Top

Witboek niet-weten

Leven in de paradox

Spiritualiteit zonder dogma’s

Door Hans van Dam

Deel 11 van de Agnosereeks

Omslag van deel 11 van de Agnosereeks.

(hier wordt gewerkt)

Alles wat je altijd al wilde weten over niet-weten maar nooit durfde vragen. Lichte inleiding in een duistere zaak. Kennismaking met wat geen kennismaking verdraagt. Voor beginners, gevorderden en gesjeesden.

Inhoudsopgave en samenvatting

(nog even geduld)

1 - De witte wereld van de weetniet

Terra incognita

Terra incognita is Latijn voor onbekend gebied. Het is een term uit de cartografie waarmee je een oord aanduidt waarover niets bekend is.

Op globes en kaarten werd terra incognita vroeger aangegeven met witte vlekken, en soms met de tekst ‘Hier zijn draken’ of ‘Hier zijn leeuwen’, want het onbekende werd en wordt als vreeswekkend ervaren.

Toch zijn er vanaf de vijftiende eeuw veel ontdekkingsreizen georganiseerd om de witte vlekken op de kaarten in te vullen en het areaal van het terra incognita te verkleinen.

Het spirituele pad

Het spirituele pad kun je opvatten als een uitnodiging om het bekende terrein – jijzelf, je gedachten, de medemens en de wereld waarin je leeft, diepgaand te onderzoeken.

Je weet nooit wat je daarbij zult vinden of kwijtraken, al denk je van wel, anders zou je er niet aan beginnen.

Zelf moest ik tot mijn ontsteltenis keer op keer constateren dat het oppervlakkig bekende ten diepste onbekend was.

Mijn weg werd geen ontdekkingsreis waarbij onbekende gebieden ontsloten werden, maar een toedekkingsreis waarbij ik met een witkwast in de hand – en pijn in het hart – mijn terra cognita stukje bij beetje prijsgaf aan het onbekende.

Waarvan het natuurlijk al die tijd deel was blijven uitmaken – zeg ik achteraf.

Naarmate ikzelf, mijn gedachten, de medemens en de wereld witter werden, kon ik alles steeds moeilijker uit elkaar houden, en ten slotte heb ik het maar opgegeven.

Witten

In de beeldspraak van het terra incognita is wit de kleur van agnose, van niet-weten.

Witten is het uitgummen van vastgeroeste ideeën: over wie en wat je bent, over de zin van het leven, over de liefde, over de dood, over ethiek, over God, over de weg, over verlichting, lijden, waarheid, waarneming, metafysica, de vrije wil, en noem maar op.

Wit noem je iemand die het allemaal niet meer weet.

Na het witten rest de witte alleen nog het witten van het witten zelf.

Pas als hij ook zijn witte bril heeft afgezet, is hij werkelijk wit, dat wil zeggen, niet.

Want werkelijk wit bevat alle kleuren van de regenboog, leerde Newton al.

Kleurrijk is de geest van de weetniet.

Witboek

Ziezo, nu snap je hoe het Witboek niet-weten aan zijn naam komt.

Het gaat over het witten van je zelfbedachte wereldje, je wereldbééld* – je terra cognita.

* ‘Wereldbeeld’ in de ruimste zin van het woord, inclusief zelfbeelden, mensbeelden, godsbeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden en andere denkbeelden.

Het Witboek niet-weten heet ook zo omdat het opkomt voor niet-weten.

Je eigen onwetendheid en die van iedereen onder ogen zien, is in het begin geweldig bedreigend. Aan het eind is het een geweldige opluchting.

Als je die angst en die opluchting eenmaal hebt doorgemaakt, net als ik, als je het diep hebt doorleefd en iedere dag herbeleeft, dan kun je er maar niet over uit.

Dan hou je er maar niet over op.

Dan gun je het iedereen.

Vandaar.

Wereldkaart met louter wit land in een blauwe zee.
Terra incognita – de witte wereld van de weetniet.

2 - Verlos ons van het denken

Ik heb een zilversmid gekend
die zonder zilver kwam te zitten.

Ik ril bij de gedachte dat
ik mijn gedachten niet kan witten.

Vrij naar Hugo Pos.

3 - Verlos ons van niet-weten

Ik heb een ankersmid gekend
die aan een ketting kwam te zitten.

Ik ril bij de gedachte dat
ik mijn gedachten steeds moet witten.

4 - Niet-weten? Daar is geen beginnen aan

Welkom

Welkom lezer, wat goed dat je het begin hebt gevonden van iets waar geen beginnen aan is.

Zoals je aan de ondertitel van dit stukje kunt zien, is de inleiding Wat is niet-weten geschikt voor beginners, gevorderden en gesjeesden.

Voor iedereen dus.

Ook voor jou.

Ook voor mij – ik ben niet verheven boven wat ik heb geschreven.

Hoezo gesjeesd?

Dat een inleiding geschikt is voor beginners spreekt vanzelf, daar is het een inleiding voor.

Dat ze geschikt is voor gevorderden snap je ook wel: als je al een tijdje ergens mee bezig bent, vergeet je de basis en is het goed om op je schreden terug te keren.

Maar wat moeten mensen die er klaar mee zijn nou met een inleiding?

En waarom spreek ik botweg van gesjeesden in plaats van gladweg over arrivés of ontwaakten of verlichten of zelfgerealiseerden of wijzen of mystici of heiligen of boeddha’s of verhevenen of zo?

Voorgoed gezakt

Omdat iedere weetniet een beginner is.

Een gevorderde is gewoon iemand die inziet dat hij altijd een beginner zal blijven.

Een gesjeesde is iemand die zelfs onder het niveau van de gewone beginner is gezakt – onder het niveau van het denken in niveaus.

Die niet meer van beginnen weet en niet meer van ophouden.

Die niet meer van slagen weet en niet meer van falen.

Die zelfs niet meer weet van niet-weten.

Die alles net niet is vergeten.

Ik noem hem gesjeesd omdat hij voorgoed is gezakt.

5 - Wat je moet weten van niet-weten

‘Wat weet jij eigenlijk van niet-weten, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

6 - Vallen is de weg

Een weetniet is gezakt voor het leven.

Zijn wijsheid is een maanlandschap.

Zijn mijter is een een narrenkap

Zijn rakusu is een broddellap.

Er is dus geen enkele reden om hem achterna te lopen.

Zoals er ook geen enkele reden om hem verlicht of gerealiseerd of ontwaakt of heilig of wijs te noemen.

Natuurlijk, je mag hem in plaats van een dummy of een nitwit best eens een dwijze noemen, of – heel chic – een agnost.

Doe ik ook weleens.

Gewoon voor de variatie.

Als je maar niet vergeet dat het allemaal op hetzelfde neerkomt.

We zijn en blijven beginners in dit leven.

Eeuwige baby’s voor wie iedere stap de eerste is.

Welk pad we ook menen te bewandelen.

Wat we ook menen te weten.

Hoe we ook menen te heten.

Vallen is de weg.

vallend figuur samengesteld uit vallende figuurtjes.
Vallen is de weg.

7 - Wie niet weet laat niet met zich dwepen

Een weetniet is iemand die eindelijk doorheeft dat hij uiteindelijk niets van het leven snapt, en daar open over is.

In die mindset is het onmogelijk om je nog op handen te laten dragen.

In die mindset is het onmogelijk om jezelf nog op handen te dragen.

Dat zou een onverdraaglijke leugen zijn.

Je hebt immers niets bereikt; juist niet.

Laat staan dat je daarvoor de verantwoordelijkheid opeist.

Vallen doe je niet, dat overkomt je.

Wie niet weet laat niet met zich dwepen.

Ook niet door zichzelf.

Dat is geen prestatie hoor.

Het lukt je gewoon niet meer.

Het werkt op je lachspieren.

Bewondering bindt, lachen maakt vrij.

Je lacht je vrij van dweperij.

8 - Wie niet weet die niet dweept

Een weetniet is iemand die eindelijk doorheeft dat hij uiteindelijk niets van het leven snapt, en daar open over is.

Omdat hij er nou eenmaal niets van snapt, is een weetniet onbekwaam om te beoordelen of anderen er wel iets van snappen.

Alleen al daarom zal hij niemand meer op handen dragen.

Hoe zou je ook iemand op handen kunnen dragen als je zelf geen vaste grond onder de voeten hebt?

Je moet eerst geloven dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun eigen daden voordat je ze kunt bewonderen.

Dat zij het zelf zijn die ervoor kiezen om te doen wat ze doen en zich daarvoor in te zetten.

Dat ze het ook niet hadden kunnen doen.

Dat ze volledig toerekeningsvatbaar zijn.

Dat hun wil volledig vrij is.

Hebben wij een volledige vrije wil?

Zijn wij volledig toerekeningsvatbaar?

Hebben wij zelfs maar een gedeeltelijk vrije wil, zijn we zelfs maar gedeeltelijk toerekeningsvatbaar?

De een zegt van wel, de ander van niet.

Wetenschappers zijn het er niet over eens.

Filosofen zijn het er niet over eens.

Priesters zijn het er niet over eens.

Wijzen zijn het er niet over eens.

Leken zijn het er niet over eens.

De weetniet weet alleen maar niet.

Hij heeft geen vaste grond onder de voeten.

Droste-effect van een figuur dat op handen gedragen wordt door een figuur dat op handen gedragen wordt…
Hoe zou je ook iemand op handen kunnen dragen als je zelf geen vaste grond onder de voeten hebt?

De weetniet verkeert in een vrije val.

Zolang hij valt, valt iedereen mee.

Zolang we met zijn allen vrij vallen hoeft niemand iemand op handen te dragen.

Wie niet weet die niet dweept.

En als hij het toch doet?

Kan hij het zichzelf dan aanrekenen?

Wat denk jij?

9 - Wat is niet-weten?

Een vreemde vraag verdient een vreemd antwoord:

Niet-weten is niet weten.

Dat wil zeggen, niet-weten met een koppelteken is gewoon niet weten zonder koppelteken.

Wat niet weten zonder koppelteken is, hoef ik je toch niet uit te leggen?

Je weet wel: dat je iets niet weet.

De vraag is dus niet wat niet-weten is.

De vraag is wat het is dat je niet weet.

Nou, daar kan ik kort over zijn:

Niets.

Helemaal niets.

Echt?

Niet echt.

Niet wie je bent, niet wat je bent, niet dat je bent.

Niet waar je bent, niet waar je vandaan komt, niet waar je heen gaat.

Niet wat je moet doen, niet wat je moet laten, niet of je kunt kiezen.

Niet wat de wereld is, niet dat de wereld is, niet dat de wereld niet is.

Niet dat je in de wereld bent, niet dat je zelf de wereld bent, niet dat je van de wereld bent.

Niet wie er gelijk heeft, niet dat er iemand gelijk heeft, niet dat er niemand gelijk heeft.

Niet naar wie je moet luisteren, niet dat je naar iemand moet luisteren, niet dat je naar niemand moet luisteren.

Niet… niet… niet…

Niet-weten met een koppelteken is niet weten zonder koppelteken.

Dat je het niet meer weet – maar dan ook helemáál niet meer.

Niet-weten is niet weten.

10 - Het leven is een paling

Terug het zwarte water in

Het leven is een paling.

Glad als een aal.

Zodra je het probeert te pakken, glipt het uit je vingers.

Draaiend als een derwisj.

Terug het zwarte water in – waar het vandaan komt.

Waar het thuishoort.

Net als jij.

Net als ik.

Net als alle organismen.

Vraagteken in de vorm van een paling; de punt is een kleine paling die zichzelf in de staart bijt.
Het leven is een paling; zodra je het probeert te pakken, glipt het uit je vingers.

De vanger gevangen

Steeds wanneer je het leven in woorden probeert te vangen, kom je in tegenspraken terecht.

Ongerijmdheden waar je hopeloos in verstrikt raakt.

Dilemma’s waar je nooit uitkomt.

Niet het leven heb je dan gevangen, maar jezelf.

Leven in de paradox

Niet-weten is de paling loslaten.

De derwisj laten dansen.

De woorden hun gang laten gaan.

De meerduidigheid omarmen.

De tegenstrijdigheid van het leven onder ogen zien.

Je eraan overgeven.

Erin opgaan.

Niet-weten is leven in de paradox.

Daar vrede mee hebben – grote vrede.

11 - Zwammen of verzuipen

Het leven is een paling.

Een paling is een zwemmend vraagteken.

Zwemmende zijn we.

Zwemmende en zwammende.

Wadende en radende.

Reppende en roepende.

Flippende en floepende.

Levend in het teken van de vraag.

Het vraagteken staat symbool voor niet-weten.

Het vraagteken is ook het logo voor deze inleiding in niet-weten.

Om het paradoxale van niet-weten te benadrukken hebben we het vraagteken vormgegeven als een onmogelijk figuur.

Gouden vraagteken in de vorm van een onmogelijk figuur.
Onmogelijk vraagteken als symbool voor niet-weten en als logo voor de Inleiding niet-weten.

Het onmogelijke vraagteken staat symbool voor niet-weten.

De geest van niet-weten is als een onbeschreven blad.

Vandaar dat we het onmogelijke vraagteken hebben uitgevoerd in onbeschreven bladgoud.

Wat eronder zit laat zich raden.

12 - Leven in het Teken van de Vraag

Het vraagteken van niet-weten vraagt niet om een antwoord, het is het antwoord.

Het vraagteken van niet-weten wil geen uitroepteken worden, het wil zichzelf blijven.

Het vraagteken van niet-weten staat symbool voor een leven in het teken van de vraag.

Wie leeft in het Teken van de Vraag is niet bezeten van het antwoord.

De vraag de vraag laten geeft grote vrede.

Sterrenbeeld in de vorm van een vraagteken.
Questia: het Teken van de Vraag – sterrenbeeld op het innerlijk halfrond.

13 - De grote vrede van niet-weten

Vrede hebben met niet-weten

Niet-weten is niet weten hoe of wat of waarom.

Je weet het allemaal niet meer en je hoeft het allemaal niet meer te weten.

Het houd je niet meer bezig, het is goed zo.

Je hebt er vrede mee.

Grote vrede.

Vrede hebben met je onvrede

Heb je er eens een keertje geen vrede mee, dan heb je dáár wel vrede mee.

Grote vrede.

Heb je er eens een keertje geen vrede dat je er geen vrede mee hebt, dan heb je dáár wel vrede mee.

Grote vrede.

Is het oorlog in je kop – kan gebeuren – dan heb je dáár wel vrede mee.

Grote vrede.

Ben je die grote vrede zat – kan gebeuren – dan heb je dáár wel vrede mee.

Grote vrede.

Je leven wordt er makkelijker door

Door het grenzeloze besef van je grenzeloze onwetendheid wordt je leven niet moeilijker, zoals je zou verwachten, maar juist makkelijker.

Veel makkelijker.

Keuzes maken zichzelf, je kunt erop wachten, hoe lang het ook duurt.

Je ziet het aan, je werkt eens mee, je laat eens gaan.

Je doet maar wat, je zegt maar wat, en dat is dat.

En hebt er vrede mee.

Grote vrede.

14 - 10. Elf misverstanden over innerlijke vrede

Over de grote vrede van spiritueel niet-weten bestaan veel misverstanden.

1. Dat je er letterlijk onverstoorbaar van wordt.

2. Dat je er letterlijk onbewogen van wordt.

3. Dat je er letterlijk neutraal van wordt.

4. Dat je er letterlijk gelaten van wordt.

5. Dat je er letterlijk stil van wordt.

6. Dat je er letterlijk deemoedig van wordt.

7. Dat je er letterlijk gelukzalig van wordt.

8. Dat je er letterlijk onthecht van wordt.

9. Dat je er letterlijk sterk van wordt.

10. Dat je er letterlijk rustig van wordt.

11. Dat je er letterlijk vredig van wordt.

Je zou er een modelmens van worden die een modelleven leidt – een heilige.

Een vlam die nooit oplaait of uitwaait – een waakvlam.

Voorgoed ontwaakt, immer mindful.

Nirwana!

Ja, dat zou je wel willen, hè?

Ik ook hoor.

Maar daarom is het nog niet zo.

15 - Elf vormen van vrede zonder rede

De vrede van niet-weten is vreemde vrede.

Paradoxale vrede.

Vrede waarin alle ruimte is voor onvrede.

Vrede waarin ruimte is voor wat dan ook.

Zelfs voor ruimtegebrek, zei de gek in de dwangbuis.

Dit is mijn ervaring:

1. De grote vrede van niet-weten is geen onverstoorbaarheid, maar vrede hebben met je verstoorbaarheid.

2. De grote vrede van niet-weten is geen onbewogenheid, maar vrede hebben met je bewogenheid.

3. De grote vrede van niet-weten is geen neutraliteit, maar vrede hebben met je partijdigheid.

4. De grote vrede van niet-weten is geen overgave, maar vrede hebben met je rebellie.

5. De grote vrede van niet-weten is geen gedachtestilte, maar vrede hebben met je gedachten.

6. De grote vrede van niet-weten is geen deemoed, maar vrede hebben met je hoogmoed.

7. De grote vrede van niet-weten is geen gelukzaligheid, maar vrede hebben met je buien.

8. De grote vrede van niet-weten is geen onthechting, maar vrede hebben met je gehechtheid.

9. De grote vrede van niet-weten is geen kracht, maar vrede hebben met je zwakheid.

10. De grote vrede van niet-weten is geen rust, maar vrede hebben met je onrust.

11. De grote vrede van niet-weten is geen vrede, maar vrede hebben met je onvrede.

16 - Gekke vrede of de vrede van een gek?

Elf

Wat hebben de 11 misverstanden over innerlijke vrede en de 11 vormen van vrede zonder rede met elkaar gemeen?

Het zijn er 11.

Dat is natuurlijk geen toeval; 11 is het gekkengetal.

Raad van Elf is carnaval.

Carnaval is doen alsof.

Doen alsof je wéét.

Tweeëntwintig

Twee keer gek is dubbelgek.

Dubbelgek is 22 – het kengetal van het begrip ‘catch 22’.

Een catch 22 is een onmogelijke situatie, een toestand waar je in zit en niet uitkomt.

Een dilemma, een vicieuze cirkel, een eindeloze regressie, een paradox, een tegenstrijdigheid, ambivalentie, meerduidigheid.

Een fuik in een fuik– en jij bent de fuik.

Vis met een fuik als lichaam.
Een fuik in een fuik – en jij bent de fuik.

Catch 22, dat is mijn favoriete metafoor voor spirituele verlichting.

Het is ook mijn favoriete metafoor voor niet-weten.

In dit Witboek is ieder meervoud van 11 ook een gekkengetal: 22, 33, 44, 55, 66, 77, 88, 99…

In dit Witboek is ieder meervoud van 11 ook een catch.

Je zult ze nog vaak tegenkomen: veelvouden van 11.

Een keer of 33.

De wet van de weteloosheid.

De een houdt van tellen, de ander van noemen.

Wéten is afgemeten logica.

Niet-weten is leven in de paradox.

Daar heersen andere wetten.

Daar heerst de wet van de weteloosheid.

De vreemde vrede van niet-weten is ongevoelig voor elk gevoel van onvrede, hoe groot ook.

Ze kunnen gewoon naast elkaar bestaan.

Op dezelfde plaats.

Op dezelfde tijd.

In dezelfde mens.

Je snapt het niet!

Beter van niet.

De enige manier om de onuitputtelijke vrede van niet-weten uit te putten is proberen het te snappen.

Ik ben daar gek!

Niet-weten is ont-snappen.

Ontsnappen aan het snappen.

Hoe heet het – de bodemloze bucket van Samuel Beckett

‘Want niets weten is niets, niets willen weten is evenmin iets, maar niets kunnen weten, weten niets te kunnen weten, zo treedt de vrede binnen in de ziel.’

Samuel Beckett

Een sluier die verscheurd moet worden

Samuel Beckett is de twintigste-eeuwse auteur van ontstellende toneelstukken als Wachten op Godot en dito boeken zoals de trilogie Molloy, Malone sterft en Naamloos. Hij schrijft niet over niet-weten in spirituele zin, maar wel vanuit dezelfde vervreemding en verbijstering waarvan een spiritueel niet-weten een van de mogelijke resultaten lijkt te zijn.

In 1937, op 32-jarige leeftijd, helemaal aan het begin van zijn carrière, schrijft Samuel Beckett in een brief:

‘Het wordt voor mij werkelijk steeds moeilijker, en zinlozer ook, om fatsoenlijk Engels te schrijven. En steeds meer komt mijn taal me voor als een sluier die verscheurd moet worden om de daarachter liggende dingen (of het daarachter liggende niets) te bereiken. Grammatica en stijl. Ze lijken me net zo aftands geworden als een biedermeier badpak of de onverstoorbaarheid van een gentleman. Een vermomming.

Hopelijk komt er een tijd, en godzijdank is die in zekere kringen al gekomen, waarin de taal juist daar het beste wordt gebruikt, waar ze flink wordt misbruikt. Aangezien wij haar niet op slag kunnen uitschakelen, dienen we in ieder geval niets na te laten dat haar in diskrediet kan brengen. Het ene gat na het andere boren, tot wat zich achter haar verschuilt, iets dan wel niets, begint door te sijpelen - ik kan me voor de tegenwoordige schrijver geen verhevener doel voorstellen.’

(Bzzlletin 193, p35)

Geen antwoord

In 1961, als vijfenvijftigjarige, schrijft Beckett een monoloog zonder interpunctie, Comment c’est. Aan het eind daarvan noemt de ik-figuur zijn relaas een…

‘niet te kwalificeren gemompel waarvan hier eindelijk de laatste flarden de allerlaatste in de vertrouwde vorm van vragen die ik me stellen zou en van antwoorden die ik me geven zou hoe onwaarschijnlijk dat ook mag lijken mag laatste flarden allerlaatste als het hijgen ophoudt laatste gemompel allerlaatste hoe vreemd dat ook lijken mag

of dat alles dat alles ja of dat alles niet hoe zal ik het zeggen geen antwoord of dat alles niet onwaar is ja

al die berekeningen je verklaringen ja het hele verhaal van het begin tot het eind ja volkomen onwaar ja

dat is anders gebeurd ja heel anders ja maar hoe geen antwoord hoe is het dan gebeurd geen antwoord wat is er dan gebeurd geen antwoord WAT IS ER DAN GEBEURD gebrul goed’

(Hoe het is, De Bezige Bij 1968, pagina 187)

Waanzin

Wanneer we Beckett’s brief uit 1937 als een intentieverklaring van zijn kunstenaarschap opvatten, rijst de vraag of hij er inderdaad in geslaagd is de taalsluier te verscheuren, en zo ja, wat hij erachter heeft aangetroffen.

Voor een antwoord gaan we te rade bij de laatste tekst die Beckett ruim een halve eeuw later, in 1988, op 83-jarige leeftijd op schrift zal stellen, zowel in het Frans als in het Engels, getiteld Comment dire respectievelijk What is the word, door mij vertaald als Hoe heet het.

‘Waanzin,’ verklaart de meesterstamelaar aan het eind van deze tekst aan het eind van zijn Latijn aan het eind van zijn leven, ‘om ver weg daarginds een glimp op te schijnen willen vangen van wat nauwelijks… wat… hoe heet het… hoe heet het.’

Hoe heet het

waanzin…
waanzin om te…
om te…
hoe heet het…
waanzin om hieruit…
al dit…
waanzin om uit dit alles…
gegeven…
waanzin om gegeven dit alles…
gezien…
waanzin om gezien dit alles…
dit…
hoe heet het…
dit dit…
dit dit hier…
al dit dit hier…
waanzin om gegeven dit alles…
gezien…
waanzin om gezien dit dit alles hier…
om te…
hoe heet het…
zien…
een glimp opvangen…
op schijnen te vangen…
op te schijnen willen vangen…
waanzin om een glimp op te schijnen willen vangen…
van wat…
hoe zeg je dat nou…
en waar…
waanzin om een glimp op te schijnen willen vangen van wat en waar…
waar…
hoe heet het…
daar…
daarginds…
daar daarginds…
ver weg…
ver weg helemaal daarginds…
ver weg helemaal daarginds nauwelijks…
wat…
hoe heet het…
gezien dit alles…
al dit dit…
al dit dit hier…
waanzin om te zien wat…
een glimp opvangen…
op schijnen te vangen…
op te schijnen willen vangen…
ver weg helemaal daarginds van wat nauwelijks…
waanzin om ver weg daarginds een glimp op te schijnen willen vangen van wat nauwelijks…
wat…
hoe heet het…

hoe heet het

(Comment dire / What is the word, Samuel Beckett, Bzzlletin 193, vertaling: Hans van Dam)

Nog steeds betoverd door de taal

Of het werkelijk waanzin was om een glimp op te willen vangen, durf ik niet te zeggen. Wat mij verbaast is dit: waarom ging de grote Ierse absurdist er, voor zover ik kan nagaan tenminste, zijn hele leven vanuit dat zijn speurtocht hem iets dan wel het niets zou opleveren?

Was hij ondanks alles nog steeds betoverd door de taal met haar overwegend tweewaardige logica – ja of nee, waar of onwaar, aards of heilig, dwaas of wijs, iets of niets, heten of niet heten?

Waarom geen iets-en-niets of iets-noch-niets bijvoorbeeld, om er eens een vierwaardige logica tegenaan te gooien; ja én nee of ja noch nee, waar en onwaar of waar noch onwaar, aards en heilig of aards noch heilig, dwaas en wijs of dwaas noch wijs?

Heten en niet heten of heten noch niet heten – logica blijft logica, hoe waardig ook. Onderscheidingen blijven onderscheidingen, grenzen blijven grenzen, hokjes blijven hokjes. Wat te denken van een vijfde optie, buiten iedere logica om en zo mogelijk nog onvoorstelbaarder, nog onbeschrijflijker dan Beckett’s Hoe heet het?

Verder, verder! Een mateloos niet-weten

Ik doel op een mateloos niet-weten. Totale agnose. Waarin de verbijstering niet blijft kwellen en ook niet tot een oplossing komt, maar tot een climax, een toppunt, een plafond. En in dat maximum, bij gebrek aan fluctuaties, tot rust.

Een zielenrust in het oog van de verbijstering zelf. Innerlijke vrede in een grenzenloos niemandsland waar iedereen mag komen maar niemand beslag op kan leggen. Een geestelijke ontspanning die dieper en bestendiger is dan je ooit voor mogelijk had gehouden.

In een mateloos niet-weten dienen de gaten die je in de taal boort – of de taal in jou – niet om ‘iets’ of ‘niets’ of ‘iets én niets’ of ‘iets noch niets’ of welk ‘weten’ of ‘niet-weten’, hoe ‘gematigd’ of ‘mateloos’ ook, binnen te laten sijpelen, maar om al je gedachten, begrippen, grenzen, hokjes, verklaringen, duidingen, antwoorden en vragen onophoudelijk weg te laten sijpelen. Als vanzelf. Zonder uitzondering. Deze ook.

Ik kan me voor de tegenwoordige schrijver geen mooier tijdverdrijf voorstellen.

17 - Niet-weten is je waterloo

‘Wat is weten?’

‘Van zinkend schip naar zinkend schip.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Verzuipen.’

18 - De plaats van niet-weten – tips van een gesluierde

Dit is de plaats…

Waar verdeeldheid is verdwenen
En eenheid is doorzien

Waar verschillen zijn verdwenen
En gelijkheid is doorzien

Waar de kennis is verdwenen
En de kenner is doorzien

Waar illusies zijn verdwenen
En de werkelijkheid is doorzien

Waar de leerling is verdwenen
En de meester is doorzien

Waar gehechtheid is verdwenen
En onthechting is doorzien

Waar het ego is verdwenen
En het zelf is doorzien

Waar de dharma is verdwenen
En de boeddha is doorzien

Waar het duister is verdwenen
En verlichting is doorzien

Waar de tijd is verdwenen
En het heden is doorzien

Waar het doel is verdwenen
En de weg is doorzien

Waar dwaasheid is verdwenen
En wijsheid is doorzien

Waar de leugen is verdwenen
En de waarheid is doorzien

Waar het hoofd is verdwenen
En het hart is doorzien

Waar de woorden zijn verdwenen
En de antwoorden zijn doorzien

Waar de twijfel is verdwenen
En de zekerheid is doorzien

Waar het weten is vergeten
En niet-weten is gezien

Dit was de plaats

‘En dat ook niet!’ – Woorden in de wind

Toen ik net tot niet-weten was gekomen, kon ik alleen maar stamelen:

‘En dat ook niet! En dat ook niet! En dat ook niet!’

Dit in reactie op gedachten die tevergeefs kaas probeerden te maken van wat ik destijds zelfs geen niet-weten wist te noemen, maar wat neerkomt op gehakt maken van je gedachten, ook die over niet-weten.

Die term, niet-weten, heb ik pas later ontdekt, toen ik in de literatuur dook op zoek naar mensen die iets soortgelijks hadden meegemaakt. Ik moet hem al eerder onder ogen hebben gehad, maar toen was ik er kennelijk niet ontvankelijk voor.

De proza van het stamelen

Jaren ben ik bezig geweest om woorden en uitdrukkingen te verzinnen en te verzamelen en aan elkaar te rijgen tot iets dat enigszins op proza lijkt. De proza van het stamelen, de proza van het herroepen, de proza van het sprekend niet spreken over denkend niet denken – de proza van agnose.

Tegenwoordig kijk ik vol verbazing terug op die begintijd. Een woordenlijst heb ik sinds ik hem heb niet meer nodig, en de metaforen fladderen ’s zomers en ’s winters als vlinders door de dwaaltuin van mijn geest.

Makkelijke woorden, moeilijke woorden, sommige lovend, andere neutraal, schertsend of spottend, net wat de situatie vraagt. Het zijn ook allang geen losse woorden meer, maar hele woordvelden, sjablonen, formules, denkwijzen.

Al die woorden en uitdrukkingen – ei ei, spielerei. Holle klanken voor een lege leer. Condensstrepen in de lucht. Woorden in de wind. Wervelingen van een hemelskind. Zondagskindjes van een zwerveling.

Weg ermee. En weg ook met het ‘weg ermee’.

Voor niet-weten heb je geen speciale woorden nodig.

Niet-weten is het hoofd bieden aan je woorden.

De woorden de woorden laten.

Er niet mee aan de haal gaan.

Ze niet met jou aan de haal laten gaan.

De woorden ‘niet-weten’, ‘agnose’, ‘dwijsheid’, ‘de lege leer’ en ‘verduisterd’ weergegeven als condensstrepen aan de hemel.
Woorden in de wind. Condensstrepen in de lucht.

19 - De mantra van niet-weten

Je weet niet wat je overkomt

Niet-weten – als het je overkomt weet je niet wat je overkomt.

Het neemt je hele denken over.

Of je wil of niet.

Niet alleen het levensbeschouwelijke denken, maar ook het denken van alledag, en daarmee het leven van alledag.

Of het nou over liefde gaat of over lijden, over leven of over sterven, over goden of over duivels, over hebben of over zijn, over vasthouden of over loslaten, over zingeving of over zinloosheid, over fundamentalisme of over twijfel – overal dringt het niet-weten in door.

De afgelopen elf jaar heb ik over al deze onderwerpen geschreven vanuit het perspectief, ik bedoel natuurlijk vanuit het non-perspectief, van agnose*.

* Agnose is een mooi woord voor niet-weten.

Nergens vanuit dus.

Zonder perspectief.

Dat heeft duizenden dwaalteksten* opgeleverd, die je terug kunt vinden in de elfdelige Agnosereeks.

Een dwaaltekst is een tekst die het niet-weten beschrijft of demonstreert.

Steeds hetzelfde liedje

Hoewel niet-weten precies even gevarieerd, betoverend, raadselachtig en overweldigend is als het leven zelf, zijn teksten over niet-weten dat niet.

Teksten over niet-weten zijn precies even repetitief als het leven zelf.

Even repetitief als eten, drinken, plassen, poepen, slapen, denken, voelen, lachen, huilen, spreken en zwijgen.

Even repetitief als het kloppen van je hart.

De elfdelige Agnosereeks is één boek elf keer herhaald.

De ‘elf’ hoofdstukken van dat ene boek zijn één hoofdstuk elf keer herhaald.

De ‘elf maal elf’ dwaalteksten van dat ene hoofdstuk van dat ene boek zijn één tekst elf maal elf keer herhaald.

Ze komen allemaal op hetzelfde neer.

Een simpel lied – de mantra van niet-weten.

En internationaal, universumtaal.

In het Sanskriet:

In het Grieks:

In het Cyrillisch:

In het Chinees:

In het Japans:

Je ziet, de mantra van niet-weten is maar vier woorden lang.

Iedereen kent hem, jij ook.

Het is een van de eerste dingen die je leert zeggen:

‘Kwenie.’

Het is een van de eerste dingen die je leert verbloemen.

20 - De lege canon van niet-weten

Redundant

Teksten over niet-weten gaan nergens over, deze ook niet.

Daarom is iedere dwaaltekst er één teveel.

Een mooi woord voor ‘teveel’ is ‘redundant’.

Iets is redundant als het best gemist kan worden.

Zo kan het woord ‘redundant’ best gemist worden.

Zo kan deze tekst ook best gemist worden.

Zo kunnen al mijn teksten best gemist worden.*

* Zo kan hun schrijver ook best gemist worden. Ik heb hem tenminste nog geen dag gemist sinds hij opging in de mist van niet-weten. Daar is hij zonder het te weten.

Ont-stellend

Over niet-weten valt niets stelligs te zeggen, bevestigend noch ontkennend.

Niet-weten is alleen maar ont-stellend.

Ontstellend ont-stellend.

Daarom kent het geen essentiële teksten – niet één.

Alle dwaalteksten, hoe puntig of wollig ook, zijn overbodig.

Het enige wat ze vastleggen is het niet-vastleggen.

Het laatste verhaal

Zou je niet-weten canoniseren dan kreeg je een lege canon.

Dé lege canon, Ø, want waarin zou de ene lege canon, Ø1, moeten verschillen van de andere lege canon, Ø2?

Da’s niet zo best voor een schrijver over niet-weten.

Aan de andere kant: zonder woorden gaat het helemaal niet.

Mensentaal, metataal, oertaal, dierentaal, toontaal, lichaamstaal, gebarentaal, stameltaal, wartaal, wantaal – ik gebruik ze allemaal.

Zo vertel ik mijn laatste verhaal.

Endisme

Mijn laatste verhaal is een doorlopend verhaal over niet-weten.

Dat helemaal geen verhaal is, maar het einde van alle verhalen, groot en klein.

Wat gewoon het volgende verhaal is, en wat doe je eraan.

Een verhaal dat helemaal niet doorloopt maar steeds opnieuw doodloopt of, positief geformuleerd, steeds opnieuw begint.

Een oneindige lus, een fractaal, een perpetuum mobile, een gemaal.

Draaiend als een derwisj om zijn eigen as.

Net als het denken zelf.

Vandaar natuurlijk dat het nergens heen gaat.

Vandaar natuurlijk dat het almaar doorgaat.

Net als het vertellen van ‘laatste’ verhalen – dat houdt ook nooit op.

Er is zelfs een woord voor.

De al te menselijke neiging om het laatste verhaal te wilen vertellen, wordt endisme genoemd.*

Niet te verwarren met eschatologie, de leer van de laatste dingen of van het einde der tijden. Al houdt dat soort denken ook nooit op.

21 - Met een knal eindigt iedere pretentie

Boem, boem, boem, ad libitum.

Niet-weten is een leeg kanon.

Ik laad het met losse flodders en schiet er saluutschoten mee af.

Ze klinken allemaal hetzelfde:

Een simpele beat, de canon van niet-weten.

Intergalactisch, het ritme van de kosmos.

In het Sanskriet:

In het Grieks:

In het Cyrillisch:

In het Chinees:

In het Japans:

Zo slaat het hart van niet-weten:

Boem, boem, boem, ad libitum.

Met een knal eindigt iedere pretentie iets te weten.

Al was het maar van niet-weten.

Saluut!

22 - Wat er achter niet-weten zit

Wat er achter niet-weten zit laat zich raden, schreef ik bij de introductie van het onmogelijke vraagteken.

Heb je het inmiddels geraden?

Ik zal het je laten zien.

Hier heb je het onmogelijke vraagteken nog een keer:

Als we de naden uitvergroten zie je dit:

Bij nader inzien is het ‘onmogelijke vraagteken’ een mozaïek van veelhoeken:

Je kunt ze zo rangschikken als je wil:

Er is helemaal geen onmogelijk vraagteken!

Dat is een illusie van het oog.

Zoals niet-weten een illusie van de geest is.

Met een knal eindigt iedere pretentie iets te weten.

Al was het maar van niet-weten.

23 - Niet-weten is een vraagteken

Vragenvuur.

‘Wat is weten?’

‘Op iedere vraag een antwoord.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Op ieder antwoord een vraag.’

24 - Niet-weten is een uitroepteken

Vreugdevuur.

‘Wat is weten?’

‘Op ieder antwoord een vraag, op iedere vraag een antwoord.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Geen vraag en geen antwoord.’

25 - Van niet-weten wil ik zingen!

Een onmogelijk uitroepteken.

Het is je misschien niet ontgaan dat mijn dwaalteksten bol staan van de vraagtekens.*

* Op het moment van schrijven 22.530 stuks.

Het vraagteken staat symbool voor een radicaal niet-weten – het enige niet-weten dat ik ken.

Maar niet-weten heeft nog een kant, waaraan ik in het openbaar minder makkelijk uitdrukking geef.

Dat is de kant van het uitroepteken.

Een onmogelijk uitroepteken uiteraard, want het is onmogelijk te begrijpen dat iets onmogelijks als niet-weten iets werkelijks als hartstocht op kan roepen.

Dat je het wel uit kunt roepen van blijdschap!

Uitroepteken uitgevoerd als onmogelijk figuur van staal.
Het onmogelijke uitroepteken van niet-weten.

Toch is het zo.

Hoe leeg het van zichzelf ook is,

Niet-weten vervult mij!

Ik ben ervan doortrokken!

Ik stroom ervan over!

Van niet-weten wil ik zingen!

Dat was het alweer.

Viel best mee, toch?

26 - Niet-weten is reten zien

‘Wat is weten?’

‘Alles dichttimmeren.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Overal reten zien.’

27 - Niet-weten is verder kijken

‘Wat is weten?’

‘Overal reten zien.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Door de reten kijken.’

‘Wat is daar te zien?’

‘Een gapend gat.’

‘Wát?’

‘Noem het dan maar eindeloze vergezichten.’

‘Wauw!’

28 - Niet-weten is geen traditie maar geen-traditie

Oude friet in nieuwe zakken

Niet-weten lijkt nergens op, maar teksten over niet-weten lijken sprekend op elkaar, deze ook.

Een agnost serveert altijd aardappels.

Oude friet in nieuwe zakken.

En één van die zakken ben ik.

Vol vlekken van buiten, vol botten van binnen.

Vergane glorie, zeg dat wel.

Dat riekt naar traditie, zou je denken, maar zo lang timmer ik nog niet aan de kist.

Bovendien is niet-weten geen traditie.

Nooit geweest ook.

Niet-weten is nooit meer geweest dan een vergeet-me-nietje in bestaande tradities met een heel eigen signatuur – met name zen en mystiek.

Zo van: ‘Amai! Niet-weten is het meest nabai.’*

* Pointe van koan 20 van het Boek van sereniteit. Ik kom er later op terug.

En dan weer gauw over tot de waan van de dag

Niet-weten is geen traditie; niet-weten is geen-traditie.

Geen-traditie is van alle tijden en plaatsen.

Ze vindt zonder bemoeienis van doorgezeten interpreten en obsolete exegeten spontaan haar weg in iedere taal.

In het Nederlands:

In het Sanskriet:

In het Grieks:

In het Cyrillisch:

In het Chinees:

In het Japans:

Iedereen geeft het toe, hoor je dat?

En dan weer gauw over tot de waan van de dag, de orde van de eeuw en de regel van het millennium.

Heb je toch nog een béétje houvast.

29 - Eeuwige leerlingen die eeuwig de leraar uithangen

Als er íets traditioneel is aan niet-weten, dan is het wel het verbloemen ervan.

Verstoppertje spelen.

Voor anderen en voor jezelf.

De hele dag doen alsof je het allemaal wel doorhebt, terwijl je er in werkelijkheid geen zak van snapt (weer die zak) – daar zijn wij mensen meesters in.

Eeuwige leerlingen die eeuwig de leraar uithangen.

Ecce homo, zei Pontius Pilatus, zie de mens, en sloeg een kruis.

Lendendoeken!

Tunica’s!

Toga’s!

Lakenhal!

Lekenbal!

Carnaval!

Scepters!

Slippen!

Sjerpen!

Hoorngeschal!

Hengstenbal!

Carnaval!

Hans van Dam uitgedost als zenmeester.

Alle dagen carnaval.

Behalve met carnaval.

Dan zijn we écht nep.

30 - Oeddha de Neanderlander, onze innerlijke goeroe

De hele dag doen alsof je het allemaal wel doorhebt, daar zijn wij mensen meesters in.

Vraag niet op wie het teruggaat, al die bluf, ik weet het ook niet.

Ik vermoed op Oeddha de Neanderlander (soort uit het geslacht homo), een miljoen jaar voor de Doornenkoning, om en nabij.

Volgens evolutionisten kun je er nog een paar miljard jaar bij doen en hebben we alles wat ons drijft te wijten aan onze verste voorouder, de microbe (Bacteria sapiens sapiens):

Catch 22

1. Ikzucht!

2. Eerzucht!

3. Hebzucht!

4. Baatzucht!

5. Kwelzucht!

6. Spilzucht!

7. Volgzucht!

8. Vleizucht!

9. Weetzucht!

10. Zelfzucht!

11. Bemoeizucht!

12. Dweepzucht!

13. Gemakzucht!

14. Genotzucht!

15. Heerszucht!

16. Moordzucht!

17. Pronkzucht!

18. Slaapzucht!

19. Twistzucht!

20. Wraakzucht!

21. Babbelzucht!

22. Behoudzucht!

Protoreligie op protozoïsche grondslag.

Het zit er diep in, soortgenoten, of je wil of niet.

Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om, zoveel is zeker.

Je hoeft er echt niet voor naar school.

Hardgebakken biologie onder een neocorticale commentator.

En dit is het soort commentaar dat hij ongevraagd produceert.

31 - Was niet-weten een vogel, dan was hij gevlogen

Tweeëntwintig omtrekkende bewegingen.

1. Was niet-weten boeddha, dan doodde hij zichzelf.

2. Was niet-weten god, dan kruisigde hij zichzelf.

3. Was niet-weten leegte, dan zoog ze zich vol.

4. Was niet-weten eenheid, dan verdeelde ze zich.

5. Was niet-weten veelheid, dan telde ze niet mee.

6. Was niet-weten scepticisme, dan betwijfelde hij dat.

7. Was niet-weten zoeken, dan ging het verloren.

8. Was niet-weten vinden, dan zocht het naar niets.

9. Was niet-weten doen, dan liet het dat na.

10. Was niet-weten overgave, dan verzette ze zich.

11. Was niet-weten liefde, dan hield ze van haat.

12. Was niet-weten afwijzing, dan verwierp ze zichzelf.

13. Was niet-weten een standpunt, dan liep het ervan weg.

14. Was niet-weten een bewering, dan nam ze die terug.

15. Was niet-weten een leer, dan trok het van leer.

16. Was niet-weten een conclusie, dan trok ze die niet.

17. Was niet-weten een aanname, dan stootte ze die af.

18. Was niet-weten transmissie, dan gaf ze niets door.

19. Was niet-weten transcendentie, dan dook ze onder.

20. Was niet-weten een woord, dan hield het zijn mond.

21. Was niet-weten niet-weten, dan wist het dat niet.

22. Was niet-weten een vogel, dan was hij gevlogen.

Stijlfiguren niet-weten: overzicht

Welsprekend niet-spreken over denkend niet-denken en wetend-niet-weten zou ik niet kunnen zonder de stijlfiguren antithese, paradox, oxymoron, accumulatio en dubitatio.

Ook de tautologie en de verschillende vormen van ironie, zoals het understatement, de overdrijving en de omkering, zijn handig.

Van de Indiase logica gebruik ik de klassieke stel- en stijlfiguur die het tetralemma wordt genoemd.

De grondvorm van al mijn teksten is de dwaaltekst, een monoloog of dialoog waarin de verschillende stijlfiguren onderdak vinden. Een dwaaltekst kun je opvatten als een overkoepelende stijlfiguur, een metavorm die tot doel heeft het niet-weten niet (alleen) te beschrijven, maar te demonstreren.

Twee stijlfiguren van eigen makelij zijn de regressievraag en de koekoekstekst.

Daarnaast heb ik een persoonlijke voorkeur voor alliteratie, dubbelzinnigheid, herhaling, nieuwvorming, rijm, en woordspeling. Dat zijn bij mij niet zozeer stijlfiguren als stijltics. Ze verdienen geen navolging, vandaar dat ik ze niet in het Witboek niet-weten heb opgenomen.

Stijlfiguren niet-weten

32 - Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om

Hangen aan de hoogste boom

‘Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om’ – ken je die uitdrukking?

Het is een gevleugeld woord uit de zentraditie.

Evenals zowat iedere boeddhistische school werpt de zenschool zich op als de houder en hoeder van het enige ware boeddhisme, dat ‘voorbij de woorden’ zou zijn en daarom alleen overgedragen kan worden ‘van hart op hart’, van generatie op generatie, lees: van zenboeddhist op zenboeddhist.

Ziedaar de rationale voor de voorouderverering en de stamboomcultus die karakteristiek zijn voor zen en waar ook de zogenaamd nuchtere Hollanders zich aan overgeven.

Je kan het niemand kwalijk nemen.

Wie wil er nou een bonsai blijven als hij aan de hoogste boom kan hangen?

Transmissie en transcendentie meneertje, dan ben je het heertje!

En dan nog effe alle voelende wezens bevrijden – de mahakarunaval.*

* Maha karuna is Sanskriet voor Groot Mededogen. Mahayanaboeddhisten leggen de zogeheten bodhisattvagelofte af, die erop neerkomt dat ze alle mensen en dieren uit hun lijden zullen verlossen.

Doe mij maar carnaval.

Boeddholoog of bioloog?

‘Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om’ – verwijst dat zenwoord naar ons boeddhistisch erfgoed of naar onze biologische roots?

Naar de Boeddha of naar de Bacterie?

Wie is onze oudste stamoudste?

Wie voert hier het Hoogste Woord?

Het is maar net aan wie je het vraagt.

Een boeddholoog is nou eenmaal geen bioloog, uitzonderingen daargelaten.

En als je het mij vraagt?

Dan verwijst het naar geen van beide.

Niet naar de Boeddha, niet naar de Bacterie.

Als je het mij vraag verwijst de uitdrukking ‘een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om’ naar…

Niet-weten!

Tja.

Je had het kunnen weten.

33 - Het masker van je ware gezicht

Dwaasheid is wat mij het meest bekoort

Het enige dat bij mijn weten rechtstreeks van hart op hart wordt overgedragen buiten de geschriften om is niet-weten.

De ‘wijsheid voorbij alle wijsheid’, met een al te mooi woord.

De ‘wijsheid zonder wijsheid’, met een minder mooi woord.

‘Dwaze wijsheid’, heb ik ook weleens gehoord.

‘Dwaasheid’ is wat mij het meest bekoort.

Daar zijn heus geen hoeders voor nodig, broeders.

Daar zijn heus geen dusters* voor nodig, zusters.

* Een duster is een pij of peignoir voor broeders* van het andere geslacht.

* Een broeder is iemand die op eieren of kussens zit.

Daar is heus geen stamboom voor nodig, of stamhouders.

Daar is heus geen traditie voor nodig.

Daar is heus geen overdracht voor nodig.

Het is er overal en altijd.

Dichterbij dan je oude gewicht.

Dichterbij dan de neus op je gezicht.

Maar alleen voor wie er een neus voor heeft.

Wetologie voor labelaars

Niet-weten is een groot geschenk waar moderne mensen massaal hun neus voor ophalen.

Met moderne mensen bedoel ik mensen waarvan de neuzen allemaal dezelfde kant op wijzen.

Mensen die niet meer weten hoe ze hun neus achterna moeten lopen.

Dat vermogen is herontdekt door postmodernisten en ten top gevoerd door postpostmodernisten – al moet je die laatste met een kaarslichtje zoeken opdat je ze niet verblindt.

Met postpostmodernisten bedoel ik mensen die ook het grote verhaal van het postmodernisme achter zich hebben gelaten. Zij weten het helemáál niet meer.

Postpostpostmodernisten zijn mensen die ook het grote verhaal van het achterlaten van alle grote verhalen achter zich gelaten hebben.

Zij staan wéér een stapje dichter bij niet-weten, lijkt het.

Helaas; het blijft wetologie voor labelaars.*

* Dat geldt voor alle labels van het type (post)imodern voor 0 ≤ i ≤ ∞.

Allemaal voor niets

Omdat er bij en in niet-weten niets over te dragen valt, hoef je voor een inleiding niet-weten nergens heen.

Niet naar school, niet naar een meester, niet naar een priester, niet naar een heilige en niet naar een goeroe.

Je kunt hem hier en nu lezen, gratis en voor niets.

Je kunt voor hetzelfde geld in de spiegel kijken.

Maar dan moet je wel eerst je masker afzetten.

En je ware gezicht natuurlijk, anders zie je nog alleen maar je zelf.

Wat je dan te zien krijgt?

Dat wil je niet weten!

Mannetje dat in de spiegel kijkt en daar een ezelskop ziet.
Ken jEZELf.

34 - Niet-weten is ruimte

‘Wat is niet-weten?’

‘Ruimte.’

‘Waarvoor?’

‘Overal voor.’

‘Zonder onderscheid?’

‘Met, zonder, maakt niet uit.’

‘Dus ook voor weten?’

‘Zeker weten.’

35 - Niet-weten is de tussenruimte zien

‘Waarmee kun je weten vergelijken?’

‘Dingen zien.’

‘Waarmee kun je niet-weten vergelijken?’

‘Tussenruimte zien.’

‘Welke tussenruimte?’

‘De ruimte tussen de dingen.’

‘Maar die kun je toch niet zien?’

‘Daardoor kun je dingen zien.’

36 - De eerste hoofdwet van de psychodynamica

Blurb

Dit is mijn blurb voor deze intro, die trouwens al aardig opschiet:

Wat is spiritueel niet-weten? Lichte inleiding in een duistere zaak. Kennismaking met wat geen kennismaking verdraagt. Voor beginners, gevorderden en gesjeesden.

Een flap van een tekst voor een doelgroep van jewelste. Wie hoort daar nou niet bij?

Monologen afgewisseld met dialogen, dat is het plan.

Maar eerlijk gezegd is het een bijeengeraapt zootje (een ‘bijeengerooid zaapje’ zegt mijn lief lief) en dat kenmerkt mijn schrijverij en mijn bestaan of van wie het ook mag wezen.*

* Niet van mij, denk ik blij, al ben ik vaak herrezen.

Consequent wanordenen

Vergis je niet: bijeenrooien is tegennatuurlijk en zaapjes staan al jaren op de rode lijst van met uitsterven bedreigde tekstsoorten.

Hoewel de tweede hoofdwet van de thermodynamica anders doet vermoeden, is consequent wanordenen voor een mens het moeilijkste wat er is.

In een normaal verstand neemt de entropie* langzaam maar zeker af tot het absolute nulpunt is bereikt.

* Entropie is chaos, het tegenovergestelde van orde.

Zo’n heldere gedachte mag gerust de eerste hoofdwet van de psychodynamica heten, en zo heet hij dan ook.

Eerste hoofdwet van de psychodynamica

In een normaal verstand neemt de entropie langzaam maar zeker af, tot het absolute nulpunt is bereikt.

In niet-weten neemt de entropie juist voortdurend toe tot het toppunt is bereikt.

Dat is de tweede hoofdwet van de psychodynamica, maar dat gaan we het een andere keer over hebben.

En wat mag psychodynamica dan wel wezen?

Psychodynamica, ook wel entropologie genoemd, is psychologie op entropische grondslag – een recente pseudowetenschappelijke doorbraak in de zielkunde gebaseerd op het pionierswerk van de cryptoloog drs. J.N. van Dam.

37 - Het lege gelijk

In niet-weten heeft iedereen gelijk.

Maar in niet-weten heeft niemand gelijker dan wie ook.

Behalve wie dat vindt voor zolang hij het vindt – bijna iedereen dus.

Als iedereen gelijk heeft en als niemand gelijker heeft dan wie ook, wie heeft er dan gelijk?

Niemand natuurlijk.

Ik ook niet.

In niet-weten heeft niemand gelijk of ongelijk.

Niet-weten gaat voorbij gelijk en ongelijk.

Je kunt ook zeggen: gelijk en ongelijk gaan voorbij niet-weten.

Je kunt ook zeggen: niet-weten is het lege gelijk, Ø.

Je kunt ook zeggen: niet-weten is onvergelijkelijk.

Het is maar net hoe je het bekijkt.

Hoe je het ook bekijkt, je blijft kijken.

Juist wie het niet bekijkt, heeft het goed bekeken.

38 - Niet-weten is geen perspectivisme maar je perspectieven doorzien

‘Wat is weten?’

‘Een perspectief op de wereld aanzien voor de wereld zelf.’

‘Hoe kan ik de wereld zelf zien?’

‘Dat je de wereld zelf zou kunnen zien is opnieuw een perspectief.’

‘Bedoel je dat je de wereld zelf niet kan zien?’

‘Dat is opnieuw een perspectief.’

‘Bedoel je dat er niet zoiets is als de wereld zelf?’

‘Dat is opnieuw een perspectief.’

‘Er zijn alleen maar perspectieven, wou je zeggen.’

‘Dat is opnieuw een perspectief.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Geen perspectief.’

‘Daar kan ik me niets bij voorstellen.’

‘Doe dan maar elk perspectief.’

‘Is dat de waarheid of opnieuw een perspectief?’

‘Dat heb je goed gezien.’

40 - Voor alle duizeligheid

‘Heb jij soms iets tegen weten, Hans?’

‘Ik zou niet weten wat.’

41 - Lied van een eerlijke verliezer

De geest van niet-weten

Ik ben niet gek! Ik ben niet dom!

Ik ben alleen maar eerlijk:

Ik weet het niet! Ik weet het niet!

Geloof me, dat is heerlijk!

Bis

Kettinggebed

De geest van niet-weten of Het lied van een eerlijke verliezer is mijn persoonlijke getuigenis in de vorm van een vierregelig lied.

Vier regels met twee titels, dat dan weer wel.

Ik kan zo’n kwatrijn makkelijk 108 keer herhalen zonder me te vervelen.

Ik heb er niet eens een gebedsketting bij nodig, misschien omdat er dagen en maanden tussen zitten.

Het is zo kort dat zelfs ik het kan onthouden.

Nog net.

Jij?

Wacht, ik souffleer het wel even…

42 - Ode aan de deerlijke verliezer

Het spook van niet-weten.

Je bent niet gek! Je bent niet dom!

Ik zeg het je maar eerlijk:

Je weet het niet! Je weet het niet!

Geloof me, dat is heerlijk!*

Bis

* Op den duur.

43 - Leven op de tast

Achterhouden is hun geheim

Veel mensen vragen zich af wat dat toch is, dat niet-weten.

Ze denken aan iets wonderbaarlijks – een wormgat naar een hogere waarheid, werkelijkheid of wezenlijkheid, een tijdloos paradijs voorbij het lijden, alleen toegankelijk voor ingewijden.

Ja joh, kan best wezen, maar niet in mijn woordenboek.

Voor mij is wélweten een wormgat naar een hoger weetikveel enzovoort.

Niet zomaar iets weten, dat je geen poep moet eten, maar een esoterisch weten, gnosis geheten, voorbehouden aan ingewijden die op hun Geheim zitten als nestblijvers op fopeieren.

En wat is het geheim dat is voorbehouden aan ingewijden?

(Tromgeroffel, kanongebulder, BOEM! BOEM! BOEM!)

Achterhouden is hun geheim.

Het doet er niet toe wát, al was het niks – maar wee je segmenten* als je het verklapt!

* Een aardworm heeft er zo’n 150, zeggen ze, waarvan 30 bij zijn gat, maar dat kan ik niet bevestigen, ik raak steeds de tel kwijt.

Een uitgewijde aan deze zijde

Mocht je soms denken dat ik een geheim meedraag dat jij nog niet kent, dan heb ik goed nieuws, of slecht, het is maar net hoe je het bekijkt:

Ik ben nergens in ingewijd.

Integendeel, ik ben overal in uitgewijd, of van uitgewijd, of uit uitgewijd – het werkwoord uitwijden met een lange ij bestaat nog niet, dus ik mag zelf het voorzetsel bepalen en kies blind voor alle drie.

Dat is mijn geheim en wee mijn segmenten als ik het achterhoud.

Ik ben een uitgewijde of een uitgeleide of een ongeleide of een vrijgeleide of hoe zeg je dat – niet zó.

Misschien zo: ik bevind me nog altijd aan deze zijde, aangenomen dat er ergens aan gene zijde een gene zijde is.*

* Dat van ons uit gezien natuurlijk deze zijde is, maar vanuit gene zijde gene zijde, met alle verlangen van dien.

Of zeg maar gerust aan lager wal.

Niet alleen onder de hémel maar ook onder de áárde, zoals het een worm in zijn gat betaamt, in een of andere lagere orde van de categorie wanorde.

Hans van Dam: blindganger levend op de tast.

Meer dan óóit, ben ik bang.

Maar bang ben ik er niet meer voor.

Minder dan ooit.

Worm in de vorm van een vraagteken; een tweede worm die in de knoop zit vormt de punt van het vraagteken.
Blindganger, levend op de tast.

Omdat je nergens in zit!

In het niet-weten waarover ik spreek kun je niet ingewijd worden.

Hoef je niet ingewijd te worden.

Waarom niet?

Omdat je er al in zit.

Tot over je oren.

Tot over je kruin.

Je hoeft het van niemand te horen, behalve van jezelf.

Omdat je wáár in zit?

Omdat je nergens in zit.

Omdat je het van jezelf moet horen, schreeuw ik het in je oren:

Omdat je nergens in zit!

Logisch dat je er niet uit kunt.

Zonde van de moeite, man.

Kijk, dáárin ben ik uitgewijd.

Dit is nu mijn vredestijd.

Mijn geestelijke lenigheid is loos.

44 - Niet-weten is zien dat je denkt dat je de wereld ziet

‘Wat is weten?’

‘Door een raam naar buiten kijken en denken dat je de wereld ziet.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Zien dat je door een raam naar buiten kijkt en denkt dat je de wereld ziet.’

‘Ik geloof dat ik het zie.’

‘Dan is dat je raam.’

‘Zien dat je door een raam naar buiten kijkt en denkt dat je de wereld ziet is ook een raam?’

‘En zien dat door een raam naar buiten kijken en denken dat je de wereld ziet ook een raam is ook.’

45 - Belijdenis van een agnost

Wat is een belijdenis?

Veel religies doen aan een of andere vorm van belijdenis – openlijk getuigen van je geloof.

Meestal is die belijdenis geritualiseerd. Je moet dan in een standaard setting standaard antwoorden geven op standaard vragen in een standaard volgorde ten overstaan van standaard geloofsgenoten.

De tekst van zo’n gestandaardiseerde belijdenis is vaak afgeleid van een catechismus – een opsomming met eenvoudige uitleg van de dogma’s van het geloof in kwestie, ook weer in de vorm van vraag-en-antwoord.

Wat wil ik belijden?

In niet-weten kan er van standaardisatie natuurlijk geen sprake zijn.

Die catechismus kan je ook wel op je buik schrijven, wat zeg ik, in je navel, het ene gat met het andere.

Maar als ik me afvraag hoe ik zo eenvoudig mogelijk duidelijk kan maken wat ik bedoel met een radicaal, grenzeloos en grenzenloos niet-weten, dan denk ik onwillekeurig aan een belijdenis. Het zal mijn stichtelijke opvoeding wel zijn.

Niet mijn lijden wil ik belijden.

Niet mijn weten wil ik belijden.

Mijn niet-weten wil ik belijden

Anders niet.

Groot ongeloof

Wil ik mijn niet-weten belijden, dan moet ik opsommen waar ik als agnost allemaal wel en niet in geloof.

Daarin zit hem de kneep, want dat weet ik juist niet.

Dat moet ik nuanceren.

Het is niet dat ik niks geloof, het is meer dat ik mijn geloof in dit en dat met ongeloof aanzie.

Groot ongeloof.

Ik sta er met één been in (het speelbeen) en met het andere buiten (het standbeen).

En het is niet dat ik zonder ongeloof ben, maar dat ik mijn ongeloof met ongeloof aanzie.

Groot ongeloof.

Ik sta er met één been buiten (het standbeen) en met het andere in (het speelbeen).

Belijden door niet-belijden

Voor mij doet het er niet meer toe waarin ik geloof, want ik geloof het toch niet.

Het doet er niet meer toe waarin ik niet geloof, want dat geloof ik ook niet – en geloof dat ook maar niet.

Opsommen waarin ik wel en niet geloof heeft dus helemaal geen zin.

De belijdenis van een agnost is een lege belijdenis.

Zeg maar gerust dé lege belijdenis, Ø, want waarin zou de ene lege belijdenis van de andere moeten verschillen?

Hoe belijd je een lege belijdenis?

Door niet-belijden natuurlijk.

Niet-weten kun je alleen maar niet-belijden.

Bij dezen.

46 - Niet-weten is geen perspectivisme maar je perspectieven doorzien

‘Wat is weten?’

‘Een perspectief op de wereld aanzien voor de wereld zelf.’

‘Hoe kan ik de wereld zelf zien?’

‘Dat je de wereld zelf zou kunnen zien is opnieuw een perspectief.’

‘Bedoel je dat je de wereld zelf niet kan zien?’

‘Dat is opnieuw een perspectief.’

‘Bedoel je dat er niet zoiets is als de wereld zelf?’

‘Dat is opnieuw een perspectief.’

‘Er zijn alleen maar perspectieven, wou je zeggen.’

‘Dat is opnieuw een perspectief.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Geen perspectief.’

‘Daar kan ik me niets bij voorstellen.’

‘Doe dan maar elk perspectief.’

‘Is dat de waarheid of opnieuw een perspectief?’

‘Dat heb je goed gezien.’

47 - Negenennegentig bekentenissen van een weetniet

Wat is het precies dat de weetniet allemaal niet weet?

Alles wat ertoe doet.

Ik bedoel, alles waarvan mensen denken dat het ertoe doet.

Zozeer dat ze hun hand ervoor in het vuur steken.

Beter nog, andermans hand.

Andermans hand in het vuur steken heet Inquisitie – net als de belijdenis en de catechismus een uitgekookt vraag- en antwoordspel.

Schrijfwijsheid: de grens tussen belijden en lijden is maar twee letters dun.

Zelf vind ik vooral vreugde in het lege belijden, de loze lyriek.

Ik raak ervan in vuur en vlam zonder mijn handen te verbranden of die van anderen.

Niets hoeft te veranderen of hetzelfde te blijven, ik zou niet weten waarom.

Terwijl mijn vleugels zich spreiden, stijg ik op in mijn eigen thermiek…

1. Ik weet niet wie ik ben.

2. Ik weet niet wat ik ben.

3. Ik weet niet of ik ben.

4. Ik weet niet wie jij bent.

5. Ik weet niet wie mijn lief is.

6. Ik weet niet wat liefde is, niet meer.

7. Ik weet niet wat vriendschap is, niet meer.

8. Ik weet niet waar ik vandaan kom.

9. Ik weet niet waar ik ben.

10. Ik weet niet wat ik hier doe.

11. Ik weet niet waar ik heen moet.

12. Ik weet niet waar ik heen ga.

13. Ik weet niet waar mijn geest ophoudt en mijn lichaam begint.

14. Ik weet niet waar mijn lichaam ophoudt en de wereld begint.

15. Ik weet niet waar ik ophoud en jij begint.

16. Ik weet wat de mens is.

17. Ik weet niet of de mens in wezen goed is.

18. Ik weet niet of de mens in wezen slecht is.

19. Ik weet niet wat goed is.

20. Ik weet niet wat slecht is.

21. Ik weet niet wat leven is.

22. Ik weet niet wat sterven is.

23. Ik weet niet wat er na de dood is.

24. Ik weet niet of er een hemel is.

25. Ik weet niet of er een vagevuur is.

26. Ik weet niet of er een hel is.

27. Ik weet niet of er een bardo is.

28. Ik weet niet of er iets is na de dood.

29. Ik weet niet of ik doodga.

30. Ik weet niet wanneer ik doodga.

31. Ik weet niet hoe ik doodga.

32. Ik weet niet of ik hier al eerder ben geweest.

33. Ik weet niet of ik terugkom.

34. Ik weet niet of alles echt is.

35. Ik weet niet of alles een illusie is.

36. Ik weet niet of alles energie is.

37. Ik weet niet of alles liefde is.

38. Ik weet niet of alles bewustzijn is.

39. Ik weet niet of alles mogelijk is.

40. Ik weet niet of alles spel is.

41. Ik weet niet of alles toeval is.

42. Ik weet niet of alles uniek is.

43. Ik weet niet of alles één is.

44. Ik weet niet of alles geschapen is.

45. Ik weet niet of alles geëvolueerd is.

46. Ik weet niet of alles leeg is.

47. Ik weet niet of alles afhankelijk ontstaat.

48. Ik weet niet of alles veranderlijk is.

49. Ik weet niet of alles vergankelijk is.

50. Ik snap de dieren niet

51. Ik snap de bomen niet.

52. Ik snap de planten niet.

53. Ik snap de dingen niet.

54. Ik snap de zeeën niet.

55. Ik snap het leven niet.

56. Ik snap de aarde niet.

57. Ik snap de maan niet.

58. Ik snap de zon niet.

59. Ik snap het zonnestelsel niet.

60. Ik snap de melkweg niet.

61. Ik snap het heelal niet.

62. Ik snap de moleculen niet.

63. Ik kan mijn gedachten niet doorgronden.

64. Ik kan mijn ideeën niet doorgronden.

65. Ik kan mijn woorden niet doorgronden.

66. Ik kan mijn fantasieën niet doorgronden.

67. Ik kan mijn gedrag niet doorgronden.

68. Ik kan mijn motieven niet doorgronden.

69. Ik kan mijn gevoelens niet doorgronden.

70. Ik kan mijn angsten niet doorgronden.

71. Ik kan mijn verlangens niet doorgronden.

72. Ik kan mijn karakter niet doorgronden.

73. Ik kan mijn dromen niet doorgronden.

74. Ik kan mijn geest niet vinden.

75. Ik kan mijn verstand niet vinden.

76. Ik kan mijn ziel niet vinden.

77. Ik kan mijn hart niet vinden.

78. Ik kan mijn wezen niet vinden.

79. Ik kan mijn essentie niet vinden.

80. Ik kan mijn karakter niet vinden.

81. Ik kan mijn wil niet vinden.

82. Ik kan mijn intuïtie niet vinden.

83. Ik kan mijn instinct niet vinden.

84. Ik kan mijn geweten niet vinden.

85. Ik kan mijn bewustzijn niet vinden.

86. Ik kan mijn onderbewustzijn niet vinden.

87. Ik kan mijn zijn niet vinden.

88. Ik kan mijn persoon niet vinden.

89. Ik kan mijn ego niet vinden.

90. Ik kan mijn zelf niet vinden.

91. Ik kan het Zelf niet vinden.

92. Ik kan het niet-zelf niet vinden.

93. Ik kan mijn wil niet vinden.

94. Ik kan het Absolute niet vinden.

95. Ik kan het relatieve niet vinden.

96. Ik kan God niet vinden.

97. Ik kan de duivel niet vinden.

98. Ik kan de Boeddha niet vinden.

99. Ik kan de Tao niet vinden.

Je ziet, ik kan van alles niet.

Wat ik wel kan is deze bekentenis van wat mij niet bekend is eindeloos uitbreiden, maar je snapt het idee:

In wezen heb ik geen idee.

Maak je daar weer een idee van, dan vervliegen je vleugels en word je zonder mededogen teruggezogen in je eigen zog.

Een nieuwe vorm van zelfbedrog, weer ouderwets blazé.

48 - Niet-weten is steeds door een ander raam kijken

‘Wat is weten?’

‘Steeds door hetzelfde raam kijken.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Steeds door een ander raam kijken.’

‘Kies je daarvoor of overkomt het je?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Wat is de weg naar niet-weten?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Bedoel je dat er vele wegen naar niet-weten zijn?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Is er eigenlijk wel een weg naar niet-weten?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Is er eigenlijk wel zoiets als niet-weten?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Volgens mij kijk jij steeds door hetzelfde raam, Hans.’

‘Volgens mij zie jij mij steeds door hetzelfde raam kijken.’

‘En niet-weten is steeds door een ander raam kijken?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

49 - Wat is niet-weten niet?

Niet-weten is een vrij woord.

Iedereen mag het gebruiken zoals hij wil of moet het gebruiken zoals hij moet wanneer de wil onvrij is.

Dat geldt voor niet-weten zoals het geldt voor alle woorden: zen, mindfulness, verlichting, religie, god, vrijheid, liefje, snoepje, poepje en noem maar opje.

Wat niet-weten voor jou betekent weet ik niet, maar wat het voor mij niet betekent weet ik wel.

Om te voorkomen dat we langs elkaar heen praten heb ik een lijstje van negatieve definities opgesteld. Het is gebaseerd op betekenissen die ik in de loop van de jaren ben tegengekomen in de literatuur, in brieven en in gesprekken over niet-weten.

1. Niet-weten is geen altruïsme.

2. Niet-weten is geen egoïsme.

3. Niet-weten is geen escapisme.

4. Niet-weten is geen onverantwoordelijkheid.

5. Niet-weten is geen zedeloosheid.

6. Niet-weten is geen bezit.

7. Niet-weten is geen bruid.

8. Niet-weten is geen doel.

9. Niet-weten is geen punt.

10. Niet-weten is geen dwaasheid.

11. Niet-weten is geen wijsheid.

12. Niet-weten is geen feit.

13. Niet-weten is geen theorie.

14. Niet-weten is geen leer.

15. Niet-weten is geen geest.

16. Niet-weten is geen openheid.

17. Niet-weten is geen levenshouding.

18. Niet-weten is geen liefde.

19. Niet-weten is geen vriendelijkheid.

20. Niet-weten is geen mededogen

21. Niet-weten is geen onverstoorbaarheid.

22. Niet-weten is geen gemoedstoestand.

23. Niet-weten is geen bewustzijnstoestand.

24. Niet-weten is geen oplettendheid.

25. Niet-weten is geen stilte.

26. Niet-weten is geen gedachteloosheid.

27. Niet-weten is geen therapie.

28. Niet-weten is geen mindfulness.

29. Niet-weten is geen verdienste.

30. Niet-weten is geen god.

31. Niet-weten is geen grond.

32. Niet-weten is geen ideaal.

33. Niet-weten is geen idee.

34. Niet-weten is geen ideologie.

35. Niet-weten is geen traditie.

36. Niet-weten is geen keuze.

37. Niet-weten is geen kompas.

38. Niet-weten is geen rol.

39. Niet-weten is geen kunst.

40. Niet-weten is geen kunstje.

41. Niet-weten is geen praktijk.

42. Niet-weten is geen methode.

43. Niet-weten is geen managementstijl.

44. Niet-weten is geen middel.

45. Niet-weten is geen wachtkamer.

46. Niet-weten is geen donkere nacht van de ziel.

47. Niet-weten is geen transcendentie.

48. Niet-weten is geen minderwaardigheidscomplex.

49. Niet-weten is geen mystagogiek.

50. Niet-weten is geen mysterie.

51. Niet-weten is geen mystieke eenwording.

52. Niet-weten is geen plek.

53. Niet-weten is geen realiteit.

54. Niet-weten is geen reden.

55. Niet-weten is geen spontaniteit.

56. Niet-weten is geen staat.

57. Niet-weten is geen boek.

58. Niet-weten is geen handelswaar.

59. Niet-weten is geen twijfel.

60. Niet-weten is geen verlosser.

61. Niet-weten is geen verwondering.

62. Niet-weten is geen vinden.

63. Niet-weten is geen weg.

64. Niet-weten is geen wondermiddel.

65. Niet-weten is geen zekerheid.

66. Niet-weten is geen aandoening.

Misschien is niet-weten voor jou juist wel een van deze 66 dingen.

Geeft niks – op het punt van definities heeft niemand gelijk of ongelijk.

Zelfs niet in Pedantenland.

Alleen hebben we het dan niet over hetzelfde.

50 - Niet-weten is de puzzel doorzien

‘Wat is weten?’

‘Eindeloos puzzelen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Stukjes zien.’

53 - Niet-weten is het hele plaatje doorzien

‘Wat is weten?’

‘Stukjes zien.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Het hele plaatje zien.’

puzzel van vraagteken
Niet-weten is het hele plaatje zien

51 - De weg is het doel – wat betekent dat nou helemaal

X: De weg is het doel.

H: Wat?

X: De weg heeft geen doel. Het doel is het gaan van de weg.

H: Waarom zou het gaan van de weg een doel zijn?

X: Omdat de weg nergens heen gaat.

H: Hoe weet je dat de weg nergens heen gaat?

X: Wablief?

H: Heb je dat persoonlijk vastgesteld?

X: Omdat… het komt mij voor… ze zeggen… het is toch logisch… wat zou er…

H: Welke weg eigenlijk?

X: Iedere weg, volgens mij.

H: Heb jij iedere denkbare weg helemaal tot het einde toe afgelopen?

X: Natuurlijk niet.

H: Waarom niet?

X: Dat kan nooit.

H: Heb je je eigen weg helemaal tot het einde toe afgelopen?

X: Natuurlijk niet.

H: Waarom niet?

X: Omdat ik niet weet waar het einde is.

H: Waar heb je het dan over?

X: Maar stel nou dat er inderdaad geen eindbestemming is…

H: Maar dat weet je toch niet?

X: …Wat kan het doel dan anders zijn dan de weg zelf?

H: Wat betekent dat nou helemaal.

X: Dat een weg zonder eindbestemming zichzelf rechtvaardigt?

H: In welk opzicht?

X: Eh…

H: Wat is volgens jou het verschil tussen een weg die zichzelf rechtvaardigt en een weg zonder doel?

X: Dat weet ik eerlijk gezegd niet.

H: Nou, ik ook niet.

X: Ik weet niet waar mijn weg heen gaat.

H: Ik ook niet.

X: Ik weet niet eens of hij wel ergens heen gaat.

H: Ik ook niet.

X: Ik weet niet eens of ik wel een weg ga.

H: Ik weet niet eens of er wel een weg is.

X: Ik weet het allemaal niet meer.

H: En dat is wat je bedoelt met ‘de weg is het doel’?

X: Ik ben bang van wel.

H: Zeg dat dan meteen.

52 - De Grote Weg is niet moeilijk

De Grote Weg is niet moeilijk…

Weg in de vorm van twee vraagtekens.

… voor wie hem kwijt is.*

* Variatie op ‘De Grote Weg is niet moeilijk voor wie geen voorkeuren heeft’ van Sengtsan, de tweede chanpatriarch.

54 - De vermoorde onschuld

Volgens het boek Genesis van het Oude Testament waren de eerste mensen, Adam en Eva, ook de eersten die zich schaamden voor hun geslacht en het verstopten achter een vijgenblad.

Ze verloren hun onschuld nadat ze stiekem een appeltje van de verboden boom der kennis hadden gegeten.

Zoals Adam en Eva hun lichamelijke naaktheid voor elkaar verborgen, zo verbergen wij onze geestelijke naaktheid voor elkaar.

Zoals zij zich van vijgenbladen bedienden, zo bedienen wij ons van boekbladen.

Zoals zij toevlucht namen tot de Heer, zo nemen wij toevlucht tot de Leer.

Alles om te verbergen dat wij niet van de boom der kennis hebben gegeten.

Het kan verkeren…

55 - Niet-weten is een boom zonder kennis

‘Wat is weten?’

‘Een boom in een potje.’

vrolijke boom in een glazen pot

‘Wat is niet-weten?’

‘Een boom in de vrije natuur.’

vrijstaande verschrikt kijkende boom

‘Nou, dan zou ik het wel weten.’

‘Nou, ik niet.’

56 - Niet-weten is de ongrond waarin de boom der kennis wortelt

‘Wat is weten?’

‘De boom der kennis.’

‘Wat is niet-weten?’

‘De ongrond waarin de boom der kennis wortelt.’

57 - Niet-weten is het weten terugsnoeien

Onkruid vergaat niet.

H: Wat is niet-weten?

X: Het weten met wortel en al uitrukken.

H: Toe maar.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Het weten terugsnoeien tot de grond.

X: En dan?

H: Kijken hoe het weer opkomt.

X: Waarom zou je het weten niet met wortel en al uitrukken?

H: Omdat het geen wortels heeft?

X: Is dat een antwoord of een vraag?

H: Wat jij wil.

X: Doe dan maar een antwoord.

H: Dan snoei ik het vast terug.

X: En dan?

H: Kijken hoe het weer opkomt.

58 - Niet-weten is de rode draad van ons bestaan

Niet-weten wordt zelden openlijk beleden.

Veel vaker is het verstopt.

Verhuld in welsprekendheid.

Alleen herkenbaar voor de goede verstaander.

Je moet het dan tussen de regels door lezen.

Een aforisme hier, een eufemisme daar – luister maar.

Catch 33

1. Gods wegen zijn wonderbaarlijk.

2. De mens wikt, God beschikt.

3. De tijd zal het leren.

4. De wind waait waarheen hij wil.

5. Lucht en leegte, alles is lucht en leegte.

6. Ik ben die ik ben.

7. Het gaat zoals het gaat.

8. We doen wat we doen.

9. Wij zijn het leven zelf.

10. Het leven is een droom.

11. Het leven is er niet om begrepen te worden maar om geleefd te worden.

12. De zin van het leven is de zin in het leven.

13. De zin van het leven is de zin die we eraan geven.

14. Het ware zelf is slechts gewaar.

15. Wij zijn de kenner, niet de doener.

16. We moeten ons volledig overgeven.

17. Vrije wil bestaat niet.

18. Kome wat komen moet.

19. De weg is het doel.

20. Van het concert des levens krijgt niemand het program.

21. Er is alleen maar dit.

22. Een object is nooit restloos te bepalen.

23. De waarheid is onuitsprekelijk.

24. Eén gek kan meer vragen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden.

25. De hoogste wijsheid is voorbij alle wijsheid.

26. Alles ontstaat afhankelijk.

27. Alles is een illusie.

28. Alles is subjectief.

29. Alles is relatief.

30. Alles is energie.

31. Alles is toeval.

32. Alles is uniek.

33. Alles is zijn.

Zo zijn er duizenden eufemismen om je onbegrip te verhullen.

Alsof het eigenlijk een schande is om niet te weten.

Maar dat is het helemaal niet, integendeel.

Niet-weten is de rode draad van ons bestaan.

Stijlfiguren niet-weten: tautologie

Een tautologie is een waarheid als een koe.

In de logica is een tautologie is een logisch noodzakelijke waarheid in de vorm van een identiteit.

In de retorica is het een stijlfiguur die logisch of semantisch noodzakelijk is:

Ik ben die ik ben.

Ik denk wat ik denk.

Ik doe wat ik doe.

Ik voel wat ik voel.

Het is wat het is.

Het gaat zoals het gaat.

De termen kunnen ook synoniemen zijn:

God is de allerhoogste.

Het Ene is uniek.

Tautologieën fungeren vaak als als quasi-filosofisch eufemisme of als quasi-spirituele dooddoener. Daarom probeer ik ze zoveel mogelijk te vermijden.

59 - De mantel der wijsheid is een weefsel van niet-weten

Niet-weten wordt zelden openlijk beleden.

Veel vaker is het verstopt.

Een goed bewaard geheim toegedekt met de mantel der wijsheid.

Zoveel mensen, zoveel mantels – de ene nog dikker dan de andere!

Catch 55

1. Absurdisme!

2. Advaita!

3. Agnosticisme!

4. Atheïsme!

5. Boeddhisme!

6. Chassidisme!

7. Christendom!

8. Conceptualisme!

9. Consensualisme!

10. Constructivisme!

11. Contextualisme!

12. Cynisme!

13. Dadaïsme!

14. Daoïsme!

15. Deconstructivisme!

16. Dzogchen!

17. Eclecticisme!

18. Empirisme!

19. Existentialisme!

20. Externalisme!

21. Fallibilisme!

22. Falsificationisme!

23. Fatalisme!

24. Fideïsme!

25. Fluxus!

26. Holisme!

27. Idealisme!

28. Indeterminisme!

29. Irrationalisme!

30. Kabbalisme!

31. Laxisme!

32. Minimalisme!

33. Monisme!

34. Mystiek!

35. Nihilisme!

36. Nominalisme!

37. Non-dualisme!

38. Obscurantisme!

39. Perspectivisme!

40. Pluralisme!

41. Postmodernisme!

42. Poststructuralisme!

43. Pragmatisme!

44. Pyrronisme!

45. Quiëtisme!

46. Relativisme!

47. Scepticisme!

48. Soefisme!

49. Solipsisme!

50. Stoïcisme!

51. Structuralisme!

52. Subjectivisme!

53. Surrealisme!

54. Vedanta!

55. Zen!

De mantel der wijsheid is geweven van niet-weten.

Niet-weten is de rode draad van ons bestaan.

De grootste gemene deler van ons gedachtegoed.

Ouder dan de weg naar Rome.

Actueler dan het laatste nieuws.

Paus met clownsneus en bolletje rode wol.
De mantel der wijsheid is geweven van niet-weten. Niet-weten is de rode draad van ons bestaan.

Lees ook de Intergalactische Waarheidsconferentie.

60 - Niet-weten stelt niets voor

We noemen het niet-weten!

We zingen het in koor!

Totdat we het vergeten!

Dan hebben we het door!

Bis

61 - Niet-weten is alles loslaten, ook het loslaten

Al die eufemismen voor niet-weten, je ziet door het bos de bomen niet meer.

Al die mantels der wijsheid, je ziet door de kleren de keizer niet meer.

Om het beter voor het voetlicht te kunnen brengen, heb ik het niet-weten uit de tradities gelicht.

Vrijgeprepareerd van filosofie, religie, mythologie, kosmologie, moraal, ideaal en couleur locale.

Ontdaan van lofspraak, grootspraak, kromspraak en kwaakspraak.

Vergeet Meister Eckhart, vergeet Jan van het Kruis, vergeet Phyrro van Elis.

Vergeet zen, vergeet advaita, vergeet mystiek.

Waar het zo’n beetje op neerkomt?

Alles betwijfelen.

Ook de twijfel.

Alles loslaten.

Ook het loslaten.

Alles tussen aanhalingstekens zetten.

Ook de aanhalingstekens.

Niet oordelen.

Ook niet over het oordelen.

Niets geloven.

Ook dit niet.

Daar komt niet-weten zo’n beetje op neer.

62 - Agnose is een mooi woord voor niet-weten

Een idioot is niks zonder idioticon.

Voordat we verder gaan wil ik daarom een nieuw woord introduceren.

Zes woorden om precies te zijn: agnose, Agnosereeks, agnost, agnostisch, agnostiek en agnosticon.

Niet-weten is een prima woord hoor, daar niet van.

Eenvoudig en zelfverklarend, beter kun je het haast niet zeggen.

Mooier wel.

Daarom heb ik het woord ‘agnose’ bedacht.

Nou, bedacht… het lag al voor me klaar.

Al eeuwen, om precies te zijn.

Agnose

Agnose is samengesteld uit het Griekse a-, niet (als in apathisch en apolitiek) en gnosis, kennis, weten (als in diagnose en prognose).

Agnose betekent letterlijk niet-kennis of niet-weten.

De ontkenning, niet-, zit alleen een beetje verstopt, waardoor het minder negatief klinkt en minder uitgesproken is dan in niet-weten.

Agnose is daarom heel geschikt als eufemisme voor niet-weten.*

* En niet-weten is heel geschikt als dysfemisme voor agnose.

Voorbeeldzin:

In agnose is er geen wezenlijk onderscheid tussen vorm en leegte, aards en heilig, onderscheid een eenheid, weten en niet-weten.

Agnosereeks

Het woord agnose vormt de stam van de samenstelling Agnosereeks.

De Agnosereeks is de naam die ik heb gegeven aan een reeks boeken over niet-weten. Je vind ze op NietWeten.nl en in het Boeddhistisch Dagblad.

Agnosie

Voor zover ik weet wordt het woord agnose in het Nederlands behalve door mij nog helemaal niet gebruikt.

Wel gebruikt wordt het woord agnosie, met de klemtoon op de laatste lettergreep.

Agnosie is een herkenningsstoornis waarbij de waarneming zelf nog intact is.

Een beroemd geval van agnosie is de man die zijn vrouw voor een hoed aanzag, het titelverhaal van het gelijknamige boek van Oliver Sacks.

Agnose is geen agnosie.

Agnosticisme

Ook in gebruik is het woord agnosticisme, de opvatting dat het wel of niet bestaan van God onbewijsbaar is.

Het agnosticisme kun je aanhangen, agnose niet.

Iemand die het agnosticisme aanhangt, heet een agnosticus of een agnost.

Agnost

Bij mij is een agnost geen agnosticus maar een weetniet – iemand die niet weet.

Wat niet weet?

Niks niet weet.

Niet of God bestaat, niet of Zijn wel of niet bestaan wel of niet bewijsbaar is, niets anders over God en niets anders over wat dan ook.

Voorbeeldzin:

Nu eens noem ik mezelf een agnost, dan weer een dummy of een dwijze.

Agnostisch

Het bijvoeglijk naamwoord agnostisch betekent niet-wetend, dwijs.

Voorbeeldzin:

Echt agnostische literatuur is er weinig, het managementsegment daargelaten.

Agnosticon

Het symbool van niet-weten en van de Agnosereeks, Ø, heet officieel het agnosticon.

Het agnosticon als onmogelijk figuur.

Als je ‘agnosticon’ te moeilijk vindt, kan je het ook gewoon het lege symbool of de ‘eh’ noemen.

Alle agnosewoorden op een rijtje

1. agnose: het niet-weten.

2. Agnosereeks: boekenserie over niet-weten.

3. agnost: iemand die niet weet.

4. agnostisch: niet-wetend.

5. agnostiek: weetnietkunde.

6. agnosticon: Ø.

Om de figuurlijke stilte van niet-weten te benadrukken, kun je de woorden met st erin ook met Sst schrijven: agnoSst, agnoSstisch, agnoSstiek, agnoSsticon.*

Mijn spellingcorrector vindt het maar niks, maar die leg ik gewoon het zwijgen op.

63 - Niet-weten is je gedachten niet geloven

In de Agnosereeks vind je honderden definities van niet-weten.

Laten we eens inzoomen op één ervan:

Niet-weten is je gedachten* niet geloven – deze ook niet.

