Top

Laatst gewijzigd op 10 juli.

-1-

Wit wat je weet met het…

Witboek Niet-Weten

Spiritualiteit zonder dogma’s

Door Hans van Dam

Deel 11 van de Agnosereeks

Omslag van deel 11 van de Agnosereeks.

Alles wat je altijd al wilde weten over niet-weten maar nooit durfde vragen.

Wat is spiritueel niet-weten? Lichte inleiding in een duistere zaak. Kennismaking met wat geen kennismaking verdraagt; knotsgekke dwaalteksten voor beginners, gevorderden en gesjeesden.

-2-

Proloog: niet-weten is blues

Ik zocht me rot en vond…

In een brief van 20 oktober 1936 aan zijn dochter Scottie schrijft de Amerikaanse auteur van The Great Gatsby, F. Scott Fitzgerald (1896-1940):

‘Als je iets te zeggen hebt, iets dat naar jouw gevoel nog door niemand echt gezegd is, moet je het zo wanhopig graag willen zeggen dat je een manier vindt die nog niemand vóór jou gevonden heeft.’*

* ‘If you have anything to say, anything you feel nobody has ever said before, you have got to feel it so desperately that you will find some way to say it that nobody has ever found before.’

Dat was zo ongeveer de situatie waarin ik me bevond aan het eind van het eerste decennium toen ik over niet-weten begon te schrijven en mijn eerste website over dit oude hangijzer lanceerde.

Op dat moment wist ik van binnenuit hoe het voelde en wat het inhield – niemand kon me daarover nog iets wijsmaken – maar verder had ik geen idee wat me overkomen was.

Daarom zocht ik naar getuigenissen van mensen die hun denken op dezelfde manier onderuit hadden zien gaan als ik.

Ik zocht naar zielsverwanten, metgezellen, wapenbroeders, bluesbroeders, lotgenoten, speelgenoten, reisgenoten of hoe je ons ook noemen wil.

Ik zocht naar literatuur die mijn ontsteltenis adequaat verwoordde.

Ik zocht me rot en vond – niets.

Kill your darlings

Natuurlijk was er best iets te vinden over niet-weten, maar het was me allemaal te hoog van de toren, te zondags, te plechtig, te zalvend, te geleerd, te zweverig, te gelikt, te braaf, te lief, te zacht, te zoet – te roze.

Het was me niet bruut genoeg, niet banaal genoeg, niet bezopen genoeg, niet bezeten genoeg, niet bitter genoeg – niet blauw genoeg.

De meeste auteurs, en de meeste briefschrijvers, rekenden netjes af met andermans ideeën, dat wel, maar nooit eens met die van henzelf.

Alsof hun eigen gedachten boven verdenking stonden en zij zelf diplomatieke onschendbaarheid genoten.

Hun vooronderstellingen hielden ze angstvallig onder tafel, uit het zicht, buiten schot.

Terwijl het er in een radicaal niet-weten in de eerste plaats om gaat af te rekenen met jezelf, met je eigen ideeën.

En dan bedoel ik niet met één of twee ideetjes waar je toch al niet meer in geloofde, maar met álle – vooral je lievelings-.

Boven tafel én onder tafel.

Dogmatische sluimer

Iedere tekst over niet-weten die ik onder ogen kreeg, persoonlijk, filosofisch, christelijk, boeddhistisch, hindoeïstisch, taoïstisch, non-dualistisch, soefistisch, chassidisch – premodern, modern of postmodern – vond ik weterig.

Ik voelde er niks bij. Nou ja, ergernis. Frustratie. Verveling. Teleurstelling.

Ik wou het niet-weten ook helemaal niet beschreven zien, daar is geen kunst aan.

Ik wou het voor mijn ogen zien gebeuren.

Het weten zou je al lezende spontaan moeten vergaan.

Ik was op zoek naar alarmerende teksten die zelfs de sufste lezer uit zijn dogmatische sluimer zouden wekken.*

* Zoals Immanuel Kant zei over het werk van David Hume.

Zure teksten waarin alle waanwijsheid oplost.

Basische teksten waarin alle weterij verbleekt.

Helaas kon ik ze nergens vinden.

We zijn nu dertien jaar verder en ik kan ze nog steeds nergens vinden.

Alles wat ik in die tijd onder ogen kreeg, lijdt aan hetzelfde euvel als alles wat ik vóór die tijd onder ogen kreeg:

Mooispraak.

Nieuwspraak

Voor mij zat en zit er dus niets anders op dan zelf te schrijven wat ik zo graag een keertje bij een ander had gelezen.

Daarvoor heb ik bij wijze van spreken opnieuw moeten leren spreken.

Het resultaat vind je op NietWeten.nl, in dit Witboek Niet-Weten, in de Agnosereeks, in mijn columns in het Boeddhistisch Dagblad.

Veel van mijn dwaalteksten zijn onvolkomen, vind ik.

Het zijn experimenten van iemand die al schrijvende de taal probeert te ontmantelen.

Omtrekkende bewegingen van iemand die met open ogen de weg probeert kwijt te raken.

Etudes van iemand die uit zijn taalgewoontes probeert te breken.

Leerstukken van iemand die uitgeleerd is.

Blijmoedig weemoedig

Ik denk niet dat het weten je spontaan zal vergaan bij het lezen van mijn stukjes. Er heeft zich tenminste nog niemand gemeld bij wie dat voor mijn gevoel gebeurd is.

Wel kan ik me voorstellen dat een lezer, of hij zich nou meldt of niet, bij mij min of meer verwoord ziet wat hij op zijn eigen manier al ondervindt of voorvoelt.

Een lezer die zelf (nog) geen woorden heeft gevonden voor wat hij zo graag wil zeggen, en het daarom (zolang) met mijn brouwsels moet doen.

Ben jij die lezer?

Dan hoop ik dat ik het gras niet voor je voeten heb weggemaaid.

Want als je denken zichzelf onomkeerbaar buitenspel heeft gedacht, mag je blij zijn als je nog iets te doen vindt.

Een of ander spel dat je buiten mededinging kan spelen.

Al is het maar ‘woorden vermoorden’, zoals ik.

Zodat je blij kan spelen, of jezelf blij kan spelen, terwijl je je weemoedig afvraagt hoe het zover heeft kunnen komen.

Blijmoedig weemoedig ja.

Want niet-weten is geen roze wolk.

Niet-weten is blues.

En dat is maar goed ook.

Met blauwsel wordt de was pas echt wit.

Blauw vraagteken in de vorm van een onmogelijk figuur tegen een blauwe achtergrond.
Niet-weten is blues.

Meteen door naar de epiloog: Niet-weten is jazz.

-3-

De witte wereld van de weetniet

De spiritualiteit van het onbekende.

Witte vlekken op de kaart

Terra incognita is Latijn voor ‘onbekend gebied’. Het is een term uit de kaartenmakerij waarmee je een oord aanduidt waarover niets bekend is.

Op globes en kaarten markeerden cartografen het terra incognita altijd met witte vlekken.

Soms stond er een waarschuwing in, een vermoeden van gevaar: ‘Hier zijn draken’ of ‘Hier zijn leeuwen’.

Het onbekende werd en wordt als vreeswekkend ervaren.

Toch, of juist daarom, zijn er vanaf de vijftiende eeuw veel ontdekkingsreizen georganiseerd om de witte vlekken op de kaarten in te vullen en het areaal van het terra incognita te verkleinen.

Een toedekkingsreis

Het spirituele pad kan je opvatten als een uitnodiging om het bekende terrein – jijzelf, je lichaam, je gedachten en gevoelens, je medemens en de wereld waarin je leeft – diepgaand te onderzoeken.

Je weet niet wat je daarbij zal vinden of kwijtraken, al denk je van wel, anders zou je er nooit aan beginnen.

Zelf moest ik tot mijn ontsteltenis keer op keer constateren dat het oppervlakkig bekende ten diepste onbekend was.

Mijn weg was geen ontdekkingsreis waarop ik onbekende gebieden ontsloot, maar een toedekkingsreis waarop ik met een witkwast in mijn hand – en met pijn in mijn hart – mijn terra cognita stukje bij beetje prijsgaf aan het onbekende.

Waarvan het natuurlijk al die tijd deel was blijven uitmaken, zeg ik achteraf.

Naarmate ikzelf, mijn lichaam, mijn gedachten en gevoelens, mijn medemens en de wereld waarin ik leef witter werden, kon ik ze steeds moeilijker uit elkaar houden, en ten slotte heb ik het maar opgegeven.

Het weten witten

In de beeldspraak van het terra incognita is wit de kleur van agnose.*

* Agnose is een ander woord voor niet-weten.

Het weten witten is het uitgummen van vastgeroeste ideeën over wie of wat je bent, over de zin van het leven, over de liefde, over de dood, over ethiek, over God, over de weg, over verlichting, lijden, waarheid, waarneming, metafysica, de vrije wil en noem maar op.

Wit noem je iemand die het allemaal niet meer weet.

Na het witten rest de witte alleen nog het witten van het witten zelf.

Pas als hij ook zijn witte bril heeft afgezet, is hij werkelijk wit, dat wil zeggen, níet.

Want werkelijk wit bevat alle kleuren van de regenboog, leerde Isaac Newton al.

Kleurrijk is de geest van de weetniet.

Witboek Niet-Weten

Ziezo, nu snap je hoe het Witboek Niet-Weten aan zijn naam komt.

Het gaat over het witten van je terra cognita – je zelfbedachte wereldje, je wereldbeeld in de ruimste zin van het woord.*

* Inclusief zelfbeelden, mensbeelden, godsbeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden en andere denkbeelden.

Het Witboek Niet-Weten heet óók een witboek omdat het opkomt voor niet-weten.

Je eigen onwetendheid en die van iedereen onder ogen zien, lijkt een ontweiding en een ontwijding maar blijkt een verwijding en een bevrijding.

Niet alleen van al dat weten, maar ook van het almaar willen weten, moeten weten, moeten leven naar wat je weet.

Als je het niet-weten net als ik helemaal leeft en beleeft en doorleeft, dan kan je er maar niet over uit.

Dan hou je er maar niet over op.

Dan gun je het iederéén.

Vandaar.

Wereldkaart met louter wit land in een blauwe zee van kleine wervelende figuurtjes.
Terra incognita – de witte wereld van de weetniet.

-4-

Verlos ons van het weten

Ik heb een zilversmid gekend
die zonder zilver kwam te zitten.

Ik ril bij de gedachte dat
ik al mijn weten niet kan witten.

Vrij naar Hugo Pos.

-5-

Verlos ons van niet-weten

Ik heb een ankersmid gekend
die aan een ketting kwam te zitten.

Ik ril bij de gedachte dat
ik al mijn weten steeds moet witten.

Vrij naar Hans van Dam.

-6-

Niet-weten voor beginners, gevorderden en gesjeesden

Welkom lezer, wat goed dat je het begin hebt gevonden van iets waar geen beginnen aan is.

Het Witboek Niet-Weten is een inleiding niet-weten voor beginners, gevorderden en gesjeesden.

Voor iedereen dus.

Ook voor jou.

Ook voor mij – ik ben niet verheven boven wat ik heb geschreven.

Dat een inleiding geschikt is voor beginners spreekt vanzelf.

Dat een inleiding geschikt is voor gevorderden snap je ook nog wel: als je al een tijdje ergens mee bezig bent, vergeet je de basis en is het goed om je geheugen op te frissen.

Maar wat moeten mensen die er klaar mee zijn nou met een inleiding?

En waarom noem ik ze gesjeesden in plaats van, hoe heet het allemaal ook alweer – ontwaakten of verlichten of zelfgerealiseerden of wijzen of meesters of mystici of heiligen of boeddha’s of stroomintreders of verhevenen of gezegenden of zo?

Omdat iedere weetniet een beginner is.

Een gevorderde is gewoon iemand die inziet dat hij altijd een beginner zal blijven.

Een gesjeesde is iemand die zelfs onder het niveau van de gewone beginner is gezakt – onder het niveau van het denken in niveaus.

Die niet meer van beginnen weet en niet meer van ophouden.

Die niet meer van slagen weet en niet meer van falen.

Die zelfs niet meer weet van niet-weten.

Die al die kul is vergeten.

Ik noem hem gesjeesd omdat hij voorgoed is gezakt.

Dat is meteen het gevaar van (een inleiding) niet-weten: misschien kom je er best in, maar kom je er nog wel uit?

Je bent gewaarschuwd.

-7-

Wat je minstens moet weten van niet-weten

‘Wat weet jij eigenlijk van niet-weten, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

-8-

Wat ik tegen kennis heb

‘Wat heb jij toch tegen kennis, Hans?’

‘Heb ik iets tegen kennis?’

‘Jij bent toch van niet-weten?’

‘Hoe zou ik dan iets tegen kennis kunnen hebben?’

‘Niet-weten is toch de afwijzing van alle kennis?’

‘Op grond van welke kennis zou ik alle kennis moeten afwijzen?’

‘Of toch tenminste de afwijzing van de mogelijkheid om tot gefundeerde kennis te komen?’

‘Als ik de mogelijkheid om tot gefundeerde kennis te komen op goede gronden af kon wijzen, dan was ik toch nog tot gefundeerde kennis gekomen.’

‘Dan weet ik het ook niet meer.’

‘Nou dan.’

-9-

Vallen is de weg

Een weetniet is gezakt voor het leven.

Zijn wijsheid is een maanlandschap.

Zijn mijter is een narrenkap

Zijn rakusu* is een broddellap.

* Een rakusu (Japans) is een sierslab voor sierboeddhisten.

Er is dus geen enkele reden om hem achterna te lopen.

Zoals er ook geen enkele reden is om hem verlicht of gerealiseerd of ontwaakt of heilig of wijs te noemen.

Natuurlijk, je mag hem in plaats van een dummy of een nitwit best eens een dwijze* noemen, of – heel chic – een agnost.

* Dwijs is een samentrekking van dwaas en wijs.

Dan lijkt het nog wat.

Als je maar niet vergeet dat het allemaal op hetzelfde neerkomt.

We zijn en blijven beginners in dit leven.

Eeuwige baby’s voor wie iedere stap de eerste is.

Wat we ook menen te weten.

Hoe we ook menen te heten.

Wat we ons ook aanmeten.

Hoe we ons ook uitdossen.

Welke titel we ook dragen.

Welk pad we ook menen te bewandelen.

Leven is een ander woord voor doodgaan.

Vallen is de weg.

Vallend figuur samengesteld uit vallende figuurtjes.
Vallen is de weg.

-10-

Wie niet weet die niet dweept

Een mens is geen stoel

Een weetniet is iemand die onder ogen ziet dat hij niets van het leven snapt.

Omdat hij nou eenmaal niets van het leven snapt, is hij ook niet in staat om te beoordelen of anderen er wel iets van snappen.

Alleen al daarom zal hij niemand meer op handen dragen.

Ik tenminste niet.

Hoe zou je ook iemand op handen kunnen dragen als je zelf geen vaste grond onder je voeten hebt?

Droste-effect van een figuur dat op handen gedragen wordt door een figuur dat op handen gedragen wordt…
Een mens is geen stoel.

Bewonderen is weten

Vóór je mensen ongeremd kan bewonderen, zal je eerst van alles over ze moeten weten.

Dat ze ervoor hebben gekozen om te doen wat ze doen, bijvoorbeeld.

Dat ze het ook niet hadden kunnen doen.

Dat ze volledig toerekeningsvatbaar zijn.

Dat hun wil vrij is.

Dat hun motieven zuiver zijn volgens een of ander onbetwijfelbaar zuiverheidsideaal.

Dat ze naar een of andere objectieve maatstaf een bewonderenswaardige prestatie hebben geleverd.

Dat hun prestatie geen schaduwzijden heeft die er bij nader inzien een wanprestatie van maken.

Van weten naar vragen

Bestaan er bewonderenswaardige prestaties zonder schaduwzijden?

Kan je ooit in één keer alle voors en tegens overzien?

Zijn er objectieve maatstaven die het mogelijk maken voor eens en voor altijd vast te stellen of iets een bewonderenswaardige prestatie is?

Zijn onze motieven ooit zuiver?

Wie kan zelfs maar zijn eigen motieven helemaal doorgronden, laat staan die van een ander?

Bestaat er een onbetwijfelbaar zuiverheidsideaal dat niet geboren is uit onzuivere motieven?

Is onze wil werkelijk vrij, kunnen wij helemaal zelf bepalen waar hij ons heen stuurt?

Is iemand ooit volledig toerekeningsvatbaar?

Had je alles wat je in het verleden hebt gedaan ook niet kunnen doen?

Heb je voor alles wat je ooit hebt gedaan bewust gekozen?

Verder van huis

Vragen, vragen, wiedewiedewagen.

Hans kwam thuis om zijn ouders door te zagen.

Vader gaf niet thuis.

Moeder gaf niet thuis.

Leraren gaven niet thuis.

Wetenschappers gaven niet thuis.

Filosofen gaven niet thuis.

Priesters gaven niet thuis.

Wijzen gaven niet thuis.

Niemand gaf thuis.

Niemand wist hoe.

Iedereen deed er het zwijgen toe.

Al dan niet met woorden.

De weg van alle vlees

Eindelijk, toen ik de moed al had opgegeven – nee, doordát ik de moed eindelijk had opgegeven – gaf niet-weten thuis.

Dat zeg ik verkeerd, niet-weten geeft altijd thuis, maar ik nam het niet.

Ik bedoel, niet-weten geeft nooit niet-thuis, het zou niet weten hoe, het is altijd overal.

Vandaar dat een weetniet altijd overal thuis is.

Ook al verkeert hij permanent in een vrije val.

Vrij is thuis, thuis is zonder weg onderweg.

De weg van alle vlees: All the way down.

Die weg is zijn thuis – of hij wil of niet.

En zolang een weetniet vrij valt, valt iedereen mee.

Mij tenminste wel.

Dat is mooi meegenomen:

Waar iedereen vrij valt, hoeft niemand iemand op handen te dragen.

Wie niet weet die niet dweept.

Geloof je dat?

En als een weetniet nou toch met iemand dweept?

Kan hij het zichzelf dan aanrekenen?

Wat denk jij?

-11-

Wie niet weet die niet met zich laat dwepen

Een weetniet is iemand die onder ogen ziet dat hij niets van het leven snapt.

Vanaf dat moment is hij te klein om anderen nog op handen te dragen.

Vanaf dat moment is hij te groot om zich nog op handen te laten dragen door anderen.

Om zichzelf nog op handen te dragen.

Dat zou een onverdraaglijke leugen zijn.

Hij heeft immers niets bereikt.

Juist níet.

Laat staan dat hij daarvoor de verantwoordelijkheid opeist.

Vallen doe je niet, dat overkomt je.

Wie niet weet laat niet met zich dwepen.

Ook niet door zichzelf.

Dat is geen prestatie hoor; het lukt hem gewoon niet meer.

Het werkt op zijn lachspieren.

Bewondering bindt, lachen maakt vrij.

Hij lacht zich vrij van dweperij.

Of is dit ook maar snapperij?

Wat als een weetniet nou toch met zich laat dwepen?

Kan hij het zichzelf dan aanrekenen?

Wat denk jij?

-12-

Niet-weten betekent gewoon dat je het niet meer weet

Wat is niet-weten?

Een domme vraag verdient een dom antwoord:

Niet-weten is niet weten.

Dat wil zeggen, niet-weten met een koppelteken is niet weten zonder koppelteken.

Wat niet weten zonder koppelteken is, hoef ik je vast niet uit te leggen.

Je weet wel: dat je iets niet weet.

De vraag is dus niet wat niet-weten is.

De vraag is wát het is dat je niet weet.

Nou, daar kan ik kort over zijn:

Niets.

Helemaal niets.

Echt niet?

Niet echt.

Als je erbij stilstaat niet.

Ik tenminste niet.

Niet wie je bent, niet wat je bent, niet dat je bent.

Niet waar je bent, niet waar je vandaan komt, niet waar je heen gaat.

Niet wat je moet doen, niet wat je moet laten, niet of je kan kiezen.

Niet wat de wereld is, niet dat de wereld is, niet dat de wereld niet is.

Niet dat je in de wereld bent, niet dat je zelf de wereld bent, niet dat je van de wereld bent.

Niet wie er gelijk heeft, niet dat er iemand gelijk heeft, niet dat er niemand gelijk heeft.

Niet naar wie je moet luisteren, niet dat je naar iemand moet luisteren, niet dat je naar niemand moet luisteren.

Niet… niet… niet…

Echt niet?

Niet echt.

Als je erbij stilstaat val je stil.

Ik tenminste wel.

Niet-weten mét een koppelteken is niet weten zónder koppelteken.

Dat je het niet meer weet – maar dan ook helemáál niet meer.

Niet-weten is niet weten.

‘Makkie’, zou Meester Makkie zeggen.*

* Meester Makkie is een meester in niet-weten. Hij is een leerling van Meester Tja, van wie hij wezenlijk niets heeft geleerd, en een leraar van Meester Loos, die niets wezenlijks van hem heeft geleerd.

-13-

Het leven is een paling

Het leven is een paling.

Glad als een aal.

Kronkelend als een slang.

Draaiend als een derwisj.

Zodra je het probeert te pakken, glipt het uit je vingers.

Terug het zwarte water in.

Waar het vandaan komt.

Waar het thuishoort.

Net als jij.

Net als ik.

Net als alle organismen.

Vraagteken in de vorm van een paling; de punt is een kleine paling die zichzelf in de staart bijt.
‘Het leven is een paling; zodra je het probeert te pakken, glipt het uit je vingers.’

Steeds wanneer je het leven in woorden probeert te vangen, kom je in tegenspraken terecht.

Ongerijmdheden waar je hopeloos in verstrikt raakt.

Dilemma’s waar je nooit uitkomt.

Een spiegelzaal waarin alles werkelijk lijkt – en niets.

Niet het leven heb je dan gevangen, maar jezelf.

Niet-weten is de paling loslaten.

De slang in de staart bijten.

De derwisj laten dansen.

De woorden hun gang laten gaan.

De meerduidigheid omarmen.

Eén worden met de veelheid.

De tegenstrijdigheid van het leven onder ogen zien.

Je eraan overgeven.

Erin opgaan.

Dit alles bij wijze van spreken.

Want je dacht toch zeker niet dat ik het leven hier zomaar even in woorden kon vangen?

-14-

Zwammen of verzuipen

Het leven is een paling, zei ik bij wijze van dwaling.

Een paling is net een zwemmend vraagteken.

Zwemmende zijn we.

Zwemmende en zwammende.

Kruipende en zuipende.

Wadende en radende.

Reppende en roepende.

Flippende en floepende.

Levend in het teken van de vraag.

Gouden vraagteken in de vorm van een onmogelijk figuur tegen een blauwe achtergrond.
Onmogelijk vraagteken.

Het vraagteken staat symbool voor niet-weten.

Het is daarom heel geschikt als logo voor deze inleiding niet-weten, voor het Witboek Niet-Weten, voor NietWeten.nl en voor de Agnosereeks.

Om het paradoxale van niet-weten te benadrukken, hebben we het vraagteken vormgegeven als een onmogelijk figuur.

Omdat de geest van niet-weten te vergelijken is met een onbeschreven blad, hebben we het ondenkbare vraagteken uitgevoerd in onbeschreven bladgoud.

Wat eronder zit laat zich raden.

Nou?

-15-

Leven in het Teken van de Vraag

Het vraagteken van niet-weten vraagt niet om een antwoord, het is het antwoord.

Het vraagteken van niet-weten wil geen uitroepteken worden, het wil zichzelf blijven.

Het vraagteken van niet-weten staat symbool voor een leven in het teken van de vraag.

Als we daar nou eens een sterrenbeeld bij scheppen, dan kunnen we het voortaan met hoofdletters schrijven:

Het Teken van de Vraag.

En laten we onze boreling meteen maar even aangeven bij de burgerlijke stand.

Naam: Questia.

Klasse: Sterrenbeeld.

Plaats: Innerlijk halfrond.*

* Wat in de Griekse mythologie de Hersenpan heet.

Sterrenbeeld in de vorm van een vraagteken.
Questia:Het Teken van de Vraag – sterrenbeeld op het innerlijk halfrond.

Wie leeft in het Teken van de Vraag is niet bezeten van het antwoord.

Hij laat de vraag de vraag.

Hij zit er niet mee in zijn maag.

Hij heeft er eindelijk vrede mee –

De vreemde vrede van niet-weten.

-16-

De vreemde vrede van niet-weten

Het is goed zo

Niet-weten is niet weten hoe of wat of waarom.

Je weet het allemaal niet meer en je hoeft het allemaal niet meer te weten.

Het houd je niet meer bezig.

Het is goed zo.

Is het niet goed zo, dan is het ook goed.

Je hebt er vrede mee.

Heb je er geen vrede mee, dan heb je dáár wel vrede mee.

Heb je er geen vrede mee dat je er geen vrede mee hebt, dan heb je dáár wel vrede mee.

Is het oorlog in je kop – kan gebeuren – dan heb je dáár wel vrede mee.

Ben je die godvergeten vrede helemaal zat – kan gebeuren – dan heb je dáár wel vrede mee.

Makkelijker, kleiner, lichter

Ongeremd niet-weten maakt je leven niet moeilijker, zoals veel mensen denken, maar makkelijker.

Opgeruimder.

Vrijmoediger.

Rechtlijniger.

Eenvoudiger.

Natuurlijker.

Vloeiender.

Helderder.

Dommer.

Gewoner.

Aardser.

Lulliger.

Kleiner.

Lichter.

Maar niet doordat je daarnaar strééft.

Gewoon doordat je het allemaal niet meer weet.

Doordat je het allemaal niet meer zo nodig hoeft te weten.

Keuzes maken zichzelf

Niet-weten is maar wat doen.

Net als vroeger, toen je nog niet beter wist.

Keuzes maken zichzelf, op hun eigen tijd.

Je kan erop wachten – hoe lang het ook duurt.

Dat je er soms niet op kan wachten, viel te verwachten.

Je zoekt het uit, je gaat het aan – en hebt er vrede mee.

Je wendt je af, je laat het gaan – en hebt er vrede mee.

Heb je er geen vrede mee, dan heb je dáár wel vrede mee.

De vreemde vrede van niet-weten.

Die niet bezit of wordt bezeten.

-17-

Elf misverstanden over innerlijke vrede

Woorden zijn letter-lijken

Over de vrede van spiritueel niet-weten bestaan veel misverstanden.

Dat je er letterlijk vredig van wordt.

Dat je er letterlijk rustig van wordt.

Dat je er letterlijk onverstoorbaar van wordt.

Dat je er letterlijk onbewogen van wordt.

Dat je er letterlijk neutraal van wordt.

Dat je er letterlijk gelaten van wordt.

Dat je er letterlijk stil van wordt.

Dat je er letterlijk deemoedig van wordt.

Dat je er letterlijk gelukzalig van wordt.

Dat je er letterlijk onthecht van wordt.

Dat je er letterlijk sterk van wordt.

Wie niet weet neemt niets meer letterlijk.

Woorden zijn wijzen van spreken.

Alleen dwazen gaan ermee aan de haal.

Voor niet-weten moet je alle letter-lijken achter je laten.

Letterlijk.

Deze ook.

-18-

Elf vormen van vrede zonder rede

De vrede van niet-weten is een vreemde vrede.

Een paradoxale vrede.

Waarin alle ruimte is voor onvrede.

Waarin alle ruimte is voor wat dan ook.

Zelfs voor ruimtegebrek, lachte de gek in z’n dwangbuis.

Alles wat je ooit hebt gehoord of gelezen over gemoedsrust kan je in niet-weten vergeten.

Helemaal.

Radicaal.

Zet af die roze bril!

‘Laat je niets wijsmaken door die oude wijzen!’ zei Meester Linji, en iedereen geloofde hem.

‘Laat je niet gek maken door die oude gekken!’ zei de oude gek, en maakte iedereen gek.

Dit is hoe het zit:

De vreemde vrede van niet-weten is geen vrede, maar vrede hebben met je onvrede.

De vreemde vrede van niet-weten is geen rust, maar vrede hebben met je onrust.

De vreemde vrede van niet-weten is geen onverstoorbaarheid, maar vrede hebben met je verstoorbaarheid.

De vreemde vrede van niet-weten is geen onbewogenheid, maar vrede hebben met je bewogenheid.

De vreemde vrede van niet-weten is geen neutraliteit, maar vrede hebben met je partijdigheid.

De vreemde vrede van niet-weten is geen overgave, maar vrede hebben met je verzet.

De vreemde vrede van niet-weten is geen gedachtestilte, maar vrede hebben met je gedachtejacht.

De vreemde vrede van niet-weten is geen deemoed, maar vrede hebben met je hoogmoed.

De vreemde vrede van niet-weten is geen gelukzaligheid, maar vrede hebben met je stemmingen.

De vreemde vrede van niet-weten is geen onthechting, maar vrede hebben met je gehechtheid.

De vreemde vrede van niet-weten is geen kracht, maar vrede hebben met je zwakte.

‘Vreemderder en vreemderder’, zou Alice zeggen.

Maar we zijn hier niet in Wonderland:

De rust van niet-weten is gewoon berusting.

Berusting komt vanzelf als je het allemaal niet meer weet – maar dan ook helemaal niet meer.

Als je je daar eindelijk bij hebt neergelegd, bedoel ik.

Als je het eindelijk hebt opgegeven – of ‘het’ jou.

Misschien ben je daar nog lang niet aan toe.

Misschien wel nooit.

Hoeft ook helemaal niet.

Zolang je er maar vrede mee hebt.

De vreemde vrede van niet-weten.

-19-

Gekke vrede of de vrede van een gek?

Wat hebben de 11 misverstanden over innerlijke vrede en de 11 vormen van vrede zonder rede met elkaar gemeen?

Het zijn er 11.

Dat is natuurlijk geen toeval; 11 is het gekkengetal.

Twee keer 11 is dubbelgek.

Dubbelgek is tweeëntwintig – het kengetal van het begrip ‘catch 22’.

Een catch 22 is een ondenkbare situatie.

Een toestand waar je wel inkomt maar niet uitkomt.

Een dilemma.

Een vicieuze cirkel.

Een eindeloze regressie.

Een paradox.

Een tegenstrijdigheid.

Een fuik in een fuik in je buik.

Vis met een fuik als lichaam.
Een fuik in een fuik in je buik.

Catch 22 is een geweldige metafoor voor spirituele verlichting.

Vlieg er niet in!

Het is ook een geweldige metafoor voor niet-weten.

Vlieg er eens uit!

Voor mij is ieder meervoud van 11 ook een gekkengetal: 22, 33, 44, 55, 66, 77, 88, 99…

Ieder gekkengetal is ook een catch: catch 11, catch 22, catch 33…

Gekken, catches en veelvouden van 11 – je zal ze nog vaak tegenkomen in dit Witboek Niet-Weten.

Een keer of 33.

Catch-as-catch-can.

Het zou het motto van de weetniet kunnen wezen.

In goed Neanderlands: je weet nooit hoe een koe een haas vangt.

En je weet nooit óf een koe een haas vangt.

Kan je een weetniet vangen met een motto?

Dat had je gedacht.

En wie zich niet wil laten vangen zit dáár weer in gevangen.

Goede jacht!

-20-

De wet van de weteloosheid

De een houdt van tellen, de ander van noemen.

Weten is afgemeten logica.

Niet-weten is leven in de paradox.

Daar heersen andere wetten.

Daar heerst de wet van de weteloosheid.

De vreemde vrede van niet-weten is ongevoelig voor elk gevoel van onvrede, hoe groot ook.

Ze kunnen gewoon naast elkaar bestaan.

Op dezelfde plaats!

Op dezelfde tijd!

In dezelfde mens!

Je snapt het niet!

Beter van niet.

De enige manier om de onuitputtelijke vrede van niet-weten uit te putten is proberen het te snappen.

Ik ben daar gek!

Niet-weten is ont-snappen.

Ontsnappen aan het snappen.

-21-

Niet-weten is geen therapeutisch scepticisme

Scepticisme is methodische twijfel.

Een leer die methodische twijfel voorschrijft heet een twijfelleer.

Aan de boom van het scepticisme hangen veel loten zonder poten, en een daarvan is het therapeutisch scepticisme.

Volgens deze twijfelleer is het doel van de sceptische levenshouding ataraxie.

Ataraxie is Grieks voor gemoedsrust, helderheid van geest.

De eerste westerse exponent van deze visie is, dacht ik, Pyrrho van Elis (360-275 voor Christus).

Volgens Pyrrho berust ieder bewijs op onbewezen premissen.

Ataraxie is te bereiken door in te zien dat wij niets kunnen weten.

De wijze schort ieder oordeel op voor onbepaalde tijd.

Dit consequent doorgevoerde uitstel heet in het Grieks epoche.

Zodra je begrijpt dat ieder oordeel een slag in de lucht is, komt het streven naar kennis en waarheid spontaan tot rust.

Wat ik zo gek vind aan het therapeutisch scepticisme is dat het zelf stijf staat van ideeën die kennelijk zijn vrijgesteld van kritisch onderzoek.

Om te beginnen is er het wéten dat wij niets kunnen weten.

Is dat wel zo?

Dan is er het wéten dat dit blote besef een voorspelbaar en wenselijk effect op onze gemoedstoestand zal hebben, namelijk gemoedsrust, en niet, bijvoorbeeld, angst, apathie, rusteloosheid, spanning, melancholie, neerslachtigheid, wanhoop, alles door elkaar of helemaal niets.

Is dat wel zo?

Dan is er het wéten dat je pas een oordeel mag vellen als er een sluitend bewijs voor is.

Is dat wel zo?

Dan is er het wéten dat wij meester zijn over ons lot en er zelf voor kunnen kiezen om ons diepgaand met het scepticisme bezig te houden om zodoende tot het gewenste besef te komen.

Is dat wel zo?

Dan is er het geloof in de suprematie van de rede die ervoor zal zorgen dat wij onze huidige overtuigingen zonder meer overboord zullen zetten en onze oordelen zonder meer zullen opschorten zodra we kennis hebben genomen van de onweerlegbare argumenten van het therapeutisch scepticisme.

Is dat wel zo?

Vijf aannames is niet gering als je bedenkt dat zelfs een olifant genoeg heeft aan vier poten.

Eerst bewijzen zou ik zeggen, maar zonder terug te vallen op onbewezen premissen, anders blijven we aan de gang.

En terwijl de therapeutisch sceptici massaal de handschoen opnemen en boek na boek vullen met ongehoorde redeneringen en verfijnde raadgevingen, ga ik in alle rust een stukje schrijven over niet-weten.

Over olifanten zonder poten misschien, of over een leer zonder leerstellingen.

Daar word ik nou rustig van.

-22-

Voor iedereen die er een zwaar hoofd in heeft

‘Wat is weten?’

‘Een poot om op te staan.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een slurf.’

Olifantenkop met een poot in plaats van een slurf.
Een poot om op te staan.

-23-

Voor niet-weten moet je bij jezelf wezen

Spiritualiteit – als je de leraren en de literatuur mag geloven word je er een modelmens van die een modelleven leidt.

Een meester, een heilige, een god.

De vleesgeworden waarheid.

Voorgoed ontwaakt, immer mindful.

Een waakvlam die nooit oplaait of uitwaait.

Onverstoorbaar, onkreukbaar, onthecht.

Gelukzalig, euforisch, extatisch.

Spiritualiteit, man, dat is het einde van het lijden.

Het einde van het lijden is nirwana.

Nirwana is de hemel op aarde.

Ja, dat zou je wel willen, hè?

Pas dan maar op.

Voor de hemel op aarde moet je bij een goeroe wezen.

Nou, dan weet je het wel.

Voor je het weet ben jij er voor de goeroe.

Voor het nirwana moet je bij een boeddha wezen.

Nou, dan weet je het wel.

Voor je het weet ben jij er voor de boeddha.

Voor meesterschap moet je bij een leraar wezen.

Nou, dan weet je het wel.

Voor je het weet ben jij er voor de leraar.

Voor God moet je bij een priester wezen.

Nou, dan weet je het wel.

Voor je het weet ben jij er voor de priester.

Voor je het weet ben jij er voor de leer.

Voor je het weet ben jij er voor je leerlingen.

En voor je het weet zijn je leerlingen er voor jou.

Dát is wat je dan doorgeeft, van generatie op generatie.

Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om.

Van ego op ego.

Spiritualiteit is een spinnenweb:

Voor je het weet raak je erin verstrikt.

Geestelijke vrijheid wordt duur betaald.

Let maar eens op.

Kijk maar eens om je heen.

Sla de kranten er maar op na.

En hoe zit dat dan met niet-weten?

Is dat ook zo’n spinnenweb?

Bij wie moet je voor niet-weten wezen?

Niet bij mij, mocht je dat soms denken.

Voor niet-weten moet je bij jezelf wezen.

Bij jezelf blijven.

Tot jezelf komen.

Naar jezelf terugkeren.

Wie of wat of waar dat ook mag wezen.

Dat maakt je dan trouwens geen donder meer uit.

Dat het je dan geen donder meer uitmaakt wie of wat of waar je bent, is wat ik niet-weten noem.

Niet-weten is geen spinnenweb en een weetniet is geen spin.

Niet-weten is een mes en een weetniet is een coupeur.

Een dapper snijdertje.

Hij snijdt zich vrij van jou en mij en allerhande spinnerij.

-24-

Hoe heet het – de bodemloze bucket van Samuel Beckett

‘Want niets weten is niets, niets willen weten is evenmin iets, maar niets kunnen weten, weten niets te kunnen weten, zo treedt de vrede binnen in de ziel.’

Samuel Beckett

Een sluier die verscheurd moet worden

Samuel Beckett is de 20e-eeuwse auteur van ontstellende toneelstukken als Wachten op Godot en dito boeken als de trilogie Molloy, Malone sterft en Naamloos.

Het komt mij voor dat Beckett op zijn eigen onnavolgbare manier vanuit dezelfde vervreemding en verbijstering schrijft die bij mij in 2007, op 49-jarige leeftijd, totaal onvoorzien in een mateloos niet-weten zal transformeren.

In 1937, op 32-jarige leeftijd, helemaal aan het begin van zijn carrière, schrijft Samuel Beckett in een brief:

‘Het wordt voor mij werkelijk steeds moeilijker, en zinlozer ook, om fatsoenlijk Engels te schrijven. En steeds meer komt mijn taal me voor als een sluier die verscheurd moet worden om de daarachter liggende dingen (of het daarachter liggende niets) te bereiken. Grammatica en stijl. Ze lijken me net zo aftands geworden als een biedermeier badpak of de onverstoorbaarheid van een gentleman. Een vermomming.

Hopelijk komt er een tijd, en godzijdank is die in zekere kringen al gekomen, waarin de taal juist daar het beste wordt gebruikt, waar ze flink wordt misbruikt. Aangezien wij haar niet op slag kunnen uitschakelen, dienen we in ieder geval niets na te laten dat haar in diskrediet kan brengen. Het ene gat na het andere boren, tot wat zich achter haar verschuilt, iets dan wel niets, begint door te sijpelen – ik kan me voor de tegenwoordige schrijver geen verhevener doel voorstellen.’

(Bzzlletin 193, p35)

Gemompel

In 1961, als 55-jarige, schrijft Beckett een monoloog zonder interpunctie, Comment c’est. Aan het eind daarvan noemt de ik-figuur zijn relaas een…

‘niet te kwalificeren gemompel waarvan hier eindelijk de laatste flarden de allerlaatste in de vertrouwde vorm van vragen die ik me stellen zou en van antwoorden die ik me geven zou hoe onwaarschijnlijk dat ook mag lijken mag laatste flarden allerlaatste als het hijgen ophoudt laatste gemompel allerlaatste hoe vreemd dat ook lijken mag

of dat alles dat alles ja of dat alles niet hoe zal ik het zeggen geen antwoord of dat alles niet onwaar is ja

al die berekeningen je verklaringen ja het hele verhaal van het begin tot het eind ja volkomen onwaar ja

dat is anders gebeurd ja heel anders ja maar hoe geen antwoord hoe is het dan gebeurd geen antwoord wat is er dan gebeurd geen antwoord WAT IS ER DAN GEBEURD gebrul goed’

(Hoe het is, De Bezige Bij 1968, pagina 187)

Waanzin

Wanneer we Beckett’s brief uit 1937 als een intentieverklaring van zijn kunstenaarschap opvatten, rijst de vraag of hij er inderdaad in geslaagd is de taalsluier te verscheuren, en zo ja, wat hij erachter heeft aangetroffen.

Voor een antwoord gaan we te rade bij de laatste tekst die Beckett ruim een halve eeuw later (in 1988) op 83-jarige leeftijd op schrift zal stellen, zowel in het Frans als in het Engels, getiteld Comment dire respectievelijk What is the word, door mij vertaald als Hoe heet het.

‘Waanzin’, verklaart de meesterstamelaar aan het eind van deze tekst aan het eind van zijn Latijn aan het eind van zijn leven, ‘om ver weg daarginds een glimp op te schijnen willen vangen van wat nauwelijks… wat… hoe heet het… hoe heet het.’

Hoe heet het

waanzin…
waanzin om te…
om te…
hoe heet het…
waanzin om hieruit…
al dit…
waanzin om uit dit alles…
gegeven…
waanzin om gegeven dit alles…
gezien…
waanzin om gezien dit alles…
dit…
hoe heet het…
dit dit…
dit dit hier…
al dit dit hier…
waanzin om gegeven dit alles…
gezien…
waanzin om gezien dit dit alles hier…
om te…
hoe heet het…
zien…
een glimp opvangen…
op schijnen te vangen…
op te schijnen willen vangen…
waanzin om een glimp op te schijnen willen vangen…
van wat…
hoe zeg je dat nou…
en waar…
waanzin om een glimp op te schijnen willen vangen van wat en waar…
waar…
hoe heet het…
daar…
daarginds…
daar daarginds…
ver weg…
ver weg helemaal daarginds…
ver weg helemaal daarginds nauwelijks…
wat…
hoe heet het…
gezien dit alles…
al dit dit…
al dit dit hier…
waanzin om te zien wat…
een glimp opvangen…
op schijnen te vangen…
op te schijnen willen vangen…
ver weg helemaal daarginds van wat nauwelijks…
waanzin om ver weg daarginds een glimp op te schijnen willen vangen van wat nauwelijks…
wat…
hoe heet het…

hoe heet het

(Comment dire / What is the word, Samuel Beckett, Bzzlletin 193, vertaling: Hans van Dam)

Samuel Beckett.

Nog steeds betoverd door de taal

Of het werkelijk waanzin was om een glimp op te willen vangen van hoe-heet-het durf ik niet te zeggen.

Wat mij verbaast is dit: waarom ging de grote Ierse absurdist er, voor zover ik kan nagaan tenminste, zijn hele leven vanuit dat zijn speurtocht hem iets dan wel het niets zou opleveren?

Was hij ondanks alles nog steeds betoverd door de taal met haar overwegend tweewaardige logica – ja of nee, waar of onwaar, aards of heilig, dwaas of wijs, iets of niets, heten of niet heten?

Waarom geen iets of niets of iets-en-niets of iets-noch-niets bijvoorbeeld, om er eens een vierwaardige logica tegenaan te gooien?

Ja of nee of ja-en-nee of ja-noch-nee?

Waar of onwaar of waar-en-onwaar of waar-noch-onwaar?

Aards of heilig of aards-en-heilig of aards-noch-heilig?

Dwaas of wijs of dwaas-en-wijs of dwaas-noch-wijs?

Heten, niet-heten, heten en niet heten of heten noch niet heten – logica blijft logica, hoe waardig ook.

Onderscheidingen blijven onderscheidingen, grenzen blijven grenzen, hokjes blijven hokjes.

Wat te denken van een vijfde optie, buiten iedere logica om en zo mogelijk nog onvoorstelbaarder, nog onbeschrijflijker dan Beckett’s Hoe heet het?

Een mateloos niet-weten

Ik doel op een mateloos niet-weten.

Totale agnose.

Waarin de verbijstering niet blijft kwellen en ook niet tot een oplossing komt, maar tot een climax, een toppunt, een plafond.

En in dat maximum, bij gebrek aan fluctuaties, tot rust.

Een zielenrust in het oog van de verbijstering zelf.

Paradoxale vrede in een grenzenloos niemandsland waar iedereen kan komen maar niemand beslag op kan leggen.

Een geestelijke ontspanning die zich niets aantrekt van de normale spanningen van het dagelijks leven.

In een mateloos niet-weten dienen de gaten die je in de taal boort – of de taal in jou – niet om ‘iets’ of ‘niets’ of ‘iets én niets’ of ‘iets noch niets’ of welk ‘weten’ of ‘niet-weten’, hoe ‘gematigd’ of ‘mateloos’ ook, binnen te laten sijpelen.

Ze dienen om al je gedachten, begrippen, grenzen, hokjes, verklaringen, duidingen, antwoorden en vragen onophoudelijk weg te laten sijpelen.

Als vanzelf.

Zonder uitzondering.

Deze ook.

Ik kan me voor de tegenwoordige schrijver geen mooier tijdverdrijf voorstellen.

-25-

Niet-weten is je Waterloo

‘Wat is weten?’

‘Van zinkend schip naar zinkend schip.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Verzuipen.’

-26-

De plaats van niet-weten – tips van een gesluierde

Dit is de plaats…

Waar verdeeldheid is verdwenen
En eenheid is doorzien

Waar verschillen zijn verdwenen
En gelijkheid is doorzien

Waar de kennis is verdwenen
En de kenner is doorzien

Waar illusies zijn verdwenen
En de werkelijkheid is doorzien

Waar de leerling is verdwenen
En de meester is doorzien

Waar gehechtheid is verdwenen
En onthechting is doorzien

Waar het ego is verdwenen
En het zelf is doorzien

Waar de dharma is verdwenen
En de boeddha is doorzien

Waar het duister is verdwenen
En verlichting is doorzien

Waar de tijd is verdwenen
En het heden is doorzien

Waar het doel is verdwenen
En de weg is doorzien

Waar dwaasheid is verdwenen
En wijsheid is doorzien

Waar de leugen is verdwenen
En de waarheid is doorzien

Waar het hoofd is verdwenen
En het hart is doorzien

Waar de woorden zijn verdwenen
En de antwoorden zijn doorzien

Waar de twijfel is verdwenen
En zekerheid is doorzien

Waar het weten is vergeten
En niet-weten is gezien

Dit was de plaats…

-27-

Woordenboek niet-weten: ‘En dat ook niet!’

Toen ik net tot niet-weten was gekomen, kon ik alleen maar stamelen:

‘En dat ook niet! En dat ook niet! En dat ook niet!’

Dit in reactie op gedachten die tevergeefs kaas probeerden te maken van wat ik destijds zelfs geen niet-weten wist te noemen, maar wat neerkomt op gehakt maken van je gedachten, ook die over niet-weten.

Die term, niet-weten, heb ik pas later ontdekt, toen ik in de literatuur dook op zoek naar mensen die iets soortgelijks hadden meegemaakt.

Ik moet hem al eerder onder ogen hebben gehad maar toen was ik er kennelijk niet ontvankelijk voor.

Jaren ben ik bezig geweest om woorden en uitdrukkingen te verzinnen en aan elkaar te rijgen tot iets dat enigszins op proza lijkt.

De proza van het stamelen, de proza van het herroepen, de proza van het sprekend niet spreken over denkend niet denken – de proza van agnose.

Tegenwoordig kijk ik vol verbazing terug op die begintijd.

Een woordenlijst heb ik sinds ik hem heb niet meer nodig en de metaforen fladderen ’s zomers en ’s winters als vlinders door de dwaaltuin van mijn geest.

Makkelijke woorden, moeilijke woorden, sommige lovend, andere neutraal, schertsend of spottend – net wat de situatie vraagt.

Het zijn ook allang geen losse woorden meer maar hele woordvelden, sjablonen, formules, denkwijzen.

Al die woorden en uitdrukkingen – ei ei, spielerei.

Holle klanken voor een lege leer.

Condensstrepen in de lucht.

Woorden in de wind.

Wervelingen van een hemelskind.

Zondagskindjes van een zwerveling.

Weg ermee.

En weg ook met het ‘weg ermee’.

Voor niet-weten heb je geen speciale woorden nodig.

Niet-weten is het hoofd bieden aan je woorden.

De woorden de woorden laten.

Er niet mee aan de haal gaan.

Ze niet met jou aan de haal laten gaan.

Deze woorden ook niet.

De woorden ‘niet-weten’, ‘agnose’, ‘dwijsheid’, ‘de lege leer’ en ‘verduisterd’ weergegeven als condensstrepen aan de hemel.
Woorden in de wind.

-28-

De mantra van niet-weten

Niet-weten – als het je overkomt weet je niet wat je overkomt.

Het neemt je hele denken over.

Of je wil of niet.

Niet alleen het levensbeschouwelijke denken maar ook het denken van alledag, en daarmee het leven van alledag.

Of het nou over liefde gaat of over lijden, over leven of over sterven, over goden of over duivels, over hebben of over zijn, over vasthouden of over loslaten, over zingeving of over zinloosheid, over fundamentalisme of over twijfel – overal dringt het niet-weten in door.

De afgelopen elf jaar heb ik over al deze onderwerpen geschreven vanuit het perspectief, of liever het non-perspectief, van agnose*.

* Agnose is een mooi woord voor niet-weten.

Nergens vanuit dus.

Zonder perspectief.

Dat heeft duizenden dwaalteksten* opgeleverd, die je terug kan vinden in de elfdelige Agnosereeks.

* Een dwaaltekst is een tekst die het niet-weten beschrijft of demonstreert.

Hoewel niet-weten precies even gevarieerd, betoverend, raadselachtig en overweldigend is als het leven zelf, zijn teksten over niet-weten dat niet.

Teksten over niet-weten zijn precies even repetitief als het leven zelf.

Even repetitief als eten, drinken, plassen, poepen, slapen, denken, voelen, lachen, huilen, spreken en zwijgen.

Even repetitief als het kloppen van je hart.

De elfdelige Agnosereeks is één boek elf keer herhaald.

De ‘elf maal elf’ dwaalteksten van dat ene boek zijn één tekst elf maal elf keer herhaald.

Ze komen allemaal op hetzelfde neer.

Een simpel lied – de mantra van niet-weten.

En internationaal, universumtaal.

In het Sanskriet:

In het Grieks:

In het Cyrillisch:

In het Chinees:

In het Japans:

Je ziet, de mantra van niet-weten is maar vier woorden lang.

Iedereen kent hem, jij ook.

Het is een van de eerste dingen die je leert zeggen, eerst nog in telegramstijl:

‘Kwenie.’

Het is een van de eerste dingen die je leert verbloemen.

-29-

Niet-weten als lege canon

Teksten over niet-weten gaan nergens over, deze ook niet.

Daarom is iedere dwaaltekst er één teveel.

Een mooi woord voor teveel is ‘redundant’.

Iets heet redundant als het best gemist kan worden.

Zo kan het woord ‘redundant’ best gemist worden.

Zo kan deze tekst ook best gemist worden.

Zo kunnen al mijn teksten best gemist worden.

Zo kan hun schrijver ook best gemist worden.

Ik heb hem tenminste nog geen dag gemist sinds hij zijn contouren verloor in de mist van niet-weten.

Over niet-weten valt niets stelligs te zeggen, bevestigend noch ontkennend.

Niet-weten is nou eenmaal ont-stellend.

Vandaar dat het geen essentiële teksten kent – niet één.

Alle dwaalteksten, hoe puntig of wollig ook, zijn overbodig.

Wat ze doen is het loslaten vastleggen.

En dat ter plaatse weer loslaten.

Zou je niet-weten canoniseren dan kreeg je een lege canon.

Dé lege canon, want waarin zou de ene lege canon moeten verschillen van de andere lege canon?

Da’s niet zo best voor een schrijver over niet-weten.

Aan de andere kant: zonder woorden gaat het helemáál niet.

Spreektaal, beeldtaal, programmeertaal, dierentaal, lichaamstaal, stameltaal, wartaal, wantaal – ik gebruik ze allemaal.

Met handen en voeten vertel ik mijn laatste verhaal.

-30-

Niet-weten als leeg kanon

Niet-weten is een leeg kanon.

Ik laad het met losse flodders en schiet er saluutschoten mee af.

Ze klinken allemaal hetzelfde:

Een simpele beat, de canon van niet-weten.

Intergalactisch, het ritme van de kosmos.

In het Sanskriet:

In het Grieks:

In het Cyrillisch:

In het Chinees:

In het Japans:

Zo slaat het hart van niet-weten:

Boem, boem, boem, ad libitum.

Met een knal eindigt iedere pretentie iets te weten.

Al was het maar van niet-weten.

Met een knal eindigt iedere pretentie.

Saluut!

-31-

Niet-weten als oneindige lus

Het laatste verhaal van het verhaal dat Hans van Dam heet is een doorlopend verhaal over het verhaal dat niet-weten heet.

Wat helemaal geen verhaal is, maar het einde van alle verhalen, groot en klein.

Wat gewoon het volgende verhaal is, en wat doe je eraan.

Een verhaal dat helemaal niet dóórloopt maar steeds opnieuw dóódloopt.

Of positief geformuleerd, een verhaal dat steeds opnieuw begint.

Niet-weten is een oneindige lus, een fractaal, een perpetuum mobile, een gemaal.

Draaiend als een derwisj om zijn eigen as.

Herrijzend als een vogel uit zijn eigen as.

Net als het denken zelf.

Dat ook al niet van ophouden weet.

Dat ook al nergens heen gaat.

Vandaar misschien dat het vertellen van ‘laatste’ verhalen nooit ophoudt.

Er is zelfs een woord voor, wist je dat?

Endisme is de al te menselijke neiging om het laatste verhaal over iets te willen vertellen en zo de concurrentie voorgoed de mond te snoeren.*

* Ik kom er later in dit Witboek Niet-Weten op terug.

Endisme behoort tot dezelfde categorie als eschatologie, de leer van de laatste dingen of het einde der tijden.

Vooral religies bedienen zich ervan: ‘Het einde is nabij, bij ons ben je buutvrij.’

Ook een manier om de concurrentie af te troeven.

Leer mij de eschatologen kennen.

Leer mij de mensen kennen.

Leer mij mezelf kennen.

Leer mij het denken kennen.

Leer mij niet-weten kennen.

Of beter nog:

Leer mij maar niets meer.

Leer mij maar iets af.

-32-

Wat er achter niet-weten zit

Wat er achter niet-weten zit laat zich raden, schreef ik bij de introductie van het onmogelijke vraagteken.

Heb je het inmiddels geraden?

Nee?

Geen probleem.

Ik zal het je laten zien.

Hier heb je het ondenkbare vraagteken nog een keer:

Als we de naden uitvergroten zie je dit:

Bij nader inzien blijkt het ‘ondenkbare vraagteken’ een mozaïek van veelhoeken te zijn:

Je kan ze zo rangschikken als je wil:

Er is helemaal geen onmogelijk vraagteken!

Dat is een illusie van het oog.

Zoals weten een illusie van de geest is.

Zoals niet-weten een illusie van de geest is.

Zoals de geest een illusie van de weet-ik-veel is.

Zoals de illusie… een eh… van de…

Iedere pretentie iets te weten eindigt net als iedere pretentie niets te weten:

Met een knal.

Of wist je dat al?

-33-

Van niet-weten wil ik zingen!

Een onmogelijk uitroepteken.

Het is je misschien niet ontgaan dat mijn dwaalteksten bol staan van de vraagtekens.*

* Op het moment van schrijven 22.530 stuks.

Het vraagteken staat symbool voor een radicaal niet-weten – het enige niet-weten dat ik ken.

Maar niet-weten heeft nog een kant, waaraan ik in het openbaar minder makkelijk uitdrukking geef.

Het is de kant van het uitroepteken.

Een onmogelijk uitroepteken uiteraard.

Want het is onmogelijk te begrijpen dat iets onmogelijks als niet-weten iets werkelijks als hartstocht op kan roepen.

Dat je het wel kan uitroepen van blijdschap!

Toch is het zo.

Hoe leeg het van zichzelf ook is,

Niet-weten vervult mij!

Ik ben ervan doortrokken!

Ik stroom ervan over!

Van niet-weten wil ik zingen!

Dat was het alweer.

Viel best mee, toch?

Het onmogelijke uitroepteken van niet-weten, uitgevoerd in geborsteld staal.

-34-

Niet-weten is passen zonder meten

‘Wat is weten?’

‘Alles in een hokje stoppen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Alles in de gaten krijgen.’

-35-

Niet-weten is verder kijken

‘Wat is weten?’

‘Overal kieren zien.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Door de kieren kijken.’

‘Wat is daar te zien?’

‘Een gapend gat.’

‘Wát?’

‘Noem het dan maar eindeloze vergezichten.’

‘Wauw!’

-36-

365 Definities van niet-weten

Niet-weten – je kan er boeken over volschrijven en nachten over doorpraten.

Dat doe ik graag, maar nodig is het niet.

Je kan ook gewoon een definitie geven.

Of twee, voor het geval de eerste niet overkomt.

Of drie, voor het geval de tweede niet overkomt.

Of 365, zodat je het iedere dag opnieuw kan proberen.

Of 366, voor het geval het een schrikkeljaar is.

Of 397, voor mensen met een dertiende maand.

Is dat niet overdreven?

Nee hoor, met niet-weten moet je meteen in het diepe springen.

Als je eerst leert zwemmen, verzuip je nooit.

Bovendien komen alle definities van niet-weten op hetzelfde neer.

Eigenlijk is er maar één definitie van niet-weten:

Géén definitie van niet-weten.

-37-

Definities van niet-weten – januari

1. Niet-weten is steeds opnieuw beginnen.

2. Niet-weten is overal over beginnen.

3. Niet-weten is onbegonnen werk.

4. Niet-weten is steeds opnieuw eindigen.

5. Niet-weten is overal over ophouden.

6. Niet-weten is alles uitwissen.

7. Niet-weten is verwijlen in het ongewisse.

8. Niet-weten is alles afbreken.

9. Niet-weten is alles verliezen.

10. Niet-weten is alles weerspreken.

11. Niet-weten is alles relativeren.

12. Niet-weten is ook het relativeren relativeren.

13. Niet-weten is ruimhartigheid, ook voor bekrompenheid.

14. Niet-weten is geen aandachtspunt.

15. Niet-weten is geen agendapunt.

16. Niet-weten is geen aanknopingspunt.

17. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iets te weten en niet langer meent niets te weten.

18. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iets te doen en niet langer meent niets te doen.

19. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iemand te zijn en niet langer meent niemand te zijn.

20. Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent op een of ander punt te zijn.

21. Niet-weten is een omslagpunt.

22. Niet-weten is een contrapunt.

23. Niet-weten is een nulpunt.

24. Niet-weten is een mispunt.

25. Niet-weten is een breekpunt.

26. Niet-weten is een vluchtpunt.

27. Niet-weten is een verdwijnpunt.

28. Niet-weten is een vraagteken.

29. Niet-weten is weten tussen aanhalingstekens.

30. Niet-weten is leven tussen aanhalingstekens.

31. Niet-weten is geen visie en een visie op niet-weten is geen niet-weten.

365 Definities van niet-weten – januari.

-38-

Niet-weten is geen traditie

Niet-weten lijkt nergens op, maar teksten over niet-weten lijken sprekend op elkaar.

Een agnost serveert altijd aardappels.

Oude friet in nieuwe zakken.

Eén van die zakken ben ik.

Vol vlekken van buiten, vol botten van binnen.

Vergane glorie, zeg dat wel.

Dat riekt naar traditie, zou je denken, maar zo lang timmer ik nog niet aan de kist.

Bovendien is niet-weten geen traditie.

Nooit geweest ook.

Niet-weten is nooit meer geweest dan een vergeet-me-nietje in bestaande tradities met een heel eigen signatuur – met name zen en mystiek.

Een ondergeschoven kindje.

Een mongooltje in het donker in de kelder.

Zo van: ‘O, tussen twee haakjes, niet-weten is het meest nabij.’*

* Pointe van koan 20 van het Boek van sereniteit.

Godsamme, had je dat niet eerder kunnen zeggen?

Niet-weten is dus geen traditie.

Niet-weten is geen-traditie.

Geen-traditie is van alle tijden en plaatsen.

Ze vindt zonder bemoeienis van doorgezeten interpreten en obsolete exegeten spontaan haar weg in elke taal.

In het Nederlands:

In het Sanskriet:

In het Grieks:

In het Cyrillisch:

In het Chinees:

In het Japans:

Iedereen geeft het toe, hoor je dat?

Eindelijk.

En dan weer gauw over tot de waan van de dag, de orde van de eeuw en de regel van het millennium.

-39-

Eeuwige leerlingen die eeuwig de leraar uithangen

Als er íets traditioneel is aan niet-weten, dan is het wel het verbloemen ervan.

Verstoppertje spelen.

Voor anderen en voor jezelf.

De hele dag doen alsof je het allemaal wel doorhebt terwijl je er in werkelijkheid geen zak van snapt (weer die zak) – daar zijn wij mensen meesters in.

Eeuwige leerlingen die eeuwig de leraar uithangen.

‘Ecce homo’, zei Pontius Pilatus, ‘zie de mens’, en sloeg een kruis.

Lendendoeken!
Tunica’s!
Toga’s!

Lakenhal!
Lekenbal!
Carnaval!

Scepters!
Slippen!
Sjerpen!

Hoorngeschal!
Hengstenbal!
Carnaval!

Alle dagen carnaval.

Behalve met carnaval.

Dan zijn we écht nep.

Hans van Dam uitgedost als boeddhelebonte zenmeester.

-40-

Oeddha de Neanderlander, onze innerlijke goeroe

De hele dag doen alsof je het allemaal wel doorhebt, daar zijn wij mensen meesters in.

Vraag niet op wie het teruggaat, al die bluf, ik weet het ook niet.

Ik vermoed op Oeddha de Neanderlander, soort uit het geslacht homo, een miljoen jaar voor de Doornenkoning, om en nabij.

Volgens evolutionisten kan je er nog een paar miljard jaar bij doen en hebben we alles wat ons drijft te wijten aan onze verste voorouder, de microbe (Bacteria sapiens sapiens):

1. Ikzucht!

2. Eerzucht!

3. Hebzucht!

4. Baatzucht!

5. Kwelzucht!

6. Spilzucht!

7. Volgzucht!

8. Vleizucht!

9. Weetzucht!

10. Zelfzucht!

11. Bemoeizucht!

12. Dweepzucht!

13. Gemakzucht!

14. Genotzucht!

15. Heerszucht!

16. Moordzucht!

17. Pronkzucht!

18. Slaapzucht!

19. Twistzucht!

20. Wraakzucht!

21. Babbelzucht!

22. Behoudzucht!

Protoreligie op protozoïsche grondslag.

Het zit er diep in, soortgenoten, of je wil of niet.

Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om, zoveel is zeker.

Je hoeft er echt niet voor naar school.

Hardgebakken biologie onder een neocorticale commentator.

En dit is het soort commentaar dat hij ongevraagd produceert.

-41-

Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om

‘Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om’ – ken je die uitdrukking?

Het is een gevleugeld woord uit de zentraditie.

Net als zowat iedere boeddhistische school werpt menige zenschool zich op als de houder en hoeder van het enige ware boeddhisme, de enige echte dharma of leer.

Deze leer zou ‘voorbij de woorden’ zijn en daarom alleen overgedragen kunnen worden ‘van hart op hart’ – van beëdigd zenmeester op te beëdigen zenleerling.

Ziedaar de rationale voor de voorouderverering en de stamboomcultus die karakteristiek zijn voor zen en waar ook zogenaamd nuchtere Hollanders zich graag aan overgeven.

Ik kan het ze niet kwalijk nemen.

Wie wil er nou een bonsai blijven als hij aan de HOOGSTE BOOM kan hangen?

Transmissie en Transcendentie meneertje, dan ben je het heertje!

En dan nog effe alle voelende wezens bevrijden natuurlijk – de mahakarunaval.*

* Ik kom er later op terug.

‘Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om’ – verwijst dat zenwoord nou naar ons boeddhistische erfgoed of naar onze biologische roots?

Naar de Boeddha of naar de Bacterie?

Wie is de vader onzer voorvaderen?

Wie is de nulde patriarch?

Wie is de oudste hoer?

Het is maar net aan wie je het vraagt.

Als je het aan een boeddholoog vraagt, zegt hij natuurlijk de Boeddha.

Als je het aan een bioloog vraagt, zegt hij natuurlijk de Bacterie.

En als je het mij vraagt?

Als je het mij vraagt verwijst de uitdrukking ‘een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om’ naar…

Nog steeds geen idee?

Nee?

Niet-weten!

Tja.

Je had het kunnen weten.

-42-

Het masker van je ware gezicht

Het enige wat er bij mijn weten rechtstreeks van hart op hart wordt overgedragen buiten de geschriften om, is niet-weten.

De ‘wijsheid voorbij alle wijsheid’, met een al te mooi woord.

De ‘wijsheid zonder wijsheid’, met een minder mooi woord.

‘Dwaze wijsheid’, heb ik ook weleens gehoord.

‘Dwaasheid’ is wat mij het meest bekoort.

Daar zijn heus geen hoeders voor nodig, broeders.*

* Een broeder is iemand die op eieren of kussens zit.

Daar zijn heus geen dusters voor nodig, zusters.*

* Een duster is een pij of peignoir voor broeders van het andere geslacht.

Daar is heus geen stamboom voor nodig.

Daar is heus geen traditie voor nodig.

Daar is heus geen overdracht voor nodig.

Het is er overal en altijd.

Dichterbij dan je streefgewicht.

Dichterbij dan de neus op je gezicht.

Maar alleen voor wie er een neus voor heeft.

Niet-weten is een groot geschenk waar moderne mensen massaal hun neus voor ophalen.

Met moderne mensen bedoel ik mensen waarvan de neuzen allemaal dezelfde kant op wijzen.

Mensen die niet meer weten hoe ze hun eigen neus achterna moeten lopen.

Dat vermogen is herontdekt door postmodernisten en ten top gevoerd door postpostmodernisten – al moet je die laatste met een kaarslichtje zoeken opdat je ze niet verblindt.

Met postmodernisten bedoel ik mensen die alle grote verhalen achter zich hebben gelaten.

Met postpostmodernisten bedoel ik mensen die ook het grote verhaal van het postmodernisme achter zich hebben gelaten.

Zij weten het helemáál niet meer.

Postpostpostmodernisten zijn mensen die ook het grote verhaal van het achterlaten van het postpostmodernisme achter zich gelaten hebben.

Zij staan wéér een stapje dichter bij niet-weten, zou je zeggen.

Helaas, het blijft wetologie voor labelaars.*

* Dat geldt voor alle labels van het type postimodern voor 0 ≤ i ≤ ∞.

Omdat er bij en in niet-weten niets valt over te dragen, hoef je voor een inleiding niet-weten nergens heen.

Niet naar school, niet naar een meester, niet naar een priester, niet naar een heilige en niet naar een goeroe.

Je kan haar hier en nu lezen, gratis en voor niets.

Je kan voor hetzelfde geld in de spiegel kijken.

Maar dan moet je wel eerst je masker afzetten.

En je ware gezicht natuurlijk, anders zie je nog alleen maar je Zelf.

Wat je dan te zien krijgt?

Dat wil je niet weten!

-43-

Kwezels zijn ezels – de mahakarunaval

In het stukje ‘Een rechtstreekse overdracht buiten de geschriften om’ had ik het over de mahakarunaval. Dat moet ik nog even uitleggen.

Maha karuna is Sanskriet voor Groot Mededogen.*

* En nu we het er toch over hebben, karunavaru (カラナバル) is Japans voor carnaval.

Ter leniging van hun Grote Mededogen, dat anders ondraaglijk zou zijn, beloven mahayanaboeddhisten iedere dag dat ze alle wezens uit hun lijden zullen verlossen voor ze aftaaien naar nirwana.

Letterlijk genomen is dat Grote Onzin – alleen al aan mij heeft het Verenigd Boeddharijk zijn handen vol.

Er zijn ook steeds meer mensen en andere dieren om te verlossen, we vermenigvuldigen ons als ratten, en dan al die wedergeboortes tot het kwartje eindelijk valt, man man.

Tot de volgende Grote Extinctie zal het er wel niet beter op worden, en daarná zijn er waarschijnlijk weer te weinig bodhisattva’s over om de overlevenden te bevrijden.

Nirwana blijft voor mahayana’s eeuwig toekomstmuziek.

Grote Verheugenis, zullen we maar zeggen.

Geen groter pret dan voorpret.

Om zoveel mogelijk water bij de wijn te doen – bedwelmende middelen worden afgeraden in het boeddhisme* – zijn er door vindingrijke geesten allerlei interpretaties van de bodhisattvagelofte bedacht.

* Zie de vijfde van De Vijf Voorschriften of pañca-sila.

Bijvoorbeeld dat je door je voorbeeldige boeddhistische praktijk een onweerstaanbaar voorbeeld stelt en daarmee aan je plicht voldoet.

Dat je alle harten zal verruimen door je eigen gevoelsspectrum kunstmatig te versmallen tot louter liefdevolle vriendelijkheid.

Dat je alle levende wezens voor eens en voor altijd van jouw ego bevrijdt wanneer en zodra je jezélf van je ego bevrijdt.

Dat een boeddha vanzelf een boeddhaveld om zich heen krijgt dat mensen in zijn invloedssfeer automatisch gunstig beïnvloedt.

Hoe iemand de bodhisattvagelofte precies interpreteert doet er niet toe, het gaat erom hoe het interpreteren in zijn werk gaat.

Interpreteren is beweren dat X eigenlijk Y betekent.

Als je X belooft, denk je er voor jezelf gewoon Y bij zodat het voor jou klopt.

Alleen zeg je dan niet meer wat je bedoelt en bedoel je niet meer wat je zegt.

Boeddhisten noemen dit ‘juist spreken’*, of interpreteer ik dat verkeerd?

* Juist spreken (Pali: samma vaca) is stap 3 van het Edele Achtvoudige Pad naar nirwana.

Natuurlijk zou het juister zijn om Y te zeggen als je Y denkt, maar ben je zonder X nog wel boeddhist?

Beoefent een bodhisattva die openlijk of stiekem zijn eigen interpretatie van de bodhisattvagelofte aflegt nog wel het mahayanaboeddhisme?

Dat hangt weer af van je interpretatie van het woord ‘mahayanaboeddhisme’, maar die beerput laten we lekker dicht.

Wat ik nou eigenlijk wil zeggen?

Misschien kan het je niet verdommen, maar spreken is vermommen.

Dit spreken ook.

Een verkleedpartij met woorden.

Een maskerade.

Mahakarunavaru.

Groot Carnaval.

Je weet nooit wat er achter het masker zit.

Meestal het volgende masker.

Je weet nooit wat er achter een kwezel zit.

Wel dat het rijmt op ezel.

-44-

De enige gelofte die ik dagelijks afleg is de lege

Als agnost ben ik huiverig voor toezeggingen.

Beloften doe ik niet lichtvaardig.

Contracten sluit ik alleen af als het echt niet anders kan.

Geloften heb ik nog nooit afgelegd.

Lekengeloften, kloostergeloften, zwijggeloften, bodhisattvageloften – ik moet er niet aan denken.

Ik zal proberen uit te leggen waarom.

Herinner je je nog wat ik zei over bewondering in ‘Wie niet weet die niet dweept’?

Al die aannames die je bewust of onbewust moet doen over de vrije wil voordat je een kader hebt geschapen waarbinnen bewondering op zijn plaats is?

Zoiets geldt hier ook.

Het is niet dat ik principieel tegen geloften ben, ik betwijfel alleen of aan alle voorwaarden is voldaan die mijn geloften mogelijk, geloofwaardig en haalbaar maken, of aan zelfs maar één zo’n voorwaarde enigszins.

Naar mijn gevoel kan je pas iets beloven als je zeker weet dat je de touwtjes in handen hebt.

Weet ik honderd procent zeker dat ik de touwtjes in handen heb?

Ik mag dan misschien een wil hebben, maar is die wel van mij?

Hij mag dan misschien van mij zijn, maar is hij daarom vrij?

Kan ik helemaal zelf bepalen wat ik wil?

Een eenvoudige proef op de som leert van niet.

Zo wil ik bijvoorbeeld best beloften willen doen, contracten willen afsluiten en geloften willen afleggen, maar willen willen is geen willen.

Ik wil het niet, al heel lang niet meer, en ik zou niet weten wat ik moest doen om het weer te willen.

Wat ik wil, lijkt zich aan mijn wil te onttrekken.

Waarom zou ik hem dan de mijne noemen?*

* Ik weet niet eens of ‘de wil’ wel meer dan een wijze van spreken is. ‘Ik wil neuken’ betekent voor mij gewoon dat ik daar zin in heb, niet dat er ergens in mijn lichaam of geest een wil woont die Hans heet en zijn zinnen heeft gezet op geslachtsgemeenschap.

Zelfs als mijn wil werkelijk van mij is en ik dus helemaal zelf kan bepalen wát ik wil en hoe stérk ik het wil, hoe groot is dan mijn zeggenschap over de omstandigheden die de uitslag van mijn doen en laten bepalen?

Zelfs als ik werkelijk de baas ben over mezelf én over de omstandigheden, hoe moet ik dan zonder kristallen bol om in de toekomst te koekeloeren van tevoren weten wat goed of slecht is, in welk opzicht, voor wie en op welke termijn?

Stel dat ik werkelijk de baas ben over mezelf en over de omstandigheden, en ook nog eens over een kristallen bol beschik waarmee ik in de toekomst kan kijken, hoe moet ik dan in vredesnaam alle tegenstrijdige belangen van alle verschillende belanghebbenden met elkaar in overeenstemming te brengen?

Tja.

Daar kan je over bomen tot ze de hemel in groeien, naar boven klimmen en het rechtstreeks aan God of de Duivel zelf vragen, of aan hun stoelpoten zagen tot ze pardoes op hun gat vallen, of jij in het hunne, zonder ooit tot een conclusie te komen.

Het enige waar ik toe ben gekomen is inclusie – een nevenschikking van alle denkbare conclusies, waaruit ik geen keuze heb weten te maken.

Alle denkbare conclusies permanent voor ogen houden is helaas teveel gevraagd van een eensporengeest als de mijne.

Bovendien ben ik in aanleg minder van het snappen dan van het schrappen.

Meer van het snoeien en het kappen.

Toezeggingen doe ik praktisch niet meer, al sta ik ook daar niet voor in.

Noem dat desnoods juist spreken.

De enige gelofte die ik dagelijks afleg is de lege.

-45-

Was niet-weten de Boeddha, dan doodde het zichzelf

Tweeëntwintig omtrekkende bewegingen.

Was niet-weten de Boeddha, dan doodde het zichzelf.

Was niet-weten God, dan kruisigde het zichzelf.

Was niet-weten een vogel, dan was het gevlogen.

Was niet-weten een standpunt, dan liep het ervan weg.

Was niet-weten een bewering, dan nam het die terug.

Was niet-weten een leer, dan trok het van leer.

Was niet-weten een conclusie, dan trok het die niet.

Was niet-weten een aanname, dan stootte het die af.

Was niet-weten een woord, dan hield het zijn mond.

Was niet-weten scepsis, dan betwijfelde het dat.

Was niet-weten leegte, dan zoog het zich vol.

Was niet-weten eenheid, dan deelde het zich.

