geloof, de lege wereld, het lege begrip, de lege blik, de lege canon, het lege boek, het lege pak en de lege boodschap.

En wat te denken van lege mystiek, lege advaita, lege zen, de lege boeddha, de lege dharma, de lege bodhisattva, de lege leraar, het lege onderricht, de lege god, de lege heer, de lege herder, de lege waarheid, de lege werkelijkheid, het lege motto, de lege rede, de lege bede, de lege vraag, het lege antwoord, de lege weg, het lege voertuig, het lege doel?

Of andere woorden uit het weetnietjargon, zoal weteloosheid, verduistering, mindlessness, de dwaalweg, agnose, filasofie, adoxie, groot wantrouwen, groot uitzicht, groot doorzicht, groot ongeloof, groot voorbehoud, groot schouderophalen en niet te vergeten de eretitels voor het legioen der duisterlingen, zoals agnost, dwaalgast, dwaalgeest, dwaalgids, dwaallicht, weetniet, nitwit, dummy, dwijze, dwijsgeer, en dwijsneus?

Schrik niet, al deze woorden komen min of meer op hetzelfde neer.

Waarop dan wel?

Eh …

Tja.

Snap je?

Ik bedoel, ze gaan allemaal over de epistemologische leegte van niet-weten.

Vandaar ook dat ze allemaal aangeduid worden met hetzelfde universele symbool voor de leegte, Ø.

* Het zogeheten agnosticon. Ik kom er later op terug.

Man, ze zijn gewoon zo leeg als wat!

Samen vormen ze de wegwerpwoordenschat van niet-weten.

207 - Wegwerpen is de geest van niet-weten

‘Wegwerp-’ is een voorvoegsel waarmee je aangeeft dat iets na gebruik weggegooid kan worden.

Voorbeelden: wegwerpsite (NietWeten.nl), wegwerpboek (Witboek niet-weten), wegwerpartikel (dit artikel).

Een wegwerpbewering is een bewering die alleen maar dient om andere beweringen te ondermijnen.

Al mijn beweringen over niet-weten zijn wegwerpbeweringen, deze ook.

Een wegwerpverhaal is een verhaal dat alleen maar dient om andere verhalen te ondermijnen.

Al mijn verhalen over niet-weten zijn wegwerpverhalen, dit verhaal ook.

Wegwerpwijsheid is wijsheid die alleen maar dient om andere wijsheid te ondermijnen.

Al mijn wijsheid is wegwerpwijsheid, deze ook.

Een wegwerpwoord is een woord dat alleen maar dient om andere woorden te ondermijnen.

Al mijn woorden over niet-weten zijn wegwerpwoorden, deze ook.

Wegwerpspiritualiteit ten slotte (je moet toch een keer ophouden) is spiritualiteit die alleen maar dient om andere vormen van spiritualiteit te ondermijnen en na gebruik weggegooid kan worden.

Wat overblijft is zuivere spiritualiteit, gespeend van elke inhoud.

Zelfs van leegte ontdaan.

Spiritus is Latijn voor geest.

Wegwerpen is de geest van niet-weten.

208 - Een taaldaad waarmee je afstand neemt: ‘Weg ermee!’

‘Weg ermee’ is een taalhandeling waarmee je ergens afstand van neemt.

In de context van niet-weten zeg je ‘weg ermee’ om afstand te nemen van een verhaal, opvatting, theorie, geloof, waarheid of begrip dat toch nog een of ander weten uitdrukt.

Of om afstand te nemen van het niet-weten zélf natuurlijk, dat onderscheid maakt tussen wel en niet weten en daarmee nog altijd een vorm van kennis is.

Weg ermee.

Net zo makkelijk.

Het ‘weg ermee’ kan ook op zichzelf worden toegepast:

En weg ook met het weg ermee.

Met deze taaldaad in het kwadraat neem je afstand van het afstand nemen.

Zo worden alle afstanden in één klap tot nul gereduceerd – een goede definitie van niet-weten.

Je bent er kláár mee.

Waarmee?

Het enige waar je dan nog geen afstand van hebt genomen is het ‘weg ook met het weg-ermee’.

Daarom zeg ik:

En weg ook met het en weg ook met het weg ermee.

En weg ook met het en weg ook met het en weg ook met het weg ermee.

En weg ook met het en weg ook met het en weg ook met het en weg ook met het weg ermee.

Inderdaad, zo blijf je aan de gang.

Weg ermee.

209 - De lege leer zwijgt in alle talen

Monnik: Wat is een meester van het hoogste niveau?

Lung-ya: Een inbreker in een leeg huis.

(The Iron Flute, koan 28)

Niet-weten is gewoon te gek

Dit Witboek niet-weten staat vol metaforen voor niet-weten, waaronder, prominent, de lege leer.

Eigenlijk is het te gek voor woorden om metaforen voor niet-weten te verzinnen.

Niet-weten is zélf al een metafoor, en wát voor een.

Een heel ongelukkige als je het mij vraagt, door een heleboel mensen letterlijk genomen, waardoor ze zich figuurlijk door mij genómen voelen zonder in de gaten te hebben dat ze zichzelf in de boot nemen.

Metaforen voor niet-weten, begin er nooit aan.

Niet-weten is te gek voor woorden en al helemaal te gek voor stilte – net als ik.

Niet-weten is gewoon te gék.

Niet-weten is een lege leer aanhangen

Ach, kon ik het hier maar bij laten.

Maar allee: je hebt nou eenmaal een spiegel nodig om de bril op je neus te kunnen zien.

Ik bedoel, je hebt nou eenmaal ogen nodig om door een bril je neus in de spiegel te kunnen zien.

Ik bedoel, je hebt nou eenmaal een bril nodig om de spiegel voor je neus onder ogen te zien.

Ik bedoel, je hebt nou eenmaal een neus onder je bril nodig om in de spiegel te kunnen zien.

Ik bedoel, het is maar net hoe je het bekijkt.

Laten we het eens zo bekijken:

Niet-weten is een lege leer aanhangen.

Niet-weten is dé lege leer aanhangen

Een lege leer is een leer zonder leerstellingen.

Natuurlijk kan er maar één lege leer zijn.

Waarin zou de ene lege leer van de andere moeten verschillen?

Daarom kunnen we hem net zo goed dé lege leer noemen.

En dan is niet-weten natuurlijk de lege leer aanhangen.

Niet-weten is de lege leer

Omdat de lege leer geen leerstellingen bevat, kun je hem niet verifiëren of falsifiëren.

Je kunt hem niet bewijzen of ontkrachten.

Je kunt hem niet aanvallen of verdedigen.

Je kunt hem niet bevestigen of ontkennen.

Je kunt hem niet onthouden of vergeten.

Je kunt hem niet aanhangen of afwijzen.

Niet aanhangen: ik kijk er ook van op.

Maar ja, niet-weten is nou eenmaal geen aanhangwagentje, je kunt het nergens aan hangen.

Een weetniet is geen wagentje waar je iets aan kunt hangen.

Beroofd van ons werkwoord kunnen we alleen nog maar zeggen:

Niet-weten is de lege leer.

Met andere woorden

In plaats van de lege leer kun je ook spreken van de weetnietleer, de nulleer, de niet-leer, de onleer, de non-leer of de afleer.

Mij maakt het niet uit – het gaat toch nergens over.

Je mag het ook lege wijsheid noemen of, zoals in het boeddhisme, de wijsheid zonder wijsheid of de wijsheid voorbij alle wijsheid.

Je mag het ook het lege weten noemen, of, zoals in het taoïsme, een weten zonder weten of een wetend niet weten.

Wat heb je aan de lege leer?

De lege leer die ik verkondig heeft geen doel en geen inhoud.

Hij stuurt je nergens heen, behalve misschien het bos in.

Maar niet met opzet, want de lege leer heeft geen opzet.

De lege leer is wetenschappelijk steriel en filosofisch onvruchtbaar.

Hij is niet religieus, niet antireligieus en niet areligieus.

Hij legt niets uit en is voor geen enkele uitleg vatbaar.

De lege leer biedt geen enkel houvast – tenzij je het ontbreken van houvast als houvast wil zien, maar daarmee begeef je je alweer buiten het domein van de lege leer.

Sowieso kan niemand binnen het domein van de lege leer blijven want de lege leer heeft geen domein.

Jij wel?

Dan ben je niet één met de lege leer.

Dan ben je geen lege leerling.

Beeldspraak voor beeldspraak voor beeldspraak

Bij gebrek aan inhoud is de lege leer onvoorstelbaar.

Je kunt hem vergelijken met de lege verzameling in de wiskunde.

Met de punt in de meetkunde.

Met het getal nul of de wortel van -1 in de getallenleer.

Met het nulde element van het periodieke systeem.

Met de ether in de natuurkunde.

Met het Ding an sich* in de metafysica.

Met de witte vlek op de aardrijkskundige kaart.

Met het neutrale land in oorlogstijd.

Met de missing link in de biologie.

Met het zwarte gat in de sterrenkunde.

Met de stilte die geluid mogelijk maakt.

Meer dan beeldspraak is dit alles niet.

Beeldspraak voor beeldspraak voor beeldspraak.

Het moet niet gekker woorden.

De lege leer zwijgt in alle talen

Eigenlijk is een leer zonder leerstellingen sowieso geen leer maar een gat in het weten.

Of moet ik zeggen, de achtergrond waartegen het weten figureert.

Of moet ik zeggen, de ongrond waarop het weten (niet) rust.

Ja, ik kan wel zoveel zeggen, maar de lege leer zwijgt in alle talen.

Ook over zichzelf.

Laat ik daar maar een voorbeeld aan nemen.

‘Wat is een professor in de weetnietkunde?’

‘Een exegeet van het lege boek.’

Tekstpagina waar alle woorden uit gesneden zijn.
Proclamatie van de lege leer.

210 - Niet-weten is enkel spel

‘Wat is weten?’

‘Vals spelen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Spelen.’

211 - Niet-weten is dubbel spel

‘Wat is weten?’

‘Volgens de regels spelen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Met de regels spelen.’

212 - Niet-weten is gelijk spel

Leerling: Het lijkt wel of u altijd gelijk hebt.

Meester: Ik heb nooit gelijk.

Leerling: Ach gut.

Meester: En nooit ongelijk.

Leerling: Bedoelt u dat de waarheid voorbij gelijk en ongelijk ligt?

Meester: De wat?

Leerling: Of dat waarheid niet bestaat?

Meester: Ik ben mij van geen bedoeling bewust.

Leerling: Bedoelt u dat wij iedere bedoeling los moeten laten?

Meester: Met welk doel?

Leerling: Ziet u wel?

Meester: Wat?

Leerling: Het lijkt wel of u altijd gelijk hebt.

213 - Niet-weten is ongelijk spel

Leerling: Ik heb nooit gelijk.

Meester: Behalve nu zeker.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Wat?

Leerling: Maar dat bewijst het toch?

Meester: Wat bewijst het toch?

Leerling: Dat ik nooit gelijk heb.

Meester: Behalve nu zeker.

Leerling: En ook nooit ongelijk.

Meester: Je zegt het maar.

Leerling: Nee, dan moet u vragen, ‘Bedoel je dat de waarheid voorbij gelijk en ongelijk ligt?’

Meester: De wat?

Leerling: En dan zeg ik, ‘De wat?’

Meester: Dat zeg ik.

Leerling: Ziet u wel?

Meester: Wat?

Leerling: Dat ik nooit gelijk heb.

Meester: Je hebt helemaal gelijk.

214 - Niet-weten als taalspel

Kan een weetniet wetenschap bedrijven? Een wiskunstenaar wiskunde? Een dwijsgeer wijsbegeerte? Gewetensvragen aan een weteloze.

In de logica is een bewijs een taalspel waarin je vanuit bepaalde premissen (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) in een bepaalde taal (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) volgens de afleidingsregels van een bepaalde logica (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) tot ware uitspraken probeert te komen.

Bewijsvoering is in die zin een taalspel dat het pas gespeeld kan worden wanneer de spelers het eens zijn over de spelregels die oneindige ruzies over oneindige regressies moeten voorkomen. Zodra iemand de geldigheid van de premissen aanvecht is het spel uit. Zodra iemand wil overschakelen op een andere logica is het spel uit. Zodra iemand de taal ter discussie stelt waarvan de bewijsvoering zich bedient (natuurlijke taal, formele taal, procedurele taal) is het spel uit.

‘Waar’ is een gegeven uitspraak alleen voor degenen die het eens zijn over de spelregels en die alle aannames onderschrijven, dat wil zeggen voor degenen die bereid zijn het spel ten volle te spelen – en alleen voor hen. Zo bezien is waarheid een kwestie van conventie, van consensus, van sportiviteit. Waarheid is voor teamspelers en supporters. De rest staat buitenspel.

Het ‘hoogste’ spel wordt gespeeld in de wiskunde en in de exacte wetenschappen. Daarin wordt relatief de meeste aandacht besteed aan het uitschrijven van de primitieven, postulaten en premissen, de gebruikte woorden en symbolen en de logische afleidingsregels. In de alfa-wetenschappen, in de filosofie en in de theologie is eerder sprake van redeneren dan bewijzen, in het openbare debat, in de religieuze praktijk en in het dagelijks leven eerder van overreden dan redeneren. Ook de rede en de retoriek kun je zien als taalspelen, met geheel eigen spelregels.

Wat voor spel is niet-weten? Een spel van niet beweren of althans niet geloven wat je zo nodig schijnt te moeten denken en roepen – dit ook niet. Waar niets beweerd, geloofd of nagestreefd wordt, dit ook niet, valt niets te bewijzen, beredeneren of overreden, ook niet met betrekking tot het bewijzen, beredeneren of overreden zelf.

Niet-weten kent geen vaststellingen, geen doelstellingen, geen winnaars en geen verliezers. Het werpt balletjes op en het slaat balletjes weg. Het ene na het andere, nu dit balletje weer. Een minichoreografie, een ballètje. Meer heeft het niet om het lijf, zei de keizer zonder rijk of kijk. Niet-weten, dat is kinderspel.

Wat natuurlijk niet betekent dat een agnost geen wiskunde, wetenschap, filosofie enzovoort kan bedrijven. Hoe had ik anders dit lemma kunnen schrijven? Het betekent alleen maar dat hij de resultaten daarvan niet ziet als onomstotelijk bewezen, niet als relatief waar binnen het taalspel dat bewijsvoering, rede of retoriek heet en ook niet op een andere onveranderlijke, vooringenomen wijze.

Hij bekijkt de resultaten niet vanuit een ivoren toren of een onneembaar fort, maar vanuit steeds wisselende standpunten, zeg maar gerust verdwijnpunten – monistische, dualistische, non-dualistische, pluralistische, nihilistische en noem maar op, net hoe de wind waait, de steen rolt, de pet staat, de vlag erbij hangt, of de onderjurk. Geen van de ontelbare gezichtspunten in de eindeloze ruimte houdt hij voor absoluut waar of onwaar, geldig of ongeldig, canoniek of aprocrief, subjectief of objectief, palliatief of curatief, exclusief of inclusief, tentatief, definitief of aperitief.

Dit gezichtspunt ook niet.

Hij bekijkt de resultaten niet vanuit een ivoren toren , maar vanuit steeds wisselende standpunten.

215 - Niet-weten is je kaarten op tafel leggen

‘Wat is weten?’

‘De kaarten opnemen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Je kaarten op tafel leggen.’

216 - Niet-weten is je kaarten schudden

‘Wat is weten?’

‘Je kaarten sorteren.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Je kaarten schudden.’

217 - Niet-weten is een blinde kaart

‘Wat is weten?’

‘Doorgestoken kaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een blinde kaart.’

218 - Niet-weten is van de kaart zijn

‘Wat is weten?’

‘Alles op één kaart zetten.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Helemaal van de kaart zijn.’

219 - Niet-weten is schoppen

‘Wat is weten?’

‘Hartenjagen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Schoppen.’

220 - Niet-weten is naaktlopen

‘Wat is weten?’

‘Strip poker’

‘Wat is niet-weten?’

‘Naturisme.’

221 - Niet-weten is in je kaart laten kijken

‘Wat is weten?’

‘Blufpoker.’

‘Wat is niet-weten?’

‘In je kaart laten kijken.’

222 - Niet-weten is een bankroet

‘Wat is weten?’

‘Bluf.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Blut.’

223 - Niet-weten is een leeg huis

‘Wat is weten?’

‘Full house.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Empty house.’

224 - Niet-weten is geen huis

‘Wat is weten?’

‘Full house.’

‘Wat is niet-weten?’

‘No house.’

225 - Niet-weten is een gekkenhuis

‘Wat is weten?’

‘Full house.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Fool house.’

226 - Niet-weten is een joker

‘Wat is weten?’

‘Een plaatje.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een joker.’

227 - Niet-weten is een rode kaart

‘Wat is weten?’

‘Een gele kaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een rode kaart.’

228 - Niet-weten is een onhaalbare kaart

‘Wat is weten?’

‘Een haalbare kaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Onhaalbare kaart.’

229 - Niet-weten is een vrijkaart

‘Wat is weten?’

‘Onhaalbare kaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een vrijkaart.’

230 - Niet-weten is een passe-partout

‘Wat is weten?’

‘Een vrijkaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een passe-partout.’

231 - Niet-weten is een zeekaart

‘Wat is weten?’

‘Een landkaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een zeekaart.’

232 - Niet-weten is de zee

‘Wat is weten?’

‘Een zeekaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘De zee.’

233 - Niet-weten is een kaartenhuis

‘Wat is weten?’

‘Een kaartenhuis.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Ook een kaartenhuis.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘Niet-weten is al ingestort.’

234 - Niet-weten als Grote Vrijheid

Grote Vrijheid

Niet-weten staat voor een wakkere geest die zich door geen enkele gedachte laat flessen, ook niet door deze.

Een weetnietgeest is een vrijgeest die nergens in vastzit, ook niet in zijn vrijheid.

Een vrijgeest is een libertijn die de flessengeest zijn fles gunt, de heremietkreeft zijn schelp, de kluizenaar zijn cel, de gelovige zijn overtuiging, de bodhisattva zijn geloften, de leerling zijn leer, de horige zijn heer.

Niet-weten, dat is Grote Vrijheid.

Kleine vrijheid

De Grote Vrijheid van niet-weten staat tegenover de kleine vrijheid van het weten.

Ik noem de vrijheid van het weten klein omdat je daarin gekluisterd bent aan een bepaald vrijheidsbeeld – politiek, religieus, spiritueel, maakt niet uit, hoe fraai ook.

Kleine vrijheid is geen vrijheid maar een parodie op vrijheid, wou ik zeggen, maar dat is gewoon het volgende vrijheidsbeeld.

Kleine vrijheid is helemaal geen parodie op vrijheid, maar de vrijheid om een bepaald vrijheidsbeeld te dienen, denk ik vervolgens, maar dat is opnieuw een vrijheidsbeeld.

Je ziet: ik kan niets over de Grote Vrijheid zeggen zonder een vrijheidsbeeld te creëren waarin ik mezelf en jou als lezer opsluit.

Alleen al door te spreken van Grote Vrijheid, dat te koppelen aan niet-weten, het af te zetten tegen kleine vrijheid en dat te koppelen aan het weten, leg ik ons vast aan maar liefst vier denk-beelden.

Bah, riep de iconoclast, en richtte een beeld op voor de beeldenstormer.

Keuzevrijheid

Wat ben je liever: een beeldendienaar, een vrijheidsbeeld of vrij van beelden?

Denk jij dat je daar vrij tussen kunt kiezen?

Is keuzevrijheid volgens jou een denkbeeld of een feit?

Als je denkt dat het een feit is, hoe komt het dan dat er al duizenden jaren over gedebatteerd wordt?

Als je denkt dat het een denkbeeld is, hoe kan het dan dat zoveel mensen het erváren?

235 - Niet-weten als wijsheid, openheid, liefde, mededogen

In de greep van je denkbeelden

Apologeten brengen niet-weten graag in verband met wijsheid1, openheid2, liefde3 en mededogen4.

1. Zie Estelle Frankl in De wijsheid van het niet-weten.

2. Zie Jan Oegema in De stille stem en Edel Maex in Iedereen weet.

3. Bijvoorbeeld door de non-dualisten Wolter Keers, Jan van Delden en Jean Klein.

4. Zie de drie intenties van de Zen Peacemakers.

Wie dat verband tussen niet-weten en wijsheid, openheid, liefde, mededogen letterlijk neemt, zadelt zichzelf meteen op met een beeldentuin vol Ideeën (met een hoofdletter) waar een geweldenaar als Plato nog onder zou bezwijken.

Ineens zijn daar de denkbeelden (want dat zijn het) van wijsheid versus dwaasheid, openheid versus geslotenheid, liefde versus haat, mededogen versus meedogenloosheid.

Ineens zijn daar de ideaalbeelden (want dat zijn het) van de wijze mens, de open mens, de liefdevolle mens en de mededogende mens.

Ineens zijn daar de schrikbeelden van de dwaze mens, de gesloten mens, de haatdragende mens en de meedogenloze mens.

Ineens is daar het denkbeeld van de redelijke mens die te allen tijde over voldoende onderscheidingsvermogen beschikt om voornoemde onderscheidingen te maken, en over voldoende vrije wil om hem in staat te stellen voor wijsheid en tegen dwaasheid te kiezen, voor openheid en tegen geslotenheid, voor liefde en tegen haat, voor mededogen en tegen onverschilligheid.

Ineens is daar het denkbeeld van een spirituele of religieuze weg die tot wijsheid enzovoort leidt en een andere, wereldse, verderfelijke, die tot dwaasheid enzovoort leidt.

Ineens zijn daar de twee van goed en slecht, juist en onjuist, hoog en laag, heilig en aards, goddelijk en duivels, rechtvaardig en onrechtvaardig, toerekeningsvatbaar en ontoerekeningsvatbaar, altruïstisch en egocentrisch en ga zo maar door.

Als Trojaanse paarden dringen deze denkbeelden je geest binnen, en zie er dan maar weer van af te komen.

Dromend van wijsheid, openheid, liefde en mededogen word je een beeld in je eigen beeldentuin, een dubbelbeeld – gevangene en cipier ineen.

Even niet opgelet en nietweten is betweten geworden, beeldenstorm beeldenverering.

Waarmee niet gezegd is dat we er geen mensbeelden, wereldbeelden, ideaalbeelden enzovoort op na mogen houden, als dat überhaupt al zou kunnen, of dat we de denkbeeldenstormer op een sokkel zouden moeten hijsen.

Ook dat zijn maar denkbeelden waarover de lege leer zich niet uitspreekt.

En de lege leer zelf?

Is ook maar een denkbeeld.

De bijl erin.

Niet-weten als diep doorleefd onvermogen

Ergens snap ik het wel, die associatie van niet-weten met wijsheid, openheid, liefde, mededogen, zachtmoedigheid, nederigheid, vriendelijkheid, tolerantie, vrijheid, onthechting en noem het allemaal maar op.

Wie niet weet, is daarom geneigd zijn oordeel op te schorten, zichzelf en zijn gedachten met een korreltje zout te nemen, minder in zijn gelijk en op zijn strepen te gaan staan, beter te luisteren, verder dóór te vragen ongeacht de consequenties – onder ogen te zien, toe te geven, over te geven, los te laten.

Maar wat op het eerste gezicht wijsheid enzovoort lijkt, is in werkelijkheid een teken – aan de wand zo je wilt – van een diep doorleefd onvermogen.

Gevolg in plaats van oorzaak.

Van spirituele en morele superioriteit of zelfs maar inferioriteit is bij een radicaal niet-weten geen sprake.

Integendeel, agnose noopt alleen maar tot bescheidenheid, en het is uit bescheidenheid dat de weetniet wijkt.

Plaats maakt voor wat is.

Onder ogen ziet wat er is.

Wat het ook is.

Geloof je dat?

Ach, was het maar zo eenvoudig.

Vaak zat maak ik helemaal geen plaats voor wat er is, als ik er al niet faliekant overheen kijk.

Ook dat is wat er is, of ik het leuk vind of niet.

Erken ik dan tenminste mijn eigen kleingeestigheid?

Hm.

Erken ik dan tenminste mijn onvermogen om mijn kleingeestigheid te erkennen?

Eh …

Hoe bekrompener ik blijk, hoe bescheidener ik word, hoe meer ruimte ik voel voor kleingeestigen zoals ik.

Maar om dat nou openheid te noemen?

Wie niet weet is eerder kind dan sint

Wie niet weet is eerder kind dan sint.

Hij heeft nog steeds grenzen – psychische, sociale en morele, rare en rationele – of die grenzen hebben hem of haar, zeg jij het maar.

Wijsheid, openheid, liefde, mededogen, zachtmoedigheid, nederigheid, vriendelijkheid, tolerantie, vrijheid, onthechting?

Schijngestalten van de maan.

In verband met niet-weten weiger ik die woorden te gebruiken, want ze slaan allemaal de plank mis, en voor je het weet sla je jezelf op de borst.

Doe ik trouwens toch weleens. Jij niet?

O, wat vind ik mezelf soms geweldig – voor de duur van die gedachte.

Even later schaam ik me misschien weer – voor de duur van die gedachte.

Even later geneer ik me misschien weer voor mijn schaamte – voor de duur van die gedachte.

Zo gaat het maar door

In de greep van het lege denkbeeld

Eufemismen, aforismen, weg ermee.

Niet-weten is een leeg denkbeeld.

Zeg maar gerust hét lege denkbeeld, want waarin zou het ene lege denkbeeld van het andere moeten verschillen?

Als een Trojaans paard dringt het je geest binnen en neemt hem in bezit.

Zonder zelf enige ruimte in te nemen.

Dan ben je vol van zijn leegte.

Dan is de leegte vol van jou.

236 - Niet-weten is zo klein worden als je bent

Waar religie en spiritualiteit naar het hemelse neigen, heeft bij niet-weten het aardse de overhand.

Dwijsheid is spiritualiteit voor gevallenen, voor onnozelaars, voor mensen die over hun eigen benen struikelen, die bij het lachen wat urine verliezen en dagelijks hun uitwerpselen onder ogen zien.

Zij worden niet euforisch van hoogdravende taal en niet rustig van liturgische rituelen, maar geven ongeremd uitdrukking aan hun spiritualiteit met behulp van eenvoudige tussenwerpselen als tja en eh en ach, en alledaagse gebaren als een schouderophalen, een knipoog en een glimlach.

Een weetniet is een keizer zonder kleren of rijk, een priester zonder soutane of kerk, een mysticus zonder god of gebod, een garnaal zonder pel of vel.

Hij is een geboren naaktloper, iemand die er afhankelijk van zijn bouw rond of plat voor uitkomt dat hij een blote kont heeft, een frommelig geslachtsdeel, dubieuze instincten, haren op de verkeerde plaatsen, vlekken, een kromme rug, holle benen, lange tenen, een scherpe tong, een botte kop, onverklaarbare gevoelens, onherleidbare gedachten – alles erop en eraan, tegen wil en dank of ervoor, het is niet te voorspellen.

Noem dat desnoods het Mysterie.

Een weetniet doet zich niet mooier voor dan hij is, vandaar dat hij nooit zal zeggen dat hij zich niet mooier voordoet dan hij is.

Wie niet weet, verkeert, net als iedereen, zijn hele leven in problemen zonder oplossing, die je dus net zo goed oplossingen met problemen kunt noemen, of oplossingen noch problemen, of als je er een handje van hebt spiritueel te doen, vingers naar de waan.

Bewust naakt in het leven staan, niet langer bluffen, zo klein worden als je bent – dat is de spiritualiteit van niet-weten.

Hiermee bedoel ik om precies te zijn groot noch klein, grof noch fijn, waardig noch onwaardig, aardig noch onaardig zijn noch niet-zijn.

Want om het met Hamlet te zeggen, die het ook maar van Shakespeare had:

Niets is van zichzelf goed of slecht, dat maakt het denken ervan.

En wie of wat maakt ervan dat niets van zichzelf goed of slecht is?

Het denken zeker weer.

Want om het ook maar eens zonder Hamlet of Shakespeare te zeggen:

Niets is van zichzelf goed noch slecht, dat maakt het denken ervan.

Tenminste, dat maak ik ervan.

Wat maak jij ervan?

237 - Je hoort het niet, mijn stille lied

Je hoort het niet
en leert het nooit
Het zingt maar rond –
Mijn stille lied

Al leer ik niets
En niemand iets
Ik kwinkeleer
De lege leer

Ze is mijn hoer
Mijn oudste zeer
Mijn dolle roer
Mijn diepste meer

Ze hoort me niet
Ze leert het nooit
Ik zing berooid
Haar stille lied

Bis

Notenbalk met de melodie van het liedje Vader Jacob uitgevoerd in rusttekens in plaats van muzieknoten.
Het zingt maar rond, mijn stille lied.

238 - Ø, het symbool van de lege leer

Stel, je zoekt een kant-en-klaar symbool voor de lege leer of voor de lege leerling of voor het lege denkbeeld of voor niet-weten of hoe je het maar noemen wilt. Wat kies je dan?

Een vraagteken, ?

Een paar vraagtekens, ¿?

Een paar lege haakjes, ()?

Een paar lege aanhalingstekens, ‘’ of “”?

Een beletselteken, …?

Een ongeveerteken, ±?

Een oneindigheidsteken, ∞?

Een ontkenningssteken, ¬?

Een hartje, ♥, of de schoppen ♠ misschien?

Ik heb van alles uitgeprobeerd en ben uiteindelijk blijven hangen bij het teken Ø, een doorgestreepte cirkel (of ellips of O of o of 0 of enso).

Waarom juist dit symbool?

Van eh tot agnosticon

In het Deens, Faeröers en Noors en in het fonetisch alfabet staat de letter Ø voor de klank (œː), als in ‘deur’.

Onze taal heeft zelfs een woord dat uit niets dan deze klank bestaat: het tussenwerpsel ‘eh’, vormvariant ‘uh’, een van de meest gesproken woord van het Neanderlands (en van heel wat andere talen), en toch zo jammerlijk ondergewaardeerd.

Laten we Ø daarom het eh-teken of het eh-symbool of kortweg (de) eh noemen.

En als je de eh wilt omschrijven: het lege symbool of het weetnietsymbool en op zon- en feestdagen het agnosticon, afgeleid van agnose (Grieks: a-, niet + gnosis, kennis), een ander woord voor niet-weten, want je kunt niet altijd doen of je dom bent.

Stilte in een woord

In de omgangstaal vult het tussenwerpsel ‘eh’ de stilte tussen twee woorden op. In mijn beleving bootst het een kreun na en behoort het daarom tot de klankwoorden (onomatopeeën).

Als eindwerpsel* ontledigt het de voorafgaande zin van betekenis, net als een hoofdschudden of een schouderophalen of het samenpersen van de lippen.

* Een eindwerpsel is een tussenwerpsel aan het eind van een zin.

‘Eh’ zeggen is niets zeggen.

Het is zeggen dat je niets zegt.

Zeggen dat je niets weet te zeggen.

Als uitdrukking van niet-weten is dit niets zeggen zeer veelzeggend.

Meer kun je nauwelijks over niet-weten zeggen zonder je te vergalopperen.

Beter kun je het haast niet zeggen.

Het is stilte in een woord.

Dat niet meer is dan het begin van een woord.

Een aankondiging van een woord.

Vandaar dat dit tweeletterige onwoord ‘eh’ in mijn dwaalteksten samen met het ‘tja’ een glansrol vervult als de kortst mogelijke gesproken uitdrukking van agnose – zwijgen daargelaten.

Drie metaforen voor niet-weten

Dat de Ø internationaal uitgesproken wordt als ‘eh’ is op zich al reden genoeg om juist dit teken als symbool voor de lege leer te gebruiken, maar het wordt nog mooier.

In de wiskunde staat Ø voor de lege verzameling, ook wel aangeduid als {} (de lege opsomming, een opsomming van niets), en voor de onmogelijke oplossingenverzameling.

Buiten de wiskunde staat Ø gewoon voor ‘niets’.

Drie uitmuntende metaforen voor de lege leer – gratis en, eh … voor niets.

Hoe maak je een Ø op een toetsenbord?

Op het in Nederland veelgebruikte Amerikaans-internationale toetsenbord, maak je de grote eh, Ø, met de toetscombinatie SHIFT + ALT GR + de letter l. ALT GR is meestal de réchter ALT-toets. Zonder shift krijg je de kleine eh, ø. Probeer maar eens.

Op Apple-computers gebruik je de toetscombinaties SHIFT + OPTION + o respectievelijk OPTION + o.

En anders wordt het knippen en plakken.

239 - Een enso met een streep erdoor

In plaats van de Ø (eh) kun je ook de 0 (nul), de hoofdletter O, de kleine letter o of een willekeurige cirkel zonder schuine streep gebruiken als symbool voor de lege leer.

Leeg is leeg, wat maakt het uit.

In zen kennen we de enso (円相, ensō, ensoo, Japans voor cirkel): een open of gesloten cirkel getrokken ‘met een lege geest die het kalligraferen aan het lichaam overlaat’.

De enso (円相, ensō, ensoo, Japans voor ‘cirkel’)

De enso staat traditioneel voor leegte, verlichting, het absolute, het ene, de kosmos, het zelf en dergelijke; een eventuele onderbreking in de cirkelomtrek staat voor openheid of beweging.

Hoewel de lege leer zich per definitie nergens over uitspreekt, dus ook niet over verlichting, het absolute, het ene, de kosmos, het zelf en dergelijke, is het vanwege de vorm en de leegte van de enso, in concreto de cirkelomtrek en het gat, niet vergezocht de enso in te lijven bij de symbolen van de lege leer.

Nog beter: een enso met een streep erdoor.

Enso met streep van rechtsboven naar linksonder.
Het agnosticon als enso met een diagonale streep.

Het doet een beetje denken aan een parkeerverbod.

Niet-weten: nergens blijven hangen.

Almaar in beweging blijven.

Verder, verder!

240 - Niet weten is het meest nabij

Dizang: Waar ga je heen?

Fayan: Op bedevaart.

Dizang: Waar is dat goed voor?

Fayan: Dat weet ik eigenlijk niet.

Dizang: Niet weten is het meest nabij.

(Koan 20 van het Boek van Sereniteit.)

241 - Niet spreken is het meest nabij

Leerling: Waar gaat u heen?

Meester: Op bedevaart.

Leerling: Waar is dat goed voor?

Meester: Dat weet ik niet.

Leerling: Niet weten is het meest nabij.

Meester: Nabij wat?

Leerling: Eh …

Meester: Naprater.

Leerling: Had ik nou maar niks gezegd.

Meester: Zeg dat wel.

Leerling: Hoezo?

Meester: Niet spreken is het meest nabij.

242 - Niet denken is het meest nabij

Meester: Waar ga je heen?

Leerling: …

Meester: Waarom zeg je niks?

Leerling: Niet spreken is het meest nabij.

Meester: Nabij wat?

Leerling: Hm.

Meester: Wat?

Leerling: Betrapt.

Meester: Waarop?

Leerling: Dat ik daar nog helemaal niet over heb nagedacht.

Meester: Dan is er nog hoop.

Leerling: Hoezo?

Meester: Niet denken is het meest nabij.

243 - Niet hechten is het meest nabij

Leerling: Waar gaat u heen?

Meester: Wat maakt het uit.

Leerling: Niet denken kun je overal, wou u zeggen.

Meester: Niet denken kun je nergens, zou ik zeggen.

Leerling: Wat?

Meester: Denken moet je overal.

Leerling: Gisteren zei u anders dat niet denken het meest nabij was.

Meester: Nabij wat?

Leerling: Daar probeer ik juist niet aan te denken.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Omdat ik aan uw woorden hecht.

Meester: Niet hechten is het meest nabij.

244 - Niet doen is het meest nabij

Leerling: Eerst dacht ik dat niet weten het meest nabij was.

Meester: Wist jij veel.

Leerling: Toen dacht ik dat niet spreken het meest nabij was.

Meester: Zeg dat maar eens zonder te spreken.

Leerling: Toen dacht ik dat niet denken het meest nabij was.

Meester: Leuk bedacht.

Leerling: Nu denk ik weer dat niet hechten het meest nabij is.

Meester: Behalve bij gapende wonden.

Leerling: Maar als ik dat tegen u zeg, zegt u vast weer …

Meester: Nabij wat?

Leerling: Of …

Meester: Ben jij gehecht aan onthechting?

Leerling: Of …

Meester: Een mens denkt wat af.

Leerling: Of …

Meester: Houdt het dan nooit op?

Leerling: Wat doe ik toch verkeerd?

Meester: Niet doen is het meest nabij.

245 - Niet moeten is het meest nabij

Leerling: Waar gaat u heen?

Meester: Ga ik ergens heen?

Leerling: Wat gaat u daar doen?

Meester: Ga ik daar wat doen?

Leerling: Niet doen is het meest nabij, wou u zeggen.

Meester: Wou ik wat zeggen?

Leerling: Alles op zijn beloop laten, bedoel ik.

Meester: En dan?

Leerling: Is niet antwoorden soms het meest nabij?

Meester: Hoe kom je daar nou bij?

Leerling: Omdat u nooit antwoord geeft.

Meester: Wat is dit dan?

Leerling: U stelt alleen maar vragen.

Meester: Zijn vragen soms geen antwoorden?

Leerling: Is vragen soms het meest nabij?

Meester: Nabij wat?

Leerling: Maar wat moet ik dán!

Meester: Niet moeten is het meest nabij.

246 - Alles is het meest nabij

Leerling: Niet moeten is het meest nabij, niet vragen is het meest nabij, niet doen is het meest nabij, niet hechten is het meest nabij, niet denken is het meest nabij, niet spreken is het meest nabij, niet weten is het meest nabij …

Meester: Wat is de vraag?

Leerling: Wat is eigenlijk niet nabij?

Meester: Nabij wat?

Leerling: Dat zou ik ook weleens willen weten.

Meester: Ik zou het ook niet weten.

Leerling: Volgens mij is alles even nabij.

Meester: Hoe kun je zoiets meten?

Leerling: Maar dan is alles ook even veraf.

Meester: Ik zou het maar vergeten.

Leerling: Dus is niets het meest nabij.

Meester: Dit mag best onzin heten.

Leerling: Sla ik de spijker op zijn kop?

Meester: Je zit erbovenop.

247 - Niet lezen is het meest nabij

Niet schrijven komt er ook dichtbij …

Helaas geldt dat alleen voor mij.

Niet lezen is voor jou nabij …

Bespaar je dus mijn letterbrij.

Lees ook niet: De dharma voor dummy’s.

248 - Alleen maar zijn maakt niemand vrij

Leuzen om los te laten.

Alleen maar X maakt niemand vrij:

Catch 22

1. Alleen maar denken maakt niemand vrij.

2. Alleen maar doen maakt niemand vrij.

3. Alleen maar oefenen maakt niemand vrij.

4. Alleen maar bidden maakt niemand vrij.

5. Alleen maar zitten maakt niemand vrij.

6. Alleen maar geven maakt niemand vrij.

7. Alleen maar vergeven maakt niemand vrij.

8. Alleen maar liefhebben maakt niemand vrij.

9. Alleen maar verbinden maakt niemand vrij.

10. Alleen maar zijn maakt niemand vrij.

11. Alleen maar worden maakt niemand vrij.

12. Alleen maar vasthouden maakt niemand vrij.

13. Alleen maar loslaten maakt niemand vrij.

14. Alleen maar hechten maakt niemand vrij.

15. Alleen maar onthechten maakt niemand vrij.

16. Alleen maar aanvaarden maakt niemand vrij.

17. Alleen maar spreken maakt niemand vrij.

18. Alleen maar zwijgen maakt niemand vrij.

19. Alleen maar antwoorden maakt niemand vrij.

20. Alleen maar vragen maakt niemand vrij.

21. Alleen maar weten maakt niemand vrij.

22. Alleen maar niet-weten maakt niemand vrij.

Alleen maar X maakt niemand blij,

Al rijmt het nog zo op wu wei:

De rest gaan aan je neus voorbij.

(Maar wie ben ik, dus voel je vrij.)

249 - De trein komt altijd te laat, op tijd en te vroeg?

Niet te geloven.

Zegt de eerste passagier: Deze trein kwam drie kwartier te laat, dat geloof je toch niet?

Zegt de tweede: Deze trein kwam precies op tijd, ik kon zo instappen.

Zegt de derde: Deze trein kwam net te vroeg, ik had graag nog even een kopje koffie gehaald.

Zegt de eerste: Hij kwam toch echt te laat.

Zegt de tweede: Hij kwam toch echt op tijd.

Zegt de derde: Hij kwam toch echt te vroeg.

250 - De dood komt altijd te laat, op tijd en te vroeg?

Geschreven naar aanleiding van de suïcide van Joost Zwagerman.

Zegt de eerste fan: De dood kwam veel te laat, wat heeft die man geleden.

Zegt de tweede: De dood kwam precies op tijd, hij heeft genoeg geleden en geschreven.

Zegt de derde: De dood kwam veel te vroeg, hij had nog zoveel kunnen schrijven.

Zegt de eerste: Hij kwam toch echt te laat.

Zegt de tweede: Hij kwam toch echt op tijd.

Zegt de derde: Hij kwam toch echt te vroeg.

Zegt Joost:

251 - Wat is niet-weten nou echt?

Het woord ‘niet-weten’ heeft een heleboel betekenissen.

Zoveel dat je je automatisch afvraagt wat de ware betekenis is.

Wat is niet-weten nou echt?

Weet jij het?

Ik gooi een balletje op.

Tweeëntwintig balletjes.

1. Is niet-weten wijsheid? De wijsheid zonder wijsheid? De wijsheid voorbij alle wijsheid? De kennis zonder leraar?

2. Is niet-weten een verschijningsvorm van samsara? Een tussenstadium op weg naar nirwana? Een valkuil op weg naar nirwana?

3. Is niet-weten de donkere nacht van de ziel in afwachting van het moment dat de mystieke godheid zich op zijn eigen tijd op zijn eigen wijze onthult?

4. Is niet-weten onzin, illusie, maya, mara, verderfelijk, gevaarlijk, duivels, een vloek?

5. Is niet-weten de hoogste waarheid, een transcendente werkelijkheid die iedere dualiteit overstijgt, de non-dualiteit, het absolute, de bron, het ene?

6. Is niet-weten agnosticisme, relativisme, pragmatisme, subjectivisme, structuralisme, poststructuralisme, postmodernisme?

7. Is niet-weten twijfelzucht? Oeverloze scepsis? Epoche, het voor onbepaalde tijd opschorten van het oordeel?

8. Is niet-weten een aangename gemoedstoestand – sereniteit, gelukzaligheid, innerlijke vrede?

9. Is niet-weten onthechting, stoïcisme, fatalisme, gelatenheid of overgave?

10. Is niet-weten helderheid van geest, aandachtigheid, oplettendheid, mindfulness, ataraxia?

11. Is niet-weten een of andere iconoclastische filosofie – nihilisme, anarchisme, obscurantisme, irrationalisme of anti-intellectualisme?

12. Is niet-weten een vorm van escapisme – een vlucht in onwetendheid, onverantwoordelijkheid, defaitisme, immoraliteit, chronische onvolwassenheid?

13. Is niet-weten een pose, narcisme, uitsloverij, egotripperij?

14. Is niet-weten een levenshouding, een omgangsideaal of een managementstijl met het accent op openheid, onbevangenheid, bescheidenheid, vriendelijkheid en mededogen?

15. Is niet-weten een vorm van dementie, een neurose, ziekelijke vervreemding, verdwazing, een geestesziekte, een autistische fiep, een noodkreet van een dolende ziel, een roep om geestelijke bijstand en houvast, een herderscomplex, een verlosserscomplex, een minderwaardigheidscomplex?

16. Is niet-weten een antwoord op elke levensvraag? Een panacee voor de problemen van alledag? Een Raad van Elf voor radelozen?

17. Is niet-weten een spirituele of althans geïnspireerde vorm van cognitieve therapie zoals het Werk van Byron Katie, de autolyse van Jed McKenna?

18. Is niet-weten vrijdenkerij, veeldenkerij, dwarsdenkerij, omdenkerij, niet-denkerij? Is het een mes om al je gedachten bij de wortel af te snijden?

19. Is niet-weten een onbalans tussen hoofd en hart, een teveel aan jnana of een tekort aan bhakti?

20. Is niet-weten het onkenbare bewustzijn zelf, de stilte, de leegte? Is het onvoorwaardelijke, egoloze, grenzeloze liefde?

21. Is niet-weten het totaal andere, het numineuze, het mysterie, het onzegbare, het onkenbare?

22. Is niet-weten een einde aan het lijden? Een bron van lijden? Een bron van inkomsten? Een bron van ergernis? Een bron van vermaak?

Niet-weten is voor iedereen wat anders

Tweeëntwintig betekenisvelden, en er zijn er nog veel meer.

Vandaar dat ik net vroeg wat niet-weten nou echt is.

Weet jij het?

Dit is natuurlijk een strikvraag.

Er is namelijk niets wat niet-weten nou echt is.

Niet-weten is voor iedereen wat anders.

Voor de meeste mensen is niet-weten een non-issue waar ze nooit aan denken, zelfs niet als ze bezopen zijn.

De rest, een tamelijk exclusieve minderheid, denkt er het zijne of het hare van, en dat zijne of hare varieert voortdurend, net als iedere woordbetekenis, met de context, de stemming, de weersgesteldheid, de vullingsgraad van maag en darmen en nog zo wat.

Wat niet-weten betekent voor mij op dit moment

Wat niet-weten nou echt betekent kan ik je dus niet vertellen, en jij mij niet, laat staan wat het echt is.

Maar wat niet-weten voor mij betekent op het moment dat ik dit schrijf (dat allang voorbij is op het moment dat jij dit leest) kan ik je wel vertellen.

Precies op dit moment betekent niet-weten voor mij: vrij rondzwemmen in eindeloze betekenisvelden zo dicht als kelpwouden zonder er nog in verstrikt te raken.

Begrijp je wat ik bedoel?

Tien seconden later

Ik had die betekenis nog niet onder woorden gebracht of hij verschoof tien graden in de lengte en vijftien in de breedte.

Precies op dit moment betekent niet-weten voor mij: vrij rondzwemmen tussen eindeloze betekenisvelden zo dicht als kelpwouden zonder me nog verloren te voelen.

Begrijp je wat ik bedoel?

Tien seconden later

Ik had die verschoven betekenis nog niet onder woorden gebracht of hij verschoof nog eens twintig graden in de hoogte en dertig in de diepte.

Precies op dit moment betekent niet-weten voor mij: vrij rondzwammen over eindeloze betekenisvelden zo dicht als kelpwouden en me daarin helemaal kunnen verliezen.

Begrijp je wat ik bedoel?

Vijf minuten later

Toen ik deze tekst nog eens overlas, zag ik dat ik ineens dat zinnetje bovenaan staan: ‘Ik gooi een balletje op.’

Verdomd, dacht ik, dat is waar ook, dat was mijn bruggetje naar de slotalinea waarin ik zou onthullen wat niet-weten voor mij nou echt is.

Het goede nieuws is dat het dat precies op dit moment opnieuw is, zodat ik, als ik een beetje opschiet tenminste, het toch nog met je kan delen.

Precies op dit moment betekent niet-weten voor mij: de onvoorstelbare en (tot nog toe) onomkeerbare zelfbewustwording van mijn denken – niet geleidelijk maar plotseling, of je een zee leeggooit – en die zich niet onder of zonder woorden laat brengen, niet echt.

Onder woorden brengen legt vast wat los is, stilte zwijgt dood wat leeft en uit dat spanningsveld ontstaat spontaan het spel van balletjes opgooien en weer wegslaan, met als resultaat de ene dwaaltekst na de andere, nu deze weer.

Begrijp je wat ik bedoel?

Nee?

Geen paniek.

Ik heb nog veel meer pijlen op mijn boog.

252 - Je weet niet wat je zegt

Veel mensen denken dat woorden maar één betekenis hebben en dat die betekenis voor iedereen hetzelfde is. Daarmee gaan ze voorbij aan de annotatie, de persoonlijke betekenis van de woorden, die voor iedereen anders is, en aan de situationele, die door de context wordt bepaald.

Maar ook de denotatie, de woordenboekbetekenis van een woord, is verre van eenduidig. Als je per se iets algemeens wilt zeggen over woorden, dan is het wel dat niemand hetzelfde bedoelt met een woord. Ikzelf gebruik hetzelfde woord in verschillende betekenissen, soms zelfs in dezelfde zin, zonder me er bewust van te zijn:

Door de bank genomen zetten mensen hun geld liever op de bank dan op het spel en zitten ze liever op een bank dan op een stoel.

Beetje gekunsteld misschien, maar je begrijpt wat ik bedoel, hoop ik.

‘Ik weet altijd precies wat ik wil zeggen en dat zeg ik dan’, zei iemand laatst tegen me. ‘Als ik al eens twijfel dan pak ik het woordenboek erbij zodat er geen enkel misverstand kan ontstaan.’

‘Hier heb je de Dikke van Dale’, zei ik. ‘Wat is een woordenboek?’

‘Momentje, woordenboek, boek waarin woorden (met opgave van bepaalde grammaticale kenmerken) en de vaste verbindingen waarin ze gebruikt worden, met hun betekenis (in alfabetische volgorde) zijn opgenomen.’

‘Wist je dat?’

‘Niet met zoveel woorden, maar …’

‘Het eerste woord van de definitie van woordenboek is boek. Wat is een boek?’

‘Boek, 1. (als voorwerp) geheel van een aantal bedrukte of beschreven bladen van papier, perkament of andere stof, een geschrift over enig onderwerp bevattende, met name zulk een uit gevouwen en samengenaaide vellen, bedrukt papier bestaand geheel, al of niet in een band gebonden; 2. letterkundig werk, verhandeling, beschrijving enzovoort, in zulk een samenstel van bladen neergelegd en gepubliceerd; 3. een geheel van denkbeelden, voorstellingen, ervaringen enz. waarin men als ’t ware kan lezen; 4. hoofdafdeling van een enigszins uitgebreid letterkundig werk, m.n. in de bijbel; 5. een aantal bladen wit, veelal gelinieerd papier, ingebonden en bestemd om er aantekeningen in te schrijven; 6. naam voor een bepaalde hoeveelheid; 7. portefeuille; 8. (als verkorting van) boekpens.’

‘Wist je dat?’

‘Niet al die betekenissen, maar …’

‘Het wordt een lange dag. Terug naar de definitie van woordenboek, derde woord, woord. Wat is een woord?’

‘Woord, 1. het kleinste geheel van spraakgeluiden dat op zichzelf een betekenis heeft en als zelfstandig taalelement gebruikt wordt; 2. de tekst van een lied; 3. de zichtbare (geschreven, gedrukte) voorstelling van het genoemde taalelement als samenstel van letters; 4. wat gezegd, meegedeeld, verteld wordt (ook in collectieve zin); 5. boos woord; 6. het uiten van woorden, het spreken (meestal in een bepaald verband); 7. erewoord; 8. wachtwoord.’

‘Wist je dat?’

‘Nou …’

‘Terug naar de definitie van woordenboek. Vijfde woord, opgave. Wat is een opgave?’

‘Ik geef het op.’

‘Nou al?’

‘Ja.’

‘Waarom?’

‘Ik begrijp wat je bedoelt.’

‘O ja?’

‘Ik weet niet wat ik zeg als ik zeg dat ik precies weet wat ik zeg.’

‘Wat zeg je me daar?’

‘Waar?’

‘Eerste woord, ik. Wat is ik?’

253 - Niet-weten is als een pijl uit de boog

‘Wat is weten?’

‘Een boog onder spanning.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een pijl op de vlucht.’

Naakt mannetje dat als boog fungeert; hij kijkt verschrikt naar de pijl die door zijn lijf steekt.
Een boog onder spanning.

254 - Niet-weten is als een boog zonder pees

‘Wat is weten?’

‘Een punt zonder pijl.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een pijl zonder punt.’

255 - Een standpunt is waar je stilstaat

X: Wat is een standpunt?

H: Een plek waar je tot stilstand komt.

X: Vind jij dat we in beweging moeten blijven?

H: Dat zou weer een standpunt zijn.

X: Heb je daar iets op tegen?

H: Dat zou opnieuw een standpunt zijn.

X: Wat vind je dan wel?

H: Dat zou nog steeds een standpunt zijn.

X: Maar ieder standpunt is een stilstandpunt?

H: Alleen voor wie dat vindt.

256 - Een standpunt is een loopgraaf

X: Wat is een standpunt?

H: Een loopgraaf.

X: Hoe bedoel je?

H: Medestanders genoeg, maar je kunt niet voor- of achteruit.

257 - De baby en de ouder

Baby: Er komt geen eind aan die box!

Ouder: Het huis wordt te klein!

258 - Van standpunt naar doorgangspunt

X: Wat is een standpunt voor jou?

H: Een doorgangspunt.

X: Hoe bedoel je?

H: Ik kijk even rond en vervolg mijn weg.

X: Waarheen?

H: Naar het volgende doorgangspunt.

X: Jij hebt alleen maar doorgangspunten.

H: Ik heb ze niet, ik passeer ze.

X: Aha.

H: Of ze passeren mij.

X: Dat kan ook nog.

H: Vandaar.

X: Goeie les.

H: Gauw weer door.

259 - Wat is een dwaaltekst?

Een dwaaltekst is een tekst die niet-weten tot uitdrukking brengt – een gesproken of geschreven demonstratie van niet-weten.

Een dwaaltekst, dat is agnose in actie.

Sprekend niet spreken.

Hardop zwijgen.

Alle teksten op NietWeten.nl en in de Agnosereeks zijn dwaalteksten.

Tegen de stroom in bewegen dwaalteksten zich …

- van de oplossing naar het probleem,

- van het antwoord naar de vraag,

- van de conclusie naar de premissen,

- van de stelling naar de onderstellingen,

- van begrip naar onbegrip,

- van zekerheid naar twijfel,

- van helderheid naar troebelheid,

- van vasthouden naar loslaten,

- van weten naar niet-weten,

en daar dan weer voorbij.

Een dwaaltekst in de vorm van een woord of uitdrukking (‘wetend niet-weten’) heet een dwaalwoord.

Een dwaaltekst in de vorm van een sententie (‘De Grote Weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is’) heet een dwaalspreuk.

Een dwaaltekst in de vorm van een dialoog, interview of correspondentie heet een dwaalgesprek.

Je mag een dwaaltekst ook een raadseltekst, weetniettekst, asofisme, tekSst, deconstructie, deconSstructie, ontekst, wantekst, kraaktekst of dooddenker noemen.

Een deel van de tekst van dit stukje weergegeven als meanderend paadje.
Dwaaltekst.

260 - Wat is een dwaalgesprek?

Een demonstratie van niet-weten

Een dwaalgesprek in engere zin is een dwaaltekst in de vorm van een geschreven dialoog.

Net als iedere dwaaltekst beschrijft en/of demonstreert het dwaalgesprek het dwijze denken – het denken dat zich verre houdt van wijsheid en dwaasheid, en zo zijn vrijheid behoudt.

Een dwaalgesprek in deze zin is geen letterlijke weergave van hoe de dwijze denkt, maar een abstractie en verdichting daarvan vanuit agnostisch oogpunt.

Het stellende (katafatische) blijft onderbelicht en het ontstellende (apofatische) wordt uitvergroot.

Ik ken niemand die letterlijk zo praat of denkt.

Gelukkig maar, het lijkt me heel vermoeiend.

Sowieso word ik moe van mensen die klinken als een boek, zoals ik ook moe wordt van mensen die klinken als een klok, maar daar kunnen zij ook niks aan doen, en ik ook niet.

Een vrije gedachtewisseling

In ruimere zin is een dwaalgesprek een gedachtewisseling zonder agenda, zonder heilige huisjes en zonder grenzen.

Het is een spreken zonder spreken waarin alle gedachten en gevoelens die langskomen vrijelijk gedeeld en van alle kanten bekeken worden.

Telkens weer, keer op keer, tot alle botten en graten eruit zijn en je er dwars doorheen kijkt.

Een dergelijk gesprek heeft geen begin en geen einde, en gaat nergens heen.

Het is niet te beschrijven, niet te reproduceren en voor niemand interessant, behalve voor de deelnemers.

Dit is het dwaalgesprek in zijn oorspronkelijke ruwe vorm, met alles erop en eraan.

Een gebed zonder end

De innerlijke monoloog van een weetniet is een dwaalgesprek in ruimere voor één persoon.

Het houdt het midden tussen denken en bidden.

261 - Athetisch is een mooie woord voor nietszeggend

Het woord athetisch (Grieks, a-, niet + thesis, het plaatsen, stelling) betekent letterlijk: niet stellend, nietszeggend.

Postmoderne teksten worden soms afkeurend athetisch genoemd omdat ze geen duidelijke stellingname bevatten.

Zelf hou ik het meest van teksten zónder duidelijke stellingname.

Het maakt mij niet uit of ik te maken heb met een column in een opinieblad, een sprookje, een wetenschappelijke artikel, een discussiestuk of een gedicht; zolang het maar stellingloos is óf barst van de tegenstrijdige stellingen, ben ik in mijn hum.

Mijn dwaalteksten bevatten wél duidelijke stellingen, maar die worden nooit opgevoerd om iets te poneren. Ze fungeren alleen maar als beginpunt van een radicale deconstructie of als tegenwicht van eerdere stellingen.

Een dwaaltekst is voor mij geslaagd als je na lezing het gevoel hebt dat er niets onweersproken is gebleven, dat wil zeggen, in de mate waarin hij als geheel athetisch is.

Niet omdat het ontstellend spreken naar welke maatstaf dan ook bevoorrecht zou zijn, maar omdat het een natuurgetrouwe – al is het dan gestileerde en verdichte – uitdrukking is van agnose.

Maken we van het bijvoeglijk naamwoord athetisch een zelfstandig naamwoord, dan ontstaat het woord athese, een nieuwe pol in het woordveld these-synthese-antithese, dat zich misschien nog het beste laat vertalen als de lege stelling – de enige stelling van de lege leer.

262 - Herroepen in de woestijn; de orde van een dwaaltekst

Kijk eens naar de volgende reeks dwaalzinnen:

1. Ik weet niets.

2. Ik weet niets, en dat ook niet.

3. Ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet.

4. Ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet, en dat ook niet …

Een dwaaltekst van de eerste orde (1) ontkracht een gangbaar of voorafgaand denkbeeld, maar niet met zoveel woorden zichzelf.

Een dwaaltekst van de tweede orde (2) herroept ook zichzelf (en heeft daardoor altijd de vorm van een paradox).

Een dwaaltekst van de derde orde (3) herroept ook het herroepen.

Een dwaaltekst van de hoogste orde (4) herroept zichzelf en iedere herroeping van zichzelf.

Vreemd genoeg drukken dwaalteksten van de hoogste orde nog steeds een wéten uit – al is het dan een weten van niet-weten.

