Top

NietWeten.nl      

-1-

Hans van Dam

Bevlogen schrijver over niet-weten

Foto van de schrijver.
Hans van Dam (1958), eigenaar van NietWeten.nl, auteur van de Agnosereeks en columnist in het Boeddhistisch Dagblad.

Hans is een vrije vogel die niets voor lief neemt en nergens nestelt behalve bij zijn lief.

‘Mijn levensloop? Het leven neemt een loopje met me.’

Contact

-2-

Wie zou ik zijn zonder jou?

Hierboven zie je een mozaïek van duizenden pixels (picture elements), monochrome vierkantjes die samen de polychrome illusie wekken van een substantieel mens in een substantiële wereld.

Overtuigend, nietwaar? Vooral als we het mozaïek in kwestie een foto noemen, de illusie een naam geven, laten we zeggen Hans van Dam, en uitroepen tot auteur dezes.

Een en ander doen we natuurlijk niet op eigen kracht maar met behulp van honderden andere mozaïekjes in de vorm van letters en leestekens die zich ogenschijnlijk aaneenrijgen tot woorden, zinnen en alinea’s.

Daarin leg je ongemerkt zelf de betekenis die je vervolgens zonder meer aan mij toeschrijft.

Wie zou ik zijn zonder jou?

Gepixeleerd portret van de schrijver.
Het ware gezicht van Hans van Dam.

-3-

Een aanbeveling voor de autobiograaf

‘Wat weet jij eigenlijk van jezelf, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

-4-

Curriculum vitae van een omloper

Zeven mijlslaarzen naar huis.

Als jongeling vlucht Hans zo lang mogelijk heen en weer tussen de Universiteit van Utrecht en Japan.

Als dat echt niet langer gaat, doet hij zich vijf jaar lang voor als een brave burgerman, compleet met koopwoning, overheidsbetrekking en samenlevingscontract.

Als dat echt niet langer gaat, doet hij zich vijf jaar lang voor als een ambachtelijke kunstenaar, compleet met tekentafel, lichtbak, episcopen, Leica, doka en thuisstudio.

Als dat echt niet langer gaat, doet hij zich vijf jaar lang voor als een filosoof, compleet met opschrijfboekje, dictafoon en tekstverwerker.

Als dat echt niet langer gaat, schept hij zich een vrijplaats, Idios – een oase van onrust waarin al het ondenkbare en onzegbare gedacht en gezegd mag worden.

Als hij ook van vrijdenkerij verzadigd raakt, doet hij nog één poging om iets van zijn leven te maken. Hij moet en zal de waarheid vinden. Het waarom, het waarheen, het waartoe!

Dan weet hij het helemaal niet meer. Zelfs dáárvoor staat hij niet in. Wel komt hij er eindelijk voor uit.

Hè hè, was dat nou zo moeilijk?

-5-

Hans van Dam is te gek voor woorden

En wie is dat nou niet?

Sommige mensen vragen zich af wie het is die al die dwaalteksten uit zijn duim zuigt. Ja, dat zou ik ook weleens willen weten.

Ongetwijfeld gaat iemand mij dat nog eens haarfijn uitleggen.

Een roshi of een rinpoche.

Een goeroe of een mystagoog.

Een priester of een humanist.

Een sjamaan of een vrijmetselaar.

Een astronoom of een astroloog.

Een monist of een nondualist.

Een nihilist of een pluralist.

Een darwinist of een neuroloog.

Een fysioloog of een kwantumfysicus.

Een filosoof of een frenoloog.

Een psychiater of een psycholoog.

Liefst allemaal tegelijk en door elkaar heen.

Voor elke ik een specialist, ieder in zijn eigen taal, dat zal me een geouwehoer geven, zeg.

Babylonische spraakverwarring als hoogste identiteit.

Hoe ik mezelf op dit moment zou omschrijven? O, eh…

Als een heraut – zonder boodschap

Als een vrijbuiter – zonder buit

Als een kaper – zonder kust

Als een boekanier – zonder boeken

Als een piraat – zonder raad

Als een oproerling – zonder roer

Als een dwarsligger – zonder rails

Als een illusionist – zonder illusies

Als een pretendent – zonder pretenties

Als een dominee – zonder kansel

Als een zwerver – zonder ransel

Of gewoon als een kind met een rugzakje natuurlijk.

Een leeg rugzakje, dat dan weer wel.

Ach, Hans van Dam is gewoon te groot voor woorden.

Ik bedoel natuurlijk te klein voor woorden.

Te gewoon voor woorden.

Te gek voor woorden.

En wie is dat nou niet?

En wat is niet te gek voor woorden?

-6-

Ik speel nu met verve, al is het geen rol

Wat is het dat fascineert en doet beven? Het onoplosbare raadsel dat mijn naam draagt.

In den beginne wist ik niets. Niemand hoefde mij de weg te wijzen. Alles ging vanzelf. Ik speelde met verve, al was het geen rol, maar mijn ouders wisten wel beter: niet weten was niets voor mij.