Was niet-weten veelheid, dan telde het niet mee.

Was niet-weten zoeken, dan ging het verloren.

Was niet-weten vinden, dan zocht het niet meer.

Was niet-weten doen, dan liet het dat na.

Was niet-weten overgave, dan verzette het zich.

Was niet-weten liefde, dan hield het van haat.

Was niet-weten afwijzing, dan verwierp het zichzelf.

Was niet-weten transmissie, dan gaf het niets door.

Was niet-weten transcendentie, dan dook het onder.

Was niet-weten niet-weten, dan wist het dat niet.

Maar ja…

-46-

Stijlfiguren niet-weten: overzicht

Stukjes over niet-weten, zen, taoïsme en mystiek klinken vaak een beetje onwerkelijk.

Vreemde zinswendingen, tegenspraken, ontkenningen, opsommingen – wat gebeurt daar allemaal?

Daar wordt gebruik gemaakt van stijlfiguren.

Een stijlfiguur is een karakteristieke manier van spreken.

Zo maakt de volgende alinea gebruik van drie oxymorons op rij:

Welsprekend niet-spreken over denkend niet-denken en wetend-niet-weten is bijna geen doen zonder de stijlfiguren antithese, paradox, oxymoron, accumulatio en dubitatio.

Ook de verschillende vormen van ironie, zoals het understatement, de overdrijving en de omkering, zijn handig.

Van de Indiase logica gebruik ik de klassieke stel- en stijlfiguur die het tetralemma wordt genoemd.

De grondvorm van al mijn teksten is de dwaaltekst, een monoloog of dialoog waarin de verschillende stijlfiguren onderdak vinden.

Een dwaaltekst kan je opvatten als een overkoepelende stijlfiguur, een metavorm die tot doel heeft het niet-weten niet (alleen) te beschrijven, maar te demonstreren.

Twee stijlfiguren van eigen makelij zijn de regressievraag en de koekoekstekst.

Daarnaast heb ik een persoonlijke voorkeur voor alliteratie, dubbelzinnigheid, herhaling, nieuwvorming, rijm, en woordspeling.

Dat zijn geen stijlfiguren niet-weten maar mijn eigen stijltics; ik heb er lol in en ze maken mijn dwaalteksten wat luchtiger.

Vijf grauwe zenmonniken uitgedost met respectievelijk een pochet, een groene pruik, een strik, een stropdas en een bloemenkrans.
Stijlfiguren met stijltics.

-47-

In niet-weten is best ruimte voor weten

‘Wat is niet-weten?’

‘Ruimte.’

‘Waarvoor?’

‘Overal voor.’

‘Zonder onderscheid?’

‘Met, zonder, maakt niet uit.’

‘Dus ook voor weten?’

‘Zeker weten.’

-48-

Wanordenen is het moeilijkste wat er is

Misschien herinner je je mijn blurb voor dit Witboek Niet-Weten nog:

Wat is spiritueel niet-weten? Lichte inleiding in een duistere zaak. Kennismaking met wat geen kennismaking verdraagt; 366 knotsgekke dwaalteksten voor beginners, gevorderden en gesjeesden.

Een flap van een tekst voor een doelgroep van jewelste. Wie hoort daar nou niet bij?

Monologen afgewisseld met dialogen, dat was het plan, maar eerlijk gezegd is het een bijeengeraapt zootje geworden (een ‘bijeengerooid zaapje’ zegt mijn lief lief), en dat kenmerkt mijn schrijverij en mijn bestaan of van wie het ook mag wezen.*

* Niet van mij, denk ik blij, al ben ik vaak herrezen.

Vergis je niet: bijeenrooien is tegennatuurlijk en zaapjes staan al jaren op de rode lijst van met uitsterven bedreigde tekstsoorten.

Hoewel de tweede hoofdwet van de thermodynamica anders doet vermoeden, is consequent wanordenen voor een mens het moeilijkste wat er is.

In een normaal verstand neemt de entropie* langzaam maar zeker af tot het absolute nulpunt is bereikt.

* Entropie is chaos, het tegenovergestelde van orde.

Zo’n heldere gedachte mag gerust de eerste hoofdwet van de psychostatica heten, en zo heet hij dan ook.

In niet-weten neemt de entropie juist voortdurend toe tot het toppunt is bereikt.

Zo’n heldere gedachte mag gerust de tweede hoofdwet van de psychostatica heten, en zo heet hij dan ook.

En wat mag psychostatica dan wel wezen?

Psychostatica, ook wel entropologie genoemd, is psychologie op entropologische grondslag.

Het is een recente pseudowetenschappelijke doorbraak in de zielkunde gebaseerd op het pionierswerk van de efemere cryptoloog drs. J.N. van Dam.

Hij komt er vast op terug, zo geordend is hij nog wel, maar het kan even duren, zo snel is hij niet.

-49-

De reiger en de vis

Een meester maakt een ommetje met een leerling.

In de sloot staat een reiger visjes te vangen.

‘Hup reiger!’ roept de leerling.

Er schiet een zilveren ruggetje voorbij.

‘Visje, pas op!’ roept de leerling.

‘Zeg, voor wie ben je nou eigenlijk?’ vraagt de meester.

De leerling zegt: ‘Ik… eh… dat is te zeggen… tjee.’

‘Gevangen’, zegt de meester.

-50-

De ooievaar en de kikker

Twee meesters maken een ommetje.

In de sloot staat een ooievaar kikkers te vangen.

‘Hup ooievaar’, roept de ene meester.

‘Hup kikkers’, roept de andere.

‘Ja, hup kikkers’, beaamt de een.

‘Ja, hup ooievaar’ beaamt de ander.

Hoofdschuddend lopen ze verder.

-51-

De schaatsenrijder en de bromvlieg

1. Lente

Twee kinderen zijn buiten aan het spelen.

In een sloot zien ze een vis een schaatsenrijder verschalken.

‘Kijk!’ roepen ze opgetogen.

Later zien ze in de eetkamer een bromvlieg tegen het raam botsen.

‘Kijk!’ roepen ze opgetogen.

2. Zomer

Een meester maakt een ommetje met een leerling.

In een sloot zien ze een vis een schaatsenrijder verschalken.

‘Een schaatsenrijder ziet wel de oppervlakte maar niet de diepte’, zegt de meester.

‘Bedoelt u dat je altijd verder moet kijken dan je neus lang is?’ vraagt de leerling.

Later zien ze in de eetzaal een bromvlieg tegen het raam botsen.

‘Een vlieg ziet wel de diepte maar niet de oppervlakte’, zegt de meester.

‘Bedoelt u dat je nooit verder moet kijken dan je neus lang is?’ vraagt de leerling.

3. Herfst

Twee meesters maken een ommetje.

In een sloot zien ze een vis een schaatsenrijder verschalken.

Ze zeggen niets.

Later zien ze in de eetzaal een bromvlieg tegen het raam botsen.

Ze zeggen niets.

4. Winter

Twee bejaarden zitten televisie te kijken.

In een natuurprogramma zien ze een vis een schaatsenrijder verschalken.

‘Kijk!’ roepen ze opgetogen.

Later zien ze in de eetzaal een bromvlieg tegen het raam botsen.

‘Kijk!’ roepen ze opgetogen.

-52-

Zegt het ene raadsel tegen het andere…

‘Het is groen en het hangt aan een boom.’>/p>

‘Het is bruin en het zit aan een blad.’>/p>

Lees ook: Vlag noch wind (poort 29 van de Wumenguan).

-53-

Woordenboek niet-weten: kokervisie en megafonie

Kokervisie noemen we de beperkte blik van de weetal die door een rietje kijkt en meent dat hij de hele wereld ziet.

Kokervisie gaat vaak gepaard met megafonie.

Megafonie is luidkeels verkondigen hoe het allemaal zit en moet en hoort, of mensen het nou willen horen of niet.

Megafonie is een van de tweeënvijftig kenmerken van de weetal en een van de vijfhonderdtwintig gevolgen van kokervisie.

Wie na dit gelezen te hebben meent dat het mogelijk en noodzakelijk is om onze blik te verbreden, lijdt aan kokervisie, en wie het luidkeels verkondigt lijdt aan megafonie.

En iedereen in zijn omgeving lijdt mee.

-54-

Niet-weten biedt perspectief

‘Wat is weten?’

‘Een perspectief op de wereld aanzien voor de wereld zelf.’

‘Hoe kan ik de wereld zelf zien?’

‘Dat je de wereld zelf zou kunnen zien is opnieuw een perspectief.’

‘Bedoel je dat je de wereld zelf niet kan zien?’

‘Dat is opnieuw een perspectief.’

‘Bedoel je dat er niet zoiets is als de wereld zelf?’

‘Dat is opnieuw een perspectief.’

‘Er zijn alleen maar perspectieven, wou je zeggen.’

‘Dat is opnieuw een perspectief.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Geen perspectief.’

‘Daar kan ik me niets bij voorstellen.’

‘Doe dan maar elk perspectief.’

‘Is dat de waarheid of opnieuw een perspectief?’

‘Dat heb je goed gezien.’

-55-

Er is meer gelijk dan eigen gelijk

Kijken vanuit een standpunt betekent iets zien en de rest niet zien.

Wat vanuit jouw standpunt niet te zien is, bestaat niet.

Je bekijkt iets bijvoorbeeld als christen maar niet als moslim.

En gelijk dat je hebt!

Of je bekijkt het als moslim maar niet als christen.

En gelijk dat je hebt!

Je bekijkt iets als Tibetaan maar niet als Chinees.

En gelijk dat je hebt!

Of je bekijkt het als Chinees maar niet als Tibetaan.

En gelijk dat je hebt!

Je bekijkt iets als Roodhoed maar niet als Geelhoed.

En gelijk dat je hebt!

Of je bekijkt het als Geelhoed maar niet als Roodhoed.

En gelijk dat je hebt!

Je bekijkt iets als aanrander maar niet als slachtoffer.

En gelijk dat je hebt!

Of je bekijkt het als slachtoffer maar niet als aanrander.

En gelijk dat je hebt!

Je bekijkt iets als ouder maar niet als pedofiel.

En gelijk dat je hebt!

Of je bekijkt het als pedofiel maar niet als ouder.

En gelijk dat je hebt!

Je bekijkt iets als autochtoon maar niet als vluchteling.

En gelijk dat je hebt!

Of je bekijkt het als vluchteling maar niet als autochtoon.

En gelijk dat je hebt!

Je bekijkt iets als multinational maar niet als punker.

En gelijk dat je hebt!

Of je bekijkt het als punker maar niet als multinational.

En gelijk dat je hebt!

Je bekijkt iets als boeddhist maar niet als non-dualist.

En gelijk dat je hebt!

Of je bekijkt het als non-dualist maar niet als boeddhist.

En gelijk dat je hebt!

Je bekijkt iets als jood maar niet als nazi.

En gelijk dat je hebt!

Of je bekijkt het als nazi maar niet als jood.

En gelijk dat je hebt!

Je bekijkt iets als bontdrager maar niet als dierenbeschermer.

En gelijk dat je hebt!

Of je bekijkt het als dierenbeschermer maar niet als bontdrager.

En gelijk dat je hebt!

Je bekijkt iets als ooievaar maar niet als kikker.

En gelijk dat je hebt!

Of je bekijkt het als kikker maar niet als ooievaar.

En gelijk dat je hebt!

Maar je heilige gelijk komt voort uit je beperkte blik.

Gelijk heb je doordat je oogkleppen draagt.

Je kijkt door een koker die je gezichtsveld beperkt.

Je visie is een kokervisie.

Alleen binnen een kokervisie is een eenduidig ja of nee mogelijk.

Zonder dat je het doorhebt, is het de koker zelf die je bevestigt.

Het is de bestaansvoorwaarde voor je heilige gelijk.

Een mooi voorbeeld van academische kokervisie is de Euclidische meetkunde.

Dit mathematische bouwwerk is ruim twee millennia lang onaantastbaar geweest.

Zelfs de grootste wiskundigen meenden dat de Euclidische meetkunde algemeen geldig was – van alle tijden en plaatsen.

Pas in de negentiende eeuw beseften mathematici dat er vele soorten meetkunde mogelijk zijn, waarvan sommige beperkt toepasbaar zijn op geïdealiseerde objecten zoals platte vlakken, boloppervlakken of zadeloppervlakken, en andere (voorlopig) zonder toepassing blijven.

Misschien kom je nu in de verleiding om een algemene filosofie te formuleren met als centrale leerstelling dat elke visie een kokervisie is.

Een leer van die strekking bestaat al, onder de naam perspectivisme.

Mocht het perspectivisme in algemene zin al waar zijn dan is de visie dat elke visie een kokervisie is, op haar beurt een kokervisie – een beperkte en beperkende zienswijze die alleen maar waar lijkt zolang je de wereld door de koker van het perspectivisme bekijkt.

Is dat dan wat je zoekt?

-56-

Wie niet weet blijft kijken

In niet-weten heeft iedereen gelijk.

Als iedereen gelijk heeft, heeft niemand gelijker dan een ander.

Als niemand gelijker heeft dan een ander, wie heeft er dan eigenlijk gelijk?

Niemand natuurlijk.

In niet-weten heeft niemand gelijk of ongelijk.

Je kan ook zeggen: niet-weten gaat voorbij gelijk en ongelijk.

Of: gelijk en ongelijk gaan voorbij niet-weten.

Of: niet-weten is het lege gelijk.

Of: niet-weten is onvergelijkelijk.

Dat kan je allemaal zeggen, en nog wel meer ook, maar wie heeft er dan gelijk?

Het is maar net hoe je het bekijkt.

Hoe hij het ook bekijkt, zus of zo, wie niet weet blijft kijken.

Wie blijft kijken, raakt niet uitgekeken.

Wie niet uitgekeken raakt, heeft het goed bekeken.

Al heeft hij nooit gelijk.

-57-

Kijk eens wat vaker in de spiegel van niet-weten

‘Wat is niet-weten?’

‘Een spiegel.’

‘Voor wie?’

‘Wijze uilen.’

‘Wat ziet een wijze uil die in de spiegel van niet-weten kijkt?’

‘Als hij goed kijkt?’

‘Nou?’

‘Zijn ware gezicht.’

‘Namelijk?’

‘Een uilskuiken.’

‘En als hij niet goed kijkt?’

‘Wat hij wíl zien.’

‘Namelijk?’

‘Een wijze uil.’

‘Wat zie je als je er zelf in kijkt, Hans?’

‘Als ik goed kijk?’

‘Nou?’

‘Een uilenspiegel.’

‘En als je niet goed kijkt?’

‘Een uilskuiken.’

‘Is dat dan niet jouw ware gezicht?’

‘Wat?’

‘Een uilskuiken?’

‘Uilskuiken.’

-58-

Niet-weten is dwars door je ideeën en idealen heen kijken

Wat denk je allemaal niet!

Niet-weten is kijken met een lege blik.

Kijken met een lege blik, dat is kijken zonder ideeën of idealen.

Nauwkeuriger gezegd: dwars door je ideeën en idealen heen kijken.

Eenvoudiger gezegd: kijken zonder denken.

Dus ook zonder te denken dat je ergens naar kan kijken zonder denken.

Dat had je gedacht!

Of dat je nérgens naar kan kijken zonder denken.

Dat had je gedacht!

Dus ook zonder te denken dat je door te kijken zonder denken toegang krijgt tot, hoe zeggen ze dat, de ‘onbemiddelde werkelijkheid’ of het ‘Ding-an-sich’ of zo.

Dat had je gedacht!

Of dat je daar géén toegang toe kan krijgen.

Dat had je gedacht!

Dus ook zonder te denken dat er helemaal niet zoiets ís als een onbemiddelde werkelijkheid of een Ding-an-sich.

Dat had je gedacht!

Of dat er toch zoiets is als een onbemiddelde werkelijkheid of een Ding-an-sich.

Dat had je gedacht!

Dus ook zonder te denken dat het aan jou is om te bepalen hoe je kijkt.

Dat had je gedacht!

Of dat het niet aan jou is om dat te bepalen.

Dat had je gedacht!

Dus ook zonder te denken dat er een je is.

Dat had je gedacht!

Of dat er geen je is.

Dat had je gedacht!

Dus ook zonder te denken dat je ooit dwars door je ideeën en idealen heen zal kunnen kijken.

Dat had je gedacht!

Of dat je daar nooit doorheen zal kunnen kijken.

Dat had je gedacht!

Wat ik me zo langzamerhand wel begin af te vragen:

Hoe leeg kan een blik zijn zonder verblind te raken door zijn eigen leegte?

Collage van figuurtjes met blikken op hun hoofd, voor hun ogen en aan hun lichaam.
Lege blikken voor een vol hoofd.

-59-

Lied van een eerlijke verliezer

De geest van niet-weten

Ik ben niet gek! Ik ben niet dom!

Ik ben alleen maar eerlijk!

Ik weet het niet! Ik weet het niet!

Geloof me, dat is heerlijk!

Bis

-60-

Lied voor de deerlijke verliezer

Het spook van niet-weten.

Je bent niet gek! Je bent niet dom!

Ik zeg het je maar eerlijk!

Je weet het niet! Je weet maar nooit!

Wie opgeeft, krijgt het heerlijk!*

Bis

* op den duur.

-61-

Niet-weten is leven op de tast

Veel mensen vragen zich af wat dat toch is, niet-weten.

Ze denken aan iets wonderbaarlijks – een wormgat naar een hogere waarheid, werkelijkheid of wezenlijkheid, een tijdloos paradijs voorbij het lijden, alleen toegankelijk voor ingewijden.

Ja joh, kan best wezen, maar niet in mijn woordenboek.

Voor mij is wel-weten een wormgat naar een hoger weetikveel enzovoort.

Niet zomaar iets weten, dat je geen poep moet eten*, maar een esoterisch weten, gnosis geheten, voorbehouden aan ingewijden die op hun Geheim zitten als nestblijvers op fopeieren.

* Geldt niet voor coprofagen zoals sommige bacteriën, vliegen, kevers, vogels en mensen.

En wat is het geheim dat is voorbehouden aan ingewijden?

(Tromgeroffel, kanongebulder, BOEM! BOEM! BOEM!)

Achterhouden is het geheim dat is voorbehouden aan ingewijden.

Het doet er niet toe wat je achterhoudt, al was het niks (des te beter zelfs) – maar wee je segmenten* als je het verklapt.

* Een aardworm heeft er zo’n 150, zeggen ze, waarvan 30 bij zijn gat, maar dat kan ik niet bevestigen omdat ik steeds de tel kwijtraak bij mijn gat.

Worm in de vorm van een vraagteken; een tweede worm die in de knoop zit vormt de punt van het vraagteken.
Blindganger, levend op de tast.

Mocht je soms denken dat ik een geheim meedraag dat jij nog niet kent, dan heb ik goed nieuws voor je, of slecht, het is maar net hoe je het bekijkt:

Ik ben nergens in ingewijd.

Integendeel, ik ben overal in uitgewijd.

Dat is mijn hele geheim, en wee mijn segmenten als ik het achterhoud.

Ik ben een uitgewijde of een vrijgeleide of hoe zeg je dat – niet zó.

Misschien zo: ik bevind me nog altijd aan deze zijde, zeg maar gerust aan lager wal.

Niet alleen onder de hemel maar ook onder de aarde, zoals het een worm in zijn gat betaamt, in een of andere lagere orde van de categorie wanorde.

Hans van Dam, blindganger.

Levend op de tast.

Meer dan ooit, ben ik bang.

Maar bang ben ik er niet meer voor.

Minder dan ooit.

In het niet-weten waarover ik spreek kan je niet ingewijd worden.

Hoef je niet ingewijd te worden.

Waarom niet?

Omdat je er al in zit.

Tot over je oren.

Omdat je wáár in zit?

Omdat je nérgens in zit.

Dat dénk je alleen maar.

Opdat je het van jezelf zal horen, schreeuw ik het in je oren:

OMDAT JE NERGENS IN ZIT!

DAT DENK JE ALLEEN MAAR!

Logisch dat je er niet uit kan.

Die moeite kan je je in ieder geval besparen.

Kijk maar naar mij:

Ik ben erover uitgewijd.

Dit is nu mijn vredestijd.

Mijn geestelijke lenigheid is loos.

-62-

Niet-weten is zien dat je denkt dat je de wereld ziet

‘Wat is weten?’

‘Door een raam naar buiten kijken en denken dat je de wereld ziet.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Zien dat je door een raam naar buiten kijkt en denkt dat je de wereld ziet.’

‘Ik geloof dat ik het zie.’

‘Dan is dat je raam.’

‘Zien dat je door een raam naar buiten kijkt en denkt dat je de wereld ziet is ook een raam?’

‘En zien dat door een raam naar buiten kijken en denken dat je de wereld ziet ook een raam is, ook.’

-63-

Niet-weten is steeds door een ander raam kijken

‘Wat is weten?’

‘Steeds door hetzelfde raam kijken.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Steeds door een ander raam kijken.’

‘Kies je daarvoor of overkomt het je?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Wat is de weg naar niet-weten?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Bedoel je dat er vele wegen naar niet-weten zijn?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Is er eigenlijk wel een weg naar niet-weten?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Is er eigenlijk wel zoiets als niet-weten?’

‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

‘Volgens mij kijk jij steeds door hetzelfde raam.’

‘Volgens mij zie jij mij steeds door hetzelfde raam kijken.’

‘Ja, is het nou mijn raam of jouw raam?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

-64-

Definities van niet-weten – februari

1. Niet-weten is overal thuis zijn.

2. Niet-weten is nergens thuis zijn.

3. Niet-weten is vervreemding.

4. Niet-weten is thuiskomen in den vreemde.

5. Niet-weten is vreemdgaan in het bekende.

6. Niet-weten is vreemd eigen.

7. Niet-weten is sterven aan het bekende.

8. Niet-weten is sterven aan het onbekende.

9. Niet-weten is levend sterven.

10. Niet-weten is stervend leven.

11. Niet-weten is voor de bijl gaan.

12. Niet-weten is opleven.

13. Niet-weten is leven in de paradox.

14. Niet-weten is leven in onduidelijkheid, dubbelzinnigheid en tegenspraak.

15. Niet-weten is geen trancetoestand.

16. Niet-weten is geen verruimd bewustzijn.

17. Niet-weten is geen vernauwd bewustzijn.

18. Niet-weten is geen mystieke eenheidservaring of een ander soort piekervaring.

19. Niet-weten is geen ervaring en ervaringen van niet-weten zijn geen niet-weten.

20. Niet-weten is geen verheerlijking van het gevoel boven het verstand.

21. Niet-weten is vrede sluiten met je onvrede.

22. Niet-weten is rustig blijven onder je onrust.

23. Niet-weten is mediteren zonder mediteren.

24. Niet-weten is nooit mediteren en nooit niet mediteren.

25. Niet-weten is geen praktijk en oefeningen in niet-weten zijn geen niet-weten.

26. Niet-weten is geen identiteit.

27. Niet-weten is geen anonimiteit.

28. Niet-weten is het einde van iedere vereenzelviging, ook met niet-vereenzelvigen.

En voor het geval je dit in een schrikkeljaar leest:

29. Niet-weten is geen deugd, maar het einde van je zonden.

365 Definities van niet-weten – februari.

-65-

Belijdenis van een agnost

Veel religies doen aan een of andere vorm van belijdenis.

Voor de mensen die niet opgegroeid zijn met een religie: belijden is openlijk getuigen van je geloof.

Meestal is de belijdenis geritualiseerd. Je moet dan in een standaard setting standaard antwoorden geven op standaard vragen in een standaard volgorde ten overstaan van standaard geloofsgenoten.

De tekst van zo’n gestandaardiseerde belijdenis is vaak afgeleid van een catechismus – een opsomming met eenvoudige uitleg van de dogma’s van het geloof in kwestie, ook weer in de vorm van vraag-en-antwoord.

In niet-weten kan van standaardisatie natuurlijk geen sprake zijn, en die catechismus kan je ook wel op je buik schrijven, wat zeg ik, in je navel – het ene gat met het andere.

Maar als ik me afvraag hoe ik zo eenvoudig mogelijk duidelijk kan maken wat ik bedoel met een radicaal niet-weten, dan denk ik onwillekeurig aan een belijdenis. Het zal mijn katholieke opvoeding wel zijn.

Niet mijn lijden wil ik belijden, dat is om niet.

Niet mijn weten wil ik belijden, dat heb ik niet.

Mijn niet-weten wil ik belijden, en anders niet.

Wil ik mijn niet-weten belijden, dan moet ik opsommen waar ik als agnost allemaal wel en niet in geloof. Daarin zit hem de kneep, want dat weet ik juist niet.

Dat moet ik nuanceren. Het is niet dat ik niks geloof, het is meer dat ik mijn geloof in dit en dat met ongeloof aanzie.

Groot Ongeloof.

Ik sta er met één been in (het speelbeen) en met het andere buiten (het standbeen).

En het is niet dat ik zonder ongeloof ben, maar dat ik zelfs mijn ongeloof met ongeloof aanzie.

Groot Ongeloof.

Ik sta er met één been buiten (het standbeen) en met het andere in (het speelbeen).

Voor mij doet het er niet meer toe waarin ik geloof, want ik geloof het toch niet.

Het doet er niet meer toe waarin ik niet geloof, want dat geloof ik ook niet – en geloof dat ook maar niet.

Nergens steek ik mijn hand meer voor in het vuur – hiervoor ook niet.

Opsommen waarin ik wel en niet geloof heeft dus helemaal geen zin.

De belijdenis van een agnost is een lege belijdenis.

Zeg maar gerust dé lege belijdenis, want waarin zou de ene lege belijdenis moeten verschillen van de andere lege belijdenis?

Leeg is leeg, zeg nou zelf.

Hoe belijd je een lege belijdenis? Door niet-belijden. Een andere mogelijkheid zie ik niet.

Niet-weten kan je volgens mij alleen maar niet-belijden.

Dat lijkt eenvoudig, maar het is een hele toer.

Op deze belijdenis heb ik uren gezwoegd en nog steeds zit hij vol gaten.

Kan je erdoorheen kijken?

-66-

Negenennegentig bekentenissen van een weetniet

Wat is het precies dat de weetniet allemaal niet weet?

Alles wat ertoe doet.

Ik bedoel, alles waarvan mensen dénken dat het ertoe doet.

Zozeer dat ze hun hand ervoor in het vuur steken.

Beter nog: andermans hand.

Andermans hand in het vuur steken heet inquisitie.

Net als de belijdenis en de catechismus en de televisiequiz is de inquisitie een uitgekookt vraag- en antwoordspel, maar dan op leven en dood.

Schrijfwijsheid: de grens tussen belijden en lijden is maar twee letters dun.

Zelf vind ik vooral vreugde in het lege belijden, de loze lyriek.

Ik raak ervan in vuur en vlam zonder mijn handen te branden of die van anderen.

Niets hoeft te veranderen of hetzelfde te blijven, ik zou niet weten waarom.

Juichend stijg ik op in mijn eigen thermiek, nog voor mijn vleugels zich spreiden:

1. Ik weet niet wie ik ben!

2. Ik weet niet wat ik ben!

3. Ik weet niet of ik ben!

4. Ik weet niet wie jij bent!

5. Ik weet niet wie mijn lief is!

6. Ik weet niet wat liefde is!

7. Ik weet niet wat vriendschap is!

8. Ik weet niet waar ik vandaan kom!

9. Ik weet niet waar ik ben!

10. Ik weet niet wat ik hier doe!

11. Ik weet niet waar ik heen moet!

12. Ik weet niet waar ik heen ga!

13. Ik weet niet waar mijn geest ophoudt en mijn lichaam begint!

14. Ik weet niet waar mijn lichaam ophoudt en de wereld begint!

15. Ik weet niet waar ik ophoud en jij begint!

16. Ik weet niet wat de mens is!

17. Ik weet niet of de mens in wezen goed is!

18. Ik weet niet of de mens in wezen slecht is!

19. Ik weet niet wat goed is!

20. Ik weet niet wat slecht is!

21. Ik weet niet wat leven is!

22. Ik weet niet wat sterven is!

23. Ik weet niet wat er na de dood is!

24. Ik weet niet of er een hemel is!

25. Ik weet niet of er een vagevuur is!

26. Ik weet niet of er een hel is!

27. Ik weet niet of er een bardo is!

28. Ik weet niet of er iets is na de dood!

29. Ik weet niet of ik doodga!

30. Ik weet niet wanneer ik doodga!

31. Ik weet niet hoe ik doodga!

32. Ik weet niet of ik hier al eerder ben geweest!

33. Ik weet niet of ik terugkom!

34. Ik weet niet of alles echt is!

35. Ik weet niet of alles een illusie is!

36. Ik weet niet of alles energie is!

37. Ik weet niet of alles liefde is!

38. Ik weet niet of alles bewustzijn is!

39. Ik weet niet of alles mogelijk is!

40. Ik weet niet of alles spel is!

41. Ik weet niet of alles toeval is!

42. Ik weet niet of alles uniek is!

43. Ik weet niet of alles één is!

44. Ik weet niet of alles geschapen is!

45. Ik weet niet of alles geëvolueerd is!

46. Ik weet niet of alles leeg is!

47. Ik weet niet of alles afhankelijk ontstaat!

48. Ik weet niet of alles veranderlijk is!

49. Ik weet niet of alles vergankelijk is!

50. Ik snap de dieren niet

51. Ik snap de bomen niet!

52. Ik snap de planten niet!

53. Ik snap de dingen niet!

54. Ik snap de zeeën niet!

55. Ik snap het leven niet!

56. Ik snap de aarde niet!

57. Ik snap de maan niet!

58. Ik snap de zon niet!

59. Ik snap het zonnestelsel niet!

60. Ik snap de melkweg niet!

61. Ik snap het heelal niet!

62. Ik snap de moleculen niet!

63. Ik kan mijn gedachten niet doorgronden!

64. Ik kan mijn ideeën niet doorgronden!

65. Ik kan mijn woorden niet doorgronden!

66. Ik kan mijn fantasieën niet doorgronden!

67. Ik kan mijn gedrag niet doorgronden!

68. Ik kan mijn motieven niet doorgronden!

69. Ik kan mijn gevoelens niet doorgronden!

70. Ik kan mijn angsten niet doorgronden!

71. Ik kan mijn verlangens niet doorgronden!

72. Ik kan mijn karakter niet doorgronden!

73. Ik kan mijn dromen niet doorgronden!

74. Ik kan mijn geest niet vinden!

75. Ik kan mijn verstand niet vinden!

76. Ik kan mijn ziel niet vinden!

77. Ik kan mijn hart niet vinden!

78. Ik kan mijn wezen niet vinden!

79. Ik kan mijn essentie niet vinden!

80. Ik kan mijn karakter niet vinden!

81. Ik kan mijn wil niet vinden!

82. Ik kan mijn intuïtie niet vinden!

83. Ik kan mijn instinct niet vinden!

84. Ik kan mijn geweten niet vinden!

85. Ik kan mijn bewustzijn niet vinden!

86. Ik kan mijn onderbewustzijn niet vinden!

87. Ik kan mijn zijn niet vinden!

88. Ik kan mijn persoon niet vinden!

89. Ik kan mijn ego niet vinden!

90. Ik kan mijn zelf niet vinden!

91. Ik kan het Zelf niet vinden!

92. Ik kan mijn wil niet vinden!

93. Ik kan de Wereldwil niet vinden!

94. Ik kan het Absolute niet vinden!

95. Ik kan het relatieve niet vinden!

96. Ik kan God niet vinden!

97. Ik kan de duivel niet vinden!

98. Ik kan mijn boeddhanatuur niet vinden!

99. Ik kan de Tao niet vinden!

Je ziet, ik kan van alles niet.

Wat ik wel kan is deze bekentenis van wat mij niet bekend is eindeloos uitbreiden, maar je snapt het idee:

In wezen heb ik geen idee.

Maak je daar weer een idee van, dan vervliegen je vleugels en word je zonder mededogen teruggezogen in je eigen zog.

Een nieuwe vorm van zelfbedrog, weer ouderwets blasé.

-67-

Vrijgeest, rijtjesgeest

‘Geloof jij in toeval, Hans?’

‘Alles is toeval. Niet alles is toeval. Niets is toeval.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Er is geen enkele samenhang tussen de dingen. Er is weinig samenhang tussen de dingen. Er is zeker samenhang tussen de dingen. De meeste dingen hangen samen. Alles hangt onverbrekelijk samen. Alles is één, dus wat zou er samen moeten hangen?’

‘Maar wat is jouw standpunt?’

‘Ik heb geen standpunt. Ik heb één vast standpunt. Ik heb nu eens dit standpunt, dan weer dat. Ik heb meerdere standpunten tegelijk. Ik heb een alomvattend standpunt. Geen enkel standpunt is mij vreemd, geen enkel standpunt is mij eigen.’

‘Wat heb je nou aan die stomme rijtjes!’

‘Alles heeft een doel. Niet alles heeft een doel. Niets heeft een doel.’

-68-

Niet-weten voor puzzelaars

Het laagste perspectief.

‘Wat is weten?’

‘Eindeloos puzzelen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Stukjes zien.’

-69-

Niet-weten voor adelaars

Het hoogste perspectief.

‘Wat is weten?’

‘Stukjes zien.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Het hele plaatje zien.’

Witte legpuzzel met een zwart vraagteken.
Niet-weten is het hele plaatje zien.

-70-

Niet-weten voor holisten

Het diepste perspectief.

‘Wat is weten?’

‘Het hele plaatje zien.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Het hele plaatje doorzien.’

-71-

Niet-weten voor alcoholisten

Sommige mensen leren het nooit.

‘Wat is weten?’

‘Een roes.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een kater.’

-72-

Niet-weten voor junks

Een bittere pil.

‘Wat is weten?’

‘Kicken.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Afkicken.’

‘Wat als je bent afgekickt?’

‘Kicken.’

-73-

Woordenboek niet-weten: 66 negatieve definities van niet-weten

Niet-weten is een vrij woord.

Iedereen mag het gebruiken zoals hij wil, of moet het gebruiken zoals hij moet wanneer de wil onvrij is of ontbreekt.

Dat geldt voor niet-weten zoals het geldt voor alle woorden: zen, nep, god, kut, mindfulness, hoer, verlichting, misbruik, juist spreken, liegen, liefje, snoepje, poepje en noem-maar-opje.

Wat niet-weten voor jou betekent weet ik niet, maar wat het voor mij niet betekent weet ik wel.

Om te voorkomen dat we langs elkaar heen praten heb ik een lijstje van negatieve definities opgesteld. Het is gebaseerd op betekenissen die ik in de loop van de jaren ben tegengekomen in de literatuur, in brieven en in gesprekken over niet-weten.

Hieronder 66 antwoorden op de vraag wat niet-weten voor mij niet is.

1. Niet-weten is geen altruïsme.

2. Niet-weten is geen egoïsme.

3. Niet-weten is geen escapisme.

4. Niet-weten is geen onverantwoordelijkheid.

5. Niet-weten is geen zedeloosheid.

6. Niet-weten is geen bezit.

7. Niet-weten is geen bruid.

8. Niet-weten is geen doel.

9. Niet-weten is geen punt.

10. Niet-weten is geen dwaasheid.

11. Niet-weten is geen wijsheid.

12. Niet-weten is geen feit.

13. Niet-weten is geen theorie.

14. Niet-weten is geen leer.

15. Niet-weten is geen geest.

16. Niet-weten is geen openheid.

17. Niet-weten is geen levenshouding.

18. Niet-weten is geen liefde.

19. Niet-weten is geen vriendelijkheid.

20. Niet-weten is geen mededogen

21. Niet-weten is geen onverstoorbaarheid.

22. Niet-weten is geen gemoedstoestand.

23. Niet-weten is geen bewustzijnstoestand.

24. Niet-weten is geen oplettendheid.

25. Niet-weten is geen stilte.

26. Niet-weten is geen gedachteloosheid.

27. Niet-weten is geen therapie.

28. Niet-weten is geen mindfulness.

29. Niet-weten is geen verdienste.

30. Niet-weten is geen god.

31. Niet-weten is geen grond.

32. Niet-weten is geen ideaal.

33. Niet-weten is geen idee.

34. Niet-weten is geen ideologie.

35. Niet-weten is geen traditie.

36. Niet-weten is geen keuze.

37. Niet-weten is geen kompas.

38. Niet-weten is geen rol.

39. Niet-weten is geen kunst.

40. Niet-weten is geen kunstje.

41. Niet-weten is geen praktijk.

42. Niet-weten is geen methode.

43. Niet-weten is geen managementstijl.

44. Niet-weten is geen middel.

45. Niet-weten is geen wachtkamer.

46. Niet-weten is geen donkere nacht van de ziel.

47. Niet-weten is geen transcendentie.

48. Niet-weten is geen minderwaardigheidscomplex.

49. Niet-weten is geen mystagogiek.

50. Niet-weten is geen mysterie.

51. Niet-weten is geen mystieke eenwording.

52. Niet-weten is geen plek.

53. Niet-weten is geen realiteit.

54. Niet-weten is geen reden.

55. Niet-weten is geen spontaniteit.

56. Niet-weten is geen staat.

57. Niet-weten is geen boek.

58. Niet-weten is geen handelswaar.

59. Niet-weten is geen twijfel.

60. Niet-weten is geen verlosser.

61. Niet-weten is geen verwondering.

62. Niet-weten is geen vinden.

63. Niet-weten is geen weg.

64. Niet-weten is geen wondermiddel.

65. Niet-weten is geen zekerheid.

66. Niet-weten is geen aandoening.

Misschien is niet-weten voor jou wél een van deze 66 dingen, of een heleboel andere dingen niet.

Geeft niks, op het punt van definities heeft niemand gelijk of ongelijk.

Alleen heb ik het dan ergens anders over dan jij.

Dat je het even weet.

-74-

Niet-weten is het weten terugsnoeien

Onkruid vergaat niet.

‘Wat is niet-weten voor jou?’

‘Het weten met wortel en al uitrukken, Hans.’

‘Toe maar.’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Het weten terugsnoeien tot de grond.’

‘En dan?’

‘Kijken hoe het weer opkomt.’

‘Waarom zou je het weten niet met wortel en al uitrukken?’

‘Omdat het geen wortels heeft?’

‘Is dat een antwoord of een vraag?’

‘Wat jij wil.’

‘Doe mij maar een antwoord.’

‘Dan snoei ik het vast terug.’

‘En dan?’

‘Kijken hoe het weer opkomt.’

-75-

Vrije bomen vangen veel wind

‘Wat is weten?’

‘Een boom in een potje.’

Vrolijke boom in een glazen pot.

‘Wat is niet-weten?’

‘Een boom in de vrije natuur.’

Vrolijke boom in de vrije natuur.

‘Nou, dan zou ik het wel weten.’

‘Nou, ik niet.’

-76-

Vierenveertig mantels der wijsheid

Niet-weten wordt zelden openlijk beleden.

Meestal zit het verstopt onder een mantel van wijsheid.

Die heb je in alle soorten en maten:

1. De mantel van het absurdisme.

2. De mantel van het agnosticisme.

3. De mantel van het boeddhisme.

4. De mantel van het chassidisme.

5. De mantel van het conceptualisme.

6. De mantel van het consensualisme.

7. De mantel van het constructivisme.

8. De mantel van het contextualisme.

9. De mantel van het cynisme.

10. De mantel van het dadaïsme.

11. De mantel van het deconstructivisme.

12. De mantel van het eclecticisme.

13. De mantel van het empirisme.

14. De mantel van het existentialisme.

15. De mantel van het externalisme.

16. De mantel van het fallibilisme.

17. De mantel van het falsificationisme.

18. De mantel van het fatalisme.

19. De mantel van het fideïsme.

20. De mantel van het holisme.

21. De mantel van het indeterminisme.

22. De mantel van het irrationalisme.

23. De mantel van het minimalisme.

24. De mantel van het nihilisme.

25. De mantel van het nominalisme.

26. De mantel van het non-dualisme.

27. De mantel van het obscurantisme.

28. De mantel van het perspectivisme.

29. De mantel van het pluralisme.

30. De mantel van het postmodernisme.

31. De mantel van het poststructuralisme.

32. De mantel van het pragmatisme.

33. De mantel van het pyrronisme.

34. De mantel van het quiëtisme.

35. De mantel van het relativisme.

36. De mantel van het scepticisme.

37. De mantel van het soefisme.

38. De mantel van het solipsisme.

39. De mantel van het stoïcisme.

40. De mantel van het structuralisme.

41. De mantel van het subjectivisme.

42. De mantel van het surrealisme.

43. De mantel van het taoïsme.

44. De mantel van zen.

Allemaal mantels van wijsheid.

Allemaal geweven van zuiver niet-weten.

Dus eigenlijk zijn het mantels van dwaasheid.

Niet-weten is de rode draad van ons bestaan.

De grootste gemene deler van ons gedachtegoed.

Ouder dan de weg naar Rome.

Actueler dan het laatste nieuws.

Paus met clownsneus en bolletje rode wol.
Niet-weten is de rode draad van ons bestaan.

Lees ook De Intergalactische Waarheidsconferentie.

-77-

Drieëndertig eufemismen voor niet-weten

Niet-weten wordt zelden openlijk beleden.

Meestal is het verpakt in welsprekendheid.

Alleen herkenbaar voor de goede verstaander.

Je moet het dan tussen de regels door lezen.

Een aforisme hier, een eufemisme daar – luister maar:

Gods wegen zijn wonderbaarlijk.

De mens wikt, God beschikt.

De tijd zal het leren.

De wind waait waarheen hij wil.

Alles is lucht en leegte.

Ik ben die ik ben.

Het gaat zoals het gaat.

We doen wat we doen.

We zijn het leven zelf.

Het leven is een droom.

Het leven is er niet om begrepen te worden maar om geleefd te worden.

De zin van het leven is de zin in het leven.

De zin van het leven is de zin die we eraan geven.

Het ware zelf is slechts gewaar.

Wij zijn de kenner, niet de doener.

We moeten ons volledig overgeven.

Kome wat komen moet.

De weg is het doel.

Van het concert des levens krijgt niemand het program.

Er is alleen maar dit.

Een object is nooit restloos te bepalen.

De waarheid is onuitsprekelijk.

Eén gek kan meer vragen stellen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden.

De hoogste wijsheid is voorbij alle wijsheid.

De oorzaak van alles is alles.

Alles ontstaat afhankelijk.

Alles is een illusie.

Alles is subjectief.

Alles is relatief.

Alles is energie.

Alles is toeval.

Alles is uniek.

Alles is één.

Zo zijn er duizenden spreuken om je onbegrip te verhullen.

Zet ze op tegeltjes en je kan er een heel slachthuis mee betegelen.

Kunnen onze heilige koeien nog een slagzin lezen voor ze een slagpin in hun wezen krijgen.

Hoeveel slagzinnen heb jij al in je harses?

Stompt lekker af, vind je niet?

Al die wijsheid.

Godverdomme zeg.

Iedereen weet!

Lijkt het wel.

Maar ik betwijfel dat.

Niemand weet!

Denk ik weleens.

Maar dat betwijfel ik ook.

Ik bedoel, hoe stel je zoiets vast?

Weet je wat?

Kijk zelf maar.

Kijk maar eens goed om je heen.

Kijk maar eens goed naar jezelf.

Hangen we niet allemaal de professor uit?

De ervaringsdeskundige?

De hulpverlener?

De raadgever?

De vraagbaak?

De piskijker?

De godsgezant?

De coach?

De therapeut?

De rechter?

De getuige?

De vader?

De moeder?

De leermeester?

De verlosser?

De goeroe?

De profeet?

De wijze?

En de grap is, je prikt er zo doorheen.

Wijsheid is een weefsel vol gaten.

Vliegende tapijten vind je alleen in sprookjes.

Bluf is schering en inslag.

Niet-weten de rode draad van ons bestaan.

Kijk eens aan, wat een slagzinnen allemaal weer.

En zie ze dan maar weer uit je harses te krijgen.

Was dit nou bluf of niet-weten, wat denk jij?

-78-

Niet-weten is het anker lichten en schipbreuk lijden.

Om het beter voor het voetlicht te kunnen brengen, heb ik het niet-weten uit de tradities gelicht.

Vrijgeprepareerd van filosofie, religie, mythologie, kosmologie, moraal, ideaal en couleur locale.

Ontdaan van lofspraak, grootspraak, kromspraak en kwaakspraak.

Vergeet Meister Eckhart, vergeet Jan van het Kruis, vergeet Phyrro van Elis.

Vergeet zen, vergeet advaita, vergeet mystiek.

Waar het zo’n beetje op neerkomt?

Alles tussen aanhalingstekens zetten.

Ook de aanhalingstekens.

Alles vergeten.

Ook het vergeten.

Alles betwijfelen.

Ook de twijfel.

Alles loslaten.

Ook het loslaten.

Of ik het ook zonder paradoxen kan zeggen, alsjeblieft?

Maar natuurlijk:

Van een koude kermis thuiskomen.

Met je billen bloot gaan.

Naaktlopen.

Rillen en verstillen.

Niet-weten is het anker lichten en schipbreuk lijden.

Wolkenlucht met zwevend anker en zinkend schip.
Niet-weten is het anker lichten en schipbreuk lijden.

Wie durft?

-79-

De weg begint met de laatste stap

We noemen het niet-weten!

We zingen het in koor!

Totdat we het vergeten!

Dan hebben we het door!

Bis

-80-

Woordenboek niet-weten: agnose

Agnose

Niet-weten is een prima woord. Eenvoudig en zelfverklarend – beter kan je het haast niet zeggen. Maar fraai is anders.

Soms wil je weleens goed voor de dag komen. Bij je schoonmoeder bijvoorbeeld of op een praatfeestje als je naast een diepdenker of hoogvlieger zit

Speciaal voor dat soort situaties heb ik het synoniem ‘agnose’ bedacht.

Nou, bedacht… het lag al voor me klaar. Al eeuwen, om precies te zijn.

Het woord ‘agnose’ is samengesteld uit het Griekse a-: niet- (als in a-pathisch en a-politiek) en gnosis: kennis, weten (als in dia-gnose en pro-gnose).

A-gnose betekent dus letterlijk niet-kennis of niet-weten.

Voorbeeldzin:

In agnose is er geen wezenlijk onderscheid tussen vorm en leegte, aards en heilig, onderscheid een eenheid, weten en niet-weten.

De ontkenning, a-, vormt een geheel met de stam van het woord, gnosis, waardoor agnose minder negatief klinkt dan niet-weten.

Agnose is dus een eufemisme voor niet-weten.

Nou heb ik het niet zo op eufemismen, dat zal je onderhand wel duidelijk zijn, maar ‘agnose’ is van een andere orde dan ‘numineuze ervaringen zijn per definitie buitenredelijk’ bijvoorbeeld.

Agnose voor niet-weten is gewoon het ene woord voor het andere – kamer voor senaat, vertrek voor kamer, afreis voor vertrek.

Niet om te mystificeren, niet om dik te doen, maar gewoon ter afwisseling.

Agnostisch, agnost, Agnosereeks, agnosticon

Het bijvoeglijk naamwoord van ‘agnose’ is ‘agnostisch’ en betekent niet-wetend:

Echt agnostische literatuur is er weinig, het managementsegment daargelaten.

Iemand die niet-weet heet een agnost:

Wie kent het verschil tussen een agnost en een nitwit?

De Agnosereeks is de naam die ik heb gegeven aan mijn boekenserie over niet-weten.

Met het agnosticon bedoel ik het symbool van niet-weten en van de Agnosereeks, Ø.

Het agnosticon als onmogelijk figuur.

Als je ‘agnosticon’ te moeilijk vindt, kan je het ook gewoon het lege symbool of de ‘eh’ noemen.

Agnosie en agnosticisme

Voor zover ik weet, wordt het woord agnose in het Nederlands nog helemaal niet gebruikt, in geen enkele betekenis. Wel gebruikt wordt het woord agnosie, met de klemtoon op de laatste lettergreep.

Agnosie is een herkenningsstoornis waarbij de waarneming zelf nog intact is.

Een beroemd geval van agnosie is de man die zijn vrouw voor een hoed aanzag – het titelverhaal van het gelijknamige boek van Oliver Sacks.

Je begrijpt: agnose is geen agnosie.

Begrijp je het niet dan heb je afasie.

Ook het woord agnosticisme maakt al deel uit van de Nederlandse taal. Het verwijst naar het gevoel of het geloof of het dogma dat het wel of niet bestaan van God onbewijsbaar is.

Iemand die het agnosticisme aanhangt, heet een agnosticus of – jammer voor mij – een agnost.

Om verwarring te voorkomen, gebruik ik het woord ‘agnost’ in de Agnosereeks alleen in de betekenis van ‘weetniet’.

Alle agnosewoorden op een rijtje

1. agnose: het niet-weten.

2. agnost: iemand die niet weet.

3. agnostisch: niet-wetend.

4. Agnosereeks: boekenserie over niet-weten.

5. agnosticon: Ø.

Om de figuurlijke stilte van niet-weten te benadrukken, kan je de woorden met de lettercombinatie ‘st’ erin ook met ‘Sst’ schrijven: agnoSst, agnoSstisch, agnoSstiek, agnoSsticon.

Nodig is het niet, maar leuk is het wel. Al denkt mijn spellingcorrector daar anders over.

-81-

Wie niet weet gelooft zijn gedachten niet meer

Wie niet weet, zoals ik, heeft geen antwoorden meer op de grote levensvragen.

Ook niet – laat ik er maar geen doekjes om winden – op de kleine.

Zelfs niet – dan hebben we het ergste meteen maar gehad – op de allerkleinste.

Wie niet weet heeft geen antwoorden meer.

En geen vragen.

Hij heeft geen doel meer.

En geen weg.

Hij heeft geen ik meer.

En geen zelf.

Hij heeft geen vorm meer.

En geen leegte.

Hij heeft geen lichaam meer.

En geen geest.

Hij heeft geen illusies meer.

En geen werkelijkheid.

Hij heeft geen hel meer.

En geen hemel.

Hij heeft geen zekerheden meer.

En geen twijfels.

Hij heeft geen gelijk meer.

En geen ongelijk.

Hij heeft geen woorden meer.

En geen stilte.

Hij heeft geen weten meer.

En geen niet-weten.

Geloof je dat?

Pech gehad.

Het is nog veel erger:

Wie niet weet gelooft zijn gedachten niet meer.

Deze ook niet.

-82-

In niet-weten zijn gedachten zelfbezwerend

‘Met welke toverspreuk bezweer jij het weten, Hans?’

‘Ik hoef het niet te bezweren.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat mijn gedachten zelfbezwerend zijn.’

‘Hoe lang duurt het ongeveer voordat een gedachte zichzelf bezworen heeft?’

‘Ongeveer even lang als die gedachte.’

‘Kan je een voorbeeld geven van een recente gedachte waarbij dat gebeurd is?’

‘Bij de gedachte dat gedachten zelfbezwerend zijn.’

-83-

Niet-weten is niet meer doen alsof

Hoewel niet-weten te simpel is voor woorden, nee, doordát niet-weten te simpel is voor woorden, kan ik niet beloven dat je het zult begrijpen.

Begrijpen is hier sowieso een raar woord.

Wat valt er te begrijpen aan een leeg begrip?

Wat valt er te leren aan een lege leer?

Wat valt er te lezen in een leeg boek?

Wat valt er te weten aan niet-weten?

Niet-weten is toch zeker geen kwestie van wéten?

Het is eerder een kwestie van niet meer doen alsóf.

Niet meer doen alsof je het allemaal wel doorhebt.

Niet meer doen alsof je alles al gezien hebt.

Niet meer doen alsof je overal geweest bent.

Niet meer doen alsof je nergens bang voor bent.

Niet meer doen alsof je alles onder controle hebt.

Niet meer doen alsof je de wijsheid in pacht hebt.

Niet meer doen alsof je alles kan hebben.

Niet meer doen alsof je alles kan.

Niet-weten is niet meer doen alsof.

-84-

Niet-weten is niet meer doen alsof je niet meer doet alsof

Niet-weten is geen kwestie van weten.

Het is eerder een kwestie van niet meer doen alsof.

Niet meer doen alsof je weet, niet meer doen alsof je niet weet – niet meer doen alsof.

Dus ook niet meer doen alsof je niet meer doet alsof.

Dus ook niet meer doen alsof je ervoor kan kiezen om niet meer te doen alsof.

Dus ook niet meer doen alsof je de baas bent over datgene in jezelf wat je toch weer laat doen alsof.

Dus ook niet meer doen alsof je de baas bent over de onnavolgbare omstandigheden die ervoor zorgen dat je steeds weer doet alsof.

Dus ook niet meer doen alsof het onder alle omstandigheden de voorkeur verdient om niet meer te doen alsof.

Dat scheelt een hoop acteerwerk al met al.

En eerlijk gezegd geloofden we je toch al niet.

We deden maar alsof.

-85-

Zalig zijn de armen van geest

De schat van niet-weten is helemaal leeg.

Zo leeg, dat is gewoonweg niet te vatten.

Bij niet-weten valt niets te halen.

Er valt hooguit iets achter te laten.

Alles wat je meent te weten bijvoorbeeld.

Maar ook alles wat je niet meent te weten.

Ik bedoel, wat je meent niet te weten.

Alles wat je meent dus.

Wat er dan nog overblijft?

Nou eh…

1. Niet weten te onderscheiden.

2. Niet weten te verenigen.

3. Niet weten te bevestigen.

4. Niet weten te ontkennen.

5. Niet weten te beheersen.

6. Niet weten te kiezen.

7. Niet weten te doen.

8. Niet weten te laten.

9. Niet weten te zeggen.

10. Niet weten te zwijgen.

En bovenal…

11. Niet weten van niet-weten.

Elf facetten heeft niet-weten!

Maar dat maakt het nog geen diamant.

En al zou ik er nog eens elf maal elf facetten bij weten te slijpen, de schat van niet-weten is en blijft leeg.

Armoe is de weg van agnose.

Zalig zijn de armen van geest.

-86-

Niet-weten is een sleutel zonder slot

Als niet-weten al een sleutel is, dan een zonder slot.

De gedachte dat je er een poort mee opent naar…

God!
Realisatie!
Het absolute!
Non-dualiteit!
Het onzegbare!
Onsterfelijkheid!
Groot Mededogen!
De Werkelijkheid!
Transcendentie!
Alwetendheid!
De Waarheid!
Eenwording!
Openheid!
Perfectie!
Het Zelf!
Nirwana!
Spontaniteit!
Authenticiteit!
Gelukzaligheid!
Innerlijke vrede!
Onverstoorbaarheid!
Onbegrensde Vrijheid!
Een einde aan het lijden!
Onvoorwaardelijke Liefde!
Wijsheid voorbij alle wijsheid!

… is precies dat: een gedachte.

In niet-weten geloof je je gedachten niet.

Dus ook niet de gedachte dat niet-weten een sleutel zonder slot zou zijn.

Of de gedachte dat je van je verwachtingen af moet.

Dat je er vanaf kán.

Dat dat ergens goed voor zou zijn.

Of dat het nergens goed voor zou zijn.

Ook dat geloof je niet.

En geloof dat ook maar niet.

Niet-weten is een sleutel zonder slot.

Hij opent alleen maar gedachten.

Twee sleutels met een gemeenschappelijke baard (die dus op geen enkel slot past).
Niet-weten is een sleutel zonder slot. Hij opent alleen maar gedachten.

Verderop in dit Witboek: Niet-weten als passe-partout.

-87-

Denken is geen weten

1. Lezen is geen weten

Stel dat je vastzit in een bibliotheek.

Dat je alleen maar kan lezen.

Dat alles wat je weet uit boeken komt.

Ook alles wat je weet van de relatie tussen boek en werkelijkheid.

1. Soms lees je dat boeken de werkelijkheid weerspiegelen.

2. Soms lees je dat de werkelijkheid heel anders is.

3. Soms lees je dat de werkelijkheid onkenbaar is.

4. Soms lees je dat boeken de enige werkelijkheid zijn.

Je leest van alles en nog wat, maar als je nou alleen maar kan lezen, hoe moet je dan weten wat werkelijk is?

Lezen is tenslotte geen weten.

Of wou jij beweren dat alles wat je ooit gelezen hebt waar was?

2. Dromen is geen weten

Stel dat je aan bed gekluisterd bent.

Dat je alleen maar kan dromen.

Dat alles wat je weet uit dromen komt.

Ook alles wat je weet van van de relatie tussen droom en werkelijkheid.

1. Soms droom je dat dromen de werkelijkheid weerspiegelen.

2. Soms droom je dat de werkelijkheid heel anders is.

3. Soms droom je dat de werkelijkheid onkenbaar is.

4. Soms droom je dat dromen de enige werkelijkheid zijn.

Je droomt van alles en nog wat, maar als je nou alleen maar kan dromen, hoe moet je dan weten wat werkelijk is?

Dromen is tenslotte geen weten.

Of wou jij beweren dat alles wat je ooit gedroomd hebt waar was?

3. Denken is geen weten

Stel dat je opgesloten bent in je geest.

Dat je alleen maar kan denken.

Dat alles wat je weet uit je hoofd komt.

Ook alles wat je weet van de relatie tussen gedachte en werkelijkheid.

1. Soms denk je dat gedachten de werkelijkheid weerspiegelen.

2. Soms denk je dat de werkelijkheid heel anders is.

3. Soms denk je dat de werkelijkheid onkenbaar is.

4. Soms denk je dat gedachten de enige werkelijkheid zijn.

Je denkt van alles en nog wat, maar als je nou alleen maar kan denken, hoe moet je dan weten wat werkelijk is?

Denken is tenslotte geen weten.

Of wou jij beweren dat alles wat je ooit gedacht hebt waar was?

-88-

De metageest is tweedimensionaal – het droste-effect

Denken is net zoiets als dromen of lezen.

Denken over denken is net zoiets als dromen over dromen of lezen over lezen.

Denken over denken over denken is net zoiets als dromen over dromen over dromen of lezen over lezen over lezen.

Het is net zoiets als een foto van een foto van een foto.

Onder illustrators heet dit het droste-effect, onder filosofen regressie, onder wiskundigen recursie.

Het lijkt oneindig diep maar het is oneindig oppervlakkig.

Net zo oppervlakkig als een dadaïstisch gedicht of een schilderij van een pijp of je reflectie in het water.

Ook dit denken over denken is zo plat als een dubbeltje.

De metageest is tweedimensionaal.

Droste-effect met een dromer die droomt dat hij droomt dat hij droomt…
Denken over denken is net zoiets als dromen over dromen.

-89-

Wortelen doen het gat bortelen

Denken lijkt oneindig diep maar is oneindig oppervlakkig.

Het steunt nergens op – deze gedachte ook niet.

Het denken steunt wél ergens op, zul je tegenwerpen, het is geworteld in de waarneming.

Dan zeg ik: Wie weet waar het denken ophoudt en de waarneming begint?

Dan zeg jij: En de waarneming is geworteld in de zintuigen.

Ik: Wie weet waar de waarneming ophoudt en de zintuigen beginnen?

Jij: En de zintuigen zijn geworteld in het lichaam.

Ik: Wie weet waar de zintuigen ophouden en het lichaam begint?

Jij: En het lichaam is geworteld in de werkelijkheid.

Ik: Wie weet waar het lichaam ophoudt en de werkelijkheid begint?

Jij: Dus het denken is geworteld in de werkelijkheid.

Ik: Of is de werkelijkheid geworteld in het denken?

Of is er geen verschil tussen werkelijkheid en denken?

Of is er geen overeenkomst tussen werkelijkheid en denken?

En is er werkelijk zoiets als ‘het denken’ en ‘de werkelijkheid’ of zijn dat ook maar gedachten?

En als ‘de werkelijkheid’ en ‘het denken’ ook maar gedachten zijn, wat zegt dat dan over hun samenhang?

Droste-effect met een boom waarvan de wortels naadloos overgaan in de kroon van een kopie van zichzelf.
Wie weet waar de wortels ophouden en de kroon begint?

Daarna begin jij een oeverloos wijsgerig betoog waaraan pas vier jaar later een eind komt met je promotie summa cum laude.

Je stuurt me een presentexemplaar van je proefschrift en een maand later bel je me op.

Je zegt: Begrijp je nou wat ik bedoel?

Ik zeg: Begrijp je nou wat ik bedoel?

-90-

Gedachten zijn gedachtewerelden

De meeste mensen nemen zonder meer aan dat hun gedachten waar zijn.

Ze geloven erin.

Geblinddoekte monniken in ganzenpas, geïnspireerd door ‘de Parabel der blinden’ van Bruegel.
Ze geloven erin. Blindelings!

Blindelings.

Ze laten zich er volledig door leiden.

Maar zijn gedachten wel waar?

Als je probeert te bewijzen dat een gedachte waar is, doen zich… nieuwe gedachten voor.

Die op hun beurt bewezen moeten worden.

Enzovoort, zonder eind.

Het zingt maar rond.

Gedachten bewijzen met andere gedachten is net zoiets als een marionet die aan zijn eigen touwtjes trekt:

Marionet die aan zijn eigen touwtjes trekt.

Dat kan alleen maar in een tekening.

-91-

Woorden zijn woordenboeken

De meeste mensen nemen zonder meer aan dat woorden naar de werkelijkheid verwijzen.

Ze stinken erin.

Grafsteen met de tekst ‘Hier rust Hans’.
‘Ze stinken erin. Met open ogen.’

Met open ogen.

Ze laten zich er volledig door leiden.

Maar verwijzen woorden wel naar de werkelijkheid?

Als je uit wil leggen wat een woord betekent, komen er nieuwe woorden in je op.

Die je op hun beurt uit moet leggen.

Enzovoort, zonder eind.

Het zingt maar rond.

Woorden duiden met andere woorden is net zoiets als een drager die zich door anderen laat dragen:

Droste-effect van aardboldragers.
Atlas op Atlas op Atlas…

Dat kan alleen maar in de ruimte.

-92-

Definities van niet-weten – maart

1. Niet-weten is de laatste illusie.

2. Niet-weten is een desillusie.

3. Niet-weten is de desillusie doorzien.

4. Niet-weten is een total loss.

5. Niet-weten is de volgende droom.

6. Niet-weten is de waan van de nacht.

7. Niet-weten is ontwaken uit de droom van ontwaken.

8. Niet-weten is geen droom.

9. Niet-weten is geen-droom.

10. Niet-weten is ontwaken uit je weten.

11. Niet-weten is ontwaken uit je zekerheden in een onzeker heden.

12. Niet-weten is geen ontwaakt denken, maar een denken dat keer op keer uit zichzelf ontwaakt.

13. Niet-weten is geen bevrijd denken, maar een denken dat zich keer op keer van zichzelf bevrijdt.

14. Niet-weten is geen onthecht denken, maar een denken dat zich keer op keer van zichzelf losmaakt.

15. Niet-weten is geen uitgedoofd denken, maar een denken dat zijn eigen brandjes blust.

16. Niet-weten is geen verlicht denken, maar zuchten van verlichting zodra je je vorige gedachte doorziet. Zucht.

17. Niet-weten is eindeloos ontwaken.

18. Niet-weten is ontwaken in verbijstering

19. Niet-weten is geen realisatie maar derealisatie.

20. Niet-weten is geen truc.

21. Niet-weten is geen pose.

22. Niet-weten is alles ont-kennen.

23. Niet-weten is alles ontkennen, dit ook.

24. Niet-weten is begrijpen zonder begrippen.

25. Niet-weten is aan de grond zitten.

26. Niet-weten is een afgrond.

27. Niet-weten is de ongrond waarin de boom der kennis wortelt.

28. Niet-weten is geen denkfobie.

29. Niet-weten is geen vlucht in onwetendheid.

30. Niet-weten is een vlucht uit het vluchten.

31. Niet-weten is geen kroon, maar het einde van de koning.

365 Definities van niet-weten – maart.

-93-

Horror vacui: het verstand verafschuwt een vacuüm

Ben je niet goed in raadsels oplossen dan kan je ze maar beter zelf verzinnen.

Het volgende raadsel had ik graag verzonnen als kind, maar ik kwam er net pas op:

‘Wie schiep de putjes?’
‘De putjesschepper.’

In de tegenwoordige tijd werkt dit raadsel niet:

‘Wie schept de putjes?’
‘De putjesschepper.’

Ja, nogal wiedes.

Het probleem is hier dat ‘schept’ de derde persoon enkelvoud is van scheppen in beide betekenissen van het woord, namelijk lepelen en maken, terwijl ‘schiep’ uitsluitend ‘maakte’ betekent.

Wil je per se de tegenwoordige tijd gebruiken en toch naar de schepping verwijzen, dan moet je je van een hoofdletter bedienen:

‘Wie schept de putjes?'
‘De Putjesschepper.’

Deze versie werkt alleen op schrift, want mensen hebben nog geen algemeen aanvaarde manier bedacht om hoofdletters uit te spreken.

Ik weet niet hoe het jou vergaat maar zo’n hoofdletter ‘P’ in combinatie met het bepaalde lidwoord ‘de’ activeert meteen mijn religieuze gen, dat anders de godganse dag ligt te niksen.

De putjesschepper was in mijn jeugd de laagste der laagsten, minder nog dan de behanger van lullen, waar ik zelf vaak voor ben uitgemaakt.*

* Uiteindelijk heb ik het in mijn hoedanigheid van schrijver over agnose tot een behanger van niets geschopt en nu was ik mijn handen in onschuld.

Maar bij de Putjesschepper met een hoofdletter zie ik meteen een heilige voor me, met een gouden putschep als attribuut en een dito aureool – de Heilige der heiligen, de Verhevene, de Allerhoogste, of moeten we in dit geval spreken van de Allerdiepste?

Vreemd genoeg heb ik me nooit afgevraagd wie de putjes geschapen heeft, als kind niet en als volwassene niet.

Dat komt denk ik door de historische toevalligheid dat het putje nooit onderwerp van verering is geworden.

Het kan ook te wijten zijn aan de psychische toevalligheid dat het verstand een vacuüm verafschuwt – horror vacui heet dat in de psychostatica.

Gaten in de geest zijn er om op te vullen, maakt niet uit waarmee.

Alles liever dan niet weten, zeg nou zelf.

Mensen zijn putjesdempers.

-94-

Wie schiep de Schepper?

Wie schiep de wereld?

Deze vraag veronderstelt dat de wereld onafhankelijk van ons bestaat en dat hij geschapen is.

Volgens het Oude Testament was het de Schepper die de wereld schiep, maar wie schiep dan de Schepper?

Deze vraag veronderstelt dat de Schepper onafhankelijk van ons bestaat en dat hij geschapen is.

Volgens gelovigen staat het buiten kijf dat de Schepper bestaat, want dat heeft Hij geopenbaard in de bijbel.

Dat het Zijn openbaring is en niet die van de menselijke auteurs van de bijbel staat buiten kijf, want dat heeft Hij in diezelfde bijbel geopenbaard.

Genesis* maakt bij mijn weten geen woorden vuil aan de genese van de Schepper zelf, maar theologen zijn niet voor één gat te vangen: ze verklaren simpelweg dat de Schepper zelfscheppend is.

* Boek I van het Oude Testament, waarin de schepping wordt beschreven.

Of ze verklaren dat de Schepper zelf ongeschapen is en altijd al bestaan heeft.

Of ze verklaren dat de Schepper geschapen noch ongeschapen is of geschapen én ongeschapen of voorbij geschapenheid en ongeschapenheid, al naar gelang hun overtuiging dat Hij bestaat noch niet-bestaat of bestaat én niet bestaat of voorbij bestaan en niet-bestaan is.

Atheologen stellen simpelweg dat de Schepper ongeschapen is omdat hij nooit bestaan heeft.

Wat hebben theologen en atheologen gemeen?

Dat ze zeker zijn van hun zaak.

Hoe dat kan is mij een raadsel, maar dat is het punt niet.

Het punt is dit:

God zou best zelfscheppend of ongeschapen of beide of geen van beide kunnen zijn, maar dat geldt natuurlijk net zo goed voor de wereld als geheel.

Mocht de wereld inderdaad zelfscheppend of ongeschapen of beide of geen van beide blijken te zijn, moeten we haar dan voortaan God noemen?

God zou ook best de Schepper van de schepping kunnen zijn, maar hij zou net zo goed een schepping kunnen zijn van Zijn schepping.

In het tweede geval kunnen we God misschien beter god noemen en zijn schepper de Schepping.

Of zou er toch een schepper van de Schepper zijn, een Superschepper?

Zou er dan ook een schepper van de Superschepper zijn, een Supersuperschepper?

Houdt dit een keer op of gaat het door tot in het oneindige?

In het laatste geval, verdient dit oneindige dan een eigen naam of Naam, en is het zelf of Zelf zelfscheppend of hoe zit het?

De theologische kwestie van de schepping van de schepper is een schoolvoorbeeld van het zogeheten regressieprobleem dat overal in het denken opduikt.

Een nagel aan de doodskist van filosofen, godgeleerden, wiskundigen, logici, autisten, moralisten, idealisten, fundamentalisten, fascisten en andere liefhebbers van sluitende systemen, totaalverklaringen en eindoplossingen.

Koren op de molen van de agnost.

-95-

Tweeëntwintig voorbeelden van het regressieprobleem

Steeds wanneer de betrouwbaarheid van onze kennis in het geding is, doen zich vicieuze cirkels en ketens voor.

Om een gedachte te rechtvaardigen moet je terugvallen op andere gedachten die je ook weer moet rechtvaardigen.

Om een filosofische stelling te rechtvaardigen moet je terugvallen op andere stellingen die je ook weer moet rechtvaardigen.

Om een wetenschappelijke theorie te rechtvaardigen moet je terugvallen op algemenere theorieën die je ook weer moet rechtvaardigen.

Om een gebeurtenis te verklaren moet je terugvallen op oorzaken die je ook weer moet verklaren.

Om een handeling te verklaren moet je terugvallen op redenen die je ook weer moet verklaren.

Om een daad te rechtvaardigen moet je terugvallen op motieven die je ook weer moet rechtvaardigen.

Om een opvatting te rechtvaardigen moet je terugvallen op fundamentelere opvattingen die je ook weer moet rechtvaardigen.

Om een geloof te rechtvaardigen moet je terugvallen op een dieper geloof dat je ook weer moet rechtvaardigen.

Om een norm, waarde of ideaal te rechtvaardigen moet je terugvallen op algemenere normen, waarden en idealen die je ook weer moet rechtvaardigen.

Om een juridische wet te rechtvaardigen moet je terugvallen op algemenere wetten die je ook weer moet rechtvaardigen.

Om een motto of principe te rechtvaardigen moet je terugvallen op hogere motto’s en principes die je ook weer moet rechtvaardigen.

Droste-effect van een vis die een kleinere vis opslokt die een kleinere vis opslokt…
Regressie – daar is geen einde aan.

Om een voorschrift of verbod te rechtvaardigen moet je terugvallen op algemenere voorschriften en verboden die je ook weer moet rechtvaardigen.

Om een begrip te verklaren moet je terugvallen op andere begrippen die je ook weer moet verklaren.

Om een woord te definiëren moet je het omschrijven in woorden die je ook weer moet definiëren.

Om een wiskundig theorema te rechtvaardigen moet je terugvallen op andere theorema’s die je ook weer moet rechtvaardigen.

Om een algemeenheid (de wereld, het leven, de mens, het denken, een organisatie, een organisme, een orgaan of een organel…) te verklaren moet je terugvallen op algemenere algemeenheden die je ook weer moet verklaren.

Om een redenering te rechtvaardigen moet je terugvallen op een logica (tweewaardig, driewaardig, meerwaardig, discreet, fuzzy, intuïtionistisch, modaal, dialogisch, paraconsistent…) die je ook weer moet rechtvaardigen.

Om een hypothese te toetsen moet je terugvallen op een toetsingscriterium (verifieerbaarheid, falsifieerbaarheid, meetbaarheid, nut, consistentie, coherentie, consensus…) dat je ook weer moet toetsen.

Om een autoriteit (staat, kerk, bijbel, god, ratio, gezond verstand, empirie, wetenschap, opleiding, ervaring, hoofd, hart, buik, onderbuik, gevoel, intuïtie, instinct…) te rechtvaardigen moet je terugvallen op hogere autoriteiten die je ook weer moet rechtvaardigen.

Om je kenvermogen (verstand, vernuft, brein, geest, intellect, vindingrijkheid, voorstellingsvermogen, geheugen, genie…) te begrijpen moet je gebruik maken van datzelfde kenvermogen.

Om het gebruik van natuurlijke taal voor het uitdrukken van kennis te rechtvaardigen moet je opnieuw gebruik maken van natuurlijke taal.

Om het gebruik van symbolische taal voor het uitdrukken van kennis te rechtvaardigen moet je gebruik maken van een hogere symbolische taal of van natuurlijke taal.

Iedere poging om onze kennis volledig te funderen verzandt in dit soort regressies.

In de filosofie heet dit het regressieprobleem.

-96-

Verklaren is het onbekende herleiden tot het onbekendere

De Latijnse uitdrukking ignotum per ignotius betekent het onbekende herleiden tot het onbekendere.

Een verwante uitdrukking is obscurum per obscurius – het duistere herleiden tot het meer duistere.

Beide uitdrukkingen geven ironisch commentaar op de verklarende waarde van al te duistere theorieën, maar je kan ze ook opvatten als een generaliserend commentaar op de hele verklaringspraktijk.

Als een kind vraagt waarom alles naar beneden valt en jij antwoordt dat het door de zwaartekracht komt, heb je dan iets verklaard?

Zeg ja en ik vraag je: wat is zwaartekracht?

Daarvoor moet je bij de natuurkunde wezen, zeg jij.

Ik naar een natuurkundige, komt hij met een volstrekt onbegrijpelijk verhaal over tijdruimte en relativiteit of met een ander volstrekt onbegrijpelijk verhaal over gravitonen en quantumfysica.

Ik naar een andere natuurkundige voor een verklaring van relativiteit en quantumfysica, komt hij met een volstrekt onbegrijpelijk verhaal over 11-dimensionale snaren of een andere Theorie van Alles.

Dit heet van kwaad tot erger: ignotum per ignotius.

Weliswaar heeft de natuurkunde voorspellende waarde, maar daarom maakt ze de wereld nog niet begrijpelijker.

Integendeel, de natuurkunde voegt alleen maar raadsels toe.

Raadsels als zwaartekracht, relativiteit, massa, tijdruimte, quanta, gravitonen en higgsvelden.

Bestaat dat allemaal echt of zijn het denk- en rekenhulpjes van de fysicus?

Daarvoor moet je bij een metafysicus wezen, zeg je.

Ik op zoek naar zo’n wezen, nergens meer te vinden.

Blijkt de hele filosofie op zijn gat te liggen.

En wat voor gat.

Zo zwart als wat.

Bovendien zijn zowel de doorijlende fysica als wijlen de na-ijlende metafysica ongeacht hun resultaten als verschijnsel zelf volstrekt onbegrijpelijk en onverklaarbaar.

Een enkele waterstofmolecule is misschien nog wel door te rekenen, maar de rekenaar zelf?

-97-

Stijlfiguren niet-weten: de regressievraag

Wie over niet-weten wil spreken, komt beter uit zijn woorden als hij wat stijlfiguren tot zijn beschikking heeft.

Een van die stijlfiguren is de regressievraag.

Een regressievraag is een vraag die zo is geformuleerd dat het terugwijkende karakter ervan meteen duidelijk is:

Wat is het doel van het doel?