Een oneindige ontkenning is nog steeds een bewering, niets aan te doen.

Daarom: dwaalteksten reiken naar niet-weten maar bereiken het nooit.

Net zoals de wiskundige reeks 1, 1/2, 1/4, 1/8 … tevergeefs naar de limiet 0 lonkt.

En stilte dan?

Wat is de orde van een lege dwaaltekst?

Van dé lege dwaaltekst, want waarin zou de ene lege dwaaltekst moeten verschillen van de andere?

Zwijgen is geen beweren, dus drukt het ook geen weten uit, dat scheelt.

Maar juist omdat de zwijger niets beweert, kan hij ook niets herroepen.

Niets zeggen is dus geen effectieve uitdrukking van niet-weten.

Niets zeggen is ál te nietszeggend.

Positief gesteld:

Stilte is een dwaaltekst van de laagste orde.

De effectiviteit waarmee een reguliere tekst een bepaald weten onder woorden brengt, heet de zeggingskracht. Net zo kunnen we de effectiviteit waarmee een bepaald niet-weten onder woorden wordt gebracht de ontzeggingskracht noemen.

Een dwaaltekst waarin afgerekend wordt met een groot aantal verschillende ideeën over, laten we zeggen, god, waarheid, wijsheid, verlichting, ethiek, de mens, de geest, het lichaam, de liefde, de dood of de (on)zin van het leven heeft dan een grote ontzeggingskracht.

263 - Een dwaaltekstautomaat; van woordwielen en wielwoorden

Hoewel niet-weten zich principieel niet onder woorden laat brengen, en ook niet zónder woorden, kom je een heel eind met behulp van zogenaamde wielwoorden.

Een wielwoord is een incomplete uitdrukking in cirkelvorm waarvan het laatste woord aansluit op het eerste, zodat je almaar rond kunt lezen.

Voorbeelden van wielwoorden zijn ‘niet geloven in’, ‘het denken doorziet’ en ‘niet weten van’.

Woordwiel ‘niet weten van’

Een wiel met een wielwoord erop heet een woordwiel.

Het laatste woord van een wielwoord, in bovenstaande voorbeelden ‘in’, ‘doorziet’ en ‘van’, fungeert als schakelwoord: het verbindt opeenvolgende herhalingen van de stam van het wielwoord.

De zin die zo ontstaat heet een wielzin.

Bij de laatste herhaling laat je het schakelwoord weg, anders komt een wielzin nooit tot een besluit.

Door een slinger aan het woordwiel ‘niet weten van’ te geven, ontstaan de volgende zinnen (ik heb hoofdletters en haakjes toegevoegd voor de leesbaarheid):

1. Niet weten

2. Niet weten van niet weten

3. Niet weten van (niet weten van niet weten)

4. Niet weten van (niet weten van (niet weten van niet weten))

Het woordwiel ‘het denken doorziet’ geeft:

1. Het denken

2. Het denken doorziet het denken

3. Het denken doorziet (het denken doorziet het denken)

4. Het denken doorziet (het denken doorziet (het denken doorziet het denken))

Het woordwiel ‘niet geloven in’ geeft:

1. Niet geloven

2. Niet geloven in niet geloven

3. Niet geloven in (niet geloven in niet geloven)

4. Niet geloven in (niet geloven in (niet geloven in niet geloven)))

De woordwielen heb ik zo gekozen dat ze dwaalteksten opleveren.

Een dwaaltekst is een tekst, hoe kort of lang ook, die het niet-weten demonstreert.

Zoals je ziet worden de wielzinnen steeds langer.

Het nummer vóór de wielzin geeft niet alleen het aantal rotaties van het woordwiel aan, maar ook de orde van de resulterende dwaalzin.

Iedere zin gaat een stapje verder, maar de limiet, Ø (eh, niet-weten, de lege leer …) blijft voor eeuwig buiten bereik van het woordwiel.

Al lees je rondjes tot je een ons weegt, gewichtloos word je nooit.

264 - Niet-weten als dissensus

Dissensus is het tegenovergestelde van consensus: onenigheid, tegenspraak, verschil van mening.

Volgens de filosoof Lyotard moet het postmoderne weten opgevat worden als een taalspel waarin je niet langer de waarheid najaagt, maar slechts het verslaan van de tegenspreker.

Streefde het modernisme naar consensus in de vorm van grote verhalen met een algemene geldigheid, het postmodernisme streeft juist naar dissensus in de vorm van zoveel mogelijk kleine verhalen die alleen maar lokale geldigheid hebben.

Spelen met de spelregels

Dwaalgesprekken – de Agnosereeks staat er vol mee – zitten vol onenigheid, tegenspraak en verschil van mening.

Toch ben ik niet speciaal uit op dissensus.

Dwaalgesprekken zijn taalspelen waarin de spelers het niet eens zijn over de spelregels.

De een streeft naar consensus, de ander naar dissensus.

Dwaalgesprekken zijn dwaalteksten in dialoogvorm.

Dwaalteksten in welke vorm dan ook streven ernaar zichzelf tegen te spreken.

Niet-weten kun je definiëren als een radicale, niet aflatende dissensus waarin de agnost elk weten weerspreekt, zowel dat van de ander als dat van zichzelf.

Weg met alle dissensus

Zelf heb ik geen bijzondere voorkeur voor dissensus.

Ik streef er in ieder geval niet naar.

Voor zover ik kan nagaan streef ik in mijn denkerij en schrijverij helemaal nergens naar, ook niet naar niet-streven.

Hoogstens constateer ik een zekere hang naar dissensus.

In de eerste plaats met mezelf.

Ik ben het er dan ook niet mee eens dat dwaalgesprekken taalspelen zijn waarin de spelers het niet eens zijn over de spelregels.

Ik ben het er ook niet mee eens dat niet-weten gedefinieerd kan worden als een radicale, niet aflatende dissensus waarin de agnost elk weten tegenspreekt, zowel dat van anderen als dat van zichzelf.

Het laatste wat ik wil is vastleggen wat niet-weten is of zelfs maar dat er zoiets is, laat staan hoe het voor het voetlicht gebracht moet worden.

Dat moet iedereen lekker zelf weten.

Nou jij weer.

265 - Wat is een dwaalgast?

Een dwaalgast is:

1. Iemand die meent dat hij de weg kwijt is omdat hij meent dat er een weg is – een zoeker dus;

2. Iemand die het niet meer weet en niet meer hoeft te weten – een agnost dus;

3. Een schrijver van dwaalteksten – ik dus;

4. Een lezer van dwaalteksten – jij dus.

266 - Wat is een dwaalgeest?

Een dwaalgeest is een mentale nomade – een zwerver, vrij en blij, zoals het in de Zhuangzi heet.

Verstandelijk is een dwaalgeest nergens aan gebonden.

Geen enkel gedachtegoed kan hij het zijne noemen.

Ieder uitgangspunt blijkt een vertrekpunt voor een volgende zwerftocht.

Een dwaalgeest is altijd in beweging.

267 - Wat is een dwaalgids?

Een dwaalgids is iemand die voorgoed de weg kwijt is en daarvan getuigenis aflegt.

Zozeer is hij de weg kwijt dat hij niet eens meer weet of hij wel op weg was, of dat hij wás, of ís, of wat ‘voorgoed’ betekent.

Laat staan dat hij zichzelf ziet als iemand die voorgoed de weg kwijt is en daarvan getuigenis aflegt.

Legt hij toch getuigenis af, dan eerder ter vermaeck dan ter leering, want wat valt er te leren aan een lege leer?

Aan de andere kant, wat valt eraan te lachen?

Natuurlijk staat het iedereen vrij om een voorbeeld te nemen aan een dwaalgids of aan iemand die zich daarvoor uitgeeft, maar vroeger of later zul je deze kwesties onder ogen moeten zien: waarvan is de dwaalgids een voorbeeld? Waarheen wijst zijn vinger, en wijst hij eigenlijk wel?

Tegen de tijd dat al je antwoorden in rook zijn opgegaan, en je vragen erbij, ben je hard op weg een voorbeeld te nemen aan je dwaalgids – maar dan hoeft het al niet meer.

268 - Wat is een dwaalmeester?

Een spirituele leraar of meester is over het algemeen een wijze, een raadsman, een mystagoog, een goeroe of hoe je hem of haar ook wilt noemen, die de waarheid kent of heeft of leeft (of meent te kennen, hebben of leven) en anderen in zijn wijsheid wil laten delen.

Daartoe gaat hij een tijdelijk of levenslange relatie met hen aan waarin hijzelf de rol van wetende speelt en de ander de rol van onwetende.

Dwaalmeesters daarentegen dragen geen kennis of wijsheid over, maar ondermijnen systematisch het denken, of liever, het heilige geloof in het denken en het heilige gelijk van de denker.

Daartoe aanvaarden ze tijdelijk de rolverdeling meester-leerling om haar van binnenuit aan de orde en aan de kaak te kunnen stellen.

Alle meesters op NietWeten.nl en in de Agnosereeks zijn dwaalmeesters.

Antihelden.

Gevallenen – hoe je ze maar noemen wilt.

De meesten blijven anoniem, maar als je ze toch een naam wilt geven, noem ze dan maar Meester Ach, Meester Af, Meester Baibai, Meester Bijl, Meester Bijster, Meester Blabla, Meester Blanco, Meester Boei’en, Meester Bot, Meester Bè, Meester Dement, Meester Doeniet, Meester Dromer, Meester Eh, Meester Foe-Tsie, Meester Foei, Meester Foetsie, Meester Haha, Meester Hak, Meester Hans, Meester Hilarius, Meester Hè, Meester Ik, Meester Kanniet, Meester Kwenie, Meester Leerling, Meester Lijk, Meester Loos, Meester Makkie, Meester Maya, Meester Minder, Meester Mouche, Meester Nebbisj, Meester Niet, Meester Nietes, Meester O, Meester Oei, Meester Paf, Meester Quatsch, Meester Quenius, Meester Rara, Meester Schaap, Meester Schap, Meester Sof, Meester Soit, Meester Spoorloos, Meester Spoorniet, Meester Sst, Meester Sst alias de Meesster, Meester Stuk, Meester Tia, Meester Tja, Meester Wablief, Meester Weetniet, Meester Werkloos, Meester Wie?, Meester Ziemaar, Meester Zomaar, Meester Zot, Meester Zuetsu of meester weet ik veel, je begrijpt wat ik bedoel.

269 - Wat is dwaaltaal?

Onder dwaaltaal versta ik:

1. Het woordveld van samenstellingen die beginnen met ‘dwaal-’, zoals dwaaltaal, dwaaltekst, dwaaltuin, dwaalgesprek, dwaalgast, dwaalgids, dwaalmeester, dwaalspreuk …

2. Het jargon van niet-weten in het Witboek niet-weten, in de Agnosereeks en op NietWeten.nl.

3. Het eigen(aardige) taalgebruik van de dwaalgeest – vol tegenstrijdigheden om een tegenstrijdig heden (z)onder woorden te kunnen brengen.

Voor betekenissen 2 en 3 kun je ook het woord ‘stameltaal’ gebruiken, naar het voorbeeld van mystici die het onzekere spreken over God graag stamelen noemen, ook al zijn ze daar vaak zeer bedreven in.*

* Zie bijvoorbeeld Harold Hamersma in Voorbij alle woorden – fluisteraars van het Onzegbare.

270 - Niet-weten als dwaaltuin

De leidende metafoor van mijn schrijfsels over niet-weten is die van de dwaaltuin – een doolhof van hagen waarin je eeuwig kan zoeken zonder iets te vinden, als ik mijn werk tenminste goed heb gedaan, en dat heb ik niet, want menigeen blijkt er toch weer het zijne in te vinden – paaseieren die hij er zelf heeft verstopt, of wegwerpwijsheden van mijn hand waarmee ik iets anders weerspreek, maar die ik op hun beurt niet weersproken heb omdat je nou eenmaal niet aan de gang kunt blijven.

Dwaaltuin is ook een metafoor voor de wereld waarin de dwijze niet alleen de weg kwijt is, maar ook zichzelf, en daarmee zijn wereld, om nog maar te zwijgen over het kwijt zijn, dat is hij ook kwijt, en daarmee het zoeken, en daarmee het vinden, want hij mag dan misschien het hoofd hebben verloren, maar om nou te zeggen dat hij een dwaaltuin heeft gevonden?

271 - Een wonder, prijs de heer

Een gebedsgenezer legt zijn hand op het voorhoofd van een vrouw, die ineens weer kan zien. Hij roept: ‘Een wonder, prijs de Heer.’

Later die dag legt hij zijn hand op het voorhoofd van een andere vrouw, die op slag blind wordt. Hij roept: ‘Een beroerte, haal een arts.’

272 - Een wonder, haal een rolstoel

Een gebedsgenezer legt zijn hand op het voorhoofd van een vrouw, die prompt door haar knieën zakt. Hij roept: ‘Een wonder, haal een rolstoel!’

Later die dag legt hij zijn hand op het voorhoofd van een andere vrouw, die ineens weer kan lopen. Hij roept: ‘Een simulant, haal een psychiater!’

De vrouw protesteert: ‘Dit hadden we toch afgesproken?’ De man roept: ‘Hoort u dat? Ze geeft het nog toe ook!’

273 - Een standpunt is een grens tussen medestanders en tegenstanders

X: Wat is een standpunt?

H: Een grens.

X: Waartussen?

H: Medestanders en tegenstanders.

X: Alle grenzen zijn kunstmatig.

H: Dat is opnieuw een grens.

X: Waartussen?

H: Medestanders en tegenstanders van het standpunt dat alle grenzen kunstmatig zijn.

X: Maar alles is toch één?

H: Dat is opnieuw een grens.

X: Waartussen?

H: Medestanders en tegenstanders van het standpunt dat alles één is.

X: Wat zou het anders kunnen zijn?

H: Nul, niet-een, twee, niet-twee, drie, drie-in-een, vier, zeven, honderdacht, veel, aftelbaar oneindig, overaftelbaar oneindig, ontelbaar, dit alles tegelijk, niets van dit alles en zo.

X: Eenheid is geen getal, eenheid is een ervaring.

H: Dat is ook maar een hokje.

X: Een ervaring is ook maar een hokje?

H: Een ervaring in plaats van een standpunt, een gevoel, een gedachte, een idee, een waan, een woord, een inzicht, wijsheid, dwaasheid, waarheid en noem maar op.

X: Allemaal hokjes?

H: Hokje is ook maar een hokje.

X: Vind jij dat we alle grenzen moeten slechten?

H: Ik kan wel zoveel vinden.

X: Voor jou hoeft het niet.

H: Wat ben ik, een separatist?

X: Wat vind jij dan wel?

H: Waarvan?

X: Van standpunten natuurlijk.

H: Wat is een standpunt?

274 - Maken dat je wegkomt – standpunten versus vluchtpunten

X: Het leven is een mysterie.

H: Dat is ook maar een standpunt.

X: Je doelt op het idee dat er geen absolute waarheden zijn.

H: En nog een.

X: Alleen maar eindeloos veel standpunten.

H: En nog een.

X: Die ons alleen maar eindeloos vastzetten.

H: En nog een.

X: Wat is een standpunt voor jou?

H: Een vluchtpunt.

X: Hoe bedoel je?

H: Ik maak meteen dat ik wegkom.

X: Waar is dat goed voor?

H: Zeg jij het maar.

X: En jij dan?

H: Ik maak vast dat ik wegkom.

275 - Vluchtlijnen naar de horizon – niet-weten als verdwijnpunt

.

X: Wat is een standpunt?

H: Een verdwijnpunt.

X: Wat verdwijnt daarin?

H: Waarin?

X: In het verdwijnpunt natuurlijk.

H: Welk verdwijnpunt?

X: Standpunten?

H: Wat is daarmee?

X: Jijzelf?

H: Wie?

X: Het verdwijnen dan?

H: Waarvan?

X: Jij spreekt steeds in raadselen.

H: Snap je?

276 - De hoofdwetten van de psychodynamica

In de inleiding van deze Inleiding niet-weten, zo’n tachtig dwaalteksten geleden, had ik het over de eerste hoofdwet van de psychodynamica. Daar wil ik nu wat dieper op ingaan.

Eerste hoofdwet van de psychodynamica

In een gesloten geest neemt de entropie voortdurend af tot het nulpunt is bereikt.

De eerste hoofdwet van de psychodynamica is in tegenspraak met de tweede hoofdwet van de thermodynamica, die stelt dat in een gesloten systeem de entropie voortdurend toeneemt.

Afname van de entropie in een gesloten geest betekent toename van betekenis en orde, een ander woord voor kennis, doorgaans van het monistische of monotheïstische type om de entropie zoveel mogelijk te drukken.

Een geest met een lage entropie noemen we hypodynamisch of hypomobiel.

Uiteindelijk daalt de entropie van de gesloten geest tot het nulpunt.

Een entropievrije niet-overleden geest noemen we psychostatisch.*

* Vroeger werd de term ‘fundamentalistisch’ gebruikt, maar die is politiek gekleurd.

De psychostatische geest is een bijzonder geval van de gesloten geest, namelijk de afgesloten geest, door Gottfried Leibniz in 1714 ‘monade’ genoemd.

Monaden zijn gevoelig voor verstening (lithiasis). Een versteende monade heet een monoliet.

In een psychostatische geest gaat de eerste hoofdwet van de psychodynamica niet langer op. Logisch, want waar geen entropie is kan hij ook niet afnemen. Er zijn mij tenminste geen gevallen bekend van negatieve entropie, of het moeten grijze gaten zijn.

Wanneer zonder een debiliterende ziekte zoals dementie of een herseninfarct de geestelijke entropie toeneemt, is er waarschijnlijk sprake van REM-slaap of van een voorbijgaande staat van verbijstering of beide.

Blijft de entropie gedurig maximaal dan bestaat er een vermoeden van niet-weten.

Het verstand van een agnost is namelijk getransformeerd van een psychodynamisch systeem dat hoofdwettelijk streeft naar minimale verandering en maximale ordening, naar een thermodynamisch systeem waarin rondkaatsende gedachten, gevoelens en ideeën vrijelijk hun energie op elkaar kunnen overdragen zonder dat dit nog als orde of chaos wordt ervaren.

De tweede hoofdwet van de psychodynamica is bijna een parafrase van de tweede hoofdwet van de thermodynamica:

Tweede hoofdwet van de psychodynamica

In een open geest neemt de entropie voortdurend toe tot het maximum is bereikt.

Een geest die permanent in een toestand van maximale entropie verkeert, heet hyperdynamisch of hyperelastisch of hypermobiel.

Zo’n geest zou je een weetnietgeest, een zengeest of een aikidogeest kunnen noemen.

Dat klinkt als een entiteit, maar het is een woord, net zoals hatsjie klinkt als een woord terwijl het eigenlijk een nies is.

Nominaal of niet, entropisch gezien is er geen verschil tussen de ene weetnietgeest (zengeest, aikidogeest) en de andere. Ze kunnen elkaars entropie evenmin verhogen of verlagen als hun eigen entropie. Vandaar dat we net zo goed van dé weetnietgeest (dé zengeest, dé aikidogeest) kunnen spreken. Wie denkt dat weetnietgeesten daarom één zijn heeft nog nooit een tweeling gezien.

Tot zover deze elementaire psychodynamische beschouwingen. Ze moeten de entropie in het verstand van de lezer ongemerkt laten toenemen terwijl hij denkt dat ze afneemt.

Dat is het enige verschil met reguliere pseudowetenschap.

277 - Niet-weten is een liedje

‘Wat is weten?’

‘Blablabla.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Tralala.’

278 - Niet-weten is latin

‘Hoe heet de dans van het weten?’

‘De blablabla.’

‘Hoe heet de dans van niet-weten?’

‘De tjatjatja.’

279 - Niet-weten is geen nihilisme

Nihilisme is de overtuiging dat er geen grondwaarden of grondwaarheden bestaan waarop men zich kan beroepen bij zijn keuzes.

Er is niets om vanuit te gaan, niets om in te geloven, beweert de nihilist.

Niets heeft ook maar enige zin of betekenis, beweert de nihilist.

Iedereen die iets anders beweert maakt zichzelf wat wijs, beweert de nihilist.

De agnost daarentegen is er niet van overtuigd dat er geen grondwaarden of grondwaarheden bestaan waarop men zich kan beroepen bij zijn keuzes, ook niet dat die wel bestaan.

Hij weet het zo net nog niet.

De agnost is er niet van overtuigd dat er niets is om vanuit te gaan, ook niet dat er toch iets is om vanuit te gaan.

Hij weet het zo net nog niet.

De agnost is er niet van overtuigd dat er niets is om in te geloven, ook niet dat er toch iets is om in te geloven.

Hij weet het zo net nog niet.

De agnost is er niet van overtuigd dat hij zelf kan kiezen, ook niet dat hij dat niet kan.

Hij weet het zo net nog niet.

De agnost is er niet van overtuigd dat niets ook maar enige zin of betekenis heeft, ook niet dat iets of alles toch zin en betekenis heeft, of dat we die betekenis er zelf aan moeten of kunnen geven of zo.

Hij weet het zo net nog niet.

Want de agnost is helemaal nergens van overtuigd, ook hiervan niet, en dat zint hem best.

Je ziet: niet-weten is geen nihilisme.

280 - Niet-weten is het toppunt

hypernihilisme

Omdat ik niet-weten de lege leer noem, denken mensen vaak dat ik een nihilist ben.

Nihilisme is de niet-lege leer dat waarheid niet bestaat.

Het nihilisme, hoe radicaal het op het eerste gezicht ook lijkt, maakt dus een uitzondering voor zijn eigen grondstelling.

Een nihilisme dat ook zichzelf nihil verklaart, is inderdaad een lege leer en mag gerust niet-weten heten.

Ik noem het hypernihilisme.

De hypernihilist staat net als de weetniet met lege handen.

Niet-weten is hypernihilistisch.

Hypernihilisme is tegelijk het toppunt en het einde van het nihilisme.

hyperescapisme

Hyperescapisme is een escapisme dat zelfs aan het escapisme ontsnapt.

Het is tegelijk het toppunt en het einde van het escapisme.

Het hyperescapisme is equivalent aan de lege leer.

Niet-weten is hyperescapistisch.

hypernegativisme

Hypernegativisme is een negativisme dat zelfs negatief staat tegenover zichzelf.

Het is tegelijk het toppunt en het einde van het negativisme.

Het hypernegativisme is equivalent aan de lege leer.

Niet-weten is hypernegativistisch.

hyperperspectivisme

Hyperperspectivisme is een perspectivisme dat ook zichzelf als een van de vele perspectieven ziet.

Het is tegelijk het toppunt en het einde van het perspectivisme.

Het hyperperspectivisme is equivalent aan de lege leer.

Niet-weten is hyperperspectivistisch.

hyperquiëtisme

Hyperquiëtisme is quiëtisme dat niet alleen de wereld maar ook het quiëtisme verzaakt.

Het is tegelijk het toppunt en het einde van het quiëtisme.

Het hyperquiëtisme is equivalent aan de lege leer.

Niet-weten is hyperquiëtistisch.

hyperrelativisme

Hyperrelativisme is een relativisme dat zelfs het relativisme relativeert.

Het is tegelijk het toppunt en het einde van het relativisme.

Het hyperrelativisme is equivalent aan de lege leer.

Niet-weten is hyperrelativistisch.

hyperscepticisme

Hyperscepticisme is scepticisme dat zelfs de twijfel betwijfelt.

Officieel heet dat pyrronisme, naar de bedenker ervan, Pyrrho van Elis.

Het is tegelijk het toppunt en het einde van het scepticisme.

Het hyperscepticisme is equivalent aan de lege leer.

Niet-weten is hyperscepticistisch.

Hyper-

Voorvoegsel voor leerstellingen en leren die zelfvernietigend zijn: hypernihilisme, hyperescapisme, hypernegativisme, hyperquiëtisme, hyperperspectivisme, hyperrelativisme, hyperscepticisme.

Iedere hyperstelling is equivalent aan de lege stelling, Ø.

Iedere hyperleer is equivalent aan de lege leer. Ø.

281 - De absurditeit van het absurdisme

Wat is absurdisme?

Absurdisme is een literaire en theatervorm die tot doel heeft de absurditeit van het bestaan aan de orde en de kaak te stellen.

Hoofdkenmerk van het absurdisme is de negatie: afbraak van plot, karakters, communicatie, orde, logica, ruimte en tijd; en verder een voorkeur voor farce, zwarte humor, paradox en ironie.

Synoniemen van absurdisme zijn antitheater en théâtre de l’absence.

Absurdisme in het taoïsme

Hoewel het absurdisme floreerde in het midden van de vorige eeuw, onder meer in het werk van Beckett, Ionesco, Vian, Albee en Duyns & Armando (Herenleed), vind je het al in de taoïstische geschriften van Liezi en Zhuangzi uit ongeveer de vierde eeuw voor Christus.

De Wolkenaanvoerder reisde eens naar het oosten en passeerde daar de takken van de Fuyao-boom. Daar kwam hij ineens Wijde Weetniet tegen. Die was net bezig zich te vermaken door te huppelen als een musje en zich daarbij op de billen te slaan. De Wolkenaanvoerder stopte onmiddellijk, bleef stokstijf staan, en riep: ‘Oude heer! Wie bent u? Wat doet u?’ Wijde Weetniet ging door met te huppelen als een musje en met zichzelf op de billen te slaan, en antwoordde: ‘Ik amuseer me!’

Bron: Zhuang Zi; De volledige geschriften, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper, Uitgeverij Augustus, Amsterdam – Antwerpen, 2007, 161-164.

Absurdisme in zen

Het absurdisme bereikte zijn hoogtepunt misschien al in de tweede helft van het eerste millennium in de Chinese ch’an-literatuur, met name in dat schoolvoorbeeld van absurdisme, de gongan, beter bekend als de zen-koan. Twee voorbeelden van absurdistische koans uit de zenklassieker De Linji lu:

Een monnik vroeg: ‘Wat is de kern van de boeddhistische leer?’ Meester Linji stak zijn vliegenkwast omhoog. De monnik slaakte een kreet. De meester gaf hem een oplawaai.

Een voorbeeld uit De Poortloze Poort:

Meester Zhaozhou ging bij een kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester zei: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’ Bij de volgende kluizenaar aangekomen zei de meester: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester maakte een buiging en zei: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’

Absurdisme in advaita

Ook in de advaita vedanta (zie onder) is het altijd bál masqué, vooral in de hedendaagse variant die neo-advaita wordt genoemd (Harding, Parsons), waarvan de bijeenkomsten (satsangs) geheid een absurdistische wending nemen.

Omdat de persoon volgens advaita een illusie is, meent de illusoire non-dualist af te moeten zien van de eerste persoonsvorm enkelvoud (ik) en de eerste persoon meervoud (wij) en zichzelf, dat wil zeggen Het Zelf, te moeten adresseren als Hét – de verkorte schrijfwijze van Het Zelf dus, of Het Ene of Het Bewustzijn of De Bron of Dít of Dát, dat hoe je het ook noemt de enige realiteit zou zijn.

Waarom dat zo nodig moet en hoe dat eigenlijk kan, wordt nooit duidelijk, aangezien er volgens de leer niemand is om het te bewerkstelligen. Wat maakt het ook uit of Het Ene zichzelf ik, wij, zij of het noemt als er nergens in het hele Ene iemand te bekennen is die iets doet of laat?

Er is in het hele Ene trouwens ook niets meer te bekennen dat iets doet of laat. Alles is één, een en al illusie, een en al allusie op het Ene. Vandaar dat de klok niet langer tikt maar klokt, de stoel stoelt, de beer beert, het boek boekt, de realisatie realiseert en zichzelf trakteert op een schijnresultaat genaamd verlichting.

Maar inderdaad, als de lach vanzelf lacht en vanzelf weer bedaart, als het licht voor altijd uitgaat en de spot voor altijd aan, is het absurdisme op zijn best.

De absurditeit van het absurdisme

Het absurde vindt zijn voltooiing in zijn eigen ridiculisering. Als er iets absurd is in dit leven is het toch wel het absurdisme, wat jij of niet-jij? De pretentie het zogenaamde leven definitief te kunnen duiden als enkel en alleen absurd. Absurd!

Het absurde, en dat is het mooie, vindt zijn voltooiing in zijn eigen ridiculisering, zoals de negatie in haar eigen ontkenning, de leegte in haar eigen leegte en de scepsis in de twijfel aan de scepsis. Het is precies deze zelfvernietiging die ook de kern van niet-weten uitmaakt: zelfs niet weten van niet-weten. Voor je het weet ben je het kwijt – het toppunt van absurditeit.

Niet-weten laat zich daarom graag uitdrukken en uit drukken in dwaalteksten, waarin niet-zeggen doelbewust tot in het belachelijke wordt opgevoerd. Niet om te verwijzen naar ‘het absolute voorbij de woorden’, niet om de absurditeit van het bestaan aan de orde of de kaak te stellen, niet om wie dan ook waarvan of waaruit dan ook te bevrijden, maar gewoon omdát. Agnose is een gát.

282 - Een premodern misverstand

‘Wie niet weet is gek, Hans.’

‘Wie dit denkt is onwetend.’

283 - Een postmodern misverstand

‘Wie weet is gek, Hans.’

‘Wie dit denkt weet.’

284 - Vernauwing is het wezen van de blik

X: Wat is het wezen van de blik?

H: Vernauwing.

X: Ik doelde eigenlijk op het wijsheidsoog.

H: O, sorry.

X: Hou luidt in dat geval je antwoord?

H: Vernauwing.

285 - Niet-weten is een slØkØp

Niet-weten is een slokop.

Het zuigt alles leeg.

Het ontdoet leren van hun dogma's, tradities van hun gewoontes, praktijken van hun handelingen, profeten van hun profetie, verlossers van hun beloften, wijzen van hun wijsheid, dwazen van hun dwaasheid, verzekeraars van hun claims, twijfelaars van hun twijfels en praatjesmakers van hun praatjes.

Wat rest is een lege leer, een leeg geloof, een lege traditie, een lege praktijk – de lege zekerheid van de lege geest.

Als symbool voor de leegte gebruik ik het agnosticon, Ø.

In plaats van het agnosticon, Ø, achter een woord te zetten om aan te geven dat het een lege variant betreft, kunnen we het er ook in opnemen, als het tenminste een letter o bevat.

Zo ontdoen we het woord van zijn inhoud en maken er tegelijk een symbool van.

Je kunt dit met de kleine eh, ø, doen of met de grote, Ø, net wat je mooi vindt.

Ik doe het met de grote omdat ik die minder op een letter en meer op een symbool vind lijken.

De ‘god’ van niet-weten, de lege god, Ø – het lege object van de lege mystiek – wordt dan gØd.

De ‘filosofie’ van niet-weten, de lege filosofie, Ø, wordt filØsØfie, een beoefenaar ervan een filØsØØf.

De Tao van niet-weten wordt de TaØ, de bijbehorende non-leer taØïsme, een aanhanger daarvan (als dat kan) een taØïst.

Het ‘geloof’ in de lege leer wordt gelØØf, wie in het lege geloof gelooft een gelØvige.

De belofte van niet-weten wordt de belØfte, de lege gelofte, de enige gelofte die een weetniet aflegt, wordt de gelØfte, de lege boodschap van niet-weten de bØØdschap, degene die hem ‘brengt’ de bØØdschapper, de profeet die hem verkondigt een prØfeet (die verkØndigt), de verlossing in niet-weten verlØssing.

Het lege boeddhisme, dat zelfs van anatman, sunyata en afhankelijk bestaan is ontdaan en de Boeddha eert door hem te doden, wordt bØeddhisme, een lege boeddha een bØeddha, een lege bodhisattva een bØdhisattva.

Het lege woord van niet-weten wordt het wØØrd, degene die het voert een wØØrdvøerder, iemand die lege woorden bezigt of bedenkt een wØØrdenaar.

De lege droom van niet-weten wordt een drØØm, ontwaken in niet-weten wordt Øntwaken, wie niet meer weet gaat een dØmmy heten.

Non-dualisme zonder dogma's wordt nØn-dualisme, een leeg oordeel wordt een ØØrdeel, agnose wordt agnØse, de Agnosereeks de AgnØsereeks, een agnost een agnØst, een zot een zØt, de poortloze poort een pØØrtlØze pØØrt (peurtleuze peurt) en ga zo maar dØØr (deur).

Want niet-weten is een slØkØp.

Het zuigt alles leeg.

Niet-weten is een slØkØp.

286 - Eenheid is ook niet alles

De taoïst en de agnost.

Taoïst: De gewone mens maakt onderscheid tussen dingen en verkondigt zijn mening. De wijze omvat alles.*

* Uitspraak van Zhuangzi (369-286).

Agnost: Dat zegt u.

Taoïst: Wat zegt u?

Agnost: De dwaas maakt onderscheid tussen de gewone mens en de wijze.

Taoïst: Die zit.

Agnost: Dankzij uw voorzet.

Taoïst: En dingen?

Agnost: Dingen maken geen onderscheid tussen de gewone mens en de wijze.

287 - Niet-weten is een katalysator

Het loopt wel los.

‘Waarmee kun je weten vergelijken?’

‘Een analysator.’

‘Hoezo?’

‘Het verdeelt het denken en bindt zich aan de elementen tot het vastloopt.’

‘Waarmee kun je niet-weten vergelijken?’

‘Een katalysator.’

‘Hoezo?’

‘Het versnelt het denken zonder een verbinding aan te gaan tot het vrijloopt.’

288 - Ontstellen of veronderstellen?

Leerling: Waarheen leidt de weg die wij moeten gaan?

Meester: Je veronderstelt dat wij hem moeten gaan.

Leerling: Waarheen leidt de weg?

Meester: Je veronderstelt dat hij ergens heen leidt.

Leerling: Wat kunt u mij over de weg vertellen?

Meester: Je veronderstelt dat er een weg is.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Je veronderstelt dat ik dat weet.

Leerling: Als iemand het weet …

Meester: Je veronderstelt dat iemand het weet.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Je veronderstelt dat ik dat weet.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Je veronderstelt dat ik iets wil zeggen.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Nou veronderstel je weer dat ik niets wil zeggen.

Leerling: Wat wilt u dan zeggen?

Meester: Je blijft maar veronderstellen, hè?

Leerling: Maar …

Meester: En weer.

Leerling: Dan zeg ik wel niks meer

Meester: Weer.

Leerling: …

Meester: Weer.

289 - Remweg

Leerling: Ik boek helemaal geen progressie meer.

Meester: Moet je ergens heen dan?

Leerling: Bedoelt u dat ik hier moet blijven?

Meester: Wie zegt dat ik iets bedoel?

Leerling: Zo gaat het nou altijd.

Meester: Altijd moet nog komen.

Leerling: Steeds heb ik u vertrouwd.

Meester: Dan zal dat het probleem wel zijn.

Leerling: Steeds ben ik optimistisch gebleven.

Meester: Een complicerende factor.

Leerling: Maar nou kan ik niet meer.

Meester: Kijk eens aan.

Leerling: Ik geef het op.

Meester: Eindelijk progressie.

290 - Niet-weten is geen eeuwige rust maar eeuwige beweging

Beste Hans,

Ik draag altijd een geplastificeerd kaartje met mijn favoriete spreuken bij me. Dit zijn ze:

1. Ik ben het leven zelf.

2. Het leven is er om geleefd te worden, niet om begrepen te worden.

3. Don’t know.

4. Het is altijd nu.

5. Alles is liefde.

6. Ik bén.

7. Ik ben het doek, niet de film.

8. Wees een licht voor jezelf.

9. Lijden is een keuze.

10. Het enige lijden is een niet onderzochte geest.

11. Vrijheid is leven in vriendelijkheid, áls vriendelijkheid.

Ik heb ze allemaal al zo vaak gelezen dat ze bij iedere gepaste gelegenheid spontaan in me opkomen. En iedere keer voelt als thuiskomen.

Beste X,

Ik herken Byron Katie, Osho, Boeddha, Nisargadatta en Seung Sahn … Heb ik iemand gemist?

X: Jan van Delden.

H: Ach, Jantje 108.

X:Wat zijn jouw favoriete uitspraken?

H: …

X: Stuurde je mij zojuist drie puntjes?

H: Dat was mijn favoriete uitspraak.

X: En niet-weten dan?

H: Niet-weten is geen uitspraak.

X: Wat is het dan wel?

H: Vrijspraak. Niet-weten is jezelf vrijspreken van je favoriete uitspraken.

X: Klinkt als je favoriete uitspraak.

H: Pas dan maar op dat het niet de jouwe wordt.

X: Jij hebt jezelf vrijgesproken en verblijft nu in niet-weten.

H: Nee hoor, niet-weten is geen staat of toestand waarin ik verblijf. Het is een dynamisch denken dat voortdurend in beweging blijft.

X: Geen eeuwige rust dus.

H: Eeuwige beweging.

X: Eeuwig ontwaken.

H: Eeuwig ontwijken.

X: Jij hebt geen troetelgedachten.

H: Niet dat ik weet. Misschien ontdek jij er wel een, jij hebt een neus voor die dingen.

X: Met dank aan de weetnietgeest.

H: En de groeten van de tandenfee.

X: De tandenfee bestaat niet, behalve voor kinderen.

H: De weetnietgeest ook niet, behalve voor volwassenen. Weetnietgeest is een wijze van spreken. Net als niet-weten.

X: Hoe werkt jouw geest of wat daarvoor doorgaat?

H: Net als als iedere geest, als een spons. Hij zuigt zich in een mum van tijd vol.

X: Vol met wat?

H: Vol met weten of wat daarvoor doorgaat.

X: En niet-weten is de spons uitknijpen.

H: Bij wijze van spreken.

X: Bij jou krijg je geen voet tussen de deur, hè?

H: Dat komt, ik heb geen deur, en niets om erachter te verbergen.

X: Staat er iets op mijn favorietenlijstje dat jou aanspreekt, al is het maar een beetje?

H: De twaalfde.

X: Van de elf.

H: Ze zitten vol aannames, zie je dat dan niet? Ik krijg het er Spaans benauwd van.

X: Word jij nooit moe van al dat niet-weten?

H: Word jij nooit moe van al dat weten?

X: Zou jij ermee kunnen ophouden?

H: Zou jij ermee kunnen ophouden?

X: Nee.

H: Ik ook niet. Geen beginnen aan. Bovendien ben ik niet begonnen. Voor mij is niet-weten moeilijker om te laten dan voor jou om te doen. En niet-weten is geen doen, zeg nou zelf.

X: Zeker weten.

H: Al prevel je de spreuk Don’t know van wijlen Seung Sahn Soen Sa Nim duizend keer per dag.

X: Fake it till you make it.

H: Die staat anders niet op je lijstje.

X: Dat hoeft niet, ik ben een natuurtalent.

H: Hoop doet streven.

X: Volgens mij heb jij best een druk gedachteleven.

H: Je moest eens weten.

X: En ik maar denken dat het stil was in jou.

H: En jij maar denken.

X: Dat jij van binnen een soort kerk was.

H: Eerder een vrolijke keuken.*

* Vrolijke keuken: Oudhollandse kermisattractie waar je tegen vergoeding aardewerk en serviesgoed mag stukgooien. Het leukst vind ik de wijsheidstegeltjes.

291 - Stijlfiguren niet-weten: koekoekstekst

Onder een koekoekstekst versta ik een tekst van een andere auteur waarin je één of slechts enkele woorden in het origineel vervangt door je eigen woorden, in mijn geval woorden uit het jargon van niet-weten.

De naam is ontleend aan de gewoonte van de koekoek om zijn eieren in andermans nest te leggen.

Neem bijvoorbeeld het eerste deel van hoofdstuk 48 van de Daodejing:

Wie studeert vermeerdert dag bij dag. Wie over de Tao hoort vermindert dag bij dag. Minder en minder, net zolang tot het nietsdoen bereikt is.

(uit Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, K. Schipper, 2010)

Als je het metafysische principe van de Tao vervangt door het epistemologische antiprincipe van het Tja, en nietsdoen door nietsweten, dan krijg je de koekoekstekst:

Wie studeert vermeerdert dag bij dag. Wie over het Tja hoort vermindert dag bij dag. Minder en minder, net zolang tot het nietsweten bereikt is.

Nog kleinschaliger dan het vervangen van woorden in een zin is het vervangen van letters in een woord om er een heel andere lading aan te geven. Zo kun je van ‘advaita vedanta’ ‘advaita pedanta’ maken om de betweterigheid van sommige non-dualisten aan de orde te stellen.

In plaats van een koekoekswoord of koekoeksletter mag dit natuurlijk ook gewoon een woordspeling heten.

Vroeger maakte ik regelmatig gebruik van koekoeksteksten, maar de meeste heb ik vernietigd. Net als mijn verzameling met citaten over niet-weten. Ik heb mijn eigen woorden gevonden en kan het napraten aan anderen overlaten. Een paar uitgewerkte voorbeelden van koekoeksteksten vind je in Een vinger naar de waan.

292 - Niet-weten is worstelen en ondergaan

Luctor et submergo.

X: Wat is het motto van niet-weten?

H: Luctor et submergo.

X: Wat betekent dat?

H: Ik worstel en ga onder.

X: Prettig vooruitzicht.

H: En ik is niet het enige dat ondergaat.

X: Wat nog meer?

H: Alleen maar de hele wereld.

X: Toe maar.

H: En daarmee het hele weten.

X: Het moet niet veel gekker worden.

H: En daarmee het hele niet-weten.

X: Niet-weten gaat ook ten onder?

H: Zeker weten.

X: Nou, dan heb je alles wel zo’n beetje gehad.

H: Dat mocht je willen.

X: Wat is er dan nog over?

H: Niet-ik en niet-wereld bijvoorbeeld.

X: Die gaan ook ten onder?

H: Submergo et submergo.

X: Wat nog meer?

H: Het ondergaan bijvoorbeeld.

X: Dat ook al?

H: Zeker weten.

X: Maar dan ben je ook helemaal uitgeworsteld?

H: Daar zou ik maar niet van uitgaan.

X: Want niet-weten is nergens van uitgaan.

H: Daar zou ik maar niet van uitgaan.

X: Ik weet eerlijk gezegd niet of ik daar wel heen wil.

H: Ik weet eerlijk gezegd niet of je daar wel weg kan.

293 - Niet-weten is anderen niet geloven

Meester: Wie heeft er een motto?

Leerling: Ik!

Meester: Is dat je motto of heb je er een?

Leerling: Ik heb er een.

Meester: Voor de draad ermee.

Leerling: Credo nulli.

Meester: Wat betekent dat?

Leerling: Niemand geloven.

Meester: Wie zegt dat?

Leerling: Erasmus.

Meester: En?

Leerling: Wat?

Meester: Geloof je hem?

294 - Niet-weten is jezelf niet geloven

Meester: Wie heeft er een motto?

Leerling: Credo nulli!

Meester: Wie zegt dat?

Leerling: Dat doet er niet toe.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Omdat ik er zelf ook zo over denk.

Meester: En?

Leerling: Wat?

Meester: Geloof je jezelf?

295 - Niet-weten is geen geloof en geen ongeloof

Meester: Wie heeft er een motto?

Leerling: Credo nulli nulli!

Meester: Wat betekent dat?

Leerling: Zelfs niet geloven dat je niemand moet geloven.

Meester: Wie zegt dat?

Leerling: Niemand, volgens mij.

Meester: En?

Leerling: Wat?

Meester: Geloof je niemand?

296 - Navigeren naar hogere sferen

Spoedcursus voor hemelbestormers.

X: Weet je wat er boven de hellepoort staat geschreven?

H: Nou?

X: Gij die hier binnentreedt, laat alle hoop varen.

H: De Goddelijke Komedie.

X: Dante, 1481.

H: Weet je wat er boven de hemelpoort staat geschreven?

X: Nou?

H: Gij die hier binnentreedt, laat alle hoop varen.

297 - De hemel is een poort

X: Wat staat er boven de hemelpoort geschreven?

H: Gij die hier wilt binnentreden, laat alle hoop varen.

X: Hoe weet jij dat?

H: Omdat ik ervoor heb gestaan.

X: Ben je erdoorheen gegaan?

H: En niemand hield me tegen.

X: Wat was het eerste dat je zag?

H: Een bordje.

X: Wat stond erop?

H: U verlaat nu de hemel.

X: Hè?

H: Dat dacht ik ook.

X: En toen?

H: Ben ik meteen omgekeerd.

X: Heel verstandig.

H: En niemand hield me tegen.

X: Wat was het eerste dat je zag?

H: Een bordje.

X: Wat stond erop?

H: U verlaat nu de hemel.

X: Nou moe.

H: Dat dacht ik ook.

X: Noem dat maar een hemel.

H: Ik noem het een poort.

298 - Rouwen om wat wanen zijn geweest

Beste Hans,

Wat heb jij veel woorden nodig, zeg!

Als ik aan anderen uit moet leggen wat niet-weten is, zeg ik gewoon dat alles onzeker is. De werkelijkheid is onkenbaar. Zeker weten kunnen we niets.

Alle kennis heeft een onzekerheidsmarge. Of je iets nou weet met een waarschijnlijkheid van 20% of met een waarschijnlijkheid van 80%, het blijft onzeker.

Et voilà.

Doe er je voordeel mee, zou ik zeggen.

Beste X,

Waarom zou je dat niet-weten noemen als het al probabilisme heet?

X: O, dat wist ik niet! Hè? Maar wat is dan niet-weten?

H: Tja.

X: Het staat niet eens in de Wikipedia, zie ik. Misschien moet je daar eens een stukje voor schrijven.

H: Dat kan ik niet. De Wikipedia verlangt objectiviteit. Ik zit er tot over mijn oren in.

X: Des te beter, dan kun je het van binnenuit beschrijven.

H: Ik doe al niet anders.

X: En, hoe ziet het er van binnen uit?

H: Wat nu? Wil je nog meer woorden van mij?

X: Lol, effe kort, alleen voor mij.

H: Alleen voor mij betekent niet-weten dispensatie van duidingsdrang. Vrijstelling van verklaringsdienst. Rouwen om wat wanen zijn geweest. Lachen om de spatjes van mijn geest.

X: En dan?

H: Roepen in de woestijn.

X: Voor niks dus.

H: Doe er je voordeel mee, zou ik zeggen.

299 - Hangen of wurgen

Hangen

Leerling: De poort heb ik gevonden, maar wat er nou aan de andere kant zit?

Meester: Wat voor slot zit erop?

Leerling: Een hangslot.

Meester: Gewoon door het sleutelgat kijken.

Hangslot met een sleutelgat waar je niet doorheen kunt kijken of kruipen.

Wurgen

Leerling: De poort heb ik gevonden, maar hoe ik nou aan de andere kant kom?

Meester: Wat voor slot zit erop?

Leerling: Een hangslot.

Meester: Gewoon door het sleutelgat kruipen.

300 - De weg naar de hel is geplaveid met meningen

Leerling: De weg naar de hel is geplaveid met meningen.*

*Variatie op het spreekwoord 'De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens.'

Meester: Dat is een mening.

Leerling: Het is een feit.

Meester: En nog een.

Leerling: Daar ben ik het niet mee eens.

Meester: En nog een.

Leerling: Betweter.

Meester: En nog een.

Leerling: Eigenwijze klootzak!

Meester: En nog een.

Leerling: Een mening voor uw KOP kunt u krijgen!

Meester: Au!

Leerling: Dat zal u leren!

Meester: (onverstaanbaar)

Leerling: Wat zegt u?

Meester: De weg naar de hel is geplaveid met meningen.

301 - Als je verstand stilstaat

De diplomaat en de agnost.

Diplomaat: Ontken nooit je overtuigingen omwille van rust en stilte.*

* Uitspraak van Dag Hammarskjöld (1905-1961).

Agnost: Laatst hoorde ik iemand het tegenovergestelde beweren.

Diplomaat: Namelijk?

Agnost: Ontken nooit je rust en stilte omwille van overtuigingen.

Diplomaat: Daar ben ik het niet mee eens.

Agnost: Waarom niet?

Diplomaat: Dan ontstaat er nooit een gesprek.

Agnost: Er doet er nog een de ronde.

Diplomaat: Toe maar.

Agnost: Ontken omwille van je rust en stilte nooit andermans overtuigingen.

Diplomaat: Daar ben ik het ook niet mee eens.

Agnost: Waarom niet?

Diplomaat: Om dezelfde reden.

Agnost: Is dit soms geen gesprek?

Diplomaat: Dat kan ik niet ontkennen.

Agnost: Terwijl ik uw overtuigingen nergens ontken.

Diplomaat: Ik denk dat u ze liever verkent.

Agnost: Dat wil ik best bekennen.

302 - Meningen zijn geen must voor je zielenrust

De fysicus en de agnost.

Fysicus: Niets draagt méér bij tot zielenrust dan helemaal geen mening te hebben.*

* Uitspraak van G. C. Lichtenberg (1742-1799).

Agnost: Is dat een ervaringsfeit?

Fysicus: Het is mijn bescheiden mening.

Agnost: Pas dan maar op voor uw zielenrust.

Fysicus: Wat is uw mening?

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan almaar zonder mening zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je serieus genomen wilt worden.

Fysicus: Daar zit wat in.

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan het met allen eens te zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je uniek wilt zijn.

Fysicus: Daar zit ook wat in.

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan het met niemand eens te zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je ergens bij wilt horen.

Fysicus: Daar zit ook wat in.

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan het met de vijand eens te zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je anders wilt zijn.

Fysicus: Daar zit ook wat in.

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan het met je idool oneens te zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je op hem wilt lijken.

Fysicus: Ik word hier heel onrustig van.

Agnost: Ik word hier heel rustig van.

Fysicus: Hoe kan dat?

Agnost: Niets draagt meer bij tot zielenrust dan alle mogelijke meningen te hebben.

303 - Een weetniet is een weetnietniet

Zegt de ene weetniet: Eh …

Zegt de andere: Dat meen je niet!

Zegt de een: Geintje.

Zegt de ander: Geintje.

Zegt de een: Alsof ik letterlijk niets meer zou weten!

Zegt de ander: Alsof ik letterlijk zonder meningen zou zijn!

Zegt de een: Meen je dat nou?

Zegt de ander: Meen je dat nou?

Zegt de een: Geintje.

Zegt de ander: Geintje.

Een weetnietniet is iemand die zelfs niet weet van niet-weten; synoniem: weetniet.

304 - Kapitale misverstanden over radicaal niet-weten

Duet voor een grijpgeest en een dwaalgeest.

Catch 33

1. Grijpgeest: Niet-weten is mijn Oorspronkelijke Gezicht!

Dwaalgeest: Dan weet je meer dan ik.

2. Niet-weten is Keuzeloos Gewaarzijn!

Dan weet je meer dan ik.

3. Niet-weten is Onverstoorbaarheid!

Dan weet je meer dan ik.

4. Niet-weten is Vriendelijkheidheid!

Dan weet je meer dan ik.

5. Niet-weten is Kwetsbaarheid!

Dan weet je meer dan ik.

6. Niet-weten is Dankbaarheid!

Dan weet je meer dan ik.

7. Niet-weten is Authenticiteit!

Dan weet je meer dan ik.

8. Niet-weten is de Waarheid!

Dan weet je meer dan ik.

9. Niet-weten is Spontaniteit!

Dan weet je meer dan ik.

10. Niet-weten is Onthechting!

Dan weet je meer dan ik.

11. Niet-weten is Neutraliteit!

Dan weet je meer dan ik.

12. Niet-weten is Mededogen!

Dan weet je meer dan ik.

13. Niet-weten is Verlichting!

Dan weet je meer dan ik.

14. Niet-weten is Helderheid!

Dan weet je meer dan ik.

15. Niet-weten is Eerlijkheid!

Dan weet je meer dan ik.

16. Niet-weten is Verbinding!

Dan weet je meer dan ik.

17. Niet-weten is Tederheid!

Dan weet je meer dan ik.

18. Niet-weten is Onschuld!

Dan weet je meer dan ik.

19. Niet-weten is Openheid!

Dan weet je meer dan ik.

20. Niet-weten is Wijsheid!

Dan weet je meer dan ik.

21. Niet-weten is Boeddha!

Dan weet je meer dan ik.

22. Niet-weten is Nirwana!

Dan weet je meer dan ik.

23. Niet-weten is Eenvoud!

Dan weet je meer dan ik.

24. Niet-weten is Vrijheid!

Dan weet je meer dan ik.

25. Niet-weten is de Bron!

Dan weet je meer dan ik.

26. Niet-weten is de Weg!

Dan weet je meer dan ik.

27. Niet-weten is Leegte!

Dan weet je meer dan ik.

28. Niet-weten is Liefde!

Dan weet je meer dan ik.

29. Niet-weten is Vrede!

Dan weet je meer dan ik.

30. Niet-weten is Geluk!

Dan weet je meer dan ik.

31. Niet-weten is Stilte!

Dan weet je meer dan ik.

32. Niet-weten is God!

Dan weet je meer dan ik.

33. Niet-weten is Zen!

Dan weet je meer dan ik.

Niet-weten is niet weten!

Tot je laatste snik.

305 - Kennen tot je niet meer kunt

De existentialist en de agnost.

Existentialist: De hoogste opgave van het menselijk kennen is te begrijpen dat het niet begrijpen kan.*

* Uitspraak van Sören Kierkegaard (1813-1855).

Agnost: Toch weer iets begrepen?

Existentialist: Helemaal zonder begrip gaat het kennelijk niet.

Agnost: De hoogste opgave van het menselijk kennen is te begrijpen dat het niet anders kán.

Existentialist: Het menselijk kennen kan niet anders dan begrijpen, bedoelt u?

Agnost: Maar de allerhoogste opgave van het menselijk kennen is te begrijpen dat het zelf ook maar een begrip is.

Existentialist: In plaats van een reëel geestelijk vermogen, bedoelt u?

Agnost: Dat is opnieuw een begrip.

Existentialist: Maar wat is dan nog de hoogste opgave van het menselijk kennen?

Agnost: Dan is opgave de hoogste opgave van het menselijk kennen.

Existentialist: Ik geef het op.

Agnost: Dan is het toch gelukt.

306 - Niet-weten is geen existentialisme

Volgens de existentialistische filosofie, net als het dadaïsme ontstaan in het kielzog van een wereldoorlog, is de mens ongevraagd in een onsamenhangende, betekenisloze wereld geworpen waarin echte communicatie onmogelijk is en hij in totale vrijheid en eenzaamheid zelf zin aan zijn bestaan moet zien te geven.

Hoewel mensen niet-weten regelmatig voor existentialisme aanzien, gaapt er tussen de existentialist en de weetniet een kloof die met geen worp, sprong of gedachtevlucht te overbruggen is.

Existentialisme is filosofie, agnose is filasofie.

De existentialist weet dat er een wereld is, de agnost niet.

De existentialist weet dat deze wereld van zichzelf betekenisloos is, de agnost niet.

De existentialist weet dat hijzelf als individu bestaat, de agnost niet.

De existentialist weet dat hij ongevraagd in deze vooraf bestaande wereld geworpen is (en niet, bijvoorbeeld, andersom), de agnost niet.

De existentialist weet dat er anderen zijn, de agnost niet.

De existentialist weet dat echte communicatie met anderen onmogelijk is, de agnost niet.

De existentialist weet dat hij gedoemd is tot eenzaamheid, de agnost niet.

De existentialist weet dat hij veroordeeld is tot vrijheid, de agnost niet.

De existentialist weet dat hij en hij alleen zin aan zijn bestaan kan geven en dat hij dat voor niemand anders kan doen, de agnost niet.

Om nieuwe misverstanden te voorkomen:

De agnost claimt niet dat er géén wereld is.

Hij claimt niet dat de wereld toch betekenisvol is.

Hij claimt niet dat zijn persoon een illusie is.

Hij claimt niet dat anderen een illusie zijn.

Hij claimt niet dat echte communicatie mogelijk is.

Hij claimt niet dat hij tot onvrijheid veroordeeld is.

Hij claimt niet dat iemand of iets anders dan hijzelf zin aan zijn bestaan kan geven.

Hij claimt niet dat je dit allemaal niet kunt weten.

Hij claimt niet dat je niets moet of kunt claimen.

Existentialisme kun je dit niet noemen, zeg nou zelf.

Hoe je het wel moet noemen weet ik niet.

Niet-claimen komt in de buurt.

Of anders toch maar weer niet-weten.

307 - Niet-weten is geen-filosofie

De denker en de agnost.

Denker: Wetenschap is wat je weet, filosofie is wat je niet weet.*

* Uitspraak van Bertrand Russell (1872-1970).

Agnost: Is dit nou wetenschap of filosofie?

Denker: Wat zou u zeggen?

Agnost: Wetenschap is op de proef stellen, filosofie is stellen.

Denker: Dat klinkt behoorlijk stellig.

Agnost: Het is een proefstelling.

Denker: Wat heeft u daarmee voor?

Agnost: Ik stel u op de proef.

Denker: Voor mij is filosofie niet-weten.

Agnost: Voor mij is niet-weten geen-filosofie.

308 - Lege filosofie is een oneindige denkruimte

Niet-weten is kun je zien als een lege filosofie.

Een lege filosofie is een filosofie zonder vraagstellingen, zonder leerstellingen, zonder voorstellingen, zonder doelstellingen, zonder normstellingen, zonder geruststellingen, zonder instellingen en zonder uitzicht daarop.

Natuurlijk kan er maar één lege filosofie zijn. Waarin zou de ene lege filosofie, Ø1 van de andere, Ø2, moeten verschillen?

Daarom kunnen we hem net zo goed dé lege filosofie noemen en aanduiden met het universele lege symbool, Ø (‘eh’).

De lege filosofie kun je op haar beurt zien als het eeuwigdurende eindspel van een denken uit alle macht dat, gevangen in een terminale lus, maar blijft concluderen dat het maar niet tot conclusies weet te komen – zelfs niet tot de conclusie dat het maar blijft concluderen dat het maar niet tot conclusies weet te komen.

Je kunt de lege filosofie ook zien als een praxis van meedogenloze deconstructie, op het laatst alleen nog omwille van de deconstructie zelf, ten slotte alleen nog van de deconstructie zelf.

Je kunt de lege filosofie ook zien als die gemoedstoestand waarin men zich verwonderd afvraagt waar de verwondering gebleven is terwijl de antwoorden toch uitgebleven zijn.

Je kunt de lege filosofie ook zien als een denken dat ruim baan maakt voor willekeurig welke gedachte.

Je kunt de lege filosofie ook zien als een denkruimte waarin het denken zijn goddelijke gang kan gaan en de gekste dingen mag bedenken, zoals een lege filosofie die louter denkruimte is waarin het denken zijn goddelijke gang kan gaan en de gekste dingen mag bedenken, zoals een lege filosofie die …

Ja, zo kun je de lege filosofie allemaal zien, en nog wel anders ook, maar hoe je het ook bekijkt, het blijft een lege filosofie.

stoel met zwevend open boek, en een zwevende bril met professorenhoedje
De lege filosoof

309 - Niet-weten als lege stelling

De lege leer bevat maar één stelling: geen stelling.