* Onder gedachten versta ik in deze inleiding niet-weten alle mogelijk bewustzijnsverschijnselen, zowel talig als ontalig, met inbegrip van waarnemingen, gevoelens, gemoedstoestanden, verlangens, oordelen, herinneringen, plannen, verwachtingen, ideeën, wanen, dromen, sluimerbeelden en visioenen.

Het tegenovergestelde van niet-weten is weten.

Weten is je gedachten geloven – deze bijvoorbeeld.

Wat als je je gedachten niet gelooft – deze ook niet?

Dan heb je geen antwoorden meer op de grote levensvragen.

Ook niet – laat ik er maar geen doekjes om winden – op de kleine.

Zelfs niet – dan hebben we het ergste meteen maar gehad – op de allerkleinste.

Wie zijn gedachten niet gelooft, heeft geen antwoorden meer.

Ook zijn dualistische gedachten storten in, en daarmee zijn dilemma’s.

1. Hij heeft geen doel meer.

En geen weg.

2. Hij heeft geen ik meer.

En geen zelf.

3. Hij heeft geen vorm meer.

En geen leegte.

4. Hij heeft geen lichaam meer.

En geen geest.

5. Hij heeft geen illusies meer.

En geen werkelijkheid.

6. Hij heeft geen hel meer.

En geen hemel.

7. Hij heeft geen zekerheden meer.

En geen twijfels.

8. Hij heeft geen antwoorden meer.

En geen vragen.

9. Hij heeft geen gelijk meer.

En geen ongelijk.

10. Hij heeft geen woorden meer.

En geen stilte.

11. Hij heeft geen weten meer.

En geen niet-weten.

Geloof je dat?

Wie zijn gedachten niet gelooft, deze ook niet, heeft niets meer.

Hij heeft zelfs niet niets meer.

Dat is alles.

64 - Niet-weten is zelfbezwerend

X: Met welke toverspreuk bezweer jij het weten?

H: Ik hoef het niet te bezweren.

X: Waarom niet?

H: Omdat het zelfbezwerend is.

X: Hoe lang duurt dat ongeveer?

H: Zo lang als een gedachte ongeveer.

X: Geef eens een voorbeeld.

H: ‘Omdat het zelfbezwerend is’ bijvoorbeeld.

65 - Niet meer doen alsof je niet meer doet alsóf

Hoewel niet-weten te simpel is voor woorden, nee… doordát niet-weten te simpel is voor woorden, kan ik niet beloven dat je het zult begrijpen.

Begrijpen is hier sowieso een raar woord.

Wat valt er te begrijpen aan een leeg begrip?

Wat valt er te leren aan een lege leer?

Wat valt er te lezen in een leeg boek?

Wat valt er te weten aan niet-weten?

Niet-weten is geen kwestie van weten.

Niet-weten is een kwestie van niet meer doen alsóf.

1. Niet meer doen alsof je het allemaal wel doorhebt.

2. Niet meer doen alsof je alles al gezien hebt.

3. Niet meer doen alsof je overal geweest bent.

4. Niet meer doen alsof je nergens bang voor bent.

5. Niet meer doen alsof je alles kan.

En niet op de laatste plaats:

6. Niet meer doen alsof je niet meer doet alsof.

Alsof je daarvoor kunt kiezen.

Alsof je de baas bent over het doen alsof.

Alsof je de baas bent over de onnavolgbare omstandigheden die ervoor zorgen dat je steeds weer doet alsof.

Alsof het onder alle omstandigheden de voorkeur verdient om niet meer te doen alsof.

En dat zou ik weten?

Die is gek!

66 - Ontspan je in de lege leer

Kom, laat voorgoed je masker neer!

Verlies je in de lege leer!

Geen welles en geen nietes meer!

Verlaat je op de lege leer!

Je bent geen haan van een geweer!

Verschuil je in de lege leer!

En doet je denken toch eens zeer?

Ontspan je in de lege leer!

Dan neemt dit lied ineens een keer.

Het doet misschien een beetje zeer –

Word lichter dan een donzen veer!

Ontdoe je van de lege leer!

(Afijn, dat zien we dan wel weer.)

67 - Niet-weten is geen welles en geen nietes

‘Wat is weten?’

‘Altijd gelijk hebben.’

‘Dat is mooi.’

‘En altijd ongelijk hebben.’

‘Hè?’

‘Zeg dat wel.’

‘Op hetzelfde moment?’

‘In verschillende opzichten.’

‘Of op verschillende momenten?’

‘In hetzelfde opzicht.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Nooit gelijk of ongelijk hebben.’

‘Hè?’

‘Zeg dat wel.’

‘Op welk moment?’

‘Wanneer dan ook.’

‘In welk opzicht?’

‘In welk opzicht dan ook.’

‘Dat is niet zo mooi.’

‘Dat is weer weten.’

68 - Is niet-weten de sleutel?

Als niet-weten al een sleutel is, dan een zonder slot.

De gedachte dat je er een poort mee opent naar…

Catch 22

God!
Realisatie!
Het absolute!
Non-dualiteit!
Het onzegbare!
Onsterfelijkheid!
Groot Mededogen!
De Werkelijkheid!
Transcendentie!
Alwetendheid!
De Waarheid!
Eenwording!
Openheid!
Perfectie!
Het Zelf!
Nirwana!
Spontaniteit!
Authenticiteit!
Gelukzaligheid!
Innerlijke vrede!
Onverstoorbaarheid!
Onbegrensde Vrijheid!
Een einde aan het lijden!
Onvoorwaardelijke Liefde!
Wijsheid voorbij alle wijsheid!

… is precies dát: een gedachte.

In niet-weten geloof je je gedachten niet.

Ook niet de gedachte dat je je gedachten niet gelooft.

Ook niet de gedachte dat niet-weten een sleutel zonder slot is.

Of de gedachte dat je van je verwachtingen af moet.

Dat je er vanaf kúnt.

Dat dat ergens goed voor zou zijn.

Of dat het nergens goed voor zou zijn.

Ook dat geloof je niet.

En geloof dat ook maar niet.

Niet-weten is een sleutel…

Twee sleutels met een gemeenschappelijke baard (die dus op geen enkel slot past).

… zonder slot.

69 - De elf facetten van niet-weten

De schat van niet-weten is helemaal leeg.

Zo leeg, dat is gewoonweg niet te vatten.

Zelfs niet door niet-vatten.

Bij niet-weten valt niets te halen.

Er valt hooguit iets achter te laten.

Alles wat je meent te weten bijvoorbeeld.

Maar ook alles wat je niet meent te weten.

Ik bedoel, wat je meent niet te weten.

Alles wat je meent dus.

Wat er dan nog overblijft?

Nou eh…

1. Niet weten te onderscheiden.

2. Niet weten te onderbouwen.

3. Niet weten te bevestigen.

4. Niet weten te ontkennen.

5. Niet weten te oordelen.

6. Niet weten te zwijgen.

7. Niet weten te zeggen.

8. Niet weten te kiezen.

9. Niet weten te doen.

10. Niet weten te laten.

En bovenal…

11. Niet weten van niet-weten.

Elf facetten van geen-diamant –

De schat van niet-weten is werkelijk leeg!

Zo leeg, dat is gewoonweg niet te vatten.

Zelfs niet door niet-vatten.

70 - Lezen is geen weten

Stel dat je vastzit in een bibliotheek.

Dat je alleen maar kunt lezen.

Dat alles wat je weet uit boeken komt.

Ook alles wat je weet van de relatie tussen boek en werkelijkheid.

1. Soms lees je dat boeken de werkelijkheid weerspiegelen.

2. Soms lees je dat de werkelijkheid heel anders is.

3. Soms lees je dat de werkelijkheid onkenbaar is.

4. Soms lees je dat boeken de enige werkelijkheid zijn.

Je leest van alles en nog wat.

Maar als je nou alleen maar kunt lezen, hoe moet je dan weten wat echt is?

Lezen is tenslotte geen weten.

Of wou jij beweren dat alles wat je ooit gelezen hebt waar was?

71 - Dromen is geen weten

Stel dat je aan bed gekluisterd bent.

Dat je alleen maar kunt dromen.

Dat alles wat je weet uit dromen komt.

Ook alles wat je weet van de relatie tussen droom en werkelijkheid.

1. Soms droom je dat dromen de werkelijkheid weerspiegelen.

2. Soms droom je dat de werkelijkheid heel anders is.

3. Soms droom je dat de werkelijkheid onkenbaar is.

4. Soms droom je dat dromen de enige werkelijkheid zijn.

Je droomt van alles en nog wat.

Maar als je nou alleen maar kunt dromen, hoe moet je dan weten wat echt is?

Dromen is tenslotte geen weten.

Of wou jij beweren dat alles wat je ooit gedroomd hebt waar was?

72 - Denken is geen weten

Stel dat je opgesloten bent in je geest.

Dat je alleen maar kunt denken.

Dat alles wat je weet uit je hoofd komt.

Ook alles wat je weet van de relatie tussen gedachte en werkelijkheid.

1. Soms denk je dat gedachten de werkelijkheid weerspiegelen.

2. Soms denk je dat de werkelijkheid heel anders is.

3. Soms denk je dat de werkelijkheid onkenbaar is.

4. Soms denk je dat gedachten de enige werkelijkheid zijn.

Je denkt van alles en nog wat.

Maar als je nou alleen maar kunt denken, hoe moet je dan weten wat echt is?

Denken is tenslotte geen weten.

Of wou jij beweren dat alles wat je ooit gedacht hebt waar was?

73 - De metamind is tweedimensionaal

Het droste-effect

Denken is net zoiets als dromen of lezen.

Denken over denken is net zoiets als dromen over dromen of lezen over lezen.

Denken over denken over denken is net zoiets als dromen over dromen over dromen of lezen over lezen over lezen.

Het is net zoiets als een foto van een foto van een foto.

Onder illustrators heet dit het droste-effect, onder filosofen regressie, onder wiskundigen recursie.

Het lijkt eindeloos diep maar het is eindeloos oppervlakkig.

De metamind is tweedimensionaal.

mind: datgene wat verondersteld wordt het denken te doen.

metamind: 1. mind voor zover zij nadenkt over zichzelf; 2. hogere mind die nadenkt over het denken van de lagere.

Dat er werkelijk zoiets is als een mind of metamind (of geest of ziel of verstand of rede of faculteit of ego of zelf of persoon of ik of niet-ik of homunculus) durf ik niet te bevestigen of te ontkennen, al denk ‘ik’ er het ‘mijne’ van.

‘Jij’?

Luchtwortels

Denken lijkt eindeloos diep maar het steunt nergens op, deze gedachte ook niet.

Misschien zul je tegenwerpen dat het denken is geworteld in de waarneming.

Dan zeg ik: Wie weet waar het denken ophoudt en de waarneming begint?

Dan zeg jij: En de waarneming is geworteld in de zintuigen.

Ik: Wie weet waar de waarneming ophoudt en de zintuigen beginnen?

Jij: En de zintuigen zijn geworteld in het lichaam.

Ik: Wie weet waar de zintuigen ophouden en het lichaam begint?

Jij: En het lichaam is geworteld in de werkelijkheid.

Ik: Wie weet waar het lichaam ophoudt en de werkelijkheid begint?

Jij: Dus het denken is geworteld in de werkelijkheid.

Ik:

Of is de werkelijkheid geworteld in het denken?

Of is er geen verschil tussen werkelijkheid en denken?

Of is er geen overeenkomst tussen werkelijkheid en denken?

En is er werkelijk zoiets als ‘hét denken’ en ‘dé werkelijkheid’ of zijn dat ook maar gedachten?

En als werkelijkheid en gedachten onwerkelijk zijn als gedachten, wat zegt dat dan over hun overeenkomsten en verschillen?

Vervolgens begin jij een oeverloos wijsgerig betoog waar pas vier jaar later een eind aan komt met je promotie summa cum laude.

Je stuurt me een presentexemplaar van je proefschrift en belt me een maand later op.

Je zegt: Begrijp je nou wat ik bedoel?

Ik zeg: Begrijp je nou wat ik bedoel?

Het Lege Boek – sneak preview

Wat ben ik toch een sukkel. Ik had haar als antwoord op haar proefschrift natuurlijk een presentexemplaar van Het Lege Boek moeten opsturen, bedenk ik nu het te laat is.

Wat ben ik toch een nitwit. Ik bedenk nu het te vroeg is dat ik de gimmick van het Lege Boek nog niet geïntroduceerd heb.

Nou ja, je hoeft niet briljant te zijn om te begrijpen wat ik ermee bedoel. Je hoeft er zelfs niet dom voor te zijn. Mocht je toch briljant en/of dom zijn:

Het Lege Boek is het boek dat de lege leer bevat.

De lege leer is een ander woord voor niet-weten.

Niet-weten is een wassen neus die ik vergeefs in een bepaalde vorm proberen te kneden.

Een vorm die voorkómt dat iemand hem achterna loopt.

Waar hij ook naar lijkt te wijzen, het is en blijft een fopneus.

74 - Gedachten zijn gedachtewerelden

De meeste mensen nemen zonder meer aan dat hun gedachten waar zijn.

Ze geloven erin.

Blindelings!

Ze laten zich er volledig door leiden.

Blinden in ganzenpas.
De parabel van de blinden.

Maar zijn gedachten wel waar?

Als je probeert te bewijzen dat een gedachte waar is, doen zich… nieuwe gedachten voor.

Die op hun beurt bewezen moeten worden.

Enzovoort, zonder eind.

Het zingt maar rond!

Gedachten bewijzen met andere gedachten is net zoiets als een marionet die aan zijn eigen touwtjes trekt:

Dat kan alleen maar in een tekening.

Gedachten zijn gedachtewerelden.

76 - Blindweg

‘Mijn derde oog is geloof ik blind.’

‘Dan loop je je neus maar achterna.’

Bewerkte foto van de auteur met drie ooglapjes.

77 - Woorden zijn woordenboeken

De meeste mensen nemen zonder meer aan dat woorden werkelijkheden zijn.

Ze stinken erin.

Met open ogen!

Ze laten zich er volledig door leiden.

Maar zijn woorden wel werkelijk?

Als je wilt uitleggen wat een woord betekent, komen er nieuwe woorden in je op.

Die je op hun beurt moet uitleggen.

Enzovoort, zonder eind.

Het zingt maar rond!

Woorden duiden met andere woorden is net zoiets als een wereld die zijn eigen gewicht draagt:

Droste-effect van Atlas op Atlas op Atlas…

Dat kan alleen maar in de ruimte.

Woorden zijn woordenboeken.

78 - Wie schiep de wereld?

De ongeschapen schepper

Wie schiep de schepper?

Deze vraag veronderstelt dat de wereld onafhankelijk van ons bestaat en dat hij geschapen is.

Volgens het Oude Testament was het de Schepper die de wereld schiep, maar wie schiep dan de Schepper?

Deze vraag veronderstelt dat de Schepper onafhankelijk van ons bestaat en dat hij geschapen is.

Volgens gelovigen staat het buiten kijf dat de Schepper bestaat, want dat heeft Hij geopenbaard in de bijbel.

Dat het Zijn openbaring is en niet die van de menselijke auteurs van de bijbel staat buiten kijf, want dat heeft Hij in diezelfde bijbel geopenbaard.

Genesis* maakt bij mijn weten geen woorden vuil aan de genese van de Schepper zelf, maar theologen zijn niet voor één gat te vangen: ze verklaren simpelweg dat de Schepper zelfscheppend is.

* Boek I van het Oude Testament, waarin de schepping wordt beschreven.

Of ze verklaren dat de Schepper zelf ongeschapen is en altijd al bestaan heeft.

Of ze verklaren dat de Schepper geschapen noch ongeschapen is, of geschapen én ongeschapen, of voorbij geschapenheid en ongeschapenheid, al naar gelang hun overtuiging dat Hij bestaat noch niet-bestaat of bestaat én niet bestaat of voorbij bestaan en niet-bestaan is.

Atheologen stellen simpelweg dat de Schepper ongeschapen is omdat hij nooit bestaan heeft.

De zelfscheppende wereld

Wat hebben theologen en atheologen gemeen? Dat ze zeker van hun zaak zijn. Hoe dat kan is mij een raadsel, maar dat is het punt niet. Het punt is dit:

God zou best zelfscheppend of ongeschapen of beide of geen van beide kunnen zijn, maar dat geldt net zo goed voor de wereld als geheel.

Mocht de wereld inderdaad zelfscheppend of ongeschapen of beide of geen van beide blijken te zijn, moeten we haar dan voortaan God noemen en met een hoofdletter schrijven?

God zou best de Schepper van de schepping kunnen zijn, maar hij zou net zo goed een schepping kunnen zijn van Zijn schepping.

Mocht God inderdaad een schepping van Zijn schepping zijn, moeten we hem dan nog wel God noemen en met een hoofdletter schrijven?

Of zou er toch een schepper van de Schepper zijn, een Superschepper?

Zou er dan ook een schepper van de Superschepper zijn, een Supersuperschepper?

Houdt dit een keer op of gaat het door tot in het oneindige?

In het laatste geval, verdient dit oneindige dan een eigen naam of Naam, en is het zelf of Zelf zelfscheppend of hoe zit het?

Het regressieprobleem

De theologische kwestie van de schepping van de schepper is een schoolvoorbeeld van het zogeheten regressieprobleem, dat overal in het denken opduikt.

Een nagel aan de doodskist van filosofen, godsgeleerden, wiskundigen, logici en andere liefhebbers van sluitende systemen en totaalverklaringen.

Koren op de molen van de agnost.

79 - Het regressieprobleem

Op je schreden terugkeren – kan dat?

Steeds wanneer de betrouwbaarheid van onze kennis in het geding is, doen zich vicieuze cirkels en regressies voor.

In de filosofie wordt dit het regressieprobleem genoemd.

Het regressieprobleem kan optreden bij allerlei gedachten, waaronder stellingen, theorema’s, theorieën, oorzaken, redenen, motieven, opvattingen, overtuigingen, (on)geloof, normen, waarden, idealen, motto’s, principes, voorschriften, verboden, begrippen, woorden, doelen, functies, logica, toetsingscriteria en autoriteiten.

Catch 22

1. Om een gedachte te rechtvaardigen moet je terugvallen op andere gedachten die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

2. Om een filosofische stelling te rechtvaardigen moet je terugvallen op andere stellingen die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

3. Om een wetenschappelijke theorie te rechtvaardigen moet je terugvallen op algemenere theorieën die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

4. Om een gebeurtenis te verklaren moet je terugvallen op oorzaken die je ook weer moet verklaren.

Daar is geen einde aan.

5. Om een handeling te verklaren moet je terugvallen op redenen die je ook weer moet verklaren.

Daar is geen einde aan.

6. Om een daad te rechtvaardigen moet je terugvallen op motieven die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

7. Om een opvatting te rechtvaardigen moet je terugvallen op fundamentelere opvattingen die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

8. Om een geloof of ongeloof te rechtvaardigen moet je terugvallen op een dieper geloof of ongeloof dat je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

9. Om een norm, waarde of ideaal te rechtvaardigen moet je terugvallen op algemenere normen, waarden en idealen die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

10. Om een juridische wet te rechtvaardigen moet je terugvallen op algemenere wetten die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

11. Om een motto of principe te rechtvaardigen moet je terugvallen op hogere motto’s en principes die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

12. Om een voorschrift of verbod te rechtvaardigen moet je terugvallen op algemenere voorschriften en verboden die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

13. Om een begrip te verklaren moet je terugvallen op andere begrippen die je ook weer moet verklaren.

Daar is geen einde aan.

14. Om een woord te definiëren moet je het beschrijven in woorden die je ook weer moet definiëren.

Daar is geen einde aan.

15. Om het gebruik van natuurlijke taal voor het uitdrukken van kennis te rechtvaardigen moet je opnieuw gebruik maken van natuurlijke taal.

Daar is geen einde aan.

16. Om het gebruik van symbolische taal voor het uitdrukken van kennis te rechtvaardigen moet je gebruik maken van een hogere symbolische taal of van natuurlijke taal.

Daar is geen einde aan.

17. Om een algemeenheid te verklaren (‘de wereld’, ‘het leven’, ‘de mens’, ‘het denken’, ‘een organisatie’, ‘een organisme’, ‘een orgaan’, ‘een organel’ enzovoort, om nog maar te zwijgen over ‘een doel’, ‘een functie’ en ‘een verklaring’) moet je terugvallen op algemeenheden die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

18. Om een wiskundig theorema te rechtvaardigen moet je terugvallen op andere theorema’s die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

19. Om een redenering te rechtvaardigen moet je terugvallen op een logica (tweewaardig, driewaardig, meerwaardig, discreet, fuzzy, intuïtionistisch, modaal, dialogisch, paraconsistent) die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

20. Om een hypothese te toetsen moet je terugvallen op een toetsingscriterium (verifieerbaarheid, falsifieerbaarheid, meetbaarheid, nut, consistentie, coherentie, consensus) dat je ook weer moet toetsen.

Daar is geen einde aan.

21. Om een autoriteit (staat, kerk, bijbel, god, ratio, gezond verstand, empirie, wetenschap, opleiding, ervaring, hoofd, hart, buik, onderbuik, gevoel, intuïtie, instinct) te rechtvaardigen moet je terugvallen op hogere autoriteiten die je ook weer moet rechtvaardigen.

Daar is geen einde aan.

22. Om je kenvermogen (verstand, geest, intellect, geheugen, zintuigen) te begrijpen moet je gebruik maken van datzelfde kenvermogen.

Daar is geen beginnen aan.

Droste-effect van een vis die een kleinere vis opslokt die een kleinere vis opslokt…
Daar is geen einde aan…

Stijlfiguren niet-weten: regressievraag

Een regressievraag is een stijlfiguur in de vorm van een vraag die zo is geformuleerd dat het regressieve karakter ervan expliciet wordt.

Voorbeelden van regressievragen:

Wat is het doel van het doel?

Wat is de reden van de reden?

Wat is de functie van de functie?

Wat is het nut van het nut?

Wat is de waarde van de waarde?

Wat is de betekenis van de betekenis?

Wat is de oorzaak van de oorzaak?

Wat is de verklaring van de verklaring?

Wat is de zin van de zin (van het leven)?

Wie autoriseert de autoriteit?

Wie schiep de schepper?

Wie controleert de controleur?

Welke wet verklaart de wet?

Waaraan toetsen we de toetsingscriteria?

Welke premissen rechtvaardigen de premissen?

Wat is de logica van de logica?

Wat is de gedachte achter de achterliggende gedachte?

Regressievragen zijn een van de belangrijke stijlfiguren in het arsenaal van de agnost.

80 - Het regressieargument

Zoeken naar het einde van het zoeken

Afgaand op de overlevering zijn wij mensen al zolang we schrijven, en misschien al zolang we spreken, en misschien al zolang we denken, zolang als we zijn dus, gretig op zoek naar houvast.

Catch 22

1. We zoeken naar grondbegrippen!

2. We zoeken naar archetypen!

3. We zoeken naar oerprincipes!

4. We zoeken naar vaststaande feiten!

5. We zoeken naar evidente axioma’s!

6. We zoeken naar fundamentele stellingen!

7. We zoeken naar eeuwige wetten!

8. We zoeken naar absolute waarden!

9. We zoeken naar universele rechten!

10. We zoeken naar een steen der wijzen!

11. We zoeken naar een onweerlegbare logica!

12. We zoeken naar een archimedisch punt!

13. We zoeken naar een laatste instantie!

14. We zoeken naar een transcendente god!

15. We zoeken naar de hoogste autoriteit!

16. We zoeken naar de eerste oorzaak!

17. We zoeken naar het laatste woord!

18. We zoeken naar de echte reden!

19. We zoeken naar de ware toedracht!

20. We zoeken naar de uiteindelijke betekenis!

21. We zoeken naar het hoogste doel!

22. We zoeken naar de diepste zin!

We zoeken naar het einde van het zoeken.

We willen eindelijk weleens zekerheid.

Duiken naar de bodem van het denken

Zoeken naar fundamentele zaken – ons diepste wezen, de enige waarheid, het ultieme principe – is net zoiets als zoeken naar de bouwstenen van de kosmos.

Natuurkundigen vinden weliswaar steeds meer deeltjes, maar elementaire, ho maar.

En is het nog wel vinden?

En zijn het nog wel deeltjes, die rare dingetjes die…

● geen massa hebben

● geen ruimte innemen

● op meerdere plaatsen tegelijk verschijnen

● elkaar sneller dan het licht beïnvloeden

● zich dikwijls voordoen als golven

● zich alleen laten beschrijven als waarschijnlijkheidsfuncties

● zich uitsluitend vertonen aan geschoolde waarnemers onder gekunstelde omstandigheden

● zomaar verschijnen en verdwijnen in het ziedende niets dat kwantumvacuüm heet?

Als we al geen elementaire deeltjes kunnen vinden, hoe groot is dan de kans op elementaire gedachten?

Laten we deze redenering het regressieargument noemen.

81 - Het illusieprobleem en het illusieargument

Stel dat ik er ondanks alle vicieuze cirkels en regressies in mijn denken toch in zou slagen mijn kennis van de werkelijkheid zeker te stellen.

Hoe weet ik dan of die werkelijkheid echt is?

Hoe weet ik of mijn leven meer is dan een idee of een droom of een waan of een hallucinatie of een visioen of zelfsuggestie of hypnose of een goddelijke of duivelse illusie?

Dat weet ik niet.

Catch 11

1. Misschien ben ik alleen maar een databestand op een geheugenchip (Total Recall).

2. Misschien ben ik alleen maar een computergestuurd lichaam drijvend in een lauwwarm vruchtwaterbad (The Matrix).

3. Misschien ben ik alleen maar een lichaamloos brein in een vat (William and Mary).

4. Misschien ben ik alleen maar een toeschouwer van andermans leven (Being John Malkovich).

5. Misschien ben ik alleen maar Zhuang Zi die droomt dat hij een vlinder is die droomt dat hij Zhuang Zi is.

6. Misschien speelt de wereld zich helemaal af in mijn bewustzijn (solipsisme).

7. Misschien is de wereld geen andere dan mijn ervaring van de wereld (externalisme)

8. Misschien lig ik op dit moment wel in coma en verbeeld ik me dat ik dit schrijf.

9. Misschien lig jij op dit moment wel in coma en verbeeld je je dat je dit leest.

10. Misschien zijn we Joost weet wie, wat of waar en verbeelden we ons dat we ons dit alleen maar verbeelden.

11. Misschien zijn we allemaal het slachtoffer van de Grote Bedrieger, le malin génie die Descartes liet denken dat hij wás omdat hij twijfelde (‘dubito ergo sum’) en die ons laat denken wat het ook maar is dat we denken.

Vlinder met een lijfje dat de Chinees Zhuang Zi voorstelt.
Vlinder die droomt dat hij Zhuang Zi is die droomt dat hij een vlinder is.

De vraag hoe je vast moet stellen wat werkelijk is, noem ik het illusieprobleem.

De redenering dat we dat nooit zullen kunnen vanwege bovenstaande gedachte-experimenten noem ik het illusieargument.

82 - Het onzekerheidsprincipe

Even samenvatten.

Het regressieargument:

Wat ik ook meen te weten, bewijzen kan ik niets. Al mijn kennis hangt in de lucht.

Het illusieargument:

Wat ik ook kan bewijzen, misschien is het maar een droom. Al mijn bewijzen hangen in de lucht.

De combinatie van het regressieargument en het illusieargument noem ik het onzekerheidsbewijs.

Wat volgt uit het onzekerheidsbewijs noem ik het onzekerheidsprincipe*:

Eigenlijk weet ik niets.

* Vrij naar het gelijknamige principe van de natuurkundige Werner Heisenberg.

Mannetje dat ondersteboven in de lucht hangt.
Al mijn kennis hangt in de lucht: eigenlijk weet ik niets.

83 - Het ononzekerheidsprincipe

Het onzekerheidsprincipe (‘eigenlijk weet ik niets’) volgt uit het onzekerheidsbewijs (regressieargument plus illusieargument), zei ik. Maar is dat wel zo?

Natuurlijk niet!

En waarom dan wel niet?

Omdat het ‘onzekerheidsbewijs’ zichzelf ontkracht.

Ga maar na:

1. Het maakt zonder enige rechtvaardiging gebruik van ongedefinieerde termen als ‘regressie’, ‘illusie’ en ‘bewijs’.

2. Het veronderstelt zonder enige rechtvaardiging dat een gedachte pas waar of waardevol kan zijn als ze bewezen is.

3. Het beroept zich zonder enige rechtvaardiging op een tweewaardige logica.

En zo verder langs onze lijst met vicieuze cirkels en regressies.

Omdat het regressieargument en het illusieargument in hun huidige vorm geen beperkingen kennen, zijn ze overal op van toepassing. Dus ook op zichzelf.

Het onzekerheidsbewijs dat onze bewijzen ongegrond zijn, is zélf ongegrond.

Waardoor ook het onzekerheidsprincipe op losse schroeven komt te staan:

Eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niets weet.

Zelfs mijn kennis dat al mijn kennis in de lucht hangt, hangt in de lucht.

Allemachtig.

Hoe zal ik dit eens noemen…

Het ononzekerheidsprincipe?

Twee mannetjes die onder elkaar in de lucht hangen.
Al mijn kennis hangt in de lucht: eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niets weet.

84 - Het onononzekerheidsprincipe

‘Eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niets weet’, zei ik, en vroeg me af of ik dit het ononzekerheidsprincipe moest noemen.

Maar de vraag is niet hoe we het moeten noemen; de vraag is of we dit dan wel kunnen bewijzen. Nou?

Natuurlijk niet!

Opnieuw vanwege het regressieargument en het illusieargument.

Kunnen we dan misschien bewijzen dat het ononzekerheidsprincipe onwaar is?

Natuurlijk niet!

Nog steeds vanwege het regressieargument en het illusieargument.

Zodat ik hooguit kan zeggen:

Eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niet eens weet dat ik eigenlijk niets weet.

Tjeempie.

En dan moeten we dit zeker het onononzekerheidsprincipe noemen?

Dat is geen spreken meer.

Dat is stotteren.

Drie mannetjes die onder elkaar in de lucht hangen.
Al mijn kennis hangt in de lucht: eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niet eens weet dat ik eigenlijk niets weet.

85 - Het on-on-on-…

‘Eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niet eens weet dat ik eigenlijk niets weet’, zei ik, en stelde voor om dit het onononzekerheidsprincipe te noemen.

Is dat dan tenminste wel waar – of onwaar desnoods?

Natuurlijk niet!

Zodat ik hooguit kan zeggen:

Eigenlijk weet ik niet eens dat ik eigenlijk niet eens weet dat ik eigenlijk niet eens weet dat ik eigenlijk niets weet.

En zo kunnen we maar doorgaan. Tot het Koninkrijk kome. Tot Pasen en Pinksteren op één dag vallen. Tot het einde der tijden niet meer valt te onderscheiden van het eeuwige heden of het toekomstige verleden.

Want het ligt nou eenmaal in de aard van een bewering dat ze steeds een of ander wéten uitdrukt.

Een oneindige bewering net zo goed.

Hoe we dit nog moeten noemen?

Gewoon.

Het on-on-on-on-on-on-on-on-on-on-on-…*

* Als je dat te lang vindt, noem je het gewoon het ‘O no!

Zes mannetjes die onder elkaar in de lucht hangen.
Al mijn kennis hangt in de lucht: eigenlijk weet ik niet eens (dat ik eigenlijk niet eens weet) dat ik eigenlijk niets weet.

86 - Niet-weten is weten tussen aanhalingstekens

Wat is het dat zich in geen enkele bewering laat vangen? Zelfs niet in een oneindige? Zelfs niet in een eeuwig stamelen?

Inderdaad: niet-weten.

Precies dit onbewijsbare, zelfvernietigende van-niets-weten.

Dat dus eigenlijk een niet-weten tussen aanhalingstekens is.

Een ‘niet-weten’.

Zelfs van niet-weten weet het niet, en daarmee keert het weten als een boemerang terug.

Maar niet het voormalige, het vanzelfsprekende, het verleidelijke, het grootste, het meeslepende WETEN.

Slechts de schaduw daarvan.

Mannetje met zijn armen omhoog dat onder schot wordt genomen door zijn schaduw.
Slechts de schaduw daarvan.

Een weten tussen aanhalingstekens.

Een ‘weten’.

Voorgoed gegijzeld door niet-weten.

Dat zelf ook al tussen aanhalingstekens stond.

87 - Niet-weten is geen punt

Niet-weten is geen onwetendheid.

Het is geen hoger weten.

Het is ‘weten’ en ‘niet weten’ tegelijk.

Het is het smeltpunt van ‘weten’ en ‘niet weten’.

1. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iets te weten en niet langer meent niets te weten.

Zhi wu zhi heet dit in hoofdstuk 71 van de Daodejing, ‘weten niet weten’ ofwel weten zonder weten, wetend niet weten.

Zhī wùzhī (klassiek Chinees, zhī, weten, kennis + wu, niet + zhi): weten (van) niet weten. Eerste drie tekens van hoofdstuk 71 van de Daodejing.

2. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iets te doen en niet langer meent niets te doen.

Wei wu wei heet dit in hoofdstuk 37 van de Daodejing, ‘doen niet doen’ ofwel doen zonder doen, doende niet doen.*

* Paradoxale uitdrukkingen van deze vorm – duiden zonder duiden, gevend niet geven – worden oxymorons genoemd. Paradoxen in het algemeen en oxymorons in het bijzonder behoren tot de belangrijkste stijlfiguren van de agnost.

3. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iemand te zijn en niet langer meent niemand te zijn.

Zijn zonder zijn kun je dit noemen, zijnde niet zijn.

En zo kunnen we maar doorgaan:

4. Niet-weten is geloven zonder geloven, gelovend niet geloven.

5. Niet-weten is denken zonder denken, denkend niet denken.

6. Niet-weten is oordelen zonder oordelen, oordelend niet oordelen.

7. Niet-weten is spreken zonder spreken, sprekend niet spreken.

8. Niet-weten is voelen zonder voelen, voelend niet voelen.

9. Niet-weten is hechten zonder hechten, hechtend niet hechten.

10. Niet-weten is hebben zonder hebben, hebbend niet hebben.

11. Niet-weten is willen zonder willen, willend niet willen.

Het komt allemaal op hetzelfde neer:

Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent op een of ander punt te zijn.

Stijlfiguren niet-weten: oxymoron

Een oxymoron is een stijlfiguur in de vorm van een verbinding van twee tegengestelde begrippen, bijvoorbeeld:

wetend niet-weten

wissend schrijven

de wijsheid zonder wijsheid

Kenmerkend voor het oxymoron is de bevestigende of ontkennende verbinding van twee tegengestelde begrippen, bijvoorbeeld ‘van een hemelse platvloersheid’ of ‘een levende dode’ of ‘een oorverdovende stilte’. Vaak is de eerste term een bijvoeglijk, de tweede een zelfstandig naamwoord.

‘Oxymoron’ is zelf een oxymoron, samengesteld uit de Griekse woorden oxys (slim) en moros (dom).

Twee voorbeelden van oxymorons met betrekking tot niet-weten:

Mijn spreken is even nietszeggend als mijn zwijgen welsprekend.

Wat goed is in het ene opzicht is verkeerd in het andere.

Een van de meest bekende spirituele oxymorons komt voort uit de traditie van het zenboeddhisme. Ik doel op de poortloze poort, een gevleugeld woord sinds de Chinese zenboeddhist Wumen het als titel voor zijn koancollectie gebruikte.

Een andere is afkomstig uit de Daodejing: wei wu wei oftewel doende niet doen.

Ook in de neoplatoonse filosofie, in de negatieve theologie en in de oosterse filosofie is het oxymoron gemeengoed.

Veel voorkomende formats van het oxymoron

Veel voorkomende formules van het oxymoron zijn A en niet-A, A noch niet-A en voorbij A en niet-A. Bijvoorbeeld goed én kwaad, goed noch kwaad, voorbij goed en kwaad.

Door in de tweede formule, A en niet-A de tweede term, niet-A, te vervangen door zonder A verkrijgen we een vijfde formule: A-zonder-A, in ons voorbeeld goed-zonder-goed of kwaad-zonder-kwaad.

Knoflookkruid, dat wel naar knoflook ruikt maar geen knollen vormt, dankt aan dit verschil zijn naam: look-zonder-look.

Toegepast op niet-weten levert het oxymoron ons zes equivalente uitdrukkingen op:

1. wetend niet-weten

2. weten én niet-weten

3. weten noch niet-weten

4. voorbij weten en niet-weten

5. weten zonder weten

6. niet-weten zonder niet-weten

De laatste is misschien wat zonderling, maar toch een goede waarschuwing tegen de onweerstaanbare neiging niet-weten te verabsoluteren tot een zaak, toestand, persoon, waarheid of god. personificatie, reïficatie, deïficatie – mensen zijn er verzot op. Fabriceren, mummificeren, pontificeren. Essentialisme, heet dat, en eternalisme. Maar dit terzijde.

Voor niet zeggen verkrijgen we op analoge wijze de volgende zes oxymorons:

1. zeggend niet zeggen

2. zeggen én niet zeggen

3. zeggen noch niet zeggen

4. voorbij zeggen en niet zeggen

5. zeggen zonder zeggen

6. niet zeggen zonder niet zeggen

En voor niet doen:

1. doende niet doen

2. doen én niet doen

3. doen noch niet doen

4. voorbij doen en niet doen

5. doen zonder doen

6. niet doen zonder niet doen

Zes formules en hun namen

Hieronder de zes formules van het oxymoron nog even op een rijtje. Ik heb ze voor de herkenbaarheid een naam gegeven, die je meteen weer mag vergeten.

1. bijvoeglijke ontkenning: A’ niet-A

2. dubbele bevestiging: A én niet-A

3. dubbele ontkenning: A noch niet-A

4. overstijging: voorbij A en niet-A

5. positieve herroeping: A-zonder-A

6. negatieve herroeping: niet-A zonder niet-A

In 1 staat A’ voor het van A afgeleide bijvoeglijk naamwoord.

Oxymorons in de Poortloze Poort

In mijn boek Niet om door te komen! De Poortloze Poort gebruik ik oxymorons van het type positieve herroeping (A zonder A): boeddha zonder boeddha (een ‘boeddha’, een lege boeddha), doen zonder doen (‘doen’, niet-doen), ik zonder ik (‘ik’), een leer zonder leer (een ‘leer’, de lege leer), de waarheid zonder waarheid (de ‘waarheid’), weten zonder weten (niet-weten), ‘willen zonder willen’, de wijsheid zonder wijsheid (lege wijsheid). De poort zonder poort, dat is zen zonder zen.

Er staan ook oxymorons van het type A zonder B in: begin zonder einde, deugd zonder regels (‘deugd’, de lege deugd), een leer zonder inhoud, een leraar zonder kennis (een lege leraar), mystiek zonder mysterie (‘mystiek’), een oordeel zonder gelijk (een ‘oordeel’), een sleutel zonder slot (een ‘sleutel’), een traditie zonder verleden (een ‘traditie’),

Daarnaast bevat de Poort elliptische (verkorte) oxymorons van de typen ‘A zonder A’ en ‘A en niet-A’: niet-bereiken (bereiken zonder bereiken, bereiken én niet bereiken, het niet bereiken bereiken), niet-bestaan, niet begrijpen, niet-denken (denken zonder denken, denkend niet denken), niet-doen (doen zonder doen, doende niet doen), niet-geloven (geloven zonder geloven, geloven én niet geloven), niet-grijpen, niet-hebben (hebben zonder hebben), niet-hechten (hechten zonder hechten), niet-mediteren (mediteren zonder mediteren), niet-oordelen (oordelen zonder oordelen), niet-zijn, niet-zoeken.

9.1 De oxymoronautomaat

De oxymoronautomaat is een rijtje taalformules waarmee je paradoxale uitdrukkingen genereert.

Je kunt er je eigen formules aan toevoegen en je kunt de formules toepassen op werkwoorden en zelfstandig naamwoorden naar keuze.

Formules die vaak goede resultaten leveren met spirituele terminologie:

1. on-

2. non-

3. niet-

4. lege x

5. x-loosheid

6. x-loze x

7. x-end niet x-en

8. x én niet-x

9. x noch niet x

10. x zonder x

11. x voorbij

12. x voorbij alle x

13. x voorbij alle x voorbij

14. zelfs niet…

Per term x leveren deze formules gemiddeld vijf tot tien werkbare oxymorons op, afhankelijk van je taalgevoel en je tolerantie voor neologismen.

Ik gebruik de oxymoronautomaat hieronder om synoniemen en hyponiemen van ‘niet-weten’ en ‘weetniet’ te genereren, maar je kunt de oxymorons iedere betekenis geven die je aanspreekt.

Antwoord

Een non-antwoord, een niet-antwoord, het lege antwoord, antwoordloosheid, het antwoordloze antwoord, het antwoord zonder antwoord, de antwoorden voorbij, het antwoord voorbij alle antwoorden, het antwoord voorbij alle antwoorden voorbij.

Begrijpen, begrip

Niet-begrijpen, begriploos begrip, begrijpend niet begrijpen, begrijpen én niet begrijpen, begrijpen noch niet-begrijpen, begrijpen zonder begrip, het begrip voorbij, het begrip voorbij alle begrip(pen), het begrip voorbij alle begrip(pen) voorbij.

Boodschap

Een onboodschap, een non-boodschap, een niet-boodschap, de lege boodschap, de boodschap zonder boodschap, de boodschap voorbij, de boodschap voorbij alle boodschappen, de boodschap voorbij alle booddschappen voorbij, zelfs niet de boodschap dat er geen boodschap is.

Tao(ïsme)

Non-taoïsme, leeg taoïsme, taoloze Tao (dat wil zeggen, de wegloze weg), de Tao zonder Tao (de weg zonder weg), taoïsme zonder Tao, taoïsme zonder taoïsme, de Tao voorbij, het taoïsme voorbij, taoïsme voorbij de Tao.

Denken

Denkend niet denken, denken én niet-denken, denken noch niet-denken, niet-denken, denken zonder denken, het denken voorbij, het denken voorbij het denken, het denken voorbij het denken voorbij.

(Je kunt niet-weten ook omschrijven als een denken dat zich leeg denkt, vrij denkt, dood denkt, als een zich leegdenken, vrijdenken, dooddenken.)

Deugd

De lege deugd, deugdloze deugd, deugd zonder deugd, de deugd voorbij, de deugd voorbij alle deugd, de deugd voorbij alle deugd voorbij, voorbij deugd en ondeugd.

Doen

Niet-doen, doeloos doen, doeloosheid, doende niet doen, doen én niet-doen, doen noch niet-doen, niet-doen, doen zonder doen, het doen voorbij, het niet-doen voorbij, voorbij doen en niet-doen, het doen voorbij het doen, het doen voorbij het doen voorbij, zelfs niet doen aan niet-doen.

Dharma

De lege dharma, de dharma zonder dharma, de dharma voorbij, de dharma voorbij alle dharma’s, de dharma voorbij alle dharma’s voorbij.

Filosofie

Non-filosofie, lege filosofie, (de) filosofie zonder filosofie, de filosofie voorbij, de filosofie voorbij alle filosofie, de filosofie voorbij alle filosofie voorbij.

ik noem niet-weten ook wel dwijsbegeerte, de weetniet een dwijsgeer.

Gelofte

De non-gelofte, de lege gelofte, de gelofte zonder gelofte, de gelofte voorbij, de gelofte voorbij alle geloften, de gelofte voorbij alle geloften voorbij.

Geloof

Een non-geloof, het lege geloof, het geloof zonder geloof, geloven zonder geloven, geloven zonder geloof, het geloof voorbij, het geloof voorbij ieder geloof, het geloof voorbij ieder geloof voorbij, voorbij geloof en ongeloof, het ongeloof voorbij, zelfs niet geloven in niet-geloven.

Hechten

Hechtend niet-hechten, hechten én niet-hechten, hechten noch niet-hechten, niet-hechten, hechten zonder hechten, het hechten voorbij, de onthechting voorbij, voorbij hechten en onthechten, voorbij gehechtheid en onthechting, zelfs van onthechting onthecht, zelfs niet hechten aan niet-hechten.

Inzicht

Het lege inzicht, het inzichtloze inzicht, het inzicht zonder inzicht, het inzicht voorbij, het inzicht voorbij ieder inzicht, het inzicht voorbij ieder inzicht voorbij.

in plaats van een inzicht noem ik niet-weten ook weleens een uitzicht of uitzicht zonder inzicht of Groot Uitzicht.

Kennen

Het lege kennen, de lege kennis, kenneloosheid, kennisloosheid, kenneloos kennen, kennisloze kennis, kennend niet kennen, kennen én niet-kennen, kennen noch niet-kennen, kennen zonder kennen, de kennis zonder kennis, het kennen voorbij, de kennis voorbij, het kennen voorbij ieder kennen, de kennis voorbij alle kennis, het kennen voorbij ieder kennen voorbij, de kennis voorbij alle kennis voorbij.

Leer

De onleer, de non-leer, de niet-leer, de lege leer, de leer zonder leer, de leerloze leer, de leer voorbij, de leer voorbij elke leer, de leer voorbij elke leer voorbij.

Dat kun je natuurlijk ook doen met exotische namen voor de leer, zoals het boeddhistische dharma: de dharma zonder dharma, de dharmaloze dharma, de dharma voorbij, de dharma voorbij elke dharma, de dharma voorbij elke dharma voorbij.

Leraar, leerling

Een onleraar, onleerling, een non-leraar, non-leerling, een niet-leraar, niet-leerling, een afleraar, afleerling, een leraar/leerling zonder lering/leer, een lege leraar, lege leerling, een leraar zonder leraren, een leraar zonder leerlingen, een leerling zonder leraren, de leraren voorbij, de leerlingen voorbij.

Meditatie

Non-meditatie, mediterend niet-mediteren, mediteren én niet-mediteren, meditatie én niet-meditatie, mediteren noch niet-mediteren, meditatie noch niet-meditatie, niet-meditatie, niet-mediteren, mediteren zonder mediteren, meditatie zonder meditatie, het mediteren voorbij, de meditatie voorbij, meditatie voorbij alle meditatie, de meditatie voorbij alle meditatie voorbij.

Meester

Een onmeester, een non-meester, een niet-meester, een lege meester, een meesterloze meester, een meester zonder meester, het meesterschap voorbij.

Mystiek

Lege mystiek, mystiekloze mystiek, mystiek zonder mystiek, de mystiek voorbij, de mystiek voorbij alle mystiek, de mystiek voorbij alle mystiek voorbij.

(De mystiek van niet-weten noem ik graag weetnietmystiek of de mystiek van alledag.)

Onderricht

Het lege onderricht, het onderricht zonder onderricht, het onderricht voorbij, het onderricht voorbij alle onderricht, het onderricht voorbij alle onderricht voorbij.

Paradigma

Een non-paradigma, het lege paradigma, het paradigmaloze paradigma, het paradigma zonder paradigma, het paradigma voorbij, het paradigma voorbij alle paradigma’s, het paradigma voorbij alle paradigma’s voorbij.

Religie

Een non-religie, de lege religie, religieloze religie, religie zonder religie, de religie voorbij, de religie voorbij alle religie, de religie voorbij alle religie voorbij.

Spiritualiteit

Lege spiritualiteit, spiritualiteit zonder spiritualiteit, de spiritualiteit voorbij, de spiritualiteit voorbij alle spiritualiteit, de spiritualiteit voorbij alle spiritualiteit voorbij.

Stelling

De lege stelling, de stelling zonder stelling, de stellingen voorbij, de stelling voorbij alle stellingen, de stelling voorbij alle stellingen voorbij.

(zo ook met conclusie, principe, motto…)

Waarheid

Een non-waarheid, de lege waarheid, de waarheid zonder waarheid, de waarheid voorbij, de waarheid voorbij alle waarheden, de waarheid voorbij alle waarheden voorbij.

Weg

De onweg, de non-weg, de niet-weg, de wegloze weg, de weg zonder weg, de weg voorbij, de weg voorbij alle wegen, de weg voorbij alle wegen voorbij.

Het lege weten, weteloosheid, weteloos weten, wetend niet weten, weten én niet-weten, weten noch niet-weten, weten zonder weten, het weten voorbij, het weten voorbij ieder weten, het weten voorbij ieder weten voorbij, zelfs niet weten van niet-weten.

Wijsheid

Non-wijsheid, de lege wijsheid, de wijsheid zonder wijsheid, de wijsheid voorbij, de wijsheid voorbij alle wijsheid, de wijsheid voorbij alle wijsheid voorbij.

Woord

Het lege woord, het woordloze woord, het woord zonder woord, de woorden voorbij, het woord voorbij alle woorden, het woord voorbij alle woorden voorbij.

Zen

Non-zen, lege zen, onzen (titel van een boek van Jan Bor: OnZen), zenloze zen, zen zonder zen.

De zen van niet-weten noem ik ook graag weetnietzen.

Hoe je het allemaal ook noemt, het blijft een wassen neus. Wat je ook over niet-weten zegt, uiteindelijk zeg je niks.

En dat met zoveel woorden.

88 - Niet-weten is een gedachtegang zonder uitgang

‘Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent op een of ander punt te zijn’, zei ik.

Dat geen punt meer… dat is geen-punt.

Dat zijn drie puntjes.

Dat is een beletselteken:

Een beletselteken gebruik je als…

– Iemand met stomheid geslagen is.

– Niet bekend is hoe het verhaal verdergaat.

– Het verhaal niet tot een besluit komt.

Of is niet-weten eerder een vraagteken?

?

Nee, een uitroepteken, dat zal het zijn!

!

Als je het mij vraagt is niet-weten beletselteken, vraagteken en uitroepteken in één:

Toch liever uitgeschreven?

?!?

Je kunt het ook op z’n Spaans schrijven:

¿!?

maar dan valt het beletselteken uit elkaar. Dan liever een gespiegeld vraagteken:

⸮!?

Dit is de ingetogen variant, een hoofd met twee oren, die past bij mijn eerste jaren als weetniet.

Er is ook een opgetogen variant die inmiddels beter bij me past:

!?!

En een socratische variant met twee naar buiten gerichte vraagtekens die nog beter bij me past:

?!⸮

Afijn, die vier leestekens (de vierde is het beletselteken ingebed in de andere drie) in een of andere combinatie staan hier symbool voor niet-weten.

Ze staan ook symbool voor de paradox – gedachtegang zonder uitgang.

Dat is geen toeval, want niet-weten is leven in de paradox.

89 - Niet-weten is een paradox

‘Wat is de crux van niet-weten?’

‘Zelfs niet weten van niet-weten.’

‘Ai, een dubbele ontkenning.’

‘Ja ja.’

‘Ai, een dubbele bevestiging.’

‘Je had commentator moeten worden.’

‘Bedoel je met ‘zelfs niet weten van niet-weten’ dat je toch kunt weten?’

‘Als ik dat eens wist.’

‘Is dat een bevestiging of een ontkenning?’

‘Ai, een paradox.’

90 - Niet weten is dubbel of quitte

Niet-weten is alles afbreken.

Ook het afbreken.

Niet-weten is alles verliezen.

Ook het verliezen.

Niet-weten is alles ontkennen.

Ook het ontkennen.

Niet-weten is alles weerspreken.

Ook het weerspreken.

Niet-weten is alles relativeren.

Ook het relativeren.

Niet-weten is niets geloven.

Ook je ongeloof niet.

Niet-weten is niets afwijzen.

Ook niet het afwijzen.

Niet-weten is overal aan twijfelen.

Ook aan het twijfelen.

Niet-weten is ruimte voor alles.

Ook voor ruimtegebrek.

Niet-weten is overal voorbijgaan.

Ook aan het voorbijgaan.

Niet-weten is bevrijding.

Ook van de vrijheid.

Niet-weten is loslaten.

Ook het loslaten.

Niet-weten is onthechting.

Ook van onthechting.

Niet-weten is nergens over oordelen.

Ook niet over oordelen.

Niet-weten is geen standpunten hebben.

Ook niet over standpunten.

Niet-weten is van niets weten.

Ook niet van niet-weten.

91 - Niet-weten is overleven in de paradox

De werkelijkheid is een wijd opengesperde muil die oorverdovend zwijgt. Of rochelt. Of schreeuwt, net hoe zijn pet staat. Met miljarden stemmen door elkaar. Maar gewoon antwoord geven is er niet bij. Tenzij ik zijn taal niet versta. Zijn kakofonie niet als taal herken.

Misschien spreekt hij perfect Rochels, wie zal het zeggen. Snateren eenden maar wat, of kwekken ze over heer en sint? Maar ik hoor er niks in, in die muil. Zelfs dat hij geen antwoord geeft, hoor ik hem niet zeggen. Zelfs dat er geen antwoorden zijn, hoor ik hem niet zeggen. Een nihilist is hij ook al niet.

Niet-weten betekent onverschrokken in de gapende muil van de werkelijkheid kijken. Of verschrokken, dat mag ook. Maar niet wegkijken. Nooit. Nou ja, bij wijze van spreken dan. Zoals alles wat ik zeg.

Want wegkijken maakt deel uit van de werkelijkheid. Niet willen wegkijken ook. Niet willen weten dat je wegkijkt ook. Niet willen weten dat je niet wilt weten dat je wegkijkt ook. En die muil is ook maar beeldspraak. Om nog maar te zwijgen over de werkelijkheid. Dus waar hebben we het over?

Niet-weten is leven in onduidelijkheid, dubbelzinnigheid en tegenspraak.

Je weet niet waar jij ophoudt en de wereld begint.

Je weet niet of je het voor het zeggen hebt of dat het alleen maar zo lijkt.

Je weet niet of je iemand bent of niemand, deelnemer of toeschouwer, alles of niets of beide of geen van beide of wat dan ook.

Je weet niet wie, wat of waar god is, en ook niet of hij bestaat of niet bestaat, of bestaat én niet bestaat, of bestaat noch niet bestaat, of voorbij bestaan en niet bestaan is, of wat dan ook.

Je weet niet of jij het bent die straks dood gaat of alleen je lichaam of je ziel of je geest of je hart, gesteld dat daar een verschil of een verband tussen is, gesteld dat er zoiets is, gesteld dat je op dit moment leeft, gesteld dat er een nu is en een straks.

Je weet niet waar lijden goed voor is en of het wel ergens goed voor is, maar ook niet dat het nergens goed voor is, als het al geen nare droom is, of een gedachte nu.

Je weet niet wat het leven is, als het al meer is dan een woord, laat staan wat de zin ervan is of de zin daar weer van of de zin daar weer van, wat niet betekent dat het allemaal geen zin heeft, als deze zin al zin heeft.

Je vat het niet en je krijgt er geen vat op. Zelfs niet door niet-vatten. Er is geen rust zo diep of hij maakt plaats voor onrust en omgekeerd. Als ze al niet samen optrekken.

Zo is het ook met zin en onzin.

Zo is het ook met pijn en genot.

Zo is het ook met haat en liefde.

Zo is het ook met goed en kwaad.

Zo is het ook met vrede en oorlog.

Zo is het ook met verlies en winst.

Zo is het ook met orde en wanorde.

Zo is het ook met lijden en vreugde.

Zo is het ook met nadeel en voordeel.

Zo is het ook met gulheid en hebzucht.

Zo is het ook met ziekte en gezondheid.

Zo is het ook met wijsheid en dwaasheid.

Zo is het ook met voorspoed en tegenslag.

Zo is het ook met schoonheid en lelijkheid.

Zo is het ook met wreedheid en mededogen.

Alles heeft zijn keerzijden, lijkt het wel, en voor je het weet slaat iets om in zijn tegendeel. En nog eens. En weer.

Niet-weten betekent alles verliezen. Je zekerheden. Je onzekerheden. Zelfs het verliezen.

Niet-weten betekent de paradox in je leven toelaten. De strijd tegen de strijdigheid opgeven. In de paradox verblijven. Erin blijven. Jezelf in de paradox verliezen. De paradox in jezelf verliezen. Jezelf en de paradox verliezen.

Niet-weten is overleven in de paradox.

Zie ook: paradox (stijlfiguur), paradoxie.

92 - Niet-weten is sterven aan de paradox

22 Koans zonder catch.

1. Ik heb verlichting gevonden… in de duisternis!

2. Ik heb eenheid gevonden… in de delen!

3. Ik heb rust gevonden… in mijn onrust!

4. Ik heb vrede gevonden… in tegenstrijdigheid!

5. Ik heb de stilte gevonden… in de storm!

6. Ik heb zekerheid gevonden… in dubio!

7. Ik heb vaste grond gevonden… in de vrije val!

8. Ik heb mijn draai gevonden… in stuurloosheid!

9. Ik heb het antwoord gevonden… in de vraag!

10. Ik heb de oplossing gevonden… in het raadsel!

11. Ik heb de waarheid gevonden… in de glimlach!

12. Ik heb wijsheid gevonden… in agnose!

13. Ik heb de werkelijkheid gevonden… in de illusie!

14. Ik heb rijkdom gevonden… in armoede!

15. Ik heb het grote gevonden… in het kleine!

16. Ik heb vervulling gevonden… in de leegte!

17. Ik heb de maan gevonden… in mijn vinger!

18. Ik heb de ruimte gevonden… in mijn geest!

19. Ik heb mezelf gevonden… in een ander!

20. Ik heb vrijheid gevonden… in overgave!

21. Ik heb alles gevonden… in niet vinden!

22. Ik ben thuisgekomen… in den vreemde!

93 - De macht van niet-weten is de onmacht van het weten

De crux van niet-weten is niet dat je niks weet.

De crux van niet-weten is dat je dat óók niet weet.

De crux van niet-weten is:

Zelfs niet weten van niet-weten.

Dat wil zeggen:

Niet-weten in het kwadraat.

Ofwel:

Niet-wetenniet-weten

En als we een vraagteken schrijven voor ‘niet-weten’:

Groot vraagteken met rechtsboven een kleiner vraagteken.

Lees:

De macht van niet-weten.

Mooi hè?

Laat je niet misleiden.

De macht van niet-weten is een eufemisme.

Een naam ontleend aan een wiskundige vorm.

De macht van niet-weten is niets anders dan de onmacht van het weten.

94 - Niet-weten is een weg die in zichzelf doodloopt

X: Is er een weg naar niet weten?

H: Niet weten loopt dood in zichzelf.

X: En?

H: Hoe zou er dan een weg naartoe kunnen zijn?

X: En hoe mag het punt heten waarop niet weten doodloopt?

H: Niet weten van niet weten.

X: Is er een weg naar niet weten van niet weten?

H: Niet weten van niet weten loopt dood in zichzelf.

X: Ook al?

H: Hoe zou er dan een weg naartoe kunnen zijn?

X: En hoe mag het punt heten waar niet weten van niet weten doodloopt?

H: Niet weten van niet weten van niet weten.

X: Is er een weg die niet aan zichzelf ten gronde gaat?

H: Ik zou het ook niet weten.

95 - Niet-weten is een vrije val

Misschien lees je dit verhaal over niet-weten, en denk je bij jezelf: wat een theoretisch gedoe, daar heb ik geen boodschap aan.

Klopt als je hart: niet-weten is geen-boodschap.

Maar het doet me ook denken aan mijn favoriete tekenfilms waarin de held onbekommerd over de rand van de afgrond stapt, recht zo die gaat, dwars door de lucht, niets aan de hand – totdat hij naar beneden kijkt.

Zelf heb je vast weleens in de afgrond gekeken.

Misschien al zo vaak.

In redeloze verliefdheid.

In diepe rouw.

In totale ontreddering.

Verbijsterd door de gebeurtenissen.

In de greep van je onbegrip.

Het niet-weten voor het grijpen!

Maar je dacht diepzinnig:

Leven is lijden.

Of:

Het leven is een mysterie.

Of:

Ik moet in overgave leven.

Of:

Het is zoals het is.

Of:

Ik ben die ik ben.

Of:

Ik moet in mijn kracht gaan staan.

Of:

Ik ben het doek, niet de film.

Of:

Het is allemaal karma uit mijn vorige levens.

Of:

Alles is een illusie.

Of:

Alles is de weg.

Of iets anders, wat dan ook.

En je geloofde het.

Of je geloofde het juist niet.

Je geloofde het tegendeel.

Wat op hetzelfde neerkomt:

Je gedachten grepen jou weer.

Wie weet kijk je op een dag opnieuw naar beneden.

Misschien wel vandaag.

Misschien wel nu.

En je denkt:

Tja…

Je denkt:

Wat zal ik er eens van zeggen…

Je haalt je schouders op en HOP, daar ga je.

Je valt!

En valt!

En valt!

Een eindeloze vrije val…

Zonder teken of beletsel.

96 - In de wolk van niet-weten hangt alles in de lucht

In de wolk van niet-weten hangt alles in de lucht.

Geen hel meer onder je grond!

Geen grond meer onder je voeten!

Geen voeten meer onder je benen!

Geen benen meer onder je kont!

Geen kont meer onder je romp!

Geen romp meer onder je hoofd!

Geen hoofd meer onder je dak!

Geen dak meer boven je hoofd!

Geen hemel meer boven je dak!

Onder noch boven, hel noch heil!

In de wolk van niet-weten hangt alles in de lucht.

Voor jou misschien een schrikbeeld, maar dan heb je nog nooit een ruimtewandeling gemaakt.

Niets zo genoeglijk als een vrije val, eens je je dieptevrees overwonnen hebt.

Bed zonder grenzen.

97 - Niet-weten is een parachute

‘Wat is weten?’

‘Een luchtballon voor zwevers.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een parachute voor vallers.’

98 - Niet-weten is een vrije val

‘Wat is weten?’

‘Vastklampen aan de neus van een vliegtuig…’

verschrikte vogel klemt zich vast aan de neus van een vliegtuig
Vastklampen aan de neus van een vliegtuig

‘Terwijl je gewoon kan vliegen!’

‘Terwijl je gewoon kan vallen.’

99 - Niet-weten is leven tussen aanhalingstekens

Als je niets meer aanneemt over je gedachten, is het alsof ze hun uitroeptekens kwijtraken.

Alsof ze in een kleinere letter staan.

Alsof ze minder nadruk hebben.

Alsof ze tussen haakjes staan.

Tussen vraagtekens.

Tussen aanhalingstekens.

Niet GEDACHTEN!

Maar gedachten

Of gedachten

Of (gedachten)

Of ¿gedachten?

Of ‘gedachten’.

1. Niet WETEN! maar ‘weten’.

2. Niet DOEN! maar ‘doen’.

3. Niet DENKEN! maar ‘denken’.

4. Niet DUIDEN! maar ‘duiden’.

5. Niet OORDELEN! maar ‘oordelen’.

6. Niet SPREKEN! maar ‘spreken’.

7. Niet VOELEN! maar ‘voelen’.

8. Niet HECHTEN! maar ‘hechten’.

9. Niet HEBBEN! maar ‘hebben’.

10. Niet WILLEN! maar ‘willen’.

11. Niet ZIJN! maar ‘zijn’.

12. Niet ZIJ! maar ‘zij’.

13. Niet WIJ! maar ‘wij’.

14. Niet IK! maar ‘ik’.

15. Niet JIJ! maar ‘jij’.

16. Niet GOD! maar ‘god’.

17. Niet TAO! maar ‘tao’.

18. Niet BOEDDHA! maar ‘boeddha’.

19. Niet BEWUSTZIJN! maar ‘bewustzijn’.

20. Niet WAARHEID! maar ‘waarheid’.

21. Niet WIJSHEID! maar ‘wijsheid’.

22. Niet LEEGTE! maar ‘leegte’.

Misschien denk je nu dat je met je gedachten tussen aanhalingstekens wel de onverstoorbaarheid zelve zult zijn.

Een heerlijke gedachte, nietwaar?

Zo zonder aanhalingstekens.

Maar tussen aanhalingstekens?

Hm.

100 - Nou niet meteen weer conclusies gaan trekken, hè?

Recapit(ul)atie en decapit(ul)atie van het ‘verschil’ tussen ‘weten’ en ‘niet-weten’.

X: Op wat voor gronden berust onze kennis?

H: Op gronden tussen aanhalingstekens.

X: Wat als onze gronden inderdaad ‘gronden’ zijn?

H: Dan zijn onze bewijzen ‘bewijzen’, onze waarheden ‘waarheden’, onze zekerheden ‘zekerheden’, onze oordelen ‘oordelen’, onze standpunten ‘standpunten’, onze meningen ‘meningen’, onze normen ‘normen’, onze waarden ‘waarden’ en onze principes ‘principes’.

X: Zijn onze gronden ‘gronden’?

H: Dat valt niet te bewijzen.

X: Waarom niet?

H: Omdat bewijzen dan ‘bewijzen’ zouden zijn.

X: Bedoel je dat er wel degelijk gronden zijn?

H: Dat valt niet te bewijzen.

X: Waarom niet?

H: Als ze bewijsbaar waren zouden ze geen gronden zijn maar afgeleiden.

X: Wat betekent dit voor ons weten?

H: Dat het alleen maar ‘weten’ is.

X: En voor ons niet-weten?

H: Dat het alleen maar ‘niet-weten’ is.

X: En voor die aanhalingstekens?

H: Dat het alleen maar ‘aanhalingstekens’ zijn.

X: Wat is dan nog het verschil tussen ‘weten’ en ‘niet-weten’?

H: Een verschil tussen aanhalingstekens.

X: Een ‘verschil’.

H: Bij wijze van spreken.

X: Weten is ‘weten’ en niet-weten is ‘niet-weten’ en het verschil tussen ‘weten’ en ‘niet-weten’ is een ‘verschil’, bij wijze van spreken?

H: Jij zegt het.

X: Betekent dit niet dat ze identiek zijn?

H: Hoogstens tussen aanhalingstekens.

X: En minstens?

H: Helemaal.

X: Nou weet ik nog niks.

H: Nou niet meteen weer conclusies gaan trekken, hè?

101 - De koning is dood, leve de ‘koning’!

Het Grote Onttroningslied in 7 coupletten van 7 strofen.

Ik ‘denk’ nog wel maar ik DENK niet meer.
Ik ‘weet’ nog wel maar ik WEET niet meer.
Ik ‘meen’ nog wel maar ik MEEN niet meer.
Ik ‘geloof’ nog wel maar ik GELOOF niet meer.
Ik ‘veronderstel’ nog wel maar ik VERONDERSTEL niet meer.
Ik ‘verklaar’ nog wel maar ik VERKLAAR niet meer.
Ik ‘duid’ nog wel maar ik DUID niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

Ik ‘scheid’ nog wel maar ik SCHEID niet meer.
Ik ‘weeg’ nog wel maar ik WEEG niet meer.
Ik ‘oordeel’ nog wel maar ik OORDEEL niet meer.
Ik ‘aanvaard’ nog wel maar ik AANVAARD niet meer.
Ik ‘verwerp’ nog wel maar ik VERWERP niet meer.
Ik ‘bewonder’ nog wel maar ik BEWONDER niet meer.
Ik ‘minacht’ nog wel maar ik MINACHT niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

Ik ‘spreek’ nog wel maar ik SPREEK niet meer.
Ik ‘vloek’ nog wel maar ik VLOEK niet meer.
Ik ‘schreeuw’ nog wel maar ik SCHREEUW niet meer.
Ik ‘antwoord’ nog wel maar ik ANTWOORD niet meer.
Ik ‘vraag’ nog wel maar ik VRAAG niet meer.
Ik ‘luister’ nog wel maar ik LUISTER niet meer.
Ik ‘zwijg’ nog wel maar ik ZWIJG niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

Ik ‘pieker’ nog wel maar ik PIEKER niet meer.
Ik ‘verheug me’ nog wel maar ik VERHEUG me niet meer.
Ik ‘schaam me’ nog wel maar ik SCHAAM me niet meer.
Ik ‘koester’ nog wel maar ik KOESTER niet meer.
Ik ‘haat’ nog wel maar ik HAAT niet meer.
Ik ‘vier’ nog wel maar ik VIER niet meer.
Ik ‘rouw’ nog wel maar ik ROUW niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

Ik ‘heb’ nog wel maar ik HEB niet meer.
Ik ‘hecht’ nog wel maar ik HECHT niet meer.
Ik ‘begeer’ nog wel maar ik BEGEER niet meer.
Ik ‘neem’ nog wel maar ik NEEM niet meer.
Ik ‘geef’ nog wel maar ik GEEF niet meer.
Ik ‘win’ nog wel maar ik WIN niet meer.
Ik ‘verlies’ nog wel maar ik VERLIES niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

Ik ‘wil’ nog wel maar ik WIL niet meer.
Ik ‘streef’ nog wel maar ik STREEF niet meer.
Ik ‘plan’ nog wel maar ik PLAN niet meer.
Ik ‘pleit’ nog wel maar ik PLEIT niet meer.
Ik ‘bid’ nog wel maar ik BID niet meer.
Ik ‘hoop’ nog wel maar ik HOOP niet meer.
Ik ‘wanhoop’ nog wel maar ik WANHOOP niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

Ik ‘doe’ nog wel maar ik DOE niet meer.
Ik ‘laat’ nog wel maar ik LAAT niet meer.
Ik ‘werk’ nog wel maar ik WERK niet meer.
Ik ‘speel’ nog wel maar ik SPEEL niet meer.
Ik ‘leef’ nog wel maar ik LEEF niet meer.
Ik ‘sterf’ nog wel maar ik STERF niet meer.
Want ik ‘ben’ nog wel maar ik BEN niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK niet meer.

102 - Mijn koninkrijk voor een leven zonder koninkrijk

Geheim is wat je niet weet, maar niet-weten is geen geheim.

Beste Hans,

In je inleiding heb je het over ‘de schat van niet-weten’. Is agnose werkelijk een schat? Is het jouw grootste schat? Waarom kan ik het niet als schat herkennen?

Beste X,

Een glimlach kun je van me krijgen. Een knipoog doe ik er gratis bij. Verder heb ik niets te zeggen. Niets om uit te leggen. Dát is mijn schat.

X: Dat snap ik niet.

H: Ik heb geen schat, niet dat ik weet. Ik ben geen schat, niet dat ik weet. Ik hoef geen schat, niet dat ik weet. Dát is mijn schat, voor zover ik weet.

X: Noem dat maar een schat.

H: Een schat zonder schat.

X: Bedoel je dat er geen schat ís?

H: Dat weet ik niet. Ook dat is mijn schat.

X: Dat er geen geheim is, bedoel ik. Anders dan het leven zelf.

H: Geen idee. Ook dat blijft voor mij geheim.

X: Jij weet alleen maar niet.

H: Alles is mij duister.

X: Zou je niet liever verlicht zijn?

H: Wie zegt dat ik niet verlicht ben?

X: Denk jij dat je verlicht bent?

H: Geen idee. Ook dat blijft voor mij geheim.

X: Kan het je dan niks schelen?

H: Zolang het je kan schelen ben je het niet.

X: En als het je niks kan schelen?

H: Dan doet het er niet toe.

X: Het maakt deel uit van het geheim.

H: Geheim is wat je niet weet.

X: Is niet-weten je grote liefde?

H: Niet-weten is gewoon een feit. Het is er of ik ervan hou of niet. Aanvankelijk was ik misschien flink in de rouw, maar ik ben er steeds meer van gaan houden.

X: Zou je er je leven voor geven?

H: Wat heeft dat voor zin? Zonder leven geen weten, zonder weten geen niet-weten. Een martelaar voor niet-weten is een contradictio in terminis.

X: Ik probeer erachter te komen hoe belangrijk agnose voor jou is vergeleken met aardse zaken.

H: Agnose is heel aards hoor.

X: Wat zou je ervoor over hebben?

H: Stel dat ik moest kiezen tussen de schat van agnose en de schat die Lucienne heet. Of tussen agnose en mijn tong, waarmee ik proef en eet en drink en klets. Of tussen agnose en mijn huis of mijn voeten of mijn schoenen. Of tussen agnose en een goede stoelgang of een kussen onder mijn kont. Ik zou niet weten wat ik moest kiezen.

X: En als je toch moest kiezen?

H: Dan koos ik alles. Niet-weten én Lucienne én mijn tong én mijn huis én mijn voeten én mijn schoenen én én een goede stoelgang én een kussen onder mijn kont.

X: En als je maar één ding mocht kiezen?

H: Dan koos ik voor niet-kiezen.

X: Je koninkrijk voor…

H: Een goed gevulde supermarkt.

X: Hè?

H: Een leven zonder koninkrijk dan maar.

X: Je koninkrijk voor een leven zonder koninkrijk?

H: Ik stel mijn lege schat aan iedereen gratis ter beschikking. Hebben?

X: Mij te leeg.

H: Dat zeggen ze allemaal. Dus waarom zou ik kiezen?

103 - Niet-weten is uit de boot vallen

Elf keer ik, zei de gek.

ik
ik ben
ik ben ‘ik’
‘ik’ ben ‘‘ik’’
‘‘ik’’ ben ‘‘‘ik’’’
‘‘‘ik’’’ ben ‘‘‘‘ik’’’’
‘‘‘‘ik’’’’ ben ‘‘‘‘‘ik’’’’’
‘‘‘‘‘ik’’’’’ ben ‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’
‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’ ben ‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’
‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’ ben ‘‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’’
‘‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’’ ben ‘‘‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’’’
wie dat ook moge wezen
wat dat ook moge zijn

104 - In agnose ben je niet gedachtevrij

Dat had je gedacht!

In agnose ben je niet vrij van gedachten.

Het is niet stil van binnen.

Je geest is niet leeg.

Er zijn niet alleen maar goede gedachten.

Of mooie.

Of diepe.

Zijn er gedachten dan zijn er gedachten.

Zijn ze er even niet dan zijn ze er even niet.

Zijn ze er helemaal niet meer dan ben je dood.

Maar welke gedachte er ook in je opkomt, je neemt niet aan dat hij waar is.

Je neemt niet aan dat hij onwaar is.

Niets neem je erover aan.

Ook dit niet.

105 - Niet-weten is een gedachtengum

Agnose betekent niet dat je geen gedachten meer hebt.

Het betekent dat ze jou niet meer hebben.

Je wordt een soort gedachtengum.

Voortaan lach je om je gedachten!

Ook om de gedachte dat je voortaan om je gedachten zult lachen!

Dat dat wáár zou zijn!

Dat je de rest van je leven een vrolijke Frans zult zijn!

Dat dát niet-weten is!

Je lacht om de gedachte dat je gedachten jou niet meer hebben!

Je lacht om de gedachte dat er een jou is om te hebben!

Je lacht om de gedachte dat er geen jou zou zijn om te hebben!

Je lacht om de gedachte van een gedachtengum!

Je lacht om de gedachte hoe jammer het is om die gedachte te moeten lachen!

Je lacht om het idee van niet-weten!

’t Idee!

Om je dood te lachen!

Hè hè.

Is me dat lachen.

Tekening van een potlood dat een gum tekent dat een tekening van een gum uitgumt.

Stijlfiguren niet-weten: ironie

Ironie is een vorm van (zelf)spot waarbij je niet zegt wat je bedoelt, bijvoorbeeld een understatement, overdrijving of omkering. Het is een manier van spreken die alles tussen haakjes zet, en daarom heel geschikt als stijlfiguur voor niet-weten.

Omkering

Een omkering of inversie is een vorm van ironie waarbij je het tegenovergestelde zegt van wat je bedoelt.

Niet-weten is de grootste intellectuele uitdaging van onze tijd.

Overdrijving

Een overdrijving of hyperbool is een vorm van ironie waarbij je iets sterker uitdrukt dan je het bedoelt.

Zen is zitten tot je een ons weegt.

Understatement

Een understatement of parabool is een vorm van ironie waarbij je iets zwakker uitdrukt dan je het bedoelt.

Inshallah’ duidt nou niet direct op een heilig geloof in de vrije wil.

106 - Sterven aan het bekende

Leerling: Je moet sterven aan het bekende.

Meester: Zelf bedacht?

Leerling: Eh… nee.

Meester: Dan ben je nog niet gestorven aan het bekende.

107 - Hangen aan het bekende

Hangen en wurgen.

Leerling: Je moet sterven aan het bekende.

Meester: En dan?

Leerling: Zie je de waarheid.

Meester: Welke waarheid?

Leerling: Dat weet ik nog niet.

Meester: Nou, ik wel.

Leerling: Wat dan?

Meester: Dat je sterft aan het bekende.

Leerling: En dan?

Meester: Niks dan.

Leerling: Dat is het al?

Meester: Je wou toch de waarheid?

Leerling: Jawel.

Meester: En je hebt er niet eens voor hoeven sterven.

Leerling: Er is alleen maar sterven aan het bekende?

Meester: Ik mag hangen.

108 - Geboren worden in het bekende

Leerling: Wat als je aan het bekende gestorven bent?

Meester: Dan word je er weer in geboren.

Leerling: Waarin?

Meester: In het bekende.

Leerling: En dan?

Meester: Sterf je er weer aan.

Leerling: En dan?

Meester: Word je er weer in geboren.

Leerling: Komt daar ooit een eind aan?

Meester: Tot nog toe niet.

Leerling: Maar het zou kunnen?

Meester: Als je het loodje legt?

Cirkelvormige asfaltweg.

109 - Leven met het bekende

Leerling: Je moet sterven aan het bekende.

Meester: En dan?

Leerling: Daar vraagt u me wat.

Meester: Niet slecht.

Leerling: Wat zou u zeggen?

Meester: Je blijft maar sterven aan het bekende.

Leerling: Hoe kan dat nou?

Meester: Omdat het je maar blijft belagen.

110 - Sterven aan het onbekende

Leerling: Wat betekent sterven aan het bekende?

Meester: Geboren worden in het onbekende.

Leerling: En dan?

Meester: Moet je sterven aan het onbekende.

Leerling: Hè?

Meester: Had je niet gedacht hè?

Leerling: Wat is sterven aan het onbekende?

Meester: Geboren worden in het bekende.

Leerling: En dan?

Meester: Enzovoort.

Leerling: Ik bedoel, wat heb je dan gewonnen?

Meester: Wie zegt dat je er iets bij zult winnen?

Leerling: Waarom zou je het anders doen?

Meester: Wie zegt dat je het doet?

Leerling: Bedoelt u dat je het ondergaat?

Meester: Wie?

Leerling: Bedoelt u dat de persoon een illusie is?

Meester: Tenzij dat ook een illusie is.

Leerling: Is het dat ook?

Meester: Tenzij dat ook een illusie is.

Leerling: Toe nou.

Meester: Ja joh, je treft het niet.

Leerling: Hoezo?

Meester: Ik zit net weer in het onbekende.

111 - Een weetniet is een ontsnappingskunstenaar

Een fraaie metafoor voor agnose is die van het echappement of escapement – een taalpurist zou zeggen de ontsnapper.

Het echappement van een uurwerk is dat deel van het mechaniek dat ervoor zorgt dat het loopt en dat het gelijk loopt.

Het echappement bestaat uit verschillende onderdelen, waaronder twee wieltjes: de onrust en de rust.

De onrust is een tandloos wieltje in de vorm van een autostuur op een asje verbonden met een opwindveer.

De onrust slingert almaar heen en weer en drijft via een vorkje een tweede wieltje aan, de rust.

De rust heeft asymmetrische tandjes, aan één kant hol, aan de andere kant bol, die bij de heengaande beweging van de vork vooruit geduwd worden en bij de teruggaande beweging afglijden – ontsnappen.

Vandaar dat de rust gewoonlijk het echappementswiel (ontsnappingswiel), ook wel het ankerrad wordt genoemd.

Door het aandrijven en afglijden wordt het heen-en-weer van de onrust omgezet in het gaan-en-staan van de rust, die na iedere tik de geest geeft – hè hè, even bijkomen.

Dit als opmaat voor onderstaande beeldspraak, want we bedrijven hier geen klokkunde, wat jij.

Denken is als het slingeren van de onrust, die niet van ophouden weet.

Weten is als het gáán van de rust.

Niet-weten is als het staan van de rust.

Gaan, staan, gaan, staan, gaan, staan…

Weten, niet-weten, weten, niet-weten, weten, niet-weten…

TIK! Pff. TIK! Pff. TIK! Pff…

Een agnost is een ontsnappingskunstenaar, zijn denken een echappement.

Dit alles bij wijze van spreken.

Een geest is nou eenmaal geen uurwerk – maar wel zo getikt.

Pff.

112 - Niet-weten is een surplace van de denker

‘Wat is niet-weten?’

‘Een surplace van de denker.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Je gedachten gaan nog steeds overal heen…’

‘Maar jijzelf gaat niet meer mee?’

‘Zoiets.’

‘Prachtig.’

‘Maar ja.’

‘Wat?’

‘Dat is ook maar een gedachte.’

113 - Niet-weten is een surplace van je gedachten

‘Wat is niet-weten?’

‘Een surplace van je gedachten.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Jij gaat nog steeds overal heen…’

‘Maar je gedachten gaan niet meer mee?’

‘Zoiets.’

‘Prachtig.’

‘Maar ja.’

‘Wat?’

‘Dat is ook maar een gedachte.’

114 - Dwijs is wie niet dwaas is en niet wijs

Laten we onze woordenschat een beetje uitbreiden.

Wijs is wie het bij het rechte eind heeft – of bij het langste.

Dwaas is wie het bij het verkeerde eind heeft – of bij het kortste.

Wie niet weet, kent het rechte eind niet van het kromme, het langste eind niet van het kortste.

Wie niet weet is wijs noch dwaas.

Daarom noem ik hem maar dwijs.

Niet-weten heet dan dwijsheid,

wie niet weet een dwijze

of een dwijsneus

of een dwijsgeer

die dwijsbegeerte bedrijft

(of erdoor bedreven wordt)

en dwijselijk zijn gang gaat.

115 - Zeg maar Tja tegen het leven

Korte woorden zijn krachtig.

Hoe korter hoe krachtiger.

Dada!

Nada!

Niks!

Tao!

Zero!

Zen!

God!

Kut!

Oei!

Wat kan daar tegenop?

Hadden we maar zo’n ultrakort woord voor niet-weten.

Hadden we in het Nederlands maar een woord dat…

Maar wacht eens even, dat hebben we.

Ziehier agnose in drie letters:

Tja

Drie letters!

Korter kan écht niet.

Als iemand je dus weer eens vraagt wat niet-weten is, dan weet je wat je moet zeggen…

Twee mannetjes, de linker kijkt vragend, de rechter zegt ‘Eh…’.

Verdraaid!

Kon het toch korter!

116 - Zeg maar ja, nee, tja tegen het leven

Ja

Doen!

Hechten!

Weten!

Nee

Niet doen!

Niet hechten!

Niet weten!

Tja

Niet doen aan niet doen.

Niet hechten aan niet hechten.

Niet weten van niet-weten.

117 - Wijsheid is een hond

Volgens de overlevering brak chanmeester Wumen Huikai* zich maar liefst zes jaar lang het hoofd over de koan ‘Heeft een hond de boeddhanatuur?’ voor hij eindelijk brak.

* 1183-1260, samensteller van de koancollectie De Poortloze Poort, waarvan dit de eerste koan is.

De dag na zijn uitbraak blafte hij het volgende gedicht:

wu wu wu wu wu
wu wu wu wu wu
wu wu wu wu wu

Zelf zeg ik het zo:

tja tja tja tja tja
tja tja tja tja tja
tja tja tja tja tja

En als ik het moe ben:

bla bla bla bla bla
bla bla bla bla bla
bla bla bla bla bla

en tegen baby’s en andere dadaïsten:

da da da da da
da da da da da
da da da da da

en als ik er de lol van inzie:

ha ha ha ha ha
ha ha ha ha ha
ha ha ha ha ha

Niet-weten – je hoeft er echt niet voor geleerd te hebben.

Hond met boeddhakop.
Wijsheid is een hond.

118 - Weergaloze agnose!

Agnose in 33 adjectieven.

1. Ademloze agnose!

2. Argeloze agnose!

3. Belangeloze agnose!

4. Bodemloze agnose!

5. Doelloze agnose!

6. Feilloze agnose!

7. Gedachteloze agnose!

8. Genadeloze agnose!

9. Gewichtloze agnose!

10. Gezichtloze agnose!

11. Grondeloze agnose!

12. Hoofdloze agnose!

13. Inhoudsloze agnose!

14. Keuzeloze agnose!

15. Kosteloze agnose!

16. Mateloze agnose!

17. Moeiteloze agnose!

18. Nameloze agnose!

19. Poortloze agnose!

20. Pretentieloze agnose!

21. Redeloze agnose!

22. Restloze agnose!

23. Roekeloze agnose!

24. Roemloze agnose!

25. Schaamteloze agnose!

26. Sprakeloze agnose!

27. Thuisloze agnose!

28. Vorm(e)loze agnose!

29. Vrageloze agnose!

30. Waaromloze agnose!

31. Weerloze agnose!

32. Wezenloze agnose!

33. Willoze agnose!

Hè hè.

Effe ademhalen.

119 - Geen inzicht, maar wat een uitzicht!

De Spaanse christenmysticus Jan van het Kruis (1542-1591) vergeleek het spirituele pad met de bestijging van een berg.

Bergbeklimmen is een moeilijke, vermoeiende en riskante onderneming, dus de vraag is gerechtvaardigd waar het goed voor is. Wat levert het op?

Monnik op één been wankelend op een bergtop.
Geen inzicht, maar wat een uitzicht!

Jan van het Kruis zegt het zo:

nada, nada, nada
nada, nada, nada
aún en el monte
nada

Vrij vertaald:

nop, nop, nop
nop, nop, nop
en ook op de top
nop

Niet-weten – je hoeft er echt niet voor geleerd te hebben.

Stijlfiguren niet-weten: ellips

Een stijlfiguur die de dwijze goed van pas komt is de ellips: het weglaten van woorden die er makkelijk bij gedacht kunnen worden. De paradox niet-weten, zelfs niet van niet-weten kan bijvoorbeeld worden ingekort tot zelfs niet van niets weten. Andere voorbeelden van ellipsen:

Zelfs niet zonder principes zijn.

Zelfs het opgeven opgeven.

Zelfs van onthechting onthecht.

Passen we de ellips toe op de beginterm van het oxymoron wetend niet weten dan verkrijgen we niet weten.

Doende niet doen wordt niet doen.

Zeggend niet zeggenwordt niet zeggen.

Langs elliptische weg is het niet alleen mogelijk langdradige paradoxen weer te geven met een enkel woord, maar ook om paradoxen aan te duiden die zich anders maar lastig laten formuleren: niet duiden, niet interpreteren, niet vragen, niet antwoorden.

In plaats van de beginterm kunnen we ook de eindterm van een oxymoron laten vallen. Wetend niet-weten wordt dan ‘weten’. Dat werkt goed, op voorwaarde dat we het overblijvende woord tussen aanhalingstekens zetten, want anders is het niet meer te herkennen als een elliptisch oxymoron.

Ook de ellips niet-weten kunnen we tussen aanhalingstekens zetten, om te benadrukken dat het niet om een letterlijk niet weten gaat – alsof ik kan weten dat ik niets weet – maar om een wetend niet-weten, een niet-weten tussen aanhalingstekens, een ‘niet-weten’.