Wat is de reden van de reden?

Wat is de functie van de functie?

Wat is het nut van het nut?

Wat is de waarde van de waarde?

Wat is de betekenis van de betekenis?

Wat is de oorzaak van de oorzaak?

Wat is de verklaring van de verklaring?

Wat is de zin van de zin?

Wat is de grond van de grond?

Wie autoriseert de autoriteit?

Wie schiep de schepper?

Wie controleert de controleur?

Welke wet verklaart de wet?

Waaraan toetsen we de toetsingscriteria?

Welke premissen rechtvaardigen de premissen?

Wat is de logica van de logica?

Wat is de gedachte achter de achterliggende gedachte?

Als je wil kan je nog een stapje verder gaan en vragen naar het doel van het doel van het doel of naar de reden van de reden van de reden enzovoort.

Maar de eerste stap is de belangrijkste omdat zich daaronder onmiddellijk het gapende gat van de bodemloze regressie opent.

De meeste mensen deinzen er hun hele leven voor terug.

Tevergeefs: het gat blijft zich maar openen, voor je, achter je, links van je, rechts van je, boven je en onder je, uiteindelijk in de holle gedaante van Magere Hein.

Je zou jezelf een hoop moeite en angst kunnen besparen door er meteen in te springen, dan heb je het maar vast gehad.

Alleen, hoe krijg je jezelf zo gek?

-98-

Niet-weten is een vragenvuur

waarin al je antwoorden verbranden.

‘Wat is weten?’

‘Op iedere vraag een antwoord.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Op ieder antwoord een vraag.’

Vraagteken in de vorm van een lucifer.
Niet-weten is een vragenvuur.

-99-

Niet-weten is een burn-out

waarin al je vragen verbranden.

‘Wat is weten?’

‘Op ieder antwoord een vraag, op iedere vraag een antwoord.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Geen antwoorden meer en geen vragen meer.’

Vraagteken in de vorm van een verbrande lucifer; de top brandt nog een beetje na en er komt een rooksliertje uit de vlam in de vorm van een vraagteken.
Niet-weten is een burn-out.

-100-

Meester Zwerver is zoek

Zeven dagen verbleef Meester Zwerver in ons land.

In die zeven dagen hield hij zeven toespraken.

Op maandag zei hij:

“Niet-weten is een open cel.”

Op dinsdag zei hij:

“Niet-weten is een leeg hotel.”

Op woensdag zei hij:

“Niet-weten is een blaaskapel.”

Op donderdag zei hij:

“Niet-weten is een luchtduel.”

Op vrijdag zei hij:

“Niet-weten is een zweeftoestel.”

Op zaterdag zei hij:

“Niet-weten is mijn metgezel.”

Op zondag zei hij:

“Niet-weten is een stille yell.”

Sindsdien heeft niemand meer iets van hem gehoord.

Ook niet aan gene zijde van de poort.

-101-

Zoeken naar het einde van het zoeken

Afgaand op onze boeken zijn wij mensen al zolang we schrijven aan het zoeken naar houvast.

En misschien al zolang we spreken, denken, bestaan – al valt dat niet meer na te gaan.

We zoeken naar GRONDBEGRIPPEN!

We zoeken naar ARCHETYPEN!

We zoeken naar OERPRINCIPES!

We zoeken naar VASTSTAANDE FEITEN!

We zoeken naar EVIDENTE AXIOMA’S!

We zoeken naar FUNDAMENTELE STELLINGEN!

We zoeken naar EEUWIGE WETTEN!

We zoeken naar ABSOLUTE WAARDEN!

We zoeken naar UNIVERSELE RECHTEN!

We zoeken naar DE STEEN DER WIJZEN!

We zoeken naar EEN IJZEREN LOGICA!

We zoeken naar EEN ARCHIMEDISCH PUNT!

We zoeken naar EEN LAATSTE INSTANTIE!

We zoeken naar DE OPPERSTE AUTORITEIT!

We zoeken naar DE GROOTSTE GOD!

We zoeken naar DE EERSTE OORZAAK!

We zoeken naar HET LAATSTE WOORD!

We zoeken naar DE ECHTE REDEN!

We zoeken naar DE WARE TOEDRACHT!

We zoeken naar DE UITEINDELIJKE BETEKENIS!

We zoeken naar HET HOOGSTE DOEL!

We zoeken naar DE DIEPSTE ZIN!

We zoeken het in spreuken en in vloeken.

We zoeken het bij priesters en in boeken.

We zoeken naar het einde van het zoeken.

-102-

Het regressieargument

Duiken naar de bodem van het denken.

Zoeken naar ons diepste wezen, de laatste waarheid, de hoogste autoriteit, de ware toedracht et cetera is net zoiets als zoeken naar de bouwstenen van de kosmos.

Fysici vinden weliswaar steeds meer deeltjes, maar elementaire, ho maar.

En zijn het nog wel deeltjes, die rare dingetjes die…

- geen massa hebben;

- geen ruimte innemen;

- op meerdere plaatsen tegelijk verschijnen;

- elkaar sneller dan het licht beïnvloeden;

- zich vaak voordoen als golven;

- zich alleen laten beschrijven als waarschijnlijkheidsfuncties;

- zich uitsluitend vertonen aan geschoolde waarnemers onder kunstmatige omstandigheden;

- zomaar verschijnen en verdwijnen in het ziedende niets dat kwantumvacuüm heet?

Als we al geen elementaire deeltjes kunnen vinden, hoe groot is dan de kans op elementaire gedachten?

Laten we deze redenering het regressieargument noemen.

-103-

Het illusieprobleem en het illusieargument

Stel dat je er ondanks alle vicieuze cirkels en regressies toch in zou slagen je kennis van de werkelijkheid zeker te stellen.

Hoe weet je dan of die werkelijkheid echt is?

Hoe weet je of je leven meer is dan een idee of een droom of een waan of een hallucinatie of een visioen of zelfsuggestie of hypnose of een goddelijke of duivelse illusie?

Misschien ben je alleen maar een databestand op een geheugenchip (Total Recall).

Misschien ben je alleen maar een computergestuurd lichaam drijvend in een lauwwarm vruchtwaterbad (The Matrix).

Misschien ben je alleen maar een lichaamloos brein in een vat (William and Mary).

Misschien ben je alleen maar een toeschouwer van andermans leven (Being John Malkovich).

Misschien ben je als de Chinese wijze die zich afvroeg of hij zelf had gedroomd dat hij een vlinder was of dat die vlinder had gedroomd dat hij hem was.

Vlinder met een lijfje dat de taoïstische wijsgeer Zhuang Zi voorstelt.
Vlinder die droomt dat hij Zhuang Zhou is die droomt dat hij een vlinder is.

Misschien speelt de wereld zich wel helemaal af in je eigen bewustzijn (solipsisme).

Misschien is de wereld alleen maar jouw ervaring van die wereld (externalisme).

Misschien lig je op dit moment wel in coma en verbeeld je je alleen maar dat je dit leest.

Misschien ben je Joost weet wie, wat of waar en verbeeld je je alleen maar dat je je dit alleen maar verbeeldt.

Misschien zijn we allemaal slachtoffers van een grote bedrieger* die ons kan laten denken wat hij wil.

* Le malin génie is een bedenksel van de grote bedrieger René Descartes (1596-1650) of van de grote bedrieger die hem dat deed denken.

Is het waar, dromen we dit leven alleen maar?

Zo voelt het niet, dat geef ik meteen toe.

Maar ja, als je droomt voelt het meestal ook niet als een droom.

Tenzij je droomt dat je droomt natuurlijk, maar dan voelt de droom waarin je dat droomt weer niet als een droom.

Laten we de vraag hoe je moet vaststellen wat werkelijk is, het illusieprobleem noemen, en de redenering dat dat niet kan het illusieargument.

-104-

Het onzekerheidsprincipe en het onzekerheidsbewijs

Even recapituleren.

Het regressieargument:

Wat je ook meent te weten, bewijzen kan je niets. Al je kennis hangt in de lucht.

Het illusieargument:

Wat je ook kan bewijzen, misschien is het maar een droom. Al je bewijzen hangen in de lucht.

De combinatie van het regressieargument en het illusieargument noem ik het onzekerheidsbewijs, wat eruit volgt het onzekerheidsprincipe*:

Eigenlijk weet je niets.

Mannetje dat ondersteboven in de lucht hangt.
Al je kennis hangt in de lucht. Eigenlijk weet je niets.

Moeilijke woorden, maar je hoeft ze niet te onthouden hoor.

We gaan ze toch meteen weer doorprikken.

* Vrij naar het gelijknamige principe van de natuurkundige Werner Heisenberg.

-105-

Het ononzekerheidsprincipe

Het onzekerheidsprincipe (‘eigenlijk weet je niets’) volgt uit het onzekerheidsbewijs (regressieargument plus illusieargument), zei ik, maar is dat wel zo?

Natuurlijk niet.

Waarom niet?

Omdat het onzekerheidsbewijs zichzelf ontkracht.

Ga maar na:

1. Het maakt zonder enige rechtvaardiging gebruik van ongedefinieerde termen als ‘regressie’, ‘illusie’ en ‘bewijs’.

2. Het veronderstelt zonder enige rechtvaardiging dat een gedachte pas waar of waardevol kan zijn als ze bewezen is.

3. Het beroept zich zonder enige rechtvaardiging op een tweewaardige logica.

En zo verder langs onze lijst met vicieuze cirkels en regressies.

Omdat het regressieargument en het illusieargument in hun huidige vorm geen beperkingen kennen, zijn ze overal op van toepassing, dus ook op zichzelf.

Het onzekerheidsbewijs dat onze bewijzen ongegrond zijn, is zelf ongegrond.

Waardoor ook het onzekerheidsprincipe op losse schroeven komt te staan:

Eigenlijk weet je niet eens dat je niets weet.

Zelfs de kennis dat al je kennis in de lucht hangt, hangt in de lucht.

Allemachtig.

Hoe zullen we dit eens noemen…

Het ononzekerheidsprincipe?

Twee mannetjes die onder elkaar in de lucht hangen.
Al je kennis hangt in de lucht. Eigenlijk weet je niet eens dat je niets weet.

-106-

Het onononzekerheidsprincipe

‘Eigenlijk weet je niet eens dat je niets weet’, zei ik, en vroeg me af of we dat het ononzekerheidsprincipe moesten noemen.

Maar de vraag is niet hoe we het moeten noemen, de vraag is of we het ononzekerheidsprincipe dan wel kunnen bewijzen.

Natuurlijk niet.

Opnieuw vanwege het regressieargument en het illusieargument.

Kunnen we dan misschien bewijzen dat het ononzekerheidsprincipe onwaar is?

Natuurlijk niet.

Nog steeds vanwege het regressieargument en het illusieargument.

Eigenlijk weet je niet eens dat je niet eens weet dat je niets weet.

Jemig.

En dan moeten we dit zeker het onononzekerheidsprincipe noemen?

Dat is geen spreken meer.

Dat is stotteren.

Drie mannetjes die onder elkaar in de lucht hangen.
Al je kennis hangt in de lucht. Eigenlijk weet je niet eens dat je niet eens weet dat je niets weet.

-107-

Het on-on-on…zekerheidsprincipe

‘Eigenlijk weet je niet eens dat je niet eens weet dat je niets weet’, zei ik, en stelde voor om dat het onononzekerheidsprincipe te noemen.

Is dat dan tenminste wel waar – of onwaar desnoods?

Natuurlijk niet.

Eigenlijk weet je niet eens dat je niet eens weet dat je niet eens weet dat je niets weet.

En zo kunnen we maar doorgaan.

Tot het einde der tijden niet meer valt te onderscheiden van het eeuwige heden of het toekomstige verleden.

Want het ligt nou eenmaal in de aard van een bewering dat ze steeds een of ander weten uitdrukt.

Een oneindige bewering net zo goed.

Hoe we dit nog moeten noemen?

Gewoon.

Het on-on-on-on…

Zes mannetjes die onder elkaar in de lucht hangen.
Al je kennis hangt in de lucht. Eigenlijk weet je niet eens (dat je niet eens weet) dat je niets weet.

-108-

Niet-weten is weten tussen aanhalingstekens

Wat is het dat zich in geen enkele bewering laat vangen?

Zelfs niet in een oneindige?

Zelfs niet in een eeuwig stamelen?

Inderdaad: niet-weten.

Precies dit onbewijsbare, zelfvernietigende van-niets-weten.

Dat dus eigenlijk een niet-weten tussen aanhalingstekens is.

Een ‘niet-weten’.

Zelfs van niet-weten weet het niet, en daarmee keert het weten als een boemerang terug.

Maar niet het voormalige, het vanzelfsprekende, het verleidelijke, het grootste, het meeslepende WETEN!

Slechts de schaduw daarvan.

Een weten tussen aanhalingstekens.

Een ‘weten’.

Voorgoed gegijzeld door niet-weten.

Dat zelf ook al tussen aanhalingstekens stond.

Mannetje met zijn armen omhoog dat onder schot wordt genomen door zijn schaduw.
Een ‘weten’. Voorgoed gegijzeld door ‘niet-weten’.

-109-

Niet-weten maakt nergens een punt van

Niet-weten is geen onwetendheid.

Het is geen hoger weten.

Het is ‘weten’ en ‘niet weten’ tegelijk.

Het is het smeltpunt van ‘weten’ en ‘niet weten’.

Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iets te weten en niet langer meent niets te weten.

Zhi wu zhi heet dit in hoofdstuk 71 van de Daodejing: ‘weten niet weten’.

Weten zonder weten, zeggen wij, wetend niet weten.

Zhī wù zhī (klassiek Chinees, zhī, weten, kennis + wu, niet + zhi): weten (van) niet weten. Eerste drie tekens van hoofdstuk 71 van de Daodejing.

Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iets te doen en niet langer meent niets te doen.

Wei wu wei heet dit in de Daodejing: ‘doen niet doen’.

Doen zonder doen, zeggen wij, doende niet doen.

Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent iemand te zijn en niet langer meent niemand te zijn.

Zijn zonder zijn, kan je dat noemen, zijnde niet zijn.

Niet-weten is het punt waarop je niet langer iets gelooft en niet langer niets gelooft.

Geloven zonder geloven, gelovend niet geloven.

Niet-weten is oordelen zonder oordelen.

Hechten zonder hechten.

Spreken zonder spreken.

Hebben zonder hebben.

Denken zonder denken.

Willen zonder willen.

Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent op een of ander punt te zijn.

Niet-weten is geen-punt.

-110-

Stijlfiguren niet-weten: oxymoron

Wat is een oxymoron?

Een oxymoron is een stijlfiguur in de vorm van een verbinding van twee tegengestelde begrippen, bijvoorbeeld ‘van een hemelse platvloersheid’ of ‘een levende dode’ of ‘een oorverdovende stilte’.

Vaak is de eerste term een bijvoeglijk, de tweede een zelfstandig naamwoord.

‘Oxymoron’ is zelf een oxymoron, samengesteld uit de Griekse woorden oxys (slim) en moros (dom).

Paradoxen in het algemeen en oxymorons in het bijzonder behoren tot de belangrijkste stijlfiguren van de agnost:

- wetend niet-weten

- gevend niet-geven

- wissend schrijven

- duiden zonder duiden

- de wijsheid voorbij alle wijsheid

Oxymorons kunnen uitdrukkingen zijn, zoals hierboven, of zinnen, zoals hieronder:

- Mijn spreken is even nietszeggend als mijn zwijgen welsprekend.

- Wat goed is in het ene opzicht is verkeerd in het andere.

Een van de meest bekende spirituele oxymorons komt uit de traditie van het zenboeddhisme: de poortloze poort, een gevleugeld woord sinds de Chinese chanboeddhist Wumen het als titel voor zijn koancollectie gebruikte.

Een andere staat in de Daodejing: wei wu wei of doende niet doen.

Ook in de neoplatoonse filosofie, in de negatieve theologie en in de oosterse filosofie is het oxymoron gemeengoed.

Veel voorkomende formats van het oxymoron

Veel oxymorons zijn te vatten in formules als X en niet-X, X noch niet-X en voorbij X en niet-X, bijvoorbeeld goed én kwaad, goed noch kwaad, voorbij goed en kwaad.

Als je in de tweede formule de tweede term vervangt door zonder X krijg je een vijfde formule: X-zonder-X, in ons voorbeeld goed-zonder-goed of kwaad-zonder-kwaad.

Knoflookkruid, dat wel naar knoflook ruikt maar geen knollen vormt, dankt aan dit verschil zijn naam: look-zonder-look.

Toegepast op niet-weten levert het oxymoron zes equivalente uitdrukkingen op:

- wetend niet-weten

- weten én niet-weten

- weten noch niet-weten

- voorbij weten en niet-weten

- weten zonder weten

- niet-weten zonder niet-weten

De laatste is misschien wat zonderling, maar toch een goede waarschuwing tegen de onweerstaanbare neiging niet-weten te verabsoluteren tot een zaak, toestand, persoon, waarheid of god.*

* Personificatie, reïficatie, deïficatie – mensen zijn er verzot op. Fabriceren, mummificeren, pontificeren. Essentialisme, heet dat in de filosofie, eternalisme, substantialisme. Een weetniet is er altijd op bedacht.

Toegepast op niet-zeggen:

- zeggend niet zeggen

- zeggen én niet zeggen

- zeggen noch niet zeggen

- voorbij zeggen en niet zeggen

- zeggen zonder zeggen

- niet zeggen zonder niet zeggen

En op niet-doen:

- doende niet doen

- doen én niet doen

- doen noch niet doen

- voorbij doen en niet doen

- doen zonder doen

- niet doen zonder niet doen

Zes formules en hun namen

Hieronder de zes formules van het oxymoron nog even op een rijtje. Ik heb ze voor de herkenbaarheid een naam gegeven, die je meteen weer mag vergeten (als je hem al kan onthouden).

1. bijvoeglijke ontkenning: X’ niet-X

2. dubbele bevestiging: X én niet-X

3. dubbele ontkenning: X noch niet-X

4. overstijging: voorbij X en niet-X

5. positieve herroeping: X-zonder-X

6. negatieve herroeping: niet-X zonder niet-X

In 1 staat X’ voor het van X afgeleide bijvoeglijk naamwoord.

Oxymorons in de Poortloze Poort

In mijn boek Niet om door te komen! De Poortloze Poort gebruik ik veel oxymorons van het type X zonder X:

- boeddha zonder boeddha (een ‘boeddha’, een lege boeddha);

- doen zonder doen (‘doen’, niet-doen);

- ik zonder ik (‘ik’);

- een leer zonder leer (een ‘leer’, de lege leer);

- de waarheid zonder waarheid (de ‘waarheid’);

- weten zonder weten (niet-weten);

- willen zonder willen (‘willen’);

- de wijsheid zonder wijsheid (lege wijsheid).

Er staan ook oxymorons van het type X zonder Y in:

- deugd zonder regels (‘deugd’, de lege deugd);

- de leer zonder inhoud (de ‘leer’, de lege leer)

- een leraar zonder kennis (een ‘leraar’, een lege leraar);

- mystiek zonder mysterie (‘mystiek’, lege mystiek);

- een oordeel zonder gelijk (een ‘oordeel’);

- een sleutel zonder slot (een ‘sleutel’);

- een traditie zonder verleden (een ‘traditie’).

Daarnaast bevat de Poort elliptische (verkorte) oxymorons van de typen ‘X zonder X’ en ‘X en niet-X’:

- niet-bereiken (bereiken zonder bereiken, bereiken én niet bereiken, het niet bereiken bereiken);

- niet-denken (denken zonder denken, denkend niet denken);

- niet-doen (doen zonder doen, doende niet doen);

- niet-geloven (geloven zonder geloven, geloven én niet geloven);

- niet-grijpen, niet-hebben (hebben zonder hebben);

- niet-hechten (hechten zonder hechten);

- niet-mediteren (mediteren zonder mediteren);

- niet-oordelen (oordelen zonder oordelen);

-111-

Oxymoronautomaat voor nitwits

De oxymoronautomaat is een rijtje taalformules waarmee je paradoxale uitdrukkingen genereert.

Je kan er je eigen formules aan toevoegen en je kan de formules toepassen op werkwoorden en zelfstandig naamwoorden naar keuze.

Formules die vaak goede resultaten leveren in combinatie met spirituele, religieuze en filosofische begrippen zijn:

1. on-X

2. non-X

3. niet-X

4. lege X

5. X-loosheid

6. X-loze X

7. X-end niet X-en

8. X én niet-X

9. X noch niet X

10. X zonder X

11. X voorbij

12. X voorbij alle X

13. X voorbij alle X voorbij

14. zelfs niet X

Je kan de termen ook nesten, bijvoorbeeld ‘zelfs niet (X voorbij alle X voorbij)’ (14 + 13).

Per term X leveren deze formules gemiddeld vijf tot tien werkbare oxymorons op, afhankelijk van je taalgevoel en je tolerantie voor neologismen.

Ik gebruik de oxymoronautomaat om synoniemen en hyponiemen van ‘niet-weten’ en ‘weetniet’ te genereren, maar je kan de oxymorons iedere betekenis geven die je aanspreekt.

Antwoord

Een non-antwoord, een niet-antwoord, het lege antwoord, antwoordloosheid, het antwoordloze antwoord, het antwoord zonder antwoord, de antwoorden voorbij, het antwoord voorbij alle antwoorden, het antwoord voorbij alle antwoorden voorbij.

Begrijpen, begrip

Niet-begrijpen, begriploos begrip, begrijpend niet begrijpen, begrijpen én niet begrijpen, begrijpen noch niet-begrijpen, begrijpen zonder begrip, het begrip voorbij, het begrip voorbij alle begrip(pen), het begrip voorbij alle begrip(pen) voorbij.

Boodschap

Een onboodschap, een non-boodschap, een niet-boodschap, de lege boodschap, de boodschap zonder boodschap, de boodschap voorbij, de boodschap voorbij alle boodschappen, de boodschap voorbij alle boodschappen voorbij, zelfs niet de boodschap dat er geen boodschap is.

Denken

Denkend niet denken, denken én niet-denken, denken noch niet-denken, niet-denken, denken zonder denken, het denken voorbij, het denken voorbij het denken, het denken voorbij het denken voorbij.

(Je kan niet-weten ook omschrijven als een denken dat zich leeg denkt, vrij denkt, dood denkt, als een zich leegdenken, vrijdenken, dooddenken.)

Deugd

De lege deugd, deugdloze deugd, deugd zonder deugd, de deugd voorbij, de deugd voorbij alle deugd, de deugd voorbij alle deugd voorbij, voorbij deugd en ondeugd.

Doen

Niet-doen, doeloos doen, doeloosheid, doende niet doen, doen én niet-doen, doen noch niet-doen, niet-doen, doen zonder doen, het doen voorbij, het niet-doen voorbij, voorbij doen en niet-doen, het doen voorbij het doen, het doen voorbij het doen voorbij, zelfs niet doen aan niet-doen.

Dharma

De lege dharma, de dharma zonder dharma, de dharma voorbij, de dharma voorbij alle dharma’s, de dharma voorbij alle dharma’s voorbij.

Filosofie

Non-filosofie, lege filosofie, (de) filosofie zonder filosofie, de filosofie voorbij, de filosofie voorbij alle filosofie, de filosofie voorbij alle filosofie voorbij.

ik noem niet-weten ook wel dwijsbegeerte, de weetniet een dwijsgeer.

Gelofte

De non-gelofte, de lege gelofte, de gelofte zonder gelofte, de gelofte voorbij, de gelofte voorbij alle geloften, de gelofte voorbij alle geloften voorbij.

Geloof

Een non-geloof, het lege geloof, het geloof zonder geloof, geloven zonder geloven, geloven zonder geloof, het geloof voorbij, het geloof voorbij ieder geloof, het geloof voorbij ieder geloof voorbij, voorbij geloof en ongeloof, het ongeloof voorbij, zelfs niet geloven in niet-geloven.

Hechten

Hechtend niet-hechten, hechten én niet-hechten, hechten noch niet-hechten, niet-hechten, hechten zonder hechten, het hechten voorbij, de onthechting voorbij, voorbij hechten en onthechten, voorbij gehechtheid en onthechting, zelfs van onthechting onthecht, zelfs niet hechten aan niet-hechten.

Inzicht

Het lege inzicht, het inzichtloze inzicht, het inzicht zonder inzicht, het inzicht voorbij, het inzicht voorbij ieder inzicht, het inzicht voorbij ieder inzicht voorbij.

in plaats van een inzicht noem ik niet-weten ook weleens een uitzicht of uitzicht zonder inzicht of Groot Uitzicht.

Kennen

Het lege kennen, de lege kennis, kenneloosheid, kennisloosheid, kenneloos kennen, kennisloze kennis, kennend niet kennen, kennen én niet-kennen, kennen noch niet-kennen, kennen zonder kennen, de kennis zonder kennis, het kennen voorbij, de kennis voorbij, het kennen voorbij ieder kennen, de kennis voorbij alle kennis, het kennen voorbij ieder kennen voorbij, de kennis voorbij alle kennis voorbij.

Leer

De onleer, de non-leer, de niet-leer, de lege leer, de leer zonder leer, de leerloze leer, de leer voorbij, de leer voorbij elke leer, de leer voorbij elke leer voorbij.

Dat kan je natuurlijk ook doen met exotische namen voor de leer, zoals het boeddhistische dharma: de dharma zonder dharma, de dharmaloze dharma, de dharma voorbij, de dharma voorbij elke dharma, de dharma voorbij elke dharma voorbij.

Leraar, leerling

Een onleraar, onleerling, een non-leraar, non-leerling, een niet-leraar, niet-leerling, een afleraar, afleerling, een leraar/leerling zonder lering/leer, een lege leraar, lege leerling, een leraar zonder leraren, een leraar zonder leerlingen, een leerling zonder leraren, de leraren voorbij, de leerlingen voorbij.

Meditatie

Non-meditatie, mediterend niet-mediteren, mediteren én niet-mediteren, meditatie én niet-meditatie, mediteren noch niet-mediteren, meditatie noch niet-meditatie, niet-meditatie, niet-mediteren, mediteren zonder mediteren, meditatie zonder meditatie, het mediteren voorbij, de meditatie voorbij, meditatie voorbij alle meditatie, de meditatie voorbij alle meditatie voorbij.

Meester

Een onmeester, een non-meester, een niet-meester, een lege meester, een meesterloze meester, een meester zonder meester, het meesterschap voorbij.

Mystiek

Lege mystiek, mystiekloze mystiek, mystiek zonder mystiek, de mystiek voorbij, de mystiek voorbij alle mystiek, de mystiek voorbij alle mystiek voorbij.

(De mystiek van niet-weten noem ik graag weetnietmystiek of de mystiek van alledag.)

Onderricht

Het lege onderricht, het onderricht zonder onderricht, het onderricht voorbij, het onderricht voorbij alle onderricht, het onderricht voorbij alle onderricht voorbij.

Paradigma

Een non-paradigma, het lege paradigma, het paradigmaloze paradigma, het paradigma zonder paradigma, het paradigma voorbij, het paradigma voorbij alle paradigma’s, het paradigma voorbij alle paradigma’s voorbij.

Religie

Een non-religie, de lege religie, religieloze religie, religie zonder religie, de religie voorbij, de religie voorbij alle religie, de religie voorbij alle religie voorbij.

Spiritualiteit

Lege spiritualiteit, spiritualiteit zonder spiritualiteit, de spiritualiteit voorbij, de spiritualiteit voorbij alle spiritualiteit, de spiritualiteit voorbij alle spiritualiteit voorbij.

Stelling

De lege stelling, de stelling zonder stelling, de stellingen voorbij, de stelling voorbij alle stellingen, de stelling voorbij alle stellingen voorbij.

(zo ook met conclusie, principe, motto…)

Tao(ïsme)

Non-taoïsme, leeg taoïsme, taoloze Tao (dat wil zeggen, de wegloze weg), de Tao zonder Tao (de weg zonder weg), taoïsme zonder Tao, taoïsme zonder taoïsme, de Tao voorbij, het taoïsme voorbij, taoïsme voorbij de Tao.

Waarheid

Een non-waarheid, de lege waarheid, de waarheid zonder waarheid, de waarheid voorbij, de waarheid voorbij alle waarheden, de waarheid voorbij alle waarheden voorbij.

Weg

De onweg, de non-weg, de niet-weg, de wegloze weg, de weg zonder weg, de weg voorbij, de weg voorbij alle wegen, de weg voorbij alle wegen voorbij.

Weten

Het lege weten, weteloosheid, weteloos weten, wetend niet weten, weten én niet-weten, weten noch niet-weten, weten zonder weten, het weten voorbij, het weten voorbij ieder weten, het weten voorbij ieder weten voorbij, zelfs niet weten van niet-weten.

Wijsheid

Non-wijsheid, de lege wijsheid, de wijsheid zonder wijsheid, de wijsheid voorbij, de wijsheid voorbij alle wijsheid, de wijsheid voorbij alle wijsheid voorbij.

Woord

Het lege woord, het woordloze woord, het woord zonder woord, de woorden voorbij, het woord voorbij alle woorden, het woord voorbij alle woorden voorbij.

Zen

Non-zen, lege zen, on-zen, zenloze zen, zen zonder zen.

-112-

Niet-weten voor kapitalisten

‘Wat is weten?’

‘Uitstel van betaling.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een streep door de rekening.’

-113-

Niet-weten is overal de keerzijden van zien

‘Wat is niet-weten?’

‘Overal de keerzijden van zien…’

‘Maar dan ben je nooit meer ergens helemaal vóór!’

‘Ook van de keerzijden…’

‘Maar dan ben je nooit meer ergens helemaal tegen!’

‘Ook van neutraliteit.’

‘Maar dan hoor je nooit meer ergens helemaal bij!’

‘Dan sta je nooit meer ergens helemaal buiten.’

‘Veelzijdig hoor.’

‘En wat is daarvan de keerzijde?’

‘Ik zou het echt niet weten.’

‘Veelzijdigheid is best eenzijdig.’

-114-

Niet-weten heeft geen keerzijden

‘Wat zijn de keerzijden van niet-weten?’

‘Niet-weten heeft geen keerzijden.’

‘Waarom niet?’

‘Niet-weten heeft geen zijden.’

‘Onzijdig hoor.’

‘Zelf noem ik het alzijdig.’

‘Wat maakt dat nou uit.’

‘Onzijdig klinkt zo eenzijdig.’

-115-

Niet-weten is thuiskomen in den vreemde

Ik heb verlichting gevonden… in de duisternis!

Ik heb eenheid gevonden… in de delen!

Ik heb rust gevonden… in mijn onrust!

Ik heb vrede gevonden… in tegenstrijdigheid!

Ik heb stilte gevonden… in de storm!

Ik heb zekerheid gevonden… in dubio!

Ik heb vaste grond gevonden… in de vrije val!

Ik heb mijn draai gevonden… in stuurloosheid!

Ik heb het antwoord gevonden… in de vraag!

Ik heb de oplossing gevonden… in het raadsel!

Ik heb de werkelijkheid gevonden… in de illusie!

Ik heb vervulling gevonden… in de leegte!

Ik heb de maan gevonden… in mijn vinger!

Ik heb de ruimte gevonden… in mijn geest!

Ik heb vrijheid gevonden… in overgave!

Ik heb wijsheid gevonden… in mijn dwaasheid!

Ik heb alles gevonden… in niet vinden!

Ik ben thuisgekomen… in den vreemde!

-116-

De macht van niet-weten is de onmacht van het weten

Niet-weten betekent dat alles wat je meende te weten tussen haakjes is komen te staan.

Dus ook alles wat je meende te weten over niet-weten.

Dit laatste zou je de macht van niet-weten kunnen noemen, of niet-weten in het kwadraat, of niet-weten2, of niet-wetenniet-weten.

En als we ‘eh’ schrijven voor niet-weten: eh2 of eheh.

En als we een agnosticon schrijven voor niet-weten: Ø2 of ØØ.

En als we een vraagteken schrijven voor niet-weten: ?2 of ??.

Groot vraagteken met rechtsboven een kleiner vraagteken.
Niet-weten in het kwadraat.

Even heb ik overwogen dit Witboek Niet-Weten De macht van niet-weten te noemen.

Dat zou mooi passen in het rijtje De kracht van niet-weten van Louis Steeman en De kunst van het niet-weten van Willem Geene en De wijsheid van het niet-weten van Estelle Frankl en Niet-weten als levenshouding van Jan Oegema.

Boeken waarin niet-weten wordt aangeprezen als weg, als keuze, als methode, als bejegeningswijze, als oplossing voor alle problemen, persoonlijk, organisatorisch, sociaal en maatschappelijk.

Maar niet-weten aanprijzen is wel het laatste wat ik wil.

Voor mij is niet-weten iets wat je overkomt en waar je mee moet leren leven – niet iets om uit alle macht na te streven.

De macht van niet-weten is alleen maar een naam ontleend aan een wiskundige vorm.

De macht van niet-weten is gewoon de onmacht van het weten.

En de wiskunde van niet-weten is gewoon wis-kunde.

Mannetje kijkt verbaasd naar zijn onbruikbare handen die de vorm van een agnosticon hebben.
De macht van niet-weten.

-117-

De leegte van de leegte en de illusie van de illusie

Nogmaals het regressieprobleem.

Als je niet weet, dan ook niet dat je niet weet, dat zal je nu wel duidelijk zijn.

En als alles leeg is (zonder zelf, ziel of essentie), zoals de boeddhist beweert, dan ook de leegte zelf.

Dat kan je de leegte van de leegte noemen, of leegte2 of leegteleegte.

Of sunyata-sunyata of sunyata2 of sunyatasunyata.

Of het niet-zelf van niet-zelf, of niet-zelf2 of niet-zelfniet-zelf.

Of anatta-anatta of anatta2 of anattaanatta.

Of het afhankelijk ontstaan van afhankelijk-ontstaan, of afhankelijk-ontstaan2 of afhankelijk-ontstaanafhankelijk-ontstaan.

Of pratitya-samutpada-pratitya-samutpada of pratitya-samutpada2 of pratitya-samutpadapratitya-samutpada.

En als alles een illusie is, zoals de non-dualist beweert, dan ook de illusie.

Dat kan je de illusie van de illusie noemen of illusie2 of illusieillusie.

Of maya-maya of maya2 of mayamaya.

Zie je het patroon?

Het maakt niet uit in welke traditie je toevlucht zoekt, zodra je begint na te denken schieten de paradoxen als paddenstoelen uit je kop.

En dan begint het grote gezwam.*

* Waaronder dat van Hans van Dam.

-118-

De man die alles wist

‘Hoe zou jij jezelf omschrijven, Hans?’

‘Als de man die alles wist.’

‘Wat wist je allemaal?’

‘Dat is de vraag niet.’

‘Wat is de vraag wel?’

‘Wat ik allemaal wis.’

‘O, zo.’

‘O zo.’

‘Wat wis je allemaal?’

‘Wat niet.’

‘Wat blijft er over als je alles wist?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Het enige wat overblijft is niet-weten?’

‘Ook gewist.’

‘Het enige wat overblijft is wissen?’

‘Ook gewist.’

‘En nu?’

‘Wat?’

-119-

Woordenboek niet-weten: wis-kunde

In de inleiding van dit Witboek Niet-Weten omschrijf ik niet-weten als het witten van het weten.

Een goed alternatief voor witten is wissen.

Een weetniet is iemand die voortdurend zijn gedachten wist en steeds van gezichtspunt wisselt.

Zijn gedachten wist door steeds van gezichtspunt te wisselen.

Van gezichtspunt wisselt door steeds zijn gedachten te wissen.

Daarom zou je hem best een wiskunstenaar kunnen noemen, zijn niet-weten wis-kunde of wiskunst, zijn levenshouding wis-wijs.*

* Wis-kunde en wis-wijs mét een streepje om duidelijk te maken dat het om het wissen gaat en niet om mathematica. Bij wiskunst en wiskunstenaar is dat niet nodig.

Mooie woorden, en dat is meteen het bezwaar:

Voor je het weet gaan mensen zich wis-wijs wanen en prijzen uitreiken en titels toekennen en eer betonen aan de beste wiskunstenaars.

Alsof het wisselen van perspectief en het wissen van het weten een keuze is, een vaardigheid, een kunst, een kunde, een prestatie, een ideaal.

Ik weet niet hoe jij het ziet, maar voor mij is het dat niet.

Voor mij is niet-weten iets wat je overkomt.

Of je wil of niet.

Of het ergens goed voor is weet ik ook al niet.

Woorden zijn koorden – voor je het weet zit je eraan vast.

Dat geldt ook voor de woorden ‘wis-kunde’, ‘wiskunst’, ‘wiskunstenaar’ en ‘wiswijs’.

Laten we ze daarom maar gauw wissen.

-120-

Denken tussen aanhalingstekens

Als je niet weet, is het net alsof je gedachten hun uitroeptekens kwijtraken.

Alsof ze in een kleinere letter staan.

Alsof ze minder nadruk hebben.

Alsof ze tussen haakjes staan.

Tussen vraagtekens.

Tussen aanhalingstekens.

Dan heb je geen GEDACHTEN! meer

Maar gedachten

Of gedachten

Of (gedachten)

Of ¿gedachten?

Of ‘gedachten’.

KENNIS! is maar ‘kennis’.

OORDELEN! zijn maar ‘oordelen’.

MENINGEN! zijn maar ‘meningen’.

GELOOF! is maar ‘geloof’.

GOD! is maar ‘god’.

BOEDDHA! is maar ‘boeddha’.

WAARHEID! is maar ‘waarheid’.

WIJSHEID! is maar ‘wijsheid’.

IK! is maar ‘ik’.

Misschien denk je nu dat je met je gedachten tussen aanhalingstekens wel de vleesgeworden ONVERSTOORBAARHEID! zal zijn.

Een heerlijke gedachte, nietwaar?

Zo zonder aanhalingstekens.

Maar tussen aanhalingstekens?

Hm.

-121-

Waarom meesters slaven zijn

Niet-weten is bevrijdend omdat het je gedachten tussen aanhalingstekens zet.

Dan heb je geen GEDACHTEN! meer maar ‘gedachten’.

Dat is ook precies het probleem.

De meeste mensen willen helemaal geen ‘gedachten’.

Ze willen GEDACHTEN!

Ze willen MEESTER! over hun denken zijn.

Ze willen het leven OVERMEESTEREN!

Daarom willen ze geen ‘kennis’ maar KENNIS!

Geen ‘oordelen’ maar OORDELEN!

Geen ‘meningen’ maar MENINGEN!

Geen ‘geloof’ maar GELOOF!

Geen ‘god’ maar GOD!

Geen ‘boeddha’ maar BOEDDHA!

Geen ‘waarheid’ maar WAARHEID!

Geen ‘wijsheid’ maar WIJSHEID!

Geen ‘woorden’ maar WOORDEN!

Geen ‘daden’ maar DADEN!

Maar wie MEESTER! wil zijn van GEDACHTEN! zal slaaf zijn van zijn gedachten.

Al was het maar van deze.

-122-

De oogverblindende klaarheid van totale verwarring

Beste Hans,

Mooi boek heb jij geschreven over de poortloze poort zeg, niet om door te komen! Ben jij er wél doorgekomen? Hoe is het daar?

Beste X,

Wie zich met de moed der hoop of met de moed der wanhoop of met de moedeloosheid der hopelozen of hoe dan ook door het wormgat van niet-weten wurmt, of er net als ik zijns ondanks doorheen wordt geperst, vindt zichzelf terug in… (tromgeroffel)

X: Hou me niet langer in spanning.

H: Daar, of moet ik zeggen hier, of moet ik zeggen ‘hier’, ontdekt hij, of moet ik zeggen ‘hij’ of het of ‘het’, tot zijn of ‘zijn’ blijvende verwondering, als je de oogverblindende klaarheid van totale verwarring tenminste verwondering kan noemen, dat er niets veranderd is – of toch?

X: Nou?

H: Tja.

Wat kan ik zeggen zonder meteen te ver te gaan?

Of heb ik het al gezegd?

Of ben ik al te ver gegaan?

(Alles lijkt nog bij het oude, maar het is net of het allemaal tussen haakjes is komen te staan.)

‘Tussen aanhalingstekens.’

Niet uitgegumd maar doorgestreept.

En steeds die innerlijke drang, zacht en zoet maar onweerstaanbaar, om alles zónder woorden onder woorden te brengen.

Mij zonder ze te dienen van woorden te bedienen.

X: Ik geloof niet dat ik het begrijp.

H: Ik geloof niet dat ik het zelf begrijp, maar dit kan ik je wel vertellen:

Het wormgat van niet-weten voert niet van hier naar daar met achterlating van het aardse tranendal.

Niet van samsara naar nirwana waar alle begeerte is uitgedoofd

Niet van het relatieve naar het absolute waar nog geen grassprietje verkeerd ligt

Niet van de dualiteit van de woorden naar de non-dualiteit voorbij de woorden.

Niet van de illusie naar de werkelijkheid.

X: Waarheen dan wel?

H: Het wormgat van niet-weten voert van hier naar ‘hier’, waar ik ‘ik’ is en jij ‘jij’.

Waar woorden ‘woorden’ zijn en spreken ‘spreken’ is.

Waar lijden ‘lijden’ is en vreugde ‘vreugde’.

Waar begeerte ‘begeerte’ is en onthechting ‘onthechting’.

Waar dualiteit ‘dualiteit’ is en non-dualiteit ‘non-dualiteit’.

Waar werkelijkheid ‘werkelijkheid’ is en illusie ‘illusie’.

X: Alles goed en wel, maar wat moet dat met die aanhalingstekens?

H: ‘Met aanhalingstekens wil een schrijver aangeven dat hij niet bedoelt wat er staat’, zegt Gerrit Krol.

De schrijver geeft er niet mee aan wat hij wél bedoelt.

Als hij dat wist zou hij het heus wel opschrijven.

X: Bedoel je dat de waarheid voorbij de woorden is?

H: God nee, dat is zo’n cliché. Als ik dat bedoelde zou ik het toch gewoon opschrijven?

X: Laten we even aannemen dat een schrijver met aanhalingstekens wil aangeven dat hij niet bedoelt wat er staat. Wat wil de schrijver Hans van Dam er dan wél mee aangeven?

H: Goed dan. Dat hij nergens op staat.

X: Dat hij nergens op stáát of dat hij nergens óp staat?

H: Dat hij nergens op slaat.

X: Waar slaat dat nou weer op.

H: Dat hij niet langer de spijker op zijn kop slaat.

Dat hij niet langer spijkers met koppen slaat.

Dat hij niet langer met z’n vuist op tafels slaat om zijn gelijk te bekrachtigen.

Dat hij niet langer met z’n vuist op zijn borst slaat om zichzelf te bekrachtigen.

Dat hij niet langer met zijn vuisten op iedere godverlaten poort staat te roffelen omdat hij hier zo nodig weg moet.

Dat hij geen vuist meer maakt, ook niet tegen zijn vuist.

Dat hij voor de vuist weg leeft.

Op de bonnefooi.

Ins Blaue hinein.

Zomaar.

X: Wat moet je ook anders als je het allemaal niet meer weet.

H: Wie niet weet heeft geen poort meer om doorheen te gaan en is er ook niet meer naar op zoek.

Dat is de enige ‘poort’ waar hij ‘doorheen’ gegaan is.

De ‘poort’ naar ‘poortloosheid’.

X: Waar vind ik die ‘poort’?

H: Weten dat er een daar is houd je hier. Niet-weten kent geen hier of daar.

X: Er is helemaal geen poort.

H: Voor jou wel, voor mij niet.

X: Eigenlijk ben ik zelf niet om door te komen.

H: Zolang je denkt dat er een poort is, zul je er niet doorheen gaan.

-123-

Niet-weten tussen aanhalingstekens

X: Op wat voor gronden berust onze kennis?

H: Op gronden tussen aanhalingstekens.

X: Wat als onze gronden inderdaad ‘gronden’ zijn?

H: Dan zijn onze bewijzen ‘bewijzen’, onze waarheden ‘waarheden’, onze zekerheden ‘zekerheden’, onze oordelen ‘oordelen’, onze standpunten ‘standpunten’, onze meningen ‘meningen’, onze normen ‘normen’, onze waarden ‘waarden’ en onze principes ‘principes’.

X: Zijn onze gronden ‘gronden’?

H: Dat valt niet te bewijzen.

X: Waarom niet?

H: Omdat bewijzen dan ‘bewijzen’ zouden zijn.

X: Bedoel je dat er wel degelijk gronden zijn?

H: Dat valt niet te bewijzen.

X: Waarom niet?

H: Als ze bewijsbaar waren zouden ze geen gronden zijn maar afgeleiden.

X: Wat betekent dit voor ons weten?

H: Dat het alleen maar ‘weten’ is.

X: En voor ons niet-weten?

H: Dat het alleen maar ‘niet-weten’ is.

X: En voor die aanhalingstekens?

H: Dat het alleen maar ‘aanhalingstekens’ zijn.

X: Wat is dan nog het verschil tussen ‘weten’ en ‘niet-weten’?

H: Een verschil tussen aanhalingstekens.

X: Een ‘verschil’.

H: Bij wijze van spreken.

X: Weten is ‘weten’ en niet-weten is ‘niet-weten’ en het verschil tussen ‘weten’ en ‘niet-weten’ is een ‘verschil’, bij wijze van spreken?

H: Jij zegt het.

X: Betekent dit niet dat ze identiek zijn?

H: Hoogstens tussen aanhalingstekens.

X: Nou weet ik nog niks.

H: Nou niet meteen weer conclusies gaan trekken, hè.

-124-

De KONING! is dood, leve de ‘koning’

Het Grote Onttroningslied in 7 coupletten van 7 regels.

Ik ‘denk’ nog wel maar ik DENK! niet meer.
Ik ‘weet’ nog wel maar ik WEET! niet meer.
Ik ‘meen’ nog wel maar ik MEEN! niet meer.
Ik ‘geloof’ nog wel maar ik GELOOF! niet meer.
Ik ‘veronderstel’ nog wel maar ik VERONDERSTEL! niet meer.
Ik ‘verklaar’ nog wel maar ik VERKLAAR! niet meer.
Ik ‘duid’ nog wel maar ik DUID! niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK! niet meer.

Ik ‘scheid’ nog wel maar ik SCHEID! niet meer.
Ik ‘weeg’ nog wel maar ik WEEG! niet meer.
Ik ‘oordeel’ nog wel maar ik OORDEEL! niet meer.
Ik ‘aanvaard’ nog wel maar ik AANVAARD! niet meer.
Ik ‘verwerp’ nog wel maar ik VERWERP! niet meer.
Ik ‘bewonder’ nog wel maar ik BEWONDER! niet meer.
Ik ‘minacht’ nog wel maar ik MINACHT! niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK! niet meer.

Ik ‘spreek’ nog wel maar ik SPREEK! niet meer.
Ik ‘vloek’ nog wel maar ik VLOEK! niet meer.
Ik ‘schreeuw’ nog wel maar ik SCHREEUW! niet meer.
Ik ‘antwoord’ nog wel maar ik ANTWOORD! niet meer.
Ik ‘vraag’ nog wel maar ik VRAAG! niet meer.
Ik ‘luister’ nog wel maar ik LUISTER! niet meer.
Ik ‘zwijg’ nog wel maar ik ZWIJG! niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK! niet meer.

Ik ‘pieker’ nog wel maar ik PIEKER! niet meer.
Ik ‘verheug me’ nog wel maar ik VERHEUG! me niet meer.
Ik ‘schaam me’ nog wel maar ik SCHAAM! me niet meer.
Ik ‘koester’ nog wel maar ik KOESTER! niet meer.
Ik ‘haat’ nog wel maar ik HAAT! niet meer.
Ik ‘vier’ nog wel maar ik VIER! niet meer.
Ik ‘rouw’ nog wel maar ik ROUW! niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK! niet meer.

Ik ‘heb’ nog wel maar ik HEB! niet meer.
Ik ‘hecht’ nog wel maar ik HECHT! niet meer.
Ik ‘begeer’ nog wel maar ik BEGEER! niet meer.
Ik ‘neem’ nog wel maar ik NEEM! niet meer.
Ik ‘geef’ nog wel maar ik GEEF! niet meer.
Ik ‘win’ nog wel maar ik WIN! niet meer.
Ik ‘verlies’ nog wel maar ik VERLIES! niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK! niet meer.

Ik ‘wil’ nog wel maar ik WIL! niet meer.
Ik ‘streef’ nog wel maar ik STREEF! niet meer.
Ik ‘plan’ nog wel maar ik PLAN! niet meer.
Ik ‘pleit’ nog wel maar ik PLEIT! niet meer.
Ik ‘bid’ nog wel maar ik BID! niet meer.
Ik ‘hoop’ nog wel maar ik HOOP! niet meer.
Ik ‘wanhoop’ nog wel maar ik WANHOOP! niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK! niet meer.

Ik ‘doe’ nog wel maar ik DOE! niet meer.
Ik ‘laat’ nog wel maar ik LAAT! niet meer.
Ik ‘werk’ nog wel maar ik WERK! niet meer.
Ik ‘speel’ nog wel maar ik SPEEL! niet meer.
Ik ‘leef’ nog wel maar ik LEEF! niet meer.
Ik ‘sterf’ nog wel maar ik STERF! niet meer.
Want ik ‘ben’ nog wel maar ik BEN! niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar IK! niet meer.

-125-

Wat een nar in de spiegel ziet

Nar die in de spiegel een koning ziet.
Wat zie jij als je in de spiegel kijkt?

-126-

Niet-weten is uit de boot vallen

Elf keer ik, zei de gek.

ik
ik ben
ik ben ‘ik’
‘ik’ ben ‘‘ik’’
‘‘ik’’ ben ‘‘‘ik’’’
‘‘‘ik’’’ ben ‘‘‘‘ik’’’’
‘‘‘‘ik’’’’ ben ‘‘‘‘‘ik’’’’’
‘‘‘‘‘ik’’’’’ ben ‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’
‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’ ben ‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’
‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’ ben ‘‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’’
‘‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’’ ben ‘‘‘‘‘‘‘‘‘ik’’’’’’’’’
wie dat ook moge wezen
wat dat ook moge zijn

-127-

Mijn koninkrijk voor een leven zonder koninkrijk

Geheim is wat je niet weet, maar niet-weten is geen geheim.

Beste Hans,

In je inleiding niet-weten heb je het over ‘de schat van niet-weten’. Is niet-weten werkelijk een schat? Is het jouw grootste schat? Waarom kan ik het niet als schat herkennen?

Beste X,

Ik heb niets te zeggen en niets uit te leggen; dat is mijn schat.

X: Leg eens uit.

H: Wie geen schat heeft, hoeft hem ook niet te bewaren. Schatbewaarder is een gevaarlijk beroep, vraag maar aan een bankier.

Wie geen schat heeft, hoeft hem ook niet te gelde te maken. Dat scheelt een hoop gedoe, vraag maar aan een goeroe.

Wie zonder schat kan, hoeft er ook niet naar te graven. Dat scheelt een berg werk, vraag maar aan een goudzoeker.

X: Jij hebt niets gevonden en dat is jouw schat.

H: Ik heb niets te zoeken en dat is mijn schat.

X: Zeg je nou dat er geen schat ís?

H: Wat weet ik daarvan?

X: Jij weet alleen maar niet.

H: Ik weet best wel wat:

Van water word je nat.

Van whiskey word je zat.

Van walsen word je plat.

X: Maar wezenlijk weet je niets.

H: Wezenlijker wordt het niet.

X: Vandaar dat je jezelf verduisterd noemt.

H: Bij wijze van spreken.

X: Zou je niet liever verlicht zijn?

H: Wie zegt dat ik niet verlicht ben?

X: Ben jij verlicht?

H: Geen idee. Wat is dat?

X: Kan het je dan niks schelen?

H: Zolang het je kan schelen ben je het niet.

X: En als het je niks kan schelen?

H: Dan doet het er niet meer toe.

X: Hoe weet je dat?

H: Doordat het me niks kan schelen.

X: Is niet-weten jouw grote liefde?

H: Niet-weten is gewoon een feit. Het is nou eenmaal hoe ik denk. Of ik ervan hou of niet.

X: Maar hoe voelt het dan?

H: Eerst was ik vooral in de rouw, langzaam ben ik er steeds meer van gaan houden.

X: Zou je er je leven voor geven?

H: Wat een onzin. Zonder leven geen weten, zonder weten geen niet-weten. Je kan het niet losmaken van je leven. Het staat er niet buiten of boven.

X: Niet-weten is geen God of Zelf of Bewustzijn?

H: Daar weet ik allemaal niets van.

X: Ik probeer erachter te komen hoe belangrijk agnose voor jou is vergeleken met aardse zaken.

H: Agnose is volstrekt aards.

X: Wat zou je ervoor over hebben?

H: Stel dat ik moest kiezen tussen de schat van niet-weten en de schat die Lucienne heet. Of tussen niet-weten en mijn tong, waarmee ik proef en eet en drink en klets. Of tussen niet-weten en de vloer die voorkomt dat ik van driehoog naar beneden val. Of tussen niet-weten en een goede stoelgang. Ik zou niet weten wat ik moest kiezen.

X: En als je toch moest kiezen?

H: Dan koos ik voor niet-kiezen.

X: Je koninkrijk voor…

H: Een leven zonder koninkrijk.

X: Tja.

H: Mijn dwaaltuin is van iedereen.

X: Alleen wil niemand er wonen.

H: Dus waarom zou ik kiezen?

-128-

Definities van niet-weten – april

1. Niet-weten is geen grap.

2. Niet-weten is iets om eindeloos grappen over te maken.

3. Niet-weten is een giller.

4. Niet-weten is een voetzoeker.

5. Niet-weten is worstelen en ondergaan.

6. Niet-weten is voor schut gaan.

7. Niet-weten is een ontmaskering.

8. Niet-weten is een mand om doorheen te vallen.

9. Niet-weten is echt zijn als je echt bent, nep zijn als je nep bent.

10. Niet-weten is je kleinheid realiseren.

11. Niet-weten is in je hemd staan.

12. Niet-weten is met je billen bloot gaan.

13. Niet-weten is naaktlopen.

14. Niet-weten is geen verkleedpartij.

15. Niet-weten is een dans zonder stijl.

16. Niet-weten is je natuurlijke staat.

17. Niet-weten is moeiteloos.

18. Niet-weten is je neus achterna lopen.

19. Niet-weten is nergens voor instaan, ook hiervoor niet.

20. Niet-weten is nergens van uitgaan, ook hiervan niet.

21. Niet-weten is een kind.

22. Niet-weten is maar wat doen.

23. Niet-weten is zelfs niet doen aan niet-doen.

24. Niet-weten is geen doen.

25. Niet-weten is geen laten.

26. Niet-weten is geen kunst.

27. Niet-weten is geen kunstje.

28. Niet-weten is knabbelen, niet bijten.

29. Niet-weten is waar iedereen mee flirt maar niemand mee trouwt.

30. Niet-weten is geen antwoord, maar het einde van je vragen.

365 Definities van niet-weten – april.

-129-

Levensloop van een agnost in 11 stappen

Niet-weten is het punt waarop je niet langer meent op een of ander punt te zijn, zagen we eerder.

Je kan het ook korter zeggen: niet-weten is geen punt.

Nog een letter minder: niet-weten is elk punt.

Geen punt is moeilijk te visualiseren, elk punt vormt een ondoordringbare wolk, we zullen ons dus moeten beperken tot een eindig aantal.

Een rijtje van drie puntjes heet een beletselteken.

Een beletselteken gebruik je als…

- iemand met stomheid geslagen is;

- niet bekend is hoe het verhaal verdergaat;

- het verhaal niet tot een besluit komt.

Kijk eens aan, weer drie definities van niet-weten erbij, en meteen het beletselteken ingelijfd als symbool.

Of is niet-weten eerder een vraagteken?

?

Nee, een uitroepteken, dat zal het zijn!

!

Als je het mij vraagt is niet-weten beletselteken, vraagteken en uitroepteken in één:

Toch liever uitgeschreven?

?!?

Je kan het ook op z’n Spaans schrijven…

¿!?

maar dan valt het beletselteken uit elkaar.

Dan liever een gespiegeld vraagteken:

⸮!?

Dit is de ingetogen variant, een hoofd met twee naar binnen gekeerde oren, die past bij mijn eerste jaren als weetniet.

Er is ook een opgetogen variant, een oor tussen twee uitroeptekens, die inmiddels beter bij me past:

!?!

Er is ook een socratische variant, een uitroepteken tussen twee naar buiten gerichte oren:

?!⸮

Eerlijk gezegd ben ik niet meer zo’n luisteraar.

De gedachten die mensen erop na houden, kunnen me niet meer boeien.

Dat was vroeger wel anders.

Mijn eigen gedachten kunnen me ook niet meer boeien.

Wel vind ik het nog steeds leuk om ze van me af te slaan.

Ook daar komt vast een einde aan, het begint me te vermoeien.

Metamorfose van een stip in een vraagteken in een uitroepteken in een vraagteken in een stip.
Levensloop van een agnost in 11 stappen. Volgens mij zit ik bij #9. En jij?

-130-

Niet-weten als gedachtengum

Niet-weten betekent niet dat je geen gedachten meer hebt.

Het betekent dat ze jou niet meer hebben.

Je wordt een soort gedachtengum.

Voortaan lach je om je gedachten.

Ook om de gedachte dat je voortaan om je gedachten zal lachen.

Dat dat wáár zou zijn.

Dat je de rest van je leven een vrolijke Frans zal zijn.

Dat dát niet-weten is.

Je lacht om de gedachte dat je gedachten jou niet meer hebben.

Je lacht om de gedachte dat er een jou is om te hebben.

Je lacht om de gedachte dat er geen jou zou zijn om te hebben.

Je lacht om de gedachte van een gedachtengum.

Je lacht om de gedachte hoe jammer het is om die gedachte te moeten lachen.

Je lacht om het idee van niet-weten.

’t Idee!

Om je dood te lachen.

Hè hè.

Is me dat lachen.

Tekening van een potlood dat een gum tekent dat een tekening van een gum uitgumt.
Een gedachtengum.

-131-

Niet-weten maakt geen einde aan het denken

In niet-weten ben je niet vrij van gedachten.

Het is niet stil van binnen.

Je geest is niet leeg.

Er zijn niet alleen maar goede gedachten.

Of mooie.

Of diepe.

Zijn er gedachten dan zijn er gedachten.

Zijn ze er even niet dan zijn ze er even niet.

Zijn ze er helemaal niet meer dan ben je dood.

Maar welke gedachte er ook in je opkomt, je neemt niet aan dat hij waar is.

Je neemt niet aan dat hij onwaar is.

Niets neem je erover aan.

Zelfs niet dat je er niets over aanneemt.

-132-

Stijlfiguren niet-weten: ironie

Ironie is een vorm van (zelf)spot waarbij je niet zegt wat je bedoelt.

Het is een manier van spreken die alles tussen haakjes zet, en daarom heel geschikt als stijlfiguur voor niet-weten.

Omkering

Een omkering of inversie is een vorm van ironie waarbij je het tegenovergestelde zegt van wat je bedoelt.

Niet-weten is de grootste intellectuele uitdaging van onze tijd.

Overdrijving

Een overdrijving of hyperbool is een vorm van ironie waarbij je iets sterker uitdrukt dan je het bedoelt.

Zen is zitten tot je een ons weegt.

Understatement

Een understatement of parabool is een vorm van ironie waarbij je iets zwakker uitdrukt dan je het bedoelt.

‘Inshallah’ duidt nou niet direct op een heilig geloof in de vrije wil.

-133-

Woordenboek niet-weten: agorafilie

Agorafobie is een moeilijk woord uit de psychiatrie voor pleinvrees, straatvrees of ruimtevrees.

Het is afgeleid van het Griekse agora, plein, en fobia, angst.

Wie agorafobie heeft, voelt zich buiten en in grote ruimten slecht op zijn gemak.

Het tegenovergestelde van agorafobie is agorafilie: voorliefde (filie) voor grote ruimten.

Omdat dit woord in het Nederlands nog niet bestaat, kan ik het hier ondubbelzinnig definiëren als liefde voor de oneindige ruimte van een grenzeloos niet-weten.

We hebben het dan natuurlijk niet over fysieke ruimte maar over geestelijke ruimte.

Geestelijke ruimte is de paradoxale ruimte waarin ook plaats is voor bekrompenheid – die van anderen of die van jezelf.

Een ruimte waarin je net zo groot of klein kan zijn als je op dat moment bent.

Het bijvoeglijk naamwoord van agorafilie is agorafiel.

De Nederlandse vertaling van agorafiel is ruimteminnend (alweer een neologisme): ruim van geest – niet-wetend.

Een agorafiel is gewoon iemand die agorafiel is.

-134-

Niet-weten voor ballenjongens

De jongleur en de slagman.

‘Wat is weten?’

‘Je ballen in de lucht houden.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Je ballen wegslaan.’

-135-

Een weetniet is een ontsnappingskunstenaar

Een fraaie metafoor voor agnose is die van het echappement – een taalpurist zou zeggen de ontsnapper – van een uurwerk.

Het echappement is dat deel van het mechaniek dat ervoor zorgt dat het loopt en dat het gelijk loopt.

Het echappement bestaat uit verschillende onderdelen, waaronder twee wieltjes: de onrust en de rust.

De onrust is een tandloos wieltje in de vorm van een autostuur op een asje verbonden met een opwindveer.

De onrust slingert almaar heen en weer en drijft via een vorkje een tweede wieltje aan, de rust.

De rust, ook wel het echappements- of ontsnappingswiel genoemd, heeft asymmetrische tandjes, aan één kant hol, aan de andere kant bol, die bij de heengaande beweging van de vork vooruit geduwd worden en bij de teruggaande beweging afglijden – ontsnappen.

Door het aandrijven en afglijden wordt het heen-en-weer van de onrust omgezet in het gaan-en-staan van de rust, die na iedere tik even bij kan komen.

Dit als opmaat voor onderstaande beeldspraak, want we bedrijven hier geen klokkunde:

Denken is als het slingeren van de onrust, die niet van ophouden weet.

Weten is als het gáán van de rust.

Niet-weten is als het stáán van de rust.

Gaan, staan, gaan, staan, gaan, staan…

Weten, niet-weten, weten, niet-weten, weten, niet-weten…

Tik! Pff. Tik! Pff. Tik! Pff…

Een agnost is een ontsnappingskunstenaar, zijn denken een echappement.

Dit alles bij wijze van spreken.

Een geest is nou eenmaal geen uurwerk – maar wel zo getikt.

-136-

Woordenboek niet-weten: dwijsheid

Wijs is wie het bij het rechte eind heeft – of bij het langste.

Dwaas is wie het bij het verkeerde eind heeft – of bij het kortste.

Wie niet weet, kent het rechte eind niet van het kromme, het langste eind niet van het kortste:

Een weetniet is wijs noch dwaas.

Daarom noem ik hem maar dwijs.

Niet-weten heet dan dwijsheid.

Wie niet weet een dwijze.

Of een dwijsneus.

Of een dwijsgeer.

Die dwijsbegeerte bedrijft (of erdoor bedreven wordt).

En dwijselijk zijn gang gaat.

-137-

Woordenboek niet-weten: dwijsbegeerte

Wijsbegeerte is het construeren van onderscheidingen, met name de allerhoogste.

Dwijsbegeerte is het deconstrueren van onderscheidingen, met name de allerhoogste.

Onderscheidingen zoals:

ik - gij
echt - vals
weg - doel
leven - dood
hoger - lager
vorm - leegte
hemel - aarde
reëel - illusoir
subject - object
geest - lichaam
heilig - profaan
lijden - vreugde
teken - betekende
absoluut - relatief
waarheid - leugen
eenheid - veelheid
weten - niet-weten
macht - overmacht
verdienste - genade
verlicht - onverlicht
geboren - ongeboren
wijsheid - dwaasheid
gegrond - grondeloos
bestaand - onbestaand
spontaan - berekenend
dualiteit - non-dualiteit
vrijheid - gebondenheid
in de tijd - buiten de tijd
het eendere - het andere
afgescheiden - verbonden
immanent - transcendent
constructie - deconstructie
buitenwereld - binnenwereld
vergankelijk - onvergankelijk

en niet te vergeten:

wijsbegeerte - dwijsbegeerte.

Al die onderscheidingen, ai ai.

Zelfs de meest concrete zijn twijfelachtig.

Wie weet waar zijn arm ophoudt en zijn romp begint?

Als de rugleuning maar klein genoeg wordt, heet een stoel ineens een kruk, als je er een plant op zet een bijzettafel.

Zijn er werkelijk waar uitverkorenen en verdoemden, priesters en leken, boeddha’s en bodhisattva’s, goeden en slechten, hemelen en hellen, verlichten en verduisterden, Übermenschen en Untermenschen?

Welke hokjes bevinden zich in de geest, welke in de werkelijkheid – of zijn geest en werkelijkheid ook maar hokjes?

Neem wat afstand en zie vermeende onderdelen samenvloeien tot grotere gehelen.

Kom wat dichterbij en zie vermeende eenheden uiteenvallen in onderdelen.

Hoe zit het nou echt?

Zit het wel echt?

Gooi maar in mijn pet en zet hem op je kop, misschien hou je dan je klep.

Toen ik het Meester Ziemaar vroeg, zei hij:

“Hoe langer je kijkt, hoe vreemder het blijkt.”

En:

“Hoe meer je meet, hoe minder je weet.”

En:

“Met je hoofd vol hokken schiet je enkel bokken.”

Waarop hij onbedaarlijk in de lach schoot.

-138-

Woordenboek niet-weten: dwaasbegeerte

Wijsbegeerte – begeerte naar wijsheid – duidt op een sterk verlangen naar vaste grond onder je voeten.

Willen weten, nee, moeten weten wie je bent, wat de wereld is, wat wáár is, wat waardevol is, wie er gelijk heeft, hoe je moet leven, waar je naar moet streven.

Je weet het allemaal nog niet, maar je bent ervan overtuigd dat het te weten is, als je maar hard genoeg zoekt.

Regels, richtlijnen, wetten, spreuken, motto’s, theorieën, verklaringen, openbaringen – iets, wat dan ook, hoe meer hoe liever, om het gat van niet-weten te dempen.

Wijsbegeerte is een verlangen naar zekerheid.

De tegenhanger van wijsbegeerte is dwaasbegeerte.

Daaronder versta ik het verlangen om de grond onder je voeten weg te voelen zinken, om te vallen, om te vliegen.

Het verlangen om je te bevrijden van wijsheid.

Van al die regels, richtlijnen, wetten, spreuken, motto’s, theorieën, verklaringen, openbaringen waarmee iedereen wanhopig tracht het gat van niet-weten te dempen.

Dwaasbegeerte is een verlangen naar vrijheid.

Haar voedingsbodem is wijsbegeerte.

Wie met dwaasbegeerte behept is, is een dwaasgerig mens, een dwaasgeer.

Dwaasgeren van de wereld, ik heb u lief.

-139-

Woordenboek niet-weten: tja

Korte woorden zijn krachtig.

Hoe korter hoe krachtiger.

Dada!
Nada!
Niks!

Tao!
Zero!
Zen!

God!
Kut!
Oei!

Wat kan daar tegenop?

Hadden we maar zo’n ultrakort woord voor niet-weten.

Hadden we in het Nederlands maar een woord dat…

Maar wacht eens even, dat hebben we.

Ziehier niet-weten in drie letters:

Tja

Drie letters!

Korter kan écht niet.

Als iemand je dus weer eens vraagt wat niet-weten is, dan weet je wat je moet zeggen…

Twee mannetjes die een gesprekje voeren.
‘?’ ‘Eh…’

Verdraaid.

Kon het toch korter.

-140-

Wijsheid is een hond

Volgens de overlevering brak chanmeester Wumen Huikai* zich maar liefst zes jaar lang het hoofd over de koan ‘Heeft een hond de boeddhanatuur?’ voor hij eindelijk brak.

* Wumen Huikai (1183-1260): samensteller van de koancollectie De Poortloze Poort, waarvan dit de eerste koan is.

De dag na zijn uitbraak blafte hij het volgende gedicht:

wu wu wu wu wu
wu wu wu wu wu
wu wu wu wu wu

Zelf zeg ik het zo:

tja tja tja tja tja
tja tja tja tja tja
tja tja tja tja tja

En als ik het moe ben:

bla bla bla bla bla
bla bla bla bla bla
bla bla bla bla bla

en tegen baby’s en andere dadaïsten:

da da da da da
da da da da da
da da da da da

en als ik er de lol van inzie:

ha ha ha ha ha
ha ha ha ha ha
ha ha ha ha ha

Niet-weten – je hoeft er echt niet voor geleerd te hebben.

Hond met boeddhakop.
Wijsheid is een hond.

-141-

Weergaloze agnose!

Niet-weten in drieëndertig loze adjectieven.

1. Ademloze agnose!

2. Argeloze agnose!

3. Belangeloze agnose!

4. Bodemloze agnose!

5. Doelloze agnose!

6. Feilloze agnose!

7. Gedachteloze agnose!

8. Genadeloze agnose!

9. Gewichtloze agnose!

10. Gezichtloze agnose!

11. Grondeloze agnose!

12. Hoofdloze agnose!

13. Inhoudsloze agnose!

14. Keuzeloze agnose!

15. Kosteloze agnose!

16. Mateloze agnose!

17. Moeiteloze agnose!

18. Nameloze agnose!

19. Poortloze agnose!

20. Pretentieloze agnose!

21. Redeloze agnose!

22. Restloze agnose!

23. Roekeloze agnose!

24. Roemloze agnose!

25. Schaamteloze agnose!

26. Sprakeloze agnose!

27. Thuisloze agnose!

28. Vormeloze agnose!

29. Vrageloze agnose!

30. Waaromloze agnose!

31. Weerloze agnose!

32. Wezenloze agnose!

33. Willoze agnose!

Hè hè.

Effe ademhalen.

-142-

Wat je ziet op de top van de heilige berg

De Spaanse christenmysticus Jan van het Kruis (1542-1591) vergeleek het spirituele pad met de bestijging van een berg.

Bergbeklimmen is een moeilijke, vermoeiende en riskante onderneming, dus de vraag is gerechtvaardigd waar het goed voor is. Wat levert het op?

Jan van het Kruis zegt het zo:

nada, nada, nada
nada, nada, nada
aún en el monte
nada

Vrij vertaald:

nop, nop, nop
nop, nop, nop
en ook op de top
nop

Niet-weten – je hoeft er echt niet voor geleerd te hebben.

Monnik op één been wankelend op een bergtop.
‘En ook op de top – nop.’

-143-

Stijlfiguren niet-weten: ellips

Een stijlfiguur die de dwijze goed van pas komt is de ellips: het weglaten van woorden die er makkelijk bij gedacht kunnen worden.

De paradox niet-weten, zelfs niet van niet-weten kan bijvoorbeeld worden ingekort tot zelfs niet van niets weten. Andere voorbeelden van ellipsen:

Zelfs niet zonder principes zijn.

Zelfs het opgeven opgeven.

Zelfs van onthechting onthecht.

Passen we de ellips toe op de beginterm van het oxymoron wetend niet weten dan blijft alleen niet weten over; doende niet doen wordt niet doen en zeggend niet zeggen wordt niet zeggen.

Langs elliptische weg is het niet alleen mogelijk langdradige paradoxen weer te geven met een enkel woord, maar ook om paradoxen aan te duiden die zich anders maar lastig laten formuleren: niet duiden, niet interpreteren, niet vragen, niet antwoorden.

In plaats van de beginterm kunnen we ook de eindterm van een oxymoron laten vallen.

Wetend niet-weten wordt dan ‘weten’.

Dat werkt goed, op voorwaarde dat we het overblijvende woord tussen aanhalingstekens zetten, anders is het niet meer te herkennen als elliptisch oxymoron.

Ook de ellips niet-weten kunnen we tussen aanhalingstekens zetten, om te benadrukken dat het niet om een letterlijk niet weten gaat – alsof ik kan weten dat ik niets weet – maar om een wetend niet-weten, een niet-weten tussen aanhalingstekens, een ‘niet-weten’.

Het gebruik van aanhalingstekens is doeltreffend en vanzelfsprekend. Zelfs zonder bovenstaande uitleg weet je intuïtief wat ik bedoel als ik ‘ik’ schrijf of spreek over ‘de wereld’. Zou ik steeds helemaal moeten uitleggen dat ik niet weet wat of dat wereld is en wie of wat of dat ik ben en dat ik zelfs dat niet weet, dan zouden mijn teksten, net als deze zin, nog complexer en langdradiger worden dan ze al zijn.

Toegepast op de paradox niet-weten, zelfs niet dat je niets weet, levert de ellips ons dus nog eens vier equivalente figuren op:

1. zelfs niet van niets weten;

2. niet-weten;

3. ‘weten’;

4. ‘niet-weten’.

Hieronder de vier formules van de ellips op een rijtje, met een zelfbedachte naam die je meteen weer mag vergeten.

1. halfparadox: zelfs niet-A niet;

2. rechterterm: niet-A;

3. linkerterm tussen aanhalingstekens: ‘A’;

4. rechterterm tussen aanhalingstekens: ‘niet-A’.

Laten we uit formule 1 de specificatie niet-A weg, dan ontstaat de generieke spreuk ‘zelfs dat niet’ of ‘en dat ook niet’.

Dit laatste zinnetje was de spontane mantra waarmee ik in oktober 2007, de eerste maand van mijn niet-weten, toen ik er nog geen woorden voor had, zelfs niet de term niet-weten, ‘iedere’ gedachte begroette.

Om zonder gebaren aan te geven dat een woord tussen aanhalingstekens staat, kan je woorden als quasi en verondersteld gebruiken: quasi-ik of de veronderstelde wereld, maar dat is wel link omdat ze al snel als ontkenning gaan fungeren.

Ook termen als de zogenaamde wereld en de hypothetische god wekken de indruk dat volgens de spreker de wereld een illusie is en god niet bestaat.

Daarmee zijn we weer in het domein van het weten beland, en dat was nou net niet de bedoeling.

-144-

Niet-weten als leeg boek

Was niet-weten een boek, dan was het een dummy.

Net als de weetniet zelf.

Een lege omslag met lege pagina’s.

Wat staat er zoal niet in het Lege Boek van niet-weten?

Hetzelfde als in ieder leeg boek.

Teveel om op te noemen:

1. Niet wie je bent.

2. Niet wat je bent.

3. Niet dat je bent.

4. Niet dat je niet bent.

5. Niet wat je moet doen.

6. Niet wat je moet laten.

7. Niet of je kan kiezen.

8. Niet wat de wereld is.

9. Niet dat de wereld is.

10. Niet dat de wereld niet is.

11. Niet wie god is.

12. Niet wat god is.

13. Niet dat god is.

14. Niet wat goed is.

15. Niet wat slecht is.

16. Niet dat alles goed is.

17. Niet dat alles goed noch slecht is.

18. Niet wat het leven is.

19. Niet wat de zin van het leven is.

20. Niet dat het leven geen zin heeft.

21. Niet dat je niets kan weten.

22. Niet dat je dat ook niet kan weten.

Tafeltje met daarop een uitgehold boek en een kapotte leesbril.
Niet-weten als leeg boek.

Niets staat er in het Lege Boek van niet-weten.