Een ander woord voor geen stelling is een lege stelling.

Natuurlijk kan er maar één lege stelling zijn. Waarin zou de ene lege stelling van de andere moeten verschillen?

Daarom kunnen we hem net zo goed dé lege stelling of de stelling zonder stelling of de non-stelling of de onstelling noemen. Familiewapen Ø, roepnaam ‘Eh’.

Om het idee van de lege stelling concreet te maken, kun je denken aan een stellig stilzwijgen of aan een ontstellend spreken door middel van loze uitspraken die niets beweren en niets voorschrijven of door middel van een reeks van tegenstrijdige uitspraken die gezamenlijk niets gezegd laten of niets ongezegd laten.

Net als de lege leer heeft de lege stelling geen vorm en geen inhoud.

Ik bedoel, geen vorm en geen leegte – leer mij de zenboeddhist kennen.

Sterker nog, er is geen lege stelling.

Er is ook geen lege lering.

Het zijn allebei maar gimmicks van de lege leerling.

Net zoals de lege leerling zelf.

Zoals nul de gimmick is van de rekenaar.

Zoals papier de gimmick is van de tekenaar.

Het stelt niets voor en toch, juist daardoor, kan hij absoluut niet zonder.

Kan ik absoluut niet zonder.

Laat staan relatief.

Wat donder.

mannetje met aanwijsstok, omgeven en doorboord door lijnen en formules.
Grafische weergave van de lege stelling.

Je mag de lege stelling ook het lege inzicht noemen.

Niet-weten is dan inzicht in het lege inzicht.

Inzicht in het lege inzicht is een ander woord voor uitzicht.

Groot uitzicht is hetzelfde als niet-weten.

310 - Zwijgen of het gedrukt staat

Beste Hans,

Soms ben ik de clichés uit het spirituele wereldje helemaal beu. Dan is het een verademing om over niet-weten te lezen. Sobere taal, fris van de lever. Jij laat de woorden weer spreken.

Beste X,

Ik laat de woorden weer zwijgen.

311 - Wegwijzers voor wegwezers

‘Wat is de eerste stap naar niet-weten?’

‘Niet weten wat de eerste stap is.’

‘En de laatste?’

‘Niet weten wat de laatste stap is.’

‘De rest laat zich wel raden.’

‘O ja?’

‘Niet weten wat de tussenliggende stappen zijn.’

‘Waarheen?’

312 - De Weg eindigt met de eerste stap

De scepticus en de agnost.

Scepticus: De eerste stap naar filosofie is ongeloof.*

* Uitspraak van Denis Diderot (1713-1784).

Agnost: Filosofie is de eerste stap naar ongeloof.

Scepticus: De filosofie van het ongeloof heet scepticisme.

Agnost: Scepticisme is het geloof in ongeloof.

Scepticus: De eerste stap naar filosofie is daarom scepsis.

Agnost: De eerste stap uit filosofie ook.

313 - Twijfel begint als wijsheid

De scepticus en de agnost.

Scepticus: Wijsheid begint met twijfel.*

* Uitspraak van Aristoteles (384-322).

Agnost: Ik betwijfel dat.

Scepticus: Wat zou u zeggen?

Agnost: Twijfel begint als wijsheid.

Scepticus: En waarmee eindigt het?

Agnost: Dat weet je nooit.

Scepticus: Ik dacht dat u ‘met niet-weten’ zou zeggen.

Agnost: Was het maar zo makkelijk.

314 - Niet-weten is blindzien

De politicus en de agnost.

Blindzien

Politicus: Twijfel is beide kanten zien.*

* Uitspraak van Eugène Marbeau (1825-1910).

Agnost: Niet-weten is blindzien.

Politicus: Wie geen kanten ziet kan ook niet twijfelen, wou u zeggen.

Agnost: Zeker weten.

Vraagteken in de vorm van een blindenstok.
Niet-weten is blindzien.

315 - Niet-weten is geen twijfel

Beste Hans,

Twijfel jij weleens aan niet-weten?

Beste X,

Twijfelen aan niet-weten?

Ik zou niet weten hoe.

Mijn leer is immers leeg.

Daarom noem ik hem de lege leer.

Onzin natuurlijk, een lege leer, maar ja.

Je moet toch wat zeggen, hè.

Leer of niet, leeg is leeg.

Leg mij maar eens uit aan welk deel van de lege leer ik zou moeten twijfelen.

Of zie ik iets over het hoofd of hart?

Beste Hans,

Zelf twijfel ik overal aan. Overal! Als het te erg wordt, ga ik langs het strand wandelen of door de duinen zwerven. Ik of niet-ik? Zijn of niet-zijn? Eén of twee? Vorm of leegte? Alles of niets? God of mens? Boeddha of dada? Werkelijkheid of illusie? Maar vooral: weten of niet-weten?

Is het leven eigenlijk wel een mysterie? Is er dan helemaal niets te doen of te zeggen? Mag ik er echt geen meningen op na houden? Kan een mens wel leven zonder oordelen? Soms weet ik het niet meer met dat niet-weten. Hoe is het om niet te twijfelen?

Beste X,

Wie niet twijfelt, zoals ik, is absoluut zeker.

Absoluut zeker van absoluut niets.

Niet-weten is drie keer niets.

Daar maal ik niet om, want malen kun je alleen om iets.

Twijfelen is menselijk en mensen kunnen overal over twijfelen:

Over hun identiteit, over hun geslacht, over de schepping, over de relatie tussen subject en object, over de kern van het boeddhisme, over de relatie tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, over de vraag of er wel echte communicatie mogelijk is, over de waarheid, over de zin van het leven, over de aard van het bewustzijn, over het bestaan van een hogere macht of van een leven na de dood …

Zelf was ik ook zo hoor, van kindsbeen af, bijna een halve eeuw lang, non-stop: Hans van Dam, aartstwijfelaar.

Ik weet niet hoe het bij jou werkt, maar ik wist gewoon teveel.

Ik geloofde van alles en nog wat.

Twijfel is schimmel op je geloof.

Geloof is de voedingsbodem van twijfel.

Wie twijfelt, houdt er hardhouten denk-beelden op na – zelfbeelden, mensbeelden, godsbeelden, boeddhabeelden, wereldbeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden, angstbeelden.

Of noem ze concepten, theorieën, paradigma’s, zienswijzen, overtuigingen, lijfspreuken, wereldbeschouwingen, filosofieën, meningen, maakt niet uit.

Weterij brengt onvermijdelijk vragen voort die beantwoord moeten worden.

Hypothesen die bevestigd moeten worden.

Dilemma's die opgelost moeten worden.

Idealen die afgedwongen moeten worden.

Tegenstrijdigheden die met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht.

Kreukels die gladgestreken moeten worden.

Bij mijn weten heb ik op dit moment geen theorieën, geen paradigma’s, geen zienswijzen geen overtuigingen, geen lijfspreuken, geen wereldbeschouwing, geen denkbeelden, geen begrippen meer, ze hebben mij niet meer, ze staan allemaal tussen haakjes, er is geen mij of niet-mij om te hebben, of hoe je het ook wilt zeggen.

Waaraan zou ik dan moeten twijfelen?

Het is ongelooflijk, maar in de bovenkamer ben ik de meest opgeruimde mens die ik ken.

Beste Hans,

Twijfel jij dan helemaal nergens over?

Beste X

Natuurlijk twijfel ik weleens ergens over. Of eigenlijk de hele dag. Over alledaagse kwesties, je kent dat wel:

Thuisblijven of uitgaan.

Regenjas of vest.

Te fiets of te voet.

Spreken of zwijgen.

Kopen of huren.

Pijn stillen of pijn lijden.

Naar de dokter of afwachten.

Daarover heb ik zo mijn twijfels.

Beste Hans,

Maar niet over levensbeschouwelijke kwesties? Spiritualiteit, religie, filosofie, ethiek?

Beste X,

Nooit meer.

Afgelopen uit.

Ik of niet-ik? Tja.

Zijn of niet-zijn? Tja.

Eén of twee? Tja.

Vorm of leegte? Tja.

Alles of niets? Tja.

God of mens? Tja.

Boeddha of dada? Tja.

Werkelijkheid of illusie? Tja.

Weten of niet-weten? Tja.

Ik ben trouwens ook niet van mening, zoals jij, dat je niets kunt weten of dat het leven een mysterie is of dat er niets te doen of te zeggen valt of dat je er geen meningen op na mag houden of keuzeloos gewaar moet zijn of wat dan ook.

Waar zou ik dan aan moeten twijfelen?

X: Wat is het bestaan?

H: Chanten op de maan.

Een windje van methaan.

Een been in een liaan.

Een ongeremde waan.

Een oog in een orkaan.

Een langgerekt vergaan.

X: Oneindig misverstaan.

H: Geen dank hoor, graag gedaan.

Rondzien

Politicus: Twijfel is beide kanten zien.

Agnost: Niet-weten is alle kanten zien.

Politicus: Wie alle kanten ziet kan ook niet twijfelen, wou u zeggen.

Agnost: Zeker weten?

316 - Waarheid in de schaduw van niet-weten

De dichter en de agnost.

Dichter: Twijfel is de schaduw van waarheid.*

* Uitspraak van Philip James Bailey (1816-1902).

Agnost: En waarvan is waarheid de schaduw?

Dichter: Ik zou het echt niet weten.

Agnost: Waarheid is de schaduw van niet-weten.

317 - Niet-weten is een polder

Niet weten is een polder.

Vlak en open.

Een groene woestijn.

Een zee van gras.

De grootste hoogte is de grootste diepte.

Je voetstuk steekt niet boven het maaiveld uit.

Het maaiveld steekt niet boven je voetstuk uit.

In de polder is niets dan meer van hetzelfde, schijnbaar ingesloten door een onbereikbare einder.

Grasgroene zee onder een loodgrijze lucht
Niet-weten is een polder

Er zijn geen hoogten om te bedwingen.

Er zijn geen diepten om te verkennen.

Er zijn geen bergen en geen rivieren.

Er zijn geen bergen die geen bergen meer zijn, geen rivieren die geen rivieren meer zijn.

Er zijn geen bergen die weer bergen zijn, geen rivieren die weer rivieren zijn.

In de polder is niets om je achter te verbergen.

Er is niets om op af te lopen.

Er is niets om vandaan te vluchten.

De polder biedt maat noch houvast.

Wat je ziet is wat je krijgt.

Wat je krijgt is wat je ziet.

Wat je ziet dat zie je niet.

In de polder zijn is blind zijn voor de polder.*

* Polderblindheid: onvermogen tot het schatten van de juiste afstand, door het ontbreken van markante herkenningspunten in een polderlandschap (Van Dale).

Niet weten is een polder.

318 - Voor iedereen die de goede kant op wil

Leerling: We komen er wel.

Meester: Ik hoef nergens heen.

Leerling: Bedoelt u dat we er al zijn?

Meester: Waar zijn?

Leerling: Hier zijn.

Meester: Waar anders.

Leerling: In het hier en nu zijn.

Meester: En wat dan nog?

Leerling: Ik wil gewoon weten waar we zijn.

Meester: Waar we zijn.

Leerling: Ja, hè hè.

Meester: Waar anders.

Leerling: En ik wil weten waar we heengaan.

Meester: Waar we heen gaan.

Leerling: Ja, hè hè.

Meester: Waar anders.

Leerling: En ik wil weten waar ik heen moet.

Meester: Van wie?

Leerling: Als ik dat eens wist.

Meester: Zoek dat dan eerst maar uit.

Leerling: Van God? Van het leven? Van het universum?

Meester: Dan vraag je dat toch gewoon?

Leerling: Aan wie?

Meester: Aan God. Aan het leven. Aan het universum.

Leerling: Dat heb ik al zo vaak gedaan.

Meester: En?

Leerling: Lou loene.

Meester: Gefeliciteerd.

Leerling: Waarmee?

Meester: Dan kun je nog alle kanten op.

Leerling: Maar ik wil helemaal niet alle kanten op kunnen.

Meester: Dat vraagt toch ook niemand van je?

Leerling: Ik wil alleen maar de goede kant op.

Meester: Goed in welk opzicht?

Leerling: Goed in ieder opzicht.

Meester: Dan zal dat het probleem wel zijn.

Leerling: Kunt ú me niet vertellen waar ik heen moet?

Meester: Zeker.

Leerling: Alstublieft.

Meester: Waar je heen moet.

Leerling: Ja, hè hè.

Meester: Waar anders.

Leerling: Zo kan ik het ook.

Meester: Wat let je?

319 - Tempels hebben drempels

De geestelijke en de agnost.

1.

Geestelijke: Twijfel is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen betreden.*

* Uitspraak van Charles Caleb Colton (1780-1832).

Agnost: Wijsheid is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Twijfel kunnen betreden.

2.

Geestelijke: Twijfel is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen betreden.

Agnost: Wijsheid is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Dwaasheid kunnen betreden.

3.

Geestelijke: Twijfel is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen betreden.

Agnost: Zekerheid is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen verlaten.

320 - Een tempeldak is een hellend vlak

De filosoof en de agnost.

Nok

Filosoof: Wijsheid begint met verwondering.*

* Uitspraak van Socrates (469-399).

Agnost: Wijsheid eindigt met bewondering.

Dak

Filosoof: Wijsheid begint met verwondering.

Agnost: Wijsheid eindigt met verkondiging.

Goot

Filosoof: Wijsheid begint met verwondering.

Agnost: Wijsheid eindigt met verbijstering.

321 - De tempel van nietweten heeft geen hoogte en geen breedte

Een vrijplaats zonder uitgang.

X: Hoe kom ik in de tempel van nietweten?

H: Je hoeft er niet in.

X: Waarom niet?

H: Omdat hij overal is.

X: Waarom weet ik dat dan niet?

H: Omdat je er al in zit.

X: Dan vlucht ik toch in een Tempel van Wijsheid?

H: Daar zit je ook al in.

X: Hoe weet je dat?

H: Anders zou je niet vragen hoe je in de tempel van nietweten komt.

X: Hoe weet je of je in de tempel van nietweten bent?

H: Daar staan geen muren omheen.

X: Aha.

H: Er zit geen dak op.

X: Dat haal je de koekoek.

H: Er ligt geen vloer in.

X: Waarom ook.

H: Het stinkt er nooit naar zweetvoeten.

X: Leve de openlucht.

H: Zó weet je of je in de tempel van nietweten bent.

X: Heb je daar onbegrensd inzicht?

H: Daar heb je onbegrensd uitzicht.

X: Mag zoiets nog wel een tempel heten?

H: Dat heb je goed gezien.

322 - Niet-weten als noodzaak

Niet-weten als bijzaak

In alle wijsgerige, spirituele en religieuze tradities die ik ken is niet-weten een figurant, een entr’acte, een bijzaak.

Een wachtkamer, een donkere nacht van de ziel, een tunnel waar je doorheen moet op weg naar het licht.

Een middel, een noodzakelijk kwaad, een beugel om je tanden recht te zetten – na gebruik wegwerpen.

Nooit wordt het niet-weten zélf naar waarde geschat, altijd staat het in dienst van iets hogers, zoals een nar in dienst staat van een koning of mest in dienst van een gewas.

Wat is het hogere waaraan niet-weten onderhorig zou zijn? Liefdevolle vriendelijkheid (metta), groot mededogen (karuna), gelijkmoedigheid (uphekka), een einde aan het lijden (moksha), uitdoving (nirwana), gelukzaligheid (ananda), onthechting (ataraxia), eenwording met god (unio mystica), verlichting, zelfrealisatie, volmaaktheid, onsterfelijkheid, alwetendheid, alwijsheid en meer van dat fraais – liefst allemaal tegelijk.

Grote Woorden die de spirituele hebzucht hoog doen oplaaien.

Niet-weten als noodzaak

Op een gewone herfstdag in het eerste decennium van dit millennium drong het niet-weten ongevraagd mijn leven binnen.*

* Daar gingen tientallen jaren van dwarsdenkerij en deconstructie aan vooraf, reconstrueer ik achteraf, maar dat had ik toen nog helemaal niet door, laat staan dat ik er woorden voor had.

Naamloos en uit het niets.

Sindsdien speelt het de hoofdrol in een impromptu voorstelling waar geen eind aan komt.

Die hoofdrol heb ik het niet gegeven, die heeft het genomen, door de innerlijke slimmerik domweg van zijn troon te stoten.

Niet-weten heeft mijn denken óvergenomen en voorgoed op zijn kop gezet.

Dat is wat niet-weten met je doet en zo moet je dan door het leven: binnenstebuiten, achterstevoren en ondersteboven.

Voor mij is niet-weten dus nooit bijzaak geweest, maar altijd noodzaak, weerhaak, doorbraak, plofkraak, radbraak, schoonmaak, snelschaak, dagtaak, nieuwspraak.

Niet-weten is het begin, het midden en waarschijnlijk ook het einde van mijn spiritualiteit – al moet dat laatste natuurlijk nog blijken.

Niet-weten als hoofdzaak

Een radicaal niet-weten heeft genoeg aan zichzelf.

Het heeft helemaal geen traditie nodig, integendeel, iedere traditie valt onmiddellijk ten prooi aan niet-weten. Samen met al je andere troetelgedachten, positief en negatief, oud en nieuw, afgeleefd en vitaal, zonder uitzondering – of je het leuk vindt of niet.

Dus ook je troetelgedachten over liefdevolle vriendelijkheid, groot mededogen, gelijkmoedigheid, een einde aan het lijden, uitdoving, gelukzaligheid, onthechting, eenwording met God, verlichting, zelfrealisatie, volmaaktheid, onsterfelijkheid, alwetendheid, alwijsheid, en meer van dat fraais.

Dus ook je troetelgedachten over radicaal niet-weten.

323 - Stijlfiguren niet-weten: accumulatio en dubitatio

Een accumulatio is een stijlfiguur in de vorm van een opsomming, bevestigend of ontkennend, van gelijksoortige elementen,.

Voorbeeld:

Niet-weten is geen plaats, geen tijd, geen weg, geen (on)grond, geen gemoedstoestand, geen staat, geen transformatie, geen ervaring, geen filosofie, geen houding, geen manier van doen, geen levenskunst, geen bewustzijnstoestand, geen identiteit, geen hogere werkelijkheid, geen orgaan, geen hoger inzicht, geen verwondering, geen eenwording, geen godgelijkheid en geen einde.

Rijtjes zijn misschien niet zo leuk om te lezen maar wel heel effectief als het erom gaat alle denkwegen af te sluiten, daarom gebruik ik ze veel.

Een accumulatio in vraagvorm heet een dubitatio.

Dubitatio’s zijn heel geschikt om twijfel mee uit te drukken, bijvoorbeeld:

Heeft de weetniet nou iets bereikt of juist niet? Heeft hij het niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken-en-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken-noch-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het niet-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken en het niet-bereiken en het bereiken-en-niet-bereiken en het bereiken-noch-niet-bereiken en het niet-niet-bereiken achter zich gelaten? Heeft hij zelfs het achterlaten achter zich gelaten? Dit alles tegelijk? Niets van dit alles? Iets anders? Niets anders? Wat denk jij?

Sommige van mijn dwaalteksten, zoals De Intergalactische Waarheidsconferentie, zijn rijtjes in gespreksvorm, dat wil zeggen, in percontatio's ingebedde accumulatio's en dubitatio's. Klinkt goed, vind je niet? Naamgeving kon je echt wel aan de oude Grieken overlaten.

Een accumulatio in ontkennende vorm is karakteristiek voor de via negativa en de negatieve theologie.

324 - De weg vinden in het ware is de weg vinden uit het ware

Twaalf waarheden, dertien ongelukken.

1. De weg vinden in het boeddhisme is de weg vinden uit het boeddhisme.

Dit heet het ware boeddhisme.

2. De weg vinden in het taoïsme is de weg vinden uit het taoïsme.

Dit heet het ware taoïsme.

3. De weg vinden in het soefisme is de weg vinden uit het soefisme.

Dit heet het ware soefisme.

4. De weg vinden in de mystiek is de weg vinden uit de mystiek.

Dit heet de ware mystiek.

5. De weg vinden in het non-dualisme is de weg vinden uit het non-dualisme.

Dit heet het ware non-dualisme.

6. De weg vinden in jezelf is de weg vinden uit jezelf.

Dit heet het ware zelf.

7. De weg vinden in het niets is de weg vinden uit het niets.

Dit heet het ware niets.

8. De weg vinden in het weten is de weg vinden uit het weten.

Dit heet het ware weten.

9. De weg vinden in het niet-weten is de weg vinden uit het niet-weten.

Dit heet het ware niet-weten.

10. De weg vinden in het spreken is de weg vinden uit het spreken.

Dit heet het ware spreken.

11. De weg vinden in het zwijgen is de weg vinden uit het zwijgen.

Dit heet het ware zwijgen.

12. De weg vinden in de weg is de weg vinden uit de weg.

Dit heet de ware weg.

13. De weg vinden in het ware is de weg vinden uit het ware.

Dat mag geen naam hebben.

Boeddhabeeld zwevend in de ruimte gevuld met het patroon van een doolhof
De weg vinden in het boeddhisme is de weg vinden uit het boeddhisme.

325 - Niet-weten als leeg paradigma

Een paradigma is een gekleurde blik

Mensen zijn gewoontedieren. We zetten een bril op om de werkelijkheid scherper te kunnen zien en vergeten algauw dat we een bril op hebben, als we het al ooit hebben geweten.

Afhankelijk van de kleur van onze brillenglazen vinden we de wereld zo roze, we vinden hem zo blauw, we vinden hem zo helder, we vinden hem zo grauw. We projecteren de kleuren van onze bril op de wereld en objectiveren wat subjectief is.

De bril met gekleurde glazen is hier een metafoor voor een onveranderlijke zienswijze die verward wordt met de werkelijkheid zelf. Zo'n zienswijze zou je een paradigma kunnen noemen.

Een paradigma is een gekleurde blik.

Paradigma's zijn taaie rakkers

Paradigma's zijn taaie rakkers. Ze kunnen tientallen, honderden of zelfs duizenden jaren standhouden. Net zolang tot iemand er een gat in ziet en daardoor naar buiten kruipt.

Denk maar eens aan de polytheïstische godsdienst van de Kelten die werd vervangen door het monotheïstische christendom.

Denk aan een theïstische religie zoals het hindoeïsme die concurrentie kreeg van een atheïstische als het boeddhisme.

Denk aan het geocentrische wereldbeeld dat werd vervangen door het heliocentrische.

Denk aan de mechanica van Newton die werd vervangen door de relativiteitsleer van Einstein.

Denk aan de Euclidische meetkunde die werd uitgebreid met de hyperbolische en de elliptische.

Denk aan de Duitse psychoanalyse die concurrentie kreeg van het Amerikaanse behaviorisme.

Denk aan de premoderne wijsbegeerte die werd overgenomen door de postmoderne.

Doorgaans wordt een paradigma pas verlaten als er een nieuw paradigma is gesmeed, dat zich net als het oude voordoet als de werkelijkheid zelf – maar nu écht.

Net zolang tot iemand dáár weer een gat in ziet om door naar buiten te kruipen.

Het lege paradigma

Niet-weten is geen onveranderlijke zienswijze die verward wordt met de werkelijkheid zelf.

Het is geen bril met gekleurde glazen.

Niet-weten is een bril zonder glazen.*

Het is een manier van zien zonder manier – blindzien.

Niet-weten is een leeg paradigma.

Nu kan er maar één leeg paradigma zijn, want waarin zou het ene lege paradigma, Ø1, van het andere lege paradigma, Ø2, moeten verschillen?

Niet-weten is het lege paradigma, Ø.

Het is het paradigma van geen-paradigma.

Niet-weten is het gat waardoor je uit ieder paradigma kruipt.

* Je kunt niet-weten net zo goed vergelijken met een groot assortiment brillen die je de een na de ander opzet, maar dan gaat de vergelijking mank.

326 - Niet-weten is geen bevrijdend inzicht

Verlichting is handelswaar

Verlichting is hot. Sinds Jezus van het kruis is gevallen wil iedereen een licht zijn voor zichzelf. Mooier nog, we zijn al verlicht maar we weten het nog niet, houdt men ons voor.

Verlichting is de nieuwe graal. Of je nou naar een satsang of naar een zendo gaat, het doel is verlichting. Hoe sneller hoe beter: ‘Spoedcursus verlichting’ (Tijn Touber), ‘Verlicht in 1 seconde’ (Mabel van den Dungen), ‘Verlichting voor luie mensen’ (Paul Smit).

Hoe dat dan moet? In zen, in dzogchen, in advaita – overal waar instantverlichting wordt aangeboden, gaat het om een ‘bevrijdend inzicht’.

Meestal is dat het inzicht dat ‘ik’ of ‘het relatieve’ of doe maar meteen de hele wereld, een illusie is in de enige echte Werkelijkheid.

Die enige echte Werkelijkheid luistert naar klinkende namen als het Zelf of de Bron of de Boeddhanatuur of het Absolute of het Al of Bewustzijn of God of Liefde.

Die enige echte Werkelijkheid ben Jij.

Dat is alles.

Effe beseffe en klaar is Klaar:

Het leven is een fopsigaar.

Danken en betalen maar.

Verlichting is nu handelswaar.

Van de ene put in de andere

Natuurlijk, een inzicht is zó omarmd, van de ene seconde op de andere, dat kan de beste overkomen. Ik heb al heel wat ingezien in mijn leven. Wie niet?

Inzichten boeien, en zie dan nog maar eens los te komen.

Daar gaan vaak jaren of decennia van twijfelen, stutten, ontleden, slopen, opnieuw omarmen en weer twijfelen overheen.

Jaren van deprogrammeren en deconditioneren.

Jaren van destructie en deconstructie.

Dat bevrijding van een bevrijdend inzicht net zoveel tijd en moeite kost als een paradigmawisseling, komt doordat het een paradigmawisseling ís. Een copernicaanse revolutie.

Het enige verschil met een reguliere paradigmawisseling is dat je niet de hele wereld hoeft te veranderen. Je hoeft geen breed gedragen omwenteling te ontketenen. Je zult niet in de boeien worden geslagen of op de brandstapel belanden vanwege je nieuwlichterij.

Je hoeft alleen jezelf maar in beweging te krijgen. De enige die uit het gat moet kruipen ben jij. Maar als je zwicht voor de verleiding een nieuw bevrijdend inzicht als breekijzer te gebruiken, is al het werk voor niets.

Bevrijdinkje is net ganzenbord: bij iedere rondgang wacht de put.

En jij bent de gans.

Niet de wereld vergaat, maar je wereldbééld

Niet-weten is géén inzicht – maar wat een uitzicht!

Hoelang duurt het voor je eindelijk van het uitzicht kunt genieten?

Het hangt ervan af hoeveel inzichten je hebt vergaard, hoe nauw ze samenhangen, hoe belangrijk ze voor je zijn.

Bij mij duurde het mijn halve leven, als ik 98 word (wat ik niet hoop) en ik denk niet dat ik sneller had gekund.

Niet-weten voor luie mensen? Laat me niet lachen.

Spoedcursus niet-weten? Geloof het maar niet.

Niet-weten in 1 seconde? Vergeet het maar.

Instant agnose? In geen duizend jaar.

Tenzij je al op het randje balanceert zonder het te weten.

Als er nog maar één inzicht tussen jou en een radicaal niet-weten in staat.

Een laatste strohalm.

Dan kan het schijnbaar ineens gebeuren.

In de ‘laatste’ seconde van die ‘duizend’ jaar.

Alsof de grond onder je voeten wegvalt.

Alsof de wereld vergaat.

Help!

Geen paniek – het was je gedachtewereld maar.

Alleen je wereldbééld vergaat.

Kijk nou!

Je stáát!

327 - Niet-weten is een blindganger

‘Niet-weten is een BOM, Hans.’

‘Voor de meeste mensen is het een blindganger.’

‘Die ieder moment af kan gaan!’

‘Maar daar rijdt de explosievenopruimingsdienst alweer voor.’

328 - Is niet-weten verlichting?

Beste Hans,

Denk jij soms dat je verlicht bent?

Beste X,

Nee hoor, ik denk niet dat ik verlicht ben.

Ik denk ook niet van niet.

Denk jij dat ik wel of niet verlicht ben?

Denk jij dat je zelf wel of niet verlicht bent?

X: Wat is verlichting volgens jou?

H: Verlichting is zo’n woord dat mensen zoals jij ertoe verleidt zich fanatiek bezig te houden met de vraag of het nou wel of niet van toepassing is op henzelf en op anderen. Heb ik dat goed ingeschat?

X: Wie dat doet is niet verlicht, wou je zeggen.

H: En wie dát zegt?

X: Verlichting is niet jouw woord?

H: Woorden zijn niet mijn ding, maar ik mag er graag mee spelen.

Zijn woorden jouw ding?

Zijn woorden voor jou dingen?

Zijn dingen jouw houvast?

Waar speel jij graag mee?

X: Is niet-weten verlichting?

H: Ik zou het ook niet weten.

X: Jij laat je niets in de mond leggen.

H: Dit ook niet.

X: Wat betekent niet-weten voor jou?

H: Steeds iets anders.

X: Waar ligt dat aan?

H: Het ligt eraan met wie ik praat.

X: Nu je met mij praat.

H: Nu ik met jou praat en precies op dit punt in ons gesprek betekent niet-weten dat ik niemand naar de mond praat. Jou ook niet. Mezelf ook niet. Jij?

X: Hoe ben jij tot niet-weten gekomen?

H: Ik heb geen idee. Van een navolgbaar pad was geen sprake, of ik zie het nog niet. Eerder van een brownse beweging. Een oneindige serie onbedoelde botsingen die mij telkens weer uit koers brachten.

Niet-weten is tot mij gekomen, zou ik haast zeggen, maar dat is een personificatie – misschien wel een dubbele.

X: Ben jij jaloers op jezelf?

H: Ik geloof het niet. Maar ik zou niet meer willen ruilen met de ‘oude’ Hans – de ziel die alles geloofde wat hij dacht en daar flink onder leed.

Zou jij met mij willen ruilen?

X: Zie jij jezelf als verlosser?

H: Ik denk niet dat mensen gevangen zitten en ik denk niet dat ze door mij bevrijd moeten of kunnen worden, of ik door hen. Ik denk ook niet van niet.

Denk jij dat je mij ergens van moet verlossen?

Is het misschien jouw roeping om mensen te ontmaskeren?

X: Zie jij jezelf als hoeder van de Waarheid?

H: Welke Waarheid?

X: De Waarheid van niet-weten natuurlijk.

H: Niet-weten is geen Waarheid. Voor mij niet. Als er een Waarheid is, dan weet ik het niet. Jij?

X: Zie jij jezelf als een missionaris voor niet-weten?

H: Zie jij mij als een missionaris voor niet-weten?

X: Ik was eerst.

H: Als ik al een missionaris ben, dan een zonder missie. Niet-weten is een lege missie.

Heb jij een missie?

X: Kijk jij neer op de wetende medemens?

H: Ik sla mezelf niet hoger aan dan anderen of omgekeerd, wat ze ook weten of menen te weten. Jij?

X: Als jij je dwaalteksten niet gebruikt om jezelf verlicht te verklaren en ook niet om anderen te verlossen of de waarheid te verspreiden, waar zijn ze dan goed voor?

H: Daar ga ik niet over, dat is het domein van de lezer, zeg jij het maar.

X: Ik wil alleen maar weten hoe jij zelf naar je publicaties kijkt.

H: Nu eens zus, dan weer zo. Ik heb daar weinig vat op. Gemiddeld ben ik ’s ochtends enthousiaster dan ’s avonds, maar ook niet altijd.

Precies op dit moment zou ik mijn teksten graag aanprijzen als een sprekend niet spreken of een zwijgend niet zwijgen dat uitdrukking geeft aan een wetend niet weten of een denkend niet denken. Maar zijn ze dat ook? Zeg jij het maar.

X: Ik ben er nog steeds niet achter wat jouw motief is om te publiceren.

H: Wat kan ik nog zeggen? Ik ben niet geïnteresseerd in mijn gelijk of in jouw geluk – niet dat ik weet.

Ik ben er niet op uit ergens bij te horen en ik ben er niet op uit overal buiten te staan – niet dat ik weet.

Ik wil mij niet vestigen als verlosser, biechtvader, goeroe, vriend, mystagoog, therapeut, inspirator, auteur, spreker, praatpaal of hoeder van de Waarheid – niet dat ik weet.

Ik ben niet op zoek naar aandacht, bewondering, bevestiging of erkenning – niet dat ik weet. Al kan ik een beetje belangstelling wel waarderen.

Deze eikel probeert alleen maar (z)onder woorden te brengen wat hij graag eens bij anderen had gelezen sinds hij in die gedenkwaardige herfst van 2007 tijdens een hevige windstilte zomaar uit de boom viel.

Maar zeg eens, wat is jouw motief voor deze correspondentie?

X: Wat denk je, zou je destijds graag je eigen dwaalteksten hebben gelezen?

H: Ik denk het eerlijk gezegd niet.

X: Waarom niet?

H: Ik denk dat ik ze liever zou hebben geschreven.

Maar zeg eens, waarom beantwoord jij zelf geen vragen?

329 - Niet-weten is een fluitketelfluit

Worden de blinden geopend, dan licht de lege ruimte op
Maar als beginsel volstaat zelfs de leegte niet
Werp liever alle dingen én de leegte weg
Opdat de geesteswind nooit meer door de kieren zal gieren.

(Wumen Huikai in zijn vers bij koan 26 van de Poortloze Poort)

Een prachtig vers, als je het mij vraagt. Maar waarom zou de geesteswind nooit meer door de kieren mogen gieren? Doe eens gek, zei de gek, en werp zelfs het wegwerpen van alle dingen en de leegte weg en …

Hoor die ketel plots weer fluiten
Noch van binnen noch van buiten
Licht de lege ruimte op
Zet hem dan maar op je kop

Rode fluitketel met schele ogen en een scheve mond en een dansende deksel waar stoom uit komt.
Hoor die ketel plots weer fluiten …

330 - Niet-weten is je laatste fuik

‘Wat is weten?’

‘Een fuik.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Ook een fuik.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘Uit de eerste kun je nog ontsnappen.’

331 - Niet-weten is de ruimste fuik

‘Wat is weten?’

‘Een fuik.’

‘Wat is niet-weten?’

‘De ruimte eromheen.’

‘Nou, dan zou ik het wel weten.’

‘Nou, ik niet.’

332 - Niet-weten is verwijlen in het ongewisse

‘Wat is weten?’

‘Een fuik.’

‘Wat is niet-weten?’

‘De ruimte eromheen.’

‘Wat is het verschil?’

‘In een fuik kun je nergens heen, al zou je wel willen.’

‘En in de ruimte eromheen?’

‘Wil je nergens heen, al zou je wel kunnen.’

‘Waar je ook bent, je gaat nergens heen?’

‘Niet dat ik weet.’

‘Wat maakt het dan nog uit?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

333 - Niet-weten is iets waar je niet in zit en niet uit komt

‘Wat als je uit de fuik van het weten ontsnapt?’

‘Dan kom je in de fuik van niet-weten terecht.’

‘Hoe is het daar?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Zul je er ooit uitkomen?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Zit je er wel in?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Is er wel een fuik?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Is er wel een jij?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Weet je dan helemaal niets?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Niet-weten is toch zeker geen fuik?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Niet-weten is ultieme vrijheid!’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Moet ik je nou feliciteren of condoleren?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Gecondoliteerd dan maar.’

‘Insgelijks dan maar.’

334 - Galweg

‘Wat is de weg van niet-weten?’

‘De weg van de meeste weerstand.’

335 - Schijt aan spiritualiteit

Niet-weten is lege spiritualiteit.

Lege spiritualiteit is zonder weg, waarheid of leerstelling.

Lege spiritualiteit is zonder mensbeeld, wensbeeld, wereldbeeld of godsbeeld.

Lege spiritualiteit is zonder metafysica, kosmologie of esoterie.

Lege spiritualiteit is zonder boeddha, dharma, sangha, samsara of nirwana.

Lege spiritualiteit is zonder ziel, geest, zelf, hart, id, ego of superego.

Lege spiritualiteit is zonder canons, instituten of bibliotheken.

Lege spiritualiteit is zonder verboden, geboden of geloften.

Lege spiritualiteit is zonder methoden, technieken of rituelen.

Lege spiritualiteit is zonder meesters, leerlingen, goeroes, discipelen, ingewijden, leken of adepten.

Lege spiritualiteit is zonder bezwaar tegen welke andere vorm van spiritualiteit ook.

Lege spiritualiteit is zonder bezwaar tegen welk bezwaar tegen welke andere vorm van spiritualiteit ook.

Wat lege spiritualiteit leeg maakt is niet dat zij geen inhoud heeft, maar dat zij zich onophoudelijk ontdoet van de inhoud die zich onophoudelijk aandient.

De leegte van de lege spiritualiteit is geen statische toestand maar een dynamisch proces.

Ledigheid is bijzaak, een onvermijdelijk gevolg van ontlediging.

Dat geldt niet alleen voor lege spiritualiteit maar ook voor de lege leer, de lege filosofie, de lege mens, het lege woord, de lege geest en andere metaforen voor niet-weten.

Het geldt ook voor het niet-weten zelf, dat ook maar een metafoor is.

Een beeldspraak voor een wijze van spreken zonder wijze of wijsheid.

De leegte van niet weten wordt niet voor eens en voor altijd bereikt maar voortdurend gerealiseerd, nú en nú en nú.

Ruimte krijg je door op te ruimen; ruimte hou je door op te blijven ruimen.

Als je je gedachten niet herroept, loopt je bovenkamer onherroepelijk vol.

Laten we deze gedachten ook maar herroepen, anders blijven we dáár weer mee zitten.

Lieve lezer, een dwijze denker is geen tanker.

Weten is eten, niet-weten is verteren.

Innemen, doorvoeren, uitscheiden.

Tot je er op een dag helemáál mee uitscheidt.

Dan zijn je gedachten voldoende verteerd.

Dan ben je zélf geïnspireerd.

Dan heb je schijt aan alle spiritualiteit.

Zelfs aan de lege.

336 - Niet-weten is geen conclusie maar een momentopname

Beste Hans,

Wat is precies het verschil tussen jouw niet-weten en dat van, bijvoorbeeld, mystici, boeddhisten en non-dualisten zoals ik?

Beste X,

Dank voor je vraag, dat kan ik je precies vertellen.

Niet-weten is voor mij niet de donkere nacht van de ziel in blijde verwachting van het hemelse licht, niet de stille paaszaterdag tussen kruisiging en wederopstanding.

Het is niet de onbegrijpelijke leegte waarin alle vormen verschijnen en verdwijnen.

Het is niet het onkenbare kennen of het bewustzijn dat aan alle kennen voorafgaat.

Het is niet de non-dualiteit waarin alle tegenstellingen teloorgaan.

Het is niet de onontware kluwen die interdependentie of interzijn of het net van Indra wordt genoemd.

Het is niet de waarheid voorbij de woorden of de wijsheid voorbij de wijsheid of de kennis zonder leraar.

Het is niet het onnavolgbare hart of de zuivere intuïtie of de goddelijke stilte.

Het is geen onomstotelijke beginsel waarmee je op voorhand ieder weten kunt afwijzen.

Het is geen uitgangspunt, geen conclusie, geen dogma, geen maatstaf, geen bevrijdend inzicht, geen methode, geen weg en geen doel.

Het is geen almanak vol met zaken waarvan ik voor eens en voor altijd heb vastgesteld dat je die niet kunt weten.

Dat is het verschil tussen mijn niet-weten en dat van, bijvoorbeeld, mystici, non-dualisten of boeddhisten.

Beste Hans,

Wat is niet-weten voor jou dan wel?

Beste X,

Dank voor je vraag, dat kan ik je ook precies vertellen.

Niet-weten is voor mij het acute stilzwijgen waarin ik mijns ondanks verval zodra ik levensvragen stel of gesteld krijg, en de antwoorden onderzoek die ik geef, ontvang of opgedrongen krijg.

Het is een ondervinding, nu en nu en nu.

Altijd actueel, nooit gegarandeerd.

X: Wat bedoel je precies met een ondervinding, nu en nu en nu?

H: Om een voorbeeld te geven: zou jij, als je leven op het spel stond, op dit moment op deze plaats zonder enig voorbehoud durven stellen dat je niet je persona bent, niet je lichaam, niet de rollen die je in het dagelijks leven speelt et cetera, maar wél Bewustzijn of Geest of Liefde of het Ene?

X: Het Ene. Zonder enig voorbehoud.

H: Nou, ik niet.

X: Maar zou jij, als je leven op het spel stond, op dit moment op deze plaats niet zonder enig voorbehoud durven stellen dat niemand eigenlijk weet wie hij is, dat je principieel niet kunt weten wie je bent, of minstens toch dat je op dit moment eventjes niet weet wie je bent?

H: Nee, nee en nee.

X: Hè?

H: Die hele woordenkraam, ‘jij’, ‘durven’, ‘stellen’, ‘niemand’, ‘eigenlijk’, ‘weten’ ‘zijn’ et cetera hangt voor mij in de lucht. Wolken aan een heldere hemel. Laat staan de retorische vraag ‘Zou jij op dit moment op deze plaats niet zonder enig voorbehoud durven stellen dat niemand eigenlijk weet wie hij is, dat je principieel niet kunt weten wie je bent, of minstens toch dat je op dit moment eventjes niet weet wie je bent?’ Een wolkenstraat, meer niet. Waait vanzelf weer over. Lost vanzelf weer op.

Dit mogen passen, dit moeten passen, hier en nu, live, onmiddellijk, steeds opnieuw, zonder beginsel, almanak, maatstaf, methode, reglement of ander houvast, noem ik bij gebrek aan beter niet-weten of dwijsheid of agnose. Voortdurend mogen en moeten passen inzake vragen als wie ben ik, wat is de zin van het leven, wat is de zin van de dood, wat is gezondheid, wat is ziekte, wat is goed en wat is slecht – dat is de actualiteit van agnose. Dat is de zegen van niet-weten.

Wat, hoezeer het mij ook spijt, opnieuw een wolkenstraat is. Waait vanzelf weer over. Lost vanzelf weer op.

X: Noem dat maar een zegen.

H: De zegen van niet-weten is tevens het debacle van mijn spiritualiteit, die bij gebrek aan inhoud niet verdedigbaar is en niet overdraagbaar. Probeer maar. Wat je er ook over zegt, het is kul. Een weetniet staat steeds voor lul.

337 - Niet-weten is geen dogma

Een dogma is een vastomlijnd, aan geen redenering meer onderworpen geloofsartikel.

Dogmatisch betekent geen tegenspraak duldend.

Dogmatisme is het vooropstellen van en vasthouden aan dogma’s.

Aldus Van Dale.

Geloofsartikelen over geloofsartikelen

Verstopt in deze definities van Van Dale zit een typisch westers verlichtingsideaal. Ik doel op het geloofsartikel dat er ook niet-dogmatische kennis mogelijk is, bijvoorbeeld wetenschappelijke. Deze zou zich hierin van dogmatische kennis onderscheiden dat zij voor rede vatbaar is.

Verstopt in dit ideaal – het lijkt wel een matroesjka – zitten nog eens drie dogma’s, namelijk 1. het geloofsartikel dat gefundeerde kennis mogelijk is, en 2. Het geloofsartikel dat de rede het instrument bij uitstek is om de fundering te leggen, en 3. Het geloofsartikel dat er zoiets is als de rede, hetzij in de vorm van een verstandelijk vermogen tot logisch redeneren, hetzij in de vorm van een entiteit, logica geheten die deel uitmaakt van het bestaande.

zes matroesjka’s met boeddha-mannetje
Matroesjka.

In het midden laten

Of dat allemaal waar is laat ik graag in het midden. Agnose is nou eenmaal de weg van het midden.

Niet in de zin van de gulden middenweg, waarbij je de uitersten vermijdt, maar in de zin van in het midden laten: definitieve uitspraken vermijden.

Niet uit principe, maar uit vermoeidheid – omdat er in het denken van de agnost uiteindelijk niet één definitieve uitspraak overeind gebleven is.

Ook voor deze uitspraak vrees ik het ergste.

De pretentie iets of niets te (kunnen) weten

Zelf gebruik ik het woord dogma in ruimere zin voor iedere pretentie iets of juist niets te (kunnen) weten, in concreto voor iedere uitspraak die niet expliciet wordt tegengesproken door de geschreven tekst waarvan hij deel uitmaakt of door degene die hem zojuist heeft uitgesproken.

Agnose is niet dogmatisch, maar ook niet anti-dogmatisch. Dat kan ook helemaal niet, want een leerstuk over de onwenselijkheid van dogma’s zou gewoon het volgende dogma zijn. Ik zou tenminste niet weten op welke gronden ik het moest verdedigen.

Als je per se iets wilt zeggen over niet-weten, kun je het adogmatisch noemen, dat wil zeggen, zonder dogma’s. Opnieuw niet uit principe maar simpelweg als constatering hier en nu – als iets dat je als een wetenschapper, of liever, als niet-wetenschapper, ik bedoel, als onderzoeker van je eigen weten, steeds opnieuw bij jezelf zult moeten vaststellen.

Want niet-weten heb je nooit; je constateert het, steeds opnieuw.

338 - In niet-weten is ruimte voor elke traditie

X: Ik las ergens dat jij jezelf een allesbrander noemt. Bedoel je daarmee dat je tot geen enkele traditie behoort?

H: Ik bedoel daarmee dat ik tot elke traditie behoor.

X: Bedoel je daarmee dat er in elke traditie ruimte is voor niet-weten?

H: Ik bedoel daarmee dat er in niet-weten ruimte is voor elke traditie.

X: Behalve fundamentalistische dan toch?

H: Waaronder fundamentalistische, antifundamentalistische, fundamentele, ongefundeerde, en noem maar op.

X: Maar die behoren toch allemaal tot het weten?

H: Joost mag weten waartoe ze allemaal behoren.

X: Maar wat is dan nog het verschil met niet-weten?

H: Ik zou het ook niet weten.

X: Wat jou betreft mag alles in de allesbrander, zelfs niet-weten.

H: Zelfs de allesbrander.

Gezicht met wijd opengesperde mond waarin een verzengend vuur brandt.
Allesbrander.

339 - Van rechtzinnigheid, vrijzinnigheid en onzinnigheid

Naar analogie van woorden als orthodoxie en heterodoxie zouden we niet-weten – het ontbreken of althans het tussen haakjes staan van iedere mening – adoxie (a-, niet + doxie: geen mening) kunnen noemen.

Orthodoxie is rechtzinnigheid, heterodoxie is vrijzinnigheid in de ogen van de orthodoxen en orthodoxie in de ogen van twijfelzinnigen. Het is daarom niet vergezocht om adoxie terug te vertalen als onzinnigheid. In normaal Nederlands duidt het woord onzinnigheid op een gebrek aan gezond verstand, wat voor de meeste mensen iets negatiefs schijnt te zijn.

Om het verschil tussen deze betekenis en die van adoxie aan te geven, schrijven we daarom on-zinnigheid, met een streepje tussen on en zinnigheid. De bijbehorende adjectieven zijn respectievelijk adox en on-zinnig, in de betekenis van niet-wetend.

Zoals men van een christen kan zeggen dat hij rechtzinnig is omdat hij in overeenstemming met de rechte leer leeft, zo kan men van een weetniet zeggen dat hij on-zinnig is omdat hij in overeenstemming met de lege leer leeft.

Voor zover het niet-weten zich manifesteert als een eindeloze nevenschikking van meningen (standpunten, perspectieven, oordelen et cetera) waartussen de weetniet ten diepste geen onderscheid weet te maken, is paradoxie (Grieks, para, naast, bij + doxa) een voor de hand liggend synoniem.

340 - Is niet-weten het laatste woord? Hèhè, haha, hoho!

‘Niet-weten is niet het laatste woord’, klinkt het door de eeuwen heen vanuit verscheidene tradities die zich met de grenzen van de kennis hebben beziggehouden.

Wat is het laatste woord dan wel?

Volgens sommige non-dualisten verschijnt niet-weten in het ideële niets dat Bewustzijn heet.

Volgens sommige boeddhisten verschijnt niet-weten in het goddeloze niets dat de Boeddhanatuur of het Ware Zelf heet.

Volgens sommige mystici verschijnt niet-weten in het religieuze niets dat God heet of geen naam mag hebben.

De lege leer verzet zich niet tegen deze of andere vormen van fundamentalisme, anders zou de lege leer niet leeg zijn maar een vorm van fundamentalisme.

Onder fundamentalisme versta ik hier een denken dat uitgaat van een of ander absoluut, onwrikbaar geacht fundament dat absolute, onwrikbare oordelen mogelijk maakt.

Een laatste Woord, bij voorkeur geschreven met een hoofdletter – zoals Bewustzijn, Boeddhanatuur of God.

Het laatste woord van de lege leerling is altijd het lege woord of het woord zonder woord of het woordloze woord of het onwoord of het non-woord of hoe je het ook noemt.

Wat hij verder ook zegt, wat zijn verstand hem ook influistert, wat zijn stream of consciousness hem ook voortovert, al was het precies deze zin – zijn laatste woord is altijd ‘eh’.

Met een kleine letter.

Het enige fundamentele en absolute aan de lege leer is zijn léégte.

De lege leer stelt niets, en niets voor.

Ook niet dat er niets te stellen valt of dat er niets gesteld mag worden of dat we daar iets of juist niets over te zeggen hebben.

Niet-weten is volstrekt ont-stellend.

Dat gaat ver hoor, onvoorstelbaar ver, daar kun je met je verstand niet bij.

Tot het je zelf overkomt.

Vanaf dat moment is juist je vroegere stelligheid onvoorstelbaar.

Dat onbegrensde geloof in je eigen gedachten.

Niet te geloven!

‘Vanaf dat moment is juist je vroegere stelligheid onvoorstelbaar’ – zal best.

‘Dat onbegrensde geloof in je eigen gedachten’ – nee, deze dan.

‘Niet te geloven!’ – dit ook niet.

Niet-weten?

Ken ik niet.

De lege leer?

Uitgepoetst.

Geen Ø meer te zien.

Geen ‘eh’ meer te horen.

Een zucht van verlichting:

Hèhè!

Een bevrijd(end)e lach:

Haha!

En daar is de volgende gedachte alweer:

Hoho!

341 - Ik ben geen vertegenwoordiger, ook niet van niet-weten

X: Welke traditie vertegenwoordig jij eigenlijk?

H: Wat ben ik, een vertegenwoordiger?

X: Jij vertegenwoordigt alleen het niet-weten?

H: Wat ben ik, een vertegenwoordiger?

X: Bedoel je dat je alleen jezelf vertegenwoordigt?

H: Wat ben ik, een vertegenwoordiger?

X: O, ik snap het al.

H: Dat kon niet uitblijven.

X: Jij vertegenwoordigt het niet-vertegenwoordigen.

H: Wat ben ik, een vertegenwoordiger?

342 - Niet weten is tegen woordigheid van geest

X: Wat betekent mindfulness voor jou?

H: Tegen woordigheid van geest.

X: En dat in het hier en nu zeker?

H: Dat is ook weer zo’n woord.

X: Met volledige aandacht dan.

H: Dat is ook weer zo’n woord.

X: Met volledige aandacht betekent anders hetzelfde als mindfulness.

H: Dat is ook weer zo’n woord.

X: Ik ben ook tegen woordigheid.

H: Je zou het zo niet zeggen.

X: Omdat de waarheid voorbij de woorden is.

H: Hoe kun je dat dan zeggen?

X: Aan jouw tegenwoordigheid van geest mankeert duidelijk niets.

H: Dat is ook weer zo’n woord.

X: Tegenwoordigheid of geest?

H: Woord.

343 - Niet-weten als bewustzijnsverruimend middel

Beste Hans,

Zou je niet-weten kunnen omschrijven als een bewustzijnsverruimend middel?

Beste X,

Jazeker, dat lijkt mij een prima omschrijving.

Geen geest zo ruim als een lege geest.

Daar past alles in, zelfs bekrompenheid.

Alleen is niet-weten geen middel.

Je kunt het niet innemen, het heeft geen halfwaardetijd, er ontstaat geen gewenning en het is nooit uitgewerkt.

Tot nu toe niet tenminste.

Als er al iets ontstaat, is het ontwenning.

Hoe langer het niet-weten op je inwerkt, hoe gevoeliger je ervoor wordt.

Als je het mij vraagt is niet-weten geen bewustzijnsverruimend middel, het is gewoon bewustzijnsverruimend.

Aangenomen dat er zoiets is als een bewustzijn en aangenomen dat dit bewustzijn verruimd kan worden – veronderstellingen waar een weetniet zich liever niet aan waagt, ik tenminste niet.

Geestverruimend dan?

Ja, dat is beter, aangenomen dat er zoiets is als een geest en aangenomen dat die geest verruimd kan worden – veronderstellingen waar een weetniet zich liever niet aan waagt, ik tenminste niet.

Laat ik het dan zo stellen: niet-weten is niet bewustzijnsverruimend of geestverruimend maar gewoon verruimend.

Hè, nou klinkt het wéér als een middel, iets dat iets doet, iets dat verruimt.

Niet-weten is in mijn beleving geen middel dat verruimt, het is zélf die verruiming.

Wat je je daarbij precies moet voorstellen?

Verruiming staat tegenover vernauwing, en niet-weten in de zin van bewustzijnsverruiming of geestverruiming staat tegenover wéten als bewustzijnsvernauwing of geestvernauwing.

Met vernauwing bedoel ik gewoon dat het een beetje krap wordt in je bovenkamer, dat je er je kont niet meer kunt keren, dat je zowat klem komt te zitten tussen, ja wat, je woorden en gedachten en gevoelens en ideeën en idealen en wat er allemaal nog meer rondwaart in dat particuliere spookhuis op de top van je ruggengraat.

Bewustzijnsvernauwende middelen bij uitstek zijn dogma’s, daar is iedereen het wel over eens.

Dat kunnen persoonlijke dogma's zijn, of politieke zoals het communisme, het socialisme, het kapitalisme, het liberalisme en het fascisme, of religieuze zoals het katholicisme, het protestantisme, het orthodoxe jodendom, het liberale jodendom, theravadaboeddhisme, zenboeddhisme et cetera, om nog maar te zwijgen over …

Ben je er nog? Goed zeg! Want zo langzamerhand begint dit verhaal behoorlijk benauwend te worden, vind je niet?

Al schrijvende is er onbedoeld een hiërarchie ontstaan, met helemaal bovenaan de ruimhartige weetniet, ik natuurlijk, en helemaal onderaan de bekrompen fundamentalist.

Vreemde zaak, want dat is wel zo'n beetje het laatste wat ik wil beweren.

Dat is wel zo'n beetje het laatste wat ik wil: iets bewéren.

Een béétje weetniet maakt geen onderscheid tussen bewustzijnsverruiming en bewustzijnsvernauwing, of geestverruiming en geestvernauwing, of verruiming en vernauwing van wat dan ook, omdat zo'n onderscheid zijn denken onmiddellijk nauwer maakt.

Helaas, deze formulering is geen haar beter dan de vorige, want zij bevestigt opnieuw het ideaal van ruimdenkendheid.

Misschien moet je gewoon je mond over niet-weten houden, zul je zeggen, en laat dat nou precies zijn wat ik al die tijd gedaan heb.

Had je het door?

344 - Niet-weten als lege boodschap

Niet-weten is een lege boodschap.

Nu kan er maar één lege boodschap zijn, want waarin zou de ene lege boodschap, Ø1, moeten verschillen van de andere lege boodschap, Ø2?

Daarom kunnen we niet-weten net zo goed dé lege boodschap noemen.

Wat bedoel ik daarmee?

Ik bedoel daarmee dat niet-weten geen boodschap is.

Ik bedoel ermee dat niet-weten geen boodschap heeft, of het moest deze wezen.

Geen blijde boodschap, geen treurige boodschap en geen neutrale boodschap.

Ik bedoel ermee dat niet-weten nergens boodschap aan heeft.

Dat mag alles bij elkaar misschien geen blijde boodschap wezen, ik word er toch wel blij van, al heeft dat best een tijdje op zich laten wachten.

Een lege boodschap is trouwens geen niet-lege boodschap over een of andere vorm van leegte.

Zo is de lege boodschap niet de boodschap dat de waarheid voorbij de woorden is, niet dat de wereld een illusie is, niet dat wij geen zelf hebben, niet dat alle dingen leeg zijn, niet dat het leven zinloos is, niet dat wij elk oordeel moeten opschorten, niet dat wij niks weten.

De lege boodschap is niet de boodschap dat er geen boodschap is, en ook geen andere nihilistische, obscurantistische, fatalistische of defaitistische boodschap die het bestaan of het nut van het een of ander of meteen maar van alles en iedereen ontkent.

De lege boodschap is ook niet de boodschap dat wij iedere vorm van nihilisme of relativisme moeten verwerpen, of het verwerpen daarvan moeten verwerpen, want dat zou nog steeds een boodschap zijn.

Laat ik het scherp stellen: de lege boodschap is geen boodschap maar gewoon leeg.

Dus lezer, laat je boodschappentas maar thuis als je mijn dwaaltuin bezoekt.

Figuurtje met zijn armen vol protestborden, waaronder één lege.
Zoek de lege boodschap.

345 - De weetnietgeest wil alleen maar ondermijnen

X: Ik heb geloof ik nog nooit zo’n subversieve geest gezien als de jouwe.

H: De weetnietgeest wil alleen maar ondermijnen.

X: Waar is dat goed voor?

H: Vraag dat maar aan de weetnietgeest.

X: Dat doe ik toch?

H: En wat zei de weetnietgeest?

X: Vraag dat maar aan de weetnietgeest.

H: Voilà.

X: Maar waarom doe je het dan?

H: Waarom doe ik wat dan?

X: Ondermijnen. Uithollen. Slopen.

H: Voor mij hoeft het niet.

X: Bedoel je dat je het niet kan laten?

H: Ook daar zit ik niet op te wachten.

X: Het hoeft niet en het hoeft niet niet?

H: En anders maar wel.

X: Rare snijboon.

H: Wie?

X: Bedoel je dat je niemand bent?

H: Bedoel je dat ik iets bedoel?

X: Geen-geest, geen-zelf, anatman, inessentie, sunyata?

H: Vraag het dan maar aan de weetnietgeest.

X: De weetnietgeest wil alleen maar ondermijnen.

H: De wat?

X: Ik heb geloof ik nog nooit zo’n subversieve geest gezien als de jouwe.