Het gebruik van aanhalingstekens is doeltreffend en vanzelfsprekend. Zelfs zonder bovenstaande uitleg weet je intuïtief wat ik bedoel als ik ‘ik’ schrijf of spreek over ‘de wereld’. Zou ik steeds helemaal moeten uitleggen dat ik niet weet wat of dat wereld is en wie of wat of dat ik ben en dat ik zelfs dat niet weet, dan zouden mijn teksten, net als deze zin, nog complexer en langdradiger worden dan ze al zijn.

Toegepast op de paradox niet-weten, zelfs niet dat je niets weet, levert de ellips ons dus nog eens vier equivalente figuren op:

1. zelfs niet van niets weten

2. niet-weten

3. ‘weten’

4. ‘niet-weten’

Hieronder de vier formules van de ellips op een rijtje, met een zelfbedachte naam die je meteen weer mag vergeten.

1. halfparadox: zelfs niet-A niet

2. rechterterm: niet-A

3. linkerterm tussen aanhalingstekens: ‘A’

4. rechterterm tussen aanhalingstekens: ‘niet-A’

Laten we uit formule 1 de specificatie niet-A weg, dan ontstaat de generieke spreuk ‘zelfs dat niet’ of ‘en dat ook niet’. Dit laatste zinnetje was de spontane mantra waarmee ik in oktober 2007, de eerste maand van mijn niet-weten toen ik er nog nauwelijks woorden voor had, zelfs niet de term niet-weten, ‘iedere’ gedachte begroette.

Om zonder gebaren in gesproken tekst aan te geven dat een woord tussen aanhalingstekens staat, kun je woorden als quasi en verondersteld gebruiken: quasi-ik of de veronderstelde wereld, maar dat is wel link omdat ze al snel als ontkenning gaan fungeren.

Ook termen als de zogenaamde wereld en de hypothetische god wekken de indruk dat volgens de spreker de wereld een illusie is en god niet bestaat. Daarmee zijn we in het domein van het weten beland, en dat was nou net niet de bedoeling.

120 - Niet-weten is uit de kunst

‘Wat is niet-weten?’

‘De kunst van het weglaten.’

‘Wat blijft er over na een leven lang weglaten?’

‘Tja.’

‘Dat is ook niet veel.’

‘Och.’

‘Het enige wat rest is de kunst van het weglaten?’

‘Ook afgedankt.’

121 - Het Lege Boek – niet-weten als dummy

Als je niets weet, heb je niets te zeggen.

Je boek met levenswijsheid is helemaal leeg.

Zo leeg als een dummy.

* dummy: 1. onbedrukt boek voor in de etalage, 2. iemand die nog niet weet, 3. iemand die niet meer weet, 4. het Lege Boek.

Inhoudsopgave van het Lege Boek

Hoofdstuk 1. Geen antwoorden!

Hoofdstuk 2. Geen oplossingen!

Hoofdstuk 3. Geen constateringen!

Hoofdstuk 4. Geen conclusies!

Hoofdstuk 5. Geen waarheden!

Hoofdstuk 6. Geen zekerheden!

Hoofdstuk 7. Geen raadgevingen!

Hoofdstuk 8. Geen lijfspreuken!

Hoofdstuk 9. Geen oefeningen!

Hoofdstuk 10. Geen methoden!

Hoofdstuk 11. Geen pad!

Bijlagen: Geen bijlagen!

Is jouw levensboek leeg?

Niet bijna leeg maar helemaal?

Zelfs van leegte ontdaan?

Hyperleeg zogezegd?

Heb je echt niets meer te zeggen?

Zelfs niet dat de waarheid niet bestaat?

Zelfs niet dat er geen antwoorden zijn?

Zelfs niet dat er niets te zeggen valt?

Zelfs niet dat… (beletselteken).

Ben jij voorgoed uitgepraat?

Nee?

Dan mag je jezelf verduisterd noemen.

Als je het maar niet opschrijft tenminste.

Waarom niet, vraag je nog?

Omdat je boek dan niet meer leeg zou zijn…

Dummy!

122 - Monnikenwerk van een meesterschrapper

‘Jij bent een schrijver van niks, Hans.’

‘Vertel mij wat.’

‘Jouw boek is helemaal leeg!’

‘Ik heb er jaren aan gegumd.’

123 - Witboek voor dummy’s

‘Waarheen leidt de weg van niet-weten, Hans?’

‘Sla je dummy er maar op na.’

‘Daar staat toch niks in, dummy!’

‘Sla jezelf er dan op na, dummy!’

‘Daar word ik ook al niet wijzer van, dummy!’

‘Nou dan.’

124 - Een agnost is geen obscurantist

‘Volgens mij leidt niet-weten alleen maar tot obscurantisme, Hans.’

‘Volgens mij leidt niet-weten tot niets.’

‘Maar het ziet kennis toch als iets slechts?’

‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Omdat weten… omdat niet-weten…’

‘Sla het Lege Boek er dan op na, dummy.’

125 - Een agnost is geen anti-intellectualist

‘Volgens mij leidt niet-weten alleen maar tot anti-intellectualisme, Hans.’

‘Volgens mij leidt niet-weten tot niets.’

‘Maar het verzet zich toch tegen de rede?’

‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Omdat weten… omdat niet-weten…’

‘Sla het Lege Boek er dan op na, dummy.’

126 - Een agnost is geen non-dualist

‘Volgens mij leidt niet-weten alleen maar tot non-dualisme, Hans.’

‘Volgens mij leidt niet-weten tot niets.’

‘Maar het ontkent toch alle onderscheidingen?’

‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Omdat weten… omdat niet-weten…’

‘Sla het Lege Boek er dan op na, dummy.’

127 - Een agnost is geen nihilist

‘Volgens mij leidt niet-weten alleen maar tot nihilisme, Hans.’

‘Volgens mij leidt niet-weten tot niets.’

‘Maar het betwist toch alle grondwaarden en grondwaarheden?’

‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Omdat weten… omdat niet-weten…’

‘Sla het Lege Boek er dan op na, dummy.’

128 - Het Boek zonder Antwoorden

Eerste, Laatste en Enige Editie!

Bibliografie

999 Pagina’s blanco papier (999 g/m2), geschept, A2, goud-op-snee, NIX Uitgevers, Amsterdam, 2020.

Hoe gebruik je Het Boek zonder Antwoorden?

1. Houd Het Boek gesloten in de hand op schoot of leg het op tafel.

2. Bedenk een vraag, welke dan ook.

3. Je mag alle vragen stellen. Bijvoorbeeld: ‘Wat is de zin van het leven?’ ‘Heeft een hond de boeddhanatuur?’ ‘Hoe maak ik mijn kat veganistisch?’ ‘Welke vraag moet ik stellen?'

4. Stel niet meer dan één vraag tegelijk.

5. Concentreer je tien tot vijftien seconden op je vraag.

6. Terwijl je je vraag formuleert, in gedachten of hardop, leg je één hand op het boek en strijk je met de vingers van de andere hand van onder naar boven langs de zijkant van de bladzijden.

7. Wanneer je het gevoel hebt dat het juiste moment is aangebroken, sla je het boek open en krijg je onmiddellijk geen antwoord op je vraag.

8. Sluit het boek (pas op voor je vingers).

9. Geniet nog wat na van het wijdse uitzicht.

10. Herhaal deze procedure voor alle vragen die je hebt.

11. Herhaal deze procedure voor alle antwoorden die je hebt.

Reacties

1. ‘Eindelijk een boek dat je nooit uit krijgt!’

2. ‘Eindelijk een boek dat je meteen uit hebt!’

3. ‘Hier word je pas rustig van!’

4. ‘Hier word je pas gek van!’

5. ‘Je mist er niets aan!’

6. ‘Dit mag je niet missen!’

7. ‘Wijsheid zonder woorden!’

8. ‘Geen woorden maar daden!’

9. ‘Binnen een maand was mijn kat dood!’

10. ‘Meesterwerk van een leerlingschrapper!’

11. ‘Prima herbarium!’

Vaak samen gekocht met

Het Lege Boek

Witboek Niet-Weten

Dummy’s voor dummy’s

De Kolk van Niet-Weten

Websites

Nederland: nietweten.nl

Zuid-Afrika: nietsweten.za

Zweden: nietzweten.se

Groot-Brittanië: nosweat.uk.

Het Boek zonder Antwoorden is geïnspireerd door de bestseller Het Boek met alle Antwoorden van Carol Bolt – het Amerikaanse Antwoord op de Chinese I Tjing.

129 - Niet-weten is een lege leer

Als je niets weet, heb je geen leer. Heb je er toch een dan is het een lege.

Niet-weten is een lege leer.

Nu kan er maar één leer zonder inhoud bestaan. Waarin zou de ene lege leer, Ø1, van de andere lege leer, Ø2 moeten verschillen? Leeg is leeg, en daarmee basta.

Een gat is een gat.

Nul is nul.

Eh is eh.

Jouw niet-weten is mijn niet-weten.

Jouw duisternis is mijn duisternis.

Jouw lege leer is mijn lege leer.

Jouw tja is mijn tja.

Hoezeer we als mens ook verschillen, we zijn allemaal even dwijs.

Daarom noem ik niet-weten gewoon dé lege leer.

Want er is maar één lege leer:

Geen lege leer.

130 - De lege leer is knecht noch heer

De lege leer:

1. Je kunt haar niet aanleren. Je kunt haar niet afleren.

2. Je kunt haar niet onthouden. Je kunt haar niet vergeten.

3. Je kunt haar niet kennen. Je kunt haar niet ontkennen.

4. Je kunt haar niet verstaan. Je kunt haar niet misverstaan.

5. Je kunt haar niet bewijzen. Je kunt haar niet ontkrachten.

6. Je kunt haar niet aanvallen. Je kunt haar niet verdedigen.

7. Je kunt haar niet aanhangen. Je kunt haar niet afvallen.

8. Je kunt haar niet opleggen. Je kunt haar niet verbieden.

9. Je kunt haar niet ontvangen. Je kunt haar niet weggeven.

10. Je kunt haar niet overdragen. Je kunt haar niet achterhouden.

11. Je kunt haar niet hebben. Je kunt haar niet kwijtraken.

NIETS kun je met de lege leer.

KLAAR ben je ermee.

Ken jij ook maar één andere leer waarvoor dit geldt?

131 - De lege leer is geen partij

De lege leer:

Je kunt er NIETS mee rechtvaardigen.

Je kunt er NIETS mee veroordelen.

1. Geen enkele gedachte.

2. Geen enkel gevoel.

3. Geen enkel idee.

4. Geen enkele opvatting.

5. Geen enkele overtuiging.

6. Geen enkel geloof.

7. Geen enkel ongeloof.

8. Geen enkele norm.

9. Geen enkele waarde.

10. Geen enkel ideaal.

11. Geen enkel motto.

12. Geen enkel principe.

13. Geen enkel voorschrift.

14. Geen enkel verbod.

15. Geen enkele verklaring.

16. Geen enkele ingreep.

17. Geen enkel recht.

18. Geen enkele plicht.

19. Geen enkele wet.

20. Geen enkele filosofie.

21. Geen enkele anti-filosofie.

22. Geen enkele traditie.

NIETS kun je rechtvaardigen met de lege leer.

NIETS kun je veroordelen met de lege leer.

NIETS kun je met de lege leer.

KLAAR ben je ermee.

Ken jij ook maar één andere leer waarvoor dit geldt?

132 - De lege leer stelt enkel vrij

De lege leer:

1. Je kunt er niemand mee bevrijden. Je kunt er niemand mee vangen.

2. Je kunt er niemand mee verlichten. Je kunt er niemand mee oplichten.

3. Je kunt er niemand mee helpen. Je kunt er niemand mee hinderen.

4. Je kunt er niemand mee helen. Je kunt er niemand mee breken.

5. Je kunt er niemand mee bemoedigen. Je kunt er niemand mee ontmoedigen.

6. Je kunt er niemand mee versterken. Je kunt er niemand mee verzwakken.

7. Je kunt er niemand mee zegenen. Je kunt er niemand mee vervloeken.

8. Je kunt er niemand mee verrijken. Je kunt er niemand mee verarmen.

9. Je kunt er niemand mee vereren. Je kunt er niemand mee vernederen.

10. Je kunt er niemand mee winnen. Je kunt er niemand mee verliezen.

11. Je kunt er niemand mee aantrekken. Je kunt er niemand mee afstoten.

NIETS kun je met de lege leer.

KLAAR ben je ermee.

Ken jij ook maar één andere leer waarvoor dit geldt?

133 - De lege leer is puur wu wei

De lege leer hoeft nergens heen. De lege leer hoeft nergens weg.

De lege leer laat zich voor geen enkel karretje spannen. De lege leer wil niemand voor haar karretje spannen.

Met de lege leer kun je geen kant op, met de lege leer kun je alle kanten op.

Dat is nou net het mooie ervan, dat is nou net het vervelende ervan.

Ja, wat is het nou?

Het is maar net hoe je het bekijkt.

En als je het niet bekijkt?

En als je het van alle kanten bekijkt?

Hoe je het ook bekijkt, de lege leer is helemaal het einde.

Wat dan wel een nieuw begin zal zijn.

Maar waarvan?

Giraf met zebrastrepen, pantervlekken, slangenhuid en slobkousen, die met twee koppen tegelijk zichzelf staat te bekijken.
En als je het van alle kanten bekijkt?

134 - Het lege pak – de keizer in zijn hemd

‘Als je het mij vraagt is de lege leer gewoon een oud verhaal in een nieuw jasje, Hans.’

‘Als je het mij vraagt is de lege leer gewoon een oud verhaal zonder jasje.’

‘De lege leer is gewoon een oud verhaal zonder jasje?’

‘Welnee.’

‘Wat dan?’

‘De lege leer is gewoon een oud jasje.’

‘En dat verhaal dan?’

‘Ik ben al jaren de draad kwijt.’

‘En dit verhaal?’

‘Hetzelfde laken een pak.’

135 - Niet-weten is geen vetpot

‘Ik vind niet-weten onverteerbaar.’

‘Geen probleem.’

‘Hoezo?’

‘De voedingswaarde is nihil.’

136 - Ik is een paradox

Beste Hans,

Wat ik je nu opstuur zijn de stukken en brokken die overgebleven zijn na een etmaal van schrijven, wissen, niet verzenden, overwegen, snacken, dommelen en weer van voren af aan beginnen. Je ziet, er is bitter weinig van overgebleven.

Goeroes zeggen dat alles goed is zoals het is. Dat wil ik graag geloven. Maar als ik zie dat er iets niet goed is, dan is dat toch ook wat er is? Dan is dat toch ook goed?

Zo ontstaat er binnen twee gedachten een paradox waar ik hopeloos in vastloop. Is het nou wel goed dat iets niet goed is of juist niet?

Heel af en toe overkomt het me dat iets helemaal goed lijkt, een heerlijk gevoel, maar dan herinnert iets anders me er wel weer aan dat er toch iets niet goed aan is, en dan begint het lieve leven opnieuw.

Wat wil ik nou eigenlijk? Ik wil niet meer willen, denk ik. Dan ben je overal vanaf, lijkt mij. Maar dat lukt me niet, dus kan ik beter stoppen met te willen niet meer te willen, maar dan wil ik dát weer en dat wil ik óók niet. Allemaal paradoxen. Een en al perplexiteit.

Ik wil het leven omarmen! Helemaal! Ik wil niet meer willen! Helemaal niet!

Wat moet ik hiermee?

Beste X,

Denken dat iets niet goed is zoals het is, is ook wat er is, of je nou wil of niet.

Denken dat het niet goed is dat je denkt dat iets niet goed is zoals het is, is nog steeds wat er is, of je nou wilt of niet. Dus dat zit wel goed.

Of het zit wel fout, goed fout, als je dacht in deze formule de weg uit het denken te vinden. Als je dacht jezelf 1, 2, 3 uit het denken te kunnen denken.

Sommige mensen hopen rust te vinden door het leven onvoorwaardelijke te omarmen, met alles erop en eraan. Ze willen willoos worden als een doodgeboren lam.

Hoe gaat iemand die alles verwelkomt, om met innerlijk verzet, denk jij?

Het verzet omarmen? Dan blijft er verzet.

Het verzet bestrijden? Dan komt er nog meer verzet.

Dénken dat je alles moet omarmen is al een daad van verzet.

Rust zoeken is vechten tegen je onrust.

Rust zoeken in je onrust is nog steeds een vorm van onrust en nog altijd een daad van verzet.

X: Dat snap ik niet.

H: De Eerste Wereldoorlog werd door de beroemde historicus en science-fiction schrijver H.G. Wells (1866-1946) the war to end all wars genoemd. Nou, dat hebben we geweten.

Vier jaar lang de hel op aarde. Slechts 22 jaar later de Tweede Wereldoorlog. Die ook al geafficheerd werd als de laatste oorlog. Een paar jaar later de Koude Oorlog.

Spiritualiteit: the inner war to end all inner wars.

Zoeken naar the thought to end all thoughts.

Gejaagd door the will to end all willing.

Hoeveel jaar ben je hier nou al mee bezig?

X: Wat is perplexiteit?

H: Een weten dat is vastgelopen, maar nog altijd niet van ophouden weet.

X: Bingo.

H: Een denken dat doldraait, maar nog steeds tot rust hoopt te komen door een tandje bij te schakelen.

X: Maar wat moet ik dan?

H: Je denkt dat je wat moet.

X: Daar ben ik steeds van uitgegaan.

H: Dit is mijn ervaring:

Zolang je je perplexiteit probeert te vangen in je denken, zit je verstrikt in haar netten.

Zolang je haar probeert te vangen in woorden zul je haar wissen.

Zolang je haar probeert te vangen in stilte zul je het uitschreeuwen.

X: En jij dan?

H: Bij mij is er iets doorgebrand.

X: Het lijntje brak.

H: Het schip zonk en het land verdronk. Zo van:

Wat een gezeik.
Ik ben het zat.
Slijk is slijk.
Dan maar nat.
Vinger uit de dijk.
Water zonder bad.
Rijk zonder rijk.
Dood zonder lijk.
Mond zonder blad.

X: En dat was dat.

H: Einde verhaal.

X: Wat is eigenlijk een paradox?

H: Het oog van de orkaan waar jij omheen draait.

X: Bingo.

H: De bodem van de maalstroom waar jij tegenin zwemt.

X: Het gat in de dijk waar ik mijn vinger in steek.

H: Een paradox is een gat in het denken. Dat denken lijkt massief maar het is hartstikke poreus. Het zit vol gaten. Van het denken kun je geen kaas maken – behalve gatenkaas.

X: Denken is gatenkaas.

H: Al die gaten in het denken zijn met elkaar verbonden. Ze vormen de tussenruimte van je gedachten. Het interstitium. In feite is het één groot zwart gat.

X: En jij bent in dat gat gevallen.

H: Ik val ermee samen.

X: Jij bent het gat in het denken.

H: Ik is een paradox.

X: Waarom ben jij zo lekker aan het schrijven en ik alleen maar aan het wissen?

H: Schrijven is vaststellen, wissen is vrijstellen. Jij doet óf het een, óf het ander.

Ik doe beide tegelijk.

Vangen om te bevrijden.

Schrijvend wissen.

Aanzuigend uitblazen.

Als een didgeridoo:

The sound must go on.

Stijlfiguren niet-weten: paradox

Een paradox is een stijlfiguur in de vorm van een uitdrukking of uitspraak die zichzelf tegenspreekt.

Voorbeelden:

Ik weet niets maar dat weet ik wel verdomd zeker.

Ik weet niets, dit ook niet.

Ik heb niets te zeggen, en dat zeg ik.

Ik heb zelfs niet niets te zeggen.

De twijfel betwijfeld.

Ook van onthechting onthecht.

Zelfs van leegte ontledigd.

Alles is een illusie, ook de illusie.

Een paradox is een oxymoron in de vorm van een zin, een oxymoron is een paradox in de vorm van een term. Beide stijlfiguren brengen een tegenspraak (strijdigheid, tegenstrijdigheid, contradictio, aporie, onverenigbaarheid) tot uitdrukking.

Agnostische paradoxen geven uitdrukking aan niet-weten

Een agnostische paradox of weetnietparadox is een paradox die voortkomt uit, en uitdrukking geeft aan agnose, aan niet-weten.

Niet iedere paradox is agnostisch. Je zou zelfs kunnen zeggen dat geen enkele paradox van zichzelf agnostisch is, maar het karakter van agnose ontleent aan de context en het gebruik. Paradoxen op deze website zijn bijna allemaal agnostisch, die in een boek over filosofie, wiskunde, logica of humor bijna nooit.

Vrijwel iedere tekst over niet-weten (dwaaltekst) bevat tegenspraken op woordniveau (oxymorons), op zinsniveau (paradoxen) of over meerdere zinnen of alinea’s uitgesmeerd (tetralemma of vrije vorm). In vrijwel ieder dwaalgesprek spreken de gesprekspartners elkaar of zichzelf herhaaldelijk tegen. Ook mijn dwaalspreuken bevatten veel tegenstrijdigheden, al zijn niet alle dwaalspreuken paradoxen.

Tegenspreken, herroepen, het terugnemen of in vraag stellen van eerdere woorden en uitspraken en verborgen veronderstellingen, het vermenigvuldigen van betekenissen, interpretaties en oordelen tot aan en in de agnostische verbijstering – paradoxie is de essentie van het dwijze denken en spreken. Bij herhaling uitspreken en weerspreken, in de mystiek wordt het stamelen genoemd, al stamelt men daar alleen over God. Een agnost stamelt over alles.

Iedere tekst over en vanuit niet-weten is intrinsiek paradoxaal. Paradoxen zijn de zuiverste uitdrukking van niet-weten, voor zover niet-weten zich überhaupt laat uitdrukken. Van meet af aan ben ik er verzot op geweest.

Als ik mijn hele niet-weten en al mijn dwaalteksten moest samenvatten op een postzegel dan zou ik een paradox gebruiken.

Sunyata-sunyata en maya-maya

Een voorbeeld van een boeddhistische paradox is sunyatasunyata, de leegte van de leegte – tegelijk bevestiging en ontkenning van de leegte, die ons niet terug naar de vorm voert maar, als het aan mij ligt, uit (het onderscheid tussen) leegte en vorm.

Op analoge wijze zou je uit het hindoeïstische begrip maya (illusie) de term mayamaya kunnen vormen: de illusie van de illusie, illusie in het kwadraat – een ontkenning van de illusie, die ons niet terug naar de realiteit voert, maar uit de tweespalt illusie versus realiteit.

Expliciete en impliciete paradoxen

Soms is de dubbele ontkenning die karakteristiek is voor de paradox expliciet aanwezig:

1. zelfs niet weten van niet-weten

2. zelfs niet geloven in niet-geloven

3. zelfs niet reiken naar niet-reiken

4. zelfs niet nestelen in niet-nestelen

5. zelfs niet hechten aan niet-hechten

6. zelfs niet oordelen over oordelen

Deze paradoxen staan toevallig allemaal in de gebiedende wijs, maar dat hoeft niet; ‘zelfs van het onthechten onthecht’ is net zo paradoxaal als ‘zelfs niet hechten aan niet-hechten’.

De dubbele ontkenning kan ook verstopt zitten in de werkwoorden en zelfstandige naamwoorden:

1. zelfs je weerstand niet weerstaan

2. zelfs geen principes tegen principes

3. zelfs het relativeren gerelativeerd

4. zelfs het twijfelen betwijfelen

5. zelfs het loslaten losgelaten

6. zelfs het opgeven opgeven

7. zelfs het afwijzen afgewezen

8. zelfs het weerspreken weerspreken

9. zelfs het ontkennen ontkend

10. zelfs het afbreken afbreken

11. zelfs de haakjes tussen haakjes

12. zelfs van leegte ontledigd

13. zelfs van de vrijheid bevrijd

14. zelfs aan het ontsnappen ontsnappen

Paradoxen in de vorm van oxymorons:

1. alles liefhebben, zelfs de haat

2. overal ruimte voor hebben, zelfs voor bekrompenheid

3. overal voor open staan, zelfs voor geslotenheid

4. rustig blijven onder je onrust

Paradoxen in de vorm van een filosofie

1. Een nihilisme dat zelfs het nihilisme en zichzelf nihil verklaart: een hypernihilisme

2. Een negativisme dat zelfs negatief staat tegenover het negativisme en tegenover zichzelf: een hypernegativisme

3. Een relativisme dat zelfs het relativisme en zichzelf relativeert: een hyperrelativisme

4. Een perspectivisme dat zelfs het perspectivisme en zichzelf als een perspectief ziet: een hyperperspectivisme

5. Een quiëtisme dat niet alleen de wereld maar ook het quiëtisme en zichzelf verzaakt: een hyperquiëtisme

6. Een scepticisme dat zelfs de twijfel en zichzelf betwijfelt: een hyperscepticisme*

7. Een escapisme dat zelfs aan het escapisme en aan zichzelf ontsnapt: een hyperescapisme

Het denken, de geest, de mind, het verstand, gesteld dat er iets is dat denkt, houdt niet van tegenspraken; het gezond verstand niet en het academisch verstand niet.

Wanneer een correcte redenering tot een tegenspraak leidt, concludeert het al dan niet zogenaamde verstand dat de aannames onjuist zijn. Dit heet een bewijs uit het ongerijmde, reductio ad absurdum. Door de aannames onjuist te verklaren, treedt het letterlijk uit het ongerijmde en wordt de intellectuele orde hersteld. Een vlucht uit de paradoxie in de orthodoxie.

Hegel noemde dit dialectiek: de filosofische methode die vooruitgang boekt via de weg van these - antithese - synthese. De laatste van de syntheses zou volgens Hegel uitmonden in het Absolute, dat alle tegenstellingen omvat en overstijgt.

In agnose leidt een paradox, hoewel tegenstrijdig, niet tot een conclusie omtrent de aannames waarop het is gebaseerd. Voor mij bewijst een paradox niets, zelfs niet dat er niets te bewijzen valt. Er wordt geen wiskundige orde, filosofische orde, politieke orde of welke orde dan ook mee hersteld.

Voor mij is een paradox simpelweg een puntige uitdrukking van en herinnering aan een grenze(n)loos niet-weten. Het is de hartenkreet die de val in het ongerijmde inleidt en begeleidt, bekrachtigt en ontkracht, betreurt en bezingt en verzacht.

* Het pyrronisme is in theorie een hyperscepticisme, maar wordt door zijn belangrijkste vertolker, Sextus Empiricus, uitgewerkt tot een tamelijk conservatieve en fatalistische levensbeschouwing.

Zie ook: overleven in de paradox, paradoxie.

137 - Niet-weten is een dwaalgesprek met jezelf

‘Wat is weten?’

‘Een leergesprek met jezelf.’

‘Komt daar ooit een eind aan?’

‘Voor de meeste mensen niet.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een dwaalgesprek met jezelf.’

‘Komt daar ooit een einde aan?’

‘Tot nu toe niet.’

138 - Niet-weten is een zwart gat

‘Wat is de beste metafoor voor het verschil tussen weten en niet weten?’

‘Het achterwerk.’

‘Waarom?’

‘Je staart je blind op de billen, maar het venijn zit in de aars.’

‘Waarvoor staan de billen?’

‘Voor dit soort vragen.’

‘Waarvoor staat de aars?’

‘Voor dit soort antwoorden.’

‘Staan ze voor illusie en werkelijkheid?’

‘Proet.’

‘Voor verschijnsel en bewustzijn?’

‘Proet.’

‘Voor vorm en leegte?’

‘Proet.’

‘Voor ego en zelf?’

‘Proet.’

‘Voor dualiteit en non-dualiteit?’

‘Allemaal billen.’

‘Maar wat is dan die aars?’

‘Proet.’

139 - Niet-weten is een wormgat naar deze zijde

‘Wat is niet-weten?’

‘Een wormgat naar gene zijde.’

‘Wat is gene zijde?’

‘Wat is deze zijde?’

‘Waar is dat wormgat dan voor nodig?’

‘Welk wormgat?’

‘Dat weet je ook al niet?’

‘Wat is niet-weten?’

140 - Het lege lied – holle woorden voor holle geesten

Drieëndertig wormgaten om in te verdwijnen

1. Voorzanger: Hoe heet de waarheid van de lege leer?

Koor: De lege waarheid!

2. Hoe heet de werkelijkheid van de lege leer?

De lege werkelijkheid!

3. Hoe heet de weg van de lege leer?

De lege weg!

4. Hoe heet het idee van de lege leer?

Het lege idee!

5. Hoe heet de canon van de lege leer?

De lege canon!

6. Hoe heet de overtuiging van de lege leer?

De lege overtuiging!

7. Hoe heet de stelling van de lege leer?

De lege stelling!

8. Hoe heet de traditie van de lege leer?

De lege traditie!

9. Hoe heet het verhaal van de lege leer?

Het lege verhaal!

10. Hoe heet het boek van de lege leer?

Het lege boek!

11. Hoe heet het motto van de lege leer?

Het lege motto!

12. Hoe heet de boodschap van de lege leer?

De lege boodschap!

13. Hoe heet de missie van de lege leer?

De lege missie!

14. Hoe heet de filosofie van de lege leer?

De lege filosofie!

15. Hoe heet de religie van de lege leer?

De lege religie!

16. Hoe heet het geloof in de lege leer?

Het lege geloof!

17. Hoe heet de mystiek van de lege leer?

De lege mystiek!

18. Hoe heet de gelofte van de lege leer?

De lege gelofte!

19. Hoe heet de praktijk van de lege leer?

De lege praktijk!

20. Hoe heet het gebed van de lege leer?

Het lege gebed!

21. Hoe heet de mantra van de lege leer?

De lege mantra!

22. Hoe heet het voorschrift van de lege leer?

Het lege voorschrift!

23. Hoe heet het ideaal van de lege leer?

Het lege ideaal!

24. Hoe heet het onderricht van de lege leer?

Het lege onderricht!

25. Hoe heet de vraag van de lege leer?

Het lege antwoord!

26. Hoe heet het woord van de lege leer?

Het lege woord!

27. Hoe heet de geest van de lege leer?

De lege geest!

28. Hoe heet de boeddha van de lege leer?

De lege boeddha!

29. Hoe heet de profeet van de lege leer?

De lege profeet!

30. Hoe heet een meester van de lege leer?

Een lege meester!

31. Hoe heet een leerling van de lege leer?

Een lege leerling!

32. Hoe heet het lied van de lege leer?

Het lege lied!

33. Was dit dat lied?

Natuurlijk niet!

♪♪♪

141 - Hoe je de lege leer het best kunt onthouden

‘Hoe kan ik de lege leer het best onthouden, Hans?’

‘Onthoud dat er niets te vergeten valt en vergeet dat er niets te weten valt.’

‘Hè?’

‘Dat komt op hetzelfde neer.’

142 - Niet-weten als alomvattende leer

Geen waarheid verkondigen is net zoiets als alle waarheden verkondigen.

Geen filosofie aanhangen is net zoiets als alle filosofieën aanhangen.

Geen stelling verdedigen is net zoiets als alle stellingen verdedigen.

Geen verhaal vertellen is net zoiets als alle verhalen vertellen.

Geen antwoord geven is net zoiets als alle antwoorden geven.

Geen ideaal koesteren is net zoiets als alle idealen koesteren.

Geen geloof belijden is net zoiets als elk geloof belijden.

Geen idee hebben is net zoiets als alle ideeën hebben.

Geen vraag stellen is net zoiets als alle vragen stellen.

Want een leer van niets, Ø, is net zoiets als een leer van alles, ∞.

In de praktijk komen ze op hetzelfde neer.

De lege leer is de hele leer.

Ø = ∞.

Zwijgen in agnose is spreken in agnose.

143 - Het hele lied – hele woorden voor hele geesten

Drieëndertig werelden om te bestormen

1. Voorzanger: hoe heet de waarheid van de hele leer?

Koor: De hele waarheid!

2. Hoe heet de werkelijkheid van de hele leer?

De hele werkelijkheid!

3. Hoe heet de weg van de hele leer?

De hele weg!

4. Hoe heet de canon van de hele leer?

De hele canon!

5. Hoe heet de traditie van de hele leer?

De hele traditie!

6. Hoe heet het verhaal van de hele leer?

Het hele verhaal!

7. Hoe heet het boek van de hele leer?

Het hele boek!

8. Hoe heet het motto van de hele leer?

Het hele motto!

9. Hoe heet de boodschap van de hele leer?

De hele boodschap!

10. Hoe heet de missie van de hele leer?

De hele missie!

11. Hoe heet de filosofie van de hele leer?

De hele filosofie!

12. Hoe heet de religie van de hele leer?

De hele religie!

13. Hoe heet het geloof in de hele leer?

Het hele geloof!

14. Hoe heet de mystiek van de hele leer?

De hele mystiek!

15. Hoe heet de gelofte van de hele leer?

De hele gelofte!

16. Hoe heet de praktijk van de hele leer?

De hele praktijk!

17. Hoe heet het gebed van de hele leer?

Het hele gebed!

18. Hoe heet de mantra van de hele leer?

De hele mantra!

19. Hoe heet het voorschrift van de hele leer?

Het hele voorschrift!

20. Hoe heet het ideaal van de hele leer?

Het hele ideaal!

21. Hoe heet het onderricht van de hele leer?

Het hele onderricht!

22. Hoe heet de vraag van de hele leer?

De hele vraag!

23. Hoe heet het antwoord van de hele leer?

Het hele antwoord!

24. Hoe heet het woord van de hele leer?

Het hele woord!

25. Hoe heet de geest van de hele leer?

De hele geest!

26. Hoe heet de boeddha van de hele leer?

De hele boeddha!

27. Hoe heet de profeet van de hele leer?

De hele profeet!

28. Hoe heet een meester van de hele leer?

Een hele meester!

29. Hoe heet een leerling van de hele leer?

Een hele leerling!

30. Hoe heet de tijd van de hele leer?

De hele tijd!

31. Hoe heet de mens van de hele leer?

De hele mens!

32. Hoe heet het leven van de hele leer?

Het hele leven!

33. Hoe heet het lied van de hele leer?

Het hele lied!

Was dit dat lied?

Natuurlijk niet!

♪♪♪

144 - Hoe je de hele leer het best kunt onthouden

‘Hoe kan ik de hele leer het best onthouden, Hans?’

‘Onthoud dat er niets buiten valt waardoor je niets hoeft te onthouden.’

‘Hè?’

‘Dat komt op hetzelfde neer.’

145 - Halve waarheden zijn halve leugens

De lege leer, Ø, is de leer die geen enkel idee bevat.

De hele leer, ∞, is de leer die alle alle ideeën bevat.

Het denken van iemand die voor niets en niemand staat is in de praktijk niet te onderscheiden van het denken van iemand die voor alles en iedereen staat.

De lege leer is de hele leer.

Iedere andere leer is een halve waarheid.

Iedere halve waarheid is een halve leugen.

En terwijl er maar één lege leer en maar één hele leer is, zijn er ontzettend veel halve leugens.

Die zich allemaal voordoen als de hele waarheid en niets dan de waarheid.

Neem alleen al dit verhaal.

146 - Het halve lied – halve woorden voor halve geesten

Tweeëntwintig benen om op te hinken

1. Voorzanger: hoe heet de waarheid van de halve leer?

Koor: De halve waarheid!

2. Hoe heet de werkelijkheid van de halve leer?

De halve werkelijkheid!

3. Hoe heet de weg van de halve leer?

De halve weg!

4. Hoe heet de canon van de halve leer?

De halve canon!

5. Hoe heet het verhaal van de halve leer?

Het halve verhaal!

6. Hoe heet het boek van de halve leer?

Het halve boek!

7. Hoe heet de boodschap van de halve leer?

De halve boodschap!

8. Hoe heet de filosofie van de halve leer?

De halve filosofie!

9. Hoe heet de religie van de halve leer?

De halve religie!

10.Hoe heet het geloof in de halve leer?

Het halve geloof!

11.Hoe heet de mystiek van de halve leer?

De halve mystiek!

12.Hoe heet de praktijk van de halve leer?

De halve praktijk!

13. Hoe heet het gebed van de halve leer?

Het halve gebed!

14. Hoe heet het onderricht van de halve leer?

Het halve onderricht!

15. Hoe heet de vraag van de halve leer?

De halve vraag!

16. Hoe heet het antwoord van de halve leer?

Het halve antwoord!

17. Hoe heet het woord van de halve leer?

Het halve woord!

18. Hoe heet de geest van de halve leer?

De halve geest!

19. Hoe heet de boeddha van de halve leer?

De halve boeddha!

20. Hoe heet een meester van de halve leer?

Een halve meester!

21. Hoe heet een leerling van de halve leer?

Een halve leerling!

22. Hoe heet het lied van de halve leer?

Het halve lied!

Was dit dat lied?

Voor wie het ziet!

♪♪♪

147 - Hoe je een halve leer het best kunt onthouden

‘Hoe kan ik een halve leer het best onthouden, Hans?’

‘Onthoud dat een halve leer gelijk is aan de hele leer plus de lege leer gedeeld door twee en vergeet de rest.’

‘Hè?’

‘Dat komt op hetzelfde neer.’

148 - De lege boodschap kost niets

X: Ik zoek de blijde boodschap.

H: Dan moet je niet bij mij zijn.

X: Waarvoor moet ik wel bij jou zijn?

H: De lege boodschap.

X: Heeft de lege boodschap iets met onvoorwaardelijke liefde, blijvend geluk, universele wijsheid, duurzame vrede en eeuwig leven te maken?

H: De lege boodschap heeft nergens mee te maken.

X: Waarom niet?

H: Omdat hij leeg is.

X: Wat kost hij?

H: Niets natuurlijk.

X: Waarom niet?

H: Omdat hij leeg is.

X: Waar kan ik terecht voor de blijde boodschap?

H: Waar niet.

X: Bijvoorbeeld?

H: Bij een of andere kerk.

X: Hoe weet ik dat het daar over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: En als ik dat niet wil?

H: Ga je naar een of andere sekte.

X: Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: En als ik dat niet wil?

H: Ga je naar een of andere therapeut.

X: Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: En als ik dat niet wil?

H: Ga je naar een of andere coach.

X: Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: En als ik dat niet wil?

H: Ga je naar een of andere sangha.

X: Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: En als ik dat niet wil?

H: Ga je naar een of andere goeroe.

X: Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: En als ik dat niet wil?

H: Koop je een of ander boek.

X: Hoe weet ik dat het over de blijde boodschap gaat?

H: Doordat er een prijskaartje aan hangt.

X: Misschien moet ik toch de lege boodschap eens proberen.

H: Zie hem eerst maar eens te vinden.

X: Is hij dan niet te koop?

H: Natuurlijk niet.

X: Omdat er geen vraag naar is?

H: Omdat hij gratis is.

X: Dan kan het niet veel wezen.

H: Dat heb je goed gezien.

149 - Waar ik achter sta

‘Waar sta jij voor, Hans?’

‘Voor niet-weten.’

‘Waarvoor staat niet-weten?’

‘Voor niets.’

150 - Wel- en weemoed van een nablijver

IK BEN ER!
(al weet ik niet waar.)

IK HEB HET!
(al weet ik niet wat.)

IK BEN KLAAR!
(al weet ik niet waarmee.)

IK HEB NIETS MEER TE DOEN!
(al weet ik niet hoe.)

151 - Lettergrepen naar de onmacht

Tussenwerpsels voor wegwerpers.

X: Wat is de kern van jouw leer?

H: Ach.

X: Bedoel je dat je het niet weet?

H: Och.

X: Bedoel je dat jouw leer geen kern heeft?

H: Jeetje.

X: Of is dat juist de kern ervan?

H: Eh…

X: Bedoel je misschien dat jouw leer geen leer is?

H: Tja.

X: Dan weet ik het ook niet meer.

H: Je veronderstelt dat ik iets bedoel.

X: Ach.

H: Nou veronderstel je weer dat ik niets bedoel.

X: Och.

H: Nou veronderstel je weer dat ik tegen veronderstellingen ben.

X: Jeetje.

H: Zie je het patroon?

X: Eh…

H: Dat bedoel ik dus.

X: Tja.

H: Gesnopen?

X: Maar wat is nou de kern van jouw leer?

H: Ach.

152 - Niet-weten is enkel spel

‘Wat is weten?’

‘Vals spelen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Spelen.’

153 - Niet-weten is dubbel spel

‘Wat is weten?’

‘Volgens de regels spelen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Met de regels spelen.’

154 - Niet-weten is je kaarten op tafel leggen

‘Wat is weten?’

‘De kaarten opnemen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Je kaarten op tafel leggen.’

155 - Niet-weten is je kaarten schudden

‘Wat is weten?’

‘Je kaarten sorteren.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Je kaarten schudden.’

156 - Niet-weten is een blinde kaart

‘Wat is weten?’

‘Doorgestoken kaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een blinde kaart.’

157 - Niet-weten is van de kaart zijn

‘Wat is weten?’

‘Alles op één kaart zetten.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Helemaal van de kaart zijn.’

158 - Niet-weten is schoppen

‘Wat is weten?’

‘Hartenjagen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Schoppen.’

159 - Niet-weten is naaktlopen

‘Wat is weten?’

‘Strip poker’

‘Wat is niet-weten?’

‘Naturisme.’

160 - Niet-weten is in je kaart laten kijken

‘Wat is weten?’

‘Blufpoker.’

‘Wat is niet-weten?’

‘In je kaart laten kijken.’

161 - Niet-weten is een bankroet

‘Wat is weten?’

‘Bluf.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Blut.’

162 - Niet-weten is een leeg huis

‘Wat is weten?’

‘Full house.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Empty house.’

163 - Niet-weten is geen huis

‘Wat is weten?’

‘Full house.’

‘Wat is niet-weten?’

‘No house.’

164 - Niet-weten is een gekkenhuis

‘Wat is weten?’

‘Full house.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Fool house.’

165 - Niet-weten is een joker

‘Wat is weten?’

‘Een plaatje.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een joker.’

166 - Niet-weten is een rode kaart

‘Wat is weten?’

‘Een gele kaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een rode kaart.’

167 - Niet-weten is een onhaalbare kaart

‘Wat is weten?’

‘Een haalbare kaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Onhaalbare kaart.’

168 - Niet-weten is een vrijkaart

‘Wat is weten?’

‘Onhaalbare kaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een vrijkaart.’

169 - Niet-weten is een passe-partout

‘Wat is weten?’

‘Een vrijkaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een passe-partout.’

170 - Niet-weten is een zeekaart

‘Wat is weten?’

‘Een landkaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een zeekaart.’

171 - Niet-weten is de zee

‘Wat is weten?’

‘Een zeekaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘De zee.’

172 - Niet-weten is een kaartenhuis

‘Wat is weten?’

‘Een kaartenhuis.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Ook een kaartenhuis.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘Niet-weten is al ingestort.’

173 - Niet weten is het meest nabij

Dizang: Waar ga je heen?

Fayan: Op bedevaart.

Dizang: Waar is dat goed voor?

Fayan: Dat weet ik eigenlijk niet.

Dizang: Niet weten is het meest nabij.

(Koan 20 van het Boek van Sereniteit.)

174 - Niet spreken is het meest nabij

Leerling: Waar gaat u heen?

Meester: Op bedevaart.

Leerling: Waar is dat goed voor?

Meester: Dat weet ik niet.

Leerling: Niet weten is het meest nabij.

Meester: Nabij wat?

Leerling: Eh…

Meester: Naprater.

Leerling: Had ik nou maar niks gezegd.

Meester: Zeg dat wel.

Leerling: Hoezo?

Meester: Niet spreken is het meest nabij.

175 - Niet denken is het meest nabij

Meester: Waar ga je heen?

Leerling: …

Meester: Waarom zeg je niks?

Leerling: Niet spreken is het meest nabij.

Meester: Nabij wat?

Leerling: Hm.

Meester: Wat?

Leerling: Betrapt.

Meester: Waarop?

Leerling: Dat ik daar nog helemaal niet over heb nagedacht.

Meester: Dan is er nog hoop.

Leerling: Hoezo?

Meester: Niet denken is het meest nabij.

176 - Niet hechten is het meest nabij

Leerling: Waar gaat u heen?

Meester: Wat maakt het uit.

Leerling: Niet denken kun je overal, wou u zeggen.

Meester: Niet denken kun je nergens, zou ik zeggen.

Leerling: Wat?

Meester: Denken moet je overal.

Leerling: Gisteren zei u anders dat niet denken het meest nabij was.

Meester: Nabij wat?

Leerling: Daar probeer ik juist niet aan te denken.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Omdat ik aan uw woorden hecht.

Meester: Niet hechten is het meest nabij.

177 - Niet doen is het meest nabij

Leerling: Eerst dacht ik dat niet weten het meest nabij was.

Meester: Wist jij veel.

Leerling: Toen dacht ik dat niet spreken het meest nabij was.

Meester: Zeg dat maar eens zonder te spreken.

Leerling: Toen dacht ik dat niet denken het meest nabij was.

Meester: Leuk bedacht.

Leerling: Nu denk ik weer dat niet hechten het meest nabij is.

Meester: Behalve bij gapende wonden.

Leerling: Maar als ik dat tegen u zeg, zegt u vast weer…

Meester: Nabij wat?

Leerling: Of…

Meester: Ben jij gehecht aan onthechting?

Leerling: Of…

Meester: Een mens denkt wat af.

Leerling: Of…

Meester: Houdt het dan nooit op?

Leerling: Wat doe ik toch verkeerd?

Meester: Niet doen is het meest nabij.

178 - Niet moeten is het meest nabij

Leerling: Waar gaat u heen?

Meester: Ga ik ergens heen?

Leerling: Wat gaat u daar doen?

Meester: Ga ik daar wat doen?

Leerling: Niet doen is het meest nabij, wou u zeggen.

Meester: Wou ik wat zeggen?

Leerling: Alles op zijn beloop laten, bedoel ik.

Meester: En dan?

Leerling: Is niet antwoorden soms het meest nabij?

Meester: Hoe kom je daar nou bij?

Leerling: Omdat u nooit antwoord geeft.

Meester: Wat is dit dan?

Leerling: U stelt alleen maar vragen.

Meester: Zijn vragen soms geen antwoorden?

Leerling: Is vragen soms het meest nabij?

Meester: Nabij wat?

Leerling: Maar wat moet ik dán!

Meester: Niet moeten is het meest nabij.

179 - Alles is het meest nabij

Leerling: Niet moeten is het meest nabij, niet vragen is het meest nabij, niet doen is het meest nabij, niet hechten is het meest nabij, niet denken is het meest nabij, niet spreken is het meest nabij, niet weten is het meest nabij…

Meester: Wat is de vraag?

Leerling: Wat is eigenlijk niet nabij?

Meester: Nabij wat?

Leerling: Dat zou ik ook weleens willen weten.

Meester: Ik zou het ook niet weten.

Leerling: Volgens mij is alles even nabij.

Meester: Hoe kun je zoiets meten?

Leerling: Maar dan is alles ook even veraf.

Meester: Ik zou het maar vergeten.

Leerling: Dus is niets het meest nabij.

Meester: Dit mag best onzin heten.

Leerling: Sla ik de spijker op zijn kop?

Meester: Je zit erbovenop.

180 - Niet lezen is het meest nabij

Niet schrijven komt er ook dichtbij…

Helaas geldt dat alleen voor mij.

Niet lezen is voor jou nabij…

Bespaar je dus mijn letterbrij.

Lees ook niet: De dharma voor dummy’s.

181 - Alleen maar zijn maakt niemand vrij

Leuzen om los te laten.

Alleen maar X maakt niemand vrij:

Catch 22

1. Alleen maar denken maakt niemand vrij.

2. Alleen maar doen maakt niemand vrij.

3. Alleen maar oefenen maakt niemand vrij.

4. Alleen maar bidden maakt niemand vrij.

5. Alleen maar zitten maakt niemand vrij.

6. Alleen maar geven maakt niemand vrij.

7. Alleen maar vergeven maakt niemand vrij.

8. Alleen maar liefhebben maakt niemand vrij.

9. Alleen maar verbinden maakt niemand vrij.

10. Alleen maar zijn maakt niemand vrij.

11. Alleen maar worden maakt niemand vrij.

12. Alleen maar vasthouden maakt niemand vrij.

13. Alleen maar loslaten maakt niemand vrij.

14. Alleen maar hechten maakt niemand vrij.

15. Alleen maar onthechten maakt niemand vrij.

16. Alleen maar aanvaarden maakt niemand vrij.

17. Alleen maar spreken maakt niemand vrij.

18. Alleen maar zwijgen maakt niemand vrij.

19. Alleen maar antwoorden maakt niemand vrij.

20. Alleen maar vragen maakt niemand vrij.

21. Alleen maar weten maakt niemand vrij.

22. Alleen maar niet-weten maakt niemand vrij.

Alleen maar X maakt niemand blij,

Al rijmt het nog zo op wu wei:

De rest gaan aan je neus voorbij.

(Maar wie ben ik, dus voel je vrij.)

De trein komt altijd te laat, op tijd en te vroeg?

Niet te geloven.

Zegt de eerste passagier: Deze trein kwam drie kwartier te laat, dat geloof je toch niet?

Zegt de tweede: Deze trein kwam precies op tijd, ik kon zo instappen.

Zegt de derde: Deze trein kwam net te vroeg, ik had graag nog even een kopje koffie gehaald.

Zegt de eerste: Hij kwam toch echt te laat.

Zegt de tweede: Hij kwam toch echt op tijd.

Zegt de derde: Hij kwam toch echt te vroeg.

De dood komt altijd te laat, op tijd en te vroeg?

Geschreven naar aanleiding van de suïcide van Joost Zwagerman.

Zegt de eerste fan: De dood kwam veel te laat, wat heeft die man geleden.

Zegt de tweede: De dood kwam precies op tijd, hij heeft genoeg geleden en geschreven.

Zegt de derde: De dood kwam veel te vroeg, hij had nog zoveel kunnen schrijven.

Zegt de eerste: Hij kwam toch echt te laat.

Zegt de tweede: Hij kwam toch echt op tijd.

Zegt de derde: Hij kwam toch echt te vroeg.

Zegt Joost:

Wat is niet-weten nou echt?

Het woord ‘niet-weten’ heeft een heleboel betekenissen.

Zoveel dat je je automatisch afvraagt wat de ware betekenis is.

Wat is niet-weten nou echt?

Weet jij het?

Ik gooi een balletje op.

Tweeëntwintig balletjes.

1. Is niet-weten wijsheid? De wijsheid zonder wijsheid? De wijsheid voorbij alle wijsheid? De kennis zonder leraar?

2. Is niet-weten een verschijningsvorm van samsara? Een tussenstadium op weg naar nirwana? Een valkuil op weg naar nirwana?

3. Is niet-weten de donkere nacht van de ziel in afwachting van het moment dat de mystieke godheid zich op zijn eigen tijd op zijn eigen wijze onthult?

4. Is niet-weten onzin, illusie, maya, mara, verderfelijk, gevaarlijk, duivels, een vloek?

5. Is niet-weten de hoogste waarheid, een transcendente werkelijkheid die iedere dualiteit overstijgt, de non-dualiteit, het absolute, de bron, het ene?

6. Is niet-weten agnosticisme, relativisme, pragmatisme, subjectivisme, structuralisme, poststructuralisme, postmodernisme?

7. Is niet-weten twijfelzucht? Oeverloze scepsis? Epoche, het voor onbepaalde tijd opschorten van het oordeel?

8. Is niet-weten een aangename gemoedstoestand – sereniteit, gelukzaligheid, innerlijke vrede?

9. Is niet-weten onthechting, stoïcisme, fatalisme, gelatenheid of overgave?

10. Is niet-weten helderheid van geest, aandachtigheid, oplettendheid, mindfulness, ataraxia?

11. Is niet-weten een of andere iconoclastische filosofie – nihilisme, anarchisme, obscurantisme, irrationalisme of anti-intellectualisme?

12. Is niet-weten een vorm van escapisme – een vlucht in onwetendheid, onverantwoordelijkheid, defaitisme, immoraliteit, chronische onvolwassenheid?

13. Is niet-weten een pose, narcisme, uitsloverij, egotripperij?

14. Is niet-weten een levenshouding, een omgangsideaal of een managementstijl met het accent op openheid, onbevangenheid, bescheidenheid, vriendelijkheid en mededogen?

15. Is niet-weten een vorm van dementie, een neurose, ziekelijke vervreemding, verdwazing, een geestesziekte, een autistische fiep, een noodkreet van een dolende ziel, een roep om geestelijke bijstand en houvast, een herderscomplex, een verlosserscomplex, een minderwaardigheidscomplex?

16. Is niet-weten een antwoord op elke levensvraag? Een panacee voor de problemen van alledag? Een Raad van Elf voor radelozen?

17. Is niet-weten een spirituele of althans geïnspireerde vorm van cognitieve therapie zoals het Werk van Byron Katie, de autolyse van Jed McKenna?

18. Is niet-weten vrijdenkerij, veeldenkerij, dwarsdenkerij, omdenkerij, niet-denkerij? Is het een mes om al je gedachten bij de wortel af te snijden?

19. Is niet-weten een onbalans tussen hoofd en hart, een teveel aan jnana of een tekort aan bhakti?

20. Is niet-weten het onkenbare bewustzijn zelf, de stilte, de leegte? Is het onvoorwaardelijke, egoloze, grenzeloze liefde?

21. Is niet-weten het totaal andere, het numineuze, het mysterie, het onzegbare, het onkenbare?

22. Is niet-weten een einde aan het lijden? Een bron van lijden? Een bron van inkomsten? Een bron van ergernis? Een bron van vermaak?

Niet-weten is voor iedereen wat anders

Tweeëntwintig betekenisvelden, en er zijn er nog veel meer.

Vandaar dat ik net vroeg wat niet-weten nou echt is.

Weet jij het?

Dit is natuurlijk een strikvraag.

Er is namelijk niets wat niet-weten nou echt is.

Niet-weten is voor iedereen wat anders.

Voor de meeste mensen is niet-weten een non-issue waar ze nooit aan denken, zelfs niet als ze bezopen zijn.

De rest, een tamelijk exclusieve minderheid, denkt er het zijne of het hare van, en dat zijne of hare varieert voortdurend, net als iedere woordbetekenis, met de context, de stemming, de weersgesteldheid, de vullingsgraad van maag en darmen en nog zo wat.

Wat niet-weten betekent voor mij op dit moment

Wat niet-weten nou echt betekent kan ik je dus niet vertellen, en jij mij niet, laat staan wat het echt is.

Maar wat niet-weten voor mij betekent op het moment dat ik dit schrijf (dat allang voorbij is op het moment dat jij dit leest) kan ik je wel vertellen.

Precies op dit moment betekent niet-weten voor mij: vrij rondzwemmen in eindeloze betekenisvelden zo dicht als kelpwouden zonder er nog in verstrikt te raken.

Begrijp je wat ik bedoel?

Tien seconden later

Ik had die betekenis nog niet onder woorden gebracht of hij verschoof tien graden in de lengte en vijftien in de breedte.

Precies op dit moment betekent niet-weten voor mij: vrij rondzwemmen tussen eindeloze betekenisvelden zo dicht als kelpwouden zonder me nog verloren te voelen.

Begrijp je wat ik bedoel?

Tien seconden later

Ik had die verschoven betekenis nog niet onder woorden gebracht of hij verschoof nog eens twintig graden in de hoogte en dertig in de diepte.

Precies op dit moment betekent niet-weten voor mij: vrij rondzwammen over eindeloze betekenisvelden zo dicht als kelpwouden en me daarin helemaal kunnen verliezen.

Begrijp je wat ik bedoel?

Vijf minuten later

Toen ik deze tekst nog eens overlas, zag ik dat ik ineens dat zinnetje bovenaan staan: ‘Ik gooi een balletje op.’

Verdomd, dacht ik, dat is waar ook, dat was mijn bruggetje naar de slotalinea waarin ik zou onthullen wat niet-weten voor mij nou echt is.

Het goede nieuws is dat het dat precies op dit moment opnieuw is, zodat ik, als ik een beetje opschiet tenminste, het toch nog met je kan delen.

Precies op dit moment betekent niet-weten voor mij: de onvoorstelbare en (tot nog toe) onomkeerbare zelfbewustwording van mijn denken – niet geleidelijk maar plotseling, of je een zee leeggooit – en die zich niet onder of zonder woorden laat brengen, niet echt.

Onder woorden brengen legt het veranderlijke vast, zwijgen doet het helemaal geen recht en zo ontstaat vanzelf het spel van balletjes opgooien en weer wegslaan, met als resultaat de ene dwaaltekst na de andere, nu deze weer.

Begrijp je wat ik bedoel?

Nee?

Geen paniek.

Ik heb nog veel meer pijlen op mijn boog.

Niet-weten is als een pijl uit de boog

‘Wat is weten?’

‘Een boog onder spanning.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een pijl op de vlucht.’

Niet-weten is als een boog zonder pees

‘Wat is weten?’

‘Een punt zonder pijl.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een pijl zonder punt.’

Een standpunt is waar je stilstaat

Een plek waar je tot stilstand komt.

X: Wat is een standpunt?

H: Een plek waar je tot stilstand komt.

X: Vind jij dat we in beweging moeten blijven?

H: Dat zou weer een standpunt zijn.

X: Heb je daar iets op tegen?

H: Dat zou opnieuw een standpunt zijn.

X: Wat vind je dan wel?

H: Dat zou nog steeds een standpunt zijn.

184 - De hoofdwetten van de psychodynamica

In de inleiding van deze Inleiding niet-weten, zo’n tachtig dwaalteksten geleden, had ik het over de eerste hoofdwet van de psychodynamica. Daar wil ik nu wat dieper op ingaan.

Eerste hoofdwet van de psychodynamica

In een gesloten geest neemt de entropie voortdurend af tot het nulpunt is bereikt.

De eerste hoofdwet van de psychodynamica is in tegenspraak met de tweede hoofdwet van de thermodynamica, die stelt dat in een gesloten systeem de entropie voortdurend toeneemt.

Afname van de entropie in een gesloten geest betekent toename van betekenis en orde, een ander woord voor kennis, doorgaans van het monistische of monotheïstische type om de entropie zoveel mogelijk te drukken.

Een geest met een lage entropie noemen we hypodynamisch of hypomobiel.

Uiteindelijk daalt de entropie van de gesloten geest tot het nulpunt.

Een entropievrije niet-overleden geest noemen we psychostatisch.*

* Vroeger werd de term ‘fundamentalistisch’ gebruikt, maar die is politiek gekleurd.

De psychostatische geest is een bijzonder geval van de gesloten geest, namelijk de afgesloten geest, door Gottfried Leibniz in 1714 ‘monade’ genoemd.

Monaden zijn gevoelig voor verstening (lithiasis). Een versteende monade heet een monoliet.

In een psychostatische geest gaat de eerste hoofdwet van de psychodynamica niet langer op. Logisch, want waar geen entropie is kan hij ook niet afnemen. Er zijn mij tenminste geen gevallen bekend van negatieve entropie, of het moeten grijze gaten zijn.

Wanneer zonder een debiliterende ziekte zoals dementie of een herseninfarct de geestelijke entropie toeneemt, is er waarschijnlijk sprake van REM-slaap of van een voorbijgaande staat van verbijstering of beide.

Blijft de entropie gedurig maximaal dan bestaat er een vermoeden van niet-weten.

Het verstand van een agnost is namelijk getransformeerd van een psychodynamisch systeem dat hoofdwettelijk streeft naar minimale verandering en maximale ordening, naar een thermodynamisch systeem waarin rondkaatsende gedachten, gevoelens en ideeën vrijelijk hun energie op elkaar kunnen overdragen zonder dat dit nog als orde of chaos wordt ervaren.

De tweede hoofdwet van de psychodynamica is bijna een parafrase van de tweede hoofdwet van de thermodynamica:

Tweede hoofdwet van de psychodynamica

In een open geest neemt de entropie voortdurend toe tot het maximum is bereikt.

Een geest die permanent in een toestand van maximale entropie verkeert, heet hyperdynamisch of hyperelastisch of hypermobiel.

Zo’n geest zou je een weetnietgeest, een zengeest of een aikidogeest kunnen noemen.

Dat klinkt als een entiteit, maar het is een woord, net zoals hatsjie klinkt als een woord terwijl het eigenlijk een nies is.

Nominaal of niet, entropisch gezien is er geen verschil tussen de ene weetnietgeest (zengeest, aikidogeest) en de andere. Ze kunnen elkaars entropie evenmin verhogen of verlagen als hun eigen entropie. Vandaar dat we net zo goed van dé weetnietgeest (dé zengeest, dé aikidogeest) kunnen spreken. Wie denkt dat weetnietgeesten daarom één zijn heeft nog nooit een tweeling gezien.

Tot zover deze elementaire psychodynamische beschouwingen. Ze moeten de entropie in het verstand van de lezer ongemerkt laten toenemen terwijl hij denkt dat ze afneemt.

Dat is het enige verschil met reguliere pseudowetenschap.

182 - Niet-weten is een liedje

‘Wat is weten?’

‘Blablabla.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Tralala.’

183 - Niet-weten is latin

‘Hoe heet de dans van het weten?’

‘De blablabla.’

‘Hoe heet de dans van niet-weten?’

‘De tjatjatja.’

Niet-weten is het toppunt van absurdisme

Wat is absurdisme?

Absurdisme is een literaire en theatervorm die tot doel heeft de absurditeit van het bestaan aan de orde en de kaak te stellen.

Hoofdkenmerk van het absurdisme is de negatie: afbraak van plot, karakters, communicatie, orde, logica, ruimte en tijd; en verder een voorkeur voor farce, zwarte humor, paradox en ironie.

Synoniemen van absurdisme zijn antitheater en théâtre de l’absence.

Absurdisme in het daoïsme

Hoewel het absurdisme floreerde in het midden van de vorige eeuw, onder meer in het werk van Beckett, Ionesco, Vian, Albee en Duyns & Armando (Herenleed), vind je het al in de daoïstische geschriften van Liezi en Zhuangzi uit ongeveer de vierde eeuw voor Christus.

De Wolkenaanvoerder reisde eens naar het oosten en passeerde daar de takken van de Fuyao-boom. Daar kwam hij ineens Wijde Weetniet tegen. Die was net bezig zich te vermaken door te huppelen als een musje en zich daarbij op de billen te slaan. De Wolkenaanvoerder stopte onmiddellijk, bleef stokstijf staan, en riep: ‘Oude heer! Wie bent u? Wat doet u?’ Wijde Weetniet ging door met te huppelen als een musje en met zichzelf op de billen te slaan, en antwoordde: ‘Ik amuseer me!’

Bron: Zhuang Zi; De volledige geschriften, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper, Uitgeverij Augustus, Amsterdam – Antwerpen, 2007, 161-164.

Absurdisme in zen

Het absurdisme bereikte zijn hoogtepunt misschien al in de tweede helft van het eerste millennium in de Chinese ch’an-literatuur, met name in dat schoolvoorbeeld van absurdisme, de gongan, beter bekend als de zen-koan. Twee voorbeelden van absurdistische koans uit de zenklassieker De Linji lu:

Een monnik vroeg: ‘Wat is de kern van de boeddhistische leer?’ Meester Linji stak zijn vliegenkwast omhoog. De monnik slaakte een kreet. De meester gaf hem een oplawaai.

Een voorbeeld uit De Poortloze Poort:

Meester Zhaozhou ging bij een kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester zei: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’ Bij de volgende kluizenaar aangekomen zei de meester: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester maakte een buiging en zei: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’

Absurdisme in de advaita vedanta

Ook in de advaita vedanta (zie onder) is het altijd bál masqué, vooral in de hedendaagse variant die neo-advaita wordt genoemd (Harding, Parsons), waarvan de bijeenkomsten (satsangs) geheid een absurdistische wending nemen.

Omdat de persoon volgens advaita een illusie is, meent de illusoire non-dualist af te moeten zien van de eerste persoonsvorm enkelvoud (ik) en de eerste persoon meervoud (wij) en zichzelf, dat wil zeggen Het Zelf, te moeten adresseren als Hét – de verkorte schrijfwijze van Het Zelf dus, of Het Ene of Het Bewustzijn of De Bron of Dít of Dát, dat hoe je het ook noemt de enige realiteit zou zijn.

Waarom dat zo nodig moet en hoe dat eigenlijk kan, wordt nooit duidelijk, aangezien er volgens de leer niemand is om het te bewerkstelligen. Wat maakt het ook uit of Het Ene zichzelf ik, wij, zij of het noemt als er nergens in het hele Ene iemand te bekennen is die iets doet of laat?

Er is in het hele Ene trouwens ook niets meer te bekennen dat iets doet of laat. Alles is één, een en al illusie, een en al allusie op het Ene. Vandaar dat de klok niet langer tikt maar klokt, de stoel stoelt, de beer beert, het boek boekt, de realisatie realiseert en zichzelf trakteert op een schijnresultaat genaamd verlichting.

Maar inderdaad, als de lach vanzelf lacht en vanzelf weer bedaart, als het licht voor altijd uitgaat en de spot voor altijd aan, is het absurdisme op zijn best.

De absurditeit van het absurdisme

Het absurde vindt zijn voltooiing in zijn eigen ridiculisering. Als er iets absurd is in dit leven is het toch wel het absurdisme, wat jij of niet-jij? De pretentie het zogenaamde leven definitief te kunnen duiden als enkel en alleen absurd. Absurd!

Het absurde, en dat is het mooie, vindt zijn voltooiing in zijn eigen ridiculisering, zoals de negatie in haar eigen ontkenning, de leegte in haar eigen leegte en de scepsis in de twijfel aan de scepsis. Het is precies deze zelfvernietiging die ook de kern van niet-weten uitmaakt: zelfs niet weten van niet-weten. Voor je het weet ben je het kwijt – het toppunt van absurditeit.

Niet-weten laat zich daarom graag uitdrukken en uit drukken in dwaalteksten, waarin niet-zeggen doelbewust tot in het belachelijke wordt opgevoerd. Niet om te verwijzen naar ‘het absolute voorbij de woorden’, niet om de absurditeit van het bestaan aan de orde of de kaak te stellen, niet om wie dan ook waarvan of waaruit dan ook te bevrijden, maar gewoon omdát. Agnose is een gát.

Niet-weten is het toppunt

hypernihilisme

Omdat ik niet-weten de lege leer noem, denken mensen vaak dat ik een nihilist ben.

Nihilisme is de niet-lege leer dat waarheid niet bestaat.

Het nihilisme, hoe radicaal het op het eerste gezicht ook lijkt, maakt dus een uitzondering voor zijn eigen grondstelling.

Een nihilisme dat ook zichzelf nihil verklaart, is inderdaad een lege leer en mag gerust niet-weten heten.

Ik noem het hypernihilisme.

De hypernihilist staat net als de weetniet met lege handen.

Niet-weten is hypernihilistisch.

Hypernihilisme is tegelijk het toppunt en het einde van het nihilisme.

Zie ook: nihilisme.

hyperescapisme

Hyperescapisme is een escapisme dat zelfs aan het escapisme ontsnapt.

Het is tegelijk het toppunt en het einde van het escapisme.

Het hyperescapisme is equivalent aan de lege leer.

Niet-weten is hyperescapistisch.

hypernegativisme

Hypernegativisme is een negativisme dat zelfs negatief staat tegenover zichzelf.

Het is tegelijk het toppunt en het einde van het negativisme.

Het hypernegativisme is equivalent aan de lege leer.

Niet-weten is hypernegativistisch.

hyperperspectivisme

Hyperperspectivisme is een perspectivisme dat ook zichzelf als een van de vele perspectieven ziet.

Het is tegelijk het toppunt en het einde van het perspectivisme.

Het hyperperspectivisme is equivalent aan de lege leer.

Niet-weten is hyperperspectivistisch.

hyperquiëtisme

Hyperquiëtisme is quiëtisme dat niet alleen de wereld maar ook het quiëtisme verzaakt.

Het is tegelijk het toppunt en het einde van het quiëtisme.

Het hyperquiëtisme is equivalent aan de lege leer.

Niet-weten is hyperquiëtistisch.

hyperrelativisme

Hyperrelativisme is een relativisme dat zelfs het relativisme relativeert.

Het is tegelijk het toppunt en het einde van het relativisme.

Het hyperrelativisme is equivalent aan de lege leer.

Niet-weten is hyperrelativistisch.

hyperscepticisme

Hyperscepticisme is scepticisme dat zelfs de twijfel betwijfelt.

Officieel heet dat pyrronisme, naar de bedenker ervan, Pyrrho van Elis.

Het is tegelijk het toppunt en het einde van het scepticisme.

Het hyperscepticisme is equivalent aan de lege leer.

Niet-weten is hyperscepticistisch.

Hyper-

Voorvoegsel voor leerstellingen en leren die zelfvernietigend zijn: hypernihilisme, hyperescapisme, hypernegativisme, hyperquiëtisme, hyperperspectivisme, hyperrelativisme, hyperscepticisme.

Iedere hyperstelling is equivalent aan de lege stelling, Ø.

Iedere hyperleer is equivalent aan de lege leer. Ø.

185 - Een premodern misverstand

‘Wie niet weet is gek, Hans.’

‘Wie dit denkt is onwetend.’

186 - Een postmodern misverstand

‘Wie weet is gek, Hans.’

‘Wie dit denkt weet.’

187 - Eenheid is ook niet alles

De taoïst en de agnost.

Taoïst: De gewone mens maakt onderscheid tussen dingen en verkondigt zijn mening. De wijze omvat alles.*

* Uitspraak van Zhuangzi (369-286).

Agnost: Dat zegt u.

Taoïst: Wat zegt u?

Agnost: De dwaas maakt onderscheid tussen de gewone mens en de wijze.

Taoïst: Die zit.

Agnost: Dankzij uw voorzet.

Taoïst: En dingen?

Agnost: Dingen maken geen onderscheid tussen de gewone mens en de wijze.

188 - Niet-weten is een katalysator

Het loopt wel los.

‘Waarmee kun je weten vergelijken?’

‘Een analysator.’

‘Hoezo?’

‘Het verdeelt het denken en bindt zich aan de elementen tot het vastloopt.’

‘Waarmee kun je niet-weten vergelijken?’

‘Een katalysator.’

‘Hoezo?’

‘Het versnelt het denken zonder een verbinding aan te gaan tot het vrijloopt.’

189 - Ontstellen of veronderstellen?

Leerling: Waarheen leidt de weg die wij moeten gaan?

Meester: Je veronderstelt dat wij hem moeten gaan.

Leerling: Waarheen leidt de weg?

Meester: Je veronderstelt dat hij ergens heen leidt.

Leerling: Wat kunt u mij over de weg vertellen?

Meester: Je veronderstelt dat er een weg is.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Je veronderstelt dat ik dat weet.

Leerling: Als iemand het weet…

Meester: Je veronderstelt dat iemand het weet.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Je veronderstelt dat ik dat weet.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Je veronderstelt dat ik iets wil zeggen.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Nou veronderstel je weer dat ik niets wil zeggen.

Leerling: Wat wilt u dan zeggen?

Meester: Je blijft maar veronderstellen, hè?

Leerling: Maar…

Meester: En weer.

Leerling: Dan zeg ik wel niks meer

Meester: Weer.

Leerling: …

Meester: Weer.

190 - Remweg

Leerling: Ik boek helemaal geen progressie meer.

Meester: Moet je ergens heen dan?

Leerling: Bedoelt u dat ik hier moet blijven?

Meester: Wie zegt dat ik iets bedoel?

Leerling: Zo gaat het nou altijd.

Meester: Altijd moet nog komen.

Leerling: Steeds heb ik u vertrouwd.

Meester: Dan zal dat het probleem wel zijn.

Leerling: Steeds ben ik optimistisch gebleven.

Meester: Een complicerende factor.

Leerling: Maar nou kan ik niet meer.

Meester: Kijk eens aan.

Leerling: Ik geef het op.

Meester: Eindelijk progressie.

191 - Niet-weten is geen eeuwige rust maar eeuwige beweging

Beste Hans,

Ik draag altijd een geplastificeerd kaartje met mijn favoriete spreuken bij me. Dit zijn ze:

1. Ik ben het leven zelf.

2. Het leven is er om geleefd te worden, niet om begrepen te worden.

3. Don’t know.

4. Het is altijd nu.

5. Alles is liefde.

6. Ik bén.

7. Ik ben het doek, niet de film.

8. Wees een licht voor jezelf.

9. Lijden is een keuze.

10. Het enige lijden is een niet onderzochte geest.

11. Vrijheid is leven in vriendelijkheid, áls vriendelijkheid.

Ik heb ze allemaal al zo vaak gelezen dat ze bij iedere gepaste gelegenheid spontaan in me opkomen. En iedere keer voelt als thuiskomen.

Beste X,

Ik herken Byron Katie, Osho, Boeddha, Nisargadatta en Seung Sahn… Heb ik iemand gemist?

X: Jan van Delden.

H: Ach, Jantje 108.

X:Wat zijn jouw favoriete uitspraken?

H: …

X: Stuurde je mij zojuist drie puntjes?

H: Dat was mijn favoriete uitspraak.

X: En niet-weten dan?

H: Niet-weten is geen uitspraak.

X: Wat is het dan wel?

H: Vrijspraak. Niet-weten is jezelf vrijspreken van je favoriete uitspraken.

X: Klinkt als je favoriete uitspraak.

H: Pas dan maar op dat het niet de jouwe wordt.

X: Jij hebt jezelf vrijgesproken en verblijft nu in niet-weten.

H: Nee hoor, niet-weten is geen staat of toestand waarin ik verblijf. Het is een dynamisch denken dat voortdurend in beweging blijft.

X: Geen eeuwige rust dus.

H: Eeuwige beweging.

X: Eeuwig ontwaken.

H: Eeuwig ontwijken.

X: Jij hebt geen troetelgedachten.

H: Niet dat ik weet. Misschien ontdek jij er wel een, jij hebt een neus voor die dingen.

X: Met dank aan de weetnietgeest.

H: En de groeten van de tandenfee.

X: De tandenfee bestaat niet, behalve voor kinderen.

H: De weetnietgeest ook niet, behalve voor volwassenen. Weetnietgeest is een wijze van spreken. Net als niet-weten.

X: Hoe werkt jouw geest of wat daarvoor doorgaat?

H: Net als als iedere geest, als een spons. Hij zuigt zich in een mum van tijd vol.

X: Vol met wat?

H: Vol met weten of wat daarvoor doorgaat.

X: En niet-weten is de spons uitknijpen.

H: Bij wijze van spreken.

X: Bij jou krijg je geen voet tussen de deur, hè?

H: Dat komt, ik heb geen deur, en niets om erachter te verbergen.

X: Staat er iets op mijn favorietenlijstje dat jou aanspreekt, al is het maar een beetje?

H: De twaalfde.

X: Van de elf.

H: Ze zitten vol aannames, zie je dat dan niet? Ik krijg het er Spaans benauwd van.

X: Word jij nooit moe van al dat niet-weten?

H: Word jij nooit moe van al dat weten?

X: Zou jij ermee kunnen ophouden?

H: Zou jij ermee kunnen ophouden?

X: Nee.

H: Ik ook niet. Geen beginnen aan. Bovendien ben ik niet begonnen. Voor mij is niet-weten moeilijker om te laten dan voor jou om te doen. En niet-weten is geen doen, zeg nou zelf.

X: Zeker weten.

H: Al prevel je de spreuk Don’t know van wijlen Seung Sahn Soen Sa Nim duizend keer per dag.

X: Fake it till you make it.

H: Die staat anders niet op je lijstje.

X: Dat hoeft niet, ik ben een natuurtalent.

H: Hoop doet streven.

X: Volgens mij heb jij best een druk gedachteleven.

H: Je moest eens weten.

X: En ik maar denken dat het stil was in jou.

H: En jij maar denken.

X: Dat jij van binnen een soort kerk was.

H: Eerder een vrolijke keuken.*

* Vrolijke keuken: Oudhollandse kermisattractie waar je tegen vergoeding aardewerk en serviesgoed mag stukgooien. Het leukst vind ik de wijsheidstegeltjes.

Stijlfiguren niet-weten: koekoekstekst

Onder een koekoekstekst versta ik een tekst van een andere auteur waarin je één of slechts enkele woorden in het origineel vervangt door je eigen woorden, in mijn geval woorden uit het jargon van niet-weten.

De naam is ontleend aan de gewoonte van de koekoek om zijn eieren in andermans nest te leggen.

Neem bijvoorbeeld het eerste deel van hoofdstuk 48 van de Daodejing:

Wie studeert vermeerdert dag bij dag. Wie over de Tao hoort vermindert dag bij dag. Minder en minder, net zolang tot het nietsdoen bereikt is.

(uit Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, K. Schipper, 2010)

Als je het metafysische principe van de Tao vervangt door het epistemologische antiprincipe van het Tja, en nietsdoen door nietsweten, dan krijg je de koekoekstekst:

Wie studeert vermeerdert dag bij dag. Wie over het Tja hoort vermindert dag bij dag. Minder en minder, net zolang tot het nietsweten bereikt is.

Nog kleinschaliger dan het vervangen van woorden in een zin is het vervangen van letters in een woord om er een heel andere lading aan te geven. Zo kun je van ‘advaita vedanta’ ‘advaita pedanta’ maken om de betweterigheid van sommige non-dualisten aan de orde te stellen.

In plaats van een koekoekswoord of koekoeksletter mag dit natuurlijk ook gewoon een woordspeling heten.

Vroeger maakte ik regelmatig gebruik van koekoeksteksten, maar de meeste heb ik vernietigd. Net als mijn verzameling met citaten over niet-weten. Ik heb mijn eigen woorden gevonden en kan het napraten aan anderen overlaten. Een paar uitgewerkte voorbeelden van koekoeksteksten vind je in Een vinger naar de waan.

192 - Niet-weten is worstelen en ondergaan

Luctor et submergo.

X: Wat is het motto van niet-weten?

H: Luctor et submergo.

X: Wat betekent dat?

H: Ik worstel en ga onder.

X: Prettig vooruitzicht.

H: En ik is niet het enige dat ondergaat.

X: Wat nog meer?

H: Alleen maar de hele wereld.

X: Toe maar.

H: En daarmee het hele weten.

X: Het moet niet veel gekker worden.

H: En daarmee het hele niet-weten.

X: Niet-weten gaat ook ten onder?

H: Zeker weten.

X: Nou, dan heb je alles wel zo’n beetje gehad.

H: Dat mocht je willen.

X: Wat is er dan nog over?

H: Niet-ik en niet-wereld bijvoorbeeld.

X: Die gaan ook ten onder?

H: Submergo et submergo.

X: Wat nog meer?

H: Het ondergaan bijvoorbeeld.

X: Dat ook al?

H: Zeker weten.

X: Maar dan ben je ook helemaal uitgeworsteld?

H: Daar zou ik maar niet van uitgaan.

X: Want niet-weten is nergens van uitgaan.

H: Daar zou ik maar niet van uitgaan.

X: Ik weet eerlijk gezegd niet of ik daar wel heen wil.

H: Ik weet eerlijk gezegd niet of je daar wel weg kan.

193 - Niet-weten is anderen niet geloven

Meester: Wie heeft er een motto?

Leerling: Ik!

Meester: Is dat je motto of heb je er een?

Leerling: Ik heb er een.

Meester: Voor de draad ermee.

Leerling: Credo nulli.

Meester: Wat betekent dat?

Leerling: Niemand geloven.

Meester: Wie zegt dat?

Leerling: Erasmus.

Meester: En?

Leerling: Wat?

Meester: Geloof je hem?

194 - Niet-weten is jezelf niet geloven

Meester: Wie heeft er een motto?

Leerling: Credo nulli!

Meester: Wie zegt dat?

Leerling: Dat doet er niet toe.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Omdat ik er zelf ook zo over denk.

Meester: En?

Leerling: Wat?

Meester: Geloof je jezelf?

195 - Niet-weten is geen geloof en geen ongeloof

Meester: Wie heeft er een motto?

Leerling: Credo nulli nulli!

Meester: Wat betekent dat?

Leerling: Zelfs niet geloven dat je niemand moet geloven.

Meester: Wie zegt dat?

Leerling: Niemand, volgens mij.

Meester: En?

Leerling: Wat?

Meester: Geloof je niemand?

196 - Navigeren naar hogere sferen

Spoedcursus voor hemelbestormers.

X: Weet je wat er boven de hellepoort staat geschreven?

H: Nou?

X: Gij die hier binnentreedt, laat alle hoop varen.

H: De Goddelijke Komedie.

X: Dante, 1481.

H: Weet je wat er boven de hemelpoort staat geschreven?

X: Nou?

H: Gij die hier binnentreedt, laat alle hoop varen.

197 - De hemel is een poort

X: Wat staat er boven de hemelpoort geschreven?

H: Gij die hier wilt binnentreden, laat alle hoop varen.

X: Hoe weet jij dat?

H: Omdat ik ervoor heb gestaan.

X: Ben je erdoorheen gegaan?

H: En niemand hield me tegen.

X: Wat was het eerste dat je zag?

H: Een bordje.

X: Wat stond erop?

H: U verlaat nu de hemel.

X: Hè?

H: Dat dacht ik ook.

X: En toen?

H: Ben ik meteen omgekeerd.

X: Heel verstandig.

H: En niemand hield me tegen.

X: Wat was het eerste dat je zag?

H: Een bordje.

X: Wat stond erop?

H: U verlaat nu de hemel.

X: Nou moe.

H: Dat dacht ik ook.

X: Noem dat maar een hemel.

H: Ik noem het een poort.

198 - Rouwen om wat wanen zijn geweest

Beste Hans,

Wat heb jij veel woorden nodig, zeg!

Als ik aan anderen uit moet leggen wat niet-weten is, zeg ik gewoon dat alles onzeker is. De werkelijkheid is onkenbaar. Zeker weten kunnen we niets.

Alle kennis heeft een onzekerheidsmarge. Of je iets nou weet met een waarschijnlijkheid van 20% of met een waarschijnlijkheid van 80%, het blijft onzeker.

Et voilà.

Doe er je voordeel mee, zou ik zeggen.

Beste X,

Waarom zou je dat niet-weten noemen als het al probabilisme heet?

X: O, dat wist ik niet! Hè? Maar wat is dan niet-weten?

H: Tja.

X: Het staat niet eens in de Wikipedia, zie ik. Misschien moet je daar eens een stukje voor schrijven.

H: Dat kan ik niet. De Wikipedia verlangt objectiviteit. Ik zit er tot over mijn oren in.

X: Des te beter, dan kun je het van binnenuit beschrijven.

H: Ik doe al niet anders.

X: En, hoe ziet het er van binnen uit?

H: Wat nu? Wil je nog meer woorden van mij?

X: Lol, effe kort, alleen voor mij.

H: Alleen voor mij betekent niet-weten dispensatie van duidingsdrang. Vrijstelling van verklaringsdienst. Rouwen om wat wanen zijn geweest. Lachen om de spatjes van mijn geest.

X: En dan?

H: Roepen in de woestijn.

X: Voor niks dus.

H: Doe er je voordeel mee, zou ik zeggen.

199 - Hangen of wurgen

Hangen

Leerling: De poort heb ik gevonden, maar wat er nou aan de andere kant zit?

Meester: Wat voor slot zit erop?

Leerling: Een hangslot.

Meester: Gewoon door het sleutelgat kijken.

Hangslot met een sleutelgat waar je niet doorheen kunt kijken of kruipen.

Wurgen

Leerling: De poort heb ik gevonden, maar hoe ik nou aan de andere kant kom?

Meester: Wat voor slot zit erop?

Leerling: Een hangslot.

Meester: Gewoon door het sleutelgat kruipen.

200 - De weg naar de hel is geplaveid met meningen

Leerling: De weg naar de hel is geplaveid met meningen.*

*Variatie op het spreekwoord 'De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens.'

Meester: Dat is een mening.

Leerling: Het is een feit.

Meester: En nog een.

Leerling: Daar ben ik het niet mee eens.

Meester: En nog een.

Leerling: Betweter.

Meester: En nog een.

Leerling: Eigenwijze klootzak!

Meester: En nog een.

Leerling: Een mening voor uw KOP kunt u krijgen!

Meester: Au!

Leerling: Dat zal u leren!

Meester: (onverstaanbaar)

Leerling: Wat zegt u?

Meester: De weg naar de hel is geplaveid met meningen.

201 - Als je verstand stilstaat

De diplomaat en de agnost.

Diplomaat: Ontken nooit je overtuigingen omwille van rust en stilte.*

* Uitspraak van Dag Hammarskjöld (1905-1961).

Agnost: Laatst hoorde ik iemand het tegenovergestelde beweren.

Diplomaat: Namelijk?

Agnost: Ontken nooit je rust en stilte omwille van overtuigingen.

Diplomaat: Daar ben ik het niet mee eens.

Agnost: Waarom niet?

Diplomaat: Dan ontstaat er nooit een gesprek.

Agnost: Er doet er nog een de ronde.

Diplomaat: Toe maar.

Agnost: Ontken omwille van je rust en stilte nooit andermans overtuigingen.

Diplomaat: Daar ben ik het ook niet mee eens.

Agnost: Waarom niet?

Diplomaat: Om dezelfde reden.

Agnost: Is dit soms geen gesprek?

Diplomaat: Dat kan ik niet ontkennen.

Agnost: Terwijl ik uw overtuigingen nergens ontken.

Diplomaat: Ik denk dat u ze liever verkent.

Agnost: Dat wil ik best bekennen.

202 - Meningen zijn geen must voor je zielenrust

De fysicus en de agnost.

Fysicus: Niets draagt méér bij tot zielenrust dan helemaal geen mening te hebben.*

* Uitspraak van G. C. Lichtenberg (1742-1799).

Agnost: Is dat een ervaringsfeit?

Fysicus: Het is mijn bescheiden mening.

Agnost: Pas dan maar op voor uw zielenrust.

Fysicus: Wat is uw mening?

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan almaar zonder mening zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je serieus genomen wilt worden.

Fysicus: Daar zit wat in.

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan het met allen eens te zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je uniek wilt zijn.

Fysicus: Daar zit ook wat in.

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan het met niemand eens te zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je ergens bij wilt horen.

Fysicus: Daar zit ook wat in.

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan het met de vijand eens te zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je anders wilt zijn.

Fysicus: Daar zit ook wat in.

Agnost: Niets geeft dieper zielenpijn dan het met je idool oneens te zijn.

Fysicus: O ja?

Agnost: Wel als je op hem wilt lijken.

Fysicus: Ik word hier heel onrustig van.

Agnost: Ik word hier heel rustig van.

Fysicus: Hoe kan dat?

Agnost: Niets draagt meer bij tot zielenrust dan alle mogelijke meningen te hebben.

203 - Een weetniet is een weetnietniet

Zegt de ene weetniet: Eh…

Zegt de andere: Dat meen je niet!

Zegt de een: Geintje.

Zegt de ander: Geintje.

Zegt de een: Alsof ik letterlijk niets meer zou weten!

Zegt de ander: Alsof ik letterlijk zonder meningen zou zijn!