De vraag is nu:

Wat moet je met zo’n boek?

Maar ja.

Dat staat er ook niet in.

-145-

Monnikenwerk van een meesterschrapper

‘Jij bent een schrijver van niks, Hans!’

‘Vertel mij wat.’

‘Jouw boek is helemaal leeg!’

‘Ik heb er jaren aan gegumd.’

-146-

Het Lege Boek van Hans van Dam nu als hardcover!

(advertentie)

Eerste, Laatste en Enige Editie!

Bevat de enige geautoriseerde complete en definitieve beschrijving van de Lege Leer.

1001 pagina’s blanco papier, zongebleekt, antiallergisch, dierproefvrij, goud-op-snee, on-demand handgeschrapt door Hans van Dam, NIX Uitgeverij, Amsterdam.

Omslag van het Lege Boek

Hoe gebruik je het Lege Boek?

1. Houd het boek gesloten op schoot of leg het voor je op tafel.

2. Ontspan.

3. Kijk welke vraag er in je opkomt, bijvoorbeeld: ‘Wat is de zin van het leven?’ ‘Heeft een hond de boeddhanatuur?’ ‘Hoe maak ik mijn kat veganistisch?’ ‘Welke vraag moet ik stellen?'

4. Stel niet meer dan één vraag tegelijk.

5. Concentreer je tien tot vijftien seconden op je vraag.

6. Terwijl je je vraag formuleert, in gedachten of hardop, leg je één hand op het boek en strijk je met de vingers van de andere hand op en neer langs de zijkant.

7. Wanneer je het gevoel hebt dat het juiste moment is aangebroken, sla je het boek open en krijg je meteen geen antwoord op je vraag.

8. Sluit het boek (pas op voor je vingers).

9. Geniet van de ruimte die er in je geest is ontstaan.

10. Herhaal deze procedure voor alle vragen die je hebt.

11. Herhaal deze procedure voor alle antwoorden die je hebt.

Reacties

1. ‘Eindelijk een boek dat je nooit uit krijgt!’

2. ‘Eindelijk een boek dat je meteen uit hebt!’

3. ‘Hier word je pas rustig van!’

4. ‘Hier word je pas gek van!’

5. ‘Je mist er niets aan!’

6. ‘Dit mag je niet missen!’

7. ‘Wijsheid zonder woorden!’

8. ‘Geen woorden maar daden!’

9. ‘Binnen een maand was mijn kat dood!’

10. ‘Wat is de zin van dit boek?’

11. ‘Prima herbarium!’

Het Lege Boek nu ook als 11-delige serie!

Het Boek zonder Antwoorden is deel 1 van de 11-delige serie Het Lege Boek.

Deel 1. Het Boek zonder Antwoorden*

* Niet te verwarren met Het Boek met alle Antwoorden van Carol Bolt.

Deel 2. Het Boek zonder Oplossingen

Deel 3. Het Boek zonder Constateringen

Deel 4. Het Boek zonder Conclusies

Deel 5. Het Boek zonder Waarheden

Deel 6. Het Boek zonder Zekerheden

Deel 7. Het Boek zonder Raadgevingen

Deel 8. Het Boek zonder Lijfspreuken

Deel 9. Het Boek zonder Oefeningen

Deel 10. Het Boek zonder Methoden

Deel 11. Het Boek zonder Pad

Koop ze allemaal!

Vraag naar onze ledenkorting!

Delen van het elfdelige Lege Boek kunnen los van elkaar gelezen worden!

Websites

Nederland: nietsweten.nl

Zweden: nietzweten.se

Groot-Brittanië: nosweat.uk.

-147-

Het lege boek als naslagwerk

‘Waarheen leidt de weg van niet-weten, Hans?’

‘Sla het Lege Boek er maar op na.’

‘Daar staat toch niks in, dummy.’

‘Sla jezelf er dan op na, dummy.’

‘Daar word ik ook al niet wijzer van, dummy.’

‘Nou dan.’

Dummy: 1. iemand die nog niet weet; 2. iemand die niet meer weet; 3. het Lege Boek; 4. leeg boek.

-148-

Een agnost is geen obscurantist

‘Volgens mij leidt niet-weten alleen maar tot obscurantisme, Hans.’

‘Volgens mij leidt niet-weten tot niets.’

‘Maar het ziet kennis toch als iets slechts?’

‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Omdat weten… omdat niet-weten…’

‘Sla het Lege Boek er dan op na, dummy.’

‘Daar staat toch niks in, dummy.’

‘Nou dan.’

-149-

Een agnost is geen anti-intellectueel

‘Volgens mij leidt niet-weten alleen maar tot anti-intellectualisme, Hans.’

‘Volgens mij leidt niet-weten tot niets.’

‘Maar het verzet zich toch tegen de rede?’

‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Omdat weten… omdat niet-weten…’

‘Sla het Lege Boek er dan op na, dummy.’

-150-

Een agnost is geen non-dualist

‘Volgens mij leidt niet-weten alleen maar tot non-dualisme, Hans.’

‘Volgens mij leidt niet-weten tot niets.’

‘Maar het ontkent toch alle onderscheidingen?’

‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Omdat weten… omdat niet-weten…’

‘Sla het Lege Boek er dan op na, dummy.’

-151-

Een agnost is geen nihilist

‘Volgens mij leidt niet-weten alleen maar tot nihilisme, Hans.’

‘Volgens mij leidt niet-weten tot niets.’

‘Maar het betwist toch alle grondwaarden en grondwaarheden?’

‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Omdat weten… omdat niet-weten…’

‘Sla het Lege Boek er dan op na, dummy.’

-152-

Definities van niet-weten – mei

1. Niet-weten is uit je woorden komen.

2. Niet-weten is een werkwoord.

3. Niet-weten is een hoofd zonder woorden, bij wijze van spreken.

4. Niet-weten is geen antwoord.

5. Niet-weten is geen vraag.

6. Niet-weten is geen waarheid.

7. Niet-weten is geen leugen.

8. Niet-weten is een vraag op ieder antwoord.

9. Niet-weten is een antwoord zonder antwoord.

10. Niet-weten is het kwijtraken van vragen die je niet loslaten, van antwoorden waarin je vastzit en van woorden die je betoveren.

11. Niet-weten is geen woord en woorden over niet-weten zijn geen niet-weten.

12. Niet-weten is een oorverdovende stilte.

13. Niet-weten is het einde van de hoofdletters.

14. Niet-weten is het einde van de kleine lettertjes.

15. Niet-weten is geen dode letter, maar een levende geest.

16. Niet-weten is niemand naar de mond praten, jezelf ook niet.

17. Niet-weten is geen dooddoener om anderen of jezelf de mond te snoeren.

18. Niet-weten is een dwaalgesprek met jezelf.

19. Niet-weten is een wijze van spreken.

20. Niet-weten is een wijze van zwijgen.

21. Niet-weten is een wijze van lachen.

22. Niet-weten is geen wijze.

23. Niet-weten is geen dwaasheid en geen wijsheid.

24. Niet-weten het onvermogen dwaasheid te onderscheiden van wijsheid.

25. Niet-weten is de vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid.

26. Niet-weten is dwaasheid voorbij alle dwaasheid.

27. Niet-weten is de Boeddha doden, én de boeddhadoder.

28. Niet-weten is de dharma van geen-dharma.

29. Niet-weten is een kwestie van geen kwestie.

30. Niet-weten is geen kwestie maar het eind van alle kwesties.

31. Niet-weten is geen leer, maar het einde van je geleerdheid.

365 Definities van niet-weten – mei.

-153-

In niet-weten verliest het gezond verstand zijn gezag

Gezond verstand is de set van opvattingen, normen en waarden waarover de meeste mensen in een gemeenschap het wel zo’n beetje eens zijn.

Alles wat vanzelf spreekt en geen uitleg behoeft.

Alles wat onbespreekbaar is en geen uitleg verdraagt.

Nu is het ene gezonde verstand het andere niet, maar voor het gezond verstand van de gemiddelde hedendaagse westerling, als die bestaat, of anders voor de gemiddelde Hollander, als die bestaat, of anders voor de gemiddelde Amsterdammer, als die bestaat, of anders toch voor Hans van Dam, tot 2007 dan, is de wereld stoffelijk, bestendig, geordend, kenbaar, verklaarbaar, maakbaar en beheersbaar.

Een leerstelsel dat na het echec van vijfentwintig eeuwen westerse wijsgekte het gezond verstand, althans het Schots-christelijke uit de achttiende eeuw, in ere wilde herstellen, was de common sense philosophy van Thomas Reid (1710-1796).

Een hooggeleerde professor die zichzelf tot taak stelde om de zogenaamd tijdloze filosofie van de zogenaamd gewone man te legitimeren – kan het gekker?

Het gezond verstand waarop velen zich beroepen als was het een onbetwijfelbare openbaring, verliest in agnose zijn vanzelfsprekendheid en daarmee zijn (on)natuurlijke gezag.

Voor mij, wie dat ook mag wezen, is het nu alleen nog vanzelfsprekend dat de wereld, wat dat ook mag wezen, in raadselen spreekt, als dat al zo is, als ik die wereld zelf al niet ben, als die wereld mij al niet is, als dat al iets betekent.

Vraag niet hoe het kan, maar nu ben ik weer in de ban van een verstand, dat zichzelf onophoudelijk bevraagt, al stelt het allang geen belang meer in de antwoorden.

Klits, klats, klandere, van de ene ban in de andere.

Kon het toch gekker.

-154-

Woordenboek niet-weten: waaiweg

‘Waaiweg’ is een allitererende samenstelling waarvan de betekenis wisselt met het lidwoord.

De waaiweg is de weg van niet-weten, die niet op aarde ligt en daar een onveranderlijk traject volgt zoals het wereldse wegen betaamt, maar als een kronkelende corridor van lucht in de lucht hangt en zonder weerstand met alle winden meewaait, vandaar zijn bijnaam ‘draaiweg’.

Een waaiweg is iemand die de waaiweg volgt of erdoor gevolgd of achtervolgd wordt (de beleving verschilt) – een ander woord voor weetniet.

Net als de waaiweg is een waaiweg niet te volgen, maar veel last heb je er niet van, hij is zo weer weg.

Wilde Waaiweg, zonder lidwoord maar met hoofdletters, is de evenknie van Wijde Weetnie, met of zonder t aan het eind, – een personificatie van het niet-weten dat zelf voortdurend bedreigd wordt door reïficatie door mensen die het figuurlijke letterlijk nemen omdat ze letterlijk en figuurlijk vaste grond onder de voeten willen hebben.

Eerlijk gezegd is Wilde Waaiweg alleen maar wild als het hard waait, en dan alleen nog maar ten opzichte van de omgeving, niet ten opzichte van de wind zelf, waarmee hij steevast samenvalt, zelfs in een vliegende storm.

-155-

Niet-weten als gulden uitweg

Niet-weten is geen weg, niet dat ik weet, maar was het een weg geweest, dan was het een uitweg uit iedere weg en was je zo weggeweest.

Een uitweg uit iedere weg is de laatste weg die je gaat, anders was het geen uitweg uit iedere weg, vandaar dat ik hem de gulden uitweg noem.

De gulden uitweg is heel wat anders dan de gulden middenweg, ook al hebben ze toevallig een bijvoeglijk naamwoord gemeen.

De gulden middenweg mijdt alle uitersten en leidt volgens het boeddhisme linea recta van jezelf naar het zelf, van gehechtheid naar onthechting, van samsara naar nirwana.

De gulden uitweg daarentegen leidt overal uit weg:

Niet alleen uit jezelf maar ook uit het zelf.

Niet alleen uit gehechtheid maar ook uit onthechting.

Niet alleen uit samsara maar ook uit nirwana.

Niet alleen uit de gulden middenweg maar ook uit de gulden uitweg.

Want de gulden uitweg is de weg van niet-weten.

De weg van niet-weten leidt overal uit weg.

Ook uit niet-weten.

Weg is de weg.

Einde verhaal.

Uit spuit.

-156-

Woordenboek niet-weten: de lege leer

Monnik: Wat is een meester van het hoogste niveau?

Lung-ya: Een inbreker in een leeg huis.

(The Iron Flute, koan 28)

Dit Witboek Niet-Weten staat vol metaforen voor niet-weten, waaronder de lege leer.

Eigenlijk is het te gek voor woorden om metaforen voor niet-weten te verzinnen.

Niet-weten is zelf al een metafoor, en wat voor een.

Een heel ongelukkige als je het mij vraagt, door een heleboel mensen letterlijk genomen, waardoor ze zich figuurlijk door mij genómen voelen zonder in de gaten te hebben dat ze zichzelf in de boot nemen.

Metaforen voor niet-weten, begin er nooit aan.

Niet-weten is te gek voor woorden en al helemaal te gek voor stilte, net als ik.

Niet-weten is gewoon te gék.

Ach, kon ik het hier maar bij laten.

Maar allee: je hebt nou eenmaal een spiegel nodig om de bril op je neus te kunnen zien.

Ik bedoel, je hebt nou eenmaal ogen nodig om door een bril je neus in de spiegel te kunnen zien.

Ik bedoel, je hebt nou eenmaal een bril nodig om de spiegel voor je neus onder ogen te zien.

Ik bedoel, je hebt nou eenmaal een neus onder je bril nodig om in de spiegel te kunnen zien.

Ik bedoel, het is maar net hoe je het bekijkt.

Laten we het eens zo bekijken:

Niet-weten is een lege leer aanhangen.

Een lege leer is een leer zonder leerstellingen.

Natuurlijk kan er maar één lege leer zijn.

Waarin zou de ene lege leer moeten verschillen van de andere lege leer?

Leeg is leeg, en daarmee basta.

Een gat is een gat.

Jouw niet-weten is mijn niet-weten.

Jouw duisternis is mijn duisternis.

Jouw tja is mijn tja.

Jouw eh is eh.

Hoezeer we als mens ook verschillen, we zijn allemaal even dwijs.

Daarom noem ik niet-weten gewoon de lege leer.

Want er is maar één lege leer:

Geen lege leer.

Want een leer zonder leerstellingen is helemaal geen leer maar een gat in het weten.

Of laat ik zeggen, de achtergrond waartegen het weten figureert.

Of laat ik zeggen, de ongrond waarin het weten wortelt.

Ja, ik kan wel zoveel zeggen, maar de lege leer zwijgt in alle talen.

Ook over zichzelf.

Laat ik daar maar een voorbeeld aan nemen.

Tekstpagina waar alle woorden uit geponst zijn.
Proclamatie van de lege leer.

-157-

De tranen van de weter

De lege leer luistert naar verschillende namen, zoals de weetnietleer, de nulleer, de afleer, de onleer, de non-leer en de niet-leer.

Je kan de lege leer ook lege wijsheid noemen of, zoals in het boeddhisme, de wijsheid zonder wijsheid of de wijsheid voorbij alle wijsheid.

Of, zoals in het taoïsme, een weten zonder weten of een wetend niet weten of kortweg niet-weten.

Maar wat zegt een naam?

Om je het onvergelijkelijke voor te kunnen stellen, moet je het ergens mee vergelijken. Zelf vergelijk ik de lege leer graag met:

- De lege verzameling in de wiskunde.

- De punt in de meetkunde.

- Het getal nul in de rekenkunde.

- Het imaginaire getal i (de wortel van -1).

- Het nulde element van het periodieke systeem.

- De ether in de natuurkunde.

- Het Ding-an-sich in de metafysica.

- De witte vlek op de aardrijkskundige kaart.

- Het neutrale land in oorlogstijd.

- De missing link in de biologie.

- Het zwarte gat in de sterrenkunde.

- Een rust in de muziek.

Te abstract voor je?

Dan maak ik het concreter.

Niet-weten is de afvoer van je geest.

Als die verstopt raakt loop je vol.

Tot het uit je ogen stroomt.

De tranen van de weter.

-158-

De lege leer is geen karwei

Dat noemen we wel wei wu wei.

Omdat de lege leer geen leerstellingen bevat, kan je er niks mee.

Je kan hem niet aanleren.
Je kan hem niet afleren.

Je kan hem niet kennen.
Je kan hem niet ontkennen.

Je kan hem niet verstaan.
Je kan hem niet misverstaan.

Je kan hem niet bevestigen.
Je kan hem niet ontkennen.

Je kan hem niet verifiëren.
Je kan hem niet falsifiëren.

Je kan hem niet onthouden.
Je kan hem niet vergeten.

Je kan hem niet bewijzen.
Je kan hem niet ontkrachten.

Je kan hem niet aanvallen.
Je kan hem niet verdedigen.

Je kan hem niet aanhangen.
Je kan hem niet afvallen.

Je kan hem niet opleggen.
Je kan hem niet verbieden.

Je kan hem niet ontvangen.
Je kan hem niet weggeven.

Je kan hem niet overdragen.
Je kan hem niet achterhouden.

Je kan hem niet hebben.
Je kan hem niet kwijtraken.

Niets kan je met de lege leer.

Klaar ben je ermee.

Kom er maar eens om.

-159-

De lege leer is geen partij

De lege leer:

Je kan er niets mee rechtvaardigen.

Je kan er niets mee veroordelen.

1. Geen enkele gedachte.

2. Geen enkel gevoel.

3. Geen enkel idee.

4. Geen enkele opvatting.

5. Geen enkele overtuiging.

6. Geen enkel geloof.

7. Geen enkel ongeloof.

8. Geen enkele norm.

9. Geen enkele waarde.

10. Geen enkel ideaal.

11. Geen enkel motto.

12. Geen enkel principe.

13. Geen enkel voorschrift.

14. Geen enkel verbod.

15. Geen enkele verklaring.

16. Geen enkele ingreep.

17. Geen enkel recht.

18. Geen enkele plicht.

19. Geen enkele wet.

20. Geen enkele filosofie.

21. Geen enkele anti-filosofie.

22. Geen enkele traditie.

Niets kan je met de lege leer.

Klaar ben je ermee.

Kom er maar eens om.

-160-

De lege leer is niemands heer

De lege leer:

Je kan er niemand mee bevrijden.
Je kan er niemand mee vangen.

Je kan er niemand mee verlichten.
Je kan er niemand mee oplichten.

Je kan er niemand mee helpen.
Je kan er niemand mee hinderen.

Je kan er niemand mee helen.
Je kan er niemand mee breken.

Je kan er niemand mee bemoedigen.
Je kan er niemand mee ontmoedigen.

Je kan er niemand mee versterken.
Je kan er niemand mee verzwakken.

Je kan er niemand mee zegenen.
Je kan er niemand mee vervloeken.

Je kan er niemand mee verrijken.
Je kan er niemand mee verarmen.

Je kan er niemand mee vereren.
Je kan er niemand mee vernederen.

Je kan er niemand mee winnen.
Je kan er niemand mee verliezen.

Je kan er niemand mee aantrekken.
Je kan er niemand mee afstoten.

Niets kan je met de lege leer.

Klaar ben je ermee.

Kom er maar eens om.

-161-

Met de lege leer kan je alle kanten op

De lege leer hoeft nergens heen.

De lege leer hoeft nergens weg.

De lege leer laat zich voor geen enkel karretje spannen.

De lege leer wil niemand voor zijn karretje spannen.

Met de lege leer kan je geen kant op.

Met de lege leer kan je alle kanten op.

Dat is nou net het mooie ervan.

Dat is nou net het vervelende ervan.

Ja, wat is het nou?

Het is maar net hoe je het bekijkt.

En als je het niet bekijkt?

En als je het van alle kanten bekijkt?

Giraf met zebrastrepen, pantervlekken, slangenhuid en slobkousen, die met twee koppen tegelijk zichzelf staat te bekijken.
En als je het van alle kanten bekijkt?

Hoe je het ook bekijkt, de lege leer is helemaal het einde.

Wat dan wel een nieuw begin zal zijn.

Maar waarvan?

-162-

De lege leer biedt geen enkel houvast

De lege leer heeft geen doel en geen inhoud.

Hij stuurt je nergens heen, behalve misschien het bos in.

Maar niet met opzet, want de lege leer heeft geen opzet.

De lege leer is wetenschappelijk steriel en filosofisch onvruchtbaar.

Hij is niet religieus, niet antireligieus en niet areligieus.

Hij legt niets uit en is voor geen enkele uitleg vatbaar.

De lege leer biedt geen enkel houvast.

Tenzij je het ontbreken van houvast als houvast wil zien – maar daarmee begeef je je alweer buiten het domein van de lege leer.

Sowieso kan niemand binnen het domein van de lege leer blijven want de lege leer heeft geen domein.

Jij wel?

Dan ben je niet één met de lege leer.

Dan ben je geen lege leerling.

-163-

De kleren zonder keizer

‘Als je het mij vraagt is de lege leer gewoon een oud verhaal in een nieuw jasje, Hans.’

‘Als je het mij vraagt is de lege leer gewoon een oud verhaal zonder jasje.’

‘De lege leer is gewoon een oud verhaal zonder jasje?’

‘Welnee.’

‘Wat dan?’

‘De lege leer is gewoon een oud jasje.’

‘En dat verhaal dan?’

‘Ik ben al jaren de draad kwijt.’

‘En dit verhaal?’

‘Hetzelfde laken een pak.’

-164-

Niet-weten is geen devies

Beste Hans,

Laatst zei een vriendin tegen mij: ‘Ik ben er heilig van overtuigd dat wij een opdracht hebben te vervullen in dit leven.’ Daarop antwoordde ik naar waarheid: ‘Nou, ik niet.’ Einde gesprek. Mijn vriendin was beledigd, ik voelde me opgelaten en het werd niet meer gezellig. Is dit nou niet-weten?

Beste X,

Nee, dat is geen niet-weten, dat is een gebrek aan gesprekstechniek.

Of een gebrek aan belangstelling, dat kan ik niet beoordelen.

Ikzelf ben er ook niet van overtuigd dat wij een opdracht hebben te vervullen in dit leven.

Ik ben er ook niet van overtuigd dat wij geen opdracht hebben te vervullen in dit leven.

Ik weet het gewoon niet.

Niet-weten is een uitgangspunt.

Vertrekpunt voor een gesprek dat nog alle kanten op kan en steeds alle kanten op blijft kunnen.

Weten is grenzen trekken en sluiten, niet-weten is grenzen zoeken en overschrijden.

X: Wat had ik dan moeten zeggen?

H: Gesprekken lopen dikwijls dood omdat mensen alleen maar dingen zeggen.

Misschien had je moeten zwijgen om haar de gelegenheid te geven haar idee toe te lichten.

Of misschien had je dingen moeten vragen.

In plaats van ‘Nou, ik niet’ te zeggen, had je bijvoorbeeld kunnen vragen:

Wat is jouw opdracht in dit leven?

Wat denk jij dat ik denk dat jouw opdracht is in dit leven?

Wat is volgens jou mijn opdracht in dit leven?

Wat denk jij dat ik denk dat mijn opdracht is in dit leven?

Waarop baseer je de overtuiging dat wij een opdracht hebben in dit leven?

Wie is volgens jou de opdrachtgever?

Wat als je niet weet wat jouw opdracht is in dit leven?

Kan je ook meerdere opdrachten hebben in dit leven?

Als ik jou tien jaar geleden naar je opdracht had gevraagd, zou je dan hetzelfde hebben geantwoord als nu?

Hoe voelt het als je je voorstelt dat wij géén opdracht in dit leven zouden hebben?

Zou het mijn opdracht kunnen zijn om te leven zonder opdracht?

Of zoiets.

Om te beginnen.

X: Vragen stellen is het devies.

H: Niet-weten is geen devies, dat is het mooie eraan.

Je hoeft geen vragen te stellen, het kán.

Als ze tenminste in je opkomen.

Als je er tenminste zin in hebt.

X: Ik weet eerlijk gezegd niet of ik nog wel zin heb om met mijn vriendin over dit onderwerp te praten.

H: Ik dacht al zoiets.

X: Ik weet eerlijk gezegd niet of ik nog wel zin heb om met haar te praten.

H: Weet je het niet of wil je het niet weten?

X: Dat laatste, vrees ik.

H: Misschien moet je dat dan met haar bespreken.

X: En anders?

H: Houdt het op.

-165-

Niet-weten is geen denkfobie

Niet-weten is geen bestendige toestand die je op een bepaald moment bereikt.

Niet-weten is geen halsstarrig ongeloof dat iedere gedachte op voorhand afwijst.

Niet-weten is geen dooddoener om anderen of jezelf de mond te snoeren.

Niet-weten is geen denkfobie – juist niet.

Niet-weten is een nieuwsgierig, bereidwillig, zelfverzekerd denken dat ieder woord, iedere gedachte, iedere zaak van zoveel mogelijk kanten bekijkt.

Daardoor komt een agnost nooit tot een vast uitgangspunt, een definitief onderscheid, een eensluidende conclusie, een onwrikbaar standpunt, een absolute waarheid of een heilig geloof of ongeloof.

Niet omdat hij daar iets op tegen heeft, maar omdat hij altijd verder kijkt dan zijn neus lang is.

Omdat hij altijd dichterbij kijkt dan zijn neus kort is.

Alles wat zich in de bovenkamer aandient wordt tegen het licht gehouden, besnuffeld, in de mond genomen, rondgewalst – en weer uitgetuft.

Weten is een machtsgreep, het smaakt altijd naar meer.

Niet-weten is een troonsafstand, het smaakt altijd naar minder.

Ook daar kan je behoorlijk dronken van worden.

Het belangrijkste verschil:

Je krijgt er geen kater van.

-166-

Denk je vast of denk je vrij

22 Gewetensvragen.

Heb ik gedachten?
Of hebben ze mij?

Heb ik ideeën?
Of hebben ze mij?

Heb ik idealen?
Of hebben ze mij?

Heb ik gevoelens?
Of hebben ze mij?

Heb ik wensen?
Of hebben ze mij?

Heb ik herinneringen?
Of hebben ze mij?

Heb ik principes?
Of hebben ze mij?

Heb ik rechten?
Of hebben ze mij?

Heb ik plannen?
Of hebben ze mij?

Heb ik woorden?
Of hebben ze mij?

Heb ik een god?
Of heeft hij mij?

Heb ik een zelf?
Of heeft het mij?

Heb ik een leer?
Of heeft hij mij?

Heb ik een baas?
Of heeft hij mij?

Heb ik een hond?
Of heeft hij mij?

Heb ik een huis?
Of heeft het mij?

Heb ik een wil?
Of heeft hij mij?

Heb ik een geest?
Of heeft hij mij?

Heb ik een lijf?
Of heeft het mij?

Heb ik een lul?
Of heeft hij mij?

Ben ik een kip
Of meer een ei?

Of is dit alles
Zifterij.

-167-

Stijlfiguren niet-weten: paradox

Wat is een paradox?

Een paradox is een stijlfiguur in de vorm van een uitdrukking of uitspraak die zichzelf tegenspreekt.

Voorbeelden:

Ik weet niets maar dat weet ik wel verdomd zeker.

Ik weet niets, dit ook niet.

Ik heb niets te zeggen, en dat zeg ik.

Ik heb zelfs niet niets te zeggen.

Een paradox kan ook de vorm van een definitie of vraag hebben:

Boeddhisten zijn gehecht aan onthechting.

Een non-dualist is iemand die denkt dat hij niemand is.

Een nihilist is iemand die gelooft dat je nergens in moet geloven.

Zeker weten dat je overal aan moet twijfelen?

Een paradox is een oxymoron ter grootte van een zin, een oxymoron is een paradox ter grootte van een term.

Beide stijlfiguren brengen een tegenspraak (strijdigheid, tegenstrijdigheid, contradictio, aporie, onverenigbaarheid) tot uitdrukking.

Sunyata-sunyata en maya-maya

Een voorbeeld van een boeddhistische paradox/oxymoron is sunyata-sunyata, de leegte van de leegte – leegte in het kwadraat, ik had het er al eens over.

Sunyata-sunyata is bevestiging en ontkenning van de leegte ineen.

Dat voert ons niet terug naar de vorm, zoals je van een dubbele ontkenning zou verwachten, maar weg uit het denken in termen van vorm en leegte.

Zo kan je uit het hindoeïstische begrip maya (illusie) de term maya-maya smeden: de illusie van de illusie – illusie in het kwadraat.

Maya-maya is bevestiging en ontkenning van de illusie ineen, en voert ons niet terug naar de werkelijkheid, maar uit het denken in termen van illusie en werkelijkheid.

Expliciete en impliciete paradoxen

Soms is de dubbele ontkenning die karakteristiek is voor de paradox expliciet aanwezig:

Zelfs niet geloven in niet-geloven.

Zelfs niet reiken naar niet-reiken.

Zelfs niet nestelen in niet-nestelen.

Zelfs niet oordelen over oordelen.*

* Deze paradoxen staan toevallig allemaal in de gebiedende wijs, maar dat hoeft niet; ‘zelfs van onthechting onthecht’ is net zo paradoxaal als ‘zelfs niet hechten aan niet-hechten’.

De dubbele ontkenning kan ook verstopt zitten in de werkwoorden en zelfstandige naamwoorden:

Zelfs het relativeren relativeren.

Zelfs het loslaten losgelaten.

Zelfs het opgeven opgeven.

Zelfs het afwijzen afgewezen.

Zelfs van vrijheid bevrijd.

Alles liefhebben, zelfs de haat.

Overal ruimte voor hebben, zelfs voor bekrompenheid.

Overal voor open staan, zelfs voor geslotenheid.

Rustig blijven onder je onrust.

Hyperfilosofie

Onder een hyperleer of hyperfilosofie versta ik een paradoxale leer die zichzelf moedwillig in de rug schiet.

Hypernihilisme is een nihilisme dat zelfs het nihilisme en zichzelf nihil verklaart.

Hyperrelativisme is een relativisme dat zelfs het relativisme en zichzelf relativeert.

Hyperquiëtisme is een quiëtisme dat niet alleen de wereld maar ook het quiëtisme en zichzelf verzaakt.

Hyperscepticisme is een scepticisme dat zelfs de twijfel en zichzelf betwijfelt.*

* Het pyrronisme is in theorie een hyperscepticisme, maar wordt door zijn belangrijkste vertolker, Sextus Empiricus, uitgewerkt tot een tamelijk conservatieve en fatalistische levensbeschouwing.

Iedere hyperleer is equivalent aan de lege leer, Ø.

De lege leer is een ander woord voor niet-weten.

Niet-weten kan je dus opvatten als willekeurig welke hyperfilosofie.

Bewijs uit het ongerijmde

De meeste mensen houden niet van paradoxen.

Wanneer een formeel correcte redenering tot een tegenspraak leidt, concluderen ze liever dat de aannames onjuist zijn.

In de logica heet dit een bewijs uit het ongerijmde, een reductio ad absurdum.

Door de aannames onjuist te verklaren, vluchten we uit absurditeit en herstellen we de intellectuele orde.

Bewijzen uit het ongerijmde zijn de bouwstenen van Hegels dialectiek, de filosofische methode die vooruitgang boekt via de weg van these - antithese - synthese.

De laatste van de syntheses zou volgens Hegel uitmonden in het Absolute, dat alle tegenstellingen omvat en overstijgt.

In agnose leidt een paradox, hoewel tegenstrijdig, niet tot een conclusie omtrent de aannames waarop het is gebaseerd.

Voor mij is een paradox tenminste niet de aanvang van een reductio ad absurdum, maar de hartenkreet die de val in het ongerijmde inleidt, bekrachtigt en ontkracht, betreurt, bezingt en verzacht.

Stamelen over alles

Vrijwel iedere tekst over niet-weten (dwaaltekst) bevat tegenspraken op woordniveau (oxymoron), op zinsniveau (paradox) of over meerdere zinnen of alinea’s uitgesmeerd (tetralemma of vrije vorm).

In vrijwel ieder dwaalgesprek spreken de gesprekspartners elkaar of zichzelf herhaaldelijk tegen.

Ook mijn dwaalspreuken bevatten veel tegenstrijdigheden, al zijn niet alle dwaalspreuken paradoxen.

Weerspreken, herroepen, het terugnemen of bevragen van eerdere woorden en uitspraken en verborgen veronderstellingen, het vermenigvuldigen van betekenissen, interpretaties en oordelen tot aan en in de agnostische verbijstering – paradoxie is de essentie van het dwijze denken en spreken.

In de mystiek heet deze manier van spreken stamelen.

Stamelen, dat is jezelf doelbewust tegenspreken in de hoop dat de tegenspraak iets uitdrukt wat zich op geen enkele andere wijze onder woorden laat brengen.

De mysticus stamelt over God.

Dat is zijn zaligheid.

De agnost stamelt over alles.

Dat is mijn zaligheid.

-168-

Leven in de paradox

De werkelijkheid is een wijd opengesperde muil die oorverdovend zwijgt.

Of onverstaanbaar fluistert.

Of van alles en nog wat roept, met miljarden stemmen door elkaar.

Maar gewoon antwoord geven is er niet bij.

Tenzij ik zijn taal niet versta.

Zijn kakofonie niet als taal herken.

Snateren eenden maar wat, of kwekken ze over heer en sint?

Niet-weten is onverschrokken in de gapende muil van de werkelijkheid kijken.

Of verschrokken, mag ook.

Maar niet wegkijken.

Nooit.

Nou ja, bij wijze van spreken dan.

Zoals alles wat ik zeg.

Want wegkijken maakt deel uit van de werkelijkheid.

Niet willen wegkijken ook.

Niet willen weten dat je wegkijkt ook.

Niet willen weten dat je niet wil weten dat je wegkijkt ook.

En die muil is ook maar beeldspraak.

Om nog maar te zwijgen over de werkelijkheid.

Dus waar hebben we het over?

Dat ik geen idee heb wat het leven is.

Als het al meer is dan een woord.

Laat staan wat de zin ervan is, of de zin daar weer van, of de zin daar weer van.

Wat niet betekent dat het allemaal geen zin heeft.

Dat zou tenminste nog duidelijk zijn.

Ik vat het niet en ik krijg er geen vat op.

Alles verkeert voortdurend in zijn tegendeel.

Er is geen rust zo diep of hij maakt plaats voor onrust en omgekeerd.

Als ze al niet onafscheidelijk zijn, een Siamese tweeling.

Het leven krioelt van de tweelingen.

Wreedheid en mededogen.

Schoonheid en lelijkheid.

Voorspoed en tegenslag.

Wijsheid en dwaasheid.

Ziekte en gezondheid.

Gulheid en hebzucht.

Nadeel en voordeel.

Lijden en vreugde.

Orde en wanorde.

Verlies en winst.

Vrede en oorlog.

Goed en kwaad.

Haat en liefde.

Pijn en genot.

Alles, maar dan ook alles, heeft zijn keerzijden.

Hoe langer je kijkt, hoe meer je er ziet.

Hoe meer je er ziet, hoe vertrouwder het wordt.

Niet-weten is de paradox in je leven toelaten.

De strijd tegen de strijdigheid opgeven.

In de paradox verblijven.

Jezelf erin verliezen.

Er één mee worden.

Niet-weten is leven in de paradox.

Of is dat alweer te eenduidig?

Lees ook: De boer die zijn paard verloor.

-169-

Niet-weten is een dwaalgesprek met jezelf

‘Wat is weten?’

‘Een leergesprek met jezelf.’

‘Komt daar ooit een eind aan?’

‘Voor de meeste mensen niet.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een dwaalgesprek met jezelf.’

‘Komt daar ooit een einde aan?’

‘Tot nu toe niet.’

-170-

Wie niet weet staart zich nergens op blind

Niet-weten is geen gedachtestilte; het is geen trance of samadhi of absence of fugue of diepe slaap of een andere bewustzijnstoestand waarin niets meer gebeurt of niets meer wordt geregistreerd.

Het denken gaat vrolijk verder. Bij mij in elk geval wel.

Niet-weten is geen gevoelsstilte; je bent niet onverschillig, onverstoorbaar, uitgedoofd, neutraal, onthecht of vlak.

Het voelen gaat vrolijk verder. Bij mij in elk geval wel.

Niet-weten is geen methode of techniek om je gedachten, gevoelens, verlangens, woorden en daden in de door jou gewenste richting te sturen.

Het is een denken dat spontaan zijn eigen methoden en technieken en wensen tegen het licht houdt.

Niet-weten is geen discipline of praktijk om jezelf tijdelijk of voorgoed allerlei beperkingen op te leggen omdat ze heilzaam zouden zijn.

Het is een denken dat spontaan zijn eigen disciplines en praktijken en ideeën over heilzaamheid tegen het licht houdt.

Niet-weten is geen maatstaf voor het beoordelen van je eigen of andermans doen en laten.

Het is een denken dat spontaan zijn eigen maatstaven en oordelen en doen en laten tegen het licht houdt.

Een weetniet verwerpt het weten niet op voorhand, maar staart zich nergens op blind.

Ook niet 0p niet-weten.

-171-

Het lege lied – holle woorden voor holle geesten

Elf wormgaten om in te verdwijnen.

Voorzanger: Hoe heet de waarheid van de lege leer?

Koor: De lege waarheid!

Hoe heet het verhaal van de lege leer?

Het lege verhaal!

Hoe heet het boek van de lege leer?

Het lege boek!

Hoe heet de geest van de lege leer?

De lege geest !

Hoe heet het geloof in de lege leer?

Het lege geloof!

Hoe heet het gebed van de lege leer?

Het lege gebed!

Hoe heet het ideaal van de lege leer?

Het lege ideaal!

Hoe heet het antwoord van de lege leer?

Het lege antwoord!

Hoe heet een meester van de lege leer?

Een lege meester!

Hoe heet een leerling van de lege leer?

Een lege leerling!

Hoe heet het lied van de lege leer?

Het lege lied!

Was dit dat lege lied?

Alleen voor wie het ziet!

-172-

Hoe je de lege leer het best kan onthouden

‘Hoe kan ik de lege leer het best onthouden, Hans?’

‘Onthoud dat er niets te vergeten valt en vergeet dat er niets te weten valt.’

‘Hè?’

‘Dat komt op hetzelfde neer.’

-173-

Woordenboek niet-weten: de hele leer

Geen waarheid verkondigen is net zoiets als alle denkbare waarheden verkondigen.

Geen boodschap brengen is net zoiets als alle denkbare boodschappen brengen.

Geen filosofie aanhangen is net zoiets als alle denkbare filosofieën aanhangen.

Geen praktijk uitoefenen is net zoiets als alle denkbare praktijken uitoefenen.

Geen stelling verdedigen is net zoiets als alle denkbare stellingen verdedigen.

Geen verhaal vertellen is net zoiets als alle denkbare verhalen vertellen.

Geen ideaal koesteren is net zoiets als alle denkbare idealen koesteren.

Geen geloof belijden is net zoiets als alle denkbare geloven belijden.

Geen traditie volgen is net zoiets als alle denkbare tradities volgen.

Geen idee hebben is net zoiets als alle denkbare ideeën hebben.

Geen weg gaan is net zoiets als alle denkbare wegen gaan.

Want een leer van niets is net zoiets als een leer van alles.

In de praktijk komen ze op hetzelfde neer.

De lege leer is de hele leer.

Ø = ∞.

Enorm boek met piepkleine mannetjes eromheen.
Het hele boek van de hele leer.

De hele leer is de leer die alle denkbare leerstellingen bevat in alle denkbare combinaties, hoe tegenstrijdig ook.

Wiskundig gezien is de hele leer de machtsset van alle formuleerbare leerstellingen.

De hele leer is de tweelingbroer van de lege leer.

De een heeft vraatzucht, de ander hongerzucht.

Samen vormen ze het duo de Dikke en de Dunne.

Omdat ze genetisch identiek zijn, kan je de lege leer definiëren als de hele leer en omgekeerd.

Hoe verschillend ze ook lijken, je kan ze geen van beide bewijzen of ontkrachten, verifiëren of falsifiëren, aanhangen of verdedigen, kennen of ontkennen, onthouden of vergeten enzovoort.

Klaar ben je ermee.

Of je nou spreekt van de hele leer of van de lege leer, je hebt er geen omkijken naar.

Ook al omdat ze niet bestaan, ik heb ze zelf bedacht.

Het zijn woordjes, ideetjes – hulpmiddelen om iets duidelijk te maken over niet-weten.

Niet-weten is ook maar een bedenksel om iets duidelijk te maken, maar waarover?

Nee, niet om iets duidelijk te maken, om ergens vanaf te komen, maar waarvan?

Misschien wel van alle bedenksels.

Stel je voor: volledige bevrijding!

Of is dat het volgende bedenksel?

En moet je voor volledige bevrijding werkelijk van al je bedenksels af of is dat gewoon het volgende bedenksel?

Ik zeg niks.

Of alles.

Wat jij wil.

-174-

Het hele lied – hele woorden voor hele geesten

Elf werelden om te bestormen

Voorzanger: Hoe heet de waarheid van de hele leer?

Koor: De hele waarheid!

Hoe heet het verhaal van de hele leer?

Het hele verhaal!

Hoe heet het boek van de hele leer?

Het hele boek!

Hoe heet de geest van de hele leer?

De hele geest!

Hoe heet het geloof in de hele leer?

Het hele geloof!

Hoe heet het gebed van de hele leer?

Het hele gebed!

Hoe heet het ideaal van de hele leer?

Het hele ideaal!

Hoe heet het antwoord van de hele leer?

Het hele antwoord!

Hoe heet een meester van de hele leer?

Een hele meester!

Hoe heet een leerling van de hele leer?

Een hele leerling!

Hoe heet het lied van de hele leer?

Het hele lied!

Was dit dat hele lied?

Alleen voor wie het ziet!

-175-

Hoe je de hele leer het best kan onthouden

‘Hoe kan ik de hele leer het best onthouden, Hans?’

‘Onthoud dat er niets buiten valt, waardoor je niets hoeft te onthouden.’

‘Hè?’

‘Dat komt op hetzelfde neer.’

-176-

Halve waarheden zijn halve leugens

De lege leer, Ø, is de leer die geen enkel idee bevat.

De hele leer, ∞, is de leer die alle ideeën bevat.

Het denken van iemand die voor niets en niemand staat is in de praktijk niet te onderscheiden van het denken van iemand die voor alles en iedereen staat.

De lege leer is de hele leer, Ø = ∞, of zei ik dat al?

Iedere andere leer is een halve waarheid.

Iedere halve waarheid is een halve leugen, dat snapt een kind.

En terwijl er maar één lege waarheid is, en maar één hele waarheid, zijn er ontzettend veel halve waarheden.

Die zich allemaal voordoen als de hele waarheid en niets dan de waarheid.

Neem alleen al dít verhaal.

-177-

Het halve lied – halve woorden voor halve geesten

Elf benen om op te hinken

Voorzanger: Hoe heet de waarheid van een halve leer?

Koor: De halve waarheid!

Hoe heet het verhaal van een halve leer?

Het halve verhaal!

Hoe heet het boek van een halve leer?

Het halve boek!

Hoe heet de geest van een halve leer?

Een halve geest!

Hoe heet het geloof in een halve leer?

Het halve geloof!

Hoe heet het gebed van een halve leer?

Het halve gebed!

Hoe heet het ideaal van een halve leer?

Het halve ideaal!

Hoe heet het antwoord van een halve leer?

Het halve antwoord!

Hoe heet een meester van een halve leer?

Een halve meester!

Hoe heet een leerling van een halve leer?

Een halve leerling!

Hoe heet het lied van een halve leer?

Het halve lied!

Was dit dat halve lied?

Alleen voor wie het ziet!

-178-

Hoe je een halve leer het best kan onthouden

‘Hoe kan ik een halve leer het best onthouden, Hans?’

‘Onthoud dat een halve leer gelijk is aan de hele leer plus de lege leer gedeeld door twee en vergeet de rest.’

‘Hè?’

‘Dat komt op hetzelfde neer.’

-179-

Niet-weten is al je denkketens verbreken

Aan de leiband van de vrijheid.

‘Wat is vrijheid, Hans?’

‘Al je denkketens verbreken.’

‘Wat als je al je denkketens verbreekt?’

‘Niet-weten.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Het centrum waarmee alles gedachteloos in verbinding staat.’

‘Wat als je overal gedachteloos mee in verbinding staat?’

‘Vrijheid in verbondenheid.’

‘Precies wat ik zoek!’

‘Hoe vond je deze denkketen?’

‘Inspirerend hoor.’

‘Nou nog verbreken.’

-180-

Gedachte-experimenten maken je vrij

Niet-weten is een vorm van denken die zich voortdurend losmaakt van zijn eigen inhoud.

Het denkt vrijuit en het denkt zich meteen weer vrij van zijn eigen denkerij.

Een denken dat werkelijk vrij is, laat zich natuurlijk niet vangen in een woord of omschrijving, ook niet in deze.

Hoewel niet-weten nergens mee te vergelijken is, moet ik vaak denken aan de tijd dat ik, als veertiger, letterlijk duizenden gedachte-experimenten deed.

Je kan het zo gek niet verzinnen of ik onderzocht het.

Hoe het zou zijn als mijn lichaam een punt was, of een lijn of een vlak of een bol.

Hoe het zou zijn als ik in die hoedanigheid géén zintuigen had, of alleen maar kon zien of alleen maar kon horen of voelen of proeven of ruiken.

Hoe het zou zijn als ik mijn waarnemingen met vertraging bewust zou worden, na een seconde, na een minuut, na een uur, na een dag of een jaar.

Hoe het zou zijn als de lichtsnelheid gelijk was aan de geluidssnelheid of aan wandelsnelheid, of tot stilstand kwam zodat ik alleen iets kon zien door zelf door de staande golven te bewegen.

Hoe het zou zijn als ik geen benen had of maar één of drie of tien, of als iedereen maar één been had en ik alleen twee.

Hoe het zou zijn als ik niet meer kon spreken maar nog wel verstaan of als ik nog wel kon spreken maar niet meer verstaan of als ik niet meer kon spreken en niet meer verstaan.

Hoe het zou zijn als ik de laatste mens op aarde was, of de een na laatste.

Hoe het zou zijn als er 2 exemplaren van mezelf bestonden, of 100, en ik kon switchen van kloon naar kloon of meerdere of alle klonen tegelijk kon zijn.

Hoe het zou zijn als de ruimte die een deur of een fiets of een vogel of een bij of ikzelf doorkruist ter plekke in hout of in goud zou veranderen – welke bewegingssculpturen er dan precies zouden ontstaan.

Hoe het zou zijn als mijn lief of mijn vrienden of mijn familieleden of mijn vijanden of iedereen mijn gedachten kon lezen of ik die van hen zodat we niets voor elkaar verborgen konden houden.

Duizenden indringende gedachte-experimenten deed ik, als een bezetene, zonder taboes, zeven jaar lang, dag in dag uit, heb je ooit zoiets gehoord?

Ik maakte er aantekeningen van in een ideeënboek – een geestelijk reisverslag dat Idios heette en compleet uit zijn voegen barstte.

Niet alleen was het fascinerend om te doen, mijn gedachte-experimenten zetten, onbedoeld, al mijn zekerheden op losse schroeven.

Van mijn zelfbeeld, mijn mensbeeld, mijn wereldbeeld, mijn levensbeschouwing, mijn filosofietjes en theorietjes, mijn gezond verstand – van alle vanzelfsprekendheden in mijn denken bleef uiteindelijk geen spaan heel.

Om te begrijpen waar ik in godsnaam mee bezig was, probeerde ik er woorden voor te vinden (net als voor niet-weten nu), en een van de termen die ik bedacht was variologie.

In mijn laatste omschrijving uit begin 2006, die ik maar een klein beetje heb hoeven redigeren, zie je het niet-weten dagen, al zou het nog zeven seizoenen duren voor het zijn vlag triomfantelijk in mijn fontanel plantte.

-181-

Woordenboek niet-weten: variologie

Variologie is het inventariseren van:

1. alle denkbare variaties op het leven zonder het oogmerk ze te realiseren;

2. alle denkbare vragen inzake een bepaalde kwestie zonder het oogmerk ze te beantwoorden;

3. alle denkbare antwoorden op een vraag zonder het oogmerk het juiste vast te stellen; en

4. alle verborgen aannames achter een gedachte zonder het oogmerk ze te onderbouwen.

Liever dan een hypothese te toetsen zet de varioloog alle theorieën op een rij onder het motto:

Beter tien verklaringen op papier dan één in je kop.

Zo bedrijf je natuurlijk geen wetenschap, maar wat dan wel?

Liever dan een standpunt te bepalen inventariseert de varioloog alle denkbare standpunten en argumenten voor en tegen onder het motto:

Beter tien perspectieven aan de horizon dan één door je hart.

Zo bedrijf je natuurlijk geen politiek, maar wat dan wel?

Liever dan de werkelijkheid te doorgronden brengt de varioloog alle denkbare gronden in kaart onder het motto:

Beter tien kuub beton in de molen dan één om je voeten.

Zo bedrijf je natuurlijk geen filosofie, maar wat dan wel?

Liever dan zijn gedachten in beton te gieten, slaat de varioloog ze aan stukken onder het motto:

Beter tien denkbeelden op de grond dan één op een voetstuk.

Zo bedrijf je natuurlijk geen kunst, maar wat dan wel?

Liever dan naar motto’s te leven gooit de varioloog ze weg zonder het motto:

Liever dan naar motto’s te leven gooit de varioloog ze weg.

Zo bedrijf je natuurlijk geen variologie, maar wat dan nog?

-182-

Woordenboek niet-weten: utopie, dystopie, atopie

Wat is een utopie?

Een ideaalbeeld van de wereld of van een staat of van de mens heet een utopie (Grieks, eu-, goed of ou, niet, nergens + topia, plaats).

Een van de bekendste utopieën is de socialistische heilstaat Utopia van Thomas Moore (1516).

De christelijke heilstaat is een staatsbestel op kerkelijke grond waarin iedere burger allereerst onderdaan van God is.

Het Derde Rijk was een fascistische heilstaat op eugenetische grondslag.

De boeddhistische heilstaat is die van een wereld zonder grenzen waarin het lijden is uitgebannen en iedereen verlicht is.

Het komt mij voor dat utopisten genieten van hun ideaalbeeld en het promoten ervan, maar eronder lijden dat ze het niet kunnen realiseren.

Wat is een dystopie?

Een schrikbeeld van de wereld of van een staat heet een dystopie (Grieks, dys-, moeilijk, slecht).

Totalitaire dystopieën vinden we onder meer terug in Brave new world van Aldous Huxley en 1984 van George Orwell.

Volgens sommigen is de huidige wereld al de ergst denkbare.

Volgens anderen, zoals Gottfried Leibniz, is de huidige wereld, hoe erg ook, juist de beste van alle denkbare werelden.

Een hedendaagse verschijningsvorm van de dystopist is de zogeheten prepper, een Amerikaanse term voor mensen die gefixeerd raken op een specifiek schrikbeeld en alles doen om zich erop voor te bereiden.

Gangbare rampscenario’s zijn een elektromagnetische puls van de zon of een omkering van de magnetische polen of een verschuiving van de golfstromen of een klimaatverandering of een vloedgolf of een wateroorlog of een pandemie of een nucleaire winter of een bevolkingsexplosie of een superintelligente robot die de mensheid overvleugelt.

Het merkwaardige aan preppers is dat ze zich gewoonlijk druk maken over één specifieke ramp en alle andere rampscenario’s negeren.

Het komt mij voor dat dystopisten lijden onder hun schrikbeeld, maar ervan genieten om het einde der tijden aan anderen te verkondigen en zich erop voor te bereiden.

Wat is een atopie?

Wat een utopie is voor de een, is een dystopie voor de ander. Denk maar aan de socialistische heilstaat, de christelijke heilstaat en de boeddhistische heilstaat.

Wat een dystopie is voor de een, is een utopie voor de ander. Denk maar aan het Derde Rijk, het Ottomaanse rijk, het Romeinse rijk.

Het lijkt dus nogal subjectief of je een toekomstbeeld ervaart als hemel of als hel: het is maar net wat je gelooft.

Wie niet weet, zoals ik, gelooft zijn gedachten niet – deze ook niet.

Iedere vorm van utopisme, dystopisme, activisme, fatalisme, fundamentalisme en nihilisme is hem daarom vreemd.

Hij is geen utopist en geen dystopist maar een atopist, zou je kunnen zeggen – een lege visionair, Ø.

Zijn toekomstvisie is geen utopie en geen dystopie maar een atopie – een leeg visioen, Ø.*

* Niet te verwarren met een visioen van de leegte; dat is typisch boeddhistisch.

Niet-weten als atopie

Ook niet-weten is voor een agnost geen heilige graal.

De wereld hoeft niet zo nodig van haar weterij bevrijd te worden, als dat al zou kunnen.

Van mij tenminste niet.

Mocht er toch een bevrijdingsbeweging ontstaan die streeft naar algehele agnose, dan hoeft de wereld niet zo nodig van deze bevrijdingsbeweging bevrijd te worden.

Van mij tenminste niet.

Mocht er vervolgens een nieuwe bevrijdingsbeweging ontstaan die de wereld van de oude bevrijdingsbeweging of van haar nieuwerwetse nietweterij wil bevrijden – soit.

Bevrijders zijn nou eenmaal gebonden aan hun eigen opvattingen over vrijheid.

Nog puntiger gezegd:

Vrijheidsstrijders zijn vrijheidslijders.

Jij?

-183-

Woordenboek niet-weten: weteloosheid

Weteloosheid versus niet-weten

In den beginne heette NietWeten.nl weteloosheid.nl, en later nog een poosje weteloos.nl.

Ik had voor weteloos(heid) gekozen omdat ik niet-weten zo lelijk vond, met dat onhandige streepje erin en dat negatieve ‘niet’.

Bovendien werd de zoekterm niet-weten tien jaar terug door de zoekmachines automatisch vertaald in de zoekopdracht niet OR weten, die veel te veel zoekresultaten opleverde, vooral ruis.

De zoekresultaten zijn inmiddels wel wat verbeterd, maar niet-veel, of je moet net op zoek zijn naar ‘ikke niet weten’ of ‘niet willen weten of je zwanger bent’ of ‘ik zou het ook niet weten’ en soortgelijke zinnetjes in talloze krantenartikeltjes, blogs, forums en reacties.

Weteloos(heid) zou inderdaad een prima zoekterm zijn als het woord eenmaal was ingeburgerd, maar dat was het niet.

Hoe naïef kan je zijn.

We zijn inmiddels elf jaar verder en niet-weten is nog altijd de enige ingeburgerde term, zowel in de mystiek als in zen, om naar, eh, niet-weten te verwijzen.

Ingeburgerd is een groot woord, voor de meeste mensen betekent niet-weten gewoon onwetendheid, maar toch.

Wil je weten wat andere weetnietgeesten over dit onderwerp te melden hebben dan moet je zoeken op niet-weten.

Wil je dat anderen lezen wat jij over dit onderwerp te melden hebt, dan moet je schrijven over niet-weten.

Ik ben nog steeds naïef en probeer het nu met agnose, maar zoekmachines worden steeds conservatiever en vervangen nieuwvormingen inmiddels standaard door zoeksuggesties uit de officiële woordenlijst.

Weteloos, weteloosheid, weteloze

In het reusachtige Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) komt het woord weteloos gek genoeg niet eens voor, terwijl het toch al eeuwen wordt gebruikt.

Zo bestaat er een wat oudere vertaling van de preken van Meister Eckhart waarin die, of tenminste zijn vertaler, zoiets zegt als ‘want hun weten is weteloos’.

Alleen kan ik zo gauw niet terugvinden waar, dus de literatuurverwijzing hou je van me tegoed, waarschijnlijk voorgoed.

In het gedicht Duc nos quo tendimus van Guido Gezelle lezen we:

Groot van oogen, grauw van velle,
lang van ooren, krom van been,
zitten nu de lieve, snelle
jongskes op mijn hand, getween,
weteloos of, weggedreven,
vader nog en moeder leven!

Het woord weteloos mag dan in het WNT ontbreken, het bevat wel de vormvarianten weetloos en wetenloos, in de betekenis van onwetend, onkundig, onbekend, vergeten, onbewust.

Beide met het label ‘verouderd’.

In de Dikke Van Dale, die akelig dun is vergeleken met het WNT, ontbreken ze alle drie.

Mooi zo, dan kan ik ze zonder gevaar voor ambiguïteit recyclen.

Hierbij definieer ik de termen weetloos, wetenloos en weteloos als niet-wetend; weetloosheid, wetenloosheid en weteloosheid als niet-weten; en weetloze, wetenloze en weteloze als weetniet.

Kenneloos, kenneloosheid, kenneloze

Kortgeleden ontdekte ik in de WNT ook nog het woord kenneloos (kennelôs, kinneloos).

Volgens het woordenboek is kenneloos een antoniem van kennelijk (kennelijc).

In algemene zin betekent het ‘zonder kennis’, in de middeleeuwse mystiek werd het verstaan als ‘zonder kennis of bewustheid van het onzienlijke, het geestelijke’.

In het laatste geval zou het gaan om een soort onwetendheid en niet om de wolk van niet-weten van het gelijknamige Engelse traktaatje, of om de donkere nacht van de ziel van Johannes van het Kruis.

Kenneloos, kenneloosheid en kenneloze kan je gebruiken als synoniem van weteloos, weteloosheid en weteloze.

-184-

Lettergrepen naar de onmacht

Tussenwerpsels voor wegwerpers.

‘Wat is de kern van jouw leer, Hans?’

‘Ach.’

‘Bedoel je dat je het niet weet?’

‘Och.’

‘Bedoel je dat jouw leer geen kern heeft?’

‘Jeetje.’

‘Of is dat juist de kern ervan?’

‘Eh…’

‘Bedoel je misschien dat jouw leer geen leer is?’

‘Tja.’

‘Dan weet ik het ook niet meer.’

‘Je veronderstelt dat ik iets bedoel.’

‘Ach.’

‘Nou veronderstel je weer dat ik niets bedoel.’

‘Och.’

‘Nou veronderstel je weer dat ik tegen veronderstellingen ben.’

‘Jeetje.’

‘Zie je het patroon?’

‘Eh…’

‘Meer heb ik niet te zeggen.’

‘Tja.’

-185-

Woordenboek niet-weten: leegte

Om te laten zien wat de leegte van niet-weten inhoudt, vergelijk ik die hieronder met zes andere soorten leegte.

Ik kan er nog wel meer bedenken en hele andere indelingen maken ook, maar daar gaat het niet om.

Ik ben geen filosoof of antifilosoof, niet gelovig of ongelovig, geen gnosticus of agnosticus en mijn gezond verstand laat het ook al jaren afweten, dus dit wordt geen academisch verantwoord stuk.

Ik wil alleen eventuele misverstanden over de leegte van de lege leer uit de weg ruimen.

1. Een materieel niets: de ruimte

Realisten verstaan onder leegte vaak het niets of de ruimte waarin het iets, de materie, het zijnde, ís.

Sommige denkers zien deze ruimte als een object van een hogere of de hoogste of een lagere of de laagste orde, andere slechts als een bestaansvoorwaarde voor materiële objecten, weer andere als het product van diezelfde objecten, die naar hun mening de ruimte niet innemen maar produceren, projecteren of definiëren.*

* Immanuel Kant ziet ruimte als een categorie van het verstand, een manier om de werkelijkheid te ordenen die zelf niet als object in de werkelijkheid gegeven is.

2. Een ideëel niets: het lege bewustzijn

Idealisten verstaan onder leegte vaak het bewustzijn zelf; een ongrijpbaar, tijdloos, plaatsloos, voor- of bovenzinnelijk medium, hetzij individueel, hetzij universeel, waarin de ‘tienduizend verschijnselen’ zich kenbaar maken en waardoor ze gekend worden.

3. Een religieus niets: de lege godheid

Theïsten, vooral mystici, verstaan onder leegte vaak een kosmisch niets van goddelijke aard waarin de dingen ontstaan en vergaan; een niets dat als schepper en vernietiger van het iets fungeert; de eerste oorzaak en de laatste bestemming ervan, het alfa en omega.

De godheid van een Plotinus, een Pseudo-Dionysius de Areopagiet of een Meister Eckhart is een leegte zonder substantie en zonder eigenschappen, waarvan je niet eens meer kan zeggen of ze bestaat.

4. Een boeddhistisch niets: sunyata

Boeddhisten bedoelen met leegte dat dingen en mensen bij nader inzien geen eigen wezen of werking hebben maar alleen samen met al het andere bestaan.

Zoek je jezelf dan vind je de ander en omgekeerd.

Zoek je het subject dan vind je het object en omgekeerd.

Alles wijst naar iets anders, niets bestaat op zichzelf.

Het begrip sunyata is nauw verwant met de begrippen anatman (niet-zelf) en pratitya-samutpada (afhankelijk ontstaan).

5. Een spiritueel niets: de lege geest

Voor zoekers is leegte vaak hun idee over de geestestoestand van de ontwaakte: uitgedoofde verlangens en minimale mentale activiteit tegen de achtergrond van een ononderbroken oceanisch gevoel van liefde, vrede en geluk.

Persoonlijk moet ik de eerste mens wiens geest op die manier functioneert nog tegenkomen.

Zelf heb ik in ieder geval een levendig verstand en een dito gemoed; als er al eens niets gebeurt dan is dat zo voorbij.

Tamelijk lege geesten ben ik wel tegengekomen – op de afdeling dementie van verpleeghuis Tamarinde in Utrecht bijvoorbeeld – maar voor zover ik kon beoordelen was er bij deze alzheimerpatiënten, waaronder mijn beide ouders, van een ononderbroken oceanisch gevoel van liefde, vrede en geluk geen sprake.

Wel gingen ze uit als een nachtkaars, maar om dat nou nirwana te noemen?

6. Een ethisch niets: de lege moraal

Voor nihilisten, cynici, pessimisten, anarchisten, absurdisten, dadaïsten, defaitisten, fatalisten, existentialisten, relativisten, subjectivisten, pluralisten, postmoralisten en postmodernisten duidt het begrip leegte meestal op het ontbreken van absolute, onbetwijfelbare, universele normen en waarden die als basis kunnen dienen voor individuele en maatschappelijke keuzes.

7. Een epistemologisch niets: de lege leer

Niet-weten is een lege leer.

Een lege leer spreekt zich nergens over uit, dus ook niet over het al dan niet bestaan van welke vorm van leegte of niet-leegte ook – materieel, ideëel, religieus, boeddhistisch, spiritueel, ethisch of anderszins.

De lege leer verwijst niet naar een lege ruimte (1) niet naar een leeg bewustzijn (2) niet naar een lege god (3) niet naar een leeg zelf (4) niet naar een lege geest (5) niet naar een lege moraal (6).

De lege leer is gewoon leeg – vrij van concepten, aannames, dogma’s, stellingen en afleidingen.

-186-

Definities van niet-weten – juni

1. Niet-weten is geen geloof.

2. Niet-weten is geen ongeloof.

3. Niet-weten is een geloof zonder geloof.

4. Niet-weten is het einde van je geloof en het einde van je ongeloof.

5. Niet-weten is niets geloven, dit ook niet.

6. Niet-weten is niemand geloven, jezelf ook niet.

7. Niet-weten is paranoia.

8. Niet-weten is alles betwijfelen, zelfs de twijfel.

9. Niet-weten is steeds een slag om de arm houden, ook hierover.

10. Niet-weten is nergens je hand voor in het vuur steken, ook hiervoor niet.

11. Niet-weten is no claim en geen verzekering.

12. Niet-weten is all-risk.

13. Niet-weten is absolute zekerheid over absoluut niets.

14. Niet-weten is nergens op rekenen.

15. Niet-weten is overal rekening mee houden.

16. Niet-weten is alles afleren.

17. Niet-weten is ook het afleren afleren.

18. Niet-weten is geen leer en leerstukken over niet-weten zijn geen niet-weten.

19. Niet-weten is geen inzicht maar geen-inzicht.

20. Niet-weten is ‘weten’.

21. Niet-weten is geen niet-weten als er niet-weten op staat.

22. Niet-weten is nú iets niet weten.

23. Niet-weten is altijd nu.

24. Niet-weten kent geen tijd.

25. Niet-weten is weten van het bord voor je kop.

26. Niet-weten is niet weten uit te sluiten.

27. Niet-weten is geen verschil maken.

28. Niet-weten is geen onderscheid weten te maken.

29. Niet-weten is een non-leer die geen enkel onderscheid erkent of ontkent.

30. Niet-weten is geen buit, maar het einde van de jacht.

365 Definities van niet-weten – juni.

-187-

Woordenboek niet-weten: wegwerp-

‘Wegwerp-’ is een voorvoegsel waarmee je aangeeft dat iets na gebruik weggegooid kan worden – reuze handig voor elke leer die eropuit is zichzelf overbodig te maken.

Daarmee had Boeddha zijn ‘vaardige middelen’ (paramita’s) die je verder helpen op je zogenaamde pad wegwerpmiddelen kunnen noemen, het vlot waarmee je zogenaamd oversteekt van samsara naar nirwana een wegwerpvlot, zodat althans dáárover geen misverstand zou zijn ontstaan, zei de optimist.

Ikzelf noem mijn website NietWeten.nl een wegwerpsite, mijn boeken wegwerpboeken, mijn teksten wegwerpteksten en mijn nieuwvormingen wegwerpwoorden.

Een wegwerpbewering is een bewering die alleen maar dient om andere beweringen te ondermijnen.

Al mijn beweringen over niet-weten zijn wegwerpbeweringen, deze ook.

Een wegwerpverhaal is een verhaal dat alleen maar dient om andere verhalen te ondermijnen.

Al mijn verhalen over niet-weten zijn wegwerpverhalen, dit verhaal ook.

Wegwerpwijsheid is wijsheid die alleen maar dient om andere wijsheid te ondermijnen.

Al mijn wijsheid is wegwerpwijsheid, deze ook.

Wegwerpspiritualiteit ten slotte (je moet toch een keer ophouden) is spiritualiteit die alleen maar dient om andere vormen van spiritualiteit te ondermijnen.

Wat overblijft na al het wegwerpen is lege spiritualiteit, gespeend van inhoud.

Spiritus is Latijn voor geest.

Wegwerpen is de geest van niet-weten.

Weetnietgeest, wegwerpgeest.

-188-

Woordenboek niet-weten: ‘Weg ermee!’

Een taalhandeling of taaldaad is een woord dat doet wat het zegt, bijvoorbeeld: ‘Ik heet u van harte welkom’ of ‘Ik wens je smakelijk eten’ of ‘Gefeliciteerd met je overlijden’.

Het is niet dat er na de taaldaad nog iets te doen staat, zeggen is de handeling.

‘Weg ermee’ is een taaldaad waarmee je ergens afstand van neemt.

In de context van niet-weten zeg je ‘weg ermee’ om afstand te nemen van een verhaal, opvatting, theorie, geloof, waarheid of begrip dat een of ander weten uitdrukt.

En om afstand te nemen van het niet-weten zélf, dat onderscheid maakt tussen wel en niet weten en daarmee nog altijd een vorm van kennis is.

Weg ermee.

Net zo makkelijk.

Het ‘weg ermee’ kan ook op zichzelf worden toegepast: ‘En weg ook met het weg ermee.’

Met deze taaldaad in het kwadraat neem je afstand van het afstand nemen.

Zo worden alle afstanden in één klap tot nul gereduceerd – een goede definitie van niet-weten.

-189-

Niet-weten is enkel spel

‘Wat is weten?’

‘Vals spelen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Spelen.’

-190-

Niet-weten is dubbel spel

‘Wat is weten?’

‘Volgens de regels spelen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Met de regels spelen.’

-191-

Niet-weten is gelijkspel

‘Het lijkt wel of jij altijd gelijk hebt, Hans.’

‘Ik heb nooit gelijk.’

‘Ach gut.’

‘En nooit ongelijk.’

‘Bedoel je dat de waarheid voorbij gelijk en ongelijk ligt?’

‘De wat?’

‘Of dat waarheid niet bestaat?’

‘Ik ben mij van geen bedoeling bewust.’

‘Bedoel je dat wij iedere bedoeling los moeten laten?’

‘Met welk doel?’

‘Zie je wel?’

‘Wat?’

‘Het lijkt wel of jij altijd gelijk hebt.’

-192-

Niet-weten als taalspel

Kan een weetniet wetenschap bedrijven? Een wiskunstenaar wiskunde? Een dwijsgeer wijsbegeerte? Gewetensvragen aan een weteloze.

Bewijsvoering kan je opvatten als een taalspel waarin je vanuit bepaalde premissen (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) in een bepaalde taal (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) volgens de afleidingsregels van een bepaalde logica (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) tot ware uitspraken probeert te komen.

Zoals ieder spel kan het taalspel dat bewijsvoering heet pas gespeeld worden wanneer de spelers het eens zijn over de spelregels.

Zodra iemand de geldigheid van de premissen aanvecht is het spel uit.

Zodra iemand wil overschakelen op een andere logica is het spel uit.

Zodra iemand de taal ter discussie stelt waarvan de bewijsvoering zich bedient (natuurlijke taal, formele taal, procedurele taal) is het spel uit.

‘Waar’ is een gegeven uitspraak alleen voor degenen die het eens zijn over de spelregels en die alle aannames onderschrijven – voor degenen die bereid zijn het spel ten volle te spelen.

Waarheid wordt dan een kwestie van conventie, van consensus, van de meeste stemmen gelden, van reglementair gedrag, van sportiviteit, zou je kunnen zeggen, als waarheidsbejag denksport was.

Als bewijsvoering een taalspel is, dan is waarheid het domein van teamspelers en supporters.

De rest staat buitenspel.

Het ‘hoogste’ bewijsvoeringsspel wordt wellicht gespeeld door wiskundigen en exacte wetenschappers.

Zij besteden relatief de meeste aandacht aan het uitschrijven van de primitieven, postulaten en premissen, de gebruikte woorden en symbolen en de logische afleidingsregels.

In de alfa-wetenschappen, in de filosofie en in de theologie is eerder sprake van redeneren dan van bewijzen; in het openbare debat, in de religieuze praktijk en in het dagelijks leven eerder van overreden dan van redeneren.

Ook de rede en de retoriek kan je zien als taalspelen met eigen spelregels.

Naakt mannetje met een bolhoed die met het handvat van zijn paraplu aan een vliegend tapijt hangt met een gekanteelde toren erop.
‘Een weetniet bekijkt de wereld niet vanuit een ivoren toren maar vanuit steeds wisselende standpunten.’

Wat voor taalspel is niet-weten?

Een spel van niet beweren of althans herroepen wat je zo nodig schijnt te moeten roepen.

Waar niets beweerd wordt valt niets te bewijzen of te beredeneren, ook niet met betrekking tot het bewijzen of redeneren zelf.

Niet-weten kent geen vaststellingen, geen doelstellingen, geen winnaars en geen verliezers.

Het werpt balletjes op en het slaat ze weer weg, dat is alles.

Het ene na het andere, nu dit balletje weer.

Het is een choreografietje van niets – een ballètje.

Niet-weten is kinderspel.

Dat niet-weten kinderspel is, betekent nog niet dat een agnost geen wiskunde, wetenschap, filosofie enzovoort kan bedrijven.

Het betekent alleen maar dat hij de resultaten daarvan niet ziet als onomstotelijk bewezen, niet als relatief waar binnen het taalspel dat bewijsvoering, rede of retoriek heet en ook niet op een andere onveranderlijke, vooringenomen wijze.

Een weetniet bekijkt de wereld niet vanuit een ivoren toren maar vanuit steeds wisselende standpunten, zeg maar gerust verdwijnpunten – net hoe de wind waait, het tapijt vliegt, de steen rolt, de pet staat, de vlag erbij hangt, of de onderjurk.

Geen van die gezichtspunten houdt hij voor absoluut waar of onwaar, geldig of ongeldig, canoniek of aprocrief, subjectief of objectief, palliatief of curatief, exclusief of inclusief, tentatief, definitief of aperitief.

Dit gezichtspunt ook niet.

-193-

Niet-weten is een kaartenhuis

1

‘Wat is weten?’

‘De kaarten opnemen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Je kaarten op tafel leggen.’

2

‘Wat is weten?’

‘Je kaarten sorteren.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Je kaarten schudden.’

3

‘Wat is weten?’

‘Doorgestoken kaart.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een blinde kaart.’

4

‘Wat is weten?’

‘Alles op één kaart zetten.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Helemaal van de kaart zijn.’

5

‘Wat is weten?’

‘Hartenjagen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Schoppen.’

6

‘Wat is weten?’

‘Strippoker’

‘Wat is niet-weten?’

‘Naturisme.’

7

‘Wat is weten?’

‘Blufpoker.’

‘Wat is niet-weten?’

‘In je kaart laten kijken.’

8

‘Wat is weten?’

‘Full house.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Empty house.’

9

‘Wat is weten?’

‘Full house.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Fool house.’

10

‘Wat is weten?’

‘Een plaatje.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een joker.’

11

‘Wat is weten?’

‘Een kaartenhuis.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Ook een kaartenhuis.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘Het tweede is al ingestort.’

-194-

Woordenboek niet-weten: grote vrijheid

Niet-weten staat voor een wakkere geest die zich door geen enkele gedachte laat flessen, ook niet door deze.

Een weetnietgeest is een vrijgeest die nergens in vastzit, ook niet in zijn vrijheid.

Een vrijgeest is een libertijn die de flessengeest zijn fles gunt, de heremietkreeft zijn schelp, de kluizenaar zijn cel, de gelovige zijn overtuiging, de bodhisattva zijn geloften, de leerling zijn leer, de horige zijn heer.

Niet-weten, dat is grote vrijheid.

De grote vrijheid van niet-weten staat tegenover de kleine vrijheid van het weten.

Ik noem de vrijheid van het weten klein omdat je daarin gekluisterd bent aan een bepaald vrijheidsbeeld – politiek, religieus, spiritueel, maakt niet uit, hoe fraai ook.

Kleine vrijheid is geen vrijheid maar een parodie op vrijheid, wou ik zeggen, maar dat is gewoon het volgende vrijheidsbeeld.

Kleine vrijheid is helemaal geen parodie op vrijheid, maar de vrijheid om een bepaald vrijheidsbeeld te dienen, denk ik nu weer, maar dat is opnieuw een vrijheidsbeeld.

Zie je dat ik niets over grote vrijheid kan zeggen zonder een hol vrijheidsbeeld te creëren waarin ik mezelf als schrijver en jou als lezer opsluit?

Alleen al door te spreken van grote vrijheid, dat te koppelen aan niet-weten, het af te zetten tegen kleine vrijheid en dat te koppelen aan het weten, zadel ik ons op met maar liefst vier denkbeelden.

Bah, zei de beeldenstormer, en richtte een beeld op voor zichzelf.

Wat ben jij liever: een beeldendienaar, een vrijheidsbeeld of vrij van beelden?

Denk jij dat je daar vrij tussen kan kiezen?

Is keuzevrijheid volgens jou een denkbeeld of een feit?

Als je denkt dat het een feit is, hoe komt het dan dat er al duizenden jaren over gedebatteerd wordt?

Als je denkt dat het een denkbeeld is, hoe kan het dan dat zoveel mensen het ervaren?

Bewijzen ervaringen volgens jou dat wat je ervaart objectief bestaat?

-195-

Is niet-weten nou wijsheid, openheid, liefde of mededogen?

Apologeten brengen niet-weten tegenwoordig graag in verband met wijsheid1, openheid2, liefde3 en mededogen4.