346 - Niet-weten is een val zonder strik

Gestrekt maar niet gestrikt.

‘Wat is weten?’

‘Een val.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Ook een val.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘De val van niet-weten is vrij.’

347 - Niet-weten is vallen zonder opstaan

Plaats vergaan.

‘Wat is weten?’

‘Vallen en opstaan.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Vallen.’

348 - De lege mens beeldt zich niets in

Wie is het die zowel zijn identiteit als het kwijtraken daarvan aan de lege leer is kwijtgeraakt?

Inderdaad: de lege mens.

Hij beeldt zich niet in dat hij iemand is.

Hij beeldt zich niet in dat hij niemand is.

Hij beeldt zich niet in dat hij iemand en niemand is.

Hij beeldt zich niet in dat hij iemand noch niemand is.

Hij beeldt zich niet in dat hij iedereen is.

Hij beeldt zich niet in dat hij alles is.

Hij beeldt zich niet in dat hij niets is.

Hij beeldt zich niet in dat hij alles en niets is.

Hij beeldt zich niet in dat hij alles noch niets is.

Hij beeldt zich niet in dat hij leeg is.

Hij beeldt zich niet in dat hij de eerste oorzaak is.

Hij beeldt zich niet in dat hij de laatste grond is.

Hij beeldt zich niet in dat hij essentie is.

Hij beeldt zich niet in dat hij bewustzijn is.

Hij beeldt zich niet in dat hij een keuze heeft.

Hij beeldt zich niet in dat hij geen keuze heeft.

Hij beeldt zich niet in dat hij keuzeloos gewaar is.

Hij beeldt zich niet in dat hij ontwaakt is.

Hij beeldt zich niet in dat hij slaapt

Hij beeldt zich niet in dat hij alles weet.

Hij beeldt zich niet in dat hij iets weet.

Hij beeldt zich niet in dat hij niets weet.

Hij beeldt zich niet in dat alles inbeelding is.

Hij beeldt zich niet in dat niets inbeelding is.

Hij beeldt zich niet in dat hij zich niets inbeeldt.

Hij beeldt zich niet in dat hij zowel zijn identiteit als het kwijtraken daarvan aan de lege leer is kwijtgeraakt.

Ken jij zo’n mens?

Ben jij zo’n mens?

De lege mens niet.

Zittend mannetje op de vloer dat zichzelf met zijn ene hand tekent en mijn zijn andere uitgumt.
Wie is het die zowel zijn identiteit als het kwijtraken daarvan aan de lege leer is kwijtgeraakt?

349 - De lege geest is niet altijd leeg

In een park wonen geen mensen, maar ze komen er wel.

Soms is het er rustig, soms is het er druk.

In een lege geest wonen geen gedachten, maar ze komen er wel.

Soms is het er druk, soms is het er rustig.

De lege geest van niet-weten is dus geen geest zonder gedachten, maar een geest waarin gedachten niet blijven hangen.

Meningen, gevoelens, oordelen, verklaringen, filosofietjes en verhalen – ze komen en ze gaan.

Dat geldt ook voor de gedachte dat gedachten in een lege geest niet blijven hangen maar komen en gaan.

Het is niet dat de lege geest zijn gedachten loslaat, maar dat ze hem bij nader inzien ongeloofwaardig voorkomen.

Elke keer, telkens weer.

Ze overtuigen niet en daardoor beklijven ze niet.

Dat geldt ook voor de gedachte dat de lege geest zijn gedachten niet loslaat maar dat ze hem bij nader inzien ongeloofwaardig voorkomen en daardoor niet overtuigen of beklijven.

Daar al zijn gedachten slechts op bezoek zijn, deze ook, krijgt het denken van de lege geest een merkwaardige vluchtigheid die gemakkelijk voor lichtzinnigheid of oppervlakkigheid wordt aangezien.

Maar wat betekent vluchtigheid nog bij ontstentenis van bestendigheid, zo die inderdaad ontbreekt?

Soms is het druk in een park, soms is het er rustig.

Mensen komen er graag maar ze wonen ergens anders.

Soms is het rustig in een lege geest, soms druk.

Gedachten komen er graag maar ze wonen ergens anders.

Zo blijft de lege geest in zekere zin leeg.

Maar alleen als deze gedachte langskomt.

De gedachte van de lege geest.

Ach, hij gaat er alweer vandoor!

Nou is hij er geweest.

Drie hoofdjes met een gat bovenin waar in drie stappen een zonnebloem uitgroeit
Lente in de lege geest

350 - Hoe ik mijn lichaam zie

Ik zie.

Ik zie mijn lichaam.

Ik zie mijn lichaam niet.

Ik zie mijn lichaam niet als bestaand
Ik zie mijn lichaam niet als onbestaand.

Ik zie mijn lichaam niet als beschrijfbaar
Ik zie mijn lichaam niet als onbeschrijflijk.

Ik zie mijn lichaam niet als bewoond
Ik zie mijn lichaam niet als onbewoond.

Ik zie mijn lichaam niet als bezield
Ik zie mijn lichaam niet als onbezield.

Ik zie mijn lichaam niet als objectief
Ik zie mijn lichaam niet als subjectief.

Ik zie mijn lichaam niet als inwendig
Ik zie mijn lichaam niet als uitwendig.

Ik zie mijn lichaam niet als hier
Ik zie mijn lichaam niet als daar.

Ik zie mijn lichaam niet als persoonlijk
Ik zie mijn lichaam niet als onpersoonlijk.

Ik zie mijn lichaam niet als middel
Ik zie mijn lichaam niet als doel.

Ik zie mijn lichaam niet als eigen
Ik zie mijn lichaam niet als oneigen.

Ik zie mijn lichaam niet als privé
Ik zie mijn lichaam niet als openbaar.

Ik zie mijn lichaam niet als vrijheid
Ik zie mijn lichaam niet als gevangenis.

Ik zie mijn lichaam niet als een zegen
Ik zie mijn lichaam niet als een vloek.

Ik zie mijn lichaam niet als reëel
Ik zie mijn lichaam niet als illusoir.

Ik zie mijn lichaam niet als materieel
Ik zie mijn lichaam niet als ideëel.

Ik zie mijn lichaam niet als ziek
Ik zie mijn lichaam niet als gezond.

Ik zie mijn lichaam niet als substantieel
Ik zie mijn lichaam niet als etherisch.

Ik zie mijn lichaam niet als aards
Ik zie mijn lichaam niet als goddelijk.

Ik zie mijn lichaam niet als wezenlijk
Ik zie mijn lichaam niet als accidenteel.

Ik zie mijn lichaam niet als begrensd
Ik zie mijn lichaam niet als onbegrensd.

Ik zie mijn lichaam niet als duaal
Ik zie mijn lichaam niet als non-duaal.

Ik zie mijn lichaam niet als geboren
Ik zie mijn lichaam niet als ongeboren.

Ik zie mijn lichaam niet als sterfelijk
Ik zie mijn lichaam niet als onsterfelijk.

Ik zie mijn lichaam niet als vlees
Ik zie mijn lichaam niet als vis.

Ik zie mijn lichaam niet.

Zo zie ik mijn lichaam.

Zo zie ik het.

Alleen zo.

Ziezo.

351 - Vlieden in het lege nest

Waar verblijft de lege mens van niet-weten?

De lege mens van niet-weten verblijft in het lege nest.

De leegte van het lege nest wordt niet aangetast door de aanwezigheid daarin van de lege mens, wiens geest immers een lege geest is, wiens lichaam een leeg lichaam is en wiens leer een lege leer is.

Vandaar dat zijn aanwezigheid in elk geval overdrachtelijk omschreven kan worden als een totale absence.

Wie nestelt in het lege nest komt nooit vast te zitten.

Zelfs niet in loslaten.

Zelfs niet in het idee van het lege nest of de lege mens of de lege geest of het lege lichaam of de lege leer.

Waaraan zou men ook vast moeten blijven zitten in een leeg nest?

Hoe zou men in zijn hoedanigheid van afwezigheid ook ergens aan vast moeten blijven zitten?

Evenmin raakt de lege mens van niet-weten verdwaald in het lege nest, want leegte heeft geen grootte tenzij er iets omheen zit.

De weg naar het lege nest kwijtraken kan hij ook niet, want er is geen weg naar het lege nest, er was geen weg naar het lege nest, er kan nooit een weg naar het lege nest geweest zijn, anders had hij die heus wel weten te mijden.

Bevindt de weg naar het lege nest zich soms in het lege nest?

Of was de lege mens er altijd al, maar waande hij zich erbuiten?

Of is hij er nog steeds niet, maar waant hij zich erin?

Of waant hij zich slechts wanende?

De lege mens – hij weet het niet.

Tenzij dat ook een waan is.

Of is dát misschien de waan?

nest op ooievaarspoten met kop van de ooievaar op de grond uit het gras stekend
Het lege nest

352 - Gek, zei de ik

‘Volgens mij ben jij knettergek, Hans.’

‘Vroeger zou ik het hartgrondig met je eens zijn geweest.’

‘En nu?’

‘Nu denk ik dat ik vroeger knettergek was.’

‘Waarom zou je het vroeger met me eens zijn geweest?’

‘Iemand die zijn eigen gedachten niet serieus neemt is van God los.’

‘Daar kun je geen staat op maken.’

‘Daar kun je geen peil op trekken.’

‘Waarom zeg je nú dan dat je vróeger knettergek was?’

‘Omdat ik mijn gedachten zo serieus nam.’

‘Meen je dat nou?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘Dat is dan het verschil.’

‘Zei ik het niet?’

‘Wat?’

‘Volgens mij ben jij knettergek, Hans.’

353 - In de wolk van niet-weten is geen niet-weten

Tweeëntwintig leemtes in de leegte.

1. In de ban van niet-weten is geen ban.

2. In de leer van niet-weten is geen leer.

3. In de kennis van niet-weten is geen kennis.

4. In de wijsheid van niet-weten is geen wijsheid.

5. In de waarheid van niet-weten is geen waarheid.

6. In het licht van niet-weten is geen licht.

7. In de duisternis van niet-weten is geen duisternis.

8. In de hel van niet-weten is geen hel.

9. In de hemel van niet-weten is geen hemel.

10. In de god van niet-weten is geen god.

11. In de geest van niet-weten is geen geest.

12. In het hart van niet-weten is geen hart.

13. In het ego van niet-weten is geen ego.

14. In het zelf van niet-weten is geen zelf.

15. In het wezen van niet-weten is geen wezen.

16. In de vrijheid van niet-weten is geen vrijheid.

17. In het woord van niet-weten is geen woord.

18. In de grond van niet-weten is geen grond.

19. In de stilte van niet-weten is geen stilte.

20. In de leegte van niet-weten is geen leegte.

21. In de mist van niet-weten is geen mist.

22. In de wolk van niet-weten is geen niet-weten.

354 - Stilte is niet de weg

‘Is stilte soms de weg naar niet-weten?’

‘WELNEE!’

‘Waarom niet?’

‘NIET-WETEN MAAKT JUIST ZOVEEL MOGELIJK LAWAAI!’

‘Waarom maakt niet-weten zoveel lawaai?’

‘OM HET WETEN TE OVERSTEMMEN!’

355 - Niet-weten is een oorverdovende stilte

De Schreeuw.

X: Wat is niet-weten?

H: Stilte.

X: Wat voor stilte?

H: Een oorverdovende stilte.

X: Zo erg?

H: Fortissimo furioso.

X: Wat hoor je daarin niet?

H: Antwoorden.

X: Hoe is het in die oorverdovende stilte?

H: Hoe weet ik dat nou?

X: Jij bent daar toch?

H: Als ik dat eens wist.

X: Wat moet ik doen om er zelf te komen?

H: Ik heb geen idee.

X: Maar je kunt er toch wel komen?

H: Wie zegt dat je erheen moet?

X: Bedoel je dat ik er al ben?

H: Wie zegt dat je bent?

X: Is het er fijn?

H: Waar?

X: Of vervelend?

H: Wat is het verschil?

X: Het komt er dus op neer dat er helemaal geen antwoorden zijn?

H: Dat zou nog steeds een antwoord zijn.

X: Aaargh!

H: Dat zeg ik.

X: Wat?

H: Fortissimo furioso.

De Schreeuw van Munch, met een zwarte mond vol sterren
Niet-weten is een oorverdovende stilte

356 - De figuurlijke stilte van de weetnietgeeSst

Als je het allemaal niet meer weet, zoals ik, dan is het net alsof je de hele tijd ‘sst’ (‘tja’, ‘eh’… ) zegt tegen je gedachten.

Niet letterlijk hoor, net alsof.

Want in werkelijkheid zeg ik letterlijk nooit ‘sst’ (‘tja’, ‘eh’… ) tegen mijn gedachten.

Ik voel ook helemaal niet de behoefte om ze te sussen of te bezweren.

Van mij mogen ze tot volle wasdom komen, ketens vormen – hele kaartenhuizen, geen probleem.

Doen ze trouwens toch wel, of ze van mij mogen of niet.

Maar al die tijd hoor ik ze aan alsof ik naar een kind, een fantast, een dwaas, een vertegenwoordiger, een conferencier, een confabulist luister.

Dat geldt ook voor de gedachten die ik daarnet heb opgeschreven, en waarschijnlijk ook voor de gedachten die ik hierna ga opschrijven, maar dat weet ik nog niet.*

‘Sst’ is voor mij dus geen mantra of methode om mezelf gerust te stellen of om tot niet-weten te komen of om in niet-weten te blijven.

Het is alleen maar een wijze van spreken over mijn eigen niet-weten, dat ook maar een wijze van spreken is, bij wijze van zwijgen en bij wijze van lachen.

Oefeningen in stilzwijgen (silentie), aandachtigheid (mindfulness) of eenpuntige concentratie (samadhi) om de geest tot rust te brengen of leeg te maken – ik doe ze nooit en ik heb ze nooit gedaan.

Man, ik kan mijn handen niet eens tot rust brengen, ze blijven maar gaan.

Liever dan ze tot onbeweeglijkheid te dwingen geef ik ze iets te doen.

Een speeltje om mee te friemelen, dan is er niets aan de hand.

Niet-weten is een speeltje voor de freewheelende geest.

Stilte is voor mij een denken, spreken, schrijven dat zichzelf in alle rust ten einde denkt, spreekt of schrijft.

Hoe dat in zijn werk gaat kun je in al mijn teksten lezen.

De stilte van niet-weten is geen letterlijke stilte maar de figuurlijke stilte van een kabbelende gedachtegang.

Het een levende stilte, geen doodse.

Het is de stilte van een vrolijke keuken of een olifant in een porseleinkast, waarin alle geluiden overstemd worden door het gerinkel van brekend servies.

* En jawel hoor, wat een kletsmajoor.

Om de stilte van niet-weten te benadrukken zonder haar te omschrijven, kun je een extra ‘S’ toevoegen aan woorden met de lettercombinatie ‘st’.

‘GeeSst’ is dan de schrijfwijze voor een in agnose verstilde geest – een geest die ‘Sst’ zegt tegen zijn eigen gedachten, ook die over stilte, ook deze.

Je kunt geeSst ook gebruiken in samenstellingen:

ZengeeSst, weetnietgeeSst.

EkSstase is:

1. Buiten alle denkbeelden (zelfbeelden, wereldbeelden, godsbeelden, tijdsbeelden, ideaalbeelden) staan.

2. De stille euforie waarmee het dwalen in de miSst van niet-weten gepaard kan gaan.

DuiSsternis is de duisternis van niet-weten:

Verzaligd in de duiSsternis van de ziel.

BewuSstzijn staat voor het radicale bewustzijn van niet-weten, mySstiek voor de mystiek van niet-weten enzovoort.

AgnoSst is een pleonasme van agnost. Het is ook een onconventionele schrijfwijze die het onderscheidt van het woord agnost in de conventionele betekenis van agnosticus.

357 - Niet-weten is geen quiëtisme

Het quiëtisme is een mystieke beweging die passiviteit, gelatenheid, zwijgzaamheid, meditatie, niet-denken, niet-willen, niet-weten, onthechting en overgave predikt met als oogmerk gemoedsrust, zaligheid, volmaaktheid of de eenwording met God.

Quiëtisme is van alle tijden en plaatsen.

We vinden het onder meer in de vorm van het boeddhistische streven naar nirwana (uitdoving), in de meditatievorm shikantaza (alleen maar zitten) van sotozen, in het woordloos biddend navelstaren van de hesichasten, in het doende niet-doen van de taoïsten, in de Griekse idealen van apatheia en ataraxia en in het indifferentisme (de onverschilligheid ten aanzien van de eigen zaligheid) van Meister Eckhart.

Wie niet weet kent als gevolg van zijn agnose misschien een zekere of onzekere gemoedsrust, maar streeft er niet naar en predikt niets.

Behalve misschien, bij wijze van tijdverdrijf, de lege leer, die toch niet bestaat en daarom rustig gepredikt kan worden zonder meteen een predikant voor het leven te zijn, of een predikant tegen het leven.

Passiviteit of activiteit, gelatenheid of verzet, zwijgzaamheid of spraakzaamheid, denken of mediteren, doen of laten, hechten of onthechten, het is de agnost allemaal om het even.

Mocht het hem onverwacht toch een keertje uitmaken dan is dát hem om het even, et cetera.

Niet-weten is geen quiëtisme, en dat vind ik wel zo rustig.

358 - Niet-weten is RampZalig

Ramp …

De weg van niet-weten lijkt een doolhof. Het vinden van niet-weten lijkt verliezen. De vrede van niet-weten lijkt strijd. De triomf van niet-weten lijkt een fiasco.

De zekerheid van niet-weten lijkt twijfel. De grond van niet-weten lijkt drijfzand. De werkelijkheid van niet-weten lijkt een illusie. Het licht van niet-weten lijkt duister.

De helderheid van niet-weten lijkt troebel. Het hart van niet-weten lijkt een hoofd. Het mededogen van niet-weten lijkt wreedheid. De deemoed van niet-weten lijkt hoogmoed.

De deugd van niet-weten lijkt ondeugd. De rijkdom van niet-weten lijkt armoede. De volheid van niet-weten lijkt leegte. De vervoering van niet-weten lijkt vlak.

Het spel van niet-weten lijkt ernst. Het wonder van niet-weten lijkt gewoon. De eenvoud van niet-weten lijkt moeilijk. De echtheid van niet-weten lijkt gemaakt.

De wijsheid van niet-weten lijkt dwaasheid. De kracht van niet-weten lijkt zwakte. De diepzinnigheid van niet-weten lijkt oppervlakkig. Het denken van niet-weten lijkt dromen.

Het doen van niet-weten lijkt laten. Het spreken van niet-weten lijkt zwijgen. Het zwijgen van niet-weten lijkt zwetsen. Een meester van niet-weten lijkt een leerling.

… Zalig

De doolhof van niet-weten blijkt een weg. Het verliezen van niet-weten blijkt vinden. De strijd van niet-weten blijkt vrede. Het fiasco van niet-weten blijkt een triomf.

De twijfel van niet-weten blijkt zekerheid. Het drijfzand van niet-weten blijkt grond. De illusie van niet-weten blijkt werkelijkheid. De duisternis van niet-weten blijkt licht.

De troebelheid van niet-weten blijkt helder. Het hoofd van niet-weten blijkt een hart. De wreedheid van niet-weten blijkt mededogen. De hoogmoed van niet-weten blijkt deemoed.

De ondeugd van niet-weten blijkt deugd. De armoede van niet-weten blijkt rijkdom. De leegte van niet-weten blijkt volheid. De vlakheid van niet-weten blijkt vervoering.

De ernst van niet-weten blijkt spel. Het gewoon van niet-weten blijkt een wonder. De moeilijkheid van niet-weten blijkt eenvoud. De gemaaktheid van niet-weten blijkt echtheid.

De dwaasheid van niet-weten blijkt wijsheid. De zwakte van niet-weten blijkt kracht. De oppervlakkigheid van niet-weten blijkt diepzinnig. Het dromen van niet-weten blijkt denken.

Het laten van niet-weten blijkt doen. Het zwijgen in niet-weten blijkt spreken. Het zwetsen van niet-weten blijkt zwijgen. Een leerling van niet-weten blijkt een meester.

Geïnspireerd door toespraak 85 van Meester Tja.

359 - Niet-weten is een vuurzee

X: Wat heeft niet-weten voor nieuws te bieden?

H: Niet-weten heeft niets te bieden, laat staan iets nieuws.

X: Waarin onderscheidt het zich dan?

H: In dat het er openlijk voor uitkomt.

X: Waarvoor?

H: Dat het niets te bieden heeft.

X: Is dat alles?

H: Kom er maar eens om.

X: Hoezo?

H: Overal kun je wel iets krijgen, maar waar krijg je nou niets?

X: Als je hét niets bedoelt dan weet ik nog wel een paar adresjes.

H: Maar ik bedoel gewoon niets.

X: Dan zal het ook wel niets kosten.

H: Integendeel, het zal je alles kosten.

X: Niet-weten brengt je niets maar kost je alles?

H: Wat wil je nog minder.

X: Geef mijn portie maar aan Fikkie.

H: Zeg maar gerust vuurzee.

X: En als je eenmaal niet meer weet?

H: Dan brengt het je alles en kost het je niets.

360 - Dwaalweg

‘Waarheen gaat hij die weet?’

‘Nergens heen, maar dat weet hij niet.’

‘Waarheen gaat hij die niet weet?’

‘Nergens heen, en dat weet hij best.’

361 - Rondweg

Leerling: Wat is de weg?

De meester wijst naar de ondergaande zon.

Leerling: Ik snap het niet.

Meester: Als een dwaas maar lang genoeg naar het westen loopt, wordt hij vanzelf een wijze uit het oosten.

362 - Voor niet-weten ben je nooit te bang

Niet-weten is een onvermogen

Niet-weten is geen kunst en geen kunde. Niet-weten is een onvermogen. Om een uitdrukking van Kant* te lenen:

Niet-weten is de mislukking van het denken.

Dat klinkt niet zo best, nee. Het is ook niet waar, anders was het denken alsnog gelukt. Dan wist je toch weer iets. Laat ik het zo zeggen:

Niet-weten is de triomf van het denken over zichzelf.

Of wat dacht je van:

Niet-weten is het vermogen om de diepten van je verstandelijke onvermogen te peilen.

Of om nog dichter naar Kant toe te kruipen:

God is de mislukking van het denken.

* ‘God spreekt in de mislukking van het denken’, zei de Duitse filosoof Immanuel Kant. Een schitterend eufemisme, goedgekeurd door het Vaticaan.

Een dubbelloops geweer

Maar het gaat hier niet om God, niet om triomf en niet om mislukking, het gaat hier om angst en moed en niet weten. Daarom zeg ik:

Niet-weten is een kwestie van lef hebben.

Maar alleen voor zover je de moed moet zien te vinden om toe te geven dat je het allemaal niet meer weet en nooit geweten hebt.

Dat lijkt eng, maar op den duur is het veel enger om te doen alsof je iets wél weet.

Al is de bluffer nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel.

Zo niet, dan achterhaalt zijn angst dat de waarheid hem zal achterhalen hem wel.

Een dubbelloops geweer, zo blijf je onder schot.

Niet-weten is een kwestie van lef hebben

Ik weet niet hoe het voor jou is, maar voor mij is niet-weten eerder een kwestie van bang genoeg zijn dan van dapper genoeg zijn.

Ik ben simpelweg te schijterig om de diepten van mijn onvermogen ongepeild te laten.

Te kleinmoedig om mezelf nog langer wijs te maken dat ik het allemaal wel doorheb.

Bevers moeten knagen, knagers moeten beven tot ze zweven van welbehagen.

Laat dit een troost en uitdaging zijn voor de angsthazen onder ons:

Voor niet-weten ben je nooit te bang.

363 - Laat de mislukking van het denken voor je spreken

X: God spreekt in de mislukking van het denken.

H: Wie zegt dat?

X: Ik.

H: Het komt me anders bekend voor.

X: Immanuel Kant.

H: Wat kan hij daarmee bedoeld hebben?

X: Dat Gods schepping net als God zelf complexer is dan een mensenverstand kan bevatten.

H: Zou hij zijn eigen denken als mislukt hebben beschouwd?

X: Daar lijkt het wel op.

H: Wanneer zeg je dat je denken mislukt is?

X: Wanneer het niets heeft opgeleverd, denk ik.

H: Hoe weet je eigenlijk dat Gods schepping en God zelf complexer zijn dan een mensenverstand kan bevatten?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: Hoe weet je dat het de complexiteit van Gods schepping en God zelf is waardoor een mensenverstand het niet kan bevatten?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: Hoe weet je dat een mensenverstand het in de toekomst niet alsnog zal bevatten?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: Hoe weet je dat dit hier Gods schepping is?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: Bestaat God eigenlijk wel?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: En zelfs als Hij bestaat, hoe weet je dan dat Hij de schepper is?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: Hoe weet je eigenlijk dat dit hier geschapen is?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: Wat weet je eigenlijk wel?

X: Heel wat minder dan ik dacht.

H: Net als Kant.

X: Ik denk het ook.

H: Is dit wat je bedoelde met 'God spreekt in de mislukking van het denken?

X: Ik ben bang van wel.

H: Zeg dat dan meteen.

364 - Niet-weten is een denken dat nooit victorie kraait

X: Wat is weten?

H: Denken dat tot stilstand probeert te komen.

X: Wat is niet-weten?

H: Denken dat in beweging blijft.

X: Welk denken zal uiteindelijk victorie kraaien?

H: Ze zullen beide blijven kraaien …

X: Maar?

H: Nooit victorie.

X: Waarom niet?

H: Omdat ze elkaar aan de gang houden.

X: Is dat een goede of een slechte zaak?

H: Je probeert tot stilstand te komen.

X: Kun je beter in beweging blijven?

H: Je probeert opnieuw tot stilstand te komen.

X: Volgens mij probeer jij steeds in beweging te blijven.

H: Je probeert nog steeds tot stilstand te komen.

X: Is dit wat je bedoelt met nooit victorie?

H: Maar we kraaien vrolijk verder.

365 - Niet-weten is een vlucht uit het vluchten

X: Wat is weten?

H: Een vlucht uit niet-weten.

X: Wat is niet-weten?

H: Een vlucht uit het weten.

X: Bedoel je dat we voortdurend heen en weer vluchten?

H: Tenzij we vanzelf heen en weer gaan.

X: Dat kan ook nog.

H: Gesteld dat we inderdaad heen en weer gaan.

X: Hè?

H: Want ik kan wel zoveel beweren.

X: Is dit nou een vlucht uit het weten of een vlucht uit niet-weten?

H: Een vlucht uit het vluchten.

366 - Acht manieren om te vluchten in onnozelheid

De pragmaticus en de agnost.

Pragmaticus: Kent u het Latijnse begrip asylum ignorantia?

Agnost: Ik geloof het wel.

Pragmaticus: Asylum betekent vrijplaats, ignorantia onkunde.

Agnost: Wat zouden we zijn zonder Latijn.

Pragmaticus: Asylum ignorantia is een vlucht uit de wereld in de onnozelheid van niet-weten.

Agnost: Voor u misschien.

Pragmaticus: Wat betekent het dan voor u?

Agnost: Het ligt eraan met wie ik te maken heb.

Pragmaticus: Nu u met mij te maken hebt.

Agnost: Een vlucht uit niet-weten in de onnozelheid van de wereld.

Pragmaticus: En als ik een bioloog was geweest?

Agnost: Een vlucht uit niet-weten in de onnozelheid van de wetenschap.

Pragmaticus: En als ik een soefi was geweest?

Agnost: Een vlucht uit niet-weten in de onnozelheid van de dans.

Pragmaticus: En als ik een rabbijn was geweest?

Agnost: Een vlucht uit niet-weten in de onnozelheid van de halacha.

Pragmaticus: En als ik een hippie was geweest?

Agnost: Een vlucht uit niet-weten in de onnozelheid van de liefde.

Pragmaticus: En als ik een junkie was geweest?

Agnost: Een vlucht uit niet-weten in de onnozelheid van de roes.

Pragmaticus: En als ik een boeddhist was geweest?

Agnost: Een vlucht uit niet-weten in de onnozelheid van de trance.

Pragmaticus: We kunnen niet allemaal gelijk hebben.

Agnost: In uw wereld niet.

Pragmaticus: En in de uwe?

Agnost: In de onnozelheid van niet-weten is alles mogelijk.

367 - Professor in de weetnietkunde

In het dagelijks taalgebruik is ‘weetnietkunde’ een eufemisme voor onwetendheid. Meestal wordt het gebruikt in combinatie met de titel van professor. Iemand die heel dom overkomt of die gebakken lucht verkoopt noem je een professor in de weetnietkunde.

Op de lagere school werd ik de professor genoemd. Ik herinner mij een foto waarop ik als eersteklassertje kaarsrecht achter mijn lessenaar zit met mijn armen over elkaar, mijn mondhoeken naar beneden en een diepe frons tussen mijn ogen. Onderzoeker des geestes, denker des volks, een en al ernst, zo jong als ik was.

Om later in mijn leven weer professor genoemd te worden was ik niet slim genoeg. Ik kan wel goed denken hoor, maar ik kan niks onthouden. Om professor in de weetnietkunde genoemd te worden was ik weer niet dom genoeg. Ik hing ertussenin* – het verhaal van mijn leven.

* Sommigen noemen dat non-dualiteit; ook daarvoor ben ik niet dom genoeg.

Maar als we weetnietkunde nou eens herdefiniëren als denken, spreken en schrijven over niet-weten, dan heb ik toch nog tot professor geschopt.

Emeritus professor om precies te zijn, of eigenlijk emeritis, want het is geen ambt, het is een chronische extra-ambtelijke aandoening: emeritis simplex chronicus.

De buitenspelval, in goed Neanderlands.

Ontslag en aanstelling ineen.

Je zal het maar hebben.

368 - Niet weten, niet-weten of nietweten?

Is het niet weten, niet-weten of nietweten? Niet doen, niet-doen of nietdoen? Non dualisme, non-dualisme of nondualisme? Non boeddhist, non-boeddhist of nonboeddhist? Verbinden of verbreken – het koppelteken en het ontkoppelde denken.

Een nietmachine is geen niet-machine

Taal is grillig en spellingsregels niet minder. Neem nou het koppelteken -. Op het eerste gezicht zit er best enige logica in het gebruik van dit minuscule dwarsliggertje.

We schrijven terecht niet-partijgebonden in plaats van nietpartij-gebonden, tenzij we het hebben over gehechtheid aan de nietpartij.

We schrijven terecht nietmachine in plaats van niet-machine want een nietmachine is mooi wel een machine, om niet te zeggen een wel-machine, mooi of niet, of een welmachine natuurlijk, die hoe je hem ook noemt wel niet.

Te recht zal geen welstandscommissie wel-standscommissie durven voorschrijven, al zal een schoolmeester, juist als hij niet aan een meesterschool doceert, het graag voor-schrijven als wel-stand-s-commissie.

We schrijven te recht niet-schakeling om aan te geven dat iets geen schakeling is, en nietschakeling voor een schakeling waarbij de sluiting van een stroomkring wordt gebruikt om een andere stroomkring te openen, of hij het nou doet of niet.

We schrijven te-recht niet-Nederlander in plaats van Nietnederlander, behalve ter aanduiding van de in woners van Nietnederland op het Innerlijk halfrond, en van deel-nemers aan het tele visieprogramma Heel Nederland Niet, maar wie dan wel?

We schrijven ter echt leernicht en niet leer-nicht noch niet-leernicht, want niet iedere leernicht heeft leerplicht maar wel leer-plicht, behalve onder de douche, dat is nou eenmaal de dresscode.

Je ziet, onze spellingsgoeroes zijn zo gek nog-niet, een unicum onder goeroes én nietgoeroes, petje-af maar hoedje voor de spellingsroes …

Een nietswaardige nietdeug

… en water dicht is het-hier geens zins. Zo schrijven we niet-gericht in plaats van nietgericht, ook al is er, nietobsessies daargelaten, weinig kans op verwarring.

We schrijven zonder doorslag gevende rede niet-bestaand, niet-bewust, niet-metaal, niet-doen en niet-zijn in plaats van nietbestaand, nietbewust, nietmetaal, nietdoen en nietzijn.

Omgekeerd schreven we vroeger volgens het Woordenboek der Nederlandse Taal onbekommerd nietdoenerij (ledigheid, thans nietsdoenerij) in plaats van niet-doenerij, nietdoenig (lui) in plaats van niet-doenig, nietemijtig (nietig) in plaats van niet-mijtig.

We schreven nietwetendheid in plaats van niet-wetendheid, nietweet (thans weetniet) in plaats van niet-weet, nietdeug (thans deugniet) in plaats van niet-deug.

We schreven nietjegenstaande, nietwederstaande en niettemeer in plaats van niet-jegenstaande, niet-wederstaande, niet-temeer en we schreven nieteenzins (geenszins) in plaats van niet-eenzins of niet-een-zins (of geenzins).

De nominaal heden-daagse woorden niettemin en niettegenstaande hebben zich bij uit zonder in met succes verzet tegen de verkoppeltekening van de nietwoorden maar niet tegen de ontkoppeltekening van niet-woorden, anders zouden we wel niet-te-min en niet-tegen-staande schrijven. Nietteminmogen ze vanmij zo het oude mannen huizin, met- of zonderdwars streepjes, liefst onderdwang.

Wist je trouwens dat samen stellingen met ‘niets’ nooit een koppel teken krijgen? Of-te nimmer? We schrijven nietsnutten, nietsbeduidend, nietsontziend, nietsverhullend, nietsvermoedend, nietswaardig, nietswording en nietszeggend in plaats van niets-nutten, niets-beduidend, niets-ontziend, niets-verhullend, niets-vermoedend, niets-waardig, niets-wording en niets-zeggend.

Noujij weer.

Een koppel teken

Ik nietweet, wij nietwisten, zij hebben genietweten?

Nou ikweer, ik mag me zelf, graaghoren.

Wie een lans wilbreken voor nietweten, aan elkaar dus, moet welbedenken dat niet-weten zowel een zelf standig naam woord is als een werk woord, en nog een sterkwerk woord ook.

Bij het zelf-standig naam-woord is er weinig-kans op verwarring. Of je nou spreekt van een zen boeddhistisch niet weten of een non-dualistisch niet-weten of het mystieke nietweten van Meistereckhart, niemand zal je mis verstaan, noem dat maar een predikant.

Anders is het met de werk-woordsvorm gesteld. Vormen de samen stellende delen van een werkwoord een vasteverbinding dan blijft deze norma-liter behouden in de vervroeging.

We zeggen ik stofzuig, wij stofzuigden, zij hebben gestofzuigd maar nietzeggen ik zuig stof, zij zogen (of zoogden of zuigden) stof, wij hebben stof gezogen.

We zeggen ik nietsnut, jij nietsnutte, jullie hebben genietsnut maar nietzeggen ik nut niets, jij nutte niets, jullie hebben niets genut.

Zouden we van niet-weten een vasteverbinding maken en toch consequent willenwezen of -weduwen, dan werd het ik nietweet, hij nietwist, zij hebben genietweten.

Het spirituelejargon kent behalve niet-weten nog een hele boel anderewerk woorden die beginnen met ‘niet’. Niet-doen, niet-zoeken, niet-vinden, niet-bereiken bevobbeld. Of toch maar nietdoen, nietzoeken, nietvinden en nietbereiken, met alle vergezochtevervoegingsverwarring vandien?

Je moet het helemaal zelfweten hoormaar als je het mijvraagt komt het je geloof waardigheid niettengoede niet tegen staande je goedeboedelingen.

Ik-zelf hou mijn-zelf aan de conventie, hoe onrede lijk ook. Of het nou om een zelfstandig maanwoord (niet-geest, niet-zelfstandig, niet-god) gat of om een werknietwoord (niet-noemen, niet-spreken, niet-zwijgen), ik gewoongebruik een koppel teken.

Net zoals ik gewoongebruik non-dualist, non-dualisme, non-duaal en non-dualiteit blijfschrijven, ook al schietende nondualisten, nondualismes, nondualen en nondualiteiten op in ter net tegen woordig naar Goedfrans voor beeld als pad-en-stoelen uyttegrond.

Ook de non heeft officieel rechtop koppels teken – de fictie-non, de conformisme-non, de proliferatie-non, de issue-non, de boeddhist-non, maarniet, nondeju, de nonvariante nonvaleur, van wegehaar non-existente nonrespons zeker waar, schijnlijk.

Hoedan ook, en wie eigenlijk niet? Krijg ik goed-genoeg van al die bewust-zijns k nonnen zonder-onder-scheid of tussen ruimte dan schr-f ik g-w-n adualisme of adualist of adualiteit. So wie so n aan rader.

Maar wat zegt een maan?

Leesteken

369 - Pech is de weg naar het Grote Soit

Het pad van niet weten is een pad zonder pad.

Het pad zonder pad loopt weg van de weg.

Weg van de weg is een groot zwart gat.

Dat gat is het hart van het nulvoudig pad.

Het lege geluk heeft de vorm van pech.

Pech is de weg naar het Grote Soit.

370 - Om uw wijsheid te ontwijden

De soefi en de agnost.

Soefi: Ik ben niet gekomen om u te leren wat u niet weet. Ik ben gekomen om u in te wijden in de wijsheid die u reeds bezit.*

* Uitspraak van Inayat Khan (1882-1927).

Agnost: Ik ben niet gekomen om u te leren wat u niet weet. Ik ben gekomen om u te herinneren aan wat u niet weet.

Soefi: En die wijsheid dan?

Agnost: Ik ben niet gekomen om u in te wijden in de wijsheid die u reeds bezit. Ik ben gekomen om u in te wijden in de dwaasheid die ons reeds bezit.

371 - Er is geen weg uit niet-weten

Er is geen weg naar niet-weten.

Je hoeft er niet heen.

Er is geen weg uit niet-weten.

Je kunt er niet weg.

Er is geen niet-weten.

Er is geen weg.

Alles weg.

Waar wou je heen?

372 - Een lesje afleren

De meester en de agnost.

Meester: Ik leer meer van mijn leerlingen dan zij van mij.*

* Uitspraak van Inayat Khan (1882-1927).

Agnost: Had u maar geen leraar moeten worden.

Meester: Hoe zit dat bij u?

Agnost: Ik leer meer af van mijn leerlingen dan zij van mij.

Meester: Wat leren zij af van u?

Agnost: Zij leren af zich mijn leerling te noemen.

Meester: Hoe komt u dan aan inkomsten?

Agnost: Ik geef alleen maar uit.

373 - Leerling af, afleerling af

X: Wat was jouw weg?

H: Eerst ging alles vanzelf.

X: En toen?

H: Heb ik heel veel geleerd.

X: En toen?

H: Ging niets meer vanzelf.

X: En toen?

H: Heb ik heel veel afgeleerd.

X: En toen?

H: Heb ik het afleren afgeleerd.

X: En nu?

H: Gaat alles weer vanzelf.

374 - Niet-weten is alles afleren

Niet-weten, dat is alles afleren. Niet letterlijk natuurlijk, dan zou je onnozel worden, maar figuurlijk.

Met afleren bedoel ik: het geleerde doorzien.

Je uitgangspunten en vooronderstellingen doorzien.

De categorieën van je verstand doorzien.

Inzien dat je ze niet allemaal kunt doorzien.

Het doorzien doorzien.

Iemand die alles wat hij geleerd heeft tegen het licht houdt, zou je een afleerling kunnen noemen.

Iemand die een ander helpt om alles wat hij geleerd heeft tegen het licht te houden, is dan een afleraar.

Van een afleraar kun je niets leren, behalve misschien dat je niet weet wat je dacht te weten.

Waar een reguliere leraar antwoorden geeft op vragen, stelt een afleraar vragen bij je antwoorden.

Alle leraren op niet-weten zijn afleraren.

Iedere afleraar is zijn eigen afleerling.

Iedere afleerling is zijn eigen afleraar.

Alle afleraren zijn leraar-af.

Alle afleerlingen zijn leerling-af.

Als er al een weg is naar niet-weten dan is het geen leertraject maar een afleertraject.

375 - Dwazen doen het uit de doeken

De dichter en de agnost.

Dichter: Wijsheid vindt men in de boeken, wijs zijn zal men vérder zoeken.*

* Uitspraak van Guido Gazelle.

Agnost: Dwazen doen het uit de doeken, wijzen houden op met zoeken.

376 - Niet-weten is voor de poes

‘Wat is weten?’

‘Een roes.’

‘Wat is niet weten?’

‘Een kater.’

377 - Niet-weten is een free kick

X: Wat is weten?

H: Kicken.

X: Wat is niet weten?

H: Afkicken.

X: Wat als je bent afgekickt?

H: Kicken.

378 - Niet-weten is je verstand op tilt

Beste Hans,

Ooit heb ik mij overmoedig op Plato geworpen, de grootste, of in ieder geval meest bekende, westerse filosoof, in de hoop iets van het leven te begrijpen. Bij het lezen daarvan is mijn verstand helaas op tilt geslagen en heb ik ingezien dat ik niet verstandig genoeg was om dit alles te begrijpen. Erger nog, de eerlijkheid gebood me onder ogen te zien dat ik totaal niets weet en dat er verder ook niemand iets weet.

Dit inzicht van de beperktheid van mijn en het verstand leidde een lange, helse periode in van diepe angst, een besef van uiterste nietigheid en volslagen nutteloosheid. In die verstilde, ontsluierde geest echter kwamen na verloop van tijd inzichten aanwaaien die zo eenvoudig en mooi en goed zijn dat je onmiddellijk begrijpt wat er bedoeld wordt met ‘Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen’ (Mattheüs 5:3).

Ik weet dat je allergisch bent voor mooipraterij, maar het Eeuwige is voor mij geen kwestie meer van geloven. Mijn periode van geloven, niet geloven, weten en niet weten is reeds lang voorbij. Voor mij is alles ongelooflijk wonderlijk. Het leven is een mysterie en dat mysterie heet God.

Hartelijke groeten, X

Beste X,

Zelf heb ik de uitgang van Plato’s grot ook niet kunnen vinden en het schimmenspel op de muur bleek althans voor Hans van Dam geen schimmenspel op de muur te zijn – maar wat dan wel?

Mijn verstand sloeg echter niet op tilt bij het lezen van Plato maar na een periode van intensief reflecteren waarin ik, buiten de literatuur om, voor mezelf probeerde te redden wat er te redden viel.

Ik moest en zou iets vinden.

Een waarheid, hoe minimaal ook.

Als er geen reddingsboei te vinden was, dan maar een kurk.

Als er geen kurk te vinden was, dan maar een luchtbel.

Ik vond en verloor en vond en verloor.

En verloor.

Na mijn, wat zal ik zeggen, geestelijke bankroet, was ik een maand lang euforisch.

Zo blij was ik, zo opgelucht en tegelijkertijd verbijsterd dat mijn doorbraak, mijn grootste triomf, want zo voelde het, nou net mijn afbraak, mijn grootste debacle moest wezen, want zo voelde het.

Ik had ogen als kolen en kon bij iedere gedachte alleen nog maar stamelen: En dat ook niet!

Meer woorden had ik niet nodig.

Meer woorden had ik niet.

Tot groot vermaak van mijn vrouw.

Daarna werd ik langzaam rustiger.

Niet-weten verliet me niet meer, heeft me nooit meer verlaten (behalve in mijn dromen), maar mijn stemming sloeg langzamerhand om en toen een half jaar later de lente aanbrak, begon ik zomaar te huilen.

Dag in, dag uit sprongen mij zonder aanwijsbare reden de tranen in de ogen.

Ik was niet bang, zoals jij, en ook niet depressief.

Ik voelde me niet uiterst nietig of volslagen nutteloos.

Alleen maar stuurloos en verdrietig.

Ik moest huilen en kwam er niet achter waardoor.

Om er een mooi verhaaltje van te maken zou ik achteraf kunnen zeggen dat ik rouwde om het verlies van (het heilige geloof in) mijn denkbeelden.

De donkere ochtend van de ziel.*

* Johannes van het Kruis spreekt over de donkere nacht van de ziel – een periode van niet-weten waar de mysticus doorheen moet voordat God zich op zijn eigen tijd in zijn ziel openbaart.

Maar ook dat is slechts een denkbeeld, dat ik destijds al niet kon bevestigen, laat staan nu, jaren later.

Liever kijk ik erop terug als een misschien begrijpelijke maar uiteindelijk onverklaard gebleven periode van droefenis, die de hele lente aanhield en pas in de loop van de zomer optrok.

Wat de term niet-weten betreft, die is, zoals iedere term, misleidend.

Weten dat je niets weet behoort nog steeds tot het weten.

Het blijft een reddingsboei en verzuipen doe je pas als ook je zogenaamde niet-weten aan zichzelf ten prooi valt.

Als je zelfs niet meer weet van niet-weten.

Als je zelfs niet meer gelooft in niet-geloven.

Als je zelfs het weggooien hebt weggegooid.

Als je zelfs het kwijtraken bent kwijtgeraakt.

Is dat het einde van niet-weten en niet-geloven of integendeel het toppunt ervan?

Ik zou het echt niet weten.

Want niet-weten is natuurlijk helemaal niet afgelopen als het is afgelopen.

Alleen staat het vanaf dat moment zelf evenzeer onder verdenking als alle andere gedachten.

Waaronder de gedachte dat niet-weten vanaf dat moment zelf evenzeer onder verdenking staat als alle andere gedachten.

Maar ook de gedachte dat ‘verder ook niemand iets weet’, zoals jij claimt.

Zeker weten?

Hoe stel je zoiets vast?

Of de gedachte dat je ‘uiterst nietig en volslagen nutteloos’ bent.

In vergelijking waarmee?

Voor wie of wat?

Of de gedachte dat alles ‘ongelooflijk wonderlijk’ is.

Zeg eens eerlijk, is ‘alles’ niet net zo vaak ongelooflijk gewóón?

En is die ongelooflijke gewoonheid, en de transformatie van het ongelooflijk gewone in het ongelooflijk wonderlijke en terug, op haar beurt niet ongelooflijk wonderlijk of gewoon, net zo het komt?

Of zijn dat ook maar weer gedachten?

Om nog maar te zwijgen over de gedachte dat het leven een mysterie is dat God heet.

Waar blijft dat ‘leven’, waar blijft dat ‘mysterie’, waar blijft die ‘God’, als de dragende gedachte, zoals alle gedachten, een paar seconden later gevlogen is?

In het koninkrijk der hemelen, zul je zeggen.

Of is dat ook maar een gedachte?

Het komt mij voor dat degene die de totale armoede van geest heeft gevonden, of liever, onophoudelijk ondervindt of herontdekt, zichzelf nooit als zalig zou omschrijven maar hooguit, en dan nog alleen met het pistool tegen het hoofd, als zalig noch onzalig.

Noem dit desnoods projectie.

Zelf ben ik voor zover ik weet in ieder geval niet het eeuwige deelachtig, noch het koninkrijk, noch de hemel.

Ik ben weliswaar bij vlagen vredig en gelukkig en incidenteel zelfs lyrisch, al dan niet inzake agnose, maar bij andere vlagen bijvoorbeeld boos, rusteloos, bang, gierig, agressief, lusteloos, verveeld, geïrriteerd of overprikkeld – vooral dit laatste.

Of moeten we uit de veelzijdigheid van mijn gevoelsleven opmaken dat ik nog altijd rijk van geest ben?

God mag het weten.

Hartelijke grotten,

Hans

379 - Niet-weten is natafelen

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Weet ik niet meer.

Leerling: Hoe kan dat nou?

Meester: Ik heb ze meteen verbrijzeld.

380 - Niet-weten is geen epitaaf

1.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Dit Zijn De Stenen Tafelen Van Niet-Weten.

2.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Dit Zijn Niet De Stenen Tafelen Van Niet-Weten.

3.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Niemand Weet Wat Voor Stenen Tafelen Dit Zijn.

4.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Niemand Weet Wat Voor Stenen Dit Zijn.

5.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Niemand Weet Wat Dit Zijn.

6.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Niemand Weet Wat.

7.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Op de ene staat Niemand Weet.

Leerling: En op de andere?

Meester: Wat?

8.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Wat Staat Er Op De Stenen Tafelen Van Niet-Weten?

381 - Niet-weten is een beletselteken

dat niemand iets belet.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: …

Leerling: Gij Zult Niet Weten?

Meester: …

Leerling: Gij Zult Niet Gebieden?

Meester: …

Leerling: Gij Zult Niet Beitelen?

Meester: …

Leerling: Gij Zult Niet?

Meester: …

Leerling: Gij Zult?

Meester: …

Leerling: Gij ?

Meester: …

Leerling: …?

Meester: …

Leerling: Is dat wat er staat of weet u het niet?

Meester: …

382 - Niet-weten is warm en vloeiend

Leerling: Waarmee kun je de stenen tafelen van het weten vergelijken?

Meester: Gewapend beton.

Leerling: En die van niet-weten?

Meester: Lava.

383 - De leegte beminnen is de waarheid bevragen

De mystica en de agnost.

Mystica: De waarheid beminnen is de leegte verdragen.*

* Uitspraak van Simone Weil (1909-1943).

Agnost: De leegte beminnen is de waarheid bevragen.

Mystica: Hoe dat zo?

Agnost: De leegte verdraagt geen waarheid.

Mystica: Waarom niet?

Agnost: Anders is ze niet leeg meer.

Mystica: De leegte verdraagt alleen maar leegte?

Agnost: Ook niet.

Mystica: Waarom niet?

Agnost: Anders is ze niet leeg meer.

Mystica: De leegte verdraagt alleen maar een naam?

Agnost: Ook niet.

Mystica: Waarom niet?

Agnost: Anders is ze niet leeg meer.

Mystica: Wat verdraagt ze eigenlijk wel?

Agnost: Bevraagd te worden.

Mystica: Wat is de leegte bevragen?

Agnost: De waarheid beminnen.

Mystica: De leegte beminnen is de waarheid bevragen, zei je toch?

Agnost: Dat komt op hetzelfde neer.

Mystica: Nou weet ik het helemaal niet meer.

Agnost: Dat komt op hetzelfde neer.

384 - Niet-weten is geen hersenspinsel

‘Wat is weten?’

‘Vastzitten in het web van je gedachten.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Rondlopen op het web van je gedachten.’

‘Ik streef ernaar het web van mijn gedachten helemaal te verlaten.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Want het web van je gedachten verlaten kun je niet.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Want er is helemaal geen web.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Want er is helemaal geen je.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Dan weet ik het ook niet meer.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Wat is vastzitten in het web van je gedachten?’

‘Weten.’

‘Wat is weten?’

385 - De dwijze is dronken van nuchterheid

Een meesterlijke verslaving.

X: Wat is weten?

H: Dronkenschap.

X: Wat is niet weten?

H: Nuchterheid.

X: Ben je dan nooit meer dronken?

H: Dan ben je stomdronken.

X: Ben je dan nooit meer nuchter?

H: Dan ben je broodnuchter.

X: Ja, ben je nou dronken of nuchter?

H: Dan ben je dronken van nuchterheid.

386 - Niet-weten is een spiegel

X: Wat is niet-weten?

H: Een spiegel.

X: Voor wie?

H: Wijze uilen.

X: Wat ziet een wijze uil die in de spiegel van niet-weten kijkt?

H: Als hij goed kijkt?

X: Nou?

H: Zijn ware gezicht.

X: Namelijk?

H: Een uilskuiken.

X: En als hij niet goed kijkt?

H: Wat hij wíl zien.

X: Namelijk?

H: Een wijze uil.

X: Wat zie je als je er zelf in kijkt?

H: Als ik goed kijk?

X: Nou?

H: Een uilenspiegel.

X: En als je niet goed kijkt?

H: Een uilskuiken.

X: Is dat dan niet jouw ware gezicht?

H: Wat?

X: Een uilskuiken?

H: Uilskuiken.

387 - Niet-weten is geen god

‘Wat is weten?’

‘Een januskop.’

‘Een wat?’

‘Een god met twee gezichten.’

‘Waarom noem je het een god?’

‘Omdat iedereen het aanbidt.’

‘Wat zijn de twee gezichten van weten?’

‘Gewoon weten en weten van niet-weten.’

‘Wat is weten van niet-weten?’

‘Een schijngestalte van niet-weten.’

‘Maar wat is dan niet-weten?’

‘Niet-weten is geen gezicht.’

388 - Ware dubbelhartigheid

De taalkundige en de agnost.

Taalkundige: De dubbelzijdigheid van de werkelijkheid is de dubbelzinnigheid van de waarheid. Zo is de leer van de waarheid een leer van werkelijke en ware dubbelzinnigheid.*

* Uitspraak van G. J. P. J. Bolland (1854-1922)*.

Agnost: Dat klinkt als één klok.

Taalkundige: Hoe bedoelt u?

Agnost: Uw leer van de dubbelzijdige werkelijkheid is volstrekt eenduidig. Alsof er geen andere visies zijn.

Taalkundige: Mijn visie op de werkelijkheid sluit alle mogelijke visies in.

Agnost: U stelt dat de werkelijkheid intrinsiek dubbelzijdig is en u onderstelt een objectieve werkelijkheid waarover met stelligheid gesproken kan worden.

Taalkundige: Dus?

Agnost: Kan het nooit de leer van de waarheid zijn.

Taalkundige: Omdat?

Agnost: De leer van de waarheid volgens u een leer van werkelijke en ware dubbelzinnigheid is.

389 - Leeg worden voor gekken

De essayist en de agnost.

Essayist: Misschien is dit wat gek worden betekent: leeggemaakt worden en je bewust te zijn van de leegte.*

* Uitspraak van David Foster Wallace (1962-2008).

Agnost: Misschien is dit wat leeg worden betekent: gekgemaakt zijn en je bewust te worden van de gekte.

390 - Eerst was ik een hele pief, nu sta ik aldoor paf

X: Ben jij veranderd door niet-weten?

H: Ik ben er niet door veranderd, niet-weten is de verandering.

X: Wat houdt die verandering in?

H: Eerst was ik een hele pief. Nu sta ik aldoor paf.

X: Wat als je aldoor paf staat?

H: Dan gaan je gedachten in rook op.

X: Poef.

H: Deze ook.

X: Hè?

H: Wat?

X: Ja, gaan je gedachten nou in rook op of niet?

H: Poef.

X: Maar eerst was je een hele pief en nu sta je aldoor paf?

H: Poef.

X: Dus je bent er niet door veranderd, niet-weten is de verandering?

H: Poef.

391 - Niet-weten is geen waarheid en geen leugen

Als men hem vroeg of niet-weten waarheid is, zei Meester Paf:

‘Geen waarheid nee, maar mooier dan de mooiste waarheid ooit had kunnen zijn!’

Of hij zei:

‘Geen waarheid nee, maar dieper dan de diepste waarheid ooit had kunnen zijn!’

Of:

‘Geen waarheid nee, maar harder dan de hardste waarheid ooit had kunnen zijn!’

Of:

‘Geen waarheid nee, maar waarder dan de waarste waarheid ooit had kunnen zijn!’

Als men hem vroeg of niet-weten dan een leugen is, zei Meester Paf:

‘Geen leugen nee, maar beter dan de beste leugen ooit had kunnen zijn!’

Of hij zei:

‘Geen leugen nee, maar zoeter dan de zoetste leugen ooit had kunnen zijn!’

Of:

‘Geen leugen nee, maar zachter dan de zachtste leugen ooit had kunnen zijn!’

Of:

‘Geen leugen nee, maar gekker dan de gekste leugen ooit had kunnen zijn!’

Als men dan vroeg wat niet-weten dan wel is, haalde hij altijd zijn schouders op en zei: ‘paf staan.’

En dat is hoe Meester Paf aan zijn bijnaam kwam.

392 - Niet-weten is geen pied-à-terre

Meester Soit heeft het op vele manieren gezegd:

‘Niet-weten is hier, wij zijn daar.’

‘Niet-weten is thuis, wij zijn uit.’

‘Niet-weten is binnen, wij zijn buiten.’

‘Niet-weten is in ons hart, wij zijn in ons hoofd.’

‘Niet-weten is inwonend, wij zijn vreemdelingen.’

‘Niet-weten is nooit weggeweest, wij zijn nooit teruggegaan.’

‘Niet-weten is het meest nabij, wij zijn weer eens op bedevaart.’

Laatst schreeuwde hij om middernacht:

‘Niet-weten is geen pied-à-terre!’

Maar zijn stem draagt niet zo ver.

‘Het zij zo’, heeft hij steeds gezegd.

‘Ik Blijf het zeggen’, blijft hij zeggen,

‘En ook dát is dan maar zo:

Het zij zo is het meest nabij.’

393 - Niet-weten is geen brevet

Meester Zuetsu heeft gezegd:

‘Wie eindelijk doorkrijgt dat hij niets begrijpt, heeft toch weer iets begrepen. Nog even volhouden dus, maar wat?’

Hij heeft ook gezegd:

‘Niet begrijpen is geen hogere vorm van begrijpen; transmissie wordt hier niet verleend.’

Na enig aandringen verklaarde hij:

‘Nabij een hemellichaam is vallen geen kunst en in de eindeloze ruimte geen vliegwerk, maar wie zich veiliger voelt met een brevet kan zich met een gerust hart tot zen wenden. De leertijd is onbegrensd en je Zero staat al klaar.’

vliegtuig met zero-teken stort neer op tempeldak, met verschrikte piloot
Wie zich veiliger voelt met een brevet kan zich tot zen wenden

394 - Niet-weten is een koning zonder kijk

Meester Rara is een genie of een genius, daar wil ik vanaf zijn. Hij zegt gerust tien keer hetzelfde met andere woorden of tien keer wat anders met dezelfde woorden, dat valt ook al niet uit te maken, als hij al wat zegt.

Oordeel zelf:

Tien uitspraken van Meester Rara

1. ‘Wie wéét die ziet het allemaal, wie niet weet die zíet het allemaal wel, en zo heeft elk zijn kijk.’

2. ‘Wie wéét die heeft het goed gezien, wie niet weet die heeft het zien doorzien, en zo heeft elk zijn kijk.’

3. ‘Wie wéét die heeft het zélf gezien, wie niet weet die heeft het zelf gezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

4. ‘Wie wéét die heeft het zélf gezien, wie niet weet die heeft zichzelf doorzien, en zo heeft elk zijn kijk.’

5. ‘Wie wéét die heeft zichzelf ontzien, wie niet weet heeft afgezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

6. ‘Wie wéét die houdt het voor onzienlijk, wie niet weet die houdt het voor gezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

7. ‘Wie wéét die heeft het niet gezien, wie niet weet die heeft het wel gezíen, en zo heeft elk zijn kijk.’

8. ‘Wie wéét die heeft het niet gezien, wie niet weet die is gezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

9. ‘Wie wéét geeft niemand gelijk, wie niet weet geeft niemand ongelijk, en zo blijft elkeen rijk.’