Zegt de een: Meen je dat nou?

Zegt de ander: Meen je dat nou?

Zegt de een: Geintje.

Zegt de ander: Geintje.

Een weetnietniet is iemand die zelfs niet weet van niet-weten; synoniem: weetniet.

204 - Kapitale misverstanden over radicaal niet-weten

Duet voor een grijpgeest en een dwaalgeest.

Catch 33

1. Grijpgeest: Niet-weten is mijn Oorspronkelijke Gezicht!

Dwaalgeest: Dan weet je meer dan ik.

2. Niet-weten is Keuzeloos Gewaarzijn!

Dan weet je meer dan ik.

3. Niet-weten is Onverstoorbaarheid!

Dan weet je meer dan ik.

4. Niet-weten is Vriendelijkheidheid!

Dan weet je meer dan ik.

5. Niet-weten is Kwetsbaarheid!

Dan weet je meer dan ik.

6. Niet-weten is Dankbaarheid!

Dan weet je meer dan ik.

7. Niet-weten is Authenticiteit!

Dan weet je meer dan ik.

8. Niet-weten is de Waarheid!

Dan weet je meer dan ik.

9. Niet-weten is Spontaniteit!

Dan weet je meer dan ik.

10. Niet-weten is Onthechting!

Dan weet je meer dan ik.

11. Niet-weten is Neutraliteit!

Dan weet je meer dan ik.

12. Niet-weten is Mededogen!

Dan weet je meer dan ik.

13. Niet-weten is Verlichting!

Dan weet je meer dan ik.

14. Niet-weten is Helderheid!

Dan weet je meer dan ik.

15. Niet-weten is Eerlijkheid!

Dan weet je meer dan ik.

16. Niet-weten is Verbinding!

Dan weet je meer dan ik.

17. Niet-weten is Tederheid!

Dan weet je meer dan ik.

18. Niet-weten is Onschuld!

Dan weet je meer dan ik.

19. Niet-weten is Openheid!

Dan weet je meer dan ik.

20. Niet-weten is Wijsheid!

Dan weet je meer dan ik.

21. Niet-weten is Boeddha!

Dan weet je meer dan ik.

22. Niet-weten is Nirwana!

Dan weet je meer dan ik.

23. Niet-weten is Eenvoud!

Dan weet je meer dan ik.

24. Niet-weten is Vrijheid!

Dan weet je meer dan ik.

25. Niet-weten is de Bron!

Dan weet je meer dan ik.

26. Niet-weten is de Weg!

Dan weet je meer dan ik.

27. Niet-weten is Leegte!

Dan weet je meer dan ik.

28. Niet-weten is Liefde!

Dan weet je meer dan ik.

29. Niet-weten is Vrede!

Dan weet je meer dan ik.

30. Niet-weten is Geluk!

Dan weet je meer dan ik.

31. Niet-weten is Stilte!

Dan weet je meer dan ik.

32. Niet-weten is God!

Dan weet je meer dan ik.

33. Niet-weten is Zen!

Dan weet je meer dan ik.

Niet-weten is niet weten!

Tot je laatste snik.

205 - Kennen tot je niet meer kunt

De existentialist en de agnost.

Existentialist: De hoogste opgave van het menselijk kennen is te begrijpen dat het niet begrijpen kan.*

* Uitspraak van Sören Kierkegaard (1813-1855).

Agnost: Toch weer iets begrepen?

Existentialist: Helemaal zonder begrip gaat het kennelijk niet.

Agnost: De hoogste opgave van het menselijk kennen is te begrijpen dat het niet anders kán.

Existentialist: Het menselijk kennen kan niet anders dan begrijpen, bedoelt u?

Agnost: Maar de allerhoogste opgave van het menselijk kennen is te begrijpen dat het zelf ook maar een begrip is.

Existentialist: In plaats van een reëel geestelijk vermogen, bedoelt u?

Agnost: Dat is opnieuw een begrip.

Existentialist: Maar wat is dan nog de hoogste opgave van het menselijk kennen?

Agnost: Dan is opgave de hoogste opgave van het menselijk kennen.

Existentialist: Ik geef het op.

Agnost: Dan is het toch gelukt.

206 - Niet-weten is geen-filosofie

De denker en de agnost.

Denker: Wetenschap is wat je weet, filosofie is wat je niet weet.*

* Uitspraak van Bertrand Russell (1872-1970).

Agnost: Is dit nou wetenschap of filosofie?

Denker: Wat zou u zeggen?

Agnost: Wetenschap is op de proef stellen, filosofie is stellen.

Denker: Dat klinkt behoorlijk stellig.

Agnost: Het is een proefstelling.

Denker: Wat heeft u daarmee voor?

Agnost: Ik stel u op de proef.

Denker: Voor mij is filosofie niet-weten.

Agnost: Voor mij is niet-weten geen-filosofie.

207 - Zwijgen of het gedrukt staat

Beste Hans,

Soms ben ik de clichés uit het spirituele wereldje helemaal beu. Dan is het een verademing om over niet-weten te lezen. Sobere taal, fris van de lever. Jij laat de woorden weer spreken.

Beste X,

Ik laat de woorden weer zwijgen.

208 - Wegwijzers voor wegwezers

‘Wat is de eerste stap naar niet-weten?’

‘Niet weten wat de eerste stap is.’

‘En de laatste?’

‘Niet weten wat de laatste stap is.’

‘De rest laat zich wel raden.’

‘O ja?’

‘Niet weten wat de tussenliggende stappen zijn.’

‘Waarheen?’

209 - De Weg eindigt met de eerste stap

De scepticus en de agnost.

Scepticus: De eerste stap naar filosofie is ongeloof.*

* Uitspraak van Denis Diderot (1713-1784).

Agnost: Filosofie is de eerste stap naar ongeloof.

Scepticus: De filosofie van het ongeloof heet scepticisme.

Agnost: Scepticisme is het geloof in ongeloof.

Scepticus: De eerste stap naar filosofie is daarom scepsis.

Agnost: De eerste stap uit filosofie ook.

210 - Twijfel begint als wijsheid

De scepticus en de agnost.

Scepticus: Wijsheid begint met twijfel.*

* Uitspraak van Aristoteles (384-322).

Agnost: Ik betwijfel dat.

Scepticus: Wat zou u zeggen?

Agnost: Twijfel begint als wijsheid.

Scepticus: En waarmee eindigt het?

Agnost: Dat weet je nooit.

Scepticus: Ik dacht dat u ‘met niet-weten’ zou zeggen.

Agnost: Was het maar zo makkelijk.

211 - Niet-weten is geen twijfel

De politicus en de agnost.

Blindzien

Politicus: Twijfel is beide kanten zien.*

* Uitspraak van Eugène Marbeau (1825-1910).

Agnost: Niet-weten is blindzien.

Politicus: Wie geen kanten ziet kan ook niet twijfelen.

Agnost: Zeker weten.

Vraagteken in de vorm van een blindenstok.
Niet-weten is blindzien.

Rondzien

Politicus: Twijfel is beide kanten zien.

Agnost: Niet-weten is alle kanten zien.

Politicus: Wie alle kanten ziet kan ook niet twijfelen.

Agnost: Zeker weten?

212 - Waarheid in de schaduw van niet-weten

De dichter en de agnost.

Dichter: Twijfel is de schaduw van waarheid.*

* Uitspraak van Philip James Bailey (1816-1902).

Agnost: En waarvan is waarheid de schaduw?

Dichter: Ik zou het echt niet weten.

Agnost: Waarheid is de schaduw van niet-weten.

213 - Voor iedereen die de goede kant op wil

Leerling: We komen er wel.

Meester: Ik hoef nergens heen.

Leerling: Bedoelt u dat we er al zijn?

Meester: Waar zijn?

Leerling: Hier zijn.

Meester: Waar anders.

Leerling: In het hier en nu zijn.

Meester: En wat dan nog?

Leerling: Ik wil gewoon weten waar we zijn.

Meester: Waar we zijn.

Leerling: Ja, hè hè.

Meester: Waar anders.

Leerling: En ik wil weten waar we heengaan.

Meester: Waar we heen gaan.

Leerling: Ja, hè hè.

Meester: Waar anders.

Leerling: En ik wil weten waar ik heen moet.

Meester: Van wie?

Leerling: Als ik dat eens wist.

Meester: Zoek dat dan eerst maar uit.

Leerling: Van God? Van het leven? Van het universum?

Meester: Dan vraag je dat toch gewoon?

Leerling: Aan wie?

Meester: Aan God. Aan het leven. Aan het universum.

Leerling: Dat heb ik al zo vaak gedaan.

Meester: En?

Leerling: Lou loene.

Meester: Gefeliciteerd.

Leerling: Waarmee?

Meester: Dan kun je nog alle kanten op.

Leerling: Maar ik wil helemaal niet alle kanten op kunnen.

Meester: Dat vraagt toch ook niemand van je?

Leerling: Ik wil alleen maar de goede kant op.

Meester: Goed in welk opzicht?

Leerling: Goed in ieder opzicht.

Meester: Dan zal dat het probleem wel zijn.

Leerling: Kunt ú me niet vertellen waar ik heen moet?

Meester: Zeker.

Leerling: Alstublieft.

Meester: Waar je heen moet.

Leerling: Ja, hè hè.

Meester: Waar anders.

Leerling: Zo kan ik het ook.

Meester: Wat let je?

214 - Tempels hebben drempels

De geestelijke en de agnost.

1.

Geestelijke: Twijfel is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen betreden.*

* Uitspraak van Charles Caleb Colton (1780-1832).

Agnost: Wijsheid is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Twijfel kunnen betreden.

2.

Geestelijke: Twijfel is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen betreden.

Agnost: Wijsheid is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Dwaasheid kunnen betreden.

3.

Geestelijke: Twijfel is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen betreden.

Agnost: Zekerheid is het voorportaal waar alle mensen doorheen moeten voor ze de Tempel van Wijsheid kunnen verlaten.

215 - Een tempeldak is een hellend vlak

De filosoof en de agnost.

Nok

Filosoof: Wijsheid begint met verwondering.*

* Uitspraak van Socrates (469-399).

Agnost: Wijsheid eindigt met bewondering.

Dak

Filosoof: Wijsheid begint met verwondering.

Agnost: Wijsheid eindigt met verkondiging.

Goot

Filosoof: Wijsheid begint met verwondering.

Agnost: Wijsheid eindigt met verbijstering.

216 - De tempel van nietweten heeft geen hoogte en geen breedte

Een vrijplaats zonder uitgang.

X: Hoe kom ik in de tempel van nietweten?

H: Je hoeft er niet in.

X: Waarom niet?

H: Omdat hij overal is.

X: Waarom weet ik dat dan niet?

H: Omdat je er al in zit.

X: Dan vlucht ik toch in een Tempel van Wijsheid?

H: Daar zit je ook al in.

X: Hoe weet je dat?

H: Anders zou je niet vragen hoe je in de tempel van nietweten komt.

X: Hoe weet je of je in de tempel van nietweten bent?

H: Daar staan geen muren omheen.

X: Aha.

H: Er zit geen dak op.

X: Dat haal je de koekoek.

H: Er ligt geen vloer in.

X: Waarom ook.

H: Het stinkt er nooit naar zweetvoeten.

X: Leve de openlucht.

H: Zó weet je of je in de tempel van nietweten bent.

X: Heb je daar onbegrensd inzicht?

H: Daar heb je onbegrensd uitzicht.

X: Mag zoiets nog wel een tempel heten?

H: Dat heb je goed gezien.

217 - Niet-weten als noodzaak

Niet-weten als bijzaak

In alle wijsgerige, spirituele en religieuze tradities die ik ken is niet-weten een figurant, een entr’acte, een bijzaak.

Een wachtkamer, een donkere nacht van de ziel, een tunnel waar je doorheen moet op weg naar het licht.

Een middel, een noodzakelijk kwaad, een beugel om je tanden recht te zetten – na gebruik wegwerpen.

Nooit wordt het niet-weten zélf naar waarde geschat, altijd staat het in dienst van iets hogers, zoals een nar in dienst staat van een koning of mest in dienst van een gewas.

Wat is het hogere waaraan niet-weten onderhorig zou zijn? Liefdevolle vriendelijkheid (metta), groot mededogen (karuna), gelijkmoedigheid (uphekka), een einde aan het lijden (moksha), uitdoving (nirwana), gelukzaligheid (ananda), onthechting (ataraxia), eenwording met god (unio mystica), verlichting, zelfrealisatie, volmaaktheid, onsterfelijkheid, alwetendheid, alwijsheid en meer van dat fraais – liefst allemaal tegelijk.

Grote Woorden die de spirituele hebzucht hoog doen oplaaien.

Niet-weten als noodzaak

Op een gewone herfstdag in het eerste decennium van dit millennium drong het niet-weten ongevraagd mijn leven binnen.*

* Daar gingen tientallen jaren van dwarsdenkerij en deconstructie aan vooraf, reconstrueer ik achteraf, maar dat had ik toen nog helemaal niet door, laat staan dat ik er woorden voor had.

Naamloos en uit het niets.

Sindsdien speelt het de hoofdrol in een impromptu voorstelling waar geen eind aan komt.

Die hoofdrol heb ik het niet gegeven, die heeft het genomen, door de innerlijke slimmerik domweg van zijn troon te stoten.

Niet-weten heeft mijn denken óvergenomen en voorgoed op zijn kop gezet.

Dat is wat niet-weten met je doet en zo moet je dan door het leven: binnenstebuiten, achterstevoren en ondersteboven.

Voor mij is niet-weten dus nooit bijzaak geweest, maar altijd noodzaak, weerhaak, doorbraak, plofkraak, radbraak, schoonmaak, snelschaak, dagtaak, nieuwspraak.

Niet-weten is het begin, het midden en waarschijnlijk ook het einde van mijn spiritualiteit – al moet dat laatste natuurlijk nog blijken.

Niet-weten als hoofdzaak

Een radicaal niet-weten heeft genoeg aan zichzelf.

Het heeft helemaal geen traditie nodig, integendeel, iedere traditie valt onmiddellijk ten prooi aan niet-weten. Samen met al je andere troetelgedachten, positief en negatief, oud en nieuw, afgeleefd en vitaal, zonder uitzondering – of je het leuk vindt of niet.

Dus ook je troetelgedachten over liefdevolle vriendelijkheid, groot mededogen, gelijkmoedigheid, een einde aan het lijden, uitdoving, gelukzaligheid, onthechting, eenwording met God, verlichting, zelfrealisatie, volmaaktheid, onsterfelijkheid, alwetendheid, alwijsheid, en meer van dat fraais.

Dus ook je troetelgedachten over radicaal niet-weten.

Stijlfiguren niet-weten: accumulatio en dubitatio

Een accumulatio is een stijlfiguur in de vorm van een opsomming, bevestigend of ontkennend, van gelijksoortige elementen,.

Voorbeeld:

Niet-weten is geen plaats, geen tijd, geen weg, geen (on)grond, geen gemoedstoestand, geen staat, geen transformatie, geen ervaring, geen filosofie, geen houding, geen manier van doen, geen levenskunst, geen bewustzijnstoestand, geen identiteit, geen hogere werkelijkheid, geen orgaan, geen hoger inzicht, geen verwondering, geen eenwording, geen godgelijkheid en geen einde.

Rijtjes zijn misschien niet zo leuk om te lezen maar wel heel effectief als het erom gaat alle denkwegen af te sluiten, daarom gebruik ik ze veel.

Een accumulatio in vraagvorm heet een dubitatio.

Dubitatio’s zijn heel geschikt om twijfel mee uit te drukken, bijvoorbeeld:

Heeft de weetniet nou iets bereikt of juist niet? Heeft hij het niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken-en-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken-noch-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het niet-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken en het niet-bereiken en het bereiken-en-niet-bereiken en het bereiken-noch-niet-bereiken en het niet-niet-bereiken achter zich gelaten? Heeft hij zelfs het achterlaten achter zich gelaten? Dit alles tegelijk? Niets van dit alles? Iets anders? Niets anders? Wat denk jij?

Sommige van mijn dwaalteksten, zoals De Intergalactische Waarheidsconferentie, zijn rijtjes in gespreksvorm, dat wil zeggen, in percontatio's ingebedde accumulatio's en dubitatio's. Klinkt goed, vind je niet? Naamgeving kon je echt wel aan de oude Grieken overlaten.

Een accumulatio in ontkennende vorm is karakteristiek voor de via negativa en de negatieve theologie.

218 - De weg vinden in het ware is de weg vinden uit het ware

Twaalf waarheden, dertien ongelukken.

1. De weg vinden in het boeddhisme is de weg vinden uit het boeddhisme.

Dit heet het ware boeddhisme.

2. De weg vinden in het taoïsme is de weg vinden uit het taoïsme.

Dit heet het ware taoïsme.

3. De weg vinden in het soefisme is de weg vinden uit het soefisme.

Dit heet het ware soefisme.

4. De weg vinden in de mystiek is de weg vinden uit de mystiek.

Dit heet de ware mystiek.

5. De weg vinden in het non-dualisme is de weg vinden uit het non-dualisme.

Dit heet het ware non-dualisme.

6. De weg vinden in jezelf is de weg vinden uit jezelf.

Dit heet het ware zelf.

7. De weg vinden in het niets is de weg vinden uit het niets.

Dit heet het ware niets.

8. De weg vinden in het weten is de weg vinden uit het weten.

Dit heet het ware weten.

9. De weg vinden in het niet-weten is de weg vinden uit het niet-weten.

Dit heet het ware niet-weten.

10. De weg vinden in het spreken is de weg vinden uit het spreken.

Dit heet het ware spreken.

11. De weg vinden in het zwijgen is de weg vinden uit het zwijgen.

Dit heet het ware zwijgen.

12. De weg vinden in de weg is de weg vinden uit de weg.

Dit heet de ware weg.

13. De weg vinden in het ware is de weg vinden uit het ware.

Dat mag geen naam hebben.

Boeddhabeeld zwevend in de ruimte gevuld met het patroon van een doolhof
De weg vinden in het boeddhisme is de weg vinden uit het boeddhisme.

219 - Niet-weten als leeg paradigma

Een paradigma is een gekleurde blik

Mensen zijn gewoontedieren. We zetten een bril op om de werkelijkheid scherper te kunnen zien en vergeten algauw dat we een bril op hebben, als we het al ooit hebben geweten.

Afhankelijk van de kleur van onze brillenglazen vinden we de wereld zo roze, we vinden hem zo blauw, we vinden hem zo helder, we vinden hem zo grauw. We projecteren de kleuren van onze bril op de wereld en objectiveren wat subjectief is.

De bril met gekleurde glazen is hier een metafoor voor een onveranderlijke zienswijze die verward wordt met de werkelijkheid zelf. Zo'n zienswijze zou je een paradigma kunnen noemen.

Een paradigma is een gekleurde blik.

Paradigma's zijn taaie rakkers

Paradigma's zijn taaie rakkers. Ze kunnen tientallen, honderden of zelfs duizenden jaren standhouden. Net zolang tot iemand er een gat in ziet en daardoor naar buiten kruipt.

Denk maar eens aan de polytheïstische godsdienst van de Kelten die werd vervangen door het monotheïstische christendom.

Denk aan een theïstische religie zoals het hindoeïsme die concurrentie kreeg van een atheïstische als het boeddhisme.

Denk aan het geocentrische wereldbeeld dat werd vervangen door het heliocentrische.

Denk aan de mechanica van Newton die werd vervangen door de relativiteitsleer van Einstein.

Denk aan de Euclidische meetkunde die werd uitgebreid met de hyperbolische en de elliptische.

Denk aan de Duitse psychoanalyse die concurrentie kreeg van het Amerikaanse behaviorisme.

Denk aan de premoderne wijsbegeerte die werd overgenomen door de postmoderne.

Doorgaans wordt een paradigma pas verlaten als er een nieuw paradigma is gesmeed, dat zich net als het oude voordoet als de werkelijkheid zelf – maar nu écht.

Net zolang tot iemand dáár weer een gat in ziet om door naar buiten te kruipen.

Het lege paradigma

Niet-weten is geen onveranderlijke zienswijze die verward wordt met de werkelijkheid zelf.

Het is geen bril met gekleurde glazen.

Niet-weten is een bril zonder glazen.*

Het is een manier van zien zonder manier – blindzien.

Niet-weten is een leeg paradigma.

Nu kan er maar één leeg paradigma zijn, want waarin zou het ene lege paradigma, Ø1, van het andere lege paradigma, Ø2, moeten verschillen?

Niet-weten is het lege paradigma, Ø.

Het is het paradigma van geen-paradigma.

Niet-weten is het gat waardoor je uit ieder paradigma kruipt.

* Je kunt niet-weten net zo goed vergelijken met een groot assortiment brillen die je de een na de ander opzet, maar dan gaat de vergelijking mank.

220 - Niet-weten is geen bevrijdend inzicht

Verlichting is handelswaar

Verlichting is hot. Sinds Jezus van het kruis is gevallen wil iedereen een licht zijn voor zichzelf. Mooier nog, we zijn al verlicht maar we weten het nog niet, houdt men ons voor.

Verlichting is de nieuwe graal. Of je nou naar een satsang of naar een zendo gaat, het doel is verlichting. Hoe sneller hoe beter: ‘Spoedcursus verlichting’ (Tijn Touber), ‘Verlicht in 1 seconde’ (Mabel van den Dungen), ‘Verlichting voor luie mensen’ (Paul Smit).

Hoe dat dan moet? In zen, in dzogchen, in advaita – overal waar instantverlichting wordt aangeboden, gaat het om een ‘bevrijdend inzicht’.

Meestal is dat het inzicht dat ‘ik’ of ‘het relatieve’ of doe maar meteen de hele wereld, een illusie is in de enige echte Werkelijkheid.

Die enige echte Werkelijkheid luistert naar klinkende namen als het Zelf of de Bron of de Boeddhanatuur of het Absolute of het Al of Bewustzijn of God of Liefde.

Die enige echte Werkelijkheid ben Jij.

Dat is alles.

Effe beseffe en klaar is Klaar:

Het leven is een fopsigaar.

Danken en betalen maar.

Verlichting is nu handelswaar.

Van de ene put in de andere

Natuurlijk, een inzicht is zó omarmd, van de ene seconde op de andere, dat kan de beste overkomen. Ik heb al heel wat ingezien in mijn leven. Wie niet?

Inzichten boeien, en zie dan nog maar eens los te komen.

Daar gaan vaak jaren of decennia van twijfelen, stutten, ontleden, slopen, opnieuw omarmen en weer twijfelen overheen.

Jaren van deprogrammeren en deconditioneren.

Jaren van destructie en deconstructie.

Dat bevrijding van een bevrijdend inzicht net zoveel tijd en moeite kost als een paradigmawisseling, komt doordat het een paradigmawisseling ís. Een copernicaanse revolutie.

Het enige verschil met een reguliere paradigmawisseling is dat je niet de hele wereld hoeft te veranderen. Je hoeft geen breed gedragen omwenteling te ontketenen. Je zult niet in de boeien worden geslagen of op de brandstapel belanden vanwege je nieuwlichterij.

Je hoeft alleen jezelf maar in beweging te krijgen. De enige die uit het gat moet kruipen ben jij. Maar als je zwicht voor de verleiding een nieuw bevrijdend inzicht als breekijzer te gebruiken, is al het werk voor niets.

Bevrijdinkje is net ganzenbord: bij iedere rondgang wacht de put.

En jij bent de gans.

Niet de wereld vergaat, maar je wereldbééld

Niet-weten is géén inzicht – maar wat een uitzicht!

Hoelang duurt het voor je eindelijk van het uitzicht kunt genieten?

Het hangt ervan af hoeveel inzichten je hebt vergaard, hoe nauw ze samenhangen, hoe belangrijk ze voor je zijn.

Bij mij duurde het mijn halve leven, als ik 98 word (wat ik niet hoop) en ik denk niet dat ik sneller had gekund.

Niet-weten voor luie mensen? Laat me niet lachen.

Spoedcursus niet-weten? Geloof het maar niet.

Niet-weten in 1 seconde? Vergeet het maar.

Instant agnose? In geen duizend jaar.

Tenzij je al op het randje balanceert zonder het te weten.

Als er nog maar één inzicht tussen jou en een radicaal niet-weten in staat.

Een laatste strohalm.

Dan kan het schijnbaar ineens gebeuren.

In de ‘laatste’ seconde van die ‘duizend’ jaar.

Alsof de grond onder je voeten wegvalt.

Alsof de wereld vergaat.

Help!

Geen paniek – het was je gedachtewereld maar.

Alleen je wereldbééld vergaat.

Kijk nou!

Je stáát!

221 - Niet-weten is een blindganger

‘Niet-weten is een BOM, Hans.’

‘Voor de meeste mensen is het een blindganger.’

‘Die ieder moment af kan gaan!’

‘Maar daar rijdt de explosievenopruimingsdienst alweer voor.’

222 - Niet-weten is een fluitketelfluit

Worden de blinden geopend, dan licht de lege ruimte op
Maar als beginsel volstaat zelfs de leegte niet
Werp liever alle dingen én de leegte weg
Opdat de geesteswind nooit meer door de kieren zal gieren.

(Wumen Huikai in zijn vers bij koan 26 van de Poortloze Poort)

Een prachtig vers, als je het mij vraagt. Maar waarom zou de geesteswind nooit meer door de kieren mogen gieren? Doe eens gek, zei de gek, en werp zelfs het wegwerpen van alle dingen en de leegte weg en…

Hoor die ketel plots weer fluiten
Noch van binnen noch van buiten
Licht de lege ruimte op
Zet hem dan maar op je kop

Rode fluitketel met schele ogen en een scheve mond en een dansende deksel waar stoom uit komt.
Hoor die ketel plots weer fluiten…

223 - Niet-weten is je laatste fuik

‘Wat is weten?’

‘Een fuik.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Ook een fuik.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘Uit de eerste kun je nog ontsnappen.’

224 - Niet-weten is de ruimste fuik

‘Wat is weten?’

‘Een fuik.’

‘Wat is niet-weten?’

‘De ruimte eromheen.’

‘Nou, dan zou ik het wel weten.’

‘Nou, ik niet.’

225 - Niet-weten is verwijlen in het ongewisse

‘Wat is weten?’

‘Een fuik.’

‘Wat is niet-weten?’

‘De ruimte eromheen.’

‘Wat is het verschil?’

‘In een fuik kun je nergens heen, al zou je wel willen.’

‘En in de ruimte eromheen?’

‘Wil je nergens heen, al zou je wel kunnen.’

‘Waar je ook bent, je gaat nergens heen?’

‘Niet dat ik weet.’

‘Wat maakt het dan nog uit?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

226 - Niet-weten is iets waar je niet in zit en niet uit komt

‘Wat als je uit de fuik van het weten ontsnapt?’

‘Dan kom je in de fuik van niet-weten terecht.’

‘Hoe is het daar?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Zul je er ooit uitkomen?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Zit je er wel in?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Is er wel een fuik?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Is er wel een jij?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Weet je dan helemaal niets?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Niet-weten is toch zeker geen fuik?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Niet-weten is ultieme vrijheid!’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Moet ik je nou feliciteren of condoleren?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Gecondoliteerd dan maar.’

‘Insgelijks dan maar.’

227 - Wie kent het verschil tussen zelfrealisatie en zelfdestructie?

X: Ik heb het Zelf gerealiseerd!

H: Wat heb je gedaan?

X: Ik heb mijn Ware Zelf gevonden!

H: Waar lag het?

X: Overal, dat is nou net de grap!

H: Ik kom niet meer bij.

X: Idioot hè!

H: Wat moet ik me voorstellen bij het Ware Zelf?

X: Alles!

H: Vandaar dat het zo lang duurde om het te realiseren natuurlijk.

X: Wat?

H: Zelfs God had er zes dagen voor nodig.

X: Je begrijpt het niet!

H: Leg het me dan maar uit.

X: Ik heb mijzelf en de wereld minutieus onderzocht en uiteindelijk moeten vaststellen dat er geen verschil is!

H: Je kon de grens tussen binnenwereld en buitenwereld niet vinden.

X: Precies!

H: Als je jezelf zoekt vind je alleen de wereld, als je de wereld zoekt vind je alleen jezelf.

X: Dat zeg ik!

H: Geen idee waar jij ophoudt en waar de wereld begint.

X: Zo is het!

H: Eigenlijk weet je niet eens meer of er wel sprake is van een jij of een wereld, van een subject of een object.

X: Helemaal goed!

H: Dus als je zegt dat je het Ware Zelf hebt gerealiseerd, bedoel je eigenlijk alleen maar dat je het allemaal niet meer uit elkaar kunt houden?

X: Hè?

H: Of niet soms?

X: …

H: Nou?

X: Dat kan ik niet ontkennen.

H: Is dat een bevestiging?

X: Ik ben bang van wel.

H: Zeg dat dan meteen.

228 - Galweg

‘Wat is de weg van niet-weten?’

‘De weg van de meeste weerstand.’

229 - Niet-weten is geen conclusie maar een momentopname

Beste Hans,

Wat is precies het verschil tussen jouw niet-weten en dat van, bijvoorbeeld, mystici, boeddhisten en non-dualisten zoals ik?

Beste X,

Dank voor je vraag, dat kan ik je precies vertellen.

Niet-weten is voor mij niet de donkere nacht van de ziel in blijde verwachting van het hemelse licht, niet de stille paaszaterdag tussen kruisiging en wederopstanding.

Het is niet de onbegrijpelijke leegte waarin alle vormen verschijnen en verdwijnen.

Het is niet het onkenbare kennen of het bewustzijn dat aan alle kennen voorafgaat.

Het is niet de non-dualiteit waarin alle tegenstellingen teloorgaan.

Het is niet de onontware kluwen die interdependentie of interzijn of het net van Indra wordt genoemd.

Het is niet de waarheid voorbij de woorden of de wijsheid voorbij de wijsheid of de kennis zonder leraar.

Het is niet het onnavolgbare hart of de zuivere intuïtie of de goddelijke stilte.

Het is geen onomstotelijke beginsel waarmee je op voorhand ieder weten kunt afwijzen.

Het is geen uitgangspunt, geen conclusie, geen dogma, geen maatstaf, geen bevrijdend inzicht, geen methode, geen weg en geen doel.

Het is geen almanak vol met zaken waarvan ik voor eens en voor altijd heb vastgesteld dat je die niet kunt weten.

Dat is het verschil tussen mijn niet-weten en dat van, bijvoorbeeld, mystici, non-dualisten of boeddhisten.

Beste Hans,

Wat is niet-weten voor jou dan wel?

Beste X,

Dank voor je vraag, dat kan ik je ook precies vertellen.

Niet-weten is voor mij het acute stilzwijgen waarin ik mijns ondanks verval zodra ik levensvragen stel of gesteld krijg, en de antwoorden onderzoek die ik geef, ontvang of opgedrongen krijg.

Het is een ondervinding, nu en nu en nu.

Altijd actueel, nooit gegarandeerd.

X: Wat bedoel je precies met een ondervinding, nu en nu en nu?

H: Om een voorbeeld te geven: zou jij, als je leven op het spel stond, op dit moment op deze plaats zonder enig voorbehoud durven stellen dat je niet je persona bent, niet je lichaam, niet de rollen die je in het dagelijks leven speelt et cetera, maar wél Bewustzijn of Geest of Liefde of het Ene?

X: Het Ene. Zonder enig voorbehoud.

H: Nou, ik niet.

X: Maar zou jij, als je leven op het spel stond, op dit moment op deze plaats niet zonder enig voorbehoud durven stellen dat niemand eigenlijk weet wie hij is, dat je principieel niet kunt weten wie je bent, of minstens toch dat je op dit moment eventjes niet weet wie je bent?

H: Nee, nee en nee.

X: Hè?

H: Die hele woordenkraam, ‘jij’, ‘durven’, ‘stellen’, ‘niemand’, ‘eigenlijk’, ‘weten’ ‘zijn’ et cetera hangt voor mij in de lucht. Wolken aan een heldere hemel. Laat staan de retorische vraag ‘Zou jij op dit moment op deze plaats niet zonder enig voorbehoud durven stellen dat niemand eigenlijk weet wie hij is, dat je principieel niet kunt weten wie je bent, of minstens toch dat je op dit moment eventjes niet weet wie je bent?’ Een wolkenstraat, meer niet. Waait vanzelf weer over. Lost vanzelf weer op.

Dit mogen passen, dit moeten passen, hier en nu, live, onmiddellijk, steeds opnieuw, zonder beginsel, almanak, maatstaf, methode, reglement of ander houvast, noem ik bij gebrek aan beter niet-weten of dwijsheid of agnose. Voortdurend mogen en moeten passen inzake vragen als wie ben ik, wat is de zin van het leven, wat is de zin van de dood, wat is gezondheid, wat is ziekte, wat is goed en wat is slecht – dat is de actualiteit van agnose. Dat is de zegen van niet-weten.

Wat, hoezeer het mij ook spijt, opnieuw een wolkenstraat is. Waait vanzelf weer over. Lost vanzelf weer op.

X: Noem dat maar een zegen.

H: De zegen van niet-weten is tevens het debacle van mijn spiritualiteit, die bij gebrek aan inhoud niet verdedigbaar is en niet overdraagbaar. Probeer maar. Wat je er ook over zegt, het is kul. Een weetniet staat steeds voor lul.

230 - Niet-weten is een val zonder strik

Gestrekt maar niet gestrikt.

‘Wat is weten?’

‘Een val.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Ook een val.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘De val van niet-weten is vrij.’

231 - Niet-weten is vallen zonder opstaan

Plaats vergaan.

‘Wat is weten?’

‘Vallen en opstaan.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Vallen.’

232 - In de wolk van niet-weten is geen niet-weten

Tweeëntwintig leemtes in de leegte.

1. In de ban van niet-weten is geen ban.

2. In de leer van niet-weten is geen leer.

3. In de kennis van niet-weten is geen kennis.

4. In de wijsheid van niet-weten is geen wijsheid.

5. In de waarheid van niet-weten is geen waarheid.

6. In het licht van niet-weten is geen licht.

7. In de duisternis van niet-weten is geen duisternis.

8. In de hel van niet-weten is geen hel.

9. In de hemel van niet-weten is geen hemel.

10. In de god van niet-weten is geen god.

11. In de geest van niet-weten is geen geest.

12. In het hart van niet-weten is geen hart.

13. In het ego van niet-weten is geen ego.

14. In het zelf van niet-weten is geen zelf.

15. In het wezen van niet-weten is geen wezen.

16. In de vrijheid van niet-weten is geen vrijheid.

17. In het woord van niet-weten is geen woord.

18. In de grond van niet-weten is geen grond.

19. In de stilte van niet-weten is geen stilte.

20. In de leegte van niet-weten is geen leegte.

21. In de mist van niet-weten is geen mist.

22. In de wolk van niet-weten is geen niet-weten.

233 - Stilte is niet de weg

‘Is stilte soms de weg naar niet-weten?’

‘WELNEE!’

‘Waarom niet?’

‘NIET-WETEN MAAKT JUIST ZOVEEL MOGELIJK LAWAAI!’

‘Waarom maakt niet-weten zoveel lawaai?’

‘OM HET WETEN TE OVERSTEMMEN!’

234 - Niet-weten is een oorverdovende stilte

De Schreeuw.

X: Wat is niet-weten?

H: Stilte.

X: Wat voor stilte?

H: Een oorverdovende stilte.

X: Zo erg?

H: Fortissimo furioso.

X: Wat hoor je daarin niet?

H: Antwoorden.

X: Hoe is het in die oorverdovende stilte?

H: Hoe weet ik dat nou?

X: Jij bent daar toch?

H: Als ik dat eens wist.

X: Wat moet ik doen om er zelf te komen?

H: Ik heb geen idee.

X: Maar je kunt er toch wel komen?

H: Wie zegt dat je erheen moet?

X: Bedoel je dat ik er al ben?

H: Wie zegt dat je bent?

X: Is het er fijn?

H: Waar?

X: Of vervelend?

H: Wat is het verschil?

X: Het komt er dus op neer dat er helemaal geen antwoorden zijn?

H: Dat zou nog steeds een antwoord zijn.

X: Aaargh!

H: Dat zeg ik.

X: Wat?

H: Fortissimo furioso.

De Schreeuw van Munch, met een zwarte mond vol sterren
Niet-weten is een oorverdovende stilte

235 - Niet-weten is een vuurzee

X: Wat heeft niet-weten voor nieuws te bieden?

H: Niet-weten heeft niets te bieden, laat staan iets nieuws.

X: Waarin onderscheidt het zich dan?

H: In dat het er openlijk voor uitkomt.

X: Waarvoor?

H: Dat het niets te bieden heeft.

X: Is dat alles?

H: Kom er maar eens om.

X: Hoezo?

H: Overal kun je wel iets krijgen, maar waar krijg je nou niets?

X: Als je hét niets bedoelt dan weet ik nog wel een paar adresjes.

H: Maar ik bedoel gewoon niets.

X: Dan zal het ook wel niets kosten.

H: Integendeel, het zal je alles kosten.

X: Niet-weten brengt je niets maar kost je alles?

H: Wat wil je nog minder.

X: Geef mijn portie maar aan Fikkie.

H: Zeg maar gerust vuurzee.

X: En als je eenmaal niet meer weet?

H: Dan brengt het je alles en kost het je niets.

236 - Dwaalweg

‘Waarheen gaat hij die weet?’

‘Nergens heen, maar dat weet hij niet.’

‘Waarheen gaat hij die niet weet?’

‘Nergens heen, en dat weet hij best.’

237 - Rondweg

Leerling: Wat is de weg?

De meester wijst naar de ondergaande zon.

Leerling: Ik snap het niet.

Meester: Als een dwaas maar lang genoeg naar het westen loopt, wordt hij vanzelf een wijze uit het oosten.

238 - Voor niet-weten ben je nooit te bang

Niet-weten is een onvermogen

Niet-weten is geen kunst en geen kunde. Niet-weten is een onvermogen. Om een uitdrukking van Kant* te lenen:

Niet-weten is de mislukking van het denken.

Dat klinkt niet zo best, nee. Het is ook niet waar, anders was het denken alsnog gelukt. Dan wist je toch weer iets. Laat ik het zo zeggen:

Niet-weten is de triomf van het denken over zichzelf.

Of wat dacht je van:

Niet-weten is het vermogen om de diepten van je verstandelijke onvermogen te peilen.

Of om nog dichter naar Kant toe te kruipen:

God is de mislukking van het denken.

* ‘God spreekt in de mislukking van het denken’, zei de Duitse filosoof Immanuel Kant. Een schitterend eufemisme, goedgekeurd door het Vaticaan.

Een dubbelloops geweer

Maar het gaat hier niet om God, niet om triomf en niet om mislukking, het gaat hier om angst en moed en niet weten. Daarom zeg ik:

Niet-weten is een kwestie van lef hebben.

Maar alleen voor zover je de moed moet zien te vinden om toe te geven dat je het allemaal niet meer weet en nooit geweten hebt.

Dat lijkt eng, maar op den duur is het veel enger om te doen alsof je iets wél weet.

Al is de bluffer nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel.

Zo niet, dan achterhaalt zijn angst dat de waarheid hem zal achterhalen hem wel.

Een dubbelloops geweer, zo blijf je onder schot.

Niet-weten is een kwestie van lef hebben

Ik weet niet hoe het voor jou is, maar voor mij is niet-weten eerder een kwestie van bang genoeg zijn dan van dapper genoeg zijn.

Ik ben simpelweg te schijterig om de diepten van mijn onvermogen ongepeild te laten.

Te kleinmoedig om mezelf nog langer wijs te maken dat ik het allemaal wel doorheb.

Bevers moeten knagen, knagers moeten beven tot ze zweven van welbehagen.

Laat dit een troost en uitdaging zijn voor de angsthazen onder ons:

Voor niet-weten ben je nooit te bang.

239 - Laat de mislukking van het denken voor je spreken

X: God spreekt in de mislukking van het denken.

H: Wie zegt dat?

X: Ik.

H: Het komt me anders bekend voor.

X: Immanuel Kant.

H: Wat kan hij daarmee bedoeld hebben?

X: Dat Gods schepping net als God zelf complexer is dan een mensenverstand kan bevatten.

H: Zou hij zijn eigen denken als mislukt hebben beschouwd?

X: Daar lijkt het wel op.

H: Wanneer zeg je dat je denken mislukt is?

X: Wanneer het niets heeft opgeleverd, denk ik.

H: Hoe weet je eigenlijk dat Gods schepping en God zelf complexer zijn dan een mensenverstand kan bevatten?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: Hoe weet je dat het de complexiteit van Gods schepping en God zelf is waardoor een mensenverstand het niet kan bevatten?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: Hoe weet je dat een mensenverstand het in de toekomst niet alsnog zal bevatten?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: Hoe weet je dat dit hier Gods schepping is?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: Bestaat God eigenlijk wel?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: En zelfs als Hij bestaat, hoe weet je dan dat Hij de schepper is?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: Hoe weet je eigenlijk dat dit hier geschapen is?

X: Dat dacht ik.

H: Maar weet je het ook?

X: Ik denk het niet.

H: Wat weet je eigenlijk wel?

X: Heel wat minder dan ik dacht.

H: Net als Kant.

X: Ik denk het ook.

H: Is dit wat je bedoelde met 'God spreekt in de mislukking van het denken?

X: Ik ben bang van wel.

H: Zeg dat dan meteen.

240 - Niet-weten is een denken dat nooit victorie kraait

X: Wat is weten?

H: Denken dat tot stilstand probeert te komen.

X: Wat is niet-weten?

H: Denken dat in beweging blijft.

X: Welk denken zal uiteindelijk victorie kraaien?

H: Ze zullen beide blijven kraaien…

X: Maar?

H: Nooit victorie.

X: Waarom niet?

H: Omdat ze elkaar aan de gang houden.

X: Is dat een goede of een slechte zaak?

H: Je probeert tot stilstand te komen.

X: Kun je beter in beweging blijven?

H: Je probeert opnieuw tot stilstand te komen.

X: Volgens mij probeer jij steeds in beweging te blijven.

H: Je probeert nog steeds tot stilstand te komen.

X: Is dit wat je bedoelt met nooit victorie?

H: Maar we kraaien vrolijk verder.

241 - Niet-weten is een vlucht uit het vluchten

X: Wat is weten?

H: Een vlucht uit niet-weten.

X: Wat is niet-weten?

H: Een vlucht uit het weten.

X: Bedoel je dat we voortdurend heen en weer vluchten?

H: Tenzij we vanzelf heen en weer gaan.

X: Dat kan ook nog.

H: Gesteld dat we inderdaad heen en weer gaan.

X: Hè?

H: Want ik kan wel zoveel beweren.

X: Is dit nou een vlucht uit het weten of een vlucht uit niet-weten?

H: Een vlucht uit het vluchten.

242 - Professor in de weetnietkunde

In het dagelijks taalgebruik is ‘weetnietkunde’ een eufemisme voor onwetendheid. Meestal wordt het gebruikt in combinatie met de titel van professor. Iemand die heel dom overkomt of die gebakken lucht verkoopt noem je een professor in de weetnietkunde.

Op de lagere school werd ik de professor genoemd. Ik herinner mij een foto waarop ik als eersteklassertje kaarsrecht achter mijn lessenaar zit met mijn armen over elkaar, mijn mondhoeken naar beneden en een diepe frons tussen mijn ogen. Onderzoeker des geestes, denker des volks, een en al ernst, zo jong als ik was.

Om later in mijn leven weer professor genoemd te worden was ik niet slim genoeg. Ik kan wel goed denken hoor, maar ik kan niks onthouden. Om professor in de weetnietkunde genoemd te worden was ik weer niet dom genoeg. Ik hing ertussenin* – het verhaal van mijn leven.

* Sommigen noemen dat non-dualiteit; ook daarvoor ben ik niet dom genoeg.

Maar als we weetnietkunde nou eens herdefiniëren als denken, spreken en schrijven over niet-weten, dan heb ik toch nog tot professor geschopt.

Emeritus professor om precies te zijn, of eigenlijk emeritis, want het is geen ambt, het is een chronische extra-ambtelijke aandoening: emeritis simplex chronicus.

De buitenspelval, in goed Neanderlands.

Ontslag en aanstelling ineen.

Je zal het maar hebben.

243 - Pech is de weg naar het Grote Soit

Het pad van niet weten is een pad zonder pad.

Het pad zonder pad loopt weg van de weg.

Weg van de weg is een groot zwart gat.

Dat gat is het hart van het nulvoudig pad.

Het lege geluk heeft de vorm van pech.

Pech is de weg naar het Grote Soit.

244 - Om uw wijsheid te ontwijden

De soefi en de agnost.

Soefi: Ik ben niet gekomen om u te leren wat u niet weet. Ik ben gekomen om u in te wijden in de wijsheid die u reeds bezit.*

* Uitspraak van Inayat Khan (1882-1927).

Agnost: Ik ben niet gekomen om u te leren wat u niet weet. Ik ben gekomen om u te herinneren aan wat u niet weet.

Soefi: En die wijsheid dan?

Agnost: Ik ben niet gekomen om u in te wijden in de wijsheid die u reeds bezit. Ik ben gekomen om u in te wijden in de dwaasheid die ons reeds bezit.

245 - Er is geen weg uit niet-weten

Er is geen weg naar niet-weten.

Je hoeft er niet heen.

Er is geen weg uit niet-weten.

Je kunt er niet weg.

Er is geen niet-weten.

Er is geen weg.

Alles weg.

Waar wou je heen?

246 - Een lesje afleren

De meester en de agnost.

Meester: Ik leer meer van mijn leerlingen dan zij van mij.*

* Uitspraak van Inayat Khan (1882-1927).

Agnost: Had u maar geen leraar moeten worden.

Meester: Hoe zit dat bij u?

Agnost: Ik leer meer af van mijn leerlingen dan zij van mij.

Meester: Wat leren zij af van u?

Agnost: Zij leren af zich mijn leerling te noemen.

Meester: Hoe komt u dan aan inkomsten?

Agnost: Ik geef alleen maar uit.

247 - Leerling af, afleerling af

X: Wat was jouw weg?

H: Eerst ging alles vanzelf.

X: En toen?

H: Heb ik heel veel geleerd.

X: En toen?

H: Ging niets meer vanzelf.

X: En toen?

H: Heb ik heel veel afgeleerd.

X: En toen?

H: Heb ik het afleren afgeleerd.

X: En nu?

H: Gaat alles weer vanzelf.

248 - Dwazen doen het uit de doeken

De dichter en de agnost.

Dichter: Wijsheid vindt men in de boeken, wijs zijn zal men vérder zoeken.*

* Uitspraak van Guido Gazelle.

Agnost: Dwazen doen het uit de doeken, wijzen houden op met zoeken.

249 - Niet-weten is voor de poes

‘Wat is weten?’

‘Een roes.’

‘Wat is niet weten?’

‘Een kater.’

250 - Niet-weten is een free kick

X: Wat is weten?

H: Kicken.

X: Wat is niet weten?

H: Afkicken.

X: Wat als je bent afgekickt?

H: Kicken.

251 - Niet-weten is je verstand op tilt

Beste Hans,

Ooit heb ik mij overmoedig op Plato geworpen, de grootste, of in ieder geval meest bekende, westerse filosoof, in de hoop iets van het leven te begrijpen. Bij het lezen daarvan is mijn verstand helaas op tilt geslagen en heb ik ingezien dat ik niet verstandig genoeg was om dit alles te begrijpen. Erger nog, de eerlijkheid gebood me onder ogen te zien dat ik totaal niets weet en dat er verder ook niemand iets weet.

Dit inzicht van de beperktheid van mijn en het verstand leidde een lange, helse periode in van diepe angst, een besef van uiterste nietigheid en volslagen nutteloosheid. In die verstilde, ontsluierde geest echter kwamen na verloop van tijd inzichten aanwaaien die zo eenvoudig en mooi en goed zijn dat je onmiddellijk begrijpt wat er bedoeld wordt met ‘Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen’ (Mattheüs 5:3).

Ik weet dat je allergisch bent voor mooipraterij, maar het Eeuwige is voor mij geen kwestie meer van geloven. Mijn periode van geloven, niet geloven, weten en niet weten is reeds lang voorbij. Voor mij is alles ongelooflijk wonderlijk. Het leven is een mysterie en dat mysterie heet God.

Hartelijke groeten, X

Beste X,

Zelf heb ik de uitgang van Plato’s grot ook niet kunnen vinden en het schimmenspel op de muur bleek althans voor Hans van Dam geen schimmenspel op de muur te zijn – maar wat dan wel?

Mijn verstand sloeg echter niet op tilt bij het lezen van Plato maar na een periode van intensief reflecteren waarin ik, buiten de literatuur om, voor mezelf probeerde te redden wat er te redden viel.

Ik moest en zou iets vinden.

Een waarheid, hoe minimaal ook.

Als er geen reddingsboei te vinden was, dan maar een kurk.

Als er geen kurk te vinden was, dan maar een luchtbel.

Ik vond en verloor en vond en verloor.

En verloor.

Na mijn, wat zal ik zeggen, geestelijke bankroet, was ik een maand lang euforisch.

Zo blij was ik, zo opgelucht en tegelijkertijd verbijsterd dat mijn doorbraak, mijn grootste triomf, want zo voelde het, nou net mijn afbraak, mijn grootste debacle moest wezen, want zo voelde het.

Ik had ogen als kolen en kon bij iedere gedachte alleen nog maar stamelen: En dat ook niet!

Meer woorden had ik niet nodig.

Meer woorden had ik niet.

Tot groot vermaak van mijn vrouw.

Daarna werd ik langzaam rustiger.

Niet-weten verliet me niet meer, heeft me nooit meer verlaten (behalve in mijn dromen), maar mijn stemming sloeg langzamerhand om en toen een half jaar later de lente aanbrak, begon ik zomaar te huilen.

Dag in, dag uit sprongen mij zonder aanwijsbare reden de tranen in de ogen.

Ik was niet bang, zoals jij, en ook niet depressief.

Ik voelde me niet uiterst nietig of volslagen nutteloos.

Alleen maar stuurloos en verdrietig.

Ik moest huilen en kwam er niet achter waardoor.

Om er een mooi verhaaltje van te maken zou ik achteraf kunnen zeggen dat ik rouwde om het verlies van (het heilige geloof in) mijn denkbeelden.

De donkere ochtend van de ziel.*

* Johannes van het Kruis spreekt over de donkere nacht van de ziel – een periode van niet-weten waar de mysticus doorheen moet voordat God zich op zijn eigen tijd in zijn ziel openbaart.

Maar ook dat is slechts een denkbeeld, dat ik destijds al niet kon bevestigen, laat staan nu, jaren later.

Liever kijk ik erop terug als een misschien begrijpelijke maar uiteindelijk onverklaard gebleven periode van droefenis, die de hele lente aanhield en pas in de loop van de zomer optrok.

Wat de term niet-weten betreft, die is, zoals iedere term, misleidend.

Weten dat je niets weet behoort nog steeds tot het weten.

Het blijft een reddingsboei en verzuipen doe je pas als ook je zogenaamde niet-weten aan zichzelf ten prooi valt.

Als je zelfs niet meer weet van niet-weten.

Als je zelfs niet meer gelooft in niet-geloven.

Als je zelfs het weggooien hebt weggegooid.

Als je zelfs het kwijtraken bent kwijtgeraakt.

Is dat het einde van niet-weten en niet-geloven of integendeel het toppunt ervan?

Ik zou het echt niet weten.

Want niet-weten is natuurlijk helemaal niet afgelopen als het is afgelopen.

Alleen staat het vanaf dat moment zelf evenzeer onder verdenking als alle andere gedachten.

Waaronder de gedachte dat niet-weten vanaf dat moment zelf evenzeer onder verdenking staat als alle andere gedachten.

Maar ook de gedachte dat ‘verder ook niemand iets weet’, zoals jij claimt.

Zeker weten?

Hoe stel je zoiets vast?

Of de gedachte dat je ‘uiterst nietig en volslagen nutteloos’ bent.

In vergelijking waarmee?

Voor wie of wat?

Of de gedachte dat alles ‘ongelooflijk wonderlijk’ is.

Zeg eens eerlijk, is ‘alles’ niet net zo vaak ongelooflijk gewóón?

En is die ongelooflijke gewoonheid, en de transformatie van het ongelooflijk gewone in het ongelooflijk wonderlijke en terug, op haar beurt niet ongelooflijk wonderlijk of gewoon, net zo het komt?

Of zijn dat ook maar weer gedachten?

Om nog maar te zwijgen over de gedachte dat het leven een mysterie is dat God heet.

Waar blijft dat ‘leven’, waar blijft dat ‘mysterie’, waar blijft die ‘God’, als de dragende gedachte, zoals alle gedachten, een paar seconden later gevlogen is?

In het koninkrijk der hemelen, zul je zeggen.

Of is dat ook maar een gedachte?

Het komt mij voor dat degene die de totale armoede van geest heeft gevonden, of liever, onophoudelijk ondervindt of herontdekt, zichzelf nooit als zalig zou omschrijven maar hooguit, en dan nog alleen met het pistool tegen het hoofd, als zalig noch onzalig.

Noem dit desnoods projectie.

Zelf ben ik voor zover ik weet in ieder geval niet het eeuwige deelachtig, noch het koninkrijk, noch de hemel.

Ik ben weliswaar bij vlagen vredig en gelukkig en incidenteel zelfs lyrisch, al dan niet inzake agnose, maar bij andere vlagen bijvoorbeeld boos, rusteloos, bang, gierig, agressief, lusteloos, verveeld, geïrriteerd of overprikkeld – vooral dit laatste.

Of moeten we uit de veelzijdigheid van mijn gevoelsleven opmaken dat ik nog altijd rijk van geest ben?

God mag het weten.

Hartelijke grotten,

Hans

252 - Niet-weten is natafelen

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Weet ik niet meer.

Leerling: Hoe kan dat nou?

Meester: Ik heb ze meteen verbrijzeld.

253 - Niet-weten is geen epitaaf

1.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Dit Zijn De Stenen Tafelen Van Niet-Weten.

2.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Dit Zijn Niet De Stenen Tafelen Van Niet-Weten.

3.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Niemand Weet Wat Voor Stenen Tafelen Dit Zijn.

4.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Niemand Weet Wat Voor Stenen Dit Zijn.

5.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Niemand Weet Wat Dit Zijn.

6.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Niemand Weet Wat.

7.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Op de ene staat Niemand Weet.

Leerling: En op de andere?

Meester: Wat?

8.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Wat Staat Er Op De Stenen Tafelen Van Niet-Weten?

254 - Niet-weten is een beletselteken

dat niemand iets belet.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: …

Leerling: Gij Zult Niet Weten?

Meester: …

Leerling: Gij Zult Niet Gebieden?

Meester: …

Leerling: Gij Zult Niet Beitelen?

Meester: …

Leerling: Gij Zult Niet?

Meester: …

Leerling: Gij Zult?

Meester: …

Leerling: Gij ?

Meester: …

Leerling: …?

Meester: …

Leerling: Is dat wat er staat of weet u het niet?

Meester: …

255 - Niet-weten is warm en vloeiend

Leerling: Waarmee kun je de stenen tafelen van het weten vergelijken?

Meester: Gewapend beton.

Leerling: En die van niet-weten?

Meester: Lava.

256 - De leegte beminnen is de waarheid bevragen

De mystica en de agnost.

Mystica: De waarheid beminnen is de leegte verdragen.*

* Uitspraak van Simone Weil (1909-1943).

Agnost: De leegte beminnen is de waarheid bevragen.

Mystica: Hoe dat zo?

Agnost: De leegte verdraagt geen waarheid.

Mystica: Waarom niet?

Agnost: Anders is ze niet leeg meer.

Mystica: De leegte verdraagt alleen maar leegte?

Agnost: Ook niet.

Mystica: Waarom niet?

Agnost: Anders is ze niet leeg meer.

Mystica: De leegte verdraagt alleen maar een naam?

Agnost: Ook niet.

Mystica: Waarom niet?

Agnost: Anders is ze niet leeg meer.

Mystica: Wat verdraagt ze eigenlijk wel?

Agnost: Bevraagd te worden.

Mystica: Wat is de leegte bevragen?

Agnost: De waarheid beminnen.

Mystica: De leegte beminnen is de waarheid bevragen, zei je toch?

Agnost: Dat komt op hetzelfde neer.

Mystica: Nou weet ik het helemaal niet meer.

Agnost: Dat komt op hetzelfde neer.

257 - Niet-weten is geen hersenspinsel

‘Wat is weten?’

‘Vastzitten in het web van je gedachten.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Rondlopen op het web van je gedachten.’

‘Ik streef ernaar het web van mijn gedachten helemaal te verlaten.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Want het web van je gedachten verlaten kun je niet.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Want er is helemaal geen web.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Want er is helemaal geen je.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Dan weet ik het ook niet meer.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Wat is vastzitten in het web van je gedachten?’

‘Weten.’

‘Wat is weten?’

258 - De dwijze is dronken van nuchterheid

Een meesterlijke verslaving.

X: Wat is weten?

H: Dronkenschap.

X: Wat is niet weten?

H: Nuchterheid.

X: Ben je dan nooit meer dronken?

H: Dan ben je stomdronken.

X: Ben je dan nooit meer nuchter?

H: Dan ben je broodnuchter.

X: Ja, ben je nou dronken of nuchter?

H: Dan ben je dronken van nuchterheid.

259 - Niet-weten is een spiegel

X: Wat is niet-weten?

H: Een spiegel.

X: Voor wie?

H: Wijze uilen.

X: Wat ziet een wijze uil die in de spiegel van niet-weten kijkt?

H: Als hij goed kijkt?

X: Nou?

H: Zijn ware gezicht.

X: Namelijk?

H: Een uilskuiken.

X: En als hij niet goed kijkt?

H: Wat hij wíl zien.

X: Namelijk?

H: Een wijze uil.

X: Wat zie je als je er zelf in kijkt?

H: Als ik goed kijk?

X: Nou?

H: Een uilenspiegel.

X: En als je niet goed kijkt?

H: Een uilskuiken.

X: Is dat dan niet jouw ware gezicht?

H: Wat?

X: Een uilskuiken?

H: Uilskuiken.

260 - Niet-weten is geen god

‘Wat is weten?’

‘Een januskop.’

‘Een wat?’

‘Een god met twee gezichten.’

‘Waarom noem je het een god?’

‘Omdat iedereen het aanbidt.’

‘Wat zijn de twee gezichten van weten?’

‘Gewoon weten en weten van niet-weten.’

‘Wat is weten van niet-weten?’

‘Een schijngestalte van niet-weten.’

‘Maar wat is dan niet-weten?’

‘Niet-weten is geen gezicht.’

261 - Ware dubbelhartigheid

De taalkundige en de agnost.

Taalkundige: De dubbelzijdigheid van de werkelijkheid is de dubbelzinnigheid van de waarheid. Zo is de leer van de waarheid een leer van werkelijke en ware dubbelzinnigheid.*

* Uitspraak van G. J. P. J. Bolland (1854-1922)*.

Agnost: Dat klinkt als één klok.

Taalkundige: Hoe bedoelt u?

Agnost: Uw leer van de dubbelzijdige werkelijkheid is volstrekt eenduidig. Alsof er geen andere visies zijn.

Taalkundige: Mijn visie op de werkelijkheid sluit alle mogelijke visies in.

Agnost: U stelt dat de werkelijkheid intrinsiek dubbelzijdig is en u onderstelt een objectieve werkelijkheid waarover met stelligheid gesproken kan worden.

Taalkundige: Dus?

Agnost: Kan het nooit de leer van de waarheid zijn.

Taalkundige: Omdat?

Agnost: De leer van de waarheid volgens u een leer van werkelijke en ware dubbelzinnigheid is.

262 - Leeg worden voor gekken

De essayist en de agnost.

Essayist: Misschien is dit wat gek worden betekent: leeggemaakt worden en je bewust te zijn van de leegte.*

* Uitspraak van David Foster Wallace (1962-2008).

Agnost: Misschien is dit wat leeg worden betekent: gekgemaakt zijn en je bewust te worden van de gekte.

263 - Niet-weten is geen waarheid en geen leugen

Als men hem vroeg of niet-weten waarheid is, zei Meester Paf:

‘Geen waarheid nee, maar mooier dan de mooiste waarheid ooit had kunnen zijn!’

Of hij zei:

‘Geen waarheid nee, maar dieper dan de diepste waarheid ooit had kunnen zijn!’

Of:

‘Geen waarheid nee, maar harder dan de hardste waarheid ooit had kunnen zijn!’

Of:

‘Geen waarheid nee, maar waarder dan de waarste waarheid ooit had kunnen zijn!’

Als men hem vroeg of niet-weten dan een leugen is, zei Meester Paf:

‘Geen leugen nee, maar beter dan de beste leugen ooit had kunnen zijn!’

Of hij zei:

‘Geen leugen nee, maar zoeter dan de zoetste leugen ooit had kunnen zijn!’

Of:

‘Geen leugen nee, maar zachter dan de zachtste leugen ooit had kunnen zijn!’

Of:

‘Geen leugen nee, maar gekker dan de gekste leugen ooit had kunnen zijn!’

Als men dan vroeg wat niet-weten dan wel is, haalde hij altijd zijn schouders op en zei: ‘paf staan.’

En dat is hoe Meester Paf aan zijn bijnaam kwam.

264 - Niet-weten is geen pied-à-terre

Meester Soit heeft het op vele manieren gezegd:

‘Niet-weten is hier, wij zijn daar.’

‘Niet-weten is thuis, wij zijn uit.’

‘Niet-weten is binnen, wij zijn buiten.’

‘Niet-weten is in ons hart, wij zijn in ons hoofd.’

‘Niet-weten is inwonend, wij zijn vreemdelingen.’

‘Niet-weten is nooit weggeweest, wij zijn nooit teruggegaan.’

‘Niet-weten is het meest nabij, wij zijn weer eens op bedevaart.’

Laatst schreeuwde hij om middernacht:

‘Niet-weten is geen pied-à-terre!’

Maar zijn stem draagt niet zo ver.

‘Het zij zo’, heeft hij steeds gezegd.

‘Ik Blijf het zeggen’, blijft hij zeggen,

‘En ook dát is dan maar zo:

Het zij zo is het meest nabij.’

265 - Niet-weten is geen brevet

Meester Zuetsu heeft gezegd:

‘Wie eindelijk doorkrijgt dat hij niets begrijpt, heeft toch weer iets begrepen. Nog even volhouden dus, maar wat?’

Hij heeft ook gezegd:

‘Niet begrijpen is geen hogere vorm van begrijpen; transmissie wordt hier niet verleend.’

Na enig aandringen verklaarde hij:

‘Nabij een hemellichaam is vallen geen kunst en in de eindeloze ruimte geen vliegwerk, maar wie zich veiliger voelt met een brevet kan zich met een gerust hart tot zen wenden. De leertijd is onbegrensd en je Zero staat al klaar.’

vliegtuig met zero-teken stort neer op tempeldak, met verschrikte piloot
Wie zich veiliger voelt met een brevet kan zich tot zen wenden

266 - Niet-weten is een koning zonder kijk

Meester Rara is een genie of een genius, daar wil ik vanaf zijn. Hij zegt gerust tien keer hetzelfde met andere woorden of tien keer wat anders met dezelfde woorden, dat valt ook al niet uit te maken, als hij al wat zegt.

Oordeel zelf:

Tien uitspraken van Meester Rara

1. ‘Wie wéét die ziet het allemaal, wie niet weet die zíet het allemaal wel, en zo heeft elk zijn kijk.’

2. ‘Wie wéét die heeft het goed gezien, wie niet weet die heeft het zien doorzien, en zo heeft elk zijn kijk.’

3. ‘Wie wéét die heeft het zélf gezien, wie niet weet die heeft het zelf gezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

4. ‘Wie wéét die heeft het zélf gezien, wie niet weet die heeft zichzelf doorzien, en zo heeft elk zijn kijk.’

5. ‘Wie wéét die heeft zichzelf ontzien, wie niet weet heeft afgezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

6. ‘Wie wéét die houdt het voor onzienlijk, wie niet weet die houdt het voor gezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

7. ‘Wie wéét die heeft het niet gezien, wie niet weet die heeft het wel gezíen, en zo heeft elk zijn kijk.’

8. ‘Wie wéét die heeft het niet gezien, wie niet weet die is gezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

9. ‘Wie wéét geeft niemand gelijk, wie niet weet geeft niemand ongelijk, en zo blijft elkeen rijk.’

10. ‘Wie wéét geeft niemand gelijk, wie niet weet geeft niemand ongelijk, en zo blijft elk een rijk.’

267 - Stilte is de slaap die dromen vangt

De staatsman en de agnost.

Staatsman: Stilte is de slaap die de wijsheid voedt.*

* Uitspraak van Francis Bacon (1561-1626).

Agnost: Kletsmajoor.

Staatsman: Wat zou u zeggen?

Agnost: Stilte is de slaap die dromen vangt.

Staatsman: En wijsheid dan?

Agnost: Dat is een van die dromen.

Staatsman: En dit gesprek?

Agnost: Is een van die dromen.

Staatsman: Wat is dan geen droom?

Agnost: Dwaasheid.

268 - Niet-weten is een rede zonder rede

‘Wat is weten?’

‘Een overwinning van de rede op de realiteit.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een overwinning van de rede op de rede.’

‘Ja, heeft de rede nou gewonnen of niet?’

‘Zo kun je het ook zeggen.’

‘Ik bedoel, heeft de realiteit nou verloren of niet?’

‘Zo kun je het ook zeggen.’

269 - Het onverstand van het genie

De letterkundige en de agnost.

Letterkundige: Er is veel verstand voor nodig om sommige dingen onbegrijpelijk te vinden.*

* Uitspraak van C. J. Wijnaendts Francken (1863-1944).

Agnost: Er is genie voor nodig om álles onbegrijpelijk te vinden.

270 - Wie alles kwijt is vindt niets

Klein verstand vindt alles vanzelfsprekend.

Gemiddeld verstand vindt veel vanzelfsprekend.

Groot verstand vindt weinig vanzelfsprekend.

Briljant verstand vindt niets vanzelfsprekend.

Onverstand vindt niets.

271 - De mythe van de eenvoud

De auteur en de agnost.

Auteur: Als je erover spreekt, wordt zelfs het eenvoudigste meteen ingewikkeld en onbegrijpelijk.*

* Uitspraak van Hermann Hesse (1877-1962).

Agnost: Als je erover zwijgt ook.

Auteur: Hoe verklaart u dat?

Agnost: Doordat zelfs het eenvoudigste ingewikkeld en onbegrijpelijk is.

Auteur: Dat ik daar nou nooit op gekomen ben.

Agnost: Of is dat te simpel gedacht?

Auteur: Ik ben schrijver geworden om orde te scheppen in de chaos.

Agnost: Niet om het ingewikkelde en onbegrijpelijke eenvoudiger voor te stellen dan het is?

Auteur: Zo had ik het nog niet bekeken.

Agnost: Of is dat weer te simpel gedacht?

Auteur: Daar ga ik eens rustig over nadenken.

Agnost: Zou u dat nou wel doen?

Auteur: Hoezo?

Agnost: Als je erover denkt, wordt zelfs het eenvoudigste meteen ingewikkeld en onbegrijpelijk.

Lees ook: Eenvoud is geen kunst – waarom zen geen goed voornemen is.

272 - Zelfs niet weten van niet-weten is zoiets als tien pond scheten

‘Zen is steeds opnieuw beginnen’, zei Shunryu Suzuki.

Zengeest, beginnersgeest heet zijn boekie.

Alsof het een keus is.

Alsof er een alternatief is voor vallen en opstaan.

Vallen – daarmee begint je leven.

Een val uit de baarmoeder.

In de val van het leven!

Baf!

Eens sta je voor het eerst op.

Als het meezit tenminste, want een deel is dan al afgevallen.

Daarna is het pas echt vallen en opstaan.

Vallen en opstaan.

Vallen en opstaan.

Vallen en opstaan.

En zo verder, tot je laatste val.

In het graf!

Baf!

Hoe zou je dan niet op je achterhoofd gevallen kunnen zijn?

Je begint je leven als weetniet.

Je leeft je leven als weetniet.

Je eindigt je leven als weetniet.

Je bent en blijft een weetniet.

Een dummy, een sufferd, een onbenul.

Een professor in slap gelul.

Of je het ziet of niet.

Het enige verschil tussen jou en mij is dat ik het niet langer verberg.

Alleen dwazen geloven in hun wijsheid.

Je herkent ze al van verre.

Aan hun wijde gewaden.

Aan hun brede gebaren.

Aan hun gedragenheid.

Geestelijke lijders.

Op zoek naar volgelingen.

Gedeelde smart is halve smart, maar wel twee keer zo veel.

Wat heb je dan gewonnen?

Niet-weten is verliezen.

Wie niet-weet is gezien.

De onmacht aan de macht!

Overmacht maakt zacht!

Je zwakte is je kracht!

De weetniet is groot – in zijn kleinheid.

Niet-weten is je kleinheid realiseren.

Precies zo groot worden als je bent, niet groter, niet kleiner.

Je ware grootte vinden is grootteloos worden.

Je grootheid verliezen en je kleinheid verliezen.

Niet meer weten hoe groot je bent in absolute zin.

Niet meer weten hoe groot je bent in vergelijking met anderen.

Niet meer weten hoe groot mensen zijn.

Weten dat mensen geen ware grootte hebben – behalve in hun geest.

Weten dat je zelfs niet weet of mensen een ware grootte hebben.

Wijs is wie zijn dwaasheid kent.

Zengeest, weetnietgeest in mijn boekie.

Dat boekie is nog kleiner dan het boekie van Suzuki.

Het is een leeg boekie.

Het is een boekie van niets.

Hét boekie van niets.

Zelfs niet weten van niet-weten is zoiets als tien pond scheten.

Het is gewoon de volgende val.

Trap er niet in!

273 - Niet-weten is steeds opnieuw beginnen

‘Waarmee kun je niet-weten vergelijken?’

‘Undo.’

‘Wat?’

‘Ctrl-Z.’

‘Het lijkt wel algebra.’

‘Het commando ongedaan-maken op de computer.’

‘Wat wordt er ongedaan gemaakt?’

‘Je vorige gedachte.’

‘Waarmee?’

‘Je huidige gedachte.’

‘Waarmee maak je die dan weer ongedaan?’

‘Je volgende gedachte natuurlijk.’

‘Aha!’

‘Wat?’

‘Eindelijk snap ik het.’

‘Undo.’

274 - Niet-weten is nooit af

Een achtvoudige lus.

1. De werkelijkheid bestrijden met de middelen van het realisme.

2. Luchtkastelen bestrijden met de middelen van het idealisme.

3. Gedachten bestrijden met de middelen van de psychologie.

4. Kennis bestrijden met de middelen van de wetenschap.

5. Stellingen bestrijden met de middelen van de filosofie.

6. Bewijzen bestrijden met de middelen van de logica.

7. Woorden bestrijden met de middelen van de taal.

8. Niet-weten bestrijden met niet-weten.

Gauw terug naar 1.

275 - Niet-weten is een kind

Een worm weet wat niet-weten is.
Een vis weet wat niet-weten is.
Ook ik wist wat niet-weten is
Totdat ik het wou weten.

Geen mens wist wat niet-weten was.
Geen prof wist wat niet-weten was.
Want weten wat niet-weten is
Is nevernooit niet-weten.

Een aap weet wat niet-weten is.
Een kind weet wat niet-weten is.
Ook jij wist wat niet-weten is
Al wil je het niet weten.

276 - Niet-weten is uit je woorden komen

De vrijdenker en de agnost.

Vrijdenker: Je komt altijd slecht uit je woorden als je niets te zeggen hebt.*

* Uitspraak van Voltaire (1694-1778).

Agnost: Je komt altijd slecht uit je woorden als je er nog in zit.

Vrijdenker: Als je waar nog in zit?

Agnost: In je woorden.

Vrijdenker: Wat als je niet meer in je woorden zit?

Agnost: Niet-weten.

Vrijdenker: Wat is niet-weten?

Agnost: Uit je woorden komen.

Vrijdenker: Wat als je uit je woorden bent gekomen?

Agnost: Dan heb je niets meer te zeggen.

277 - De eindeloze ruimte tussen de woorden

A small step for a man, a big step for a mind.

De eindeloze ruimte tussen de woorden

Voor de zwe(r)vers onder ons

Beste Hans,

Is niet-weten volgens jou iets wat je bereikt of iets wat je ontvangt? Is het een kwestie van oefening of een kwestie van genade? Van eigenmacht of van anderkracht? Van inzet of van overgave?

Beste X,

H: Niet-weten is een kwestie van opgave, als je het mij vraagt.

X: Wat opgeven?

H: Het weten opgeven. Het niet-weten opgeven. Het opgeven opgeven.

X: Dan ben je gauw uitgepraat.

H: Dát is niet-weten.

X: Gauw uitgepraat zijn?

H: Uitgepraat, uitgedacht, uitgezwegen.

X: Maar is niet-weten eerder iets dat je hebt bereikt of iets dat je hebt ontvangen – wat denk jij?

H: Door te zeggen dat ik het heb bereikt, suggereer ik dat er een bestendige persoon is in een bestendige wereld die een bestendige, benoembare en beschrijfbare verandering in zichzelf heeft bewerkstelligd. Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door dit te zeggen suggereer ik dat er niet zoiets is als een bestendige wereld of een bestendige persoon die in zichzelf een bestendige, benoembare en beschrijfbare verandering heeft bewerkstelligd. Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door te zeggen dat ik het niet-weten heb ontvangen, suggereer ik dat er een bestendige en almachtige gever bestaat en een onmachtige maar bestendige persoon die uitsluitend door de inspanning, goedgeefsheid of het blote bestaan van eerstgenoemde een bestendige, benoembare en beschrijfbare verandering heeft ondergaan. Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door dit te zeggen suggereer ik dat er niet zoiets is als een bestendige en almachtige gever en een onmachtige maar bestendige persoon die uitsluitend door de inspanning, goedgeefsheid of het blote bestaan van eerstgenoemde een bestendige, benoembare en beschrijfbare verandering heeft ondergaan. Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door keer op keer te verwijzen naar een drievoudige suggestie die haaks op niet-weten staat suggereer ik dat er zoiets is als een bestendig niet-weten dat het best tot uitdrukking komt door niet-suggereren. Een suggestie die haaks staat op niet-weten, evenals deze, et cetera ad nauseam. Ben je er nog?

X: Ik zie je probleem.

H: Wat jij een probleem noemt is voor mij een oplossing, namelijk een manier van denken en spreken die zichzelf vrijmoedig en blijmoedig ondermijnt.

Helaas suggereert het woord oplossing meteen weer een bestendig probleem in een bestendige wereld en een bestendige oplossing van een bestendig persoon. Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door dit te zeggen suggereer ik weer dat het bestaan onbestendig is of dat de mens en de wereld ledig zijn en dat we vooral niet moeten suggereren dat dit niet het geval is. Een drievoudige suggestie die haaks op niet-weten staat.

En zo blijven we aan de gang en van de straat. Wat maak jij van deze praat?

X: Volgens mij wil jij laten zien wat een mens zich allemaal op de hals haalt door zich af te vragen of niet-weten een kwestie is van bereiken of ontvangen, oefening of genade, eigenmacht of anderkracht, inzet of overgave.

H: Dit suggereert alweer dat er zoiets is als een mens en dat die mens daar een keuze in heeft en er maar beter mee kan ophouden – en dít dat er niet zoiets is als een mens en/of dat die mens het maar heeft te ondergaan.

X: En dat wil jij laten zien?

H: Wil ik iets laten zien?

X: Waar hebben we het anders over?

H: Woorden tekenen de ruimte uit, zoals condenssporen de lucht en sterren de melkweg. Ik ben dol op woorden, maar ze hebben de neiging de ruimte aan het zicht te onttrekken.

Wie veilig in een huisje van woorden wil wonen, prefab of zelfgebouwd, moet dat vooral doen. Ik word er toevallig claustrofobisch van. Bereiken versus ontvangen, oefening versus genade, eigenmacht versus anderkracht, inzet versus overgave – aaargh!

X: Waar hebben we het dan over?

H: Over de eindeloze ruimte tussen de woorden. Voor de zwe(r)vers onder ons.

X: Hoe is het daar?

H: Daar is het goed toeven, als je eenmaal je pleinvrees overwonnen hebt.

278 - Niet-weten is het eind van alle kwesties

Niet-weten is geen kwestie van bereiken.
Niet-weten is geen kwestie van ontvangen
Niet-weten is geen kwestie van bereiken én ontvangen.
Niet-weten is geen kwestie van bereiken noch ontvangen.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

Niet-weten is geen kwestie van oefening.
Niet-weten is geen kwestie van genade.
Niet-weten is geen kwestie van oefening én genade.
Niet-weten is geen kwestie van oefening noch genade.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

Niet-weten is geen kwestie van eigenmacht.
Niet-weten is geen kwestie van anderkracht
Niet-weten is geen kwestie van eigenmacht én anderkracht.
Niet-weten is geen kwestie van eigenmacht noch anderkracht.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

Niet-weten is geen kwestie van inzet.
Niet-weten is geen kwestie van overgave.
Niet-weten is geen kwestie van inzet én overgave.
Niet-weten is geen kwestie van inzet noch overgave.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

Niet-weten is geen kwestie van spreken.
Niet-weten is geen kwestie van zwijgen.
Niet-weten is geen kwestie van spreken én zwijgen.
Niet-weten is geen kwestie van spreken noch zwijgen.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

279 - Niet-weten is ademruimte, denkruimte, speelruimte, leefruimte

Hoe de weetnietgeest zijn vredesplein leeg houdt.

Beste Hans,

Hierbij een link naar een interview met de spirituele leraar Puntje-puntje-puntje. Ik ben benieuwd wat jij ervan vindt.

Beste X,

Dank voor je, even tellen, derde link alweer deze maand. En we zijn pas op de helft.

Man, wat een saai filmpje weer. Wat een ontstellende stelligheid. Zoveel clichés, hoe krijg je ze bij elkaar. Zitten er dan alleen maar klonen op Youdupe? Niet om door te komen, zeg.

Wil je mij een lol doen? Stuur me geen links meer. Je mag er zoveel niet-sturen als je wilt. Beter nog: stuur ze me maar allemáál niet. Dan ben jij wel even zoet en ik wat minder zuur.

Beste Hans,

Hierbij de, even tellen, vijfde link alweer deze maand. Sorry hoor, maar ik ben ervan overtuigd dat deze je aan zal spreken. Je moet er wel even de tijd voor nemen en het gesprokene goed tot je laten doordringen. Ik zou je haast vragen om het voor mij te doen, maar je moet het natuurlijk alleen voor jezelf doen.

Beste X,

Sinds ik online ben met mijn website over niet-weten worden mij voortdurend filmpjes, boekjes, mp3-tjes, verhaaltjes, gedichtjes, preken, teisho’s, satsangs, sensei’s, goeroes, meditatietechnieken, therapieën en waarheden aanbevolen. Dikwijls met klem. Alsof mijn website SOS.NL heet in plaats van NietWeten.nl.

In de mystiek spreekt men weleens van de donkere nacht van de ziel waarin je zou verkeren nadat je je eindelijk van alle zelfbeelden en godsbeelden hebt verlost, maar voordat het de beeldloze godheid behaagt je ziel binnen te gaan. Machteloos wachtend, smachtend naar de minne.

Ook in jouw ogen schijnt niet-weten een noodzakelijk kwaad te zijn. Een wachtkamer zonder dak of gemak. De blote hemel tussen woonhuis en godshuis. De bomkrater die de ingang van het paradijs verspert en daarom zo snel mogelijk opgevuld moet worden.

Zelf vind ik in dat gigagat juist ademruimte, denkruimte, speelruimte, leefruimte. Van je af kunnen kijken, dat geeft het gemoed pas rust. Pleinvree noem ik dat, pleinvreugd, pleinlust, agorafilie.

Ik wil je niet naar buiten lokken, hoor. Jou niet en niemand niet. Ik zeg alleen hoe het er is, op het weidse plein van de vreemde weetnietvrede. Hoe ik het beleef. Voor wie het horen wil. Voor wie het hebben kan.

X: Ik kan zo’n filmpje wel tien keer zien, weet je dat? Puntje-puntje-puntje weet het als geen ander te vertolken.

H: Integendeel, Puntje-puntje-puntje weet het als ieder ander te vertolken. Hij bedient zich van het standaard wijsheidsjargon met cliché’s als ego, identiteit, illusie, waarheid, karmisch pad, boeddhaveld, verlichting, een hogere bewustzijnstoestand, transcendentie, gelukzaligheid, universele liefde, totale openheid, heelheid, non-dualiteit, het absolute, de bron, eenheid, integratie en balans. Spoken in de bovenkamer. Wie gelooft daar nog in?

De weetnietgeest in elk geval niet. Jaren geleden heb ik in een roes van beate verstandsverbijstering door al deze en soortgelijke termen een streep gezet. Niet met een potlood, niet met een pen maar met een stanleymes. Dat beviel zo goed dat ik sindsdien vrijwel niks anders meer doe. Nu ook weer. Krassen, krassen, krassen.

Zó houdt de weetnietgeest zijn vredesplein leeg.

280 - Welkom in het Niemendal

Welkom in het Niemendal

Waar geen woorden zijn

Te wegen

Waar geen stellingen zijn

Te verdedigen

Waar geen oordeel is

Te staven

Waar geen reden is

Te redeneren

Waar geen wijsheid is

Over te dragen

Waar geen geheim is

Te ontraadselen

Waar geen verhaal is

Te halen

Waar geen hoofd is

Te foppen

Waar geen hart is

Te kloppen

Waar geen hartstocht is

Te blussen

Waar geen grond is

Te bezitten

Waar geen weg is

Te wijzen

Waar geen doel is

Te rechtvaardigen

Waar geen middel is

Te heiligen

Waar geen heiligen zijn

Te schenden

Waar geen zonde is

Te bekennen

Waar geen God is

Te herkennen

Waar geen ik is

Te vermoorden

Waar geen ego is

Te temmen

Waar geen zelf is

Te verheffen

Waar geen mens is

Te vatten

Waar geen Jezus is

Te volgen

Waar geen Boeddha is

Te doden

Waar geen vorm is

Te verhullen

Waar geen leegte is

Te vullen

Waar geen eenheid is

Te verdelen

Waar geen illusie is

Te doorzien

Waar geen werkelijkheid is

Te realiseren

Waar geen doen is

Te laten

Waar geen laten is

Te doen

Waar geen wezens zijn

Te bevrijden

Waar geen vrijheid is

Te vangen

Waar geen weten is

Te meten en

Niet-weten is

Gezien

281 - Woorden zijn oneindige werelden

De spreker en de agnost.

1.

Spreker: Veel wijsheid ligt in korte woorden besloten.*

* Uitspraak van Sophocles (496-406).

Agnost: Dat is het probleem niet.

Spreker: Wat is het probleem wel?

Agnost: Hoe je het eruit krijgt.

2.

Spreker: Veel wijsheid ligt in korte woorden besloten.

Agnost: Vandaar.

Spreker: Wat?

Agnost: Dat iedereen er iets anders uit haalt.

3.

Spreker: Veel wijsheid ligt in korte woorden besloten.

Agnost: Veel dwaasheid ook.

282 - ‘Geloof niets van wat ik zeg’

Beste Hans,

Op je website citeer je heel wat schrijvers uit heel wat tradities.* Ik maak me sterk dat een aantal van hen weinig tot niets opheeft of opgehad zou hebben met jouw niet-weten. Ik denk hierbij onder meer aan Samuel Beckett, Nico Tydeman, Janwillem van de Wetering, Jean Baudrillard, Toon Hermans, André van der Braak, Byron Katie, Jan van Delden, Elisabeth Dinnissen, Ton Lathouwers en Jan van den Oever.

Beste X,

Niet-weten betoogt niets en behoeft geen bewijs. Ik schrijf erover omdat ik er vol van ben. Ik ruis ervan als een schelp van de zee. Ik zoem ervan als een bij rond een bloem. Ik draai eromheen als licht rond de waarnemingshorizon van een zwart gat. Op het randje, het uiterste randje van het weten, zodat je me nog net kan zien, misschien.

De citaten heb ik uitgekozen omdat ze losgeweekt uit hun oorspronkelijke context, iets van de geest van niet-weten uitstralen. Wat dat over de geest van de auteurs zegt, weet ik niet. Mogelijk zijn ze het roerend met je eens, maar tot nog toe heeft niemand bezwaar aangetekend.

‘Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor het werk of de auteur in kwestie of voor mij’, schrijf ik in de disclaimer die sinds jaar en dag prominent in mijn colofon staat. Dat ik iemand citeer, betekent dus niet dat ik voor hem insta, of hij voor mij. Duidelijker kan ik het niet maken.

X: Waarom iemand citeren voor wie je niet instaat?

H: Wie moet ik anders citeren? Welbeschouwd sta ik voor niets en niemand in, ook niet voor mezelf. Voor niets en niemand instaan – een ander woord voor niet-weten. Of om het met Linji te zeggen:

Volgers van de Weg, geloof niets van wat ik zeg. Waarom niet? Mijn lering heeft geen grond. Mijn beweringen zijn onbewijsbaar. Het zijn condensstrepen in de lucht die meteen weer oplossen.

Mooie woorden die ik graag citeer. Wat niet betekent dat ik nu namens Linji spreek en dat je de groeten van hem moet hebben.

X: Je citaat van Linji bevat een anachronisme. Of dacht jij dat er destijds al straalvliegtuigen rondvlogen?

H: Dacht jij dat Chinezen destijds al Nederlands spraken?

X: Ik geloof niets van wat je zegt.

H: Dat kan ik iedereen aanraden.

* In 2017 heb ik mijn verzameling van vijfduizend citaten over niet-weten vernietigd. Sindsdien spreek ik alleen voor mezelf.

283 - Gedachten zijn oneindige afgronden

De wiskundige en de agnost.

Wiskundige: In ieder mens is er een oneindige afgrond die je alleen met God kunt vullen.*

* Uitspraak van Blaise Pascal (1623-1662).

Agnost: In iedere God is er een oneindige afgrond die Hij alleen met mensen kan vullen.

Wiskundige: Dat is heel wat anders.

Agnost: Dat zegt u.

Wiskundige: We hebben het nu over de mens.

Agnost: In ieder mens is er een oneindige afgrond die je alleen met fantasie kunt vullen.

Wiskundige: Wou u beweren dat God een fantasie van de mens is?

Agnost: Tenzij dat ook een fantasie van de mens is.

Wiskundige: Dus volgens u is er in ieder mens een oneindige afgrond die je alleen met fantasie kunt vullen.

Agnost: Volgens mij is er in ieder mens een oneindige afgrond die je nergens mee kunt vullen.

Wiskundige: En waarom zou je die oneindige afgrond niet met God kunnen vullen?

Agnost: Geen afgrond laat zich met een afgrond vullen.