1. Zie Estelle Frankl in De wijsheid van het niet-weten.

2. Zie Jan Oegema in De stille stem en Edel Maex in Iedereen weet.

3. Zie bijvoorbeeld de non-dualisten Wolter Keers, Jan van Delden en Jean Klein.

4. Zie de drie intenties van de Zen Peacemakers.

Je kan er nauwelijks bezwaar tegen maken, niemand heeft het alleenrecht op deze woorden, maar helemaal onschuldig is deze trend niet.

Wie het verband tussen niet-weten, wijsheid, openheid, liefde en mededogen letterlijk neemt, zadelt zichzelf namelijk 1, 2, 3, 4 op met een last waar een ezel nog onder zou bezwijken.

Alsof je met een muisklik een bijlage met malware opent die subiet je hele computer in gijzeling neemt.

Ineens zijn daar de ideaalbeelden van de wijze mens, de open mens, de liefdevolle mens en de mededogende mens.

Ineens zijn daar de schrikbeelden van de dwaze mens, de gesloten mens, de haatdragende mens en de meedogenloze mens.

Ineens is daar het denkbeeld van de rationele, maakbare mens die te allen tijde over voldoende onderscheidingsvermogen beschikt om voornoemde onderscheidingen te maken, en over voldoende vrije wil om hem in staat te stellen vóór wijsheid en tegen dwaasheid te kiezen, voor openheid en tegen geslotenheid, voor liefde en tegen haat, voor mededogen en tegen onverschilligheid.

Ineens is daar het denkbeeld van een spirituele of religieuze weg die tot wijsheid enzovoort leidt en een andere, wereldse, verderfelijke weg die tot dwaasheid enzovoort leidt.

Als Trojaanse paarden dringen de denkbeelden je geest binnen, en zie ze er dan maar weer uit te krijgen.

Dromend van wijsheid, openheid, liefde en mededogen word je ter plekke een dubbelbeeld in je eigen beeldentuin – gevangene en cipier ineen.

Even niet opgelet en nietweten is betweten geworden, beeldenstorm beeldenverering.

Waarmee niet gezegd is dat we er geen mensbeelden, wereldbeelden, ideaalbeelden enzovoort op na mogen houden, als we daar al iets over te zeggen hebben, of dat we de iconoclast op een sokkel moeten hijsen.

Ook dat zijn maar denkbeelden waarover de lege leer zich niet uitspreekt.

Net als de lege leer zelf, trouwens.

Weg ermee.

-196-

Voor mensen wier denken zich bedenken is

Waar weten, met name het religieuze en spirituele, naar het hemelse neigt, heeft bij niet-weten het aardse de overhand.

Dwijsheid is spiritualiteit voor gevallenen.

Voor mensen die met hun mond vol tanden staan.

Voor mensen die steeds over hun eigen woorden en gedachten struikelen.

Voor mensen wier denken zich bedenken is.

Zij bedienen zich niet van jubeltaal maar van stameltaal.

Van alledaagse gebaren als een schouderophalen, een knipoog en een glimlach.

Van eenvoudige tussenwerpsels als tja en eh en ach.

Zij staan dichter bij hun uitwerpsels dan bij de hoogste waarheid, en dat is hun grote boodschap.

Een weetniet is een mysticus zonder hemel of hel.

Een gevangene zonder tralies of cel.

Een bedelaar zonder nap of bel.

Een garnaal zonder zee of pel.

Een geboren en bestorven bloterik.

Iemand die er afhankelijk van zijn bouw rond of plat voor uitkomt dat hij een kont heeft waar van alles in en uit kan.

Een frommelig geslachtsdeel.

Twijfelachtige instincten.

Haren op de verkeerde plaatsen.

Een raar figuur.

Lange tenen.

Een scherpe tong.

Een botte kop.

Onverklaarbare gevoelens.

Onbegrijpelijke motieven.

Onnavolgbare gedachten.

Alles erop en eraan, nu eens tegen wil en dank, dan weer ervoor.

Herken je je in deze omschrijving?

Dan is niet-weten misschien iets voor jou.

-197-

Zo klein worden als je bent

Een weetniet doet zich niet mooier voor dan hij is.

Vandaar dat hij nooit zal zeggen dat hij zich niet mooier voordoet dan hij is.

Want dat doet hij wél, net als iedereen die zijn haren wast of de slaap uit zijn ogen wrijft of een broek aantrekt als hij naar buiten gaat.

Wie niet weet, verkeert net als alle voelende wezens zijn hele leven in problemen zonder oplossing.

Die je dus net zo goed oplossingen met problemen kan noemen.

Of, als je er een handje van hebt spiritueel te doen, vingers naar de waan.

Bewust naakt in het leven staan – dat is de spiritualiteit van niet-weten.

Zo klein worden als je bent.

Groot noch klein om precies te zijn, grof noch fijn, waardig noch onwaardig, aardig noch onaardig zijn noch niet-zijn.

Want om het met Hamlet te zeggen, die het ook maar van Shakespeare had:

Niets is van zichzelf goed of slecht, dat maakt het denken ervan.

En wie of wat maakt ervan dat niets van zichzelf goed of slecht is?

Het denken zeker weer.

Want om het ook maar eens zonder Hamlet of Shakespeare te zeggen:

Niets is van zichzelf goed noch slecht, dat maakt het denken ervan.

Het denken maakt namelijk overal wat van.

Zelfs van het denken.

Tenminste, dat maak ik ervan.

Wat maak jij ervan?

-198-

Je hoort het niet, mijn stille lied

Je hoort het niet
en leert het nooit
Het zingt maar rond
Mijn stille lied

Al leer ik niets
En niemand iets
Ik kwinkeleer
De lege leer

Zij is mijn hoer
Mijn oudste zeer
Mijn dolle roer
Mijn diepste meer

Ze hoort me niet
Ze leert het nooit
Ik zing berooid
Haar stille lied

Bis

Notenbalken met alleen maar rusttekens.
‘Het zingt maar rond, mijn stille lied.’

-199-

Het agnosticon, Ø, als symbool van de lege leer

Stel, je zoekt een kant-en-klaar symbool voor de lege leer of voor de lege leerling of voor het lege denkbeeld of voor niet-weten of hoe je het maar noemen wil. Wat kies je dan?

Een nul (0)?

Een vraagteken (?)?

Een beletselteken (…)?

Een oneindigheidsteken (∞)?

Een ontkenningssteken (¬)?

Ik heb van alles uitgeprobeerd en ben uiteindelijk blijven hangen bij het teken Ø, een schuin doorgestreepte cirkel of nul.

Waarom juist dit symbool?

In het Deens, Faeröers en Noors en in het fonetisch alfabet staat de letter Ø voor de klank (œː), als in ‘deur’.

Onze taal heeft zelfs een woord dat uit niets dan deze klank bestaat – het tussenwerpsel ‘eh’, vormvariant ‘uh’, in Vlaanderen ‘euh’.

Eh is een van de meest gesproken woorden van het Nederlands en van heel wat andere talen.

Laten we Ø daarom het eh-teken of het eh-symbool of kortweg (de) eh noemen.

Of het lege symbool of het weetnietsymbool, en op zon- en feestdagen het agnosticon, afgeleid van agnose (Grieks: a-, niet + gnosis, kennis), een chic woord voor niet-weten.

In de omgangstaal vult het tussenwerpsel ‘eh’ de stilte tussen twee woorden op.

Voor zover het een kreun nabootst, behoort het tot de klankwoorden (onomatopeeën).

Aan het eind van een zin ontdoet het die van stelligheid of betekenis, net als je hoofd schudden of je schouders ophalen of je lippen samenpersen.

Eh zeggen is niets zeggen.

Zeggen dat je niets zegt of weet te zeggen.

Als uitdrukking van niet-weten is dit niets zeggen zeer veelzeggend.

Meer kan je nauwelijks over niet-weten zeggen zonder je te vergalopperen.

Beter kan je het haast niet zeggen.

Eh is stilte in een woord.

Dat niet meer is dan het begin van een woord.

Een aankondiging ervan.

Vandaar dat dit tweeletterige onwoord ‘eh’ in mijn dwaalteksten samen met het drieletterige ‘tja’ een glansrol vervult als de kortst denkbare gesproken uitdrukking van agnose – zwijgen daargelaten.

Dat de Ø internationaal uitgesproken wordt als ‘eh’, is reden genoeg om juist dit teken als symbool voor de lege leer te gebruiken, maar het wordt nog mooier.

In de wiskunde staat Ø voor de lege verzameling, ook wel aangeduid als {} (de lege opsomming, een opsomming van niets), en voor de ondenkbare oplossingenverzameling.

Buiten de wiskunde staat Ø gewoon voor ‘niets’.

Drie uitmuntende metaforen voor de lege leer – gratis en, eh, voor niets.

Hoe maak je een Ø op een toetsenbord?

Op het in Nederland veelgebruikte Amerikaans-internationale toetsenbord, maak je de grote eh, Ø, met de toetscombinatie SHIFT + ALT GR + de letter l. ALT GR is meestal de réchter ALT-toets. Zonder shift krijg je de kleine eh, ø. Probeer maar eens.

Op Apple-computers gebruik je de toetscombinaties SHIFT + OPTION + o respectievelijk OPTION + o.

-200-

Verder, verder! Van enso naar agnosticon

Ben je weleens in een zendo geweest, zo’n bijna lege ruimte waar aan zenmeditatie wordt gedaan?

Goeie kans dat je dan een enso aan de muur hebt gezien.

Een enso (円相, ensō, Japans voor cirkel) is een open of gesloten cirkel ‘getrokken met een lege geest die het kalligraferen aan het lichaam overlaat’.

De afbeelding hieronder is getrokken met een lege geest die het kalligraferen aan de computer overliet, want je moet wel met je tijd meegaan.

De enso (円相, ensō, ensoo, Japans voor ‘cirkel’)

Het ziet er een beetje stijfjes uit, maar je snapt het idee.

De enso staat traditioneel voor leegte, verlichting, het absolute, het ene, de kosmos, het zelf en dergelijke.

Een optioneel gat in de omtrek verwijst naar openheid of beweging.

Hoewel de lege leer zich nergens over uitspreekt, dus ook niet over verlichting, het absolute, het ene, de kosmos, het zelf en dergelijke, is het vanwege de vorm en de leegte van de enso, in concreto de cirkelomtrek en het gat, niet vergezocht de enso in te lijven bij de symbolen van de lege leer.

Eventueel met een streep erdoor, zodat het op dat andere symbool voor niet-weten gaat lijken:

Enso met streep van rechtsboven naar linksonder.
Het agnosticon als enso met een schuine streep erdoor.

Het doet een beetje denken aan een verkeersbord, vind je niet?

Verboden te parkeren of zo.

Dat komt dan goed uit.

Niet-weten is nergens blijven hangen.

Almaar in beweging blijven.

Verder, verder!

-201-

Je weet niet wat je zegt

Veel mensen denken dat woorden maar één betekenis hebben en dat die betekenis voor iedereen hetzelfde is.

Daarmee gaan ze voorbij aan de annotatie, de persoonlijke, associatieve betekenis van een woord, die voor iedereen anders is, en aan de situationele betekenis, die door de context wordt bepaald en min of meer uniek is.

Maar ook de denotatie, de woordenboekbetekenis van een woord, is verre van eenduidig.

Mensen gebruiken hetzelfde woord in verschillende betekenissen, soms zelfs in dezelfde zin, zonder zich er bewust van te zijn:

Door de bank genomen zetten mensen hun geld liever op de bank dan op het spel en zitten ze liever op een bank dan op een stoel.

Vreemd genoeg denken de meeste mensen dat ze precies weten wat ze zeggen en dat andere mensen precies weten wat ze bedoelen.

Als ze al eens twijfelen, pakken ze het woordenboek erbij om het misverstand eventjes uit de weg te ruimen.

IJdele hoop.

Ik garandeer je dat je helemaal niet precies weet wat je zegt.

Niet eens bij benadering.

Laat staan dat een ander precies begrijpt wat je bedoelt.

Neem nou het woord ‘woordenboek’.

Probeer voor je verder leest eerst te bedenken wat dat volgens jou betekent.

Hebbes?

Dit zegt Van Dale erover:

woordenboek, boek waarin woorden (met opgave van bepaalde grammaticale kenmerken) en de vaste verbindingen waarin ze gebruikt worden, met hun betekenis (in alfabetische volgorde) zijn opgenomen’

Is dit zo’n beetje wat je in gedachten had?

Vast niet.

Bovendien staan er allemaal nieuwe woorden in die we op hun beurt moeten uitpluizen.

Het eerste woord van de definitie van ‘woordenboek’ is ‘boek’.

Wat betekent dat volgens jou?

Dit maakt Van Dale ervan:

boek, 1. (als voorwerp) geheel van een aantal bedrukte of beschreven bladen van papier, perkament of andere stof, een geschrift over enig onderwerp bevattende, met name zulk een uit gevouwen en samengenaaide vellen, bedrukt papier bestaand geheel, al of niet in een band gebonden; 2. letterkundig werk, verhandeling, beschrijving enzovoort, in zulk een samenstel van bladen neergelegd en gepubliceerd; 3. een geheel van denkbeelden, voorstellingen, ervaringen enz. waarin men als ’t ware kan lezen; 4. hoofdafdeling van een enigszins uitgebreid letterkundig werk, m.n. in de bijbel; 5. een aantal bladen wit, veelal gelinieerd papier, ingebonden en bestemd om er aantekeningen in te schrijven; 6. naam voor een bepaalde hoeveelheid; 7. portefeuille; 8. (als verkorting van) boekpens

Ik weet niet hoe jouw definitie luidde, maar zelf had ik alleen de eerste betekenis in gedachten, zij het minder gedetailleerd, met andere accenten en nuances.

Het derde woord van de definitie van ‘woordenboek’ is ‘woord’.

Wat is een woord?

woord, 1. het kleinste geheel van spraakgeluiden dat op zichzelf een betekenis heeft en als zelfstandig taalelement gebruikt wordt; 2. de tekst van een lied; 3. de zichtbare (geschreven, gedrukte) voorstelling van het genoemde taalelement als samenstel van letters; 4. wat gezegd, meegedeeld, verteld wordt (ook in collectieve zin); 5. boos woord; 6. het uiten van woorden, het spreken (meestal in een bepaald verband); 7. erewoord; 8. wachtwoord.

Tjongejonge, wat een betekenissen allemaal.

Een moeras waar je steeds verder in wegzakt.

En dan hebben we het alleen nog maar over de denotatie.

Denk je nog steeds dat je precies weet wat je zegt?

Dan gaan we vrolijk verder.

Het vijfde woord van de definitie van ‘woordenboek’ is ‘opgave’.

Wat betekent dat volgens jou?

‘Ik geef het op’, zeg je?

Eerste woord: ‘ik’ – wie ben jij?

-202-

Wat is niet-weten nou echt?

Weten is duiden – watertrappelen in een zee van betekenissen.

Praten over niet-weten is weten van niet-weten.

Als ik de betekenissen op een rijtje zet die mensen in brieven en gesprekken en artikelen en boeken zoal toekennen aan het woord niet-weten, dan kom ik tot 22 betekenisvelden.

Eigenlijk waren het er meer, maar ik heb er een paar samengevoegd om op 22 uit te komen.

Vanwege de associatie met het begrip catch-22, een van de rode draden van dit Witboek Niet-Weten.

De opsomming hieronder dient als aanloopje naar mijn eigen, definitieve duiding van het begrip niet-weten.

Want dat wordt weleens tijd, vind je niet?

Duidelijkheid!

Voor eens en voor altijd!

Het Laatste Woord over niet-weten!

1. Niet-weten is wijsheid, de wijsheid zonder wijsheid, de wijsheid voorbij alle wijsheid, de kennis zonder leraar.

2. Niet-weten is een verschijningsvorm van samsara, een tussenstadium op weg naar nirwana, een valkuil op weg naar nirwana.

3. Niet-weten is de donkere nacht van de ziel in afwachting van het moment dat de mystieke godheid zich op zijn eigen tijd op zijn eigen wijze onthult.

4. Niet-weten is onzin, illusie, maya, mara, verderfelijk, gevaarlijk, duivels, een vloek.

5. Niet-weten is een transcendente werkelijkheid die iedere dualiteit overstijgt: de non-dualiteit, het absolute, de bron, het ene, de liefde.

6. Niet-weten is agnosticisme, relativisme, pragmatisme, subjectivisme, structuralisme, poststructuralisme, postmodernisme.

7. Niet-weten is twijfelzucht, oeverloze scepsis, epoche, het voor onbepaalde tijd opschorten van het oordeel.

8. Niet-weten is een aangename gemoedstoestand – sereniteit, gelukzaligheid, innerlijke vrede.

9. Niet-weten is onthechting, stoïcisme, fatalisme, gelatenheid, overgave.

10. Niet-weten is helderheid van geest, aandachtigheid, oplettendheid, mindfulness, ataraxia.

11. Niet-weten is een iconoclastisme – nihilisme, anarchisme, obscurantisme, irrationalisme of anti-intellectualisme.

12. Niet-weten is een vorm van escapisme – een vlucht in onwetendheid, onverantwoordelijkheid, defaitisme, immoraliteit, chronische onvolwassenheid.

13. Niet-weten is een pose, narcisme, uitsloverij, egotripperij.

14. Niet-weten is een levenshouding, een omgangsideaal, een managementstijl met het accent op openheid, onbevangenheid, bescheidenheid, vriendelijkheid en mededogen.

15. Niet-weten is een vorm van dementie, een neurose, ziekelijke vervreemding, verdwazing, een geestesziekte, een autistische fiep, een noodkreet van een dolende ziel, een roep om geestelijke bijstand, een herderscomplex, een verlosserscomplex, een minderwaardigheidscomplex.

16. Niet-weten is een antwoord op elke levensvraag, een panacee voor de problemen van alledag.

17. Niet-weten is een spirituele vorm van cognitieve therapie vergelijkbaar met het Werk van Byron Katie.

18. Niet-weten is vrijdenkerij, veeldenkerij, dwarsdenkerij, omdenkerij, niet-denkerij.

19. Niet-weten is een onbalans tussen hoofd en hart: een teveel aan jnana of een tekort aan bhakti.

20. Niet-weten is het onkenbare bewustzijn zelf, de stilte, de leegte het niets. Is het onvoorwaardelijke, egoloze, grenzeloze liefde.

21. Niet-weten is het totaal andere, het numineuze, het mysterie, het onzegbare, het onkenbare.

22. Niet-weten is een einde aan het lijden, een bron van lijden, een bron van inkomsten, een bron van ergernis, een bron van vermaak.

Wat is niet-weten nou echt?

Dat kan ik je niet vertellen.

Dat kan niemand je vertellen, want alle betekenissen zijn geoorloofd.

Maar wat niet-weten voor mij betekent op het moment dat ik dit schrijf (dat allang voorbij is op het moment dat jij dit leest) kan ik je wel vertellen.

Precies op dit moment betekent niet-weten voor mij: vrij rondzwemmen in eindeloze betekenisvelden zo dicht als kelpwouden zonder er nog in verstrikt te raken.

Tien seconden later

Ik had die betekenis nog niet onder woorden gebracht of hij verschoof tien graden in de lengte en vijftien in de breedte.

Precies op dit moment – ik schrijf zo snel als ik kan – betekent niet-weten voor mij: rustig rondzwemmen in de eindeloze ruimte tussen betekenisvelden zo dicht als kelpwouden zonder me nog verloren te voelen.

Tien seconden later

Ik had die verschoven betekenis nog niet onder woorden gebracht of hij verschoof nog eens twintig graden in de hoogte en dertig in de diepte.

Precies op dit moment betekent niet-weten voor mij: vrij rondzwammen over eindeloze betekenisvelden zo dicht als kelpwouden en me daarin helemaal kunnen verliezen.

Vijf minuten later

Toen ik deze tekst nog eens overlas, zag ik in de inleiding mijn aankondiging: ‘De opsomming dient als aanloopje naar mijn eigen, definitieve duiding van het begrip niet-weten.’

Helemaal vergeten, dat was mijn bruggetje naar de slotalinea, waarin ik zou onthullen wat niet-weten voor mij nou echt is.

Het goede nieuws is dat het dat precies op dit moment opnieuw is, als ik me goed herinner tenminste, zodat ik het, als ik een beetje opschiet, toch nog met je kan delen.

Precies op dit moment is niet-weten voor mij de onvoorstelbare en (tot nog toe) onomkeerbare zelfbewustwording van mijn denken – niet geleidelijk maar plotseling, of je een zee leeggooit – die zich niet onder of zonder woorden laat brengen, niet door mij, niet echt.

Onder woorden brengen legt vast wat los is, stilte zwijgt dood wat leeft, en in en uit dat spanningsveld ontstaat spontaan het spel van balletjes opgooien en weer wegslaan, met als resultaat de ene dwaaltekst na de andere, nu deze weer.

-203-

Herpex perplex

‘Wat is niet-weten?’

‘Een ziekte.’

‘Wat voor ziekte?’

‘Een genezende ziekte.’

‘Waarvan geneest de ziekte van niet-weten?’

‘Van complexiteit.’

‘Wat komt ervoor in de plaats?’

‘Perplexiteit.’

‘Geen eenvoud?’

‘Dat is een andere ziekte.’

‘Hoe heet die andere ziekte?’

‘Herpes simplex.’*

‘En de ziekte van complexiteit?’

‘Herpes complex natuurlijk.’

‘En de ziekte die geneest van zowel complexiteit als simpliciteit?’

‘Herpes perplex.’

‘Mij te moeilijk allemaal.’

‘Noem het dan maar niet-weten.’

‘Dat kan ik nog wel onthouden.’

‘Ik zou het maar vergeten.’

* Herpes is Grieks voor voortwoekerende wond, herpes simplex is medisch jargon voor een koortslip.

-204-

De man die ineens weer kon zien

Een gebedsgenezer legt zijn hand op het voorhoofd van een man, die ineens weer kan zien. Hij roept: ‘Een wonder, prijs de Heer.’

Later die dag legt hij zijn hand op het voorhoofd van een andere man, die op slag blind wordt. Hij roept: ‘Een beroerte, haal een arts.’

-205-

De vrouw die ineens weer kon lopen

Een gebedsgenezer legt zijn hand op het voorhoofd van een vrouw, die prompt door haar knieën zakt. Hij roept: ‘Een wonder, haal een rolstoel!’

Later die dag legt hij zijn hand op het voorhoofd van een andere vrouw, die ineens weer kan lopen. Hij roept: ‘Een simulant, haal een psychiater!’

De vrouw protesteert: ‘Dit hadden we toch afgesproken?’ De man roept: ‘Hoort u dat? Ze geeft het nog toe ook!’

-206-

Een standpunt is een loopgraaf

‘Wat is een standpunt, Hans?’

‘Een loopgraaf.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Medestanders genoeg, maar je kan niet voor- of achteruit.’

-207-

Een standpunt is waar je stilstaat

‘Wat is een standpunt, Hans?’

‘Een plek waar je tot stilstand komt.’

‘Vind jij dat we in beweging moeten blijven?’

‘Dat zou weer een standpunt zijn.’

‘Heb je daar iets op tegen?’

‘Dat zou opnieuw een standpunt zijn.’

‘Wat vind je dan wel?’

‘Dat zou nog steeds een standpunt zijn.’

‘Maar ieder standpunt is een stilstandpunt?’

‘Alleen voor wie dat vindt.’

-208-

Van standpunt naar doorgangspunt

‘Wat is een standpunt voor jou, Hans?’

‘Een doorgangspunt.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Ik kijk even rond en vervolg mijn weg.’

‘Waarheen?’

‘Naar het volgende doorgangspunt.’

‘Jij hebt alleen maar doorgangspunten.’

‘Ik heb ze niet, ik passeer ze.’

‘Aha.’

‘Of ze passeren mij.’

‘Dat kan ook nog.’

‘Vandaar.’

‘Goeie les.’

‘Gauw weer door.’

-209-

Woordenboek niet-weten: dwaaltekst

Een dwaaltekst is een gesproken of geschreven demonstratie van niet-weten.

Agnose in actie.

Sprekend niet spreken.

Hardop zwijgen.

Ik kan hier wel een voorbeeld gaan geven, maar alle teksten op NietWeten.nl en in de Agnosereeks en al mijn stukjes in het Boeddhistisch Dagblad zijn dwaalteksten.

Tegen de stroom van het normale denken in bewegen dwaalteksten zich…

- van de oplossing naar het probleem,

- van het antwoord naar de vraag,

- van de conclusie naar de premissen,

- van de stelling naar de onderstellingen,

- van begrip naar onbegrip,

- van zekerheid naar twijfel,

- van helderheid naar troebelheid,

- van vasthouden naar loslaten,

- van weten naar niet-weten,

- van niet-weten naar niet weten van niet-weten,

en daar dan weer voorbij.

Goede literatuur vergroot het raadsel, zeggen ze.

Liefst met zoveel mogelijk omhaal van woorden.

Een goede dwaaltekst drijft het raadsel op de spits.

Liefst met zo min mogelijk omhaal van woorden.

Een dwaaltekst in de vorm van een woord of uitdrukking (‘wetend niet-weten’) heet een dwaalwoord.

Een dwaaltekst in de vorm van een sententie (‘De Grote Weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is’) heet een dwaalspreuk.

Een dwaaltekst in de vorm van een dialoog, interview of correspondentie heet een dwaalgesprek.

Je kan een dwaaltekst ook een ontekst, wantekst, kraaktekst, raadseltekst, weetniettekst, dooddenker, asofisme, deconstructie, deconSstructie of kortweg een tekSst noemen.

Een deel van de tekst van dit stukje weergegeven als meanderend paadje.
Dwaaltekst.

-210-

Woordenboek niet-weten: dwaalgesprek

Een dwaalgesprek is een dwaaltekst in de vorm van een geschreven dialoog.

Net als iedere dwaaltekst demonstreert een dwaalgesprek het dwijze denken.

Met het dwijze denken bedoel ik een denken dat zich verre houdt van wijsheid en dwaasheid, en zo zijn vrijheid behoudt.

Een dwaalgesprek is geen letterlijke weergave van hoe de dwijze converseert, maar een abstractie en verdichting vanuit agnostisch oogpunt.

Meestal zijn er twee deelnemers, waarvan er een het weten vertegenwoordigt, de ander het niet-weten.

Ze zijn niets zonder elkaar, al staat de eerste in dienst van de tweede.

Het stellende (katafatische) gaat af en het ontstellende (apofatische) steelt de show, zoals dat hoort in een tekst over niet-weten.

In ruimere zin is een dwaalgesprek een gedachtewisseling zonder agenda, zonder heilige huisjes en zonder grenzen.

Een spreken zonder spreken waarin alle gedachten en gevoelens die langskomen vrijelijk gedeeld en van alle kanten bekeken worden.

Tientallen, honderden keren, tot alle graten eruit zijn en je er dwars doorheen kan kijken.

Een dergelijk gesprek heeft geen vaste rolverdeling, geen vaste richting, geen begin en geen einde.

Het hoeft nergens heen, het hoeft alleen maar in beweging te blijven.

Het is niet te beschrijven, niet te reproduceren en voor niemand interessant, behalve voor de deelnemers.

Dit is het dwaalgesprek in zijn oorspronkelijke, ruwe vorm, met alles erop en eraan.

Zo’n gesprek voer ik met Lucienne, van meet af aan, al dertig jaar lang, heel spontaan, geen kunst aan.

Katalysator van de zelfbewustwording van mijn denken, zou je denken.

Maar dat is een gedachte achteraf.

Meer hierover: Liefde is geen doen.

De innerlijke monoloog van een weetniet is een dwaalgesprek voor één persoon.

Geen dode poel, geen bruisende rivier, geen fontein, maalstroom of waterval maar een kabbelend beekje.

Helder water boven een zanderige bodem, rustig stromend tussen de oevers van denken en bidden.

-211-

Herroepen in de woestijn; de orde van een dwaaltekst

Kijk eens naar de volgende reeks dwaalzinnen:

1. Ik weet niets.

2. Ik weet niets, en dat ook niet.

3. Ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet.

4. Ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet, en dat ook niet…

Een dwaaltekst van de eerste orde (1) ontkracht een gangbaar of voorafgaand denkbeeld, maar niet met zoveel woorden zichzelf.

Een dwaaltekst van de tweede orde (2) herroept ook zichzelf (en heeft daardoor altijd de vorm van een paradox).

Een dwaaltekst van de derde orde (3) herroept ook het herroepen.

Een dwaaltekst van de hoogste orde (4) herroept zichzelf en iedere herroeping van zichzelf.

Vreemd genoeg drukken dwaalteksten van de hoogste orde nog steeds een wéten uit – al is het dan een weten van niet-weten.

Een oneindige ontkenning is nog steeds een bewering, niets aan te doen.

Daarom: dwaalteksten reiken naar niet-weten maar bereiken het nooit.

Net zoals de reeks 1/1, 1/2, 1/4, 1/8… tevergeefs naar 0 reikt.

En stilte dan? Wat is de orde van een lege dwaaltekst?

Zwijgen is geen beweren, dus drukt het ook geen weten uit, dat scheelt.

Maar juist omdat de zwijger niets beweert, kan hij ook niets herroepen.

Niets zeggen is dus geen effectieve uitdrukking van niet-weten.

Niets zeggen is ál te nietszeggend.

Positief gesteld:

Stilte is een dwaaltekst van de laagste orde.

Ontzeggingskracht

De effectiviteit waarmee een reguliere tekst een bepaald weten onder woorden brengt, wordt de zeggingskracht genoemd. Net zo kunnen we de effectiviteit waarmee een bepaald niet-weten onder woorden wordt gebracht de ontzeggingskracht noemen.

Een dwaaltekst waarin afgerekend wordt met een groot aantal verschillende ideeën over, laten we zeggen, god, waarheid, wijsheid, verlichting, ethiek, de mens, de geest, het lichaam, de liefde, de dood of de (on)zin van het leven heeft dan een grote ontzeggingskracht.

-212-

Een dwaaltekstautomaat; van woordwielen en wielwoorden

Hoewel niet-weten zich principieel niet onder woorden laat brengen, en ook niet zónder woorden, kom je een heel eind met behulp van zogenaamde wielwoorden.

Een wielwoord is een incomplete uitdrukking in cirkelvorm waarvan het laatste woord aansluit op het eerste, zodat je almaar rond kan lezen.

Voorbeelden van wielwoorden zijn ‘niet geloven in’, ‘het denken doorziet’ en ‘niet weten van’.

Woordwiel ‘niet weten van’

Een wiel met een wielwoord erop heet een woordwiel.

Het laatste woord van een wielwoord, in bovenstaande voorbeelden ‘in’, ‘doorziet’ en ‘van’, fungeert als schakelwoord: het verbindt opeenvolgende herhalingen van de stam van het wielwoord.

De zin die zo ontstaat heet een wielzin.

Bij de laatste herhaling laat je het schakelwoord weg, anders komt een wielzin nooit tot een besluit.

Door een slinger aan het woordwiel ‘niet weten van’ te geven, ontstaan de volgende zinnen (ik heb hoofdletters en haakjes toegevoegd voor de leesbaarheid):

1. Niet weten

2. Niet weten van niet weten

3. Niet weten van (niet weten van niet weten)

4. Niet weten van (niet weten van (niet weten van niet weten))

Het woordwiel ‘het denken doorziet’ geeft:

1. Het denken

2. Het denken doorziet het denken

3. Het denken doorziet (het denken doorziet het denken)

4. Het denken doorziet (het denken doorziet (het denken doorziet het denken))

Het woordwiel ‘niet geloven in’ geeft:

1. Niet geloven

2. Niet geloven in niet geloven

3. Niet geloven in (niet geloven in niet geloven)

4. Niet geloven in (niet geloven in (niet geloven in niet geloven)))

Zoals je ziet worden de wielzinnen steeds langer.

Het nummer vóór de wielzin geeft niet alleen het aantal rotaties van het woordwiel aan, maar ook de orde van de resulterende dwaalzin.

Iedere zin gaat een stapje verder, maar de limiet, Ø, blijft voor eeuwig buiten bereik.

Al lees je rondjes tot je een ons weegt, gewichtloos word je nooit.

In mijn Witboek Verlichting gebruik ik het idee van woordwielen om verlichting te definiëren.

-213-

Woordenboek niet-weten: dwaalgast, dwaalgeest, dwaalgids, dwaalmeester

Een dwaalgeest is:

1. iemand die meent dat hij de weg kwijt is omdat hij meent dat er een weg is – een zoeker dus;

2. iemand die het allemaal niet meer weet en allemaal niet meer hoeft te weten – een agnost dus;

3. een schrijver van dwaalteksten – ik dus;

4. een lezer van dwaalteksten – jij dus.

Dwaalgast

Een dwaalgeest in de eerste of vierde betekenis van het woord kan je ook een dwaalgast noemen.

Dwaalgeest

Een dwaalgeest in de tweede betekenis van het woord is een mentale nomade – een zwerver, vrij en blij, zoals het in de Zhuangzi heet.

Verstandelijk is hij nergens aan gebonden.

Geen enkel gedachtegoed kan hij het zijne noemen.

Geestelijk is hij altijd onderweg.

Dwaalgids

Een dwaalgeest in de derde betekenis van het woord kan je ook een dwaalgids noemen.

Een dwaalgids is iemand die voorgoed de weg kwijt is en daarvan getuigenis aflegt.

Zozeer is hij de weg kwijt dat hij niet eens meer weet of hij wel op weg was, of dat hij wás, of ís, of wat ‘voorgoed’ betekent.

Laat staan dat hij zichzelf ziet als iemand die voorgoed de weg kwijt is en daarvan getuigenis aflegt.

Legt hij toch getuigenis af, dan eerder ter vermaeck dan ter leering, want wat valt er te leren van een lege leer?

Aan de andere kant, wat valt eraan te lachen?

Natuurlijk staat het iedereen vrij om een voorbeeld te nemen aan een dwaalgids of aan iemand die zich daarvoor uitgeeft, maar vroeg of laat zul je deze kwesties onder ogen moeten zien:

Waarvan is de dwaalgids een voorbeeld?

Waarheen wijst zijn vinger, en wijst hij eigenlijk wel?

Tegen de tijd dat al je antwoorden in rook zijn opgegaan, en je vragen erbij, ben je hard op weg een voorbeeld te nemen aan je dwaalgids – maar dan hoeft het al niet meer.

Dwaalmeester

Een dwaalgids kan je ook een dwaalmeester noemen.

Dwaalmeesters dragen geen kennis of wijsheid over zoals reguliere meesters, maar ondermijnen systematisch het denken, of liever, het heilige geloof in het denken.

Dwaalmeesters zijn natuurlijk geen echte meesters maar antimeesters, antihelden.

Dat zie je terug in eigennamen als Meester Ach, Meester Af, Meester Baibai, Meester Bijl, Meester Bijster, Meester Blabla, Meester Blanco, Meester Boei’en, Meester Bè, Meester Dement, Meester Doeniet, Meester Eh, Meester Foe Tsie, Meester Foei, Meester Haha, Meester Hilarius, Meester Hè, Meester Kwenie, Meester Leerling, Meester Lijk, Meester Loos, Meester Makkie, Meester Maya, Meester Minder, Meester Nebbisj, Meester O, Meester Oei, Meester Paf, Meester Quatsch, Meester Rara, Meester Schaap, Meester Sof, Meester Soit, Meester Spoorloos, Meester Spoorniet, Meester Sst (alias de MeeSster), Meester Tai Wa’an, Meester Tia, Meester Tja, Meester Wablief, Meester Weetniet, Meester Wie, Meester Zero, Meester Ziemaar, Meester Zomaar, Meester Zot en Meester Zuetsu.

Alle meesters in mijn dwaalteksten zijn dwaalmeesters .

-214-

Woordenboek niet-weten: dwaaltaal

Onder dwaaltaal versta ik:

1. Het woordveld van samenstellingen die beginnen met ‘dwaal-’, zoals dwaaltaal, dwaaltekst, dwaaltuin, dwaalgesprek, dwaalgast, dwaalgids, dwaalmeester, dwaalspreuk…

2. Het jargon van niet-weten in het Witboek Niet-Weten, in de Agnosereeks en op NietWeten.nl.

3. Het eigen(aardige) taalgebruik van de dwaalgeest – vol tegenstrijdigheden om een tegenstrijdig heden (z)onder woorden te kunnen brengen.

Voor betekenissen 2 en 3 kan je ook het woord ‘stameltaal’ gebruiken, naar het voorbeeld van mystici die het onzekere spreken over God graag stamelen noemen, ook al zijn ze daar vaak zeer bedreven in.

-215-

Definities van niet-weten – juli

1. Niet-weten is gewoon niet weten.

2. Niet-weten is tien pond scheten.

3. Niet-weten is gebakken lucht.

4. Niet-weten is een opluchting waar geen eind aan komt.

5. Niet-weten is overal schijt aan hebben

6. Niet-weten is een lege darm.

7. Niet-weten is een leeg kanon.

8. Niet-weten is een lege leer.

9. Niet-weten is een lege boodschap.

10. Niet-weten is een lege schat.

11. Niet-weten is met lege handen staan.

12. Niet-weten is met je mond vol tanden staan.

13. Niet-weten is geen gebondenheid.

14. Niet-weten is geen vrijheid.

15. Niet-weten is geen keuzeloos gewaarzijn.

16. Niet-weten is nergens over oordelen.

17. Niet-weten is niet oordelen over het oordelen.

18. Niet-weten is geen liefde.

19. Niet-weten is geen vasthouden.

20. Niet-weten is geen loslaten.

21. Niet-weten is geen overgave.

22. Niet-weten is onthechten, ook van onthechting.

23. Niet-weten is nergens houvast vinden, ook hierin niet.

24. Niet-weten is alles loslaten, ook het loslaten.

25. Niet-weten is verlossing van de verlossers.

26. Niet-weten is ontsnappen aan de snappers.

27. Niet-weten is meegaan met de tegenstroom.

28. Niet-weten is afwijzen wat je afwijst.

29. Niet-weten is alles afwijzen, ook het afwijzen.

30. Niet-weten is alles aanvaarden, ook het afwijzen.

31. Niet-weten is geen maat, maar het einde van het meten.

365 Definities van niet-weten – juli.

-216-

Een standpunt deelt wat heel is in tweeën

‘Wat is een standpunt, Hans?’

‘Een grens.’

‘Waartussen?’

‘Medestanders en tegenstanders.’

‘Volgens mij zijn alle grenzen kunstmatig.’

‘Dat is gewoon de volgende grens.’

‘Waartussen?’

‘Medestanders en tegenstanders van het standpunt dat alle grenzen kunstmatig zijn.’

‘Maar alles is toch één?’

‘Dat is gewoon de volgende grens.’

‘Waartussen?’

‘Medestanders en tegenstanders van het standpunt dat alles één is.’

‘Dus ieder standpunt is een grens?’

‘Tenzij dat ook maar een standpunt is.’

‘Wat is een standpunt?’

-217-

Niet-weten is het punt waarin alles verdwijnt

‘Wat is een standpunt, Hans?’

‘Een verdwijnpunt.’

‘Wat verdwijnt daarin?’

‘Waarin?’

‘In het verdwijnpunt natuurlijk.’

‘Welk verdwijnpunt?’

‘Standpunten?’

‘Wat is daarmee?’

‘Jijzelf?’

‘Wie?’

‘Het verdwijnen dan?’

‘Waarvan?’

‘Nou moe.’

‘Snap je?’

-218-

Elf verkeerde kanten

Nasroeddin rijdt achterstevoren op zijn ezel door het dorp.

Dorpeling: Je kijkt de verkeerde kant op!
Nasroeddin: De ene ezel leidt de andere!

Dorpeling: Je kijkt de verkeerde kant op!
Nasroeddin: Wat is er verkeerd aan die kant?

Dorpeling: Je kijkt de verkeerde kant op!
Nasroeddin: Je kijkt zelf de verkeerde kant op!

Dorpeling: Je kijkt de verkeerde kant op!
Nasroeddin: Ik hoef niet te zien waar ik heen ga!

Dorpeling: Je kijkt de verkeerde kant op!
Nasroeddin: Wil ik weten waar een ezel heen gaat?

Dorpeling: Je kijkt de verkeerde kant op!
Nasroeddin: Als mijn ezel maar de goede kant op kijkt!

Dorpeling: Je kijkt de verkeerde kant op!
Nasroeddin: Mijn ezel loopt de verkeerde kant op!

Dorpeling: Je kijkt de verkeerde kant op!
Nasroeddin: De tijd loopt de verkeerde kant op!

Dorpeling: Je kijkt de verkeerde kant op!
Nasroeddin: Zo denkt mijn ezel dat hij me dwars zit en brengt me toch waar ik wezen moet!

Dorpeling: Je kijkt de verkeerde kant op!
Nasroeddin: Als niemand keek waar hij heen ging zouden er heel wat minder ongelukken gebeuren!

Dorpeling: Je kijkt de verkeerde kant op!
Nasroeddin: Het is eenvoudiger voor een man om terug te kijken dan voor een ezel om achteruit te lopen!

Koploze ezel met aan weerszijden een staart.
1. Ezel zonder verkeerde kant; 2. ezel zonder goed kant; 3. ezel met een dubbele kont.

-219-

Tweeëntwintig balkende ezels

Nasroeddin raast op zijn ezel door de hoofdstraat.

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Antwoord zoeken op deze vraag!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Naar de volgende vraag!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Weg van alle vragen!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Weg van alle antwoorden!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Weg van de weg!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: De andere kant op!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Als ik maar onderweg ben!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Rennende ezels balken niet!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Dat weet ik pas als ik er ben!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Wat sta je daar nou te staan!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Dat moet je mijn ezel vragen!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Wie snel gaat, is snel nergens!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Dat vraag ik me mijn hele leven al af!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Naar waar ik nergens heen moet!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Naar waar ik geen haast heb!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Ik probeer aan mezelf te ontkomen!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Ik probeer aan mijn ezel te ontkomen!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Naar iemand die me dat kan vertellen!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: De weg is te heet om stil te blijven staan!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Het is de aarde die onder mij door draait!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Mijn ezel probeert onder me uit te rennen!

Dorpeling: Waar moet je zo snel heen?
Nasroeddin: Naar een plek waar mijn ezel stil wil blijven staan!

-220-

Waar ik voor sta

‘Waar sta jij voor, Hans?’

‘Voor niet-weten.’

‘Waarvoor staat niet-weten?’

‘Voor niets.’

‘Dus jij staat nergens voor?’

‘Dus ik sta overal achter.’

-221-

Het onverstand van het genie

De letterkundige en de agnost.

Letterkundige: Er is veel verstand voor nodig om sommige dingen onbegrijpelijk te vinden.*

* Uitspraak van C. J. Wijnaendts Francken (1863-1944).

Agnost: Er is genie voor nodig om álles onbegrijpelijk te vinden.

-222-

De hoofdwetten van de psychostatica

De eerste hoofdwet van de psychostatica

In de inleiding van deze Inleiding niet-weten, meer dan honderd dwaalteksten geleden, had ik het over de eerste hoofdwet van de psychostatica, weet je nog?

In een gesloten geest neemt de entropie voortdurend af tot het nulpunt is bereikt.

De eerste hoofdwet van de psychostatica is in tegenspraak met de tweede hoofdwet van de thermodynamica, die stelt dat in een gesloten systeem de entropie voortdurend toeneemt.

Afname van de entropie in een gesloten geest betekent toename van betekenis en orde, een ander woord voor kennis, doorgaans van het monistische of monotheïstische type om de entropie zoveel mogelijk te drukken.

Een geest met een lage entropie heet hypodynamisch of hypomobiel.

Uiteindelijk daalt de entropie van de gesloten geest tot het nulpunt.

Een entropievrije niet-overleden geest heet psychostatisch.*

* Vroeger werd de term ‘fundamentalistisch’ gebruikt, maar die is politiek gekleurd.

De psychostatische geest is een bijzonder geval van de gesloten geest, namelijk de afgesloten geest, door Gottfried Leibniz in 1714 ‘monade’ gedoopt.

Monaden zijn gevoelig voor verstening (lithiasis).

Een versteende monade heet een monoliet of een hunebed.

Wat is entropie?

Entropie is gewoon een mooi woord voor wanorde.

Het is bedacht door dezelfde natuurkundigen die hun deeltjesleer graag ‘fysica op corpusculaire grondslag’ noemen en hun warmteleer ‘thermodynamica’.

Het verband tussen wanorde en entropie is simpel: hoe groter de chaos, hoe hoger de entropie.

Dat lijkt een wet, maar het is een definitie.

Een volmaakt geordend systeem of een dito geest heeft per definitie een minimale entropie.

Een volstrekt chaotisch systeem of een dito geest heeft per definitie een maximale entropie.

Wetenschap – je hoeft er echt niet voor geleerd te hebben.

In een psychostatische geest gaat de eerste hoofdwet van de psychostatica niet langer op.

Logisch: waar geen entropie is kan hij ook niet afnemen.

Er zijn mij tenminste geen gevallen bekend van negatieve entropie, of het moeten grijze gaten zijn, die echter nog niet door de wetenschap bedacht zijn, laat staan ontdekt.

Wanneer zonder een debiliterende ziekte zoals dementie of een herseninfarct de geestelijke entropie toeneemt, is er waarschijnlijk sprake van REM-slaap of van een voorbijgaande staat van verbijstering of beide.

Blijft de entropie gedurig maximaal dan bestaat er een vermoeden van niet-weten.

Het verstand van een agnost is namelijk getransformeerd van een psychostatisch systeem, dat hoofdwettelijk streeft naar minimale verandering en maximale ordening, naar een thermodynamisch systeem, waarin rondkaatsende gedachten, gevoelens en ideeën vrijelijk hun energie op elkaar kunnen overdragen zonder dat dit nog als orde of chaos wordt ervaren.

De tweede hoofdwet van de psychostatica

De tweede hoofdwet van de psychostatica is bijna een parafrase van de tweede hoofdwet van de thermodynamica:

In een open geest neemt de entropie voortdurend toe tot het maximum is bereikt.

Een geest die permanent in een toestand van maximale entropie verkeert, heet hyperdynamisch of hyperelastisch of hypermobiel.

Zo’n geest wordt in de volksmond een weetnietgeest genoemd, en ook weleens een zengeest of een aikidogeest.

Dat klinkt als een entiteit, maar het is een woord, net zoals hatsjie klinkt als een woord terwijl het eigenlijk een nies is.

Nominaal of niet, entropisch gezien is er geen verschil tussen de ene weetnietgeest en de andere.

Ze kunnen elkaars entropie evenmin verhogen of verlagen als hun eigen entropie.

Vandaar dat we net zo goed van dé weetnietgeest kunnen spreken.*

* Wie denkt dat weetnietgeesten daarom één zijn heeft nog nooit een tweeling gezien.

Tot zover deze elementaire psychostatische beschouwingen.

Ze moeten de entropie in het verstand van de lezer ongemerkt laten toenemen terwijl hij denkt dat ze afneemt.

Dat is het enige verschil met reguliere pseudowetenschap.

-223-

Niet-weten is latin

‘Hoe heet de dans van het weten?’

‘De blablabla.’

‘Hoe heet de dans van niet-weten?’

‘De tjatjatja.’

-224-

Een premodern misverstand

‘Wie niet weet is gek, Hans.’

‘Wie dit denkt is onwetend.’

-225-

Een postmodern misverstand

‘Wie weet is gek, Hans.’

‘Wie dit denkt weet.’

-226-

Het heen en weer van de lege leer

1. Sterven aan het bekende

‘Spiritualiteit is sterven aan het bekende.’

‘Zelf bedacht?’

‘Eh… nee.’

‘Dan ben je nog niet gestorven aan het bekende.’

2. Geboren worden in het bekende

‘Wat als je aan het bekende gestorven bent?’

‘Dan word je er weer in geboren.’

‘En dan?’

‘Sterf je er weer aan.’

‘Enzovoort?’

‘Nou, voort…’

‘Ik bedoel, komt daar ooit een eind aan?’

‘Dat is mij niet bekend.’

3. Sterven aan het onbekende

‘Wat is sterven aan het bekende?’

‘Geboren worden in het onbekende.’

‘Wat als je geboren bent in het onbekende?’

‘Sterven aan het onbekende natuurlijk.’

‘Wat is sterven aan het onbekende?’

‘Geboren worden in het bekende.’

‘Wat heb je dan gewonnen?’

‘Wie zegt dat je er iets bij zal winnen?’

‘Waarom zou je het anders doen?’

‘Wie zegt dat je het doet?’

‘Bedoel je dat je het ondergaat?’

‘Wie?’

‘Bedoel je dat de persoon een illusie is?’

‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is het dat ook?’

‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Toe nou.’

‘Tja, je treft het niet.’

‘Hoezo?’

‘Ik zit net weer in het onbekende.’

-227-

Niet-weten is een slØkØp

Voor zØtten.

Niet-weten is een slokop.

Het zuigt alles leeg.

Het ontdoet filosofieën van hun dogma’s, tradities van hun gewoontes, praktijken van hun handelingen, profeten van hun voorspellingen, verlossers van hun beloften, wijzen van hun inzichten, dwazen van hun abnormaliteit, verzekeraars van hun claims, twijfelaars van hun onzekerheden en praatjesmakers van hun babbels.

Wat rest is een lege leer, een leeg geloof, een lege traditie, een lege religie, een lege profetie, lege wijsheid, een lege praktijk – de lege zekerheid van de lege geest.

Als symbool voor de leegte gebruik ik zoals je weet het agnosticon, Ø.

Dat kan je achter een woord zetten, maar je kan het er ook in opnemen, op voorwaarde dat het een letter ‘o’ bevat.

Zo ontdoe je het woord van zijn inhoud en maak je er een leeg symbool voor de lege leer van.

Het lege symbool van niet-weten, Ø, gaat dan kortweg het symbØØl heten, of langweg het agnØsticØn.

De ‘god’ van niet-weten, het lege object van de lege mystiek, wordt dan gØd.

De ‘filosofie’ van niet-weten wordt filØsØfie, een beoefenaar ervan een filØsØØf.

De Tao van niet-weten wordt de TaØ, de bijbehorende non-leer taØïsme.

De lege gelofte, de enige gelofte die een weetniet aflegt, wordt dan de gelØfte, de lege boodschap van niet-weten de bØØdschap, de profeet die hem verkondigt een prØfeet, zijn verkondiging een verkØndiging, verlossing in (en dus van) niet-weten verlØssing.

Het lege boeddhisme, dat zelfs van niet-zelf (anatman), leegte (sunyata) en afhankelijk bestaan (pratitya-samutpada) is ontdaan en de Boeddha eert door hem te doden, wordt bØeddhisme, een lege (dode) boeddha een bØeddha of een dØde, een lege bodhisattva een bØdhisattva.

Het lege woord van niet-weten wordt het wØØrd, degene die het voert een wØØrdvøerder, iemand die lege woorden bezigt of bedenkt een wØØrdenaar.

Ontwaken in niet-weten wordt Øntwaken, de lege droom waarin hij Øntwaakt de drØØm.

Non-dualisme zonder dogma’s wordt nØn-dualisme, de poortloze poort de pØØrtlØze pØØrt, een leeg oordeel een ØØrdeel.

Agnose wordt agnØse, de Agnosereeks de AgnØsereeks, een agnost een agnØst en ga zo maar dØØr.

Want niet-weten is een slØkØp.

Het zuigt alles leeg.

Collage van een mannetje met een kruiwagen met een Ø-vormig wiel, een gezichtje met een Ø-vormige mond en een gespiegeld agnosticon met oogjes.
Niet-weten is een slØkØp.

-228-

Eenheid is ook niet alles

De taoïst en de agnost.

Taoïst: De gewone mens maakt onderscheid tussen dingen en verkondigt zijn mening. De wijze omvat alles.*

* Uitspraak van Zhuangzi (369-286).

Agnost: Dat zegt u.

Taoïst: Wat zegt u?

Agnost: De dwaas maakt onderscheid tussen de gewone mens en de wijze.

Taoïst: Die zit.

Agnost: Dankzij uw voorzet.

Taoïst: En dingen?

Agnost: Dingen maken geen onderscheid tussen de gewone mens en de wijze.

-229-

Niet-weten is een katalysator

Het loopt wel los.

‘Waarmee kan je weten vergelijken?’

‘Een analysator.’

‘Hoezo?’

‘Het verdeelt het denken en bindt zich aan de elementen tot het vastloopt.’

‘Waarmee kan je niet-weten vergelijken?’

‘Een katalysator.’

‘Hoezo?’

‘Het versnelt het denken zonder een verbinding aan te gaan tot het vrijloopt.’

-230-

Niet-weten is geen eeuwige rust maar eeuwige beweging

Beste Hans,

Ik draag altijd een geplastificeerd kaartje met mijn favoriete spreuken bij me. Dit zijn ze:

1. Ik ben het leven zelf.

2. Het leven is er om geleefd te worden, niet om begrepen te worden.

3. Don’t know.

4. Het is altijd nu.

5. Alles is liefde.

6. Ik bén.

7. Ik ben het doek, niet de film.

8. Wees een licht voor jezelf.

9. Lijden is een keuze.

10. Het enige lijden is een niet onderzochte geest.

11. Vrijheid is leven in vriendelijkheid, áls vriendelijkheid.

Ik heb ze allemaal al zo vaak gelezen dat ze bij elke gepaste gelegenheid spontaan in me opkomen. En elke keer voelt als thuiskomen.

Beste X,

Ik herken Byron Katie, Osho, Boeddha, Nisargadatta en Seung Sahn… Heb ik iemand gemist?

X: Jan van Delden.

H: Ach ja, een doekje voor het bloeden.

X:Wat zijn jouw favoriete uitspraken?

H: …

X: Stuurde je mij zojuist drie puntjes?

H: Een beletselteken om precies te zijn.

X: En niet-weten dan?

H: Niet-weten is geen uitspraak.

X: Wat is het dan wel?

H: Vrijspraak.

X: Niet-weten is vrijspraak?

H: Niet-weten is jezelf vrijspreken van je favoriete uitspraken.

X: Klinkt als je favoriete uitspraak.

H: Hij viel me zojuist in. Omdat jij over je favoriete spreuken begon.

X: Jij hebt jezelf volledig vrijgesproken en verblijft nu in niet-weten.

H: Niet-weten is geen staat of toestand waarin je verblijft.

X: Wat is het dan wel?

H: Een denken dat steeds in beweging blijft.

X: Geen eeuwige rust.

H: Eeuwige beweging.

X: Eeuwig ontwaken.

H: Eeuwig ontwijken.

X: Jij hebt geen troetelgedachten.

H: Niet dat ik weet.

X: Dankzij de weetnietgeest.

H: Dat is ook maar een woord.

X: Hoe werkt jouw geest?

H: Als een spons. Hij zuigt zich in een mum van tijd vol. Net als iedere geest.

X: Vol met wat?

H: Vol met kennis natuurlijk.

X: En niet-weten is de spons uitknijpen?

H: Was het maar zo simpel.

X: Staat er iets op mijn favorietenlijstje dat jou aanspreekt, al is het maar een beetje?

H: De twaalfde.

X: Word jij nooit moe van al dat niet-weten?

H: Word jij nooit moe van al dat weten?

X: Zou jij ermee kunnen ophouden?

H: Zou jij ermee kunnen ophouden?

X: Nee.

H: Nou, ik ook niet. Geen beginnen aan. Bovendien ben ik niet begonnen.

X: Wie dan wel?

H: Het is gewoon begonnen. Voor mij is niet-weten moeilijker om te laten dan voor jou om te doen. En niet-weten is geen doen, zeg nou zelf.

X: Zeker weten.

H: Al prevel je de spreuk Don’t know van wijlen Seung Sahn Soen Sa Nim duizend keer per dag.

X: Fake it till you make it.

H: Die staat anders niet op je lijstje.

X: Geen behoefte aan, ik ben een natuurtalent.

H: Hoop doet streven.

X: Volgens mij heb jij best een druk gedachteleven.

H: Je moest eens weten.

X: En ik maar denken dat het stil was in jou.

H: En jij maar denken.

X: Dat jij van binnen een soort kerk was.

H: Eerder een vrolijke keuken.*

* Vrolijke keuken: Oudhollandse kermisattractie waar je tegen vergoeding aardewerk en serviesgoed mag stukgooien. Het leukst vind ik de wijsheidstegeltjes.

Niet-weten is jezelf vrijspreken van je favoriete uitspraken.

-231-

Stijlfiguren niet-weten: koekoekstekst

Onder een koekoekstekst versta ik een tekst van een andere auteur met een paar woorden van jezelf erin.

De naam is ontleend aan de gewoonte van de koekoek om haar eieren in andermans nest te leggen.

Neem bijvoorbeeld het eerste deel van hoofdstuk 48 van de Daodejing:

Wie studeert vermeerdert dag bij dag. Wie over de Tao hoort vermindert dag bij dag. Minder en minder, net zolang tot het nietsdoen bereikt is.

(Bron: Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, K. Schipper, 2010.)

Als je het metafysische principe van de Tao vervangt door het epistemologische antiprincipe van het Tja, en nietsdoen door nietsweten, dan krijg je de koekoekstekst:

Wie studeert vermeerdert dag bij dag. Wie over het Tja hoort vermindert dag bij dag. Minder en minder, net zolang tot het nietsweten bereikt is.

Vroeger maakte ik regelmatig gebruik van koekoeksteksten, maar de meeste heb ik vernietigd, net als mijn verzameling citaten over niet-weten.

Citaten zijn koekoeksteksten waarin je niets verandert behalve de context, waardoor ze voor jou gaan spreken en dingen lijken te zeggen die de oorspronkelijke auteur waarschijnlijk nooit bedoeld heeft.

Inmiddels heb ik mijn eigen woorden gevonden en kan ik het napraten aan anderen overlaten.

Een paar uitgewerkte voorbeelden van koekoeksteksten vind je in mijn Witboek Soefisme.

-232-

Niet-weten is worstelen en ondergaan

Luctor et submergo.

‘Wat is het motto van niet-weten, Hans?’

‘Luctor et submergo.’

‘Wat betekent dat?’

‘Ik worstel en ga onder.’

‘Prettig vooruitzicht.’

‘En ik is niet het enige dat ondergaat.’

‘Wat dan nog meer?’

‘De hele wereld.’

‘Toe maar.’

‘En daarmee het hele weten.’

‘Het moet niet veel gekker worden.’

‘En daarmee het hele niet-weten.’

‘Nou, dan heb je alles wel zo’n beetje gehad.’

‘Daar zou ik maar niet van uitgaan.’

‘Want niet-weten is nergens van uitgaan.’

‘Je gaat ervan uit dat het mogelijk is om nergens van uit te gaan.’

‘Ik weet eerlijk gezegd niet of ik daar wel heen wil.’

‘Ik weet eerlijk gezegd niet of je daar wel weg kan.’

-233-

Rouwen om wat wanen zijn geweest

Beste Hans,

Wat heb jij veel woorden nodig, zeg. Als ik aan anderen uit moet leggen wat niet-weten is, zeg ik gewoon dat alles onzeker is. De werkelijkheid is onkenbaar. Zeker weten kunnen we niets. Alle kennis heeft een onzekerheidsmarge. Of je iets nou weet met een waarschijnlijkheid van 20% of met een waarschijnlijkheid van 80%, het blijft onzeker. Klaar.

Doe er je voordeel mee, zou ik zeggen.

Beste X,

Waarom zou je dat niet-weten noemen als het al probabilisme heet?

X: O, dat wist ik niet! Hè? Maar wat is dan niet-weten?

H: Tja.

X: Niet-weten staat niet eens in de Wikipedia, zie ik. Misschien moet jij daar eens een stukje voor schrijven.

H: Dat kan ik niet. De Wikipedia verlangt objectiviteit. Ik zit er tot over mijn oren in.

X: Des te beter, dan kan je het van binnenuit beschrijven.

H: Wat voegt dat toe? Ik doe al niet anders.

X: En, hoe ziet het er van binnen uit?

H: Wil je nog meer woorden van mij?

X: LOL, effe kort, alleen voor mij.

H: Alleen voor mij betekent niet-weten dispensatie van duidingsdrang.

Vrijstelling van verklaringsdienst.

Rouwen om wat wanen zijn geweest.

Lachen om de spatjes van mijn geest.

X: En dan?

H: Roepen in de woestijn.

X: Voor niks dus.

H: Doe er je voordeel mee, zou ik zeggen.

-234-

Definities van niet-weten – augustus

1. Niet-weten is het einde van je heilige huisjes.

2. Niet-weten is je eigen hokjes afbreken.

3. Niet-weten is alles in het midden laten, ook of je alles in het midden moet laten.

4. Niet-weten is grenzen verkennen.

5. Niet-weten is tot het gaatje gaan.

6. Niet-weten is door het gaatje gaan.

7. Niet-weten is mateloos.

8. Niet-weten is een vloek.

9. Niet-weten is een gezegende vloek.

10. Niet-weten is een vervloekte zegen.

11. Niet-weten is een zegen.

12. Niet-weten is een genezende ziekte.

13. Niet-weten is een heiland die niet baat.

14. Niet-weten is een gesel die niet schaadt.

15. Niet-weten is het einde van het geloof in het einde van het lijden.

16. Niet-weten is niets meer te verliezen of te winnen hebben.

17. Niet-weten is een vlammenwerper.

18. Niet-weten is een burn-out.

19. Niet-weten is geen welles en geen nietes.

20. Niet-weten is geen standpunt.

21. Niet-weten is geen plek, maar in beweging blijven.

22. Niet-weten is geen eeuwige rust, maar eeuwige beweging.

23. Niet-weten is geen illusie.

24. Niet-weten is geen werkelijkheid.

25. Niet-weten is geen hel.

26. Niet-weten is geen hemel.

27. Niet-weten is een sleutel zonder slot.

28. Niet-weten is een wormgat naar deze zijde.

29. Niet-weten is geen heilsweg naar de Geest maar een ijlweg uit de geest.

30. Niet-weten is geen weg en wegen naar niet-weten zijn geen niet-weten.

31. Niet-weten is geen weg, maar het einde van het wegen.

365 Definities van niet-weten – augustus.

-235-

Zegt de ene weetniet tegen de andere…

‘Eh…’

‘Dat meen je niet!’

‘Geintje!’

‘Geintje!’

‘Alsof ik letterlijk niets meer zou weten!’

‘Alsof ik letterlijk zonder meningen zou zijn!’

‘Meen je dat nou?’

‘Meen je dat nou?’

‘Geintje!’

‘Geintje!’

-236-

Kapitale misverstanden over radicaal niet-weten

Duet in 33 coupletten voor een grijpgeest en een dwaalgeest.

Grijpgeest: ‘Niet-weten is mijn Oorspronkelijke Gezicht!’

‘Dwaalgeest: ‘Dan weet je meer dan ik.’’

‘Niet-weten is Keuzeloos Gewaarzijn!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Onverstoorbaarheid!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Vriendelijkheid!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Kwetsbaarheid!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Dankbaarheid!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Authenticiteit!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is de Waarheid!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Spontaniteit!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Onthechting!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Neutraliteit!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Mededogen!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Verlichting!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Helderheid!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Eerlijkheid!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Verbinding!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Tederheid!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Onschuld!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Openheid!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Wijsheid!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Boeddha!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Nirwana!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Eenvoud!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Vrijheid!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is de Bron!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is de Weg!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Leegte!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Liefde!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Vrede!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Geluk!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Stilte!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is God!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is Zen!’

‘Dan weet je meer dan ik.’

‘Niet-weten is niet weten!’

‘Tot je laatste snik.’

-237-

Woordenboek niet-weten: filasofie

Wijsbegeerte is een vertalende ontlening aan het Griekse philosophia (philos: vriend + sophia: wijsheid).

Bewandelen we deze weg in omgekeerde richting vanuit de nieuwvorming dwijsbegeerte, dan komen we als vanzelf tot filasofie (a-: niet-).

Filasofie, dat is de liefde voor niet-wijsheid, de liefde voor niet-weten.

Een dwijsgeer, iemand die filasofeert, heet dan een filasoof.

Een nadeel van het woord filasofie is dat het woordbeeld zo op filosofie lijkt; je denkt meteen dat de schrijver een spelfout heeft gemaakt.

Die associatie met filosofie kunnen we verbreken door het voorvoegsel philos te amputeren zodat alleen de staart overblijft.

Asofie: niet-wijsheid, niet-weten.

Een dwaaltekst heet dan een asofisme (een niet-sofisme dus).

Asofia lijkt mij een mooie naam voor de beschermheilige van niet-weten.

-238-

Asofia, beschermheilige van niet-weten

Asofia is de beschermheilige van niet-weten en van de weetniet.

Als attributen heeft ze ezelsoren op haar hoofd, een borduursel met de moedersleutel van niet-weten op haar borst, het Lege Boek in haar linkerhand en een gouden staf met agnosticon en duimpje in haar rechter-.

Asofia – je mag haar ook Moeder Ezel noemen – heeft het beste met je voor, al heeft ze geen idee wat het beste voor je is.

Van haar hoef je niets te doen of te laten.

Als je niets met haar te maken wil hebben, begrijpt ze dat best.

Je bent en blijft van harte welkom.

Asofia, beschermheilige van niet-weten.

-239-

Kennen tot je niet meer kan

De existentialist en de agnost.

Existentialist: De hoogste opgave van het menselijk kennen is te begrijpen dat het niet begrijpen kan.*

* Uitspraak van Sören Kierkegaard (1813-1855).

Agnost: Toch weer iets begrepen?

Existentialist: Helemaal zonder begrip gaat het kennelijk niet.

Agnost: De hoogste opgave van het menselijk kennen is te begrijpen dat het niet anders kán.

Existentialist: Het menselijk kennen kan niet anders dan proberen te begrijpen, bedoelt u?

Agnost: Maar de allerhoogste opgave van het menselijk kennen is te begrijpen dat het zelf misschien ook maar een begrip is.

Existentialist: In plaats van een reëel geestelijk vermogen, bedoelt u?

Agnost: Net als de geest, de psyche, de ziel, de rede, het verstand et cetera.

Existentialist: Maar wat is dan nog de hoogste opgave van het menselijk kennen?

Agnost: Dan is opgave de hoogste opgave van het menselijk kennen.

-240-

Niet-weten is geen existentialisme

Volgens de existentialistische filosofie, net als het dadaïsme ontstaan in het kielzog van een wereldoorlog, is de mens ongevraagd in een onsamenhangende, betekenisloze wereld geworpen waarin echte communicatie onmogelijk is en hij in totale vrijheid en eenzaamheid zelf zin aan zijn bestaan moet zien te geven.

Hoewel mensen niet-weten regelmatig voor existentialisme aanzien, gaapt er tussen de existentialist en de weetniet een kloof die met geen worp, sprong of gedachtevlucht te overbruggen is.

Existentialisme is filosofie, agnose is filasofie.

De existentialist weet dat er een wereld is, de agnost niet.

De existentialist weet dat deze wereld van zichzelf betekenisloos is, de agnost niet.

De existentialist weet dat hijzelf als individu bestaat, de agnost niet.

De existentialist weet dat hij ongevraagd in deze vooraf bestaande wereld geworpen is (en niet, bijvoorbeeld, andersom), de agnost niet.

De existentialist weet dat er anderen zijn, de agnost niet.

De existentialist weet dat echte communicatie met anderen onmogelijk is, de agnost niet.

De existentialist weet dat hij gedoemd is tot eenzaamheid, de agnost niet.

De existentialist weet dat hij veroordeeld is tot vrijheid, de agnost niet.

De existentialist weet dat hij en hij alleen zin aan zijn bestaan kan geven en dat hij dat voor niemand anders kan doen, de agnost niet.

Om nieuwe misverstanden te voorkomen:

De agnost claimt niet dat er géén wereld is.

Hij claimt niet dat de wereld toch betekenisvol is.

Hij claimt niet dat zijn persoon een illusie is.

Hij claimt niet dat anderen een illusie zijn.

Hij claimt niet dat echte communicatie mogelijk is.

Hij claimt niet dat hij tot onvrijheid veroordeeld is.

Hij claimt niet dat iemand of iets anders dan hijzelf zin aan zijn bestaan kan geven.

Hij claimt niet dat je dit allemaal niet kan weten.

Hij claimt niet dat je niets mag claimen.

Existentialisme kan je dit niet noemen, zeg nou zelf.

Hoe je het wel moet noemen weet ik niet.

Tentativisme, komt nu spontaan in me op.

Tentatief betekent op proef, voorlopig, onder voorbehoud, open, niet definitief, in afwachting van de volgende onverwachte wending – zoals een agnost het leven beleeft.

Maar in het Engels is ‘tentativism’ een synoniem van ‘fallibilism’, wat gewoon de volgende sceptische filosofie is, dus daar beginnen we maar niet aan.

No-claim komt ook in de buurt.

All-risk, wat dacht je daarvan.

Dat je die anglicismen spuugzat bent, zeg je?

Oké, doe dan maar weer niet-weten.

-241-

Niet-weten is geen-filosofie

De denker en de agnost.

Denker: Wetenschap is wat je weet, filosofie is wat je niet weet.*

* Uitspraak van Bertrand Russell (1872-1970).

Agnost: Is dit nou wetenschap of filosofie?

Denker: Wat zou u zeggen?

Agnost: Wetenschap is op de proef stellen, filosofie is stellen.

Denker: Dat klinkt behoorlijk stellig.

Agnost: Het is een proefstelling.

Denker: Wat heeft u daarmee voor?

Agnost: Ik stel u op de proef.

Denker: Voor mij is filosofie niet-weten.

Agnost: Voor mij is niet-weten geen-filosofie.

-242-

Lege filosofie is een oneindige denkruimte

Niet-weten kan je zien als een lege filosofie.

Een lege filosofie is een filosofie zonder vraagstellingen, zonder leerstellingen, zonder voorstellingen, zonder doelstellingen, zonder normstellingen, zonder geruststellingen, zonder instellingen en zonder uitzicht daarop.

Natuurlijk kan er maar één lege filosofie zijn. Waarin zou de ene lege filosofie moeten verschillen van de andere lege filosofie?

Daarom kan je haar net zo goed dé lege filosofie noemen en aanduiden met het universele lege symbool, Ø (‘eh’).

De lege filosofie kan je op haar beurt zien als het eeuwigdurende eindspel van een denken uit alle macht dat, gevangen in een terminale lus, maar blijft concluderen dat het maar niet tot conclusies weet te komen – zelfs niet tot de conclusie dat het maar blijft concluderen dat het maar niet tot conclusies weet te komen.

Je kan de lege filosofie ook zien als een praxis van meedogenloze deconstructie om de deconstructie, ook van de deconstructie zelf.

Je kan de lege filosofie ook zien als die gemoedstoestand waarin je je verwonderd afvraagt waar de verwondering gebleven is terwijl de antwoorden toch uitgebleven zijn.

Je kan de lege filosofie ook zien als een denkruimte waarin het denken zijn goddelijke gang kan gaan en de gekste dingen mag bedenken, zoals een lege filosofie die louter denkruimte is waarin het denken zijn goddelijke gang kan gaan en de gekste dingen mag bedenken.

Ja, zo kan je de lege filosofie allemaal zien, en nog wel anders ook, maar hoe je het ook bekijkt, het blijft een uitzichtloze inzichtloze onderneming.

Onzichtbare filosoof op een stoel.
De lege filosoof.

-243-

Gimmicks van de lege leerling

De lege leer bevat maar één stelling: geen stelling.

Een ander woord voor geen stelling is een lege stelling.

Natuurlijk kan er maar één lege stelling zijn, want waarin zou de ene lege stelling van de andere moeten verschillen?

Daarom kunnen we hem net zo goed dé lege stelling of de stelling zonder stelling of de non-stelling of de onstelling noemen.

Om het idee van de lege stelling, Ø, concreet te maken, kan je denken aan 1. een stellig stilzwijgen of 2. een ontstellend spreken door middel van a. loze uitspraken die niets beweren en niets voorschrijven, of b. een reeks van tegenstrijdige uitspraken die gezamenlijk niets gezegd laten of niets ongezegd laten.

Net als de lege leer heeft de lege stelling geen vorm en geen inhoud.

Ik bedoel, geen vorm en geen leegte – leer mij de zenboeddhist kennen.

Sterker nog, er ís geen lege stelling.

Er is ook geen lege lering.

Het zijn allebei maar gimmicks van de lege leerling.

Net als de lege leerling zelf.

Zoals nul de gimmick is van de rekenaar.

Zoals papier de gimmick is van de tekenaar.

Het stelt niets voor en toch, juist daardoor, kan hij absoluut niet zonder.

Kan ik absoluut niet zonder.

Laat staan relatief.

Wat donder.

Naakt mannetje met aanwijsstok, omgeven en doorboord door lijnen, meetkundige figuren en formules.
Gimmicks van de lege leerling.

Je mag de lege stelling ook het lege inzicht noemen.

Niet-weten is dan inzicht in het lege inzicht.

Inzicht in het lege inzicht is een ander woord voor groot uitzicht.

Dan kijk je overal doorheen.

-244-

Woordenboek niet-weten: athese

Het woord athetisch (Grieks, a-, niet + thesis, het plaatsen, stelling) betekent letterlijk: niet stellend, nietszeggend.

Postmoderne teksten worden weleens athetisch genoemd omdat ze geen duidelijke stellingname bevatten.

Mensen kunnen daar niet tegen; ze willen heldere conclusies waar ze het mee eens zijn of waar ze zich tegen kunnen afzetten.

Zelf ben ik juist een liefhebber van athetische teksten.

Het maakt mij niet uit of ik te maken heb met een column in een opinieblad, een sprookje, een wetenschappelijke artikel, een discussiestuk of een gedicht; zolang het maar stellingloos is óf barst van de tegenstrijdige stellingen, net als het leven zelf, ben ik in mijn sas.

Toegegeven, mijn dwaalteksten bevatten heel wat beweringen, maar die worden nooit opgevoerd om iets te poneren.

Ze fungeren alleen maar als aas voor argeloze lezers of als tegenwicht voor eerdere beweringen.

Een dwaaltekst is voor mij geslaagd als je na lezing het gevoel hebt dat er niets onweersproken is gebleven, dat wil zeggen, in de mate waarin hij als geheel athetisch is.

Niet omdat het ontstellend spreken naar welke maatstaf dan ook bevoorrecht zou zijn, maar omdat het een natuurgetrouwe – zij het gestileerde en verdichte – uitdrukking is van agnose.

Maken we van het bijvoeglijk naamwoord athetisch een zelfstandig naamwoord, dan ontstaat het woord athese, een nieuwe pol in het woordveld these-synthese-antithese, die zich misschien nog het beste laat vertalen als de lege stelling – de enige stelling van de lege leer.

-245-

Wegwijzers voor wegwezers

‘Wat is de eerste stap naar niet-weten?’

‘Niet weten wat de eerste stap is.’

‘En de laatste?’

‘Niet weten wat de laatste stap is.’

‘De rest laat zich wel raden.’

‘O ja?’

‘Niet weten wat de tussenliggende stappen zijn.’

‘Waarheen?’

-246-

De Weg eindigt met de eerste stap

De scepticus en de agnost.

Scepticus: De eerste stap naar filosofie is ongeloof.*

* Uitspraak van Denis Diderot (1713-1784).

Agnost: Filosofie is de eerste stap naar ongeloof.

Scepticus: De filosofie van het ongeloof heet scepticisme.

Agnost: Scepticisme is het geloof in ongeloof.

Scepticus: De eerste stap naar filosofie is daarom scepsis.

Agnost: De eerste stap uit filosofie ook.