10. ‘Wie wéét geeft niemand gelijk, wie niet weet geeft niemand ongelijk, en zo blijft elk een rijk.’

395 - Stilte is de slaap die dromen vangt

De staatsman en de agnost.

Staatsman: Stilte is de slaap die de wijsheid voedt.*

* Uitspraak van Francis Bacon (1561-1626).

Agnost: Kletsmajoor.

Staatsman: Wat zou u zeggen?

Agnost: Stilte is de slaap die dromen vangt.

Staatsman: En wijsheid dan?

Agnost: Dat is een van die dromen.

Staatsman: En dit gesprek?

Agnost: Is een van die dromen.

Staatsman: Wat is dan geen droom?

Agnost: Dwaasheid.

396 - Niet-weten is een rede zonder rede

‘Wat is weten?’

‘Een overwinning van de rede op de realiteit.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een overwinning van de rede op de rede.’

‘Ja, heeft de rede nou gewonnen of niet?’

‘Zo kun je het ook zeggen.’

‘Ik bedoel, heeft de realiteit nou verloren of niet?’

‘Zo kun je het ook zeggen.’

397 - Het onverstand van het genie

De letterkundige en de agnost.

Letterkundige: Er is veel verstand voor nodig om sommige dingen onbegrijpelijk te vinden.*

* Uitspraak van C. J. Wijnaendts Francken (1863-1944).

Agnost: Er is genie voor nodig om álles onbegrijpelijk te vinden.

398 - Wie alles kwijt is vindt niets

Klein verstand vindt alles vanzelfsprekend.

Gemiddeld verstand vindt veel vanzelfsprekend.

Groot verstand vindt weinig vanzelfsprekend.

Briljant verstand vindt niets vanzelfsprekend.

Onverstand vindt niets.

399 - De mythe van de eenvoud

De auteur en de agnost.

Auteur: Als je erover spreekt, wordt zelfs het eenvoudigste meteen ingewikkeld en onbegrijpelijk.*

* Uitspraak van Hermann Hesse (1877-1962).

Agnost: Als je erover zwijgt ook.

Auteur: Hoe verklaart u dat?

Agnost: Doordat zelfs het eenvoudigste ingewikkeld en onbegrijpelijk is.

Auteur: Dat ik daar nou nooit op gekomen ben.

Agnost: Of is dat te simpel gedacht?

Auteur: Ik ben schrijver geworden om orde te scheppen in de chaos.

Agnost: Niet om het ingewikkelde en onbegrijpelijke eenvoudiger voor te stellen dan het is?

Auteur: Zo had ik het nog niet bekeken.

Agnost: Of is dat weer te simpel gedacht?

Auteur: Daar ga ik eens rustig over nadenken.

Agnost: Zou u dat nou wel doen?

Auteur: Hoezo?

Agnost: Als je erover denkt, wordt zelfs het eenvoudigste meteen ingewikkeld en onbegrijpelijk.

Lees ook: Eenvoud is geen kunst – waarom zen geen goed voornemen is.

400 - Zelfs niet weten van niet-weten is zoiets als tien pond scheten

‘Zen is steeds opnieuw beginnen’, zei Shunryu Suzuki.

Zengeest, beginnersgeest heet zijn boekie.

Alsof het een keus is.

Alsof er een alternatief is voor vallen en opstaan.

Vallen – daarmee begint je leven.

Een val uit de baarmoeder.

In de val van het leven!

Baf!

Eens sta je voor het eerst op.

Als het meezit tenminste, want een deel is dan al afgevallen.

Daarna is het pas echt vallen en opstaan.

Vallen en opstaan.

Vallen en opstaan.

Vallen en opstaan.

En zo verder, tot je laatste val.

In het graf!

Baf!

Hoe zou je dan niet op je achterhoofd gevallen kunnen zijn?

Je begint je leven als weetniet.

Je leeft je leven als weetniet.

Je eindigt je leven als weetniet.

Je bent en blijft een weetniet.

Een dummy, een sufferd, een onbenul.

Een professor in slap gelul.

Of je het ziet of niet.

Het enige verschil tussen jou en mij is dat ik het niet langer verberg.

Alleen dwazen geloven in hun wijsheid.

Je herkent ze al van verre.

Aan hun wijde gewaden.

Aan hun brede gebaren.

Aan hun gedragenheid.

Geestelijke lijders.

Op zoek naar volgelingen.

Gedeelde smart is halve smart, maar wel twee keer zo veel.

Wat heb je dan gewonnen?

Niet-weten is verliezen.

Wie niet-weet is gezien.

De onmacht aan de macht!

Overmacht maakt zacht!

Je zwakte is je kracht!

De weetniet is groot – in zijn kleinheid.

Niet-weten is je kleinheid realiseren.

Precies zo groot worden als je bent, niet groter, niet kleiner.

Je ware grootte vinden is grootteloos worden.

Je grootheid verliezen en je kleinheid verliezen.

Niet meer weten hoe groot je bent in absolute zin.

Niet meer weten hoe groot je bent in vergelijking met anderen.

Niet meer weten hoe groot mensen zijn.

Weten dat mensen geen ware grootte hebben – behalve in hun geest.

Weten dat je zelfs niet weet of mensen een ware grootte hebben.

Wijs is wie zijn dwaasheid kent.

Zengeest, weetnietgeest in mijn boekie.

Dat boekie is nog kleiner dan het boekie van Suzuki.

Het is een leeg boekie.

Het is een boekie van niets.

Hét boekie van niets.

Zelfs niet weten van niet-weten is zoiets als tien pond scheten.

Het is gewoon de volgende val.

Trap er niet in!

401 - Niet-weten is steeds opnieuw beginnen

‘Waarmee kun je niet-weten vergelijken?’

‘Undo.’

‘Wat?’

‘Ctrl-Z.’

‘Het lijkt wel algebra.’

‘Het commando ongedaan-maken op de computer.’

‘Wat wordt er ongedaan gemaakt?’

‘Je vorige gedachte.’

‘Waarmee?’

‘Je huidige gedachte.’

‘Waarmee maak je die dan weer ongedaan?’

‘Je volgende gedachte natuurlijk.’

‘Aha!’

‘Wat?’

‘Eindelijk snap ik het.’

‘Undo.’

402 - Niet-weten is nooit af

Een achtvoudige lus.

1. De werkelijkheid bestrijden met de middelen van het realisme.

2. Luchtkastelen bestrijden met de middelen van het idealisme.

3. Gedachten bestrijden met de middelen van de psychologie.

4. Kennis bestrijden met de middelen van de wetenschap.

5. Stellingen bestrijden met de middelen van de filosofie.

6. Bewijzen bestrijden met de middelen van de logica.

7. Woorden bestrijden met de middelen van de taal.

8. Niet-weten bestrijden met niet-weten.

Gauw terug naar 1.

403 - Niet-weten is een kind

Een worm weet wat niet-weten is.
Een vis weet wat niet-weten is.
Ook ik wist wat niet-weten is
Totdat ik het wou weten.

Geen mens wist wat niet-weten was.
Geen prof wist wat niet-weten was.
Want weten wat niet-weten is
Is nevernooit niet-weten.

Een aap weet wat niet-weten is.
Een kind weet wat niet-weten is.
Ook jij wist wat niet-weten is
Al wil je het niet weten.

404 - Niet-weten is uit je woorden komen

De vrijdenker en de agnost.

Vrijdenker: Je komt altijd slecht uit je woorden als je niets te zeggen hebt.*

* Uitspraak van Voltaire (1694-1778).

Agnost: Je komt altijd slecht uit je woorden als je er nog in zit.

Vrijdenker: Als je waar nog in zit?

Agnost: In je woorden.

Vrijdenker: Wat als je niet meer in je woorden zit?

Agnost: Niet-weten.

Vrijdenker: Wat is niet-weten?

Agnost: Uit je woorden komen.

Vrijdenker: Wat als je uit je woorden bent gekomen?

Agnost: Dan heb je niets meer te zeggen.

405 - Wat heb je liever, botpijn, wondpijn of fantoompijn?

De afzetter.

Patiënt: Toen mijn been er nog aan zat deed het verschrikkelijk zeer, toen het er net af was deed het verschrikkelijk zeer, en nu we een jaar verder zijn doet het nog steeds verschrikkelijk zeer.

Dokter: Eerst had je botpijn, toen wondpijn en nu fantoompijn.

Patiënt: Wat maakt mij dat nou uit!

Dokter: Jou misschien niets, maar voor de behandeling maakt het wel degelijk verschil.

Patiënt: Voor de behandeling misschien wel, maar voor de pijn niet.

Dokter: Hoor eens, ik ben God niet.

Patiënt: Hadden we het nou maar meteen fantoompijn genoemd.

Dokter: Hoezo?

Patiënt: Dan had ik nu tenminste mijn been nog gehad.

406 - De eindeloze ruimte tussen de woorden

A small step for a man, a big step for a mind.

De eindeloze ruimte tussen de woorden

Voor de zwe(r)vers onder ons

Beste Hans,

Is niet-weten volgens jou iets wat je bereikt of iets wat je ontvangt? Is het een kwestie van oefening of een kwestie van genade? Van eigenmacht of van anderkracht? Van inzet of van overgave?

Beste X,

H: Niet-weten is een kwestie van opgave, als je het mij vraagt.

X: Wat opgeven?

H: Het weten opgeven. Het niet-weten opgeven. Het opgeven opgeven.

X: Dan ben je gauw uitgepraat.

H: Dát is niet-weten.

X: Gauw uitgepraat zijn?

H: Uitgepraat, uitgedacht, uitgezwegen.

X: Maar is niet-weten eerder iets dat je hebt bereikt of iets dat je hebt ontvangen – wat denk jij?

H: Door te zeggen dat ik het heb bereikt, suggereer ik dat er een bestendige persoon is in een bestendige wereld die een bestendige, benoembare en beschrijfbare verandering in zichzelf heeft bewerkstelligd. Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door dit te zeggen suggereer ik dat er niet zoiets is als een bestendige wereld of een bestendige persoon die in zichzelf een bestendige, benoembare en beschrijfbare verandering heeft bewerkstelligd. Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door te zeggen dat ik het niet-weten heb ontvangen, suggereer ik dat er een bestendige en almachtige gever bestaat en een onmachtige maar bestendige persoon die uitsluitend door de inspanning, goedgeefsheid of het blote bestaan van eerstgenoemde een bestendige, benoembare en beschrijfbare verandering heeft ondergaan. Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door dit te zeggen suggereer ik dat er niet zoiets is als een bestendige en almachtige gever en een onmachtige maar bestendige persoon die uitsluitend door de inspanning, goedgeefsheid of het blote bestaan van eerstgenoemde een bestendige, benoembare en beschrijfbare verandering heeft ondergaan. Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door keer op keer te verwijzen naar een drievoudige suggestie die haaks op niet-weten staat suggereer ik dat er zoiets is als een bestendig niet-weten dat het best tot uitdrukking komt door niet-suggereren. Een suggestie die haaks staat op niet-weten, evenals deze, et cetera ad nauseam. Ben je er nog?

X: Ik zie je probleem.

H: Wat jij een probleem noemt is voor mij een oplossing, namelijk een manier van denken en spreken die zichzelf vrijmoedig en blijmoedig ondermijnt.

Helaas suggereert het woord oplossing meteen weer een bestendig probleem in een bestendige wereld en een bestendige oplossing van een bestendig persoon. Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door dit te zeggen suggereer ik weer dat het bestaan onbestendig is of dat de mens en de wereld ledig zijn en dat we vooral niet moeten suggereren dat dit niet het geval is. Een drievoudige suggestie die haaks op niet-weten staat.

En zo blijven we aan de gang en van de straat. Wat maak jij van deze praat?

X: Volgens mij wil jij laten zien wat een mens zich allemaal op de hals haalt door zich af te vragen of niet-weten een kwestie is van bereiken of ontvangen, oefening of genade, eigenmacht of anderkracht, inzet of overgave.

H: Dit suggereert alweer dat er zoiets is als een mens en dat die mens daar een keuze in heeft en er maar beter mee kan ophouden – en dít dat er niet zoiets is als een mens en/of dat die mens het maar heeft te ondergaan.

X: En dat wil jij laten zien?

H: Wil ik iets laten zien?

X: Waar hebben we het anders over?

H: Woorden tekenen de ruimte uit, zoals condenssporen de lucht en sterren de melkweg. Ik ben dol op woorden, maar ze hebben de neiging de ruimte aan het zicht te onttrekken.

Wie veilig in een huisje van woorden wil wonen, prefab of zelfgebouwd, moet dat vooral doen. Ik word er toevallig claustrofobisch van. Bereiken versus ontvangen, oefening versus genade, eigenmacht versus anderkracht, inzet versus overgave – aaargh!

X: Waar hebben we het dan over?

H: Over de eindeloze ruimte tussen de woorden. Voor de zwe(r)vers onder ons.

X: Hoe is het daar?

H: Daar is het goed toeven, als je eenmaal je pleinvrees overwonnen hebt.

407 - Niet-weten is het eind van alle kwesties

Niet-weten is geen kwestie van bereiken.
Niet-weten is geen kwestie van ontvangen
Niet-weten is geen kwestie van bereiken én ontvangen.
Niet-weten is geen kwestie van bereiken noch ontvangen.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

Niet-weten is geen kwestie van oefening.
Niet-weten is geen kwestie van genade.
Niet-weten is geen kwestie van oefening én genade.
Niet-weten is geen kwestie van oefening noch genade.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

Niet-weten is geen kwestie van eigenmacht.
Niet-weten is geen kwestie van anderkracht
Niet-weten is geen kwestie van eigenmacht én anderkracht.
Niet-weten is geen kwestie van eigenmacht noch anderkracht.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

Niet-weten is geen kwestie van inzet.
Niet-weten is geen kwestie van overgave.
Niet-weten is geen kwestie van inzet én overgave.
Niet-weten is geen kwestie van inzet noch overgave.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

Niet-weten is geen kwestie van spreken.
Niet-weten is geen kwestie van zwijgen.
Niet-weten is geen kwestie van spreken én zwijgen.
Niet-weten is geen kwestie van spreken noch zwijgen.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

408 - Niet-weten is ademruimte, denkruimte, speelruimte, leefruimte

Beste Hans,

Hierbij een link naar een interview met de spirituele leraar Puntje-puntje-puntje. Ik ben benieuwd wat jij ervan vindt.

Beste X,

Dank voor je, even tellen, derde link alweer deze maand. En we zijn pas op de helft.

Man, wat een saai filmpje weer. Wat een ontstellende stelligheid. Zoveel clichés, hoe krijg je ze bij elkaar. Zitten er dan alleen maar klonen op Youdupe? Niet om door te komen, zeg.

Wil je mij een lol doen? Stuur me geen links meer. Je mag er zoveel niet-sturen als je wilt. Beter nog: stuur ze me maar allemáál niet. Dan ben jij wel even zoet en ik wat minder zuur.

Beste Hans,

Hierbij de, even tellen, vijfde link alweer deze maand. Sorry hoor, maar ik ben ervan overtuigd dat deze je aan zal spreken. Je moet er wel even de tijd voor nemen en het gesprokene goed tot je laten doordringen. Ik zou je haast vragen om het voor mij te doen, maar je moet het natuurlijk alleen voor jezelf doen.

Beste X,

Sinds ik online ben met mijn website over niet-weten worden mij voortdurend filmpjes, boekjes, mp3-tjes, verhaaltjes, gedichtjes, preken, teisho’s, satsangs, sensei’s, goeroes, meditatietechnieken, therapieën en waarheden aanbevolen. Dikwijls met klem. Alsof mijn website SOS.NL heet in plaats van NietWeten.nl.

In de mystiek spreekt men weleens van de donkere nacht van de ziel waarin je zou verkeren nadat je je eindelijk van alle zelfbeelden en godsbeelden hebt verlost, maar voordat het de beeldloze godheid behaagt je ziel binnen te gaan. Machteloos wachtend, smachtend naar de minne.

Ook in jouw ogen schijnt niet-weten een noodzakelijk kwaad te zijn. Een wachtkamer zonder dak of gemak. De blote hemel tussen woonhuis en godshuis. De bomkrater die de ingang van het paradijs verspert en daarom zo snel mogelijk opgevuld moet worden.

Zelf vind ik in dat gigagat juist ademruimte, denkruimte, speelruimte, leefruimte. Van je af kunnen kijken, dat geeft het gemoed pas rust. Pleinvree noem ik dat, pleinvreugd, pleinlust, agorafilie.

Ik wil je niet naar buiten lokken, hoor. Jou niet en niemand niet. Ik zeg alleen hoe het er is, op het weidse plein van de vreemde weetnietvrede. Hoe ik het beleef. Voor wie het horen wil. Voor wie het hebben kan.

X: Ik kan zo’n filmpje wel tien keer zien, weet je dat? Puntje-puntje-puntje weet het als geen ander te vertolken.

H: Integendeel, Puntje-puntje-puntje weet het als ieder ander te vertolken. Hij bedient zich van het standaard wijsheidsjargon met cliché’s als ego, identiteit, illusie, waarheid, karmisch pad, boeddhaveld, verlichting, een hogere bewustzijnstoestand, transcendentie, gelukzaligheid, universele liefde, totale openheid, heelheid, non-dualiteit, het absolute, de bron, eenheid, integratie en balans. Spoken in de bovenkamer. Wie gelooft daar nog in?

De weetnietgeest in elk geval niet. Jaren geleden heb ik in een roes van beate verstandsverbijstering door al deze en soortgelijke termen een streep gezet. Niet met een potlood, niet met een pen maar met een stanleymes. Dat beviel zo goed dat ik sindsdien vrijwel niks anders meer doe. Nu ook weer. Krassen, krassen, krassen.

Zó houdt de weetnietgeest zijn vredesplein leeg.

409 - De weetnietgeest van Linji Yixuan en Seung Sahn

Over het verschil tussen nog-niet-weten en niet-meer-weten.

Net als de taoïsten waaraan ze schatplichtig zijn, hebben zenboeddhisten iets met niet-weten.

Altijd gehad, en nog steeds.

Eerder in dit Witboek niet-weten kwamen we al mijn favoriete koan uit het antieke Book of Serenity tegen:

Dizang: Waar ga je heen?
Fayan: Op bedevaart.
Dizang: Waar is dat goed voor?
Fayan: Dat weet ik eigenlijk niet.
Dizang: Niet weten is het meest nabij.

De 11e-eeuwse (om en nabij) kampioen van niet-weten was misschien de fictieve Chinese meester Linji, bekend van de koancollectie de Linji Lu en losjes gebaseerd op de historische meester Linji uit de 9e eeuw.

De 20e-eeuwse kampioen niet-weten was waarschijnlijk wijlen de Koreaanse zenmeester Seung Sahn, in het westen bekend van de don’t-know mind (de weetnietgeest) – en inmiddels ook van zijn losse zeden, wat we lang niet wisten.

Zijn teaching letters zijn kostelijk leesvoer. In honderden van die brieven komt het niet-weten langs, indirect of met zoveel woorden – al spreekt hij in andere brieven vaak met een (voor mij) onverdraaglijke patriarchale stelligheid.

Naast ‘niet-weten’ heeft zen van oudsher eufemistische oxymorons gebezigd zoals ‘de kennis zonder leraar’, ‘de wijsheid zonder wijsheid’ en ‘de wijsheid voorbij alle wijsheid’.

Eufemistisch omdat zen tenminste in de zin van een radicaal niet-weten – weetnietzen noem ik dat – helemaal geen vorm van kennis of wijsheid is, dus ook geen hogere of overstijgende.

Onwetendheid is het echter ook niet, juist niet, want wie tot niet-weten wil komen, moet diep door de leerstof van het leven gaan.

Zo diep dat de gaten erin vallen en je er eindelijk doorheen kunt zien.

Vraag me niet wat je dan zult zien, want dat behoort nog tot de leerstof.

Het gaat erom dat je die volledig doorziet; dit heet het doden van de Boeddha.

Waaraan herken je de zenboeddhist?

Zijn pij is gemaakt van de duurste sunyata. Toch is hij geen exhibitionist.

Hij is in niets te onderscheiden van een keizer zonder kleren. Toch heeft hij geen rijk.

Hij heeft niets meer hoog te houden. Toch is hij niet laag.

Hij heeft niets meer te doen. Toch zit hij niet bij de pakken neer.

Hij weet alleen niet meer.

Zenboeddhisme, wil ik zeggen, is steno voor niet-weten.

Niet-weten, wil ik zeggen, is steno voor niet-meer-weten.

Niet-meer-weten is heel wat anders dan nog-niet-weten of niet-willen-weten of primaire onwetendheid.

Niet-meer-weten is het zeker-weten achter je laten zonder te vergeten wát je hebt geweten, dát je hebt geweten, dat je het allemaal heilig hebt gelóófd, dat je ervoor instond, dat je je ermee identificeerde, dat je er mensen steeds mee om de oren sloeg of ze wilden of niet.

Niet-meer-weten volgt op weten zoals weten volgt op onwetendheid.

Alleen de zen van niet-meer-weten mag van mij weetnietzen heten.

Maar gelukkig heb ik daar niets over te zeggen.

410 - Niet-weten als leeg geloof

Wie niet weet is geen priester.

Was hij toch een priester dan was hij geen hogepriester maar een lage priester die alles boven de pet ging, nergens hoogte van kreeg en nergens boven stond.

Nee, geen lage priester maar een lege priester van een leeg geloof.

Nu kan er maar één leeg geloof zijn, want waarin zou het ene lege geloof, Ø1, verschillen van het andere lege geloof, Ø2?

We kunnen dus beter spreken van hét lege geloof.

Als religie is het lege geloof, gespeend van gebruikelijke infernalia als goden, engelen, duivelen, hemelen, vagevuren, hellen, geschriften, gebeden, voorschriften, gewaden, ornamenten, relikwieën, rituelen en andere licht ontvlambare materialen.

Het lege geloof kent geen gelovigen en geen ongelovigen.

Het kent geen canonieke werken en geen apocriefe.

Het kent geen rechtzinnigen en geen vrijzinnigen.

Het kent geen inquisiteurs en geen martelaren.

Het kent geen openbaringen en geen crypten.

Het kent geen biechthokjes en geen aflaten.

Het kent geen kruis en geen kruisvaarders.

Het kent geen kloosters en geen roosters.

Het kent geen heiligen en geen heidenen.

Het kent geen kerken en geen kerkers.

Omdat het lege geloof geen enkele vorm van afleiding of voorstelling biedt, is het wellicht de meest geconcentreerde religie onder de zon, maar waarop concentreert het zich?

Niet op de zon.

Ook niet op de hemel of de aarde.

Wat er dan nog overblijft?

De tussenruimte natuurlijk.

Zijn het niet de uitsparingen die de letters, de spaties die de woorden, de interlinies die de regels, de marges die de boeken maken?

Is het niet de tussenruimte die beweging mogelijk maakt?

Het lege geloof aanhangen, dat is rondzweven in het onbegrensde.

En wat mag dat onbegrensde dan wel wezen?

Waarin zweeft men dan rond en wat hangt men dan aan?

Geen idee!

Geen idee is waarin men dan rondzweeft.

Geen idee is wat men dan aanhangt.

Het lege geloof, Ø, koestert geen enkele overtuiging, positief, negatief of neutraal, over willekeurig wat.

Dus ook niet over de gevestigde godsdiensten, het lege geloof of het koesteren van overtuigingen, positief, negatief of neutraal, over willekeurig wat.

Van ons heeft niemand iets te vrezen, behalve die de ruimte vrezen, en dan nóg.

Zwart vlak met doorzichtige regenbooglijnen in de vorm van een vrouw met een cape met kap.
De lege moeder van het lege geloof.

411 - Welkom in het Niemendal

Welkom in het Niemendal

Waar geen woorden zijn

Te wegen

Waar geen stellingen zijn

Te verdedigen

Waar geen oordeel is

Te staven

Waar geen reden is

Te redeneren

Waar geen wijsheid is

Over te dragen

Waar geen geheim is

Te ontraadselen

Waar geen verhaal is

Te halen

Waar geen hoofd is

Te foppen

Waar geen hart is

Te kloppen

Waar geen hartstocht is

Te blussen

Waar geen grond is

Te bezitten

Waar geen weg is

Te wijzen

Waar geen doel is

Te rechtvaardigen

Waar geen middel is

Te heiligen

Waar geen heiligen zijn

Te schenden

Waar geen zonde is

Te bekennen

Waar geen God is

Te herkennen

Waar geen ik is

Te vermoorden

Waar geen ego is

Te temmen

Waar geen zelf is

Te verheffen

Waar geen mens is

Te vatten

Waar geen Jezus is

Te volgen

Waar geen Boeddha is

Te doden

Waar geen vorm is

Te verhullen

Waar geen leegte is

Te vullen

Waar geen eenheid is

Te verdelen

Waar geen illusie is

Te doorzien

Waar geen werkelijkheid is

Te realiseren

Waar geen doen is

Te laten

Waar geen laten is

Te doen

Waar geen wezens zijn

Te bevrijden

Waar geen vrijheid is

Te vangen

Waar geen weten is

Te meten en

Niet-weten is

Gezien

412 - Woorden zijn oneindige werelden

De spreker en de agnost.

1.

Spreker: Veel wijsheid ligt in korte woorden besloten.*

* Uitspraak van Sophocles (496-406).

Agnost: Dat is het probleem niet.

Spreker: Wat is het probleem wel?

Agnost: Hoe je het eruit krijgt.

2.

Spreker: Veel wijsheid ligt in korte woorden besloten.

Agnost: Vandaar.

Spreker: Wat?

Agnost: Dat iedereen er iets anders uit haalt.

3.

Spreker: Veel wijsheid ligt in korte woorden besloten.

Agnost: Veel dwaasheid ook.

413 - ‘Geloof niets van wat ik zeg’

Beste Hans,

Op je website citeer je heel wat schrijvers uit heel wat tradities.* Ik maak me sterk dat een aantal van hen weinig tot niets opheeft of opgehad zou hebben met jouw niet-weten. Ik denk hierbij onder meer aan Samuel Beckett, Nico Tydeman, Janwillem van de Wetering, Jean Baudrillard, Toon Hermans, André van der Braak, Byron Katie, Jan van Delden, Elisabeth Dinnissen, Ton Lathouwers en Jan van den Oever.

Beste X,

Niet-weten betoogt niets en behoeft geen bewijs. Ik schrijf erover omdat ik er vol van ben. Ik ruis ervan als een schelp van de zee. Ik zoem ervan als een bij rond een bloem. Ik draai eromheen als licht rond de waarnemingshorizon van een zwart gat. Op het randje, het uiterste randje van het weten, zodat je me nog net kan zien, misschien.

De citaten heb ik uitgekozen omdat ze losgeweekt uit hun oorspronkelijke context, iets van de geest van niet-weten uitstralen. Wat dat over de geest van de auteurs zegt, weet ik niet. Mogelijk zijn ze het roerend met je eens, maar tot nog toe heeft niemand bezwaar aangetekend.

‘Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor het werk of de auteur in kwestie of voor mij’, schrijf ik in de disclaimer die sinds jaar en dag prominent in mijn colofon staat. Dat ik iemand citeer, betekent dus niet dat ik voor hem insta, of hij voor mij. Duidelijker kan ik het niet maken.

X: Waarom iemand citeren voor wie je niet instaat?

H: Wie moet ik anders citeren? Welbeschouwd sta ik voor niets en niemand in, ook niet voor mezelf. Voor niets en niemand instaan – een ander woord voor niet-weten. Of om het met Linji te zeggen:

Volgers van de Weg, geloof niets van wat ik zeg. Waarom niet? Mijn lering heeft geen grond. Mijn beweringen zijn onbewijsbaar. Het zijn condensstrepen in de lucht die meteen weer oplossen.

Mooie woorden die ik graag citeer. Wat niet betekent dat ik nu namens Linji spreek en dat je de groeten van hem moet hebben.

X: Je citaat van Linji bevat een anachronisme. Of dacht jij dat er destijds al straalvliegtuigen rondvlogen?

H: Dacht jij dat Chinezen destijds al Nederlands spraken?

X: Ik geloof niets van wat je zegt.

H: Dat kan ik iedereen aanraden.

* In 2017 heb ik mijn verzameling van vijfduizend citaten over niet-weten vernietigd. Sindsdien spreek ik alleen voor mezelf.

414 - Gedachten zijn oneindige afgronden

De wiskundige en de agnost.

Wiskundige: In ieder mens is er een oneindige afgrond die je alleen met God kunt vullen.*

* Uitspraak van Blaise Pascal (1623-1662).

Agnost: In iedere God is er een oneindige afgrond die Hij alleen met mensen kan vullen.

Wiskundige: Dat is heel wat anders.

Agnost: Dat zegt u.

Wiskundige: We hebben het nu over de mens.

Agnost: In ieder mens is er een oneindige afgrond die je alleen met fantasie kunt vullen.

Wiskundige: Wou u beweren dat God een fantasie van de mens is?

Agnost: Tenzij dat ook een fantasie van de mens is.

Wiskundige: Dus volgens u is er in ieder mens een oneindige afgrond die je alleen met fantasie kunt vullen.

Agnost: Volgens mij is er in ieder mens een oneindige afgrond die je nergens mee kunt vullen.

Wiskundige: En waarom zou je die oneindige afgrond niet met God kunnen vullen?

Agnost: Geen afgrond laat zich met een afgrond vullen.

Wiskundige: Wou u beweren dat God zelf een oneindige afgrond is?

Agnost: Er hebben zich al heel wat mensen in gestort.

Wiskundige: Als we de oneindige afgrond in de mens nergens mee kunnen vullen, wat moeten we er dan mee doen?

Agnost: Lekker laten gapen.

Wiskundige: Wat als je die gapende afgrond in je binnenste niet verdraagt?

Agnost: Dan probeer je hem met wiskunde te vullen.

Wiskundige: Dat heb ik inderdaad geprobeerd.

Agnost: Maar?

Wiskundige: Met heel mijn wiskundig vernuft ben ik er niet in geslaagd de gapende afgrond in mijn binnenste te vullen.

Agnost: En toen?

Wiskundige: Probeerde ik hem met gedachten te vullen.

Agnost: De Pensées.

Wiskundige: Met heel mijn filosofisch vernuft ben ik er niet in geslaagd de gapende afgrond in mijn binnenste te vullen.

Agnost: Misschien is die gapende afgrond in uw binnenste ook maar een gedachte.

Wiskundige: Dat is een vernuftige gedachte.

Agnost: Misschien zijn gedachten wel oneindige afgronden.

Wiskundige: Die zich dan natuurlijk met geen enkele gedachte laten vullen.

Agnost: Geen afgrond laat zich met een afgrond vullen.

Wiskundige: Al hebben zich er al heel wat mensen in gestort.

Agnost: Of zijn dit ook maar weer gedachten?

Wiskundige: In ieder mens is er een oneindige afgrond die je alleen met God kunt vullen.

415 - De God van niet-weten

‘Hoe heet jouw God, Hans?’

‘TJA!’

‘Geloof jij in God?’

‘Tja.’

416 - Als je in de afgrond springt, spring je in jezelf

De nihilist en de agnost.

Nihilist: Als je in de afgrond kijkt, kijkt hij ook in jou.*

* Uitspraak van Friedrich Nietzsche (1844-1900).

Agnost: Als je in de afgrond kijkt, kijk je in jezelf.

Nihilist: En als je in jezelf kijkt?

Agnost: Kijk je in de afgrond.

Nihilist: En als je in de afgrond roept?

Agnost: Hoor je steeds jezelf.

Nihilist: En als je in de afgrond springt?

Agnost: Spring je in jezelf.

Nihilist: Dat vraagt veel moed!

Agnost: Boven blijven net zo goed.

Nihilist: Wat als je in jezelf springt?

Agnost: Dan kom je er wel uit.

Nihilist: Wat als je uit jezelf komt?

Agnost: Dan merk je geen verschil.

Nihilist: Dan ben je er toch uit?

Agnost: Je bent erin gebleven.

Nihilist: Hoe kan dat dan?

Agnost: De afgrond is overal.

Nihilist: Wat maakt het dan uit of je erin springt of niet?

Agnost: Ik zou het ook niet weten.

Nihilist: Maar wat heb je er dan aan?

Agnost: Hoe wou je er anders achter komen?

Nihilist: Volgens mij heb ik zojuist in de afgrond gekeken.

Agnost: Als je in de afgrond kijkt, kijkt hij ook in jou.

417 - Niet-weten is helemaal het einde!

Reizen zonder bestemming.

Niet-weten is een reis …

1. Naar het einde van het vasthouden – én het einde van het loslaten!

2. Naar het einde van gehechtheid – én het einde van onthechting!

3. Naar het einde van het relatieve – én het einde van absolute!

4. Naar het einde van samsara – én het einde van nirwana!

5. Naar het einde van de vorm – én het einde van de leegte!

6. Naar het einde van de dwaasheid – én het einde van de wijsheid!

7. Naar het einde van het worden – én het einde van het zijn!

8. Naar het einde van de illusie – én het einde van de werkelijkheid!

9. Naar het einde van het onderscheid – én het einde van de eenheid!

10. Naar het einde van de complexiteit – én het einde van de eenvoud!

11. Naar het einde van de vrijheid – én het einde van de gebondenheid!

12. Naar het einde van je lichaam – én het einde van je geest!

13. Naar het einde van jezelf – én het einde van het Zelf!

14. Naar het einde van je hoogmoed – én het einde van je deemoed!

15. Naar het einde van de wanhoop – én het einde van de hoop!

16. Naar het einde van je twijfels – én het einde van je zekerheden!

17. Naar het einde van je geloof – én het einde van je ongeloof!

18. Naar het einde van je welles – én het einde van je nietes!

19. Naar het einde van je woorden – én het einde van je stilte!

21. Naar het einde van het weten – én het einde van het niet-weten.

21. Naar het einde van het doen – én het einde van het laten.

22. Naar het einde van de reis – én het einde van einde!

Daarom zeg ik: Goede reis!

Maar ik bedoel natuurlijk: Welkom thuis!

418 - Niet-weten is geen gebod

‘Wat is weten?’

‘Een gebod zonder end.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een gebed zonder end.’

419 - De bergbeklimmer en de berg

Bergbeklimmer: Ik heb al tien bergen bedwongen!

Berg: Ik heb al tienduizend klimmers bedwongen!

420 - Een zwerver is altijd onderweg

X: Waarmee kun je niet-weten vergelijken?

H: Met een nomadenbestaan.

X: Hoe bedoel je?

H: Je zwerft van kamp naar kamp zonder ergens te blijven hangen.

X: Almaar verder gaan, daar komt het op aan.

H: Ach.

X: Wat?

H: Je hangt alweer.

421 - De wandelaar en de drenkeling

Wandelaar: Die uitlaatgassen!

Drenkeling: Lucht!

422 - De smaak van niet-weten

Beste Hans,

Nooit eerder heb ik iemand zo gemakkelijk paradoxen aan elkaar zien rijgen als jij. Maar je kunt van gewone stervelingen toch niet verwachten dat ze hun niet-weten op deze manier uitdrukken?

Beste X,

Nee zeg, stel je voor. Maar waarom zou je je niet-weten ook willen uitdrukken? Dat heeft toch helemaal geen zin. Behalve voor gewone stervelingen als ik die toevallig niks beters te doen hebben.

X: Wat is niet-weten in de praktijk?

H: In de praktijk is niet-weten gewoon je schouders ophalen over alle dwaze gedachten die de hele dag door je hoofd schieten. Waaronder deze. Dat is alles.

X: Waarom dan dat gegoochel met paradoxen?

H: Paradoxen gebruik ik alleen maar om niets te zeggen zonder meteen in stilzwijgen te vervallen.

Niets zeggen zonder meteen in stilzwijgen te vervallen doe ik alleen maar om mensen een voorproefje van de smaak van niet-weten te geven.

Dat kan misschien ook op andere manieren, als het al kan, maar dit is toevallig de mijne.

X: Als ik je dwaalteksten lees denk ik steeds: zo denk ik niet. Dat kan ik nooit.

H: Ik ook niet hoor. Het klopt dat mijn denken zichzelf de hele dag door ondermijnt, maar toch niet zo uitdrukkelijk en beheerst als mijn schrijfsels suggereren.

Dwaalteksten zijn bouwwerkjes die langzaam tot stand komen, waarbij ik de innerlijke tegenstrijdigheid van de tekst stap voor stap verhoog en verfijn.

Niet-weten betekent alleen maar dat je het allemaal niet meer weet en daarvoor uitkomt. Hoe je het zegt is vers twee.

X: Hoe verhoudt jouw denken zich tot je teksten?

H: Als suikerbieten tot kristalsuiker.

X: Een hele geruststelling.

H: Zeker weten.

X: Als je alleen maar een voorproefje van de smaak van niet-weten wilt geven, waarom schrijf je dan niet gewoon je gedachten uit zoals ze je invallen?

H: Waarom doe jij niet gewoon suikerbieten in je koffie?

X: Ik hou niet van koude koffie.

H: Ik hou niet van troebele teksten.

X: Waarmee kun je de smaak van niet-weten vergelijken?

H: Het is maar net aan wie je het vraagt, zei de mestkever tegen de oorwurm.

X: Diksap? Likeur? Champagne?

H: Optimist.

X: Azijn? Sambal? Gal?

H: Pessimist.

X: Wat dan wel?

H: Water. Gewoon water. Helder, smaakloos, reukloos, vormloos. De enige dorstlesser waar je geen dorst van krijgt.

Niet-weten is bronwater voor de geest.

Twee portretten van de auteur met het gezicht naar elkaar toe, de linker in de vorm van een suikerbiet, de rechter gevuld met bruisend bronwater.

423 - Stijlfiguren niet-weten: antithese

Een antithese is een stijlfiguur in de vorm van een nevenschikking van tegengestelde begrippen om door de contrastwerking de nadruk te verhogen.

De hoogste waarheid een lage leugen.

Als een dwaas maar lang genoeg naar het westen loopt, wordt hij vanzelf een wijze uit het oosten.

Wie denkt in termen van goed en fout zit goed fout.

De weg naar niet-weten is de opgang naar je afgang.

De antithese of tegenstelling is de grondvorm van twee andere stijlfiguren: het oxymoron en de paradox.

424 - Het volle leven is meer dan zweven

De goeroe en de agnost.

Goeroe: Het leven begint waar de angst eindigt.*

* Uitspraak van Osho (1931-1990).

Agnost: De angst begint waar het leven begint.

Goeroe: En de angst eindigt waar het leven begint.

Agnost: En de dood begint waar de angst eindigt.

Goeroe: Want leven is niet bang zijn.

Agnost: Want leven is ook bang zijn.

Goeroe: Dus wees niet bang voor het leven.

Agnost: Dus wees niet bang voor de angst.

Goeroe: Want de angst eindigt waar het leven begint.

Agnost: Want de angst begint waar het leven begint.

425 - Nu-isme is van alle tijden

De goeroe en de agnost.

Goeroe: Wie naar de toekomst verlangt, wil het heden mijden.*

* Uitspraak van Jiddhu Krishnamurti (1895-1986).

Agnost: Verlangen vindt plaats in het heden.

Goeroe: Daar zegt u me wat.

Agnost: Mijden vindt eveneens plaats in het heden.

Goeroe: Verdraaid.

Agnost: Dus dat kan het probleem niet zijn.

Goeroe: Wat kan het probleem wel zijn?

Agnost: Wie naar het heden verlangt, wil de toekomst of het verleden mijden.

Goeroe: Ja, zo kun je het ook zien.

Agnost: Wie het mijden wil mijden, verlangt naar een toekomst of verleden zonder vermijding.

Goeroe: U draait het helemaal om.

Agnost: En wie naar een goeroe gaat wil aan het heden ontsnappen.

Goeroe: Maar ik verwijs ze toch juist naar het heden?

Agnost: Daarom komen ze juist naar u toe.

Goeroe: Waarom komen ze juist naar mij toe?

Agnost: Omdat u ze een toekomst voorspiegelt zonder verleden.

Goeroe: Dat lijkt me een heel goede reden.

Agnost: Zo trekt u ze uit hun heden.

nu-isme: het idee dat alleen het nu reëel is, en het ideaal om helemaal in het heden te leven, zonder gisteren of morgen, zonder spijt of zorgen.

426 - Een onwerkelijke waarheid

De goeroe en de agnost.

Goeroe: Geloof is één ding, werkelijkheid een ander.*

* Uitspraak van Jiddhu Krishnamurti (1895-1986).

Agnost: Gelooft u dat werkelijk?

Goeroe: De werkelijkheid is de enige waarheid.

Agnost: Gelooft u dan in de werkelijkheid?

Goeroe: Gelooft u dan niet in de werkelijkheid?

Agnost: Ongeloof is één ding, onwerkelijkheid een ander.

427 - Niet weten is echt geen filosofie

De denker en de agnost.

Denker: Echte filosofie is om de dingen te zien zoals ze zijn.*

* Uitspraak van Georges-Louis Leclerc de Buffon (1707-1788).

Agnost: Denkt u dat je de dingen kunt zien zoals ze zijn?

Denker: Wat is echte filosofie volgens u?

Agnost: Je afvragen of je de dingen kunt zien zoals ze zijn?

Denker: Is dat alles?

Agnost: Nagaan of de dingen waarvan je denkt dat je ziet zoals ze zijn wel echt zijn?

Denker: Ik weet het niet hoor.

Agnost: Ik ook niet hoor.

Denker: Filosofie is om de dingen te zien zoals ze echt zijn.

Agnost: Denkt u dat u de filosofie ziet zoals ze echt is?

Denker: Wat ziet u als u naar de filosofie kijkt?

Agnost: Een eindeloze optocht van mensen die denken dat alleen hun filosofie echt is.

Denker: U denkt toch ook dat alleen uw filosofie echt is?

Agnost: Ik denk niet dat ik echt een filosofie heb.

Denker: U geeft het in elk geval toe.

Agnost: Je hebt echt geen filosofie nodig om de dingen te zien zoals ze zijn.

428 - Niet-weten is een vertrekpunt

X: Wat is weten?

H: Een vertrekpunt.

X: Waarnaartoe?

H: Niet-weten.

X: Wat is niet-weten?

H: Ook een vertrekpunt.

X: Waarnaartoe?

H: Joost mag het weten.

X: En ik maar denken dat niet-weten een bestemming was.

H: Dat is weer weten.

429 - De weg leidt overal van weg

X: Waarheen leidt de weg van niet-weten?

H: Weg.

X: De weg leidt weg?

H: Het woord zegt het al.

X: Waar vandaan?

H: Overal vandaan.

X: Niet alleen van het vertrekpunt …

H: Maar ook van de bestemming.

X: Niet alleen van de leugen …

H: Maar ook van de Waarheid.

X: Niet alleen van de illusie …

H: Maar ook van de Werkelijkheid.

X: Niet alleen van het kwade …

H: Maar ook van het Goede.

X: Niet alleen van gehechtheid …

H: Maar ook van Onthechting.

X: Niet alleen van het geconditioneerde …

H: Maar ook van het Ongeconditioneerde.

X: Niet alleen van het wereldlijke …

H: Maar ook van het Heilige.

X: Niet alleen van de mind …

H: Maar ook van het Hart.

X: Niet alleen van het ego …

H: Maar ook van het Zelf.

X: Niet alleen van het weten.

H: Maar ook van het niet-weten.

X: Echt?

H: De weg leidt overal van weg.

430 - Op de vleugels van de wind

X: Gods wegen zijn wonderbaarlijk.

H: Ik weet zelfs niet waar ze liggen.

X: Wie kan het oneindige bevatten?

H: Wiskundigen zijn daar heel goed in.

X: Ik heb het over het numineuze.

H: Even mijn woordenboek pakken.

X: Het leven is één groot mysterie.

H: Dan zou je dat ook niet weten.

X: ‘Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen.’

H: Hè?

X: Wat?

H: Dat is de langste zin die ik je ooit heb horen spreken.

X: Romeinen 11:33.

H: Die wisten wel waar Abraham de mosterd haalt.

X: ‘De wind is heel snel en behendig: je weet niet vanwaar hij komt en waar hij heen wil. Deze wind is de allerinnerlijkste mens, de verborgen, hoogste mens, naar Gods beeld en godsvormig. Die gaat ver boven alle begrip uit en boven alles wat we met ons werkende verstand kunnen bedenken. Op de vleugels van de wind wiekt de geest steeds boven zichzelf uit, hoger dan ooit een adelaar opvloog in de richting van de liefelijke zon of het vuur opsteeg naar de hemel: zo wiekt de geest op naar de goddelijke duisternis, zoals Job zei: Zo is voor de mens de weg verborgen en is gehuld in duisternis; op naar de duisternis van de onbekendheid van God, daar waar Hij is boven alles wat men Hem kan toeschrijven, daar waar Hij naamloos, vormloos, beeldloos is boven alle zijnswijzen en boven al het zijn uit.’

H: Amen.

X: Aldus sprak de veertiende-eeuwse Rijnlandse mysticus Johannes Tauber.

H: En dat ken jij uit je hoofd?

X: Voor mij zijn het tijdloze woorden.

H: Andermans woorden.

X: Woorden zijn woorden.

H: En wat zegt de veertiende-eeuwse Rijnlandse mysticus Johannes Tauber volgens jou?

X: Ik … het leven … hoe onbegrijpelijk … bescheidenheid siert de mens die … in het aangezicht van … hier past alleen … tjemig.

H: Volgens mij bedoel je gewoon dat je niks van het leven snapt.

X: …

H: Of niet soms.

X: Daar kon je weleens gelijk in hebben.

H: Zeg dat dan meteen.

431 - Laat je niet aan de haak slaan

Visserslatijn.

Beste Hans,

Ik heb al heel wat ‘dwaalteksten’ gelezen, maar ik snap nog altijd niet waar je op uit bent. Vaak zeg je dat je niets te zeggen hebt. Dat wil er bij mij niet in. Je schrijft toch niet voor niets? Bovendien zeg je ook weleens dat je zelfs niet niets te zeggen hebt. Zelfs niet niets is gewoon weer iets, of niet soms. Welk iets?

Bij jou vang je altijd bot. Je zegt jezelf niet als iemand te zien en niet als niemand, niet als iets en niet als niets. Ik kan niet uit de voeten met alleen maar negatieve aanduidingen. Toe nou, zeg eens iets!

Beste X,

Een mysticus gebruikt negatieve uitspraken om het onzegbare te zeggen of het onduidbare te duiden, maar dat is niet het enige wat je ermee doen kunt.

Ikzelf gebruik ze om het denken aan de kaak te stellen. De ongelooflijke goedgelovigheid waarmee we voortdurend onze eigen en toegeëigende gedachten bejegenen. Gedachten, zowel bevestigende als ontkennende, over onze persoon, over onze ware aard, over god, over ethiek, over de weg, over de zin van het leven, over het denken, over liefde, mededogen, lijden, geluk, bejegening en goedgelovigheid – over wat dan ook. Nu deze weer.

Als ik zeg dat ik niet iemand en niet niemand ben dan bedoel ik daarmee niet dat ‘ik’ een illusie is die gekend wordt door het ware zelf of zo, maar dat de persoon Hans van Dam, ooit een vast uitgangspunt van mijn denken, voor mij op losse schroeven is komen te staan, zonder dat er iets voor in de plaats is gekomen.

Ik kan niet heilig geloven in Hans, vorm, ziel, atman, brahman god of zelf, maar ook niet in niet-Hans, leegte, geen-ziel, anatman, parabrahman, niet-zelf of niet-geloven. Ik heb geen idee of dat alleen maar ideeën zijn of namen van realiteiten, terwijl ook het onderscheid tussen idee en realiteit mij bij nader inzien ontglipt.

Laat ik het zo zeggen: hoe groot is volgens jou de kans dat je een vis vangt als je in een pot met pieren zit te hengelen?

X: De geest is een pot met pieren?

H: Dan is dit een van die pieren.

X: We moeten ons niet aan de haak laten slaan.

H: Ook niet door deze gedachte.

X: Niet-weten is knabbelen, niet bijten.

H: Klinkt meer als niet-eten.

X: Hoe zou jij het zeggen?

H: Je zit nog steeds te hengelen.

X: Ik denk dat ik maar ga vissen.

H: Niet tegen de wind in pissen.

432 - De negatieve weg gaat nergens heen

H: Waartoe zijn wij volgens jou op aarde?

X: Om het goddelijke in onszelf te ontdekken.

H: Hoe moeten wij volgens jou het goddelijke benaderen?

X: Het goddelijke laat zich alleen langs de via negativa benaderen.

H: Langs de wat?

X: De negatieve weg. ‘Niet dit, niet dat.’ Neti neti.

H: Wat moet ik me daarbij voorstellen?

X: Je geeft een opsomming van allerlei begrippen of tegenstellingen waaraan het onzegbare ongelijk is.

H: Geef eens een voorbeeld.

X: God is liefde noch haat, één noch veel, begrensd noch onbegrensd, persoonlijk noch onpersoonlijk, menselijk noch onmenselijk, bestaand noch onbestaand.

H: Wat is god dan wel?

X: Tja.

H: Is dat wat hij is of weet je het niet?

X: Als ik het wist zou ik de via negativa niet bewandelen.

H: Dus eigenlijk is de via negativa een stijlfiguur om duidelijk te maken dat je iets niet weet?

X: Het is een methode om boven het bekende uit te stijgen.

H: Is ‘een methode om boven het bekende uit te stijgen’ niet gewoon het volgende eufemisme voor ‘ik weet het eigenlijk niet’?

X: Ik weet het eigenlijk niet.

H: Dat ook al niet?

X: Ik ben bang van wel.

H: Zeg dat dan meteen.

433 - Schijngestalten van niet-weten

Bijna raak is helemaal mis – de via negativa* naar niet-weten.

*Via negativa is Latijn voor de negatieve weg. In de mystiek wordt deze term gebruikt voor de ontkennende weg naar of omschrijving van God. Ik weet niet wat God is, zegt de mysticus, maar ik weet wel wat God niet is of waar God aan vooraf gaat of waar God aan voorbij gaat. En dan volgt gewoonlijk een lijst van opsommingen. In de Indiase filosofie wordt dit procedé neti-neti genoemd, niet dit en niet dat. Denk ook aan a-dvaita: niet-twee.

Niet-weten is geen idee, geen ideaal en geen ideologie.

Toch wordt het vaak verward met een of andere theorie, filosofie of levensbeschouwing, zoals nihilisme, obscurantisme, anti-intellectualisme, stoïcisme, fatalisme of quiëtisme.

Onzin natuurlijk, een lege leer is leeg, geen leer.

Om alle misverstanden te voorkomen zou ik een volledige lijst van ismes moeten aanleggen en van ieder item X op die lijst met zoveel woorden moeten zeggen dat niet-weten geen X is: ‘niet-weten is geen atheïsme’, ‘niet-weten is geen defaitisme’, ‘niet-weten is geen probabilisme’, ‘niet-weten is geen taoïsme’ enzovoort.

Zo’n lijst heb ik weleens gemaakt, hij vormt het hart van de Intergalactische Waarheidsconferentie waar ik al eerder naar verwees, en bevat zo’n vierhonderd leren, wat nog geen fractie is van alle benoemde leren, laat staan van alle onbenoemde en geïmproviseerde.

Hieronder beperk ik me tot de ismes waarmee niet-weten vaak verward wordt en die ik hierboven 'mantels der wijsheid’ heb genoemd.

Die lijst hoef je niet uit je hoofd te leren, ik ken hem zelf ook niet uit mijn hoofd.

Niet-weten is een lege leer, Ø, zonder ideeën, idealen of ideologieën.

Daar zijn er geen driehonderd van, daar zijn er geen dertig van, daar zijn er geen drie van, daar is er maar één van, zei de koopman.

Ik zeg het nog maar eens: er is maar één lege leer – geen lege leer.

Kan niet missen.

Voor niet-weten hoef je werkelijk niets te weten, niets te onthouden en niets te vergeten.

Wie kan dat nou niet?

Catch 33

1. Absurdisme is het idee dat het leven belachelijk is. Niet-weten is geen absurdisme.

2. Agnosticisme is het idee dat het wel of niet bestaan van God onbewijsbaar is. Niet-weten is geen agnosticisme.

3. Anti-intellectualisme is het idee dat kennis, wetenschap en technologie onnatuurlijk zijn. Niet-weten is geen anti-intellectualisme.

4. Atheïsten is het idee dat God niet bestaat. Niet-weten is geen atheïsme.

5. Boeddhisme is het idee dat alle dingen en wezens leeg zijn. Niet-weten is geen boeddhisme.

6. Conceptualisme is het idee dat alleen het individuele werkelijk is. Niet-weten is geen conceptualisme.

7. Consensualisme is het idee dat waarheid op afspraak berust. Niet-weten is geen consensualisme.

8. Constructivisme is het idee dat verschijnselen sociale constructies zijn. Niet-weten is geen constructivisme.

9. Cynisme is het idee dat niets waarde heeft. Niet-weten is geen cynisme.

10. Dadaïsme is het idee dat het zinloze het allerhoogste is. Niet-weten is geen dadaïsme.

11. Existentialisme is het idee dat je zelf zin aan het leven moet geven. Niet-weten is geen existentialisme.

12. Fallibilisme is het idee dat kennis altijd fout kan blijken te zijn. Niet-weten is geen fallibilisme.

13. Falsificationisme is het idee dat hypothesen nooit bevestigd kunnen worden. Niet-weten is geen falsificationisme.

14. Fatalisme is het idee dat alles bepaald wordt door het lot. Niet-weten is geen fatalisme.

15. Fideïsme is het idee dat ieder weten een kwestie van geloven is. Niet-weten is geen fideïsme.

16. Holisme is het idee dat niets op zichzelf staat. Niet-weten is geen holisme.

17. Idealisme is het idee dat de stoffelijke werkelijkheid een illusie is. Niet-weten is geen idealisme.

18. Irrationalisme is het idee dat de rede een illusie is. Niet-weten is geen irrationalisme.

19. Monisme is het idee dat alles één is. Niet-weten is geen monisme.

20. Nihilisme is het idee dat er geen grondwaarheden of grondwaarden zijn. Niet-weten is geen nihilisme.

21. Nominalisme is het idee dat woorden geen tegenhanger hebben in de werkelijkheid. Niet-weten is geen nominalisme.

22. Non-dualisme is het idee dat er in werkelijkheid geen onderscheid is. Niet-weten is geen non-dualisme.

23. Obscurantisme is het idee dat je beter zo min mogelijk kunt weten. Niet-weten is geen obscurantisme.

24. Perspectivisme is het idee dat je altijd vanuit een beperkt oogpunt kijkt. Niet-weten is geen perspectivisme.

25. Pluralisme is het idee dat waarheid en werkelijkheid veelvormig zijn. Niet-weten is geen pluralisme.

26. Postmodernisme is het idee dat grote verhalen niet van deze tijd zijn. Niet-weten is geen postmodernisme.

27. Probabilisme is het idee dat waarheid waarschijnlijkheid is. Niet-weten is geen probabilisme.

28. Pyrronisme is het idee dat wij al onze oordelen moeten opschorten. Niet-weten is geen pyrronisme.

29. Quiëtisme is het idee dat je beter stil en teruggetrokken kunt leven. Niet-weten is geen quiëtisme.

30. Relativisme is het idee dat waarheid betrekkelijk is. Niet-weten is geen relativisme.

31. Scepticisme is het idee dat wij niets kunnen weten. Niet-weten is geen scepticisme.

32. Stoïcisme is het idee dat we het onvermijdelijke onaangedaan moeten ondergaan. Niet-weten is geen stoïcisme.

33. Subjectivisme is het idee dat waarheid subjectief is. Niet-weten is geen subjectivisme.

434 - Wangestalten van niet-weten

Bijna mis is helemaal raak – de via positiva* naar niet-weten.

* De via positiva of positieve weg is het tegenovergestelde van de via negativa of negatieve weg. De positieve weg is karakteristiek voor de orthodoxe theologie. ‘God is dit en God is dat en God is zus en God is zo’, zegt de exegeet. Hoe dat heet in het Sanskriet weet ik niet.

Niet-weten is geen leer, al wordt het daar weleens voor aangezien.

Was het toch een leer, dan was het een lege.

Dat durf ik rustig te zeggen, want een lege leer is net zomin een leer als een leeg boek een boek is of een leeg ei een ei.

Een leeg ei is een dop, een leeg boek is een dummy en een lege leer is een strop en een flop en een mop en een schop onder je hol*, nou, als dat niet helpt dan weet ik het ook niet meer.

* Hol is Sanskriet voor sunyata.

Was niet-weten toch een leer, dan was het een leer die zichzelf tegenspreekt.

Een paradoxale leer.

Een zelfvernietigende leer.

Met een rood label eraan:

This teaching wil self-destruct in five seconds.*

Verrassend genoeg zijn er daar zijn er een heleboel van – leren, leefregels, begrippen en noem maar op die zichzelf de das omdoen.

Ze hebben allemaal dit gemeen: hun halfwaardetijd is nihil.

Ze duren precies één gedachte lang.

Tenminste, voor wie ze weet te herkennen.

Voor anderen duren ze jarenlang of levenslang, voor wederbarende boeddhisten zelfs levens lang tot hun levensslang eindelijk uitdooft in een aduaal nirwana waarin de edele waarheden niet langer van toepassing zijn (als ze het al ooit waren) en de leer tot in de puntjes en uitroeptekens is doorzien.

Reken maar dat je je dan bevrijd voelt.

In zen zeggen ze het zo: grote twijfel, grote verlichting.

Waar wacht je nog op?