Wiskundige: Wou u beweren dat God zelf een oneindige afgrond is?

Agnost: Er hebben zich al heel wat mensen in gestort.

Wiskundige: Als we de oneindige afgrond in de mens nergens mee kunnen vullen, wat moeten we er dan mee doen?

Agnost: Lekker laten gapen.

Wiskundige: Wat als je die gapende afgrond in je binnenste niet verdraagt?

Agnost: Dan probeer je hem met wiskunde te vullen.

Wiskundige: Dat heb ik inderdaad geprobeerd.

Agnost: Maar?

Wiskundige: Met heel mijn wiskundig vernuft ben ik er niet in geslaagd de gapende afgrond in mijn binnenste te vullen.

Agnost: En toen?

Wiskundige: Probeerde ik hem met gedachten te vullen.

Agnost: De Pensées.

Wiskundige: Met heel mijn filosofisch vernuft ben ik er niet in geslaagd de gapende afgrond in mijn binnenste te vullen.

Agnost: Misschien is die gapende afgrond in uw binnenste ook maar een gedachte.

Wiskundige: Dat is een vernuftige gedachte.

Agnost: Misschien zijn gedachten wel oneindige afgronden.

Wiskundige: Die zich dan natuurlijk met geen enkele gedachte laten vullen.

Agnost: Geen afgrond laat zich met een afgrond vullen.

Wiskundige: Al hebben zich er al heel wat mensen in gestort.

Agnost: Of zijn dit ook maar weer gedachten?

Wiskundige: In ieder mens is er een oneindige afgrond die je alleen met God kunt vullen.

284 - De God van niet-weten

‘Hoe heet jouw God, Hans?’

‘TJA!’

‘Geloof jij in God?’

‘Tja.’

285 - Als je in de afgrond springt, spring je in jezelf

De nihilist en de agnost.

Nihilist: Als je in de afgrond kijkt, kijkt hij ook in jou.*

* Uitspraak van Friedrich Nietzsche (1844-1900).

Agnost: Als je in de afgrond kijkt, kijk je in jezelf.

Nihilist: En als je in jezelf kijkt?

Agnost: Kijk je in de afgrond.

Nihilist: En als je in de afgrond roept?

Agnost: Hoor je steeds jezelf.

Nihilist: En als je in de afgrond springt?

Agnost: Spring je in jezelf.

Nihilist: Dat vraagt veel moed!

Agnost: Boven blijven net zo goed.

Nihilist: Wat als je in jezelf springt?

Agnost: Dan kom je er wel uit.

Nihilist: Wat als je uit jezelf komt?

Agnost: Dan merk je geen verschil.

Nihilist: Dan ben je er toch uit?

Agnost: Je bent erin gebleven.

Nihilist: Hoe kan dat dan?

Agnost: De afgrond is overal.

Nihilist: Wat maakt het dan uit of je erin springt of niet?

Agnost: Ik zou het ook niet weten.

Nihilist: Maar wat heb je er dan aan?

Agnost: Hoe wou je er anders achter komen?

Nihilist: Volgens mij heb ik zojuist in de afgrond gekeken.

Agnost: Als je in de afgrond kijkt, kijkt hij ook in jou.

286 - Niet-weten is helemaal het einde!

Reizen zonder bestemming.

Niet-weten is een reis…

1. Naar het einde van het vasthouden – én het einde van het loslaten!

2. Naar het einde van gehechtheid – én het einde van onthechting!

3. Naar het einde van het relatieve – én het einde van absolute!

4. Naar het einde van samsara – én het einde van nirwana!

5. Naar het einde van de vorm – én het einde van de leegte!

6. Naar het einde van de dwaasheid – én het einde van de wijsheid!

7. Naar het einde van het worden – én het einde van het zijn!

8. Naar het einde van de illusie – én het einde van de werkelijkheid!

9. Naar het einde van het onderscheid – én het einde van de eenheid!

10. Naar het einde van de complexiteit – én het einde van de eenvoud!

11. Naar het einde van de vrijheid – én het einde van de gebondenheid!

12. Naar het einde van je lichaam – én het einde van je geest!

13. Naar het einde van jezelf – én het einde van het Zelf!

14. Naar het einde van je hoogmoed – én het einde van je deemoed!

15. Naar het einde van de wanhoop – én het einde van de hoop!

16. Naar het einde van je twijfels – én het einde van je zekerheden!

17. Naar het einde van je geloof – én het einde van je ongeloof!

18. Naar het einde van je welles – én het einde van je nietes!

19. Naar het einde van je woorden – én het einde van je stilte!

21. Naar het einde van het weten – én het einde van het niet-weten.

21. Naar het einde van het doen – én het einde van het laten.

22. Naar het einde van de reis – én het einde van einde!

Daarom zeg ik: Goede reis!

Maar ik bedoel natuurlijk: Welkom thuis!

287 - Niet-weten is geen gebod

‘Wat is weten?’

‘Een gebod zonder end.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een gebed zonder end.’

288 - De smaak van niet-weten

Beste Hans,

Nooit eerder heb ik iemand zo gemakkelijk paradoxen aan elkaar zien rijgen als jij. Maar je kunt van gewone stervelingen toch niet verwachten dat ze hun niet-weten op deze manier uitdrukken?

Beste X,

Nee zeg, stel je voor. Maar waarom zou je je niet-weten ook willen uitdrukken? Dat heeft toch helemaal geen zin. Behalve voor gewone stervelingen als ik die toevallig niks beters te doen hebben.

X: Wat is niet-weten in de praktijk?

H: In de praktijk is niet-weten gewoon je schouders ophalen over alle dwaze gedachten die de hele dag door je hoofd schieten. Waaronder deze. Dat is alles.

X: Waarom dan dat gegoochel met paradoxen?

H: Paradoxen gebruik ik alleen maar om niets te zeggen zonder meteen in stilzwijgen te vervallen.

Niets zeggen zonder meteen in stilzwijgen te vervallen doe ik alleen maar om mensen een voorproefje van de smaak van niet-weten te geven.

Dat kan misschien ook op andere manieren, als het al kan, maar dit is toevallig de mijne.

X: Als ik je dwaalteksten lees denk ik steeds: zo denk ik niet. Dat kan ik nooit.

H: Ik ook niet hoor. Het klopt dat mijn denken zichzelf de hele dag door ondermijnt, maar toch niet zo uitdrukkelijk en beheerst als mijn schrijfsels suggereren.

Dwaalteksten zijn bouwwerkjes die langzaam tot stand komen, waarbij ik de innerlijke tegenstrijdigheid van de tekst stap voor stap verhoog en verfijn.

Niet-weten betekent alleen maar dat je het allemaal niet meer weet en daarvoor uitkomt. Hoe je het zegt is vers twee.

X: Hoe verhoudt jouw denken zich tot je teksten?

H: Als suikerbieten tot kristalsuiker.

X: Een hele geruststelling.

H: Zeker weten.

X: Als je alleen maar een voorproefje van de smaak van niet-weten wilt geven, waarom schrijf je dan niet gewoon je gedachten uit zoals ze je invallen?

H: Waarom doe jij niet gewoon suikerbieten in je koffie?

X: Ik hou niet van koude koffie.

H: Ik hou niet van troebele teksten.

X: Waarmee kun je de smaak van niet-weten vergelijken?

H: Het is maar net aan wie je het vraagt, zei de mestkever tegen de oorwurm.

X: Diksap? Likeur? Champagne?

H: Optimist.

X: Azijn? Sambal? Gal?

H: Pessimist.

X: Wat dan wel?

H: Water. Gewoon water. Helder, smaakloos, reukloos, vormloos. De enige dorstlesser waar je geen dorst van krijgt.

Niet-weten is bronwater voor de geest.

Twee portretten van de auteur met het gezicht naar elkaar toe, de linker in de vorm van een suikerbiet, de rechter gevuld met bruisend bronwater.

Stijlfiguren niet-weten: antithese

Een antithese is een stijlfiguur in de vorm van een nevenschikking van tegengestelde begrippen om door de contrastwerking de nadruk te verhogen.

De hoogste waarheid een lage leugen.

Als een dwaas maar lang genoeg naar het westen loopt, wordt hij vanzelf een wijze uit het oosten.

Wie denkt in termen van goed en fout zit goed fout.

De weg naar niet-weten is de opgang naar je afgang.

De antithese of tegenstelling is de grondvorm van twee andere stijlfiguren: het oxymoron en de paradox.

289 - Het volle leven is meer dan zweven

De goeroe en de agnost.

Goeroe: Het leven begint waar de angst eindigt.*

* Uitspraak van Osho (1931-1990).

Agnost: De angst begint waar het leven begint.

Goeroe: En de angst eindigt waar het leven begint.

Agnost: En de dood begint waar de angst eindigt.

Goeroe: Want leven is niet bang zijn.

Agnost: Want leven is ook bang zijn.

Goeroe: Dus wees niet bang voor het leven.

Agnost: Dus wees niet bang voor de angst.

Goeroe: Want de angst eindigt waar het leven begint.

Agnost: Want de angst begint waar het leven begint.

290 - Nu-isme is van alle tijden

De goeroe en de agnost.

Goeroe: Wie naar de toekomst verlangt, wil het heden mijden.*

* Uitspraak van Jiddhu Krishnamurti (1895-1986).

Agnost: Verlangen vindt plaats in het heden.

Goeroe: Daar zegt u me wat.

Agnost: Mijden vindt eveneens plaats in het heden.

Goeroe: Verdraaid.

Agnost: Dus dat kan het probleem niet zijn.

Goeroe: Wat kan het probleem wel zijn?

Agnost: Wie naar het heden verlangt, wil de toekomst of het verleden mijden.

Goeroe: Ja, zo kun je het ook zien.

Agnost: Wie het mijden wil mijden, verlangt naar een toekomst of verleden zonder vermijding.

Goeroe: U draait het helemaal om.

Agnost: En wie naar een goeroe gaat wil aan het heden ontsnappen.

Goeroe: Maar ik verwijs ze toch juist naar het heden?

Agnost: Daarom komen ze juist naar u toe.

Goeroe: Waarom komen ze juist naar mij toe?

Agnost: Omdat u ze een toekomst voorspiegelt zonder verleden.

Goeroe: Dat lijkt me een heel goede reden.

Agnost: Zo trekt u ze uit hun heden.

nu-isme: het idee dat alleen het nu reëel is, en het ideaal om helemaal in het heden te leven, zonder gisteren of morgen, zonder spijt of zorgen.

291 - Een onwerkelijke waarheid

De goeroe en de agnost.

Goeroe: Geloof is één ding, werkelijkheid een ander.*

* Uitspraak van Jiddhu Krishnamurti (1895-1986).

Agnost: Gelooft u dat werkelijk?

Goeroe: De werkelijkheid is de enige waarheid.

Agnost: Gelooft u dan in de werkelijkheid?

Goeroe: Gelooft u dan niet in de werkelijkheid?

Agnost: Ongeloof is één ding, onwerkelijkheid een ander.

292 - Niet weten is echt geen filosofie

De denker en de agnost.

Denker: Echte filosofie is om de dingen te zien zoals ze zijn.*

* Uitspraak van Georges-Louis Leclerc de Buffon (1707-1788).

Agnost: Denkt u dat je de dingen kunt zien zoals ze zijn?

Denker: Wat is echte filosofie volgens u?

Agnost: Je afvragen of je de dingen kunt zien zoals ze zijn?

Denker: Is dat alles?

Agnost: Nagaan of de dingen waarvan je denkt dat je ziet zoals ze zijn wel echt zijn?

Denker: Ik weet het niet hoor.

Agnost: Ik ook niet hoor.

Denker: Filosofie is om de dingen te zien zoals ze echt zijn.

Agnost: Denkt u dat u de filosofie ziet zoals ze echt is?

Denker: Wat ziet u als u naar de filosofie kijkt?

Agnost: Een eindeloze optocht van mensen die denken dat alleen hun filosofie echt is.

Denker: U denkt toch ook dat alleen uw filosofie echt is?

Agnost: Ik denk niet dat ik echt een filosofie heb.

Denker: U geeft het in elk geval toe.

Agnost: Je hebt echt geen filosofie nodig om de dingen te zien zoals ze zijn.

293 - Niet-weten is een vertrekpunt

X: Wat is weten?

H: Een vertrekpunt.

X: Waarnaartoe?

H: Niet-weten.

X: Wat is niet-weten?

H: Ook een vertrekpunt.

X: Waarnaartoe?

H: Joost mag het weten.

X: En ik maar denken dat niet-weten een bestemming was.

H: Dat is weer weten.

294 - De weg leidt overal van weg

X: Waarheen leidt de weg van niet-weten?

H: Weg.

X: De weg leidt weg?

H: Het woord zegt het al.

X: Waar vandaan?

H: Overal vandaan.

X: Niet alleen van het vertrekpunt…

H: Maar ook van de bestemming.

X: Niet alleen van de leugen…

H: Maar ook van de Waarheid.

X: Niet alleen van de illusie…

H: Maar ook van de Werkelijkheid.

X: Niet alleen van het kwade…

H: Maar ook van het Goede.

X: Niet alleen van gehechtheid…

H: Maar ook van Onthechting.

X: Niet alleen van het geconditioneerde…

H: Maar ook van het Ongeconditioneerde.

X: Niet alleen van het wereldlijke…

H: Maar ook van het Heilige.

X: Niet alleen van de mind…

H: Maar ook van het Hart.

X: Niet alleen van het ego…

H: Maar ook van het Zelf.

X: Niet alleen van het weten.

H: Maar ook van het niet-weten.

X: Echt?

H: De weg leidt overal van weg.

295 - Op de vleugels van de wind

X: Gods wegen zijn wonderbaarlijk.

H: Ik weet zelfs niet waar ze liggen.

X: Wie kan het oneindige bevatten?

H: Wiskundigen zijn daar heel goed in.

X: Ik heb het over het numineuze.

H: Even mijn woordenboek pakken.

X: Het leven is één groot mysterie.

H: Dan zou je dat ook niet weten.

X: ‘Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen.’

H: Hè?

X: Wat?

H: Dat is de langste zin die ik je ooit heb horen spreken.

X: Romeinen 11:33.

H: Die wisten wel waar Abraham de mosterd haalt.

X: ‘De wind is heel snel en behendig: je weet niet vanwaar hij komt en waar hij heen wil. Deze wind is de allerinnerlijkste mens, de verborgen, hoogste mens, naar Gods beeld en godsvormig. Die gaat ver boven alle begrip uit en boven alles wat we met ons werkende verstand kunnen bedenken. Op de vleugels van de wind wiekt de geest steeds boven zichzelf uit, hoger dan ooit een adelaar opvloog in de richting van de liefelijke zon of het vuur opsteeg naar de hemel: zo wiekt de geest op naar de goddelijke duisternis, zoals Job zei: Zo is voor de mens de weg verborgen en is gehuld in duisternis; op naar de duisternis van de onbekendheid van God, daar waar Hij is boven alles wat men Hem kan toeschrijven, daar waar Hij naamloos, vormloos, beeldloos is boven alle zijnswijzen en boven al het zijn uit.’

H: Amen.

X: Aldus sprak de veertiende-eeuwse Rijnlandse mysticus Johannes Tauber.

H: En dat ken jij uit je hoofd?

X: Voor mij zijn het tijdloze woorden.

H: Andermans woorden.

X: Woorden zijn woorden.

H: En wat zegt de veertiende-eeuwse Rijnlandse mysticus Johannes Tauber volgens jou?

X: Ik… het leven… hoe onbegrijpelijk… bescheidenheid siert de mens die… in het aangezicht van… hier past alleen… tjemig.

H: Volgens mij bedoel je gewoon dat je niks van het leven snapt.

X: …

H: Of niet soms.

X: Daar kon je weleens gelijk in hebben.

H: Zeg dat dan meteen.

296 - Laat je niet aan de haak slaan

Visserslatijn.

Beste Hans,

Ik heb al heel wat ‘dwaalteksten’ gelezen, maar ik snap nog altijd niet waar je op uit bent. Vaak zeg je dat je niets te zeggen hebt. Dat wil er bij mij niet in. Je schrijft toch niet voor niets? Bovendien zeg je ook weleens dat je zelfs niet niets te zeggen hebt. Zelfs niet niets is gewoon weer iets, of niet soms. Welk iets?

Bij jou vang je altijd bot. Je zegt jezelf niet als iemand te zien en niet als niemand, niet als iets en niet als niets. Ik kan niet uit de voeten met alleen maar negatieve aanduidingen. Toe nou, zeg eens iets!

Beste X,

Een mysticus gebruikt negatieve uitspraken om het onzegbare te zeggen of het onduidbare te duiden, maar dat is niet het enige wat je ermee doen kunt.

Ikzelf gebruik ze om het denken aan de kaak te stellen. De ongelooflijke goedgelovigheid waarmee we voortdurend onze eigen en toegeëigende gedachten bejegenen. Gedachten, zowel bevestigende als ontkennende, over onze persoon, over onze ware aard, over god, over ethiek, over de weg, over de zin van het leven, over het denken, over liefde, mededogen, lijden, geluk, bejegening en goedgelovigheid – over wat dan ook. Nu deze weer.

Als ik zeg dat ik niet iemand en niet niemand ben dan bedoel ik daarmee niet dat ‘ik’ een illusie is die gekend wordt door het ware zelf of zo, maar dat de persoon Hans van Dam, ooit een vast uitgangspunt van mijn denken, voor mij op losse schroeven is komen te staan, zonder dat er iets voor in de plaats is gekomen.

Ik kan niet heilig geloven in Hans, vorm, ziel, atman, brahman god of zelf, maar ook niet in niet-Hans, leegte, geen-ziel, anatman, parabrahman, niet-zelf of niet-geloven. Ik heb geen idee of dat alleen maar ideeën zijn of namen van realiteiten, terwijl ook het onderscheid tussen idee en realiteit mij bij nader inzien ontglipt.

Laat ik het zo zeggen: hoe groot is volgens jou de kans dat je een vis vangt als je in een pot met pieren zit te hengelen?

X: De geest is een pot met pieren?

H: Dan is dit een van die pieren.

X: We moeten ons niet aan de haak laten slaan.

H: Ook niet door deze gedachte.

X: Niet-weten is knabbelen, niet bijten.

H: Klinkt meer als niet-eten.

X: Hoe zou jij het zeggen?

H: Je zit nog steeds te hengelen.

X: Ik denk dat ik maar ga vissen.

H: Niet tegen de wind in pissen.

297 - De negatieve weg gaat nergens heen

H: Waartoe zijn wij volgens jou op aarde?

X: Om het goddelijke in onszelf te ontdekken.

H: Hoe moeten wij volgens jou het goddelijke benaderen?

X: Het goddelijke laat zich alleen langs de via negativa benaderen.

H: Langs de wat?

X: De negatieve weg. ‘Niet dit, niet dat.’ Neti neti.

H: Wat moet ik me daarbij voorstellen?

X: Je geeft een opsomming van allerlei begrippen of tegenstellingen waaraan het onzegbare ongelijk is.

H: Geef eens een voorbeeld.

X: God is liefde noch haat, één noch veel, begrensd noch onbegrensd, persoonlijk noch onpersoonlijk, menselijk noch onmenselijk, bestaand noch onbestaand.

H: Wat is god dan wel?

X: Tja.

H: Is dat wat hij is of weet je het niet?

X: Als ik het wist zou ik de via negativa niet bewandelen.

H: Dus eigenlijk is de via negativa een stijlfiguur om duidelijk te maken dat je iets niet weet?

X: Het is een methode om boven het bekende uit te stijgen.

H: Is ‘een methode om boven het bekende uit te stijgen’ niet gewoon het volgende eufemisme voor ‘ik weet het eigenlijk niet’?

X: Ik weet het eigenlijk niet.

H: Dat ook al niet?

X: Ik ben bang van wel.

H: Zeg dat dan meteen.

298 - Schijngestalten van niet-weten

Bijna raak is helemaal mis – de via negativa* naar niet-weten.

*Via negativa is Latijn voor de negatieve weg. In de mystiek wordt deze term gebruikt voor de ontkennende weg naar of omschrijving van God. Ik weet niet wat God is, zegt de mysticus, maar ik weet wel wat God niet is of waar God aan vooraf gaat of waar God aan voorbij gaat. En dan volgt gewoonlijk een lijst van opsommingen. In de Indiase filosofie wordt dit procedé neti-neti genoemd, niet dit en niet dat. Denk ook aan a-dvaita: niet-twee.

Niet-weten is geen idee, geen ideaal en geen ideologie.

Toch wordt het vaak verward met een of andere theorie, filosofie of levensbeschouwing, zoals nihilisme, obscurantisme, anti-intellectualisme, stoïcisme, fatalisme of quiëtisme.

Onzin natuurlijk, een lege leer is leeg, geen leer.

Om alle misverstanden te voorkomen zou ik een volledige lijst van ismes moeten aanleggen en van ieder item X op die lijst met zoveel woorden moeten zeggen dat niet-weten geen X is: ‘niet-weten is geen atheïsme’, ‘niet-weten is geen defaitisme’, ‘niet-weten is geen probabilisme’, ‘niet-weten is geen taoïsme’ enzovoort.

Zo’n lijst heb ik weleens gemaakt, hij vormt het hart van de Intergalactische Waarheidsconferentie waar ik al eerder naar verwees, en bevat zo’n vierhonderd leren, wat nog geen fractie is van alle benoemde leren, laat staan van alle onbenoemde en geïmproviseerde.

Hieronder beperk ik me tot de ismes waarmee niet-weten vaak verward wordt en die ik hierboven 'mantels der wijsheid’ heb genoemd.

Die lijst hoef je niet uit je hoofd te leren, ik ken hem zelf ook niet uit mijn hoofd.

Niet-weten is een lege leer, Ø, zonder ideeën, idealen of ideologieën.

Daar zijn er geen driehonderd van, daar zijn er geen dertig van, daar zijn er geen drie van, daar is er maar één van, zei de koopman.

Ik zeg het nog maar eens: er is maar één lege leer – geen lege leer.

Kan niet missen.

Voor niet-weten hoef je werkelijk niets te weten, niets te onthouden en niets te vergeten.

Wie kan dat nou niet?

Catch 33

1. Absurdisme is het idee dat het leven belachelijk is. Niet-weten is geen absurdisme.

2. Agnosticisme is het idee dat het wel of niet bestaan van God onbewijsbaar is. Niet-weten is geen agnosticisme.

3. Anti-intellectualisme is het idee dat kennis, wetenschap en technologie onnatuurlijk zijn. Niet-weten is geen anti-intellectualisme.

4. Atheïsten is het idee dat God niet bestaat. Niet-weten is geen atheïsme.

5. Boeddhisme is het idee dat alle dingen en wezens leeg zijn. Niet-weten is geen boeddhisme.

6. Conceptualisme is het idee dat alleen het individuele werkelijk is. Niet-weten is geen conceptualisme.

7. Consensualisme is het idee dat waarheid op afspraak berust. Niet-weten is geen consensualisme.

8. Constructivisme is het idee dat verschijnselen sociale constructies zijn. Niet-weten is geen constructivisme.

9. Cynisme is het idee dat niets waarde heeft. Niet-weten is geen cynisme.

10. Dadaïsme is het idee dat het zinloze het allerhoogste is. Niet-weten is geen dadaïsme.

11. Existentialisme is het idee dat je zelf zin aan het leven moet geven. Niet-weten is geen existentialisme.

12. Fallibilisme is het idee dat kennis altijd fout kan blijken te zijn. Niet-weten is geen fallibilisme.

13. Falsificationisme is het idee dat hypothesen nooit bevestigd kunnen worden. Niet-weten is geen falsificationisme.

14. Fatalisme is het idee dat alles bepaald wordt door het lot. Niet-weten is geen fatalisme.

15. Fideïsme is het idee dat ieder weten een kwestie van geloven is. Niet-weten is geen fideïsme.

16. Holisme is het idee dat niets op zichzelf staat. Niet-weten is geen holisme.

17. Idealisme is het idee dat de stoffelijke werkelijkheid een illusie is. Niet-weten is geen idealisme.

18. Irrationalisme is het idee dat de rede een illusie is. Niet-weten is geen irrationalisme.

19. Monisme is het idee dat alles één is. Niet-weten is geen monisme.

20. Nihilisme is het idee dat er geen grondwaarheden of grondwaarden zijn. Niet-weten is geen nihilisme.

21. Nominalisme is het idee dat woorden geen tegenhanger hebben in de werkelijkheid. Niet-weten is geen nominalisme.

22. Non-dualisme is het idee dat er in werkelijkheid geen onderscheid is. Niet-weten is geen non-dualisme.

23. Obscurantisme is het idee dat je beter zo min mogelijk kunt weten. Niet-weten is geen obscurantisme.

24. Perspectivisme is het idee dat je altijd vanuit een beperkt oogpunt kijkt. Niet-weten is geen perspectivisme.

25. Pluralisme is het idee dat waarheid en werkelijkheid veelvormig zijn. Niet-weten is geen pluralisme.

26. Postmodernisme is het idee dat grote verhalen niet van deze tijd zijn. Niet-weten is geen postmodernisme.

27. Probabilisme is het idee dat waarheid waarschijnlijkheid is. Niet-weten is geen probabilisme.

28. Pyrronisme is het idee dat wij al onze oordelen moeten opschorten. Niet-weten is geen pyrronisme.

29. Quiëtisme is het idee dat je beter stil en teruggetrokken kunt leven. Niet-weten is geen quiëtisme.

30. Relativisme is het idee dat waarheid betrekkelijk is. Niet-weten is geen relativisme.

31. Scepticisme is het idee dat wij niets kunnen weten. Niet-weten is geen scepticisme.

32. Stoïcisme is het idee dat we het onvermijdelijke onaangedaan moeten ondergaan. Niet-weten is geen stoïcisme.

33. Subjectivisme is het idee dat waarheid subjectief is. Niet-weten is geen subjectivisme.

299 - Wangestalten van niet-weten

Bijna mis is helemaal raak – de via positiva* naar niet-weten.

* De via positiva of positieve weg is het tegenovergestelde van de via negativa of negatieve weg. De positieve weg is karakteristiek voor de orthodoxe theologie. ‘God is dit en God is dat en God is zus en God is zo’, zegt de exegeet. Hoe dat heet in het Sanskriet weet ik niet.

Niet-weten is geen leer, al wordt het daar weleens voor aangezien.

Was het toch een leer, dan was het een lege.

Dat durf ik rustig te zeggen, want een lege leer is net zomin een leer als een leeg boek een boek is of een leeg ei een ei.

Een leeg ei is een dop, een leeg boek is een dummy en een lege leer is een strop en een flop en een mop en een schop onder je hol*, nou, als dat niet helpt dan weet ik het ook niet meer.

* Hol is Sanskriet voor sunyata.

Was niet-weten toch een leer, dan was het een leer die zichzelf tegenspreekt.

Een paradoxale leer.

Een zelfvernietigende leer.

Met een rood label eraan:

This teaching wil self-destruct in five seconds.*

Verrassend genoeg zijn er daar zijn er een heleboel van – leren, leefregels, begrippen en noem maar op die zichzelf de das omdoen.

Ze hebben allemaal dit gemeen: hun halfwaardetijd is nihil.

Ze duren precies één gedachte lang.

Tenminste, voor wie ze weet te herkennen.

Voor anderen duren ze jarenlang of levenslang, voor wederbarende boeddhisten zelfs levens lang tot hun levensslang eindelijk uitdooft in een aduaal nirwana waarin de edele waarheden niet langer van toepassing zijn (als ze het al ooit waren) en de leer tot in de puntjes en uitroeptekens is doorzien.

Reken maar dat je je dan bevrijd voelt.

In zen zeggen ze het zo: grote twijfel, grote verlichting.

Waar wacht je nog op?

1. Waarom is niet-weten het toppunt van absurdisme? Omdat het zelfs dat absurd vindt.

2. Waarom is niet-weten het toppunt van agnosticisme? Omdat het zelfs dat niet bewezen acht.

3. Waarom is niet-weten het toppunt van amoralisme? Omdat het zelfs daar niet naar leeft.

4. Waarom is niet-weten het toppunt van anarchisme? Omdat het zelfs daartegen rebelleert.

5. Waarom is niet-weten het toppunt van boeddhisme? Omdat het zelfs dat voor leeg houdt.

6. Waarom is niet-weten het toppunt van cynisme? Omdat het zelfs daar de waarde niet van inziet.

7. Waarom is niet-weten het toppunt van escapisme? Omdat het zelfs daaraan ontsnapt.

8. Waarom is niet-weten het toppunt van fallibilisme? Omdat het zelfs dat voor feilbaar houdt.

9. Waarom is niet-weten het toppunt van fideïsme? Omdat het zelfs dat als een geloof ziet.

10. Waarom is niet-weten het toppunt van indifferentisme? Omdat het zelfs daar niet warm voor loopt.

11. Waarom is niet-weten het toppunt van irrationalisme? Omdat het zelfs dat onredelijk vindt.

12. Waarom is niet-weten het toppunt van loslaten? Omdat het zelfs daaraan niet vasthoudt.

13. Waarom is niet-weten het toppunt van idealisme? Omdat het zelfs dat voor onwerkelijk houdt.

14. Waarom is niet-weten het toppunt van niet-weten? Omdat het zelfs daarvan niet weet.

15. Waarom is niet-weten het toppunt van nihilisme? Omdat het zelfs dat nietig verklaart.

16. Waarom is niet-weten het toppunt van nominalisme? Omdat het zelfs dat voor een loos woord houdt.

17. Waarom is niet-weten het toppunt van non-dualisme? Omdat het zelfs dat tweeslachtig vindt.

18. Waarom is niet-weten het toppunt van obscurantisme? Omdat het zelfs dat duister vindt.

19. Waarom is niet-weten het toppunt van onthechting? Omdat het zelfs daar niet aan hecht.

20. Waarom is niet-weten het toppunt van ontwaken? Omdat het zelfs daaruit is ontwaakt.

21. Waarom is niet-weten het toppunt van openheid? Omdat het zelfs openstaat voor geslotenheid.

22. Waarom is niet-weten het toppunt van perspectivisme? Omdat het zelfs dat als een zienswijze ziet.

23. Waarom is niet-weten het toppunt van pluralisme? Omdat het zelfs dat als een van vele mogelijkheden ziet.

24. Waarom is niet-weten het toppunt van postmodernisme? Omdat het zelfs dat tot de grote verhalen rekent.

25. Waarom is niet-weten het toppunt van probabilisme? Omdat het zelfs dat niet als zekerheid ziet.

26. Waarom is niet-weten het toppunt van pyrronisme? Omdat het zelfs daarover het oordeel opschort.

27. Waarom is niet-weten het toppunt van relativisme? Omdat het zelfs daarvan de betrekkelijkheid inziet.

28. Waarom is niet-weten het toppunt van scepticisme? Omdat het zelfs daaraan twijfelt.

29. Waarom is niet-weten het toppunt van transcendentie? Omdat het zelfs dat overstijgt.

30. Waarom is niet-weten het toppunt van vrijheid? Omdat het zelfs daarvan bevrijdt.

31. Waarom is niet-weten het toppunt van de wijsheid voorbij alle wijsheid? Omdat het zelfs daaraan voorbij gaat.

32. Waarom is niet-weten het toppunt van wu wei?1

33. Waarom is niet-weten het toppunt van zen? Omdat het zelfs daar niet om begonnen is.2

1. Wu wei is een term uit het taoïsme en betekent zoveel als niet-doen, meegaan met de stroom, overgave aan de Tao. Omdat het zelfs daaraan niet doet.

2. Verwijzing naar het boekje Zen mind, beginner’s mind, van Shunryu Suzuki waarin zen wordt gedefinieerd als steeds opnieuw beginnen.

300 - Vernietig alle bedenksels en spring in het gat dat overblijft

H: Wat is de weg?

X: Neti neti.

H: Niet iedereen spreekt Sanskriet.

X: De via negativa.

H: Niet iedereen spreekt Latijn.

X: Niet dit, niet dat.

H: Wat dan wel?

X: Daar trap ik niet meer in.

H: Loop er dan maar omheen.

X: Vernietig alle bedenksels en spring in het gat dat overblijft.

H: En het gat dat overblijft?

X: Wat is daarmee?

H: Is dat soms geen bedenksel?

X: Ai.

H: En degene die erin moet springen?

X: Wat is daarmee?

H: Is die soms geen bedenksel?

X: Oei.

H: En het idee dat de werkelijkheid uit bedenksels bestaat?

X: Wat is daarmee?

H: Is dat soms geen bedenksel?

X: Oi.

H: En het idee dat je alle bedenksels moet vernietigen?

X: Ei.

H: Dat je ze kúnt vernietigen?

X: …

H: Dat je dan beter af zult zijn?

X: Allemaal bedenksels.

H: Dat zeg jij.

X: Wat zeg jij?

H: Wat is de weg?

X: En wat is het antwoord?

H: En dat was het antwoord.

Stijlfiguren niet-weten: Tetralemma

Het tetralemma of de vierstelling is een belangrijke figuur in de Indiase logica, nauw verwant met de paradox en het dilemma. Het is ook een belangrijke stijlfiguur voor de agnost.

Tetralemma’s in het boeddhisme

In het boeddhisme zijn talloze voorbeelden te vinden van het tetralemma. Dit is er eentje uit de Mijjhima-Nikaya:

‘Gelooft u, Gautama, dat de verlichte na zijn dood voortleeft, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist?’

‘Nee, ik geloof niet dat de verlichte na zijn dood voortleeft, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist.’

‘Gelooft u dat de verlichte na zijn dood ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist?’

‘Nee, ik geloof niet dat de verlichte na zijn dood ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist.’

‘Gelooft u dat de verlichte na zijn dood zowel voortleeft als ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist?’

‘Nee, ik geloof niet dat de verlichte na zijn dood zowel voortleeft als ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist.’

‘Gelooft u dan dat de verlichte na zijn dood noch voortleeft noch ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist?’

‘Nee, ik geloof niet dat de verlichte na zijn dood noch voortleeft noch ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist.’

Zoals je ziet, weigert Gautama (de Boeddha) zich uit te spreken over het voortleven van de verlichte na diens dood, zoals hij in het algemeen weigert zich uit te laten over welke metafysische of kosmologische kwestie dan ook.

Waarom de Boeddha (of diens kroniekschrijver) dat doet is vers twee. Volgens een gangbare interpretatie omdat het niet heilzaam zou zijn om je met dit soort kwesties bezig te houden. Meningen en speculaties zouden alleen maar leiden tot zinloze discussies en geestelijke onrust, en op die manier bijdragen aan het lijden dat de Boeddha wil bestrijden.

Een andere interpretatie gaat uit van het boeddhistische dogma dat alle dingen en organismen leeg zijn, zonder eigen wezen of werkzaamheid, zodat er ook niets wezenlijks over te ontdekken of te zeggen valt. Deze benaderingswijze vind je onder meer in de Diamantsoetra (zie onder).

Volgens weer een andere interpretatie moet je zwijgen over wat je niet weten kunt. Net zoals de agnosticus weigert zich uit te spreken over het al dan niet bestaan van God (zie onder), weigert Boeddha zich uit te spreken over het voortbestaan van de verlichte na zijn dood en zulk soort zaken.

Ikzelf weiger me uit te spreken over de bedoelingen van de Boeddha. Ik ken alleen mijn eigen bedoelingen, en dan nog. Maar ik kan je wel vertellen dat het tetralemma bij uitstek geschikt is om op methodische wijze niets te zeggen en aldus te getuigen van agnose.

Positieve en negatieve tetralemma’s; het octaaf

Ziehier het tetralemma in zijn simpelste vorm:

1. alleen P is waar

2. alleen niet-P is waar

3. zowel P als niet-P is waar

4. noch P noch niet-P is waar

kortweg:

1. P

2. niet-P

3. P en niet-P

4. P noch niet-P

Bovenstaande vorm van het tetralemma wordt ook wel de positieve vorm genoemd, om hem te onderscheiden van de negatieve vorm:

1. niet P

2. niet niet-P

3. niet (P en niet-P)

4. niet (P noch niet-P)

In de tetralogica zijn de beide vormen equivalent, dat wil zeggen, de negatieve vorm kan worden afgeleid uit de positieve en omgekeerd. Dat wordt snel duidelijk als we het gedoe met P en niet-P eventjes weglaten. Dan is de positieve vorm:

1. ja

2. nee

3. ja en nee

4. ja noch nee

De negatieve vorm is gelijk aan de ontkenning van elk afzonderlijk stellingnames in de positieve vorm, dus:

1. nee

2. ja

3. noch ja noch nee

4. ja en nee

Zoals je ziet verschilt de negatieve vorm van het tetralemma niet van de positieve vorm, op de volgorde van de stellingen na, die er echter niet toe doet.

In het boeddhistische voorbeeld hierboven zijn we de positieve en de negatieve vorm van het tetralemma verweven tot een octaaf (achttal) van vragen en antwoorden. Teruggebracht tot zijn essentie staat er:

‘Is alleen P waar?’

‘Nee, niet alleen P is waar.’

‘Is alleen niet-P waar?’

‘Nee, niet alleen niet-P is waar.’

‘Is alleen (P en niet-P) waar?’

‘Nee, niet alleen (P en niet-P is waar)’

‘Is alleen (noch P noch niet-P) waar?’

‘Nee, niet alleen (noch P noch niet-P) is waar.’

Als je zo je dialogen construeert, krijg je je soetra wel vol (of een site over niet-weten). Als je het trucje eenmaal doorhebt zijn de resulterende dialogen nog makkelijk uit je hoofd te leren ook – een groot voordeel in de goede oude tijd van voor de boekdrukkunst, en ook voor auteur dezes een mooi tijdverdrijf en een groot genoegen.

Het tetralemma als stelfiguur en als stijlfiguur

Het tetralemma is niet alleen een belangrijke stelfiguur in de Indiase syllogistiek, het is ook een belangrijke stijlfiguur in de via negativa in het algemeen en niet-weten in het bijzonder. Het sjabloon voor de positieve formulering:

1. Ik zeg niet dat alleen P waar is

2. Ik zeg niet dat alleen niet-P waar is

3. Ik zeg niet dat zowel P als niet-P waar is

4. Ik zeg niet dat noch P noch niet-P waar is

(in plaats van ‘zeg’ kun je ook ‘weet’ schrijven)

Bijvoorbeeld:

1. Ik zeg niet dat ik de kenner ben.

2. Ik zeg niet dat ik het gekende ben.

3. Ik zeg niet dat ik zowel de kenner als het gekende ben.

4. Ik zeg niet dat ik noch de kenner noch het gekende ben.

In dit voorbeeld, dat mijn agnose inzake een non-dualistische doctrine uitdrukt, zijn P en niet-P gereduceerd tot woorden die samen een tegenstelling vormen. ‘De kenner’ staat hier voor het lemma ‘er is een kenner (van het gekende)’ en ‘het gekende’ staat voor ‘er is iets dat gekend wordt’. ‘Ik zeg niet dat ik de kenner ben’ betekent dus ‘Er is een kenner van het gekende en dat ben ik’. Allemaal voorbeelden van de stijlfiguur die de ellips wordt genoemd, zie boven.

In plaats van stellingen P en niet-P kun je ook paren van tegenstellingen gebruiken, dualismen zoals subject en object, goed en slecht, werelds en hemels of stof en geest.

Tetralogica is geen psychologica

In mijn litanie De dans ontsprongen gebruik ik een variatie op deze constructie. De strofen hebben allemaal hetzelfde format. Voor het woordpaar ego-zelf is dat:

Niet het ego, niet het zelf (een samentrekking van 1 en 2)
Niet het ego en het zelf (3)
Niet het ego noch het zelf (4)

Volgens de tetralogica sluiten de proposities in het tetralemma elkaar wederzijds uit en dekken ze alle mogelijkheden af. Dat is geen feit, het is een uitgangspunt. Binnen de tetralogica valt er niet aan te tornen, in de psychologica is het nonsense. De geest vindt altijd wel een gaatje.

Vandaar dat ik de behoefte voel om bovenstaande tetralemma verder dicht te timmeren met nog drie lemma’s. Zo ontstaat er een zesregelige zevenstelling of heptalemma:

Niet het ego, niet het zelf
Niet het ego en het zelf
Niet het ego noch het zelf
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

En voor het woordpaar hoofd-hart:

Niet het hoofd, niet het hart
Niet het hoofd en het hart
Niet het hoofd noch het hart
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Et cetera.

Vaak vind ik het wat overdreven om het tetralemma volledig uit te schrijven. Dan beperk ik me tot de eerste twee lemma’s ervan: ‘Niet de vorm, niet de leegte’. Zo gezien is een dilemma een elliptische vorm van het tetralemma.

In mijn litanie Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid; drieëndertig triaden van genade is sprake van drie sprekers, de dwaas, de wijze en de wijze, en vier uitspraken verdeeld over twee regels, bijvoorbeeld:

De dwaas denkt dat de wereld echt is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat de wereld een illusie is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij iemand is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij niemand is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij een vrije wil heeft, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij geen vrije wil heeft, de dwijze niet.

Hier staat dus eigenlijk:

1. De dwaas denkt dat de wereld echt is.

2. De dwijze denkt niet dat de wereld echt is.

3. De wijze denkt dat de wereld een illusie is.

4. De dwijze denkt niet dat de wereld een illusie is.

Vier uitspraken verdeeld over twee regels vormen nog steeds een tetralemma in de ruimere zin van een stijlfiguur, maar niet in de engere zin van een stelfiguur conform de Indiase tetralogica, als je begrijpt wat ik bedoel.

Deconstructie op woordniveau

In mijn deconstructie van de Hartsoetra en de Diamantsoetra beperk ik mijn ontkenningenreeksen niet tot het niveau van stellingen, maar pak ik ook de sleutelwoorden aan. Neem nou paragraaf 9 van de Diamantsoetra:

9. Voert de leer naar het ware zelf?

1. Ik zeg niet dat de leer naar het ware zelf voert.

2. Ik zeg niet dat de leer niet naar het ware zelf voert.

3. Ik zeg niet dat er een leer is of een waar zelf of een voeren van de leer daarheen.

4. Ik zeg niet dat er geen leer is of geen waar zelf of geen voeren van de leer daarheen.

5. Noem dit desnoods de leer die naar het ware zelf voert.

6. Zelf zeg ik liever niets.

Een tetralemma kun je dit allang niet meer noemen, maar de intentie daarvan in het kader van een radicale agnose, namelijk alles systematisch ontkennen bij wijze van spreken zonder spreken, des te meer. Dat is precies de opzet van mijn dwaalteksten, waarvan het tetralemma slechts een bijzondere vorm is.

Ten slotte nog een uitstapje naar een van de heetste hangijzers van het menselijk denken: bestaat God? Op deze vraag zijn twee antwoorden mogelijk:

1. Ja, God bestaat.

2. Nee, God bestaat niet.

Iemand die gelooft dat God bestaat, heet een theïst, iemand die gelooft van niet een atheïst. Iemand die een atheïst met een theïst hoort discussiëren, staat voor een dilemma: Bestaat God nou wel of bestaat hij nou niet?

In de negentiende eeuw bedacht ene Thomas Henry Huxley een derde antwoord: Je kunt niet weten of God wel of niet bestaat. Dit noemde hij het agnosticisme. Sindsdien staan mensen die nadenken over God voor een trilemma: bestaat God nou wel of niet of kun je dat niet weten?

Anderen bedachten het non-theïsme: er is geen hoger wezen maar wel een hogere werkelijkheid. Ze bedachten het igtheïsme: Je weet niet eens wat God betekent, laat staan of God bestaat. Iemand anders het apatheïsme: Kan mij het schelen of God bestaat. Enzovoort, enzovoort.

Je ziet, de menselijke geest is niet voor één gat te vangen, en ook niet voor vier. Al die denkeritis de pas afsnijden met een sluitend tetralemma is ijdele hoop. Neem alleen al het boeddhisme….

Verder lezen in de Wikipedia: catuskoti, tetralemma, buddhist logic, Nagarjuna, Madhyamaka, Sextus-empiricus.

301 - De illusie van het einde van de illusie

De acteur en de agnost.

Acteur: Zelfkennis is het begin van alle wijsheid en het einde van de meeste illusies.*

* Uitspraak van Gerd de Ley (1944).

Agnost: Is dit wijsheid of is het ook maar een illusie?

Acteur: In het tweede geval is wijsheid het einde van alle illusies.

Agnost: Is dat wijsheid of is het ook maar een illusie?

Acteur: Laten we het erop houden dat zelfkennis het begin van alle wijsheid is.

Agnost: Kunnen we het er niet op houden dat we het nergens op houden?

Acteur: Dat zou het einde van de wijsheid zijn.

Agnost: Dan houden we het erop dat wijsheid het einde van alle zelfkennis is.

Acteur: En dan?

Agnost: Kun je weer van voren af aan beginnen.

302 - Verloren wijsheid

De priester en de agnost.

Priester: Onze ervaring bestaat eerder uit verloren illusies dan uit verworven wijsheid.*

* Uitspraak van Joseph Rouw (1834-1905).

Agnost: Dan zal dat hier ook wel voor gelden.

Priester: Pardon?

Agnost: Dat dit dan ook wel een verloren illusie zal worden.

Priester: U wordt bedankt.

Agnost: Hoe bedoelt u?

Priester: Ik heb het altijd een troostrijke gedachte gevonden.

Agnost: Onze ervaring bestaat eerder uit verloren illusies dan uit verworven wijsheid.

303 - Hopen op een gat in je zak

De politicus en de agnost.

Politicus: Het is geen wijsheid maar autoriteit die een wet maakt.*

* Uitspraak van Thomas Hobbes (1588-1679), politicoloog.

Agnost: Het is geen wet maar autoriteit die wijsheid maakt.

Politicus: Moet ik dit persoonlijk opvatten?

Agnost: Het is geen wet maar wijsheid die autoritair maakt.

Politicus: Die kan ik in mijn zak steken.

Agnost: Dan hoop ik voor u dat er een gat in zit.

Politicus: Hoe bedoelt u?

Agnost: Het is geen wijsheid maar dwaasheid die een spreuk maakt.

304 - Kennis is geen vloek en een weetniet is geen onmens

Beste Hans,

Terwijl ik wat aan het surfen was kwam ik per ongeluk op jouw site terecht. Het niet-weten – prachtig!

Man, wat benijd ik mijn hond. Hoe die iedere dag zonder zorgen doorkomt. Hij vraagt niet veel: eten, drinken, een mand, een dak. Hij is gezegend want hij weet niet.

Weten is een vloek. De vloek van de mensheid. Het is onze zogenaamde wijsheid die onze onvolprezen aarde om zeep helpt. Weten leidt tot zelfvernietiging.

Net als jij ben ik me bewust van de absurditeit van het bestaan. Maar al is het leven een droom of een spel, ik kan er niet omheen: ook ik wéét. Ik weet dat ik van mannen houdt, maar niet van vrouwen. Ik wéét dat dieren dieren zijn en mensen beesten. Ik wéét dat de mensheid een gesel is voor de natuur.

Zeggen dat ik niet weet is een leugen. Het is onjuist spreken. Bovendien verklaar ik mezelf op die manier onaanspreekbaar en ontoerekeningsvatbaar. Dat is immoreel.

Daar schrijf ik je eigenlijk voor. Ook al bevinden wij ons in een droom of game, we mogen ons nooit onttrekken aan onze verantwoordelijkheid!

Beste X,

Niet alle kennis is altijd een vloek, was het maar zo simpel.

Niet alle honden zijn altijd zorgeloos, was dat maar waar.

Alle dieren zijn soms beesten.

Alle mensen zijn altijd dieren.

Niet alles op aarde gaat naar de bliksem, maar alles wat er nu aan leven op aarde is, kan er zijn omdat bijna al het eerdere naar de bliksem ging.

De mensheid is ook natuur en de natuur is ook een gesel voor de mensheid.

Misschien is het leven een droom, misschien is dat ook maar een droom.

Het onderscheid tussen juist en onjuist spreken is een gesel van het boeddhisme.

Toerekeningsvatbaarheid en moraliteit veronderstellen een vrije wil, maar veel hedendaagse wetenschappers trekken de vrijheid van de wil in twijfel.

Wie geen vrije wil heeft, kan zich ook niet vrijwillig onttrekken aan zijn verantwoordelijkheid.

Ikzelf veronderstel niet dat wij een vrije wil hebben, ook niet dat wij die niet hebben.

Jij veronderstelt dat ik onaanspreekbaar ben en me onttrek aan mijn verantwoordelijkheid.

Mag ik jou aanspreken op je verantwoordelijkheid en je vragen dat eerst te verifiëren voor je me erop aanspreekt?

305 - Vinger uit de dijk!

Hansje zegt:

Kennis is een schone zaak.

Niet-weten is een dijkdoorbraak.

306 - De lege leer voor doven en slechthorenden

X: Wat is de kern van de lege leer?

H: Ik zou het ook niet weten.

X: Dat de werkelijkheid een illusie is?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat alle dingen leeg zijn?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat alle dingen vergankelijk zijn?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat de filosofie dood is?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat wetenschappers maar wat bazelen?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat de godsdiensten irrationeel zijn?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat mythen kant nog wal raken?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat esoterie oplichterij is?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat we niets weten?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Dat we dat ook niet weten?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Leert het ons dan helemaal niets?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Maar dan heb je er toch niks aan?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Bedoel je dat we er toch iets aan hebben?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Heb jij dan helemaal niets te zeggen?

H: Dat zul je mij niet horen zeggen.

X: Maar wat is nou de kern van de lege leer?

H: Dat is nou de kern van de lege leer.

Oud mannetje zonder mond maar met een derde oog in de vorm van een agnoseteken.
‘Dat zul je mij niet horen zeggen.’

307 - De lege leer is immuun voor haarkloverij

X: Ben jij niet bang dat jouw lege leer net als iedere leer ten prooi zal vallen aan academische haarkloverij?

H: Natuurlijk niet.

X: Waarom niet?

H: Een lege leer laat zich niet klieven.

X: Daar zeg je me wat.

H: Bovendien is hij niet van mij.

308 - De groeten van de nieuwe waan

Spiritualiteit voor lunatics.

De dharma is een vinger naar de maan, beweert de boeddhist.

Dat is verlakkerij.

Zoals een chirurgijn-kapper tegen iemand wier lichaam hij gaat amputeren zegt: ‘Nee hoor mevrouwtje, alleen even bijpunten.’

Ontdaan van alle franje betekent de dharma: alles naar de maan.

Praktijken en middelen, ideeën en idealen, boeddhistische en non-boeddhistische, zonder uitzondering.

De Boeddha doden, de boeddhadoder doden.

Het vlot achterlaten, het achterlaten achterlaten.

Zo versta ik zen: als een grenzeloos en grenzenloos niet-weten.

Zo versta ik mystiek: als een grenzeloos en grenzenloos niet-weten.

Zo versta ik non-dualiteit: als een grenzeloos en grenzenloos niet-weten.

Zo versta ik verlichting: als een grenzeloos en grenzenloos niet-weten.

En zo versta ik grenzeloos en grenzenloos niet-weten, als…

Een nieuwe waan

Waarin elk denkbeeld moet vergaan!

Dus ook het denkbeeld van de maan!

En dan jijzelf erachteraan!

En dan het Zelf erachteraan!

En het niet-zelf erachteraan!

Vergaan, vergaan, voorgoed vergaan!1

Je spraakorgaan een tastorgaan!

Maar kraters zijn nog geen vulkaan!

De leegte kan niet zelfbestaan!

Vergeet afhankelijk ontstaan!

Je godsdienst- en je eenheidswaan!

Je reinheids- en gelijkheidswaan!

Nirwana- en samsarawaan!

Vergaan, vergaan, voorgoed vergaan!

Waan jij je vrij van elk verstaan?

Voel jij je daarom zelfvoldaan?

Niet weten maakt je geen sjamaan!

Je bent nog steeds een baviaan!

Je leven blijft een hinkelbaan!

Een opscheplepel levertraan!

Och waterdrager naar de kraan!

Wat is er dat niet stuk zal gaan!

Nog even en je gaat eraan!

Drie zuchten en het is gedaan!

Want ieder denkbeeld moet vergaan!

Dus ook het denkbeeld van de waan!

De groeten van de nieuwe maan!2

1. ‘Gate, gate, pāragate pārasamgate, bodhi svāhā’ heet het in de Hartsoetra: ‘Gegaan, gegaan, overgegaan, helemaal overgegaan, ontwaakt, gezegend’. Mij te mooi.

2. ‘Nieuwe maan’ is de naam voor de compleet verduisterde maan pal tussen twee volle manen in. Je ziet hem niet, maar zijn aantrekkingskracht is onverminderd groot.

Maan met het gezicht van de Lachende Boeddha.

309 - Lijd ik aan ingebeelde onwetendheid?

X: Kan het zijn dat jij lijdt aan ingebeelde onwetendheid?

H: Begrijp ik het goed dat jij denkt dat ik mezelf voor onwetend houd?

X: Absoluut.

H: Nou, ik niet.

X: Hou jij jezelf dan voor wetend?

H: Absoluut niet.

X: Nou, ik wel.

H: Jij houdt mij voor wetend?

X: Nee, mezelf.

H: En begrijp ik het goed dat jij denkt dat ik mezelf voor íemand hou?

X: Ben jij zo iemand die zichzelf voor niemand houdt?

H: Ik niet.

X: Hè?

H: Wat?

X: Het is het een of het ander.

H: Kan het zijn dat jij lijdt aan ingebeelde wetendheid?

310 - Niet-weten is naakt in de wereld staan

X: Niet-weten is je kop in het zand steken.

H: Voor jou misschien.

X: Wat is het voor jou?

H: Naakt in de wereld staan.

X: Veilig in de baarmoeder zitten, zul je bedoelen.

H: En met welke toverwoord sluit ik de wereld buiten?

X: ‘Ik weet niets.’

H: O ja?

X: Eindeloos herhaald.

H: Zou ik nooit zeggen.

X: O nee?

H: Ondenkbaar.

X: Waarom?

H: Omdat ik dat niet weet.

X: Wat niet?

H: Dat ik niets weet.

X: Dat weet je ook al niet?

H: Hoe zou ik me er dan achter kunnen verschuilen?

X: Daar vraag je me wat.

H: Mijn leer is leeg.

X: Als jij het zegt.

H: Hij bevat geen enkele stelling.

X: Zeker weten?

H: Dus ook niet dat je niets kunt weten.

X: Noem dat maar een leer.

H: Mijn baarmoeder is de wereld.

X: Dat zal dan wel.

H: Wat dat ook moge wezen.

X: Tja.

H: Maar waar zit jij?

311 - Niet-weten is dansen op je graf

X: Niet-weten is je kop in het zand steken.

H: Zou je ook eens moeten doen.

X: Ik zie de feiten liever onder ogen.

H: Ik zie ze liever onder het zand.

X: Jij hebt de wereld begraven.

H: En mezelf erbij.

X: Weer zo iemand die denkt dat hij niemand is.

H: Ook dat idee is begraven.

X: En de wereld een illusie.

H: Ook begraven.

X: Niet-ik leeft in een niet-wereld waar hem niets meer kan overkomen en waarin hij nergens meer verantwoordelijk voor is.

H: Allemaal begraven.

X: Niet-weten is je kop in het zand steken.

H: Weten is op zand bouwen.

X: Niet-weten is jezelf zand in de ogen strooien.

H: Weten is jezelf begraven.

X: Waarin dan wel?

H: In je ideeën. In je idealen. In je ideologieën.

X: Zonder kun je niet leven.

H: Tot je erin stikt.

X: En wat is niet-weten in deze beeldspraak?

H: Dansen op je graf.

312 - Verschuilen is ook een vorm van leven

X: Jij verschuilt je in niet-weten omdat je niet durft te leven.

H: Verschuilen is ook een vorm van leven.

X: Je geeft het toe?

H: Ik geef een definitie.

X: Maar verschuil je je nou of niet?

H: Ik zou het ook niet weten.

X: Zie je wel?

H: Misschien is weten ook een vorm van verschuilen.

X: Waarin?

H: De hokjes van je geest.

X: Zoals?

H: Weten, niet-weten, verschuilen, leven…

X: Weten duidt op een hokjesgeest?

H: Hokjesgeest is ook een hokje.

X: Daar zeg je me wat.

H: Geest ook.

X: Verdraaid.

H: Hokje ook.

X: Niet te geloven.

H: Ik bedoel maar.

X: We verschuilen ons dus allebei?

H: Ik zou het echt niet weten.

313 - Niet-weten is weten van het bord voor je kop

X: Wat is weten?

H: Een bord voor je kop.

X: Wat is niet-weten?

H: Ook een bord voor je kop.

X: Hoe kom ik van dat bord af?

H: Welk bord?

X: Elk bord.

H: Wie zegt dat je ervan af kan komen?

X: Waar hebben we het anders over?

H: Wat is denken dat je ervan af kan komen?

X: Nou?

H: Een bord voor je kop.

X: Omdat je er nooit van af kan komen?

H: Wat is denken dat je er nooit van af kan komen?

X: Nou?

H: Een bord voor je kop.

X: Toch wil ik ervan af.

H: Waarom?

X: Omdat ik dan beter af zal zijn.

H: Wat is denken dat je beter af zal zijn zonder bord voor je kop?

X: Een bord voor je kop?

H: Hoe kom je erop.

X: Omdat je beter af bent mét?

H: Wat is denken dat je beter af bent met een bord voor je kop?

X: Zeker weer een bord voor je kop.

H: Wat is jezelf zien als iemand met een bord voor z’n kop?

X: Bedoel je dat ik toch geen bord voor mijn kop heb?

H: Wat is jezelf zien als iemand zonder bord voor z’n kop?

X: Hoe moet ik mezelf dan zien?

H: Wie zegt dat er iets te zien valt?

X: Wou jij zeggen van niet?

H: Wat is denken dat er niets te zien valt?

X: Een bord voor je kop?

H: Wat is denken dat er toch iets te zien valt?

X: Een bord voor je kop?

H: Conclusie?

X: Ik zeg niks.

H: Waarom niet?

X: Ik trap er niet meer in.

H: Vind je dat we moeten zwijgen?

X: Wel als we van het bord voor ons kop af willen.

H: Dan is dat het bord voor je kop.

314 - Niet-weten is leven tussen aanhalingstekens

Beste Hans,

Waarheen leidt de poortloze poort van niet-weten?

Beste X,

Wie zich met de moed der hoop of met de moed der wanhoop of met de moedeloosheid der hopelozen of hoe dan ook door het wormgat van niet-weten wurmt, of er net als ik zijns ondanks doorheen wordt geperst, vindt zichzelf terug in … (tromgeroffel)

X: Hou me niet langer in spanning!

H: Daar, of moet ik zeggen hier, of moet ik zeggen ‘hier’, ontdekt hij, of moet ik zeggen ‘hij’ of het of ‘het’, tot zijn of ‘zijn’ blijvende verwondering, als je de oogverblindende klaarheid van totale verwarring tenminste zo kunt noemen, dat er niets veranderd is – of toch?

X: Nou?

H: Tja. Wat kan ik zeggen zonder meteen te ver te gaan? Of heb ik het al gezegd? Of ben ik al te ver gegaan?

(Alles lijkt nog bij het oude, maar het is net of het allemaal tussen haakjes is komen te staan.) ‘Tussen aanhalingstekens.’ Niet uitgegumd maar doorgestreept. En steeds die innerlijke drang, zacht en zoet maar onweerstaanbaar, om alles zónder woorden onder woorden te brengen, mij zonder ze te dienen van woorden te bedienen.

X: Vandaar de uitdrukking ‘de poortloze poort’?

H: Van de poortloze poort durf ik eigenlijk niet te spreken, die term is krachtens de ongeschreven regels van de xenofiele rede voorbehouden aan de gecertificeerde stamboekboeddhist. Maar dit kan ik je wel vertellen: het wormgat van niet-weten voert niet van hier naar daar met achterlating van het aardse tranendal, niet van samsara naar nirwana waar alle begeerte is uitgedoofd, niet van het relatieve naar het absolute waar nog geen grassprietje verkeerd ligt, niet van de dualiteit der woorden naar de non-dualiteit voorbij de woorden.

X: Waarheen dan wel?

H: Het wormgat van niet-weten voert van gaan naar ‘gaan’, van hier naar ‘hier’, waar ik ‘ik’ is, jij ‘jij’ en voeren ‘voeren’, waar vrije wil ‘vrije wil’ is en overgave ‘overgave’, waar bergen ‘bergen’ zijn en rivieren ‘rivieren’. Waar werkelijkheid ‘werkelijkheid’ is en illusie ‘illusie’. Waar dualiteit ‘dualiteit’ is en non-dualiteit ‘non-dualiteit’. Waar wijsheid ‘wijsheid’ is, man ‘man’, vrouw ‘vrouw’, boeddha ‘boeddha’, zelf ‘zelf’ en god ‘god’. Waar weten ‘weten’ is en niet-weten ‘niet-weten’.

X: Alles goed en wel, maar wat moet dat met die aanhalingstekens?

H: ‘Met aanhalingstekens wil een schrijver aangeven dat hij niet bedoelt wat er staat’, zegt Krol. De schrijver geeft er niet mee aan wat hij wél bedoelt. Als hij dat wist zou hij het heus wel opschrijven.

X: Bedoel je dat de waarheid voorbij de woorden is?

H: Als ik dat bedoelde zou ik het gewoon opschrijven.

X: Laten we even aannemen dat een schrijver met aanhalingstekens wil aangeven dat hij niet bedoelt wat er staat. Wat wil de schrijver Hans van Dam er dan wel mee aangeven?

H: De schrijver, zeg maar gerust de ’schrijver’, Hans van Dam, zeg maar gerust ‘Hans van Dam’, wil ermee aangeven dat hij nergens op staat. Ook hierop niet. Hij wil ermee aangeven dat hij nergens op slaat. De spijker niet op de kop en met de vuist niet op de borst of op tafel. Hij wil ermee aangeven dat hij ten diepste niet weet wat hij zegt of waarom hij het zegt of wie hier eigenlijk spreekt met wie, als dat al het geval is.

X: En dat is alles?

H: En dat het niks geeft natuurlijk, want dat is het punt. Dat het me helemaal niet uitmaakt dat ik ten diepste niet weet wat ik zeg of waarom ik het zeg of wie hier eigenlijk spreekt met wie, als dat al het geval is. Integendeel, ik ben blij toe. Sterker nog, ik zou het wel van de daken willen schreeuwen.

X: Ga gerust je gang.

H: Juist dat het niet uitmaakt, is wat het verschil maakt!

X: Lucht het een beetje op?

H: Een beetje? Niet-weten is een opluchting waar geen eind aan komt! Het is hier fantastisch!

X: Maar dan tussen aanhalingstekens zeker.

H: ‘Zeker’. ‘Het is hier fantastisch.’ ‘Hier’. In ‘niet-weten’. In die ‘blijvende verwondering’ over de ‘oogverblindende klaarheid’ van ‘totale verwarring’.

315 - Niet-weten is geen truc

X: Volgens mij is niet-weten gewoon een truc.

H: Zo kun je het zien.

X: Maar wat is nou de truc?

H: Wat denk jij?

X: Alle vragen terugspelen?

H: Ik ben geen therapeut.

X: Alles tegenspreken?

H: Ik ben geen automaat.

X: Overal vraagtekens bij zetten?

H: Ik ben geen typemachine.

X: Niets zeggen?

H: Jij zegt het.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Geen trucjes toepassen?

X: De truc van niet-weten is geen trucjes toepassen?

H: Maar niet heus.

X: Waarom niet?

H: Dat zou toch weer een truc zijn.

X: De truc van niet-weten is geen trucjes toepassen, maar niet heus, want dat zou toch weer een truc zijn?

H: Maar niet heus.

X: Waarom niet?

H: Dat zou nog steeds een truc zijn.

X: De truc van niet-weten is geen trucjes toepassen, maar niet heus, want dat zou toch weer een truc zijn, maar niet heus, want dat zou nog steeds een truc zijn?

H: Enzovoorts.

X: Goeie truc.

H: Nou nog toepassen.

316 - Niet-weten is geen postmodernisme

X: Niet-weten is gewoon een vorm van postmodernisme.

H: Wat versta jij onder postmodernisme?

X: Het einde van de grote verhalen.

H: Hm.

X: Wat zou jij zeggen?

H: Het laatste grote verhaal.

X: Nietes, het verkondigt juist het einde van de grote verhalen.

H: Als dat geen groot verhaal is…

X: Het postmodernisme behoort nog steeds tot het modernisme, wou je zeggen.

H: Per definitie.

X: Wat zou er moeten gebeuren om het te postmoderniseren?

H: De brand erin.

X: Het postmodernisme is dood, leve het postpostmodernisme?

H: Leve het wat?

X: Het postpostmodernisme.

H: De brand erin en uitstrooien.

317 - Niet-weten is bijzonder gewoon

X: Wat maakt niet-weten zo bijzonder?

H: Dat het op geen enkele wijze bijzonder is.

X: Leidt het tot blijvend geluk? Onverstoorbaarheid? Innerlijke vrede? Onvoorwaardelijke liefde? Kinderlijke onschuld ? Eeuwig leven?

H: Niet dat ik weet.

X: Leidt het tot neutraliteit? Flegma? Willoosheid? Onthechting? Aanvaarding? Berusting?

H: Niet dat ik weet.

X: Leidt het tot afstomping? Melancholie? Depressiviteit? Onrust? Leegte? Verlorenheid?

H: Niet dat ik weet.

X: Niet-weten is op geen enkele manier bijzonder?

H: Niet weten is bijzonder gewoon.

318 - Niet-weten is al even grondeloos als weten

X: Denk je nou echt dat we niets weten?

H: Natuurlijk niet.

X: Wat dan wel?

H: Dat al ons weten grondeloos is.

X: Maar dat weet je dan weer wel?

H: Natuurlijk niet.

X: Waarom niet?

H: Anders wist ik toch weer iets.

X: En niet-weten?

H: Ook grondeloos.

X: Waarom?

H: Anders wist ik toch weer iets.

X: Dus jouw weten en jouw niet-weten zijn beide grondeloos?

H: Dat weet ik niet.

X: Anders wist je toch weer iets.

H: En wat dan nog?

X: Maar dat maakt je weten en je niet-weten des te grondelozer.

H: Inderdaad.

X: Wat is dan nog het verschil?

H: Waartussen?

X: Weten en niet-weten?

H: Ik zou het ook niet weten.

X: Want anders wist je toch weer iets.

H: Schei toch uit.

X: Dus eigenlijk kun je geen kant meer op.

H: Dus eigenlijk kan ik alle kanten op.

319 - Ik wens je alle zekerheid toe die je nodig hebt

X: Wat heb jij toch tegen leerstelligheid?

H: Niets.

X: Hè?

H: Waarom zou ik?

X: Op grond van niet-weten natuurlijk.

H: Niet-weten is geen grond.

X: Een scepticus als jij…

H: Niet-weten is geen scepsis.

X: Waarom bestrijdt jij dan onvermoeibaar alle denkbare spirituele, religieuze en filosofische stellingen?

H: Ik zou niet weten hoe.

X: Pardon?

H: Stellingen bestrijd je met argumenten gebaseerd op andere stellingen. Waarop zou ik bij gebrek aan stellingen mijn argumenten moeten baseren?

X: Dat was een stelling met een argument.

H: Weg ermee.

X: Jij hecht geen enkele waarde aan wat je zegt.

H: Dat kan ik wel bevestigen, maar hecht ik er ook waarde aan?

X: Waar ben je dan mee bezig?

H: Zeg jij het maar.

X: Ja, weet ik veel.

H: Ik roep maar wat.

X: Je roept maar wat?

H: Nu ook weer.

X: En als de mensen niet willen luisteren?

H: Dan wens ik ze alle zekerheid toe die ze nodig hebben.

X: En als ze toch willen luisteren?

H: Dan wens ik ze alle twijfel toe die ze aankunnen.

X: Jou maakt het niet uit.

H: Zover zou ik niet willen gaan.

X: Maar?

H: Ik heb niets tegen leerstelligheid.

X: En als ik nou wel iets heb tegen leerstelligheid?

H: Dan wens ik je alle zekerheid toe die je nodig hebt.

320 - Groeten uit Ver Wonderland

Groeten uit Ver Wonderland

De Achterkant van het Verstand

Waar woorden worden weggezegd

Waar hersens worden drooggelegd

Waar toga’s worden afgelegd

Waar grenzen worden blootgelegd

Waar lijken worden opgedregd

Waar diepten worden afgeslecht

Waar eenheid niet wordt opgelegd

De kromme niet wordt afgerecht

Waar alle hoop verloren gaat

En wanhoop is vergeten.

321 - Niet-weten is wat je vindt terwijl je iets anders zoekt

X: Is niet-weten een weg?

H: Nee.

X: Wat is het dan wel?

H: Collateral damage.

X: Bijkomende schade?

H: Een geluk bij een ongeluk.

X: Dat klinkt niet veel beter.

H: Noem het dan maar serendipiteit.

X: Hè?

H: Iets dat je vindt terwijl je wat anders zoekt.

X: Zoals?

H: God. Jezus. Verlichting. Jezelf. Eenheid. Vrede. Rust. Kracht. Liefde. Waarheid. Wijsheid.

X: Niet-weten als troostprijs.

H: Een vervloekte zegen.

X: Waar je zin in hebt.

H: Dat komt pas veel later.

322 - Niet-weten kent geen uitweg

11 Korte correspondenties.

Liefde als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan liefde.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Mededogen als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan mededogen.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Eenheid als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan eenheid.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

God als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan God.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Overgave als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan overgave.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Openheid als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan openheid.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Stilte als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan stilte.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Leegte als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan leegte.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Extase als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan extase.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Zijn als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan zijn.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Niet-weten als uitweg

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Beste X,

Ik verblijf nergens, wat moet ik met een uitweg?

323 - Wat je moet weten van de weg

‘Wat weet jij eigenlijk van de weg, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

324 - Niet-weten is iets heel dieps en wonderlijks

Beste Hans,

Ik bestudeer al maanden je teksten, en ik kan er maar niet achter komen waar je naar verwijst.

Beste X,

Misschien is dat wel waarnaar ik verwijs.

X: Hoewel je het voortdurend tegenspreekt, heb ik van binnen steeds het gevoel: dit denken, deze teksten verwijzen naar iets heel dieps en wonderlijks.

H: Dat gevoel heb ik nou ook.

X: Wat is het precies waarnaar ze verwijzen?

H: Ik betwijfel of je daar al aan toe bent.

X: Spaar me niet.

H: Ga er maar even rustig voor zitten.

X: Ik ben er klaar voor.

H: Dit denken en deze teksten.

X: Hè?

H: Dat komt op hetzelfde neer.

X: Dit denken en deze teksten verwijzen naar iets heel dieps en wonderlijks, namelijk dit denken en deze teksten?

H: Is dat niet diep en wonderlijk?

X: Zit je mij in de maling te nemen?

H: Zit je mij in de maling te nemen?

X: Ik doelde op iets als hun goddelijke oorsprong: de Bron, Essentie, het Numineuze, het Absolute, de Waarheid voorbij de woorden.

H: Jij bent net als de verzamelaar die tegen Mona Lisa zei: doe mij maar het schilderij.

X: Ik ben toevallig een groot liefhebber van vrouwelijk schoon.

H: Of als als de museumgast die bij de Mona Lisa zei: doe mij maar die vrouw.

X: Bedoel je dat ik niet verder moet kijken dan mijn neus lang is?

H: Of als de verzamelaar die bij de Mona Lisa zei: pak maar in.

X: Bedoel je dat het om de maan gaat, niet om de vinger?

H: Of als de bezoeker die tegen Mona Lisa zei: zullen we?

X: Ik zie iets wezenlijks over het hoofd, hè?

H: Volgens jou wel.

X: Wat is het wezenlijke dat ik over het hoofd zie?

H: Dit denken, deze teksten.

Vlammend vraagteken.
Niet-weten is iets heel dieps en wonderlijks.

325 - Niet-weten is opgaan in verwondering!

Magnifico (groots, prachtig)

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!

Ik ga op in verwondering!
Jij gaat op in verwondering!
Het vele gaat op in verwondering!
Het ene gaat op in verwondering!
De illusie gaat op in verwondering!
De werkelijkheid gaat op in verwondering!
De waarheid gaat op in verwondering!
De leugen gaat op in verwondering!
Dwaasheid gaat op in verwondering!
Wijsheid gaat op in verwondering!
Het hoogste gaat op in verwondering!
Het laagste gaat op in verwondering!
De dingen gaan op in verwondering!
Het lichaam gaat op in verwondering!
Het leven gaat op in verwondering!
De dood gaat op in verwondering!
De tijd gaat op in verwondering!
Het nu gaat op in verwondering!

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!

Gedachten gaan op in verwondering!
Gevoelens gaan op in verwondering!
Ideeën gaan op in verwondering!
Opvattingen gaan op in verwondering!
Overtuigingen gaan op in verwondering!
Geloof gaat op in verwondering!
Ongeloof gaat op in verwondering!
Normen gaan op in verwondering!
Waarden gaan op in verwondering!
Idealen gaan op in verwondering!
Motto’s gaan op in verwondering!
Principes gaan op in verwondering!
Voorschriften gaan op in verwondering!
Verboden gaan op in verwondering!
Rechten gaan op in verwondering!
Plichten gaan op in verwondering!

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!

De weg gaat op in verwondering!
Het doel gaat op in verwondering!
De leerling gaat op in verwondering!
De meester gaat op in verwondering!
Dualiteit gaat op in verwondering!
Non-dualiteit gaat op in verwondering!
Gehechtheid gaat op in verwondering!
Onthechting gaat op in verwondering!
De mind gaat op in verwondering!
Het hart gaat op in verwondering!
Het ego gaat op in verwondering!
Het zelf gaat op in verwondering!

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!

Bewustzijn gaat op in verwondering!
Boeddha gaat op in verwondering!
Brahman gaat op in verwondering!
Essentie gaat op in verwondering!
God gaat op in verwondering!
Liefde gaat op in verwondering!
Mededogen gaat op in verwondering!
Verwondering gaat op in verwondering!

Hoe wonderlijk, het gaat maar door!
Het opgaan in verwondering!
Hoe wonderlijk gewoon!

326 - Niet-weten is wonderlijk gewoon!

Deze tekst is samen met de vorige gepubliceerd als ‘Wonderlijk gewoon’.

Allegrezza (opgewekt)

Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk
gewoon!

Stijlfiguren niet-weten: vervreemding

Doe maar gek, dan doe je al gewoon genoeg.

Veel literatuur is vervreemdend, maar vervreemding maakt nog geen stijlfiguur. Onder vervreemding als stijlfiguur versta ik een ingreep in een woord, uitdrukking, spreekwoord, cliché of een andere bekende tekst, die er een onverwachte draai aan geeft en hem zo vreemd, anders, nieuw, fris maakt:

Onze Boeddha die in nirwana is…

Ik kwam het begrip ‘literaire vervreemding’ tegen in Tao, De levende religie van China van Kristofer Schipper (1988):

‘Wanneer de Grote Weg zegeviert, heersen overal deugdzaamheid en gerechtigheid.’ Hier hebben we zonder twijfel met een spreuk uit een of ander klassiek vertoog te maken. In de Daodejing wordt eenvoudig het woord ‘zegeviert’ vervangen door ‘vervalt’ en hierdoor worden ‘deugdzaamheid en gerechtigheid’ aan de kaak gesteld als schijndeugden. De Daodeing past systematisch het procédé van literaire vervreemding toe, om zodoende de dwingelandij van de begrippen en vooroordelen te breken. Veel taoïstische teksten uit latere tijdperken zullen dit voorbeeld volgen.

(p232,233)

Op de lijst van stijlfiguren in de Wikipedia komt literaire vervreemding niet voor, of het moet onder een andere naam zijn die ik niet herken. Toch is het een belangrijke figuur, niet alleen in taoïstische geschriften, maar ook in de Agnoserreeks.

Een simpele vorm van literaire vervreemding is de koekoekstekst.

Soms kun je een vervreemdend effect verkrijgen door een zin in vraagvorm om te zetten Dan wordt de uitspraak ‘Ik ben de lege ruimte waarin mijn denkbeelden worden ingetekend’ ineens de vraag: ‘Of is dat ook maar een denkbeeld ingetekend in je lege ruimte?’

Ingewikkelder vormen van literaire vervreemding zijn parafrasen waarin de oorspronkelijke tekst nog wel te herkennen is maar een ander accent of een totaal nieuwe betekenis heeft gekregen. De gezegden van Meester Tja zijn voorbeelden van dergelijke vrije oefeningen in vervreemding.

Nog verder ga ik in De Poortloze Poort, oorspronkelijk een collectie van 48 koans, waarop ik per stuk zo’n tien variaties heb geschreven, die als uitdijende kringen steeds verder van het origineel verwijderd raken. Stapsgewijze vervreemding.

Een soortgelijk procédé pas ik toe in mijn deconstructie van de hoofdstukken vier en vijf van het traktaatje ‘Over de mystieke theologie’ van de mysticus Pseudo-dionysius.

In de Agnosereeks is het resultaat van literaire vervreemding altijd een dwaaltekst. Natuurlijk kun je er ook heel andere dingen mee doen.

327 - Zonder weg komt alles terug

‘Wat is de weg?’

‘Het weten doden.’

‘En dan?’

‘Is alles weg.’

‘En dan?’

‘Het niet-weten doden.’

‘En dan?’

‘Is alles terug.’

‘En dat is de weg?’

‘En dat was de weg.’

328 - Groeten uit het leeggebergte

De moralist en de agnost.

Moralist: Mensen gaan tot grote hoogten om diepzinnig te schijnen. De meeste abstracte termen zijn niets dan schaduwen, die een ledig verbergen.*

Agnost: Mislukt.

* Uitspraak van Joseph Joubert (1754-1824).

329 - Van grote vrees naar grote vrede – het weetnietfeest van de weetnietgeest

Gepubliceerd.

Beste Hans,

Ken jij de Woorden van de Oude Cheng? Deze tekst, vertaald uit het Frans door wijlen Alexander Smit, leerling van Nisargadatta Maharaj, ademt dezelfde sfeer als jouw Linji Lu. De Oude Cheng noemt het Uiteindelijke – dat wat overal aan voorbij gaat, dat wat alles overstijgt, het ene dat alles in zich draagt – de Oorspronkelijke Geest. Hoe noem jij het Uiteindelijke?

Beste X,

Na jaren van navelstaren en kennis vergaren teneinde het Uiteindelijke te ontwaren steek ik uiteindelijk nergens mijn hand meer voor in het vuur.

Zodoende kan ik niet bevestigen en niet ontkennen dat er een of ander dit of dat of niet-dit en niet-dat bestaat dat weliswaar voorbij de woorden is, maar niettemin bereikt of herkend of gerealiseerd of belichaamd of ingezien of aangevoeld of geleefd of doorleefd of gedaan of gelaten kan worden – zoals de gewone geest, de grote geest, de oorspronkelijke geest, de algeest, geen-geest, het zelf, geen-zelf, de ziel, het hart, de weg, de waarheid, het leven, het hoogste, het overstijgende, het absolute, het numineuze, het onnoemelijke, de bron, het zijn, essentie, het heden, de eeuwigheid, gewaarzijn, stilte, leegte, openheid, liefde, het ene, god, de menigvuldigheid, brahman, atman, anatman, dao, non-dualiteit, je ware aard, je oorspronkelijke gezicht, sunyata, nirwana en noem maar op.

Zulke termen gebruik ik daarom nooit, behalve om ze in vraag te stellen – maar dat doe ik dan ook graag. Dat geldt eigenlijk voor alle termen. Ook voor de wegwerptermen niet-weten, dwijsheid en agnose, al genieten die toevallig mijn voorkeur.

Niet-weten verwijst bij mij echter niet naar een principieel onkenbaar bewustzijn, zoals in sommige non-dualistische tradities, niet naar een principieel onkenbare interdependentie of een principieel onkenbare boeddhanatuur, zoals in sommige boeddhistische tradities, niet naar een principieel onkenbare immanentie, zoals in sommige mystieke tradities, niet naar een principieel onkenbaar mysterium tremendum et fascinosum, zoals het in nuministische kringen heet, of naar welke hypo-, hyper- of metastase ook.

Als ik het over agnose heb, bedoel ik alleen maar dat ik het, als het erop aankomt, allemaal niet meer weet. Dit ook niet. ‘Dat wat overal aan voorbij gaat’ is ook aan mij voorbij gegaan. Het moest wel. ‘Dat wat alles overstijgt’ gaat ook mij boven de pet. Per definitie. ‘Dat wat mij boven de pet gaat’ is mijn definitie van transcendentie.

Uiteindelijk is er niets dat mij niet boven de pet gaat. Alles is mij een raadsel. Het zogenaamde eindelijke net zozeer als het zogenaamde uiteindelijke. Het zogenaamde vele net zozeer als het zogenaamde ene. Het zogenaamde weten net zozeer als het zogenaamde niet-weten. Zogenaamde ik net zozeer als zogenaamde niet-ik en jij en niet-jij.

Niet-weten is met lege handen staan. Mijn handen zijn zo leeg als mijn leer. Mijn leer is zo leeg als mijn geest. Zo vol ben ik van mijn leegte dat ik barst. Leegte is mijn lied, ik zing als een parkiet en ik hoop maar dat je hoort of ziet wat ik niet zeggen kan omdat spreken nooit niet-weten is.

X: Parkieten kunnen niet zingen.

H: Niet-weten is dodecafonisch. In het twaalftoonsysteem kan niemand niet zingen.

X: Ik was ervan overtuigd dat jij het Uiteindelijke gewoon de Weetnietgeest zou noemen.

H: De weetnietgeest heeft niets te melden over het uiteindelijke.

X: Bedoel je dat het Uiteindelijke niet bestaat?

H: Nee, ik bedoel niet dat het Uiteindelijke niet bestaat of dat het Uiteindelijke toch bestaat of dat het Uiteindelijke bestaat én niet bestaat of dat het Uiteindelijke bestaat noch niet bestaat of dat het Uiteindelijke vooraf- en/of voorbijgaat aan bestaan en/of niet bestaan of dat we ons oordeel daarover voor onbepaalde tijd moeten opschorten of dat inzake het Uiteindelijke niets te bewijzen valt of wat dan ook.

Ik bedoel alleen maar dat ik het uiteindelijk allemaal niet weet. En dat ik daar vrede mee heb natuurlijk, Grote Vrede, want dat is het echte mirakel.

Grote Vrede vinden in hetzelfde niet-weten dat mij een halve eeuw Grote Vrees aanjoeg. Begeisterung vinden in mijn verbijstering. Thuiskomen in den vreemde.

Mij is dat Uiteindelijk genoeg.

Mij is dat uiteindelijk Genoeg.

X: Mij lijkt dat niet de Oorspronkelijke Geest.

H: Ik noem het mijn weetnietfeest.

mannetje kijkt verbaasd naar zijn handen die de vorm van het agnoseteken hebben
Niet-weten is met lege handen staan.

330 - Niet-weten is bungeejumpen

X: Wat bindt de mens aan zijn weten?

H: Een elastiek.

X: Wat heeft dat voor gevolg?

H: Hoe harder je wegloopt, hoe harder je terugschiet.

X: Jij ook?

H: Iedereen.

X: Wat is dan het verschil tussen ons?

H: Jij blijft rustig in de buurt van het weten rondscharrelen.

X: En jij?

H: Ik doe aan bungeejumpen.

331 - Niet-weten is rondscharrelen

X: Wat bindt de mens aan zijn niet-weten?

H: Een elastiek.

X: Wat heeft dat voor gevolg?

H: Hoe harder je wegloopt, hoe harder je terugschiet.

X: Jij ook?

H: Iedereen.

X: Wat is dan het verschil tussen ons?

H: Ik blijf rustig in de buurt van niet-weten rondscharrelen.

X: En ik?

H: Jij doet aan bungeejumpen.

332 - Niet-weten is je natuurlijke staat

X: Als je met elastiek aan het weten gebonden bent dan is weten je natuurlijke staat.

H: Inderdaad.

X: Als je met elastiek aan niet-weten gebonden bent dan is niet-weten je natuurlijke staat.

H: Inderdaad.

X: Wat is nou je natuurlijke staat, weten of niet-weten?

H: Wil je dat echt weten?

X: Inderdaad.

H: Dan zal dat het verschil wel zijn.

X: Waartussen?

H: Jou en mij.

X: Wil je het niet weten of weet je het gewoon niet?

H: Weet ik ook al niet.

X: Bij wie moet ik dan wezen?

H: Wie zegt dat iemand het weet?

X: Wou jij zeggen van niet?

H: Wat weet ik daarvan?

X: Maar wat is nou je natuurlijke staat?

H: Dat is nou je natuurlijke staat.

X: Weten of niet-weten?

H: Heen en weer gaan tussen weten en niet-weten?

X: Heen en weer gaan is je natuurlijke staat?

H: Ik zou het anders ook niet weten.

X: Dat zou een hoop verklaren.

H: Als er al een natuurlijk staat is.

X: Daar vraag je me wat.

H: En iemand die daarin kan verkeren.

X: Daar ging ik inderdaad eventjes van uit.

H: Misschien is niet weten of er een natuurlijke staat is wel je natuurlijke staat.

X: Dat kan ook nog.

H: Misschien is niet weten of er iemand is die daarin kan verkeren wel je natuurlijke staat.

X: Dat kan ook nog.

H: Maar misschien ook niet.

333 - Als je te veel begrijpt

Waarschuwing uit het verleden.

Beste Hans,

Mooi dat niet-weten, man. Ik kan me er helemaal in vinden!

Beste X,

Ik kan me er helemaal in verliezen.

X: Rainer Maria Rilke zei het al, ‘Als je te veel begrijpt gaat de eeuwigheid aan je voorbij’!

H: Dat hoor je wel vaker. Ik heb het nooit begrepen.

334 - Weten is de vijand niet

Er was eens een generaal die hartje winter ten strijde trok naar het hooggebergte.

Hem was verteld dat dáár de vijand zat.

Steenkoud was het er, bar in de boos.

De paarden verhongerden.

De soldaten vroren dood.

De generaal gleed uit en viel te pletter.

Het hooggebergte zelf was de vijand.

Dat had men er niet bij verteld.


Die generaal – dat was ik.

Het hooggebergte was de vijand niet; naar anderen luisteren was de vijand.

Naar anderen luisteren was de vijand niet; naar mezelf luisteren was de vijand.

Naar mezelf luisteren was de vijand niet; weten waar de vijand was, was de vijand.

Weten waar de vijand was was de vijand niet; weten dat er een vijand was was de vijand.

Weten dat er een vijand was was de vijand niet; weten wat een vijand is was de vijand.

Weten wat een vijand is was de vijand niet; wéten is de vijand.

Weten is de vijand niet; weten dat weten de vijand is, is de vijand.

Ik heb het er nu bij verteld.

335 - Zeg ik niets of kun jij me niet horen?

X: Waarheen leidt de weg die wij moeten gaan?