-247-

Twijfel begint als wijsheid

De scepticus en de agnost.

Scepticus: Wijsheid begint met twijfel.*

* Uitspraak van Aristoteles (384-322).

Agnost: Ik betwijfel dat.

Scepticus: Wat zou u zeggen?

Agnost: Twijfel begint als wijsheid.

Scepticus: En waarmee eindigt het?

Agnost: Meestal met nieuwe wijsheid.

Scepticus: En waarmee eindigt die?

Agnost: Meestal met nieuwe twijfel.

Scepticus: En waarmee eindigt die?

Agnost: Meestal met nieuwe wijsheid.

Scepticus: Ik dacht eigenlijk dat u ‘met niet-weten’ zou zeggen.

Agnost: Was het maar zo makkelijk.

-248-

Niet-weten is blindzien

De politicus en de agnost.

Politicus: Twijfel is beide kanten zien.*

* Uitspraak van Eugène Marbeau (1825-1910).

Agnost: Niet-weten is blindzien.

Politicus: Wie geen kanten ziet kan ook niet twijfelen, wou u zeggen.

Agnost: Zeker weten.

Vraagteken in de vorm van een blindenstok.
Niet-weten is blindzien.

-249-

Niet-weten is rondzien

Politicus: Twijfel is beide kanten zien.

Agnost: Niet-weten is alle kanten zien.

Politicus: Wie alle kanten ziet kan ook niet twijfelen, wou u zeggen.

Agnost: Zeker weten?

-250-

Niet-weten is geen twijfel

Beste Hans,

Twijfel jij weleens aan niet-weten?

Beste X,

Twijfelen aan niet-weten?

Ik zou niet weten hoe.

Mijn leer is immers leeg.

Daarom noem ik hem de lege leer.

Onzin natuurlijk, een lege leer, maar ja.

Je moet toch wat zeggen, hè.

Leer of niet, leeg is leeg.

Leg mij maar eens uit aan welk deel van de lege leer ik zou moeten twijfelen.

Beste Hans,

Zelf twijfel ik overal aan. Overal! Als het te erg wordt, ga ik langs het strand wandelen of door de duinen zwerven. Ik of niet-ik? Zijn of niet-zijn? Eén of twee? Vorm of leegte? Alles of niets? God of mens? Boeddha of dada? Werkelijkheid of illusie? Maar vooral: weten of niet-weten?

Is het leven eigenlijk wel een mysterie? Is er dan helemaal niets te doen of te zeggen? Mag ik er echt geen meningen op na houden? Kan een mens wel leven zonder oordelen? Soms weet ik het niet meer met dat niet-weten. Wat ik weleens wil weten: hoe is het om niet te twijfelen?

Beste X,

Wie niet twijfelt, zoals ik, is absoluut zeker.

Absoluut zeker van absoluut niets.

Daar maal ik niet om, want malen kan je alleen om iets.

Twijfelen is menselijk en mensen kunnen overal aan twijfelen:

Aan hun identiteit, aan hun geslacht, aan de schepping, aan de relatie tussen subject en object, aan de kern van het boeddhisme, aan de relatie tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, aan de vraag of er wel echte communicatie mogelijk is, aan de waarheid, aan de zin van het leven, aan de aard van het bewustzijn, aan het bestaan van een hogere macht of van een leven na de dood…

Zelf was ik ook zo hoor, van kindsbeen af, bijna een halve eeuw lang, non-stop: Hans van Dam, aartstwijfelaar.

Mensen denken dat twijfel duidt op een tekort aan kennis, maar het duidt op een teveel aan kennis, zeg ik achteraf.

Vandaar dat het alleen maar averechts werkt om nog meer te leren dan je al weet, om nog harder te denken dan je al deed.

Ik dacht indertijd oprecht dat ik een kritische, sceptische, onderzoekende, nuchtere geest had, maar intussen geloofde ik van alles en nog wat zonder het zelf te onderzoeken, en nam ik van alles en nog wat aan zonder het zelfs maar door te hebben – onder andere dat ik een kritische, sceptische, onderzoekende, nuchtere geest had, ha ha.

Aan de schimmel ken je de kaas; twijfel is de zwam van je geloof.

Geloof in de ruimste zin van het woord, hè: in denkbeelden, zelfbeelden, mensbeelden, godsbeelden, boeddhabeelden, wereldbeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden, angstbeelden.

In concepten, theorieën, paradigma’s, zienswijzen, overtuigingen, lijfspreuken, wereldbeschouwingen, filosofieën, meningen – maakt niet uit.

Weterij brengt onvermijdelijk vragen voort die NU beantwoord moeten worden.

Dilemma’s die NU opgelost moeten worden.

Keuzes die NU gemaakt moeten worden.

Tegenstrijdigheden die NU met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht.

Idealen die NU gerealiseerd moeten worden.

Kreukels die NU gladgestreken moeten worden.

Twijfel op twijfel op twijfel.

Zonder geloof valt dat allemaal weg.

In de bovenkamer ben ik de meest opgeruimde mens die ik ken – geloof het of niet.

X: En in de hartkamer?

H: O, die zit nog steeds vol gevoel hoor, angst, blijdschap, pijn, honger, lust, ergernis, ontroering – alles erop en eraan.

X: Twijfel jij dan helemaal nergens over?

H: Natuurlijk wel. Maar alleen over aardse dingen. Thuisblijven of uitgaan. Regenjas of vest. Te fiets of te voet. Kopen of huren. Elektra of gas. Naar de dokter of afwachten. Pijn stillen of pijn lijden. Aanzien of behandelen.

Daar ga ik niet onder gebukt, dat lost zich vroeger of later zich vanzelf op. Ik zoek het uit, ik zie het aan, ik doe maar wat of laat het gaan.

X: Geen twijfel over levensbeschouwelijke en spirituele kwesties? Over de zin van het leven, wie je bent, wat de mens is, de weg naar geluk, het einde van het lijden, verlichting, realisatie, ontwaken?

H: Afgelopen uit.

Ik ben trouwens ook niet van mening, zoals jij, dat je niets kan weten of dat het leven een mysterie is of dat er niets te doen of te zeggen valt of dat je er geen meningen op na mag houden of keuzeloos gewaar moet zijn of wat dan ook.

Zoveel meningen onder de vlag van niet-weten, schei toch uit.

X: In één woord, wat is het bestaan?

H: Een langgerekt vergaan.

X: Is dat alles?

H: Een been in een liaan.

Een windje van methaan.

Een oog in een orkaan.

X: Oneindig misverstaan.

H: Geen dank hoor, graag gedaan.

-251-

Niet weten is net een polder

Niet weten is net een polder.

Volkomen vlak en volkomen open.

Een groene zee, een woestijn van gras.

De grootste hoogte is de grootste diepte.

Geen kop komt boven het maaiveld uit.

Rondom niets dan meer van hetzelfde, schijnbaar ingesloten door een onbereikbare einder.

Hoe lang je er ook op afloopt, hij komt niet dichterbij.

Hoe lang je er ook vandaan loopt, hij gaat niet verder weg.

In de polder zijn geen bergen en geen rivieren.

Geen bergen die geen bergen meer zijn, geen rivieren die geen rivieren meer zijn.

Geen bergen die weer bergen zijn, geen rivieren die weer rivieren zijn.

In de polder is niets om je achter te verbergen en niets om je voor te verbergen.

Geen herkenningspunt om je plaats te bepalen, geen richtpunt om je route te bepalen.

De polder biedt maat noch houvast.

Wat je ziet is wat je krijgt, wat je krijgt dat zie je niet.

In de polder zijn is blind zijn voor de polder.

Niet weten is net een polder.

Grasgroene zee onder een loodgrijze lucht.
Niet-weten is net een polder

-252-

Niet-weten is een blindganger

‘Niet-weten is een BOM, Hans.’

‘Voor de meeste mensen is het een blindganger.’

‘Die ieder moment af kan gaan!’

‘Maar daar rijdt de explosievenopruimingsdienst alweer voor.’

-253-

Niet-weten is het einde van je spirituele hebzucht

1. Niet-weten als bijzaak

In alle wijsgerige, spirituele en religieuze tradities die ik ken is niet-weten een figurant, een entr’acte, een bijzaak.

Een wachtkamer, een donkere nacht van de ziel, een tunnel waar je doorheen moet op weg naar het licht.

Een middel, een noodzakelijk kwaad, een beugel om je tanden recht te zetten.

Nooit wordt het niet-weten zélf naar waarde geschat, altijd staat het in dienst van iets hogers, zoals een nar in dienst staat van een koning of mest in dienst van een gewas.

Wat is het hogere waaraan niet-weten onderhorig zou zijn?

Liefdevolle vriendelijkheid (metta), groot mededogen (karuna), gelijkmoedigheid (uphekka), een einde aan het lijden (moksha), uitdoving (nirwana), gelukzaligheid (ananda), onthechting (ataraxia), eenwording met god (unio mystica), verlichting, zelfrealisatie, volmaaktheid, onsterfelijkheid, alwetendheid, alwijsheid en meer van dat fraais – liefst allemaal tegelijk.

Grote Woorden die de spirituele hebzucht hoog doen oplaaien.

2. Niet-weten als noodzaak

Op een gewone herfstdag in het eerste decennium van dit millennium drong het niet-weten ongevraagd mijn leven binnen.*

* Daar gingen tientallen jaren van dwarsdenkerij en deconstructie aan vooraf, reconstrueer ik achteraf, maar dat had ik toen nog helemaal niet door, laat staan dat ik er woorden voor had.

Naamloos en uit het niets.

Sindsdien speelt het de hoofdrol in een impromptu voorstelling waar geen eind aan komt.

Die hoofdrol heb ik het niet gegeven, die heeft het genomen, door de innerlijke slimmerik domweg van zijn troon te stoten.

Niet-weten heeft mijn denken overgenomen en voorgoed op zijn kop gezet.

Dat is wat het met je doet en zo moet je dan door het leven: binnenstebuiten, achterstevoren en ondersteboven.

Voor mij is niet-weten nooit bijzaak geweest, maar van meet af aan noodzaak, weerhaak, doorbraak, plofkraak, radbraak, schoonmaak, snelschaak, dagtaak, nieuwspraak.

Niet-weten is het begin, het midden en waarschijnlijk ook het einde van mijn spiritualiteit – al moet dat laatste natuurlijk nog blijken.

3. Niet-weten als hoofdzaak

Een radicaal niet-weten heeft genoeg aan zichzelf.

Het heeft geen traditie nodig, integendeel, iedere traditie valt er onmiddellijk aan ten prooi.

Samen met al je andere troetelgedachten, positief en negatief, oud en nieuw, afgeleefd en vitaal, zonder uitzondering – of je het leuk vindt of niet.

Dus ook je troetelgedachten over liefdevolle vriendelijkheid, groot mededogen, gelijkmoedigheid, een einde aan het lijden, uitdoving, gelukzaligheid, onthechting, eenwording met God, verlichting, zelfrealisatie, volmaaktheid, onsterfelijkheid, alwetendheid, alwijsheid en meer van dat fraais.

Dus ook je troetelgedachten over vergankelijkheid, leegte, zinloosheid, overbevolking, ziekte, milieurampen, egoïsme, recessies, pandemieën, eenzaamheid, racisme, oorlog en meer van die ellende.

Dus ook je troetelgedachten over radicaal niet-weten.

Je maalt er niet meer om en je praalt er niet meer mee en je smaalt er niet meer over en je taalt er niet meer naar.

-254-

Stijlfiguren niet-weten: accumulatio en dubitatio

Een accumulatio is een stijlfiguur in de vorm van een opsomming, bevestigend of ontkennend, van gelijksoortige elementen.

Voorbeeld:

Niet-weten is geen plaats, geen tijd, geen weg, geen (on)grond, geen gemoedstoestand, geen staat, geen transformatie, geen ervaring, geen filosofie, geen houding, geen manier van doen, geen levenskunst, geen bewustzijnstoestand, geen identiteit, geen hogere werkelijkheid, geen orgaan, geen hoger inzicht, geen verwondering, geen eenwording, geen godgelijkheid en geen einde.

Rijtjes zijn misschien niet zo leuk om te lezen maar wel heel effectief als het erom gaat alle denkwegen af te sluiten, daarom gebruik ik ze zo vaak als ik over niet-weten schrijf.

Een accumulatio in vraagvorm heet een dubitatio.

Dubitatio’s zijn heel geschikt om twijfel mee uit te drukken, bijvoorbeeld:

Heeft de weetniet nou iets bereikt of juist niet? Heeft hij het niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken-en-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken-noch-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het niet-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken en het niet-bereiken en het bereiken-en-niet-bereiken en het bereiken-noch-niet-bereiken en het niet-niet-bereiken achter zich gelaten? Heeft hij zelfs het achterlaten achter zich gelaten? Dit alles tegelijk? Niets van dit alles? Iets anders? Niets anders? Wat denk jij?

Sommige van mijn dwaalteksten, zoals De Intergalactische Waarheidsconferentie, zijn rijtjes in gespreksvorm, dat wil zeggen, in percontatio’s ingebedde accumulatio’s en dubitatio’s.

Klinkt goed, vind je niet? Naamgeving kon je echt wel aan de oude Grieken overlaten.

Een accumulatio in ontkennende vorm is karakteristiek voor de via negativa en de negatieve theologie.

-255-

De wandelaar en de drenkeling

Wandelaar: Die uitlaatgassen!

Drenkeling: Lucht!

-256-

Het kan verkeren

Zaadcel: Ik verzuip!

Foetus: Laat me eruit!

Baby: Ik wil terug!

Ouder: Het huis wordt te klein!

Bejaarde: Het huis wordt te groot!

Dode: Laat me eruit!

-257-

Niet-weten als leeg paradigma

Mensen zijn gewoontedieren.

We zetten een bril op onze neus en vergeten algauw dat hij onze blik kleurt.

De bril verdwijnt uit beeld, de gekleurde blik wordt werkelijkheid.

Als een heleboel mensen zonder het te weten door dezelfde bril kijken, spreek je van een paradigma.

Paradigma’s zijn taaie rakkers: ze kunnen tientallen, honderden of zelfs duizenden jaren standhouden.

Net zolang tot iemand er een gat in ziet en daardoor naar buiten kruipt.

Denk maar eens aan de polytheïstische godsdienst van de Kelten, die pas na vele eeuwen plaats moest maken voor het monotheïstische christendom.

Denk aan een theïstische religie zoals het hindoeïsme, die concurrentie kreeg van een atheïstische als het boeddhisme.

Denk aan het geocentrische wereldbeeld, dat werd vervangen door het heliocentrische.

Denk aan de mechanica van Newton, die werd vervangen door de relativiteitsleer van Einstein.

Denk aan de Euclidische meetkunde, die werd uitgebreid met de hyperbolische en de elliptische.

Denk aan de Duitse psychoanalyse, die concurrentie kreeg van het Amerikaanse behaviorisme.

Denk aan de premoderne wijsbegeerte, die werd overgenomen door de postmoderne.

Zoals je ziet aan deze voorbeelden wordt een paradigma vaak pas verlaten als er een nieuw paradigma is gesmeed, dat zich net als het oude voordoet als de werkelijkheid zelf – maar nu écht.

Totdat iemand dáár weer een gat in ziet om door naar buiten te kruipen.

En niet-weten dan, is dat ook zo’n onveranderlijke zienswijze die verward wordt met de werkelijkheid zelf?

Is niet-weten de volgende bril met gekleurde glazen?

Niet dat ik weet.

Als je het mij vraagt is niet-weten een bril zonder glazen.

Een manier van zien zonder manier.

Als je het mij vraagt is niet-weten een leeg paradigma.

Nu kan er maar één leeg paradigma zijn, want waarin zou het ene lege paradigma moeten verschillen van het andere lege paradigma?

Niet-weten is het lege paradigma.

Het lege paradigma is het paradigma van geen-paradigma.

Niet-weten is het gat waardoor je uit ieder paradigma kruipt.

Ook uit het lege.

-258-

Niet-weten is je laatste fuik

‘Wat is weten?’

‘Een fuik.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Ook een fuik.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘Uit de eerste kan je nog ontsnappen.’

-259-

Niet-weten is de ruimste fuik

‘Wat is weten?’

‘Een fuik.’

‘Wat is niet-weten?’

‘De ruimte eromheen.’

‘Nou, dan zou ik het wel weten.’

‘Nou, ik niet.’

-260-

Niet-weten is verwijlen in het ongewisse

‘Wat is weten?’

‘Een fuik.’

‘Wat is niet-weten?’

‘De ruimte eromheen.’

‘Wat is het verschil?’

‘In een fuik kan je nergens heen, al zou je wel willen.’

‘En in de ruimte eromheen?’

‘Wil je nergens heen, al zou je wel kunnen.’

‘Waar je ook bent, je gaat nergens heen?’

‘Niet dat ik weet.’

‘Wat maakt het dan nog uit?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

-261-

Niet-weten is iets waar je niet in zit en niet uit komt

‘Wat als je uit de fuik van het weten ontsnapt?’

‘Dan kom je in de fuik van niet-weten terecht.’

‘Hoe is het daar?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Zal je er ooit uitkomen?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Zit je er wel in?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Is er wel een fuik?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Is er wel een jij?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Weet je dan helemaal niets?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Niet-weten is toch zeker geen fuik?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Niet-weten is ultieme vrijheid!’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hoe komt dat?’

‘Doordat ik er nog in zit?’

‘Moet ik je nou feliciteren of condoleren?’

‘Doe maar allebei.’

‘Gecondoliteerd dan maar.’

‘Insgelijks.’

-262-

Galweg

‘Wat is de weg naar niet-weten?’

‘De weg van de meeste weerstand.’

-263-

Schijt aan alle spiritualiteit

Niet-weten is lege spiritualiteit.

Lege spiritualiteit is spiritualiteit zonder weg, waarheid of wijsheid.

Zonder mensbeeld, wensbeeld of godsbeeld.

Zonder metafysica, kosmologie of esoterie.

Zonder boeddha, dharma, sangha, samsara of nirwana.

Zonder ziel, geest, zelf, hart, id, ego of superego.

Zonder canons, instituten of bibliotheken.

Zonder verboden, geboden of geloften.

Zonder methoden, technieken of rituelen.

Zonder meesters, leerlingen, goeroes, discipelen, ingewijden, leken of adepten.

Zonder bezwaar tegen welke andere vorm van spiritualiteit ook.

Zonder bezwaar tegen welk bezwaar tegen welke andere vorm van spiritualiteit ook.

Wat lege spiritualiteit leeg maakt is niet dat zij geen inhoud heeft, maar dat zij zich onophoudelijk ontdoet van de inhoud die zich onophoudelijk aandient.

De leegte van lege spiritualiteit is geen statische toestand maar een dynamisch proces.

Ledigheid is bijzaak, een onvermijdelijk gevolg van het ledigen.

Dat geldt niet alleen voor lege spiritualiteit maar ook voor de lege leer, de lege filosofie, de lege mens, het lege woord, de lege geest en andere metaforen voor niet-weten.

Het geldt net zo goed voor het niet-weten zelf, dat ook maar een metafoor is.

Een beeldspraak voor een wijze van wezen zonder wijze of wezen.

De leegte van niet weten wordt niet voor eens en voor altijd bereikt, maar voortdurend gerealiseerd, NU en NU en NU.

Ruimte krijg je door op te ruimen; ruimte hou je door op te blijven ruimen.

Een dwijze denker is geen tanker.

Weten is innemen, niet-weten is uitscheiden.

Tot je er op een dag helemáál mee uitscheidt.

Dan ben je zélf geïnspireerd.

Dan heb je schijt aan alle spiritualiteit.

Zelfs aan de lege.

-264-

De actualiteit van agnose

Beste Hans,

Wat is precies het verschil tussen agnose en het niet-weten van mystici, boeddhisten en non-dualisten zoals ik?

Beste X,

Agnose is voor mij niet de donkere nacht van de ziel in blijde verwachting van het hemelse licht.

Het is niet de onbegrijpelijke leegte waarin alle vormen verschijnen en verdwijnen.

Het is niet het onkenbare kennen of het bewustzijn dat aan alle kennen voorafgaat.

Het is niet de non-dualiteit waarin alle tegenstellingen teloorgaan.

Het is niet de onontwarbaarheid van verschijnselen die interdependentie of interpenetratie of interzijn of het net van Indra of afhankelijk bestaan of afhankelijk ontstaan of leegte wordt genoemd.

Het is niet de waarheid voorbij de woorden of de wijsheid voorbij de wijsheid of de kennis zonder leraar.

Het is niet de innerlijke goeroe of het onnavolgbare hart of de zuivere intuïtie of de goddelijke stilte.

Het is geen uitgangspunt, geen conclusie, geen dogma, geen maatstaf, geen bevrijdend inzicht, geen methode, geen weg en geen doel.

Het is geen almanak vol met zaken waarvan ik voor eens en voor altijd heb vastgesteld dat je die niet kan weten.

Het is geen onomstotelijke beginsel waarmee je op voorhand ieder weten kan afwijzen.

Nou, dat was het zo’n beetje.

X: Wat is niet-weten voor jou dan wel?

H: Aha, daar heb ik heel wat minder woorden voor nodig.

Zodra iemand mij een levensvraag stelt, over de vrije wil, over de juiste weg, over liefde of eenzaamheid, over goed en kwaad, over de zin van het leven, over de dood, over levenskunst, over verlichting, over de hoogste waarheid of werkelijkheid of over het ware zelf en noem maar op, moet ik passen.

Niet uit principe, maar omdat het stil wordt in mij.

Niet na lang nadenken, maar onmiddellijk.

Niet voor eens en altijd, maar tot de volgende keer.

Dat is de actualiteit van agnose.

X: Niet-weten heb je nooit.

H: Nee, natuurlijk niet. Het is een momentopname. Je constateert het. Live.

X: Als een wetenschapper.

H: Als een nietwetenschapper.

X: Er komt een gedachte langs…

H: En dan denk ik, ‘O ja?’

X: Ik had me er meer van voorgesteld.

H: O ja?

-265-

Niet-weten is geen dogma

Een dogma is volgens Van Dale een vastomlijnd, aan geen redenering meer onderworpen geloofsartikel.

Dogmatisch betekent geen tegenspraak duldend.

Dogmatisme is het vooropstellen van en vasthouden aan dogma’s.

Verstopt in deze woordenboekdefinities zit een typisch westers verlichtingsideaal, namelijk het geloofsartikel dat er ook niet-dogmatische kennis mogelijk is, bijvoorbeeld wetenschappelijke, die wél voor rede vatbaar is.

Verstopt in dit ideaal – het lijkt wel een matroesjka – zitten nog eens drie dikke dogma’s: dat gefundeerde kennis mogelijk is, dat de rede het instrument bij uitstek is om de fundering te leggen, en dat er zoiets is als de rede, in de vorm van een verstandelijk vermogen tot logisch redeneren dat zich bedient van een betrouwbaar instrument voor kennisvermeerdering, logica geheten.

Matroesjka van 6 boeddhafiguurtjes.
Een matroesjka van dikke dogma’s.

Of dat allemaal waar is laat ik graag in het midden.

Agnose is nou eenmaal de weg van het midden.

Niet in de zin van de gulden middenweg, waarop je uit principe of omwille van je eigen of andermans geluk angstvallig de uitersten vermijdt, maar in de zin van in het midden laten: definitieve uitspraken vermijden.

Niet met opzet maar uit de lamheid, de lacherige gelatenheid die ontstaat wanneer er in je denken niet één definitieve uitspraak overeind is gebleven.

Zelf gebruik ik het woord dogma in ruimere zin voor iedere pretentie iets of juist niets te weten of te kunnen weten.

Agnose is niet dogmatisch maar ook niet antidogmatisch.

Dat kan ook helemaal niet, want een leerstuk over de onwenselijkheid van dogma’s zou gewoon het volgende dogma zijn.

-266-

In niet-weten is ruimte voor elke traditie

‘Ik las ergens dat jij jezelf een allesbrander noemt, Hans. Bedoel je daarmee dat je tot geen enkele traditie behoort?’

‘Ik bedoel daarmee dat ik tot elke traditie behoor.’

‘Bedoel je daarmee dat er in elke traditie ruimte is voor niet-weten?’

‘Ik bedoel daarmee dat er in niet-weten ruimte is voor elke traditie.’

‘Behalve fundamentalistische dan toch?’

‘Waaronder fundamentalistische, antifundamentalistische, fundamentele, ongefundeerde, en noem maar op.’

‘Maar die behoren toch allemaal tot het weten?’

‘Joost mag weten waartoe ze allemaal behoren.’

‘Maar wat is dan nog het verschil met niet-weten?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Wat jou betreft mag alles in de allesbrander, zelfs niet-weten?’

‘Zelfs de allesbrander.’

Gezicht met wijd opengesperde mond waarin een verzengend vuur brandt.
Allesbrander.

-267-

Woordenboek niet-weten: adoxie en paradoxie

Niet-weten is het ontbreken of tussen haakjes staan van al je begrippen, oordelen en meningen.

Naar analogie van woorden als orthodoxie en heterodoxie zouden we niet-weten adoxie (a-, niet + doxie, begrip, oordeel, mening) kunnen noemen.

Orthodoxie is rechtzinnigheid, heterodoxie vrijzinnigheid, dus het lijkt mij niet vergezocht om adoxie onzinnigheid te noemen.

Zoals je van een christen kan zeggen dat hij rechtzinnig is omdat hij in overeenstemming met de rechte leer leeft, zo kan je van een weetniet zeggen dat hij onzinnig is omdat hij in overeenstemming met de lege leer leeft.

Zoals je je misschien nog kan herinneren is de lege leer, Ø, equivalent aan de hele leer, ∞.

Adoxie is daarom equivalent aan wat je paradoxie zou kunnen noemen (Grieks, para, naast, bij + doxa): de eindeloze nevenschikking van begrippen, oordelen en meningen waartussen de weetniet ten diepste geen onderscheid weet te maken.

De term paradoxie sluit mooi aan bij de ondertitel van het Witboek Niet-Weten: ‘leven in de paradox’.

Vertalen we die weer terug naar de lege leer dan krijgen we ‘leven zonder dogma’s’.

-268-

Niet-weten is niet het laatste woord

‘Niet-weten is niet het laatste woord’, klinkt het door de eeuwen heen vanuit verscheidene tradities die zich met de grenzen van de kennis hebben beziggehouden.

Wat is het laatste woord dan wel?

Het is maar net aan wie je het vraagt.

Voor de mysticus is dat toch weer God, voor Parmenides het onveranderlijke Zijn, voor de taoïst de Tao, voor de boeddhist de Leegte of het Zelf of Groot Mededogen, voor Kant het categorisch imperatief, voor de non-dualist Bewustzijn of de Liefde of Dit, voor de surrealist het irrationele, voor de existentialist de vrijheid, voor Bataille de innerlijke ervaring, voor Levinas het gelaat of de Ander, voor de postmodernist het Andere of het relatieve, voor Beckett hoe-heet-het.

De lege leer verzet zich niet tegen deze of andere vormen van metafysisch of ethisch fundamentalisme, anders zou de lege leer niet leeg zijn maar een vorm van fundamentalisme.

Onder fundamentalisme versta ik hier een denken dat uitgaat van een of ander laatste woord, onzegbaar desnoods – iets absoluuts dat onbetwijfelbare oordelen en handelingen mogelijk maakt.

Het laatste woord van de weetniet is altijd het lege woord of het woord zonder woord of het woordloze woord of het onwoord of het non-woord of hoe je het ook wilt noemen.

Wat hij ook zegt, wat zijn verstand hem ook influistert, wat zijn stream of consciousness hem ook voortovert, al was het precies deze zin – zijn laatste woord is altijd ‘eh’.

Het enige fundamentele en absolute aan de lege leer is zijn léégte.

De lege leer stelt níets, nooit, en stelt ook niets vóór.

Ook niet dat er niets te stellen valt of dat er niets gesteld mag worden of dat we daar iets of niets over te zeggen hebben.

Niet-weten is volstrekt ont-stellend.

Dat gaat ver hoor, onvoorstelbaar ver, daar kan je met je verstand niet bij.

Daar kan je op geen enkele manier bij, tot het je zelf overkomt.

Vanaf dat moment is juist je vroegere stelligheid onvoorstelbaar.

Dat onbegrensde geloof in je eigen gedachten – niet te geloven!

Dat geldt ook voor deze gedachten.

‘Vanaf dat moment is juist je vroegere stelligheid onvoorstelbaar’ – zal best.

‘Dat onbegrensde geloof in je eigen gedachten’ – nee, deze dan.

‘Niet te geloven!’ – dit ook niet.

Niet-weten?

Ken ik niet.

De lege leer?

Uitgepoetst.

Geen Ø meer te zien.

Geen ‘eh’ meer te horen.

Een zucht van verlichting:

Hèhè!

Een bevrijd(end)e lach:

Haha!

En daar is de volgende gedachte alweer:

Hoho!

Laatste woorden – er is geen eind aan.

-269-

Definities van niet-weten – september

1. Niet-weten is je gedachten niet geloven, deze ook niet.

2. Niet-weten is korte metten maken met de mind.

3. Niet-weten is korte metten maken met het idee dat je korte metten kan maken met de mind

4. Niet-weten is een gedachtengum.

5. Niet-weten is een denkbeeldenstorm.

6. Niet-weten is denken zonder denken.

7. Niet-weten is een onvermogen.

8. Niet-weten is het onvermogen om je eigen denkbeelden serieus te nemen.

9. Niet-weten is het vermogen om de diepten van je verstandelijke onvermogen te peilen.

10. Niet-weten is de mislukking van het denken.

11. Niet-weten is de triomf van het denken over zichzelf.

12. Niet-weten is het einde van het weten, zou je denken, maar dat is opnieuw een gedachte.

13. Niet-weten is het einde van het denken dat niet-weten het einde is van het weten.

14. Niet-weten is niet het einde van je gedachten, maar het einde van het heilige in je gedachten, inclusief deze.

15. Niet-weten is niet het einde van je gedachten, maar het einde van het geloof in de gedachte aan het einde van je gedachten.

16. Niet-weten is alles ontkrachten, dit ook.

17. Niet-weten is je verstand op tilt.

18. Niet-weten is een denken dat nooit victorie kraait.

19. Niet-weten is geen obscurantisme.

20. Niet-weten is geen fatalisme.

21. Niet-weten is geen cynisme.

22. Niet-weten is geen negativisme.

23. Niet-weten is geen pessimisme.

24. Niet-weten is geen optimisme.

25. Niet-weten is geen realisme.

26. Niet-weten is geen idealisme.

27. Niet-weten is wat alles in zijn waarde laat.

28. Niet-weten is wat nergens de waarde van kent.

29. Niet-weten is niet weten waar niet-weten goed voor is.

30. Niet-weten is geen wijsbegeerte, maar het einde van de filosofie.

365 Definities van niet-weten – september.

-270-

Ik ben geen vertegenwoordiger, ook niet van niet-weten

‘Welke traditie vertegenwoordig jij eigenlijk, Hans?’

‘Wat ben ik, een vertegenwoordiger?’

‘Jij vertegenwoordigt alleen het niet-weten?’

‘Wat ben ik, een vertegenwoordiger?’

‘Bedoel je dat je alleen jezelf vertegenwoordigt?’

‘Wat ben ik, een vertegenwoordiger?’

‘O, ik snap het al.’

‘Dat kon niet uitblijven.’

‘Jij vertegenwoordigt het niet-vertegenwoordigen.’

‘Wat ben ik, een vertegenwoordiger?’

-271-

Niet-weten is bewustzijnsverruimend, weet je wel

Geen geest zo ruim als een lege geest.

Daar past alles in, zelfs bekrompenheid.

Niet-weten is een bewustzijnsverruimend middel, zou je zeggen.

Alleen is niet-weten geen middel.

Je kan het niet innemen, het heeft geen halfwaardetijd, er ontstaat geen gewenning en het is nooit uitgewerkt.

Tot nu toe niet tenminste.

Als er al iets ontstaat, is het óntwenning.

Hoe langer het niet-weten op je inwerkt, hoe gevoeliger je ervoor wordt.

Niet-weten is dus geen bewustzijnsverruimend míddel, het is gewoon bewustzijnsverruimend.

Aangenomen dat er zoiets is als een bewustzijn en aangenomen dat dit bewustzijn verruimd kan worden – veronderstellingen waar een radicale weetniet zich liever niet aan waagt, ik tenminste niet.

Geestverruimend dan?

Ja, dat is beter, aangenomen dat er zoiets is als een geest en aangenomen dat die geest verruimd kan worden – veronderstellingen waar een radicale weetniet zich liever niet aan waagt, ik tenminste niet.

Laat ik het dan zo stellen: niet-weten is niet speciaal bewustzijnsverruimend of geestverruimend maar gewoon verruimend.

Hè, nou klinkt het wéér als een middel, iets dat iets doet, iets dat verruimt.

Niet-weten is geen middel dat verruimt, niks hoor, het is zélf die verruiming.

Wat je je daarbij precies moet voorstellen?

Verruiming staat tegenover vernauwing, en niet-weten in de zin van bewustzijnsverruiming of geestverruiming staat tegenover wéten in de zin van bewustzijnsvernauwing of geestvernauwing.

Met vernauwing bedoel ik dat het een beetje krap wordt in je bovenkamer, dat je er je kont niet meer kan keren, dat je zowat klem komt te zitten tussen, ja wat, je woorden en gedachten en gevoelens en ideeën en idealen en wat er allemaal nog meer rondwaart in dat particuliere spookhuis op de top van je ruggengraat.

Bewustzijnsvernauwende middelen bij uitstek zijn dogma’s, daar is iedereen het wel over eens.

Dat kunnen persoonlijke dogma’s zijn, of politieke zoals het communisme, het socialisme, het kapitalisme, het liberalisme en het fascisme, of religieuze zoals het katholicisme, het protestantisme, het orthodoxe jodendom, het liberale jodendom, theravadaboeddhisme, zenboeddhisme et cetera, om nog maar te zwijgen over…

Ben je er nog?

Dan mag ik in mijn handen knijpen.

Want zo langzamerhand begint dit verhaal behoorlijk benauwend te worden.

Al schrijvende is er onbedoeld een hiërarchie ontstaan, met helemaal bovenaan de ruimhartige weetniet, ik natuurlijk, en helemaal onderaan de bekrompen fundamentalist.

Vreemde zaak, want dat is wel zo’n beetje het laatste wat ik wil beweren.

Zo’n beetje het laatste wat ik wil is iets beweren.

Een béétje weetniet maakt geen onderscheid tussen bewustzijnsverruiming en bewustzijnsvernauwing of tussen geestverruiming en geestvernauwing of tussen verruiming en vernauwing van wat dan ook, omdat zo’n onderscheid zijn denken onmiddellijk nauwer maakt.

Helaas, deze formulering is geen haar beter dan de vorige, want zij bevestigt opnieuw het ideaal van ruimdenkendheid.

Misschien moet ik gewoon mijn mond houden over niet-weten, zul je zeggen, en laat dat nou precies zijn wat ik al die tijd gedaan heb.

Had je het door?

-272-

Niet-weten is blijdschap zonder boodschap

Vanaf je geboorte word je doodgegooid met boodschappen.

Reclameboodschappen, religieuze boodschappen, spirituele boodschappen, wijsgerige boodschappen, levensbeschouwelijke boodschappen, politieke boodschappen, morele boodschappen, blijde boodschappen, verdrietige boodschappen, alarmerende boodschappen, geruststellende boodschappen, de ene boodschap nog dringender dan de andere, het houdt niet op.

Je zou er tureluurs van worden, en dat worden we ook.

Omdat bijna niemand het fijn vindt om tureluurs te worden, gaan we, geconditioneerd als we zijn, fanatiek op zoek naar nog meer boodschappen die ons moeten helpen een keuze te maken uit al die andere boodschappen.

Liefst duur betaald want wat geld kost moet waar wezen, anders zouden we het er nooit voor over hebben.

Of we gaan zelf boodschappen bedenken om onze medemens onder te bedelven tot ze stupefait haar bek houdt en we alleen onszelf nog kunnen horen – eindelijk rust.

En dan nu het goede nieuws, al is het toevallig geen boodschap:

Was niet-weten een boodschap, dan was het een lege.

Je kan het ook zo zeggen: niet-weten heeft geen boodschap, of het moest deze wezen.

Je kan het ook zo zeggen: niet-weten heeft nergens een boodschap aan.

Dat is inderdaad geen boodschap, laat staan een blijde, maar gek genoeg kan je er toch blij van worden, ik tenminste wel.

Al heeft die blijdschap best lang op zich laten wachten en zit er nog steeds een rouwrandje aan, en soms een randje blijdschap aan de rouw.

Dit is eigenlijk alles wat ik zeggen wou, het is de moeite.

O, en nog iets: de lege boodschap is geen niet-lege boodschap over een of andere vorm van leegte, hè.

Zo is de lege boodschap niet de boodschap dat de waarheid voorbij de woorden is, niet de boodschap dat de wereld een illusie is, niet de boodschap dat wij geen zelf hebben, niet de boodschap dat alle dingen leeg zijn, niet de boodschap dat het leven zinloos is, niet de boodschap dat wij elk oordeel moeten opschorten, niet de boodschap dat wij niks weten.

De lege boodschap is niet de boodschap dat er geen boodschap is, en ook geen andere nihilistische, obscurantistische, fatalistische of defaitistische boodschap die het bestaan of het nut van het een of ander of meteen maar van alles en iedereen ontkent.

De lege boodschap is ook niet de boodschap dat wij iedere vorm van nihilisme of relativisme moeten verwerpen, of dat we het verwerpen daarvan moeten verwerpen, want dat zou nog steeds een boodschap zijn.

De lege boodschap is helemaal geen boodschap maar gewoon leeg.

Dus lezer, laat je boodschappentas maar thuis als je mijn dwaaltuin bezoekt.

Verder ben je van harte welkom.

-273-

Niet-weten is een val zonder strik

Gestrekt maar niet gestrikt.

‘Wat is weten?’

‘Een val.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Ook een val.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘De val van niet-weten is vrij.’

-274-

De lege mens verbeeldt zich niets, dit ook niet

Wie is het die zowel zijn identiteit als het kwijtraken daarvan aan de lege leer is kwijtgeraakt?

Inderdaad: de lege mens.

Hij beeldt zich niet in dat hij iemand is.

Hij beeldt zich niet in dat hij niemand is.

Hij beeldt zich niet in dat hij iedereen is.

Hij beeldt zich niet in dat hij alles is.

Hij beeldt zich niet in dat hij niets is.

Hij beeldt zich niet in dat hij alles en niets is.

Hij beeldt zich niet in dat hij de eerste oorzaak is.

Hij beeldt zich niet in dat hij de laatste grond is.

Hij beeldt zich niet in dat hij essentie is.

Hij beeldt zich niet in dat hij bewustzijn is.

Hij beeldt zich niet in dat hij een keuze heeft.

Hij beeldt zich niet in dat hij geen keuze heeft.

Hij beeldt zich niet in dat hij keuzeloos gewaar is.

Hij beeldt zich niet in dat hij ontwaakt is.

Hij beeldt zich niet in dat hij droomt

Hij beeldt zich niet in dat hij iets weet.

Hij beeldt zich niet in dat hij niets weet.

Hij beeldt zich niet in dat alles echt is.

Hij beeldt zich niet in dat alles inbeelding is.

Hij beeldt zich niet in dat hij zich niets inbeeldt.

Hij beeldt zich ook niet in dat hij zowel zijn identiteit als het kwijtraken daarvan aan de lege leer is kwijtgeraakt.

Ken jij zo’n mens?

Ben jij zo’n mens?

De lege mens niet.

Figuurtje dat met zijn ene hand zichzelf tekent en met zijn andere zichzelf uitgumt.
Wie is het die zowel zijn identiteit als het kwijtraken daarvan aan de lege leer is kwijtgeraakt?

-275-

Rust zacht, lege geest

In een park wonen geen mensen, maar ze komen er wel.

Soms is het er rustig, soms is het er druk.

In een lege geest wonen geen gedachten, maar ze komen er wel.

Soms is het er druk, soms is het er rustig.

De lege geest van niet-weten is dus geen geest zonder gedachten, maar een geest waarin gedachten niet blijven hangen.

Meningen, gevoelens, oordelen, verklaringen, filosofietjes en verhalen – ze komen en ze gaan.

Dat geldt ook voor de gedachte dat gedachten in een lege geest niet blijven hangen maar komen en gaan.

Het is niet dat de lege geest zijn gedachten loslaat, maar dat ze hem bij nader inzien ongeloofwaardig voorkomen.

Ze overtuigen niet meer en daardoor beklijven ze niet meer.

Dat geldt ook voor de gedachte dat de lege geest zijn gedachten niet loslaat maar dat ze hem bij nader inzien ongeloofwaardig voorkomen en daardoor niet meer overtuigen of beklijven.

Daar al zijn gedachten slechts op bezoek zijn, deze ook, krijgt het denken van de lege geest een merkwaardige vluchtigheid die gemakkelijk voor lichtzinnigheid of oppervlakkigheid wordt aangezien.

Maar wat betekent vluchtigheid nog bij ontstentenis van bestendigheid, zo die inderdaad ontbreekt?

Soms is het druk in een park, soms is het er rustig.

Mensen komen er graag maar ze wonen ergens anders.

Soms is het rustig in een lege geest, soms druk.

Gedachten komen er graag maar ze wonen ergens anders.

Zo blijft de lege geest in zekere zin leeg.

Maar alleen als déze gedachte langskomt.

De gedáchte van de lege geest.

Zonder die gedachte is er geen geest en geen leegte.

Dus geniet er maar van zolang het nog kan…

Te laat, ze gaat er alweer vandoor.

Zoals alle gedachten vóór haar is ze er geweest.

Rust zacht, lege geest.

-276-

Niet-weten is een nest op pootjes

De lege mens van niet-weten is een echte nestvlieder.

Gelukkig hoeft hij zijn nest daarvoor geen moment te verlaten.

De leegte van het lege nest wordt immers niet aangetast door de aanwezigheid daarin van de lege mens wiens geest een lege geest is en wiens leer een lege leer is.

Vandaar dat zijn aanwezigheid in elk geval overdrachtelijk omschreven kan worden als een absence.

Wie nestelt in het lege nest komt nooit vast te zitten.

Zelfs niet in loslaten.

Zelfs niet in het idee van het lege nest of de lege mens of de lege geest of de lege leer.

Hoe zou je in je hoedanigheid van afwezigheid ook ergens aan vast kunnen blijven zitten?

Evenmin raakt de lege mens verdwaald in het lege nest, want leegte heeft geen grootte tenzij er iets omheen zit.

De weg naar het lege nest kwijtraken kan hij ook niet, want er is geen weg naar het lege nest, er was geen weg naar het lege nest, er kan nooit een weg naar het lege nest geweest zijn, anders had hij die heus wel weten te vermijden.

Bevindt de weg naar het lege nest zich soms in het lege nest?

Of was de lege mens er altijd al, maar waande hij zich erbuiten?

Of is hij er nog steeds niet, maar waant hij zich erin?

Of waant hij zich slechts wanende?

De lege mens, hij weet het niet, maar woont waar hij zijn nest ontvliedt.

Nest op ooievaarspoten.
Niet-weten is een nest op pootjes.

-277-

In de wolk van niet-weten is geen niet-weten

Tweeëntwintig leemtes in de leegte.

1. In de ban van niet-weten is geen ban.

2. In de leer van niet-weten is geen leer.

3. In de kennis van niet-weten is geen kennis.

4. In de wijsheid van niet-weten is geen wijsheid.

5. In de waarheid van niet-weten is geen waarheid.

6. In het licht van niet-weten is geen licht.

7. In de duisternis van niet-weten is geen duisternis.

8. In de hel van niet-weten is geen hel.

9. In de hemel van niet-weten is geen hemel.

10. In de god van niet-weten is geen god.

11. In de geest van niet-weten is geen geest.

12. In het hart van niet-weten is geen hart.

13. In het ego van niet-weten is geen ego.

14. In het zelf van niet-weten is geen zelf.

15. In het wezen van niet-weten is geen wezen.

16. In de vrijheid van niet-weten is geen vrijheid.

17. In het woord van niet-weten is geen woord.

18. In de grond van niet-weten is geen grond.

19. In de stilte van niet-weten is geen stilte.

20. In de leegte van niet-weten is geen leegte.

21. In de mist van niet-weten is geen mist.

22. In de wolk van niet-weten is geen niet-weten.

-278-

OM HET WETEN TE OVERSTEMMEN!

‘Is stilte soms de weg naar niet-weten, Hans?’

‘WELNEE!’

‘Waarom niet?’

‘NIET-WETEN MAAKT JUIST ZOVEEL MOGELIJK LAWAAI!’

‘Waarom maakt niet-weten zoveel lawaai?’

‘OM HET WETEN TE OVERSTEMMEN!’

-279-

Niet-weten is een oorverdovende stilte

‘Wat is niet-weten, Hans?’

‘Stilte.’

‘Wat voor stilte?’

‘Een oorverdovende stilte.’

‘Zo erg?’

‘Fortissimo furioso.’

‘Wat hoor je daarin niet?’

‘Antwoorden.’

‘Hoe is het in die oorverdovende stilte?’

‘Hoe weet ik dat nou?’

‘Jij bent daar toch?’

‘Als ik dat eens wist.’

‘Wat moet ik doen om er zelf te komen?’

‘Ik heb geen idee.’

‘Maar je kan er toch wel komen?’

‘Wie zegt dat je erheen moet?’

‘Bedoel je dat ik er al ben?’

‘Wie zegt dat je bent?’

‘Is het er fijn?’

‘Waar?’

‘Of vervelend?’

‘Wat is het verschil?’

‘Het komt er dus op neer dat er helemaal geen antwoorden zijn?’

‘Dat zou nog steeds een antwoord zijn.’

X: AAARGH!

H: Dat zeg ik.

X: Wat?

H: Fortissimo furioso.

Gezicht dat schreeuwt, de wijd opengesperde mond een doorkijkje op het heelal.
Niet-weten is een oorverdovende stilte

-280-

Niet-weten is kauwgom voor de malende mind

Als je het allemaal niet meer weet, zoals ik, dan is het net alsof je de hele tijd ‘sst’ zegt tegen je gedachten.

Niet letterlijk hoor, figuurlijk.

In werkelijkheid zeg ik nooit ‘sst’ tegen mijn gedachten.

Ik voel ook nooit meer de behoefte om ze te sussen of te bezweren.

Juist niet: van mij mogen ze tot volle wasdom komen.

Losse gedachten, associatieve ketens, hele kaartenhuizen, kom maar op.

Maar echt serieus nemen kan ik ze niet meer, deze gedachte ook niet.

Ik luister naar ze zoals ik naar een kind luister, naar een fantast, een dwaas, een demagoog, een verkoper, een acteur, een zatlap of, sorry mama, mijn schoonmoeder.

Dat geldt ook voor de gedachten die ik daarnet heb opgeschreven, en waarschijnlijk ook voor de gedachten die ik hierna ga opschrijven, maar dat weet ik nog niet.

Oefeningen in stilte (silentie), aandachtigheid (mindfulness) of eenpuntige concentratie (samadhi) om de geest tot rust te brengen of leeg te maken, zijn aan mij niet besteed.

Man, ik kan mijn handen niet eens tot rust brengen – ze blijven maar gaan.

Liever dan ze tot onbeweeglijkheid te dwingen geef ik ze iets te doen.

Een speeltje om mee te friemelen, dan is er meteen niets meer aan de hand.

De geest, die niet van ophouden weet, heeft ook zo’n speeltje nodig.

Niet-weten is kauwgum voor de malende mind.

-281-

Niet-weten is RampZalig

De weg van niet-weten lijkt een doolhof.
De doolhof van niet-weten blijkt een weg.

Het vinden van niet-weten lijkt verliezen.
Het verliezen van niet-weten blijkt vinden.

De vrede van niet-weten lijkt strijd.
De strijd van niet-weten blijkt vrede.

De triomf van niet-weten lijkt een fiasco.
Het fiasco van niet-weten blijkt een triomf.

De zekerheid van niet-weten lijkt twijfel.
De twijfel van niet-weten blijkt zekerheid.

De grond van niet-weten lijkt drijfzand.
Het drijfzand van niet-weten blijkt grond.

De werkelijkheid van niet-weten lijkt een illusie.
De illusie van niet-weten blijkt werkelijkheid.

Het licht van niet-weten lijkt duister.
De duisternis van niet-weten blijkt licht.

De helderheid van niet-weten lijkt troebel.
De troebelheid van niet-weten blijkt helder.

Het hart van niet-weten lijkt een hoofd.
Het hoofd van niet-weten blijkt een hart.

Het mededogen van niet-weten lijkt wreedheid.
De wreedheid van niet-weten blijkt mededogen.

De deemoed van niet-weten lijkt hoogmoed.
De hoogmoed van niet-weten blijkt deemoed.

De deugd van niet-weten lijkt ondeugd.
De ondeugd van niet-weten blijkt deugd.

De rijkdom van niet-weten lijkt armoede.
De armoede van niet-weten blijkt rijkdom.

De volheid van niet-weten lijkt leegte.
De leegte van niet-weten blijkt volheid.

De vervoering van niet-weten lijkt vlak.
De vlakheid van niet-weten blijkt vervoering.

Het spel van niet-weten lijkt ernst.
De ernst van niet-weten blijkt spel.

Het wonder van niet-weten lijkt gewoon.
Het gewoon van niet-weten blijkt een wonder.

De eenvoud van niet-weten lijkt complex.
De complexiteit van niet-weten blijkt eenvoud.

De echtheid van niet-weten lijkt gemaakt.
De gemaaktheid van niet-weten blijkt echtheid.

De wijsheid van niet-weten lijkt dwaasheid.
De dwaasheid van niet-weten blijkt wijsheid.

De kracht van niet-weten lijkt zwakte.
De zwakte van niet-weten blijkt kracht.

De diepzinnigheid van niet-weten lijkt oppervlakkig.
De oppervlakkigheid van niet-weten blijkt diepzinnig.

Het denken van niet-weten lijkt dromen.
Het dromen van niet-weten blijkt denken.

Het doen van niet-weten lijkt laten.
Het laten van niet-weten blijkt doen.

Het spreken van niet-weten lijkt zwijgen.
Het zwijgen van niet-weten blijkt spreken.

Het zwijgen van niet-weten lijkt zwetsen.
Het zwetsen van niet-weten blijkt zwijgen.

Een meester van niet-weten lijkt een leerling.
Een leerling van niet-weten blijkt een meester.

Geïnspireerd door een toespraak van Meester Tja.

-282-

Dwaalweg

‘Waarheen gaat hij die weet?’

‘Nergens heen, maar dat weet hij niet.’

‘Waarheen gaat hij die niet weet?’

‘Nergens heen, en dat weet hij best.’

-283-

Voor niet-weten ben je nooit te bang

Niet-weten is geen kunst.

Niet-weten is geen kunde.

Niet-weten is een onvermogen.

Om een uitdrukking van Kant* te lenen:

Niet-weten is de mislukking van het denken.

* ‘God spreekt in de mislukking van het denken’, zei de Duitse filosoof om precies te zijn.

Dat klinkt niet zo best nee, en het is ook niet waar, anders was het denken alsnog gelukt – dan wist je toch weer iets.

Je kan het ook zo zeggen:

Niet-weten is de triomf van het denken over zichzelf.

Of:

Niet-weten is het vermogen om de diepten van je verstandelijke onvermogen te peilen.

Of om nog dichter naar Kant toe te kruipen:

God is de mislukking van het denken.

Dubieuze definities, maar dat geldt voor elke definitie van niet-weten.

Wat in deze formuleringen bijvoorbeeld ontbreekt, is de rol die angst speelt bij het niet-weten.

Ergens moet je de moed vandaan halen om aan jezelf en misschien zelfs aan vertrouwde anderen toe te geven dat je het allemaal niet meer weet en nooit geweten hebt.

Dat is eng hoor, doodeng.

Maar welbeschouwd is het nog veel enger om te doen alsof je weet.

Al is de bluffer nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel.

En achterhaalt de waarheid hem niet, dan achterhaalt zijn angst dat de waarheid hem zal achterhalen hem wel.

Een dubbelloops geweer: je blijft onder schot.

Ik weet niet hoe het voor jou is, maar voor mij is niet-weten eerder een kwestie van bang genoeg zijn dan van dapper genoeg zijn.

Ik ben simpelweg te schijterig om de diepten van mijn onvermogen ongepeild te laten.

Te kleinmoedig om mezelf nog langer wijs te maken dat ik het allemaal wel doorheb.

Bevers moeten knagen, knagers moeten beven tot ze zweven van welbehagen.

Want dat is het rare: je wordt er high van als je al je schijnveiligheden systematisch afbreekt.

Je wordt er high van als je eindelijk de gore moed vindt om zo angstig te zijn als je toch al was.

Gekker nog, ik ben tegenwoordig heel wat minder bang dan vroeger, toen ik stoer liep te doen en deed alsof ik alles onder controle had.

Laat dit een opsteker zijn voor de hazenharten onder ons:

Voor niet-weten ben je nooit te bang.

-284-

Laat de mislukking van je eigen denken voor je spreken

‘God spreekt in de mislukking van het denken, Hans.’

‘Wie zegt dat?’

‘Ik.’

‘Het komt me anders bekend voor.’

‘Betrapt, het was Immanuel Kant.’

‘Wat kan hij daarmee bedoeld hebben?’

‘Dat Gods schepping net als God zelf complexer is dan een mensenverstand kan bevatten.’

‘Zou hij zijn eigen denken als mislukt hebben beschouwd?’

‘Daar lijkt het wel op.’

‘Wanneer zeg je dat je denken mislukt is?’

‘Wanneer het niets heeft opgeleverd, denk ik.’

‘Hoe weet je eigenlijk dat Gods schepping en God zelf complexer zijn dan een mensenverstand kan bevatten?’

‘Dat dacht ik.’

‘Maar weet je het ook?’

‘Ik denk het niet.’

‘Hoe weet je dat het de complexiteit van Gods schepping en God zelf is waardoor een mensenverstand het niet kan bevatten?’

‘Dat dacht ik.’

‘Maar weet je het ook?’

‘Ik denk het niet.’

‘Hoe weet je dat een mensenverstand het in de toekomst niet alsnog zal bevatten?’

‘Dat dacht ik.’

‘Maar weet je het ook?’

‘Ik denk het niet.’

‘Hoe weet je dat dit hier Gods schepping is?’

‘Dat dacht ik.’

‘Maar weet je het ook?’

‘Ik denk het niet.’

‘Bestaat God eigenlijk wel?’

‘Dat dacht ik.’

‘Maar weet je het ook?’

‘Ik denk het niet.’

‘En zelfs als Hij bestaat, hoe weet je dan dat Hij de schepper is?’

‘Dat dacht ik.’

‘Maar weet je het ook?’

‘Ik denk het niet.’

‘Hoe weet je eigenlijk dat dit hier geschapen is?’

‘Dat dacht ik.’

‘Maar weet je het ook?’

‘Ik denk het niet.’

‘Wat weet je eigenlijk wel?’

‘Heel wat minder dan ik dacht.’

‘Net als Kant.’

‘Ik denk het ook.’

‘Is dit wat je bedoelde met “God spreekt in de mislukking van het denken”?’

‘Ik ben bang van wel.’

‘Zeg dat dan meteen.’

-285-

Niet-weten is een denken dat nooit victorie kraait

‘Wat is weten, Hans?’

‘Denken dat tot stilstand probeert te komen.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Denken dat in beweging blijft.’

‘Welk denken zal uiteindelijk victorie kraaien?’

‘Ze zullen beide blijven kraaien…’

‘Maar?’

‘Nooit victorie.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat ze elkaar aan de gang houden.’

‘Is dat een goede of een slechte zaak?’

‘Je probeert tot stilstand te komen.’

‘Kan je beter in beweging blijven?’

‘Je probeert opnieuw tot stilstand te komen.’

‘Volgens mij probeer jij steeds in beweging te blijven.’

‘Je probeert nog steeds tot stilstand te komen.’

‘Is dit wat je bedoelt met nooit victorie?’

‘Maar we kraaien vrolijk verder.’

-286-

Niet-weten is een vlucht uit het vluchten

‘Wat is weten, Hans?’

‘Een vlucht uit niet-weten.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een vlucht uit het weten.’

‘Bedoel je dat we voortdurend heen en weer vluchten?’

‘Tenzij we vanzelf heen en weer gaan.’

‘Dat kan ook nog.’

‘Gesteld dat we inderdaad heen en weer gaan.’

‘Hè?’

‘Want ik kan wel zoveel beweren.’

‘Is dit nou een vlucht uit het weten of een vlucht uit niet-weten?’

‘Een vlucht uit het vluchten.’

-287-

Acht manieren om te vluchten in dwaasheid

De doener en de agnost.

Doener: Kent u het Latijnse begrip asylum ignorantia?

Agnost: Ik geloof het wel.

Doener: Asylum betekent vrijplaats, ignorantia onkunde.

Agnost: Waar zouden we zijn zonder Latijn.

Doener: Asylum ignorantia is een vlucht uit de wereld in de dwaasheid van niet weten.

Agnost: Voor u misschien.

Doener: Wat betekent het voor u?

Agnost: Het ligt eraan met wie ik te maken heb.

Doener: Nu u met mij te maken hebt.

Agnost: Een vlucht uit niet weten in de dwaasheid van de wereld.

Doener: En als ik een bioloog was geweest?

Agnost: Een vlucht uit niet weten in de dwaasheid van de wetenschap.

Doener: En als ik een soefi was geweest?

Agnost: Een vlucht uit niet weten in de dwaasheid van de dans.

Doener: En als ik een rabbijn was geweest?

Agnost: Een vlucht uit niet weten in de dwaasheid van de halacha.

Doener: En als ik een hippie was geweest?

Agnost: Een vlucht uit niet weten in de dwaasheid van de revolutie.

Doener: En als ik een junkie was geweest?

Agnost: Een vlucht uit niet weten in de dwaasheid van de roes.

Doener: En als ik een boeddhist was geweest?

Agnost: Een vlucht uit niet weten in de dwaasheid van samadhi.

Doener: We kunnen niet allemaal gelijk hebben.

Agnost: In uw wereld niet.

Doener: En in de uwe?

Agnost: In de dwaasheid van niet weten is alles mogelijk.

-288-

Woordenboek niet-weten: weetnietkunde

In het dagelijks taalgebruik is ‘weetnietkunde’ een eufemisme voor onwetendheid.

Meestal wordt het gebruikt in combinatie met de titel van professor.

Iemand die heel dom overkomt of die gebakken lucht verkoopt noem je een professor in de weetnietkunde.

Op de lagere school werd ik weleens de professor genoemd.

Ik herinner mij een foto waarop ik als eersteklassertje kaarsrecht achter mijn lessenaar zit met mijn armen over elkaar, mijn mondhoeken naar beneden en een diepe frons tussen mijn ogen.

Onderzoeker des geestes, denker des volks, een en al ernst, zo jong als ik was.

Om later in mijn leven opnieuw professor genoemd te worden was ik niet slim genoeg.

Ik kan wel goed denken hoor, maar ik kan niks onthouden.

Om professor in de weetnietkunde genoemd te worden was ik weer niet dom genoeg.

Ik hing ertussenin* – het verhaal van mijn leven.

* Sommigen noemen dat non-dualiteit; ook daarvoor ben ik niet dom genoeg.

Maar als we weetnietkunde nou eens herdefiniëren als denken, spreken en schrijven over niet-weten, dan heb ik toch nog tot professor geschopt.

Emeritus professor om precies te zijn, of eigenlijk emeritis, want het is geen ambt, het is een ongeneeslijke post-ambtelijke aandoening: emeritis simplex chronicus.

De buitenspelval, in goed Neanderlands.

Ontslag en aanstelling ineen.

Je zal het maar hebben.

-289-

Woordenboek niet-weten: niet weten, niet-weten of nietweten?

Schrijf je nou niet weten, niet-weten of nietweten? Niet doen, niet-doen of nietdoen? Non dualisme, non-dualisme of nondualisme? Non boeddhist, non-boeddhist of nonboeddhist? Verbinden of verbreken – het koppelteken en het ontkoppelde denken.

Een nietmachine is geen niet-machine

Taal is grillig en spellingregels niet minder.

Neem nou het koppelteken, -: op het eerste gezicht zit er best enige logica in het gebruik van dit minuscule dwarsliggertje.

We schrijven terecht niet-partijgebonden in plaats van nietpartij-gebonden, tenzij we het hebben over gehechtheid aan de nietpartij.

We schrijven terecht nietmachine in plaats van niet-machine want een nietmachine is mooi wel een machine, om niet te zeggen een wel-machine, mooi of niet, of een welmachine natuurlijk, die hoe je hem ook noemt wel niet.

Te recht zal geen welstandscommissie wel-standscommissie durven voorschrijven, al zal een schoolmeester, juist als hij niet aan een meesterschool doceert, het graag voor-schrijven als wel-standcommissie.

We schrijven te recht niet-schakeling om aan te geven dat iets geen schakeling is, en nietschakeling voor een schakeling waarbij de sluiting van een stroomkring wordt gebruikt om een andere stroomkring te openen, of hij het nou doet of niet.

We schrijven te-recht niet-Nederlander in plaats van Nietnederlander, behalve ter aanduiding van de in woners van Nietnederland en van deel-nemers aan het tele visieprogramma Heel Nederland niet maar wie dan wel?

We schrijven ter echt leernicht en niet leer-nicht noch niet-leernicht, want niet iedere leernicht heeft leerplicht maar wel leer-plicht, behalve onder de douche, dat is nou eenmaal de dresscode.

Je ziet, onze spellingsgoeroes zijn zo gek nog-niet, een unicum onder goeroes én nietgoeroes, petje-af maar hoedje voor de spellingsroes…

Een nietswaardige nietdeug

… en water dicht is het-hier geens zins.

Zo schrijven we niet-gericht in plaats van nietgericht, ook al is er, nietobsessies daargelaten, weinig kans op verwarring.

We schrijven zonder doorslag gevende rede niet-bestaand, niet-bewust, niet-metaal, niet-doen en niet-zijn in plaats van nietbestaand, nietbewust, nietmetaal, nietdoen en nietzijn.

Omgekeerd schreven we vroeger volgens het Woordenboek der Nederlandse Taal onbekommerd nietdoenerij (ledigheid, thans nietsdoenerij) in plaats van niet-doenerij, nietdoenig (lui) in plaats van niet-doenig, nietemijtig (nietig) in plaats van niet-te-mijtig of niet-mijtig.

We schreven nietwetendheid in plaats van niet-wetendheid, nietweet (thans weetniet) in plaats van niet-weet, nietdeug (thans deugniet) in plaats van niet-deug.

We schreven nietjegenstaande, nietwederstaande en niettemeer in plaats van niet-jegenstaande, niet-wederstaande, niet-temeer en we schreven nieteenzins (geenszins) in plaats van niet-eenzins of niet-een-zins (of geenzins).

De nominaal heden-daagse woorden niettemin en niettegenstaande hebben zich bij uit zonder in met succes verzet tegen de verkoppeltekening van de nietwoorden maar niet tegen de ontkoppeltekening van niet-woorden, anders zouden we wel niet-te-min en niet-tegen-staande schrijven.

Nietteminmogen ze vanmij zo het oude mannen huizin, met- of zonderdwars streepjes, liefst onderdwang.

Wist je trouwens dat samen stellingen met ‘niets’ nooit een koppel teken krijgen?

Of-te nimmer?

We schrijven nietsnutten, nietsbeduidend, nietsontziend, nietsverhullend, nietsvermoedend, nietswaardig, nietswording en nietszeggend in plaats van niets-nutten, niets-beduidend, niets-ontziend, niets-verhullend, niets-vermoedend, niets-waardig, niets-wording en niets-zeggend.

Noujij weer.

Een koppel teken

Ik nietweet, wij nietwisten, zij hebben genietweten?

Nou ikweer, ik mag me zelf, graaghoren.

Wie een lans wilbreken voor nietweten, aan elkaar dus, moet welbedenken dat niet-weten zowel een zelf standig naam woord is als een werk woord, en nog een sterkwerk woord ook.

Bij het zelf-standig naam-woord is er weinig-kans op verwarring.

Of je nou spreekt van een zen boeddhistisch niet weten of een non-dualistisch niet-weten of het mystieke nietweten van Meistereckhart, niemand zal je mis verstaan, noem dat maar een predikant.

Anders is het met de werk-woordsvorm gesteld.

Vormen de samen stellende delen van een werkwoord een vasteverbinding dan blijft deze norma-liter behouden in de vervoeging.

We zeggen ik stofzuig, wij stofzuigden, zij hebben gestofzuigd maar nietzeggen ik zuig stof, zij zogen (of zoogden of zuigden) stof, wij hebben stof gezogen.

We zeggen ik nietsnut, jij nietsnutte, jullie hebben genietsnut maar nietzeggen ik nut niets, jij nutte niets, jullie hebben niets genut.

Zouden we van niet-weten een vasteverbinding maken en toch consequent willenwezen of -weduwen, dan werd het ik nietweet, hij nietwist, zij hebben genietweten.

Het spirituelejargon kent behalve niet-weten nog een hele boel anderewerk woorden die beginnen met ‘niet’.

Niet-doen, niet-zoeken, niet-vinden, niet-bereiken bevobbeld.

Of toch maar nietdoen, nietzoeken, nietvinden en nietbereiken, met alle vergezochtevervoegingsverwarring vandien?

Je moet het helemaal zelfweten hoormaar als je het mijvraagt komt het je geloof waardigheid niettengoede niet tegen staande je goedeboedelingen.

Ik-zelf hou mijn-zelf aan de conventie, hoe onrede lijk ook.

Of het nou om een zelfstandig maanwoord (niet-geest, niet-zelfstandig, niet-god) gat of om een werknietwoord (niet-noemen, niet-spreken, niet-zwijgen), ik gewoongebruik een koppel teken.

Net zoals ik gewoongebruik non-dualist, non-dualisme, non-duaal en non-dualiteit blijfschrijven, ook al schietende nondualisten, nondualismes, nondualen en nondualiteiten op in ter net tegen woordig naar Goedfrans voor beeld als pad-en-stoelen uyttegrond.

Ook de non heeft officieel rechtop koppels teken – de fictie-non, de conformisme-non, de proliferatie-non, de issue-non, de boeddhist-non, maarniet, nondeju, de nonvariante nonvaleur, van wegehaar non-existente nonrespons zeker waar, schijnlijk.

Hoedan ook, en wie eigenlijk niet?

Krijg ik goed-genoeg van al die bewust-zijns k nonnen zonder-onder-scheid of tussen ruimte dan schr-f ik g-w-n adualisme of adualist of adualiteit.

So wie so n aan rader.

Maar wat zegt een maan?

Leesteken

-290-

Om uw wijsheid te ontwijden

De soefi en de agnost.

Soefi: Ik ben niet gekomen om u te leren wat u niet weet, ik ben gekomen om u in te wijden in de wijsheid die u reeds bezit.*

* Uitspraak van Inayat Khan (1882-1927).

Agnost: Ik ben niet gekomen om u te leren wat u niet weet, ik ben gekomen om u te herinneren aan wat u niet weet.

Soefi: En die wijsheid dan?

Agnost: Ik ben niet gekomen om u in te wijden in de wijsheid die u reeds bezit, ik ben gekomen om u in te wijden in de dwaasheid die ons reeds bezit.

-291-

Een lesje afleren

De meester en de agnost.

‘Ik leer meer van mijn leerlingen dan zij van mij.*’>/p>

* Uitspraak van Inayat Khan (1882-1927).

Agnost: Had u maar geen leraar moeten worden.

‘Hoe zit dat bij u?’>/p>

Agnost: Ik leer meer af van mijn leerlingen dan zij van mij.

‘Wat leren zij wél van u af?’>/p>

Agnost: Zich mijn leerling te noemen.

-292-

Niet-weten is alles afleren

Meester Af zegt:

Niet-weten, dat is alles afleren.

Niet letterlijk natuurlijk, dan zou u debiel of dement worden, maar figuurlijk.

Met afleren bedoel ik: alles wat u geleerd hebt tegen het licht houden.

Het geleerde doorzien.

Uw geleerdheid doorzien.

Uw aannames doorzien.

Uw woorden doorzien.

Het doorzien doorzien.

Inzien dat u niet alles kunt doorzien.

Iemand die alles wat hij geleerd heeft tegen het licht houdt, is een afleerling.

Iemand die een ander helpt om alles wat hij geleerd heeft tegen het licht te houden, is een afleraar.

Waar een reguliere leraar antwoord geeft op uw vragen, stelt een afleraar vragen over uw antwoorden.

Van een afleraar kunt u niets leren, behalve misschien dat u niet weet wat u dacht te weten.

Alle leraren niet-weten zijn afleraren.

Iedere afleraar is zijn eigen afleerling.

Iedere afleerling is zijn eigen afleraar.

Alle afleerlingen zijn leerling-af.

Alle afleraren zijn leraar-af.

Als er al een weg is naar niet-weten, dan is het geen leertraject maar een afleertraject.

Denkt Meester Af weleens.

Maar ja.

Wat weet hij ervan?

-293-

De weg loopt rond – je draait eromheen

Er is geen weg naar niet-weten.

Je hoeft er niet heen.

Er is geen weg uit niet-weten.

Je kan er niet weg.

De weg loopt rond.

Je draait eromheen.

Cirkelvormige asfaltweg.
De weg loopt rond – je draait eromheen.

-294-

Zelfs het grootste wonder gaat een keer vervelen

Beste Hans,

Ooit heb ik mij overmoedig op Plato geworpen, de grootste of in ieder geval meest bekende westerse filosoof, in de hoop iets van het leven te begrijpen. Bij het lezen daarvan is mijn verstand helaas op tilt geslagen en heb ik ingezien dat ik niet verstandig genoeg was om dit alles te begrijpen. Erger nog, de eerlijkheid gebood me onder ogen te zien dat ik totaal niets weet en dat er verder ook niemand iets weet.

Dit inzicht van de beperktheid van mijn en het verstand leidde een lange, helse periode in van diepe angst, een besef van uiterste nietigheid en volslagen nutteloosheid. In die verstilde, ontsluierde geest echter kwamen na verloop van tijd inzichten aanwaaien die zo eenvoudig en mooi en goed zijn dat je onmiddellijk begrijpt wat er bedoeld wordt met ‘Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen’ (Mattheüs 5:3).

Ik weet dat je allergisch bent voor mooipraterij, maar het Eeuwige is voor mij geen kwestie meer van geloven. Mijn periode van geloven, niet geloven, weten en niet weten is reeds lang voorbij. Voor mij is alles ongelooflijk wonderlijk. Het leven is een mysterie en dat mysterie heet God.

Hartelijke groeten, X

Beste X,

Ik ben geen godzegger en mijn mystiek is leeg, dus daarin vinden we elkaar niet.

Het enige wat ik kan doen, is jouw brief bekijken vanuit mijn eigen armoedige geest.

Die tot mijn schande nog armoediger is dan de Bijbelse en de jouwe, want van het Koninkrijk der Hemelen is mij bijvoorbeeld niets bekend.

‘De eerlijkheid gebood me onder ogen te zien dat ik totaal niets weet en dat er verder ook niemand iets weet’, zeg je.

Het eerste deel van die uitspraak klinkt bescheiden, ik zal het niet bestrijden, maar het tweede zou ik vermijden.

Want hoe stel je in godsnaam vast dat niemand iets weet?

Hoe weet je dat de mogelijk miljarden mensen die wel iets menen te weten het allemaal bij het verkeerde eind hebben?

Je moet het zelf weten hoor, maar armoede van geest kun je dat niet noemen.

Ik zou het eerder scepticisme noemen.

Of nihilisme.

Of hoogmoed.

Ook bij het ‘besef van uiterste nietigheid en volslagen nutteloosheid’ zet ik vraagtekens.

Nietig in vergelijking waarmee?

Nutteloos voor wie of wat?

Dat je het zo voelt betekent toch niet dat het zo is?

Ik zou het eerder zelfhaat noemen.

Of een minderwaardigheidscomplex.

Of een kokervisie.

Of een depressie.

Of weten.

Of meten.

En dan de gedachte dat alles ‘ongelooflijk wonderlijk’ is.

Zeg eens eerlijk, je schrijft me toch niet vanuit de zevende hemel?

Ik bedoel, is ‘alles’ niet net zo vaak gewoon of zelfs banaal?

Gaat zelfs het grootste wonder niet een keer vervelen?

En dan de gedachte dat het leven een mysterie is dat God heet – waar komt die ineens vandaan?

Waar blijft dat ‘leven’, waar blijft het ‘mysterie’, waar blijft die ‘God’, als de dragende gedachte, zoals alle gedachten, een paar seconden later gevlogen is?

Ook het Eeuwige is mij een maatje te groot.

Het komt mij voor dat je alleen achteraf met zekerheid kan vaststellen dat iets eeuwig was, maar het Eeuwige kent geen achteraf, dus dat schiet niet op.

Zelf noem ik het heilige geloof in het fundamentele weleens fundamentalisme.

Mocht je tegenwerpen dat het geen gelóóf is maar een erváring waarop je je beroept, dan zeg ik: ervaringen, ook van het Eeuwige, zijn zo voorbij – daarom heten ze ervaringen in plaats van toestanden – en dan?

Waar is het Eeuwige als je het niet ervaart?

Is het er dan wel?

Is het het Eeuwige dat de ervaring schept, keer op keer, of is het de ervaring die het Eeuwige schept, telkens weer?

Verder is de duiding van religieuze ervaringen nogal modegevoelig gebleken, lees de geschiedenis van de psychiatrie er maar op na.

Welke duiding is de ware, wie heeft het laatste woord?

Daar zijn de geleerden het nog niet over eens, dus het is maar net wat je gelooft.

Afijn, dat je periode van niet weten en niet geloven voorbij is, staat buiten kijf, gefeliciteerd.

Maar je periode van weten en geloven lijkt mij nog niet helemaal voorbij, of nog helemaal niet voorbij.

Of er is alweer een nieuwe aangebroken, daar wil ik vanaf zijn.

Verhalen bij het leven!

Mij is het om het even.

Hartelijke grotten,

Hans

Lees ook: Witboek Mystiek.