1. Waarom is niet-weten het toppunt van absurdisme? Omdat het zelfs dat absurd vindt.

2. Waarom is niet-weten het toppunt van agnosticisme? Omdat het zelfs dat niet bewezen acht.

3. Waarom is niet-weten het toppunt van amoralisme? Omdat het zelfs daar niet naar leeft.

4. Waarom is niet-weten het toppunt van anarchisme? Omdat het zelfs daartegen rebelleert.

5. Waarom is niet-weten het toppunt van boeddhisme? Omdat het zelfs dat voor leeg houdt.

6. Waarom is niet-weten het toppunt van cynisme? Omdat het zelfs daar de waarde niet van inziet.

7. Waarom is niet-weten het toppunt van escapisme? Omdat het zelfs daaraan ontsnapt.

8. Waarom is niet-weten het toppunt van fallibilisme? Omdat het zelfs dat voor feilbaar houdt.

9. Waarom is niet-weten het toppunt van fideïsme? Omdat het zelfs dat als een geloof ziet.

10. Waarom is niet-weten het toppunt van indifferentisme? Omdat het zelfs daar niet warm voor loopt.

11. Waarom is niet-weten het toppunt van irrationalisme? Omdat het zelfs dat onredelijk vindt.

12. Waarom is niet-weten het toppunt van loslaten? Omdat het zelfs daaraan niet vasthoudt.

13. Waarom is niet-weten het toppunt van idealisme? Omdat het zelfs dat voor onwerkelijk houdt.

14. Waarom is niet-weten het toppunt van niet-weten? Omdat het zelfs daarvan niet weet.

15. Waarom is niet-weten het toppunt van nihilisme? Omdat het zelfs dat nietig verklaart.

16. Waarom is niet-weten het toppunt van nominalisme? Omdat het zelfs dat voor een loos woord houdt.

17. Waarom is niet-weten het toppunt van non-dualisme? Omdat het zelfs dat tweeslachtig vindt.

18. Waarom is niet-weten het toppunt van obscurantisme? Omdat het zelfs dat duister vindt.

19. Waarom is niet-weten het toppunt van onthechting? Omdat het zelfs daar niet aan hecht.

20. Waarom is niet-weten het toppunt van ontwaken? Omdat het zelfs daaruit is ontwaakt.

21. Waarom is niet-weten het toppunt van openheid? Omdat het zelfs openstaat voor geslotenheid.

22. Waarom is niet-weten het toppunt van perspectivisme? Omdat het zelfs dat als een zienswijze ziet.

23. Waarom is niet-weten het toppunt van pluralisme? Omdat het zelfs dat als een van vele mogelijkheden ziet.

24. Waarom is niet-weten het toppunt van postmodernisme? Omdat het zelfs dat tot de grote verhalen rekent.

25. Waarom is niet-weten het toppunt van probabilisme? Omdat het zelfs dat niet als zekerheid ziet.

26. Waarom is niet-weten het toppunt van pyrronisme? Omdat het zelfs daarover het oordeel opschort.

27. Waarom is niet-weten het toppunt van relativisme? Omdat het zelfs daarvan de betrekkelijkheid inziet.

28. Waarom is niet-weten het toppunt van scepticisme? Omdat het zelfs daaraan twijfelt.

29. Waarom is niet-weten het toppunt van transcendentie? Omdat het zelfs dat overstijgt.

30. Waarom is niet-weten het toppunt van vrijheid? Omdat het zelfs daarvan bevrijdt.

31. Waarom is niet-weten het toppunt van de wijsheid voorbij alle wijsheid? Omdat het zelfs daaraan voorbij gaat.

32. Waarom is niet-weten het toppunt van wu wei?1

33. Waarom is niet-weten het toppunt van zen? Omdat het zelfs daar niet om begonnen is.2

1. Wu wei is een term uit het taoïsme en betekent zoveel als niet-doen, meegaan met de stroom, overgave aan de Tao. Omdat het zelfs daaraan niet doet.

2. Verwijzing naar het boekje Zen mind, beginner’s mind, van Shunryu Suzuki waarin zen wordt gedefinieerd als steeds opnieuw beginnen.

435 - Vernietig alle bedenksels en spring in het gat dat overblijft

H: Wat is de weg?

X: Neti neti.

H: Niet iedereen spreekt Sanskriet.

X: De via negativa.

H: Niet iedereen spreekt Latijn.

X: Niet dit, niet dat.

H: Wat dan wel?

X: Daar trap ik niet meer in.

H: Loop er dan maar omheen.

X: Vernietig alle bedenksels en spring in het gat dat overblijft.

H: En het gat dat overblijft?

X: Wat is daarmee?

H: Is dat soms geen bedenksel?

X: Ai.

H: En degene die erin moet springen?

X: Wat is daarmee?

H: Is die soms geen bedenksel?

X: Oei.

H: En het idee dat de werkelijkheid uit bedenksels bestaat?

X: Wat is daarmee?

H: Is dat soms geen bedenksel?

X: Oi.

H: En het idee dat je alle bedenksels moet vernietigen?

X: Ei.

H: Dat je ze kúnt vernietigen?

X: …

H: Dat je dan beter af zult zijn?

X: Allemaal bedenksels.

H: Dat zeg jij.

X: Wat zeg jij?

H: Wat is de weg?

X: En wat is het antwoord?

H: En dat was het antwoord.

436 - Ontkennen of ont-kennen? Apofase, via negativa, neti neti en sunyata

‘Apofatisch’ betekent ontkennend, in tegenstelling tot ‘katafatisch’, bevestigend.

Een apofatische manier van spreken of schrijven gebruik je om iets aan te duiden, bijvoorbeeld God of het Mysterie of de Tao, dat je alleen maar weet te omschrijven door te zeggen wat het niet is.

Alles wat je erover zegt zou teveel zijn omdat het apofatische van zichzelf onzegbaar is, ondenkbaar, onbenoembaar, onuitsprekelijk, ondefinieerbaar, ongrijpbaar.

Ook van een methodiek of een filosofie kun je zeggen dat zij apofatisch is

Hierbij kun je denken aan de socratische vraagmethode in de Dialogen van Plato of aan de postmoderne deconstructie.

Het zelfstandig naamwoord ‘apofase’ is afgeleid van het Griekse apophasis, ‘ontkenning’, en wordt in het Nederlands weinig gebruikt.

Apofatische benadering van God

De apofatische benadering van God heet in de mystiek de via negativa, en in het hindoeïsme neti neti – niet dit, niet dat.

De apofatische benadering staat tegenover de katafatische benadering of via positiva, waarin het subject op stellige, stellende wijze wordt beschrijven.

Een van de beroemdste voorbeelden van de via negativa is het traktaatje Over mystieke theologie van Pseudo-Dionysius de Areopagiet.

Hoofdstuk IV gaat zo:

En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; en niet op een plaats is; en niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; en ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; en ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; en dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; en niet licht ontbeert; en zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

Apofase in het boeddhisme

In het boeddhisme heeft de apofase drie gedaantes aangenomen:

1. de gedaante van leegte (Sanskriet: sunyata, Pali: sunnata),

2. de gedaante van niet-zelf (anatman, anatta) en

3. de gedaante van afhankelijk ontstaan (Pratītya-samutpāda, Paticca samuppada), ook wel afhankelijk bestaan en interzijn genoemd.

Sommige boeddhisten vatten leegte op als een transcendente werkelijkheid: dé leegte.

Andere boeddhisten vatten leegte op als een kenmerk van de alledaagse werkelijkheid: het leeg zijn daarvan, dat wil zeggen, zonder ziel, wezen, essentie, substantie, vastigheid of eigenheid zijn.

Een schoolvoorbeeld van een apofatische boeddhistische tekst is de Diamantsoetra.

Een ander schoolvoorbeeld is Zeventig verzen over de leegte van Nagarjuna. Verzen 9 en 10 klinken zo:

Vergankelijk bestaat niet, onvergankelijk bestaat niet, niet-zelf bestaat niet, zelf bestaat niet, onzuiverheid bestaat niet, zuiverheid bestaat niet, geluk bestaat niet en lijden bestaat niet. Daarom bestaan er ook geen onjuiste zienswijzen. Derhalve bestaat er geen onwetendheid gebaseerd op onjuiste zienswijzen. Zonder onwetendheid ontstaat er geen karma. Zo ook voor de andere tien oorzaken van het lijden.

Apofase in niet-weten

Teksten over niet-weten zijn bijna altijd apofatisch, ontkennend.

Wat zou een weetniet ook moeten bevestigen?

Dwaalteksten zijn soms niet meer dan een reeks of hiërarchie van ontkenningen of tegenwerpingen op een beginstelling.

In mijn woordenboek is niet-weten een werkwoord.

Als schrijver ben ik niet geïnteresseerd in het ongrijpbare maar in niet-grijpen.

Ik ben niet geïnteresseerd in het onkenbare maar in niet-kennen.

Ik ben niet geïnteresseerd in het onduidbare maar in niet-duiden.

Ik ben niet geïnteresseerd in het onzegbare maar in niet-zeggen.

Dwaalteksten zijn van dat niet-grijpen, niet-kennen, niet-duiden en niet-zeggen een demonstratie.

Dáárin zit voor mij de bevrijding.

De rest is kosmologie.

Kosmologie heeft tot doel de werkelijkheid te vangen in een gedachte.

In werkelijkheid vangt het de denker in zijn gedachten over de kosmos.

Of is dat ook maar een gedachte?

Niet apofatisch maar afatisch – met stomheid geslagen

Dwaalteksten verwijzen dus niet naar een of andere onkenbare immanentie of transcendentie, zoals het ware zelf of je oorspronkelijke gezicht of het eeuwige heden of het absolute of de leegte of de boeddhanatuur of het numineuze of het mysterie of het ene of de non-dualiteit of de oorspronkelijke geest of de godheid of het bewustzijn of het zijn.

Omdat ik het allemaal niet meer weet, maar dan ook helemaal niet meer, ben ik niet in staat om zelfs maar één zinvolle uitspraak over deze kwestie te doen, apofatisch, katafatisch of anderszins, of over welke filosofische, religieuze of spirituele kwestie ook.

Afatisch is wat ik ben – met stomheid geslagen.

Al zou je het soms niet zeggen.

437 - Stijlfiguren niet-weten: Tetralemma

Het tetralemma of de vierstelling is een belangrijke figuur in de Indiase logica, nauw verwant met de paradox en het dilemma. Het is ook een belangrijke stijlfiguur voor de agnost.

Tetralemma’s in het boeddhisme

In het boeddhisme zijn talloze voorbeelden te vinden van het tetralemma. Dit is er eentje uit de Mijjhima-Nikaya:

‘Gelooft u, Gautama, dat de verlichte na zijn dood voortleeft, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist?’

‘Nee, ik geloof niet dat de verlichte na zijn dood voortleeft, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist.’

‘Gelooft u dat de verlichte na zijn dood ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist?’

‘Nee, ik geloof niet dat de verlichte na zijn dood ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist.’

‘Gelooft u dat de verlichte na zijn dood zowel voortleeft als ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist?’

‘Nee, ik geloof niet dat de verlichte na zijn dood zowel voortleeft als ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist.’

‘Gelooft u dan dat de verlichte na zijn dood noch voortleeft noch ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist?’

‘Nee, ik geloof niet dat de verlichte na zijn dood noch voortleeft noch ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist.’

Zoals je ziet, weigert Gautama (de Boeddha) zich uit te spreken over het voortleven van de verlichte na diens dood, zoals hij in het algemeen weigert zich uit te laten over welke metafysische of kosmologische kwestie dan ook.

Waarom de Boeddha (of diens kroniekschrijver) dat doet is vers twee. Volgens een gangbare interpretatie omdat het niet heilzaam zou zijn om je met dit soort kwesties bezig te houden. Meningen en speculaties zouden alleen maar leiden tot zinloze discussies en geestelijke onrust, en op die manier bijdragen aan het lijden dat de Boeddha wil bestrijden.

Een andere interpretatie gaat uit van het boeddhistische dogma dat alle dingen en organismen leeg zijn, zonder eigen wezen of werkzaamheid, zodat er ook niets wezenlijks over te ontdekken of te zeggen valt. Deze benaderingswijze vind je onder meer in de Diamantsoetra (zie onder).

Volgens weer een andere interpretatie moet je zwijgen over wat je niet weten kunt. Net zoals de agnosticus weigert zich uit te spreken over het al dan niet bestaan van God (zie onder), weigert Boeddha zich uit te spreken over het voortbestaan van de verlichte na zijn dood en zulk soort zaken.

Ikzelf weiger me uit te spreken over de bedoelingen van de Boeddha. Ik ken alleen mijn eigen bedoelingen, en dan nog. Maar ik kan je wel vertellen dat het tetralemma bij uitstek geschikt is om op methodische wijze niets te zeggen en aldus te getuigen van agnose.

Positieve en negatieve tetralemma’s; het octaaf

Ziehier het tetralemma in zijn simpelste vorm:

1. alleen P is waar

2. alleen niet-P is waar

3. zowel P als niet-P is waar

4. noch P noch niet-P is waar

kortweg:

1. P

2. niet-P

3. P en niet-P

4. P noch niet-P

Bovenstaande vorm van het tetralemma wordt ook wel de positieve vorm genoemd, om hem te onderscheiden van de negatieve vorm:

1. niet P

2. niet niet-P

3. niet (P en niet-P)

4. niet (P noch niet-P)

In de tetralogica zijn de beide vormen equivalent, dat wil zeggen, de negatieve vorm kan worden afgeleid uit de positieve en omgekeerd. Dat wordt snel duidelijk als we het gedoe met P en niet-P eventjes weglaten. Dan is de positieve vorm:

1. ja

2. nee

3. ja en nee

4. ja noch nee

De negatieve vorm is gelijk aan de ontkenning van elk afzonderlijk stellingnames in de positieve vorm, dus:

1. nee

2. ja

3. noch ja noch nee

4. ja en nee

Zoals je ziet verschilt de negatieve vorm van het tetralemma niet van de positieve vorm, op de volgorde van de stellingen na, die er echter niet toe doet.

In het boeddhistische voorbeeld hierboven zijn we de positieve en de negatieve vorm van het tetralemma verweven tot een octaaf (achttal) van vragen en antwoorden. Teruggebracht tot zijn essentie staat er:

‘Is alleen P waar?’

‘Nee, niet alleen P is waar.’

‘Is alleen niet-P waar?’

‘Nee, niet alleen niet-P is waar.’

‘Is alleen (P en niet-P) waar?’

‘Nee, niet alleen (P en niet-P is waar)’

‘Is alleen (noch P noch niet-P) waar?’

‘Nee, niet alleen (noch P noch niet-P) is waar.’

Als je zo je dialogen construeert, krijg je je soetra wel vol (of een site over niet-weten). Als je het trucje eenmaal doorhebt zijn de resulterende dialogen nog makkelijk uit je hoofd te leren ook – een groot voordeel in de goede oude tijd van voor de boekdrukkunst, en ook voor auteur dezes een mooi tijdverdrijf en een groot genoegen.

Het tetralemma als stelfiguur en als stijlfiguur

Het tetralemma is niet alleen een belangrijke stelfiguur in de Indiase syllogistiek, het is ook een belangrijke stijlfiguur in de via negativa in het algemeen en niet-weten in het bijzonder. Het sjabloon voor de positieve formulering:

1. Ik zeg niet dat alleen P waar is

2. Ik zeg niet dat alleen niet-P waar is

3. Ik zeg niet dat zowel P als niet-P waar is

4. Ik zeg niet dat noch P noch niet-P waar is

(in plaats van ‘zeg’ kun je ook ‘weet’ schrijven)

Bijvoorbeeld:

1. Ik zeg niet dat ik de kenner ben.

2. Ik zeg niet dat ik het gekende ben.

3. Ik zeg niet dat ik zowel de kenner als het gekende ben.

4. Ik zeg niet dat ik noch de kenner noch het gekende ben.

In dit voorbeeld, dat mijn agnose inzake een non-dualistische doctrine uitdrukt, zijn P en niet-P gereduceerd tot woorden die samen een tegenstelling vormen. ‘De kenner’ staat hier voor het lemma ‘er is een kenner (van het gekende)’ en ‘het gekende’ staat voor ‘er is iets dat gekend wordt’. ‘Ik zeg niet dat ik de kenner ben’ betekent dus ‘Er is een kenner van het gekende en dat ben ik’. Allemaal voorbeelden van de stijlfiguur die de ellips wordt genoemd, zie boven.

In plaats van stellingen P en niet-P kun je ook paren van tegenstellingen gebruiken, dualismen zoals subject en object, goed en slecht, werelds en hemels of stof en geest.

Tetralogica is geen psychologica

In mijn litanie De dans ontsprongen gebruik ik een variatie op deze constructie. De strofen hebben allemaal hetzelfde format. Voor het woordpaar ego-zelf is dat:

Niet het ego, niet het zelf (een samentrekking van 1 en 2)
Niet het ego en het zelf (3)
Niet het ego noch het zelf (4)

Volgens de tetralogica sluiten de proposities in het tetralemma elkaar wederzijds uit en dekken ze alle mogelijkheden af. Dat is geen feit, het is een uitgangspunt. Binnen de tetralogica valt er niet aan te tornen, in de psychologica is het nonsense. De geest vindt altijd wel een gaatje.

Vandaar dat ik de behoefte voel om bovenstaande tetralemma verder dicht te timmeren met nog drie lemma’s. Zo ontstaat er een zesregelige zevenstelling of heptalemma:

Niet het ego, niet het zelf
Niet het ego en het zelf
Niet het ego noch het zelf
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

En voor het woordpaar hoofd-hart:

Niet het hoofd, niet het hart
Niet het hoofd en het hart
Niet het hoofd noch het hart
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Et cetera.

Vaak vind ik het wat overdreven om het tetralemma volledig uit te schrijven. Dan beperk ik me tot de eerste twee lemma’s ervan: ‘Niet de vorm, niet de leegte’. Zo gezien is een dilemma een elliptische vorm van het tetralemma.

In mijn litanie Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid; drieëndertig triaden van genade is sprake van drie sprekers, de dwaas, de wijze en de wijze, en vier uitspraken verdeeld over twee regels, bijvoorbeeld:

De dwaas denkt dat de wereld echt is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat de wereld een illusie is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij iemand is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij niemand is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij een vrije wil heeft, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij geen vrije wil heeft, de dwijze niet.

Hier staat dus eigenlijk:

1. De dwaas denkt dat de wereld echt is.

2. De dwijze denkt niet dat de wereld echt is.

3. De wijze denkt dat de wereld een illusie is.

4. De dwijze denkt niet dat de wereld een illusie is.

Vier uitspraken verdeeld over twee regels vormen nog steeds een tetralemma in de ruimere zin van een stijlfiguur, maar niet in de engere zin van een stelfiguur conform de Indiase tetralogica, als je begrijpt wat ik bedoel.

Deconstructie op woordniveau

In mijn deconstructie van de Hartsoetra en de Diamantsoetra beperk ik mijn ontkenningenreeksen niet tot het niveau van stellingen, maar pak ik ook de sleutelwoorden aan. Neem nou paragraaf 9 van de Diamantsoetra:

9. Voert de leer naar het ware zelf?

1. Ik zeg niet dat de leer naar het ware zelf voert.

2. Ik zeg niet dat de leer niet naar het ware zelf voert.

3. Ik zeg niet dat er een leer is of een waar zelf of een voeren van de leer daarheen.

4. Ik zeg niet dat er geen leer is of geen waar zelf of geen voeren van de leer daarheen.

5. Noem dit desnoods de leer die naar het ware zelf voert.

6. Zelf zeg ik liever niets.

Een tetralemma kun je dit allang niet meer noemen, maar de intentie daarvan in het kader van een radicale agnose, namelijk alles systematisch ontkennen bij wijze van spreken zonder spreken, des te meer. Dat is precies de opzet van mijn dwaalteksten, waarvan het tetralemma slechts een bijzondere vorm is.

Ten slotte nog een uitstapje naar een van de heetste hangijzers van het menselijk denken: bestaat God? Op deze vraag zijn twee antwoorden mogelijk:

1. Ja, God bestaat.

2. Nee, God bestaat niet.

Iemand die gelooft dat God bestaat, heet een theïst, iemand die gelooft van niet een atheïst. Iemand die een atheïst met een theïst hoort discussiëren, staat voor een dilemma: Bestaat God nou wel of bestaat hij nou niet?

In de negentiende eeuw bedacht ene Thomas Henry Huxley een derde antwoord: Je kunt niet weten of God wel of niet bestaat. Dit noemde hij het agnosticisme. Sindsdien staan mensen die nadenken over God voor een trilemma: bestaat God nou wel of niet of kun je dat niet weten?

Anderen bedachten het non-theïsme: er is geen hoger wezen maar wel een hogere werkelijkheid. Ze bedachten het igtheïsme: Je weet niet eens wat God betekent, laat staan of God bestaat. Iemand anders het apatheïsme: Kan mij het schelen of God bestaat. Enzovoort, enzovoort.

Je ziet, de menselijke geest is niet voor één gat te vangen, en ook niet voor vier. Al die denkeritis de pas afsnijden met een sluitend tetralemma is ijdele hoop. Neem alleen al het boeddhisme ….

Verder lezen in de Wikipedia: catuskoti, tetralemma, buddhist logic, Nagarjuna, Madhyamaka, Sextus-empiricus.

438 - De illusie van het einde van de illusie

De acteur en de agnost.

Acteur: Zelfkennis is het begin van alle wijsheid en het einde van de meeste illusies.*

* Uitspraak van Gerd de Ley (1944).

Agnost: Is dit wijsheid of is het ook maar een illusie?

Acteur: In het tweede geval is wijsheid het einde van alle illusies.

Agnost: Is dat wijsheid of is het ook maar een illusie?

Acteur: Laten we het erop houden dat zelfkennis het begin van alle wijsheid is.

Agnost: Kunnen we het er niet op houden dat we het nergens op houden?

Acteur: Dat zou het einde van de wijsheid zijn.

Agnost: Dan houden we het erop dat wijsheid het einde van alle zelfkennis is.

Acteur: En dan?

Agnost: Kun je weer van voren af aan beginnen.

439 - Verloren wijsheid

De priester en de agnost.

Priester: Onze ervaring bestaat eerder uit verloren illusies dan uit verworven wijsheid.*

* Uitspraak van Joseph Rouw (1834-1905).

Agnost: Dan zal dat hier ook wel voor gelden.

Priester: Pardon?

Agnost: Dat dit dan ook wel een verloren illusie zal worden.

Priester: U wordt bedankt.

Agnost: Hoe bedoelt u?

Priester: Ik heb het altijd een troostrijke gedachte gevonden.

Agnost: Onze ervaring bestaat eerder uit verloren illusies dan uit verworven wijsheid.

440 - Hopen op een gat in je zak

De politicus en de agnost.

Politicus: Het is geen wijsheid maar autoriteit die een wet maakt.*

* Uitspraak van Thomas Hobbes (1588-1679), politicoloog.

Agnost: Het is geen wet maar autoriteit die wijsheid maakt.

Politicus: Moet ik dit persoonlijk opvatten?

Agnost: Het is geen wet maar wijsheid die autoritair maakt.

Politicus: Die kan ik in mijn zak steken.

Agnost: Dan hoop ik voor u dat er een gat in zit.

Politicus: Hoe bedoelt u?

Agnost: Het is geen wijsheid maar dwaasheid die een spreuk maakt.

441 - Kennis is geen vloek en een weetniet is geen onmens

Beste Hans,

Terwijl ik wat aan het surfen was kwam ik per ongeluk op jouw site terecht. Het niet-weten – prachtig!

Man, wat benijd ik mijn hond. Hoe die iedere dag zonder zorgen doorkomt. Hij vraagt niet veel: eten, drinken, een mand, een dak. Hij is gezegend want hij weet niet.

Weten is een vloek. De vloek van de mensheid. Het is onze zogenaamde wijsheid die onze onvolprezen aarde om zeep helpt. Weten leidt tot zelfvernietiging.

Net als jij ben ik me bewust van de absurditeit van het bestaan. Maar al is het leven een droom of een spel, ik kan er niet omheen: ook ik wéét. Ik weet dat ik van mannen houdt, maar niet van vrouwen. Ik wéét dat dieren dieren zijn en mensen beesten. Ik wéét dat de mensheid een gesel is voor de natuur.

Zeggen dat ik niet weet is een leugen. Het is onjuist spreken. Bovendien verklaar ik mezelf op die manier onaanspreekbaar en ontoerekeningsvatbaar. Dat is immoreel.

Daar schrijf ik je eigenlijk voor. Ook al bevinden wij ons in een droom of game, we mogen ons nooit onttrekken aan onze verantwoordelijkheid!

Beste X,

Niet alle kennis is altijd een vloek, was het maar zo simpel.

Niet alle honden zijn altijd zorgeloos, was dat maar waar.

Alle dieren zijn soms beesten.

Alle mensen zijn altijd dieren.

Niet alles op aarde gaat naar de bliksem, maar alles wat er nu aan leven op aarde is, kan er zijn omdat bijna al het eerdere naar de bliksem ging.

De mensheid is ook natuur en de natuur is ook een gesel voor de mensheid.

Misschien is het leven een droom, misschien is dat ook maar een droom.

Het onderscheid tussen juist en onjuist spreken is een gesel van het boeddhisme.

Toerekeningsvatbaarheid en moraliteit veronderstellen een vrije wil, maar veel hedendaagse wetenschappers trekken de vrijheid van de wil in twijfel.

Wie geen vrije wil heeft, kan zich ook niet vrijwillig onttrekken aan zijn verantwoordelijkheid.

Ikzelf veronderstel niet dat wij een vrije wil hebben, ook niet dat wij die niet hebben.

Jij veronderstelt dat ik onaanspreekbaar ben en me onttrek aan mijn verantwoordelijkheid.

Mag ik jou aanspreken op je verantwoordelijkheid en je vragen dat eerst te verifiëren voor je me erop aanspreekt?

442 - Vinger uit de dijk!

Hansje zegt:

Kennis is een schone zaak.

Niet-weten is een dijkdoorbraak.

443 - De lege leer voor doven en slechthorenden

X: Wat is de kern van de lege leer?

H: Ik zou het ook niet weten.

X: Dat de werkelijkheid een illusie is?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat alle dingen leeg zijn?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat alle dingen vergankelijk zijn?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat de filosofie dood is?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat wetenschappers maar wat bazelen?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat de godsdiensten irrationeel zijn?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat mythen kant nog wal raken?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat esoterie oplichterij is?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat we niets weten?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat we dat ook niet weten?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Leert het ons dan helemaal niets?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Maar dan heb je er toch niks aan?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Bedoel je dat we er toch iets aan hebben?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Heb jij dan helemaal niets te zeggen?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Maar wat is nou de kern van de lege leer?

H: Dat is nou de kern van de lege leer.

Oud mannetje zonder mond maar met een derde oog in de vorm van een agnoseteken.
‘Dat zul je mij niet horen zeggen.’

444 - De lege leer is immuun voor haarkloverij

X: Ben jij niet bang dat jouw lege leer net als iedere leer ten prooi zal vallen aan academische haarkloverij?

H: Natuurlijk niet.

X: Waarom niet?

H: Een lege leer laat zich niet klieven.

X: Daar zeg je me wat.

H: Bovendien is hij niet van mij.

445 - Wijzen is voor dwazen

Sinds jaar en dag waart door de wijsheidsliteratuur de beeldspraak van de meester die met zijn vinger naar de maan wijst terwijl de leerling alleen de vinger ziet.

De maan staat hierbij voor een hogere, een transcendente werkelijkheid.

Niet-weten is niet zo’n traditie, al was het maar omdat niet-weten als zodanig nooit een traditie is geweest, maar slechts een ondergeschikt element van een aantal heel verschillende spirituele, religieuze en filosofische tradities.

Getuigen van agnose is net zo lastig als je vinger laten zien aan iemand die denkt dat je ermee wijst.

Ik kan het weten want ik heb al heel wat pogingen achter de rug.*

* Met dieren is het precies andersom. Of het nou honden, apen, geiten, eenden, vissen, papegaaien of kalfjes zijn, ze komen allemaal even aan mijn vinger ruiken, trekken, knabbelen, pikken, sabbelen of zuigen – en houden het dan voor gezien.

Toch is ook deze omgekeerde beeldspraak misleidend.

Je zou in de aandachtsverschuiving naar de vinger een vermaning kunnen lezen om je te bepalen tot alleen-maar-dit of ik-ben-dat of het hier-en-nu of het eeuwige heden of het absolute of het ene of zo.

Helaas heb ik geen flauw-benul wat dat allemaal mag wezen.

En heus niet uit onwil.

Integendeel, misschien wilde ik wel te graag en ben ik er juist daardoor niet in geslaagd vast te stellen wat nou helemaal het verschil is tussen dit en dat, zijn en worden, hier en daar, ik en gij, toen en nu en straks, eeuwig en vergankelijk, gewoon en heilig, eenvoudig, tweevoudig, niet-tweevoudig, en veelvoudig, wezen en bijzaak, flauw en hartig, kul en benul, enzovoort.

Van de weeromstuit weet ik van voren niet meer dat ik van achteren leef, en omgekeerd, het is maar net aan welk uiteinde je het vraagt.

Nu gebruik ik mijn vingers gewoon weer waar ze volgens de wet en de profeten en de regelen der kunst en Joost en Bartjens voor bedoeld zijn.

Om in mijn neus te peuteren.

Wijzen is voor dwazen.

446 - De groeten van de nieuwe waan

Spiritualiteit voor lunatics.

De dharma is een vinger naar de maan, beweert de boeddhist.

Dat is verlakkerij.

Zoals een chirurgijn-kapper tegen iemand wier lichaam hij gaat amputeren zegt: ‘Nee hoor mevrouwtje, alleen even bijpunten.’

Ontdaan van alle franje betekent de dharma: alles naar de maan.

Praktijken en middelen, ideeën en idealen, boeddhistische en non-boeddhistische, zonder uitzondering.

De Boeddha doden, de boeddhadoder doden.

Het vlot achterlaten, het achterlaten achterlaten.

Zo versta ik zen: als een grenzeloos en grenzenloos niet-weten.

Zo versta ik mystiek: als een grenzeloos en grenzenloos niet-weten.

Zo versta ik non-dualiteit: als een grenzeloos en grenzenloos niet-weten.

Zo versta ik verlichting: als een grenzeloos en grenzenloos niet-weten.

En zo versta ik grenzeloos en grenzenloos niet-weten, als …

Een nieuwe waan

Waarin elk denkbeeld moet vergaan!

Dus ook het denkbeeld van de maan!

En dan jijzelf erachteraan!

En dan het Zelf erachteraan!

En het niet-zelf erachteraan!

Vergaan, vergaan, voorgoed vergaan!1

Je spraakorgaan een tastorgaan!

Maar kraters zijn nog geen vulkaan!

De leegte kan niet zelfbestaan!

Vergeet afhankelijk ontstaan!

Je godsdienst- en je eenheidswaan!

Je reinheids- en gelijkheidswaan!

Nirwana- en samsarawaan!

Vergaan, vergaan, voorgoed vergaan!

Waan jij je vrij van elk verstaan?

Voel jij je daarom zelfvoldaan?

Niet weten maakt je geen sjamaan!

Je bent nog steeds een baviaan!

Je leven blijft een hinkelbaan!

Een opscheplepel levertraan!

Och waterdrager naar de kraan!

Wat is er dat niet stuk zal gaan!

Nog even en je gaat eraan!

Drie zuchten en het is gedaan!

Want ieder denkbeeld moet vergaan!

Dus ook het denkbeeld van de waan!

De groeten van de nieuwe maan!2

1. ‘Gate, gate, pāragate pārasamgate, bodhi svāhā’ heet het in de Hartsoetra: ‘Gegaan, gegaan, overgegaan, helemaal overgegaan, ontwaakt, gezegend’. Mij te mooi.

2. ‘Nieuwe maan’ is de naam voor de compleet verduisterde maan pal tussen twee volle manen in. Je ziet hem niet, maar zijn aantrekkingskracht is onverminderd groot.

Maan met het gezicht van de Lachende Boeddha.

447 - Wat is radicaal niet-weten?

In de mystiek is niet-weten een wachtkamer voor God, bij de Zen Peacemakers is het een bejegeningsideaal, bij Jan Oegema is niet-weten een levenshouding en in het bedrijfsleven is niet-weten een managementmethode.

Voor mij is het geen van vieren. Maar wat dan wel?

1. Een radicaal niet-weten

Ieder woord van iedere taal betekent voor ieder wezen – mens, paard, hond, vis – iets anders, of gewoon niets.

Soms zijn de verschillen klein, soms zijn ze onoverbrugbaar groot.

Soms zijn we ons van de verschillen bewust, dikwijls blijven ze onder de radar waardoor we ten onrechte denken dat we elkaar verstaan of misverstaan, dat we het eens zijn of juist oneens.

Ook niet-weten betekent voor iedereen iets anders.

Voor sommigen is het openheid, een onbevooroordeelde blik, medemenselijkheid; voor anderen is het een weg naar God of het onverdeelde zelf, non-dualiteit.

Voor de een is het een middel, voor de ander is het een doel.

Voor de taoïst is het wijsheid, voor de theravadin onwetendheid.

Voor mij is niet-weten gewoon niet weten.

Met je mond vol tanden staan.

Dat je het allemaal even niet meer weet, maar dan chronisch.

Voor mij is niet-weten is geen doen.

Het is ook geen laten.

Het is geen zelf en geen niet-zelf.

Het is geen ideaal, geen middel, geen weg en geen doel.

Het is niet juist en niet onjuist.

Het is nergens goed voor en het is nergens slecht voor, niet van zichzelf, niet dat ik weet.

Integendeel, denken in termen van tegendelen zoals goed en slecht, juist en onjuist, weg en doel, ideaal en middel, zelf en niet-zelf, doen en laten, weten en niet-weten, behoort volledig tot het weten.

Net als deze tekst.

Om het verschil met alternatieve betekenissen van ‘niet-weten’ te benadrukken, noem ik het mijne weleens radicaal niet-weten, kortweg agnose (a-gnose).

Dit laatste woord speelt in het Nederlands nauwelijks een rol en heeft van concurrerende betekenissen nog weinig te duchten.

Ik kom er zo op terug.

2. Niet-weten als tussenstadium

In de mystiek, vooral bij Johannes van het Kruis, is niet-weten een praktijk van bidden, meditatie en contemplatie om je te ontledigen van al je zelfbeelden en godsbeelden, want die staan tussen jou en de allerhoogste in.

Ook verwijst niet-weten er naar de dorre tussentijd waarin je beeldloos afwacht totdat God, wie of wat dat ook moge wezen, zich eindelijk aan jou openbaart, wie of wat jij ook mag wezen.

Erg aangenaam schijnt deze toestand niet te zijn; Johannes van het Kruis noemt het de donkere nacht van de ziel, een kwelling waaraan voor een enkeling een einde komt in de mystieke vereniging met de beeldloze.

Het radicale niet-weten waarvan ik getuig is geen wachtkamer (martelkamer, verloskamer) maar een gelagkamer (rustkamer, speelkamer).

Geen tussenstadium maar een eindstadium waarin je je gedachten doorziet, een voor een, dan breekt het lijntje niet.

Dus ook de gedachte van niet-weten als een eindstadium waarin je je gedachten een voor een doorziet.

Alsof dat mogelijk zou zijn.

Alsof het wenselijk zou zijn.

Aan een radicaal niet-weten komt géén einde in de mystieke vereniging met de beeldloze.

Agnose is zelf al de mystieke vereniging.

Een vereniging zonder bestuur en zonder leden.

Een en al mysterie, zonder tal of taal of teken, niet te claimen, niet te faken.

Ook dit is maar een beeld.

Agnose is helemaal het einde, ook van niet-weten, ook van beeldloosheid, ook van het mysterie en zelfs van het einde, dus dat scheelt.

Leve de lege statuten.

Voor mij is niet-weten geen kwelling.

Wéten was de kwelling, als we dan per se in dit soort termen moeten denken.

Wel ben ik door het verlies van mijn twijfelachtige zekerheden flink in de rouw geweest.

Vaak stonden de tranen in mijn ogen of liepen ze over mijn wangen zonder dat ik er erg in had.

Agnose is een bad dat snel volloopt maar langzaam warm wordt, zou je kunnen zeggen.

Het vertrouwen dat je in dit bodemloze tepidarium niet zult verdrinken, moet groeien.

Zolang je er niet volledig op vertrouwt, kun je je er niet volledig in ontspannen.

Dat kost tijd, jaren in mijn geval, ik was ook zo’n ontzettende weetal.

Tegenwoordig balanceer ik vaak uren achtereen op het randje van de euforie, ongelooflijk.

Maar ik zit dan ook al tien jaar in bad.

Euforie bewijst natuurlijk niks, je kunt overal van uit je dak gaan – van Jezus, van Hazes, van Krishna, van Callas, van Boeddha, van Beckett, van genot, van pijn, van kopen, van wegdoen, van woorden, van stilte – maar lekker is het wel.

Bovendien heb ik niks meer te bewijzen, dit ook niet.

Hoe het ook zij, in een radicaal niet-weten ben je niet alleen vrij van onwrikbare zelfbeelden en godsbeelden, zoals de aanstaande mysticus, maar van alle vaste denkbeelden omtrent welk onderwerp ook – mensbeelden, wereldbeelden, boeddhabeelden, heiligenbeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden, ziektebeelden, de hele reutemeteut, inclusief je vrijheidsbeelden, inclusief dít vrijheidsbeeld.

Het is niet dat er geen denkbeelden meer zijn, maar dat het geen denk-beelden meer zijn.

Radicaal niet-weten is een denkbeeldenstorm die alle denk-beelden aan diggelen slaat, met sokkel en al, de diggelen tot gruis, het gruis tot stof.

Mettertijd luwt de beeldenstorm, maar de wind van niet-weten gaat nooit liggen.

Stofhoosjes vormen schijngestalten van voormalige denkbeelden.

Oude bekenden, je kijkt er dwars doorheen en ze vallen meteen weer uiteen.

Ook dit is maar een denkbeeld, ik hoop dat je het doorziet.

3. Niet-weten als voorschrift

Een heel andere betekenis van het begrip niet-weten vinden we bij de Zen Peacemakers.

Voor hen is niet-weten geen tussenstop onderweg naar God, maar een humanistisch bejegeningsideaal.

Zen Peacemakers willen de medemens open en onbevooroordeeld tegemoet treden, met ‘een houding van niet-weten.’

Een soortgelijke benadering zien we bij de ietsist Jan Oegema, auteur van De stille stem, die niet-weten een levenshouding noemt, waarvoor je kunt kiezen en waarvoor je zou moeten kiezen.

Zijn boek is een pleidooi voor openheid, barmhartigheid en naastenliefde – degelijke oecumenische, boeddhistische en verlichtingsidealen, traditiegetrouw gegrond in de zwevende vooronderstelling van een ik met een vrije wil.

Niet-weten als levenshouding

Vragen stellen, luisteren, lief zijn voor elkaar, leven en laten leven, ik vind het prachtig allemaal, misschien wat eenzijdig en naïef.

Maar net als bij het bejegeningsideaal van de Zen Peacemakers is het mij niet duidelijk waarom deze levenshouding ineens niet-weten moet heten.

Wat voegt dat toe, wat neemt het weg, wat haalt het uit?

Oude wijn in nieuwe zakken, zegt het spreekwoord onbarmhartig, maar misschien is dat een vooroordeel.

Ook in managementboeken wordt niet-weten opgevat als een houding, een keuze, een methode, een ideaal.

Het is, opnieuw, een machtsgreep.

De manager krijgt het advies om zijn vakmatige onwetendheid openlijk toe te geven en een beroep te doen op de expertise van de werkvloer.

Hij legt niet zijn wil op zoals de bazen van weleer, maar laat zich adviseren door zijn ondergeschikten, die qua knowhow eigenlijk zijn superieuren zijn.

Een manager die niet weet, staat in dienst van werknemers die wél weten.

Hij dirigeert niet, hij faciliteert, en het bedrijf profiteert.

Zo legt de manager indirect toch zijn wil op, of wiens wil het ook mag wezen.

Geen probleem, dat is het punt niet.

Het punt is dat er in een onbegrensd niet-weten bij gebrek aan denk-beelden geen sprake kan zijn van een bejegeningsideaal, een levenshouding of een managementmethode.

Ook het meta-ideaal om anderen of het leven zónder idealen, houdingen of methoden tegemoet te treden, vindt in agnose geen onderdak.

Het punt is dat niet-weten geen punt is.

Geen aandachtspunt, geen agendapunt, geen aanknopingspunt en geen gezichtspunt.

Niet-weten is geen-punt – of het moest een breekpunt zijn.

Een nulpunt?

Misschien spreekt deze formulering je aan: in een onbegrensd niet-weten is er de facto (maar niet de jure) ruimte voor alle denkbare idealen, houdingen en methoden naast elkaar, hoe tegenstrijdig ook, en voor alle denkbare bezwaren tegen alle denkbare idealen, houdingen en methoden, hoe onredelijk ook.*

* Dit is de gedachte van de hele leer.

Net zo is er in een onbegrensd niet-weten ruimte voor alle denkbare definities van niet-weten, en voor alle claims van wie dan ook als zou een bepaalde definitie de enige juiste zijn, of een bepaald soort niet-weten het enige ware niet-weten, of ieder niet-weten obstinate onwetendheid, of wat dan ook.

Zelf claim ik bij mijn weten niets, dit ook niet.

Noem het wat je wilt.

448 - Om jezelf lachen is makkelijker met z'n tweeën

Niet-weten vindt zelden bijval.

Het woord niet en waar het voor staat niet.

Wie wil er nou niet weten?

Wie wil er nou met lege handen staan?

Laat staan met een leeg hoofd.

Het gros van de mensen kent het begrip niet eens, of gebruikt het als synoniem voor onwetendheid of voor struisvogelpolitiek – zaken om te ontkennen of, na een borreltje of twee, te bekennen; niet om te erkennen, laat staan om te verkennen.

Op een verjaardag hoef je echt niet met niet-weten aan te komen en ook bij een sollicitatie zou ik er maar niet over beginnen – of je moet medewerker van NietWeten.nl willen worden.

Maar ik heb het getroffen.

Lief en ik zijn zielsverwanten c.q. lotgenoten, partners in crime, nitwits, eters van nederige taart, dummy’s van de onderste plank.

Dagelijks verwonderen we ons over dit onbegrijpelijke bestaan.

We bekijken het van alle kanten, maar wat nou de goede is?

Beiden hebben we het gevoel dat we maar wat aanmodderen.

Vroeger ook al, maar toen vonden we dat vreselijk.

Nu niet meer.

Hoe dat kan?

Het leven wordt spannender als het mee mag doen.

Om jezelf lachen is makkelijker met z'n tweeën.

Het is heroïsch om elkaars antiheld te zijn.

Samen dansen we de tjatjatja.

449 - Lijd ik aan ingebeelde onwetendheid?

X: Kan het zijn dat jij lijdt aan ingebeelde onwetendheid?

H: Begrijp ik het goed dat jij denkt dat ik mezelf voor onwetend houd?

X: Absoluut.

H: Nou, ik niet.

X: Hou jij jezelf dan voor wetend?

H: Absoluut niet.

X: Nou, ik wel.

H: Jij houdt mij voor wetend?

X: Nee, mezelf.

H: En begrijp ik het goed dat jij denkt dat ik mezelf voor íemand hou?

X: Ben jij zo iemand die zichzelf voor niemand houdt?

H: Ik niet.

X: Hè?

H: Wat?

X: Het is het een of het ander.

H: Kan het zijn dat jij lijdt aan ingebeelde wetendheid?

450 - Niet-weten is naakt in de wereld staan

X: Niet-weten is je kop in het zand steken.

H: Voor jou misschien.

X: Wat is het voor jou?

H: Naakt in de wereld staan.

X: Veilig in de baarmoeder zitten, zul je bedoelen.

H: En met welke toverwoord sluit ik de wereld buiten?

X: ‘Ik weet niets.’

H: O ja?

X: Eindeloos herhaald.

H: Zou ik nooit zeggen.

X: O nee?

H: Ondenkbaar.

X: Waarom?

H: Omdat ik dat niet weet.

X: Wat niet?

H: Dat ik niets weet.

X: Dat weet je ook al niet?

H: Hoe zou ik me er dan achter kunnen verschuilen?

X: Daar vraag je me wat.

H: Mijn leer is leeg.

X: Als jij het zegt.

H: Hij bevat geen enkele stelling.

X: Zeker weten?

H: Dus ook niet dat je niets kunt weten.

X: Noem dat maar een leer.

H: Mijn baarmoeder is de wereld.

X: Dat zal dan wel.

H: Wat dat ook moge wezen.

X: Tja.

H: Maar waar zit jij?

451 - Niet-weten is dansen op je graf

X: Niet-weten is je kop in het zand steken.

H: Zou je ook eens moeten doen.

X: Ik zie de feiten liever onder ogen.

H: Ik zie ze liever onder het zand.

X: Jij hebt de wereld begraven.

H: En mezelf erbij.

X: Weer zo iemand die denkt dat hij niemand is.

H: Ook dat idee is begraven.

X: En de wereld een illusie.

H: Ook begraven.

X: Niet-ik leeft in een niet-wereld waar hem niets meer kan overkomen en waarin hij nergens meer verantwoordelijk voor is.

H: Allemaal begraven.

X: Niet-weten is je kop in het zand steken.

H: Weten is op zand bouwen.

X: Niet-weten is jezelf zand in de ogen strooien.

H: Weten is jezelf begraven.

X: Waarin dan wel?

H: In je ideeën. In je idealen. In je ideologieën.

X: Zonder kun je niet leven.

H: Tot je erin stikt.

X: En wat is niet-weten in deze beeldspraak?

H: Dansen op je graf.

452 - Verschuilen is ook een vorm van leven

X: Jij verschuilt je in niet-weten omdat je niet durft te leven.

H: Verschuilen is ook een vorm van leven.

X: Je geeft het toe?

H: Ik geef een definitie.

X: Maar verschuil je je nou of niet?

H: Ik zou het ook niet weten.

X: Zie je wel?

H: Misschien is weten ook een vorm van verschuilen.

X: Waarin?

H: De hokjes van je geest.

X: Zoals?

H: Weten, niet-weten, verschuilen, leven …

X: Weten duidt op een hokjesgeest?

H: Hokjesgeest is ook een hokje.

X: Daar zeg je me wat.

H: Geest ook.

X: Verdraaid.

H: Hokje ook.

X: Niet te geloven.

H: Ik bedoel maar.

X: We verschuilen ons dus allebei?

H: Ik zou het echt niet weten.

453 - Niet-weten is weten van het bord voor je kop

X: Wat is weten?

H: Een bord voor je kop.

X: Wat is niet-weten?

H: Ook een bord voor je kop.

X: Hoe kom ik van dat bord af?

H: Welk bord?

X: Elk bord.

H: Wie zegt dat je ervan af kan komen?

X: Waar hebben we het anders over?

H: Wat is denken dat je ervan af kan komen?

X: Nou?

H: Een bord voor je kop.

X: Omdat je er nooit van af kan komen?

H: Wat is denken dat je er nooit van af kan komen?

X: Nou?

H: Een bord voor je kop.

X: Toch wil ik ervan af.

H: Waarom?

X: Omdat ik dan beter af zal zijn.

H: Wat is denken dat je beter af zal zijn zonder bord voor je kop?

X: Een bord voor je kop?

H: Hoe kom je erop.

X: Omdat je beter af bent mét?

H: Wat is denken dat je beter af bent met een bord voor je kop?

X: Zeker weer een bord voor je kop.

H: Wat is jezelf zien als iemand met een bord voor z’n kop?

X: Bedoel je dat ik toch geen bord voor mijn kop heb?

H: Wat is jezelf zien als iemand zonder bord voor z’n kop?

X: Hoe moet ik mezelf dan zien?

H: Wie zegt dat er iets te zien valt?

X: Wou jij zeggen van niet?

H: Wat is denken dat er niets te zien valt?

X: Een bord voor je kop?

H: Wat is denken dat er toch iets te zien valt?

X: Een bord voor je kop?

H: Conclusie?

X: Ik zeg niks.

H: Waarom niet?

X: Ik trap er niet meer in.

H: Vind je dat we moeten zwijgen?

X: Wel als we van het bord voor ons kop af willen.

H: Dan is dat het bord voor je kop.

454 - Niet-weten is leven tussen aanhalingstekens

Beste Hans,

Waarheen leidt de poortloze poort van niet-weten?

Beste X,

Wie zich met de moed der hoop of met de moed der wanhoop of met de moedeloosheid der hopelozen of hoe dan ook door het wormgat van niet-weten wurmt, of er net als ik zijns ondanks doorheen wordt geperst, vindt zichzelf terug in … (tromgeroffel)

X: Hou me niet langer in spanning!

H: Daar, of moet ik zeggen hier, of moet ik zeggen ‘hier’, ontdekt hij, of moet ik zeggen ‘hij’ of het of ‘het’, tot zijn of ‘zijn’ blijvende verwondering, als je de oogverblindende klaarheid van totale verwarring tenminste zo kunt noemen, dat er niets veranderd is – of toch?

X: Nou?

H: Tja. Wat kan ik zeggen zonder meteen te ver te gaan? Of heb ik het al gezegd? Of ben ik al te ver gegaan?

(Alles lijkt nog bij het oude, maar het is net of het allemaal tussen haakjes is komen te staan.) ‘Tussen aanhalingstekens.’ Niet uitgegumd maar doorgestreept. En steeds die innerlijke drang, zacht en zoet maar onweerstaanbaar, om alles zónder woorden onder woorden te brengen, mij zonder ze te dienen van woorden te bedienen.

X: Vandaar de uitdrukking ‘de poortloze poort’?

H: Van de poortloze poort durf ik eigenlijk niet te spreken, die term is krachtens de ongeschreven regels van de xenofiele rede voorbehouden aan de gecertificeerde stamboekboeddhist. Maar dit kan ik je wel vertellen: het wormgat van niet-weten voert niet van hier naar daar met achterlating van het aardse tranendal, niet van samsara naar nirwana waar alle begeerte is uitgedoofd, niet van het relatieve naar het absolute waar nog geen grassprietje verkeerd ligt, niet van de dualiteit der woorden naar de non-dualiteit voorbij de woorden.

X: Waarheen dan wel?

H: Het wormgat van niet-weten voert van gaan naar ‘gaan’, van hier naar ‘hier’, waar ik ‘ik’ is, jij ‘jij’ en voeren ‘voeren’, waar vrije wil ‘vrije wil’ is en overgave ‘overgave’, waar bergen ‘bergen’ zijn en rivieren ‘rivieren’. Waar werkelijkheid ‘werkelijkheid’ is en illusie ‘illusie’. Waar dualiteit ‘dualiteit’ is en non-dualiteit ‘non-dualiteit’. Waar wijsheid ‘wijsheid’ is, man ‘man’, vrouw ‘vrouw’, boeddha ‘boeddha’, zelf ‘zelf’ en god ‘god’. Waar weten ‘weten’ is en niet-weten ‘niet-weten’.

X: Alles goed en wel, maar wat moet dat met die aanhalingstekens?

H: ‘Met aanhalingstekens wil een schrijver aangeven dat hij niet bedoelt wat er staat’, zegt Krol. De schrijver geeft er niet mee aan wat hij wél bedoelt. Als hij dat wist zou hij het heus wel opschrijven.

X: Bedoel je dat de waarheid voorbij de woorden is?

H: Als ik dat bedoelde zou ik het gewoon opschrijven.

X: Laten we even aannemen dat een schrijver met aanhalingstekens wil aangeven dat hij niet bedoelt wat er staat. Wat wil de schrijver Hans van Dam er dan wel mee aangeven?

H: De schrijver, zeg maar gerust de ’schrijver’, Hans van Dam, zeg maar gerust ‘Hans van Dam’, wil ermee aangeven dat hij nergens op staat. Ook hierop niet. Hij wil ermee aangeven dat hij nergens op slaat. De spijker niet op de kop en met de vuist niet op de borst of op tafel. Hij wil ermee aangeven dat hij ten diepste niet weet wat hij zegt of waarom hij het zegt of wie hier eigenlijk spreekt met wie, als dat al het geval is.

X: En dat is alles?

H: En dat het niks geeft natuurlijk, want dat is het punt. Dat het me helemaal niet uitmaakt dat ik ten diepste niet weet wat ik zeg of waarom ik het zeg of wie hier eigenlijk spreekt met wie, als dat al het geval is. Integendeel, ik ben blij toe. Sterker nog, ik zou het wel van de daken willen schreeuwen.

X: Ga gerust je gang.

H: Juist dat het niet uitmaakt, is wat het verschil maakt!

X: Lucht het een beetje op?

H: Een beetje? Niet-weten is een opluchting waar geen eind aan komt! Het is hier fantastisch!

X: Maar dan tussen aanhalingstekens zeker.

H: ‘Zeker’. ‘Het is hier fantastisch.’ ‘Hier’. In ‘niet-weten’. In die ‘blijvende verwondering’ over de ‘oogverblindende klaarheid’ van ‘totale verwarring’.

455 - De reiger en de vis

Een meester maakt een ommetje met een leerling. In de sloot staat een reiger visjes te vangen. ‘Hup reiger!’ roept de leerling. Er schiet een zilveren ruggetje voorbij. ‘Visje, pas op!’ roept de leerling. ‘Zeg, voor wie ben je nou eigenlijk?’ vraagt de meester. De leerling zegt: ‘Ik … eh … dat is te zeggen … tjee.’ ‘Gevangen’, zegt de meester.

456 - De ooievaar en de kikker

Twee meesters maken een ommetje. In de sloot staat een ooievaar kikkers te vangen. ‘Hup ooievaar’, roept de ene meester. ‘Hup kikkers’, roept de andere. ‘Ja, hup kikkers’, beaamt de een. ‘Ja, hup ooievaar’ beaamt de ander. Hoofdschuddend lopen ze verder.

457 - De schaatsenrijder en de bromvlieg

1. Lente

Twee kinderen zijn buiten aan het spelen. In een sloot zien ze een vis een schaatsenrijder verschalken. ‘Kijk!’ roepen ze opgetogen. Later zien ze in de eetkamer een bromvlieg tegen het raam botsen. ‘Kijk!’ roepen ze opgetogen.

2. Zomer

Een meester maakt een ommetje met een leerling. In een sloot zien ze een vis een schaatsenrijder verschalken. ‘Een schaatsenrijder ziet wel de oppervlakte maar niet de diepte’, zegt de meester. ‘Bedoelt u dat je altijd verder moet kijken dan je neus lang is?’ vraagt de leerling. Later zien ze in de eetzaal een bromvlieg tegen het raam botsen. ‘Een vlieg ziet wel de diepte maar niet de oppervlakte’, zegt de meester. ‘Bedoelt u dat je nooit verder moet kijken dan je neus lang is?’ vraagt de leerling.

3. Herfst

Twee meesters maken een ommetje. In een sloot zien ze een vis een schaatsenrijder verschalken. Ze zeggen niets. Later zien ze in de eetzaal een bromvlieg tegen het raam botsen. Ze zeggen niets.

4. Winter

Twee bejaarden zitten televisie te kijken. In een natuurprogramma zien ze een vis een schaatsenrijder verschalken. ‘Kijk!’ roepen ze opgetogen. Later zien ze in de eetzaal een bromvlieg tegen het raam botsen. ‘Kijk!’ roepen ze opgetogen.

458 - Niet-weten is geen truc

X: Volgens mij is niet-weten gewoon een truc.

H: Zo kun je het zien.

X: Maar wat is nou de truc?

H: Wat denk jij?

X: Alle vragen terugspelen?

H: Ik ben geen therapeut.

X: Alles tegenspreken?

H: Ik ben geen automaat.

X: Overal vraagtekens bij zetten?

H: Ik ben geen typemachine.

X: Niets zeggen?

H: Jij zegt het.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Geen trucjes toepassen?

X: De truc van niet-weten is geen trucjes toepassen?

H: Maar niet heus.

X: Waarom niet?

H: Dat zou toch weer een truc zijn.

X: De truc van niet-weten is geen trucjes toepassen, maar niet heus, want dat zou toch weer een truc zijn?

H: Maar niet heus.

X: Waarom niet?

H: Dat zou nog steeds een truc zijn.

X: De truc van niet-weten is geen trucjes toepassen, maar niet heus, want dat zou toch weer een truc zijn, maar niet heus, want dat zou nog steeds een truc zijn?

H: Enzovoorts.

X: Goeie truc.

H: Nou nog toepassen.

459 - Niet-weten is geen postmodernisme

X: Niet-weten is gewoon een vorm van postmodernisme.

H: Wat versta jij onder postmodernisme?

X: Het einde van de grote verhalen.

H: Hm.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Het laatste grote verhaal.

X: Nietes, het verkondigt juist het einde van de grote verhalen.

H: Als dat geen groot verhaal is …

X: Het postmodernisme behoort nog steeds tot het modernisme, wou je zeggen.

H: Per definitie.

X: Wat zou er moeten gebeuren om het te postmoderniseren?

H: De brand erin.

X: Het postmodernisme is dood, leve het postpostmodernisme?

H: Leve het wat?

X: Het postpostmodernisme.

H: De brand erin en uitstrooien.

460 - Niet-weten als het einde van het modernisme en het postmodernisme

Zuivere waarheid bestaat niet

Postmodernisme is een verregaand cultuurrelativisme zonder heilige huisjes.

Volgens het postmodernisme is alle kennis relatief: cultuur-, situatie-, subject-, plaats- en tijdgebonden.

Zuivere waarheid bestaat niet, geen enkele leer is definitief en de mens als maker en individu is een mythe.

Wie onze cultuur wil begrijpen, richt zich niet op haar voortbrengers maar op haar voortbrengsels.

Het discours (het geheel van teksten in een samenleving) kan bijvoorbeeld alleen begrepen worden vanuit zichzelf, niet vanuit (de psychologie van) zijn schijnbare auteurs.

Ook de tekst die je nu leest moet volgens de postmodernist begrepen worden vanuit het, laten we zeggen, wijsgerig-spirituele discours, en niet als een communiqué van de persoon Hans van Dam.

Steeds nieuwe perspectieven en identiteiten

Het postmodernisme is niet alleen een stroming in de wijsbegeerte, maar ook in de menswetenschappen, de politiek, de literatuur, de schilderkunst en de filmkunst.

Een hedendaagse postmoderne schrijfster van Nederlandse bodem is Hanna Bervoets (1984), die in haar romans wil laten zien dat geen enkel subject of object restloos te bepalen is, dat er steeds nieuwe perspectieven en identiteiten mogelijk zijn, maar nooit definitieve.

Deze denkwijze herinnert aan de leerstukken van leegte, niet-zelf en afhankelijk-ontstaan in het boeddhisme, dat althans in dit opzicht postmodern avant la lettre was.

Pluralisme

Het postmodernisme kun je net als het dadaïsme, het existentialisme en het absurdisme zien als een reactie op wat we achteraf het modernisme van de late negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw zijn gaan noemen.

Het modernisme staat voor de hoogtijdagen van het fascisme, kolonialisme, nazisme, dialectisch materialisme, communisme, socialisme en historicisme.

Volgens postmoderne denkers moest dat achteraf gezien wel tot onderdrukking, dictatuur en wereldoorlogen leiden, en dat deed het dan ook.

Degenen die wij achteraf postmodernisten zijn gaan noemen, zochten destijds eendrachtig naar een alternatief voor het enge eenheidsdenken dat inzet op één waarheid, één ideaal, één moraal, één kunst, één volk, één wereld, één rijk, één partij, één leider, één pad, één religie.

Ze meenden het gevonden te hebben in het pluralisme.

Eén volk, één rijk

Postpostmodernisme

Hoe revolutionair het postmodernisme ook mag lijken, toch is daarmee het einde van het relativeren nog niet bereikt.