H: Wie zegt dat wij hem moeten gaan?

X: Wat anders?

H: Ondergaan?

X: Hè?

H: Misschien moeten wij de weg niet gaan maar ondergaan.

X: O, zo.

H: Veronderstellinkje?

X: Betrapt.

H: Geeft niks.

X: Waarheen leidt de weg die wij moeten ondergaan?

H: Wie zegt dat wij hem moeten ondergaan?

X: Jij toch?

H: Ik stel alleen maar een aanname aan de orde.

X: Waarheen leidt de weg?

H: Wie zegt dat hij ergens heen leidt?

X: Bedoel je dat hij nergens heen leidt?

H: Ik stel alleen maar een aanname aan de orde.

X: Wat kun je mij vertellen over de weg?

H: Welke weg?

X: Bedoel je dat er geen weg is?

H: Ik stel alleen maar een aanname aan de orde.

X: Wat bedoel je nou toch?

H: Wie zegt dat ik iets bedoel?

X: Bedoel je soms niets?

H: Ik stel alleen maar een aanname aan de orde.

X: Valt er dan helemaal niets te zeggen?

H: Dat hoor je mij niet zeggen.

X: Ik hoor je helemaal niets zeggen.

H: Het is anders niet dat ik niets zeg.

X: Wat is het dan wel?

H: Dat jij mij niet kunt horen?

336 - Het hart van niet-weten

Vier variaties op het kwatrijn ‘De geest van niet-weten’.

Eerste poging, semplice

semplice: eenvoudig

Ik ben niet gek! Ik ben niet dom!

Ik ben alleen maar eerlijk!

Ik weet het niet! Ik weet het niet!

Geloof me, dat is heerlijk!

Bis

Tweede poging, sonore

sonore: helder

Ik doe niet dik!

Ik doe niet dun!

Ik ben alleen!

Maar eerlijk!

Ik heb het niet!

Ik hou het niet!

Geloof me!

Dit is heerlijk!

Bis

Derde poging, appassionato

appassionato: hartstochtelijk

Ik ben niet!

Gek!

Toch ben ik!

Echt!

Ik ben alleen maar!

Heerlijk!

Je snapt het!

Niet!

Ik snap het!

Niet!

Wat denk je?

Zeg eens!

Eerlijk!

Laatste poging, isterico

isterico: doldwaas

!

!!

!!!

!!!!

!!!!!

!!!!!!

!!!!!!!

!!!!!!!!

!!!!!!!!!

!!!!!!!!!!

!!!!!!!!!!!

337 - 365 Definities van niet-weten

Niet-weten – je kunt er boeken over volschrijven en nachten over doorpraten.

Dat doe ik graag, maar nodig is het niet.

Je kunt ook gewoon een definitie geven.

Of twee, voor het geval de eerste niet overkomt.

Of drie, voor het geval de tweede niet overkomt.

Of 365, zodat je het iedere dag opnieuw kunt proberen.

Of 366, voor het geval het een schrikkeljaar is.

Of 397, voor mensen met een dertiende maand.

Is dat niet overdreven?

Nee hoor, met niet-weten moet je meteen in het diepe springen.

Als je eerst leert zwemmen, verzuip je nooit.

Bovendien komen alle definities van niet-weten op hetzelfde neer.

Eigenlijk is er maar één definitie van niet-weten:

Géén definitie van niet-weten.

338 - Januari

1. Niet-weten is steeds opnieuw beginnen.

2. Niet-weten is overal over beginnen.

3. Niet-weten is onbegonnen werk.

4. Niet-weten is steeds opnieuw eindigen.

5. Niet-weten is overal over ophouden.

6. Niet-weten is alles uitwissen.

7. Niet-weten is verwijlen in het ongewisse.

8. Niet-weten is alles afbreken.

9. Niet-weten is alles verliezen.

10. Niet-weten is alles weerspreken.

11. Niet-weten is alles relativeren.

12. Niet-weten is ook het relativeren relativeren.

13. Niet-weten is ruimhartigheid, ook voor bekrompenheid.

14. Niet-weten is geen aandachtspunt.

15. Niet-weten is geen agendapunt.

16. Niet-weten is geen aanknopingspunt.

17. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iets te weten en niet langer meent niets te weten.

18. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iets te doen en niet langer meent niets te doen.

19. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iemand te zijn en niet langer meent niemand te zijn.

20. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent op een of ander punt te zijn.

21. Niet-weten is een omslagpunt.

22. Niet-weten is een contrapunt.

23. Niet-weten is een nulpunt.

24. Niet-weten is een mispunt.

25. Niet-weten is een breekpunt.

26. Niet-weten is een vluchtpunt.

27. Niet-weten is een verdwijnpunt.

28. Niet-weten is een vraagteken.

29. Niet-weten is weten tussen aanhalingstekens.

30. Niet-weten is leven tussen aanhalingstekens.

31. Niet-weten is geen visie en een visie op niet-weten is geen niet-weten.

339 - Februari

1. Niet-weten is overal thuis zijn.

2. Niet-weten is nergens thuis zijn.

3. Niet-weten is vervreemding.

4. Niet-weten is thuiskomen in den vreemde.

5. Niet-weten is vreemdgaan in het bekende.

6. Niet-weten is vreemd eigen.

7. Niet-weten is sterven aan het bekende.

8. Niet-weten is sterven aan het onbekende.

9. Niet-weten is levend sterven.

10. Niet-weten is stervend leven.

11. Niet-weten is voor de bijl gaan.

12. Niet-weten is opleven.

13. Niet-weten is leven in de paradox.

14. Niet-weten is leven in onduidelijkheid, dubbelzinnigheid en tegenspraak.

15. Niet-weten is geen trancetoestand.

16. Niet-weten is geen verruimd bewustzijn.

17. Niet-weten is geen vernauwd bewustzijn.

18. Niet-weten is geen mystieke eenheidservaring of een ander soort piekervaring.

19. Niet-weten is geen ervaring en ervaringen van niet-weten zijn geen niet-weten.

20. Niet-weten is geen verheerlijking van het gevoel boven het verstand.

21. Niet-weten is vrede sluiten met je onvrede.

22. Niet-weten is rustig blijven onder je onrust.

23. Niet-weten is mediteren zonder mediteren.

24. Niet-weten is nooit mediteren en nooit niet mediteren.

25. Niet-weten is geen praktijk en oefeningen in niet-weten zijn geen niet-weten.

26. Niet-weten is geen identiteit.

27. Niet-weten is geen anonimiteit.

28. Niet-weten is het einde van iedere vereenzelviging, ook met niet-vereenzelvigen.

29. Niet-weten is geen deugd, maar het einde van je zonden.

340 - Maart

1. Niet-weten is de laatste illusie.

2. Niet-weten is een desillusie.

3. Niet-weten is de desillusie doorzien.

4. Niet-weten is een total loss.

5. Niet-weten is de volgende droom.

6. Niet-weten is de waan van de nacht.

7. Niet-weten is ontwaken uit de droom van ontwaken.

8. Niet-weten is geen droom.

9. Niet-weten is geen-droom.

10. Niet-weten is ontwaken uit je weten.

11. Niet-weten is ontwaken uit je zekerheden in een onzeker heden.

12. Niet-weten is geen ontwaakt denken, maar een denken dat keer op keer uit zichzelf ontwaakt.

13. Niet-weten is geen bevrijd denken, maar een denken dat zich keer op keer van zichzelf bevrijdt.

14. Niet-weten is geen onthecht denken, maar een denken dat zich keer op keer van zichzelf losmaakt.

15. Niet-weten is geen uitgedoofd denken, maar een denken dat zijn eigen brandjes blust.

16. Niet-weten is geen verlicht denken, maar zuchten van verlichting zodra je je vorige gedachte doorziet. Zucht.

17. Niet-weten is eindeloos ontwaken.

18. Niet-weten is ontwaken in verbijstering

19. Niet-weten is geen realisatie maar derealisatie.

20. Niet-weten is geen truc.

21. Niet-weten is geen pose.

22. Niet-weten is alles ont-kennen.

23. Niet-weten is alles ontkennen, dit ook.

24. Niet-weten is begrijpen zonder begrippen.

25. Niet-weten is aan de grond zitten.

26. Niet-weten is een afgrond.

27. Niet-weten is de ongrond waarin de boom der kennis wortelt.

28. Niet-weten is geen denkfobie.

29. Niet-weten is geen vlucht in onwetendheid.

30. Niet-weten is een vlucht uit het vluchten.

31. Niet-weten is geen kroon, maar het einde van de koning.

341 - April

1. Niet-weten is geen grap.

2. Niet-weten is iets om eindeloos grappen over te maken.

3. Niet-weten is een giller.

4. Niet-weten is een voetzoeker.

5. Niet-weten is worstelen en ondergaan.

6. Niet-weten is voor schut gaan.

7. Niet-weten is een ontmaskering.

8. Niet-weten is een mand om doorheen te vallen.

9. Niet-weten is echt zijn als je echt bent, nep zijn als je nep bent.

10. Niet-weten is je kleinheid realiseren.

11. Niet-weten is in je hemd staan.

12. Niet-weten is met je billen bloot gaan.

13. Niet-weten is naaktlopen.

14. Niet-weten is geen verkleedpartij.

15. Niet-weten is een dans zonder stijl.

16. Niet-weten is je natuurlijke staat.

17. Niet-weten is moeiteloos.

18. Niet-weten is je neus achterna lopen.

19. Niet-weten is nergens voor instaan, ook hiervoor niet.

20. Niet-weten is nergens van uitgaan, ook hiervan niet.

21. Niet-weten is een kind.

22. Niet-weten is maar wat doen.

23. Niet-weten is zelfs niet doen aan niet-doen.

24. Niet-weten is geen doen.

25. Niet-weten is geen laten.

26. Niet-weten is geen kunst.

27. Niet-weten is geen kunstje.

28. Niet-weten is knabbelen, niet bijten.

29. Niet-weten is waar iedereen mee flirt maar niemand mee trouwt.

30. Niet-weten is geen antwoord, maar het einde van je vragen.

342 - Mei

1. Niet-weten is uit je woorden komen.

2. Niet-weten is een werkwoord.

3. Niet-weten is een hoofd zonder woorden, bij wijze van spreken.

4. Niet-weten is geen antwoord.

5. Niet-weten is geen vraag.

6. Niet-weten is geen waarheid.

7. Niet-weten is geen leugen.

8. Niet-weten is een vraag op ieder antwoord.

9. Niet-weten is een antwoord zonder antwoord.

10. Niet-weten is het kwijtraken van vragen die je niet loslaten, van antwoorden waarin je vastzit en van woorden die je betoveren.

11. Niet-weten is geen woord en woorden over niet-weten zijn geen niet-weten.

12. Niet-weten is een oorverdovende stilte.

13. Niet-weten is het einde van de hoofdletters.

14. Niet-weten is het einde van de kleine lettertjes.

15. Niet-weten is geen dode letter, maar een levende geest.

16. Niet-weten is niemand naar de mond praten, jezelf ook niet.

17. Niet-weten is geen dooddoener om anderen of jezelf de mond te snoeren.

18. Niet-weten is een dwaalgesprek met jezelf.

19. Niet-weten is een wijze van spreken.

20. Niet-weten is een wijze van zwijgen.

21. Niet-weten is een wijze van lachen.

22. Niet-weten is geen wijze.

23. Niet-weten is geen dwaasheid en geen wijsheid.

24. Niet-weten het onvermogen dwaasheid te onderscheiden van wijsheid.

25. Niet-weten is de vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid.

26. Niet-weten is dwaasheid voorbij alle dwaasheid.

27. Niet-weten is de Boeddha doden, én de boeddhadoder.

28. Niet-weten is de dharma van geen-dharma.

29. Niet-weten is een kwestie van geen kwestie.

30. Niet-weten is geen kwestie maar het eind van alle kwesties.

31. Niet-weten is geen leer, maar het einde van je geleerdheid.

343 - Juni

1. Niet-weten is geen geloof.

2. Niet-weten is geen ongeloof.

3. Niet-weten is een geloof zonder geloof.

4. Niet-weten is het einde van je geloof en het einde van je ongeloof.

5. Niet-weten is niets geloven, dit ook niet.

6. Niet-weten is niemand geloven, jezelf ook niet.

7. Niet-weten is paranoia.

8. Niet-weten is alles betwijfelen, zelfs de twijfel.

9. Niet-weten is steeds een slag om de arm houden, ook hierover.

10. Niet-weten is nergens je hand voor in het vuur steken, ook hiervoor niet.

11. Niet-weten is no claim en geen verzekering.

12. Niet-weten is all-risk.

13. Niet-weten is absolute zekerheid over absoluut niets.

14. Niet-weten is nergens op rekenen.

15. Niet-weten is overal rekening mee houden.

16. Niet-weten is alles afleren.

17. Niet-weten is ook het afleren afleren.

18. Niet-weten is geen leer en leerstukken over niet-weten zijn geen niet-weten.

19. Niet-weten is geen inzicht maar geen-inzicht.

20. Niet-weten is ‘weten’.

21. Niet-weten is geen niet-weten als er niet-weten op staat.

22. Niet-weten is nú iets niet weten.

23. Niet-weten is altijd nu.

24. Niet-weten kent geen tijd.

25. Niet-weten is weten van het bord voor je kop.

26. Niet-weten is niet weten uit te sluiten.

27. Niet-weten is geen verschil maken.

28. Niet-weten is geen onderscheid weten te maken.

29. Niet-weten is een non-leer die geen enkel onderscheid erkent of ontkent.

30. Niet-weten is geen buit, maar het einde van de jacht.

344 - Juli

1. Niet-weten is gewoon niet weten.

2. Niet-weten is tien pond scheten.

3. Niet-weten is gebakken lucht.

4. Niet-weten is een opluchting waar geen eind aan komt.

5. Niet-weten is overal schijt aan hebben

6. Niet-weten is een lege darm.

7. Niet-weten is een leeg kanon.

8. Niet-weten is een lege leer.

9. Niet-weten is een lege boodschap.

10. Niet-weten is een lege schat.

11. Niet-weten is met lege handen staan.

12. Niet-weten is met je mond vol tanden staan.

13. Niet-weten is geen gebondenheid.

14. Niet-weten is geen vrijheid.

15. Niet-weten is geen keuzeloos gewaarzijn.

16. Niet-weten is nergens over oordelen.

17. Niet-weten is niet oordelen over het oordelen.

18. Niet-weten is geen liefde.

19. Niet-weten is geen vasthouden.

20. Niet-weten is geen loslaten.

21. Niet-weten is geen overgave.

22. Niet-weten is onthechten, ook van onthechting.

23. Niet-weten is nergens houvast vinden, ook hierin niet.

24. Niet-weten is alles loslaten, ook het loslaten.

25. Niet-weten is verlossing van de verlossers.

26. Niet-weten is ontsnappen aan de snappers.

27. Niet-weten is meegaan met de tegenstroom.

28. Niet-weten is afwijzen wat je afwijst.

29. Niet-weten is alles afwijzen, ook het afwijzen.

30. Niet-weten is alles aanvaarden, ook het afwijzen.

31. Niet-weten is geen maat, maar het einde van het meten.

345 - Augustus

1. Niet-weten is het einde van je heilige huisjes.

2. Niet-weten is je eigen hokjes afbreken.

3. Niet-weten is alles in het midden laten, ook of je alles in het midden moet laten.

4. Niet-weten is grenzen verkennen.

5. Niet-weten is tot het gaatje gaan.

6. Niet-weten is door het gaatje gaan.

7. Niet-weten is mateloos.

8. Niet-weten is een vloek.

9. Niet-weten is een gezegende vloek.

10. Niet-weten is een vervloekte zegen.

11. Niet-weten is een zegen.

12. Niet-weten is een genezende ziekte.

13. Niet-weten is een heiland die niet baat.

14. Niet-weten is een gesel die niet schaadt.

15. Niet-weten is het einde van het geloof in het einde van het lijden.

16. Niet-weten is niets meer te verliezen of te winnen hebben.

17. Niet-weten is een vlammenwerper.

18. Niet-weten is een burn-out.

19. Niet-weten is geen welles en geen nietes.

20. Niet-weten is geen standpunt.

21. Niet-weten is geen plek, maar in beweging blijven.

22. Niet-weten is geen eeuwige rust, maar eeuwige beweging.

23. Niet-weten is geen illusie.

24. Niet-weten is geen werkelijkheid.

25. Niet-weten is geen hel.

26. Niet-weten is geen hemel.

27. Niet-weten is een sleutel zonder slot.

28. Niet-weten is een wormgat naar deze zijde.

29. Niet-weten is geen heilsweg naar de Geest maar een ijlweg uit de geest.

30. Niet-weten is geen weg en wegen naar niet-weten zijn geen niet-weten.

31. Niet-weten is geen weg, maar het einde van het wegen.

346 - September

1. Niet-weten is je gedachten niet geloven, deze ook niet.

2. Niet-weten is korte metten maken met de mind.

3. Niet-weten is korte metten maken met het idee dat je korte metten kunt maken met de mind

4. Niet-weten is een gedachtengum.

5. Niet-weten is een denkbeeldenstorm.

6. Niet-weten is denken zonder denken.

7. Niet-weten is een onvermogen.

8. Niet-weten is het onvermogen om je eigen denkbeelden serieus te nemen.

9. Niet-weten is het vermogen om de diepten van je verstandelijke onvermogen te peilen.

10. Niet-weten is de mislukking van het denken.

11. Niet-weten is de triomf van het denken over zichzelf.

12. Niet-weten is het einde van het weten, zou je denken, maar dat is opnieuw een gedachte.

13. Niet-weten is het einde van het denken dat niet-weten het einde is van het weten.

14. Niet-weten is niet het einde van je gedachten, maar het einde van het heilige in je gedachten, inclusief deze.

15. Niet-weten is niet het einde van je gedachten, maar het einde van het geloof in de gedachte aan het einde van je gedachten.

16. Niet-weten is alles ontkrachten, dit ook.

17. Niet-weten is je verstand op tilt.

18. Niet-weten is een denken dat nooit victorie kraait.

19. Niet-weten is geen obscurantisme.

20. Niet-weten is geen fatalisme.

21. Niet-weten is geen cynisme.

22. Niet-weten is geen negativisme.

23. Niet-weten is geen pessimisme.

24. Niet-weten is geen optimisme.

25. Niet-weten is geen realisme.

26. Niet-weten is geen idealisme.

27. Niet-weten is wat alles in zijn waarde laat.

28. Niet-weten is wat nergens de waarde van kent.

29. Niet-weten is niet weten waar niet-weten goed voor is.

30. Niet-weten is geen wijsbegeerte, maar het einde van de filosofie.

347 - Oktober

1. Niet-weten is alles vergeten.

2. Niet-weten is zelfs het vergeten van niet-weten vergeten.

3. Niet-weten is geen dementie.

4. Niet-weten is geen zwakzinnigheid.

5. Niet-weten is geen onwetendheid.

6. Niet-weten is geen irrationalisme.

7. Niet-weten is het herroepen van iedere gedachte, deze ook.

8. Niet-weten is een knuppel om je gedachten weg te slaan.

9. Niet-weten is denken zonder denk-beelden.

10. Niet-weten is geen oog, maar het einde van je staar.

11. Niet-weten is door je gedachten heen kijken.

12. Niet-weten is kijken zonder denken.

13. Niet-weten is steeds door een ander raam kijken.

14. Niet-weten is zien dat je denkt dat je de wereld ziet.

15. Niet-weten is alle kanten zien.

16. Niet-weten is het hele plaatje zien.

17. Niet-weten is het hele plaatje doorzien.

18. Niet-weten is het denken doorzien.

19. Niet-weten is het doorzien van het denken doorzien.

20. Niet-weten is het uiteindelijke doorzien.

21. Niet-weten is het doorzien van het uiteindelijke doorzien.

22. Niet-weten is de illusie doorzien.

23. Niet-weten is het doorzien van de illusie doorzien.

24. Niet-weten is een manier van kijken zonder manier.

25. Niet-weten is een koning zonder kijk.

26. Niet-weten is overal de keerzijden van zien, ook van de keerzijden.

27. Niet-weten is terugschrijdend inzicht.

28. Niet-weten is vrij zijn van inzicht.

29. Niet-weten is geen bevrijdend inzicht maar vrij uitzicht.

30. Niet-weten is vrij zijn van niet-weten.

31. Niet-weten is geen piek, maar het einde van je klim.

348 - November

1. Niet-weten is aanzien.

2. Niet-weten is herzien.

3. Niet-weten is afzien.

4. Niet-weten is leven op de tast.

5. Niet-weten is wat je ontglipt.

6. Niet-weten is geen machtsgreep.

7. Niet-weten is geen alomvattende verklaring.

8. Niet-weten is vrijstelling van verklaringsdienst.

9. Niet-weten is amnestie van duidingsdrang.

10. Niet-weten is verhaal halen bij je verhalen.

11. Niet-weten is einde verhaal.

12. Niet-weten is algemeenheden mijden, deze ook.

13. Niet-weten is een ongebonden, geloofsvrije, inhoudsloze, beeldloze mystiek.

14. Niet-weten is aikido voor de geest.

15. Niet-weten is een vrijgeest.

16. Niet-weten is een audit van de geest door de geest.

17. Niet-weten is gratis en onbetaalbaar.

18. Niet-weten is geen principe.

19. Niet-weten is geen bewaarschool.

20. Niet-weten is geen traditie.

21. Niet-weten is geen orde.

22. Niet-weten is een fuik waar je niet in zit.

23. Niet-weten is je laatste fuik.

24. Niet-weten is de ruimste fuik.

25. Niet-weten is een vrije val.

26. Niet-weten is vallen zonder opstaan.

27. Niet-weten is een val zonder strik.

28. Niet-weten is uit de boot vallen.

29. Niet-weten is iets waar je niet in zit en niet uit komt.

30. Niet-weten is geen dal, maar het einde van je val.

349 - December

1. Niet-weten is in je kaart laten kijken.

2. Niet-weten is je kaarten op tafel leggen.

3. Niet-weten is van de kaart zijn.

4. Niet-weten is schoppen.

5. Niet-weten is een joker.

6. Niet-weten is een rode kaart.

7. Niet-weten is een vrijkaart.

8. Niet-weten is een passe-partout.

9. Niet-weten is enkel spel zonder dubbelspel.

10. Niet-weten is een spel zonder regels.

11. Niet-weten is een spel met de regels.

12. Niet-weten is spelen met grenzen.

13. Niet-weten is een spel zonder grenzen.

14. Niet-weten is voorgoed buiten spel staan.

15. Niet-weten is een doorlopend gebed.

16. Niet-weten is een gebed zonder end.

17. Niet-weten is werk-in-uitvoering.

18. Niet-weten is gekkenwerk.

19. Niet-weten is een retraite waar geen eind aan komt.

20. Niet-weten is geen denk- of spreekverbod.

21. Niet-weten is niet het einde van het weten en niet het einde van het denken.

22. Niet-weten is niet iets om niet na te streven door niet iemand.

23. Niet-weten is niet iets wat je ontdekt, het is niet-ontdekken.

24. Niet-weten is niet iets wat je bereikt, het is niet-bereiken.

25. Niet-weten is alle gedachten ontmaskeren en ontmantelen, moeiteloos, de hele dag door, zowel van anderen als van jezelf, ook die over niet-weten, ook deze.

26. Niet-weten is geen kenleer, maar het einde van de epistemologie.

27. Niet-weten is geen zijnsleer, maar het einde van de ontologie.

28. Niet-weten is het einde van alle stokpaardjes, inclusief niet-weten.

29. Niet-weten is het einde van ieder zoeken, ook naar niet-zoeken.

30. Niet-weten is geen einde dan het einde van niet-weten.

31. Niet-weten is een zalig uiteinde

350 - Dertiende maand

1. Niet-weten is het einde van je twijfels en het einde van je zekerheden.

2. Niet-weten is het einde van de antwoorden en het einde van de vragen.

3. Niet-weten is het einde van je woorden en het einde van je stilte.

4. Niet-weten is het einde van je gebondenheid en het einde van je vrijheid.

5. Niet-weten is het einde van gehechtheid en het einde van onthechting.

6. Niet-weten is het einde van het vasthouden en het einde van het loslaten.

7. Niet-weten is het einde van het worden en het einde van het ontworden.

8. Niet-weten is het einde van het object en het einde van het subject.

9. Niet-weten is het einde van het ego en het einde van het zelf.

10. Niet-weten is het einde van het relatieve en het einde van absolute.

11. Niet-weten is het einde van je karma en het einde van de dharma.

12. Niet-weten is het einde van samsara en het einde van nirwana.

13. Niet-weten is het einde van de vorm en het einde van de leegte.

14. Niet-weten is het einde van de illusie en het einde van de werkelijkheid.

15. Niet-weten is het einde van de dualiteit en het einde van de non-dualiteit.

16. Niet-weten is het einde van het onderscheid en het einde van de eenheid.

17. Niet-weten is het einde van de complexiteit en het einde van de eenvoud.

18. Niet-weten is het einde van de hoogmoed en het einde van de deemoed.

19. Niet-weten is het einde van de wanhoop en het einde van de hoop.

20. Niet-weten is het einde van de tijd en het einde van het nu.

21. Niet-weten is het einde van de leugen en het einde van de waarheid.

22. Niet-weten is het einde van het doen en het einde van het laten.

23. Niet-weten is het einde van het nemen en het einde van het geven.

24. Niet-weten is het einde van de dwaasheid en het einde van de wijsheid.

25. Niet-weten is het einde van het kwade het einde van het goede.

26. Niet-weten is het einde van de duisternis en het einde van het licht.

27. Niet-weten is het einde van de leerling en het einde van de meester.

28. Niet-weten is het einde van het hoofd en het einde van het hart.

29. Niet-weten is het einde van het spreken en het einde van het zwijgen.

30. Niet-weten is het einde van je verzet en het einde van je overgave.

31. Niet-weten is helemaal het einde.


Zo. Dit waren alle 397 definities van ‘365 Definities van niet-weten’.

351 - Apologie voor mijn apologie van niet-weten

‘Wanneer het over niet-weten gaat, schaam ik me voor al wat ik erover heb gezegd.’ Een keizer zonder kleren trekt het boetekleed aan. Apologie voor mijn apologie van niet-weten.

Weten van niet-weten is weten

Niet-weten is eindeloos en datzelfde geldt voor mijn teksten over niet-weten. Allemaal staan ze tjokvol beweringen, begrippen en aannames. Daarmee brengen ze een weten tot uitdrukking. Een weten van niet-weten.

Dat was niet de bedoeling. Weten van niet-weten is weten, geen niet weten. Maar zo werkt onze taal nou eenmaal. Je kunt ermee zeggen dat iets zús is of niet zó. Je kunt er de waarheid mee uitdrukken, of wat het ook is dat je ermee uitdrukt – gesteld dat je er iets mee uitdrukt. Maar geen niet-weten.

Niet-weten is niet-weten en beweren is beweren and never the twain shall meet.*

* East is East and West is West and never the twain shall meet, citaat uit The Ballad of East and West, van Rudyard Kipling (1889)

Niet-weten is geen waarheid

Wat niet-weten is weet je natuurlijk best. Dat het niet iets is weet je ook best. Tot je erover gaat nadenken. Dan wordt het toch weer iets. Niet zomaar iets, maar een waarheid. Niet zomaar een waarheid maar…

Catch 22

1. De hoogste waarheid!

2. De waarheid voorbij de woorden!

3. De wijsheid zonder wijsheid!

4. De wijsheid voorbij alle wijsheid!

5. De kennis zonder object!

6. De kennis zonder leraar!

7. Een bevrijdend inzicht!

8. Eeuwige wijsheid!

9. De dharma!

10. Prajnaparamita!

11. Je ware gezicht!

12. Het hoogste zelf!

13. Datgene wat geen oog kan zien en geen oor kan horen!

14. Helderheid!

15. Bewustzijn!

16. Gewaarzijn!

17. Non-dualiteit!

18. Het onkenbare!

19. Essentie

20. De bron!

21. Het ene!

22. God!

En wie ‘de hoogste waarheid’ heeft ‘gerealiseerd’ is natuurlijk ‘verlicht’.

Mij hoor je niets zeggen (maar zwijgen kan ik niet)

Verlicht! Nou, daar kun je mee voor de dag komen Jammer voor mij. Ik heb de wijsheid niet in pacht. Niet de hoogste, niet de middelste en niet de laagste. Ik weet alleen maar niet.

Mij hoor je niet eens zeggen dat wijsheid niet bestaat. Dat is nog steeds een vorm van wijsheid. Of dat je ook dat niet kunt weten. Dat is nog steeds een vorm van weten.

Mij hoor je niet eens zeggen dat je niks mag zeggen. Dat is nog steeds een vorm van zeggen. Of dat je dat ook niet mag zeggen. Dat is nog altijd een vorm van zeggen.

Ik zeg alleen maar niks, en dat is nóg teveel gezegd. Maar zwijgen kan ik niet.

Niet-weten is geen kunst

Nooit heb ik niet-weten rechtstreeks onder woorden kunnen brengen. Niet door het ‘niet-weten’ te noemen, of ‘wetend niet weten’ of ‘zelfs niet van niets weten’ of ‘voorbij weten en niet-weten’ of ‘agnose’ of ‘de lege leer’ of ‘dwijsheid’ of ‘verduistering’ of ‘tja’ of ‘verlorenheid’ of ‘niet-vinden’ of ‘vinden en niet-vinden’ of ‘niet-bereiken’ of ‘bereiken noch niet-bereiken’ of wat dan ook.

Nooit heb ik niet-weten waar dan ook door wie dan ook rechtstreeks onder woorden gebracht zien of horen worden.

Niet-weten laat zich niet rechtstreeks onder woorden brengen. Niet omdat de waarheid voorbij de woorden is, maar omdat niet-weten geen waarheid is.

Niet-weten hoeft ook helemaal niet onder woorden gebracht te worden. Het stelt niks voor. Er is geen kunst aan.

Het verhaal van niet-weten is slechts de waan van de nacht

Lieve mensen, net als ieder ander kan ik alleen maar het verhaal van niet-weten vertellen.

Het verhaal van niet-weten is geen niet weten. Het is een fabeltje. Een sprookje. Een spookje. Voor sommigen een droom, voor anderen een nachtmerrie. In beide gevallen de waan van de nacht. Zodra je wakker wordt vervliegt hij.

Opgeruimd staat netjes. Wat moet je er anders mee? Je trekt je pleepapier toch ook gewoon door?

Niet beweren, maar demonstreren

Tijdens het onvermijdelijke beweren hoop ik mijn niet-weten te demonstreren.

Door mijn beweringen voortdurend te herroepen.

Door mijn begrippen voortdurend ter discussie te stellen.

Door mijn onuitgesproken aannames voortdurend aan de kaak te stellen.

Daarvoor moet ik weer nieuwe beweringen doen, nieuwe begrippen gebruiken en nieuwe aannames doen, die op hun beurt weerlegd, ondermijnd en ontmaskerd moeten worden, enzovoort – een hopeloze zaak.

Kun je erdoorheen kijken?

Kun je door dit verhaal over vertellen versus demonstreren heen kijken?

Kun je door het verhaal dat het maar een sprookje is heen kijken?

Kun je door het idee heen kijken dat je ergens doorheen moet kijken?

Kun je door het idee heen kijken dat er niets te doorzien valt?

Kun je door het idee heen kijken dat je iemand bent die iets moet of kan?

Kun je door het idee heen kijken dat je niemand bent en niets moet of kan?

Kun je door het idee heen kijken dat het allemaal maar ideeën zijn?

Eerlijk zeggen!

Geen idee?

Nou, ik ook niet.

Wat je ziet als je overal doorheen kijkt

Dát is nou niet-weten.

Dat is wat je ‘ziet’ als je (niet eens meer weet of je) overal doorheen kijkt:

Niet de onbemiddelde Werkelijkheid.

Niet de hoogste Waarheid.

Niet de zuivere Geest.

Niet de non-dualiteit.

Niet de Boeddha.

Niet alleen maar Dit of Dát.

Niet het Zijn zelf.

Niet het Ene.

Niet het Andere.

Niet de Leegte.

Niet het Niets.

En dat is alles.

Welkom in de wolk van niet-weten

Welkom, lezer, op de hoogste, de heiligste berg. Op die puinhoop van inzichten, opvattingen en idealen die je tot nog toe hebt vergaard of al voor lijk hebt achtergelaten. De majestueuze Mont Fou. Helemaal de jouwe.

Wat een JOEKEL van een berg, zeg. En de top? Voor eeuwig in nevelen gehuld. Zo hoog zitten we hier. Gloria in excelsis.

Ik zeg, welkom lezer, in de cloud.

Wat een gewáldig uitzicht!

Niet-weten is alles afleren

Niet-weten, dat is alles afleren. Niet letterlijk natuurlijk, dan zou je onnozel worden, maar figuurlijk.

Met afleren bedoel ik: het geleerde doorzien.

Je uitgangspunten en vooronderstellingen doorzien.

De categorieën van je verstand doorzien.

Inzien dat je ze niet allemaal kunt doorzien.

Het doorzien doorzien.

Iemand die alles wat hij geleerd heeft tegen het licht houdt, zou je een afleerling kunnen noemen.

Iemand die een ander helpt om alles wat hij geleerd heeft tegen het licht te houden, is dan een afleraar.

Van een afleraar kun je niets leren, behalve misschien dat je niet weet wat je dacht te weten.

Waar een reguliere leraar antwoorden geeft op vragen, stelt een afleraar vragen bij je antwoorden.

Alle leraren op niet-weten zijn afleraren.

Iedere afleraar is zijn eigen afleerling.

Iedere afleerling is zijn eigen afleraar.

Alle afleraren zijn leraar-af.

Alle afleerlingen zijn leerling-af.

Als er al een weg is naar niet-weten dan is het geen leertraject maar een afleertraject.

Agnose

Agnose is een eufemisme voor niet-weten.

Eufemisme is een mooi woord voor een mooi woord.

Voorbeeldzin:

Agnose is mijn natuurlijke staat.

Het woord agnose komt van het Griekse agnōsia, een samenvoeging van a, niet, on- en gnōsia, kennis.

woord Agnose in fantasieletters
Agnose is een mooi woord voor niet-weten

Agnose versus niet-weten

Niet-weten heeft als term een streepje voor op agnose omdat het behalve een zelfstandig naamwoord ook een werkwoord is. Aan de andere kant heeft agnose een streepje voor op niet-weten omdat het geen streepje heeft.

Agnose heeft naar mijn gevoel wat meer cachet en bovendien is het geen ontkenning, zoals niet-weten. Het klinkt positiever, vriendelijker en zachter. Daarom past het beter bij de gemoedstoestand van een onbegrensd niet-weten, waarin je weliswaar niet het eeuwige geluk smaakt, maar…

Vrede hebt met je onvrede.

Rustig blijft onder je onrust.

Ongevoelig bent voor je gevoeligheden.

Ruimte hebt voor je bekrompenheid.

Onthecht bent van je onthechting.

Niet oordeelt over je oordelen.

Je je niet identificeert met je identiteiten.

… En ga zo maar door.

Agnose is een vrijplaats voor de vrijgeest, een open ruimte waarin alle denk- en gemoedsbewegingen zich in alle rust kunnen voltrekken.

Je vindt er geen immanentie en geen transcendentie, geen theïsme en geen atheïsme, geen gnosticisme en geen agnosticisme, geen moralisme en geen immoralisme, geen dualiteit en geen non-dualiteit, geen activisme en geen fatalisme, geen militarisme en geen pacifisme, geen vorm en geen leegte, geen ego en geen zelf, geen wijsheid en geen dwaasheid, geen eenheid, geen tweeheid, geen niet-tweeheid, geen drieheid en geen veelheid, geen twijfel en geen zekerheid, geen weten en geen niet-weten.

Agnose is geen…

Agnose is geen agnosie (een neurologische herkenningsstoornis).

Agnose is geen agnosticisme (de leer van Spencer en Huxley dat het al dan niet bestaan van God onbewijsbaar is).

Agnose is geen onwetendheid, zwakzinnigheid of dementie.

Agnose is geen romantische, obscurantistische of anti-intellectualistische verheerlijking van irrationaliteit boven rationaliteit, van het gevoel boven het verstand, van spontaniteit boven gemaaktheid, van de daad boven de gedachte, van de onbezonnenheid boven de bedachtzaamheid of van de natuur boven de beschaving.

Agnose is niet de claim dat er geen gnosis bestaat – geheime kennis over de zin van het leven, het wezen van de mens, de aard van de realiteit, het leven na de dood, transcendentie en andere levensbeschouwelijke, spirituele, theologische en filosofische zaken.

Agnose is geen trancetoestand.

Agnose is geen acuut of chronisch verruimd (of vernauwd) bewustzijn.

Agnose is geen mystieke eenheidservaring of een ander soort piekervaring die komt en gaat.

In agnose

Net zoals je in (een wolk van) niet-weten kunt verblijven, kun je in agnose verkeren (verblijven, zijn). Het betekent precies hetzelfde: dat je het zozeer niet meer weet dat het wel een onveranderlijke toestand lijkt.

Dat is natuurlijk maar schijn: je weet het alleen nu niet. Of je het zo meteen nog niet weet moet je maar afwachten.

Kun je dat niet, reken je erop dat het altijd zo blijft, dan is je niet-weten schijn. Dan is het een vorm van weten geworden.

Gebruiksvoorbeeld:

In agnose zijn er geen antwoorden en geen vragen meer.

De Agnosereeks

De Agnosereeks is een serie boeken van Hans van Dam over niet-weten.

Agnost, agnosst

Een agnost is iemand die niet weet, een weetniet, een dummy, een dwijze.

Gebruiksvoorbeeld:

Een agnost heeft wel meningen maar meningen hebben hem niet.

AgnoSst is een spellingsvariant van agnost waarin de figuurlijke stilte van de weetnietgeest (de weetnietgeeSst) tot uitdrukking komt.

Agnosticisme

In het dagelijks spraakgebruik betekent agnosticisme:

1. Weten dat het wel of niet bestaan van God nooit bewezen kan worden.

2. Weten dat het wel of niet bestaan van God niet overtuigend bewezen is.

3. Niet weten of God wel of niet bestaat.

Van deze drie betekenissen van agnosticisme komt de derde het dichtst bij radicaal niet-weten. Het is geen overtuiging (1), geen oordeel (2), maar een simpele bekentenis dat je iets nog niet of niet meer weet (3).

Agnose is gegeneraliseerd agnosticisme (3).

Agnosticon

Agnosticon is de zondagse naam voor het lege symbool, Ø, dat staat voor een grenze(n)loos niet-weten, en voor willekeurig welk weetnietwoord.

Logo van de Agnosereeks

Agnostisch

Agnostisch is het bijvoeglijk naamwoord van agnose.

Voorbeeldzin:

De mystiek van Eckhart is eerder agnostisch dan orthodox.

Agnostiek

Agnostiek is een mooi woord voor weetnietkunde.

Iemand die agnostiek bedrijft hoeft geen agnost of agnosticus te zijn. Daarom is het beter om hem een agnostieker te noemen, of een weetnietkundige. Als hij geleerd begint te doen, noem je hem een professor in de weetnietkunde. Waarschijnlijk is hij er nog trots op ook.

Agorafilie

Agorafobie is een moeilijk woord voor ruimtevrees. Het is afgeleid van het Griekse agora, plein, markt, vergaderplaats, open ruimte, en fobia, angst.

Het tegenovergestelde van agorafobie is agorafilie, voorliefde (filie) voor ruimtes.

Omdat dit woord in het Nederlands nog niet bestaat, kunnen we het zonder problemen opnemen in het Idioticon in de betekenis van een hartstochtelijk niet-weten.

Het bijvoeglijk naamwoord van agorafilie is agorafiel.

De Nederlandse vertaling van agorafiel is ruimteminnend (weer een neologisme), ruim van geest – agnostisch.

Een agorafiel is gewoon iemand die agorafiel is.

Aikidogeest

Onder een aikidogeest versta ik een geest die alleen nog maar van wijken weet.

De aikidogeest houdt niets vast en laat niets los – daar is hij helemaal niet mee bezig.

Hij heeft niets te verdedigen, behalve zijn eigen beweeglijkheid, zou je kunnen zeggen, maar ook daar is hij niet mee bezig.

De aikidogeest gaat nergens heen, behalve uit de weg.

Uit de weg gaan is de weg van de aikidogeest.

Synoniemen: dwaalgeest, weetnietgeest, zengeest

Ajnana

Jnana is Sanskriet voor inzicht – het inzicht in de transcendente waarheid van advaita.

Realisatie kun je volgens de advaita vedanta bereiken door de weg van het hoofd te gaan, jnana, of de weg van het hart, bhakti.

Door een a- voor jnana te zetten ontstaat het antoniem ajnana, dat zoveel betekent als niet-inzicht.

Niet-inzicht betekent zoveel als niet-weten.

Ajnana is niet-weten.

Annotatie

Dit onbegrensde enzovoort.

Volgens de betekenisleer bestaat de betekenis van een gedachte uit een kleine bewuste bovenbouw, de zogeheten denotatie of sensus superficialis, gedragen door een reusachtige latente onderbouw, de zogenaamde annotatie of sensus subliminalis, waarvan je je slechts vagelijk bewust bent.

De annotatie van een gedachte vormt als het ware de infrastructuur ervan. De tijdelijke ongrond waarin de gedachte wortelt, groeit en afsterft. De wegwerpwereld waarin de gedachte vanzelfsprekend lijkt.

Ik bedoel daarmee het geheel van onderscheidingen en onuitgesproken aannames dat aan de gedachte in kwestie ten grondslag ligt, en alle onderscheidingen en aannames daar weer onder, et cetera, die de context verschaffen waarbinnen de gedachte eerst betekenisvol kan zijn en zonder welke de denotatie letterlijk in de lucht zou hangen.

Bij een bewering is de denotatie het gestelde, de annotatie het veronderstelde. Neem bijvoorbeeld de uitroep ‘Heet hier.’ Zodra je deze zin van slechts twee woorden leest, weet je wat er staat. Je weet wat ‘heet’ betekent en je weet wat ‘hier’ betekent en je weet wat ‘heet hier’ betekent zonder dat iemand het je uit moet leggen. Aan de oppervlakte, denotatief, is er geen vuiltje aan de lucht. Annotatief wel. Want wat is heet? En wat is hier?

Om een en ander uit te leggen, ontkom je er niet aan het lichaam te introduceren. Je moet het over zweten hebben, hijgen, blossen op de wangen, kleding en het verlangen deze uit te trekken, een raam openzetten, een ventilator aanzetten; over warm, lauw, koud en ijskoud, thermometers, het weer, verwarming, temperatuurverschillen en warmteregulatie. En waar is hier? Niet daar. Nu begint je over ruimte, dimensionaliteit, punt, lijn, vlak, lichaam, afstand, richting, boven, onder, links, rechts, achter, voor, relatief, absoluut, stilstand, beweging, spierkracht, arbeid, massa en energie.

En dat is nog maar het begin. Want alle woorden die je hebt gebruikt in je uitleg hebben hun eigen annotatie. Wat is zweten? Nu volgt een verhaal over de huid, over zweetklieren en warmtesensoren en doorbloeding en haarvaten en lichaamsvocht en nieren en vochthuishouding en zoutconcentraties en electrolytenbalans en lichaamstemperatuur en homeostatische regelsystemen. Wat zijn zweetklieren? Wat zijn warmtesensoren? Wat is doorbloeding? Wat zijn haarvaten? Wat is lichaamsvocht? Wat zijn nieren? Enzovoort, enzovoort.

Hoe meer je uitlegt, hoe meer je uit te leggen hebt. Alleen legt niemand ooit wat uit. Niet echt. De annotatie blijft eeuwig impliciet, net zoals de lege ruimte waar we doorheen moeten kijken om verderop iets te kunnen zien.

Dit onbegrensde enzovoort vormt volgens de betekenisleer het impliciete wereldbeeld, het semantische en episodische netwerk, de annotatie die ogenblikkelijk door de denotatie wordt opgeroepen, deze legitimeert en er op haar beurt door gelegitimeerd wordt, waardoor beide vanzelfsprekend schijnen. Zoals een weg direct de auto’s verklaart en de auto’s onmiddellijk de weg.

Maar wat verklaart de weg met de auto’s?

Antimeester

Een antimeester is iemand die de rolverdeling meester-leerling tijdelijk aanvaardt om deze van binnenuit aan de kaak te stellen.

Zijn doel is het meesterschap in het algemeen en zijn eigen gezag in het bijzonder te ondermijnen. En daarmee het leerlingschap in het algemeen en dat van zijn eigen leerlingen in het bijzonder.

Alle meesters in de Agnosereeks zijn antimeesters.

Antwoord

Aanleiding voor nieuwe vragen.

Apatheia en ataraxia

Het stoïsche woord apatheia (Grieks, a, niet + pathè, emotie) betekent letterlijk emotieloos, zonder gevoel zijn.

Hiermee wordt niet zoals met het Nederlandse apathie een ongewenste staat van onverschilligheid, afstomping of lusteloosheid bedoeld, maar een gewenste staat van onbewogenheid, gelatenheid, zorgeloosheid, berusting, kalmte, harmonie en gemoedsrust.

De intellectuele pendant van apatheia is ataraxia (Grieks, a, niet + tarassoo, verwarren, woelig maken), letterlijk een toestand van onverwardheid, helderheid van geest, maar in het oud-Griekse spraakgebruik eveneens een vorm van a-pathische onverstoorbaarheid.

borstbeeld van een man, hij heeft een rode blos en een meeuw poept op zijn hoofd

Filosofie: fatalisme en pyronnisme

Het belangrijkste verschil tussen apatheia en ataraxia is misschien niet de gemoedstoestand die ermee aangeduid wordt, maar de weg ernaartoe.

Apatheia is een term uit het stoïcisme, ataraxia uit het scepticisme, meer in het bijzonder het pyrronisme.

Apatheia bereikt de stoïcijn door het – binnen het volslagen fatalisme van de Stoa – enige juiste oordeel te vellen dat alles op ieder moment precies is zoals het zijn moet, namelijk goed.

Ataraxia bereikt de pyrronist door, als uiterste consequente van zijn onbegrensde scepsis, ieder oordeel voor onbepaalde tijd op te schorten: de zogeheten epoche.

Boeddhisme: nirwana en moksha

Apatheia en ataraxia zijn weliswaar Griekse woorden, maar dat betekent niet dat het streven naar onverstoorbaarheid, als we het zo mogen noemen, typisch Grieks of westers is. Boeddhistische beschrijvingen van nirwana (uitdoving) en moksha (bevrijding van samsara, de cyclus van geboorte, lijden en dood) komen op hetzelfde neer.

Wanneer een boeddhist spreekt van ‘opperste gelukzaligheid’ en ‘volkomen harmonie’ blijkt hij daarmee geen euforie, verrukking, vervoering of extase te bedoelen, die immers van voorbijgaande aard zijn, maar een duurzame staat van aanvaarding, onthechting en innerlijke rust.

Advaita vedanta: de kenner en het gekende

In de advaita vedanta komt het er niet op aan emoties uit te bannen en oordelen op te schorten, zoals in de sceptische, stoïsche en epicuristische filosofieën en in het boeddhisme, maar om ze onaangedaan, als het ware van buitenaf, te ondergaan.

Rustig bezie je zelfs je heftigste emoties, zoals een professioneel acteur zijn toneelspel, want je weet dat jij het onveranderlijke en onvergankelijke Bewustzijn zelf bent, waarin alle verschijnselen maar rimpels zijn, en jijzelf niet een van de verschijnselen daarin.

Het is alsof je je hebt verdubbeld in een waarnemer en een deelnemer, en je in de eerste hebt teruggetrokken; uiterlijke en innerlijke verschijnselen trekken voorbij als wolken aan de hemel zonder deze te verstoren, of als een storm die aan de oppervlakte van de oceaan grote golven opstuwt maar de diepzee onberoerd laat.

Transcendentie of escapisme?

Datgene wat niet verstoord wordt en ook niet verstoorbaar zou zijn – in bovenstaande beeldspraak de hemel, de diepzee – gaat schuil achter vele namen, die afhankelijk van wie je het vraagt al dan niet naar hetzelfde verwijzen, gesteld dat ze ergens naar verwijzen.

Zo spreekt men in het hindoeïsme van atman, brahman of parabrahman, in het non-dualisme van bewustzijn, het kennen, het waarnemen of het beminnen (versus bewustzijnsinhouden, het gekende, het waargenomene en het beminde), in het zenboeddhisme van het ware zelf, de boeddhanatuur, de geest of de zoheid der dingen, in de mystiek van god of de godheid of het ene, in het daoïsme van de dao.

Hierbij gaat het steeds om iets dat het alledaagse transcendeert en principieel niet voor te stellen is, en principieel niet (of slechts incidenteel of slechts onvolkomen of slechts bij toeval of pas na een lange praktijk) te ervaren is – maar van elk ervaren, van elk voorstellen de grond en het wezen zou zijn, ongeveer zoals dingen alleen maar kunnen bestaan in een ruimte die zelf niet als ding aanwezig is.

Transcendentie betekent ontsnappen aan de harde werkelijkheid in een hogere of diepere werkelijkheid. Wie erin gelooft of het ervaren heeft of meent te hebben, spreekt van overstijging, wie er niet in gelooft en het niet ervaren heeft of meent te hebben van escapisme.

Een non-traditie

Het scepticisme, het stoïcisme, het epicurisme, de advaita vedanta, het hindoeïsme, het boeddhisme, het daoïsme en de mystiek – al deze en andere religieuze, spirituele en filosofische tradities schurken bij wijlen tegen agnose aan, en omgekeerd.

Toch moeten we tradities niet proberen te reduceren tot een radicaal niet-weten, en een radicaal niet-weten niet tot een of andere traditie, want daarmee doen we beide tekort.

Immers, in een radicaal niet-weten blijft geen enkel begrip, halfbegrip, niet-begrip of onbegrip overeind.

Geen enkel dualisme, non-dualisme, non-dualistisch dualisme, monisme of nihilisme.

Geen enkele leer, antileer of non-leer.

Geen dharma en geen niet-dharma, geen karma en geen niet-karma, geen dharmakaya, sambhogakaya of nirmanakaya.

Geen idealisme of materialisme, geen activisme of fatalisme, geen moralisme, immoralisme of amoralisme.

Geen weg en geen niet-weg, geen doel en geen niet-doel, geen doen en geen niet-doen, geen bereiken en geen niet-bereiken, geen spreken en geen zwijgen.

Aan een radicaal niet-weten gaat alles te gronde, ook het niet-weten zelf. Hoe zou het dan ooit een traditie kunnen zijn? Hoe zou het ooit onderdeel van een traditie kunnen zijn? Hoe zou een traditie er ooit onderdeel van kunnen zijn?

Non-transcendentie

Voor wie niet weet blijft het transcendente per definitie in nevelen gehuld, gesteld dat er zoiets is als het transcendente, maar ook dat blijft in nevelen gehuld.

Of het moest zijn dat het transcendente zich niet in nevelen hult, maar nevelen ís. Al dan niet dezelfde nevelen waarin degene die niet weet, zelf is gehuld, gesteld dat hij iemand is.

Of het moest zijn dat hijzelf niet in nevelen is gehuld, maar nevelen ís. Al dan niet dezelfde nevelen als die waarin de dingen zijn gehuld, gesteld dat er dingen zijn.

Of het moest zijn dat de dingen zelf niet in nevelen zijn gehuld, maar nevelen zíjn. Al dan niet dezelfde nevelen als die waarin het transcendente is gehuld, gesteld dat er zoiets is als het transcendente, anders dan de nevelen waarin het gehuld zou zijn.

Enzorond.

Kraakhelder en doodeenvoudig

Nevelen of in nevelen gehuld of nevelen in nevelen gehuld of niet, voor mij is alles kraakhelder en doodeenvoudig.

Agnose is tja zeggen het scepticisme en tja zeggen tegen het pyrronisme en tja zeggen tegen het stoïcisme en tja zeggen tegen het non-dualisme en tja zeggen tegen het hindoeïsme en tja zeggen tegen het zenboeddhisme en tja zeggen tegen het daoïsme en tja zeggen tegen de mystiek.

Agnose is tja zeggen tegen het bewustzijn en tja zeggen tegen atman, brahman en parabrahman en tja zeggen tegen het ware zelf, de boeddhanatuur, het absolute, de bron, de zoheid der dingen en tegen iedere andere vorm van transcendentie en intranscendentie en non-transcendentie en ontkenning daarvan.

Agnose is tja zeggen tegen jezelf en tegen niet-zelf, tegen de alledaagse geest en tegen de algeest, tegen subject en object en hun al dan niet vermeende dualiteit, non-dualiteit of identiteit, tegen weten, niet-weten en wetend niet weten, tegen gnosis en agnose, tegen het ja en het nee en het tja, tja, tja.

Kan het simpeler?

De muziek van de stilte

Een saaie bedoening, denk je nu misschien, een triangel is bepaald geen orkest, maar dan vergis je je deerlijk.

Ongelooflijk hoe fijn het is om niet meer te weten, maar dan ook helemaal niet meer. Hoe rustig je ervan wordt, vredig tot in je kern, of vanuit je kern, gesteld dat er zoiets is, en anders maar bij wijze van spreken of zwijgen.

Het hart spint bij iedere streling van het tja.
De ziel golft loom op het ritme van het tja.
Zwaarteloos zweven, wiegen en wuiven.
De muziek van de stilte – daar kan geen band tegenop.

onderwaterfiguur van triangels met wuivend haar
zwaarteloos zweven, wiegen en wuiven

Wie dit apatheia of ataraxia wil noemen, moet het vooral niet laten.

Wie het alles behalve apatheia of ataraxia wil noemen, moet het vooral niet doen.

Ik word er niet warm of koud van.

Apeiron

Apeiron is Grieks voor het onzegbare, datgene wat alleen negatief (apofatisch, zie onder) aangeduid kan worden als noch dit noch dat, te weten het onbepaalde en onbepaalbare, het nog niet of niet langer bepaalde of datgene wat al het bepaalde in zich verenigt maar waarvan men desondanks of juist daardoor zelfs niet kan zeggen dat het bestaat of niet bestaat.

In het algemeen lijkt apeiron te verwijzen naar een of andere grondslag van de alledaagse werkelijkheid, de onvergankelijke bron en bestemming van het vergankelijke.

Reductionisme

Reductionisten uit verschillende tradities hebben één ding met elkaar gemeen: zij willen heel de verontrustende veelheid aan verschijnselen terugvoeren op één onderliggende principe dat zelf niet tot de verschijnselen hoort – liefde, de dao, atman, god. Een fopspeen voor de geest, zo niet de hoogste waarheid.

Helaas is er op het moment van schrijven nog altijd geen consensus bereikt over het onderliggende principe, maar dat is nog slechts een kwestie van tijd, verzekeren universalisten mij stralend.

Sommige claimen zelfs dat het allang zover is, en spannen ongegeneerd alle wijzen en tradities voor hun eenwieler, van Boeddha tot Blavatsky, van Lou de Palingboer tot Anton Heyboer, kijk ze eens kruien, de dode zielen.

Reductionisme is alvast van alle tijden, dus wie weet.

Principia metabletica

Een kleine greep uit een onbeperkt aanbod.

Bij de presocratische filosoof Anaximander is het apeiron de oer, de onuitputtelijke, onvergankelijke en onbegrensde bron van alle dingen, datgene waaruit alles voortkomt en waarin alles terugkeert – de westerse tegenhanger van het hindoeïstische atman of brahman.

Bij Parmenides is het apeiron het zijn zelf, het plenum.

Bij Aristoteles is het apeiron de stof voordat deze vorm of eigenschappen heeft aangenomen.

Bij Pseudo-Dionysius is het apeiron de transcendente ene, de goede oorzaak van alles.

In de mystiek is het apeiron de immanente godheid, het mysterie, het numineuze.

In de advaita vedanta is het apeiron het bewustzijn, de aandacht, het kennen (tegenover het gekende), dat zelf uiteraard onkenbaar is (of beter: kenbaar noch onkenbaar).

In het zenboeddhisme is het apeiron het ware zelf of de boeddhanatuur, bij Immanuel Kant het Ding-an-sich, bij Heidegger het onverborgen zijn (het aletheia).

Bij Cornelis Verhoeven en T. Norretranders is het apeiron de onuitputtelijke werkelijkheid zelf, die zich nooit door het beperkte bewustzijn, nooit in gedachten of woorden laat vangen en altijd tegenover ons blijft staan als het onherleidbare, de niet-identiteit.

grote boom met als blaadjes boeken

Neoreductionisme

Met Verhoeven zijn we middenin de twintigste eeuw beland, middenin het jargon van het postmodernisme, dat in plaats van het apeiron spreekt van het andere, ook wel het onbeslisbare, het ongrijpbare, het ondefinieerbare, het onzegbare, het onuitsprekelijke, het onherleidbare – tegenover zijn tegendeel, het eendere, het beslisbare, het grijpbare et cetera.

Geen enkele tekst, geen enkel begrip, geen enkele gebeurtenis, geen enkel object is volgens de postmodernist (zie onder) ‘restloost te bepalen’. Steeds zijn er nieuwe interpretaties mogelijk en niemand heeft het laatste woord, niet in de wetenschap, niet in de metafysica, niet in de ethiek, niet in de politiek, niet in de hermeneutiek, niet in de religie.

Niemand heeft het laatste woord, claimt het postmodernisme, bij wijze van laatste woord.

Van een apeiron weet ik niets

Niet-weten wordt regelmatig verward met postmodernisme, maar dat is onzin.

Zo neemt de agnost geen enkel standpunt in over bepaalbaarheid en onbepaalbaarheid of over welke postmoderne kwestie ook.

Hij erkent noch ontkent de werkelijkheid, laat staan dat hij deze probeert te scheiden in een kenbaar deel en een onkenbaar deel, of in een werkelijk deel en een illusoir deel, die vervolgens geacht worden in een bepaalde relatie tot elkaar te staan of integendeel samen een ondeelbare eenheid te vormen, al dan niet met inbegrip van het subject.

Zoals een andere prescocraat, Protagoras, het zei: ‘Van de goden weet ik niets: niet dat ze bestaan en evenmin dat ze niet bestaan.’

Van een apeiron weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van een enkelvoudig onderliggend principe is in agnose sprake noch geen sprake.

Is niet-weten dan misschien het apeiron zelf? Hooguit per definitie. Voor dzogchenboeddhisten en voor non-dualisten als Philip Renard, Jan van Delden en Jan van den Oever is niet-weten een ander woord voor het onkenbare kennen dat wij zijn. Voor mij niet. Al was het maar omdat het onkenbare kennen zich nog altijd niet aan mij kenbaar gemaakt heeft.

Omdat het zo prachtig kraakt

Voor mij is niet-weten niet het onbepaalde, opgevat als substantief, als realiteit of als bron, maar het niet bepalen zelf, de spontane, onophoudelijke mentale deconstructie van de mentale constructies die zich al even spontaan en onophoudelijk aandienen en opdringen.

Niet-weten is geen ijsbreker die zich met donderend geweld een weg naar het apeiron baant, maar het breken van het ijs zelf, zonder hoger doel, zonder achterliggend motief, zonder wijsgerige pretentie.

Gewoon, omdat het zo prachtig kraakt.

Apofase, via negativa, neti neti en sunyata

Het zelfstandig naamwoord ‘apofase’ is afgeleid van het Griekse apophasis, ‘ontkenning’, en wordt in onze taal nauwelijks gebruikt. Het bijvoeglijk naamwoord, apofatisch, wel.

‘Apofatisch’ betekent ontkennend, in tegenstelling tot ‘katafatisch’, bevestigend.

Een apofatische manier van spreken of schrijven gebruik je om datgene aan te duiden wat je slechts kunt omschrijven door te zeggen wat het niet is – het onzegbare, het ondenkbare, het onbenoembare, het onuitsprekelijke, het ondefinieerbare, het ongrijpbare.

Apofatische benadering van God

De apofatische benadering van God heet in de mystiek de via negativa (in tegenstelling tot de katafatische benadering of via positiva), en in het hindoeïsme neti neti – niet dit, niet dat. Zo schrijft Pseudo-Dionysius de Areopagiet in een van de beroemdste voorbeelden van de via negativa, het traktaatje Over mystieke theologie, hoofdstuk IV:

En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; en niet op een plaats is; en niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; en ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; en ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; en dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; en niet licht ontbeert; en zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

Apofase in het boeddhisme

In het boeddhisme heeft de apofase de gedaante aangenomen van leegte (Sanskriet: sunyata, Pali: sunnata), niet-zelf (anatman, anatta) en afhankelijk ontstaan (Pratītya-samutpāda, Paticca samuppada). Sommige boeddhisten vatten leegte op als een transcendente werkelijkheid (dé leegte), andere als een eigenschap van de alledaagse werkelijkheid (afhankelijk ontstaan).

Schoolvoorbeelden van apofatische teksten uit het mahayana-boeddhisme zijn de Diamantsoetra en zeventig verzen over de leegte van Nagarjuna:

Vergankelijk bestaat niet, onvergankelijk bestaat niet, niet-zelf bestaat niet, zelf bestaat niet, onzuiverheid bestaat niet, zuiverheid bestaat niet, geluk bestaat niet en lijden bestaat niet. Daarom bestaan er ook geen onjuiste zienswijzen. Derhalve bestaat er geen onwetendheid gebaseerd op onjuiste zienswijzen. Zonder onwetendheid ontstaat er geen karma. Zo ook voor de andere tien oorzaken van het lijden.

(verzen 9 en 10)

Apofase in de filosofie

Ook van een methodiek of een filosofie kun je zeggen dat zij apofatisch is.
Denk maar aan de socratische vraagmethode in de Dialogen van Plato, of aan de postmoderne deconstructie.

Apofase in niet-weten

Apofatisch zijn tevens mijn dwaalteksten, die gewoonlijk bestaan uit een reeks of hiërarchie van ontkenningen of tegenwerpingen. De obstinate apofase van een radicaal niet-weten heeft alleen niet tot doel het ongrijpbare, het onzegbare, het onkenbare aan te duiden, maar de aandacht te vestigen op het niet grijpen, niet zeggen, niet kennen, niet duiden zelf. Dwaalteksten zijn daarvan een demonstratie. Niet-weten is een werkwoord.

Als schrijver ben ik niet geïnteresseerd in het ongrijpbare maar in niet-grijpen; niet in het onzegbare maar in niet-zeggen; niet in het onkenbare maar in niet-kennen; niet in het onduidbare maar in niet-duiden. Daarin zit voor mij de bevrijding; de rest is kosmologie.

Niet apofatisch maar afatisch – met stomheid geslagen

Dwaalteksten verwijzen dus niet naar een of andere onkenbare transcendentie en/of immanentie, zoals het ware zelf of je oorspronkelijke gezicht of het eeuwige heden of het absolute of de leegte of de boeddhanatuur of het numineuze of het mysterie of het ene of de non-dualiteit of de oorspronkelijke geest of de godheid of het bewustzijn of het zijn.

Omdat ik het allemaal niet meer weet, maar dan ook helemaal niet meer, dit ook niet, ben ik niet in staat om zelfs maar één zinvolle uitspraak over deze kwestie te doen, apofatisch, katafatisch of anderszins, of over welke filosofische, religieuze of spirituele kwestie ook. Afatisch is wat ik ben – met stomheid geslagen. Al zou je het soms niet zeggen.

Verder, verder!

Waarnaar verwijzen dwaalteksten wel? Naar zichzelf. Naar datgene wat ze doen en waartoe ze uitnodigen: dwalen. Verdwalen. Ver dwalen. Zo ver als je durft. Steeds een stukje verder.

Weg van alle weten, weg ook van niet-weten. Weg van alle hokjes, hekjes en haakjes. Weg van alle woorden en gedachten, ook deze. Weg van alle bevestigingen en ontkenningen, ook deze.

Voor menig lezer een vieze tegenvaller, voor de schrijver een onuitputtelijke bron van vreugde.

Aporie

Een aporie is een tegenstrijdigheid, een paradox, een onoplosbaar raadsel, meestal van theologische, filosofische, logische, spirituele, of wetenschappelijke aard.

Een voorbeeld van een theologische aporie is de vraag of God machtig genoeg is om zichzelf van zijn almacht te beroven. Zo ja, is hij dan nog machtig genoeg om het ongedaan te maken? Een ander voorbeeld is de vraag wie de Schepper heeft geschapen (wie de Eerste Beweger heeft bewogen, wie de Eerste Oorzaak heeft veroorzaakt).

Een voorbeeld van een filosofische aporie is de vraag of de stof voortkomt uit de geest of de geest uit de stof. Daarmee verwant is de vraag of wij een vrije wil hebben of een speelbal zijn van fysische krachten.

Een voorbeeld van een logische aporie is de zin ‘Deze zin is gelogen.’ Is hij waar dan is hij onwaar, is hij onwaar dan is hij waar. Een voorbeeld van een mathematische aporie is de verzameling van alle elementen die geen lid zijn van een verzameling. Of de onvolledigheidsstelling van Gödel, die bewezen heeft dat de wiskunde niet geaxiomatiseerd kan worden.

Een voorbeeld van een natuurkundige aporie is de dualistische aard van de kleinste bouwstenen van de werkelijkheid, zoals fotonen, die zich soms als golven en soms als deeltjes gedragen. Wat in de klassieke mechanica ondenkbaar is, werd de hoeksteen van de kwantummechanica, een van de meest succesvolle theorieën aller tijden.

Voorbeelden van spirituele aporieën:

Alles loslaten, ook het loslaten.

Meegaan met de stroom, ook als je er tegenin gaat.

Je gedachten niet geloven, deze ook niet.

Het enige wat ik weet is dat ik niets weet.

Zelfs niet weten van niet-weten.

Boeddhisme wijst je de weg uit het boeddhisme.

De hoogste deugd is zonder deugd.

Zoeken tot je het niet-vinden hebt gevonden.

Het denken doorzien door het denken.

Vrede sluiten met je onvrede.

Zoals ik met mijn dwaalteksten duidelijk probeer te maken, is de weg naar verlichting bezaaid met aporieën, waarvan de grootste wel de weg en de verlichting zelf zijn. Want de weg leidt weg van de weg en verlichting is het einde van verlichting. Dat is geen aporie, dat is verlossing.

Gewoonlijk streeft men ernaar aporieën op te lossen of ze te omzeilen door de veronderstellingen die er aanleiding toe gaf te verlaten of te overstijgen. In beide gevallen ziet men de aporieën als een tijdelijk, overwinnelijk kwaad. Deze benadering is heel vruchtbaar gebleken, zowel in de filosofie als in de wiskunde en de wetenschap. Maar het is niet de enige benadering.

Ikzelf zie aporieën als tijdelijk noch overwinnelijk noch kwaad (noch eeuwig noch onoverwinnelijk noch goed). Je verstand houdt je voor dat ze je verscheuren, maar het tegendeel is waar: ze houden je in evenwicht. Het is goed toeven in het oog van de orkaan.

Totdat je probeert te ontsnappen.

Asylum ignorantia

Latijn: asylum, vrijplaats + ignorantia, onkunde.

1. Vlucht uit de wereld in de onnozelheid van niet-weten.

2. Vlucht uit niet-weten in de onnozelheid van de wereld.

Athetisch

Het woord athetisch (Grieks, a-, niet + thesis, het plaatsen, stelling) betekent letterlijk: niet stellend, nietszeggend.

Postmoderne teksten worden – soms pejoratief – athetisch genoemd wanneer ze geen duidelijke stellingname bevatten.

Mijn dwaalteksten bevatten wél duidelijke stellingen, maar die worden nooit opgevoerd om iets te poneren, tenzij als beginpunt van een radicale deconstructie of om voorafgaande stellingen tegen te spreken.

Een dwaaltekst is voor mij geslaagd als je na lezing het gevoel hebt dat er niets onweersproken is gebleven, dat wil zeggen, in de mate waarin hij als geheel athetisch is. Niet omdat het ontstellend spreken naar welke maatstaf dan ook bevoorrecht zou zijn, maar omdat het een natuurgetrouwe – zij het gestileerde en verdichte – uitdrukking is van agnose.

Maken we van het bijvoeglijk naamwoord athetisch een zelfstandig naamwoord, dan ontstaat het woord athese, dat zich misschien nog het beste laat vertalen als de lege stelling, Ø – de enige stelling van de lege leer, Ø.

Autoclasme

Iconoclasme is van alle tijden. Iedere religie lokt zijn eigen tegenbeweging uit, soms zelfs meerdere. Terwijl de oorspronkelijke religie uitdijt, diversifieert, inlijft, politiseert en verwatert, ontstaat vanzelf het verlangen om terug te keren naar de oorsprong, de roep om versobering.

Het orthodoxe christendom inspireerde tot de mystiek, het katholicisme tot de reformatie, het calvinisme en het quakerisme, de islam tot het soefisme, het jodendom tot het chassidisme, het boeddhisme tot zen, het hindoeïsme tot de advaita vedanta en die weer tot neo-advaita.

Inderdaad kun je niet-weten opvatten als het zoveelste iconoclasme, alleen richt het zich niet tegen één specifieke traditie – cultureel, spiritueel, filosofisch, psychologisch, religieus of anderszins – maar tegen alle tegelijk. Of liever, tegen geen van alle, want niet-weten is niet naar buiten gekeerd, maar naar binnen. Het is een autoclasme.

Niet-weten vreet je eigen iconen aan – ideeën, helden, standpunten, theorieën, overtuigingen, idealen – zonder zich om die van de buitenwereld te bekommeren. Totdat het zelfs het onderscheid tussen binnen en buiten vernietigt. Totdat het zelfs het onderscheid tussen weten en niet-weten vernietigt.

Als ten slotte ook het vernietigen zélf ten prooi valt aan deze onverzadigbare veelvraat, is alles gewoon weer bij het oude.

Maar wat was eigenlijk het oude?

En wat is nog gewoon?

Avidya

Vidya betekent in het Sanskriet ‘zien’ – het zien van de transcendente waarheid van advaita.

Door er een a- voor te zetten maak je er het tegenovergestelde van: avidya betekent niet-zien.

Niet-zien betekent hetzelfde als niet-weten.

Avidya is niet-weten.

Beeldmens

Een beeldmens is

1. Iemand die denkt dat de essentie van de mens is te vangen in een mensbeeld.

2. Iemand die in de greep is van zijn denk-beelden – wiens denken verstard is tot vaste beelden; spellingsvariant: beeld-mens

Bewijs

Kan een weetniet wetenschap bedrijven? Een wiskunstenaar wiskunde? Een dwijsgeer wijsbegeerte? Gewetensvragen aan een weteloze.

In de logica is een bewijs een taalspel waarin je vanuit bepaalde premissen (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) in een bepaalde taal (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) volgens de afleidingsregels van een bepaalde logica (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) tot ware uitspraken probeert te komen.

Bewijsvoering is in die zin een taalspel dat het pas gespeeld kan worden wanneer de spelers het eens zijn over de spelregels die oneindige ruzies over oneindige regressies moeten voorkomen. Zodra iemand de geldigheid van de premissen aanvecht is het spel uit. Zodra iemand wil overschakelen op een andere logica is het spel uit. Zodra iemand de taal ter discussie stelt waarvan de bewijsvoering zich bedient (natuurlijke taal, formele taal, procedurele taal) is het spel uit.

‘Waar’ is een gegeven uitspraak alleen voor degenen die het eens zijn over de spelregels en die alle aannames onderschrijven, dat wil zeggen voor degenen die bereid zijn het spel ten volle te spelen – en alleen voor hen. Zo bezien is waarheid een kwestie van conventie, van consensus, van sportiviteit. Waarheid is voor teamspelers en supporters. De rest staat buitenspel.

Het ‘hoogste’ spel wordt gespeeld in de wiskunde en in de exacte wetenschappen. Daarin wordt relatief de meeste aandacht besteed aan het uitschrijven van de primitieven, postulaten en premissen, de gebruikte woorden en symbolen en de logische afleidingsregels. In de alfa-wetenschappen, in de filosofie en in de theologie is eerder sprake van redeneren dan bewijzen, in het openbare debat, in de religieuze praktijk en in het dagelijks leven eerder van overreden dan redeneren. Ook de rede en de retoriek kun je zien als taalspelen, met geheel eigen spelregels.

Wat voor spel is niet-weten? Een spel van niet beweren of althans niet geloven wat je zo nodig schijnt te moeten denken en roepen – dit ook niet. Waar niets beweerd, geloofd of nagestreefd wordt, dit ook niet, valt niets te bewijzen, beredeneren of overreden, ook niet met betrekking tot het bewijzen, beredeneren of overreden zelf.

Niet-weten kent geen vaststellingen, geen doelstellingen, geen winnaars en geen verliezers. Het werpt balletjes op en het slaat balletjes weg. Het ene na het andere, nu dit balletje weer. Een minichoreografie, een ballètje. Meer heeft het niet om het lijf, zei de keizer zonder rijk of kijk. Niet-weten, dat is kinderspel.

Wat natuurlijk niet betekent dat een agnost geen wiskunde, wetenschap, filosofie enzovoort kan bedrijven. Hoe had ik anders dit lemma kunnen schrijven? Het betekent alleen maar dat hij de resultaten daarvan niet ziet als onomstotelijk bewezen, niet als relatief waar binnen het taalspel dat bewijsvoering, rede of retoriek heet en ook niet op een andere onveranderlijke, vooringenomen wijze.

Hij bekijkt de resultaten niet vanuit een ivoren toren of een onneembaar fort, maar vanuit steeds wisselende standpunten, zeg maar gerust verdwijnpunten – monistische, dualistische, non-dualistische, pluralistische, nihilistische en noem maar op, net hoe de wind waait, de steen rolt, de pet staat, de vlag erbij hangt, of de onderjurk. Geen van de ontelbare gezichtspunten in de eindeloze ruimte houdt hij voor absoluut waar of onwaar, geldig of ongeldig, canoniek of aprocrief, subjectief of objectief, palliatief of curatief, exclusief of inclusief, tentatief, definitief of aperitief.

Dit gezichtspunt ook niet.

Hij bekijkt de resultaten niet vanuit een ivoren toren of een onneembaar fort, maar vanuit steeds wisselende standpunten.

Categoriefout

We spreken van een categoriefout als iemand een idee, zoals ‘universiteit’, aanziet voor een ding, zoals een universiteitsgebouw, of vice versa, met alle problemen van dien. Zo kun je je aan een universiteitsgebouw niet inschrijven, aan een universiteit wel, en kun je de universiteit niet schilderen, een universiteitsgebouw wel.

Volgens de Britse filosoof Gilbert Ryle berust het idee van de geest, en daarmee het hele cartesiaanse dualisme, op een simpele categoriefout. De geest is een wijze van spreken, geen wezen, ding of substantie.

Ryle staat in de traditie van de analytische wijsbegeerte uit de vorige eeuw die zich erop heeft toegelegd alle filosofische vraagstukken te herleiden tot categoriefouten. Dat is volgens deze stroming ook de enige taak van de filosofie: laten zien hoe het dagelijks taalgebruik voortdurend ontspoort in eternalistisch denken. De analytische wijsbegeerte is een reïncarnatie van het middeleeuwse nominalisme.

Personificatie is ook een veelgemaakte categoriefout waarbij een idee of ding of dier wordt aangezien voor een mens en menselijke gevoelens, gedachten en eigenschappen toegedicht krijgt. Hiermee verwant is reïficatie, waarbij een idee wordt aangezien voor een realiteit, en deïficatie, waarbij een mens of dier wordt aangezien voor een God.

Ook niet-weten wordt regelmatig gereïficeerd tot, bijvoorbeeld, een onkenbare immanentie of transcendentie zoals kracht, energie, ether, bewustzijn, god of liefde, een bron, een werkelijkheid, een wet, een principe of het Zelf in de hoedanigheid van de onkenbare kenner van het gekende alias het Bewustzijn.

Voor mij is niet weten niet de ontkenning van een dergelijke grootheid per se als wel de ontkenning dat het dat zelf zou zijn of er toegang toe zou hebben of geven.

Conditio tacita

In de argumentatieleer onderscheidt men de noodzakelijke voorwaarde, of conditio sine qua non, van de vanzelfsprekende, impliciete voorwaarde, de conditio tacita.

In het dagelijks leven maken we dit onderscheid niet. Kenmerkend voor het normale denken is nu juist dat zelfs noodzakelijke, non-triviale voorwaarden zich manifesteren als vanzelfsprekende.

Sterker nog, de mogelijkheidsvoorwaarden manifesteren zich doorgaans helemaal niet. Ik geloof mijn gedachten in eerste instantie onvoorwaardelijk, zonder enig voorbehoud en zonder stil te staan bij de mogelijkheid van enig voorbehoud.

Dat is wat het woord vanzelfsprekend betekent: stilzwijgend. Ongedacht en onbesproken blijvend. Tacita.

Uit het niets

Gedachten en gevoelens hebben de merkwaardige eigenschap hun eigen mogelijkheidsvoorwaarden te realiseren en zichzelf op die manier waar te maken, zo komt het mij soms voor.

Mijn schuldgevoel bijvoorbeeld verschijnt altijd en uitsluitend in een wereld waarin mijn wilsvrijheid niet ter discussie staat.

Voor zover ik introspectief kan nagaan is die wereld er niet op voorhand. Hij ontstaat – en vergaat – samen met, als context van, het schuldgevoel in kwestie. Ik krijg hem er gratis bij, ex nihilo, niet in de vorm van een uitgesproken vraagteken dat uitnodigt tot nader onderzoek, maar in de vorm van een ongevraagd uitroepteken dat alle twijfel in de kiem smoort.

Ga maar na. Volg een gedachte maar eens op de voet. Lijkt het verdorie niet net of de benodigde werkelijkheid door de gedachte zelf wordt meegeleverd? Alsof hij zijn eigen mise-en-scène schept, uit het niets een wereld tevoorschijn tovert waarin de en het gedachte eventjes kan bestaan alsof het nooit anders is geweest?

Die wereld verschijnt en verdwijnt samen met de gedachte zelf, en toch lijkt die wereld voor zolang als het duurt – voor zo kort als het duurt – tijdloos, constant, absoluut en onbetwijfelbaar.

Als deze beschrijving klopt, zijn gedachten kosmogeenwereldwekkend.

Ze maken zichzelf waar door stiekempjes een wegwerpwereld op te roepen waarin aan al hun bestaansvoorwaarden voldaan is.

Ze zijn zwanger van de wereld die ze waarmaakt, pregnant.

Je kunt het ook zo zeggen: de wereld die de gedachte waarmaakt is zelfrijzend.

Uitgesproken

Het idee van de zelfvoorzienende gedachte doet denken aan het dier dat zijn biotoop niet aantreft maar creëert, zoals de bever de beverdam, de termiet de termietenheuvel, de mens de stad.

Het succesvolle dier schept de wereld waarin het zich thuis voelt, en de succesvolle gedachte schept de wereld waarin zij waar is.

Is dit waar? Zijn gedachten inderdaad constitutief, wereldwekkend?

Zo ja, dan geldt het ook voor deze gedachten en weten we nog niets.

Zo nee, dan weten we nog steeds niets.

In beide gevallen zijn we geen steek opgeschoten, alle moeilijke woorden ten spijt.

Maar in ieder geval heb ik ze uitgesproken.

Cynisme

Cynisme is de overtuiging dat je niets en niemand kunt vertrouwen, mensen niet en instituten niet. Het mateloze wantrouwen van de cynicus komt tot uitdrukking in spot, sarcasme en negativiteit.

Cynisme is het tegenovergestelde van naïviteit en goedgelovigheid, een onvoorwaardelijk vertrouwen in mensen en instituten.

Een agnost gelooft niet dat je niets en niemand kunt vertrouwen, ook niet dat je alles en iedereen kan vertrouwen. Niet-weten is geen cynisme en geen naïviteit.

Weliswaar is er ook in agnose sprake van Groot Wantrouwen, maar dan jegens je eigen gedachten, welke dan ook, inclusief de cynische en de naïeve.

Deconstructie

Deconstructie is tussen de regels door lezen.

Daarbij gaat de aandacht van de lezer niet zoals gewoonlijk uit naar de manifeste inhoud van de tekst, maar naar de impliciete aannames en tegenstrijdigheden ervan.

Door deze bloot te leggen verliest de tekst onmiddellijk zijn vanzelfsprekendheid en zijn eenduidigheid.

De term deconstructie en de leesmethode die ermee aangeduid wordt, zijn bedacht door de Franse filosoof Jacques Derrida.

Het denken doorzien

Voor mij verwijst de term ‘deconstructie’ niet naar een leesmethode en ook niet naar een denkmethode, maar naar een spontaan, zelfbewust denken dat zich niet meer in de luren laat leggen door de manifeste inhoud van zijn gedachten.

Een deconstructieve geest als de mijne houdt de aandacht voortdurend gericht op wat normaliter impliciet blijft en gedachten hun suggestieve kracht, hun meedogenloze macht verleent.

Ik heb het over de talloze aannames en onderscheidingen die aan iedere gedachte ten grondslag liggen.

Ik heb het over de zelfbeelden, mensbeelden, wereldbeelden, godsbeelden en ideaalbeelden die in iedere gedachte vervat liggen.

Ik heb het over de innerlijke tegenspraken die in iedere gedachte verstopt zitten.

Kortom, ik heb het over de hele mentale onderbouw die, zo blijkt telkens weer, het heldere licht van de weetnietgeest niet kan velen.

Dat geldt ook voor deze gedachten.

Oneindige regressie

Deconstructie betekent voor mij: het afgraven van de ongrond waarop gedachten berusten – of het begraven van gedachten in hun eigen ongrond.

Omdat onder onderstellingen andere onderstellingen schuil gaan en onder onderscheidingen andere onderscheidingen, is deconstructie nooit volledig. Een eerste aanzet is daarom niet minder compleet dan een ver doorgevoerde analyse.

In de meeste gevallen komt het bij mij helemaal niet meer tot een inhoudelijke deconstructie en haal ik alleen maar mijn schouders op over mijn gedachten – en dan nog alleen maar bij wijze van spreken.

Dat geldt ook voor deze gedachten.

Een tekst waarin een bepaalde gedachte stapsgewijs gedeconstrueerd wordt, noem ik een dwaaltekst.

Definiëren

Definiëren is één onbekend woord vervangen door tien.

Deïficatie

Deïficatie is de heiliging of vergoddelijking van een aardling, dikwijls post-mortem, die daardoor meer allure krijgt en voor de navolgers meer navolgenswaardig wordt dan zomaar een mens.

Zo geloven veel hedendaagse boeddhisten dat de historische figuur Siddharta Gautama een god is.

De meeste christenen geloven dat de historische figuur Jezus Christus de zoon van God is en samen met de Vader en de Heilige Geest een goddelijke drie-eenheid vormt.

Taoïsten zijn een paar eeuwen na het overlijden van Laozi, de vermeende schrijver van de Daodejing, gaan geloven dat deze van goddelijk oorsprong is.

Een agnost erkent noch ontkent de goddelijke natuur van wie of wat dan ook, en maakt zich er verder niet druk over. Hij weet alleen maar niet.

Denk-beeld

Een denk-beeld is een verstard denkbeeld dat voor werkelijk wordt gehouden.

Een verstard wereldbeeld heet een wereld-beeld, een verstard mensbeeld een mens-beeld, een verstard zelfbeeld een zelf-beeld, een verstard wensbeeld een wens-beeld, een verstard ideaalbeeld een ideaal-beeld, een verstard schrikbeeld een schrik-beeld et cetera.

Wie denk-beelden heeft wordt een beeldendienaar. Zijn meesters zijn beelden, hijzelf is hun dienaar.

Ook ‘denk-beeld' is maar een denkbeeld; laat het maar geen denk-beeld worden.

Dialectiek

Dialectiek is het denken van these (stelling) via antithese (tegenstelling) naar synthese (samenstelling), waarna de laatste weer als these voor de volgende rondgang dient.

Een opwaartse spiraal naar de absolute waarheid

Dialectiek leidt volgens liefhebbers in een stijgende spiraal van het bijzondere naar het algemene, van het relatieve naar het absolute, van het meervoudige naar het enkelvoudige, van het tegenstrijdige naar het harmonieuze. Het zou een progressieve denkwijze zijn, die alleen maar kan eindigen in de hoogste waarheid.

Dat een en dezelfde methode in de loop der tijd tot steeds andere, dikwijls onverenigbare hoogste waarheden leidde, heeft het vertrouwen erin nauwelijks geschaad. In elk geval niet in filosofische, religieuze en spirituele kringen.

Een neerwaartse spiraal naar niemandsland

In niet weten is het denken eerder regressief of digressief dan progressief.
De agnost denkt eerder achterwaarts of zijwaarts dan voorwaarts.
Het dwijze denken leidt van het algemene naar het singuliere.
Van stelling naar onderstelling of nevenstelling.
Van het enkelvoudige naar het meervoudige.
Van werkelijkheid naar mogelijkheid.
Van het hogere naar het lagere.
Van conclusie naar premisse.
Van synthese naar paradox.
Van zekerheid naar twijfel.
Van antwoord naar vraag.
Van orde naar chaos.

Dissensus

Dissensus is het tegenovergestelde van consensus: onenigheid, tegenspraak, verschil van mening.

Volgens Lyotard moet het postmoderne weten opgevat worden als een taalspel waarin je niet de waarheid najaagt, zoals de filosofen van weleer, maar slechts het verslaan van de tegenspreker.

Streefde het modernisme naar consensus in de vorm van grote verhalen met een algemene geldigheid, het postmodernisme (zie onder) streeft juist naar dissensus in de vorm van zoveel mogelijk kleine verhalen die alleen maar een lokale geldigheid hebben.

Niet aflatende onenigheid

Dwaalgesprekken – deze website staat er vol mee – zijn taalspelen waarin de spelers het niet eens zijn over de spelregels. De een streeft naar consensus, de ander naar dissensus.

Dwaalgesprekken zijn een bijzonder geval van dwaalteksten, die er ongeacht hun vorm naar streven zichzelf tegen te spreken.

Niet weten is een radicale, niet aflatende dissensus waarin de agnost ieder weten tegenspreekt, of het nou zijn eigen gedachten betreft of die van anderen.

Dissensus met jezelf

Zelf heb ik geen bijzondere voorkeur voor dissensus. Ik streef er in ieder geval niet naar. Voor zover ik kan nagaan streef ik in mijn denkerij en schrijverij helemaal nergens naar, ook niet naar niet-streven.

Hoogstens constateer ik een zekere hang naar dissensus. Dissensus met mezelf. Ik ben het er dan ook niet mee eens dat dwaalgesprekken taalspelen zijn waarin de spelers het niet eens zijn over de spelregels.

Ik ben het er ook niet mee eens dat niet-weten een radicale, niet aflatende dissensus is waarin de agnost ieder weten tegenspreekt, of het nou zijn eigen gedachten betreft of die van anderen.

Weg met die gedachten, en weg ook met deze en de volgende.