-295-

Definities van niet-weten – oktober

1. Niet-weten is alles vergeten.

2. Niet-weten is zelfs het vergeten van niet-weten vergeten.

3. Niet-weten is geen dementie.

4. Niet-weten is geen zwakzinnigheid.

5. Niet-weten is geen onwetendheid.

6. Niet-weten is geen irrationalisme.

7. Niet-weten is het herroepen van iedere gedachte, deze ook.

8. Niet-weten is een knuppel om je gedachten weg te slaan.

9. Niet-weten is denken zonder denk-beelden.

10. Niet-weten is geen oog, maar het einde van je staar.

11. Niet-weten is door je gedachten heen kijken.

12. Niet-weten is kijken zonder denken.

13. Niet-weten is steeds door een ander raam kijken.

14. Niet-weten is zien dat je denkt dat je de wereld ziet.

15. Niet-weten is alle kanten zien.

16. Niet-weten is het hele plaatje zien.

17. Niet-weten is het hele plaatje doorzien.

18. Niet-weten is het denken doorzien.

19. Niet-weten is het doorzien van het denken doorzien.

20. Niet-weten is het uiteindelijke doorzien.

21. Niet-weten is het doorzien van het uiteindelijke doorzien.

22. Niet-weten is de illusie doorzien.

23. Niet-weten is het doorzien van de illusie doorzien.

24. Niet-weten is een manier van kijken zonder manier.

25. Niet-weten is een koning zonder kijk.

26. Niet-weten is overal de keerzijden van zien, ook van de keerzijden.

27. Niet-weten is terugschrijdend inzicht.

28. Niet-weten is vrij zijn van inzicht.

29. Niet-weten is geen bevrijdend inzicht maar vrij uitzicht.

30. Niet-weten is vrij zijn van niet-weten.

31. Niet-weten is geen piek, maar het einde van je klim.

365 Definities van niet-weten – oktober.

-296-

De Stenen Tafelen van Niet-Weten

Behalve geschriften zoals het Thomas-evangelie zijn er in het plaatsje Nag Hadami bij recente opgravingen tien of elf tafelbladen met inscriptie van een tot nog toe onbekende materiaalsoort uit het zand gehaald, de Stenen Tafelen van Niet-Weten.

Op de eerste tafel staat:

Dit Zijn De Stenen Tafelen Van Niet-Weten

Op de tweede tafel staat:

Dit Zijn Niet De Stenen Tafelen Van Niet-Weten

Op de derde tafel staat:

Niemand Weet Wat Voor Stenen Tafelen Dit Zijn

Op de vierde tafel staat:

Niemand Weet Wat Voor Stenen Dit Zijn

Op de vijfde tafel staat:

Niemand Weet Of Dit Stenen Zijn

Op de zesde tafel staat:

Niemand Weet Wat Dit Zijn.

Op de zevende tafel staat:

Niemand Weet Wat

Op de achtste tafel staat:

Niemand Weet

Op de negende tafel staat:

Niemand

Op de tiende tafel staat niks.

Op de elfde, apocriefe tafel staat:

Wat Staat Er Op De Stenen Tafelen Van Niet-Weten?

Niemand weet wat hier de bedoeling van is of uit welke eindtijd deze gevonden voorwerpen afkomstig zijn.

Weet jij het?

-297-

De nul geboden van niet-weten

‘Wat staat er op de Stenen Tafelen van Niet-Weten, Hans?’

‘Weet ik niet meer.’

‘Hoe kan dat nou!’

‘Ik heb ze meteen verbrijzeld.’

-298-

Eh is eindeloos

‘Wat staat er op de Stenen Tafelen van Niet-Weten, Hans?’

‘Eh…’

‘Gij Zult Niet Weten?’

‘Eh…’

‘Gij Zult Niet Gebieden?’

‘Eh…’

‘Gij Zult Niet Beitelen?’

‘Eh…’

‘Gij Zult Niet?’

‘Eh…’

‘Gij Zult?’

‘Eh…’

‘Gij?’

‘Eh…’

‘Niets dan?’

‘Eh…’

‘Is dat wat er staat of weet je het niet?’

‘Eh…’

-299-

Niet-weten is warm en vloeiend

Brand je niet!

‘Waarmee kan je de stenen tafelen van het weten vergelijken, Hans?’

‘Gewapend beton.’

‘En die van niet-weten?’

‘Lava.’

-300-

Hersenspinsels over niet-weten

‘Wat is weten?’

‘Vastzitten in het web van je gedachten.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Rondlopen op het web van je gedachten.’

‘Ik streef ernaar het web van mijn gedachten helemaal te verlaten.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Ach natuurlijk, je kan het web van je gedachten nooit verlaten.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Ach natuurlijk, er is helemaal geen gedachteweb.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Ach natuurlijk, er is helemaal geen je.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Dan weet ik het ook niet meer.’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Jij weet het toch ook niet meer?’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Maar niet-weten is toch rondlopen op het web van je gedachten?’

‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

‘Je zegt steeds hetzelfde, waar ben je toch mee bezig!’

‘Rondlopen op het web van jouw gedachten.’

-301-

De rare eenduidigheid van de leer van ware dubbelzinnigheid

De filosoof en de agnost.

Filosoof: De dubbelzijdigheid van de werkelijkheid is de dubbelzinnigheid van de waarheid. Zo is de leer van de waarheid een leer van werkelijke en ware dubbelzinnigheid.*

* Uitspraak van G. J. P. J. Bolland (1854-1922)*.

Agnost: Dat klinkt als één klok.

Filosoof: Hoe bedoelt u?

Agnost: Uw leer van de dubbelzijdige werkelijkheid is volstrekt eenduidig. Alsof er geen andere visies zijn.

Filosoof: Mijn visie op de werkelijkheid sluit alle denkbare visies in.

Agnost: U stelt dat de werkelijkheid intrinsiek dubbelzijdig is en u onderstelt een objectieve werkelijkheid waarover met stelligheid gesproken kan worden.

Filosoof: Dus?

Agnost: Kan het nooit de leer van de waarheid zijn.

Filosoof: Omdat?

Agnost: De leer van de waarheid volgens u een leer van werkelijke en ware dubbelzinnigheid is.

-302-

Leeg worden voor gekken

De essayist en de agnost.

Essayist: Misschien is dit wat gek worden betekent: leeggemaakt worden en je bewust te zijn van de leegte.*

* Uitspraak van David Foster Wallace (1962-2008).

Agnost: Misschien is dit wat leeg worden betekent: gekgemaakt zijn en je bewust te worden van de gekte.

-303-

Eerst was ik een hele pief, nu sta ik aldoor paf

‘Ben jij veranderd door niet-weten, Hans?’

‘Ik ben er niet door veranderd, niet-weten is de verandering.’

‘Wat houdt die verandering in?’

‘Eerst was ik een hele pief. Nu sta ik aldoor paf.’

‘Wat als je aldoor paf staat?’

‘Dan gaan je gedachten in rook op.’

‘Poef.’

‘Deze ook.’

‘Hè?’

‘Wat?’

‘Ja, gaan je gedachten nou in rook op of niet?’

‘Poef.’

‘Maar eerst was je een hele pief en nu sta je aldoor paf?’

‘Poef.’

‘Dus je bent er niet door veranderd, niet-weten is de verandering?’

‘Poef.’

-304-

Niet-weten is geen waarheid en geen leugen

Als iemand hem vroeg of niet-weten waarheid is, zei Meester Ster:

‘Geen waarheid nee, maar mooier dan de mooiste waarheid ooit had kunnen zijn.’

Of hij zei:

‘Geen waarheid nee, maar dieper dan de diepste waarheid ooit had kunnen zijn.’

Of:

‘Geen waarheid nee, maar harder dan de hardste waarheid ooit had kunnen zijn.’

Of:

‘Geen waarheid nee, maar waarder dan de waarste waarheid ooit had kunnen zijn.’

Als iemand hem vroeg of niet-weten dan een leugen is, zei Meester Ster:

‘Geen leugen nee, maar beter dan de beste leugen ooit had kunnen zijn.’

Of hij zei:

‘Geen leugen nee, maar zoeter dan de zoetste leugen ooit had kunnen zijn.’

Of:

‘Geen leugen nee, maar zachter dan de zachtste leugen ooit had kunnen zijn.’

Of:

‘Geen leugen nee, maar gekker dan de gekste leugen ooit had kunnen zijn.’

Wat hij ook zei, hij straalde erbij, en dat is hoe hij aan zijn bijnaam kwam.

-305-

Het zwakke licht van Meester Ster

Meester Ster heeft het op vele manieren gezegd:

‘Niet-weten is hier, wij zijn daar.’

‘Niet-weten is thuis, wij zijn uit.’

‘Niet-weten is binnen, wij zijn buiten.’

‘Niet-weten is in ons hart, wij zijn in ons hoofd.’

‘Niet-weten is inwonend, wij zijn vreemdelingen.’

‘Niet-weten is nooit weggeweest, wij zijn nooit teruggegaan.’

‘Niet-weten is het meest nabij, wij zijn weer eens op bedevaart.’

Laatst seinde hij van Jupiter:

‘Niet-weten is geen pied-à-terre!’

Helaas, zijn licht reikt niet zo ver.

Het zwakke licht van Meester Ster.

-306-

Niet-weten is geen fatalisme

Fatalisme is de neiging alles aan het lot over te laten in de overtuiging dat het leven van begin tot eind vastligt.

Voor de fatalist is de vrije wil een illusie.

Filosofisch gezien is het fatalisme verwant met het determinisme en het stoïcisme.

De fatalistische houding is ook kenmerkend voor orthodoxe varianten van monotheïstische godsdiensten en voor spirituele tradities die de persoon als een illusie zien.

Het tegenovergestelde van fatalisme is activisme, de overtuiging dat we zelf ons lot bepalen en in actie kunnen en moeten komen om het leven naar onze hand te zetten.

Midden tussen de polen van fatalisme en activisme – en ver daarbuiten – vinden we de agnost.

De agnost gelooft niet dat alles van te voren vastligt in de onverbiddelijke bewegingen van de kleinste deeltjes, niet dat alles is voorbestemd door een hogere intelligentie of een oppermachtige god, niet dat de persoon en de vrije wil een illusie zijn.

Hij gelooft niet dat we ons lot geheel of mede zelf bepalen, niet dat de persoon en de vrije wil toch reëel zijn, niet dat een hogere intelligentie of een oppermachtige god ons doelbewust de nodige armslag geeft.

Hij gelooft niet dat we dit soort zaken nu al met zekerheid kunnen vaststellen, niet dat we het ooit zullen weten, niet dat we het nooit zullen weten.

Zelfs in niet-weten gelooft hij niet, al was het maar omdat niet-weten geen geloof is.

Niet-weten is niet weten wat je moet geloven en daar vrede mee hebben.

Je erbij neerleggen – maar dan ook helemaal.

Dus ook bij je fatalisme.

Dus ook bij je activisme.

Dus ook bij je weten.

Dus ook bij je niet-weten.

Of klinkt dit weer fatalistisch?

Maakt niet uit.

Het is hier fantastisch.

-307-

Niet-weten is geen cynisme en geen naïviteit

Cynisme is de overtuiging dat je niets en niemand kan vertrouwen.

Het mateloze wantrouwen van de cynicus komt tot uitdrukking in spot, sarcasme en negativiteit.

Cynisme is het tegenovergestelde van naïviteit en goedgelovigheid – een onvoorwaardelijk vertrouwen in alles en iedereen.

Ook in niet-weten is er sprake van groot wantrouwen, maar dan van je gedachten.

En dan bedoel ik ál je gedachten, zonder uitzondering, inclusief de cynische en de naïeve.

Een agnost gelooft dus niet in de gedachte dat je niets en niemand kan vertrouwen.

Niet-weten is geen cynisme.

Hij gelooft ook niet in de gedachte dat je alles en iedereen kan vertrouwen.

Niet-weten is geen naïviteit.

Hij gelooft ook niet in de gedachte dat zijn gedachten van hém zijn, of in de gedachte dat ze niet van hem zijn maar dat hij ze alleen maar ziet of ontvangt of zo.

Hij gelooft ook niet in de gedachte dat er een ‘hem’ is, een denker die gedachten denkt of ziet of ontvangt, of dat er niet zo iemand is.

Hij gelooft ook niet dat je je gedachten moet wantrouwen of dat je er toch op kan vertrouwen of dat je je oordeel moet opschorten of dat je maar moet afwachten of zo.

Daarmee vervalt de basis van het denken in termen van vertrouwen en wantrouwen, weten en niet-weten en vergelijkbare tegenstellingen.

Ik bedoel, hoe naïef kun je zijn?

-308-

Stilte is de slaap die dromen vangt

De staatsman en de agnost.

Staatsman: Stilte is de slaap die de wijsheid voedt.*

* Uitspraak van Francis Bacon (1561-1626).

Agnost: Waarom verbreekt u haar dan?

Staatsman: Wat zou u zeggen?

Agnost: Stilte is de slaap die dromen vangt.

Staatsman: En wijsheid?

Agnost: Dat is een van die dromen.

Staatsman: En dit gesprek?

Agnost: Dat is een van die dromen.

Staatsman: Het zijn allemaal maar dromen?

Agnost: Tenzij dat ook maar een droom is.

Staatsman: Wat is eigenlijk geen droom?

Agnost: Dwaasheid.

-309-

Niet-weten is een rede zonder rede

‘Wat is weten?’

‘Een overwinning van de rede op de realiteit.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Een overwinning van de rede op de rede.’

‘Ja, heeft de rede nou gewonnen of niet?’

‘Zo kun je het ook zeggen.’

‘Ik bedoel, heeft de realiteit nou verloren of niet?’

‘Zo kun je het ook zeggen.’

-310-

Niet-weten is steeds opnieuw beginnen

‘Waarmee kan je niet-weten vergelijken?’

‘Undo.’

‘Wat?’

‘Ctrl-Z.’

‘Het lijkt wel algebra.’

‘Het commando ongedaan-maken op de computer.’

‘Wat wordt er ongedaan gemaakt?’

‘Je vorige gedachte.’

‘Waarmee?’

‘Je huidige gedachte.’

‘Waarmee maak je die dan weer ongedaan?’

‘Je volgende gedachte natuurlijk.’

‘Aha!’

‘Wat?’

‘Eindelijk snap ik het.’

‘Undo.’

-311-

Het achtvoudige pad van niet-weten

Niet-weten is:

1. De werkelijkheid bestrijden met de middelen van het realisme.

2. Luchtkastelen bestrijden met de middelen van het idealisme.

3. Gedachten bestrijden met de middelen van de psychologie.

4. Kennis bestrijden met de middelen van de wetenschap.

5. Stellingen bestrijden met de middelen van de filosofie.

6. Bewijzen bestrijden met de middelen van de logica.

7. Woorden bestrijden met de middelen van de taal.

8. Niet-weten bestrijden met niet-weten.

Naar 1.

-312-

Niet-weten is uit je woorden komen

De schrijver en de agnost.

Schrijver: Je komt altijd slecht uit je woorden als je niets te zeggen hebt.*

* Uitspraak van Voltaire (1694-1778).

Agnost: Je komt altijd slecht uit je woorden als je er nog in zit.

Schrijver: Als je waar nog in zit?

Agnost: In je woorden.

Schrijver: Wat als je niet meer in je woorden zit?

Agnost: Niet-weten.

Schrijver: Wat is niet-weten?

Agnost: Uit je woorden komen.

Schrijver: Wat als je uit je woorden bent gekomen?

Agnost: Dan heb je niets meer te zeggen.

-313-

Wat heb je liever, botpijn, wondpijn of fantoompijn?

De afzetter.

Patiënt: Toen mijn been er nog aan zat deed het verschrikkelijk zeer, toen het er net af was deed het verschrikkelijk zeer, en nu we een jaar verder zijn doet het nog steeds verschrikkelijk zeer.

Dokter: Eerst had je botpijn, toen wondpijn en nu fantoompijn.

Patiënt: Wat maakt mij dat nou uit.

Dokter: Jou misschien niets, maar voor de behandeling maakt het wel degelijk verschil.

Patiënt: Voor de behandeling misschien wel, maar voor de pijn maakt het geen enkel verschil.

Dokter: Hoor eens, ik ben God niet.

Patiënt: Hadden we het nou maar meteen fantoompijn genoemd.

Dokter: Hoezo?

Patiënt: Dan had ik nu mijn been nog gehad.

-314-

Zalig zweven in de eindeloze ruimte tussen de woorden

A small step for a man, a big step for a mind.

Beste Hans,

Is niet-weten volgens jou een kwestie van bereiken of een kwestie van ontvangen? Van oefening of van genade? Van eigenmacht of van anderkracht? Van inzet of van overgave?

Beste X,

Een kwestie van opgave.

X: Wat opgeven?

H: Het weten opgeven. Het niet-weten opgeven. Het opgeven opgeven.

X: Dan ben je gauw uitgepraat.

H: Goeie definitie van niet-weten.

X: Gauw uitgepraat zijn?

H: Uitgepraat, uitgedacht, uitgezwegen.

X: Is niet-weten iets dat jij hebt bereikt of iets dat je hebt ontvangen?

H: Door te zeggen dat ik het niet-weten heb bereikt, suggereer ik dat er een bestendige persoon is in een bestendige wereld die een bestendige, benoembare en beschrijfbare verandering in zichzelf heeft bewerkstelligd.

Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door dit te zeggen suggereer ik dat er niet zoiets is als een bestendige wereld of een bestendige persoon die in zichzelf een bestendige, benoembare en beschrijfbare verandering heeft bewerkstelligd.

Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door te zeggen dat ik het niet-weten heb ontvangen, suggereer ik dat er een bestendige en almachtige gever bestaat en een onmachtige maar bestendige persoon die uitsluitend door de inspanning, goedgeefsheid of het blote bestaan van eerstgenoemde een bestendige, benoembare en beschrijfbare verandering heeft ondergaan.

Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door dit te zeggen suggereer ik dat er niet zoiets is als een bestendige en almachtige gever en een onmachtige maar bestendige persoon die uitsluitend door de inspanning, goedgeefsheid of het blote bestaan van eerstgenoemde een bestendige, benoembare en beschrijfbare verandering heeft ondergaan.

Een drievoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door keer op keer te verwijzen naar een drievoudige suggestie die haaks op niet-weten staat suggereer ik dat er zoiets is als een bestendig niet-weten dat het best tot uitdrukking komt door niet-suggereren.

Een tweevoudige suggestie die haaks staat op niet-weten, evenals deze, et cetera.

X: Ik zie je probleem.

H: Wat jij een probleem noemt is voor mij een oplossing, namelijk een manier van denken en spreken die zichzelf blijmoedig ondermijnt.

Helaas suggereert het woord oplossing meteen weer een bestendig probleem in een bestendige wereld en een bestendige oplossing van een bestendig persoon.

Een viervoudige suggestie die haaks staat op niet-weten.

Door dit te zeggen suggereer ik weer dat het bestaan onbestendig is of dat de mens en de wereld ledig zijn en dat we vooral niet moeten suggereren dat dit niet het geval is.

Een viervoudige suggestie die haaks op niet-weten staat.

Wat maak jij van deze praat?

X: Volgens mij wil jij laten zien wat een mens zich allemaal op de hals haalt door zich, bijvoorbeeld, af te vragen of niet-weten een kwestie is van bereiken of ontvangen, oefening of genade, eigenmacht of anderkracht, inzet of overgave.

H: Dit suggereert alweer dat er zoiets is als een mens die daar een keuze in heeft en er maar beter mee kan ophouden – en dít dat die mens het maar heeft te ondergaan of er helemaal niet is.

X: Zo blijft er niet veel over.

H: Maar je krijgt er ook iets voor terug.

X: Wat dan?

H: Oog voor de oneindige ruimte tussen de woorden.

X: Wat moet je met al die ruimte?

H: Met het niets moet je niets.

X: Maar?

H: Je kan er zalig zweven.

-315-

Niet-weten is het eind van alle kwesties

Niet-weten is geen kwestie van bereiken.
Het is geen kwestie van ontvangen
Het is geen kwestie van bereiken én ontvangen.
Het is geen kwestie van bereiken noch ontvangen.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

Niet-weten is geen kwestie van oefening.
Het is geen kwestie van genade.
Het is geen kwestie van oefening én genade.
Het is geen kwestie van oefening noch genade.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

Niet-weten is geen kwestie van eigenmacht.
Het is geen kwestie van anderkracht
Het is geen kwestie van eigenmacht én anderkracht.
Het is geen kwestie van eigenmacht noch anderkracht.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

Niet-weten is geen kwestie van inzet.
Het is geen kwestie van overgave.
Het is geen kwestie van inzet én overgave.
Het is geen kwestie van inzet noch overgave.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

Niet-weten is geen kwestie van spreken.
Het is geen kwestie van zwijgen.
Het is geen kwestie van spreken én zwijgen.
Het is geen kwestie van spreken noch zwijgen.

Niet-weten is het eind van alle kwesties.

-316-

Niet-weten is geen metenschap

Beste Hans,

Ik wil weten of ik al niet-weet. Hoe kom ik daarachter?

Beste X,

Weten is een geest op hol die van gaten kaas probeert te maken.

Niet-weten is een holle geest die zich de kaas laat smaken.

-317-

Niet-weten is een valkuil zonder bodem

Beste Hans,

Sinds ik met pensioen ben, liefhebber ik in biologie (bloemen, schelpen), astrofysica (de oerknal, zwarte materie, zwarte gaten) en filosofie (pyrronisme, postmodernisme, Cornelis Verhoeven). In mijn online zoektocht naar de zin van het leven kwam ik bij jou terecht.

Ik vind je dwaalteksten bij vlagen intrigerend en bij vlagen irritant, want het wordt me maar niet duidelijk wat je wilt zeggen. Als je al eens iets betoogt, haal je even later je eigen bewijsvoering onderuit, dat schiet niet op. Waarom schrijf jij eigenlijk?

Beste X,

Niet-weten schiet niet op want het gaat nergens heen.

Het betoogt niets, dus het behoeft geen bewijs.

Het gaat vooraf aan of voorbij zingeving en zinloosheid.

Ik schrijf erover omdat ik er vol van ben.

Ik ruis ervan als een schelp bij mijn oor.

Ik zoem ervan als een bij rond een bloem.

Ik draai eromheen als licht rond de waarnemingshorizon van een zwart gat.

Op het randje, het uiterste randje van het weten, zodat je me nog net kan zien, misschien.

X: Jou zie ik nog wel, maar verder?

H: Het gat van niet-weten is niet iets wat je ziet, het is iets waar je in springt.

Het is niets waar je in springt.

Het is iets waar je in valt.

Als je niet uitkijkt.

X: Niet-weten is een valkuil.

H: Een bodemloze put.

X: Ik moet er niet aan denken.

H: Vandaar dat het je maar niet duidelijk wordt wat ik wil zeggen.

-318-

Als je in de afgrond springt, spring je in jezelf

De nihilist en de agnost.

Nihilist: Als je in de afgrond kijkt, kijkt hij ook in jou.*

* Uitspraak van Friedrich Nietzsche (1844-1900).

Agnost: Als je in de afgrond kijkt, kijk je in jezelf.

Nihilist: En als je in jezelf kijkt?

Agnost: Kijk je in de afgrond.

Nihilist: En als je in de afgrond roept?

Agnost: Hoor je steeds jezelf.

Nihilist: En als je in de afgrond springt?

Agnost: Spring je in jezelf.

Nihilist: Dat vraagt veel moed.

Agnost: Boven blijven net zo goed.

Nihilist: Wat als je in jezelf springt?

Agnost: Dan kom je er wel uit.

Nihilist: Wat als je uit jezelf komt?

Agnost: Dan merk je geen verschil.

Nihilist: Dan ben je er toch uit?

Agnost: Je bent erin gebleven.

Nihilist: Hoe kan dat dan?

Agnost: De afgrond is overal.

Nihilist: Wat maakt het dan uit of je erin springt of niet?

Agnost: Ik zou het ook niet weten.

Nihilist: Maar wat heb je er dan aan?

Agnost: Hoe wou je er anders achter komen?

Nihilist: Volgens mij heb ik zojuist in de afgrond gekeken.

Agnost: Als je in de afgrond kijkt, kijkt hij ook in jou.

-319-

Niet-weten is helemaal het einde!

22 Reizen zonder bestemming.

Niet-weten.

Niet-weten is een reis.

Niet-weten is een reis naar het einde.

Niet-weten is een reis naar het einde van het vasthouden.

Niet-weten is een reis naar het einde van het vasthouden en het einde van het loslaten.

Niet-weten is een reis naar het einde van gehechtheid en het einde van onthechting.

Niet-weten is een reis naar het einde van het relatieve en het einde van absolute.

Niet-weten is een reis naar het einde van samsara en het einde van nirwana.

Niet-weten is een reis naar het einde van de vorm en het einde van de leegte.

Niet-weten is een reis naar het einde van de dwaasheid en het einde van de wijsheid.

Niet-weten is een reis naar het einde van het worden en het einde van het zijn.

Niet-weten is een reis naar het einde van de illusie en het einde van de werkelijkheid.

Niet-weten is een reis naar het einde van het onderscheid en het einde van de eenheid.

Niet-weten is een reis naar het einde van de complexiteit en het einde van de eenvoud.

Niet-weten is een reis naar het einde van de vrijheid en het einde van de gebondenheid.

Niet-weten is een reis naar het einde van je lichaam en het einde van je geest.

Niet-weten is een reis naar het einde van jezelf en het einde van het Zelf.

Niet-weten is een reis naar het einde van je hoogmoed en het einde van je deemoed.

Niet-weten is een reis naar het einde van de wanhoop en het einde van de hoop.

Niet-weten is een reis naar het einde van je twijfels en het einde van je zekerheden.

Niet-weten is een reis naar het einde van je geloof en het einde van je ongeloof.

Niet-weten is een reis naar het einde van je welles en het einde van je nietes.

Niet-weten is een reis naar het einde van je woorden en het einde van je stilte.

Niet-weten is een reis naar het einde van het weten en het einde van het niet-weten.

Niet-weten is een reis naar het einde van het doen en het einde van het laten.

Niet-weten is een reis naar het einde van de reis en het einde van einde.

Daarom zeg ik: goede reis!

Of liever: welkom thuis!

-320-

De bergbeklimmer en de berg

Bergbeklimmer: Ik heb al tien bergen bedwongen!

Berg: Ik heb al tienduizend klimmers bedwongen!

-321-

Een zwerver is altijd onderweg

‘Waarmee kan je niet-weten vergelijken?’

‘Met een nomadenbestaan.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Je zwerft van kamp naar kamp zonder ergens te blijven hangen.’

‘Almaar verder gaan, daar komt het op aan!’

‘Ach.’

‘Wat?’

‘Je hangt alweer.’

-322-

Niet-weten is bronwater voor de geest

Beste Hans,

Nooit eerder heb ik iemand zo gemakkelijk paradoxen aan elkaar zien rijgen als jij. Maar je kan van gewone stervelingen toch niet verwachten dat ze hun niet-weten op deze manier uitdrukken?

Beste X,

Nee zeg, stel je voor.

Maar waarom zou je je niet-weten ook willen uitdrukken?

Dat heeft toch helemaal geen zin.

Behalve voor gewone stervelingen als ik die toevallig niks beters te doen hebben.

X: Wat is niet-weten in de praktijk?

H: In de praktijk is niet-weten gewoon je schouders ophalen over alle dwaze gedachten die de hele dag door je hoofd schieten, nu deze weer.

X: Waarom dan dat gegoochel met paradoxen?

H: Paradoxen gebruik ik alleen maar om niets te zeggen zonder meteen in stilzwijgen te vervallen.

Niets zeggen zonder meteen in stilzwijgen te vervallen doe ik alleen maar om mensen een voorproefje van de smaak van niet-weten te geven.

Dat kan misschien ook op andere manieren, als het al kan, maar dit is toevallig de mijne.

X: Als ik je dwaalteksten lees denk ik steeds: zo denk ik niet. Dat kan ik nooit.

H: Het klopt dat mijn denken zichzelf de hele dag door ondermijnt, maar lang niet zo uitdrukkelijk en beheerst als mijn schrijfsels suggereren.

Dwaalteksten zijn bouwwerkjes die langzaam tot stand komen, waarbij ik de innerlijke tegenstrijdigheid van de tekst stap voor stap verhoog en verfijn.

Soms zijn ze in vijf minuten klaar maar de langere vergen een doorlooptijd van maanden of jaren, waarin ik er af en toe naar terugkeer, een woordje verander, een beeldspraak omgooi, een komma toevoeg, een zin weghaal.

X: Hoe verhoudt jouw denken zich tot je teksten?

H: Als suikerbieten tot kristalsuiker.

X: Een hele geruststelling.

H: Zeker weten.

X: Als je alleen maar een voorproefje van de smaak van niet-weten wil geven, waarom schrijf je dan niet gewoon je gedachten uit zoals ze je invallen?

H: Waarom doe jij niet gewoon suikerbieten in je koffie?

X: Ik hou niet van koude koffie.

H: Ik hou niet van troebele teksten.

X: Waarmee kan je de smaak van niet-weten vergelijken?

H: Het is maar net aan wie je het vraagt, zei de mestkever tegen de oorwurm.

X: Diksap? Likeur? Champagne?

H: Optimist.

X: Azijn? Sambal? Gal?

H: Pessimist.

X: Wat dan wel?

H: Water.

Gewoon water.

Helder, smaakloos, reukloos, vormloos.

De enige dorstlesser waar je geen dorst van krijgt.

De enige dorstlesser waar je nooit genoeg van krijgt.

Niet-weten is bronwater voor de geest.

Twee portretten van de auteur met het gezicht naar elkaar toe, de linker in de vorm van een suikerbiet, de rechter gevuld met bruisend bronwater.

-323-

Stijlfiguren niet-weten: antithese

Een antithese is een stijlfiguur in de vorm van een nevenschikking van tegengestelde begrippen om door de contrastwerking de nadruk te verhogen.

De hoogste waarheid een lage leugen.

Als een dwaas maar lang genoeg naar het westen loopt, wordt hij vanzelf een wijze uit het oosten.

Wie denkt in termen van goed en fout zit goed fout.

De weg naar niet-weten is de opgang naar je afgang.

De antithese of tegenstelling is de grondvorm van twee andere stijlfiguren die ik uitvoerig heb besproken: het oxymoron en de paradox.

-324-

Definities van niet-weten – november

1. Niet-weten is aanzien.

2. Niet-weten is herzien.

3. Niet-weten is afzien.

4. Niet-weten is leven op de tast.

5. Niet-weten is wat je ontglipt.

6. Niet-weten is geen machtsgreep.

7. Niet-weten is geen alomvattende verklaring.

8. Niet-weten is vrijstelling van verklaringsdienst.

9. Niet-weten is amnestie van duidingsdrang.

10. Niet-weten is verhaal halen bij je verhalen.

11. Niet-weten is einde verhaal.

12. Niet-weten is algemeenheden mijden, deze ook.

13. Niet-weten is mystiek zonder Mysterie.

14. Niet-weten is aikido voor de geest.

15. Niet-weten is een vrijgeest.

16. Niet-weten is een audit van de geest door de geest.

17. Niet-weten is gratis en onbetaalbaar.

18. Niet-weten is geen principe.

19. Niet-weten is geen bewaarschool.

20. Niet-weten is geen traditie.

21. Niet-weten is geen orde.

22. Niet-weten is een fuik waar je niet in zit.

23. Niet-weten is je laatste fuik.

24. Niet-weten is de ruimste fuik.

25. Niet-weten is een vrije val.

26. Niet-weten is vallen zonder opstaan.

27. Niet-weten is een val zonder strik.

28. Niet-weten is uit de boot vallen.

29. Niet-weten is iets waar je niet in zit en niet uit komt.

30. Niet-weten is geen dal, maar het einde van je val.

365 Definities van niet-weten – november.

-325-

Niet-weten is geen gezicht

‘Wat is weten?’

‘Een januskop.’

‘Een wat?’

‘Een god met twee gezichten.’

‘Waarom noem je het een god?’

‘Omdat iedereen het aanbidt.’

‘Wat zijn de twee gezichten van weten?’

‘Gewoon weten en weten van niet-weten.’

‘Wat is weten van niet-weten?’

‘Een schijngestalte van niet-weten.’

‘Wie trapt daar nou in.’

‘Socrates bijvoorbeeld.’

‘Maar wat is dan niet-weten?’

‘Niet-weten is geen gezicht.’

-326-

Bijna raak is helemaal mis – de via negativa naar niet-weten

33 Schijngestalten van niet-weten.

Niet-weten is geen idee, geen ideaal en geen ideologie.

Toch wordt het vaak verward met een of andere theorie, filosofie of levensbeschouwing, zoals nihilisme, obscurantisme, anti-intellectualisme, stoïcisme, fatalisme of quiëtisme.

Onzin natuurlijk, een lege leer is leeg, geen leer.

Om misverstanden te voorkomen zou ik een lijst van ismes moeten aanleggen en van ieder item op die lijst moeten zeggen dat dat geen niet-weten is: ‘niet-weten is geen atheïsme’, ‘niet-weten is geen defaitisme’, ‘niet-weten is geen probabilisme’, ‘niet-weten is geen taoïsme’ enzovoort.

Zo’n lijst heb ik weleens gemaakt, hij vormt het hart van De Intergalactische Waarheidsconferentie en bevat zo’n vierhonderd leren, wat nog geen fractie is van alle benoemde leren, laat staan van alle onbenoemde en geïmproviseerde.

Hieronder beperk ik me tot de ismes waarmee niet-weten regelmatig verward wordt en die ik eerder in dit Witboek Niet-Weten ‘mantels der wijsheid’ heb genoemd.

Die lijst hoef je natuurlijk niet uit je hoofd te leren, ik ken hem zelf ook niet uit mijn hoofd.

Niet-weten is een lege leer, Ø, zonder ideeën, idealen of ideologieën.

Daar zijn er geen driehonderd dertig van, daar zijn er geen drieëndertig van, daar zijn er geen drie van, daar is er maar één van, zei de koopman.

Kan niet missen.

Voor niet-weten hoef je werkelijk niets te weten, niets te onthouden en niets te vergeten.

Omdat ik door schade en schande heb ondervonden dat je nooit (te) duidelijk kan zijn als je over niet-weten schrijft, zet ik ze toch maar even op een rijtje – de 33 schijngestalten van niet-weten:

Absurdisme is het idee dat het leven belachelijk is. Niet-weten is geen absurdisme.

Agnosticisme is het idee dat het wel of niet bestaan van God onbewijsbaar is. Niet-weten is geen agnosticisme.

Anti-intellectualisme is het idee dat kennis, wetenschap en technologie schadelijk zijn. Niet-weten is geen anti-intellectualisme.

Atheïsme is het idee dat God niet bestaat. Niet-weten is geen atheïsme.

Boeddhisme is het idee dat alle dingen en wezens leeg zijn. Niet-weten is geen boeddhisme.

Conceptualisme is het idee dat alleen het individuele werkelijk is. Niet-weten is geen conceptualisme.

Consensualisme is het idee dat waarheid op afspraak berust. Niet-weten is geen consensualisme.

Constructivisme is het idee dat feiten sociale constructies zijn. Niet-weten is geen constructivisme.

Cynisme is het idee dat niets waarde heeft. Niet-weten is geen cynisme.

Dadaïsme is het idee dat alle pretenties doorgeprikt moeten worden. Niet-weten is geen dadaïsme.

Existentialisme is het idee dat je zelf zin aan het leven moet geven. Niet-weten is geen existentialisme.

Fallibilisme is het idee dat kennis altijd fout kan blijken te zijn. Niet-weten is geen fallibilisme.

Falsificationisme is het idee dat hypothesen nooit bevestigd kunnen worden. Niet-weten is geen falsificationisme.

Fatalisme is het idee dat alles bepaald wordt door het lot. Niet-weten is geen fatalisme.

Fideïsme is het idee dat ieder weten een kwestie van geloven is. Niet-weten is geen fideïsme.

Holisme is het idee dat alles met alles samenhangt. Niet-weten is geen holisme.

Idealisme is het idee dat de stoffelijke werkelijkheid een illusie is. Niet-weten is geen idealisme.

Irrationalisme is het idee dat de rede een illusie is. Niet-weten is geen irrationalisme.

Monisme is het idee dat alles één is. Niet-weten is geen monisme.

Nihilisme is het idee dat er geen grondwaarheden of grondwaarden zijn. Niet-weten is geen nihilisme.

Nominalisme is het idee dat woorden geen tegenhanger hebben in de werkelijkheid. Niet-weten is geen nominalisme.

Non-dualisme is het idee dat er in werkelijkheid geen onderscheid is. Niet-weten is geen non-dualisme.

Obscurantisme is het idee dat je beter zo min mogelijk kan weten. Niet-weten is geen obscurantisme.

Perspectivisme is het idee dat je altijd vanuit een beperkt oogpunt kijkt. Niet-weten is geen perspectivisme.

Pluralisme is het idee dat waarheid en werkelijkheid veelvormig zijn. Niet-weten is geen pluralisme.

Postmodernisme is het idee dat alle grote verhalen leugens zijn. Niet-weten is geen postmodernisme.

Probabilisme is het idee dat niets zeker is maar wel meer of minder waarschijnlijk. Niet-weten is geen probabilisme.

Pyrronisme is het idee dat wij al onze oordelen moeten opschorten. Niet-weten is geen pyrronisme.

Quiëtisme is het idee dat je beter stil en teruggetrokken kan leven. Niet-weten is geen quiëtisme.

Relativisme is het idee dat waarheid betrekkelijk is. Niet-weten is geen relativisme.

Scepticisme is het idee dat wij niets kunnen weten. Niet-weten is geen scepticisme.

Stoïcisme is het idee dat we het onvermijdelijke onaangedaan moeten ondergaan. Niet-weten is geen stoïcisme.

Subjectivisme is het idee dat waarheid subjectief is. Niet-weten is geen subjectivisme.

Niet-weten is niets van dit alles, want niet-weten is geen idee.

Heb je toch een idee over niet-weten?

Dan is het geen niet-weten.

-327-

Bijna mis is helemaal raak – de via positiva naar niet-weten

33 Wangestalten van niet-weten.

Niet-weten is geen leer, al wordt het daar weleens voor aangezien.

Was het toch een leer, dan was het een lege.

Dat durf ik rustig te zeggen, want een lege leer is net zomin een leer als een leeg boek een boek is of een leeg ei een ei.

Een leeg ei is een dop, een leeg boek is een dummy en een lege leer is een schop onder je hol, pardon, onder je innerlijke leegte.

Was niet-weten toch een leer, dan was het een leer die zichzelf tegenspreekt.

Een zelfvernietigende leer gelabeld:

This teaching wil self-destruct in five seconds.

BOEM!

Verrassend genoeg zijn er daar zijn er een heleboel van.

Ze hebben allemaal dit gemeen: hun halfwaardetijd is nihil.

Ze duren precies één gedachte lang, tenminste, voor wie ze weet te herkennen.

Om dat wat makkelijker te maken, heb ik er 33 voor je op een rijtje gezet:

Niet-weten is het toppunt van absurdisme omdat het zelfs dat belachelijk vindt.

Niet-weten is het toppunt van agnosticisme omdat het zelfs dat niet bewezen acht.

Niet-weten is het toppunt van amoralisme omdat het zelfs daar niet naar leeft.

Niet-weten is het toppunt van anarchisme omdat het zelfs daartegen rebelleert.

Niet-weten is het toppunt van boeddhisme omdat het zelfs dat voor leeg houdt.

Niet-weten is het toppunt van cynisme omdat het zelfs daar de waarde niet van inziet.

Niet-weten is het toppunt van escapisme omdat het zelfs daaraan ontsnapt.

Niet-weten is het toppunt van fallibilisme omdat het zelfs dat voor feilbaar houdt.

Niet-weten is het toppunt van fideïsme omdat het zelfs dat als een geloof ziet.

Niet-weten is het toppunt van indifferentisme omdat het zelfs daar niet warm voor loopt.

Niet-weten is het toppunt van irrationalisme omdat het zelfs dat onredelijk vindt.

Niet-weten is het toppunt van loslaten omdat het zelfs daar niet aan vasthoudt.

Niet-weten is het toppunt van idealisme omdat het zelfs dat voor onwerkelijk houdt.

Niet-weten is het toppunt van niet-weten omdat het zelfs daarvan niet weet.

Niet-weten is het toppunt van nihilisme omdat het zelfs dat nietig verklaart.

Niet-weten is het toppunt van nominalisme omdat het zelfs dat voor een loos woord houdt.

Niet-weten is het toppunt van non-dualisme omdat het zelfs dat tweeslachtig vindt.

Niet-weten is het toppunt van obscurantisme omdat het zelfs dat duister vindt.

Niet-weten is het toppunt van onthechting omdat het zelfs daar niet aan hecht.

Niet-weten is het toppunt van ontwaken omdat het zelfs daar niet van droomt.

Niet-weten is het toppunt van openheid omdat het zelfs openstaat voor geslotenheid.

Niet-weten is het toppunt van perspectivisme omdat het zelfs dat als een perspectief ziet.

Niet-weten is het toppunt van pluralisme omdat het zelfs dat als een van vele mogelijkheden ziet.

Niet-weten is het toppunt van postmodernisme omdat het zelfs dat tot de grote verhalen rekent.

Niet-weten is het toppunt van probabilisme omdat het zelfs dat niet als zekerheid ziet.

Niet-weten is het toppunt van pyrronisme omdat het zelfs daarover het oordeel opschort.

Niet-weten is het toppunt van relativisme omdat het zelfs daarvan de betrekkelijkheid inziet.

Niet-weten is het toppunt van scepticisme omdat het zelfs daaraan twijfelt.

Niet-weten is het toppunt van transcendentie omdat het zelfs dat overstijgt.

Niet-weten is het toppunt van vrijheid omdat het zelfs daarvan bevrijdt.

Niet-weten is het toppunt van de wijsheid voorbij alle wijsheid omdat het zelfs daaraan voorbij gaat.

Niet-weten is het toppunt van wu wei omdat het zelfs daar niet aan doet.

Niet-weten is het toppunt van zen omdat het zelfs dat niet ziet zitten.

-328-

Stijlfiguren niet-weten: Tetralemma

Het tetralemma of de vierstelling is een belangrijke figuur in de Indiase logica, verwant aan de paradox en het dilemma.

Het tetralemma is ook een belangrijke stijlfiguur voor de agnost.

Tetralemma’s in het boeddhisme

In het boeddhisme zijn talloze voorbeelden te vinden van het tetralemma. Dit is er eentje uit de Mijjhima-Nikaya:

‘Gelooft u, Gautama, dat de verlichte na zijn dood voortleeft, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist?’

‘Nee, ik geloof niet dat de verlichte na zijn dood voortleeft, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist.’

‘Gelooft u dat de verlichte na zijn dood ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist?’

‘Nee, ik geloof niet dat de verlichte na zijn dood ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist.’

‘Gelooft u dat de verlichte na zijn dood zowel voortleeft als ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist?’

‘Nee, ik geloof niet dat de verlichte na zijn dood zowel voortleeft als ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist.’

‘Gelooft u dan dat de verlichte na zijn dood noch voortleeft noch ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist?’

‘Nee, ik geloof niet dat de verlichte na zijn dood noch voortleeft noch ophoudt te bestaan, en dat alleen deze visie juist is, en alle andere onjuist.’

In dit schoolvoorbeeld van het tetralemma weigert Gautama (de Boeddha) zich uit te spreken over het voortleven van de verlichte na diens dood, zoals hij in het algemeen halsstarrig weigert zich uit te laten over welke metafysische of kosmologische kwestie dan ook.

Waarom eigenlijk?

Volgens een gangbare interpretatie omdat het niet heilzaam zou zijn om je met dit soort kwesties bezig te houden; meningen en speculaties leiden alleen maar tot zinloze discussies en geestelijke onrust, en vergroten zo het lijden dat de Boeddha wil bestrijden.

Een andere interpretatie gaat uit van het boeddhistische dogma dat alle dingen en organismen leeg zijn (zonder eigen wezen of werkzaamheid), zodat er ook niets wezenlijks over te ontdekken of te zeggen valt.

Wat de reden ook mag zijn, het tetralemma is bij uitstek geschikt is om te zwijgen met woorden.

Positieve en negatieve tetralemma’s

Brengen we het tetralemma hierboven terug tot zijn essentie, dan staat er:

‘Is alleen P waar?’

‘Nee, niet alleen P is waar.’

‘Is alleen niet-P waar?’

‘Nee, niet alleen niet-P is waar.’

‘Is alleen (P en niet-P) waar?’

‘Nee, niet alleen (P en niet-P is waar)’

‘Is alleen (noch P noch niet-P) waar?’

‘Nee, niet alleen (noch P noch niet-P) is waar.’

En als we de vragen en de vulwoorden weglaten en de lemma’s nummeren:

1. Niet P

2. Niet niet-P

3. Niet (P en niet-P)

4. Niet (P noch niet-P)

Deze vorm van het tetralemma wordt de negatief genoemd, om hem te onderscheiden van de positieve vorm:

1. P

2. Niet-P

3. P en niet-P

4. P noch niet-P

In de tetralogica zijn de beide vormen equivalent omdat de ene uit de andere kan worden afgeleid.

Het tetralemma als stijlfiguur

Het tetralemma is niet alleen een belangrijke stelfiguur in de Indiase syllogistiek, het is ook een belangrijke stijlfiguur in de mystiek en voor de agnost.

Het sjabloon voor de positieve formulering:

1. Ik zeg niet dat alleen P waar is.

2. Ik zeg niet dat alleen niet-P waar is.

3. Ik zeg niet dat zowel P als niet-P waar is.

4. Ik zeg niet dat noch P noch niet-P waar is.

In plaats van stellingen P en niet-P kan je ook paren van tegenstellingen gebruiken, zoals subject en object, goed en slecht, werelds en hemels, stof en geest, de kenner en het gekende:

1. Ik zeg niet dat ik de kenner ben.

2. Ik zeg niet dat ik het gekende ben.

3. Ik zeg niet dat ik zowel de kenner als het gekende ben.

4. Ik zeg niet dat ik noch de kenner noch het gekende ben.

Tetralogica is geen psychologica

Mijn litanie De dans ontsprongen is geïnspireerd op het tetralemma. De dertig coupletten hebben allemaal hetzelfde format. Ze beginnen met een drieregelig tetralemma, bijvoorbeeld:

Niet het ego (1), niet het zelf (2)
Niet het ego en het zelf (3)
Niet het ego noch het zelf (4)

In de tetralogica sluiten deze proposities elkaar wederzijds uit en dekken ze alle mogelijkheden af. In de psychologica niet, want de geest vindt altijd wel ergens een gaatje, al is het maar in zichzelf.

Vandaar dat ik de behoefte voelde om deze vierstelling verder dicht te timmeren met nog vier lemma’s, waardoor er een zesregelige achtstelling (octalemma) ontstond:

Niet het ego, niet het zelf
Niet het ego en het zelf
Niet het ego noch het zelf
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Verkorte vormen van het tetralemma

Soms vind ik het niet nodig om het tetralemma volledig uit te schrijven; dan beperk ik me tot de eerste twee lemmata: ‘Niet de vorm, niet de leegte’.

In mijn litanie ‘Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid’ is sprake van drie sprekers, een dwaas, een wijze en een wijze, en vier uitspraken verdeeld over twee regels, bijvoorbeeld:

De dwaas denkt dat de wereld echt is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat de wereld een illusie is, de dwijze niet.

Hier staat dus eigenlijk:

1. De dwaas denkt dat de wereld echt is.

2. De dwijze denkt niet dat de wereld echt is.

3. De wijze denkt dat de wereld een illusie is.

4. De dwijze denkt niet dat de wereld een illusie is.

Vier uitspraken verdeeld over twee regels vormen nog steeds een tetralemma in de ruimere zin van een stijlfiguur, maar niet in de engere zin van een stelfiguur conform de Indiase tetralogica.

Deconstructie op woordniveau

In mijn deconstructie van de Hartsoetra en van de Diamantsoetra beperk ik mijn ontkenningenreeksen niet tot het niveau van stellingen, maar pak ik ook de sleutelwoorden aan.

Bijvoorbeeld in paragraaf 7 van de Diamantsoetra:

1. Ik zeg niet dat de leer naar het ware zelf voert.

2. Ik zeg niet dat de leer niet naar het ware zelf voert.

3. Ik zeg niet dat er een leer is of een waar zelf of een voeren van de leer daarheen.

4. Ik zeg niet dat er geen leer is of geen waar zelf of geen voeren van de leer daarheen.

5. Noem dit desnoods de leer die naar het ware zelf voert.

6. Zelf zeg ik liever niets.

Een tetralemma kan je dit niet noemen, maar de insteek is dezelfde: niets gezegd laten.

Bestaat God?

Ten slotte nog een uitstapje naar een van de heetste hangijzers van de afgelopen millennia, de vraag of God bestaat.

Op deze vraag waren lange tijd maar twee antwoorden mogelijk:

1. Ja, God bestaat.

2. Nee, God bestaat niet.

Iemand die gelooft dat God bestaat, heet een theïst, iemand die gelooft van niet een atheïst.

De tetralogica biedt twee alternatieven:

3. God bestaat én bestaat niet.

4. God bestaat noch bestaat niet.

Mystici bedachten een tussenoplossing:

5. God gaat vooraf aan (of stijgt uit boven) bestaan en niet-bestaan.

In de negentiende eeuw bedacht ene Thomas Henry Huxley een zesde antwoord:

6. Je kan niet weten of God wel of niet bestaat.

Deze positie pal tussen theïsme en atheïsme in noemde hij agnosticisme.

Weer anderen bedachten het non-theïsme:

7. Er is geen hoger wezen maar wel een hogere werkelijkheid.

Ze bedachten het igtheïsme:

8. Je weet niet eens wat God betekent, laat staan of God bestaat.

Ze bedachten het apatheïsme:

9. Het maakt niet uit of God bestaat.

Enzovoort, enzovoort.

Ik zei het al, de menselijke geest is niet voor één gat te vangen, en ook niet voor vier of negen.

Al die denkeritis de pas afsnijden met een sluitend multilemma is ijdele hoop.

Verder lezen in de Wikipedia: catuskoti, tetralemma, buddhist logic, Nagarjuna, Madhyamaka, Sextus-empiricus.

-329-

De illusie van het einde van de illusie

De aforist en de agnost.

Aforist: Zelfkennis is het begin van alle wijsheid en het einde van de meeste illusies.*

* Uitspraak van Gerd de Ley (1944).

Agnost: Is dit wijsheid of is het ook maar een illusie?

Aforist: In het tweede geval is wijsheid het einde van álle illusies.

Agnost: Is dat wijsheid of is het ook maar een illusie?

Aforist: Laten we het erop houden dat zelfkennis het begin van alle wijsheid is.

Agnost: Kunnen we het er niet op houden dat we het nergens op houden?

Aforist: Dat zou het einde van de wijsheid zijn.

Agnost: Dan houden we het erop dat wijsheid het einde van alle zelfkennis is.

Aforist: En dan?

Agnost: Kun je weer van voren af aan beginnen.

-330-

Verloren wijsheid

De priester en de agnost.

Priester: Onze ervaring bestaat eerder uit verloren illusies dan uit verworven wijsheid.*

* Uitspraak van Joseph Rouw (1834-1905).

Agnost: Dan zal dat hier ook wel voor gelden.

Priester: Pardon?

Agnost: Dat dit dan ook wel een verloren illusie zal worden.

Priester: U wordt bedankt.

Agnost: Hoe bedoelt u?

Priester: Ik heb het altijd een heel troostrijke gedachte gevonden.

Agnost: Onze ervaring bestaat eerder uit verloren illusies dan uit verworven wijsheid.

-331-

Hopen op een gat in je zak

De politicus en de agnost.

Politicus: Het is geen wijsheid maar autoriteit die een wet maakt.*

* Uitspraak van Thomas Hobbes (1588-1679), politicoloog.

Agnost: Het is geen wet maar autoriteit die wijsheid maakt.

Politicus: Moet ik dit persoonlijk opvatten?

Agnost: Het is geen wet maar wijsheid die autoritair maakt.

Politicus: Die kan ik in mijn zak steken.

Agnost: Dan hoop ik voor u dat er een gat in zit.

Politicus: Hoe bedoelt u?

Agnost: Het is geen wijsheid maar dwaasheid die een spreuk maakt.

-332-

Vinger uit de dijk!

Hansje zegt:

Kennis is een schone zaak.

Niet-weten is een dijkdoorbraak.

-333-

De lege leer voor doven en slechthorenden

‘Wat is de kern van de lege leer, Hans?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Dat de werkelijkheid een illusie is?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Dat alle dingen leeg zijn?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Dat alle dingen vergankelijk zijn?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Dat de filosofie dood is?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Dat wetenschappers maar wat bazelen?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Dat de godsdiensten irrationeel zijn?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Dat mythen kant nog wal raken?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Dat esoterie oplichterij is?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Dat we niets weten?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Dat we dat ook niet weten?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Leert het ons dan helemaal niets?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Maar dan heb je er toch niks aan?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Bedoel je dat we er toch iets aan hebben?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Heb jij dan helemaal niets te zeggen?’

‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

‘Maar wat is nou de kern van de lege leer?’

‘Dat is nou de kern van de lege leer.’

Oud mannetje zonder mond maar met een derde oog in de vorm van een agnoseteken.
‘Dat zal je mij niet horen zeggen.’

-334-

De lege leer is immuun voor haarkloverij

‘Ben jij niet bang dat jouw lege leer net als iedere leer ten prooi zal vallen aan academische haarkloverij, Hans?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Waarom niet?’

‘Een lege leer laat zich niet klieven.’

‘Daar zeg je me wat.’

‘Bovendien is hij niet van mij.’

-335-

Wijzen is voor dwazen

Sinds jaar en dag waart door de wijsheidsliteratuur de beeldspraak van de meester die met zijn vinger naar de maan wijst terwijl de leerling alleen de vinger ziet.

De maan staat hierbij voor een hogere, onveranderlijke werkelijkheid, de absolute, waarvan de veranderlijke en vergankelijke werkelijkheid van alledag, de relatieve, een doffe afspiegeling, een slordige schepping, een slap aftreksel zou zijn.

Niet-weten is niet zo’n traditie, al was het maar omdat niet-weten als zodanig nooit een traditie is geweest, maar slechts een ondergeschikt element van een aantal heel verschillende spirituele, religieuze en filosofische tradities.

Getuigen van niet-weten is net zo lastig als je vinger laten zien aan iemand die denkt dat je ermee wijst.*

* Met dieren is het precies andersom; of het nou honden, apen, geiten, eenden, vissen, papegaaien of kalfjes zijn, ze komen allemaal even aan mijn vinger ruiken, trekken, knabbelen, pikken, sabbelen of zuigen – en houden het dan voor gezien.

Ik kan het weten want ik heb al heel wat pogingen achter de rug.

Toch is ook deze omgekeerde beeldspraak misleidend.

Je zou in de aandachtsverschuiving van de maan naar de vinger een vermaning kunnen lezen om je te bepalen tot alleen-maar-dit of ik-ben-dat of het hier-en-nu of het eeuwige heden of zo.

Helaas heb ik geen flauw benul wat dat allemaal mag wezen, en heus niet uit onwil.

Integendeel, misschien wilde ik wel te graag en ben ik er juist daardoor niet in geslaagd om vast te stellen wat nou helemaal het verschil is tussen dit en dat, zijn en worden, hier en daar, ik en jij, toen en nu en straks, eeuwig en tijdelijk enzovoort.

Nu gebruik ik mijn vingers gewoon weer waar ze volgens de wet en de profeten en de regelen der kunst en Joost en Bartjens voor bedoeld zijn.

Om in mijn neus te peuteren en zo.

Wijzen is voor dwazen.

-336-

Lijdt een weetniet aan ingebeelde onwetendheid?

‘Kan het zijn dat jij lijdt aan ingebeelde onwetendheid, Hans?’

‘Begrijp ik het goed dat jij denkt dat ik mezelf voor onwetend houd?’

‘Absoluut.’

‘Nou, ik niet.’

‘Hou jij jezelf dan voor wetend?’

‘Absoluut niet.’

‘Nou, ik wel.’

‘Jij houdt mij voor wetend?’

‘Nee, mezelf.’

‘En begrijp ik het goed dat jij denkt dat ik mezelf voor iemand hou?’

‘Ben jij zo iemand die zichzelf voor niemand houdt?’

‘Ik niet.’

‘Hè?’

‘Wat?’

‘Het is het een of het ander.’

‘Kan het zijn dat jij lijdt aan ingebeelde wetendheid?’

-337-

Niet-weten is dansen op je graf

‘Niet-weten is je kop in het zand steken, Hans.’

‘Zou je ook eens moeten doen.’

‘Ik zie de feiten liever onder ogen.’

‘Ik zie ze liever onder het zand.’

‘Jij hebt de wereld begraven.’

‘En mezelf erbij.’

‘Weer zo iemand die denkt dat hij niemand is.’

‘Ook dat idee is begraven.’

‘En de wereld een illusie.’

‘Ook begraven.’

‘Niet-ik leeft in een niet-wereld waar hem niets meer kan overkomen en waarin hij nergens meer verantwoordelijk voor is.’

‘Allemaal begraven.’

‘Niet-weten is je kop in het zand steken.’

‘Weten is op drijfzand bouwen.’

‘Niet-weten is jezelf zand in de ogen strooien.’

‘Weten is jezelf begraven.’

‘Waarin dan wel?’

‘In ideeën en idealen.’

‘Zonder kan je niet leven.’

‘Tot je erin stikt.’

‘En wat is niet-weten in deze beeldspraak?’

‘Dansen op je graf.’

-338-

Verschuilen is ook een vorm van leven

‘Jij verschuilt je in niet-weten omdat je niet durft te leven, Hans.’

‘Verschuilen is ook een vorm van leven.’

‘Je geeft het toe?’

‘Ik geef een definitie.’

‘Maar verschuil je je nou of niet?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Zie je nou wel?’

‘Misschien is weten ook wel een vorm van verschuilen.’

‘Waarin?’

‘De hokjes van je geest.’

‘Zoals?’

‘Weten, niet-weten, verschuilen, leven…’

‘Weten duidt op een hokjesgeest?’

‘Welnee.’

‘Niet?’

‘Hokjesgeest is ook maar een hokje.’

‘Daar zeg je me wat.’

‘Geest ook.’

‘Verdraaid.’

‘Hokje ook.’

‘Niet te geloven.’

‘Ik bedoel maar.’

‘We verschuilen ons dus allebei?’

‘Ik zou het echt niet weten.’

-339-

Definities van niet-weten – december

1. Niet-weten is in je kaart laten kijken.

2. Niet-weten is je kaarten op tafel leggen.

3. Niet-weten is van de kaart zijn.

4. Niet-weten is schoppen.

5. Niet-weten is een joker.

6. Niet-weten is een rode kaart.

7. Niet-weten is een vrijkaart.

8. Niet-weten is een passe-partout.

9. Niet-weten is enkel spel zonder dubbelspel.

10. Niet-weten is een spel zonder regels.

11. Niet-weten is een spel met de regels.

12. Niet-weten is spelen met grenzen.

13. Niet-weten is een spel zonder grenzen.

14. Niet-weten is voorgoed buiten spel staan.

15. Niet-weten is een doorlopend gebed.

16. Niet-weten is een gebed zonder end.

17. Niet-weten is werk-in-uitvoering.

18. Niet-weten is gekkenwerk.

19. Niet-weten is een retraite waar geen eind aan komt.

20. Niet-weten is geen denk- of spreekverbod.

21. Niet-weten is niet het einde van het weten en niet het einde van het denken.

22. Niet-weten is niet iets om niet na te streven door niet iemand.

23. Niet-weten is niet iets wat je ontdekt, het is niet-ontdekken.

24. Niet-weten is niet iets wat je bereikt, het is niet-bereiken.

25. Niet-weten is alle gedachten ontmaskeren en ontmantelen, moeiteloos, de hele dag door, zowel van anderen als van jezelf, ook die over niet-weten, ook deze.

26. Niet-weten is geen kenleer, maar het einde van de epistemologie.

27. Niet-weten is geen zijnsleer, maar het einde van de ontologie.

28. Niet-weten is het einde van alle stokpaardjes, inclusief niet-weten.

29. Niet-weten is het einde van ieder zoeken, ook naar niet-zoeken.

30. Niet-weten is geen einde dan het einde van niet-weten.

31. Niet-weten is een zalig uiteinde

365 Definities van niet-weten – december.

-340-

Niet-weten is weten van het bord voor je kop

X: Wat is weten?

H: Een bord voor je kop.

X: Wat is niet-weten?

H: Ook een bord voor je kop.

X: Hoe kom ik van dat bord af?

H: Welk bord?

X: Elk bord.

H: Wie zegt dat je ervan af kan komen?

X: Waar hebben we het anders over?

H: Wat is denken dat je ervan af kan komen?

X: Nou?

H: Een bord voor je kop.

X: Omdat je er nooit van af kan komen?

H: Wat is denken dat je er nooit van af kan komen?

X: Nou?

H: Een bord voor je kop.

X: Toch wil ik ervan af.

H: Waarom?

X: Omdat ik dan beter af zal zijn.

H: Wat is denken dat je beter af zal zijn zonder bord voor je kop?

X: Een bord voor je kop?

H: Hoe kom je erop.

X: Omdat je beter af bent mét?

H: Wat is denken dat je beter af bent met een bord voor je kop?

X: Zeker weer een bord voor je kop.

H: Wat is jezelf zien als iemand met een bord voor z’n kop?

X: Bedoel je dat ik toch geen bord voor mijn kop heb?

H: Wat is jezelf zien als iemand zonder bord voor z’n kop?

X: Hoe moet ik mezelf dan zien?

H: Wie zegt dat er iets te zien valt?

X: Wou jij zeggen van niet?

H: Wat is denken dat er niets te zien valt?

X: Een bord voor je kop?

H: Wat is denken dat er toch iets te zien valt?

X: Een bord voor je kop?

H: Conclusie?

X: Ik zeg niks.

H: Waarom niet?

X: Ik trap er niet meer in.

H: Vind je dat we moeten zwijgen?

X: Wel als we van het bord voor ons kop af willen.

H: Dan is dat het bord voor je kop.

-341-

Niet-weten is geen truc

‘Volgens mij is niet-weten gewoon een truc, Hans.’

‘Zo kan je het zien.’

‘Maar wat is nou de truc?’

‘Wat denk jij?’

‘Alle vragen terugspelen?’

‘Ik ben geen therapeut.’

‘Alles tegenspreken?’

‘Ik ben geen automaat.’

‘Overal vraagtekens bij zetten?’

‘Ik ben geen typemachine.’

‘Niets zeggen?’

‘Jij zegt het.’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Geen trucjes toepassen?’

‘De truc van niet-weten is geen trucjes toepassen?’

‘Maar niet heus.’

‘Waarom niet?’

‘Dat zou toch weer een truc zijn.’

‘De truc van niet-weten is geen trucjes toepassen, maar niet heus, want dat zou toch weer een truc zijn?’

‘Maar niet heus.’

‘Waarom niet?’

‘Dat zou nog steeds een truc zijn.’

‘De truc van niet-weten is geen trucjes toepassen, maar niet heus, want dat zou toch weer een truc zijn, maar niet heus, want dat zou nog steeds een truc zijn?’

‘Enzovoorts.’

‘Goeie truc.’

‘Nou nog toepassen.’

-342-

Niet-weten is geen postmodernisme

‘Niet-weten is niets nieuws, Hans.’

‘Wat is het dan voor ouds?’

‘Niet-weten is een van de vele gezichten van het postmodernisme.’

‘Wat versta jij dan onder postmodernisme?’

‘Het einde van de grote verhalen.’

‘Ik dacht het niet.’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Het grote verhaal van het einde van de grote verhalen.’

‘Dan zou het postmoderne zelf nog modernistisch zijn.’

‘Ze blijven maar verkondigen, nietwaar.’

‘Wat zou er volgens jou moeten gebeuren om het te postmodernisme te postmoderniseren?’

‘De brand erin.’

‘Het postmodernisme is dood, leve het postpostmodernisme?’

‘Leve het wat?’

‘Het postpostmodernisme.’

‘De brand erin en uitstrooien.’

-343-

Het einde van het postmodernisme

Wat is het postmodernisme?

Het postmodernisme is een verregaand cultuurrelativisme zonder heilige huisjes.

Volgens de postmoderne filosofie is alle kennis relatief: cultuurgebonden, situatiegebonden, subjectgebonden, plaatsgebonden en tijdgebonden.

Zuivere waarheid bestaat niet, geen enkele leer is definitief en de mens als maker en individu is een mythe.

Wie onze cultuur wil begrijpen, richt zich niet op haar voortbrengers maar op haar voortbrengsels.

Het discours (het geheel van teksten in een samenleving) kan bijvoorbeeld alleen begrepen worden vanuit zichzelf, niet vanuit (de psychologie van) zijn schijnbare auteurs.

Ook de tekst die je nu leest moet volgens de postmodernist begrepen worden als onderdeel van het, laten we zeggen, wijsgerig-spirituele discours, en niet als een op zichzelf staand communiqué van de persoon Hans van Dam.

Het postmodernisme is niet alleen een stroming in de wijsbegeerte, maar ook in de menswetenschappen, de politiek, de literatuur, de schilderkunst en de filmkunst.

Een hedendaagse postmoderne schrijfster van Nederlandse bodem is Hanna Bervoets (1984), die in haar romans wil laten zien dat geen enkel subject of object restloos te bepalen is, dat er steeds nieuwe perspectieven en identiteiten mogelijk zijn, maar nooit definitieve.

De postmoderne denktrant herinnert aan de leerstukken van leegte, niet-zelf en afhankelijk-ontstaan in het boeddhisme, dat in dit opzicht postmodern avant la lettre was.

Pluralisme

Het postmodernisme kun je, net als het dadaïsme, het existentialisme en het absurdisme, zien als een reactie op wat postmodernisten zelf het modernisme van de late negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw zijn gaan noemen.

Daarmee bedoelen ze, onder meer, kolonialisme, kapitalisme, socialisme, dialectisch materialisme, communisme, nationalisme, fascisme, nazisme en historicisme.

Volgens postmoderne denkers moest dat soort denksystemen wel tot onderdrukking, dictatuur, totalitarisme en wereldoorlogen leiden, een voorspelling achteraf die, zoals alle voorspellingen achteraf, prachtig uitgekomen is.

De anti-systeemdenkers, of antisysteem-denkers, zochten eendrachtig naar een alternatief voor het enge eenheidsdenken dat inzet op één waarheid, één ideaal, één moraal, één kunst, één volk, één wereld, één rijk, één partij, één leider, één god, één leraar, één pad, één religie.

Ze meenden het gevonden te hebben in het pluralisme.

Eén volk, één rijk

Postpostmodernisme

Hoe revolutionair het postmodernisme ook mag lijken, toch is daarmee het einde van het relativeren nog niet bereikt.

Want we kunnen het cultuurrelativisme zelf nog relativeren, het heilige huisje van geen-heilige-huisjes nog omverhalen – het enge eenheidsdenken dat monomaan inzet op veelheid en daarom niets anders is dan een fundamentalistisch antifundamentalisme.

Mocht dit inderdaad de uiterste consequentie van het postmodernisme zijn, dan zit er misschien een volgend tijdperk aan te komen, dat ik hier maar even het postpostmodernisme zal noemen, of apocalyptisch het einde der tijden.

Daarin waan je je niet meer in een volgend tijdperk, niet meer in een vorig tijdperk, en ook niet meer gevangen of bevrijd in een tijdelijk of eeuwig heden, maar ben je daarover helemaal vrij van overtuigingen en idealen, dus ook van de overtuiging en het ideaal daarover helemaal vrij van overtuigingen en idealen te zijn.

Waarmee het vooruitgangsdenken definitief tot een einde gekomen zou zijn, net als het doemdenken, zodat we achteraf nooit meer zouden kunnen vaststellen of we nou beter of slechter af waren, laat staan nu, laat staan vooraf.

Maar of we daarmee beter of slechter af zouden zijn?

Endisme

Het schijnt dat de fatale filosoof Jean Baudrillard al in 1992 het einde van het einde heeft verkondigd.*

* In zijn boek Illusion de la fin,, waarin hij de lineaire opvatting van de tijd op de korrel neemt.

Hij werd daarin voorgegaan door talloze verkondigers van het einde van het een of ander:

Het einde van het subject (advaita vedanta, boeddhisme).

Het einde van de filosofie (scepticisme, pyrronisme).

Het einde van de geschiedenis (Francis Fukuyama).

Het einde van de oorlog (‘the war to end all wars’).

Het einde van het metaverhaal (Lyotard).

Het einde van de representatie (Derrida).

Het einde van God (Friedrich Nietzsche).

Het einde van de kunst (Arthur Danto).

Het einde van de wereld (eschatologie).

Het einde van de mensheid.

Het einde van het individu.

Het einde van de muziek.

Het einde van de poëzie.

Het einde van de roman.

Het einde van het boek.

Het einde van de kunst.

Het einde van de staat.

De onbedwingbare neiging om ergens het einde van te verkondigen, zou je naar Engels voorbeeld endisme kunnen noemen.

Deze term verdient beslist een plaatsje in een toekomstige versie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM).

Aangenomen dat die zelf nog een plaatsje verdient in een postpostmoderne versie van de psychiatrie.

Aangenomen dat de psychiatrie zelf nog een plaatsje verdient in een postpostmoderne versie van deze wereld of wereldillusie of wereldillusie-illusie.

Het einde van het einde

Naar verluidt werkt de geest van voornoemde Baudrillard, een verwoed polemist die kennelijk nog steeds het laatste woord wil hebben, sinds zijn lichamelijk dood in 2007 in alle onrust aan een studie getiteld Illusion de la fin de la fin (de illusie van het einde van het einde).

Zelf werk ik sinds ik het weten en het niet-weten en het achterlaten achter me heb gelaten aan een definitieve studie over het laatste woord.

Die studie gaat Het laatste woord over de illusie van het laatste woord heten, of De illusie van het laatste woord over de illusie, daar is het laatste woord nog niet over gezegd.

Hierbij kondig ik ook vast het einde van het endisme aan, en het einde van het einde daarvan, voordat iemand anders mij weer voor is.

Misschien wat prematuur, maar zo ben ik tenminste één keer in mijn leven ergens de eerste in, of liever, de laatste.

Eén leer, één pad

-344-

Wie niet weet kan nog alle kanten op

‘Denk je nou echt dat we niets weten, Hans?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Wat dan wel?’

‘Dat al ons weten grondeloos is.’

‘Maar dat weet je dan weer wel?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Waarom niet?’

‘Anders wist ik toch weer iets.’

‘En niet-weten?’

‘Ook grondeloos.’

‘Waarom?’

‘Anders wist ik toch weer iets.’

‘Dus jouw weten en jouw niet-weten zijn beide grondeloos?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Anders wist je toch weer iets.’

‘Jij zegt het.’

‘Maar dat maakt je weten en je niet-weten des te grondelozer.’

‘Inderdaad.’

‘Wat is dan nog het verschil?’

‘Waartussen?’

‘Weten en niet-weten?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Want anders wist je toch weer iets.’

‘Schei toch uit.’

‘Dus eigenlijk kan je geen kant meer op.’

‘Dus eindelijk kan ik alle kanten op.’

-345-

Ik wens je alle twijfel die je aankan

En alle zekerheid die je nodig hebt.

‘Wat heb jij toch tegen leerstelligheid, Hans?’

‘Niets.’

‘Hè?’

‘Waarom zou ik?’

‘Op grond van niet-weten natuurlijk.’

‘Niet-weten is geen grond.’

‘Een scepticus als jij…’

‘Niet-weten is geen scepsis.’

‘Waarom bestrijd jij dan onvermoeibaar alle denkbare spirituele, religieuze en filosofische stellingen?’

‘Ik zou niet weten hoe.’

‘Pardon?’

‘Stellingen bestrijd je met argumenten gebaseerd op andere stellingen. Waarop zou ik bij gebrek aan stellingen mijn argumenten moeten baseren?’

‘Dat was een stelling met een argument.’

‘Weg ermee.’

‘Jij hecht geen enkele waarde aan wat je zegt.’

‘Dat kan ik wel bevestigen, maar hecht ik er ook waarde aan?’

‘Waar ben je dan mee bezig?’

‘Ik klets maar wat.’

‘Je kletst maar wat?’

‘Nu ook weer.’

‘En als de mensen niet willen luisteren?’

‘Dan wens ik ze alle zekerheid toe die ze nodig hebben.’

‘En als ze toch willen luisteren?’

‘Dan wens ik ze alle twijfel toe die ze aankunnen.’

‘Jou maakt het niet uit.’

‘Zover zou ik niet willen gaan.’

‘Maar?’

‘Ik heb niets tegen leerstelligheid.’

‘En als ik nou wel iets heb tegen leerstelligheid?’

‘Dan wens ik je alle zekerheid toe die je nodig hebt.’

-346-

Niet-weten is geen scepticisme

Eerder in dit Witboek Niet-Weten had ik het over therapeutisch scepticisme, de twijfelleer die streeft naar geestelijke rust door steeds voor ogen te houden dat wij niet(s) weten.

Scepticisme is de filosofie van de twijfel.

Er bestaan veel varianten van, die niet allemaal een eigen naam hebben gekregen, die niet consequent toe te schrijven zijn aan individuen, scholen of werken uit de geschiedenis van de wijsbegeerte en die niet eenduidig in te delen zijn, tenminste niet door mij.

Een kleine greep:

Je kan niets weten, ook niet dat je niets kan weten, behalve hoe je moet leven (praktisch scepticisme van Pyrrho van Elis).

Je kan niets weten, behalve dat je niets kan weten (dogmatisch scepticisme).

Je kan niets zeker weten, maar wel met enige waarschijnlijkheid (probabilisme).

Je kan niets weten, behalve de associaties van het verstand (Hume).

Je kan niets weten, behalve via de categorieën van het verstand, (tijd, ruimte, oorzaak en getal; Kant).

Je kan niets weten, behalve wat in de ervaring gegeven is (empirisch scepticisme van Sextus Empiricus; logisch positivisme van Carnap c.s.).

Je kan niets weten, behalve als bewustzijnsinhoud (idealisme, Bacon).

Je kan niets weten, behalve de inhoud van je eigen bewustzijn (solipsisme).

Je kan niets weten, behalve of iets werkt (pragmatisme, Peirce).

Je kan niets weten, behalve wat niet onwaar is (falsificationisme, Popper).

Je kan niets weten, behalve voor jezelf (subjectivisme).

Je kan niets weten, behalve voor zover het in taal is uit te drukken (linguïstisch relativisme, Sapir-Whorf).

Je kan niets weten, behalve binnen een gegeven context (contextualisme).

Je kan niets weten, behalve binnen een vooringenomen denksysteem (postmodernisme).

En dan nu de prijsvraag: welke sceptische leer komt het dichtst bij niet-weten?

Antwoord: geen.

Een weetniet meent niet te weten dat je niets kan weten behalve dit of dat, en ook niet dat je helemaal niets kan weten.

Niet-weten is geen twijfelleer.

Niet-weten is een lege leer.

Een lege leer mag geen naam hebben.

En al helemaal geen inhoud.

-347-

Wat je beslist moet weten van de Weg

‘Wat weet jij eigenlijk van de Weg, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

-348-

Niet-weten is iets wat je vindt terwijl je iets anders zoekt

‘Is niet-weten een weg, Hans?’

‘Nee.’

‘Wat is het dan wel?’

‘Bijkomende schade.’

‘Wat?’

‘Een geluk bij een ongeluk.’

‘Dat klinkt niet veel beter.’

‘Een vervloekte zegen.’

‘Je zou het er benauwd van krijgen.’

‘Noem het dan maar serendipiteit.’

‘Hè?’

‘Iets wat je vindt terwijl je iets anders zoekt.’

‘Iets anders?’

‘God. De hemel. Nirwana. Verlichting. Jezelf. Eenheid. Een einde aan het lijden. Gelukzaligheid. Onverstoorbaarheid. Alwetendheid. Liefde. Waarheid. Wijsheid.’

‘Precies wat ik zoek.’

‘Pas dan maar op.’

‘Hoezo?’