Want we kunnen het cultuurrelativisme zelf nog relativeren, het heilige huisje van geen-heilige-huisjes nog omverhalen – het enge eenheidsdenken dat monomaan inzet op veelheid en daarom niets anders is dan een fundamentalistisch antifundamentalisme.

Mocht dit inderdaad de uiterste consequentie van het postmodernisme zijn, dan zit er misschien een volgend tijdperk aan te komen, dat ik hier maar even het postpostmodernisme zal noemen, of apocalyptisch het einde der tijden.

Daarin waant men zich niet meer verder in een volgend tijdperk, niet meer terug in een vorig tijdperk, en ook niet meer gevangen of bevrijd in een tijdelijk of eeuwig heden, maar is men over dat onderwerp helemaal vrij van overtuigingen en idealen.

Dus ook van de overtuiging en het ideaal over dat onderwerp helemaal vrij van overtuigingen en idealen te zijn.

Daarmee zou het vooruitgangsdenken definitief tot een einde gekomen zijn, net als het doemdenken, zodat we achteraf nooit meer zouden kunnen vaststellen of we nou beter of slechter af waren, laat staan vooraf.

Maar of we daarmee beter of slechter af zouden zijn?

Endisme

Het schijnt dat de fatale filosoof Jean Baudrillard al in 1992 in Illusion de la fin, waarin hij de lineaire opvatting van de tijd op de korrel neemt, het einde van het einde heeft verkondigd.

Hij werd daarin voorgegaan door talloze verkondigers van het einde van het een of ander:

Het einde van de wereld (eschatologie).

Het einde van de filosofie (scepticisme, pyrronisme).

Het einde van de oorlog (‘the war to end all wars’).

Het einde van de kunst (Arthur Danto).

Het einde van het subject (advaita vedanta, boeddhisme).

Het einde van het boek.

Het einde van de roman.

Het einde van de poëzie.

Het einde van de schilderkunst.

Het einde van de muziek.

Het einde van de godsdienst.

Het einde van de staat.

Het einde van de geschiedenis (Francis Fukuyama).

Het einde van het metaverhaal (Lyotard).

Het einde van de representatie (Derrida).

De onbedwingbare neiging om ergens het einde van te verkondigen, wordt endisme genoemd.

Deze term verdient beslist een plaatsje in een toekomstige versie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM), aangenomen dat die zelf nog een plaatsje verdient in een postpostmoderne versie van de psychiatrie, aangenomen dat de psychiatrie zelf nog een plaatsje verdient in een postpostmoderne versie van deze wereld of wereldillusie of wereldillusie-illusie.

Het einde van het einde

Naar verluidt werkt de geest van voornoemde Baudrillard, een verwoed polemist die kennelijk nog steeds het laatste woord wil hebben, sinds zijn lichamelijk dood in 2007 in alle onrust aan een studie getiteld Illusion de la fin de la fin (de illusie van het einde van het einde).

Zelf werk ik sinds ik het weten en het niet-weten en het achterlaten achter me heb gelaten aan een definitieve studie over het laatste woord.

Die studie gaat Het laatste woord over de illusie van het laatste woord heten, of De illusie van het laatste woord over de illusie, daar is het laatste woord nog niet over gezegd.

Hierbij kondig ik ook vast het einde van het endisme aan, en het einde van het einde daarvan, voordat iemand mij voor is.

Daarmee hoop ik tenminste één keer in mijn leven ergens zo niet de beste dan toch de eerste in te zijn, of liever, de laatste, al was het maar postuum, of postpostuum desnoods.

Eén leer, één pad

461 - Niet-weten is bijzonder gewoon

X: Wat maakt niet-weten zo bijzonder?

H: Dat het op geen enkele wijze bijzonder is.

X: Leidt het tot blijvend geluk? Onverstoorbaarheid? Innerlijke vrede? Onvoorwaardelijke liefde? Kinderlijke onschuld ? Eeuwig leven?

H: Niet dat ik weet.

X: Leidt het tot neutraliteit? Flegma? Willoosheid? Onthechting? Aanvaarding? Berusting?

H: Niet dat ik weet.

X: Leidt het tot afstomping? Melancholie? Depressiviteit? Onrust? Leegte? Verlorenheid?

H: Niet dat ik weet.

X: Niet-weten is op geen enkele manier bijzonder?

H: Niet weten is bijzonder gewoon.

462 - Niet-weten is al even grondeloos als weten

X: Denk je nou echt dat we niets weten?

H: Natuurlijk niet.

X: Wat dan wel?

H: Dat al ons weten grondeloos is.

X: Maar dat weet je dan weer wel?

H: Natuurlijk niet.

X: Waarom niet?

H: Anders wist ik toch weer iets.

X: En niet-weten?

H: Ook grondeloos.

X: Waarom?

H: Anders wist ik toch weer iets.

X: Dus jouw weten en jouw niet-weten zijn beide grondeloos?

H: Dat weet ik niet.

X: Anders wist je toch weer iets.

H: En wat dan nog?

X: Maar dat maakt je weten en je niet-weten des te grondelozer.

H: Inderdaad.

X: Wat is dan nog het verschil?

H: Waartussen?

X: Weten en niet-weten?

H: Ik zou het ook niet weten.

X: Want anders wist je toch weer iets.

H: Schei toch uit.

X: Dus eigenlijk kun je geen kant meer op.

H: Dus eigenlijk kan ik alle kanten op.

463 - Ik wens je alle zekerheid toe die je nodig hebt

X: Wat heb jij toch tegen leerstelligheid?

H: Niets.

X: Hè?

H: Waarom zou ik?

X: Op grond van niet-weten natuurlijk.

H: Niet-weten is geen grond.

X: Een scepticus als jij …

H: Niet-weten is geen scepsis.

X: Waarom bestrijdt jij dan onvermoeibaar alle denkbare spirituele, religieuze en filosofische stellingen?

H: Ik zou niet weten hoe.

X: Pardon?

H: Stellingen bestrijd je met argumenten gebaseerd op andere stellingen. Waarop zou ik bij gebrek aan stellingen mijn argumenten moeten baseren?

X: Dat was een stelling met een argument.

H: Weg ermee.

X: Jij hecht geen enkele waarde aan wat je zegt.

H: Dat kan ik wel bevestigen, maar hecht ik er ook waarde aan?

X: Waar ben je dan mee bezig?

H: Zeg jij het maar.

X: Ja, weet ik veel.

H: Ik roep maar wat.

X: Je roept maar wat?

H: Nu ook weer.

X: En als de mensen niet willen luisteren?

H: Dan wens ik ze alle zekerheid toe die ze nodig hebben.

X: En als ze toch willen luisteren?

H: Dan wens ik ze alle twijfel toe die ze aankunnen.

X: Jou maakt het niet uit.

H: Zover zou ik niet willen gaan.

X: Maar?

H: Ik heb niets tegen leerstelligheid.

X: En als ik nou wel iets heb tegen leerstelligheid?

H: Dan wens ik je alle zekerheid toe die je nodig hebt.

464 - Niet-weten is geen scepticisme

Eerder in dit Witboek had ik het over therapeutisch scepticisme, de twijfelleer die streeft naar geestelijke rust door voor ogen te houden dat wij niets weten.

Scepticisme is de filosofie van de twijfel. Er bestaan veel varianten van, die niet allemaal een eigen naam hebben gekregen, die niet consequent toe te schrijven zijn aan individuen, scholen of werken uit de geschiedenis van de wijsbegeerte en die niet eenduidig in te delen zijn, tenminste niet door mij.

Een kleine greep:

1. Je kunt niets weten, ook niet dat je niets kunt weten, behalve hoe je moet leven (praktisch scepticisme van Pyrrho van Elis).

2. Je kunt niets weten, behalve dat je niets kunt weten (dogmatisch scepticisme).

3. Je kunt niets zeker weten, maar wel met enige waarschijnlijkheid (probabilisme).

4. Je kunt niets weten, behalve de associaties van het verstand (Hume).

5. Je kunt niets weten, behalve via de categorieën van het verstand, (tijd, ruimte, oorzaak en getal; Kant).

6. Je kunt niets weten, behalve wat in de ervaring gegeven is (empirisch scepticisme van Sextus Empiricus; logisch positivisme van Carnap c.s.).

7. Je kunt niets weten, behalve als bewustzijnsinhoud (idealisme, Bacon).

8. Je kunt niets weten, behalve de inhoud van je eigen je eigen bewustzijn (solipsisme).

9. Je kunt niets weten, behalve of iets werkt (pragmatisme, Peirce).

10. Je kunt niets weten, behalve wat niet onwaar is (falsificationisme, Popper).

11. Je kunt niets weten, behalve voor jezelf (subjectivisme).

12. Je kunt niets weten, behalve voor zover het in taal is uit te drukken (linguïstisch relativisme, Sapir-Whorf).

13. Je kunt niets weten, behalve binnen een gegeven context (contextualisme).

14. Je kunt niets weten, behalve binnen een vooringenomen denksysteem (postmodernisme).

Welk type scepticisme komt het dichtst bij niet-weten?

Geen enkel.

Een weetniet meent niet te weten dat je niets kunt weten, behalve dit of dat, en ook niet dat je niets kunt weten, en dat is dat.

Niet-weten is geen scepticisme.

465 - Niet-weten als apatheia en ataraxia

Het stoïsche woord apatheia (Grieks, a, niet + pathè, emotie) betekent letterlijk emotieloos, zonder gevoel zijn.

Wij verstaan onder apathie een ongewenste staat van onverschilligheid, afstomping of lusteloosheid, maar dat is niet wat hier bedoeld wordt.

Apatheia is een gewenste staat van onbewogenheid, gelatenheid, zorgeloosheid, berusting, kalmte, harmonie en gemoedsrust.

De cerebrale variant van apatheia is ataraxia (Grieks, a, niet + tarassoo, verwarren, woelig maken).

Ataraxie is letterlijk een toestand van onverwardheid, helderheid van geest, maar in het oud-Griekse spraakgebruik was het tevens een vorm van a-pathische onverstoorbaarheid.

Borstbeeld met een hoofd dat rood is van ergernis omdat er een meeuw op zijn hoofd schijt.

Filosofie: fatalisme en scepticisme

Het belangrijkste verschil tussen apatheia en ataraxia is misschien niet de gemoedstoestand die ermee aangeduid wordt, maar de weg ernaartoe.

Apatheia is een term uit het stoïcisme, ataraxia uit het scepticisme.

Stoïcisme is de deterministische en fatalistische leer dat wat je overkomt helemaal bepaald wordt door de omstandigheden.

Alleen het oordeel dat je erover velt bepaal je zelf.

In een deterministisch universum er maar één juist oordeel mogelijk, namelijk dat alles op ieder moment precies is zoals het zijn moet.

Door dit constant voor ogen te houden bereikt de stoïcijn apatheia.

Scepticisme is de leer dat je nergens zeker van kunt zijn.

Als je overal aan kunt twijfelen, is geen enkel oordeel definitief.

In een onzeker universum is er maar één houding mogelijk, namelijk ieder oordeel voor onbepaalde tijd op te schorten.

Deze houding heet in het Grieks epoche.

Ataraxia bereikt de scepticus door niet meer te oordelen.

Boeddhisme: nirwana en moksha

Apatheia en ataraxia zijn Griekse woorden, maar dat betekent niet dat het streven naar onverstoorbaarheid typisch Grieks of westers is.

Boeddhistische beschrijvingen van nirwana (uitdoving) en moksha (bevrijding van samsara, de cyclus van geboorte, lijden en dood) komen op hetzelfde neer.

Wanneer een boeddhist spreekt van ‘opperste gelukzaligheid’ en ‘volkomen harmonie’ bedoelt hij daarmee geen euforie, verrukking, vervoering of extase, want gevoelens zijn van voorbijgaande aard en een bron van lijden.

De boeddhistische praktijk is gericht op een duurzame staat van aanvaarding, onthechting en innerlijke rust.

Advaita vedanta: de kenner en het gekende

In advaita komt het er niet op aan emoties uit te bannen en oordelen op te schorten, zoals in de sceptische, stoïsche en epicuristische filosofieën en in het boeddhisme.

Het komt erop aan ze onaangedaan te ondergaan.

Rustig beziet de non-dualist zelfs zijn heftigste emoties, zoals een professioneel acteur zijn eigen toneelspel gadeslaat.

Hij weet dat hij het onveranderlijke en onvergankelijke Bewustzijn zelf is, waarin alle verschijnselen maar rimpels zijn, en niet de persoon die daarin verschijnt als ‘ik’.

Het is alsof de advaitavadin zichzelf heeft verdubbeld in een waarnemer en een deelnemer, en zich in de eerste heeft teruggetrokken.

Uiterlijke en innerlijke verschijnselen trekken voorbij als wolken aan de hemel zonder deze te verstoren.

Of als een storm die aan de oppervlakte van de oceaan grote golven opstuwt maar de diepzee onberoerd laat.

Immanentie en transcendentie

Het idee dat de veranderlijke wereld zich voltrekt in een onveranderlijk medium, kom je tegen in verschillende tradities onder verschillende namen.

Zo spreekt men in het hindoeïsme van atman, brahman of parabrahman, in het non-dualisme van bewustzijn, het kennen, het waarnemen of het beminnen, in het zenboeddhisme van het ware zelf, de boeddhanatuur, de geest of de zoheid der dingen, in de mystiek van god of de godheid of het ene, in het taoïsme van de Tao.

Hierbij gaat het steeds om iets dat in het alledaagse aanwezig is als essentie of dat het alledaagse overstijgt.

Het eerste heet immanentie, het laatste transcendentie.

Volgens sommige tradities kun je het onveranderlijke wel ervaren, volgens andere maar een beetje, na lang oefenen, volgens weer andere principieel niet omdat het van elk ervaren, van elk voorstellen de grond zou zijn.

Een non-traditie

Het scepticisme, het stoïcisme, het epicurisme, de advaita vedanta, het hindoeïsme, het boeddhisme, het taoïsme en de mystiek – al deze en andere religieuze, spirituele en filosofische tradities schurken tegen agnose aan.

Toch moeten we tradities niet proberen te reduceren tot een radicaal niet-weten, en een radicaal niet-weten niet tot een of andere traditie, want daarmee doen we beide tekort.

In een radicaal niet-weten blijft geen enkel begrip, halfbegrip, niet-begrip of onbegrip overeind.

Daar is geen sprake van immanentie of transcendentie.

Niet van atman, brahman, het ware zelf, de boeddhanatuur of de zoheid der dingen.

Niet van dualisme, non-dualisme, non-dualistisch dualisme, monisme of nihilisme.

Niet van determinisme, fatalisme, stoïcisme of scepticisme.

Niet van apatheia, niet van apathie, niet van epoche, niet van ataraxie.

Aan een radicaal niet-weten gaat alles te gronde, ook het niet-weten zelf.

Hoe zou het dan ooit een traditie kunnen zijn?

Hoe zou het ooit onderdeel van een traditie kunnen zijn?

Hoe zou een traditie er ooit onderdeel van kunnen zijn?

De muziek van de stilte

Een saaie bedoening, denk je nu misschien, alsof je met een triangel een compositie voor een heel orkest moet spelen, maar dan vergis je je lelijk.

Niet-weten, dat is zwaarteloos zweven, wiegen en wuiven.

De muziek van de stilte – daar kan geen orkest tegenop.

Onderwaterfiguur van triangels met wuivend wier als haar.
Zwaarteloos zweven, wiegen en wuiven.

Wie dit toch weer apatheia of ataraxia wil noemen, moet het vooral niet laten.

Wie het beslist geen apatheia of ataraxia wil noemen, moet het vooral niet doen.

Ik word er niet warm of koud van.

466 - Opgaan in het afgaan

Als we het over gewone gevoelens hebben, is vrede het tegenovergestelde van onvrede.

Je voelt je vredig óf je voelt je onvredig.

Naarmate het gevoel van vrede toeneemt, neemt het gevoel van onvrede af en omgekeerd.

De vrede van niet-weten is anders.

Die is onafhankelijk van je gevoel.

Nee, dat zeg ik verkeerd.

De vrede van niet-weten gedijt bij tegenstrijdige gevoelens.

Hij voedt zich met álle gevoelens.

De vreemde vrede van niet-weten is er altijd.

Dus ook als je bang bent.

Ook als je onrustig bent.

Ook als je boos bent.

Alsof het uit een ander vaatje tapt.

Alsof het eerder een geestestoestand is dan een gemoedstoestand – ataraxia in plaats van apatheia.

Maar ja.

Wie kent het verschil tussen geest en gemoed?

Of zullen we het een buikgevoel noemen?

Maar welk buikgevoel dan?

Dat van een gevulde maag of van een lege maag?

Dat van een bourgondiër of van een hongerkunstenaar?

Misschien wel het buikgevoel van een endeldarm die eindelijk aan zijn gerief komt.

Helemaal opgaand in het afgaan.

Zuchtend van verlichting!

Shit.

Dat krijg je ervan als je vrede sluit met je onvrede.

Dan heb je geen woorden meer.

Dan sta je steeds voor aap.

Ook dát verstoort de vrede niet.

De vrede van niet-weten.

467 - Groeten uit Ver Wonderland

Groeten uit Ver Wonderland

De Achterkant van het Verstand

Waar woorden worden weggezegd

Waar hersens worden drooggelegd

Waar toga’s worden afgelegd

Waar grenzen worden blootgelegd

Waar lijken worden opgedregd

Waar diepten worden afgeslecht

Waar eenheid niet wordt opgelegd

De kromme niet wordt afgerecht

Waar alle hoop verloren gaat

En wanhoop is vergeten.

468 - Niet-weten is wat je vindt terwijl je iets anders zoekt

X: Is niet-weten een weg?

H: Nee.

X: Wat is het dan wel?

H: Collateral damage.

X: Bijkomende schade?

H: Een geluk bij een ongeluk.

X: Dat klinkt niet veel beter.

H: Noem het dan maar serendipiteit.

X: Hè?

H: Iets dat je vindt terwijl je wat anders zoekt.

X: Zoals?

H: God. Jezus. Verlichting. Jezelf. Eenheid. Vrede. Rust. Kracht. Liefde. Waarheid. Wijsheid.

X: Niet-weten als troostprijs.

H: Een vervloekte zegen.

X: Waar je zin in hebt.

H: Dat komt pas veel later.

469 - Niet-weten kent geen uitweg

11 Korte correspondenties.

Liefde als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan liefde.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Mededogen als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan mededogen.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Eenheid als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan eenheid.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

God als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan God.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Overgave als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan overgave.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Openheid als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan openheid.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Stilte als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan stilte.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Leegte als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan leegte.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Extase als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan extase.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Zijn als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan zijn.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Niet-weten als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Beste X,

Ik verblijf nergens, wat moet ik met een uitweg?

470 - Wat je moet weten van de weg

‘Wat weet jij eigenlijk van de weg, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

471 - Niet-weten is iets heel dieps en wonderlijks

Beste Hans,

Ik bestudeer al maanden je teksten, en ik kan er maar niet achter komen waar je naar verwijst.

Beste X,

Misschien is dat wel waarnaar ik verwijs.

X: Hoewel je het voortdurend tegenspreekt, heb ik van binnen steeds het gevoel: dit denken, deze teksten verwijzen naar iets heel dieps en wonderlijks.

H: Dat gevoel heb ik nou ook.

X: Wat is het precies waarnaar ze verwijzen?

H: Ik betwijfel of je daar al aan toe bent.

X: Spaar me niet.

H: Ga er maar even rustig voor zitten.

X: Ik ben er klaar voor.

H: Dit denken en deze teksten.

X: Hè?

H: Dat komt op hetzelfde neer.

X: Dit denken en deze teksten verwijzen naar iets heel dieps en wonderlijks, namelijk dit denken en deze teksten?

H: Is dat niet diep en wonderlijk?

X: Zit je mij in de maling te nemen?

H: Zit je mij in de maling te nemen?

X: Ik doelde op iets als hun goddelijke oorsprong: de Bron, Essentie, het Numineuze, het Absolute, de Waarheid voorbij de woorden.

H: Jij bent net als de verzamelaar die tegen Mona Lisa zei: doe mij maar het schilderij.

X: Ik ben toevallig een groot liefhebber van vrouwelijk schoon.

H: Of als als de museumgast die bij de Mona Lisa zei: doe mij maar die vrouw.

X: Bedoel je dat ik niet verder moet kijken dan mijn neus lang is?

H: Of als de verzamelaar die bij de Mona Lisa zei: pak maar in.

X: Bedoel je dat het om de maan gaat, niet om de vinger?

H: Of als de bezoeker die tegen Mona Lisa zei: zullen we?

X: Ik zie iets wezenlijks over het hoofd, hè?

H: Volgens jou wel.

X: Wat is het wezenlijke dat ik over het hoofd zie?

H: Dit denken, deze teksten.

Vlammend vraagteken.
Niet-weten is iets heel dieps en wonderlijks.

472 - Niet-weten is opgaan in verwondering!

Magnifico (groots, prachtig)

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!

Ik ga op in verwondering!
Jij gaat op in verwondering!
Het vele gaat op in verwondering!
Het ene gaat op in verwondering!
De illusie gaat op in verwondering!
De werkelijkheid gaat op in verwondering!
De waarheid gaat op in verwondering!
De leugen gaat op in verwondering!
Dwaasheid gaat op in verwondering!
Wijsheid gaat op in verwondering!
Het hoogste gaat op in verwondering!
Het laagste gaat op in verwondering!
De dingen gaan op in verwondering!
Het lichaam gaat op in verwondering!
Het leven gaat op in verwondering!
De dood gaat op in verwondering!
De tijd gaat op in verwondering!
Het nu gaat op in verwondering!

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!

Gedachten gaan op in verwondering!
Gevoelens gaan op in verwondering!
Ideeën gaan op in verwondering!
Opvattingen gaan op in verwondering!
Overtuigingen gaan op in verwondering!
Geloof gaat op in verwondering!
Ongeloof gaat op in verwondering!
Normen gaan op in verwondering!
Waarden gaan op in verwondering!
Idealen gaan op in verwondering!
Motto’s gaan op in verwondering!
Principes gaan op in verwondering!
Voorschriften gaan op in verwondering!
Verboden gaan op in verwondering!
Rechten gaan op in verwondering!
Plichten gaan op in verwondering!

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!

De weg gaat op in verwondering!
Het doel gaat op in verwondering!
De leerling gaat op in verwondering!
De meester gaat op in verwondering!
Dualiteit gaat op in verwondering!
Non-dualiteit gaat op in verwondering!
Gehechtheid gaat op in verwondering!
Onthechting gaat op in verwondering!
De mind gaat op in verwondering!
Het hart gaat op in verwondering!
Het ego gaat op in verwondering!
Het zelf gaat op in verwondering!

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!

Bewustzijn gaat op in verwondering!
Boeddha gaat op in verwondering!
Brahman gaat op in verwondering!
Essentie gaat op in verwondering!
God gaat op in verwondering!
Liefde gaat op in verwondering!
Mededogen gaat op in verwondering!
Verwondering gaat op in verwondering!

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!
Hoe wonderlijk gewoon!

473 - Niet-weten is wonderlijk gewoon!

Allegrezza (opgewekt)

Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk
gewoon!

474 - Stijlfiguren niet-weten: vervreemding

Doe maar gek, dan doe je al gewoon genoeg.

Veel literatuur is vervreemdend, maar vervreemding maakt nog geen stijlfiguur. Onder vervreemding als stijlfiguur versta ik een ingreep in een woord, uitdrukking, spreekwoord, cliché of een andere bekende tekst, die er een onverwachte draai aan geeft en hem zo vreemd, anders, nieuw, fris maakt:

Onze Boeddha die in nirwana is …

Ik kwam het begrip ‘literaire vervreemding’ tegen in Tao, De levende religie van China van Kristofer Schipper (1988):

‘Wanneer de Grote Weg zegeviert, heersen overal deugdzaamheid en gerechtigheid.’ Hier hebben we zonder twijfel met een spreuk uit een of ander klassiek vertoog te maken. In de Daodejing wordt eenvoudig het woord ‘zegeviert’ vervangen door ‘vervalt’ en hierdoor worden ‘deugdzaamheid en gerechtigheid’ aan de kaak gesteld als schijndeugden. De Daodeing past systematisch het procédé van literaire vervreemding toe, om zodoende de dwingelandij van de begrippen en vooroordelen te breken. Veel taoïstische teksten uit latere tijdperken zullen dit voorbeeld volgen.

(p232,233)

Op de lijst van stijlfiguren in de Wikipedia komt literaire vervreemding niet voor, of het moet onder een andere naam zijn die ik niet herken. Toch is het een belangrijke figuur, niet alleen in taoïstische geschriften, maar ook in de Agnoserreeks.

Een simpele vorm van literaire vervreemding is de koekoekstekst.

Soms kun je een vervreemdend effect verkrijgen door een zin in vraagvorm om te zetten Dan wordt de uitspraak ‘Ik ben de lege ruimte waarin mijn denkbeelden worden ingetekend’ ineens de vraag: ‘Of is dat ook maar een denkbeeld ingetekend in je lege ruimte?’

Ingewikkelder vormen van literaire vervreemding zijn parafrasen waarin de oorspronkelijke tekst nog wel te herkennen is maar een ander accent of een totaal nieuwe betekenis heeft gekregen. De gezegden van Meester Tja zijn voorbeelden van dergelijke vrije oefeningen in vervreemding.

Nog verder ga ik in De Poortloze Poort, oorspronkelijk een collectie van 48 koans, waarop ik per stuk zo’n tien variaties heb geschreven, die als uitdijende kringen steeds verder van het origineel verwijderd raken. Stapsgewijze vervreemding.

Een soortgelijk procédé pas ik toe in mijn deconstructie van de hoofdstukken vier en vijf van het traktaatje ‘Over de mystieke theologie’ van de mysticus Pseudo-dionysius.

In de Agnosereeks is het resultaat van literaire vervreemding altijd een dwaaltekst. Natuurlijk kun je er ook heel andere dingen mee doen.

475 - Zonder weg komt alles terug

‘Wat is de weg?’

‘Het weten doden.’

‘En dan?’

‘Is alles weg.’

‘En dan?’

‘Het niet-weten doden.’

‘En dan?’

‘Is alles terug.’

‘En dat is de weg?’

‘En dat was de weg.’

476 - Groeten uit het leeggebergte

De moralist en de agnost.

Moralist: Mensen gaan tot grote hoogten om diepzinnig te schijnen. De meeste abstracte termen zijn niets dan schaduwen, die een ledig verbergen.*

Agnost: Mislukt.

* Uitspraak van Joseph Joubert (1754-1824).

477 - Van grote vrees naar grote vrede – het weetnietfeest van de weetnietgeest

Beste Hans,

Ken jij de Woorden van de Oude Cheng? Deze tekst, vertaald uit het Frans door wijlen Alexander Smit, leerling van Nisargadatta Maharaj, ademt dezelfde sfeer als jouw Linji Lu. De Oude Cheng noemt het Uiteindelijke – dat wat overal aan voorbij gaat, dat wat alles overstijgt, het ene dat alles in zich draagt – de Oorspronkelijke Geest. Hoe noem jij het Uiteindelijke?

Beste X,

Na jaren van navelstaren en kennis vergaren teneinde het Uiteindelijke te ontwaren steek ik uiteindelijk nergens mijn hand meer voor in het vuur.

Zodoende kan ik niet bevestigen en niet ontkennen dat er een of ander dit of dat of niet-dit en niet-dat bestaat dat weliswaar voorbij de woorden is, maar niettemin bereikt of herkend of gerealiseerd of belichaamd of ingezien of aangevoeld of geleefd of doorleefd of gedaan of gelaten kan worden – zoals de gewone geest, de grote geest, de oorspronkelijke geest, de algeest, geen-geest, het zelf, geen-zelf, de ziel, het hart, de weg, de waarheid, het leven, het hoogste, het overstijgende, het absolute, het numineuze, het onnoemelijke, de bron, het zijn, essentie, het heden, de eeuwigheid, gewaarzijn, stilte, leegte, openheid, liefde, het ene, god, de menigvuldigheid, brahman, atman, anatman, tao, non-dualiteit, je ware aard, je oorspronkelijke gezicht, sunyata, nirwana en noem maar op.

Zulke termen gebruik ik daarom nooit, behalve om ze in vraag te stellen – maar dat doe ik dan ook graag. Dat geldt eigenlijk voor alle termen. Ook voor de wegwerptermen niet-weten, dwijsheid en agnose, al genieten die toevallig mijn voorkeur.

Niet-weten verwijst bij mij echter niet naar een principieel onkenbaar bewustzijn, zoals in sommige non-dualistische tradities, niet naar een principieel onkenbare interdependentie of een principieel onkenbare boeddhanatuur, zoals in sommige boeddhistische tradities, niet naar een principieel onkenbare immanentie, zoals in sommige mystieke tradities, niet naar een principieel onkenbaar mysterium tremendum et fascinosum, zoals het in nuministische kringen heet, of naar welke hypo-, hyper- of metastase ook.

Als ik het over agnose heb, bedoel ik alleen maar dat ik het, als het erop aankomt, allemaal niet meer weet. Dit ook niet. ‘Dat wat overal aan voorbij gaat’ is ook aan mij voorbij gegaan. Het moest wel. ‘Dat wat alles overstijgt’ gaat ook mij boven de pet. Per definitie. ‘Dat wat mij boven de pet gaat’ is mijn definitie van transcendentie.

Uiteindelijk is er niets dat mij niet boven de pet gaat. Alles is mij een raadsel. Het zogenaamde eindelijke net zozeer als het zogenaamde uiteindelijke. Het zogenaamde vele net zozeer als het zogenaamde ene. Het zogenaamde weten net zozeer als het zogenaamde niet-weten. Zogenaamde ik net zozeer als zogenaamde niet-ik en jij en niet-jij.

Niet-weten is met lege handen staan. Mijn handen zijn zo leeg als mijn leer. Mijn leer is zo leeg als mijn geest. Zo vol ben ik van mijn leegte dat ik barst. Leegte is mijn lied, ik zing als een parkiet en ik hoop maar dat je hoort of ziet wat ik niet zeggen kan omdat spreken nooit niet-weten is.

X: Parkieten kunnen niet zingen.

H: Niet-weten is dodecafonisch. In het twaalftoonsysteem kan niemand niet zingen.

X: Ik was ervan overtuigd dat jij het Uiteindelijke gewoon de Weetnietgeest zou noemen.

H: De weetnietgeest heeft niets te melden over het uiteindelijke.

X: Bedoel je dat het Uiteindelijke niet bestaat?

H: Nee, ik bedoel niet dat het Uiteindelijke niet bestaat of dat het Uiteindelijke toch bestaat of dat het Uiteindelijke bestaat én niet bestaat of dat het Uiteindelijke bestaat noch niet bestaat of dat het Uiteindelijke vooraf- en/of voorbijgaat aan bestaan en/of niet bestaan of dat we ons oordeel daarover voor onbepaalde tijd moeten opschorten of dat inzake het Uiteindelijke niets te bewijzen valt of wat dan ook.

Ik bedoel alleen maar dat ik het uiteindelijk allemaal niet weet. En dat ik daar vrede mee heb natuurlijk, Grote Vrede, want dat is het echte mirakel.

Grote Vrede vinden in hetzelfde niet-weten dat mij een halve eeuw Grote Vrees aanjoeg. Begeisterung vinden in mijn verbijstering. Thuiskomen in den vreemde.

Mij is dat Uiteindelijk genoeg.

Mij is dat uiteindelijk Genoeg.

X: Mij lijkt dat niet de Oorspronkelijke Geest.

H: Ik noem het mijn weetnietfeest.

mannetje kijkt verbaasd naar zijn handen die de vorm van het agnoseteken hebben
Niet-weten is met lege handen staan.

478 - Niet-weten is bungeejumpen

X: Wat bindt de mens aan zijn weten?

H: Een elastiek.

X: Wat heeft dat voor gevolg?

H: Hoe harder je wegloopt, hoe harder je terugschiet.

X: Jij ook?

H: Iedereen.

X: Wat is dan het verschil tussen ons?

H: Jij blijft rustig in de buurt van het weten rondscharrelen.

X: En jij?

H: Ik doe aan bungeejumpen.

479 - Niet-weten is rondscharrelen

X: Wat bindt de mens aan zijn niet-weten?

H: Een elastiek.

X: Wat heeft dat voor gevolg?

H: Hoe harder je wegloopt, hoe harder je terugschiet.

X: Jij ook?

H: Iedereen.

X: Wat is dan het verschil tussen ons?

H: Ik blijf rustig in de buurt van niet-weten rondscharrelen.

X: En ik?

H: Jij doet aan bungeejumpen.

480 - Niet-weten is je natuurlijke staat

X: Als je met elastiek aan het weten gebonden bent dan is weten je natuurlijke staat.

H: Inderdaad.

X: Als je met elastiek aan niet-weten gebonden bent dan is niet-weten je natuurlijke staat.

H: Inderdaad.

X: Wat is nou je natuurlijke staat, weten of niet-weten?

H: Wil je dat echt weten?

X: Inderdaad.

H: Dan zal dat het verschil wel zijn.

X: Waartussen?

H: Jou en mij.

X: Wil je het niet weten of weet je het gewoon niet?

H: Weet ik ook al niet.

X: Bij wie moet ik dan wezen?

H: Wie zegt dat iemand het weet?

X: Wou jij zeggen van niet?

H: Wat weet ik daarvan?

X: Maar wat is nou je natuurlijke staat?

H: Dat is nou je natuurlijke staat.

X: Weten of niet-weten?

H: Heen en weer gaan tussen weten en niet-weten?

X: Heen en weer gaan is je natuurlijke staat?

H: Ik zou het anders ook niet weten.

X: Dat zou een hoop verklaren.

H: Als er al een natuurlijk staat is.

X: Daar vraag je me wat.

H: En iemand die daarin kan verkeren.

X: Daar ging ik inderdaad eventjes van uit.

H: Misschien is niet weten of er een natuurlijke staat is wel je natuurlijke staat.

X: Dat kan ook nog.

H: Misschien is niet weten of er iemand is die daarin kan verkeren wel je natuurlijke staat.

X: Dat kan ook nog.

H: Maar misschien ook niet.

481 - Als je te veel begrijpt

Waarschuwing uit het verleden.

Beste Hans,

Mooi dat niet-weten, man. Ik kan me er helemaal in vinden!

Beste X,

Ik kan me er helemaal in verliezen.

X: Rainer Maria Rilke zei het al, ‘Als je te veel begrijpt gaat de eeuwigheid aan je voorbij’!

H: Dat hoor je wel vaker. Ik heb het nooit begrepen.

482 - Weten is de vijand niet

Er was eens een generaal die hartje winter ten strijde trok naar het hooggebergte.

Hem was verteld dat dáár de vijand zat.

Steenkoud was het er, bar in de boos.

De paarden verhongerden.

De soldaten vroren dood.

De generaal gleed uit en viel te pletter.

Het hooggebergte zelf was de vijand.

Dat had men er niet bij verteld.


Die generaal – dat was ik.

Het hooggebergte was de vijand niet; naar anderen luisteren was de vijand.

Naar anderen luisteren was de vijand niet; naar mezelf luisteren was de vijand.

Naar mezelf luisteren was de vijand niet; weten waar de vijand was, was de vijand.

Weten waar de vijand was was de vijand niet; weten dat er een vijand was was de vijand.

Weten dat er een vijand was was de vijand niet; weten wat een vijand is was de vijand.

Weten wat een vijand is was de vijand niet; wéten is de vijand.

Weten is de vijand niet; weten dat weten de vijand is, is de vijand.

Ik heb het er nu bij verteld.

483 - Zeg ik niets of kun jij me niet horen?

X: Waarheen leidt de weg die wij moeten gaan?

H: Wie zegt dat wij hem moeten gaan?

X: Wat anders?

H: Ondergaan?

X: Hè?

H: Misschien moeten wij de weg niet gaan maar ondergaan.

X: O, zo.

H: Veronderstellinkje?

X: Betrapt.

H: Geeft niks.

X: Waarheen leidt de weg die wij moeten ondergaan?

H: Wie zegt dat wij hem moeten ondergaan?

X: Jij toch?

H: Ik stel alleen maar een aanname aan de orde.

X: Waarheen leidt de weg?

H: Wie zegt dat hij ergens heen leidt?

X: Bedoel je dat hij nergens heen leidt?

H: Ik stel alleen maar een aanname aan de orde.

X: Wat kun je mij vertellen over de weg?

H: Welke weg?

X: Bedoel je dat er geen weg is?

H: Ik stel alleen maar een aanname aan de orde.

X: Wat bedoel je nou toch?

H: Wie zegt dat ik iets bedoel?

X: Bedoel je soms niets?

H: Ik stel alleen maar een aanname aan de orde.

X: Valt er dan helemaal niets te zeggen?

H: Dat hoor je mij niet zeggen.

X: Ik hoor je helemaal niets zeggen.

H: Het is anders niet dat ik niets zeg.

X: Wat is het dan wel?

H: Dat jij mij niet kunt horen?

484 - Non-dualiteit als niet-weten

X: Wat is non-dualiteit voor jou?

H: Een moeilijk woord dat eindeloze vragen oproept.

X: Wat voor vragen?

H: Vragen zoals ‘wat is non-dualiteit voor jou?’

X: Aha.

H: Wat is non-dualiteit voor jou?

X: De realiteit van de soetra’s en de upanishaden. De wereld zoals ze werkelijk is, a-dvaita, één geheel, zonder onderscheid. De wereld die ik kén is de wereld die ik bén. Herken jij jezelf daarin?

H: Ik herken mezelf nergens in. Behalve in niet-herkennen. Bij wijze van spreken.

X: Voor jou staat non-dualiteit niet voor de wereld zoals …

H: Nee, voor mij staat non-dualiteit niet voor de wereld zoals ze werkelijk is, één geheel, zonder onderscheid.

Ik heb werkelijk geen idee wat de wereld werkelijk is. Dus ook niet dat ze 1-voudig is, of 2-voudig of 3-, 4-, 108- of veelvoudig of 0-voudig of ontelbaar, of zelfs maar dat ze ís of niet is of niet is wat ze lijkt of zo.

Ik heb ook geen idee meer wie ik zelf ben – niet dat ik samengesteld ben, niet dat ik enkelvoudig ben, niet dat ik werkelijk ben, niet dat ik onwerkelijk ben, niet dat ik niet ben.

Laat staan dat ik de identiteit van deze twee onbekende grootheden, wereld en ik, durf te bevestigen of zelfs maar te ontkennen.

Ik kan niet zeggen dat ik in de wereld ben, niet dat de wereld in mij is, niet dat ik de wereld ben, niet dat ik de wereld niet ben en ook niks anders.

En ik zou ook niet anders meer willen.

X: Je zegt eigenlijk: ‘Ik heb geen idee wat non-dualiteit is’.

H: Geen idee gaat mij te ver. Maar non-dualiteit in de zin van een wereld zoals ze werkelijk is, één geheel zonder onderscheid, zegt mij niets. Ik kan er met mijn verstand niet bij. Met mijn gevoel ook niet. Met mijn hart ook niet. Zelfs mijn intuïtie, mijn klompen, mijn pet en mijn water laten me in de steek.

De enige manier waarop ik toegang tot het woord non-dualiteit kan krijgen is door het te vertalen. Non-dualiteit betekent voor mij ‘geen onderscheid weten te maken’.

X: Een soort onvermogen.

H: Een soort agnose. A-gnose, niet-weten. Mij zul je nooit horen zeggen dat de wereld één is en dat onderscheidingen slechts schijnbaar zijn. Wat weet ik daarvan? Hoe stel je zoiets vast? Ook het tegenovergestelde zal ik niet beweren.

Maar ik zal de eerste zijn om toe te geven dat het me niet lukt om de onderscheidingen die zich onophoudelijk aan mij voordoen, ook maar enigszins te onderbouwen. Nooit. Niet dat ik weet. Er is er tenminste niet één die ik op dit moment zou willen verdedigen.

Wat mij betreft zijn alle onderscheidingen grondeloos. Ook alle onderscheidingen die ik tot nog toe in ons gesprek heb gebruikt en die ik verder nog zal gebruiken. Ook het verschil tussen gegrond en grondeloos weet ik niet hard te maken.

X: Dus waar hebben we het nog over.

H: Precies. Als het erop aankomt weet ik niets te onderscheiden, en dat is wat non-dualiteit voor mij betekent – als het dan per se iets moet betekenen.

X: Non-dualiteit is voor jou niet …

H: Non-dualiteit is voor mij niet de waarheid omtrent de werkelijkheid en mijzelf, maar het einde van ieder begrip – en onbegrip – omtrent de waarheid, de werkelijkheid en mijzelf.

X: Daarmee heb je ‘non-dualiteit’ letterlijk vertaald in ‘niet-weten’.

H: En in één moeite door onttrokken aan het domein van de metafysica.

X: Waarom die moeite?

H: Geen moeite. Weten kost mij moeite. Het woord non-dualiteit gebruiken kost mij moeite. Niet-weten is voor mij moeiteloos.

Agnose is mij van binnenuit bekend – voor zover je in dit verband nog over bekendheid kunt spreken. Of over binnen. Het is mijn eerste natuur, als ik al een natuur heb, of had dat moeten zijn als ik er geen heb.

‘Non-dualiteit’ daarentegen is koeterwaals. Wie verzint zoiets? Wie begrijpt zoiets? Begrijpen is het onbekende herleiden tot het bekende. Nou, ik kan non-dualiteit alleen maar begrijpen als een eufemisme voor een radicaal niet-weten. Advaita als agnose.

485 - Niet-weten als passe-partout

X: Non-dualiteit begrijp jij als geen onderscheid weten te maken. Denk jij dat anderen met non-dualiteit bedoelen wat jij begrijpt?

H: Bedoel jij met non-dualiteit wat ik begrijp?

X: Ik niet.

H: Daar heb je het al.

X: Niet-weten is een ongebruikelijke, om niet te zeggen curieuze interpretatie van het begrip non-dualiteit, laten we eerlijk wezen.

H: En niet alleen van het begrip non-dualiteit. Als ik al eens een woord of uitdrukking uit de spirituele en religieuze literatuur meen te begrijpen, dan is het meestal langs de weg van niet-weten.

X: Dat heb ik nog nooit gehoord.

Hans: Ik ben heus niet dom en ik heb moeilijke woorden met de paplepel ingegoten gekregen, maar zonder deze vertaalslag is het voor mij allemaal abacadabra.

X: Jij maakt overal niet-weten van.

H: Niet-weten fungeert voor mij als een loper, een moedersleutel, een passe-partout voor ideeën uit heel verschillende spirituele en religieuze tradities. Ik open er deuren mee die vroeger voor mij gesloten bleven.

X: Wat voor tradities?

H: Taoïsme, zen, boeddhisme, mystiek, soefisme, chassidisme, advaita …

X: Wat voor ideeën?

H: God, niet-oordelen, de Tao, leegte, eenheid, anatta, prajnaparamita, je oorspronkelijke staat, onthechting, keuzeloos gewaarzijn …

X: De hele riedel.

H: Dit soort termen kan ik echt alleen maar begrijpen als eufemismen voor niet-weten.

X: Noem dat maar begrijpen.

H: Begrijpen tussen aanhalingstekens. Begrijpen als niet-begrijpen. Het bekende herleiden tot het onbekende. Waar het oorspronkelijk vandaan kwam voordat we alles begonnen te herleiden tot het bekende.

X: Lekker makkelijk.

H: Een koud kunstje. De enige intellectuele activiteit waarvoor je niet stom genoeg kunt zijn.

X: Tref jij het even.

H: Het is me op het lijf geschreven.

X: Niet-weten als sleutel.

H: Een sleutel zonder slot.

X: Voor een poort zonder poort

H: Jou hoef ik niks meer uit te leggen.

Kruis van vier sleutels met in het kruispunt een gemeenschappelijke baard (die dus op geen enkel slot past).
Niet-weten als passepartout.

486 - Verlichting als niet-weten

X: Spirituele verlichting wordt wel omschreven als onvoorwaardelijke liefde of openheid of ruimte. Ik heb ook eens gelezen dat ik de liefde niet kén omdat ik de liefde bén.

H: Tja.

X: Hoe kijk jij daartegenaan als agnost?

H: Onder liefde wordt in het spirituele wereldje niet een persoonlijke gehechtheid of genegenheid of passie voor iets of iemand bedoeld, maar een onpersoonlijke, onthechte, objectloze, universele openheid voor wat zich maar aandient.

Mij zegt dit niets, totdat ik het vertaal in mijn eigen onvermogen om definitieve grenzen te trekken en tot onomstotelijke oordelen te komen.

Door dit onvermogen, door het radicale niet-weten dat, of ik nou wil of niet, mijn hele denken doortrekt – en alleen daardoor – ontstaat er tegen de klippen van mijn eeuwige oordelen op, ruimte voor andere opvattingen, zienswijzen en verschijningsvormen dan degene die ik nou eenmaal schijn te verkiezen.

X: En nu omarm je de hele wereld.

H: Welnee. Het enige verschil met vroeger is dat ik geen gronden meer heb om iets, wat dan ook, of iemand, wie dan ook, radicaal af te wijzen.

X: Waardoor je niets anders rest dan alles en allen radicaal te aanvaarden.

H: Ook daarvoor ontbreekt iedere grond.

X: Want grondeloosheid is onze laatste grond.

H: Ook voor die gedachte ontbreekt iedere grond.

X: Want al onze gedachten zijn grondeloos.

H: Deze ook.

X: Is dat in een notendop jouw realisatie?

H: Ik ben niet gerealiseerd en ik heb niets gerealiseerd en ik heb mij ook niet voor eens en altijd iets gerealiseerd. Dus ook niet dat al mijn onderscheidingen en oordelen grondeloos zijn. Ik realiseer mij dit steeds opnieuw, nu en nu en nu.

X: Niet in z’n algemeenheid.

H: Niet als absolute waarheid die altijd en overal en voor iedereen opgaat, maar alleen voor mezelf en alleen met betrekking tot de actuele gedachte.

Die tot mijn onuitsprekelijke verbijstering – tegenwoordig meestal tot mijn onuitsprekelijke genoegen – steeds weer in de lucht blijkt te hangen. Deze ook.

X: Het aanvaarden en afwijzen gaat dus gewoon door.

H: Maar zonder het heilige gelijk of de knagende twijfel waarmee het vroeger gepaard ging. Zelfs tegen andermans heilige gelijk heb ik niets fundamenteels meer in te brengen.

X: Ook daarvoor heb je ruimte.

H: Maak het nou niet mooier dan het is.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Ik sta erbij en ik kijk ernaar.

X: Hi hi hi, ha ha ha.

H: Maar om dat nou verlichting of onvoorwaardelijke liefde of openheid te noemen?

487 - Keuzeloos gewaar zijn als niet-weten

X: Ik sta erbij en kijk ernaar, zeg je over de wereld. Is dat niet wat ze neutraliteit, indifferentie, niet-oordelen, keuzeloos gewaar zijn en zo noemen?

H: Nee, dank je.

X: Waarom niet?

H: En al helemaal niet als ideologie.

X: Ideologie?

H: In hoeverre ben je onpartijdig als je je sterk maakt voor neutraliteit?

Ben je wel keuzevrij als je ervoor kiest keuzeloos gewaar te zijn?

Berust de instructie om niet te oordelen niet op een veroordeling van het oordelen?

X: Op die manier.

H: Maar wie zijn oordelen onderzoekt en daarbij keer op keer moet vaststellen dat hij geen poot heeft om op te staan, komt wellicht tot iets fundamentelers.

Een heroriëntatie, een transformatie, een metamorfose van zijn denken, dat zichzelf vanaf dat moment consequent bejegent als een pathologische leugenaar.

Consequent; dus ook wanneer het beweert dat het zichzelf consequent bejegent als een pathologische leugenaar.

X: Dat wil zeggen …

H: Nooit meer onvoorwaardelijk in je eigen redeneringen en oordelen geloven. Ook niet in deze.

Steeds de relativiteit ervan inzien. Ook van deze.

Een kritische paranoia voor en paranoïde kritiek van al je mentale hokjes, hekjes en haakjes. Ook van deze.

Een facetoog voor de tienduizend alternatieven. Ook voor deze.

X: Dat lijkt me niet hetzelfde als willens en wetens stoppen met oordelen.

H: Ik heb nog nooit iemand gezien die willens en wetens is gestopt met oordelen. Ik heb sowieso nog nooit iemand gezien die niet meer oordeelt. Op een paar dooien na. Wel een heleboel mensen die het uit alle macht hebben geprobeerd.

Als er iets is wat de zogenaamde verlichten en de zogenaamde onverlichten verenigt dan is het wel dat ze maar blijven oordelen.

Dat ze nooit ofte nimmer zonder voorkeuren zijn.

Jezus hing liever niet aan het kruis.

Osho reed liever niet in een Trabant.

Ramana Maharshi liet zich liever niet behandelen voor zijn tumor.

X: En Hans van Dam?

H: Houdt niet van koude, niet van drukte en niet van koude drukte.

X: Wat is dan nog het verschil?

H: Waartussen?

X: Jou en mij?

H: Dat ik het onvoorwaardelijke vertrouwen in mijn eigen gedachten ben kwijtgeraakt. Ook in deze.

Daarvoor in de plaats is een onvoorwaardelijk wantrouwen van mijn gedachten gekomen. Ook van deze.

Onvermijdelijk ben ik daarmee ook het onvoorwaardelijke vertrouwen kwijtgeraakt in de persoon Hans van Dam die verantwoordelijk zou zijn voor al zijn gedachten. Het spreekt voor mij niet langer vanzelf dat er zo iemand is, laat staan dat al die rare gedachten van hem zijn.

Waarmee niet gezegd is dat er niet zo iemand is of dat die gedachten niet van hem zijn of dat ze van iets of iemand anders zijn of van god of van het leven zelf of van niets of niemand, of wat dan ook.

Dat zijn allemaal maar gedachten.

Ook dit is maar een gedachte.

X: Wat spreekt wél vanzelf?

H: Niets spreekt vanzelf.

X: Behalve dat niets vanzelf spreekt.

H: Ook niet. Als je even niet oplet spreekt alles meteen weer vanzelf. Let maar eens op.

X: Kortom …

H: Ik oordeel als vanouds en als vanzelf, maar ik geloof er niet meer in. Ook hierin niet. Ik voel me er niet meer verantwoordelijk voor. Ook hiervoor niet.

X: Alle oordelen zijn tussen haakjes komen te staan.

H: Dit oordeel ook.

X: Mij lijkt dat een prima zaak.

H: Kan best wezen, maar dat is opnieuw een oordeel.

X: Dat op zijn beurt tussen haakjes staat?

H: Voor mij wel.

X: Voor mij eerlijk gezegd niet.

H: Geeft niks.

X: Ook weer tussen haakjes zeker.

H: Wat dacht je dan.

X: Ook weer tussen haakjes zeker.

H: Nou en of.

X: Enzovoort.

H: Hemelpoort.

X: Wat?

H: Kindermoord, bodemsoort, konterfoort.

X: Heb jij soms last van rijmdwang?

H: Zwabbergast met lijmtang.

488 - De Geest en het Zelf als niet-weten

X: Hoe kijkt een weetniet naar begrippen als de Geest en het Zelf?

H: Bedoel je het idee dat alles ‘geest’ of ‘zelf’ is?

X: Ja, zoals in zen bijvoorbeeld.

H: Die concepten, geest en zen, worden voor mij pas invoelbaar als ik probeer vast te stellen waar mijn geest of ikzelf ophoud en de werkelijkheid begint.

X: Hoezo?

H: Als je er niet bij stilstaat denk je dat je de werkelijkheid waarneemt zoals hij is. Enige reflectie leert dat je hem niet passief registreert, zoals een spiegel of een camera, maar actief vormgeeft door middel van je zintuigen en de categorieën van je verstand.

X: O ja?

H: Er is daarbuiten helemaal geen licht of kleur of geur of klank of smaak of warmte of kou.

Er is daarbuiten helemaal geen hier of daar of vroeger of later of oorzaak of gevolg.

Die leg je er dus allemaal zelf in, zonder dat je het doorhebt. Het zijn projecties.

Als je deze gedachtegang volgt, dringt jouw zogenaamde geest of je zogenaamde ik als een vloedgolf de buitenwereld binnen om uiteindelijk het hele objectieve domein van de realiteit op te slokken.

X: En geen-geest of niet-zelf?

H: Hetzelfde verhaal in omgekeerde richting.

Er zijn ‘hierbinnen’ helemaal geen zintuigafdrukken van en gedachten over de ‘buitenwereld’, dat verhaal ontstaat pas als je erover gaat nadenken.

Er is steeds alleen maar woord en beeld en kleur en geur en klank en smaak en warmte en kou en lust en angst en hier en daar en oorzaak en gevolg en woord en idee.

Die zijn niet van jou, die legt de werkelijkheid er op een of andere manier allemaal in, zonder jouw bemoeienis en zonder dat je het doorhebt.

Als je deze gedachtegang volgt dringt ‘de’ zogenaamde buitenwereld als een vloedgolf ‘jouw’ zogenaamde binnenwereld binnen om uiteindelijk het hele subjectieve domein van de geest of het ik of zelf op te slokken.

X: Weer twee variaties op ‘geen onderscheid weten te maken’.

H: En het wordt nog erger. Want als er geen daarbuiten is, waar komen die geuren en kleuren dan wel vandaan? En als er geen hierbinnen is, waarin verschijnen ze dan wel?

Of omgekeerd, als er geen hierbinnen is, waar komen die geuren en kleuren dan wel vandaan? En als er geen daarbuiten is, waarin verschijnen ze dan wel?

Wat betekent ‘hierbinnen’ nog zonder daarbuiten? Wat betekent ‘daarbuiten’ nog zonder hierbinnen?

Wat betekent ‘geest’ nog zonder wereld? Wat betekent ‘wereld’ nog zonder geest?

Wat is een subject zonder object? Wat is een object zonder subject?

Wat is nog het verschil tussen de waarnemer, het waarnemen, de waarneming en het waargenomene?

Wat is nog het verschil tussen de kenner, het kennen, de kennis en het gekende?

Waar hebben we het in vredesnaam nog over?

X: Over het ene, zou ik zeggen.

H: Wat betekent ‘het ene’ zonder het vele?

X: Het absolute dan?

H: Wat betekent ‘het absolute’ zonder het relatieve?

X: De hoogste werkelijkheid?

H: Wat betekent ‘de hoogste werkelijkheid’ zonder een gewone of een laagste?

X: Toch maar weer non-dualiteit?

H: Wat betekent ‘non-dualiteit’ zonder dualiteit?

X: Niet-weten dan maar?

H: Wat betekent ‘niet-weten’ zonder weten?

X: Tja.

H: Wat betekent een woord zonder zijn tegenpool?

X: Ik zou het ook niet weten.

H: Ik vraag niet eens naar de waarheid, ik vraag alleen maar om een definitie.

X: Ik zou het nog steeds niet weten.

H: Wat betekenen deze vragen nog? Moeten we ze nog wel willen beantwoorden? Vragen we eigenlijk nog wel iets of hebben we de taal hier voorbij de grenzen van haar elasticiteit opgerekt?

X: Daar vraag je me wat.

H: Als je maar lang genoeg nadenkt, verlies je de een na de ander alle peilers van het zogenaamd gezond verstand: waarnemer, waarnemen, waarneming en waargenomene, kenner, kennen, kennis en gekende, ik en wereld, hierbinnen en daarbuiten, subject en object; maar ook die van geest en geen-geest, zelf en geen-zelf, atman en anatman, het ene en het absolute en de hoogste werkelijkheid en non-dualiteit en niet te vergeten niet-weten.

X: Tjemig.

H: Dus daar sta je dan …

X: Met je mooie gedachten …

H: En je geleende praatjes.

489 - Maya als niet-weten

X: Alles is een illusie, zeggen ze in het hindoeïsme. Maya. Hoe zie jij dat?

H: Het begrip illusie behoort tot dezelfde categorie als de begrippen geest, niet-geest, zelf en niet-zelf.

Het is gebaseerd op dezelfde constatering, namelijk dat het naïeve dualistische wereldbeeld van een subjectieve waarnemer wiens bewustzijn een natuurgetrouwe afspiegeling is van een objectief bestaande buitenwereld, bij nader inzien geen stand houdt.

Dat wereldbeeld is een illusie die zo sterk is dat hij je zelfs nadat je hem hebt doorzien nog blijft begoochelen, net zoals filmfiguren voor het oog blijven bewegen, ook als je weet dat de film een opeenvolging van onbeweeglijke beeldjes is.

X: De werkelijkheid is dus een illusie.

H: Het is maar een gedachtegang hoor. Een rijtje woorden.

X: Is juist het illusoir zijn van de duale werkelijkheid niet de hoogste werkelijkheid?

H: De wat?

X: De non-duale werkelijkheid waarin de illusie van de duale werkelijkheid verschijnt.

H: Jij met je non-dualiteit.

X: Maar …

H: Je leest teveel.

X: Dat moet toch wel, als de werkelijkheid een illusie is?

H: Als de werkelijkheid een illusie is, dan is de illusie ook een illusie.

X: De illusie is ook een illusie?

H: Wel als hij tot de werkelijkheid behoort.

X: En als hij niet tot de werkelijkheid behoort?

H: Dan helemaal.

X: Waarom?

H: Omdat hij dan niet tot de werkelijkheid behoort, slaapkop.

X: Het is maar een droom.

H: Tenzij dat ook maar een droom is.

X: Maar wat is dan nog het verschil tussen werkelijkheid en illusie?

H: Dat zou ik ook weleens willen weten.

X: Daarmee komt de duiding van de werkelijkheid als illusie compleet op losse schroeven te staan.

H: Net als de duiding van de illusie als werkelijkheid.

X: Tja.

H: Om nog maar te zwijgen over de non-duale werkelijkheid waarin de illusie van de duale werkelijkheid zou verschijnen.

X: Wat een desillusie.

H: En is die wél reëel?

X: Het begint me te duizelen.

H: Als denkbeelden vergruizelen …

X: Jij maakt overal gehakt van.

H: Goeie definitie van niet-weten.

X: Ik bedoel, erg subtiel ben je niet.

H: Voor subtiliteiten verwijs ik je graag naar je soetra’s en upanishaden. Die zullen je linea recta naar hogere sferen mystificeren.

X: Precies waar ik wezen wil.

H: In een lege leer heeft raffinement geen plaats. Met niets kun je niet jongleren.

490 - Niet-weten is genadeloos

X: Pas las ik in een soetra dat verlichting niet het resultaat is van verdienste (goede daden) of inzet (meditatie) maar van genade. Hoe zie jij dat als agnost?

H: Genade van wie of wat voor wie of wat?

X: Van de Boeddha voor de bodhisattva geloof ik.

H: Over dualiteit gesproken.

X: Wat is de rol van genade in niet-weten?