Dogma

Een dogma is een vastomlijnd, aan geen redenering meer onderworpen geloofsartikel.

Dogmatisch betekent geen tegenspraak duldend.

Dogmatisme is het vooropstellen van en vasthouden aan dogma’s.

Aldus Van Dale.

Geloofsartikelen over geloofsartikelen

Verstopt in deze definities van Van Dale zit een typisch westers verlichtingsideaal. Ik doel op het geloofsartikel dat er ook niet-dogmatische kennis mogelijk is, bijvoorbeeld wetenschappelijke. Deze zou zich hierin van dogmatische kennis onderscheiden dat zij voor rede vatbaar is.

Verstopt in dit ideaal – het lijkt wel een matroesjka – zitten nog eens drie dogma’s, namelijk 1. het geloofsartikel dat gefundeerde kennis mogelijk is, en 2. Het geloofsartikel dat de rede het instrument bij uitstek is om de fundering te leggen, en 3. Het geloofsartikel dat er zoiets is als de rede, hetzij in de vorm van een verstandelijk vermogen tot logisch redeneren, hetzij in de vorm van een entiteit, logica geheten die deel uitmaakt van het bestaande.

In het midden laten

Of dat allemaal waar is laat ik graag in het midden. Agnose is nou eenmaal de weg van het midden.

Niet in de zin van de gulden middenweg, waarbij je de uitersten vermijdt, maar in de zin van in het midden laten: definitieve uitspraken vermijden.

Niet uit principe, maar uit vermoeidheid – omdat er in het denken van de agnost nog nooit een definitieve uitspraak overeind gebleven is.

Ook voor deze uitspraak vrees ik het ergste.

De pretentie iets of niets te (kunnen) weten

Zelf gebruik ik het woord dogma in ruimere zin voor iedere pretentie iets of juist niets te (kunnen) weten, in concreto voor iedere uitspraak die niet expliciet wordt tegengesproken door de geschreven tekst waarvan hij deel uitmaakt of door degene die hem zojuist heeft uitgesproken.

Agnose is niet dogmatisch, maar ook niet anti-dogmatisch. Dat kan ook helemaal niet, want een leerstuk over de onwenselijkheid van dogma’s zou gewoon het volgende dogma zijn. Ik zou tenminste niet weten op welke gronden ik het moest verdedigen.

Als je per se iets wilt zeggen over niet-weten, kun je het adogmatisch noemen, dat wil zeggen, zonder dogma’s. Opnieuw niet uit principe maar simpelweg als constatering hier en nu – als iets dat je als een wetenschapper, of liever, als nietwetenschapper, ik bedoel, als onderzoeker van je eigen weten, steeds opnieuw bij jezelf zult moeten vaststellen.

Want niet-weten heb je nooit; je constateert het, steeds opnieuw.

Dummy

In het dagelijks spraakgebruik is een dummy iemand die nog niet weet, die iets nog moet leren; of een boek zonder woorden waar je zelf in kunt schrijven of tekenen.

In de weetnietkunde is een dummy iemand die niet meer weet, een agnost dus; of een grappige naam voor het lege boek, dat symbool staat voor de lege leer, dat op haar beurt een metafoor is voor niet-weten.

Dwaalgast

Een dwaalgast is:

1. Iemand die meent dat hij de weg kwijt is omdat hij meent dat er een weg is – een zoeker dus;

2. Iemand die het niet meer weet en niet meer hoeft te weten – een agnost dus;

3. Een schrijver van dwaalteksten – ik dus;

4. Een lezer van dwaalteksten – jij dus.

Dwaalgeest

Een dwaalgeest is een mentale nomade – een zwerver, vrij en blij, zoals het in de Zhuangzi heet.

Verstandelijk is hij nergens aan gebonden.

Geen enkel gedachtegoed kan hij het zijne noemen, ieder uitgangspunt blijkt een vertrekpunt voor een volgende zwerftocht.

Een dwaalgeest is altijd in beweging.

Synoniemen: aikidogeest, weetnietgeest, zengeest

Dwaalgesprek

Een dwaalgesprek in enge zin is een dwaaltekst in de vorm van een geschreven dialoog. Net als iedere dwaaltekst beschrijft en/of demonstreert het dwaalgesprek een niet-wetend denken.

Zo’n dialoog is geen letterlijke weergave van hoe een weetniet denkt, maar een abstractie en verdichting daarvan vanuit agnostisch oogpunt. Het stellende, katafatische blijft onderbelicht en het ontstellende, apofatische ervan wordt uitvergroot. NietWeten.nl c.q. de Agnosereeks staat vol van dit soort dwaalgesprekken. Bij mijn weten is er niemand die letterlijk zo praat of denkt, ik ook niet – en gelukkig maar.

In ruimere zin is een dwaalgesprek een gedachtewisseling zonder agenda, zonder heilige huisjes en zonder grenzen. Het is een spreken zonder spreken waarin alle gedachten en gevoelens die langskomen vrijelijk gedeeld en van alle kanten bekeken worden. Telkens weer, keer op keer, tot alle botten en graten eruit zijn en je er dwars doorheen kijkt.

Een dergelijk gesprek heeft geen begin en geen einde, en gaat nergens heen. Het is niet te beschrijven, niet te reproduceren en voor niemand interessant, behalve voor de deelnemers. Dit is het dwaalgesprek in zijn oorspronkelijke ruwe vorm, met alles erop en eraan.

De innerlijke monoloog van een weetniet is een dwaalgesprek voor één persoon.

Dwaalgids

Een dwaalgids is iemand die voorgoed de weg kwijt is en daarvan getuigenis aflegt.

Zozeer is hij de weg kwijt dat hij niet eens meer weet of hij wel op weg was, of dat hij wás, of ís, of wat ‘voorgoed’ betekent, laat staan dat hij zichzelf ziet als iemand die voorgoed de weg kwijt is en daarvan getuigenis aflegt.

Legt hij toch getuigenis af, dan eerder ter vermaeck dan ter leering, want wat valt er te leren aan een lege leer? Aan de andere kant, wat valt eraan te lachen?

Natuurlijk staat het iedereen vrij om een voorbeeld te nemen aan een dwaalgids of aan iemand die zich daarvoor uitgeeft, maar vroeger of later zul je deze kwesties onder ogen moeten zien: waarvan is de dwaalgids een voorbeeld? Waarheen wijst zijn vinger, en wijst hij eigenlijk wel?

Tegen de tijd dat al je antwoorden in rook zijn opgegaan, en je vragen erbij, ben je hard op weg een voorbeeld te nemen aan je dwaalgids – maar dan hoeft het al niet meer.

Dwaalleer

De lege leer is de enige leer die géén eind probeert te maken aan onze onwetendheid.

Hij mag dan ook met recht een dwaalleer heten.

Niet in de klassieke zin van een leer die de verkeerde kant op wijst, maar in de postmoderne zin van een leer die helemaal niet wijst – niet de verkeerde kant op en niet de goede.

Een leer die zelfs het niet-wijzen niet tot norm verheft.

Een leer zonder leer.

Een ‘leer’.

Dwaallicht

Onder ‘dwaallicht’ versta ik het licht van niet-weten, dat alleen in overdrachtelijke zin licht is.

Dwaallicht is alleen zichtbaar voor degene die zelf verduisterd is.

Dwaalmeester

Het woord ‘meester’ verwijst in de Agnosereeks niet zoals gebruikelijk naar een goeroe, een mystagoog, een wijze, een wetende, iemand die de waarheid al weet of heeft of leeft, maar naar iemand die niet weet.

Mijn meesters zijn stuk voor stuk anti-helden, gevallenen – dwaalmeesters. Weetnietmeesters. Lege meesters. Meesters zonder lering. Meesters zonder leerling. Meesters zonder meesterschap. Non-meesters. Niet-meesters. Antimeesters – hoe je ze maar noemen wilt.

Dat ze geen meester in de gewone zin van het woord zijn kun je zien aan hun namen. Als ze al niet anoniem blijven, heten ze bijvoorbeeld Meester Ach, Meester Af, Meester Baibai, Meester Bijl, Meester Bijster, Meester Blabla, Meester Blanco, Meester Boei’en, Meester Bot, Meester Bè, Meester Dement, Meester Doeniet, Meester Dromer, Meester Eh, Meester Foe-Tsie, Meester Foei, Meester Foetsie, Meester Haha, Meester Hak, Meester Hans, Meester Hilarius, Meester Hè, Meester Ik, Meester Kanniet, Meester Kwenie, Meester Leerling, Meester Lijk, Meester Loos, Meester Makkie, Meester Maya, Meester Minder, Meester Mouche, Meester Nebbisj, Meester Niet, Meester Nietes, Meester O, Meester Oei, Meester Paf, Meester Quatsch, Meester Quenius, Meester Rara, Meester Schaap, Meester Schap, Meester Sof, Meester Soit, Meester Spoorloos, Meester Spoorniet, Meester Sst, Meester Sst alias de Meesster, Meester Stuk, Meester Tia, Meester Tja, Meester Wablief, Meester Weetniet, Meester Werkeloos, Meester Wie?, Meester Ziemaar, Meester Zomaar, Meester Zot of Meester Zuetsu.

Dwaalmeesters dragen geen kennis of wijsheid over, maar ondermijnen het denken, of liever, het heilige geloof in het denken en het heilige gelijk van de denker.

Het woord ‘leerling’ verwijst in de Agnosereeks niet zoals gebruikelijk naar een zoeker, iemand die de waarheid nog niet weet of heeft of leeft, maar naar iemand die weet of meent te weten: een gids, een leraar, een raadgever, een coach, iemand die het allemaal wel doorheeft en anderen graag in zijn oneindige wijsheid laat delen.

Leerlingen blijven over het algemeen naamloos’. Er is geen reden om ze voor paal te zetten, dat kunnen ze heel goed zelf.

Dwaaltaal

Onder dwaaltaal versta ik:

1. Het woordveld van samenstellingen die beginnen met ‘dwaal-’ (zoals dwaaltaal, dwaaltekst, dwaalgeest, dwaalspreuk…).

2. Het jargon van de weetnietkunde (zoals beschreven in dit Idioticon).

3. Het eigen(aardige) taalgebruik van de dwaalgeest – vol tegenstrijdigheden om een tegenstrijdig heden (z)onder woorden te kunnen brengen (zoals in deze zin).

Synoniem van 2 en 3: stameltaal.

Dwaaltekst

Een dwaaltekst is een tekst die niet-weten tot uitdrukking brengt – een gesproken of geschreven demonstratie van niet-weten.

Een dwaaltekst, dat is agnose in actie.

Alle teksten op NietWeten.nl en in de Agnosereeks zijn dwaalteksten.

Tegen de stroom in bewegen dwaalteksten zich: van de oplossing naar het probleem, van het antwoord naar de vraag, van de conclusie naar de premissen, van de stelling naar de onderstellingen, van begrip naar onbegrip, van zekerheid naar twijfel, van helderheid naar troebelheid, van vasthouden naar loslaten, van weten naar niet-weten – en daar dan weer voorbij.

Een dwaaltekst in de vorm van een woord of uitdrukking (‘wetend niet-weten’) heet een dwaalwoord.

Een dwaaltekst in de vorm van een sententie (‘De Grote Weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is’) heet een dwaalspreuk.

Een dwaaltekst in de vorm van een dialoog, interview of correspondentie heet een dwaalgesprek.

Andere woorden voor dwaaltekst zijn raadseltekst, weetniettekst, asofisme, tekSst, eh-tje, deconstructie, deconSstructie, ontekst, wantekst, kraaktekst en dooddenker.

de orde van een dwaaltekst

Beschouw de volgende reeks van dwaalzinnen:

1. Ik weet niets.

2. Ik weet niets, en dat ook niet.

3. Ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet.

4. Ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet, en dat ook niet…

Een dwaaltekst van de eerste orde (1) ontkracht een gangbaar of voorafgaand denkbeeld, maar niet met zoveel woorden zichzelf.

Een dwaaltekst van de tweede orde (2) herroept tevens zichzelf (en heeft daardoor altijd de vorm van een paradox).

Een dwaaltekst van de derde orde (3) herroept tevens het herroepen.

Een dwaaltekst van de hoogste orde (4) herroept zichzelf en iedere herroeping van zichzelf.

Vreemd genoeg drukken dwaalteksten van de hoogste orde nog steeds een weten uit, al is het maar een weten van niet-weten. Daar is niets aan te doen, want een oneindige ontkenning is nog steeds een bewering.

Dwaalteksten reiken naar niet-weten maar bereiken het nooit, net zoals de wiskundige reeks 1, 1/2, 1/4, 1/8… naar de limiet 0 reikt, maar deze nooit bereikt.

Zwijgen is weliswaar geen beweren, maar ook geen herroepen, dus ook geen effectieve uiting van niet-weten. Positief geformuleerd: niets zeggen is een dwaaltekst van de laagste orde.

Dwaaltuin

De leidende metafoor van deze website, NietWeten.nl, is die van de dwaaltuin – een doolhof van hagen waarin je eeuwig kan zoeken zonder iets te vinden, als ik mijn werk tenminste goed heb gedaan, en dat heb ik niet, want menigeen blijkt er toch weer het zijne in te vinden.

Paaseieren die hij er zelf heeft verstopt, of wegwerpwijsheden van mijn hand waarmee ik iets anders weerspreek, maar die ik op hun beurt niet weersproken heb omdat je nou eenmaal niet aan de gang kunt blijven.

Dwaaltuin is ook een metafoor voor de wereld waarin de dwijze niet alleen de weg kwijt is, maar ook zichzelf, en daarmee zijn wereld, om nog maar te zwijgen over het kwijt zijn, dat is hij ook kwijt, en daarmee het zoeken, en daarmee het vinden, want hij mag dan misschien het hoofd hebben verloren, maar om nou te zeggen dat hij een dwaaltuin heeft gevonden?

Dwaasbegeerte

Onder dwaasbegeerte versta ik het verlangen om los te laten, om je niet langer voor te hoeven doen als iemand die het allemaal wel doorheeft, de impuls om eens gek te doen.

Een dwaasgeer is dan een dwaasgerig mens met een grote dwaasbegeerte.

Dwijs

Wetend noemen we degene die in de ban is van standpunten,
overtuigingen, begrippen, theorieën, veronderstellingen, normen,
waarden en andersoortige gedachten.

Zijn we het met hem eens dan noemen we hem wijs.

Zijn we het met het niet met hem eens dan noemen we hem dwaas.

Niet-wetend noemen we degene die niet in de ban is van standpunten, overtuigingen, begrippen, theorieën, veronderstellingen, normen, waarden en andersoortige gedachten.

Dus ook niet van de gedachte dat hij niet in de ban is van zijn gedachten.

Ook niet van de gedachte dat je je aan de ban van je gedachten zou kunnen onttrekken.

Ook niet van de gedachte dat je je niet aan de ban van je gedachten zou kunnen onttrekken.

Ook niet van de gedachte dat er een hij is die ergens al dan niet van in de ban zou kunnen zijn, of zich daaraan al dan niet zou kunnen onttrekken.

Ook niet van de gedachte dat er geen hij is die ergens al dan niet van in de ban zou kunnen zijn, of zich daaraan al dan niet zou kunnen onttrekken.

Daar de weetniet geen enkele gedachte bevestigt of ontkent, deze ook niet, kunnen we het ook niet met hem eens of oneens zijn, en kunnen we hem ook niet wijs of dwaas noemen.

Daarom noem ik hem maar dwijs.

Zijn wijsheid-noch-dwaasheid heet dan dwijsheid.

Hijzelf is een dwijze of een dwijsneus of een dwijsgeer, die dwijselijk zijn gang gaat.

Dwijsbegeerte

Zoals wijsbegeerte gedefinieerd kan worden als het construeren van onderscheidingen, met name de allerhoogste, zo kunnen we dwijsbegeerte definiëren als het deconstrueren van onderscheidingen, met name de allerhoogste.

Onderscheidingen zoals: vrijheid - gebondenheid, macht - overmacht, hemel - aarde, eenheid - veelheid, vorm - leegte, het eendere - het andere, eenheid - tweeheid - veelheid, ik - gij, heilig - profaan, hoger - lager, afgescheiden - verbonden, immanent - transcendent, subject - object, buitenwereld - binnenwereld, geest - lichaam, teken - betekende, absoluut - relatief, verlicht - onverlicht, lijden - vreugde, waarheid - leugen, echt - vals, spontaan - berekenend, weg - doel, leven - dood, geboren - ongeboren, vergankelijk - onvergankelijk, in de tijd - buiten de tijd, bestaand - onbestaand, reëel - illusoir, gegrond - grondeloos, weten - niet-weten, dualiteit - non-dualiteit, constructie - deconstructie, verlicht - onverlicht, wijsheid - dwaasheid, en niet te vergeten wijsbegeerte - dwijsbegeerte.

Systematische deconstructie heeft bij mij helaas niet geleid tot ‘realisatie van non-dualiteit’ of tot een ‘hoger inzicht’ in de ‘transcendente eenheid van schijnbare tegenstellingen’, zoals ik pas weer ergens mocht lezen, maar gewoon tot een toestand van – ja, wat? Kalme verbijstering.

En mag het wel een toestand heten als je niet voortdurend kalm bent en niet voortdurend verbijsterd en niet voortdurend je?

Eerste oorzaak

Wie op zoek gaat naar filosofische, wetenschappelijke, religieuze of spirituele waarheid loopt vroeger of later vanzelf tegen het probleem van de eerste oorzaak op. Dit probleem is in de westerse filosofie al bekend sinds Aristoteles (384-322 v. Chr.) onderzoek deed naar causaliteit.

Stel dat je wilt weten wat de oorzaak is van een zaak (gebeurtenis, verschijnsel, toestand), A, en je vindt een andere zaak, B, die A heeft veroorzaakt, dan dient zich al gauw de vraag aan naar de oorzaak C van B, gevolgd door de oorzaak D van C et cetera. Ziedaar in een notendop wat bekend is geworden als het regressieprobleem.

In de godsdiensten doet zich ook zo’n probleem voor. God heeft alles gemaakt, maar wie heeft God gemaakt? God heeft alles in beweging gezet, maar wie heeft God in beweging gezet? God heeft alles veroorzaakt, maar wat heeft God veroorzaakt?

Het antwoord luidt gewoonlijk dat God de ongeschapen Schepper is, de onbewogen Beweger, de eerste Oorzaak. Dankzij deze gedachtesprong voorkomt de theoloog een oneindige regressie van steeds machtiger goden die geen begin heeft en dus geen benoembare of aanwijsbare almachtige kent. Dat is voor iedereen (behalve misschien een mysticus-mathematicus als Pythagoras) onverteerbaar, want wie van deze reeks moeten we in godsnaam aanbidden?

Een variatie op het antwoord dat God zelf de eerste oorzaak en ongeschapen schepper is, vinden we bij de filosoof-mysticus Spinoza (1632-1677). Die stelde dat God het geheel is, niets uitgezonderd, en dat het geheel zijn eigen oorzaak is en wel moet zijn ook, want als er iets buiten het geheel was dat het schiep, in beweging zette of veroorzaakte (of dat nog steeds doet) dan was het geheel niet het geheel.

Dat lost meteen een tweede, voorwaartse regressie op, of moet ik zeggen progressie, namelijk de teleologische: wat is het doel van dit alles (het bestaan, het leven, de wereld, de kosmos), wat is het doel van dat doel enzovoort? Net zoals het geheel alleen zichzelf als oorzaak heeft en kan hebben, kan het geheel alleen zichzelf ten doel hebben, wat dat ook moge betekenen. Zou het iets anders ten doel hebben, iets buiten zichzelf, dan was het geheel immers niet langer het geheel.

Zo is de leer van Spinoza oorzakelijkheidsleer en bestemmingsleer ineen, alfa en omega, geboorte en dood, begin en einde.

Veel volwassenen nemen genoegen met dit soort antwoorden, anderen niet. Ik behoor tot de laatsten.

Nooit ben ik een oplossing van het regressieprobleem tegengekomen die mij bevredigde, en ik heb er zelf ook geen kunnen verzinnen.

Is er eigenlijk wel een probleem of is het een artefact van de dualistische termen waarin het probleem zelf is gesteld?

Ik heb geen idee, en dat is voor mij de oplossing.

Wat is voor mij de oplossing?

Geen idee meer hebben, alle ideeën loslaten, of moet ik zeggen kwijtraken, ophouden met de verklaringspraktijk, toegeven dat je het niet weet, ontdekken dat je het niet hoeft te weten als er al iets te weten valt, uitkomen voor je onwetendheid en vrolijk, zo veel vrolijker, lichter, luchtiger verder gaan.

Verder naar ik weet niet waar geen verder of terug is.

Of de verklaringspraktijk vrolijk voortzetten, maar dan met een kilootje zout; dat komt op hetzelfde neer.

Zie ook: afhankelijk ontstaan, regressie

Eh

1. Het favoriete tussenwerpsel van de weetniet; 2. klankwoord voor het agnosticon, Ø.

Eksstase

Met ekSstase bedoel ik:

1. Buiten alle denkbeelden (zelfbeelden, wereldbeelden, godsbeelden, tijdsbeelden, ideaalbeelden) staan.

2. De stille euforie waarmee het dwalen in de miSst van niet-weten gepaard kan gaan.

Gebruiksvoorbeeld:

Verzaligd in de duiSsternis van de ziel.

Epoche

Volgens de Griekse wijsgeer Pyrrho berust ieder bewijs op onbewezen premissen. Daarom vindt hij dat opschorting van ieder oordeel voor onbepaalde tijd de enige juiste wijsgerige houding is. Deze consequent doorgevoerde opschorting heet in het Grieks epoche.

Helaas en/of/noch gelukkig berust de redenering waaruit volgt dat epoche de enige juiste houding is, zelf op onbewezen premissen, waaronder:

1. De aanname dat je pas een oordeel mag vellen als er een sluitend bewijs voor is.

2. De aanname dat je moet doen wat logisch is.

3. De aanname dat je vrij kunt kiezen om je oordeel al dan niet op te schorten.

4. De aanname dat je bij opschorting beter af bent, of althans het juiste doet.

Is dat allemaal wel waar?

Eerst bewijzen zou ik zeggen, het liefst zonder nieuwe premissen, anders blijven we aan de gang.

Tot die tijd moeten we het oordeel dat we alle oordelen voor onbepaalde tijd moeten opschorten voor onbepaalde tijd opschorten.

En dit oordeel?

Eschatologie

Eschatologie is de theologie van het laatste oordeel en het einde der tijden, het armageddon. Je vind het in een of andere vorm terug in bijna alle grote religies, waaronder het christendom, het judaïsme, de islam en het boeddhisme, maar ook, bijvoorbeeld, bij de Maya, in het non-dualisme en bij kleine sectarische religies.

Eschatologie volgens het non-dualisme

Een modern voorbeeld van eschatologie is gebaseerd op het gnostische Evangelie van Thomas in de vertaling van Erik van Ruysbeek/Marcel Messing en interpreteert de komst van het Rijk Gods niet als het einde van het universum, maar als het einde van de subjectieve werkelijkheid, mijn werkelijkheid, die waarin ik, juist als subject, afgescheiden ben van de rest van de wereld, die mij tot object dient.

Het is deze persoonlijke, dualistische wereld die door de komst van het Rijk Gods vernietigd wordt, en wel precies op het moment dat ik tot inzicht kom omtrent haar ware, non-duale aard. De werkelijkheid is al het rijk der hemelen, maar we zien het niet. We leven de waarheid al maar we weten het niet. De waarheid is onzegbaar en onkenbaar maar zij is.

In deze visie is het dus niet de werkelijkheid als zodanig die vernietigd moet worden, maar de schijnwerkelijkheid in ons, en wij met haar, opdat eindelijk de Ene Werkelijkheid die wij zijn aan de dag kan treden.

Aldus de non-dualistische interpretatie van het Evangelie van Thomas.

Eschatologie volgens de agnost

In niet-weten vindt het idee van een hogere werkelijkheid geen onderdak, noch het tegengestelde idee dat er geen hogere werkelijkheid zou zijn, noch enig ander idee.

Niet-weten betekent: geen idee.

Of, als het idee van een hogere werkelijkheid er toch onderdak vindt, dan ook het idee dat er geen hogere werkelijkheid is, en ieder ander idee.

Niet-weten betekent: elk idee.

Zo raakt de agnost de werkelijkheid in iedere zin kwijt, en iedere zin voor de werkelijkheid.

Hij weet niet eens óf de werkelijkheid is, laat staan hoe zij is, of wát, of uit welke delen zij bestaat, laat staan in welk verband deze delen staan.

In agnose hoeft de werkelijkheid niet vernietigd te worden want zij wordt niet verondersteld, noch als realiteit, noch als illusie. Haar bestaan wordt ontkend noch bevestigd.

Agnose maakt daarom niet alleen een einde aan de bekende wereld maar ook aan het einde daarvan. Om over de onbekende wereld nog maar te zwijgen.

Van een hogere waarheid of een diepere werkelijkheid is in niet-weten sprake noch geen sprake.

Of dit de eindtijd of de begintijd of de tussentijd of de droomtijd of de wantijd of nog iets anders of niets moet heten moet je zelf maar weten.

Wat dacht je van de speeltijd?

Essentialisme

Essentialisme is in het algemeen de neiging om te denken in termen van wezenlijke versus bijkomende eigenschappen, of primaire versus secundaire, en in het bijzonder het geloof dat alle mensen of alle voelende wezens of al het leven of al het bestaande een of één onveranderlijke essentie, kern, ziel of wezen heeft, al dan niet goddelijk.

Voor veel mensen zijn dit wezenlijke onderscheidingen. Voor de agnost daarentegen zijn ze onwezenlijk. Hij erkent noch ontkent het bestaan van essenties. Hij weet het gewoon niet, het maakt hem niets uit dat hij het niet weet, het maakt hem niets meer uit dat hij dit niet weet en dat niet weet en niks niet weet.

Dat is voor hem de essentie van niet-weten.

Zie ook substantialisme.

Eternalisme

Eternalisme is de opvatting dat de werkelijkheid verdeeld kan worden in een vergankelijk deel en een onvergankelijk deel, of de opvatting dat er twee werkelijkheden zijn, een vluchtige en een eeuwige, een relatieve en een absolute, een aardse en een hemelse, waarvan de laatste wordt gezien als hoger of dieper of wezenlijker of echter of oorspronkelijker dan de eerste.

In zen bijvoorbeeld heet het tijdelijke ‘vorm’, het eeuwige ‘leegte’ of ‘het ware zelf’ of ‘de boeddhanatuur’.

Volgens de advaita vedanta is de stoffelijke wereld een illusie in het ene onveranderlijke Bewustzijn.

Bij Plato zijn dingen onvolkomen en vergankelijke instanties van volkomen en onvergankelijk Ideeën.

De agnost meent niet dat alles vergankelijk is, niet dat er iets eeuwig is, niet dat niets eeuwig is, niet dat er één of twee of meer dan twee werkelijkheden zijn, niet dat er helemaal geen werkelijkheid is en ook niets anders. Hij weet alleen maar niet.

Eufemisme

Een eufemisme is een verhullende manier van spreken.

Om zijn onwetendheid te verhullen is de mens qua eufemistisch taalgebruik wel bijzonder vindingrijk gebleken:

‘Gods wegen zijn wonderbaarlijk.’

‘De Waarheid is voorbij de woorden.’

‘Ik ben die ik ben.’

‘Het is zoals het is.’

De uitdaging voor de weetniet is om zich niet langer van mooipraterij te bedienen en gewoon te zeggen waar het op staat: ‘Ik weet het niet.’

Maar zonder in negativiteit te vallen. Want dysfemismen zijn al net zo versluierend als eufemismen.

Euforisme

Euforisme is mijn woord voor een euforisch aforisme, en dan met name een spreuk die de extase van een radicaal niet-weten uitdrukt.

Agnose is van zichzelf neutraal, en zo probeer ik het ook te brengen, maar na vijf jaar van rouw en terughoudendheid kon ik me niet meer inhouden.

Sindsdien ga ik me regelmatig te buiten aan euforismen.

Existentialisme

Volgens de existentialistische filosofie, net als het dadaïsme ontstaan in het kielzog van een wereldoorlog, is de mens ongevraagd in een onsamenhangende, betekenisloze wereld geworpen waarin echte communicatie onmogelijk is en hij in totale vrijheid en eenzaamheid zelf zin aan zijn bestaan moet zien te geven.

Tot mijn verbazing hebben heel wat mensen mij het afgelopen decennium aangezien voor een existentialist. Ten onrechte. Tussen de existentialist en mij gaapt een kloof die met geen worp, sprong of gedachtevlucht te overbruggen is.

Dit zijn de belangrijkste verschillen:

De existentialist weet dat er een wereld is, ik niet.

De existentialist weet dat deze wereld betekenisloos is, ik niet.

De existentialist weet dat hijzelf als individu bestaat, ik niet.

De existentialist weet dat hij ongevraagd in deze vooraf bestaande wereld geworpen is (en niet, bijvoorbeeld, andersom), ik niet.

De existentialist weet dat er anderen zijn, ik niet.

De existentialist weet dat echte communicatie met anderen onmogelijk is, ik niet.

De existentialist weet dat hij gedoemd is tot eenzaamheid, ik niet.

De existentialist weet dat hij veroordeeld is tot vrijheid, ik niet.

De existentialist weet dat hij en hij alleen zin aan zijn bestaan kan geven en dat hij dat voor niemand anders kan doen, ik niet.

Om nieuwe misverstanden te voorkomen:

Ik claim niet dat er géén wereld is.

Ik claim niet dat de wereld toch betekenisvol is.

Ik claim niet dat ik niet besta.

Ik claim niet dat ik niet in deze wereld geworpen ben.

Ik claim niet dat er geen anderen zijn.

Ik claim niet dat echte communicatie met anderen toch mogelijk is.

Ik claim niet dat ik niet gedoemd ben tot eenzaamheid.

Ik claim niet dat ik niet tot vrijheid veroordeeld ben.

Ik claim niet dat iemand of iets anders zin aan mijn bestaan kan geven of dat ik dat voor anderen kan doen.

Ik claim niet dat je dit allemaal niet kunt weten.

Ik claim niet dat je niets mag of kan claimen.

Existentialisme kun je dit niet noemen. Hoe je het wel moet noemen weet ik niet. Niet-claimen komt in de buurt.

Of anders toch maar weer niet-weten.

Fatalisme

Fatalisme is de neiging alles aan het lot over te laten in de overtuiging dat het leven van begin tot einde vastligt. Voor de fatalist is de vrije wil een illusie.

Filosofisch gezien is het fatalisme verwant met het determinisme en het stoïcisme. De fatalistische houding is ook kenmerkend voor orthodoxe varianten van monotheïstische godsdiensten en voor spirituele tradities die het individu voor een illusie houden, zoals de advaita vedanta en sommige boeddhistische scholen.

Het tegenovergestelde van fatalisme is activisme, de overtuiging dat we zelf ons lot bepalen, en in actie kunnen en moeten komen om het leven naar onze hand te zetten.

Midden tussen de polen van fatalisme en activisme vinden we de agnost.

De agnost gelooft niet dat alles van te voren vastligt in de onverbiddelijke bewegingen van de kleinste deeltjes, niet dat alles is voorbestemd door een hogere intelligentie of een oppermachtige god, en niet dat de persoon en de vrije wil een illusie zijn.

De agnost gelooft niet dat we ons lot geheel of mede zelf bepalen, niet dat de persoon en de vrije wil toch reëel zijn, niet dat een hogere intelligentie of een oppermachtige god ons doelbewust de nodige armslag geeft.

De agnost gelooft niet dat we dit soort zaken ooit met zekerheid vast zullen stellen, ook niet dat we het nooit zullen weten, ook niet dat het op dit moment onbekend is.

Zelfs in agnose gelooft de agnost niet – en geloof dat ook maar niet.

Fideïsme

Fideïsme (Latijn, fides, geloof) is de doctrine dat ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven is. Van menen te weten. Niet alleen het religieuze weten maar ook het wetenschappelijke weten en zelfs het wiskundige weten.

Ikzelf geloof, meen of weet niets over weten, menen en geloven. Zelfs niet dat ik daarover niets geloof, meen of weet. Laat staan dat ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven zou zijn.

Als het waar is dat ieder weten een kwestie van geloven is, dan is het fideïsme zelf ook een kwestie van geloven, niet van weten.

Is het niet waar dat ieder weten een kwestie van geloven is, dan is het fideïsme al helemaal niet waar.

Daar sta je dan met je mooie geloof.

Filasofie

Wijsbegeerte is een vertalende ontlening aan het Griekse philosophia (philos: vriend + sophia: wijsheid).

Bewandelen we deze weg in omgekeerde richting vanuit de nieuwvorming dwijsbegeerte, dan komen we als vanzelf tot filasofie (a-: niet-).*

Een dwijsgeer, iemand die filasofie bedrijft, heet een filasoof.

Het bedrijven van filasofie heet filasoferen.

Iets filasofie-achtigs heet filasofisch.

Een filasofeem is een filasofische stelling of uitspraak.

Een filasofaster is iemand die voorwendt filasoof te zijn, oftewel een nepdwijze.

Van filasofie is het maar een kleine stap naar asofie. We hoeven alleen maar het voorvoegsel philos te amputeren en we houden de staart over, asofie: geen-kennis, niet-weten.

Asofie laat zich net zo vervoegen als filosofie en filasofie.

Een asoof is iemand die niet weet, een dwijze.

Asofisch betekent niet-wetend, dwijs.

Asoferen is dwijsheid beoefenen (of ondergaan; het is maar net hoe je het beleeft).

Een asofeem is een stelling of uitspraak die getuigt van niet-weten.

Een asofaster is iemand die voorwendt niet-wetend te zijn.

Een asofisme is een dwaaltekst.

Een asofist is iemand die dwaalteksten schrijft (of spreekt, of denkt).

Asofia is de naam van de beschermheilige van niet-weten en van de weetniet. Zoals alle heiligen, bestaat ze niet meer of heeft ze nooit bestaan. Juist dit is wat haar in staat stelt ons tegen het weten te beschermen, en niet-weten tegen ons.

Fuzzy

Gezegd van een niet-wetend, niet-categorisch, non-dualistisch, vrij denken.

Gatman

1. Iemand die niet weet wie of wat of dat hij is. Synoniem: agnost.

2. Incourante vertaling van anatman. Antoniem: atman.

Gedachte

Het woord ‘gedachte’ komt vaak voor in de Agnosereeks. Ik gebruik het in de ruimste zin van het woord voor alles wat zich zoal aan het bewustzijn voordoet, talig en ontalig, met inbegrip van waarnemingen, gevoelens, gemoedstoestanden, verlangens, oordelen, herinneringen, plannen, verwachtingen, ideeën, wanen, dromen, sluimerbeelden en visioenen.

Gedachtewereld

Zoals begrippen vol andere begrippen zitten, en die weer vol andere begrippen, zo zitten gedachten vol andere gedachten en die weer vol andere gedachten. Gedachten in gedachten in gedachten. Matroesjka’s van gedachten, zonder eind.

Gedachten zijn gedachtewerelden. Ook deze.

Een voorbeeld. De zin ‘ik zoek de waarheid’ veronderstelt dat er een waarheid is, dat er maar één is, dat zij bekend is maar nog niet aan de zoeker, dat de zoeker haar zal vinden, dat hij haar zal kunnen begrijpen, dat hij haar zal kunnen vasthouden, dat hij dan beter af is, dat er een bestendige ik is, namelijk de zoeker, een zoektocht die al enige tijd gaande is, een verleden waarin die zoektocht tot op heden plaatsvond, een toekomst waarin de zoektocht zich zal voortzetten en tot een bevredigend besluit gebracht zal worden, en niet te vergeten een bestendige wereld waarbinnen de zoektocht zich voltrekt.

Tegen de achtergrond van deze latente gedachten lijkt de manifeste gedachte ‘ik zoek de waarheid’ vanzelfsprekend en onbetwistbaar. Omgekeerd lijken alle latente gedachten in het licht van de manifeste gedachte op hun beurt vanzelfsprekend en onbetwistbaar. De ene hand wast de andere.

Nog een voorbeeld. De vraag ‘Waarom heeft u uw echtgenote doodgeschoten?’, heeft als ondergedachten (onder meer) ‘deze vrouw is uw echtgenote’, ‘deze vrouw is dood’, ‘zij is door een schot om het leven gekomen’, ‘het dodelijke schot is door u gelost’, ‘men schiet om redenen’, ‘ook u had uw redenen’, ‘uw redenen waren duidelijk voor u’, ‘u kunt zich die redenen op dit moment correct herinneren’, ‘u kunt ze duidelijk aan ons overbrengen’ en ‘u bent daartoe bereid’.

Gedachten zijn gedachtewerelden.

In de argumentatieleer wordt een vraag die op een onbevestigde veronderstelling berust een strikvraag genoemd. Een goede rechter zou bovenstaande vraag pas toestaan nadat eerst was vastgesteld dat de aangesprokene inderdaad zijn echtgenote doodgeschoten had. Naar analogie van het woord ‘strikvraag’ zou je een impliciete gedachte een strikgedachte kunnen noemen. Een onuitgesproken en niet onderzochte aanname. Een instinker.

Iedere expliciete gedachte berust op een ongrond van instinkers. Deze ook.

Iedere gedachte leidt regressief tot andere. Hoe meer je er onder woorden brengt hoe meer er opduiken. Daarom is het onmogelijk om de inhoud van een gedachte compleet bloot te leggen.

Wat je ook denkt, je weet niet wat je denkt. Niet precies en niet bij benadering. Ik ook niet. Nu ook niet.

Wat je ook zegt, je weet niet wat je zegt. Niet precies en niet bij benadering. Ik ook niet. Hier ook niet.

Tot slot twee strikvragen:

Zijn de impliciete gedachten die bij analyse van een expliciete gedachte aan het licht komen daadwerkelijk daarin aanwezig of is het de analyse zelf die ze produceert?

Wat betekent het dat verschillende mensen in dezelfde expliciete gedachte totaal andere impliciete gedachten lezen?

GeeSst

Een geeSst is een in agnose verstilde geest – een geest die (bij wijze van spreken) sst zegt tegen zijn eigen gedachten, ook die over stilte.

Een GeeSst is dus niet een gedachtenvrije geest of een geest tijdens een absence of trance.

Zie ook sst.

Gezond verstand

Onder gezond verstand verstaat men de verzameling van opvattingen, normen en waarden waarover de meeste mensen in een gemeenschap het wel eens zijn. Alle zaken dus die vanzelfsprekend, om niet te zeggen vanzelfschreeuwend zijn.

Het ene gezond verstand is het andere niet, het Japanse niet dat van de Masai of de Eskimo. Maar voor het gezond verstand van de gemiddelde westerling, of anders toch voor dat van de gemiddelde Hollander, of anders toch voor dat van de gemiddelde Amsterdammer, of in iedere geval voor het mijne, denk ik nu, is de wereld stoffelijk, bestendig, geordend, kenbaar, verklaarbaar, maakbaar en beheersbaar.

Common sense philosphy

Een leerstelsel dat na het echec van vijfentwintig eeuwen westerse wijsgekte het gezond verstand (vraag me niet welk) in ere wilde herstellen, was de common sense philosophy van de Engelsman Thomas Reid.

Een prof die wordt aangesteld om de overgeleverde klootjesfilosofie van de belastingbetaler te legitimeren, kan het gekker?

Nou en of.

Nonsense philosophy

Het gezond verstand waarop velen zich beroepen als was het een openbaring, gaat in agnose niet verloren, maar komt wel in de lucht te hangen en verliest daarmee vanzelfsprekend zijn (on)natuurlijke gezag.

Voor mij, wie dat ook moge wezen, is het inmiddels alleen nog maar vanzelfsprekend dat de wereld, wat dat ook moge wezen, verbijstert, als dat al zo is, als ik die wereld zelf al niet ben, als die wereld mij al niet is, als dat al iets betekent.

Omgekeerd is het voor diezelfde mij, zo die al bestaat, al even verbijsterend dat diezelfde wereld, als er al zoiets is, desondanks vanzelf blijft spreken en zijn/mijn/onze/eenieders/niemands verbijstering onophoudelijk overschreeuwt.

Het kortgesloten verstand

Daardoor of desondanks verkeer ik niet langer in de ban van het gezond verstand, maar evengoed wel, en in nog heviger mate, in dat van het ongezond, of laten we zeggen het kortgesloten verstand, dat zichzelf onophoudelijk bevraagt, ook al stelt het geen enkel belang meer in de antwoorden, en zich nog steeds geroepen voelt de antwoorden die desondanks uit allerlei bronnen blijven opborrelen onophoudelijk te herroepen – ook deze.

Klits, klats, klandere, van de ene ban in de andere.

Kan het gekker?

Grote Woorden

Grote Woorden zijn religieuze en spirituele termen die beginnen met het bijvoeglijk naamwoord ‘groot’.

In het zenboeddhisme bijvoorbeeld wordt vaak gesproken over Groot Vertrouwen, Groot Inzicht, Grote Twijfel, Grote Verlichting.

De Grote Weg

In de daoïstische Zhuangzi, een geschrift dat zo’n duizend jaar ouder is dan zen, komt deze constructie ook al voor, wel of niet met hoofdletters, afhankelijk van de luimen van de vertaler, want het Chinees kent geen hoofdletters.

Zo is daar onder meer sprake van de Grote Weg (de Tao), Grote Kennis (kennis van de Tao) tegenover kleine kennis (van wereldse zaken), Grote Woorden (woorden geïnspireerd door de Tao, die rustig en vredig zijn) tegenover kleine woorden (die druk en schreeuwerig zijn), en Grote Vrede (de vrede van hem die in overeenstemming met de Tao leeft) – aangenomen dat dit geen anachronistische hineinvertalingen zijn.

In de gezwollen en hoogmoedige taal eigen aan alle wijsheidstradities:

Hij, de allerhoogste mens, leidt zijn geest terug naar daar waar geen begin is, en slaapt in zoete rust in het land van niemendal. Als water stroomt zijn geest in vormeloosheid, het gutst voorwaarts uit de Hoogste Zuiverheid. Ach jij, die met je verstand vastzit op minieme details, en niets weet van de Grote Vrede!

(Zhuang Zi, de volledige geschriften, Kristofer Schipper, 2007/2011, hoofdstuk 32.V, p409-410)

Het Grote Tja

Ik hou ook van Grote Woorden, al hoef ik als agnost niemand wat wijs te maken, hooguit wat minder wijs. Zo mag ik niet-weten graag omschrijven als het Grote Tja, Groot Ongeloof, Groot Schouderophalen, Groot Voorbehoud en Groot Wantrouwen.

Grote Stilte

Ook Grote Stilte komt in de buurt, al gaat het in agnose niet om een tijdelijke meditatieve trance waarin gedachten en gevoelens naar de achtergrond wijken of geheel ontbreken, en ook niet om de absolute mentale stilte die ontstaat bij bepaalde beschadigingen van de corticale spraakgebieden of bij (tinnitusvrije) aangeboren doofheid.

Met Grote Stilte bedoel ik hier de figuurlijke stilte van iemand die zich Oost-Indisch doof houdt voor zijn gedachten, van iemand die zijn gedachten niet over zich heen laat walsen maar over zich heen laat wassen zonder een keuze te willen maken of ze vast te willen houden of los te willen laten.

Of van iemand die zijn gedachten over zich heen ziet wassen of walsen zonder een keuze te kunnen maken of ze vast te kunnen houden of los te kunnen laten, zeg jij het maar, mij maakt het niet uit, ik luister toch niet.

Grote Leegte

Met een soortgelijk voorbehoud kun je niet-weten ook Grote Leegte noemen. Niet omdat je hoofd in agnose vrij is van woorden en gedachten, maar omdat je leer leeg is en er niets te onthouden, uit te dragen of te verdedigen valt, dit ook niet.

Niet-weten is als een leeg plein.

Omdat het plein leeg is, staan er geen huisjes op.

Omdat er geen huisjes op staan, staan er ook geen heilige huisjes op.

Waar geen heilige huisjes staan hoeft niemand ze te onderhouden of omver te schoppen.

Waar niemand heilige huisjes hoeft te onderhouden of omver te schoppen, hoeft niemand de onderhouders omver te schoppen of te onderhouden, of de omverschoppers te onderhouden of omver te schoppen.

Groot Uitzicht

Groot uitzicht is het onbelemmerde uitzicht van iemand die niet gehinderd wordt door enig vorm van wijsheid of inzicht, groot, spiritueel of anderszins.

Synoniem: groot doorzicht.

Grote Vrede

Ook de afwezigheid van heilige huisjes is geen heilig huisje, en voor de dwijze niet zaligmakend.

Zijn plein is leeg en zijn plein blijft leeg.

Pleinvrees kent hij niet meer, daar is hij voorgoed van genezen, al neigt hij sindsdien naar claustrofobie.

Nergens komt hij liever dan op zijn lege plein, en nergens is het niet.

Daarom hoeft hij er niet heen en kan hij er niet weg en is hij altijd thuis, al weet hij heg noch steg.

Pelgrimeren zonder bede, dat is zijn Grote Vrede.

Grote Vrijheid

Of Grote Vrijheid, wat denk je daarvan?

Agnose staat voor een wakkere geest die zich door geen enkele gedachte laat flessen, ook niet door deze.

Een weetnietgeest die zelfs niet weet van niet-weten.

Een vrijgeest die nergens in vastzit, ook niet in zijn vrijheid.

Een libertijn die de flessengeest zijn fles gunt, de heremietkreeft zijn schelp, de kluizenaar zijn cel, de gelovige zijn overtuiging, de bodhisattva zijn geloften, de leerling zijn leer, de horige zijn heer.

Tegenover Grote Vrijheid staat kleine vrijheid, waarin je gekluisterd bent aan een bepaald vrijheidsbeeld, politiek, religieus, spiritueel, maakt niet uit, hoe fraai ook.

Kleine vrijheid is geen vrijheid maar een parodie op vrijheid.

Geloof je dat?

Dan zeg ik: kleine vrijheid is geen parodie, maar de vrijheid om een bepaald vrijheidsbeeld te dienen.

Geloof je dat?

Allemaal vrijheidsbeelden.

Grote woorden.

Geloof ze of niet.

Grote woorden, geloof ze of niet

Gulden uitweg

De gulden uitweg is een alternatief voor de boeddhistische gulden middenweg die alle uitersten mijdt en van samsara naar nirwana zou leiden.

De gulden uitweg leidt overal uit weg, uit samsara, maar ook uit nirwana, uit de illusie, maar ook uit de werkelijkheid, uit het relatieve, maar ook uit het absolute – en ook uit de gulden uitweg uiteraard.

De gulden uitweg is de weg naar niet-weten. De weg naar niet-weten leidt overal uit weg, ook uit niet-weten.

Zie ook waaiweg.

Grijpgeest

Een grijpgeest is een geest die in de greep is van zijn gedachten, die zijn eigen ideeën en idealen voor werkelijk waar houdt.

Synoniem: hokjesgeest.

Halfbegrip

In de wiskunde wordt de letter X gebruikt om een onbekende grootheid aan te duiden. De Franse filosoof Jacques Derrida gebruikt dezelfde letter voor wat hij semi-begrippen of halfbegrippen noemt. Hiermee bedoelt hij met name postmoderne begrippen als differantie, deconstructie, hymen en parergon, die onzegbaar en ondefinieerbaar zouden zijn.

Halfbegrippen komen we ook tegen in de religie en de spiritualiteit, waar ze worden aangeduid met woorden en uitdrukkingen als god, de dao, brahman, het ene, het absolute, het mysterie, dit, de bron, het eeuwige, het bewustzijn, boeddhanatuur en non-dualiteit.

Volgens de meeste spirituele tradities is de waarheid onuitsprekelijk en uitsluitend apofatisch te omschrijven, dat wil zeggen, negatief, ontkennenderwijs, als dit noch dat (neti neti).

Het onderscheid tussen begrippen en halfbegrippen wordt niet door iedereen onderschreven. Het nominalisme erkent alleen particularia en houdt universalia als ‘mens’, ‘levendbarend’ en ‘verandering’ voor betekenisloos.

Sommige boeddhistische scholen gaan nog een stapje verder en houden alle begrippen voor leeg, dat wil zeggen, zonder wezen of substantie. In deze visie heeft het onderscheid tussen halve en hele begrippen natuurlijk geen zin meer.

Ikzelf erken of ontken geen enkel onderscheid tussen soorten begrippen onderling en tussen (half)begrippen en aanverwante zaken zoals gevoelens, vermoedens, waarnemingen en handelingen.

Van mij mag ieder begrip X genoemd worden, waarmee ik niet wil beweren dat alle begrippen onzegbaar en ondefinieerbaar zijn, noch het tegendeel, noch iets ertussenin, noch iets anders.

Hardop zwijgen

Hardop zwijgen is betekent hetzelfde als spreken zonder spreken en zeggen zonder zeggen: praten zonder iets te bevestigen of te ontkrachten of te veronderstellen.

Zie ook: dwaaltekst.

De hele leer

De hele leer is de leer die alle denkbare leerstellingen bevat in alle denkbare combinaties, hoe tegenstrijdig ook.

Wiskundig gezien is de hele leer de machtsset van alle formuleerbare leerstellingen.

De hele leer is de grote broer van de lege leer. Samen vormen ze het duo de Dikke en de Dunne.

Niet-weten kun je definiëren als 1. de lege leer aanhangen of 2. de hele leer aanhangen.

Idioticon

Een woordenboek is een serie lemma’s op alfabet.

Een lemma is een trefwoord met omschrijving.

Het Woordenboek niet-weten alias de Stamelgids voor nitwits, kortweg de Stamelgids, bevat honderden lemma’s over niet-weten. Korte en lange. Ernstige en grappige. Bruikbare en onbruikbare.

Een idioticon, nu, is een vakwoordenboek.

De Stamelgids is een idioticon over niet-weten.

Maar niet-weten is geen vak. Of het moest een leeg vak zijn – een zwart gat dat zelfs met een leger vakkenvullers niet vol te krijgen is.

Het woord idioticon is gebaseerd op het Griekse idios. Dat betekent eigen, apart.

Ook het woord idioot is daarvan afgeleid. In gewoon Nederlands betekent dat stomkop.

In het jargon van niet-weten is een idioot iemand die niet-weet, daar vrede mee heeft en het niet langer verbloemt. Een agnost dus, om het maar eens netjes te zeggen.

Dan ligt het voor de hand om het woord idioticon te herdefiniëren als een woordenboek voor het dwaaltaaltje van de idioot.

Schrijven we het met een hoofdletter om er een eigennaam van te maken, dan wordt Idioticon een luchtig synoniem van Woordenboek niet-weten en Stamelgids voor nitwits.

Als in:

Even het Idioticon erbij pakken.

Of:

Wat is een idioot zonder Idioticon?

Nou?

Een stommeling natuurlijk.

stommeling: 1. dommerd; 2. iemand die niet kan praten; 3. iemand die niet over niet-weten kan praten; 4. weetniet.

Ignoramus et ignorabimus

Latijnse uitdrukking: Wij weten niet en zullen nooit weten.

Hoe weet je dat, zou ik willen vragen.

Wij weten een heleboel, zou ik willen zeggen.

Verder heb ik er niets aan toe te voegen.

Ignotum per ignotius

De Latijnse uitdrukking ignotum per ignotius betekent: ‘het onbekende herleiden tot het onbekendere’.

Een verwante uitdrukking is obscurum per obscurius – het herleiden van het duistere tot het meer duistere.

Beide uitdrukkingen geven ironisch commentaar op de verklarende waarde van al te duistere theorieën, maar kunnen ook opgevat worden als een generaliserend commentaar op de hele verklaringspraktijk.

Als een kind vraagt waarom alles naar beneden valt en je antwoordt dat het door de zwaartekracht komt, heb je dan iets verklaard?

Zeg ja en ik vraag je: wat is zwaartekracht?

Daarvoor moet je bij de natuurkundige wezen, zeg jij dan.

Ik naar een natuurkundige, komt hij met een volstrekt onbegrijpelijk relativistisch verhaal over massa en tijdruimte, of met een ander volstrekt onbegrijpelijk quantumfysisch verhaal over gravitonen, die op hun beurt verklaard worden in termen van kwantumvelden, die op hun beurt verklaart worden in termen van snaren, die voor iedereen iets anders lijken te betekenen en nog altijd niet zijn door te rekenen.

Dit heet: van kwaad tot erger.

Ignotum per ignotius.

Weliswaar heeft de natuurkunde voorspellende waarde, maar daarom maakt ze de wereld nog niet begrijpelijk.

Integendeel, de natuurkunde voegt alleen maar raadsels toe.

Raadsels als zwaartekracht, relativiteit, massa, tijdruimte, quanta, gravitonen en higgs-velden.

Bestaat dat allemaal echt of zijn het denk- en rekenhulpjes?

Daarvoor moet je bij de metafysicus wezen, zeg je.

Ik op zoek naar zo’n wezen, nergens te vinden.

Blijkt de hele metafysica op zijn gat te liggen.

En wat voor gat.

Zo zwart als wat.

Om nog maar te zwijgen over het feit dat zowel de doorijlende fysica zelf als wijlen de na-ijlende metafysica ongeacht hun resultaten, als ver schijnsel, als bezigheid, als bedrijf, volstrekt onbegrijpelijk en onverklaarbaar zijn.

Helemaal in termen van hun eigen verklaringsmodellen.

Ook ignotum per ignotius.

Inductie

Inductie is in de logica redeneren van het bijzondere naar het algemene, bijvoorbeeld:

Gisteren kwam de zon op, vanmorgen kwam de zon op, iedere dag komt de zon op.

Of:

Deze zwaan is wit, die zwaan is wit, alle zwanen zijn wit.

Maar al zie je zie niet vaak, er zijn ook zwarte zwanen, dus de redenering gaat niet op.

En al waren er alleen maar witte zwanen, dan nog was de redenering ongeldig, want alle zwanen zijn niet wit omdát deze zwaan wit is en die zwaan ook, nee, deze zwaan is wit en die ook omdát alle zwanen wit zijn.

Omdát is hier trouwens een groot woord. Er wordt immers niets verklaard.

Wat te denken van de volgende inductieve redenering:

Gisteren was ik niet zwanger, vandaag ben ik niet zwanger, dus morgen zal ik ook niet zwanger zijn.

Inductie is niet te rechtvaardigen, vraag maar aan tienermoeders.

Onzin, zul je zeggen. Gisteren werkte het, vandaag werkt het, dus morgen zal het werken.

Daarmee zijn we beland in een ander gebied van de logica: de cirkelredenering.

Kant en de mislukking van het denken

Niet-weten is het failliet van het weten, de val van het verstand, de nederlaag van de geest, het echec van het ego of, in de woorden van de filosoof Immanuel Kant (1724-1804), de mislukking van het denken.

Niet dat Kant het over niet-weten had, hij had het over God: ‘Gods spreekt in de mislukking van het denken’, zei hij om precies te zijn.

Die Kant. De nar van Koningsbergen, met het lichaam van een kind en de geest van een geest, die zijn metafysica zag verdwijnen in het duistere Ding-an-sich, zijn epistemologie in de categorieën van het verstand en zijn ethiek in een categorisch imperatief, moedertje lief, houdt de dief, nihilisme in ’t verschiet.

Zelf zie ik niet-weten niet zozeer of althans (alt-Hans) niet alleen als een mislukking van het denken, maar ook en vooral als een triomf van het denken, dat immers zichzelf overwint en maar blijft overwinnen, en zich toch niet wijzer weet. Als ‘het denken’ al geen hypostase is – een dubieuze hypothese.

Toegegeven, je lichaam wordt er niet jonger van, maar je hervindt de geest van een kind – zo licht als de wind, met niets in ’t verschiet, zelfs de vroegere graal van volwassenheid niet. Je wordt weer een kleuter die zomaar wat leutert, zich lekker verkneutert en nochtans niet kinds. Dit alles bij wijze van spreken.

Kenneloos

In het Woordenboek der Nederlandse Taal kwam ik het woord kenneloos (kennelôs, kinneloos) tegen.

Kenneloos zou een antoniem (het tegenovergestelde) zijn van kennelijk (kennelijc) en in algemene zin ‘zonder kennis’ betekenen, en in de middeleeuwse mystiek ‘zonder kennis of bewustheid van het onzienlijke, het geestelijke’.

In het laatste geval zou het gaan om een soort onwetendheid en niet om een wolk van niet-weten, zoals in het gelijknamige Engelse traktaatje, of om de donkere nacht van de ziel, zoals bij Johannes van het Kruis.

Net als weteloos zou kenneloos een geschikt synoniem zijn van niet-wetend, en kenneloosheid van niet-weten (zelfstandig naamwoord) oftewel agnose.

Kenneloos kennend betekent dan weteloos wetend. Een kenneloze is een weteloze, een dwijze, een agnost.

Kokervisie

Kokervisie noemen we de beperkte blik van de weetal die door een rietje kijkt en meent dat hij de hele wereld ziet.

Kokervisie gaat veelal gepaard met megafonie.

Zie ook trechterdenken.

Leegte

Om te laten zien wat de leegte van niet-weten, eh, inhoudt, vergelijk ik haar hieronder met zes andere soorten leegte. Ik kan er nog wel meer bedenken, en hele andere indelingen maken ook, maar daar gaat het niet om.

Ik ben geen filosoof of antifilosoof, niet gelovig of ongelovig, niet gnostisch of agnostisch en mijn gezond verstand laat het ook al jaren afweten, dus ik kan je niet zoals de meeste andere mensen vertellen hoe het allemaal zit en moet, of zelfs maar hoe het allemaal niet zit en niet moet.

Ik wil alleen wat misverstanden over de leegte van de lege leer uit de weg ruimen. Tip van de gesluierde: welke lege leer?

1. Een materieel niets: de ruimte

In realistische kringen, zowel filosofische als wetenschappelijke, wordt onder leegte vaak het niets of de ruimte verstaan waarin het iets, de materie, het zijnde, ís.

Sommige denkers zien deze ruimte als een object van een hogere of de hoogste of een lagere of de laagste orde, andere slechts als een bestaansvoorwaarde voor materiële objecten, weer andere als het product van diezelfde objecten, die naar hun mening de ruimte niet innemen maar produceren, projecteren of definiëren.

Immanuel Kant ziet ruimte als een categorie van het verstand, een manier om de werkelijkheid te ordenen die zelf niet als object in die werkelijkheid gegeven is.

2. Een ideëel niets: het lege bewustzijn

In idealistische kringen wordt leegte vaak opgevat als het bewustzijn zelf; een ongrijpbaar, tijdloos, plaatsloos, voor- of bovenzinnelijk medium, hetzij persoonlijk, hetzij universeel, waarin de ‘tienduizend verschijnselen’ zich kenbaar maken en waardoor ze gekend worden.

3. Een religieus niets: de lege godheid

In godsdienstige kringen verstaat men onder leegte dikwijls een kosmisch niets van goddelijke aard waarin de dingen ontstaan en vergaan; een niets dat als schepper en vernietiger van het iets fungeert; de eerste oorzaak en de laatste bestemming ervan, het alfa en omega.

De godheid van een Plotinus, een Pseudo-Dionysius de Areopagiet of een Meister Eckhart lijkt een leegte zonder substantie of eigenschappen waarop zelfs het gezegde ‘bestaat wel’ of ‘bestaat niet’ niet meer van toepassing is.

4. Een boeddhistisch niets: sunyata

In boeddhistische kringen verstaat men onder leegte het idee dat dingen en mensen bij nader inzien geen eigen wezen of werking hebben en volstrekt wederkerig zijn (interzijn, afhankelijk ontstaan).
Je zoekt de betekenis van een woord en je vindt andere woorden.
Je zoekt de auteur en je vindt het discours (en omgekeerd).
Je zoekt het subject en je vindt het object (en omgekeerd).
Je zoekt jezelf en je vindt de ander (en omgekeerd).
Je zoekt de essentie van een ding en je vindt andere dingen.
Je zoekt een oorzaak of aanleiding en je vindt de hele historie.
Je zoekt scherpe grenzen en je vindt vloeiende overgangen.
Alles wijst naar iets anders, alles sluit het andere in.

5. Een spiritueel niets: de lege geest

Voor veel zoekers is leegte hun idee over de geestestoestand van de ontwaakte: minimale mentale activiteit tegen de achtergrond van een ononderbroken oceanisch gevoel van liefde, vrede en geluk.

Persoonlijk moet ik de eerste mens wiens geest op die manier functioneert nog tegenkomen. Zelf heb ik een dynamisch verstand en een dito gemoed, misschien omdat ik er constant voor waak, of simpelweg niet meer in staat ben, wie dan ook op te sluiten in het hokje van de ontwaakte, het hokje van de slaper, het hokje van de hokjesgeest, het hokje van de vrijgeest of in welk hokje of niet-hokje dan ook.

Tamelijk lege geesten ben ik wel tegengekomen – op de afdeling dementie van verpleeghuis Tamarinde in Utrecht bijvoorbeeld – maar voor zover ik kon beoordelen was er bij deze alzheimerpatiënten, waaronder mijn beide ouders, van een ononderbroken oceanisch gevoel van liefde, vrede en geluk geen sprake.

6. Een ethisch niets: de lege moraal

Voor nihilisten, cynici, pessimisten, anarchisten, absurdisten, dadaïsten, defaitisten, fatalisten, existentialisten, relativisten, subjectivisten, pluralisten, postmoralisten en postmodernisten duidt het begrip leegte op het ontbreken van absolute, onbetwijfelbare, universele normen en waarden die als basis kunnen dienen voor individuele en maatschappelijke keuzes.

7. Een epistemologisch niets: de lege leer

In tegenstelling tot bovenstaande doctrines doet de lege leer die niet-weten heet geen uitspraak over het al dan niet bestaan van welke vorm van leegte of niet-leegte ook – materieel, ideëel, religieus, boeddhistisch, spiritueel, ethisch of anderszins.

De lege leer, Ø, is geen lege ruimte als in (1), geen leeg bewustzijn (2), geen lege god (3), geen leeg zelf (4), geen lege geest (5) en geen lege moraal (6).

Ook dat we niets kunnen weten staat niet in de lege leer, want dan zou het geen lege leer zijn maar een vorm van scepticisme.

Ook dat we maar beter kunnen zwijgen staat niet in de lege leer, want dan zou het geen lege leer zijn maar een vorm van quiëtisme of mutisme.

De lege leer is gewoon leeg.

Noem dat maar een leer.

Legitimeren

In de logica is legitimeren een stelling bewijzen door je op een autoriteit te beroepen zoals de bijbel, god, een expert, een beroemdheid, de wetenschap.

Om een autoriteit te legitimeren moet je je beroepen op een hogere autoriteit.

Om een hogere autoriteit te legitimeren moet je je beroepen op een nog hogere autoriteit, en zo voort, helemaal tot de hoogste autoriteit.

De hoogste autoriteit hoeft zich niet te legitimeren, daar is het de hoogste autoriteit is.

Dat het of hij of zij de hoogste autoriteit is, moeten wij aannemen zonder enig bewijs.

Uiteindelijk blijft de oorspronkelijke stelling dus onbewezen en hadden we hem net zo goed meteen kunnen aannemen.

Logica

Logica is wat de redeneringen rechtvaardigt, maar wat rechtvaardigt de logica?

Logica is een denkmethode die uit ware premissen ware conclusies afleidt. Dat is prachtig, maar waar halen we zo gauw ware premissen vandaan?

Geen probleem, zul je zeggen, ware premissen zijn conclusies uit eerdere afleidingen. Gelijk heb je, maar waar halen die eerdere afleidingen hun ware premissen vandaan?

Uit eerdere afleidingen, zul je zeggen, enzovoort, maar één afleiding moet toch de eerste zijn. Daarvan zullen we de premissen zonder bewijs moeten aannemen.

Maar dan blijft de conclusie van die eerste afleiding ook onbewezen, en aangezien die als premisse dient van de tweede, blijft de conclusie daarvan ook onbewezen, enzovoort.

Dus kun je net zo goed meteen de slotconclusie zonder bewijs aannemen.

Dat geldt ook voor deze slotconclusie.

Zie ook bewijs, inductie, legitimeren, quod erat demonstrandum", syllogisme, trilemma van Agrippa, wet van toereikende grond, wet van de uitgesloten derde, wet van non-contradictie.

Megafonie

Megafonie is luidkeels verkondigen hoe het allemaal zit, of iemand het nou wil horen of niet.

Het is een van de tweeënvijftig kenmerken van de weetal en een van de vijfhonderdtwintig gevolgen van kokervisie.

Niet-weten

Route 66, de koninklijke weg naar een narrenbestaan. Zesenzestig vingers naar de maan.

In een woordenboek niet-weten op een website NietWeten.nl mag het lemma niet-weten niet-ontbreken. Daar baal ik van. Deze hele site staat vol verhalen, dialogen, spreuken, artikelen, gedichten, grappen, lofliederen en litanieën over, metaforen voor, en eufemismen, definities en illustraties van niet-weten. Hoe moet ik die in hemelsnaam samenvatten in één lemma? De website is het lemma.

Wat is niet-weten? Je kunt het niet uitleggen. Je kunt het op vele manieren uitleggen. Eén woord is al teveel. Tienduizend woorden is nog te weinig.

Hieronder zes keer elf is zesenzestig pogingen onder het motto: Niet-weten, maak er geen tegeltje van.

Elf is trouwens het gekkengetal, niet-weten het hart van carnaval.

Niet-weten in 11 definities

Niet-weten is je gedachten niet geloven, deze ook niet.

Niet-weten is geen oordeel weten te vellen, ook niet over het oordelen.

Niet-weten is al je denkbeelden omverwerpen, ook dit denkbeeld.

Niet-weten is het einde van ego, ik, zelf en niet-zelf.

Niet-weten is alles in het midden laten, ook of je alles in het midden moet laten.

Niet-weten is alles loslaten, ook het loslaten.

Niet-weten is overal de keerzijden van zien, ook van de keerzijden.

Niet-weten is vrede sluiten met je onvrede.

Niet-weten is de vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid.

Niet-weten is het einde van ieder zoeken, ook naar niet-zoeken.

Niet-weten is verlossing van de verlossers, bevrijding van de bevrijders, ontsnapping aan de snappers – een vlucht uit het vluchten.

Niet-weten in 11 spreekwoorden

Niet-weten is waar iedereen mee flirt maar niemand mee trouwt.

Ook dat er geen antwoorden zijn, is niet het antwoord.

Zelfs niet weten van niet-weten.

Wie eindelijk begrijpt dat er niets te begrijpen valt, heeft nog steeds iets begrepen.

Beter tien meningen in de lucht dan één in je hoofd.

Wijsheid komt voor de val.

Wie een kuil graaft voor zijn weten, valt er zelf in.

Al is het weten nog zo snel, het leven achterhaalt hem wel.

Wie niet weet die niet deert.

Beter ten hele gedwaald dan ten halve gekeerd.

Wijzen en dwazen leren het leven uit boeken en glazen.

Niet-weten in 11 beeldspraken

Weten is alles dichttimmeren, niet-weten is overal kieren zien.

Weten is dingen zien, niet-weten is de tussenruimte zien.

Weten is steeds door hetzelfde raam kijken, niet-weten is steeds door een ander raam kijken.

Weten is eindeloos puzzelen, niet-weten is stukjes zien.

Weten is vastzitten in het web van je gedachten, niet-weten is rondlopen op het web van je gedachten.

Weten is een boom opzetten, niet-weten is een boom omhakken.

Weten is op iedere vraag een antwoord, niet-weten is op ieder antwoord een vraag.

Weten is een overwinning van de rede op de realiteit, niet-weten is een overwinning op de rede.

Weten is vallen en opstaan, niet-weten is alleen maar vallen.

Weten is vals spelen, niet-weten is spelen.

Weten is volgens de regels spelen, niet-weten is met de regels spelen.

Niet-weten in 11 oxymorons

Niet weten is weten zonder weten.

Niet weten is doen zonder doen.

Niet weten is geven zonder geven.

Niet weten is nemen zonder nemen.

Niet weten is streven zonder streven.

Niet weten is oordelen zonder oordelen.

Niet weten is geloven zonder geloven.

Niet weten is spreken zonder spreken.

Niet weten is grijpen zonder grijpen.

Niet weten is vinden zonder vinden.

Niet weten is verliezen zonder verliezen.

Niet-weten in 11 eufemismen

De hoogste waarheid is voorbij de woorden.

In de stroom van wijsheid gaat de verlichte voorbij alle wijsheid.

Alles ontstaat afhankelijk.

Alles is een illusie.

Vorm is leegte, leegte is vorm.

Dood de boeddha.

Gods wegen zijn wonderbaarlijk.

Het leven is een mysterie.

De weg is het doel.

Ik ben die ik ben.

Ik doe wat ik doe.

Niet-weten in 11 tussenwerpsels

Eh…

Hè?

Tja…

Mwah…

Jeetje…

Oei…

Ach…

Och…

Hm…

Poe…

Pff…

Tussenwerpsels zijn de noten van de hemelse weetnietmuziek. En het mooie is, je hoeft ze nooit te kraken.*

* Een schoolvoorbeeld van hemelse weetnietmuziek is de Nooitekrakensuite van Pratr Tjakovski.

Niet-weten is gekkenwerk

Zie ook radicaal niet-weten

Niet-weten is jazz

Door Goff Smeets.

Onlangs is ‘Both Directions at Once’ verschenen. Dat is een verzameling stukken gespeeld door het kwartet van saxofonist John Coltrane. Opgenomen in 1963, een paar jaar voor zijn overlijden. En drie weken voordat een ander kwartet – The Beatles – zijn eerste studio-opname maakte.

Kenners beweren dat er na John Coltrane niks meer te zeggen valt op de sax en dat hij de jazz kapot heeft geperfectioneerd. Zijn ‘truc’ was om het dollen met akkoorden in de vaste toonsoort van een stuk te vervangen door het dollen met niet-vaststaande toonsoorten voor het stuk.

Daardoor raakten melodie (het deuntje) en harmonie (steuntje onder het deuntje) nauwelijks te onderscheiden van elkaar. Voor de oren van getrainde musici – laat staan het publiek, zie beneden – is het dan ook hogere wiskunde. En voor hun vingers en de rest van het lichaam is het een uitputtingsslag vanwege het vaak razende tempo waarin Coltrane opereerde.

Het gebeurde meer dan eens dat zijn kompanen hem muzikaal en fysiek niet meer konden volgen en tijdens een optreden ofwel het zwijgen ertoe moesten doen ofwel een muzikaal duel aangaan. En ze waren bepaald niet de minsten: McCoy Tyner (piano), Jimmy Garrison (bas) en Elvin Jones (drums). De drummer was de enige die met melodie en harmonie nauwelijks te maken had en daardoor Coltrane’s sax wel kon volgen en ritmisch van repliek dienen.

Het publiek, ik in dit geval, lukt het niet om in veel stukken van Coltrane signaal van ruis te onderscheiden. Dat is niet-weten.

Er is een mop over: een klant in de dierenwinkel wil een zingende papegaai aanschaffen en de handelaar zegt dat er drie stuks in de aanbieding zijn. Nr. 1 heeft prachtige veren en kan alle solo’s van Louis Amstong zingen. Nr. 2 heeft eveneens een prachtig verenkleed maar is een stuk duurder omdat hij alle solo’s van Charlie Parker ten beste brengt. Nr. 3 is half-blind, heeft een slordig kapsel en is nauwelijks in staat om haar evenwicht op het schommelstokje te bewaren. Maar ze kost meer dan die andere twee bij elkaar. De klant vraagt wat ze dan zoal zingen kan. De winkelier zegt dat ie geen idee heeft maar dat de andere twee haar aanspreken met ‘maestro’.

Niet-weten is afzien van het verschil tussen ruis en signaal. John Coltrane liet het horen. En soms was het niet om aan te horen.

Niet weten, niet-weten of nietweten?

Is het niet weten, niet-weten of nietweten? Non boeddhist, non-boeddhist of nonboeddhist? Niet doen, niet-doen of nietdoen? Non dualisme, non-dualisme of nondualisme?

Verbinden of verbreken; het koppelteken en het ontkoppelde denken.

Een nietmachine is geen niet-machine

Taal is grillig en spellingsregels niet minder. Neem nou het koppelteken -. Op het eerste gezicht zit er best enige logica in het gebruik van dit minuscule dwarsliggertje.

We schrijven terecht niet-partijgebonden in plaats van nietpartij-gebonden, tenzij we het willen hebben over gehechtheid aan de nietpartij.

We schrijven terecht nietmachine in plaats van niet-machine want een nietmachine is mooi wel een machine, om niet te zeggen een wel-machine, mooi of niet, of een welmachine natuurlijk, die hoe je hem ook noemt wel niet.

Te recht zal geen welstandscommissie wel-standscommissie durven voorschrijven, al zal een schoolmeester, juist als hij niet aan een meesterschool doceert, het graag voor-schrijven als wel-stand-s-commissie.

We schrijven te recht niet-schakeling om aan te geven dat iets geen schakeling is, en nietschakeling voor een schakeling waarbij de sluiting van een stroomkring wordt gebruikt om een andere stroomkring te openen, of hij het nou doet of niet.

We schrijven te-recht niet-Nederlander in plaats van Nietnederlander, behalve ter aanduiding van de in woners van Nietnederland op het Innerlijk halfrond, en van deel-nemers aan het tele visieprogramma Heel Nederland Niet, maar wie dan wel?

We schrijven ter echt leernicht en niet leer-nicht noch niet-leernicht, want niet iedere leernicht heeft leerplicht maar wel leer-plicht, behalve onder de douche, dat is nou eenmaal de dresscode.

Je ziet, onze spellingsgoeroes zijn zo gek nog-niet, een unicum onder goeroes én nietgoeroes, petje-af maar hoedje voor de spellingsroes…

Een nietswaardige nietdeug

… en water dicht is het-hier geens zins. Zo schrijven we niet-gericht in plaats van nietgericht, ook al is er, nietobsessies daargelaten, weinig kans op verwarring.

We schrijven zonder doorslag gevende rede niet-bestaand, niet-bewust, niet-metaal, niet-doen en niet-zijn in plaats van nietbestaand, nietbewust, nietmetaal, nietdoen en nietzijn.

Omgekeerd schreven we vroeger volgens het Woordenboek der Nederlandse Taal (het Laat-Esdnalreden red Keobnedroow) onbekommerd nietdoenerij (ledigheid, thans nietsdoenerij) in plaats van niet-doenerij, nietdoenig (lui) in plaats van niet-doenig, nietemijtig (nietig) in plaats van niet-mijtig.

We schreven nietwetendheid in plaats van niet-wetendheid, nietweet (thans weetniet) in plaats van niet-weet, nietdeug (thans deugniet) in plaats van niet-deug.

We schreven nietjegenstaande, nietwederstaande en niettemeer in plaats van niet-jegenstaande, niet-wederstaande, niet-temeer en we schreven nieteenzins (geenszins) in plaats van niet-eenzins of niet-een-zins (of geenzins).

De nominaal heden-daagse woorden niettemin en niettegenstaande hebben zich bij uit zonder in met succes verzet tegen de verkoppeltekening van de nietwoorden maar niet tegen de ontkoppeltekening van niet-woorden, anders zouden we wel niet-te-min en niet-tegen-staande schrijven. Nietteminmogen ze vanmij zo het oude mannen huizin, met- of zonderdwars streepjes, liefst onderdwang.

Wist je trouwens dat samen stellingen met ‘niets’ nooit een koppel teken krijgen? Of-te nimmer? We schrijven nietsnutten, nietsbeduidend, nietsontziend, nietsverhullend, nietsvermoedend, nietswaardig, nietswording en nietszeggend in plaats van niets-nutten, niets-beduidend, niets-ontziend, niets-verhullend, niets-vermoedend, niets-waardig, niets-wording en niets-zeggend.

Noujij weer.

Een koppel teken

Ik nietweet, wij nietwisten, zij hebben genietweten?

Nou ikweer, ik mag me zelf, graaghoren.

Wie een lans wilbreken voor nietweten, aan elkaar dus, moet welbedenken dat niet-weten zowel een zelf standig naam woord is als een werk woord, en nog een sterkwerk woord ook.

Bij het zelf-standig naam-woord is er weinig-kans op verwarring. Of je nou spreekt van een zen boeddhistisch niet weten of een non-dualistisch niet-weten of het mystieke nietweten van Meistereckhart, niemand zal je mis verstaan, noem dat maar een predikant.

Anders is het met de werk-woordsvorm gesteld. Vormen de samen stellende delen van een werkwoord een vasteverbinding dan blijft deze norma-liter behouden in de vervroeging.

We zeggen ik stofzuig, wij stofzuigden, zij hebben gestofzuigd maar nietzeggen ik zuig stof, zij zogen (of zoogden of zuigden) stof, wij hebben stof gezogen.

We zeggen ik nietsnut, jij nietsnutte, jullie hebben genietsnut maar nietzeggen ik nut niets, jij nutte niets, jullie hebben niets genut.

Zouden we van niet-weten een vasteverbinding maken en toch consequent willenwezen of -weduwen, dan werd het ik nietweet, hij nietwist, zij hebben genietweten.

Het spirituelejargon kent behalve niet-weten nog een hele boel anderewerk woorden die beginnen met ‘niet’. Niet-doen, niet-zoeken, niet-vinden, niet-bereiken bevobbeld. Of toch maar nietdoen, nietzoeken, nietvinden en nietbereiken, met alle vergezochtevervoegingsverwarring vandien?

Je moet het helemaal zelfweten hoormaar als je het mijvraagt komt het je geloof waardigheid niettengoede niet tegen staande je goedeboedelingen.

Ik-zelf hou mijn-zelf aan de conventie, hoe onrede lijk ook. Of het nou om een zelfstandig maanwoord (niet-geest, niet-zelfstandig, niet-god) gat of om een werknietwoord (niet-noemen, niet-spreken, niet-zwijgen), ik gewoongebruik een koppel teken.

Net zoals ik gewoongebruik non-dualist, non-dualisme, non-duaal en non-dualiteit blijfschrijven, ook al schietende nondualisten, nondualismes, nondualen en nondualiteiten op in ter net tegen woordig naar Goedfrans voor beeld als pad-en-stoelen uyttegrond.

Ook de non heeft officieel rechtop koppels teken – de fictie-non, de conformisme-non, de proliferatie-non, de issue-non, de boeddhist-non, maarniet, nondeju, de nonvariante nonvaleur, van wegehaar non-existente nonrespons zeker waar, schijnlijk.

Hoedan ook, en wie eigenlijk niet? Krijg ik goed-genoeg van al die bewust-zijns k nonnen zonder-onder-scheid of tussen ruimte dan schr-f ik g-w-n adualisme of adualist of adualiteit. So wie so n aan rader.

Maar wat zegt een maan?

Leesteken

Nihilisme

Nihilisme is de overtuiging dat er geen grondwaarden of grondwaarheden bestaan waarop men zich kan beroepen bij zijn keuzes. Er is niets om vanuit te gaan, niets om in te geloven. Niets heeft ook maar enige zin of betekenis. Iedereen die iets anders beweert maakt zichzelf wat wijs.

De agnost is er niet van overtuigd dat er geen grondwaarden of grondwaarheden bestaan waarop men zich kan beroepen bij zijn keuzes, ook niet dat die wel bestaan.

Hij is er niet van overtuigd dat er niets is om vanuit te gaan, ook niet dat er toch iets is om vanuit te gaan.

Hij is er niet van overtuigd dat er niets is om in te geloven, ook niet dat er toch iets is om in te geloven.

Hij is er niet van overtuigd dat hij zelf kan kiezen, ook niet dat hij dat niet kan.

Hij is er niet van overtuigd dat niets ook maar enige zin of betekenis heeft, ook niet dat iets of alles toch zin en betekenis heeft.

De agnost is nergens van overtuigd, ook hiervan niet.

Niet-weten is geen nihilisme.

Nu-isme

Als je iemand met belangstelling voor spiritualiteit vraagt hoe laat het is, moet je niet gek opkijken als hij zegt: ‘Nu.’ Dan weet je meteen dat je te maken hebt met een aanhanger van de leer van het eeuwige heden.

Volgens deze leer is het altijd nu. Het verleden is een herinnering nu. De toekomst is een verwachting nu. Tijd als zodanig is een illusie. Alleen het huidige moment is reëel.

De leer van het eeuwige heden is in het huidige heden zo populair dat ik er maar een naam voor bedacht heb: nu-isme.

Nu-isme is het truïsme dat het altijd nu is.

Iemand die het nu-isme aanhangt is een nu-ist. De nu-ist leeft naar zijn idee buiten de tijd in een heden zonder begin of einde, waarbinnen de lineaire en de cyclische, de logische en de psychologische, de relatieve en de absolute, de omkeerbare en de onomkeerbare tijd als illusie verschijnen. Hij weet zich in zijn diepste wezen ex tempore.

Ik vind het nu-isme een mooie theorie. Een prachtexemplaar tussen miljoenen andere prachtexemplaren aangaande de tijd en talloze andere thema’s.

Of het altijd nu is mag iedereen voor zichzelf uitmaken. Mij is het niet gelukt. Ik ben er niet uitgekomen, en toch zit ik er niet meer in. Ik weet mij niet in een eeuwig heden en niet erbuiten. Ik weet mij niet in de tijd noch de tijd in mijzelf. Ook in andere opzichten heb ik over tijd niets te melden.

Dat was het voor nu. Welterusten, en morgen gezond weer op.

Numinisme

Het bestaan af en toe ervaren als een ‘goddelijk mysterie dat fascineert en doet beven’ omdat men zich overgeleverd voelt aan ‘het grote onbekende’, is één ding. Het bestaan opvatten als een goddelijk mysterie is iets heel anders.

In het laatste geval is er sprake van een niet-lege leer omtrent de ware aard van de werkelijkheid, waarvoor ik hier maar even de term numinisme gebruik (Latijn, numen, goddelijke openbaring; Duits, das Numinose (Rudolf Otto); Nederlands, het numineuze, het goddelijke mysterie). Een aanhanger van het numinisme heet dan een numinist.

Deze toevoeging aan onze wondere taal heeft weinig zin, behalve dat ik nu in vier niet mis te verstane woorden kan zeggen: niet-weten is geen numinisme.

Dat deze vier woorden niet mis te verstaan zijn is ijdele hoop, maar ik geloofde het toch al niet.

Onderscheidingsonvermogen

Dat de wijze over wijsheid beschikt – kennis, inzicht, onderscheidingsvermogen – betekent nog niet dat de dwijze over dwijsheid beschikt.

Dwijsheid is eerder een onderscheidingsonvermogen.

Het is niet zozeer iets waarover je beschikt als iets waarover je de beschikking bent kwijtgeraakt – of waardoor je niet langer wordt beschikt.

Willen we ons voor de verandering positief uitdrukken, dan moeten we dwijsheid omschrijven als het inzicht dat al onze onderscheidingen grondeloos zijn.

Met deze kunstgreep introduceren we onwillekeurig het onderscheid gegrond - grondeloos, dat uitgaande van bovenstaande omschrijving zelf niet anders dan grondeloos kan zijn.

Is het dat niet dan volgt daaruit op grond van de logica alsnog de grondeloosheid van onze eigen dwijsheid, zodat we geen steek zijn opgeschoten.

Bovendien positioneert het woord dwijsheid, dat het onderscheid tussen dwaasheid en wijsheid wil overstijgen, zich ongewild tussen deze termen in en introduceert het, of ik het nou leuk vind of niet, maar liefst drie nieuwe onderscheidingen: dwaasheid - dwijsheid, dwijsheid - wijsheid, en (dwaasheid - wijsheid) - dwijsheid.

Voor het geval je eroverheen hebt gelezen: ik heb en passant ook nog onderscheid gemaakt tussen onderscheiden en niet onderscheiden, tussen inzicht en geen inzicht en tussen ik en jij, en ik sta op het punt onderscheid te maken tussen (onder meer) onder en boven, meer en minder, dit en dat, ons en de anderen, opzadelen en afzadelen, spreken en zwijgen, en verdelen en verenigen.

Dit heet: van kwaad tot erger.

Wat ons weer met de onderscheidingen kwaad - goed en erger - beter opzadelt.

Want spreken is verdelen.

Maar daarom is zwijgen nog geen verenigen.

Ont-snappen

Ont-snappen is ontsnappen aan het snappen en opgaan in niet-weten.

Ontzeggingskracht

De effectiviteit waarmee een bepaald weten onder woorden wordt gebracht, heet de zeggingskracht. Net zo kunnen we de effectiviteit waarmee een bepaald niet-weten onder woorden wordt gebracht, de ontzeggingskracht noemen.

Een dwaaltekst waarin afgerekend wordt met een groot aantal verschillende ideeën over, laten we zeggen, god, waarheid, wijsheid, verlichting, ethiek, de mens, de geest, het lichaam, de liefde, de dood of de (on)zin van het leven, heeft dan een grote ontzeggingskracht.

Onverstand

Een onverstand is een verstand dat niet langer gebonden is aan de categorieën van Kant of aan welke categorieën dan ook van welke filosoof of non-filosoof ook, of ten minste zijn gebondenheid daaraan inziet en doorziet.

Een onverstand houdt zijn eigen gedachten niet langer voor werkelijk of voor illusoir of voor wat dan ook.

Deze gedachten ook niet.

Oplossing

Begin van nieuwe problemen.

Paradoxie

Naar analogie van woorden als orthodoxie en heterodoxie zouden we niet-weten – het ontbreken of althans het tussen haakjes staan van iedere mening – adoxie (a-, niet + doxie: geen mening) kunnen noemen.

Orthodoxie is rechtzinnigheid, heterodoxie is onrechtzinnigheid. Het is daarom niet vergezocht om adoxie terug te vertalen als onzinnigheid. In normaal Nederlands duidt dit woord op een gebrek aan gezond verstand, wat voor de meeste mensen iets negatiefs schijnt te zijn.

Om het verschil tussen deze betekenis en die van adoxie aan te geven, schrijven we daarom on-zinnigheid, met een streepje tussen on en zinnigheid. De bijbehorende adjectieven zijn respectievelijk adox en on-zinnig, in de betekenis van niet-wetend.

Zoals men van een christen kan zeggen dat hij rechtzinnig is omdat hij in overeenstemming met de rechte leer leeft, zo kan men van een dwijze zeggen dat hij on-zinnig is omdat hij in overeenstemming met de lege leer leeft.

Voor zover het niet-weten zich manifesteert als een eindeloze nevenschikking van meningen (standpunten, perspectieven, oordelen et cetera) waartussen de weetniet ten diepste geen onderscheid weet te maken, is paradoxie (Grieks, para, naast, bij + doxa) een voor de hand liggend synoniem.

Zie ook: paradox (stijlfiguur), leven in de paradox.

Polderspiritualiteit

Geen bergen, geen rivieren.

Niet weten is als de polder. Vlak en open. Een groene woestijn. Een zee van gras.