Ik stierf als speelkind en verrees als kind van god. Religie zou mij de weg wel wijzen. Ik speelde mijn rol met verve maar niemand kende de hoogste. Kind zijn van god betekende nog steeds: niet weten wie ik was.

Ik stierf als kind van god en verrees als mens. Humanisme zou mij de weg wel wijzen. Ik speelde mijn rol met verve maar niemand begreep onze soort. Mens zijn betekende nog steeds: niet weten wie ik was.

Ik stierf als mens en verrees als denker. Filosofie zou mij de weg wel wijzen. Ik speelde mijn rol met verve maar niemand kende de waarheid. Filosoof zijn betekende nog steeds: niet weten wie ik was.

Ik stierf als denker en verrees als ziel. Psychologie zou mij de weg wel wijzen. Ik speelde mijn rol met verve maar niemand doorzag de psyche. Ziel zijn betekende nog steeds: niet weten wie ik was.

Ik stierf als ziel en verrees als lichaam. Fysiologie zou mij de weg wel wijzen. Ik speelde mijn rol met verve maar niemand begreep het fysiek. Lijf zijn betekende nog steeds: niet weten wie ik was.

Ik stierf als lichaam en verrees als dier. Biologie zou mij de weg wel wijzen. Ik speelde mijn rol met verve maar niemand doorgrondde het leven. Dier zijn betekende nog steeds: niet weten wie ik was.

Ik stierf als dier en verrees als stof. Fysica zou mij de weg wel wijzen. Ik speelde mijn rol met verve maar niemand doorzag de materie. Stof zijn betekende nog steeds: niet weten wie ik was.

Ik stierf als stof en verrees als geest. Spiritualiteit zou mij de weg wel wijzen. Ik speelde mijn rol met verve maar niemand begreep het bewustzijn. Geest zijn betekende nog steeds: niet weten wie ik was.

Ik stierf als geest en verrees als het al. Holisme zou mij de weg wel wijzen. Ik speelde mijn rol met verve maar niemand vatte de kosmos. Alles zijn betekende nog steeds: niet weten wie ik was.

Ik stierf als alles en verrees als niets. Boeddhisme zou mij de weg wel wijzen. Ik speelde mijn rol met verve maar niemand doorgrondde de leegte. Niets zijn betekende nog steeds: niet weten wie ik was.

Ik stierf als niets en verrees niet meer. De weg is vergeten, ik blijf wel hier. Ik speel nog met verve, al is het geen rol. Soms denk ik dat niemand iets weet, al ben ik ook daarvan niet zeker.

-7-

Van brabbelaar naar krabbelaar

C.V. van een o.h.

Eerst kabbel je maar wat

dan sabbel je maar wat

dan grabbel je maar wat

dan brabbel je maar wat

maar je brabbelen

wordt babbelen

en ineens zeg je

mama

en ineens zeg je

lief

en ineens zeg je

stout

en ineens zeg je

ik

en ineens zeg je

ik ben lief

en

ik ben stout

en

ik ben goed

en

ik ben slecht

ik ben in wezen goed

ik ben in wezen slecht

ik ben in wezen goed en slecht

ik ben in wezen goed noch slecht

ik ben in wezen

wezenloos

soms ben ik zus

soms ben ik zoon

maar ben ik wel

of ben ik niet

of ben ik wel

én ben ik niet

de waarheid is

de waarheid is

de waarheid is

een woord

een woord

geen oord

een poort

van wat

naar wat

van gat

naar gat

je weet

niet wat

je zegt

je zegt

ik weet niet

of ik weet

of niet

ik zeg

maar niets meer

zeg je nog

dan zeg je

niets meer

niet hardop

je houd je mond

maar nooit je kop

de stilte spreekt

je toch niet aan

dus trek je weer

van leer

tot leer

de lege

blijkt

je laatste

heer

een metafoor

voordat

voor dat nooit meer

wat moet je dan

nog zeggen

tja

je doet gewoon

van bla bla bla

o jee

ha ha

ach gut

nou ja

dus

net als toen

en net als nu

en net als iedereen

alleen

het zegt je niks meer

wat je zegt

het zegt je

zelfs niet niks meer

en je schrijft

het op

is op

kortom

nu krabbel je maar wat

-8-

Mijn ware gezichten

Maandag

‘Laatst noemde iemand jou een zenboeddhist, Hans.’

‘Het boeddhisme heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren.’

‘Volgens mij ben jij meer een nondualist.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Dinsdag

‘Laatst noemde iemand jou een nondualist, Hans.’

‘Advaita heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren.’

‘Volgens mij ben jij meer een taoïst.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Woensdag

‘Laatst noemde iemand jou een taoïst, Hans.’

‘Het taoïsme heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren.’

‘Volgens mij ben jij meer een mysticus.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Donderdag

‘Laatst noemde iemand jou een mysticus, Hans.’

‘Mystiek heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren.’

‘Volgens mij ben jij meer een soefi.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Vrijdag

‘Laatst noemde iemand jou een soefi, Hans.’

‘Religie heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren.’

‘Volgens mij ben jij meer een agnost.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Zaterdag

‘Laatst noemde iemand jou een agnost, Hans.’

‘Niet-weten heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren.’