‘In niet-weten raak je alles kwijt.’

‘Waarom ben jij er dan zo vol van?’

‘Omdat je er zo leeg van wordt.’

‘Waar je zin in hebt.’

‘Dat komt pas later.’

-349-

Woordenboek niet-weten: weetniet-

Weetniet

In het dagelijks spraakgebruik is een weetniet een onwetende, een domoor.

In het jargon van niet-weten is een weetniet iemand die zijn gedachten niet gelooft, deze ook niet, waardoor al zijn weten (en daarmee zijn niet-weten) op losse schroeven komt te staan.

Synoniemen: nitwit, dummy, dwijze, dwaalgeest, agnost…

Weetnietgeest

De weetnietgeest is de tegenhanger van de hokjesgeest: iemand die geen onderscheid meer weet te maken, niet echt, en de onderscheidingen die zich desondanks onophoudelijk aan hem voordoen met een kilootje zout neemt.*

* Dat geldt ook voor het onderscheid tussen hokjesgeest en weetnietgeest.

De weetnietgeest haalt zijn heilige huisjes vóór oplevering omver, terwijl hij die van anderen doorgaans ongemoeid laat tot ze onder hun eigen gewicht instorten.

Synoniemen: vrijgeest, beginnersgeest, zengeest.

Weetnietfeest

Weetnietfeest is een eigenwoord voor de zaligheid van de weetnietgeest.

Onder zaligheid versta ik zalige gelatenheid.

Een weetniet vindt rust in zijn onrust en vrede in zijn onvrede.

Hij blijft kalm onder de woelingen van zijn gemoed, die er niet om liegen.

Weetnietbeest

Een weetnietbeest is een weetnietgeest die niet van ophouden weet.

Weetnietbeesten staan op de Rode Lijst van met uitsterven bedreigde diersoorten.

Weetnietjargon

Weetnietjargon is het taaltje waarvan de weetniet zich bedient als hij weer zo nodig over niet-weten moet praten.

Het woord ‘weetnietjargon’ bijvoorbeeld maakt deel uit van het weetnietjargon.

Weetnietkunde

Weetnietkunde is denken, praten en schrijven over niet-weten.

Je kan er professor in worden, maar weetnietkunde is geen niet-weten.

Weetnietkunst

Weetnietkunst is de kunst van niet-weten, alleen maar zo genoemd omdat het van buitenaf bekeken zo moeilijk lijkt.

Voor een agnost is niet-weten geen kunst, geen kunde, geen praktijk en geen methode, maar gewoon hoe hij denkt, spreekt en leeft.

Weetnietmystiek

Weetnietmystiek is de mystiek van een grenzeloos en grenzenloos niet-weten waarin alle ruimte is voor wie of wat dan ook, inclusief goden, godzeggers en goddelozen.

Van zichzelf heeft weetnietmystiek geen inhoud.

Waarom het dan mystiek heet?

Vanwege die grenzeloze grenzenloze ruimte natuurlijk.

Weetnietpose

Een weetnietpose is uiterlijk vertoon dat niet voorkomt uit een innerlijk gewoon.

Schone schijn dus.

Weetnietsymbool

Het weetnietsymbool is het universele lege symbool, Ø, dat staat voor willekeurig welk weetnietwoord.

Synoniemen: het lege symbool, het agnosticon, de eh.

Weetniettekst

Een weetniettekst is een tekst over en vanuit niet-weten. Synoniem: dwaaltekst.

Weetnietwoord

Een weetnietwoord is een woord uit het weetnietjargon. Synoniem: dwaalwoord.

Weetnietzen

Weetnietzen is zen op basis van een radicaal niet-weten.

Meer hierover lees je in Niet te geloven! De Linji Lu en in Niet om door te komen! De Poortloze Poort.

-350-

Weetnietes en Weetwelles

Waaraan herken je de weetniet?

Hij lijdt niet langer (of nooit lang) aan gelijkhebberitis en weet van wijken wanneer dat opportuun is.

Wat het onderwerp ook is, de weetniet gaat niet in zijn gelijk staan, en niet in zijn ongelijk.

Hij hopt vrijelijk van standpunt naar standpunt zonder ergens te blijven hangen.

Niet omdat hij vindt dat het zo hoort, maar omdat hij niet beter weet.

Het is dus geen verdienste; hij kan gewoon niet anders.

Blijft hij toch eens op zijn standpunt staan, dan neemt hij daar geen standpunt over in.

Daarin verschilt de weetniet radicaal van de weetnietes, die van niet-weten een mening maakt, een religie, een filosofie – meestal een of andere vorm van scepticisme.

Bij de weetnietes is niet-weten geen praktijk van alledag maar een identiteit.

Geen vorm van ontspanning maar een vorm van (in)spanning.

Geen laatlos maar een houvast.

Geen onkunde maar kennis.

De weetnietes, zou je kunnen zeggen, lijdt aan weetnietis, een bijzonder geval van eenpuntige gelijkhebberitis waarvoor bij mijn weten nog geen behandeling bestaat.

Zoals de weetwelles lijdt aan weetwellis, ook al onbehandelbaar.

De weetnietes en de weetwelles geschreven met een hoofdletter – Weetnietes en Weetwelles – zijn allegorische figuren, als het al geen archetypes in het collectief onbewuste zijn.

Hoe je met ze om moet gaan?

Ik groet ze altijd vriendelijk en geef ze zonder meer gelijk.

-351-

Niet-weten kent geen uitweg

Januari

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan liefde.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Februari

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan mededogen.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Maart

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan eenheid.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

April

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan God.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Mei

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan overgave.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Juni

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan openheid.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Juli

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan stilte.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Augustus

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan leegte.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

September

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan extase.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Oktober

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan het hier en nu.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

November

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan de eeuwigheid.

Beste X,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

December

Beste Hans,

Ik verblijf in niet-weten, dat geen andere uitweg kent dan niet-weten.

Beste X,

Ik verblijf nergens, wat moet ik met een uitweg?

-352-

Stijlfiguren niet-weten: vervreemding

Veel literatuur is vervreemdend, maar vervreemding maakt nog geen stijlfiguur.

Onder vervreemding als stijlfiguur versta ik een ingreep in een woord, uitdrukking, spreekwoord, cliché of een andere bekende tekst, die er een onverwachte draai aan geeft:

Doe maar gek, dan doe je al gewoon genoeg.

Of:

Onze Boeddha die in nirwana is…

Ik kwam het begrip ‘literaire vervreemding’ voor het eerst tegen in Tao, De levende religie van China van Kristofer Schipper (1988):

‘Wanneer de Grote Weg zegeviert, heersen overal deugdzaamheid en gerechtigheid.’ Hier hebben we zonder twijfel met een spreuk uit een of ander klassiek vertoog te maken. In de Daodejing wordt eenvoudig het woord ‘zegeviert’ vervangen door ‘vervalt’ en hierdoor worden ‘deugdzaamheid en gerechtigheid’ aan de kaak gesteld als schijndeugden. De Daodeing past systematisch het procedé van literaire vervreemding toe, om zodoende de dwingelandij van de begrippen en vooroordelen te breken. Veel taoïstische teksten uit latere tijdperken zullen dit voorbeeld volgen.

(p232,233)

Op de lijst van stijlfiguren in de Wikipedia komt literaire vervreemding niet voor, of het moet onder een andere naam zijn, die ik niet herken. Toch is het een belangrijke figuur, niet alleen in taoïstische geschriften maar ook in de Agnosereeks.

Bewerkelijke vormen van literaire vervreemding zijn parafrasen waarin de oorspronkelijke tekst nog wel te herkennen is maar een ander accent of een totaal nieuwe betekenis heeft gekregen. De preken van Meester Tja, gebaseerd op de Tao Te Tjing, zijn voorbeelden van dergelijke vrije oefeningen in vervreemding.

Nog verder ga ik in De Poortloze Poort, oorspronkelijk een collectie van 48 koans, waarop ik per stuk zo’n tien variaties heb geschreven die als uitdijende kringen steeds verder van het origineel verwijderd raken: stapsgewijze vervreemding.

Een soortgelijk procedé pas ik toe in mijn deconstructie van het negatieve godsbeeld van de mysticus Pseudo-dionysius.

Zie ook: koekoekstekst.

-353-

Zonder weg komt alles terug

‘Wat is de weg?’

‘Het weten doden.’

‘En dan?’

‘Is alles weg.’

‘En dan?’

‘Het niet-weten doden.’

‘En dan?’

‘Is alles terug.’

‘En dat is de weg?’

‘En dat was de weg.’

-354-

Van grote vrees naar grote vrede – het weetnietfeest van de weetnietgeest

Beste Hans,

Ken jij de Woorden van de Oude Cheng? Deze tekst, vertaald uit het Frans door wijlen Alexander Smit, leerling van Nisargadatta Maharaj, ademt dezelfde sfeer als jouw Linji Lu.

De Oude Cheng noemt het Uiteindelijke – dat wat overal aan voorbij gaat, dat wat alles overstijgt, het ene dat alles in zich draagt – de Oorspronkelijke Geest. Hoe noem jij het Uiteindelijke?

Beste X,

Na jaren van navelstaren en kennis vergaren teneinde het Uiteindelijke te ontwaren steek ik uiteindelijk nergens mijn hand meer voor in het vuur.

Zodoende kan ik bevestigen noch ontkennen dat er een of ander dit of dat of niet-dit en niet-dat bestaat dat weliswaar voorbij de woorden is maar niettemin bereikt of herkend of gerealiseerd of belichaamd of ingezien of aangevoeld of geleefd of doorleefd of gedaan of gelaten kan worden.

Iets dat mensen inderdaad weleens het uiteindelijke noemen, met of zonder hoofdletter; of de gewone geest, de grote geest, de oorspronkelijke geest, de algeest, het zelf, niet-zelf, de ziel, het hart, de weg, de waarheid, het leven, het hoogste, het overstijgende, het absolute, het numineuze, het onnoemelijke, de bron, het zijn, essentie, het heden, de eeuwigheid, gewaarzijn, stilte, leegte, openheid, liefde, het ene, god, de menigvuldigheid, brahman, atman, anatman, tao, non-dualiteit, je ware aard, je oorspronkelijke gezicht, sunyata, nirwana – tjonge jonge, over grootspraak gesproken.

Zulke woorden gebruik ik zelf nooit, behalve om ze te bevragen, maar dat doe ik dan ook graag.

Dat geldt eigenlijk voor alle woorden, hoe groot of klein geschapen ook, inclusief de wegwerpwoorden niet-weten, dwijsheid en agnose, al genieten die toevallig mijn voorkeur.

Niet-weten verwijst bij mij echter niet naar een principieel onkenbaar bewustzijn, zoals in sommige non-dualistische tradities.

Het verwijst niet naar een principieel onkenbare interdependentie of een principieel onkenbare boeddhanatuur, zoals in sommige boeddhistische tradities

Het verwijst niet naar een principieel onkenbare immanentie, zoals in sommige mystieke tradities.

Het verwijst niet naar een principieel onkenbaar mysterium tremendum et fascinosum, zoals het in nuministische kringen heet, of naar welke hypo-, hyper- of metastase ook.

Als ik het over agnose heb, bedoel ik alleen maar dat ik het, als het erop aankomt, allemaal niet meer weet.

‘Dat wat overal aan voorbij gaat’ is ook aan mij voorbij gegaan.

Het moest wel.

‘Dat wat alles overstijgt’ gaat ook mij boven de pet.

Per definitie.

‘Dat wat mij boven de pet gaat’ is mijn definitie van transcendentie.

Uiteindelijk is er niets dat mij niet boven de pet gaat.

Alles is mij een raadsel.

Het zogenaamd eindelijke net zozeer als het zogenaamd uiteindelijke.

Het zogenaamd vele net zozeer als het zogenaamd ene.

Het zogenaamde weten net zozeer als het zogenaamde niet-weten.

Zogenaamde ik net zozeer als zogenaamde niet-ik.

Dat gaat mij allemaal boven de pet, vandaar dat het in het onderpetse zo hol klinkt: mijn bovenkamer is net een grot.

Van die leegte ben ik dan weer zo vol dat ik barst.

Leeg is mijn lied, ik zing als een parkiet en hoop dat je ziet wat ik niet zeggen kan omdat welsprekendheid nooit niet-weten is.

X: Parkieten kunnen niet zingen.

H: Niet-weten is dodecafonisch. In het twaalftoonsysteem kan niemand niet zingen.

X: Ik was ervan overtuigd dat jij het Uiteindelijke gewoon de Weetnietgeest zou noemen.

H: De weetnietgeest heeft niets te melden over het uiteindelijke.

X: Bedoel je dat het Uiteindelijke niet bestaat?

H: Nee, ik bedoel niet dat het Uiteindelijke niet bestaat of dat het Uiteindelijke toch bestaat of dat het Uiteindelijke bestaat én niet bestaat of dat het Uiteindelijke bestaat noch niet bestaat of dat het Uiteindelijke voorafgaat of voorbijgaat aan bestaan en niet bestaan of dat we ons oordeel daarover voor onbepaalde tijd moeten opschorten of dat er inzake het Uiteindelijke uiteindelijk niets te zeggen valt of wat dan ook.

Ik bedoel alleen maar dat ik het uiteindelijk allemaal niet weet.

En dat ik daar vrede mee heb natuurlijk, Grote Vrede, want dat is het echte mirakel.

Grote Vrede vinden in hetzelfde niet-weten dat mij een halve eeuw Grote Vrees aanjoeg.

Begeisterung vinden in mijn verbijstering.

Thuiskomen in den vreemde.

Mij is dat Uiteindelijk genoeg.

Mij is dat uiteindelijk Genoeg.

X: Mij lijkt dat niet de Oorspronkelijke Geest.

H: Ik noem het mijn weetnietfeest.

-355-

Niet-weten is bungeejumpen

‘Wat bindt de mens aan zijn weten, Hans?’

‘Een elastiek.’

‘Wat heeft dat voor gevolg?’

‘Hoe harder je wegloopt, hoe harder je terugschiet.’

‘Jij ook?’

‘Iedereen.’

‘Wat is dan het verschil tussen ons?’

‘Jij blijft rustig in de buurt van het weten rondscharrelen.’

‘En jij?’

‘Ik doe aan bungeejumpen.’

-356-

Niet-weten is rondscharrelen

‘Wat bindt de mens aan zijn niet-weten, Hans?’

‘Een elastiek.’

‘Wat heeft dat voor gevolg?’

‘Hoe harder je wegloopt, hoe harder je terugschiet.’

‘Jij ook?’

‘Iedereen.’

‘Wat is dan het verschil tussen ons?’

‘Ik blijf rustig in de buurt van niet-weten rondscharrelen.’

‘En ik?’

‘Jij doet aan bungeejumpen.’

-357-

Niet-weten is je natuurlijke staat

‘Als je met een elastiek aan het weten gebonden bent, dan is weten je natuurlijke staat, Hans.’

‘Inderdaad.’

‘Als je met een elastiek aan niet-weten gebonden bent, dan is niet-weten je natuurlijke staat.’

‘Inderdaad.’

‘Wat is nou je natuurlijke staat, weten of niet-weten?’

‘Wil je dat echt weten?’

‘Inderdaad.’

‘Dan zal dat het verschil wel zijn.’

‘Waartussen?’

‘Jou en mij.’

‘Wil je het niet weten of weet je het gewoon niet?’

‘Weet ik ook al niet.’

‘Bij wie moet ik dan wezen?’

‘Wie zegt dat iemand het weet?’

‘Wou jij zeggen van niet?’

‘Wat weet ik daarvan?’

‘Maar wat is nou je natuurlijke staat?’

‘Dat is nou je natuurlijke staat.’

‘Weten of niet-weten?’

‘Heen en weer gaan tussen weten en niet-weten?’

‘Heen en weer gaan is je natuurlijke staat?’

‘Ik zou het anders ook niet weten.’

‘Dat zou een hoop verklaren.’

‘Als er al een natuurlijk staat is.’

‘Daar vraag je me wat.’

‘En iemand die daarin kan verkeren.’

‘Daar ging ik inderdaad eventjes van uit.’

‘Misschien is niet weten of er een natuurlijke staat is wel je natuurlijke staat.’

‘Dat kan ook nog.’

‘Misschien is niet weten of er iemand is die daarin kan verkeren wel je natuurlijke staat.’

‘Dat kan ook nog.’

‘Maar misschien ook niet.’

-358-

Waarschuwing uit het verleden

‘Mooi dat niet-weten, Hans. Ik kan me er helemaal in vinden!’

‘Ik kan me er helemaal in verliezen.’

‘Rainer Maria Rilke zei het al: als je te veel begrijpt gaat de eeuwigheid aan je voorbij!’

‘Dat hoor je wel vaker. Ik heb het nooit begrepen.’

-359-

Woorden zijn bergen, daden zijn dwergen

Er was eens een generaal die, hartje winter, ten strijde trok naar het hooggebergte.

Hem was verteld dat dáár de vijand zat.

Steenkoud was het er, bar in de boos.

De paarden verhongerden.

De soldaten vroren dood.

De generaal gleed uit en viel te pletter.

Hoe het zo mis kon gaan?

Het hooggebergte zelf was de vijand.

Dat hadden ze er niet bij verteld.

Die generaal, beste lezer, dat was ik.

Het hooggebergte was de vijand niet.

Naar anderen luisteren was de vijand.

Naar mezelf luisteren was de vijand.

Weten waar de vijand was, was de vijand.

Weten dat er een vijand was, was de vijand.

Weten wat een vijand is, was de vijand.

Wéten was de vijand.

Weten dat weten de vijand is, was de vijand.

En weet je wat?

Er was helemaal geen vijand.

Dat dacht ik alleen maar.

Ik heb het er nu bij verteld…

-360-

Niet-weten als passe-partout

Lezers van dit Witboek Niet-Weten zullen onderhand wel doorhebben dat heel wat filosofische, religieuze en spirituele uitdrukkingen eufemismen voor niet-weten zijn.

Nu is ‘eufemismen voor niet-weten’ al een eufemisme op zich, dus laat ik even zeggen wat ik daarmee bedoel:

Mantels der wijsheid om je dwaasheid te verhullen.

Maskers van gemoedsrust om je lusten te verhullen.

Priesterlijke pijen om je naaktheid te verhullen.

Het ware zelf om je onware ik te verhullen.

Grootspraak om je kleinheid te verhullen.

‘Gods wegen zijn wonderbaarlijk’ bijvoorbeeld is een gevleugeld woord onder christenen, eenvoudig te herkennen als een verzuchting van onbegrip.

Filosofische theorieën zoals het relativisme, het scepticisme en het nihilisme zijn ook tamelijk doorzichtig als je er oog voor hebt.

Maar wat te denken van realisatie, universele liefde, advaita, genade, nirwana en onthechting?

Het idee van niet-weten als passe-partout is eenvoudig: door zware woorden te vertalen in niet-weten, gaan er poorten voor je open die anders gesloten blijven.

Poorten naar non-dualiteit, verlichting, het zelf, niet-zelf, leegte, keuzeloos gewaarzijn, afhankelijk ontstaan en interzijn, maya, zoheid, koans, spontaniteit, authenticiteit, eenvoud, de dharma, je natuurlijke staat en eeuwige wijsheid, bijvoorbeeld.

Liever had ik gezegd: door ze te vertalen in niet-weten gaan alle woordpoorten voor je open en kan je eindelijk ontsnappen aan dat eeuwige geouwehoer over non-dualiteit, verlichting, het zelf, niet-zelf, leegte enzovoort.

Maar ja, je kan ook te eerlijk zijn.

Ik bedoel, je kan ook te vroeg eerlijk zijn, bedenk ik nu het te laat is, neem me niet kwalijk.

Neutraal gezegd is niet-weten de moedersleutel die je helpt om uit de hokjes van je hokjesgeest te breken en al je heilige huisjes, stokpaardjes en piekerpaadjes achter je te laten.

Hieronder laat ik in een serie dwaalgesprekken tussen ene Sofie en ene Hans zien hoe je die sleutel moet gebruiken, hoe makkelijk dat eigenlijk is en wat het met je kan doen – wat het met mij heeft gedaan.

Want een weetniet is een ontsnappingskunstenaar die weet waar Petrus de sleutel had.

Geloof je dat?

Dan zit je daarin vast.

Dus pak maar gauw je passe-partout en bevrijd je van je nieuwe boeien, amen.

Kruis van vier sleutels met in het kruispunt een gemeenschappelijke baard (die dus op geen enkel slot past).
Niet-weten als passe-partout.

-361-

Non-dualiteit als niet-weten

Sofie: Wat is non-dualiteit voor jou?

Hans: Een moeilijk woord dat eindeloze vragen oproept.

Sofie: Wat voor vragen?

Hans: Vragen zoals ‘wat is non-dualiteit voor jou?’

Sofie: Aha.

Hans: Wat is non-dualiteit voor jou?

Sofie: De realiteit van de Soetra’s en de Upanishaden. De wereld zoals ze werkelijk is, a-dvaita, één geheel, zonder onderscheid. De wereld die ik kén is de wereld die ik bén. Herken jij jezelf daarin?

Hans: Ik herken mezelf nergens in, behalve in niet-herkennen, bij wijze van spreken.

Sofie: Voor jou staat non-dualiteit niet voor de wereld zoals…

Hans: Nee, voor mij staat non-dualiteit niet voor de wereld zoals ze werkelijk is, één geheel, zonder onderscheid.

Ik heb namelijk geen idee wat de wereld werkelijk is. Dus ook niet dat ze 1-voudig is, of 2-voudig of niet-2-voudig of 3-, 4-, 108- of veelvoudig of 0-voudig of ontelbaar, of zelfs maar dat ze ís of niet is of niet is wat ze lijkt of zo.

Ik heb ook geen idee meer wie ik zelf ben – niet dat ik samengesteld ben, niet dat ik enkelvoudig ben, niet dat ik werkelijk ben, niet dat ik onwerkelijk ben.

Laat staan dat ik de identiteit van die twee onbekende grootheden – de wereld en ik – durf te bevestigen of zelfs maar te ontkennen.

Ik kan niet met de hand op mijn hart zeggen dat ik in de wereld ben, niet dat de wereld in mij is, niet dat ik de wereld ben, niet dat ik de wereld niet ben en ook niets anders.

Sofie: Je zegt eigenlijk: ‘Ik heb geen idee wat non-dualiteit is’.

Hans: Geen idee gaat mij te ver, maar non-dualiteit in de zin van een wereld zoals ze werkelijk is, één geheel zonder onderscheid, zegt mij niets. Ik kan er met mijn verstand niet bij. Met mijn gevoel ook niet. Met mijn hart ook niet. Zelfs mijn intuïtie, mijn klompen, mijn pet en mijn water laten me in de steek.

De enige manier waarop ik toegang krijg tot het woord non-dualiteit is door het te vertalen in ‘geen onderscheid weten te maken’.

Sofie: Een soort onvermogen.

Hans: Een soort agnose. A-gnose, niet-weten.

Mij zal je nooit horen zeggen dat de wereld één is en dat onderscheidingen slechts schijnbaar zijn. Wat weet ik daarvan? Hoe stel je zoiets vast? Ook het tegenovergestelde zal ik niet beweren.

Maar ik zal de eerste zijn om toe te geven dat het me niet lukt om de onderscheidingen die zich onophoudelijk aan mij voordoen, ook maar enigszins te onderbouwen. Er is er tenminste niet één die ik op dit moment zou willen verdedigen.

In mijn ervaring zijn alle onderscheidingen aanvechtbaar.

Ook alle onderscheidingen die ik tot nog toe in ons gesprek heb gebruikt en die ik verder nog zal gebruiken.

Ook het verschil tussen schijnbaar en echt weet ik niet hard te maken.

Sofie: Dus waar hebben we het nog over.

Hans: Precies. Er is geen enkel onderscheid waarvoor ik kan instaan, en dat is wat non-dualiteit voor mij betekent.

Sofie: Non-dualiteit is voor jou niet…

Hans: Non-dualiteit is voor mij niet de waarheid omtrent de werkelijkheid en mijzelf, maar het einde van ieder begrip – en onbegrip – omtrent de waarheid, de werkelijkheid en mijzelf.

Sofie: Daarmee heb je ‘non-dualiteit’ letterlijk vertaald in ‘niet-weten’.

Hans: En in één moeite door onttrokken aan het domein van de metafysica.

Sofie: Waarom die moeite?

Hans: Geen moeite. Weten kost mij moeite. Het woord non-dualiteit gebruiken kost mij moeite. Niet-weten is voor mij moeiteloos.

Agnose is mij van binnenuit bekend – voor zover je in dit verband nog over bekendheid kan spreken, of over binnen.

Het is mijn eerste natuur, als ik al een natuur heb, of had dat moeten zijn als ik er geen heb.

‘Non-dualiteit’ daarentegen is koeterwaals. Wie verzint zoiets? Wie begrijpt zoiets?

Begrijpen is het onbekende herleiden tot het bekende. Nou, ik kan non-dualiteit alleen maar begrijpen als een eufemisme voor een radicaal niet-weten.

Sofie: Advaita als agnose.

Hans: En het allitereert nog ook.

Sofie: Non-dualiteit begrijp jij als geen onderscheid weten te maken. Denk jij dat anderen met non-dualiteit bedoelen wat jij begrijpt?

Hans: Bedoel jij met non-dualiteit wat ik begrijp?

Sofie: Ik niet.

Hans: Daar heb je het al.

Sofie: Niet-weten is een ongebruikelijke, om niet te zeggen curieuze invulling van het begrip non-dualiteit, laten we eerlijk wezen.

Hans: Nou, invulling…

Sofie: Wat dan?

Hans: Uitholling?

Sofie: Oké, niet-weten is een curieuze uitholling van het begrip non-dualiteit.

Hans: En niet alleen van het begrip non-dualiteit. Als ik al eens een woord of uitdrukking uit de filosofische, spirituele en religieuze literatuur meen te begrijpen, dan is het meestal langs de weg van niet-weten.

Sofie: Curieuzer en curieuzer.

Hans: Ik ben heus niet dom en ik heb moeilijke woorden met de paplepel ingegoten gekregen, maar zonder deze vertaalslag is het voor mij allemaal abacadabra.

Sofie: Jij maakt overal niet-weten van.

Hans: Niet-weten fungeert voor mij als een loper, een moedersleutel, een passe-partout voor de meest uiteenlopende ideeën. Ik open er deuren mee die vroeger voor mij gesloten bleven.

Sofie: Wat voor tradities?

Hans: Taoïsme, zen, boeddhisme, mystiek, soefisme, chassidisme, advaita…

Sofie: Wat voor ideeën?

Hans: God, niet-oordelen, de Tao, leegte, eenheid, anatta, prajnaparamita, je oorspronkelijke staat, onthechting, keuzeloos gewaarzijn…

Sofie: De hele riedel.

Hans: Dat soort toverwoorden kan ik echt alleen maar begrijpen als eufemismen voor niet-weten.

Sofie: Noem dat maar begrijpen.

Hans: Begrijpen tussen aanhalingstekens. Begrijpen als niet-begrijpen. Het bekende herleiden tot het onbekende. Waar het oorspronkelijk vandaan kwam voordat we alles begonnen te herleiden tot het bekende.

Sofie: Lekker makkelijk.

Hans: Een koud kunstje – de enige intellectuele activiteit waarvoor je niet stom genoeg kan zijn.

Sofie: Tref jij het even.

Hans: Het is me op het lijf geschreven.

Sofie: Niet-weten als sleutel.

Hans: Zonder slot.

Sofie: Voor een poort zonder poort.

Hans: Kijk, jou hoef ik niks meer uit te leggen.

-362-

Liefde als niet-weten

Sofie: Spirituele verlichting wordt wel omschreven als onvoorwaardelijke liefde of openheid of ruimte. Ik heb ook eens gelezen dat ik de liefde niet kén omdat ik de liefde bén.

Hans: Tja.

Sofie: Hoe kijk jij daartegenaan als agnost?

Hans: Onder liefde wordt in het spirituele wereldje niet een persoonlijke gehechtheid of genegenheid of passie voor iets of iemand bedoeld, maar een onpersoonlijke, onthechte, objectloze, universele openheid voor alles wat zich aandient.

Mij zegt dit niets, totdat ik het vertaal in mijn eigen onvermogen om definitieve grenzen te trekken en tot onomstotelijke oordelen te komen.

Door dit onvermogen, door het radicale niet-weten dat, of ik nou wil of niet, mijn hele denken doortrekt, ontstaat er tegen de klippen van mijn eeuwige oordelen en voorkeuren op, ruimte voor alternatieven.

Sofie: En nu omarm je de hele wereld?

Hans: Natuurlijk niet. Stront blijft stront, het ruikt niet ineens naar viooltjes.

Sofie: Jammer.

Hans: Het enige verschil met vroeger is dat ik geen gronden meer heb om iets, wat dan ook, of iemand, wie dan ook, radicaal af te wijzen.

Sofie: Waardoor je niets anders rest dan alles en allen radicaal te aanvaarden?

Hans: Ook daarvoor ontbreekt iedere grond, en dat rijmt weer op stront.

Sofie: Want grondeloosheid is onze laatste grond?

Hans: Sofisterij.

Sofie: Pardon?

Hans: Grondeloosheid een grond noemen is gladpraterij.

Sofie: Al onze gedachten zijn grondeloos, punt.

Hans: Deze ook.

Sofie: Is dat in een notendop jouw realisatie?

Hans: Je had vertegenwoordiger moeten worden.

Sofie: Niet dan?

Hans: Ik bén niet gerealiseerd en ik héb niets gerealiseerd en ik heb mij ook niet voor eens en altijd íets gerealiseerd.

Dus ook niet dat al mijn onderscheidingen en oordelen grondeloos zijn.

Ik realiseer mij dat steeds opnieuw, nu en nu en nu.

Sofie: Niet voor eens en voor altijd?

Hans: Nee, niet als absolute waarheid die altijd en overal en voor iedereen opgaat.

Alleen voor mezelf en alleen met betrekking tot de actuele gedachte.

Die tot mijn verrassing – en tegenwoordig meestal ook tot mijn genoegen – steeds weer in de lucht blijkt te hangen. Deze ook.

Sofie: Het aanvaarden en afwijzen gaat dus gewoon door?

Hans: Maar zonder de knagende twijfel of het heilige gelijk waarmee het vroeger gepaard ging.

Sofie: Meer ontspannen.

Hans: Zelfs tegen andermans heilige gelijk heb ik niets fundamenteels meer in te brengen.

Sofie: Ook daarvoor heb je ruimte.

Hans: Maak het nou niet mooier dan het is.

Sofie: Wat zou jij zeggen?

Hans: Ik sta erbij en ik kijk ernaar.

Sofie: Hi hi hi.

Hans: Ha ha ha.

Sofie: Maar om dat nou verlichting of onvoorwaardelijke liefde of openheid te noemen?

Hans: Dan vergaat je meteen het lachen.

-363-

Keuzeloos gewaarzijn als niet-weten

Sofie: ‘Ik sta erbij en ik kijk ernaar’, zei je net. Is dat niet wat ze neutraliteit, niet-oordelen, keuzeloos gewaarzijn en zo noemen? Zouden we daar niet allemáál naar moeten streven?

Hans: Dan zit je meteen weer tot over je oren in de tegenstrijdigheden.

Sofie: Hoezo?

Hans: Ben je neutraal als je streeft naar neutraliteit?

Is niet willen oordelen niet het oordelen veroordelen?

Ben je keuzevrij als je kiest voor keuzeloos gewaarzijn?

Sofie: Op die manier.

Hans: Maar wie zijn begrippen en gedachten onderzoekt, en daarbij keer op keer moet vaststellen dat hij geen poot heeft om op te staan, komt wellicht tot iets wezenlijkers.

Een ommekeer in zijn denken, dat zichzelf vanaf dat moment consequent bejegent als een ouwehoer.

Consequent; dus ook wanneer het beweert dat het zichzelf consequent bejegent als een ouwehoer.

Sofie: Wat betekent dat in de praktijk?

Hans: Nooit meer onvoorwaardelijk in je eigen begrippen en gedachten geloven. Ook niet in deze.

Sofie: Dat lijkt me niet hetzelfde als willens en wetens stoppen met oordelen.

Hans: Ik heb nog nooit iemand gezien die willens en wetens is gestopt met oordelen, jij?

Sofie: Eh… nee.

Hans: Ik heb sowieso nog nooit iemand gezien die niet meer oordeelt, op een paar dooien na.

Wel een heleboel mensen die het tevergeefs geprobeerd hebben, waaronder ikzelf.

Ook een paar mensen die deden alsof.

Ja, als er iets is dat zogenaamde wijzen en zogenaamde dwazen gemeen hebben dan is het wel dat ze maar blijven oordelen:

Jezus zag liever geen kooplui in de tempel.

Osho reed liever niet in een Trabant.

Ramana had liever geen ashram.

Sofie: En Hans?

Hans: Houdt niet van kou, niet van drukte en niet van kouwe drukte.

Sofie: Wat is dan het verschil tussen ons, als we allebei nog steeds oordelen?

Hans: Dat ik het onvoorwaardelijke vertrouwen in mijn eigen oordelen ben kwijtgeraakt.

Daarvoor in de plaats is een onvoorwaardelijk wantrouwen in mijn eigen oordelen gekomen.

Onvermijdelijk ben ik daarmee ook het onvoorwaardelijke vertrouwen kwijtgeraakt in de persoon Hans van Dam, die de trotse of beschaamde eigenaar van al zijn gedachten zou zijn.

Het spreekt voor mij niet langer vanzelf dat er zo iemand is, laat staan dat al die rare gedachten van hem zijn.

Waarmee niet gezegd is dat er niet zo iemand is of dat al die rare gedachten niet van hem zijn of dat ze van iets of iemand anders zijn of van god of van het leven zelf of van niets of niemand, of wat dan ook.

Voor mij zijn dat allemaal maar gedachten.

Voertuigen waar ik niet meer instap.

Drollen waar ik niet meer in trap.

Dat geldt ook voor deze gedachten.

Sofie: Kortom…

Hans: Ik oordeel als vanouds, daar heb ik geen vat op, maar ik kan er niet meer heilig in geloven, waar ik trouwens ook geen vat op heb.

Sofie: Mij lijkt dat een prima zaak.

Hans: Kan best wezen, maar dat is opnieuw een oordeel.

-364-

Het Zelf als niet-weten

Sofie: Hoe kijkt een weetniet naar het Zelf?

Hans: Bedoel je naar het idee dat alles het ene zelf zou zijn?

Sofie: Denk aan zen, denk aan advaita.

Hans: De gedachte van een alomvattend zelf wordt voor mij pas een beetje invoelbaar als ik probeer vast te stellen waar ik ophoud en de buitenwereld begint. Dat lukt me namelijk niet.

Zolang je er niet bij stilstaat denk je dat je de werkelijkheid waarneemt zoals hij is, niks aan de hand.

Volgens hedendaagse psychologen en filosofen ben je echter niet de passieve waarnemer van de werkelijkheid zoals hij is, maar de actieve vormgever daarvan met behulp van je zintuigen en de categorieën van je verstand.

Er zou daarbuiten helemaal geen licht of kleur of geur of klank of smaak of warmte of kou zijn, geen hier of daar of vroeger of later of oorzaak of gevolg.

Alle zogenaamd primaire en secundaire kwaliteiten van de dingen leg je er zelf in zonder dat je het doorhebt.

Sofie: Projectie.

Hans: Als je het zo bekijkt, dringt je ik of zelf als een vloedgolf de zogenaamde buitenwereld binnen om uiteindelijk het hele objectieve domein op te slokken.

Sofie: En niet-zelf, anatman?

Hans: Hetzelfde verhaal in omgekeerde richting.

Volgens deze gedachtegang zijn er ‘hierbinnen’ helemaal geen zintuigafdrukken van en gedachten over de buitenwereld, dat idee ontstaat pas als je erover gaat nadenken.

Je ziet geen afbeelding van een boom op je netvlies of op je bewustzijnsscherm; er staat een boom, daar.

Je produceert geen gedachten met je verstand of in je hoofd; er zijn gedachten, hier.

Er zijn alleen maar verschijnselen – gedachten, gevoelens, gebeurtenissen, dingen, situaties – waarvan je sommige erváárt als binnen, andere als buiten.

Op je romp staat geen hoofd; op je romp staat de hele realiteit, met alles erop en eraan. De ‘headless way’, noemde Douglas Harding dit, de hoofdloze weg.

Ditmaal dringt de buitenwereld, de wereld van de verschijnselen, als een vloedgolf je zogenaamde binnenwereld binnen om uiteindelijk het hele subjectieve domein op te slokken.

Sofie: Weer twee variaties op ‘geen onderscheid weten te maken’. Toch?

Hans: Tussen hierbinnen en daarbuiten ja. Maar het wordt nog gekker.

Want als er geen buitenwereld is, waar komen die geuren en kleuren dan wel vandaan?

Als er geen binnenwereld is, waarin verschijnen ze dan wel?

Of andersom: als er geen binnenwereld is, waar komen die geuren en kleuren dan wel vandaan?

Als er geen buitenwereld is, waarin verschijnen ze dan wel?

Wat betekent binnen nog zonder buiten, wat betekent buiten zonder binnen?

Wat is een subject nog zonder object, wat is een object zonder subject?

Wat is nog het verschil tussen de waarnemer, het waarnemen, de waarneming en het waargenomene?

Of zoals ze in advaita zeggen, wat is nog het verschil tussen de kenner, het kennen, de kennis en het gekende?

Waar hebben we het in godsnaam over?

Sofie: Over het ene, zou ik zeggen.

Hans: Wat betekent het ene zonder het vele?

Sofie: Het absolute dan?

Hans: Wat betekent het absolute zonder het relatieve?

Sofie: De hoogste werkelijkheid?

Hans: Wat betekent de hoogste werkelijkheid zonder een gewone of een laagste?

Sofie: Toch maar weer non-dualiteit?

Hans: Wat betekent non-dualiteit zonder dualiteit?

Sofie: Niet-weten dan maar?

Hans: Wat betekent niet-weten zonder weten?

Sofie: Tja.

Hans: Wat betekenen deze woorden nog? Zeggen we eigenlijk nog wel iets? Of hebben we de taal in onze weetzucht voorbij de grenzen van haar elasticiteit opgerekt?

-365-

Maya als niet-weten

Sofie: De werkelijkheid is een droom, zeggen ze in het hindoeïsme en in het boeddhisme. Alles is een illusie. Maya.

Hans: Als alles een illusie is, dan ook de illusie.

Sofie: Wát?

Hans: Wat?

Sofie: De illusie is ook een illusie?

Hans: Wel als hij tot de werkelijkheid behoort.

Sofie: En als hij niet tot de werkelijkheid behoort?

Hans: Dan helemaal.

Sofie: Waarom?

Hans: Omdat hij dan niet tot de werkelijkheid behoort, slaapkop.

Sofie: De illusie is ook maar een droom.

Hans: Tenzij dat ook maar een droom is.

Sofie: Maar wat is dan nog het verschil tussen werkelijkheid en illusie?

Hans: Dat zou ik ook weleens willen weten.

Sofie: Daarmee komt de duiding van de werkelijkheid als illusie compleet op losse schroeven te staan!

Hans: Zijn we daar ook weer van verlost, zei de tovenaarsleerling opgelucht.

Sofie: Wat een desillusie.

Hans: En is die wél reëel?

Sofie: Het begint me te duizelen.

Hans: Als denkbeelden vergruizelen…

Sofie: Jij maakt overal gehakt van.

Hans: Goeie definitie van niet-weten.

Sofie: Erg subtiel ben je niet.

Hans: Voor subtiliteiten verwijs ik je naar je soetra’s en upanishaden. Daar kan je je gratis naar hogere sferen laten mystificeren.

Vergeet je zandzakjes niet.

-366-

Overgave als niet-weten

Sofie: Laatst las ik in een Soetra dat verlichting niet het resultaat is van verdienste (goede daden) of inzet (meditatie) maar van genade. Hoe zie jij dat als agnost?

Hans: Genade van wie voor wie?

Sofie: Van iets dat oneindig veel groter is dan wijzelf, waarvoor we ons alleen maar open kunnen stellen.

Hans: En, lukt het een beetje?

Sofie: Wat is de rol van genade in niet-weten?

Hans: Dat je maar hebt af te wachten of ooit het kwartje bij je zal vallen dat er wel nooit een kwartje bij je zal vallen.

Sofie: Je weet maar nooit of je tot niet-weten zal komen.

Hans: En je weet maar nooit of je erin blijft.

Sofie: Dat klinkt wel heel ongewis.

Hans: Een ander woord voor niet-weten.

Sofie: Maar als je er nou voor kiest…

Hans: Wie zegt dat je voor niet-weten kan kiezen?

Wie zegt dat je kan kiezen voor wat dan ook?

Sofie: Wou jij beweren van niet?

Hans: Mij niet gezien.

Sofie: Zijn er geen onweerlegbare argumenten voor niet-weten te vinden?

Hans: Niet-weten is geen leer, wat valt er dan te beargumenteren? Waar wou je je naartoe redeneren?

Sofie: Je kan niet bewijzen dat je niets kan bewijzen?

Hans: En het is niet evident dat niets evident is.

Sofie: Hoe kom je er dan wel?

Hans: Jij of ik?

Sofie: Ik.

Hans: Weet ik niet.

Sofie: Jij.

Hans: Misschien kwam ik tot niet-weten toen ik het vertrouwen in het redeneren verloor, als het al niet andersom was.

Dat was geen kwestie van opzeggen maar van kwijtraken.

Hoe vaak het mij ook het bos in leidde, ik bleef heilig in mijn verstand geloven, of van wie het ook is, als het al is, tot het op een niet door mij verkozen of voorziene dag ineens klaar was.

Tot dat moment had ik werkelijk geen idee dat je het vertrouwen in je eigen denken kon verliezen, laat staan dat ik ernaar streefde. Juist niet, als het aan mij had gelegen zou ik er nog steeds in geloven.

Sofie: Genade dus.

Hans: Niet-weten is geen idee, en dat is mijn antwoord op al je vragen over verlichting en niet-weten.

Kan je verlicht worden door verdienste of inzet?

Geen idee.

Kan je verlicht worden?

Geen idee.

Kan je voor niet-weten kiezen?

Geen idee.

Kan je ergens voor kiezen?

Geen idee.

Is er iets dat oneindig veel groter is dan wijzelf?

Geen idee.

Kunnen wij ons daarvoor openstellen?

Geen idee.

Kan dat oneindig veel grotere iets genade schenken?

Geen idee.

Wat is de rol van genade in niet-weten?

Geen idee.

Sofie: Niet-weten is genadeloos.

Hans: Godzijdank.

-367-

Zoheid als niet-weten

Sofie: In het boeddhisme hebben ze het weleens over de zoheid der dingen of bhutatathata.

Hans: Een meester die roept, ‘Van de vroege morgen tot de late avond, alleen maar dit!’

Sofie: Wat maak jij daarvan?

Hans: Van de zoheid der dingen?

Sofie: Nou?

Hans: Gehakt dan maar weer.

Sofie: Ik vind het wel geheimzinnig klinken, bhutatathata.

Hans: Abracadabra.

Sofie: Dat je aan het eind van je spirituele pad de zoheid der dingen hebt ontdekt.

Hans: Wie wil dat nou niet.

Sofie: Hun wezen, kern, of essentie. Het hogere dat zich uitdrukt in het lagere.

Hans: Ik heb geen idee waar je het over hebt.

Sofie: Jij ziet er zeker weer verwijzingen naar niet-weten in.

Hans: Voor mij is ‘bhutatathata’ net zoiets als ‘het is zoals het is’ of ‘het gaat zoals het gaat’ of ‘we doen wat we doen’ of ‘ik ben die ik ben’.

Sofie: Namelijk?

Hans: Een manier om niets te zeggen.

Sofie: Tja.

Hans: Iets om op terug te vallen in een situatie die om woorden vraagt, terwijl je zelf allang bent uitgedacht en uitgesproken.

Sofie: Om ervan af te zijn.

Hans: En om anderen de mond en de geest te snoeren.

Sofie: Alles liever dan het hogere.

Hans: Zonder iets dat hoger is, heb je niets dat lager is.

Sofie: Dan is alles hoger, wou je zeggen.

Hans: Dan heb je geen reden meer om uit de hoogte te doen, zou ik zeggen.

Sofie: Het hogere stemt mij juist deemoedig.

Hans: Is het het hogere dat jou deemoedig stemt of jouw denken daaraan?

Sofie: Het is dit gesprek dat mij weemoedig stemt.

Hans: Zou het helpen als we niet-weten transcendente dwaasheid noemen?

-368-

Koans als toneelstukjes over niet-weten

Sofie: Een voor de hand liggende vraag misschien: wat zijn koans voor jou?

Hans: Een voor de hand liggend antwoord misschien: gesprekjes over niet-weten.

Demonstraties van spreken zonder spreken – we hadden het er net over.

Maar uit een andere tijd en plaats. Ik bedoel daarmee: verouderd.

Sofie: Het ontbreekt je niet aan zelfvertrouwen.

Hans: Dat heeft niets met zelfvertrouwen te maken. De meeste koans zijn zonder toelichting gewoon onleesbaar, net als Middel-Nederlandse teksten voor een hedendaagse lezer.

Iemand die ‘wu’ antwoordt op de vraag ‘heeft een hond de boeddhanatuur’ – wat moet je daar nou mee als Hollandse kaaskop?

Sofie: Een koan is een raadsel.

Hans: ‘Het hangt in een boom en het tikt’ is een raadsel.

‘Waarom kwam Bodhidharma naar China’ is geheimtaal.

Alleen al om te begrijpen wat er staat, ben je afhankelijk van de uitleg van een ingewijde.

O ja, vergeet je portemonnee niet.

Sofie: In het Boek van Sereniteit wordt de uitleg standaard meegeleverd.

Hans: Die uitleg is geschreven in dezelfde geheimtaal als de koans. Zo blijf je aan de gang.

Sofie: Maar is het wel waar dat koans alleen maar over niet-weten gaan? Heb je daar wel gelijk in?

Hans: Natuurlijk heb ik daar geen gelijk in. In niet-weten bestaat geen gelijk of ongelijk.

Koans zijn koans. Dat ze over niet-weten gaan is gewoon een van de tienduizend visies op koans. Kijk met dit idee in je achterhoofd eens naar die dingen, laat de buiklach opborrelen en dan: weg ermee.

Sofie: Met die koans?

Hans: Met die koans, met de visie dat koans over niet-weten gaan, met de visie dat koans over een transcendente waarheid of werkelijkheid gaan, met welke visie op koans of op wat dan ook, hoppetee.

Sofie: Weg ermee.

Hans: Een ander woord voor niet-weten.

Sofie: Heb jij alle koans achter je gelaten?

Hans: Heb ik ze ooit voor me gehad?

Sofie: Heb jij eruit gehaald wat erin zat?

Hans: Heeft er ooit wat in gezeten?

Sofie: Vind jij koanstudie zinvol?

Hans: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Sofie: Oei.

Hans: Niet slecht.

Sofie: Wat zou jij zeggen?

Hans: Doei.

-369-

Spontaniteit als niet-weten

Sofie: Taoïsten en zenboeddhisten streven naar eenvoud, spontaniteit en authenticiteit. De verlichte is volledig afgestemd op de actuele situatie en doet zonder nadenken steeds het juiste.

Hans: Wat weet jij daarvan? Ben je verlicht of zo?

Sofie: Ik ben benieuwd wat jij daarvan vindt.

Hans: Van verlichting weet ik niets, dus daar kan ik niet over oordelen. Maar ik vind het best gek dat tradities die het niet-oordelen als de hoogste deugd zien, en alles aan de Tao of het Zelf over willen laten, de mond vol hebben van juist handelen.

Sofie: Wat is het probleem?

Hans: Om het juiste te doen en het onjuiste te laten zal je toch echt moeten oordelen.

Sofie: Doe jij altijd wat de situatie vraagt?

Hans: Ik doe nooit wat de situatie vraagt.

Sofie: Waarom niet?

Hans: Omdat de situatie mij nooit wat vraagt.

Sofie: O?

Hans: Volgens mij kan het de situatie geen barst schelen wat ik doe of laat. Al ga ik op mijn kop staan of schiet ik iedereen om me heen dood.

Sofie: Waarom vraagt de situatie jou nooit wat?

Hans: De situatie vraagt niemand ooit wat.

Iedere situatie laat zich door mij op talloze manieren duiden en iedere duiding vraagt iets anders van mij, dat wel. Maar het is niet de situatie die zichzelf duidt.

Sofie: Wij projecteren onze eigen duiding op de situatie.

Hans: Duizenden duidingen, het kan niet op. Evenveel als er gedachten zijn. Maar welke nou de juiste is?

Sofie: Zeg dat wel.

Hans: Als er al een juiste is.

Sofie: Ja, waarom eigenlijk.

Hans: Als er al een situatie is.

Sofie: Dat kan je toch niet ontkennen.

Hans: Maar ook niet bevestigen.

Sofie: Hoe bedoel je?

Hans: Ik heb geen idee waar de situatie eindigt en ikzelf begin. Ben ik in de situatie, ben ik de situatie, maak ik deel uit van de situatie, zit de situatie in mij of wat? Voor mij is het één pot nat.

Vandaar dat ik me ook niet hoef af te stemmen op de actuele situatie. Ik zit er tot over mijn oren in, net als iedereen. Jij net zo goed.

Sofie: Hoe denk jij over eenvoud?

Hans: Eenvoud is eenvoud, streven naar eenvoud maakt alles ingewikkeld.

Sofie: Mee ophouden dus.

Hans: Was het maar zo eenvoudig.

Sofie: Vind jij jezelf authentiek?

Hans: Soms ben ik echt echt, soms ben ik echt nep, ik ben altijd echt.

Sofie: Vind jij jezelf spontaan?

Hans: Soms ben ik spontaan spontaan, soms ben ik spontaan gemaakt, ik ben altijd spontaan.

Sofie: Maar wat betekent dat dan nog?

Hans: Voor mij niks. Ik zie het verschil niet. Ik ben daar helemaal niet mee bezig.

Sofie: Mag dat wel spontaniteit heten?

Hans: Ik noem het gewoon niet-weten.

-370-

De dharma als niet-weten

Sofie: Als een zenleerling het licht heeft gezien, krijgt hij transmissie van zijn meester. Heb jij transmissie gekregen?

Hans: Nee.

Sofie: Waarom niet.

Hans: Omdat ik nooit een zenmeester heb gehad.

Omdat ik nooit een zenleerling ben geweest.

Omdat ik nooit het licht heb gezien.

Sofie: Wat heb je dan wel gezien?

Hans: De duisternis.

Sofie: Wat denk jij dat er bij transmissie gebeurt?

Hans: Iemand in een kimono scheert iemand anders in een kimono met veel omhaal kaal.

Sofie: Wat wordt er daarbij overgedragen?

Hans: O, van alles en nog wat. Kwastjes. Slabbetjes. Glimlachjes. Knikjes. Buiginkjes. Titels. Een naambordje voor in de stamboom. Rechten. Plichten. Beloften. Geloften. Pseudoniemen. Eufemismen. Oorkondes van wat geen oren horen konden.

Sofie: Ik bedoel symbolisch.

Hans: Symbolischer kan haast niet.

Sofie: Waar staat het allemaal symbool voor volgens jou?

Hans: Symboliek, volgens mij.

Sofie: Ik bedoel, wat wordt er overgedragen?

Hans: Wordt er dan wat overgedragen?

Sofie: Het heet toch niet voor niks transmissie?

Hans: Een brevet van onvermogen, zou ik zeggen.

Sofie: Niet de dharma?

Hans: Dat is de dharma.

Sofie: Wat is de dharma?

Hans: Dat je absoluut niet meer weet wat je moet zeggen.

Sofie: Omdat de waarheid voorbij de woorden is?

Hans: Ja hoor, en omdat de hoogste wijsheid zonder wijsheid is en zo.

Sofie: De dharma is gewoon weer een eufemisme voor niet-weten, bedoel je.

Hans: Geweldig niet, zo’n moedersleutel?

Sofie: En natuurlijk is het weer niet waar wat je zegt.

Hans: En ook niet onwaar.

Sofie: En natuurlijk heb je weer geen gelijk.

Hans: En ook geen ongelijk.

Sofie: En ondertussen heb je het toch maar mooi gezegd.

Hans: De nar komt overal mee weg.

Sofie: Voor straf wordt hij nooit serieus genomen.

Hans: Voor de nar is dat de hoogste beloning.

Sofie: En voor jou?

Hans: Ik heb geen beloning meer nodig.

Sofie: Schrale troost.

Hans: Een mooiere beloning is er niet.

-371-

Universele verlichting als niet-weten

Sofie: Hoe kijk jij aan tegen het idee dat je niet verlicht kan worden omdat je het al bent?

Hans: O jee, het dogma van de universele verlichting.

Sofie: Iedereen heeft al de boeddhanatuur. Je bent al het ene, maar je weet het nog niet of niet meer.

Hans: Wat moet ik ervan zeggen? Ik weet niet eens wat verlichting is. Tenzij verlichting niet-weten is, maar ook daarover zijn de lichtmatrozen het niet eens.

Sofie: Wat nu, laat je passe-partout het afweten bij het idee van universele verlichting?

Hans: ’t Idee.

Sofie: Dus, wat maak jij ervan?

Hans: Dat je niets weet en nooit iets geweten hebt?

Sofie: Niet-weten hoeft niet bereikt te worden want je hebt nooit iets geweten.

Hans: Dit ook niet.

Sofie: Ook al dacht je al die tijd van wel.

Hans: Maar dat spreekt toch vanzelf? Binnen het verhaal van niet-weten is het een wassen neus. Een poort zonder poort. Een open deur.

Sofie: En je natuurlijke staat?

Hans: Eerst weet je niets, naarmate je ouder wordt meen je steeds meer te weten, hoe meer je weet hoe meer je twijfelt en uiteindelijk besef je dat al je kennis ongegrond is, dat je nog steeds niets weet, niet echt, dit ook niet.

Zodat je sinds je conceptie in wezen geen snars bent opgeschoten, al zit je kop inmiddels barstensvol concepten.

Sofie: Je hoeft niet terug te keren, naar je oorspronkelijke staat van niet-weten, want je bent er nooit weggeweest.

Hans: Zie je wel? Barstensvol concepten.

-372-

Geleidelijke en plotselinge verlichting als niet-weten

Sofie: Ik heb nog een vraag over verlichting, mag dat?

Hans: Welja, dan hebben we dat ook maar gehad.

Sofie: Volgens sommigen is verlichting iets waar je steeds dichterbij komt naarmate je jezelf vervolmaakt. Volgens anderen is het een kwestie van alles of niets: eerst ben je pertinent niet verlicht en dan ineens, door een woord, een gebaar of een op zichzelf genomen onbeduidende gebeurtenis, pertinent wel. Wat maak jij daarvan?

Hans: Bij de geleidelijke variant denk ik aan een zoeker die langzamerhand steeds minder goed weet wie hij is, wat de wereld is, wat zijn bestemming is, wat liefde is, wat gezondheid, ziekte, leven en dood zijn et cetera.

Naarmate er meer zekerheden wegvallen, komt hij steeds dichter bij het verdwijnpunt dat niet-weten heet – dat in de limiet zelfs geen niet weten meer mag heten omdat het spoorloos in zichzelf verdwijnt.

Bij de plotselinge variant denk ik aan het principiële verschil tussen weten, hoe weinig ook, en niet-weten.

Zolang je nog vaste grond onder je voeten hebt, al is het maar de postmoderne overtuiging dat waarheid relatief is of de sceptische overtuiging dat er niets te weten valt, woon je nog in het weten.

Net zoals de reeks 1, 1/2, 1/4,… het getal 0 wel benadert maar nooit bereikt.

Tot radicaal niet-weten kom je pas wanneer je stopt met rekenen en eindelijk die ellenlange staartdeling afschudt die je al die jaren als een pauw achter je aan hebt gesleept.

Sofie: Kortom…

Hans: Geleidelijk betekent rustig aan je stoelpoten zagen, plotseling is alleen het moment dat je door je stoel zakt.

Sofie: Duidelijk.

Hans: Maar voor mij is dit opnieuw een non-issue.

De hele kwestie van geleidelijke versus plotselinge verlichting berust op het idee dat er zoiets is als verlichting, het idee dat er iemand is die verlicht kan worden en het idee dat er een weg is om van de ene toestand naar de andere te gaan. Zonder die ideeën blijft er niets van over.

Waarmee ik niet wil zeggen dat er niet zoiets is als verlichting en niemand die verlicht kan worden en geen weg om van de ene toestand naar de andere te gaan; dat is een andere plek in hetzelfde moeras.

Sofie: Hoe kom je uit dat moeras?

Hans: Denken dat je in een moeras zit is een andere plek in hetzelfde moeras.

Sofie: Denken is het moeras.

Hans: Zou je denken?

Sofie: Geleidelijke versus plotselinge verlichting is een schijnprobleem veroorzaakt door essentialistisch denken, zou ik denken.

Hans: Denken in termen van schijnproblemen veroorzaakt door essentialistisch denken is essentialistisch denken en veroorzaakt schijnproblemen.

Sofie: Juist.

Hans: En schijnoplossingen natuurlijk.

Sofie: Hoe moeten we dan denken?

Hans: Zie je wel?

Sofie: Er is alleen maar niet-weten.

Hans: Zie je wel?

-373-

Eeuwige Wijsheid als niet-weten

Sofie: Jij vertaalt het hele spirituele jargon in niet-weten. Zou je kunnen zeggen dat niet-weten de lingua franca, de universele taal, het Esperanto van spiritualiteit is?

Hans: Je kan zeggen wat je wil, we leven in een vrij land.

Als je maar niet denkt dat het waar is omdat je het zegt of dat je het zegt omdat het waar is.

Sofie: Toch krijg ik de indruk dat niet-weten voor jou de kern van alle spiritualiteit vormt.

Hans: De kern?

Sofie: Hoe zou jij het noemen?

Hans: Het gat.

Sofie: Ik dacht aan de Eeuwige Wijsheid.

Hans: Niet-weten is misschien wel eeuwig, maar beslist geen wijsheid.

Geen Esperanto en geen Desperanto.

Gij die hier binnentreedt, laat alle hoop en wanhoop varen.

Sofie: Volgens de traditie van de Eeuwige Wijsheid zijn er bepaalde oerwaarheden en oerwaarden waar alle tradities het over eens zijn…

Hans: Te weten?

Sofie: Nou…

Hans: Maak het maar eens concreet. Wat is het kleinste gemene veelvoud van alle tradities? Waar zijn ze het allemaal over eens volgens jou?

Sofie: Tja.

Hans: Eeuwige Wijsheid is geen traditie, het is een yell. Een doorzichtig velletje voor eenheidsworsten.

Er is niets dat alle wijsheidstradities gemeen hebben, of ik moet het over het hoofd gezien hebben – maak mij maar wijzer.

Trouwens, over welke tradities hebben we het hier precies? Hindoeïsme, pythagorisme, kabbalisme, spiritisme, fatalisme? Ik wed dat niemand het er over eens is welke tradities tot de wijsheidstradities behoren.

Sofie: Die handschoen neem ik niet op.

Hans: Het enige waar ‘alle’ ‘wijsheidstradities’ het volgens mij over eens zijn is de lege leer – al zullen ze het daar ook wel niet mee eens zijn.

Sofie: Nergens over dus.

Hans: Niet zo cynisch. De grootste uitvinding in de geschiedenis van de rekenkunde is het getal nul.

Sofie: Volgens het universalisme…

Hans: Babylonische spraakverwarring is de universele taal van de spiritualiteit als je het mij vraagt.

Kijk maar eens wat boeken in. Klik maar eens wat websites aan. Loop maar eens wat kerken, synagogen, moskeeën, zendo’s, sangha’s, satsangs binnen. Leg je oor te luister, wat hoor je daar?

Sofie: Nou?

Hans: Alle vogeltjes zingen door elkaar. Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. En een van die vogeltjes ben ik. Tjiep tjiep tjiep!

Sofie: Toch is niet-weten jouw leidmotief.

Hans: Niet-weten is mijn moedertaal – waar ik steeds het hart uit haal.

Daarom is het alleen maar logisch dat ik het als passe-partout gebruik.

Het is aan anderen om mijn termen te ontsluiten met hun eigen passe-partout.

Als ze daar behoefte aan hebben.

Als ze een passe-partout hebben.

Sofie: Je zegt er wel wat bij.

Hans: Dus voel je helemaal vrij.

-374-

Niet-weten is wat ik niet zeg

‘Wat is niet-weten?’

‘Wat ik niet zeg.’

‘Waarom zeg je het niet?’

‘Zeggen is weten.’

‘Wat als je niets zegt?’

‘Dat zeg ik niet.’

‘Want dat is niet-weten?’

‘Dat zeg jij.’

‘Wat zeg jij?’

‘Wat is niet-weten?’

-375-

Het hart van niet-weten

Vier variaties op het kwatrijn ‘De geest van niet-weten’.

Eerste poging, semplice

semplice: eenvoudig

Ik ben niet gek! Ik ben niet dom!

Ik ben alleen maar eerlijk!

Ik weet het niet! Ik weet het niet!

Geloof me, dat is heerlijk!

Bis

Tweede poging, sonore

sonore: helder

Ik doe niet dik!

Ik doe niet dun!

Ik ben alleen!

Maar eerlijk!

Ik heb het niet!

Ik hou het niet!

Geloof me!

Dit is heerlijk!

Bis

Derde poging, appassionato

appassionato: hartstochtelijk

Ik ben niet!

Gek!

Toch ben ik!

Echt!

Ik ben alleen maar!

Heerlijk!

Je snapt het!

Niet!

Ik snap het!

Niet!

Wat denk je!

Zeg eens!

Eerlijk!

Laatste poging, isterico

isterico: doldwaas

!

!!

!!!

!!!!

!!!!!

!!!!!!

!!!!!!!

!!!!!!!!

!!!!!!!!!

!!!!!!!!!!

!!!!!!!!!!!

-376-

Definities van niet-weten – de dertiende maand

1. Niet-weten is het einde van je twijfels en het einde van je zekerheden.

2. Niet-weten is het einde van de antwoorden en het einde van de vragen.

3. Niet-weten is het einde van je woorden en het einde van je stilte.

4. Niet-weten is het einde van je gebondenheid en het einde van je vrijheid.

5. Niet-weten is het einde van gehechtheid en het einde van onthechting.

6. Niet-weten is het einde van het vasthouden en het einde van het loslaten.

7. Niet-weten is het einde van het worden en het einde van het ontworden.

8. Niet-weten is het einde van het object en het einde van het subject.

9. Niet-weten is het einde van het ego en het einde van het zelf.

10. Niet-weten is het einde van het relatieve en het einde van absolute.

11. Niet-weten is het einde van je karma en het einde van de dharma.

12. Niet-weten is het einde van samsara en het einde van nirwana.

13. Niet-weten is het einde van de vorm en het einde van de leegte.

14. Niet-weten is het einde van de illusie en het einde van de werkelijkheid.

15. Niet-weten is het einde van de dualiteit en het einde van de non-dualiteit.

16. Niet-weten is het einde van het onderscheid en het einde van de eenheid.

17. Niet-weten is het einde van de complexiteit en het einde van de eenvoud.

18. Niet-weten is het einde van de hoogmoed en het einde van de deemoed.

19. Niet-weten is het einde van de wanhoop en het einde van de hoop.

20. Niet-weten is het einde van de tijd en het einde van het nu.

21. Niet-weten is het einde van de leugen en het einde van de waarheid.

22. Niet-weten is het einde van het doen en het einde van het laten.

23. Niet-weten is het einde van het nemen en het einde van het geven.

24. Niet-weten is het einde van de dwaasheid en het einde van de wijsheid.

25. Niet-weten is het einde van het kwade het einde van het goede.

26. Niet-weten is het einde van de duisternis en het einde van het licht.

27. Niet-weten is het einde van de leerling en het einde van de meester.

28. Niet-weten is het einde van het hoofd en het einde van het hart.

29. Niet-weten is het einde van het spreken en het einde van het zwijgen.

30. Niet-weten is het einde van je verzet en het einde van je overgave.

31. Niet-weten is helemaal het einde.

365 Definities van niet-weten – de dertiende maand.

Zo. Dit waren alle 397 definities van ‘365 Definities van niet-weten’.

-377-

Woordenboek niet-weten: synoniemenwijzer

Er is maar één woord voor niet-weten: geen woord.

Geen woord praat nogal moeilijk en stilte is weer te veelzeggend, vandaar dat ik er een aantal synoniemen voor in gebruik heb genomen.

Die synoniemen staan her en der in het Witboek Niet-Weten, maar je zoekt je rot. Daarom heb ik er een aantal verzameld in deze synoniemenwijzer, geordend naar woordsoort.

Zelfstandig naamwoorden

In plaats van niet-weten (niet weten, nietweten), kan je ook spreken van adoxie, agnose, agorafilie, asofie, een autoclasme, de dwaalweg, dwijsbegeerte, dwijsheid, filasofie, groot ongeloof, groot uitzicht, groot wantrouwen, kenneloosheid, het lege boek, de lege leer, lege mystiek, lege religie, lege spiritualiteit, mindlessness, nietweterij, paradoxie, variologie, verduistering, weteloosheid, wetend niet weten, weten zonder weten, wijsheid zonder wijsheid, wijzeloosheid en wis-kunde.

Bijvoeglijk naamwoorden

In plaats van niet-wetend (niet wetend, nietwetend) kan je ook spreken van agnostisch, agorafiel, asofisch, asofistisch, autoclastisch, dwijs, dwijsgerig, filasofisch, kenneloos, mindless, variologisch, verduisterd, weteloos, wijzeloos of wis-kundig.

Persoonsaanduidingen

In plaats van een weetniet kan je ook spreken van een agnost, agorafiel, aikidogeest, afleerling, afleraar, antimeester, arme van geest, asoof, autoclast, dummy, duisterling, dwaalgast, dwaalgeest, dwaalgids, dwaalmeester, dwijsgeer, dwijsneus, dwijze, filasoof, kenneloze, lege leerling, lege leraar, niet-weter (nietweter), nitwit, tjazegger, varioloog, verduisterde, weetnietgeest, weteloze, wis-kundige, wiskunstenaar, wijzeloze, wijze zonder wijsheid of zengeest.

Meer synoniemen vind je onder andere in het lemma oxymoron.

-378-

Niet-weten voor proctologen

‘Wat is weten?’

‘Tien pond scheten.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Ook tien pond scheten.’

‘Wat is dan het verschil?’

‘Dat jij dat nog wil weten.’

-379-

De dwijze is dronken van nuchterheid

Een meesterlijke verslaving.

‘Wat is weten?’

‘Dronkenschap.’

‘Wat is niet weten?’

‘Nuchterheid.’

‘Ben je dan nooit meer dronken?’

‘Dan ben je stomdronken.’

‘Ben je dan nooit meer nuchter?’

‘Dan ben je broodnuchter.’

‘Ja, ben je nou dronken of nuchter?’

‘Dan ben je dronken van nuchterheid.’

-380-

Niet-weten is de uitgang uit alle uitgangspunten

X: Wat is weten?

Hans: Een vertrekpunt.

X: Waarnaartoe?

Hans: Niet-weten.

X: Wat is niet-weten?

Hans: Ook een vertrekpunt.

X: Waarnaartoe?

Hans: Joost mag het weten.

-381-

Pech is de weg naar het Grote Soit

Het pad van niet weten is een pad zonder pad.

Het pad zonder pad loopt weg van de weg.

Weg van de weg is een groot zwart gat.

Dat gat is het hart van het nulvoudig pad.

Het lege geluk heeft de vorm van pech.

Pech is de weg naar het Grote Soit.

-382-

De wolken van weten en niet-weten

De wolk van weten

Verbeten mannetje met dikke grijze wolken boven zich die hij maar net omhoog kan houden.

De wolk van niet-weten

Hetzelfde mannetje, ditmaal lachend, met een paar kleine blauwe wolkjes om zich heen die alweer oplossen.

-383-

Niet-weten als het einde der tijden

Wat is eschatologie?

Eschatologie is de theologie van het laatste oordeel en het einde der tijden, armageddon, eschaton.

Je vind het idee van het einde der tijden in een of andere vorm terug in bijna alle grote religies, waaronder het christendom, het judaïsme, de islam en het boeddhisme, maar ook, bijvoorbeeld, bij de Maya en bij kleine sectarische religies.

Eschatologie volgens het non-dualisme

Een modern voorbeeld van eschatologie zien we in de non-dualistische interpretatie van het Thomas Evangelie door Marcel Messing, die de komst van het Rijk Gods uitlegt als het einde van de subjectieve werkelijkheid, mijn werkelijkheid, die waarin ik, juist als subject, afgescheiden ben van de rest van de wereld, die mij tot object dient.

Niet het universum als geheel maar mijn subjectieve dualistische wereld zal vernietigd worden.

Niet door een cataclysme maar door het inzicht in haar ware, non-duale aard.

De werkelijkheid is al het Rijk der Hemelen, maar we zien het niet.

We leven de Waarheid al maar we weten het nog niet.

In deze visie is het dus niet de werkelijkheid als zodanig die vernietigd moet worden, maar de schijnwerkelijkheid in ons, en wij met haar, zodat eindelijk de Ene Werkelijkheid die wij zijn aan de dag kan treden.

Eschatologie volgens de agnost

In niet-weten is het niet de objectieve wereld die eraan gaat en ook niet de subjectieve, dualistische wereld, maar ieder denkbeeld, en daarmee ieder wereldbeeld – niet alleen het dualistische maar ook het non-dualistische, het monistische, het nihilistische en het pluralistische.

Het einde der tijden is het einde van de denk-beelden.

Het einde van de denk-beelden is het einde van het weten.

Het einde van het weten is het einde van niet-weten.

De agnost raakt de werkelijkheid in iedere zin van het woord kwijt, en iedere zin voor de werkelijkheid.

Hij weet niet eens óf de werkelijkheid is, laat staan hoe zij is, of wát, of uit welke delen zij bestaat, laat staan in welk verband deze delen staan.

In agnose hoeft de werkelijkheid niet vernietigd te worden want zij wordt niet verondersteld, noch als realiteit, noch als illusie.

Haar bestaan wordt ontkend noch bevestigd.

Agnose maakt daarom niet alleen een einde aan de bekende wereld maar ook aan het einde daarvan.

Om over de onbekende wereld nog maar te zwijgen.

Van een hogere waarheid of een diepere werkelijkheid is in niet-weten sprake noch geen sprake.

Of dit de eindtijd of de begintijd of de tussentijd of de droomtijd of de wantijd of nog iets anders of niets moet heten moet je zelf maar weten.

Ik noem het mijn speelkwartier.

-384-

Apologie voor mijn apologie van niet-weten

‘Een keizer zonder kleren trekt het boetekleed aan.

Niet-weten is eindeloos, net als mijn teksten over niet-weten.

Allemaal staan ze tjokvol beweringen, begrippen en aannames.

Daarmee brengen ze een weten tot uitdrukking, een weten van niet-weten.

Dat was natuurlijk niet de bedoeling, maar zo werkt onze taal nou eenmaal.

Je kan er een waarheid mee onder woorden brengen, maar geen niet-weten.

Niet omdat de waarheid voorbij de woorden is, maar omdat niet-weten geen waarheid is.

Tijdens het onvermijdelijke beweren hoop ik mijn niet-weten te demonstreren:

Door voortdurend mijn beweringen te herroepen.

Door voortdurend mijn begrippen te ondergraven.

Door voortdurend mijn aannames te benoemen.

Daarvoor moet ik weer nieuwe beweringen doen, nieuwe begrippen gebruiken en nieuwe aannames doen.

Die op hun beurt ontkend, ontmanteld en ontmaskerd moeten worden, enzovoort.

Een hopeloze zaak.

Kon je erdoorheen kijken?

-385-

Niet-weten is een wassen neus

Niet-weten is een wassen neus.

In dit Witboek heb ik hem mijn uiterste best gedaan om hem in een bepaalde vorm te kneden.

Een vorm die voorkómt dat iemand hem achterna loopt.

Een ronde.

Waarheen wijst een ronde neus?

Overal heen.

Waarheen wijst een neus die overal heen wijst?

Nergens heen.

De neus van niet-weten wijst overal en nergens naar.

Waar je ook heen loopt, je loopt je neus achterna.

Heb je toch nog het idee dat je ergens heen gaat.

Niet-weten is een fopneus.

Maar wel een mooie.

Droste-effect van hoofd in de vorm van een rode fopneus waarvan de neus ook weer een hoofd is in de vorm van een fopneus…
Waarheen wijst een ronde neus?

-386-

Epiloog: niet-weten is jazz

Door Goff Smeets.

Onlangs is ‘Both Directions at Once’ verschenen. Dat is een verzameling stukken gespeeld door het kwartet van saxofonist John Coltrane. Opgenomen in 1963, een paar jaar voor zijn overlijden. En drie weken voordat een ander kwartet – The Beatles – zijn eerste studio-opname maakte.

Kenners beweren dat er na John Coltrane niks meer te zeggen valt op de sax en dat hij de jazz kapot heeft geperfectioneerd. Zijn ‘truc’ was om het dollen met akkoorden in de vaste toonsoort van een stuk te vervangen door het dollen met niet-vaststaande toonsoorten voor het stuk.

Daardoor begonnen melodie (het deuntje) en harmonie (steuntje onder het deuntje) steeds meer op elkaar te lijken. Voor de oren van getrainde musici – laat staan het publiek, zie beneden – is het dan ook hogere wiskunde. En voor hun vingers en de rest van het lichaam is het een uitputtingsslag vanwege het vaak razende tempo waarin Coltrane opereerde.

Het gebeurde meer dan eens dat zijn kompanen hem muzikaal en fysiek niet meer konden volgen en tijdens een optreden ofwel het zwijgen ertoe moesten doen ofwel een muzikaal duel aangaan. En ze waren bepaald niet de minsten: McCoy Tyner (piano), Jimmy Garrison (bas) en Elvin Jones (drums). De drummer was de enige die met melodie en harmonie nauwelijks te maken had en daardoor Coltrane’s sax wel kon volgen en ritmisch van repliek dienen.

Het publiek, ik in dit geval, lukt het niet om in veel stukken van Coltrane signaal van ruis te onderscheiden. Dat is niet-weten.

Er is een mop over: een klant in de dierenwinkel wil een zingende papegaai aanschaffen en de handelaar zegt dat er drie stuks in de aanbieding zijn. Nummer 1 heeft prachtige veren en kan alle solo’s van Louis Armstrong zingen. Nummer 2 heeft eveneens een prachtig verenkleed maar is een stuk duurder omdat hij alle solo’s van Charlie Parker ten beste brengt. Nummer 3 is half-blind, heeft een slordig kapsel en is nauwelijks in staat om haar evenwicht op het schommelstokje te bewaren. Maar ze kost meer dan die andere twee bij elkaar. De klant vraagt wat ze dan zoal zingen kan. De winkelier zegt dat hij geen idee heeft maar dat de andere twee haar aanspreken met maestro.

Niet-weten is afzien van het verschil tussen ruis en signaal. John Coltrane liet het horen. En soms was het niet om aan te horen.

Vraagteken in de vorm van een saxofoon.
Niet-weten is jazz.

Meteen door naar de proloog: Niet-weten is blues.