De grootste hoogte is de grootste diepte. Je voetstuk steekt niet boven het maaiveld uit, het maaiveld niet boven je voetstuk. Geen weg om te vinden, geen weg om te volgen, geen weg om kwijt te raken.

Geen bergen, geen rivieren. Geen bergen die geen bergen meer zijn, geen rivieren die geen rivieren meer zijn. Geen bergen die weer bergen zijn, geen rivieren die weer rivieren zijn.

Niets om je achter te verbergen, niets om te bedwingen, niets om in te verdrinken. Niets om naartoe te lopen, niets om vandaan te lopen. Niets dan meer van hetzelfde, schijnbaar ingesloten door een onbereikbare einder.

De ene polder is de andere. Gene zijde is deze zijde. Daar is hier.

De polder biedt maat noch houvast. Wat je ziet is wat je krijgt. In de polder zijn is blind zijn voor de polder.*

Niet weten is als de polder.

De Polderberg

* Polderblindheid: onvermogen tot het schatten van de juiste afstand, door het ontbreken van markante herkenningspunten in een polderlandschap (Van Dale).

Postmodernisme

Zuivere waarheid bestaat niet

Postmodernisme is een verregaand cultuurrelativisme zonder heilige huisjes. Volgens het postmodernisme is alle kennis relatief: cultuur-, situatie-, subject-, plaats- en tijdgebonden. Zuivere waarheid bestaat niet, geen enkele leer is definitief en de mens als maker en individu is een mythe.

Wie onze cultuur wil begrijpen, richt zich niet op haar voortbrengers maar op haar voortbrengsels. Het discours (het geheel van teksten in een samenleving) kan bijvoorbeeld alleen begrepen worden vanuit zichzelf, niet vanuit (de psychologie van) zijn schijnbare auteurs.

Ook de tekst die je nu leest moet volgens de postmodernist begrepen worden vanuit het, laten we zeggen, wijsgerig-spirituele discours, en niet als een communiqué van de persoon Hans van Dam.

Steeds nieuwe perspectieven en identiteiten

Het postmodernisme is niet alleen een stroming in de wijsbegeerte, maar ook in de menswetenschappen, de politiek, de literatuur, de schilderkunst en de filmkunst.

Een hedendaagse postmoderne schrijfster van Nederlandse bodem is Hanna Bervoets (1984), die in haar romans wil laten zien dat geen enkel subject of object restloos te bepalen is, dat er steeds nieuwe perspectieven en identiteiten mogelijk zijn, maar nooit definitieve.

Deze denkwijze herinnert aan de leerstukken van leegte, niet-zelf en afhankelijk-ontstaan in het boeddhisme, dat althans in dit opzicht postmodern avant la lettre was.

Pluralisme

Het postmodernisme kun je net als het dadaïsme, het existentialisme en het absurdisme zien als een reactie op wat we achteraf het modernisme van de late negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw zijn gaan noemen – de hoogtijdagen van het fascisme, kolonialisme, nazisme, dialectisch materialisme, communisme, socialisme en historicisme, dat volgens postmoderne denkers alleen maar tot onderdrukking, dictatuur en wereldoorlogen kon leiden.

Eén volk, één rijk

Degenen die wij achteraf postmodernisten zijn gaan noemen, zochten destijds eendrachtig naar een alternatief voor het enge eenheidsdenken dat inzet op één waarheid, één ideaal, één moraal, één kunst, één volk, één wereld, één rijk, één partij, één leider, één pad, één religie. Ze meenden het gevonden te hebben in het pluralisme.

Postpostmodernisme

Hoe revolutionair het postmodernisme ook mag lijken, toch is daarmee het einde van het relativeren nog niet bereikt. Want we kunnen het cultuurrelativisme zelf nog relativeren, het heilige huisje van geen-heilige-huisjes nog omverhalen – het enge eenheidsdenken dat monomaan inzet op veelheid en daarom niets anders is dan een fundamentalistisch antifundamentalisme.

Mocht dit inderdaad de uiterste consequentie van het postmodernisme zijn dan zit er misschien een volgend tijdperk aan te komen, dat ik hier maar even het postpostmodernisme of apocalyptisch het einde der tijden zal noemen.

Daarin waant men zich niet meer verder in een volgend tijdperk, niet meer terug in een vorig tijdperk, en ook niet meer gevangen of bevrijd in een tijdelijk of eeuwig heden, maar is men dienaangaande geheel vrij van overtuigingen en idealen. Dus ook van de overtuiging en het ideaal dienaangaande geheel vrij van overtuigingen en idealen te zijn.

Daarmee zou het vooruitgangsdenken definitief tot een einde gekomen zijn, evenals het doemdenken, zodat we nooit meer zouden kunnen vaststellen of we nou beter of slechter af waren. Maar of we daarmee beter of slechter af zouden zijn?

Endisme

Het schijnt dat de fatale filosoof Jean Baudrillard al in 1992 in Illusion de la fin, waarin hij de lineaire opvatting van de tijd op de korrel neemt, het einde van het einde heeft verkondigd.

Hij werd daarin voorgegaan door talloze verkondigers van het einde van het een of ander: het einde van de wereld (eschatologie), het einde van de filosofie (scepticisme, pyrronisme), het einde van de oorlog (‘the war to end all wars’), het einde van de kunst (Arthur Danto), het einde van het subject (advaita vedanta, boeddhisme), het einde van het boek, het einde van de roman, het einde van de poëzie, het einde van de schilderkunst, het einde van de muziek, het einde van de godsdienst, het einde van de staat, het einde van de geschiedenis (Francis Fukuyama), het einde van het metaverhaal (Lyotard) en het einde van de representatie (Derrida), om maar eens wat te noemen.

De onbedwingbare neiging om ergens het einde van te verkondigen, wordt endisme genoemd, een term die beslist een plaatsje verdient in een toekomstige versie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM), aangenomen dat die zelf nog een plaatsje verdient in een postpostmoderne versie van de psychiatrie, aangenomen dat de psychiatrie zelf nog een plaatsje verdient in een postpostmoderne versie van deze wereld of wereldillusie of wereldillusie-illusie.

Het einde van het einde

Naar verluidt werkt de geest van voornoemde Baudrillard, een verwoed polemist die kennelijk nog steeds het laatste woord wil hebben, sinds zijn lichamelijk dood in 2007 in alle onrust aan een studie getiteld: Illusion de la fin de la fin (de illusie van het einde van het einde).

Zelf werk ik sinds ik het weten en het niet-weten en het achterlaten achter me heb gelaten aan een definitieve studie over het laatste woord, getiteld Het laatste woord over de illusie van het laatste woord, of De illusie van het laatste woord over de illusie, daar ben ik nog niet uit en dat wou ik graag zo laten.

Hierbij kondig ik ook vast het einde van het endisme aan, en het einde van het einde daarvan, voordat iemand mij voor is, in de hoop tenminste één keer in mijn leven ergens zo niet de beste dan toch de eerste in te zijn, al was het maar postuum, of postpostuum desnoods.

Eén leer, één pad

Quiëtisme

Doe niets en wordt zalig.

Het quiëtisme is een mystieke beweging die passiviteit, gelatenheid, zwijgzaamheid, meditatie, niet-denken, niet-willen, niet-weten, onthechting en overgave predikt met als oogmerk gemoedsrust, zaligheid, volmaaktheid of de eenwording met God.

Quiëtisme is van alle tijden en plaatsen. We vinden het onder meer in de vorm van het boeddhistische streven naar nirwana (uitdoving), in de meditatievorm shikantaza (alleen maar zitten) van sotozen, in het woordloos biddend navelstaren van de hesichasten, in het doende niet-doen van de daoïsten, in de Griekse idealen van apatheia en ataraxia (zie boven) en in het indifferentisme (de onverschilligheid ten aanzien van de eigen zaligheid) van Meister Eckhart.

Wie niet weet kent als gevolg van zijn agnose misschien een zekere gemoedsrust, maar streeft er niet naar en predikt niets. Behalve misschien, bij wijze van tijdverdrijf, de lege leer, die toch niet bestaat en daarom rustig gepredikt kan worden zonder meteen een predikant te zijn.

Passiviteit of activiteit, gelatenheid of verzet, zwijgzaamheid of spraakzaamheid, denken of mediteren, doen of laten, hechten of onthechten, het is de agnost allemaal om het even. Mocht het hem onverwacht toch een keertje uitmaken dan is dát hem om het even, et cetera.

Niet weten is geen quiëtisme.

Zie ook sst.

Quod erat demonstrandum

Latijn voor ‘wat te bewijzen was’. Je ziet het vaak als acroniem (Q.E.D.) of als dusteken (∴) onder wiskundige en logische bewijzen staan.

Bewijzen betekent in de wiskunde: afleiden uit onbewezen axioma’s volgens afleidingsregels die niet uit het systeem zelf zijn af te leiden. Hieruit volgt:

1. Wiskunde berust volledig op onbewezen axioma’s en afleidingsregels

2. Axioma’s berusten volledig op onbewezen wiskunde

Q.E.D.

In de logica betekent bewijzen: afleiden uit onbewezen postulaten volgens wetten die niet in het systeem zelf bewezen kunnen worden.

Hieruit volgt:

1. Logica berust volledig op onbewezen postulaten en wetten.

2. Postulaten en wetten berusten volledig op onbewezen logica.

Q.E.D.

Een en ander betekent natuurlijk niet dat wiskunde en logica onwaar of nutteloos zijn. Hun bruikbaarheid is in de praktijk afdoende bewezen en zuivere wiskunde is net als zuivere logica een prachtig spel en een heerlijk tijdverdrijf.

Zie ook: bewijs.

Radicaal niet-weten

In de mystiek is niet-weten een wachtkamer voor God, bij de Zen Peacemakers is het een bejegeningsideaal, bij Jan Oegema een levenshouding en in het bedrijfsleven een managementmethode. Wat is niet-weten nou echt?

1. Een radicaal niet-weten

Ieder woord van iedere taal betekent voor ieder wezen – mens, paard, hond, vis – iets anders, of gewoon niets. Soms zijn de verschillen klein, soms zijn ze onoverbrugbaar groot. Soms zijn we ons van de verschillen bewust, dikwijls blijven ze onder de radar, waardoor we ten onrechte denken dat we elkaar verstaan of misverstaan, dat we het eens zijn of juist oneens.

Ook niet-weten betekent voor iedereen iets anders. Voor sommigen is het openheid, een onbevooroordeelde blik, medemenselijkheid; voor anderen is het een weg naar God of het onverdeelde zelf, de non-dualiteit. Voor de een is het een middel, voor de ander is het een doel. Voor de daoïst is het wijsheid, voor de theravadin onwetendheid.

Voor mij is niet-weten gewoon niet weten. Met je mond vol tanden staan. Dat je het allemaal even niet meer weet, je kent dat wel – maar dan chronisch.

Niet-weten is geen doen. Het is ook geen laten. Het is geen zelf en geen niet-zelf. Het is geen ideaal, geen middel, geen weg en geen doel. Het is niet juist en niet onjuist. Het is nergens goed voor en het is nergens slecht voor, niet van zichzelf, niet dat ik weet.

Integendeel, denken in termen van tegendelen zoals goed en slecht, juist en onjuist, weg en doel, ideaal en middel, zelf en niet-zelf, doen en laten, weten en niet-weten, behoort helemaal tot het weten. Net als deze tekst. Ik kan het ook niet helpen.

Om het verschil met alternatieve betekenissen van ‘niet-weten’ te benadrukken, noem ik het mijne weleens een radicaal niet-weten, kortweg agnose (a-gnose). Dit laatste woord speelt in het Nederlands nauwelijks een rol en heeft van concurrerende betekenissen nog weinig te duchten. Ik kom er zo op terug.

2. Niet-weten als tussenstadium

In de mystiek, vooral bij Johannes van het Kruis, is niet-weten een praktijk van bidden, meditatie en contemplatie om je te ontledigen van al je zelfbeelden en godsbeelden, want die staan tussen jou en de allerhoogste in.

Ook verwijst niet-weten er naar de dorre tussentijd waarin je beeldloos afwacht totdat God, wie of wat dat ook moge wezen, zich eindelijk aan jou openbaart, wie of wat jij ook mag wezen.

Erg aangenaam schijnt deze toestand niet te zijn. Johannes van het Kruis noemt het de donkere nacht van de ziel, een kwelling waaraan voor een enkeling een einde komt in de mystieke vereniging met de beeldloze.

Het radicale niet-weten waarvan ik getuig is geen wachtkamer (martelkamer, verloskamer) maar een gelagkamer (rustkamer, speelkamer). Geen tussenstadium maar een eindstadium waarin je je gedachten doorziet, een voor een, dan breekt het lijntje niet. Dus ook de gedachte van niet-weten als een eindstadium waarin je je gedachten een voor een doorziet. Alsof dat mogelijk zou zijn. Alsof het wenselijk zou zijn.

Aan een radicaal niet-weten komt géén einde in de mystieke vereniging met de beeldloze. Agnose is zelf al de mystieke vereniging. Een vereniging zonder bestuur en zonder leden. Een en al mysterie, zonder tal of taal of teken, niet te claimen, niet te faken. Ook dit is maar een beeld. Agnose is helemaal het einde, ook van niet-weten, ook van beeldloosheid, ook van het mysterie en zelfs van het einde, dus dat scheelt. Leve de lege statuten.

Voor mij is niet-weten geen kwelling. Wéten was de kwelling, als we dan per se in dit soort termen moeten denken. Wel ben ik door het verlies van mijn twijfelachtige zekerheden flink in de rouw geweest. Vaak stonden de tranen in mijn ogen of liepen ze over mijn wangen zonder dat ik er erg in had.

Agnose is een bad dat snel volloopt maar langzaam warm wordt, zou je kunnen zeggen. Het vertrouwen dat je in dit bodemloze tepidarium niet zult verdrinken, moet groeien. Zolang je er niet volledig op vertrouwt, kun je je er niet volledig in ontspannen. Dat kost tijd, jaren in mijn geval, ik was ook zo’n ontzettende weetal.

Tegenwoordig balanceer ik vaak uren achtereen op het randje van de euforie, ongelooflijk. Maar ik zit dan ook al tien jaar in bad. Euforie bewijst natuurlijk niks, je kunt overal van uit je dak gaan – van Jezus, van Hazes, van Krishna, van Callas, van Boeddha, van Beckett, van genot, van pijn, van kopen, van wegdoen, van woorden, van stilte – maar lekker is het wel. Bovendien heb ik niks meer te bewijzen, dit ook niet.

Hoe het ook zij, in een radicaal niet-weten ben je niet alleen vrij van onwrikbare zelfbeelden en godsbeelden, zoals de aanstaande mysticus, maar van alle vaste denkbeelden omtrent welk onderwerp ook – mensbeelden, wereldbeelden, boeddhabeelden, heiligenbeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden, ziektebeelden, de hele reutemeteut, inclusief je vrijheidsbeelden, inclusief dít vrijheidsbeeld.

Het is niet dat er geen denkbeelden meer zijn, maar dat het geen denk-beelden meer zijn. Radicaal niet-weten is een denkbeeldenstorm die alle denk-beelden aan diggelen slaat, met sokkel en al, de diggelen tot gruis, het gruis tot stof.

Mettertijd luwt de beeldenstorm, maar de wind van niet-weten gaat nooit liggen. Stofhoosjes vormen schijngestalten van voormalige denkbeelden. Oude bekenden, je kijkt er dwars doorheen en ze vallen meteen weer uiteen.

Ook dit is maar een denkbeeld, ik hoop dat je het doorziet.

3. Niet-weten als voorschrift

Een heel andere betekenis van het begrip niet-weten vinden we bij de Zen Peacemakers. Voor hen is niet-weten geen tussenstop onderweg naar God, maar een humanistisch bejegeningsideaal. Zen Peacemakers willen de medemens open en onbevooroordeeld tegemoet treden, met ‘een houding van niet-weten.’

Een soortgelijke benadering zien we bij de ietsist Jan Oegema, auteur van De stille stem, die niet-weten een levenshouding noemt, waarvoor je kunt kiezen en waarvoor je zou moeten kiezen. Zijn boek is een pleidooi voor openheid, barmhartigheid en naastenliefde – degelijke oecumenische, boeddhistische en verlichtingsidealen, traditiegetrouw gegrond in de zwevende vooronderstelling van een ik met een vrije wil.

Niet-weten als levenshouding

Vragen stellen, luisteren, lief zijn voor elkaar, leven en laten leven, ik vind het prachtig allemaal, misschien wat eenzijdig en naïef. Maar net als bij het bejegeningsideaal van de Zen Peacemakers is het mij niet duidelijk waarom deze levenshouding ineens niet-weten moet heten. Wat voegt dat toe, wat neemt het weg, wat haalt het uit? Oude wijn in nieuwe zakken, zegt het spreekwoord onbarmhartig, maar misschien is dat een vooroordeel.

Ook in managementboeken wordt niet-weten opgevat als een houding, een keuze, een methode, een ideaal. Het is, opnieuw, een machtsgreep. De manager krijgt het advies om zijn vakmatige onwetendheid openlijk toe te geven en een beroep te doen op de expertise van de werkvloer. Hij legt niet zijn wil op zoals de bazen van weleer, maar laat zich adviseren door zijn ondergeschikten, die qua knowhow eigenlijk zijn superieuren zijn. Een manager die niet weet, staat in dienst van werknemers die wél weten. Hij dirigeert niet, hij faciliteert, en het bedrijf profiteert. Zo legt de manager indirect toch zijn wil op, of wiens wil het ook mag wezen.

Geen probleem, dat is het punt niet. Het punt is dat er in een onbegrensd niet-weten bij gebrek aan denk-beelden geen sprake kan zijn van een bejegeningsideaal, een levenshouding of een managementmethode. Ook het meta-ideaal om anderen of het leven zónder idealen, houdingen of methoden tegemoet te treden, vindt in agnose geen onderdak.

Het punt is dat niet-weten geen punt is. Geen aandachtspunt, geen agendapunt, geen aanknopingspunt en geen gezichtspunt. Niet-weten is geen-punt – of het moest een breekpunt zijn. Een nulpunt?

Misschien spreekt deze formulering je aan: in een onbegrensd niet-weten is er de facto (maar niet de jure) ruimte voor alle denkbare idealen, houdingen en methoden naast elkaar, hoe tegenstrijdig ook, en voor alle denkbare bezwaren tegen alle denkbare idealen, houdingen en methoden, hoe onredelijk ook.*

Net zo is er in een onbegrensd niet-weten ruimte voor alle denkbare definities van niet-weten, en voor alle claims van wie dan ook als zou een bepaalde definitie de enige juiste zijn, of een bepaald soort niet-weten het enige ware niet-weten, of ieder niet-weten obstinate onwetendheid, of wat dan ook.

Zelf claim ik bij mijn weten niets, dit ook niet. Noem het wat je wilt.

* Dit is de gedachte van de hele leer.

Reden

Redenering die het redeloze aanvaardbaar maakt voor de Rede.

Reductionisme

1. Neiging om het menigvuldige te herleiden tot of voor te stellen als het eenvoudige. Kenmerkend voor religies, wereld- en levensbeschouwingen.

2. Iedere leer waarin dat gebeurt.

Typerend voor het reductionisme zijn zinnen van het type ‘Alles is…’, bijvoorbeeld ‘alles is stof’, ‘alles is bewustzijn’, ‘alles is ego’, ‘alles is seks’.

Een reductionist is 1. Iemand met een reductionistische denktrant; 2. iemand die een reductionistische leer aanhangt.

Regressie

Onder regressie versta ik het stapsgewijs herleiden van een doorgaans bijzondere zaak, de regressor (bijvoorbeeld een begrip, bewering, bewijs, interpretatie, oorzaak of verklaring) tot een gelijksoortige en doorgaans algemenere zaak.

Wanneer een regressie na een of meer achterwaartse stappen doodloopt in een beginpunt – een eerste oorzaak, een laatste zin, een hoogste doel, een diepste betekenis, een universele wet, een theorie van alles, een absolute autoriteit, een hoogste werkelijkheid, een ultieme waarheid, een basiswaarde – dan spreken we van een eindige regressie, anders van een oneindige regressie.

Keert een eindige regressie op een van zijn eigen schreden terug, dan spreken we van een circulaire regressie of een vicieuze cirkel.

Datgene waarin een eindige regressie ten einde loopt, heet de grond van de regressor. Datgene waarin een oneindige regressie doorloopt, heet de ongrond van de regressor.

Zodra je vaste grond onder je voeten hebt, is het probleem waarvoor je je gesteld zag, bijvoorbeeld het funderen van kennis, opgelost. Tot die tijd schuif je het probleem alleen maar voor je uit en ben je grondeloos.

Prijsvraag: Hoe noem je iemand die geen gronden (nodig) heeft en zich toch niet grondeloos waant?

Zie ook: eerste oorzaak, regressieargument, regressieprobleem, regressievraag, trilemma van Agrippa

Regressieleer

Regressieleer is het kentheoretisch dogma dat ieder gezag – god, paus, kerk, bijbel, wetenschap, empirie, verstand, opleiding, intuïtie, ervaring – waarop je je beroept om iets (een daad, een maatregel, een stelling) te rechtvaardigen, op zijn beurt autorisatie behoeft, zonder eind, zodat je nooit ook maar de geringste zekerheid kunt verkrijgen.

Iedere verklaring vraagt immers om een onderliggende verklaring, iedere interpretatie om een hogere interpretatie, ieder principe om een achterliggend principe, et cetera.

Wat je ook opvoert, god, de wetenschap, intuïtie, ervaring, ratio, instinct – de vraag vanuit de regressieleer zal altijd zijn: hoe weet je dat die grond onbetwijfelbaar is?

Dit obstinate doorvragen, waartegen geen kruid gewassen is, maakt van elke regressie een oneindige regressie die verloren loopt in het ongewisse – tenzij je net als de wiskunde je toevlucht neemt tot postulaten.

Daardoor krijgt kennis echter hetzij een hypothetisch hetzij een fundament(al)istisch karakter en schiet je het doel, het onderbouwen van die kennis, alsnog voorbij.

Het probleem van het funderen van kennis noem ik het regressieprobleem*.

Het argument dat je vanwege het regressieprobleem niets (zeker) kunt weten, noem ik het regressieargument.

De regressieparadox

Als het in algemene zin waar is dat iedere poging tot onderbouwing uitloopt op een oneindige regressie dan geldt dit uiteraard ook voor de regressieleer zelf.

Als het daarentegen niet voor de regressieleer zelf geldt dan is het in algemene zin niet waar.

Dat de regressieleer zichzelf kan onderbouwen is daarom al op voorhand uitgesloten.

Tenzij we de logica overboord zetten natuurlijk, maar dan kan het helemaal niet meer.

Regressieleer is dus zelf onontkoombaar dogmatisch.

Daarin verschilt het van niet-weten, dat geen enkele uitspraak doet over wat dan ook, dus ook niet over de grondeloosheid van alle kennis.

Uit de lege leer volgt niets, ook geen regressieleer.

Omgekeerd volgt de lege leer nergens uit, ook niet uit de regressieleer.

Meer heb ik hier over een eventuele via regressiva naar of uit niet-weten niet te zeggen.

Scepticisme

Scepticisme is de filosofie van de twijfel. Er bestaan veel varianten van, die niet allemaal een eigen naam hebben gekregen, die niet consequent toe te schrijven zijn aan individuen, scholen of werken uit de geschiedenis van de wijsbegeerte en die niet eenduidig in te delen zijn, tenminste niet door mij.

Een kleine greep:

1. Je kunt niets weten, ook niet dat je niets kunt weten en ook niet hoe je moet leven (radicaal scepticisme).

2. Je kunt niets weten, ook niet dat je niets kunt weten maar wel hoe je moet leven (praktisch scepticisme van Pyrrho van Elis).

3. Je kunt niets weten, behalve dat je niets kunt weten (dogmatisch scepticisme).

4. Je kunt niets zeker weten maar wel met enige waarschijnlijkheid (probabilisme).

5. Je kent alleen de associaties van het verstand (Hume).

6. Je kunt alleen iets weten doorheen de categorieën van het verstand, (tijd, ruimte, oorzaak en getal; Kant).

7. Je kunt alleen weten wat in de ervaring gegeven is (empirisch scepticisme van Sextus Empiricus; logisch positivisme van Carnap c.s.).

8. Je kunt alleen bewustzijnsinhouden kennen (idealisme, Bacon).

9. Je kunt alleen maar de inhoud van je eigen bewustzijn kennen (solipsisme).

10. Je kunt alleen maar weten wat werkt (pragmatisme, Peirce).

11. Je kunt alleen maar weten wat niet waar is (falsificationisme, Popper).

12. Je kunt alleen maar iets weten voor jezelf (subjectivisme).

13. Je kunt alleen maar weten wat in taal is uit te drukken (linguïstisch relativisme, Sapir-Whorf).

14. Je kunt alleen iets weten binnen een gegeven context (contextualisme).

15. Je kunt alleen iets weten binnen een vooringenomen denksysteem (postmodernisme).

Welk type scepticisme komt het dichtst bij niet-weten?

Geen enkel.

Niet-weten is ‘tja’ zeggen tegen ieder isme, dus ook tegen iedere vorm van scepticisme.

Niet omdat je het beter weet, maar omdat je het niet meer weet.

De agnost is niet van mening dat je niets kunt weten, ook niet dat je toch iets kunt weten, en ook niet dat je zelfs niet kunt weten dat je niets kunt weten.

Hij is niet van mening dat je zus moet leven of zo moet leven of geen uitspraken kunt doen over hoe je wel of niet moet leven.

Hij is niet van mening dat je niets zeker kunt weten maar wel met enige waarschijnlijkheid; ook niet dat dat niet zo is.

Hij is niet van mening dat je alleen de associaties van het verstand kent maar niet de werkelijkheid, gesteld dat er zoiets is, en ook niet dat je de werkelijkheid alleen kunt kennen doorheen de categorieën van het verstand, gesteld dat het verstand categorieën heeft die in de werkelijkheid niet zouden bestaan, enzovoort et cetera.

Niet-weten is geen scepticisme.

Spiritualiteit

Spiritualiteit is vragen stellen, je vragen bevragen, de woorden in je vragen bevragen, de veronderstellingen in je vragen bevragen, het vragen zelf bevragen tot je antwoord hebt gekregen of bent uitgevraagd – in mijn geval dat laatste.

Spookwoord

Een spookwoord is een woord zonder tegenhanger in de werkelijkheid.

Volgens nominalisten en volgens boeddhisten die de doctrine van de leegte (sunyata) aanhangen zijn alle woorden spookwoorden. Ook ‘werkelijkheid’, ‘nominalist’, ‘boeddhist’ en ‘leegte’.

Volgens realisten (de tegenstrevers van de nominalisten in de middeleeuwen) heeft ieder woord een tegenhanger in de werkelijkheid, zelfs spookwoord.

De meeste mensen houden het midden tussen nominalisme en realisme; zij nemen een tussenpositie in.

Ikzelf neem helemaal geen positie in.

Een spookpositie, als het ware.

Had ik daar maar een woord voor.

Sst

De figuurlijke stilte van niet-weten.

Sst is het antwoord van de weetniet op alle levensvragen.

Synoniemen: tja, eh, och…

Als je het allemaal niet meer weet, zoals ik, dan is het net alsof je de hele tijd ‘sst’ (‘tja’, ‘eh’… ) zegt tegen je gedachten. Net alsof, maar niet letterlijk. Want in werkelijkheid zeg ik nooit ‘sst’ (‘tja’, ‘eh’… ) tegen mijn gedachten. Ik voel ook helemaal niet de behoefte om ze te sussen of te bezweren.

Van mij mogen ze tot volle wasdom komen, ketens vormen, hele kaartenhuizen, geen probleem, maar al die tijd hoor ik ze aan ZOALS ik naar een kind, een fantast, een dwaas, een vertegenwoordiger, een conferencier, een confabulist luister. Dat geldt ook voor de gedachten die ik daarnet heb opgeschreven, en waarschijnlijk ook voor de gedachten die ik hierna ga opschrijven, maar dat weet ik nog niet.

‘Sst’ is voor mij dus geen mantra of methode om mezelf gerust te stellen of om tot niet-weten te komen of om in niet-weten te verblijven. Evenmin is het een instructie of oefening voor de adept op weg naar niet-weten. Het is alleen maar een wijze van spreken over mijn eigen niet-weten.

Oefeningen in stilzwijgen (silentie), meditatie- en concentratieoefeningen om de geest tot rust te brengen of leeg te maken – ik doe ze nooit en ik heb ze nooit gedaan. Integendeel, de beste manier om rustig te worden is in mijn geval praten met mijn lief. Urenlang. Als geen ander hou ik van denken, spreken, schrijven.

Als er al een oorzaak is aan te wijzen voor mijn dwijsheid (alweer een wijze van spreken) dan is het dat ‘mijn’, nee, het denken, spreken en schrijven zichzelf onomkeerbaar ten einde heeft gedacht, gesproken en geschreven, en maar ten einde blijft denken, spreken en schrijven. Dat geldt ook voor deze gedachten, en waarschijnlijk ook voor de gedachten die ik zometeen ga opschrijven, maar dat weet ik nog niet.

De stilte waarover ik spreek is dus alleen maar een figuurlijke stilte. De figuurlijke stilte van niet-weten. Een levende stilte, geen doodse. Levend als een vrolijke keuken. Stil als een olifant in een porseleinkast.

Niet-weten is trouwens ook maar een wijze van spreken. Of zal ik het toch maar een wijze van zwijgen noemen. Bij wijze van lachen.

Om de figuurlijke stilte van niet-weten te benadrukken, kun je woorden met de lettercombinatie ‘st’ schrijven met ‘sst’ of ‘Sst’.

Agnost wordt dan agnosst of agnoSst.

Bewust wordt bewusst of bewuSst.

Extase wordt eksstase of ekSstase.

Geest wordt geesst of geeSst, als in weetnietgeesst en weetnietgeeSst.

Mystiek wordt mysstiek of mySstiek.

Hoe zeg je dat?

Bij het spreken is het enige verschil tussen de oorspronkelijke woorden en hun sst-variant een extra s. Om deze hoorbaar te maken moet je de s-klank verlengen, iets wat wij Nedertalers zelden doen, behalve in het tussenwerpsel sst. Het gaat best, maar het is wel even wennen, zeker voor je neandertalige gesprekspartner.

Hoe schrijf je dat?

Bij het schrijven kom je flink in de problemen als je gebruikmaakt van een tekstverwerker, want de spellingcorrectie weigert consequent alle sst-varianten, tot je ze stuk voor stuk hebt toegevoegd aan je privéwoordenboek. Ook de lezer die niet al op de hoogte is, zal in eerste insstantie denken dat je een sslokje teveel op hebt.

Substantialisme

Substantialisme is de overtuiging dat er achter de wereld van de vluchtige verschijnselen een onveranderlijke, substantiële wereld schuilgaat waaruit die verschijnselen voortkomen en waarnaar ze terugkeren of waarin de verschijnselen slechts illusies zijn.

Hierbij kun je denken aan het onveranderlijke Zijn van Parmenides, de eeuwige Tao van het taoïsme, God de Schepper in het christendom en Brahman in het hindoeïsme.

Zie ook essentialisme en eternalisme.

Sunyata

Ø

(Sanskriet: leegte)

Het ‘leeg’ zijn van de dingen, de wezens, de woorden en de (boeddhistische) leer zelf, dat wil zeggen, het niet op zichzelf staan daarvan, zonder eigen werkzaamheid, wezen of ziel zijn – ondanks de schijn van het tegendeel.

Sunyatasunyata

Het leeg zijn van de leegte.

De boeddhistische doctrine van de leegte is overal op van toepassing, zonder uitzondering, dus ook op de boeddhistische doctrine van de leegte zelf.

Sunyatasunyata is tegelijk het toppunt én het einde van deze doctrine, van zen en van de dharma.

Syllogisme

Een syllogisme is een redeneervorm van de klassieke logica, uitgewerkt door de Griekse wijsgeer Aristoteles, die bestaat uit twee premissen en een conclusie, bijvoorbeeld:

1. Alle mensen hebben hersenen.

2. Aristoteles is een mens.

3. Dus Aristoteles heeft hersenen.

Daar is geen speld tussen te krijgen, zei de ballon, aangenomen dat alle mensen hersenen hebben en aangenomen dat Aristoteles een mens is.

Het syllogisme stelt je in staat geldige conclusies te trekken uit geldige premissen, maar de geldigheid van de premissen wordt door het syllogisme niet bewezen.

Het syllogisme is eigenlijk geen redenering maar een reeks samenhangen onder voorbehoud:

1. Als alle mensen hersenen hebben en

2. Als Aristoteles een mens was

3. Dan zou Aristoteles hersenen hebben.

Hier wordt geen feit blootgelegd maar een samenhang tussen veronderstellingen. Er wordt in feite niets bewezen. Uit de premissen volgt niets zolang ze niet bewezen zijn. Een geldige conclusie bewijst ook niet dat de premissen geldig zijn. Een geldige conclusie uit geldige premissen bewijst nog steeds niet dat het syllogisme een geldige redeneervorm is.

Nog een voorbeeld:

1. Ik pas in mijn poncho.

2. Mijn poncho past in mijn broekzak.

3. Dus ik pas in mijn broekzak.

Het syllogisme, ik zou me er niet op verlaten.

Synoniemenwijzer niet-weten

Er is maar één woord voor niet-weten: geen woord.

Geen woord praat nogal moeilijk en stilte is veel te veelzeggend, vandaar dat ik er een aantal synoniemen voor in gebruik heb genomen.

Die synoniemen staan her en der in Witboek, maar je zoekt je rot, ik ook. Daarom heb ik ze verzameld in deze synoniemenwijzer, geordend naar woordsoort.

Zelfstandig naamwoorden

In plaats van niet-weten (niet weten, nietweten), kun je ook spreken van adoxie, agnose, agorafilie, asofie, een autoclasme, de dwaalweg, dwijsbegeerte, dwijsheid, filasofie, groot ongeloof, groot uitzicht, groot wantrouwen, kenneloosheid, het lege boek, de lege leer, lege mystiek, lege religie, lege spiritualiteit, mindlessness, nietweterij, paradoxie, variologie, verduistering, weteloosheid, wetend niet weten, weten zonder weten, wijsheid zonder wijsheid, wijzeloosheid of wis-kunde.

Bijvoeglijk naamwoorden

In plaats van niet-wetend (niet wetend, nietwetend) kun je ook spreken van agnostisch, agorafiel, asofisch, asofistisch, autoclastisch, dwijs, dwijsgerig, filasofisch, kenneloos, mindless, variologisch, verduisterd, weteloos, wijzeloos of wis-kundig

Personen

In plaats van een weetniet kun je ook spreken van een agnost, een agorafiel, een aikidogeest, een afleerling, een afleraar, een antimeester, een arme van geest, een asoof, een autoclast, een dummy, een duisterling, een dwaalgast, een dwaalgeest, een dwaalgids, een dwaalmeester, een dwijsgeer, een dwijsneus, een dwijze, een filasoof, een kenneloze, een lege leerling, een lege leraar, een niet-weter (nietweter), een nitwit, een tjaïst, een tja-zegger, een varioloog, een verduisterde, een weetnietgeest, een weteloze, een wis-kundige, een wijzeloze, een wijze zonder wijsheid, een wiskunstenaar of een zengeest.

In plaats van willekeurige welk synoniem en willekeurig welke term of omschrijving voor niet-weten, kun je ook het universele lege symbool, Ø, gebruiken. Dit symbool is ontleend aan de wiskunde, waar het staat voor de lege verzameling.

Meer synoniemen vind je in het lemma oxymoron in de stijlgids.

Therapeutisch scepticisme

Rust vinden in de twijfel.

Volgens een variant van de twijfelleer die tegenwoordig bekend staat als het therapeutisch scepticisme, is de hoofddoelstelling van de sceptische levenshouding ataraxie, volstrekte gemoedsrust.

De eerste westerse exponent van deze visie is voor zover bekend Pyrrho van Elis (360 - 275 voor Christus). Pyrrho meende dat ataraxie te bereiken is door in te zien dat wij niets kunnen weten, zodat oordelen geen zin meer heeft en het streven naar kennis en waarheid vanzelf tot rust komt.

Merkwaardig genoeg staat het therapeutisch scepticisme bol van ideeën die kennelijk zijn vrijgesteld van kritisch onderzoek.

Om te beginnen is er het weten dat wij niets kunnen weten en, voor gevorderden, dat wij zelfs dat niet kunnen weten.

Vervolgens is er het weten dat dit besef een voorspelbaar en wenselijk effect op onze gemoedstoestand zal hebben, namelijk sereniteit, en niet, bijvoorbeeld, depressiviteit, apathie, agitatie, wanhoop, alles door elkaar of helemaal niets, al dan niet afhankelijk van karakter, opvoeding en omstandigheden.

Ten derde is er het idee dat wij meester over ons lot zijn en ervoor kunnen kiezen ons diepgaand met het scepticisme bezig te houden teneinde tot het gewenste besef te komen.

Ten vierde is er het geloof in de suprematie van de rede, die ervoor zal zorgen dat wij onze huidige overtuigingen zonder meer overboord zullen zetten wanneer wij eenmaal kennis hebben genomen van de onweerlegbare argumenten van het therapeutisch scepticisme.

Dat dit soort gedachten voor mensen die erin geloven therapeutisch werkt, wil ik best geloven. Maar wat er sceptisch aan is?

Trechterdenken

Het herleiden van meerdere onbegrepen verschijnselen tot één onbegrepen principe, concept, hypothese of verklaring, noem ik trechterdenken. De evolutieleer is een schoolvoorbeeld van trechterdenken.

Iedere keer als iemand zegt dat iets eigenlijk iets anders is, hanteert hij de denktrechter.

Volgens het materialisme is alles eigenlijk stof.

Volgens het idealisme is alles eigenlijk bewustzijn.

Volgens het boeddhisme is alles eigenlijk leeg.

Volgens zen is alles eigenlijk geest.

Volgens het monisme is alles eigenlijk een.

Volgens de mystiek is alles eigenlijk god.

Volgens de psychoanalyse is god eigenlijk een sublimatie van de oerdrift.

Afhankelijk van de vakgroep is filosofie eigenlijk psychologie, psychologie eigenlijk biologie, biologie eigenlijk fysiologie, fysiologie eigenlijk scheikunde, scheikunde eigenlijk natuurkunde, natuurkunde eigenlijk theologie en theologie eigenlijk antropologie.

De mond van de trechter afzagen en de wereld door het overgebleven buisje bekijken, leidt tot kokervisie.

De mond van de trechter aan de mond van het lichaam zetten en luidkeels aan vriend en vijand meedelen hoe het nou eigenlijk zit, leidt tot megafonie.

Wie nu meent dat wat volgt op het woord ‘eigenlijk’ eigenlijk het eigen lijk van de voorafgaande gedachte is, kijkt naar zijn eigen lijk.

Trilemma van agrippa

Volgens aanhangers van het scepticisme kun je een stelling, zeg S, maar op twee manieren rechtvaardigen:

1. Door botweg te stellen dat het nou eenmaal zo is: S want S.

2. Door een beroep te doen op een onderliggende stelling, S’, waaruit S langs logische weg wordt afgeleid.

1. S want S

Te zeggen dat het nou eenmaal zo is heet dogmatisme. Een bewering in de vorm ‘S want S’ heet een tautologie. Bij gebrek aan beter doet de dogmaticus graag een beroep op het gezond verstand. S heet dan vanzelfsprekend of zelf-evident te zijn.

2. S want S’

Wie een beroep doet op een onderliggende stelling S’ verschuift het probleem. Gevraagd naar een rechtvaardiging van S’ zal hij zich opnieuw moeten beroepen op een onderliggende stelling S’’, en zo voort. Deze terugtrekkende beweging heet regressie. Hiervan bestaan drie soorten:

Eindige regressie

Circulaire regressie

Oneindige regressie

Eindige regressie

Een eindige regressie bestaat uit een beperkt aantal unieke stellingen, waarvan de laatste alle andere draagt terwijl ze zelf ongerechtvaardigd blijft. Iemand die gelooft dat de stapsgewijze herleiding van een stelling tot een onbetwijfelbare vanzelfsprekendheid voldoende rechtvaardiging biedt, heet een fundamentist – een aanhanger van het fundamentisme.

Zelfevidentie – S want S – kun je opvatten als de kortst denkbare eindige regressie, met een lengte van 1.

Circulaire regressie

Het kan ook zijn dat je achteruit redenerend na een of meer stappen op een stelling stuit waarop je je eerder ook al hebt moeten beroepen, zodat er een cirkelredenering ontstaat. Iemand die gelooft dat de hechte, vicieuze samenhang van een groep uitspraken voldoende rechtvaardiging biedt voor iedere uitspraak afzonderlijk, heet een coherentist – een aanhanger van het coherentisme.

Zelfevidentie – S want S – kun je opvatten als de kleinst mogelijke cirkelredenering, met een lengte van 1.

Oneindige regressie

Het kan ook zijn dat je almaar achteruit blijft redeneren. Hierdoor ontstaat – in theorie – een oneindige regressie. Iemand die gelooft dat een in principe oneindige regressie voldoende rechtvaardiging biedt voor iedere uitspraak in de reeks, heet een infinitist – een aanhanger van het infinitisme.

Iemand die gelooft dat dogmatisme, fundamentisme, coherentisme en infinitisme onvoldoende rechtvaardiging bieden voor welke stelling dan ook, heet een scepticus – een aanhanger van het scepticisme.

Trilemma van Agrippa

Het trilemma van Agrippa vat het probleem van het rechtvaardigen van een uitspraak puntig samen. Volgens dit trilemma moet je kiezen uit drie kwaden: dogmatisme, een cirkelredenering of een oneindige regressie. De enige uitweg uit dit trilemma zou de leer van het scepticisme zijn.

Dit laatste is aperte onzin. Wie niet weet, zoals ik, voelt zich niet gehouden aan welke logica ook. Wie zich niet gehouden voelt aan welke logica ook, kan niet gevangen raken in welk dilemma, trilemma, polylemma of monolemma ook. Wie nergens in gevangen zit hoeft zich nergens van te bevrijden en heeft niets te rechtvaardigen, bewijzen of ontkrachten.

Hoe makkelijk kan het zijn.

Utopie, dystopie

Een ideaalbeeld van de wereld of van een staat heet een utopie (Grieks, eu-, goed of ou, niet, nergens + topia, plaats).

Een van de bekendste utopieën is de socialistische heilstaat Utopia van Thomas Moore (1516).

De christelijke heilstaat is een staatsbestel op kerkelijke grond waarin iedere burger allereerst onderdaan van God is.

Het Derde Rijk was een fascistische heilstaat op eugenetische grondslag.

De boeddhistische heilstaat is die van een wereld zonder grenzen waarin het lijden is uitgebannen en iedereen verlicht is.

Een schrikbeeld van de wereld of van een staat heet een dystopie (Grieks, dys-, moeilijk, slecht). Totalitaire dystopieën vinden we onder meer terug in Brave new world van Aldous Huxley en 1984 van George Orwell.

Volgens sommigen is de huidige wereld al de ergst denkbare. Volgens anderen, zoals Gottfried Leibniz, is de huidige wereld, hoe erg ook, juist de beste van alle mogelijke werelden.

Wat voor de één een utopie is, is voor de ander een dystopie. Denk maar aan de socialistische heilstaat, de christelijke heilstaat en de boeddhistische heilstaat.

Wat voor de een een dystopie is, is voor de ander een utopie. Denk maar aan het Derde Rijk, het Ottomaanse rijk, het Romeinse rijk.

Wie niet weet, zoals ik, houdt er geen vaste zelfbeelden, mensbeelden, wereldbeelden, ideaalbeelden of schrikbeelden op na. Utopisme, dystopisme, activisme, neutralisme en fatalisme vinden in hem geen enkel houvast.

Ook niet-weten is voor de agnost geen heilige graal. De wereld hoeft niet van haar weten bevrijd te worden, als dat al zou kunnen. Van mij in elk geval niet. Ik ben geen obscurantist en geen anti-intellectueel.

Mocht er toch een bevrijdingsbeweging ontstaan die streeft naar een algehele agnose, dan hoeft de wereld niet van deze bevrijdingsbeweging bevrijd te worden. Voor mij in elk geval niet. Ik ben geen verlosser.

Variologie

Regressie of digressie?

Onder variologie versta ik de inventarisatie van alle mogelijke vragen inzake een bepaalde kwestie zonder het oogmerk ze te beantwoorden, van alle mogelijke antwoorden zonder het oogmerk het juiste vast te stellen, en van alle verborgen aannames zonder het oogmerk ze te onderbouwen.

Variologie is niet gericht op de werkelijkheid maar op de mogelijkheid, niet op de details maar op de grote lijn, niet op het ene maar op het menigvuldige.

Liever dan een standpunt te bepalen inventariseert de varioloog alle mogelijke standpunten en alle mogelijke argumenten voor en tegen onder het motto:

Beter tien perspectieven aan de horizon dan één door mijn hart.

Zo bedrijft men natuurlijk geen politiek, maar wat dan wel?

Liever dan de werkelijkheid te doorgronden brengt de varioloog alle denkbare gronden en ongronden in kaart onder het motto:

Beter tien kuub beton in de molen dan één om mijn voeten.

Zo bedrijft men natuurlijk geen filosofie, maar wat dan wel?

Liever dan een hypothese te toetsen zet de varioloog alle mogelijke hypothesen op een rij onder het motto:

Beter tien verklaringen op papier dan één in mijn hoofd.

Zo bedrijft men natuurlijk geen wetenschap, maar wat dan wel?

Liever dan naar motto’s te leven gooit de varioloog ze weg zonder het motto:

Liever dan naar motto’s te leven gooit de varioloog ze weg.

Zo bedrijft men natuurlijk geen variologie, maar wat dan nog?

Verlichtingsdenken

Vertrouwen op de rede.

Wetenschappelijk verlichtingsdenken

In het postmodernisme wordt met de term ‘verlichtingsdenken’ verwezen naar het rationele denken dat karakteristiek is voor de Verlichting (circa 1650-1900) en gebaseerd is op een groot vertrouwen in de rede en de vooruitgang.

De ‘grote verhalen’ (Lyotard) van de twintigste eeuw, zoals het fascisme, de eugenetica, het socialisme en het communisme, gezamenlijk aangeduid als het modernisme, vertonen dezelfde kenmerken en worden daarom eveneens tot het verlichtingsdenken gerekend (maar natuurlijk niet tot de Verlichting).

Het postmodernisme wil niet alleen afrekenen met het modernisme maar met iedere vorm van rationalisme. Vandaar dat het postmodernisme ook wel antiverlichtingsdenken wordt genoemd, en antirationalisme, wat tussen haakjes niet hetzelfde is als irrationalisme.

Spiritueel verlichtingsdenken

De term ‘verlichtingsdenken’ is ook geschikt voor een ander type denken, namelijk het geloof in spirituele verlichting waarbij je ontwaakt tot – ja, tot wat eigenlijk?

Tot de waarheid, de weg, een principe, een alomtegenwoordigheid, een hogere werkelijkheid, wat dan ook.

Tot een schokvrije rotsgrond waarop we eindelijk zekerheid en veiligheid vinden, onder meer aangeduid als de realiteit, non-dualiteit, de waarheid, nirwana, de boeddhanatuur, gewaarzijn, het absolute, het hart, de bron, energie, essentie, het ene, god, brahman, de tao, het leven, bewustzijn, openheid, het kennen, het koninkrijk der hemelen, en zo meer.

Evenals het filosofische verlichtingsdenken is het spirituele verlichtingsdenken optimistisch van aard en behoort het tot de grote verhalen – ook al zijn ze vaker antiek dan modern.

Anderzijds ziet het spirituele verlichtingsdenken (net als de Romantiek) de ratio (het verstand, het denken, de geest, het ego, de mind) eerder als hinderpaal dan als instrument tot bevrijding. Uitzonderingen zoals het Werk van Byron Katie en de autolyse van ‘Jed McKenna’ daargelaten.

Verduisteringsdenken

Het spirituele verlichtingsdenken kan afgezet worden tegen wat ik hier voor de duur van deze alinea mijn eigen verduisteringsdenken zal noemen.

Daarin is sprake van een radicaal ongeloof in alle verhalen, groot en klein, inclusief het postmodernisme, inclusief het verhaal van het radicale ongeloof in alle verhalen, groot en klein.

Niet uit keuze of overtuiging, maar als gegeven, en slechts voor zolang het duurt.

Hoewel dit ‘verduisteringsdenken’ nergens tegen gekant is, en we het dus ook geen antiverlichtingsdenken of antirationalisme kunnen noemen, zaagt het wel voortdurend aan de stoelpoten van het weten dat karakteristiek is voor zowel de verlichting als het modernisme en wat ik hierboven het spirituele verlichtingsdenken heb genoemd.

Voorwaardelijkheid

Onder voorwaardelijkheid versta ik het voorbehoud dat een bewering, nog los van de vraag of zij waar is, pas waar kan zijn wanneer de onderliggende onderscheidingen geldig en de onderliggende aannames waar zijn. Vanwege het regressieve karakter van dit voorbehoud is nooit met zekerheid vast te stellen of een bewering waar is. Het voorbehoud is principieel, eeuwig.

Voorbeelden van voorwaardelijkheid:

1. Wie de waarheid zoekt, neemt aan dat de waarheid bestaat, gevonden kan worden, begrijpelijk is en de moeite van het weten waard.

2. Wie meent dat de wereld een illusie is, veronderstelt dat de illusie zelf geen illusie is.

3. Wie meent dat hij werkelijk bestaat, veronderstelt dat hij op dat moment niet droomt.

4. Wie meent dat niets toeval is, veronderstelt een universele orde.

5. Wie meent dat alles toeval is, veronderstelt een universele chaos.

6. Wie meent dat ware premissen tot ware conclusies leiden, veronderstelt de logica.

7. Wie meent dat de som van de hoeken van een driehoek altijd honderdtachtiggraden is, veronderstelt een vlakke ondergrond.

8. Wie claimt iets waars te kunnen zeggen veronderstelt dat taal daarvoor een geschikt medium is.

9. Wie meent dat bladeren groen zijn, veronderstelt dat kleuren buiten de hersenen om bestaan.

10. Wie meent dat tijd absoluut is (Newton) veronderstelt dat tijd onafhankelijk is van beweging.

11. Wie schuldgevoelens heeft, kritiek uit of complimentjes geeft, veronderstelt een vrije wil.

12. Wie veronderstelt dat iemand zonder vrije wil geen schuldgevoelens heeft, kritiek uit of complimentjes geeft, veronderstelt een oorzakelijk verband.

13. Wie meent dat hij gelijk heeft omdat wat hij zegt in de bijbel staat, veronderstelt dat de bijbel waar is.

14. Wie meent dat de bijbel waar is omdat hij het woord van god bevat,veronderstelt dat de schrijvers geen fouten hebben gemaakt, dat godbestaat en dat hij niet liegt.

15. Wie (met Descartes) meent dat god niet liegt omdat hij anders niet volmaakt zou zijn, veronderstelt dat volmaaktheid liegen uitsluit.

16. Wie meent dat het leven zin heeft (of juist niet) veronderstelt dat er zoiets is als ‘het leven’.

17. Wie meent dat er niet zoiets is als ‘het leven’, veronderstelt (bijvoorbeeld) dat algemene woorden (universalia) geen tegenhanger hebben in de wereld.

Ook in het boeddhisme komen we het begrip voorwaardelijkheid tegen. Hier heet het sunyata (leegte), een term uit het Sanskriet, die staat voor het het idee dat dingen niet op zichzelf bestaan maar het gevolg zijn van ontelbare oorzaken en omstandigheden, die op hun beurt niet op zichzelf bestaan, enzovoort.

Om de eerste (filosofische) voorwaardelijkheid te onderscheiden van de laatste (boeddhistische), zou je kunnen spreken van epistemologische voorwaardelijkheid versus ontologische voorwaardelijkheid.

Mooie woorden weer, fraaie onderscheidingen, maar wat schiet je ermee op? Als alle beweringen voorwaardelijk zijn, dan ook de bewering dat alle beweringen voorwaardelijk zijn. Als alles leeg is dan ook de leegte. In beide gevallen sta je weer met lege handen.

Vrijgeest

Een vrijgeest is iemand die niet gebonden is aan zijn gedachten en die geen gedachten aan zich bindt.

Niet doordat hij zich actief tegen zijn gedachten verzet, maar passief, doordat het niet meer weet.

Een vrijgeest is dus geen verzetsstrijder.

Is hij het toch, dan verzet hij zich niet.

Waaiweg

De waaiweg is de weg van niet-weten, die niet op aarde ligt en daar een onveranderlijk traject volgt, zoals het wereldse wegen betaamt, maar onzichtbaar in de lucht hangt en zich uitsluitend richt naar de wind.

Een waaiweg is iemand die de waaiweg volgt, of erdoor gevolgd wordt, wie zal het zeggen. Synoniem: weetniet.

Net als de waaiweg is een waaiweg niet te volgen, maar last heb je er niet van, hij is zo weer weg.

Wilde Waaiweg is de evenknie van Wijde Weetniet – een personificatie van niet-weten.

Wilde Waaiweg is eigenlijk alleen maar wild als het hard waait, en dan alleen nog maar ten opzichte van de omgeving, niet ten opzichte van de wind zelf, waar hij moeiteloos mee samenvalt, zelfs in een orkaan.

Zie ook gulden uitweg.

Weetniet

‘Weetniet’ kun je gebruiken als zelfstandig naamwoord en in samenstellingen als weetnietboek, weetnietbeest, weetnietfeest, weetnietgeest, weetnietis, weetnietjargon, weetnietkunde, weetnietmystiek, weetnietmysticus, weetnietniet, weetnietpose, weetnietsymbool, weetniettekst, weetnietwoord en weetnietzen.

In het dagelijks spraakgebruik is een weetniet een onwetende, een domoor. In de weetnietkunde is een weetniet iemand die het allemaal niet meer weet, maar dan ook helemaal niet meer, en daar vrede mee heeft, grote vrede. Een weetniet zegt geen ja of nee, maar tja. Zegt hij toch nog eens ja of nee, dan zegt hij daar wel tja tegen. Synoniemen: agnost, dummy, dwijze, dwaalgeest, nitwit.

Het weetnietboek is het boek dat de weetnietleer bevat. Het weetnietboek is een dummy, net als degene die ernaar leeft. Leven naar het weetnietboek kan niet mislukken, het is immers leeg. Leven naar het weetnietboek kan ook niet lukken, het is immers leeg. Het weetnietboek wordt ook wel het lege boek genoemd. Hoe je het ook noemt, het blijft een wassen beeld. Een wassen neus. Een ongewassen kont. Een kabbelende mond.

Een weetnietbeest is een weetnietgeest die niet van ophouden weet.

Het weetnietfeest is de zaligheid van de weetnietgeest. Onder zaligheid versta ik berusting, gelatenheid, lauwheid. Geen vreugdekreten, geen oorlogsgeschreeuw maar een zachte glimlach. Een weetniet vindt rust in zijn onrust, vrede in zijn onvrede. Hij blijft kalm ondanks de woelingen van zijn gemoed, en zo niet, dan toch.

Een weetnietgeest is (iemand met) de geest van een weetniet, dat wil zeggen, iemand die geen onderscheid weet te maken, niet echt; die zijn begrippen met een korreltje zout neemt, die zijn heilige huisjes steeds weer omver haalt, die zijn gedachten niet gelooft, die tja zegt tegen het leven. De weetnietgeest is de dans ontsprongen. Synoniemen: vrijgeest, beginnersgeest, zengeest.

Zen is steeds opnieuw beginnen, leerde Shunryu Suzuki. Hij noemde de geest van de eeuwige beginner, die zich opstelt als iemand die niets weet en niets aanneemt en steeds met frisse ogen naar de wereld kijkt, de beginnersgeest. Hij schreef er ook een boekje over: Zengeest, beginnersgeest. Het motto van mijn vertaling van de Linji Lu luidt: Zengeest, weetnietgeest.

Waaraan herken je de weetniet? Hij lijdt niet meer aan gelijkhebberitis. Wat het onderwerp ook is, een weetniet gaat niet in zijn gelijk staan en niet in zijn ongelijk. Hij hopt vrijelijk van standpunt naar standpunt zonder te blijven hangen. Niet omdat vindt dat het zo hoort omdat hij niet anders kan. Daarin verschilt de weetniet radicaal van de weetnietes, die van niet-weten een mening maakt, een religie, een filosofie – meestal een of andere vorm van scepticisme waarin hij heilig gelooft en waarmee hij zich gretig identificeert.

Bij de weetnietes is niet-weten geen praktijk van alledag maar een identiteit; geen vorm van ontspanning maar een vorm van inspanning, geen laatlos maar een houvast; geen onkunde maar kennis. De weetnietes, zou je kunnen zeggen, lijdt aan weetnietis, een bijzonder geval van eenpuntige gelijkhebberitis waarvoor bij mijn weten nog geen behandeling bestaat. Zoals de weetwelles lijdt aan weetwellis, ook al onbehandelbaar. Uit diepgaand onderzoek zal te zijner tijd blijken dat weetnietis een speciaal geval van weetwellis is.

De weetnietes ligt voortdurend in de clinch ligt met zijn tegenpool, de weetwelles die heilig gelooft dat wij wel degelijk iets kunnen weten. Dit in tegenstelling tot de weetniet, die met niemand in de clinch ligt. Ook al meent een enkeling abusievelijk met hem in de clinch te liggen.

De weetnietes en de weetwelles geschreven met een hoofdletter zijn allegorische figuren, als het al geen archetypes zijn: Weetnietes en Weetwelles. Hoe je met ze om moet gaan? Ik groet ze altijd vriendelijk en geef ze zonder meer gelijk.

Weetnietjargon is het taaltje waarvan de weetniet zich bedient als hij het over niet-weten wil hebben.

Weetnietkunde: Denken, praten en schrijven over niet-weten. Weetnietkunde is geen niet-weten.

Weetnietkunst is de kunst van niet-weten, alleen maar zo genoemd omdat het van buitenaf bekeken zo moeilijk lijkt. Voor een agnost is niet-weten geen kunst, geen kunde, geen praktijk of methode maar gewoon hoe hij denkt, spreekt en leeft.

Iemand die de kunst van niet-weten bedrijft kun je een weetnietkunstenaar noemen. Ook dit is een woord voor buitenstaanders. Voor zichzelf is een agnost gewoon een nitwit.

De weetnietleer is een ander woord voor de lege leer, Ø. De lege leer bestaat niet, behalve als wijze van spreken. Het is een metafoor, een ballon om door te prikken of op te laten.

Weetnietmystiek is mystiek op basis van een grenze(n)loos niet-weten. Weetnietmystiek is lege mystiek. De weetnietmysticus doet geen enkele uitspraak over God of over wat dan ook. Hij aanbidt geen zelfbeelden, mensbeelden, godsbeelden, boeddhabeelden of denkbeelden.

Een weetnietniet is iemand die zelfs niet weet van niet-weten. Synoniemen: weetniet, agnost.

Een weetnietpose is een uiterlijk vertoon van niet-weten dat niet voorkomt uit innerlijke agnose. Schone schijn dus.

Het weetnietsymbool is het universele lege symbool Ø dat staat voor willekeurig welk weetnietwoord. Synoniemen: het lege symbool, het agnosticon, de eh.

Een weetniettekst is een dwaaltekst, dat wil zeggen, een tekst over en vanuit niet-weten.

Een weetnietwoord is een dwaalwoord, dat wil zeggen, een woord uit het Idioticon.

Weetnietzen is zen op basis van een radicaal niet-weten. De dharma, de leegte, afhankelijke ontstaan, anatman, de boeddhanatuur, het zelf, de vier edele waarheden, het achtvoudige pad, de geloften en noem maar op zijn doorzien, de Boeddha is gedood en de boeddhadoder heeft de geest gegeven. Weetnietzen is lege zen.

Een boeddha die niet-weet heet een weetnietboeddha. Een weetnietboeddha is een lege boeddha, dat wil zeggen, een boeddha wiens leer leeg is, die zijn traditie achter zich heeft gelaten en nu vrij en blij rondzwerft. Hij is postboeddhistisch.

Weg ermee

Taaldaad waarmee je afstand neemt van een verhaal, opvatting, theorie, geloof, waarheid of begrip en van het niet-weten zelf:

‘Weg ermee!’

Kan ook op zichzelf worden toegepast:

En weg ook met het ‘weg ermee’.

Daarmee neem je afstand van het afstand nemen en worden alle afstanden in één klap tot nul gereduceerd.

Wegwerp-

Voorvoegsel om aan te geven dat iets na gebruik weggegooid kan worden.

Voorbeelden: wegwerpsite, wegwerpbewering, wegwerptheorie, wegwerpleer, wegwerpverhaal, wegwerpwijsheid, wegwerpwoord.

Een wegwerpbewering die alleen maar dient om andere beweringen te ondermijnen en kan na gebruik weggegooid worden.

Al mijn beweringen over niet-weten zijn wegwerpbeweringen, deze ook.

Wegwerpspiritualiteit is spiritualiteit die alleen maar dient om andere vormen van spiritualiteit te ondermijnen en kan na gebruik weggegooid worden.

Wegwerpspiritualiteit heeft geen eigen inhoud.

Een ander woord voor wegwerpspiritualiteit is lege spiritualiteit.

Een wegwerpverhaal is een verhaal dat alleen maar dient om andere verhalen te ondermijnen en kan na gebruik weggegooid worden.

Al mijn verhalen over niet-weten zijn wegwerpverhalen, dit verhaal ook.

Wegwerpwijsheid is wijsheid die alleen maar dient om andere wijsheid te ondermijnen en kan na gebruik weggegooid worden.

Al mijn wijsheid is wegwerpwijsheid, deze ook.

Een wegwerpwoord is een woord dat alleen maar dient om andere woorden te ondermijnen en kan na gebruik weggegooid worden.

Al mijn woorden over niet-weten zijn wegwerpwoorden, deze ook.

Synoniemen: onwoord, schertswoord, nepwoord, wegwerpwoord, vluchtwoord.

Weteloos, wetenloos, weetloos

In den beginne heette nietweten.nl weteloosheid.nl, en later nog een poosje weteloos.nl.

Ik had voor weteloos(heid) gekozen omdat ik niet-weten maar een lelijk woord vond, met dat onhandige streepje en die negatieve niet. Bovendien werd de zoekterm niet-weten tien jaar terug door de zoekmachines automatisch vertaald in de zoekopdracht ‘niet’ OR ‘weten’, die veel te veel zoekresultaten opleverde, hoofdzakelijk ruis.

De zoekresultaten zijn inmiddels wel wat verbeterd, maar niet-veel, of je moet net op zoek zijn naar ‘ikke niet weten’ of ‘niet willen weten of je zwanger bent’ of ‘ik zou het ook niet weten’ en soortgelijke zinnetjes in talloze krantenartikeltjes, blogs, forums en reacties.

Ik had dus goed over nagedacht over mijn hoofdwoord, maar niet goed genoeg. Weteloos(heid) zou inderdaad een prima zoekterm zijn als het woord eenmaal was ingeburgerd, maar dat was het niet. Niemand zocht erop. Ik meende dat er een latente behoefte was aan een enkelvoudig trefwoord, en dat weteloos(heid) wel zou aanslaan, maar dat is natuurlijk nooit gebeurd. Het werd gedoogd op linkpagina’s, een enkele keer geciteerd, maar door niemand actief in gebruik genomen.

We zijn inmiddels tien jaar verder en niet-weten is nog altijd de enige ingeburgerde term, zowel in de mystiek als in het zenboeddhisme, om naar niet-weten te verwijzen. Ingeburgerd is een groot woord, voor de meeste mensen betekent niet-weten gewoon onwetendheid. Maar toch. Wil je weten wat andere weetnietgeesten over dit onderwerp te melden hebben dan moet je zoeken op niet-weten. Wil je dat anderen lezen wat jij over dit onderwerp te melden hebt, dan moet je schrijven over niet-weten.

In de filosofie ben ik het woord niet-weten jammer genoeg nooit tegengekomen, behalve bij Georges Bataille, maar wie leest die nog? Andere wijsgeren spreken liever van scepticisme, pyrronisme, stoïcisme, relativisme, perspectivisme, nihilisme en zo. Moeilijke woorden met meer cachet, zeker, maar het blijft filosofie. Ze reiken naar niet-weten maar bereiken het niet. Iets wat trouwens ook van de meeste mystici en zenboeddhisten gezegd kan worden.

In het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) komt het woord weteloos niet voor. Vreemd eigenlijk, want in Nederlandse en Zuid-Afrikaanse geschriften wel, en ook in Nederlandse wordt het al sinds de middeleeuwen gebruikt, al is het sporadisch.

Zo meen ik me te herinneren dat er een vertaling bestaat van de preken van Meister Eckhart waarin deze, of tenminste zijn vertaler, zoiets zegt als ‘want hun weten is weteloos’, maar ik kan zo gauw niet terugvinden waar, dus de literatuurverwijzing hou je van me te goed. (Als jij het toevallig weet, stuur me dan even een mailtje).

In het gedicht Duc nos quo tendimus van Guido Gezelle komt het zeker voor:

Groot van oogen, grauw van velle,
lang van ooren, krom van been,
zitten nu de lieve, snelle
jongskes op mijn hand, getween,
weteloos of, weggedreven,
vader nog en moeder leven!

Het woord weteloos mag dan in de WNT ontbreken, het bevat wel de vormvarianten weetloos en wetenloos in de betekenis van onwetend, onkundig, onbekend, vergeten, onbewust. Beide zouden verouderd zijn. In de Van Dale ontbreken ze alle drie. Dat komt goed uit, want dan kunnen we ze zonder gevaar voor ambiguïteit hergebruiken. Niet als hoofdwoord natuurlijk, maar wel als synoniem, voor de variatie.

Hierbij definieer ik de termen weetloos, wetenloos en weteloos als niet-wetend, (agnostisch, dwijs).

Weetloosheid, wetenloosheid en weteloosheid betekenen niet-weten (agnose, dwijsheid).

Een weetloze, wetenloze of weteloze is een weetniet (agnost, dwijze).

Wet van non-contradictie

Een van de pijlers van de logica is de zogeheten wet van non-contradictie:

Een stelling kan niet tegelijk waar en onwaar zijn.

Voorbeeld:

De zon kan niet tegelijk op en onder zijn.

De wet van non-contradictie is natuurlijk helemaal geen wet, dat maakt de logicus ervan. Het is een aanname en een voorwaarde waaraan voldoen moet worden en waarvan doorgaans zonder meer verondersteld wordt dat eraan voldaan is, om een redenering een schijn van geldigheid te geven. De wet van non-contradictie is een postulaat, een vertrekpunt.

Hoe vanzelfsprekend de wet van non-contradictie ook lijkt, het is vrijwel onmogelijk er overtuigende voorbeelden van te vinden. Maar het is helemaal niet moeilijk om overtuigende tegenvoorbeelden te vinden.

De een vindt spruitjes lekker, de ander vindt ze vies. Ja hè hè, zou de logicus tegenwerpen, smaken verschillen.

Zelfs het allerlekkerste wordt vies als je er teveel van eet. Ja, hè hè, zou de logicus tegenwerpen, zo werkt het lichaam nou eenmaal.

Landbouwgif is nuttig én schadelijk. Ja, hè hè, zou de logicus tegenwerpen, nu heb je het over meningen.

Een zakdoek voor een mens is een laken voor een kabouter. Ja, hè hè, zou de logicus tegenwerpen, grootte is relatief.

Kanker is slecht voor de patiënt maar goed voor het ziekenhuis. Ja, hè hè, zou de logicus tegenwerpen, dat is appels met peren vergelijken.

Als de zon halverwege de kim staat is hij op noch onder. Ja, hè hè, zou de logicus tegenwerpen, dat is een kwestie van definitie.

Als de zon achter de horizon is verdwenen, zien we hem door het lenseffect van de atmosfeer toch nog aan de horizon staan. Ja, hè hè, zou de logicus tegenwerpen, dat is een optische illusie.

Als je hem dan vraagt om een ondubbelzinnig voorbeeld, zegt hij na lang denken: ‘Iets kan niet tegelijk hier en daar zijn!’ Dan antwoord ik: ‘Je hoofd is hier, je hand is daar, dus je lichaam is hier en daar.’

‘Maar mijn hand is alleen maar hier.’

‘Je duim is hier, je pink is daar, dus je hand is hier en daar.’

‘Dus de wet van non-contradictie is onzin?’

‘Nee, het is alleen geen wet.’

‘Wat is het dan wel.’

‘Een voorwaarde voor een geldige redenering waaraan zelden of nooit voldaan wordt.’

‘Maar we moeten toch érgens van uitgaan.’

‘Dat doe ik ook.’

‘Waar ga jij dan van uit?’

‘De wet van contradictie.’

Wet van toereikende grond

In een chaotisch universum is het niet mogelijk om inductief te redeneren. Iedere schijn van orde is daarin namelijk toeval.

Uit het feit dat je vandaag alleen maar zwarte zwanen ziet, kun je in een ongeordende wereld niet concluderen dat er alleen maar zwarte zwanen zijn.

Volgens de logica is ons universum geordend. Logici noemen deze ordening de wet van toereikende grond. Je kunt deze wet op verschillende manieren onder woorden brengen, en dit is er een van:

Alles heeft een oorzaak, dus alles is verklaarbaar.

De wet van toereikende grond is de basis voor inductieve redeneringen. De vraag is nu, hoe weet je dat de wet van toereikende grond geldig is?

Nou, zegt de logicus, dat merk je toch. Gisteren kwam de zon op, vandaag kwam de zon op, dus morgen zal de zon ook opkomen. Maar dat is een cirkelredenering.

Eerst doe je een beroep op de wet van toereikende grond om inductie te rechtvaardigen, dan doe je een beroep op inductie om de wet van toereikende grond te rechtvaardigen.

De wet van toereikende grond is misschien een toereikende grond voor inductie, maar niet voor de wet van toereikende grond.

Er is geen toereikende grond voor de wet van toereikende grond, of zelfs maar voor de ontkenning ervan, niet dat ik weet.

Dit zou je de wet van ontoereikende grond kunnen noemen.

Maar hoe je die rechtvaardigt?

Wet van de uitgesloten derde

Volgens de wet van de uitgesloten derde is iets altijd hetzij waar, hetzij onwaar.

Veel mensen denken dat de wet van de uitgesloten derde zelf altijd waar is, maar dat is helemaal niet zo.

De wet van de uitgesloten derde is alleen waar binnen een tweewaardige logica, en dan nog alleen binnen een tweewaardige logica die de wet van de uitgesloten derde als uitgangspunt neemt, als postulaat. In dat geval is het inderdaad waar, maar alleen formeel, per definitie, binnen het beoogde systeem.

In een driewaardige logica is de wet van de uitgesloten derde per definitie onwaar. In een vierwaardige logica en een meerwaardige logica ook. In fuzzy logica ook. In modale logica, preferentiële logica en paraconsistente logica ook. Per definitie.

En in spreektaallogica heerst geen enkele logica. Daar heerst de wetteloosheid, de grilligheid. Daar is de wet van de uitgesloten derde nu eens waar, dan weer onwaar, waar voor de een, onwaar voor de ander, waar en onwaar, waar noch onwaar, je zegt het maar.

Waarom ook niet? Waarom zou iets niet half waar kunnen zijn? Min of meer waar? Nu eens waar en dan weer onwaar? Waar voor mij en onwaar voor jou? Onbepaald? Onbepaalbaar? Waar noch onwaar? Waar en onwaar in verschillende opzichten? Waar en onwaar in hetzelfde opzicht? Voorbij waarheid en onwaarheid?

Met behulp van welke logica moeten we vaststellen welke logica van toepassing is?

Of is dat geen kwestie van logica?

Weet jij het?

Wis-kunde

Agnose is niet een bestendige toestand die je op enig moment voorgoed bereikt. Het is niet het einde van je gedachten, of een halstarrig ongeloof dat op voorhand iedere gedachte afwijst, of een denkfobie, of een dooddoener om anderen en jezelf de mond te snoeren of zo.

Juist niet. Agnose is een bereidwillig, zelfverzekerd denken dat ieder woord, iedere gedachte, iedere zaak van zoveel mogelijk kanten bekijkt en daardoor nooit tot een vast uitgangspunt, een definitief onderscheid, een eensluidende conclusie, een onwrikbaar standpunt of een heilig geloof komt. Niet omdat dat verkeerd zou zijn, maar gewoon omdat het niet gebeurt.

Alles wat zich in de bovenkamer aandient, wordt rustig bekeken, aangehoord, bepoteld, rondgewalst, besnoven, in de mond genomen en weer uitgetuft, als betrof het een wijnproeverij. Wie niet zat wil worden van zijn weten proeft naar hartenlust maar slikt geen droppel door. Zo kan hij blijven drinken zonder een spoor van beneveling. Helder is de weetniet zonder wolk van weten.

Bij niet-weten gaat het niet om het proeven van de wijn, maar om het uittuffen. Weten is schrijven, niet-weten is wissen.

Omdat een agnost voortdurend van standpunt wisselt en onophoudelijk zijn gedachten wist, zou je hem een wiskunstenaar kunnen noemen, zijn agnose wis-kunde of wis-kunst, zijn levenshouding wiswijs.

Mooie woorden, en juist daarom gebruik ik ze niet graag. Voor je het weet gaan mensen weer wis-kunde bedrijven en zich wiswijs wanen en prijzen uitreiken aan en wierook branden voor en dwepen met de beste wiskunstenaars.

Alsof het een intellectuele prestatie is, een vaardigheid, een goed voornemen, een doel dat bereikt moet worden, een kwestie van aandacht, mindfulness, bewust leven en denken, mediteren, contempleren, mentale reinheid, een gezonde geest in een gezond lichaam – in plaats van iets wat je ook maar overkomt, of je nou wilt of niet.

Alsof het goed is, en nastrevenswaardig, om alles te onderzoeken, voortdurend van standpunt te wisselen en visies te vermenigvuldigen.

Alsof ik zelf geen standpunten heb en van mezelf geen standpunten mag hebben.

Ik dank je lekker. Dan wis ik ze liever meteen.

Woord

Begrippen staan nooit op zichzelf. Ze veronderstellen andere begrippen en die weer andere. Woorden in woorden in woorden, matroesjka’s van woorden, zonder eind. Woorden zijn woordenboeken. Ook deze.

Structuralisten stellen dat ieder begrip alle andere bevat. Wie meent dat dit aperte onzin is, daag ik uit een (eentalig) betekeniswoordenboek in een voor hem volkomen vreemde taal te nemen en alleen met behulp van dit woordenboek de betekenis van één willekeurig trefwoord te achterhalen. Niet bij de hand? Ik ook niet. Met een Nederlands woordenboek kan het ook. Ik geef je één definitie uit onze eigen Van Dale. Om het simpel te houden (meende ik) het elementaire woord boom:

‘houtachtig gewas met een zeer groot wortelgestel en een enkele, stevige, houtige en zich secundair verdikkende, overblijvende stam, die zich eerst op zekere hoogte boven de grond vertakt’

Nemen we deze definitie als indicatie dan moeten we vaststellen dat een zogenaamd eenvoudig begrip als boom zeker vijftien begrippen veronderstelt. Zoeken we deze op dan blijken ze zelf ook weer vol begrippen te zitten, enzovoort. Je moet me maar op mijn woord geloven of zelf het woordenboek ter hand nemen, anders moet ik de hele Van Dale plagiëren.

Naarmate je op jacht naar de exacte betekenis dieper doordringt in het woordenboek, neemt het aantal woorden steeds verder maar steeds langzamer toe terwijl steeds meer definities een vicieus karakter krijgen, tot
alle woorden aan bod zijn geweest en we moeten vaststellen, zoals we van het begin af aan eigenlijk al wisten, dat een woordenboek een gesloten systeem van circulaire definities is.

Leidt elk begrip regressief naar alle andere begrippen? Heb ik dat voor alle woorden gecontroleerd? Welnee. Ik heb het voor geen enkel woord gecontroleerd. Ik moet er niet aan denken. Maar of we vanuit elk willekeurig woord uiteindelijk op alle woorden uit het woordenboek stuiten of slechts op clusters van enkele tientallen, honderden, duizenden of tienduizenden, doet niet ter zake.

Waar het om gaat is dat je voor ieder begrip waarvan je achteloos gebruikmaakt, er pakweg tien voor lief neemt, en voor elk daarvan weer tien, et cetera. Waardoor iedere poging om vast te stellen wat je nou ‘eigenlijk’ bedoelt als je iets zegt of denkt, al na twee of drie ronden tot een complete semantische knock-out leidt.

Begrijpen is als schaatsen op dun ijs: je moet hard doorrijden om er niet doorheen te zakken. En nooit naar beneden kijken. Dus weet wat je zegt als je zegt dat je weet wat je zegt. Weet ook wat je zegt als je zegt dat je niet weet wat je zegt.

Zoals woorden woordenboeken zijn, zo zijn gedachten gedachtewerelden. Wie weet wat hij denkt als hij denkt wat hij denkt?

Woordenboek

Veel mensen denken dat woorden maar één betekenis hebben en dat die betekenis voor iedereen hetzelfde is. Daarmee gaan ze voorbij aan de annotatie, de persoonlijke betekenis van de woorden, die voor iedereen anders is, en aan de situationele, die door de context wordt bepaald.

Maar ook de denotatie, de woordenboekbetekenis van een woord, is verre van eenduidig. Als je per se iets algemeens wilt zeggen over woorden, dan is het wel dat niemand hetzelfde bedoelt met een woord. Ikzelf gebruik hetzelfde woord in verschillende betekenissen, soms zelfs in dezelfde zin, zonder me er bewust van te zijn:

Door de bank genomen zetten mensen hun geld liever op de bank dan op het spel en zitten ze liever op een bank dan op een stoel.

Beetje gekunsteld misschien, maar je begrijpt wat ik bedoel, hoop ik.

‘Ik weet altijd precies wat ik wil zeggen en dat zeg ik dan’, zei iemand laatst tegen me. ‘Als ik al eens twijfel dan pak ik het woordenboek erbij zodat er geen enkel misverstand kan ontstaan.’

‘Hier heb je de Dikke van Dale’, zei ik. ‘Wat is een woordenboek?’

‘Momentje, woordenboek, boek waarin woorden (met opgave van bepaalde grammaticale kenmerken) en de vaste verbindingen waarin ze gebruikt worden, met hun betekenis (in alfabetische volgorde) zijn opgenomen.’

‘Wist je dat?’

‘Niet met zoveel woorden, maar…’

‘Het eerste woord van de definitie van woordenboek is boek. Wat is een boek?’

‘Boek, 1. (als voorwerp) geheel van een aantal bedrukte of beschreven bladen van papier, perkament of andere stof, een geschrift over enig onderwerp bevattende, met name zulk een uit gevouwen en samengenaaide vellen, bedrukt papier bestaand geheel, al of niet in een band gebonden; 2. letterkundig werk, verhandeling, beschrijving enzovoort, in zulk een samenstel van bladen neergelegd en gepubliceerd; 3. een geheel van denkbeelden, voorstellingen, ervaringen enz. waarin men als ’t ware kan lezen; 4. hoofdafdeling van een enigszins uitgebreid letterkundig werk, m.n. in de bijbel; 5. een aantal bladen wit, veelal gelinieerd papier, ingebonden en bestemd om er aantekeningen in te schrijven; 6. naam voor een bepaalde hoeveelheid; 7. portefeuille; 8. (als verkorting van) boekpens.’

‘Wist je dat?’

‘Niet al die betekenissen, maar…’

‘Het wordt een lange dag. Terug naar de definitie van woordenboek, derde woord, woord. Wat is een woord?’

‘Woord, 1. het kleinste geheel van spraakgeluiden dat op zichzelf een betekenis heeft en als zelfstandig taalelement gebruikt wordt; 2. de tekst van een lied; 3. de zichtbare (geschreven, gedrukte) voorstelling van het genoemde taalelement als samenstel van letters; 4. wat gezegd, meegedeeld, verteld wordt (ook in collectieve zin); 5. boos woord; 6. het uiten van woorden, het spreken (meestal in een bepaald verband); 7. erewoord; 8. wachtwoord.’

‘Wist je dat?’

‘Nou…’

‘Terug naar de definitie van woordenboek. Vijfde woord, opgave. Wat is een opgave?’

‘Ik geef het op.’

‘Nou al?’

‘Ja.’

‘Waarom?’

‘Ik begrijp wat je bedoelt.’

‘O ja?’

‘Ik weet niet precies wat ik zeg.’

‘Wat zeg je me daar?’

‘Waar?’

‘Eerste woord, ik. Wat is ik?’

Zengeest

Gepubliceerd als Zengeest, weetnietgeest.

Net als de daoïsten waaraan ze schatplichtig zijn, hebben zenboeddhisten iets met niet-weten. Altijd gehad, en nog steeds. Neem nou mijn favoriete koan uit het antieke Book of Serenity, #20:

Dizang: Waar ga je heen?
Fayan: Op bedevaart.
Dizang: Waar is dat goed voor?
Fayan: Dat weet ik eigenlijk niet.
Dizang: Niet weten is het meest nabij.

De twintigste-eeuwse kampioen niet-weten was waarschijnlijk wijlen de Koreaanse zenmeester Seung Sahn, in het westen bekend van de don’t-know mind (de weetnietgeest) – én van zijn losse zeden, dit niet terzijde. Zijn teaching letters zijn kostelijk leesvoer.

Naast ‘niet-weten’ heeft zen sinds oudsher eufemistische oxymorons gebezigd zoals ‘de kennis zonder leraar’, ‘de wijsheid zonder wijsheid’ en ‘de wijsheid voorbij alle wijsheid’. Eufemistisch omdat zen tenminste in de zin van een radicaal niet-weten – weetnietzen – helemaal geen vorm van kennis of wijsheid is, dus ook geen hogere of overstijgende.

Onwetendheid is het echter ook niet, juist niet, want wie tot niet-weten wil komen, moet diep door het weten gaan. Diep door het stof gaan. Diep door de leerstof van het leven gaan, tot de gaten erin vallen en je er eindelijk doorheen kunt zien. Vraag me niet wat je dan zult zien, want dat behoort nog tot de leerstof.

Waaraan herken je de zenboeddhist? Zijn pij bestaat uit louter gaten. En toch is hij geen exhibitionist. Hij is niet te onderscheiden van een keizer zonder kleren. En toch heeft hij geen rijk. Hij heeft niets meer hoog te houden, en toch is hij niet laag. Hij heeft niets meer te doen en toch zit hij niet bij de pakken neer.

Niet-weten, wil ik zeggen, is steno voor niet-meer-weten, dat op zijn beurt steno is voor het-allemaal-niet-meer-weten, naar keuze met of zonder koppeltekens.

Niet-meer-weten is in mijn woordenboek dus heel wat anders dan nog-niet-weten of niet-willen-weten of onwetendheid. Niet-meer-weten is het weten achter je laten zonder te vergeten. Zonder te vergeten wát je hebt geweten, dát je hebt geweten, dat je het allemaal hebt gelóófd, het uitdroeg, ervoor instond, je ermee identificeerde. Niet-meer-weten volgt op weten zoals weten volgt op onwetendheid.

Zie ook: aikidogeest, dwaalgeest, weetnietgeest.

Zondeval

Het ideaal van onwetendheid.

De boom van de kennis van goed en kwaad

Een van de oudste christelijke teksten die in verband kan worden gebracht met niet-weten staat in het boek Genesis van het Oude Testament. Hij gaat over Adam en Eva in het paradijs, die zich op een goede of kwade dag door een slang laten verleiden om te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. De slang stelt hen wijsheid in het vooruitzicht: hun ogen zullen worden geopend.

En inderdaad, na het eten van de verboden vruchten zijn hun ogen geopend. Adam en Eva zien elkaar aan en beseffen voor het eerst van hun leven dat ze naakt zijn. Hun schaamte bedekken ze met een vijgenblad en ze trekken zich terug in de bosjes. De kennis van goed en kwaad heeft voorgoed een einde gemaakt aan hun onschuld.

Onschuldig

Inmiddels is God woedend omdat Adam en Eva de enige verboden vrucht in de Hof van Eden niet konden laten hangen. In zijn ogen hebben ze iets verschrikkelijks gedaan, maar hoe moesten zij dat weten? Ze hadden immers nog niet gegeten van de boom van de kennis van goed en kwaad.

God wel. Die heeft die boom nota bene zelf geschapen en meteen na de eerste vruchtzetting zijn buikje rond gegeten. Voor hem was er al een verschil tussen verboden en toegestaan, tussen juist handelen en onjuist handelen, tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, tussen moreel en immoreel, tussen goed en kwaad, maar Adam en Eva leefden op dat moment nog in zalige onwetendheid.

De catch 22 van Genesis: om de zondeval te voorkomen moesten de eerste mensen eerst hun eerste zonde begaan, en toen was het al te laat.

Erfzonde

Gods oordeel is hard, zijn straf meedogenloos. Zonder pardon stuurt hij Adam en Eva het paradijs uit, en met hen de hele mensheid. Want hun zonde is niet zomaar een zonde. Het is een erfzonde, die samen met de kennis van goed en kwaad tot op de dag van vandaag van generatie op generatie wordt overgedragen. Nooit kan de erfzonde meer goedgemaakt worden. Eeuwig zal de mensheid lijden onder de misdaad van twee mensen die nog niets van misdadigheid wisten.

Zalig zijn de armen van geest

Interpreteren we dit antieke verhaal conform de tijdgeest in non-dualistische zin dan staat de boom van de kennis van goed en kwaad voor het maken van onderscheid, voor en het vellen van oordelen, voor afgescheidenheid. Het paradijs staat voor kinderlijke onschuld, zorgeloosheid, niet-oordelen, gewoon maar zijn en doen. De zaligheid van de armoede van geest.

Voor wie is eigenlijk het paradijs?

Een van de vele vragen over Genesis waarop ik geen antwoord heb, is deze: voor wie is nou eigenlijk het paradijs? Niet voor degene die weet van goed en kwaad. Die mag er niet in. Ook niet voor degene die geen weet heeft van goed en kwaad. Voor hem bestaat het paradijs niet, evenmin als de hel. Aan hem is het paradijs niet besteed; hij zou het verschil niet weten. Adam en Eva mogen er dan wel een blauwe maandag hebben gewoond, zodra ze het beseften lagen ze eruit. Sindsdien zijn alle dagen blauw.

Waar verblijft degene die niet weet van goed en kwaad?

Volgens mij staat het goddelijke paradijs voor eeuwig leeg – is het althans nooit bewust bewoond geweest en zal het ook nooit bewust bewoond worden. Waar verblijft degene die niet weet van goed en kwaad dan wel? Hoe zullen we het eens noemen?

Niet de hemel natuurlijk.

Niet de hel.

Niet het voorgeborchte.

Niet het vagevuur.

Het vage dan maar?

Of zullen we gewoon ‘tja’ zeggen als iemand ons vraagt waar we zijn?