‘Volgens mij ben jij meer een zenboeddhist.’

‘Geef het kind maar geen naam.’

Zondag

Hè hè.

Maandag

‘Laatst noemde iemand jou een zenboeddhist, Hans.’

-9-

Mijn oorspronkelijk gezichtsverlies

‘Is niet-weten jouw oorspronkelijke gezicht, Hans?’

‘Zeg maar gerust mijn oorspronkelijke gezichtsverlies.’

‘Je ziet het niet als een triomf?’

‘En ook niet als een debacle.’

‘Hoe zie je het dan wel?’

‘En ook niet als een het.’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Niet-weten is geen gezicht.’

Portret van Hans van Dam zonder gezicht.
Niet-weten is geen gezicht.

-10-

Ruimte voor bekrompenheid

‘Heb jij overal ruimte voor, Hans?’

‘Zelfs voor bekrompenheid.’

‘Ik bedoel, sta jij echt overal voor open?’

‘Zelfs voor geslotenheid.’

‘Aanvaard jij werkelijk alles?’

‘Zelfs afwijzing.’

‘Heb je het nou over anderen of over jezelf?’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Voor andermans bekrompenheid of die van jezelf?’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Voor andermans geslotenheid of die van je zelf?’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Voor andermans afwijzing of die van jezelf?’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Begrijp ik het goed dat jij zelf niet vrij bent van bekrompenheid, geslotenheid en afwijzen?’

‘Niet dat ik weet.’

‘Is dat een kwestie van keuze of van overmacht?’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Bedoel je daarmee dat het je niet uitmaakt, of dat je het niet weet?’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Dat je dat niet hoeft te weten.’

‘Overal ruimte voor hebben, zou ik zeggen.’

‘Dan ook voor wel-weten.’

‘Maar jij bent toch van NietWeten.nl?’

‘Ik ben nergens van.’

‘Maar NietWeten.nl is toch van jou?’

‘Niets is van mij.’

‘Hè?’

‘Alles dan?’

‘Maar weten is toch juist …’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Jij hebt echt overal ruimte voor!’

‘Zelfs voor bekrompenheid.’

-11-

Masters of the universe

Spelende wijs.

‘Wat is jouw favoriete lectuur, Hans?’

‘Ik lees niet veel meer.’

‘En vroeger?’

‘Las ik alles wat los en vast zat.’

‘Noem eens wat.’

‘Ik heb eens een jaar lang Perry Rhodan gelezen.’

‘Science-fiction?’

‘Je moet toch wat.’

‘Ik bedoelde eigenlijk op het gebied van religie en spiritualiteit.’

‘Ik zie het verschil niet.’

‘Wat is er spiritueel aan Perry Rhodan?’

‘De lezer.’

‘Wie was je favoriete karakter?’

‘Gucky.’

‘Gekkie?’

‘Een pratende muisbever die alleen maar wil spelen en tuk is op wortelen.’

‘Niet Perry Rhodan?’

‘Stel je voor.’

‘Waarom niet?’

‘Rhodan is de held.’

‘Master of the Universe.’

‘Dat denkt hij tenminste.’

‘Jij denkt van niet?’

‘Het is maar een verhaal.’

‘En jij bent tuk op wortelen.’

‘En ik wil alleen nog maar spelen.’

‘Wat is iemand die alleen nog maar speelt?’

‘Master of the Universe.’

-12-

Rijk zonder rijk

‘Hoe voelt niet-weten, Hans?’

‘Rijk.’

‘Heb je daarom tranen in je ogen?’

‘Wie zal het zeggen.’

‘Waar ben je dan zo rijk mee?’

‘Geen idee.’

‘Met de Waarheid?’

‘Ken ik niet.’

‘Met de Werkelijkheid?’

‘Ken ik niet.’

‘Met de Wijsheid voorbij alle wijsheid?’

‘Heb ik niet.’

‘Met het Ene?’

‘Ken ik niet.’

‘Met het Numineuze?’

‘Ken ik niet.’

‘Met je Oorspronkelijke Gezicht?’

‘Heb ik niet.’

‘Waar ben je dan zo rijk mee?’

‘Dat zeg ik.’

‘Wat?’

Geen idee.’

-13-

Ik schaam me voor alles wat ik over niet-weten heb gezegd

Wanneer het over liefde gaat, schaam ik me voor al wat ik erover heb gezegd.

(Rumi in Het pad van de soefi, Javad Nurbakhsh, 2006, pagina 2)

Ik schaam me voor alles wat ik over niet-weten heb gezegd.
Meer nog zou ik me schamen als ik erover had gezwegen.

Ik schaam me dat ik er zoveel over heb gezegd.
Meer nog zou ik me schamen als ik me had ingehouden.

Ik schaam me dat ik van niet-weten spreek.
Meer nog zou ik me schamen als ik god of liefde of waarheid had gezegd.

Ik schaam me dat ik me overal voor schaam.
Meer nog zou ik me schamen als ik me nergens voor had geschaamd.

‘Ik schaam me dat ik er zoveel over heb gezegd. Meer nog zou ik me schamen als ik me had ingehouden.’