H: Dat je maar hebt af te wachten of ooit het kwartje bij je zal vallen dat er wel nooit een kwartje bij je zal vallen.

X: Hoezo afwachten?

H: Aangezien agnose uiteindelijk niet logisch is, kun je er redenerenderwijs niet komen. Je kunt niet wéten dat je niets kunt weten.

X: Anders wist je toch weer iets.

H: Je kunt niet bewijzen dat je niets kunt bewijzen.

X: Anders kon je toch nog iets bewijzen.

H: Het is niet evident dat niets evident is.

X: Hoe kom je er dan wel?

H: Ik zou het echt niet weten. Zelf kwam ik tot agnose toen ik het vertrouwen in het redeneren verloor, denk ik weleens. Dat was in mijn geval geen kwestie van opzeggen maar van kwijtraken.

Hoe vaak het mij ook het bos in leidde, ik bleef heilig in mijn geredeneer geloven tot het op niet door mij verkozen of voorziene dag kennelijk ineens genoeg was. Het overkwam me zonder dat ik eropuit was.

Ik had zelfs geen idee dat je het vertrouwen in je eigen denken zou kunnen verliezen, laat staan dat ik er doelbewust naar streefde. Integendeel, als het aan mij had gelegen zou ik er nog steeds in geloven.

X: Genade dus. Met dank het aan het Ene.

H: Aan het wat?

X: Boeddh, God, de Bron, Essentie …

H: Ja, maak er maar weer een pappie van, en van jezelf een uitverkoren zoon. Een vaderfiguur die steeds het beste met je voorheeft, in wiens alomvattende armen je voorgoed veilig bent en voor wie je je mag uitputten in eeuwige dankbetuigingen zonder Hem ook maar één moment te vervelen.

X: Niets zo fijn als jezelf uitputten in dankbetuigingen.

H: Dat moet ik van je aannemen. Het enige wat zich bij mij heeft uitgeput is het streven. Dat is alles wat er is gebeurd.

Het idee dat er iemand is die iets kan bereiken raakte tot op de draad versleten. Evenals het idee dat er niemand is en dat er niets te bereiken valt. Evenals het idee dat je je alleen maar open kunt stellen voor datgene wat oneindig veel groter is dan jijzelf. Evenals het idee dat jijzelf dat grotere bent. Evenals alle andere ideeën daarover of waarover dan ook. Inclusief het idee dat alle ideeën tot op de draad versleten raakten. Tot ik niet eens meer wilde weten hoe het nou eigenlijk zat.

X: Genade dus.

H: Je zegt het maar.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Niet-weten is genadeloos.

491 - Zoheid als niet-weten

X: In neo-advaita en in zen wordt het hogere vaak aangeduid met termen als ‘dit’ of ‘de zoheid der dingen’ of ‘bhutatathata’ of ‘het onzegbare’ of ‘het hier en nu’…

H: Of met zinnetjes als ‘het is wat het is’ of ‘ik ben die ik ben’.

X: Een meester die roept: ‘Van de vroege morgen tot de late avond, alleen maar dit!’

H: Een meester die een vinger opsteekt, een kreet slaakt, zijn sloffen uittrekt en op zijn hoofd legt.

X: Of een meester die met zijn wandelstok op de grond slaat of een schoffel in de lucht steekt of een kat doormidden hakt.

H: Alleen weet ik niet of daar wel iets hogers mee wordt aangeduid.

X: Jij begrijpt ze zeker weer als kreten van niet-weten.

H: Een passe-partout geeft overal toegang toe.

X: Behalve tot het hogere.

H: Zonder iets dat hoger is, heb je niets dat lager is.

X: Je kan lekker lullen.

H: Een uitdrukking als ‘alleen maar dit’ of ‘het is wat het is’ of een opgestoken vinger hoeft toch niet per se op peilloos inzicht of transcendente wijsheid of een absolute werkelijkheid te duiden?

X: Dat maak ik ervan.

H: Precies, dat maak jij ervan.

X: Waarop zou het anders moeten duiden?

H: Peilloos onbegrip bijvoorbeeld.

X: Tja.

H: Of zullen we het transcendente dwaasheid noemen?

X: Lood om oud ijzer.

H: Wie met stomheid geslagen is, kan alleen nog maar om zich heen wijzen. Als een verbijsterd kind dat voor het eerst vuurwerk ziet. Als een afatische volwassene. Als een monnik die de zwijggelofte heeft afgelegd. Ja, dan wil je wel een kreet slaken of met je vliegenmepper wapperen.

X: Hm.

H: Zo kun je het ook zeggen.

X: Ha ha.

492 - Koans als toneelstukjes over niet-weten

X: Een voor de hand liggende vraag misschien: wat zijn koans voor jou?

H: Een voor de hand liggend antwoord misschien: gesprekjes over niet-weten. Om precies te zijn: demonstraties van niet-zeggen. Net als mijn dwaalgesprekken. Maar uit een andere tijd en plaats. Ik bedoel daarmee: verouderd.

X: Het ontbreekt je niet aan zelfvertrouwen.

H: Dat heeft niets met zelfvertrouwen te maken. De meeste koans zijn zonder toelichting gewoon onleesbaar. Net zoals Middel-Nederlandse teksten voor een hedendaagse lezer. Iemand die ‘mu’ antwoordt op de vraag ‘heeft een hond de boeddhanatuur’ – wat moet je daar nou mee als Hollandse kaaskop?

X: Een koan is een raadsel.

H: ‘Het hangt in een boom en het tikt’ is een raadsel. ‘Waarom kwam Bodhidharma naar China’ is geheimtaal. Wil je ooit aan het daarin verstopte raadsel toekomen, als er al een raadsel in verstopt is, dan ben je afhankelijk van de uitleg van een ingewijde. Vergeet je portemonnee niet.

X: In het Boek van Sereniteit wordt de uitleg standaard meegeleverd.

H: Dan heb je het boek zeker niet gelezen. Die uitleg is al even verouderd als de collectie zelf en behoeft op haar beurt uitleg. Zo blijf je aan de gang.

X: Maar is het wel waar dat koans alleen maar over niet-weten gaan? Heb je daar wel gelijk in?

H: Natuurlijk heb ik daar geen gelijk in! In niet-weten bestaat geen gelijk of ongelijk. Dat koans over niet-weten gaan is gewoon een van de tienduizend visies op koans. Lees met dit idee in je achterhoofd eens een stelletje van die dingen. Laat de buiklach opborrelen en dan: weg ermee.

X: Met die koans?

H: Met die koans. Met de visie dat koans over niet-weten gaan. Met de visie dat koans over een transcendente waarheid of werkelijkheid gaan.

X: Weg ermee.

H: Dat is pas vrijheid.

X: Hè?

H: Moet je horen, ik zeg alleen maar wat er in me opkomt. Ik adem in en er komt lucht mee. Ik adem uit en er komen woorden mee. Snap jij het? Lucht in, woorden uit?

Ik eet bonen en er komt geen lucht mee. Ik laat een wind en er komen geen woorden mee. Of ik versta ze niet. Wat denk jij?

X: Wou jij zeggen dat het jouw zaak niet is wat je beweert?

H: Ook dat is mijn zaak niet. Praten is goochelen met gas. Ik weet niet hoe ik het doe, ik weet niet wat ik ermee voor heb, ik weet niet hoe ik ermee moet stoppen.

Ik heb geen idee wat ik zeg, ook al denk ik misschien van wel. Er komen ideeën mee, ook al denk ik misschien van niet. Voor zover ik kan nagaan zeg ik maar wat. Nu ook weer.

Ik snap niet waar het allemaal vandaan komt. Ik snap niet wat het allemaal te betekenen heeft. Ik snap niet waar het allemaal blijft.

Woorden klinken op, woorden sterven weg. Wat heb ik daarmee te maken?

X: Je meent niet wat je zegt want jij bent het niet die spreekt.

H: Je meent het.

X: Nou?

H: Als ik iets zeg, meen ik het. Maar dat is zo voorbij. Vaak al voor ik het eind van de zin heb bereikt.

Voor mij is iedere uitspraak een afdankertje. Deze ook. Misschien heb jij er nog wat aan, als poetsdoek of stoplap. Misschien ook niet, maar ik hoef ze niet terug, dankjewel.

X: Zou je kunnen zeggen dat jij alleen maar de getuige bent van het spreken? De kenner van het gekende?

H: Heeft een hond de boeddhanatuur?

X: Oei.

H: Niet slecht.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Doei.

493 - Niet-weten als spontaniteit

X: Taoïsten en zenboeddhisten streven naar spontaniteit en authenticiteit. De verlichte zou op ieder moment volledig afgestemd zijn op de actuele situatie en daardoor zonder nadenken steeds het juiste doen. Hoe kijk jij daartegenaan vanuit niet-weten?

H: Het is merkwaardig dat een traditie die het niet-oordelen als de hoogste deugd ziet en alles aan de Tao of het ware Zelf over wil laten, tegelijkertijd de mond vol kan hebben van juist handelen, vind je niet?

X: Is jouw handelen altijd afgestemd op de situatie?

H: Het is maar net wat je onder de situatie verstaat.

X: Doen wat de situatie van je vraagt, bedoel ik.

H: Ik ben best bereid te doen wat de situatie van mij vraagt, maar de situatie vraagt mij nooit wat.

X: O?

H: Ik ken de situatie niet en de situatie kent mij niet.

X: Hoezo niet? Je zit er toch middenin?

H: Iedere situatie laat zich op talloze manieren duiden en iedere duiding vraagt iets anders van mij. Maar welke duiding nou de juiste is?

X: Op die manier.

H: Gesteld dat er een juiste is.

X: Ja, waarom eigenlijk.

H: Gesteld dat er een situatie is.

X: Natuurlijk is er een situatie.

H: Misschien alleen maar in je hoofd.

X: Rare.

H: Of laat ik het zo zeggen, je hoofd maakt deel uit van de situatie.

X: Hm.

H: Hoe zou je dan ooit niet afgestemd kunnen zijn op de situatie?

X: Ben jij weleens berekenend?

H: Alleen als de situatie dat van mij vraagt.

X: Ik bedoel, speel jij weleens spelletjes?

H: Meestal speel ik dat ik mezelf ben.

X: Speel je dat of ben je dat?

H: Misschien wel beide.

X: Dat kan ook nog.

H: Of geen van beide.

X: Dat kan ook nog.

H: Als het maar spontaan is, wou je zeggen.

X: Wat betekent spontaniteit voor jou?

H: Gewoon maar wat doen.

X: Is dat beter dan doelgericht, planmatig handelen?

H: In welk opzicht?

X: In ieder opzicht.

H: Niets is beter in ieder opzicht.

X: Nee, dat zal wel niet.

H: En waarom zou gewoon maar wat doen niet doelgericht of planmatig kunnen zijn?

X: Gewoon maar wat doen impliceert een zekere willekeur, lijkt mij.

H: Doelgericht handelen net zo goed. Alleen in een eerder stadium. Als je goed oplet zul je merken dat je doelstellingen steeds voortkomen uit een beperkte blik. Een kokervisie. Kijk door een andere koker en er dient zich een ander doel aan. Spontaan.

X: Wat is daar willekeurig aan?

H: Die koker natuurlijk.

X: Hoe dan?

H: De visie heiligt het doel maar wat heiligt de visie?

X: En zonder koker?

H: Zie nou eerst maar eens uit die koker te komen.

X: Heeft de verlichte rechtstreeks toegang tot de onbemiddelde werkelijkheid?

H: Met die verlichten weet je het maar nooit.

X: Jij, bedoel ik. Heb jij als weetniet een lijntje naar de onbemiddelde werkelijkheid?

H: Daar ben ik niet bemiddeld genoeg voor.

X: Dus spontaniteit is gewoon maar wat doen.

H: Of laten.

X: Want het gaat zoals het gaat.

H: Wat alleen maar een chique manier is om te zeggen dat je er geen vat op hebt. Dat je het niet vat.

X: En dat is jouw definitie van spontaniteit?

H: En dat is mijn definitie van niet-weten.

494 - De dharma als niet-weten

X: Als een zenleerling het licht heeft gezien, krijgt hij transmissie van zijn meester. Heb jij transmissie gekregen?

H: Nooit gekregen, nooit gegeven.

X: Waarom niet.

H: Ik weet het niet. Misschien omdat ik geen meester heb? Of anders wel omdat ik geen leerling ben.

Het kan ook zijn dat ik het licht niet heb gezien. Ik kan me daar tenminste niets van herinneren.

X: Jij hebt het licht niet gezien?

H: Ik heb de duisternis gezien. Dat is pas moeilijk.

H: Wat denk jij dat er bij transmissie gebeurt?

H: Iemand in een kimono scheert iemand anders in een kimono met veel omhaal kaal.

X: Wat wordt er daarbij overgedragen?

H: Wordt er daarbij iets overgedragen?

X: Niet dan?

H: Weet ik veel. Kwastjes, volgens mij. Slabbetjes. Glimlachjes. Knikjes. Buiginkjes. Titels. Een naambordje voor in de stamboom. Rechten. Plichten. Beloften. Geloften. Pseudoniemen. Eufemismen. Oorkondes van wat geen ore hore konde.

X: Ik bedoel symbolisch.

H: Symbolischer kan haast niet.

X: Waar staat het allemaal symbool voor volgens jou?

H: Religie?

X: Ik bedoel, wat wordt er overgedragen?

H: Een brevet van onvermogen?

X: Hè?

H: Wat?

X: Niet de dharma?

H: Dat is de dharma.

X: Wat is de dharma?

H: Dat je absoluut niet meer weet wat je moet zeggen?

X: Omdat de waarheid voorbij de woorden is?

H: En wat denk je dat ze daarmee bedoelen?

X: De wijsheid zonder wijsheid?

H: En wat denk je dat ze daarmee bedoelen?

Z: De kennis zonder leraar?

H: En wat denk je dat ze daarmee bedoelen?

X: Ik zou het ook niet weten.

H: En wat denk je dat ik eronder versta?

X: Niet-weten, ben ik bang.

H: Geweldig niet, zo’n passe-partiet?

X: En natuurlijk is het weer allemaal niet waar wat je zegt.

H: En ook niet onwaar.

X: En natuurlijk heb je weer geen gelijk.

H: En ook geen ongelijk.

X: En ondertussen heb je het toch maar mooi gezegd.

H: De nar komt overal mee weg.

X: Voor straf wordt hij nooit serieus genomen.

H: Voor de nar is dat de hoogste beloning.

X: En voor jou?

H: Ik heb geen beloning meer nodig. Dat is mijn beloning.

495 - Niet-weten als je natuurlijke staat

X: Hoe kijk jij aan tegen het idee dat je niet verlicht kunt worden omdat je het al bent?

H: Ach ja. Het dogma van de universele verlichting.

X: Iedereen heeft al de boeddhanatuur. Je bent al het ene, maar je weet het niet meer.

H: Wat moet ik ervan zeggen. Ik weet niet eens wat verlichting is. Tenzij verlichting niet-weten is. Maar ook daarover zijn de lichtmatrozen het niet eens.

X: Wat nu, laat je passe-partout het afwezen bij het idee van universele verlichting?

H: Dat zou voor het eerst zijn.

X: Dus, wat maak jij ervan?

H: Dat je niets weet en nooit iets geweten hebt?

X: Niet-weten hoeft niet bereikt te worden want je hebt nooit iets geweten.

H: Dit ook niet.

X: Ook al dacht je al die tijd van wel.

H: Maar dat spreekt toch vanzelf? Het is het vermelden niet waard. Binnen het verhaal van niet-weten is het een wassen neus. Een open deur. Een poortloze poort. Binnen zonder kloppen.

X: En je natuurlijke staat?

H: Komt op hetzelfde neer.

X: Hetzelfde als wat?

H: Als het dogma van de universele verlichting.

X: Hoe dan?

H: De uitdrukkingen ‘je natuurlijke staat’ en ‘je oorspronkelijke staat’ verwijzen naar het idee van verlichting als een terugkeer naar je ‘ware aard’, het ‘gezicht dat je had voor je ouders werden geboren’.

X: Het tijdloze, universele bewustzijn.

H: Vul maar in, lik maar uit.

X: Hoe begrijp jij dat dan?

H: Eerst weet je niets; naarmate je ouder wordt meen je steeds meer te weten, dan begin je steeds meer te twijfelen en uiteindelijk besef je dat al je kennis ongegrond is, dat je nog steeds niets weet, dit ook niet.

Zodat je sinds je geboorte, gesteld dat je geboren bent tenminste, in termen van absolute waarheden en universele waarden geen snars bent opgeschoten. Nog steeds een onbeschreven blad bent.

X: Een spiegel zonder stof.

H: Was dat niet een koan?

X: Want er zijn geen absolute waarheden.

H: Toch weer een absolute waarheid gevonden?

X: Want alles is relatief.

H: Toch weer een absolute waarheid gevonden?

X: Je hoeft niet terug te keren, naar je oorspronkelijke staat van niet-weten, want je bent er nooit weggeweest.

H: Ik zou het echt niet weten.

X: Ik heb nog een vraag over verlichting, mag dat?

H: Welja, dan hebben we dat ook maar gehad.

X: Volgens sommigen is verlichting iets wat je steeds dichter benadert naarmate je jezelf vervolmaakt. Volgens anderen is het een kwestie van alles of niets. Eerst ben je pertinent niet verlicht en dan ineens, door een woord, een gebaar of een op zichzelf genomen onbeduidende gebeurtenis zoals de kreet van een pauw, pertinent wel. Wat maak jij daarvan?

H: Bij geleidelijke verlichting denk ik aan een zoeker die langzamerhand steeds meer van zijn zekerheden kwijtraakt – zekerheden omtrent de vraag wie hij is, wat waarneming is, wat de wereld is, wat zijn plaats in de wereld is, wat liefde is, wat gezondheid is, wat ziekte is, wat leven is, wat dood is, wat denken, taal en logica zijn, hoe hij moet leven, waarnaar hij moet streven, et cetera.

Naarmate er meer zekerheden wegvallen, komt hij steeds dichter bij het verdwijnpunt dat niet-weten heet – dat op het punt van verdwijnen zelfs geen niet weten meer mag heten omdat het mee verdwijnt.

Bij plotselinge verlichting denk ik aan het principiële verschil tussen weten, hoe weinig ook, en niet-weten. Zolang je nog vaste grond onder je voeten hebt, al is het maar de sceptische overtuiging dat er niets te weten valt, woon je nog in het weten. Net zoals de reeks 1, 1/2, 1/4, … het getal 0 wel benadert maar nooit bereikt.

Een echte dummy word je pas wanneer je stopt met rekenen en eindelijk die ellenlange staartdeling afschudt die je al die jaren achter je aan hebt gesleept. Dan pas is je boek werkelijk leeg. Ook de gedachte dat je dan eindelijk een echte dummy bent wiens boek werkelijk leeg is, staat er niet meer in.

X: Geleidelijk betekent volgens jou rustig aan je stoelpoten zagen. Plotseling is alleen het moment dat je door je stoel zakt.

H: Zo je wilt. Maar voor mij is dit opnieuw een non-issue. De hele kwestie berust op het idee dat er zoiets is als verlichting en iemand die verlicht kan worden en een weg om van de ene toestand naar de andere te gaan.

Zonder die uitgangspunten blijft er niets van over. Waarmee ik niet wil zeggen dat er niet zoiets is als verlichting en niemand die verlicht kan worden en geen weg om van de ene toestand naar de andere te gaan; dat is alleen maar een andere plek in hetzelfde moeras.

X: Het is een schijnprobleem veroorzaakt door essentialistisch denken.

H: Denken in termen van schijnproblemen veroorzaakt door essentialistisch denken is essentialistisch denken en veroorzaakt schijnproblemen.

X: Juist.

H: En schijnoplossingen natuurlijk.

X: Hoe moeten we dan denken?

H: Zie je wel?

X: Er is alleen maar niet-weten.

H: Zie je wel?

496 - Niet-weten als Eeuwige Wijsheid

X: Jij benadert spirituele en religieuze tradities als eufemismen voor niet-weten. Zou je kunnen zeggen dat niet-weten de lingua franca, de universele taal, het Esperanto van spiritualiteit is?

H: Je kunt zeggen wat je wilt. We leven in een vrij land. Als je maar niet denkt dat het waar is omdat je het zegt of dat je het zegt omdat het waar is.

X: Toch krijg ik de indruk dat niet-weten voor jou de kern van alle spiritualiteit en religie vormt.

H: Kern?

X: Als in Perennial Wisdom of Universeel Soefisme.

H: Niet-weten is niet fundamenteler dan andere verhalen. Het is niet de universele taal van de spiritualiteit. Het is geen fundamenteel verhaal. Het is geen universele taal. Geen Esperanto en geen Desperanto. Niet dat ik weet.

X: Volgens de traditie van de Eeuwige Wijsheid zijn er bepaalde oerwaarheden en oerwaarden waar alle tradities het over eens zijn …

H: Te weten?

X: Nou …

H: Maak het maar concreet. Wat is het kleinste gemene veelvoud van alle tradities? Waar zijn ze het allemaal over eens?

X: Tja.

H: Eeuwige Wijsheid is geen traditie, het is een kreet. Er is niets wat alle wijsheidstradities gemeen hebben. Trouwens, welke wijsheidstradities hebben we het precies over, wie bepaalt dat?

X: Ik neem de handschoen niet op.

H: Het enige waar alle tradities het over eens zijn is de lege leer.

X: Nergens over dus.

H: Niet zo cynisch. Zo’n beetje de grootste uitvinding in de geschiedenis van de wiskunde is het getal nul.

X: Volgens het Universalisme …

H: Babylonische spraakverwarring is de universele taal van de spiritualiteit. Kijk maar eens wat boeken in. Klik maar eens wat websites aan. Loop maar eens wat kerken, synagogen, moskeeën, zendo’s, sangha’s, satsangs binnen. Luister maar eens in de open lucht. Alle vogeltjes zingen door elkaar. Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. En een van die vogeltjes ben ik. Tjiep tjiep tjiep.

X: Toch is niet-weten jouw leidmotief.

H: Niet-weten is mijn moedertaal – waar ik steeds het hart uit haal. Daarom is het alleen maar logisch dat ik het als passe-partout gebruik. Het is aan anderen om mijn termen te ontsluiten met hun eigen passe-partout. Als ze dat hebben. Als ze daar behoefte aan hebben.

X: Je zegt er wel wat bij.

H: Het staat eenieder vrij.

497 - Het hart van niet-weten

Vier variaties op het kwatrijn ‘De geest van niet-weten’.

Eerste poging, semplice

semplice: eenvoudig

Ik ben niet gek! Ik ben niet dom!

Ik ben alleen maar eerlijk!

Ik weet het niet! Ik weet het niet!

Geloof me, dat is heerlijk!

Bis

Tweede poging, sonore

sonore: helder

Ik doe niet dik!

Ik doe niet dun!

Ik ben alleen!

Maar eerlijk!

Ik heb het niet!

Ik hou het niet!

Geloof me!

Dit is heerlijk!

Bis

Derde poging, appassionato

appassionato: hartstochtelijk

Ik ben niet!

Gek!

Toch ben ik!

Echt!

Ik ben alleen maar!

Heerlijk!

Je snapt het!

Niet!

Ik snap het!

Niet!

Wat denk je!

Zeg eens!

Eerlijk!

Laatste poging, isterico

isterico: doldwaas

!

!!

!!!

!!!!

!!!!!

!!!!!!

!!!!!!!

!!!!!!!!

!!!!!!!!!

!!!!!!!!!!

!!!!!!!!!!!

498 - 365 Definities van niet-weten

Niet-weten – je kunt er boeken over volschrijven en nachten over doorpraten.

Dat doe ik graag, maar nodig is het niet.

Je kunt ook gewoon een definitie geven.

Of twee, voor het geval de eerste niet overkomt.

Of drie, voor het geval de tweede niet overkomt.

Of 365, zodat je het iedere dag opnieuw kunt proberen.

Of 366, voor het geval het een schrikkeljaar is.

Of 397, voor mensen met een dertiende maand.

Is dat niet overdreven?

Nee hoor, met niet-weten moet je meteen in het diepe springen.

Als je eerst leert zwemmen, verzuip je nooit.

Bovendien komen alle definities van niet-weten op hetzelfde neer.

Eigenlijk is er maar één definitie van niet-weten:

Géén definitie van niet-weten.

499 - Januari

1. Niet-weten is steeds opnieuw beginnen.

2. Niet-weten is overal over beginnen.

3. Niet-weten is onbegonnen werk.

4. Niet-weten is steeds opnieuw eindigen.

5. Niet-weten is overal over ophouden.

6. Niet-weten is alles uitwissen.

7. Niet-weten is verwijlen in het ongewisse.

8. Niet-weten is alles afbreken.

9. Niet-weten is alles verliezen.

10. Niet-weten is alles weerspreken.

11. Niet-weten is alles relativeren.

12. Niet-weten is ook het relativeren relativeren.

13. Niet-weten is ruimhartigheid, ook voor bekrompenheid.

14. Niet-weten is geen aandachtspunt.

15. Niet-weten is geen agendapunt.

16. Niet-weten is geen aanknopingspunt.

17. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iets te weten en niet langer meent niets te weten.

18. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iets te doen en niet langer meent niets te doen.

19. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iemand te zijn en niet langer meent niemand te zijn.

20. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent op een of ander punt te zijn.

21. Niet-weten is een omslagpunt.

22. Niet-weten is een contrapunt.

23. Niet-weten is een nulpunt.

24. Niet-weten is een mispunt.

25. Niet-weten is een breekpunt.

26. Niet-weten is een vluchtpunt.

27. Niet-weten is een verdwijnpunt.

28. Niet-weten is een vraagteken.

29. Niet-weten is weten tussen aanhalingstekens.

30. Niet-weten is leven tussen aanhalingstekens.

31. Niet-weten is geen visie en een visie op niet-weten is geen niet-weten.

500 - Februari

1. Niet-weten is overal thuis zijn.

2. Niet-weten is nergens thuis zijn.

3. Niet-weten is vervreemding.

4. Niet-weten is thuiskomen in den vreemde.

5. Niet-weten is vreemdgaan in het bekende.

6. Niet-weten is vreemd eigen.

7. Niet-weten is sterven aan het bekende.

8. Niet-weten is sterven aan het onbekende.

9. Niet-weten is levend sterven.

10. Niet-weten is stervend leven.

11. Niet-weten is voor de bijl gaan.

12. Niet-weten is opleven.

13. Niet-weten is leven in de paradox.

14. Niet-weten is leven in onduidelijkheid, dubbelzinnigheid en tegenspraak.

15. Niet-weten is geen trancetoestand.

16. Niet-weten is geen verruimd bewustzijn.

17. Niet-weten is geen vernauwd bewustzijn.

18. Niet-weten is geen mystieke eenheidservaring of een ander soort piekervaring.

19. Niet-weten is geen ervaring en ervaringen van niet-weten zijn geen niet-weten.

20. Niet-weten is geen verheerlijking van het gevoel boven het verstand.

21. Niet-weten is vrede sluiten met je onvrede.

22. Niet-weten is rustig blijven onder je onrust.

23. Niet-weten is mediteren zonder mediteren.

24. Niet-weten is nooit mediteren en nooit niet mediteren.

25. Niet-weten is geen praktijk en oefeningen in niet-weten zijn geen niet-weten.

26. Niet-weten is geen identiteit.

27. Niet-weten is geen anonimiteit.

28. Niet-weten is het einde van iedere vereenzelviging, ook met niet-vereenzelvigen.

29. Niet-weten is geen deugd, maar het einde van je zonden.

501 - Maart

1. Niet-weten is de laatste illusie.

2. Niet-weten is een desillusie.

3. Niet-weten is de desillusie doorzien.

4. Niet-weten is een total loss.

5. Niet-weten is de volgende droom.

6. Niet-weten is de waan van de nacht.

7. Niet-weten is ontwaken uit de droom van ontwaken.

8. Niet-weten is geen droom.

9. Niet-weten is geen-droom.

10. Niet-weten is ontwaken uit je weten.

11. Niet-weten is ontwaken uit je zekerheden in een onzeker heden.

12. Niet-weten is geen ontwaakt denken, maar een denken dat keer op keer uit zichzelf ontwaakt.

13. Niet-weten is geen bevrijd denken, maar een denken dat zich keer op keer van zichzelf bevrijdt.

14. Niet-weten is geen onthecht denken, maar een denken dat zich keer op keer van zichzelf losmaakt.

15. Niet-weten is geen uitgedoofd denken, maar een denken dat zijn eigen brandjes blust.

16. Niet-weten is geen verlicht denken, maar zuchten van verlichting zodra je je vorige gedachte doorziet. Zucht.

17. Niet-weten is eindeloos ontwaken.

18. Niet-weten is ontwaken in verbijstering

19. Niet-weten is geen realisatie maar derealisatie.

20. Niet-weten is geen truc.

21. Niet-weten is geen pose.

22. Niet-weten is alles ont-kennen.

23. Niet-weten is alles ontkennen, dit ook.

24. Niet-weten is begrijpen zonder begrippen.

25. Niet-weten is aan de grond zitten.

26. Niet-weten is een afgrond.

27. Niet-weten is de ongrond waarin de boom der kennis wortelt.

28. Niet-weten is geen denkfobie.

29. Niet-weten is geen vlucht in onwetendheid.

30. Niet-weten is een vlucht uit het vluchten.

31. Niet-weten is geen kroon, maar het einde van de koning.

502 - April

1. Niet-weten is geen grap.

2. Niet-weten is iets om eindeloos grappen over te maken.

3. Niet-weten is een giller.

4. Niet-weten is een voetzoeker.

5. Niet-weten is worstelen en ondergaan.

6. Niet-weten is voor schut gaan.

7. Niet-weten is een ontmaskering.

8. Niet-weten is een mand om doorheen te vallen.

9. Niet-weten is echt zijn als je echt bent, nep zijn als je nep bent.

10. Niet-weten is je kleinheid realiseren.

11. Niet-weten is in je hemd staan.

12. Niet-weten is met je billen bloot gaan.

13. Niet-weten is naaktlopen.

14. Niet-weten is geen verkleedpartij.

15. Niet-weten is een dans zonder stijl.

16. Niet-weten is je natuurlijke staat.

17. Niet-weten is moeiteloos.

18. Niet-weten is je neus achterna lopen.

19. Niet-weten is nergens voor instaan, ook hiervoor niet.

20. Niet-weten is nergens van uitgaan, ook hiervan niet.

21. Niet-weten is een kind.

22. Niet-weten is maar wat doen.

23. Niet-weten is zelfs niet doen aan niet-doen.

24. Niet-weten is geen doen.

25. Niet-weten is geen laten.

26. Niet-weten is geen kunst.

27. Niet-weten is geen kunstje.

28. Niet-weten is knabbelen, niet bijten.

29. Niet-weten is waar iedereen mee flirt maar niemand mee trouwt.

30. Niet-weten is geen antwoord, maar het einde van je vragen.

503 - Mei

1. Niet-weten is uit je woorden komen.

2. Niet-weten is een werkwoord.

3. Niet-weten is een hoofd zonder woorden, bij wijze van spreken.

4. Niet-weten is geen antwoord.

5. Niet-weten is geen vraag.

6. Niet-weten is geen waarheid.

7. Niet-weten is geen leugen.

8. Niet-weten is een vraag op ieder antwoord.

9. Niet-weten is een antwoord zonder antwoord.

10. Niet-weten is het kwijtraken van vragen die je niet loslaten, van antwoorden waarin je vastzit en van woorden die je betoveren.

11. Niet-weten is geen woord en woorden over niet-weten zijn geen niet-weten.

12. Niet-weten is een oorverdovende stilte.

13. Niet-weten is het einde van de hoofdletters.

14. Niet-weten is het einde van de kleine lettertjes.

15. Niet-weten is geen dode letter, maar een levende geest.

16. Niet-weten is niemand naar de mond praten, jezelf ook niet.

17. Niet-weten is geen dooddoener om anderen of jezelf de mond te snoeren.

18. Niet-weten is een dwaalgesprek met jezelf.

19. Niet-weten is een wijze van spreken.

20. Niet-weten is een wijze van zwijgen.

21. Niet-weten is een wijze van lachen.

22. Niet-weten is geen wijze.

23. Niet-weten is geen dwaasheid en geen wijsheid.

24. Niet-weten het onvermogen dwaasheid te onderscheiden van wijsheid.

25. Niet-weten is de vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid.

26. Niet-weten is dwaasheid voorbij alle dwaasheid.

27. Niet-weten is de Boeddha doden, én de boeddhadoder.

28. Niet-weten is de dharma van geen-dharma.

29. Niet-weten is een kwestie van geen kwestie.

30. Niet-weten is geen kwestie maar het eind van alle kwesties.

31. Niet-weten is geen leer, maar het einde van je geleerdheid.

504 - Juni

1. Niet-weten is geen geloof.

2. Niet-weten is geen ongeloof.

3. Niet-weten is een geloof zonder geloof.

4. Niet-weten is het einde van je geloof en het einde van je ongeloof.

5. Niet-weten is niets geloven, dit ook niet.

6. Niet-weten is niemand geloven, jezelf ook niet.

7. Niet-weten is paranoia.

8. Niet-weten is alles betwijfelen, zelfs de twijfel.

9. Niet-weten is steeds een slag om de arm houden, ook hierover.

10. Niet-weten is nergens je hand voor in het vuur steken, ook hiervoor niet.

11. Niet-weten is no claim en geen verzekering.

12. Niet-weten is all-risk.

13. Niet-weten is absolute zekerheid over absoluut niets.

14. Niet-weten is nergens op rekenen.

15. Niet-weten is overal rekening mee houden.

16. Niet-weten is alles afleren.

17. Niet-weten is ook het afleren afleren.

18. Niet-weten is geen leer en leerstukken over niet-weten zijn geen niet-weten.

19. Niet-weten is geen inzicht maar geen-inzicht.

20. Niet-weten is ‘weten’.

21. Niet-weten is geen niet-weten als er niet-weten op staat.

22. Niet-weten is nú iets niet weten.

23. Niet-weten is altijd nu.

24. Niet-weten kent geen tijd.

25. Niet-weten is weten van het bord voor je kop.

26. Niet-weten is niet weten uit te sluiten.

27. Niet-weten is geen verschil maken.

28. Niet-weten is geen onderscheid weten te maken.

29. Niet-weten is een non-leer die geen enkel onderscheid erkent of ontkent.

30. Niet-weten is geen buit, maar het einde van de jacht.

505 - Juli

1. Niet-weten is gewoon niet weten.

2. Niet-weten is tien pond scheten.

3. Niet-weten is gebakken lucht.

4. Niet-weten is een opluchting waar geen eind aan komt.

5. Niet-weten is overal schijt aan hebben

6. Niet-weten is een lege darm.

7. Niet-weten is een leeg kanon.

8. Niet-weten is een lege leer.

9. Niet-weten is een lege boodschap.

10. Niet-weten is een lege schat.

11. Niet-weten is met lege handen staan.

12. Niet-weten is met je mond vol tanden staan.

13. Niet-weten is geen gebondenheid.

14. Niet-weten is geen vrijheid.

15. Niet-weten is geen keuzeloos gewaarzijn.

16. Niet-weten is nergens over oordelen.

17. Niet-weten is niet oordelen over het oordelen.

18. Niet-weten is geen liefde.

19. Niet-weten is geen vasthouden.

20. Niet-weten is geen loslaten.

21. Niet-weten is geen overgave.

22. Niet-weten is onthechten, ook van onthechting.

23. Niet-weten is nergens houvast vinden, ook hierin niet.

24. Niet-weten is alles loslaten, ook het loslaten.

25. Niet-weten is verlossing van de verlossers.

26. Niet-weten is ontsnappen aan de snappers.

27. Niet-weten is meegaan met de tegenstroom.

28. Niet-weten is afwijzen wat je afwijst.

29. Niet-weten is alles afwijzen, ook het afwijzen.

30. Niet-weten is alles aanvaarden, ook het afwijzen.

31. Niet-weten is geen maat, maar het einde van het meten.

506 - Augustus

1. Niet-weten is het einde van je heilige huisjes.

2. Niet-weten is je eigen hokjes afbreken.

3. Niet-weten is alles in het midden laten, ook of je alles in het midden moet laten.

4. Niet-weten is grenzen verkennen.

5. Niet-weten is tot het gaatje gaan.

6. Niet-weten is door het gaatje gaan.

7. Niet-weten is mateloos.

8. Niet-weten is een vloek.

9. Niet-weten is een gezegende vloek.

10. Niet-weten is een vervloekte zegen.

11. Niet-weten is een zegen.

12. Niet-weten is een genezende ziekte.

13. Niet-weten is een heiland die niet baat.

14. Niet-weten is een gesel die niet schaadt.

15. Niet-weten is het einde van het geloof in het einde van het lijden.

16. Niet-weten is niets meer te verliezen of te winnen hebben.

17. Niet-weten is een vlammenwerper.

18. Niet-weten is een burn-out.

19. Niet-weten is geen welles en geen nietes.

20. Niet-weten is geen standpunt.

21. Niet-weten is geen plek, maar in beweging blijven.

22. Niet-weten is geen eeuwige rust, maar eeuwige beweging.

23. Niet-weten is geen illusie.

24. Niet-weten is geen werkelijkheid.

25. Niet-weten is geen hel.

26. Niet-weten is geen hemel.

27. Niet-weten is een sleutel zonder slot.

28. Niet-weten is een wormgat naar deze zijde.

29. Niet-weten is geen heilsweg naar de Geest maar een ijlweg uit de geest.

30. Niet-weten is geen weg en wegen naar niet-weten zijn geen niet-weten.

31. Niet-weten is geen weg, maar het einde van het wegen.

507 - September

1. Niet-weten is je gedachten niet geloven, deze ook niet.

2. Niet-weten is korte metten maken met de mind.

3. Niet-weten is korte metten maken met het idee dat je korte metten kunt maken met de mind

4. Niet-weten is een gedachtengum.

5. Niet-weten is een denkbeeldenstorm.

6. Niet-weten is denken zonder denken.

7. Niet-weten is een onvermogen.

8. Niet-weten is het onvermogen om je eigen denkbeelden serieus te nemen.

9. Niet-weten is het vermogen om de diepten van je verstandelijke onvermogen te peilen.

10. Niet-weten is de mislukking van het denken.

11. Niet-weten is de triomf van het denken over zichzelf.

12. Niet-weten is het einde van het weten, zou je denken, maar dat is opnieuw een gedachte.

13. Niet-weten is het einde van het denken dat niet-weten het einde is van het weten.

14. Niet-weten is niet het einde van je gedachten, maar het einde van het heilige in je gedachten, inclusief deze.

15. Niet-weten is niet het einde van je gedachten, maar het einde van het geloof in de gedachte aan het einde van je gedachten.

16. Niet-weten is alles ontkrachten, dit ook.

17. Niet-weten is je verstand op tilt.

18. Niet-weten is een denken dat nooit victorie kraait.

19. Niet-weten is geen obscurantisme.

20. Niet-weten is geen fatalisme.

21. Niet-weten is geen cynisme.

22. Niet-weten is geen negativisme.

23. Niet-weten is geen pessimisme.

24. Niet-weten is geen optimisme.

25. Niet-weten is geen realisme.

26. Niet-weten is geen idealisme.

27. Niet-weten is wat alles in zijn waarde laat.

28. Niet-weten is wat nergens de waarde van kent.

29. Niet-weten is niet weten waar niet-weten goed voor is.

30. Niet-weten is geen wijsbegeerte, maar het einde van de filosofie.

508 - Oktober

1. Niet-weten is alles vergeten.

2. Niet-weten is zelfs het vergeten van niet-weten vergeten.

3. Niet-weten is geen dementie.

4. Niet-weten is geen zwakzinnigheid.

5. Niet-weten is geen onwetendheid.

6. Niet-weten is geen irrationalisme.

7. Niet-weten is het herroepen van iedere gedachte, deze ook.

8. Niet-weten is een knuppel om je gedachten weg te slaan.

9. Niet-weten is denken zonder denk-beelden.

10. Niet-weten is geen oog, maar het einde van je staar.

11. Niet-weten is door je gedachten heen kijken.

12. Niet-weten is kijken zonder denken.

13. Niet-weten is steeds door een ander raam kijken.

14. Niet-weten is zien dat je denkt dat je de wereld ziet.

15. Niet-weten is alle kanten zien.

16. Niet-weten is het hele plaatje zien.

17. Niet-weten is het hele plaatje doorzien.

18. Niet-weten is het denken doorzien.

19. Niet-weten is het doorzien van het denken doorzien.

20. Niet-weten is het uiteindelijke doorzien.

21. Niet-weten is het doorzien van het uiteindelijke doorzien.

22. Niet-weten is de illusie doorzien.

23. Niet-weten is het doorzien van de illusie doorzien.

24. Niet-weten is een manier van kijken zonder manier.

25. Niet-weten is een koning zonder kijk.

26. Niet-weten is overal de keerzijden van zien, ook van de keerzijden.

27. Niet-weten is terugschrijdend inzicht.

28. Niet-weten is vrij zijn van inzicht.

29. Niet-weten is geen bevrijdend inzicht maar vrij uitzicht.

30. Niet-weten is vrij zijn van niet-weten.

31. Niet-weten is geen piek, maar het einde van je klim.

509 - November

1. Niet-weten is aanzien.

2. Niet-weten is herzien.

3. Niet-weten is afzien.

4. Niet-weten is leven op de tast.

5. Niet-weten is wat je ontglipt.

6. Niet-weten is geen machtsgreep.

7. Niet-weten is geen alomvattende verklaring.

8. Niet-weten is vrijstelling van verklaringsdienst.

9. Niet-weten is amnestie van duidingsdrang.

10. Niet-weten is verhaal halen bij je verhalen.

11. Niet-weten is einde verhaal.

12. Niet-weten is algemeenheden mijden, deze ook.

13. Niet-weten is een ongebonden, geloofsvrije, inhoudsloze, beeldloze mystiek.

14. Niet-weten is aikido voor de geest.

15. Niet-weten is een vrijgeest.

16. Niet-weten is een audit van de geest door de geest.

17. Niet-weten is gratis en onbetaalbaar.

18. Niet-weten is geen principe.

19. Niet-weten is geen bewaarschool.

20. Niet-weten is geen traditie.

21. Niet-weten is geen orde.

22. Niet-weten is een fuik waar je niet in zit.

23. Niet-weten is je laatste fuik.

24. Niet-weten is de ruimste fuik.

25. Niet-weten is een vrije val.

26. Niet-weten is vallen zonder opstaan.

27. Niet-weten is een val zonder strik.

28. Niet-weten is uit de boot vallen.

29. Niet-weten is iets waar je niet in zit en niet uit komt.

30. Niet-weten is geen dal, maar het einde van je val.

510 - December

1. Niet-weten is in je kaart laten kijken.

2. Niet-weten is je kaarten op tafel leggen.

3. Niet-weten is van de kaart zijn.

4. Niet-weten is schoppen.

5. Niet-weten is een joker.

6. Niet-weten is een rode kaart.

7. Niet-weten is een vrijkaart.

8. Niet-weten is een passe-partout.

9. Niet-weten is enkel spel zonder dubbelspel.

10. Niet-weten is een spel zonder regels.

11. Niet-weten is een spel met de regels.

12. Niet-weten is spelen met grenzen.

13. Niet-weten is een spel zonder grenzen.

14. Niet-weten is voorgoed buiten spel staan.

15. Niet-weten is een doorlopend gebed.

16. Niet-weten is een gebed zonder end.

17. Niet-weten is werk-in-uitvoering.

18. Niet-weten is gekkenwerk.

19. Niet-weten is een retraite waar geen eind aan komt.

20. Niet-weten is geen denk- of spreekverbod.

21. Niet-weten is niet het einde van het weten en niet het einde van het denken.

22. Niet-weten is niet iets om niet na te streven door niet iemand.

23. Niet-weten is niet iets wat je ontdekt, het is niet-ontdekken.

24. Niet-weten is niet iets wat je bereikt, het is niet-bereiken.

25. Niet-weten is alle gedachten ontmaskeren en ontmantelen, moeiteloos, de hele dag door, zowel van anderen als van jezelf, ook die over niet-weten, ook deze.

26. Niet-weten is geen kenleer, maar het einde van de epistemologie.

27. Niet-weten is geen zijnsleer, maar het einde van de ontologie.

28. Niet-weten is het einde van alle stokpaardjes, inclusief niet-weten.

29. Niet-weten is het einde van ieder zoeken, ook naar niet-zoeken.

30. Niet-weten is geen einde dan het einde van niet-weten.

31. Niet-weten is een zalig uiteinde

511 - Dertiende maand

1. Niet-weten is het einde van je twijfels en het einde van je zekerheden.

2. Niet-weten is het einde van de antwoorden en het einde van de vragen.

3. Niet-weten is het einde van je woorden en het einde van je stilte.

4. Niet-weten is het einde van je gebondenheid en het einde van je vrijheid.

5. Niet-weten is het einde van gehechtheid en het einde van onthechting.

6. Niet-weten is het einde van het vasthouden en het einde van het loslaten.

7. Niet-weten is het einde van het worden en het einde van het ontworden.

8. Niet-weten is het einde van het object en het einde van het subject.

9. Niet-weten is het einde van het ego en het einde van het zelf.

10. Niet-weten is het einde van het relatieve en het einde van absolute.

11. Niet-weten is het einde van je karma en het einde van de dharma.

12. Niet-weten is het einde van samsara en het einde van nirwana.

13. Niet-weten is het einde van de vorm en het einde van de leegte.

14. Niet-weten is het einde van de illusie en het einde van de werkelijkheid.

15. Niet-weten is het einde van de dualiteit en het einde van de non-dualiteit.

16. Niet-weten is het einde van het onderscheid en het einde van de eenheid.

17. Niet-weten is het einde van de complexiteit en het einde van de eenvoud.

18. Niet-weten is het einde van de hoogmoed en het einde van de deemoed.

19. Niet-weten is het einde van de wanhoop en het einde van de hoop.

20. Niet-weten is het einde van de tijd en het einde van het nu.

21. Niet-weten is het einde van de leugen en het einde van de waarheid.

22. Niet-weten is het einde van het doen en het einde van het laten.

23. Niet-weten is het einde van het nemen en het einde van het geven.

24. Niet-weten is het einde van de dwaasheid en het einde van de wijsheid.

25. Niet-weten is het einde van het kwade het einde van het goede.

26. Niet-weten is het einde van de duisternis en het einde van het licht.

27. Niet-weten is het einde van de leerling en het einde van de meester.

28. Niet-weten is het einde van het hoofd en het einde van het hart.

29. Niet-weten is het einde van het spreken en het einde van het zwijgen.

30. Niet-weten is het einde van je verzet en het einde van je overgave.

31. Niet-weten is helemaal het einde.


Zo. Dit waren alle 397 definities van ‘365 Definities van niet-weten’.

512 - Synoniemenwijzer niet-weten

Er is maar één woord voor niet-weten: geen woord.

Geen woord praat nogal moeilijk en stilte is veel te veelzeggend, vandaar dat ik er een aantal synoniemen voor in gebruik heb genomen.

Die synoniemen staan her en der in Witboek, maar je zoekt je rot, ik ook. Daarom heb ik er een aantal verzameld in deze synoniemenwijzer, geordend naar woordsoort.

Zelfstandig naamwoorden

In plaats van niet-weten (niet weten, nietweten), kun je ook spreken van adoxie, agnose, agorafilie, asofie, een autoclasme, de dwaalweg, dwijsbegeerte, dwijsheid, filasofie, groot ongeloof, groot uitzicht, groot wantrouwen, kenneloosheid, het lege boek, de lege leer, lege mystiek, lege religie, lege spiritualiteit, mindlessness, nietweterij, paradoxie, variologie, verduistering, weteloosheid, wetend niet weten, weten zonder weten, wijsheid zonder wijsheid, wijzeloosheid of wis-kunde.

Bijvoeglijk naamwoorden

In plaats van niet-wetend (niet wetend, nietwetend) kun je ook spreken van agnostisch, agorafiel, asofisch, asofistisch, autoclastisch, dwijs, dwijsgerig, filasofisch, kenneloos, mindless, variologisch, verduisterd, weteloos, wijzeloos of wis-kundig

Personen

In plaats van een weetniet kun je ook spreken van een agnost, een agorafiel, een aikidogeest, een afleerling, een afleraar, een antimeester, een arme van geest, een asoof, een autoclast, een dummy, een duisterling, een dwaalgast, een dwaalgeest, een dwaalgids, een dwaalmeester, een dwijsgeer, een dwijsneus, een dwijze, een filasoof, een kenneloze, een lege leerling, een lege leraar, een niet-weter (nietweter), een nitwit, een tjaïst, een tja-zegger, een varioloog, een verduisterde, een weetnietgeest, een weteloze, een wis-kundige, een wijzeloze, een wijze zonder wijsheid, een wiskunstenaar of een zengeest.

In plaats van willekeurige welk synoniem en willekeurig welke term of omschrijving voor niet-weten, kun je ook het universele lege symbool, Ø, gebruiken. Dit symbool is ontleend aan de wiskunde, waar het staat voor de lege verzameling.

Meer synoniemen vind je onder andere in het lemma oxymoron.

513 - Apologie voor mijn apologie van niet-weten

‘Wanneer het over niet-weten gaat, schaam ik me voor al wat ik erover heb gezegd.’ Een keizer zonder kleren trekt het boetekleed aan. Apologie voor mijn apologie van niet-weten.

Weten van niet-weten is weten

Niet-weten is eindeloos en datzelfde geldt voor mijn teksten over niet-weten. Allemaal staan ze tjokvol beweringen, begrippen en aannames. Daarmee brengen ze een weten tot uitdrukking. Een weten van niet-weten.

Dat was niet de bedoeling. Weten van niet-weten is weten, geen niet weten. Maar zo werkt onze taal nou eenmaal. Je kunt ermee zeggen dat iets zús is of niet zó. Je kunt er de waarheid mee uitdrukken, of wat het ook is dat je ermee uitdrukt – gesteld dat je er iets mee uitdrukt. Maar geen niet-weten.

Niet-weten is niet-weten en beweren is beweren and never the twain shall meet.*

* East is East and West is West and never the twain shall meet, citaat uit The Ballad of East and West, van Rudyard Kipling (1889)

Niet-weten is geen waarheid

Wat niet-weten is weet je natuurlijk best. Dat het niet iets is weet je ook best. Tot je erover gaat nadenken. Dan wordt het toch weer iets. Niet zomaar iets, maar een waarheid. Niet zomaar een waarheid maar …

Catch 22

1. De hoogste waarheid!

2. De waarheid voorbij de woorden!

3. De wijsheid zonder wijsheid!

4. De wijsheid voorbij alle wijsheid!

5. De kennis zonder object!

6. De kennis zonder leraar!

7. Een bevrijdend inzicht!

8. Eeuwige wijsheid!

9. De dharma!

10. Prajnaparamita!

11. Je ware gezicht!

12. Het hoogste zelf!

13. Datgene wat geen oog kan zien en geen oor kan horen!

14. Helderheid!

15. Bewustzijn!

16. Gewaarzijn!

17. Non-dualiteit!

18. Het onkenbare!

19. Essentie

20. De bron!

21. Het ene!

22. God!

En wie ‘de hoogste waarheid’ heeft ‘gerealiseerd’ is natuurlijk ‘verlicht’.

Mij hoor je niets zeggen (maar zwijgen kan ik niet)

Verlicht! Nou, daar kun je mee voor de dag komen Jammer voor mij. Ik heb de wijsheid niet in pacht. Niet de hoogste, niet de middelste en niet de laagste. Ik weet alleen maar niet.

Mij hoor je niet eens zeggen dat wijsheid niet bestaat. Dat is nog steeds een vorm van wijsheid. Of dat je ook dat niet kunt weten. Dat is nog steeds een vorm van weten.

Mij hoor je niet eens zeggen dat je niks mag zeggen. Dat is nog steeds een vorm van zeggen. Of dat je dat ook niet mag zeggen. Dat is nog altijd een vorm van zeggen.

Ik zeg alleen maar niks, en dat is nóg teveel gezegd. Maar zwijgen kan ik niet.

Niet-weten is geen kunst

Nooit heb ik niet-weten rechtstreeks onder woorden kunnen brengen. Niet door het ‘niet-weten’ te noemen, of ‘wetend niet weten’ of ‘zelfs niet van niets weten’ of ‘voorbij weten en niet-weten’ of ‘agnose’ of ‘de lege leer’ of ‘dwijsheid’ of ‘verduistering’ of ‘tja’ of ‘verlorenheid’ of ‘niet-vinden’ of ‘vinden en niet-vinden’ of ‘niet-bereiken’ of ‘bereiken noch niet-bereiken’ of wat dan ook.

Nooit heb ik niet-weten waar dan ook door wie dan ook rechtstreeks onder woorden gebracht zien of horen worden.

Niet-weten laat zich niet rechtstreeks onder woorden brengen. Niet omdat de waarheid voorbij de woorden is, maar omdat niet-weten geen waarheid is.

Niet-weten hoeft ook helemaal niet onder woorden gebracht te worden. Het stelt niks voor. Er is geen kunst aan.

Het verhaal van niet-weten is slechts de waan van de nacht

Lieve mensen, net als ieder ander kan ik alleen maar het verhaal van niet-weten vertellen.

Het verhaal van niet-weten is geen niet weten. Het is een fabeltje. Een sprookje. Een spookje. Voor sommigen een droom, voor anderen een nachtmerrie. In beide gevallen de waan van de nacht. Zodra je wakker wordt vervliegt hij.

Opgeruimd staat netjes. Wat moet je er anders mee? Je trekt je pleepapier toch ook gewoon door?

Niet beweren, maar demonstreren

Tijdens het onvermijdelijke beweren hoop ik mijn niet-weten te demonstreren.

Door mijn beweringen voortdurend te herroepen.

Door mijn begrippen voortdurend ter discussie te stellen.

Door mijn onuitgesproken aannames voortdurend aan de kaak te stellen.

Daarvoor moet ik weer nieuwe beweringen doen, nieuwe begrippen gebruiken en nieuwe aannames doen, die op hun beurt weerlegd, ondermijnd en ontmaskerd moeten worden, enzovoort – een hopeloze zaak.

Kun je erdoorheen kijken?

Kun je door dit verhaal over vertellen versus demonstreren heen kijken?

Kun je door het verhaal dat het maar een sprookje is heen kijken?

Kun je door het idee heen kijken dat je ergens doorheen moet kijken?

Kun je door het idee heen kijken dat er niets te doorzien valt?

Kun je door het idee heen kijken dat je iemand bent die iets moet of kan?

Kun je door het idee heen kijken dat je niemand bent en niets moet of kan?

Kun je door het idee heen kijken dat het allemaal maar ideeën zijn?

Eerlijk zeggen!

Geen idee?

Nou, ik ook niet.

Wat je ziet als je overal doorheen kijkt

Dát is nou niet-weten.

Dat is wat je ‘ziet’ als je (niet eens meer weet of je) overal doorheen kijkt:

Niet de onbemiddelde Werkelijkheid.

Niet de hoogste Waarheid.

Niet de zuivere Geest.

Niet de non-dualiteit.

Niet de Boeddha.

Niet alleen maar Dit of Dát.

Niet het Zijn zelf.

Niet het Ene.

Niet het Andere.

Niet de Leegte.

Niet het Niets.

En dat is alles.

Welkom in de wolk van niet-weten

Welkom, lezer, op de hoogste, de heiligste berg. Op die puinhoop van inzichten, opvattingen en idealen die je tot nog toe hebt vergaard of al voor lijk hebt achtergelaten. De majestueuze Mont Fou. Helemaal de jouwe.

Wat een JOEKEL van een berg, zeg. En de top? Voor eeuwig in nevelen gehuld. Zo hoog zitten we hier. Gloria in excelsis.

Ik zeg, welkom lezer, in de cloud.

Wat een gewáldig uitzicht!

514 - Epiloog: niet-weten is jazz

Door Goff Smeets.

Onlangs is ‘Both Directions at Once’ verschenen. Dat is een verzameling stukken gespeeld door het kwartet van saxofonist John Coltrane. Opgenomen in 1963, een paar jaar voor zijn overlijden. En drie weken voordat een ander kwartet – The Beatles – zijn eerste studio-opname maakte.

Kenners beweren dat er na John Coltrane niks meer te zeggen valt op de sax en dat hij de jazz kapot heeft geperfectioneerd. Zijn ‘truc’ was om het dollen met akkoorden in de vaste toonsoort van een stuk te vervangen door het dollen met niet-vaststaande toonsoorten voor het stuk.

Daardoor raakten melodie (het deuntje) en harmonie (steuntje onder het deuntje) nauwelijks te onderscheiden van elkaar. Voor de oren van getrainde musici – laat staan het publiek, zie beneden – is het dan ook hogere wiskunde. En voor hun vingers en de rest van het lichaam is het een uitputtingsslag vanwege het vaak razende tempo waarin Coltrane opereerde.

Het gebeurde meer dan eens dat zijn kompanen hem muzikaal en fysiek niet meer konden volgen en tijdens een optreden ofwel het zwijgen ertoe moesten doen ofwel een muzikaal duel aangaan. En ze waren bepaald niet de minsten: McCoy Tyner (piano), Jimmy Garrison (bas) en Elvin Jones (drums). De drummer was de enige die met melodie en harmonie nauwelijks te maken had en daardoor Coltrane’s sax wel kon volgen en ritmisch van repliek dienen.

Het publiek, ik in dit geval, lukt het niet om in veel stukken van Coltrane signaal van ruis te onderscheiden. Dat is niet-weten.

Er is een mop over: een klant in de dierenwinkel wil een zingende papegaai aanschaffen en de handelaar zegt dat er drie stuks in de aanbieding zijn. Nr. 1 heeft prachtige veren en kan alle solo’s van Louis Amstong zingen. Nr. 2 heeft eveneens een prachtig verenkleed maar is een stuk duurder omdat hij alle solo’s van Charlie Parker ten beste brengt. Nr. 3 is half-blind, heeft een slordig kapsel en is nauwelijks in staat om haar evenwicht op het schommelstokje te bewaren. Maar ze kost meer dan die andere twee bij elkaar. De klant vraagt wat ze dan zoal zingen kan. De winkelier zegt dat ie geen idee heeft maar dat de andere twee haar aanspreken met ‘maestro’.

Niet-weten is afzien van het verschil tussen ruis en signaal. John Coltrane liet het horen. En soms was het niet om aan te horen.

515 - De wolk van weten en de wolk van niet-weten

De wolk van weten

Verbeten mannetje met dikke grijze wolken boven zich die hij maar net omhoog kan houden.

De wolk van niet-weten

Hetzelfde mannetje, ditmaal lachend, met een paar kleine blauwe wolkjes om zich heen die alweer oplossen.